VC522 - Multimeter VOLTCRAFT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis VC522 VOLTCRAFT in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding VC522 - VOLTCRAFT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. VC522 van het merk VOLTCRAFT.
GEBRUIKSAANWIJZING VC522 VOLTCRAFT
-product hebt u een hele goede beslissing genomen, waarvoor we u van harte willen bedanken. U heeft een hoogwaardig product uit de merkfamilie gekocht dat zich onderscheidt op het gebied van de meet-, laad- en netwerktechnologie door de buitengewone vakkundigheid en permanente innovatie. Met Voltcraft
kan zowel de kieskeurige hobbyist als de professionele gebruiker zelfs de moeilijkste taken probleem- loos uitvoeren. Voltcraft
biedt u betrouwbare technologie met een uitstekende prijs-kwaliteitsverhouding. We zijn ervan overtuigd: Uw keuze voor Voltcraft is tegelijkertijd het begin van een langdurige en prettige samen- werking. Veel plezier met uw nieuwe Voltcraft
-product! Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk. Voor meer informative kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be88
2. Verklaring van de symbolen
Een uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke informatie in deze gebruiksaanwijzing die in elk geval nageleefd moet worden. Een bliksemschicht in een driehoek waarschuwt voor gevaar op elektrische schokken of beschadiging aan de elektrische beveiliging van het apparaat. Een symbool met een vierkant staat het meten van de stroom aan niet-geïsoleerde, gevaarlijk-actieve stroomkabels toe en waarschuwt voor de mogelijke gevaren. U dient gebruik te maken van een persoonlij- ke veiligheidsuitrusting. Het “pijl”-symbool ziet u waar bijzondere tips en aanwijzingen over de bediening gegeven worden. Dit apparaat is CE-conform en voldoet aan de noodzakelijke Europese richtlijnen Beschermingsklasse 2 (dubbele of versterkte isolatie, beschermende isolatie) CAT I Meetcategorie I voor metingen aan elektrische en elektronische apparaten die niet direct door netspanning gevoed worden (bijv. apparaten die op batterijen werken, lage beveiligingsspanning, signaal- en stuurspan- ningen enz.) CAT II Meetcategorie II voor metingen aan elektrische en elektronische apparaten die via een netstekker worden voorzien van netspanning. Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën (bijv. CAT I voor het meten van signaal- en stuurspanningen). CAT III Meetcategorie III voor metingen in installaties in gebouwen (bijv. stopcontacten of groepen). Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën (bijvoorbeeld CAT II voor metingen aan elektrische apparaten). Het uitvoeren van metingen in CAT III is alleen toegestaan met behulp van meetpunten met een maximale blootgestelde contactlengte van 4 mm of meetpunten met afdekkappen. CAT IV Meetcategorie IV voor metingen aan de bron van laagspanningsinstallaties (bijvoorbeeld hoofdverdeelin- stallatie, residentiele aansluitpunten van de energieleverancier enz.) en buitenshuis (bijvoorbeeld werk- zaamheden aan aardekabels, vrije kabels enz.). Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën. Het uitvoeren van metingen in CAT IV is alleen toegestaan met behulp van meetpunten met een maximale blootgestelde contactlengte van 4 mm of meetpunten met afdekkappen. Aardpotentiaal89
3. Doelmatig gebruik
- Meten en weergeven van de elektrische grootheden in het bereik van meetcategorie CAT III tot max. 600 V tegen aardpotentiaal, overeenkomstig EN 61010-1 en alle lagere meetcategorieën. Het meetapparaat mag niet worden gebruik in de meetcategorie CAT IV.
- Wisselstroommetingen tot max. 400 A (AC-TrueRMS)
- Meten van gelijkstroom tot max. 400 A (alleen VC-523/VC-523 SE)
- Gelijkstroom- en wisselstroommetingen tot max. 600 V (AC-TrueRMS)
- Frequentiemeting tot 10 kHz
- Temperatuurmetingen tussen -20 en +760 °C
- Weerstandsmetingentot40MΩ
- Meten van capaciteiten tot 1000 µF
- Contactlozewisselspanningszoeker(NCV)≥230V/ACen≤50mmafstand De meetfuncties worden via de draaiknop geselecteerd. De meetbereikselectie vindt bij veel meetfuncties automa- tisch plaats en kan ook handmatig vooraf worden ingesteld. Bij het AC-spannings- en AC-stroommeetbereik worden de echte RMS (True RMS) weergegeven. De polariteit wordt bij negatieve meetwaarden automatisch met het teken (-) weergegeven. De stroommeting geschiedt contactloos via de uitklapbare stroomtang. Het ontkoppelen van de meten stroomkring is niet nodig. De stroomtang is tevens ontworpen en goedgekeurd voor het meten van ongeïsoleerde, gevaarlijke geleiders die onder stroom staan. De spanning in het meetcircuit mag in CAT III 600 V niet overschrijden. Het is aanbevolen om persoonlijke beschermingsuitrusting te dragen wanneer u metingen in het CAT III bereik uitvoert. De multimeter werkt op drie 1,5 V microbatterijen (type AAA, LR03) die in de handel verkrijgbaar zijn. Gebruik het apparaat alleen met het aangegeven batterijtype. Gebruik geen batterijen met een celspanning van 1,2 V. Een au- tomatische uitschakeling vermijdt een vroegtijdige ontlading van de batterijen. De automatische uitschakeling kan worden gedeactiveerd. Gebruik de multimeter niet wanneer de behuizing of het batterijvak open is of als het batterijdeksel ontbreekt. Metingen in explosiegevaarlijke omgevingen of vochtige ruimtes, bijvoorbeeld onder ongunstige omgevingsomstan- digheden, zijn niet toegestaan. Ongunstige omgevingsomstandigheden zijn: Vocht of hoge luchtvochtigheid, stof en brandbare gassen, dampen of oplosmiddelen, onweer of soortgelijke omstandigheden zoals sterke elektrostatische velden enz. Gebruikvoordemetingenalleenmeetleidingenen-accessoiresdieopdespecicatiesvandemultimeterzijnafge- stemd. De multimeter mag alleen worden gebruikt door personen die vertrouwd zijn met de geldende meetvoorschriften en alle mogelijke gevaren. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen wordt aanbevolen. Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met beperkte fysieke, sensorische of mentale vermogens of vanwege een gebrek aan ervaring en/of gebrek aan kennis. De omgang met meetapparaten dient door geschoold personeel verantwoordelijk bewaakt te worden.90 Elk ander gebruik dan hierboven beschreven zal het product beschadigen en kan andere gevaren met zich mee- brengen, zoals kortsluiting, brand, elektrische schok enz. Het gehele product mag niet worden veranderd of worden omgebouwd! Lees de gebruiksaanwijzing goed door en bewaar deze om later nogmaals te kunnen raadplegen. De veiligheidsrichtlijnen dienen altijd in acht te worden genomen!
4. Omvang van de levering
- Veiligheidsinstructies
- Gebruiksaanwijzing Actuele gebruiksaanwijzingen Download de actuele gebruiksaanwijzingen via de link www.conrad.com/downloads of scan ze met behulp van de afgebeelde QR-code. Volg de aanwijzingen op de website.91
5. Veiligheidsinstructies
Lees de gebruiksaanwijzing voor gebruik zorgvuldig door. Deze bevat belangrijke informatie voor een juist gebruik van het product. In geval van schade, die ontstaat door het niet naleven van de gebruiksaanwijzing, komt de waar- borg/garantie te vervallen! We zijn niet aansprakelijk voor gevolgschade! Wij zijn niet aansprakelijk voor materiële schade of persoonlijk letsel veroorzaakt door verkeerd gebruik of het niet opvolgen van de veiligheidsinstructies! In dergelijke gevallen komt de waar- borg/garantie te vervallen.
- Het apparaat heeft de fabriek in een technisch veilige en perfect werkende toestand verlaten.
- Volg de in deze gebruiksaanwijzing opgenomen veiligheidsinstructies en waarschuwingen op om deze toestand van het apparaat te behouden en te zorgen voor een veilig gebruik ervan!
- Om redenen van veiligheid en goedkeuring is het eigenmachtig ombouwen en/of wijzigen van het ap- paraat niet toegestaan.
- Raadpleeg een expert wanneer u twijfelt over het juiste gebruik, de veiligheid of het aansluiten van het apparaat.
- Meetinstrumenten en toebehoren zijn geen speelgoed en moeten uit de buurt van kinderen worden gehouden!
- In commerciële instellingen dient men de ongevallenpreventievoorschriften van het Verbond van Com- merciële Beroepsverenigingen voor Elektrische Installaties en Apparatuur in acht te nemen.
- In scholen en opleidingsinstellingen, hobby- en werkplaatsen moet werken met meetapparatuur gebeu- ren onder toezicht van daartoe opgeleid personeel.
- Zorg bij elke spanningsmeting dat het meetapparaat zich niet in een andere meetfunctie bevindt.
- Bij het gebruik van de meetkabels zonder afdekkappen mogen metingen tus- sen het meetapparaat en aardpotentiaal niet boven de meetcategorie CAT II uitgevoerd worden.
- Bij metingen in de meetcategorie CAT III moeten de afdekkappen op de meet- punten worden geplaatst, om onbedoelde kortsluiting tijdens de meting te voor- komen.
- Plaats de afdekkappen op de meetpunten totdat ze vastzitten. Om ze te verwij- deren trekt u de kappen met enige kracht van de punten.
- Verwijder de meetpunten altijd van het meetobject voordat u het meetbereik wijzigt.
- De spanning tussen de aansluitpunten van het meetapparaat en aardpotentiaal mag niet hoger zijn dan 600 V in CAT III.
- Wees met name voorzichtig bij de omgang met wisselspanningen (AC) groter dan 33 V resp. gelijkspan- ningen (DC) groter dan 70 V! Bij deze spanningen kunt u in geval van contact met een elektrische kabel een levensgevaarlijke elektrische schok krijgen.
- Om een elektrische schok te voorkomen, dient u ervoor te zorgen dat u de te meten aansluitingen/ meetpunten tijdens de meting niet, ook niet indirect, aanraakt. Tijdens het meten mag u de meetpunten niet voorbij de voelbare handgreepmarkeringen vastpakken. Ook mag u het meetapparaat dan niet aanraken.92
- Controleer voor elke meting uw meetapparaat en de meetdraden op beschadiging(en). Voer nooit metin- gen uit als de beschermende isolatie beschadigd is (gescheurd, losgetrokken, etc.). De meegeleverde meetkabels zijn voorzien van een slijtage-indicator. Bij beschadiging wordt er een tweede isolatielaag met een andere kleur zichtbaar. De meetapparatuur mag dan niet langer worden gebruikt en moet worden vervangen.
- Gebruik de multimeter niet kort voor, tijdens of direct na onweer (blikseminslag! /energierijke overspan- ningen!). Let erop, dat uw handen, schoenen, kleding, de vloer, schakelingen en schakelcomponenten etc. per sé droog zijn.
- Gebruik het product niet in de directe nabijheid van: - sterke magnetische of elektromagnetische velden - zendantennes of HF-generatoren De gemeten waarde kan daardoor worden vertekend.
- Als aangenomen mag worden dat veilig gebruik niet meer mogelijk is, moet het apparaat worden uit- geschakeld en tegen onbedoeld gebruik worden beveiligd. Men dient ervan uit te gaan dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is als: - het apparaat zichtbaar beschadigd is, - het apparaat niet meer functioneert en - het gedurende een lange periode onder ongunstige omstandigheden opgeborgen is geweest of - na zware transportbelastingen.
- Zet het meetapparaat nooit onmiddellijk aan nadat het van een koude naar een warme ruimte is ge- bracht. De condens die hierbij wordt gevormd kan het apparaat onder bepaalde omstandigheden onher- stelbaar beschadigen. Laat het apparaat eerst op kamertemperatuur komen voordat u het inschakelt.
- Laat het verpakkingsmateriaal niet achteloos rondslingeren; dit kan voor kinderen gevaarlijk speelgoed zijn.
- Neem ook de veiligheidsinstructies in de afzonderlijke hoofdstukken in acht.93
6. Bedieningselementen
A Een kabelscheider met geïntegreerde NCV-sensor B Stroomtang C Voelbare handgreepmarkering D NCV-signaalaanduiding E Hendel voor openen van stroomtang F Draaischakelaar om de gewenste meetfunctie te kiezen G Meetweergave (display) H Functieknoppen MODE-knop voor omschakelen van de functie bij meervoudige bezette functies RANGE-knop voor handmatige meetbereikselectie REL-knop voor meting van de referentiewaarde94 I COM-meetaansluiting (referentiepotentiaal, “negatief potentiaal”) J Multifunctionele schroefdraad (1/4” UNC, statiefschroefdraad) voor optionele accessoires K VΩ-meetaansluiting(“positiefpotentiaal”voorgelijkstroom) L HOLD-functie knop voor het vastleggen van de meetweergave en voor led-werklamp M Batterijvak N Led-werklamp
7. Productbeschrijving
De gemeten waarden worden weergegeven op de multimeter (hierna DMM genoemd), op een invers verlicht lcd-dis- play. De weergave van de meetwaarden van de DMM bevat 4000 counts (count = kleinste weergavewaarde). De weergave varieert van 0 tot 3999. De VC-522 is voor wisselstroommetingen tot 400 A geschikt De VC-523/VC-523 SE is voor gelijk- en wisselstroommetingen tot 400 A geschikt. Een automatische uitschakelfunctie schakelt het apparaat na een bepaalde periode van inactiviteit automatisch uit. De batterijen worden hierdoor ontzien en het maakt zodoende een langere gebruiksperiode mogelijk. De automati- sche uitschakeling kan worden gedeactiveerd. Het meetapparaat is zowel geschikt voor hobbygebruik alsook op professioneel gebied tot CAT III. Er bevinden zich beschermende transportkappen op de meegeleverde schuine stekkers van de meetkabels. Verwij- der deze voordat u de stekkers in de aansluitingen van het meetapparaat steekt. Draaiknop (F) De verschillende meetfuncties worden via een draaiknop geselecteerd. De automatische bereikkeuze “AUTO” is actief voor bepaalde meetfuncties. Hierbij wordt altijd het gepaste meetbereik voor elke toepassing automatisch ingesteld. De multimeter is uitgeschakeld wanneer de schakelaar in de positie “OFF” staat. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt.95
8. Aanduidingen en symbolen op het display
De volgende symbolen en aanduidingen zijn zichtbaar op het apparaat of op het display. 1 Automatische uitschakeling is actief 2 Automatische meetbereikkeuze is actief 3 Symbool voor diodentest 4 Symbool voor continuïteitsmeting 5 Symbool voor actieve data hold-functie 6 Symbool voor frequentiemeting en pulsduurratio in % 7 Actieve meting van relatieve waarden 8 Indicatie voor het vervangen van de batterij 9 Eenheid van temperatuur (°Celsius = Europees, °Fahrenheit = empirisch) 10 V = Volt (eenheid van de elektrische spanning), mV = millivolt (macht -3) A = Ampère (eenheid van de elektrische stroomsterkte) 11 Meetwaardeweergave 12 Symbool voor het gebruik met wisselstroom 13 Teken bij negatieve meetwaarden 14 Symbool voor het gebruik met gelijkstroom 15 nF = Nanofarad (macht -9; eenheid van elektrische capaciteit) µF = Micro-Farad (macht -6) 16 Ω=Ohm(eenheidvanelektrischeweerstand), kΩ=Kilo-Ohm(macht3), MΩ=Mega-Ohm(macht6) OFF Schakelaarstand “uit” NCV Contactloze wisselspanningsdetectie (alleen V-AC) True RMS Echte effectieve-waardemeting HOLD Data-hold functie bekijken/uitschakelen REL Oproep relatieve waardemeting en referentiewaarde instellen (niet mogelijk voor continuïteitstest, diodetest, frequentie en NCV) RANGE Knop voor handmatige instelling voor het meetbereik MODE Knop voor het omschakelen van de functie bij meervoudige bezette meetfuncties OL Overloop-weergave; het meetbereik is overschreden Symbool voor de gebruikte batterijgegevens Meetfunctie diodetest Meetfunctie akoestische continuïteitstester AC Symbool voor wisselstroom96 DC Symbool voor gelijkstroom COM Meetaansluiting referentiepotentiaal V Meetfunctie spanningsmeting, Volt (eenheid van elektrische spanning) A Meetfunctie stroommeting, Ampère (eenheid van elektrische stroomsterkte) Hz% Meetfunctie frequentie, Hertz (eenheid van frequentie) en pulsduurratio in % Ω Meetfunctieweerstand,Ohm(eenheidvanelektrischeweerstand) CAP Meetfunctie capaciteitsmeting TEMP Meetfunctie temperatuurmeting Positiemarkeringen voor de stroomgeleider voor juiste stroommetingen Knop voor het aan- en uitzetten van de meetpuntverlichting
Overschrijd nooit de maximaal toegestane ingangswaarden. Raak geen schakelingen of schake- lingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/DC kunnen voorkomen! Levensgevaar! Controleer voor het begin van de metingen de aangesloten meetkabels op beschadigingen zoals bijv. sneden, scheuren of geplette segmenten. Defecte meetkabels mogen niet meer worden ge- bruikt! Levensgevaar! Controleer de juiste meetfunctie voor elke meting voordat u met de multimeter gaat werken. Voer altijd eerst een meting uit op een bekende meetbron en controleer de juiste weergave. Een storing van de multimeter kan een levensbedreigende situatie voor de gebruiker veroorzaken. Als er een storing is, controleert u de multimeter en neemt u zo nodig contact op met een specialist om het apparaat te controleren. Tijdens het meten mag u de meetpunten niet voorbij de voelbare handgreepmarkeringen vastpak- ken. Ook mag u het meetapparaat dan niet aanraken. Er mogen altijd alleen de twee voor het meten benodigde meetkabels op het meetapparaat aange- sloten zijn. Verwijder uit veiligheidsoverwegingen alle niet benodigde meetkabels van de meetap- paratuur, als u de stroommeting uitvoert. Metingen van stroomcircuits met wisselspanningen hoger dan 33 V of gelijkspanningen hoger dan 70 V mogen alleen worden uitgevoerd door deskundigen of door mensen die vertrouwd zijn met de geldende voorschriften en de eruit voortvloeiende gevaren. Zodra er “OL” (Overload = overbelasting) op het display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden. a) De multimeter inschakelen Schakel de multimeter in/uit met behulp van de draaiknop. Zet de draaiknop (F) op de gewenste meetfunctie. Zet de draaiknop op “OFF” om het apparaat uit te schakelen. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt.97 Na inschakeling vindt er een korte functietest plaats. Tijdens de functietest worden alle displaysegmenten weerge- geven ter controle. Voordat u de multimeter kunt gebruiken, moet u de meegeleverde batterijen plaatsen. Raadpleeg het hoofdstuk “Reiniging en onderhoud” om de batterijen op een juiste manier te installeren of te vervangen. b) Stroommeting “A” Zorg dat de max. toegestane ingangswaarden in geen geval worden overschreden. Raak geen schakelingen of schakelingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/ DC kunnen voorkomen! Levensgevaar! De maximale toelaatbare spanning in de stroommeetkring tegen de aardpotentiaal mag niet hoger zijn dan 600 V in CAT III. Houd voor uw eigen veiligheid rekening met alle relevante veiligheidsinstructies, voorschriften en veilig- heidsmaatregelen. De multimeter is voorzien van een vouwbare stroomtang voor contactloze stroommetingen (B). De sensoren in de stroomtang detecteren het magnetisch veld rond de geleiders waar een stroom doorheen loopt. Het meten van zowel geïsoleerde als ongeïsoleerde geleiders en rails is toegestaan. Let erop dat de stroomleider altijd gecentreerd door de stroomtang loopt (let op de pijlmarkeringen) en de tang altijd is gesloten. Aan het uiteinde van de tang bevindt zich een kabelscheider (A), waarmee gebundelde kabels eenvoudig kunnen worden gesorteerd. Dit maakt het gemakkelijker om de gewenste stroomkabel op te nemen. Pak met de stroomtang altijd slechts één kabel vast. Als u de toevoer- en afvoerkabels (bijv. L en N) klemt, zullen de stromen elkaar compenseren en krijgt u geen meetresultaat. Als er meerdere externe geleiders worden gedetecteerd (bijv. L1 en L2), wordt de stoom opgeteld. Bij geringe stroom kan de geleider meervoudig rond een poot van de stroomtang worden opgewikkeld, om de totale meetstroom te vergroten. Deel vervolgens de gemeten stroomwaarde door het aantal wikkelingen rond de stroomtang. U krijgt dan de correcte stroomwaarde. Ga voor het meten van wisselstroom (A ) als volgt te werk:
- Schakel de DMM met de draaiknop (F) in en kies de meetfunctie “A ” en het waarschijnlijke meetbereik (40 A/400 A). Op het display verschijnt “A” en het symbool AC voor wisselstroom.
- De weergave wordt bij gesloten stroomtang in wisselstroombereik automa- tisch op nul gezet. Als een naburig sterk magnetisch veld de juiste werking van het display verstoort, kunt u deze ongewenste displaywaarde compen- seren met behulp van de REL functie (relatieve waardemeting).
- Druk op de hendel (E) om de stroomtang te openen en open de stroomtang.
- Klem de te meten individuele geleider en sluit de tang opnieuw. Plaats de geleider in het midden van de twee driehoekige positiesymbolen op de tang.
- De gemeten wisselstroom wordt weergegeven op het display.
- Verwijder na het afsluiten van de meting de stroomtang van het meetobject en schakel het product uit. Zet de draaiknop op “OFF”.98 Ga voor het meten van gelijkstroom (A ) als volgt te werk (alleen VC-523/VC-523 SE):
- Schakel de DMM met de draaiknop (F) in en kies de meetfunctie “A ” en het waarschijnlijke meetbereik (40 A/400 A). Op het display verschijnt “A” en het symbool AC voor wisselstroom.
- Druk op de knop “MODE” om naar het DC-meetbereik te schakelen. Op het display verschijnt “DC”.
- In het gelijkstroom-meetbereik wordt het display automatisch op nul inge- steld zodra de tang wordt gesloten. Als een naburig sterk magnetisch veld de juiste werking van het display verstoort, kunt u deze ongewenste dis- playwaarde compenseren met behulp van de “REL” functie (relatieve waar- demeting).
- Druk op de hendel (E) om de stroomtang te openen en open de stroomtang.
- Klem de te meten individuele geleider en sluit de tang opnieuw. Plaats de geleider in het midden van de twee driehoekige positiesymbolen op de tang. Let op de stroomrichting. De plusgeleider moet komend van de stroombron van voor naar achteren lopen.
- De gemeten gelijkstroom wordt weergegeven op het display.
- Als een negatieve stroom wordt aangegeven, is de polariteit van de geleider verwisseld of stroomt de stroom in de tegenovergestelde richting (bijv. in de zonne- of laadmodus).
- Verwijder na het afsluiten van de meting de stroomtang van het meetobject en schakel het product uit. Zet de draaiknop op “OFF”. c) Spanningsmeting “V” Voer de volgende procedure uit om wisselspanning “AC” (V ) te meten:
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V
- Verbind de beide meetpunten parallel met het meetobject (generator, netspanning enz.). Het spanningsbereik “V DC/AC” toont een ingangsweerstand van >10 MOhm.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.99 Voer de volgende procedure uit om gelijkspanning “DC” (V ) te meten:
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V
- Sluit nu de beide meetpunten parellel aan op het te meten object (batte- rij, schakeling enz.). De rode meetpunt staat voor de pluspool, de zwarte meetpunt staat voor de minpool.
- Op het beeldscherm verschijnt de actuele meetwaarde samen met de polariteit. Is er bij gelijkspanning voor de meetwaarde een “-”(min)-teken te zien, dan is de gemeten spanning negatief (of de meetleidingen zijn verwisseld). Het spanningsbereik “V DC/AC” heeft een ingangsweerstand van >10 MOhm.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. d) Frequentiemeting en pulsduur De DMM kan de frequentie van een signaalspanning van 5 Hz - 10 kHz me- ten en weergeven. Houd rekening voor de ingangswaarden in de technische gegevens. Voor het meten van frequenties gaat u als volgt te werk:
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “Hz”. Op het display ver- schijnt “V
- Druk 1x op de knop “MODE”. Op het display verschijnt “Hz”
- Steek de rode meetkabel in de Hz-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).
- Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (signaalgenera- tor, schakeling enz.).
- De frequentie wordt in de bijbehorende eenheid op het display weerge- geven.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Meting van de pulsduur in % DeDMMkandeverhoudingvandepulsduurdepositievehalvegolengte van een wisselspanning signaal in procent van de gehele periode weerge- ven.100 Voor het meten van de pulsduur in % gaat u als volgt te werk:
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “%”. Op het display verschijnt
- Druk 2x op de knop “MODE”. Op het display verschijnt “%”.
- Steek de rode meetkabel in de Hz-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).
- Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (signaalgenerator, schakeling enz.).
- De pulsduur van de positieve halve golf wordt als een percentage weergegeven. Bij een symmetrisch signaal wordt 50% weergegeven.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. e) Temperatuurmeting Tijdens het meten van de temperatuur mag enkel de temperatuursensor worden blootgesteld aan de te meten temperatuur. Over- of onderschrijd de bedrijfstemperatuur van de DMM niet om foutie- ve metingen te vermijden. De contact-temperatuursensor mag alleen op spanningsvrije oppervlakken worden gebruikt. Het meetapparaat wordt geleverd met een kabelsensor, die tot een temperatuur van -20 tot +250 °C kan meten. Een optionele type K thermosensor is nodig om het volledig meetbereik (-20 tot +760 °C) van de DMM te kunnen gebruiken. U heeft voor het aansluiten van type-K-sensoren met ministekkers de meegeleverde meetadapter nodig. Alle type K-thermosensoren kunnen worden gebruikt voor het meten van temperaturen. De temperatuur kan in °C of °F worden weergegeven. Voer volgende procedure uit om de temperatuur te meten:
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “TEMP”. Op het display ver- schijnt °C.
- De temperatuureenheid kan worden omgeschakeld door op de knop “MODE” te drukken.
- Steek de temperatuursensor met de juiste polariteit in de meegeleverde temperatuur-meetadapter. De thermo-element stekker past alleen met de juiste polariteit in de meetadapter. Gebruik geen geweld bij het insteken.
- Sluit de meetadapter met de juiste polariteit met de pluspool in de Temp-meetbus (K) en met de minpool in de COM-meetbus (I) aan.
- Het display geeft de temperatuurwaarde weer.
- Als het display “OL” weergeeft, werd het meetbereik overschreden of is de thermosensor defect.
- Verwijder na het meten de sensor en schakel de DMM uit. Wordt er geen temperatuursensor wordt aangesloten, kan de om- gevingstemperatuur van de DMM door een kortsluitbrug via de bei- de meetbussen “COM” en “Temp” worden weergegeven. Omdat de sensor zich in het binnenste van de behuizing bevindt, reageert de weergave zeer traag op temperatuurschommelingen. Deze functie helpt u de juiste bedrijfstemperatuur na een opslag te controleren. Voor snelle metingen moet een externe sensor worden gebruikt.101 f) Meten van weerstand Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. Ga als volgt te werk om weerstand te meten:
- ZetdeDMMaanenselecteerdemeetfunctie“Ω”.
- SteekderodemeetkabelindeΩ-meetbus(K)endezwartemeetkabelin de COM-meetbus (I).
- Controleer de meetkabels op geleiding door de twee meetpunten met el- kaar te verbinden. Nu moet zich een weerstandswaarde van ca. 0 - 0,5 Ohm instellen (de eigen weerstand van de meetkabels).
- Voor metingen met een lage weerstand (<400 Ohm) drukt u op de knop “REL” om de eigen weerstand van de meetkabels niet mee te nemen in de volgende weerstandsmeting. Op het display verschijnt “REL” en het hoofd- display toont 0 Ohm. Automatische bereikkeuze (AUTO) is gedeactiveerd. Voor alle andere metingen is de intrinsieke weerstand van de meetkabel te verwaarlozen. Deactiveer de referentiewaardemeting door nogmaals op de knop “REL” te drukken. De autorange-functie is weer actief
- Verbind nu de beide meetpunten met het meetobject. Als het gemeten object niet hoogohmig is of wordt onderbroken, verschijnt de meetwaarde op het display. Wacht totdat de waarde op het display zich heeft gestabi- liseerd. In geval van een weerstand >1 MOhm kan dit enkele seconden duren.
- Het meetbereik is overschreden of de stroomkring is onderbroken als het display “OL” (voor overload) weergeeft.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. Bij het meten van weerstand moet u erop letten dat de meetpunten waarmee de meetpennen in contact komen vrij zijn van vuil, olie, soldeerhars en dergelijke. Dergelijke omstandigheden kunnen het meetresul- taat beïnvloeden.102 g) Continuïteitstest Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, scha- kelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn.
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie . Op het display verschijnt het symbool voor de continuïteitstest en het symbool voor de eenheid “Ohm”. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt u door naar de volgende meetfunctie, etc.
- Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).
- Als continuïteit wordt een meetwaarde <50 Ohm herkend en u hoort een geluidssignaal. Het meetbereik loopt tot 400 Ohm.
- Het meetbereik is overschreden of de stroomkring is onderbroken als het display “OL” (voor overload) weergeeft.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit. h) Diodetest Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, scha- kelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn.
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie . Druk 1x op de knop “MODE” om de meetfunctie om te schakelen. Op het display verschijnt het symbool voor de diodetest en het symbool voor de eenheid “V”. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt u door naar de volgende meet- functie, etc.
- Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I).
- Controleer de meetkabels op geleiding door de twee meetpunten met el- kaar te verbinden. Vervolgens moet zich een meetwaarde van ca. 0,000 V instellen.
- Sluit de beide meetpunten aan op het meetobject (diode).
- Het display toont de doorlaatspanning “UF” in Volt (V). Als het display “OL” weergeeft, wordt de diode in de omgekeerde richting (UR) gemeten of is de diode defect (onderbroken). Voer ter controle nog een meting met omgekeerde polen uit.
- Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.103
i) Capaciteitsmeting
Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, scha- kelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. Houd bij elektrolytische condensatoren absoluut rekening met de juiste polariteit.
- Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “CAP”.
- Druk 2x op de knop “MODE” om de meetfunctie om te schakelen. Op de display verschijnt de eenheid “nF”. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt u door naar de volgende meetfunctie, etc.
- Steek de rode meetkabel in de V-meetbus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I). Omwille van de hoge gevoeligheid van de meetingang, kan het in geval van “open” meetkabels enige tijd duren voordat de waarde op het display verschijnt. Door op de knop “REL” te drukken, wordt het display gereset op “0”. De REL-functie is enkel van nut bij lage capaciteitswaarden.
- Verbind vervolgens beide meetpunten (rood = positieve pool / zwart = ne- gatieve pool) met het meetobject (condensator). Het display geeft na een korte periode de capaciteit weer. Wacht totdat de waarde op het display zich heeft gestabiliseerd. Bij capaciteiten >40 µF kan dit enkele seconden duren.
1. Zodra “OL” (voor overload) wordt weergegeven op het display, heeft u het meetbereik overschreden.
2. Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.
j) Contactloze wisselspanningsdetectie “NCV” De spanningsdectector is alleen bedoeld voor snelle tests en vervangt in geen geval een tweepolige spanningscontrole met contact. Deze methode is niet toegestaan voor de con- trole van spanningsvrijheid om werkzaamhe- den uit te voeren. Door de NCV-functie (Non Contact Voltage detection) wordt contactloos de aanwezigheid van wisselspanning op kabels vastgesteld. De NCV-sensor (A) is aangebracht aan de punt van de stroomtang.
- Zet de DMM aan. De “NCV”-functie is actief zodra de DMM is ingeschakeld.
- Breng de NCV-sensor zo dicht mogelijk in de buurt van een elektrische geleider.
- Als wisselspanning wordt ontdekt, gaat de rode NCV-led (D) aan.
- Omwille van de hoge gevoeligheid van de NCV-sensor, kan in geval van statische ladingen de led branden. Dit is normaal en geen defect.104 Test de NCV-functie altijd eerst op een bekende AC-spanningsbron om foutieve detecties te voorkomen. Bij een foutieve detectie bestaat het risico op een elektrische schok. Bij veel kabels zijn de binnenste ge- leiders gedraaid. Verplaats daarom de sensor een paar centimeter langs de kabel om alle posities van de binnenste geleiders te detecteren.
Met de volgende aanvullende functies kunnen speciale meetfuncties worden gebruikt. a) Automatische uitschakeling De DMM schakelt zich na ongeveer 15 minuten automatisch uit, als er geen knop of draaiknop wordt bediend. Deze functie beschermt en ontziet de batterijen en verlengt de gebruiksduur. Ongeveer één minuut voor de uitschakeling hoort u vijf keer een geluidssignaal. Door op een willekeurige knop te drukken, kan het uitschakelen nog eens 15 minuten worden uitgesteld. Als er geen knop wordt ingedrukt, wordt het apparaat uitgeschakeld met een lang geluidssignaal. Om de DMM weer aan te zetten nadat het zichzelf heeft uitgeschakeld, drukt u op een willekeurige knop. Door de draaiknop via de “OFF”-positie wordt het meetapparaat ook opnieuw geactiveerd. Het hernieuwd inschakelen duurt ongeveer 1 à 2 seconden. De actieve automatische uitschakeling wordt op het display weergegeven met dit symbool “ ” weergegeven. Automatische uitschakeling deactiveren Voor continue metingen is het noodzakelijk om de automatische uitschakeling te deactiveren. Schakel het meetappa- raat uit om de functie te deactiveren. Houd de knop “MODE” ingedrukt en schakel het meetapparaat met behulp van de draaiknop in. Bij het inschakelen hoort u drie keer een geluidssignaal en het symbool voor de automatische uitschakeling wordt niet meer weergege- ven. Het meetapparaat blijft zolang ingeschakeld tot het weer handmatig wordt uitgeschakeld of de batterijen leeg zijn. Na het uitschakelen wordt de automatische uitschakeling weer geactiveerd. b) HOLD-functie De HOLD-functie houdt de momenteel weergegeven meetwaarde op het display vast, om deze in alle rust te kunnen lezen en opschrijven. Controleer bij de controle van spanningvoerende leidingen of deze functie aan het begin van de test is uitgeschakeld. Dit zou anders tot verkeerde metingen kunnen leiden! Druk op de zijdelingse HOLD-knop (L) om de HOLD-functie te activeren; u hoort een geluidssignaal ter bevestiging van deze actie en het display toont “HOLD”. Om de HOLD-functie uit te schakelen, druk nogmaals op de HOLD-knop of verandert u de meetfunctie.105 c) RANGE-functie De RANGE-knop maakt het omschakelen van de standaardinstelling automatische bereikskeuze (AUTO) naar de manuele bereikskeuze mogelijk. Dit is nodig als de automatische bereikselectie niet de gewenste resolutie vertegen- woordigt of vaak schakelt tussen twee meetwaarde-resoluties in het meetbereik. Met elke keer drukken schakelt een meetbereik hoger en begint bij het einde weer met het kleinste meetbereik. Handmatige bereikselectie kan worden gedeactiveerd door lang op de knop “RANGE” (> 1s) te drukken. Auto Range (AUTO) is weer actief. De handmatige bereikkeuze is actief wanneer het symbool “AUTO” niet wordt weergegeven. d) REL-functie De REL-functie maakt een referentiewaarde mogelijk, om eventueel prestatieverlies zoals bijvoorbeeld bij weer- standsmetingen te vermijden. De actueel weergegeven waarde wordt daarbij op nul gezet. Er is nu een nieuwe referentiewaarde ingesteld. Druk op de “REL”-knop om deze meetfunctie te activeren en de referentiewaarde op te slaan. Op het display ver- schijnt het symbool “REL”. Het display is op nul teruggezet en de automatische bereikkeuze is gedeactiveerd. Om deze functie uit te schakelen, druk nogmaals op de “REL”-knop of verandert u de meetfunctie. De REL-functie is niet actief in de meetbereiken continuïteitstest, diodetest, frequentie en pulsver- houding. e) Led-werklamp Bij ingeschakelde DMM kan via de zijdelingse verlichtingsknop (L) de led-werklamp worden in- en uitgeschakeld. Voor het in- en uitschakelen houdt u de knop ongeveer 2 seconden ingedrukt. De verlichting blijft aan totdat de functie wordt uitgeschakeld met behulp van de verlichtingsknop (L), de draaiknop (positie “OFF”) of automatische uitschakeling worden gedeactiveerd.106
11. Reiniging en onderhoud
a) Algemeen Om de nauwkeurigheid van de multimeter gedurende een lange periode te garanderen, moet deze eenmaal per jaar worden gekalibreerd. Het product is, behalve een regelmatige reiniging en het vervangen van de batterijen, onderhoudsvrij. Voor instructies over hoe de batterijen te vervangen, zie hieronder. Controleer regelmatig de technische veiligheid van het apparaat en de meetkabels op bijv. bescha- digingen van de behuizing of beknelling etc. b) Reiniging Voordat u het apparaat reinigt, dient u per sé de volgende veiligheidsinstructies in acht te nemen: Bij het openen van afdekkingen of het verwijderen van onderdelen, behalve als dit met de hand mogelijk is, kunnen onder spanning staande delen bereikbaar worden. Voor een reiniging of reparatie moeten de aangesloten kabels van de meetapparatuur en van alle meetobjecten worden gescheiden. Zet de DMM uit. Gebruik voor de reiniging geen schurende reinigingsmiddelen, benzine, alcohol of dergelijke. Daardoor wordt het oppervlak van het meetapparaat aangetast. De dampen zijn bovendien schadelijk voor de gezondheid en explosief. Gebruik voor de reiniging ook geen scherp gereedschap zoals schroevendraaiers of staalborstels e.d. Gebruik voor de reiniging van het apparaat, het display en de meetkabels een schone, pluisvrije, antistatische en enigszins vochtige doek. Laat het apparaat compleet drogen, voordat u het voor de volgende meting gebruikt. c) Plaatsen en vervangen van de batterijen Het meetapparaat werkt op drie 1,5 V microbatterijen (bijv. AAA of LR03). Bij de eerste ingebruikname of wanneer het symbool voor vervanging van de batterij op het display verschijnt, moeten er drie nieuwe, volle batterijen worden geplaatst. Ga voor het plaatsen of vervangen van de batterij als volgt te werk:
- Ontkoppel de aangesloten meetkabels van de te meten stroomkring en uw meetapparaat. Koppel het meetapparaat los van alle meetvoorwerpen. Zet de DMM uit.
- Draai de schroef van het batterijvakdeksel (M) aan de achterkant van het apparaat los met behulp van een geschikte kruiskopschroevendraaier. De schroef kan niet volledig worden verwijderd. Verwijder het batterijvakdeksel van het apparaat.
- Vervang alle gebruikte batterijen door nieuwe batterijen van hetzelfde type. Plaats de nieuwe batterijen met de juiste polariteit in het batterijvak. Let op de polariteitsaanduiding in het batterijvak.
- Sluit de behuizing weer zorgvuldig.107 Gebruik het meetapparaat in geen geval in geopende toestand. !LEVENSGEVAAR! Laat geen lege batterijen in het meetapparaat zitten. Zelfs lekbestendige batterijen kunnen gaan roesten, waardoor er chemicaliën uit kunnen lekken die schadelijk zijn voor de gezondheid en het apparaat kunnen beschadigen. Laat batterijen niet achteloos rondslingeren. Deze kunnen door kinderen of huisdieren worden ingeslikt. Raadpleeg onmiddellijk een arts als er een batterij is ingeslikt. Haal om lekkage te voorkomen de batterijen uit het apparaat wanneer het langere tijd niet wordt gebruikt. Lekkende of beschadigde batterijen kunnen chemische brandwonden veroorzaken als deze met uw huid in aanraking komen. Draag daarom geschikte handschoenen als u dergelijke batterijen aanraakt. Zorg ervoor dat batterijen niet worden kortgesloten. Gooi batterijen niet in het vuur. Normale batterijen mogen niet opgeladen of uit elkaar gehaald worden. Er bestaat brand- of explo- siegevaar. Geschikte alkalinebatterijen verkrijgt u met het volgende bestelnummer: Bestelnr. 65 22 78 (3 stuks, alstublieft 1x bestellen). Gebruik alleen alkalinebatterijen omdat deze krachtig zijn en lang meegaan.
Afgedankte elektronische apparaten bevatten waardevolle stoffen en behoren niet bij het huishoudelijk afval. Voer het product aan het einde van zijn levensduur volgens de geldende wettelijke bepalingen af. Verwijder de geplaatste batterijen en gooi deze afzonderlijk van het product weg. Weggooien van gebruikte batterijen U bent als eindverbruiker wettelijk ertoe verplicht (KCA-voorschriften), alle lege batterijen en accu’s in te leveren; verwijdering via het huisvuil is niet toegestaan! Batterijen en accu’s met schadelijke stoffen worden gekenmerkt door de hiernaast afgebeelde symbo- len, die erop wijzen dat de batterijen/accu’s niet via het gewone huisvuil weggegooid mogen worden. De aanduidingen voor de zware metalen die het betreft zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood. U kunt verbruiktebatterijen/accu’sgratisafgevenbijhetKCA,onzelialenofoveralwaarbatterijen/accu’sworden verkocht! U voldoet daarmee aan de wettelijke verplichtingen en draagt bij aan de bescherming van het milieu!108
13. Verhelpen van storingen
U hebt met deze DMM een product aangeschaft dat volgens de laatste stand der techniek is ontwikkeld en veilig is in het gebruik. Er kunnen zich echter problemen of storingen voordoen. Raadpleeg daarom de volgende informatie over de manier waarop u eventuele problemen zelf gemakkelijk kunt oplossen: Neem absoluut de veiligheidsinstructies in acht! Storing Mogelijke oorzaak Mogelijke oplossing De multimeter functioneert niet Zijn de batterijen leeg? Controleer de batterijstatus. Batterij vervangen. Geen verandering van meetwaarde Is er een verkeerde meetfunctie ingesteld (AC/DC)? Controleer het display (AC/DC) en schakel zo nodig om naar een andere functie. Zijn de meetkabels juist met de meetaanslui- tingen verbonden? Controleer de positie van de meetkabels Is de HOLD-functie geactiveerd (display “HOLD”) Druk op de knop “HOLD” om deze functie te deactiveren. Er wordt een gelijkstroomverbruiker gemeten. De stroomtang VC-522 kan alleen voor wisselstroom worden gebruikt. Andere reparaties dan hierboven beschreven, mogen uitsluitend door een erkend vakman worden uitgevoerd. Aarzel niet om contact op te nemen met onze technische dienst als u vragen hebt over de werking van de multimeter.109
14. Technische gegevens
Aanduiding ........................................................4000 counts (cijfers) Meetsnelheid ....................................................ca. 3 metingen/seconde Meetmethode V/AC, A/AC ................................TrueRMS (echte effectieve waarderegistratie) Lengte meetkabels ...........................................elk ca. 90 cm Meetimpedantie ................................................>10MΩ(V-bereik) Opening van de stroomtang .............................max. 32 mm Meetbusafstand ................................................19 mm Automatische uitschakeling ..............................15 minuten, deactiveerbaar Voedingsspanning ............................................3 microbatterijen (1,5 V, AAA of LR03) Stroomverbruik ................................................. nominaal ca. 30 mA, max. 70 mA (continuïteitstest/led-werklamp) stand-by (automatische uitschakeling) ca. 5 µA Werkomstandigheden ....................................... +5 tot +31 °C (<80%relatieve luchtvochtigheid) > +31 tot +40 °C (80%relatieve luchtvochtigheid lineair dalend tot <50% relatieve luchtvochtigheid) Gebruikshoogte ................................................max. 2000 m Opslagcondities ................................................-20 °C tot +60 °C, max. 80% relatieve luchtvochtigheid Gewicht .............................................................ca. 270 g Afmetingen (l x b x h) ........................................209 x 70 x 35 (mm) Meetcategorie ...................................................CAT III 600 V Verontreinigingsgraad ......................................2 Veiligheid conform ............................................EN61010-1, EN61010-2-032, EN61010-2-033 Meettolerantie Opgavevandenauwkeurigheidin±(%vandeaezing+weergavefoutincounts(=aantalkleinstemeetstappen)). De nauwkeurigheid geldt 1 jaar lang bij een temperatuur van +23 °C (±5 °C), bij een rel. luchtvochtigheid van minder dan75%,nietcondenserend.Temperatuurcoëfciënt:+0,1x(gespeciceerdenauwkeurigheid)/1°C. De meting kan worden beïnvloed als het apparaat binnen een hoogfrequente elektromagnetische veldsterkte wordt gebruikt.110 Wisselstroom Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 40,00 A 0,01 A ±(2% + 17) 400,0 A 0,1 A ±(2,8% + 8) Frequentiebereik 50 - 60 Hz; overbelastingsbeveiliging 600 V, 400 A *Meetpositiefout: Nauwkeurigheidsafwijking bij een niet gecentreerde meetpositie: ±1% TrueRMS crest-factor (crest factor (CF)) voor niet-sinusvormige signalen : max. 3,0 CF >1,4 - 2,0 + 1% CF >2,0 - 2,5 + 2,5% CF >2,5 - 3,0 + 4% Gelijkstroom (alleen VC-523/VC-523 SE) Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 40,00 A 0,01 A ±(2,8% + 12) 400,0 A 0,1 A ±(2,8% + 8) Beveiliging tegen overbelasting 600 V, 400 A *Meetpositiefout: Nauwkeurigheidsafwijking bij een niet gecentreerde meetpositie: ±1% Wisselspanning Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 4,000 V 0,001 V ±(1,5% + 7) 40,00 V 0,01 V 400,0 V 0,1 V 600 V 1 V Frequentiebereik50-100Hz;overbelastingsbeveiliging600V;impedantie:10MΩ TrueRMS crest-factor (crest factor (CF)) voor niet-sinusvormige signalen : max. 3,0 CF >1,4 - 2,0 + 1% CF >2,0 - 2,5 + 2,5% CF >2,5 - 3,0 + 4%111 Gelijkspanning Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 400,0 mV 0,1 mV ±(0,8% + 6) 4,000 V 0,001 V ±(1,2% + 4)40,00 V 0,01 V 400,0 V 0,1 V 600 V 1 V ±(1,5% + 3) Overbelastingsbeveiliging600V;impedantie:10MΩ Temperatuur Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* -20,0 tot +760,0 °C 0,1 °C ±(4% + 4 °C) -4,0 tot +1400,0 °F 0,1 °F ±(4% + 7 °F) *Zonder sensortolerantie Weerstand Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 400,0Ω 0,1Ω ±(1,5% + 6) 4,000kΩ 0,001kΩ ±(1,8% + 3)40,00kΩ 0,01kΩ 400,0kΩ 0,1kΩ 4,000MΩ 0,001MΩ ±(2,8% + 7) 40,00MΩ 0,01MΩ ±(2,8% + 14) Beveiliging tegen overbelasting 600 V, Meetspanning: circa 0,5 V112 Capaciteit Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 400,0 nF 0,1 nF ±(4% + 8) 4,000 µF 0,001 µF 40,00 µF 0,01 µF 400,0 µF 0,1 µF 4000 µF 1 µF ±(6% + 8) Overbelastingsbeveiliging 600 V Frequentie “Hz” Bereik Resolutie Nauwkeurigheid*
Notice-Facile