SF 58 LEICA

SF 58 - Flits LEICA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis SF 58 LEICA in PDF-formaat.

Page 113
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Español ES Italiano IT Nederlands NL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : LEICA

Model : SF 58

Categorie : Flits

Download de handleiding voor uw Flits in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SF 58 - LEICA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SF 58 van het merk LEICA.

GEBRUIKSAANWIJZING SF 58 LEICA

Notice d’utilisation, Gebruiksaanwijzing

Namen van de onderdelen

1.3 Deksel van het batterijvak

1.4 Draai- en neigbare zoomkop met

1.5 Hoofdreflector met

1.10 Aansluitbus voor externe voeding

1.12 Hoekaanduidingen voor het neigen

1.13-1.14 Insteltoetsen

1.15 Insteltoets, dient ook als aanduiding van de flitscontrole

1.16 Insteltoets, dient ook als flitsparaataanduiding en (behalve voor de

menusturing) als ontspanknop voor een proefflits

1.17 Hoofdschakelaar109

Namen van de onderdelen

2 Aanduidingen in de monitor

a Fabrieksinstelling

b Menu van de flitsfuncties

c Menu van de opnameparameters

d Menu van de basisinstelling

2.1-2.4 Toetsfuncties, c.q. symbool voor de toetsvergrendeling

2.5 Reikwijdte, c.q. de afstand voor een korrekte flitsbelichting

2.6 Symbool voor geactiveerde automatische uitschakeling

2.8 Symbool voor geactiveerde hulprefelctor

2.9 Symbool voor geactiveerde Beep-functie

2.10 Diafragmawaarde

2.11 Automatisch of met de hand ingestelde brandpuntsafstand /

c.q. geactiveerde softfunctie

2.13 Gevoeligheid, c.q. correctie op de flitsbelichting

2.14 Diafragmawaarde in de stroboscoopfunctie

2.15 Waarschuwing voor de batterij

2.16 Aantal flitsen in de stroboscoopfunctie

2.17 Frequentie van de flitsen in de stroboscoopfunctie

2.18 Deelvermogen110

Milieuvriendelijk afvoeren elektrische en elektronische apparatuur . . . . . . .111

Automatische uitschakeling van het apparaat . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .117

Draaien en neigen voor indirect flitsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .120

Reflectiekaart voor indirect flitsen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .122

Automatische aanpassing van de aanduiding van de reikwijdte . . . . . . .124

Flitssynchronisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .124

Automatische sturing naar de flitssynchronisatietijd . . . . . . . . . . . . . . . . .124

Normale synchronisatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .125

Synchronisatie aan het eind van de belichting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .125

Automatische / met de hand uitgevoerde instelling

van de opnameparameters . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .126

Flitserfuncties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .128

TTL-flitsfunctie met meetflits vooraf . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .128

HSS-synchronisatie met korte belichtingstijden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .135111

klantenservice . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .143

Deze handleiding werd op 100% chloorvrij gebleekt papier gedrukt, waarvan

de hoogwaardige fabricage het water ontlast en daarmee het milieu spaart.

Milieuvriendelijk afvoeren elektrische en

elektronische apparatuur

(geldt voor de EU en overige Europese landen met gescheiden inzameling)

Dit toestel bevat elektrische en/ of elektronische onderdelen en

mag daarom niet met het normale huisvuil worden meegegeven!

In plaats daarvan moet het voor recycling op door de gemeenten

beschikbaar gestelde inzamelpunten worden afgegeven. Dit is

Als het toestel zelf verwisselbare batterijen of accu’s bevat, moeten deze vooraf

worden verwijderd en evt. volgens de voorschriften mi-lieuvriendelijk worden

Meer informatie over dit onderwerp ontvangt u bij uw gemeentelijke instantie,

uw afvalverwerkingsbedrijf of de zaak waar u het toestel hebt gekocht.112

Leica bedankt u voor het aanschaffen van de systeemflitser LEICASF58 en feli-

citeert u met deze beslissing.

Met deze flitser heeft u de beste keuze voor uw Leica camera gedaan. Wij wen-

sen u veel plezier en succes met uw nieuwe flitser.

Om de prestaties van uw LEICASF58 ten volle uit te kunnen buiten, raden wij u

graag het lezen van deze gebruiksaanwijzing aan.

Te gebruiken camera‘s

De LEICASF58 is speciaal voor de Leica-Modellen uit de R- en M-reeksen ont-

1. met een Through The Lens (door het objectief heen) interne flitsmeting uit-

2. een digitale interface voor de overdracht van de gegevens en stuursignalen

tussen camera en flitser in overeenstemming met de SCA 3502 standaard

De overeenkomende modellen zijn: LEICAR8, LEICAR9, LEICAM6TTL, LEICA M7, LEICAM8 en de LEICAM8.

Vanzelfsprekend kan de LEICA SF58 ook op andere Leica R- en M-modellen

ingezet worden, inclusief de modellen LEICAR5, LEICAR6, LEICAR6.2,

LEICAR7, die weliswaar ook over TTL-meting beschikken, maar die een analo-

ge interface volgens de SCA 352 standaard bezitten. Daarvoor bezit hij een

eigen meetcel en een automatische sturing met keuze uit zes diafragmawaar-

den. Bovendien staat er een met de hand in te stellen functie ter beschikking.

De beschrijvingen in deze gebruiksaanwijzing beperken zich uitsluitend tot het

gebruik van de LEICASF 58 op en met Leica camera’s.

Het gebruik van de LEICASF58 op camera’s van andere fabrikanten kan echter

slechts onder voorbehoud worden aanbevolen. Zo kan het voorkomen, dat bij

gelijk geplaatste, maar van afwijkende elektrische waarden voorziene contact-

punten in de flitsschoen van andere camera’s er een incompatibele verbinding

ontstaat. Daardoor kan één of kunnen zelfs beide apparaten schade oplopen.

Leica sluit daarom een verdergaande aansprakelijkheid, in het bijzonder voor

schades die niet aan de flitser zelf ontstaan zijn, uit.

In deze gebruiksaanwijzing worden in principe alleen de functies en instellin-

gen van de flitser zelf beschreven.

Bovendien wordt aangegeven:

a. met welke camera’s deze ter beschikking zijn en

b. welke instellingen daarbij op de te gebruiken camera’s nodig, c.q. mogelijk

De uiteenzettingen met betrekking tot de LEICA MP staan daarbij als voorbeeld

voor alle camera’s zonder gegevensoverdracht, c.q. stuursignalen tussen flitser

en camerahuis, onafhankelijk ervan, of de flits van de LEICASF58 via een flits-

schoen met middencontact, dan wel via een kabelverbinding wordt ontstoken.

Verdere details met betrekking tot de instellingen op de camera’s in combinatie

met de flitsfunctie vindt u in de betreffende gebruiksaanwijzingen van die

Veiligheidsaanwijzingen

• De flitser is uitsluitend voor het gebruik in het fotografische bereik gemaakt

• De flitser mag alleen samen met een in de camera ingebouwde flitser worden

gebruikt als deze geheel uitgeklapt kan worden!

• In de omgeving van ontvlambare gassen of vloeistoffen (benzine, oplosmid-

delen e.d.) mag in geen geval een flits worden ontstoken.

GEVAAR VOOR EXPLOSIE!

• Flits niet rechtstreeks van dichtbij in de ogen! Rechtstreeks in de ogen van

mens of dier flitsen kan leiden tot beschadiging van het netvlies en zware

gezichtsstoringen, tot zelfs blindheid toe, veroorzaken!

• Auto- en buschauffeurs, treinbestuurders, motorrijders en fietsers enz. nooit

tijdens het rijden flitsen. Door het verblindende effect kan de bestuurder/rijder

een ongeval krijgen, dan wel veroorzaken!

• Bescherm uw flitser tegen grote hitte en hoge luchtvochtigheid! Bewaar hem

bijvoorbeeld niet in het handschoenvak van de auto.

• Stel de flitser niet bloot aan drup- of spatwater (bijv. regen)!

• Bij snelle temperatuurwisselingen kan vocht neerslaan (condensatie). Laat het

apparaat acclimatiseren!

• Raak na meervoudig flitsen het flitservenster niet aan. Gevaar voor verbran-

• Als u de flits ontsteekt mag er zich geen materiaal dat licht niet doorlaat direct

voor of op het flitservenster bevinden. Het kan anders vanwege de soms hoge

warmteontwikkeling tot verbranding van dat materiaal of vlekvorming op het

flitservenster leiden.

• Bij serieflitsen met vol vermogen en de korte flitsvolgtijden, in het bijzonder

bij voeding uit NC-/NiMH-accu’s, moet u er op letten dat u telkens na 15 flitsen

een pauze van minstens 10minuten inlast. Daardoor vermijdt u overbelasting

• Bij serieflitsen met vol vermogen en korte flitsvolgtijden warmt het flitserven-

ster bij zoomstanden van 35mm en minder door de grote hoeveelheid licht-

energie sterk op. De flitser beschermt zichzelf tegen oververhitting door de

flitsvolgtijd automatisch te verlengen.

• Haal de flitser niet uit elkaar! HOOGSPANNING! Laat reparaties alleen door

een gekwalificeerde service uitvoeren.

• Als het flitserhuis zo zeer beschadigd zou raken dat zijn ingewanden vrij toeg-

ankelijk zijn, mag de flitser niet meer worden gebruikt. Neem de

batterijen/accu’s uit!

• Raak de elektrische contacten van de flitser niet aan.

• Gebruik alleen de in deze gebruiksaanwijzing aangegeven en toegelaten bat-

• Batterijen en accu’s niet open maken of kortsluiten!

• Stel batterijen/accu’s niet bloot aan hoge temperaturen zoals aan intensieve

zonnestraling, vuur of dergelijke!

• Neem verbruikte batterijen/accu’s onmiddellijk uit de flitser! Uit verbruikte

batterijen kunnen chemicaliën lekken (het zogenaamde ‚uitlopen‘) en tot

beschadiging van het apparaat leiden!

• Gebruik geen batterijen/accu’s die beschadigd zijn!

• Batterijen kunnen/mogen niet worden opgeladen!114

Te gebruiken batterijen/accu‘s

De LEICASF58 kan naar keuze worden gevoed uit:

• 4 NC-accu‘s 1,2V, type IEC KR6 (AA / penlight), deze bieden zeer korte flits-

volgtijden en zijn spaarzaam in het gebruik omdat ze herlaadbaar zijn;

• 4 Nikkel-Metaahydride accu’s 1,2V, type IEC HR6 (AA / penlight), duidelijk

hogere capaciteit dan NC-accu’s en minder schadelijk voor het milieu, omdat

ze geen cadmium bevatten;

• 4 Alkalimagaanbatterijen 1,5V, Typ IEC LR6 (AA / penlight), niet op te laden

voedingsbron voor gematigde prestaties;

• 4 Lithiumbatterijen 1,5V, Typ IEC FR6 (AA / penlight), niet op te laden voe-

dingsbron met grote capaciteit en geringe zelfontlading.

• Nieuwe en gebruikte batterijen/accu’s of met verschillende capaciteit of van

verschillende fabrikanten moeten niet samen worden gebruikt.

• Kou reduceert de prestaties van batterijen/accu’s. Draag bij lage temperaturen

de flitser zo dicht mogelijk tegen uw lichaam en voorzie hem van verse bat-

• De batterijen/accu’s zijn leeg, c.q. verbruikt als de flitsvolgtijd (de tijd tussen

een flits op vol vermogen bijv. bij M) tot het opnieuw oplichten van de flitspa-

raataanduiding (1.16) meer dan 60seconden gaat duren.

• Als de batterijen/accu’s deels ontladen zijn, kan na een serie van meerdere flit-

sopnamen achter elkaar de tijd tot het opnieuw oplichten van de hernieuwde

flitsparaatheid iets langer worden. Na een korte pauze, als de batterijen/accu’s

zich ‚hersteld‘ hebben kan in de regel verder worden gefotografeerd.

• Neem, als u de flitser gedurende een langere tijd niet gebruikt, s.v.p. de bat-

terijen/accu’s uit het apparaat.

Inleggen en verwisselen van de batterijen/accu‘s

1. Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar (1.17) uit (zie daarvoor ook: ‚In- en

uitschakelen van de flitser’, bladz. 116);

2. schuif het deksel van het batterijvak (1.3) naar beneden en klap het open;

3. leg de batterijen/accu’s in de lengte, in overeenstemming met de symbolen

aan de binnenzijde van het deksel van het batterijvak in.

Verkeerde poling (d.w.z. verkeerd ingezette batterijen/accu’s) kunnen het appa-

raat vernielen! Gevaar voor explosie bij ondeskundig verwisselen van de bat-

4. Sluit het deksel van het batterijvak door het dicht te klappen en naar boven

Het afvoeren van batterijen/accu‘s

Verbruikte batterijen/accu’s horen niet in het huisvuil: ze bevatten voor het

milieu schadelijke stoffen. Lever ze bij de handel in om ze te laten recyclen,

geef ze af als klein chemisch afval of bij de speciale verzamelpunten.

Gebruik s.v.p. bij het teruggeven van verbruikte batterijen/accu’s de hier in

Nederland overal aanwezige terugneemsystemen.

oor Nederland geldt:

Als verbruiker bent u verplicht, gebruikte batterijen/accu’s in te leveren.

U kunt ze overal afgeven waar ze ook verkocht worden, evenals bij de open-

bare verzamelpunten in uw stad of gemeente.

Deze tekens vindt u op batterijen/accu’s die schadelijke stoffen bevatten:

Pb = batterij/accu bevat lood

Opzetten / afnemen van de LEICA SF 58

Schakel in principe flitser en camera vóór het opzetten/afnemen uit (zie hier-

voor de volgende paragraaf).

1. Draai de kartelmoer (1.1a) tot de aanslag naar boven tegen de flitser. Het

borgpennetje (1.1c) is nu geheel in de voet van de flitser (1.1) verzonken;

2. schuif de flitser met zijn voet tot de aanslag in de flitsschoen van de camera;

3. draai de kartelmoer tot de aanslag naar beneden tegen de flitsschoen van de

camera en klem daardoor de flitser vast.

Bij camerahuizen met een flitsschoen die geen borggat heeft, verzinkt het

verende borgpennetje in de voet van de flitser zodat het oppervlak van de flits-

schoen niet wordt beschadigd.

1. Draai de kartelmoer (1.1a) tot de aanslag naar boven tegen de flitser;

2. schuif de flitser uit de flitsschoen van de camera.

In- en uitschakelen van de LEICA SF 58

De LEICASF58 wordt via zijn hoofdschakelaar (1.17) in- en uitgeschakeld.

Schuif, om de flitser in te schakelen, de schakelaar naar rechts in de ‚ON‘ stand;

om hem uit te schakelen naar links.

Als de batterijen/accu’s voldoende capaciteit hebben, licht de flitsparaataandui-

ding (1.16) na ong. 5 sec. op. Tegelijkertijd klinkt – voor zover de functie is geac-

tiveerd – een akoestisch signaal (zie daarvoor ook: ‘Beep-functie’, bladz. 136).

Het juist functioneren van de flitser kan dan, door op deze als flitsontspanner

werkende toets te drukken, worden getest. De volgende oplaadtijden zullen

niet langer dan ong. 0,5 – 3,5seconden bedragen.

Zou de aanduiding van de flitsparaatheid pas veel later of helemaal niet oplich-

ten, dan moeten de batterijen/accu’s door verse, c.q. opgeladen exemplaren wor-

den vervangen. Als er ook dan geen reactie volgt kan dat daaraan liggen, dat de

contacten van de voeding of die in de flitser vervuild zijn. In dat geval moeten

deze, met een schone, droge en niet pluizende doek, schoongemaakt worden.

• Bij de LEICAR8/R9, alsook bij de LEICAM6TTL-, M7- en M8-modellen wordt

de flitsparaatheid tegelijkertijd ook in hun zoeker aangegeven.

• Is de flitser (nog) niet opgeladen, dan schakelen de Leica-modellen met

TTL–sturing automatisch om en werken ze in de erop ingestelde functie alsof

er geen flitser op aanwezig is.

• Als de LEICASF58 niet op de LEICAR8/R9, de LEICAM6TTL-, M7- of de

M8-modellen is gezet, c.q. als deze camera’s niet ingeschakeld en van stroom

voorzien zijn, dan licht de aanduiding van flitsparaatheid van de flitser (1.16)

alleen op als op de flitser of is ingesteld.

• Als de flitser gedurende langere tijd niet wordt gebruikt, moet hij in principe

altijd via zijn hoofdschakelaar worden uitgeschakeld en is het ‘t beste, dat de

voeding (batterijen/accu’s) er uit worden genomen.

Automatische uitschakeling van het apparaat

De LEICASF58 kan zo worden ingesteld, dat hij ong. 2 of 10 minuten

• na het inschakelen;

• na het ontsteken van een flits;

• na het aantippen van de ontspanknop op de camera;

• na het uitschakelen van het belichtingssysteem van de camera

naar de functie ‚Stand-by‘ omschakelt om energie te sparen en de voedings-

bronnen tegen onbedoeld ontladen te beschermen. Bij geactiveerde automati-

sche uitschakeling van het apparaat wordt in de monitor het symbool aan-

Als de flitser naar de functie stand-by omschakelt, doven de aanduidingen van

flitsparaatheid (1.16) en de aanduidingen in de monitor. De het laatst gebruikte

instellingen blijven na de automatische uitschakeling behouden en zijn na het

herinschakelen onmiddellijk weer ter beschikking.

De flitser wordt door op een willekeurige toets te drukken, c.q. door het aantip-

pen van de ontspanknop op de camera weer ingeschakeld (Wake-Up-functie).

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook ‚Menusturing / instellen van

de functies’, bladz. 118).

1. Kies in het menu ‚Basisinstellingen‘ het menupunt en daarin

2. de gewenste functie 2 min., 10 min., of OFF In de fabriek werd de flitser op 10 min. ingesteld.

Telkens als u de eerste keer op de toetsen 1.13, 1.14 of 1.15 op de flitser drukt,

wordt de verlichting van de monitor gedurende ong. 10 sec. ingeschakeld. Bij

het ontsteken van een flits door de camera of door de ontspanknop (1.16) op

de flitser, wordt die verlichting uitgeschakeld.118

Menusturing / instellen van de functies

Alle instellingen op de LEICASF58 vinden via menu’s met behulp van de 4

toetsen 1.13, 1.14, 1.15 en 1.16 onder de monitor (1.11) plaats. Deze toetsen

hebben bij de verschillende instelstappen verschillende functies.

In de monitor, direct boven de toetsen wordt steeds hun dan dienende functie

aangegeven. In de uitgangspositie, na het inschakelen van de flitser, zijn dit:

– (1.13): menu van de functies;

– (1.14): menu van de opnameparameters;

– (1.15): menu van de basisinstellingen;

– „ “ (1.16): handontspanknop (voor een proefflits).

Menu van de functies

Na het oproepen van het menu door twee maal te drukken op de -toets

(eerste stap), verschijnt in de monitor een lijst van de ter beschikking staande

flitserfuncties, waarbij de geactiveerde functie door een zwarte balk geken-

Tegelijkertijd wisselen de toetsen hun functie:

voor het kiezen van de functie in de lijst (tweede stap)

De lijst is geen ‚eindloze lus‘, dat betekent dat op het bovenste punt kan alleen

de toets , op het onderste punt alleen de toets gebruikt worden.

(1.15), (1.16): om de keuze van een functie te bevestigen en het

activeren van de gekozen functie (derde stap, beide

toetsen zijn te gebruiken).

De aanduiding in de monitor keert naar de uitgang-

Menu van de opnameparameters

Na het, door tweemaal te drukken op -toets

(eerste stap), oproepen van

het menu verschijnt in de monitor de eerste van de veranderbare parameters.

Tegelijkertijd wisselen de toetsen hun functie:

(1.14): voor het kiezen van de gewenste parameter door er eventueel

meerdere malen op te drukken (tweede stap).

(1.15), (1.16): voor het verkleinen, c.q vergroten van de parame-

ter waarden (derde stap)

(1.13) : voor het bevestigen en activeren van de gekozen instelling/en

De aanduiding in de monitor keert naar de uitgangspositie terug.

Door eenmalig drukken wordt de monitorverlichting ingeschakeld (zie bladz. 117)

Menu van de basisinstellingen

Na het oproepen van het menu door tweemaal te drukken op -toets

(eerste stap) verschijnt in de monitor de eerste van de veranderbare parame-

Tegelijkertijd wisselen de toetsen hun functie:

(1.13), (1.14): a. voor het kiezen van de basisinstellingen in de lijst

b. voor het kiezen van de gewenste functievariant

binnen de gekozen basisinstelling (vierde stap).

Zowel de lijst van de basisinstellingen, als ook de twee functievarianten met

meer den twee instellingen zijn geen ´eindloze lussen´, dat betekent dat aan de

bovenste punten alleen de toets , aan de onderste alleen de toets

kan worden gebruikt.

(1.15): door er de eerste maal op te drukken:

oproepen van de lijst van functievarianten van de betreffende

basisinstelling (derde stap).

Door er opnieuw op te drukken:

bevestigen en activeren van de gewenste functievariant

Tegelijkertijd keert de monitor terug naar de vorige stap.

(1.16): door er de eerste maal op te drukken:

bevestigen en activeren van de gekozen functievariant

Tegelijkertijd keert de monitor terug naar de vorige stap.

door er opnieuw op te drukken:

terugkeren naar de uitgangspositie van de menusturing en de

aanduidingen in de monitor (zesde stap).

Onafhankelijk ervan of u de betreffende instellingen, zoals hierboven beschre-

ven door op een toets te drukken hebt bevestigd, keren de menusturing en de

aanduidingen in de monitor automatisch 3 seconden na uw laatste invoer naar

de uitgangspositie terug. Ook in dat geval is de laatst ingestelde functie / instel-

Door eenmalig drukken wordt de monitorverlichting ingeschakeld (zie bladz. 118)120

De reflectoren/flitstechnieken

De LEICASF58 bezit twee reflectoren, de hoofd- en een hulpreflector.

De hoofdreflector (1.5) is als draai- en neigbare, gemotoriseerde zoomkop uit-

gevoerd. Hij is bovendien met een 18mm diffusor en reflectiekaart uitgerust.

De hulpreflector (1.7) kan worden ingeschakeld, zijn vermogen kan worden

Draaien en neigen voor indirect flitsen

In zijn ruststand is de zoomkop (1.4) voor de veiligheid tegen onbedoeld ver-

stellen vergrendeld. Door drukken en vasthouden van de ontgrendelknop 1.4a

kan hij voor indirect flitsen getrapt in verschillende klikstanden worden gedra-

aid en/of geneigd worden:

Draaien (horizontaal): 30°/60°/90°/120°/150°/180° tegen de wijzers van de klok

30°/60°/90°/120° in de richting van de wijzers van de

Neigen (verticaal): 7° naar beneden

45°/60°/75°/90° naar boven

Door indirect te flitsen wordt het onderwerp zachter verlicht en worden duide-

lijk harde schaduwen verzacht. Bovendien wordt de natuurkundig bepaalde

lichtafval van voor- naar achtergrond verminderd.

Om kleurzweem te vermijden moet het aangestraalde reflectievlak (bijv. pla-

fond of wand) neutraal van kleur, c.q. wit zijn. Voor frontale opheldering kan als

extra de hulpreflector worden geactiveerd (zie: ‘Hulpreflector voor indirect flit-

Om er voor te zorgen dat er geen rechtstreeks licht uit de hoofdreflector op het

onderwerp valt, moet de hoek bij het neigen minstens 60° bedragen.

In het dichtbijgebied en bij macro-opnamen kan, vanwege de parallax tussen

flitser en cameraobjectief aan de onderrand van het beeld schaduw optreden.

Om dit te voorkomen kan de zoomkop met een hoek van 7° naar beneden

Als de zoomkop naar beneden is geneigd, wordt, als aanwijzing daarvoor, in de

monitor ‚TILT’ aangegeven.

Bij verdraaide of geneigde zoomkop vindt er geen

aanduiding van de reikwijdte

plaats, berhalve wanneer hij in de 7° naar beneden gerichte stand staat.

Aanwijzingen voor dichtbijopnamen:

• Let er bij opnamen van dichtbij op, dat bepaalde minimale flitsafstanden aan-

gehouden moeten worden om een te ruime belichting te vermijden. De mini-

male flitsafstand bedraagt ong. 10% van de in de monitor aangegeven reik-

• Let er ook op, dat het flitslicht niet door het objectief afgeschaduwd wordt,

wat vooral optreedt bij langere modellen zoals tele- of telezoomobjectieven.

Motorische zoomverstelling

Als zoomstanden staan 24, 28, 35, 50, 75, 90 en 105 (brandpuntsafstand in mm*)

* De aangegeven waarde van de brandpuntsafstand heeft betrekking op het kleinbeeld-

formaat (24x36mm). Bij camera’s met een kleiner formaat kunnen, op grond van de

effectief kleinere beeldhoeken soms ook opnamen gemaakt worden met in de hoofd-

reflector instellingen op kortere brandpuntsafstanden dan die welke in de monitor wor-

den aangegeven. ten opzichte van de brandpuntsafstand van het objectief. Voorbeeld:

met een LEICAM 8/ M8. 2 en een f = 21mm objectief wordt met de 24 mm reflectorstand een perfecte uitlichting van het onderwerp verkregen.121

Automatische verstelling

Als het gebruikte objectief over die betreffende identificatie beschikt en deze

identificatie door de camera naar de LEICASF58 wordt overgebracht, (zie de

betreffende gebruiksaanwijzingen), past de stand van de reflector zich automa-

tisch aan de brandpuntsafstand van het objectief aan. De flitser wordt telkens

bij iedere inschakeling – en nadat de camera door het aantippen van zijn ont-

spanknop van stroom wordt voorzien – in principe op automatische verstelling

Dit geldt eveneens in het geval van de LEICAM8/M8.

2-modellen met hun, ten

opzichte van kleinbeeld, kleinere beeldformaat. Dit wordt bij de automatische

verstelling in acht genomen. Voorbeeld: met een f = 21mm objectief wordt de

hoofdreflector dan in zijn ‘28’ stand gezet.

In de monitor van de flitser worden ‘Azoom‘ en de reflectorstand aangegeven.

Verstellen met de hand

Of er nu wel of geen digitale overdracht van gegevens tussen camera en flitser

plaats heeft gevonden (bijv. vanwege een objectief zonder identificatie) kan de

hoofdreflector ook met de hand worden ingesteld.

In de monitor van de flitser worden dan ‚MZoom‘ en de ingestelde reflector-

Instellen (zie doorvoor ook ‚Menusturing / instellen van de functies‘, bladz. 118)

1. Kies in het menu opnameparameters het menupunt ,Zoom’ en

2. daar de gewenste waarde. De instelling treedt onmiddellijk in werking.

Zachtere verlichting

In de ‚SOFT ‘ functie wordt de brandpuntsafstand van de hoofdreflector ten

opzichte van de brandpuntsafstand van het objectief één stap lager gezet. De

daaruit resulterende, grotere verlichtingshoek zorgt in ruimten voor extra

strooilicht (reflecties) en daarmee voor een zachtere flitslichtverlichting.

De brandpuntsafstand van het objectief bedraagt 50mm. In de ‚SOFT ‘ func-

tie stelt de flitser de hoofdreflector in op 35mm.

In de monitor wordt nog wel 50 mm aangegeven.

Het instellen van de functie (zie doorvoor ook ‚Menusturing / instellen van

de functies‘, bladz. 118).

1. Kies in het menu ‚Basisinstellingen‘ (menu) het menupunt ‚SOFT ’ en

2. daar of u de functie aan: ‘SOFT ON’ of uit: ‘SOFT OFF’ wilt zetten.

Bij geactiveerde ‚SOFT ‘ functie wordt in de monitor, behalve de brandpunt-

safstand (2.12) ook ‘ASoft‘ of ‘MSoft‘ (2.11, afhankelijk van de ingestelde func-

Het systeem bepaalt, dat de ‚SOFT ‘ functie voor objectieven met brand-

puntsafstanden vanaf 28 mm worden ondersteund.122

De LEICASF58 bezit een ingebouwde groothoekdiffusor. Daarmee kunnen

brandpuntsafstanden vanaf 18mm worden uitgelicht.

In de ruststand zit de diffusor (1.5a) ingeschoven in de kop van de hoofdreflec-

tor (1.5). Als hij moet worden gebruikt schuift u hem er naar voren toe tot de

aanslag uit en laat u hem los. Hij klapt dan uit zichzelf naar beneden.

De hoofdreflector wordt daarbij automatisch in de 24mm stand gezet. In de

monitor worden de zoom- (op 18 [mm], 2.12) en afstandswaarden (2.5)

overeenkomstig gecorrigeerd.

Als de diffusor niet meer moet worden gebruikt, klapt u hem 90° naar boven en

schuift u hem helemaal in.

De hoofdreflector wordt, nadat u er de diffusor voorgeschoven heeft, pas dan

weer op de correcte brandpuntsafstand ingesteld (die van het op de camera

geplaatste objectief, c.q. de daarop ingestelde brandpuntsafstand), als de

overdracht van gegevens tussen camera en flitser door het aantippen van de

ontspanknop op de camera, plaats heeft gevonden.

In overeenstemming daarmee is dan ook pas weer de aanduiding van de

correcte brandpuntsafstand in de monitor van de flitser mogelijk.

Reflectiekaart voor indirect flitsen

De LEICASF58 bezit een ingebouwde reflectiekaart. Daarmee kan bij indirect

flitsen van personen spitslichtjes in de ogen worden verkregen.

In de ruststand bevindt de reflectiekaart (1.5b) zich boven in de kop van de

hoofdreflector (1.5). Als hij gebruikt moet worden, moet

1. De kop van de reflector 90° naar boven worden geneigd;

2. de reflectiekaart samen met de groothoekdiffusor (1.5a) tot de aanslag naar

voren worden uitgetrokken;

3. de reflectiekaart vastgehouden worden, en

4. de diffusor terug in de kop worden geschoven.

Hulpreflector voor indirect flitsen

De hulpreflector (1.7) dient voor de frontale opheldering van het onderwerp bij

indirecte verlichting; dat betekent wanneer de hoofdreflector (1.5) opzij ge-

draaid en/of naar boven of beneden geneigd is. Het inzetten van de hulpreflec-

tor is in principe alleen in die gevallen slechts zinvol, daarom wordt hij dan ook

niet ontstoken als de hoofdreflector in de ruststand staat, ook niet als de func-

tie geactiveerd zou zijn.

Als de hoeveelheid licht uit de hulpreflector te groot is kan die hoeveelheid

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook ´Menusturing / Instellen van

de functies´, bladz. 118)

1. Kies in het menu Basisinstellingen het menupunt ‘ ’ en

2. daar of u de functie aan of uit ‚ OFF‘ alsook

3. welk vermogen u hem wenst te geven, ‚ 1/1‘ (vol vermogen), ‚ 1/2’ (half

vermogen) of ‚ 1/4’ (een kwart vermogen).

Bij geactiveerde hulpreflector wordt het symbool in de monitor getoond.

zelfs als hij is ingeschakeld flitst de hulpreflector niet wanneer

– de flitsfuncties stroboscoop, proefflits en -Slave worden gebruikt,

– de hoofdreflector naar beneden geneigd is.

Aanduidingen in de monitor

Aanduiding van flitsparaatheid

Zodra de flitscondensator is opgeladen licht op de LEICASF58 de aanduiding

voor flitsparaatheid (1.16) op, waarmee aangegeven wordt, dat de flitser klaar

staat. Dat betekent dat voor de eerstvolgende opname flitslicht kan worden

gebruikt. Het paraatheidssignaal wordt ook aan de cameramodellen LEICAR8/9,

, LEICAM7 en LEICAM6TTL overgebracht en zorgt in hun zoekers

voor een overeenkomstig symbool.

Als u een opname maakt alvorens in de zoeker van de camera de aanduiding

van flitsparaatheid verschijnt, wordt er geen flits ontstoken en kan de opname

onder bepaalde omstandigheden onderbelicht worden als de camera al naar

de flitssynchronisatietijd is omgeschakeld.

Aanduiding van de belichtingscontrole

Als aanduiding van de belichtingscontrole dient het rood oplichten van de

toets 1.15. Deze licht alleen op als de opname in de TTL-, c.q. de automatisch-

flitsenfunctie goed werd belicht**.

Als hij na de opname niet oplicht, werd de opname te krap belicht en moet

deze worden overgemaakt met de dichtstbij liggende, grotere diafragmaope-

ning, dat is een lagere diafragmawaarde (bijv. diafragma 8 in plaats van 11) en

of een kortere afstand tot het onderwerp of het reflecterende vlak (bij indirect

flitsen). Let daarom steeds op de aanduiding van de reikwijdte van de flits in de

monitor van de flitser.

** De aanduiding in de zoeker van de LEICAM8/ M8.2 modellen werkt principieel alleen

als aanduiding dat de flitser paraat is, niet echter als aanduiding van de belichtings-

Aanduiding van de reikwijdte

In de monitor van de LEICASF58 wordt óf de waarde voor de maximale reik-

wijdte van het flitslicht aangegeven (bij de TTL- en A-flitsfuncties) óf de afstand

waarbij het flitslicht het onderwerp correct verlicht wordt (bij de met de hand in

te stellen flitsfuncties). De aangegeven waarde heeft betrekking op een reflec-

tiegraad van 25% van het onderwerp, zoals dat voor de meeste flitsopnamen

geldt. Sterke afwijkingen van die reflectiegraad, bijv. bij zeer sterk of zeer zwak

reflecterende onderwerpen, kunnen de reikwijdte beïnvloeden.

In de TTL- en de automatisch-flitsenfunctie is het ‘t beste, dat het onderwerp

zich in het midden van een derde van de aangegeven afstand bevindt. Daar-

mee wordt de elektronica voldoende speelruimte voor een goede flitsbelichting

geboden. De minimale flitsafstand tot het onderwerp mag niet korter worden

dan 10% van de aangegeven waarde, om overbelichting te vermijden!

Aanpassing aan de betreffende opnamesituatie kan bijv. door het veranderen

van de diafragmawaarde worden bereikt.

In de met de hand in te stellen flitsfunctie M kan de aanpassing aan de heer-

sende opnamesituatie bijv. door het veranderen van de diafragmawaarde aan

het objectief en/of de keuze tussen vol vermogen en een deelvermogen ‘P’

De reikwijdte /afstand kan naar keuze in meters of in feet plaatsvinden (zie. ‘M-ft-

omschakeling‘, bladz.136). Bij gedraaide en/of geneigde hoofdreflector en in de

slaaffunctie verschijnt er geen aanduiding van de reikwijdte- of de flitsafstand.

Als de hoofdreflector 7° naar beneden wordt geneigd, blijft de aanduiding van

de reikwijdte behouden.124

Automatische aanpassing van de aanduiding van de reikwijdte

De camera’s geven de flitsparameters (bijv. die voor de lichtgevoeligheid ISO,

diafragmawaarde en correcties op het omgevingslicht) door naar de flitser. De

flitser past daardoor zijn instellingen automatisch aan. Uit de flitsparameters

en het richtgetal wordt de maximale reikwijdte berekend en in de monitor aan-

Hiervoor moet tussen camera en flitser een uitwisseling van gegevens plaats

hebben gevonden, bijv. door het aantippen van de ontspanknop op de camera!

Automatische omschakeling naar de flitssynchronisatietijd

Afhankelijk van het type camera en de op die camera ingestelde belichtings-

functie wordt bij het bereiken van de flitsparaatheid de belichtingstijd naar de

flitssynchronisatietijd omgeschakeld (zie de gebruiksaanwijzing van de

Kortere belichtingstijden dan de flitssynchronisatietijd kunnen niet worden

ingesteld (behalve in de flitsfuncties -HSS en -HSS, zie ‚HSS-synchro-

nisatie bij korte belichtingstijden‘, bladz. 135), c.q. worden naar de flitssynchro-

nisatie omgeschakeld. Daarentegen kunnen langere belichtingstijden dan de

flitssynchronisatietijd, afhankelijk van de op de camera gekozen belichtings-

functie, zeer wel worden gebruikt.

•.De LEICAR9 werkt in de programautomatiek met variabele belichtingstijden.

Deze worden door de camera, afhankelijk van het omgevingslicht en de

gebruikte brandpuntsafstand van het objectief, automatisch gestuurd (zie de

gebruiksaanwijzing van de camera);

•.als u er zeker van wilt zijn dat de LEICASF58 zijn volle vermogen kan gebrui-

ken, moet u geen kortere belichtingstijd dan 1/125sec. kiezen;

•.camera’s, c.q. objectieven met centraalsluiter hebben geen flitssynchronisa-

tietijd omdat daarmee bij elke belichtingstijd ook met flits kan worden

gewerkt. Daarom vindt bij die camera’s ook geen automatische omschakeling,

naar wat voor belichtingstijd dan ook, plaats.

Normale synchronisatie

Bij de normale synchronisatie wordt de LEICASF58 aan het begin van de

belichtingstijd ontstoken, dus zodra de sluiter geheel open staat. Deze synchro-

nisatie is de standaardfunctie en wordt door alle camera’s uitgevoerd. Hij is

geschikt voor de meeste flitsopnamen.

De camera wordt, afhankelijk van de erop ingestelde belichtingsfunctie, naar

de flitssynchronisatietijd omgeschakeld.

Op de flitser hoeft voor deze functie niets te worden ingesteld, er wordt ook

geen aparte aanduiding voor gegeven.

Als aansluiting aan de meerderheid van vooral de in systeemcamera’s gebruikelijke

spleetsluiters met hun twee ‘gordijnen’ wordt deze synchronisatie onjuist maar in

het algemeen ‘synchronisatie op het eerste gordijn’ genoemd.

In het geval van de meeste compactcamera’s en vele wisselobjectieven is deze

benaming niet correct. Daarom wordt in deze gebruiksaanwijzing voor de in

beide gevallen betreffende synchronisatie van de belichting gesproken over

het flitsen aan het begin van de belichtingstijd – of aan het einde ervan, zie de

Synchronisatie aan het einde van de belichting

Sommige camera’s bieden de mogelijkheid tot synchronisatie aan het einde

van de belichtingstijd (vaak genoemd ‘synchronisatie op het tweede gordijn’).

Dit is vooral bij belichtingen met lange tijden (>1/30sec.) en bewegende onder-

werpen met (een) eigen lichtbron(nen), c.q. onderwerpen met lichtreflecties

van voordeel, omdat de bewegende lichtbronnen dan een lichtstaart ‚achter

zich aan‘ trekken in plaats van hem, zoals bij synchronisatie aan het begin van

de belichtingstijd, ‚voor zich heen‘ schuiven. Dit geeft bij bewegende lichtbron-

nen een ‚natuurlijker‘ weergave van de opnamesituatie.

De synchronisatie aan het einde van de belichtingstijd moet op de camera wor-

den ingesteld (zie de gebruiksaanwijzing van de camera)! Afhankelijk van de

ingestelde belichtingsfunctie stuurt de camera dan, vooral bij opnamen in don-

kere omgevingen, langere belichtingstijden dan de flitssynchronisatietijd aan.

Gebruik bij lange belichtingstijden een statief om bewogen opnamen te vermij-

Automatische of met de hand in te stellen flit-

De in het parametermenu opgevoerde instellingen zijn beslissend voor

de sturing van de flitsbelichting. Afhankelijk van de ingestelde flitserfunctie (zie

bladz. 128) worden in dit menu verschillende van de in totaal 7 parameters

Afhankelijk van het type camera worden de flitsparameters 1-3 automatisch op

de flitser ingesteld, of ze moeten met de hand (manual) op de flitser worden

alleen met R-objectieven, die met een ROM-geheugen en de betreffende con-

tacten uitgerust zijn.

afhankelijk van de uitrusting van het objectief

alleen met M-objectieven, die met 6-Bits codering uitgerust zijn.

Brandpuntsafstand /reflectorstand

Manual correctie op de flitsbelichting

Manual ingesteld deelvermogen

Stroboscopisch, aantal flitsen

Stroboscopisch, flitsfrequentie

met de hand aan het objectief ingesteld)

Automatische overbrenging

Voor het automatisch overbrengen van deze flitsparameters moet de LEICA SF58 op de camera opgezet en moeten beide apparaten ingeschakeld zijn.

Bovendien moet er een uitwisseling van gegevens plaatsvinden. Tip daarvoor

even de ontspanknop van de camera aan.

De waarden voor de lichtgevoeligheid (ISO) en diafragma (F) kunnen bij auto-

matische overbrenging weliswaar rechtstreeks op de betreffende camera, c.q.

het objectief worden veranderd, echter niet op de flitser

Met de hand instellen (zie hiervoor ook ‚Menusturing / Instellen van de func-

1. Kies in het parametermenu het gewenste punt en

2. daar de gewenste parameter.

In de monitor (1.11) wordt nu het volgende aangegeven:

– de automatisch overgebrachte, c.q. de met de hand ingestelde waarden voor

– AZoom, c.q. MZoom (voor de automatische, c.q. met de hand gedane instel-

ling), evenals de betreffende waarde van de brandpuntsafstand. De maximale

reikwijdte (bij de TTL- en A- functies), c.q. de afstand waarop een onderwerp

correct door de flitser wordt belicht (in de M- en stroboscopische functies) in

overeenstemming met de ingestelde flitsparameters (2.16 / 2.17)

* De op het objectief ingestelde diafragmawaarden worden bij de LEICAM8/ M8.2 niet aan

de flitser doorgegeven. Dientengevolge moeten ze op de flitser met de hand op de flitser

De LEICASF58 biedt in totaal 6 flitsfuncties aan:

-HSS TTL-flitsfunctie met HSS-synchronisatie bij korte belichtingstijden

Automatisch-flitsenfunctie

-HSS Manual flitsfunctie met HSS-synchronisatie bij korte belichtings-tijden

Flitsen, los van de camera als tweede flitser met draadloze ont-steking

Stroboscopische flitsfunctie

Afhankelijk van de uitrusting van de camera’s staan niet al deze flitsfuncties ter

Deze functie is alleen voor het los van de camera functioneren als tweede flitser

bedoeld. De flits wordt bij deze functie uitsluitend via zijn slave-sensor (1.6) door

een andere flitser ontstoken.

Alleen met de LEICAR 9

Met meetflits vooraf (zie „TTL-flitsfunctie met meetflits vooraf“, zie bladz. 128)

Deze functie wordt weliswaar in de monitor van de flitser aangegeven, echter

door camera’s die alleen een middencontact hebben niet ondersteund en kan

daarom bij die camera’s foute belichtingen veroorzaken.

M M M A TTL TTL TTL-flitsfunctie

In de TTL-flitsfunctie krijgt u op eenvoudige wijze zeer goede flitsopnamen. In

deze flitsfunctie wordt de belichtingsmeting door een in de camera ingebouw-

de sensor uitgevoerd. Deze meet het door het objectief (TTL = ‘Trough The

Lens’) binnenvallende licht. Het voordeel van deze flitsfunctie ligt hierin, dat

alle factoren die de belichting kunnen beïnvloeden (opnamefilters, diafragma-

en brandpuntsveranderingen bij zoomobjectieven, uittrekverlenging bij dichtbi-

jopnamen enz.), bij het regelen van de hoeveelheid flitslicht automatisch in

acht worden genomen.

TTL-flitsfunctie met meetflitsen vooraf

De TTL-flitsfunctie met meetflitsen vooraf met de digitale Leica M-modellen is

een evolutionaire ontwikkeling van de standaard TTL-flitsfunctie van analoge

camera’s. Bij de opname wordt/worden, vóór de eigenlijke belichting, een of

meer nagenoeg onzichtbare meetflitsen door de flitser afgegeven. Het gereflec-

teerde licht van de meetflitsen wordt door de camera geëvalueerd. In overeen-

stemming met deze evaluatie wordt de erop volgende flitsbelichting door de

camera aan de opnamesituatie aangepast.

• afhankelijk van het type camera vinden de meetflitsen zo kort vóór hoofdflits

plaats, dat deze praktisch niet van de hoofdflits te onderscheiden zijn;

• de meetflitsen dragen niet bij aan de belichting van de opname.

Automatisch TTL-invulflitsen

Binnen de TTL-flitsfunctie wordt bij sommige camera’s automatisch de sturing van

een TTL-invulflits geactiveerd: bij de LEICAR8/9-modellen in de programautoma-

tiek P, bij de LEICAM8/M8.

-modellen zowel bij de tijdautomatiek A en de snaps-

hot-automatiek S alsook bij de manual belichting. Rekening houdend met de heer-

sende helderheid zorgt de camera voor de juiste combinatie van belichtingstijd,

werkdiafragma en flitsvermogen (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

De TTL-invulflitsregeling kan storende schaduwen wegwerken en bij tegenlicht

voor een uitgebalanceerde belichting tussen onderwerp en achtergrond zorgen.

• let erop, dat tegenlichtbronnen niet rechtstreeks in het objectief schijnen – dat

zou foutieve belichtingen kunnen veroorzaken;

• een instelling voor of aanduiding van de automatische TTL-invulflitsfunctie

vindt in dit geval niet plaats.

Het instellen van de functie op de flitser (zie hiervoor ook: ‚Menusturing /

instellen van de functies’, bladz. 118).

1. Roep het functiemenu op en

2. kies uit de lijst.

Instellingen op de camera

– De TTL-flitsfunctie wordt in alle belichtingsfuncties van de camera - Program

‘P‘, tijdautomatiek A, diafragma-automatiek ‘S’ en manual M – ondersteund.

– De flitssynchronisatietijd (belichtingstijd bij flitsen) wordt, afhankelijk van de

belichtingsfunctie en het type camera, automatisch ingesteld of deze moet

met de hand worden ingesteld, zie daarvoor de gebruiksaanwijzing van de

betreffende camera (zie hiervoor ook:’Flitssynchronisatie’, bladz. 124).

– De flitsparameters voor ISO, diafragma en brandpuntsafstand van het objec-

tief, c.q. de stand van de zoomreflector worden, afhankelijk van het type

camera automatisch ingesteld of ze moeten met de hand op de flitser worden

ingesteld (zie: ‘Automatische /manual instelling van de parameters voor de

flitsopname’, bladz. 126).

Aanduidingen in de monitor van de flitser / in de zoeker van de camera

(zie hiervoor ook: ‚Aanduidingen in de monitor’, bladz. 118)

– De aanduiding van de reikwijdte (2.5) van de flitser vindt, in overeenstem-

ming met de door de camera overgebrachte, c.q. met de hand op de flitser

ingestelde flitsparameters plaats (zie: ‘Automatische / manual instelling van

de opname-flitsparameters’, bladz. 126).

– De flitsparaatheid en de status van een gemaakte flitsopname worden in de

zoekers van alle hier opgevoerde Leica camera’s, behalve de LEICA MP ge-

– Na een correct belichte opname licht gedurende ong. 3 sec. de aanduiding

van de belichtingscontrole ‘o.k.’ op (1.15). (Bij de LEICA M8/M8.2 vindt deze

aanduiding niet plaats)130

Automatisch-flitsenfunctie

In de automatisch-flitsenfunctie A meet de fotosensor (1.2) van de LEICASF58

het door het onderwerp gereflecteerde licht. De fotosensor heeft een meethoek

van ong. 25° en meet alleen gedurende de eigen lichtuitstraling. Zodra hij vol-

doende licht heeft afgegeven, schakelt de belichtingsautomatiek de flitser uit.

De fotosensor moet op het onderwerp gericht staan.

In de monitor wordt de maximale reikwijdte (2.5) aangegeven. De kortste flit-

safstand bedraagt ong. 10% van de maximale reikwijdte. Als u er voor zorgt

dat het onderwerp zich ongeveer in het middelste derde gedeelte van de aan-

gegeven reikwijdte bevindt, heeft de belichtingsautomatiek voldoende speel-

ruimte voor een goed belichte opname.

Het instellen van de functie op de flitser (zie hiervoor ook: ‚Menusturing /

instellen van de functies’, bladz. 118)

1. Roep in het functiemenu op en

2. kies uit de lijst.

Instellingen op de camera

– De automatisch-flitsenfunctie stelt als voorwaarde, dat de instelling van een

diafragmawaarde aan het objectief met de hand wordt gedaan; hij kan dus

alleen met de belichtingsfunctie tijdautomatiek en manual worden

– De synchronisatietijd (belichtingstijd bij het flitsen) wordt, afhankelijk van de

belichtingsfunctie en het type camera automatisch ingesteld of deze moet

met de hand worden ingesteld, zie daarvoor de gebruiksaanwijzing van de

betreffende camera (zie daarvoor ook ‘Flitssynchronisatie’, bladz. 124).

De flitsparameters voor ISO en de brandpuntsafstand van het objectief, c.q. de

stand van de reflector worden, afhankelijk van het type camera, automatisch

ingesteld of ze moeten met de hand op de flitser worden ingesteld (zie: ‘Auto-

matische / manual instelling van de flitsopname-parameters’, bladz. 126).

Aanduidingen in de monitor van de flits / in de zoeker van de camera’s

(zie hiervoor ook: ‘Aanduidingen in de monitor’, bladz. 118)

– De aanduidingen van de reikwijdte (2.5) van de flitser vinden in overeen-

stemming met de door de camera overgebrachte, c.q. de met de hand op

flitser en objectief ingevoerde/ingestelde flitsparameters (zie: ‚Automatische /

manual instellingen van de flitsparameters’, bladz. 126 plaats.

– De flitsparaatheid wordt in de zoeker van alle Leica camera’s, behalve in die

van de LEICA MP weergegeven.

– Na een correcte belichting licht gedurende ong. 3 sec. de aanduiding van de

belichtingscontrole (1.15) op.131

Correcties op de flitsbelichting

Bij grote helderheidsverschillen en/of grote verschillen in de afstand tussen de

delen van het onderwerp in het beeld (vooral tussen hoofdonderwerp en ach-

tergrond) kan het zin hebben een met de hand in te stellen correctie op de flits-

belichting uit te voeren om een juiste belichting van het hoofdonderwerp te

Verklaring: de TTL-sturing van de camera’s (behalve de LEICA MP) alsook de

flitsbelichtingsautomatiek van flitsers zijn op een reflectiegraad van 25 % (de

gemiddelde reflectiegraad van flitsonderwerpen) afgestemd. Een donkere ach-

tergrond die veel licht absorbeert, of een lichte achtergrond die sterk reflecteert

(bijv. tegenlichtopnamen) kunnen tot over- of onderbelichting van het onder-

Om dat effect te compenseren kan de flitsbelichting via een met de hand in te

voeren correctie op de flitsbelichting, aan de situatie worden aangepast. Op de

LEICASF58 kunnen in de TTL- en de automatisch-flitsenfunctie met de hand

correctiewaarden van –3 EV (diafragmawaarden) tot +3 EV (diafragmawaarden)

in stappen van 1/3 diafragmawaarde worden ingesteld.

De grootte van de correctie hangt af van het contrast tussen onderwerp en ach-

Donker onderwerp tegen een lichte achtergrond:

Positieve correctiewaarde.

Licht onderwerp tegen een donkere achtergrond:

Negatieve correctiewaarde.

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook: ‚Menusturing / instellen van

de functies’, bladz. 118)

1. Kies in het opname-parametermenu het menupunt ‚EV’ (EV= Exposu-

re Value; diafragmawaarde) en

2. daar de gewenste waarde.

Bij het instellen van een correctie op de flitsbelichting kan de aanduiding van

de reikwijdte (2.5) in de monitor van de flitser veranderen (de met een pluscor-

rectie plaatsvindende, sterkere verlichting kan alleen op een kleinere afstand

worden geëffectueerd, omgekeerd zal door een mincorrectie minder sterke ook

op een grotere afstand effect hebben).

In de manual functie wordt door de LEICASF58 niet-geregeld de volle energie

uitgestaald, c.q. de verminderde hoeveelheid energie die in de vorm van deel-

energie (zie bladz. 134) is ingesteld. Manual flitsbelichtingen kunnen daarom

alleen op een bepaalde flitsafstand tot het onderwerp correct zijn. De aanpas-

sing van de belichting moet daarom voor elke opname plaatsvinden: door de

keuze van het diafragma en/of het veranderen van de afstand tot het onder-

werp en het instellen van een geschikt, met de hand in te stellen deelvermo-

gen( zie daarvoor bladz. 134).

Het instellen van de functie op de flitser (zie daarvoor ook: ‚Menusturing /

instellen van de functies‘, bladz. 118)

1. roep het functiemenu op en

2. kies uit de lijst.

Instellingen op de camera

– In de manual flitsfunctie moet eerst de diafragmawaarde op het objectief

worden ingesteld en deze kan dus alleen met de belichtingsfunctie tijdauto-

matiek en manual worden uitgevoerd.

– De synchronisatietijd (belichtingstijd bij het flitsen) wordt, afhankelijk van de

belichtingsfunctie en het type camera, automatisch ingesteld of hij moet met

de hand worden ingesteld, zie daarvoor de gebruiksaanwijzing van de betref-

fende camera (zie ook:’Flitssynchronisatie’, bladz. 124).

– De flitsparameters voor ISO en brandpuntsafstand van het objectief, c.q. de

stand van de zoomreflector worden, afhankelijk van het type camera, auto-

matisch of moeten met de hand op de flitser worden ingevoerd (zie: ‘Automa-

tische / manual instellingen van de flitsparameters’, bladz. 126).

Aanduidingen in de monitor van de flits / in de zoeker van de camera

(zie daarvoor ook: ‘Aanduidingen in de monitor’, bladz. 117)

De afstandswaarde in de monitor (2.5) van de flitser vindt plaats in overeen-

stemming met de door de camera automatisch overgebrachte, c.q. met de hand

op de flitser en op het objectief ingevoerde/ingestelde flitsparameters (zie:’Auto-

matische / manual instelling van de flitsopname-parameters’, bladz. 126).

– De aanduiding van flitsparaatheid wordt in de zoeker van alle hier opgevoer-

de Leica camera’s, behalve in die van de LEICA MP gesignaleerd.133

De functie van stroboscopisch flitsen

In de stroboscoopfunctie worden – zolang de sluiter van de camera opens staat

– meerdere flitsen kort na elkaar ontstoken. Daardoor komen steeds die delen

van het onderwerp die zich gedurende de belichting bewegen en in principe

door het flitslicht belicht worden, meerdere malen in beeld. Dat is in het bij-

zonder interessant voor bewegingsstudies en effectopnamen.

Om het effect van de afbeelding te benadrukken bevelen wij aan, het hoof-

donderwerp tegen een donkere achtergrond (die niet door de flitser wordt ver-

licht) te fotograferen.

Daar het ter beschikking staande totale vermogen bij een stroboscoopopname

over meerdere flitsen verdeeld moet worden, is deze functie alleen met een

deelvermogen van max. 1/4 van het totale vermogen te realiseren. Als gevolg

daarvan zijn de mogelijke afstanden tot het onderwerp overeenkomstig minder

groot. Daarom en omdat het vermogen van de flitsen niet verder kan worden

veranderd, volgt het bepalen van de belichting net als bij de manualfunctie (zie

Het vermogen van de flitsen zelf wordt door de beide mogelijke instellingen

vastgelegd – het aantal flitsen en de flitsfrequentie. Zowel de flitsfrequentie

(aantal flitsen per seconde) als ook het aantal flitsen kan worden gekozen.

Het instellen van de functie op de flitser (zie daarvoor ook: ‚Menusturing /

instellen van de functies’, bladz. 118)

1. Roep het functiemenu op en

2. kies dan uit de lijst.

Stroboscoop – aantal flitsen en flitsfrequentie

Het aantal flitsen (N) en de flitsfrequentie (f) zijn van 2 tot 50, c.q. van 1 tot 50 in

enkelvoudige stappen in te stellen. Het maximaal mogelijke met de hand in te

stellen deelvermogen wordt daar automatisch aan aangepast. Het is afhankelijk

van de ISO- en de diafragmawaarde. U kunt voor het verkrijgen van een korte

flits het deelvermogen tot op de minimale waarde van 1/256 instellen (zie.

In de monitor wordt de voor de parameters geldige flitsafstand aangegeven.

Mocht u echter uw hoofdonderwerp toch vanaf een andere afstand willen foto-

graferen (bijv. om creatieve redenen, of omdat de uitbreiding van de beweging-

en dat vereist), dan kan de aangegeven afstandswaarde door het veranderen van

de diafragmawaarde of van het deelvermogen, daaraan worden aangepast.

Het instellen van het aantal flitsen en de flitsfrequentie (zie daarvoor

ook: ‚Menusturing / instellen van de functies, bladz.118)

Kies in het menu van de opnameparameters het menupunt N, c.q. f en

2. daar respectievelijk de gewenste waarde.

De hulpreflector wordt in de stroboscoopfunctie niet ondersteund.

Zelfs als hij ingeschakeld zou zijn, flitst hij in de stroboscoopfunctie niet mee!

In de monitor wordt hierbij het symbool voor de hulpreflector niet getoond!

Instellingen op de camera

– De stroboscoopfunctie vereist een met de hand in te stellen diafragma op het

objectief en kan daarom alleen met de camerafuncties tijdautomatiek en

manual worden ingezet.

– De flitssynchronisatietijd (belichtingstijd bij het flitsen) wordt, afhankelijk van

de belichtingsfunctie en het type camera, automatisch ingesteld of deze moet

met de hand worden ingevoerd, zie daarvoor de gebruiksaanwijzing van de

betreffende camera (zie ook: ‘Flitssynchronisatie’, bladz. 124).

– De flitsparameters voor ISO en brandpuntsafstand van het objectief, c.q. de

stand van de zoomreflector worden, afhankelijk van het type camera, auto-

matisch ingesteld of ze moeten met de hand op de flitser worden ingevoerd

(zie: ‘Automatische / manual instelling van de flitsparameters’, bladz. 126).

Aanduidingen in de monitor van de flits / in de zoeker van de camera

(zie daarvoor ook: ‚Aanduidingen in de monitor’, bladz. 118)

– De afstandsaanduiding in de monitor (2.5) van de flitser vindt plaats in ove-

reenstemming met de door de camera overgebrachte, c.q. de met de hand op

flitser en objectief ingestelde flitsparameters (zie:’Automatische / manual

instelling van de flitsparameters’, bladz. 126).

– De flitsparaatheid wordt in de zoeker van alle opgevoerde Leica camera’s,

behalve in die van de LEICA MP, gesignaleerd.

M A Met de hand ingesteld deelvermogen

In de met de hand ingestelde (manual) flitsfunctie en de stroboscoopfunctie is

het flitsvermogen van de LEICASF58 door het manual instellen een deelver-

mogen (P) aan de opnamesituatie aan te passen. Het instelbereik strekt zich in

de manual flitsfunctie uit van P 1/1 (vol vermogen) tot P 1/256 in stappen

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook ‚Menusturing / instellen van

de functies‘, bladz. 118)

1. Kies in het menu ‚Opnameparameters‘ het menupunt ‚P‘ en

2. daar de gewenste waarde.

Aanwijzing voor het deelvermogen in combinatie met de stroboscoop-

• Het maximaal instelbare deelvermogen past zich aan de flitsparameters aan.

• Het manual verminderen van het deelvermogen is alleen in hele stappen

• Bij het lager zetten van het aantal flitsen (N) en de flitsfrequentie (f) wordt het

deelvermogen niet lager gezet.

HSS-synchronisatie bij korte belichtingstijden

Sommige camera’s ondersteunen de HSS-synchronisatie bij korte belichtings-

tijden (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Met deze flitsfunctie is het

mogelijk flitsers ook bij kortere belichtingstijden dan de flitssynchronisatietijd

Interessant is deze functie bijv. bij portretopnamen in zeer heldere omgevin-

gen, als door een ver geopend diafragma (bijv. diafragmawaarde 2.0) de

scherptediepte begrensd moet worden! De LEICASF58 ondersteunt de

HSS–synchronisatie bij korte belichtingstijden in de functies -HSS en

Natuurkundig bepaald, wordt door de HSS–synchronisatie het richtgetal en

daarmee ook de reikwijdte van de flits soms behoorlijk ingeperkt. Dit hangt

vooral van de gebruikte belichtingstijd af – hoe korter de belichtingstijd, des te

lager het richtgetal! Let daarom goed op de aanduiding van de reikwijdte in de

monitor van de flitser.

De HSS–synchronisatie wordt automatisch uitgevoerd, als op de camera met

de hand of automatisch een kortere belichtingstijd dan de flitssynchronisatie-

tijd is ingesteld, c.q. wordt ingevoerd.

Het instellen van de functie op de flitser (zie daarvoor ook ‚Menusturing /

instellen van de functies‘, bladz. 118 en ‘Flitsfuncties’, bladz. 128)

1. Roep het functiemenu op en

2. kies -HSS of -HSS uit de lijst.

M TTL Instellingen op de camera

Zie de gebruiksaanwijzing van de camera

Aanduidingen in de monitor van de flits / in de zoeker van de camera

(zie daarvoor ook: ‘Aanduidingen in de monitor’, bladz. 118)

– De afstandsaanduiding in de monitor (2.5) van de flitser vindt in overeen-

stemming met de door de camera overgebrachte, c.q. de met de hand op flit-

ser en objectief ingevoerde/ingestelde flitsparameters plaats (zie ‚Automati-

sche / manual instelling van de flitsparameters‘, bladz. 126).

– De flitsparaatheid wordt in de zoeker van alle opgevoerde Leica camera’s,

behalve in die van de LEICA MP, gesignaleerd.136

Afhankelijk van de ingestelde flitsfunctie kunt u uit meerdere bijzondere func-

De reikwijdte, c.q. afstandsaanduiding in de monitor van de LEICASF58 kan

naar keuze in meter ‘m’ of feet ‘ft’ plaatsvinden.

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook ‚Menusturing / instellen van

de functies’, bladz. 118)

1. Kies in het menu ‚Basisinstellingen‘ het menupunt ‚m/ft‘ en

2. daar de gewenste maateenheid.

Met de Beep-functie kan de gebruiker zich enkele apparaatfuncties van de flit-

ser akoestisch laten mededelen. Daardoor kan de fotograaf zich geheel op

onderwerp en opname concentreren en hoeft hij niet op optische statusaandui-

De Beep-functie signaleert akoestisch het bereiken van de flitsparaatheid, de

correcte flitsbelichting of een bedieningsfout.

Akoestische melding na het inschakelen van de flitser

Een kort (ong. 2 sec.) ononderbroken piepje na het inschakelen geeft de flitspa-

raatheid van de flitser aan.

Piepsignalen na de opname

• Een kort (ong. 2 sec.) ononderbroken piepje direct na de opname geeft aan

dat de opname correct werd belicht en de flitser verder weer paraat is. Als er

direct na de opname geen piepsignaal klinkt, dan werd de opname te krap

• Een intermitterend (— — —) piepsignaal, onmiddellijk na de opname is het

teken voor een correcte flitsopname, waarbij de flitser echter pas na een vol-

gende (ong. 2 sec.) continupiep weer paraat is.

• Het piepsignaal als aanduiding dat de flitser na een opname weer paraat is

vindt alleen plaats als tevoren het gehele vermogen werd afgegeven, in prin-

cipe dus in de functie (mogelijke uitzondering: geringe vermogensafgifte

bij ingesteld deelvermogen), met en echter alleen dan, als zelfs het

maximaal afgegeven flitsvermogen voor een correcte belichting niet toerei-

kend geweest zou zijn.

• In het geval van de LEICAM8/M8.

2-modellen klinkt het piepsignaal in de

TTL–functie uitsluitend na afgifte van het volle flitsvermogen en dan slechts

als aanduiding dat de flitser paraat is, niet echter als signaal van de controle

op de flitsbelichting.

Het instellen van de functie (zie hiervoor ook ‚Menusturing / instellen van

de functies‘, bladz. 118)

1. Kies in het menu ‚Basisinstellingen‘ het menupunt ‚Beep‘ en

2. daarin de gewenste instelling.

Bij ingeschakelde Beep-functie wordt in de monitor bovendien het symbool

Met de functie voor de vergrendeling van de toetsen (KEYLOCK) zijn de toetsen

van de LEICASF58 tegen onbedoeld verstellen te vergrendelen. Bij geactiveer-

de toetsvergrendeling wordt in de monitor via de toetsen 1.13, 1.14 en 1.15 het

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook: ‚Menusturing / instellen van

de functies’, bladz. 118)

1. Kies in het menu ‚Basisinstellingen‘ het menupunt ‚KeyLock’ en

2. daar, of u de functie in: ‚KeyLock ? YES?‘ of uit: ‚KeyLock ? NO?‘ wilt schake-

Opheffen van de toetsvergrendeling

Bij het drukken op een toets verschijnt in de monitor de aanduiding ‚UNLOCK?

Press these keys‘. Als aanwijzing dat de toetsen vergrendeld zijn verschijnt het

Voor het opheffen van de toetsvergrendeling drukt u gedurende 3 seconden op

de toetsen 1.14 en 1.15. Zodra de toetsvergrendeling is uitgeschakeld, verschij-

nen in de monitor weer de normale aanduidingen.

Bij deze functie gaat het om een serie van meerdere flitsen met een hoge fre-

quentie. Gedurende het ong. 3 sec. durende flitsen ontstaat de indruk van een

continulicht. Zo kan de lichtverdeling en schaduwvorming al vóór de opname

Het instellen van de functie (zie daarvoor ook: ‚Menusturing / instellen van

de functies‘, bladz. 118)

1. Kies in het menu ‚Basisinstellingen‘ het menupunt ‘TestLight’ en

2. daar of u de functie in: ‚TestLight ON‘ of uit: ‚TestLight OFF‘ wilt schakelen.

• De instellichtfunctie staat met de draadloze -Slave functie (zie bladz. 138)

niet ter beschikking.

• De hulpreflector staat niet samen met de instellichtfunctie ter beschikking.

Het gebruik als tweede flitser

Soms kan een gewenste uitlichting alleen door de inzet van meerdere licht-

bronnen worden verkregen. Behalve de meestal voor de frontale verlichting

ingezette hoofdlichtbron zijn, bijv. bij portretten extra lichtbronnen voor het

vermijden van harde schaduwen, ter verkrijging van spitslichtjes in de ogen

De LEICASF58 bezit voor dit doel een Slave-sensor (1.6), zodat hij ook niet

rechtstreeks als hoofdlichtbron op de camera kan worden gebruikt, maar ook

draadloos (dat betekent dat hij alleen wordt ontstoken door de flits van de

hoofdflitser) als tweede flitser kan worden ontstoken. De meegeleverde stand-

voet veroorlooft een eenvoudige en veilige opstelling van het als tweede flitser

gebruikte apparaat op elk effen grondvlak.

Het instellen van de functie (zie hiervoor ook: ‚Menusturing / instellen van

de functies‘, bladz. 118)

Kies in het functiemenu het menupunt ‚ -Slave‘.

In de monitor van de flitser wordt ‚ -Slave‘ voor de functie aangegeven

– -Slave voor de functie,

– ‚MZoom‘ voor de op dat moment ingestelde brandpuntsafstand /stand van de

zoomkop en het op dat moment ingestelde deelvermogen.

Beide laatste aanduidingen verwijzen naar de enige verdere instellingen die in

de slaaffunctie mogelijk zijn.

• Bij het bereiken van de flitsparaatheid licht bovendien aan de aanduiding van

flitsparaatheid (1.16) ook het onderste autofocusmeetlicht (1.8) op.

• Bij het gebruik van de LEICAM8/M8.

2-modellen zou het als hoofdflitser ge-

bruikte apparaat in de functie of ingesteld moeten worden, niet ech-

Reden: daar de slaafsensor (1.6) van het als tweede flitser gebruikte apparaat

ook reeds op zwakke lichtimpulsen reageert, zouden reeds de TTL-voorafflit-

sen van de hoofdflitser de slaafflitsers doen afflitsen. Bij de dan onmiddellijk

daarna afrgegeven hoofdflits zouden de slaafflitserts nog niet paraat zijn.

Het instellen van deelvermogens en de brandpuntsafstand/stand van

1. Kies, door tweemaal te drukken op de toets (1.14) het eerste van bei-

de punten ‘P1/x*’ en

2. daar met de toetsen (1.15), (1.16) de gewenste waarde.

Instelbaar zijn deelvermogens tussen 1/1 en 1/256 inclusief tussenwaarden in

stappan van 1/3 stop.

Aangegeven wordt telkens het deelvermogen plus een eventuele tussenwaar-

de als -1/3‘ of -2/3‘. Na het instellen wordt in het display voor de tussenwaarde

„-1/3“ alleen nog „–“ c.q. for de tussenwaarde „-2/3“ alleen nog „– –“ aange-

Aanwijzing: Bij vol vermogen (‚P1/1‘) kan het vermogen alleen verlaagd wor-

den. In die gevallen staat dus alleen de toets (1.15) ter beschikking.

3. Kies door opnieuw op de toets (1.14) te drukken het tweede van beide

punten: ‘MZoom 50*’ en

4. daar met de toetsen (1.15), (1.16) de gewenste brandpuntsaf-

stand/reflectorstand.

Beide instellingen treden onmiddellijk in werking.

Deze aanduidingen zijn voorbeelden

Voor fout functioneren en schades aan de flitser, veroorzaakt door het gebruik

van toebehoor van andere fabrikanten, wordt geen aansprakelijkheid aan-

Diffusor (Best-Nr. 14 489)

Met deze diffusor krijgt u op de eenvoudigste wijze een zachte verlichting. De

gezichtskleur van personen wordt natuurlijker weergegeven. Bovendien wordt

door de sterke verstrooiing van het licht de beeldhoek van 18 mm objectieven

uitgelicht. De grensreikwijdten worden, wegens het verlies van licht tot onge-

veer de helft verkort.

Onderhoud en verzorging

• Verwijder vuil en stof met een zachte, droge doek.

• Gebruik geen reinigingsmiddelen – de kunststof onderdelen kunnen daardoor

De firmware van de flitser kan via de USB-aansluitbus (1.9) geactualiseerd en

technisch aan de functies van toekomstige camera’s aangepast worden (firm-

Verdere informaties vindt u in het Internet op de homepage van de

Leica Camera AG.: www.leica-camera.com

De flitser kan naar de fabrieksinstellingen als bij de aflevering worden terugge-

zet. Druk daarvoor op de toets ‘Mode’ en houd deze ong. 3 sec. ingedrukt.

Aansluitend wordt in de monitor ‘Reset‘ aangegeven. Na ong. 3 sec. keert de

aanduiding terug naar de aflevertoestand.

Firmware-updates van de flitser gaan daarbij niet verloren!

Het formeren van de flitscondensator

De in de flitser ingebouwde flitscondensator ondergaat natuurkundig een ver-

andering als het apparaat gedurende langere tijd niet ingeschakeld wordt. Op

grond daarvan is het dus noodzakelijk het apparaat minstens eens per kwartaal

voor ong. 10 minuten in te schakelen. De stroombronnen moeten daarbij

zoveel energie leveren dat de flitsparaatheid uiterlijk 1 minuut na het inschake-

Zou de flitser ooit fout functioneren, schakel hem dan voor ong. 10 seconden

via zijn hoofdschakelaar (1.17) uit. Controleer de juiste zit van de flitser in de

flitsschoen van de camera en de camera-instellingen. Verwissel de batterijen,

c.q. accu’s tegen nieuwe of vers opgeladen exemplaren!

De flitser zou nu, na het inschakelen weer correct moeten functioneren. Als dat

niet het geval is, ga er dan mee naar uw handelaar.

Hieronder vindt u enkele problemen die in de praktijk van het flitsen kunnen

optreden. Onder elk punt vindt u de mogelijke oorzaken als ook de remedies

tegen deze problemen.

In de monitor verschijnt de aanduiding van de reikwijdte niet

• De hoofdreflector staat niet in de normale stand.

• Op de flitser is de -Slave functie ingesteld.

In de monitor verschijnt de aanduiding ‚TILT’

• De hoofdreflector is ten behoeve van dichtbij- of macro-opnamen naar bene-

M In de monitor verschijnt een waarschuwing voor de batterij

Bij het verschijnen van deze waarschuwing is er nog zoveel energie ter

beschikking, dat er nog slechts enkele flitsen kunnen worden ontstoken. Zie

ook: ‘Batterijen/accu’s verwisselen’, bladz. 115.

Er zijn echter ook batterijladingen waarbij de waarschuwing relatief vroeg ver-

schijnt, hoewel er nog minstens 50% van het aantal flitsen beschikbaar is.

In de -Slave functie verhindert het systeem een batterijwaarschuwing.

De reflectorstand wordt niet automatisch aan de actuele zoomstand

van het objectief aangepast.

• camera draagt geen digitale gegevens over naar de flitser;

• er vindt geen uitwisseling van gegevens tussen camera en flitser plaats. Tip

de ontspanknop op de camera even aan!

De hulpreflector is niet te activeren, c.q. geeft geen flits af

• De flitsfuncties stroboscoop, -Slave en instellicht worden door de hulpre-

flector niet ondersteund. In deze flitsfuncties kan de hulpreflector niet worden

geactiveerd, c.q. zendt de hulpreflector geen flitslicht uit.

• De hoofdreflector staat in de normale stand of is naar beneden geneigd.

Er vindt geen automatische omschakeling naar de flitssynchronisatie-

• De camera werkt met de HSS-synchronisatie bij korte belichtingstijden

(camera-instelling). Daarbij vindt er geen omschakeling naar de flitssynchro-

• De camera werkt met belichtingstijden die langer zijn dan de flitssynchronisa-

tietijd. Afhankelijk van de belichtingsfunctie op de camera wordt daarbij niet

naar de flitssynchronisatietijd omgeschakeld (zie de gebruiksaanwijzing van

De opnamen zijn aan de onderkant afgeschaduwd.

Door de parallax tussen objectief en flitser kan de opname in het dichtbijge-

bied, afhankelijk van de brandpuntsafstand, aan de onderkant van het beeld

niet geheel worden uitgelicht. Neig de hoofdreflector naar beneden, c.q. draai

de groothoekdiffusor voor de reflector.

M De opnamen zijn te donker.

• Het onderwerp ligt buiten de reikwijdte van de flits. Let hierop: bij het indirect

flitsen neemt de reikwijdte van de flits af.

• Het onderwerp bevat zeer lichte of sterk reflecterende delen. Daardoor wordt

het meetsysteem van de camera, c.q. van de flitser in de war gebracht. Stel

met de hand een positieve correctie op de flitsbelichting in van bijv. + 1 EV.

De opnamen zijn te licht.

In het dichtbijbereik kunnen te ruime belichtingen (te lichte opnamen) optreden

als de flitser dichterbij staat dan de minimale flitsafstand, die niet minder dan

10% van de in de monitor aangegeven maximale reikwijdte van de flits mag

De flitsparameters voor de lichtgevoeligheid ISO en het diafragma F

zijn op de flitser niet te verstellen.

Tussen camera en flitser vindt een digitale uitwisseling van gegevens plaats.

Daarbij worden de waarden van ISO en diafragma F automatisch op de flitser

ingesteld. Met de hand verstellen van ISO en diafragma is daarom niet moge-

Richtgetal (bij ISO 100/21°, vol vermogen, in m/ft)

Automatische diafragma-instelling (bij ISO 100/21°) F0,95 tot F45 inclusief

Met de hand in te stellen deelvermogen P1/1 - P1/256 in stappen van 1/3 stop.

Flitstijden 1/125sec. (bij vol vermogen) tot 1/33000sec. (bij 1/256 vermogen)

Meethoek fotosensor ong. 25°

Kleurtemperatuur ong. 5600K Gevoeligheidsinstellingen ISO 6 tot 6400

Synchronisatie laagspannings-IGBT-ontsteking

(steeds bij vol vermogen, ong.) 180 met NiMH accu’s 1600 mAh,

180 met super-alkalimangaanbatterijen

Flitsvolgtijden (steeds bij vol vermogen, ong.) 5sec. met NiMH accu’s / 5 sec.

met super-alkalimangaanbatterijen

Verlichtingshoek (berekend naar kleinbeeldformaat 24x36mm) hoofdreflec-

tor vanaf 24mm, hoofdreflector met groothoekdiffusor vanaf 18mm, hulpre-

flector vanaf 35mm, met de als toebehoor verkrijgbare diffusor tot 18mm

Draaibereiken en klikstanden van de reflector

verticaal 7°/45°/60°/75°/90°,

horizontaal tegen de richting van de wijzers van de klok in: 30°/60°/90°/120°/

horizontaal in de richting van de wijzers van de klok 30°/60°/90°/120°

Afmetingen (B x H x D) 71x148x99mm

Gewicht (zonder voeding) 355g

De levering omvat: flitser met geïntegreerde groothoekdiffusor, tas,

standvoet, alkalimangaanbatterijen, gebruiksaanwijzing, Garantiekaart.

Naast hoogwaardige producten uit de topklasse voor observatie tot en met weer-

gave bieden wij reeds vele jaren als bijzondere service in de

Leica Akademie praktijkgerichte seminars en opleidingen aan. Hier kunnen zowel

beginners als gevorderde foto-enthousiastelingen kennis vergaren over fotogra-

fie, projectie en vergroting.

De inhoud van de cursussen – die in modern uitgeruste cursusruimten in de

fabriek in Solms en in het nabijgelegen landgoed Altenberg worden verzorgd

door een hoog opgeleid team van vakdocenten – varieert van algemene fotogra-

fie tot interessante specialisaties en omvat een overvloed van suggesties, infor-

matie en adviezen voor de praktijk.

Nadere inlichtingen en het actuele seminarprogramma zijn verkrijgbaar bij

Actuele informatie over producten, wetenswaardigheden, evenementen en de

onderneming Leica krijgt u op onze homepage op in-

Technische vragen over het Leica programma worden schriftelijk, telefonisch of

Voor het onderhoud van uw Leica uitrusting alsmede in geval van schade kunt

u gebruik maken van de Customer Service van Leica Camera AG of de repara-

tieservice van een na-tionale vertegenwoordiging van Leica (voor adressenlijst

zie Garantiebewijs). Wend u tot een erkende Leica-speciaalzaak.

Leica Camera AG Customer Service

Handelsmerk van de Leica Camera Groep

= Gedeponeerd hendelsmerk

Wijzingen in constructie en uitvoering voorbehouden.

Menu van de flitsfuncties

Menu van de opnameparameters

Menu van de basisinstelling