GEBRUIKSAANWIJZING MECABLITZ 28 C-2 METZ
- Veiligheidsinstructies .....60
- Gereedmaken van de mecablitz .....61
2.1 Voeding 61
2.2 Inleggen en verwisselen van de batterijen of de accu's .62
2.3 Batterijtest 63
2.4 Bevestigen van de mecablitz op de camera .63
2.5 Synchronisatie .....63
2.6 In- en uitschakelen van de flitser .....63
2.7 Automatisch uitschakelen van de voeding 64
- Automatisch flitsen .....65
- Flitsen met handinstelling .....68
- Verlichtingshoek en
groothoekvoorzetstuk ....69
- Indirect flitsen .....70
6.1 - bij automatisch flitsen .....71
6.2 - bij flitsen met handinstelling .....71
7. Invulflitsen bij daglicht .....72
8. Belichtingscorrectie .....74
9. De aanduiding van de belichtingscontrole ....75
10. Onderhoud en verzorging .....76
11. Technische gegevens .....76
12. Accessoires .....77

1. Veiligheidsinstructies
2. Gereedmaken van de flitser

Afb. 1: Te gebruiken voeding
2.1 Voeding
De flitser kan naar keuze worden gevoed uit:
- 4 NiCd-accu's, type IEC KR 15/51, met deze kunt u snel achterelkaar flitsen en ze zijn oplaadbaar.
- 4 Alkalimangaanbatterijen, type IEC LR6, voor normale prestaties.
- 4 Nikkel-metaalhydride accu's ( formaat penlight, AA ).
Geen lithiumbatterijen gebruiken!
Voor het opladen van de NiCd-accu's bevelen wij ons NC-laadapparaat B 28 (accessoire) aan.
De batterijen zijn leeg, c.q. opgebruikt, wanneer de tijd tussen de flitsen langer wordt dan 60 seconden.
Wordt de mecablitz langere tijd niet gebruikt, dan moeten de batterijen uit het apparaat worden genomen.
Afvoeren van de batterijen
Batterijen horen niet bij het huisvuil.
S.v.p. de batterijen bij een daarvoor bestemd inza-
melpunt afgeven.

2. Gereedmaken van de flitser

Afb. 2: Batterijen verwisselen
2.2 Inleggen en verwisselen van de batterijen of de accu's
- De flitser uitschakelen met de schakelaar O.
- Het deksel van het batterijvak in de richting van de pijl schuiven.
- De batterijen of de accu's in de lengterichting, overeenkomstig de aangegeven batterijsymbolen inleggen.
Bij het inzetten van de batterijen, c.q. de accu's, op de juiste polariteit letten. Vervang altijd alle 4 voe dingsbronnen tegelijk. De voedingsbronnen moeten ongeveer dezelfde laadtoestand hebben.
- Na het inleggen van de batterijen het deksel van het batterijvak weer sluiten.
Lege batterijen behoren niet in het huisvuil!
Milieu- bewust leven begint bij uzelf; lever
lege batterijen en verbruikte accu's in op de
daarvoor bestemde plaatsen.

2. Gereedmaken van de flitser
2.3 Batterijtest
Met deze voorziening kunnen alleen alkalimangaan-batterijen worden getest. Wanneer na drukken op de toets de batterij-aanduiding oplicht, zijn de batterijen in orde. Licht de aanduiding niet op, dan is er nog slechts een restcapaciteit aanwezig en moet voor nieuwe batterijen worden gezorgd.
2.4 Bevestigen van de mecablitz op de camera
- De kartelmoer van de mecablitz tot de aanslag tegen de flitser draaien.
- De mecablitz in de accessoireschoen van de camera schuiven.
- De kartelmoer van de mecablitz tot de aanslag tegen de camera draaien en de mecablitz vastzetten.
2.5 Synchronisatie
De mecablitz is, voor eenvoudige flitssynchronisatie, voorzien van een middencontact.
2.6 In- en uitschakelen van de flitser
De mecablitz wordt met de schakelaar 1 ingeschakeld. In ingeschakelde toestand licht de groene aanduiding op.
Voor het uitschakelen drukt u op de schakelaar O. De groene aanduiding dooft. De mecablitz blijft echter paraat zolang de oranje aanduiding van de flitsparaatheid oplicht.

2. Gereedmaken van de flitser
2.7 Automatisch uitschakelen van de voeding
Door deze schakeling wordt het per ongeluk ontladen van de batterijen voorkomen.
Het apparaat schakelt ong. 1 - 2 minuten na het inschakelen, of na het ontsteken van een flits, de oplaadschakeling van de flitscondensator uit, om energie te sparen. De groene aanduiding dooft, maar de mecablitz blijft echter paraat zolang de oranje aanduiding van de flitsparaatheid oplicht (ong. 5 - 10 min.).
Wordt tijdens deze periode van flitsparaatheid geen flits ontstoken, dan dooft de aanduiding en is de mecablitz geheel uitgeschakeld.

Het volledig uitschakelen van de flitser kan, door te flitsen of door druk op de schakelaar 1, voor de eerstkomende 5 - 10 minuten worden voorkomen.
Voor het opnieuw inschakelen van de mecablitz op toets I drukken.
Bij automatisch flitsen meet de sensor van de meca-
blitz het door het onderwerp gereflecteerde licht. De
flitser onderbreekt zijn lichtafgifte na het bereiken
van de vereiste hoeveelheid licht.
Daardoor hoeft, bij verandering van de flitsafstand, geen nieuwe berekening en instelling te worden uitgevoerd, zolang het onderwerp zich maar binnen het aangegeven flitsbereik bevindt.
Hoe de reflector van de flitser ook gericht staat, de sensor van de flitser moet altijd op het op te nemen onderwerp gericht staan. De sensor heeft een meethoek van ong. 25° en meet alleen gedurende de uitstraling van de eigen flitser.
Bij automatisch flitsen heeft de gebruiker, afhankelijk van de filmgevoeligheid in ISO, de beschikking over drie werkdiafragma's.

Afb. 4: Voorbeeld voor het instellen bij automatisch flitsen
Het instellen voor het werken met automatisch flitsen:
Voorbeeld: Flitsafstand 5 m.
Filmgevoeligheid ISO 100 / 21°

- Rekenschijf zo verstellen, dat de filmgevoeligheid in het venster wordt aangegeven. De schuif klikt bij de correcte instelling iets in.
De flitsafstand van 5 m veroorlooft, met inachtneming van de maximale reikwijdte, de werkdiafragma's 4 en 2. De maximale reikwijdte bij het werkdiafragma 4 bedraagt ong. 7 m. De minimale flitsafstand bij het werkdiafragma bedraagt ongeveer 10% van de maximale reikwijdte.
- Functieschakelaar op het gewenste diafragma zetten.
- Flitser met schakelaar 1 inschakelen.
- Het gekozen werkdiafragma op de camera instellen en de camera op de flitssynchronisatietijd, of een langere zetten.
Met het oog op een zo klein mogelijk scherptedieptebereik ( bij portretopnamen vaak wenselijk ) bevelen wij voor dat geval werkdiafragma 2 aan. Voor groepsfoto's, waarbij veel personen achter elkaar zijn geplaatst, bevelen wij werkdiafragma 4 aan ( voor grotere scherptediepte ).
- Afwachten tot de flitser opgeladen (paraat) is - oranje LED licht op.

Het onderwerp moet zich op ongeveer in het middelste derde deel van het afstandsbereik bevinden. Daarmee krijgt de elektronica voldoende speelruimte voor wanneer dat nodig mocht zijn.
De afstandsbereiken van de werkdiafragma's overlappen elkaar. Door deze overlapping kan het te fotograferen onderwerp altijd in het middelste derde deel wordt gezet.

Voorzichtig bij zoomobjectieven!
Deze kunnen, op grond van hun optische bouw een lichtverlies van zelfs een hele diafragmastop geven. Ze kunnen ook bij de verschillende instellingen van de brandpuntsafstand verschillende effectieve diafragmawaarden hebben. Deze verschillen moeten eventueel met de hand op het flitsapparaat worden gecompenseerd!

Afb. 5: Voorbeeld voor het instellen voor flitsen met handinstelling
Bij het flitsen met handinstelling wordt door de flitser altijd de volle energie afgegeven. De aanpassing aan de opnamesituatie kan via de instelling van het diafragma van het objectief, op de camera worden ingesteld.
Instelvoorbeeld: Flitsafstand 5 m.
Filmgevoeligheid ISO 100/21°
- De rekenschijf zo verstellen, dat de filmgevoeligheid in het venster wordt aangegeven.
De flitsafstand van 5 m vereist bij instelling met de hand diafragma 5,6.
- Functieschakelaar op M zetten.
- Flitser met de hoofdschakelaar 1 inschakelen.
- Het overeenkomstige diafragma op het objectief van de camera instellen en op de camera de flits-synchronisatietijd, of een langere instellen.
Het diafragma op de camera kan ook met de volgende formule worden berekend:
$$
\text { diafragma } = \frac {\text { richtgetal }}{\text { flitsafstand }}
$$
Het richtgetal kan in de tabel van hoofdstuk „ 12. Technische gegevens“ worden gevonden.
De flitsafstand is de afstand tussen de flitser op de camera en het op te nemen onderwerp.

5. Verlichtingshoek en groothoekvoorzetstuk
De mecablitz geeft een rechthoekige verlichting met hoeken van ong. 58° horizontaal en ong. 42° verticaal.
Daarmee worden kleinbeeldopnamen met objectieven van 35 mm brandpuntsafstand of langer volledig uitgelicht.
De uitlichting wordt door het meegeleverde groothoekvoorzetstuk zo ver vergroot, dat de uitlichting ook bij het gebruik van 28 mm groothoekobjectieven voldoende is.

Bij het gebruik van het groothoekvoorzetstuk verandert:
- bij flitsen met handinstelling de werkelijke instelling van het diafragma. Het op de rekenschijf af te lezen diafragmagetal geldt in dit geval niet. Er moet het eerstvolgend lagere diafragmagetal op de camera worden ingesteld;
- bij automatisch flitsen de max. reikwijdte van de mecablitz. Deze wordt ongeveer een waarde op de rekenschijf kleiner.
Het is dienstig om voor de eigenlijke opname te controleren, of er voldoende licht is voor het gekozen diafragma. Ga hiertoe te werk als onder hoofdstuk „9. De aanduiding van de belichtingscontrole“ staat beschreven.
Het groothoekvoorzetstuk wordt over het lichtvenster gelegd en aangedrukt tot het aan de zijkant inklikt.

6. Indirect flitsen

Rechtstreeks geflitste foto's zijn te herkennen aan hun typisch harde en duidelijk optredende schadu-wvormen. Vaak werkt ook de natuurkundig bepaalde lichtafval van voor- naar achtergrond storend.
Door indirect te flitsen kunnen deze verschijnselen voor een heel groot deel worden voorkomen, omdat onderwerp en achtergrond met verstrooid licht zacht en gelijkmatig verlicht kunnen worden. De reflector kan tot ong. 80° verticaal worden versteld zodat hij een geschikt reflectievlak ( bijv. het plafond ) verlicht.
Het reflecterende vlak moet bij kleuropnamen neutraal van kleur, c.q. wit zijn en het mag geen structuur hebben.

Bij verticaal zwenken van de reflector moet er op worden gelet, dat er geen rechtstreeks licht vanuit de reflector op het onderwerp kan vallen.

6. Indirect flitsen
6.1 Indirect, automatisch flitsen
Het is dienstig om voorafgaand aan de eigenlijke opname te controleren, of er voldoende licht is voor het gekozen diafragma. Ga hiertoe te werk als onder hoofdstuk „ 9. De aanduiding van de belichtingscontrole “ staat beschreven.
6.2 Indirect flitsen met handinstelling
Bij flitsen met handinstelling wordt de vereiste diafragmawaarde het meest doelmatig met een flitsbelichtingsmeter bepaald. Wanneer zo'n meter niet ter beschikking is, kan men aan de hand van de volgende vuistregel:
$$
\text { diafragma } = \frac {\text { richtgetal }}{\text { flitsafstand } \times 2}
$$
een diafragmawaarde bepalen. Bij de opname kan voor de zekerheid nog een opname met + 1 stop en een opname met - 1 stop worden gemaakt.
Deze vuistregel geldt alleen voor ruimten met een normale plafondhoogte.
Het richtgetal kan in de tabel van hoofdstuk „12. Technische gegevens“ worden gevonden.
De flitsafstand is de afstand tussen de flitser op de camera en het op te nemen onderwerp.
Zwenken van de reflektor.
Met een hand de flitser vasthouden en met de andere de reflektorkop naar voren trekken tot de klik. De reflektor kan nu ongeveer 80° vertikaal naar boven zwenken.

7. Invulflitsen bij daglicht

Afb. 7: Invulflitsen bij daglicht (links zonder rechts met mecablitz)
De mecablitz kan ook bij daglicht voor het invulflitsen bij daglicht worden gebruikt, voor het wegwerken van schaduwen en ook bij tegenlichtopnamen voor een vlakke verlichting zorgdragen. Hiervoor staan verschillende mogelijkheden ter beschikking.

Bereken met de camera of met een belichtingsmeter de noodzakelijke diafragmawaarde en belichtingstijd voor een normale belichting.
Daarbij moet u erop letten, dat de belichtingstijd langer is dan - of gelijk aan - de kortste flitssynchronisatietijd (per cameratype verschillend).
Voorbeeld: Berekend diafragma = 8;
berekende belichtingstijd = 1/60 s. ;
flitssynchronisatietijd van de camera
bijv. 1/100 s. (zie gebruiksaanwijzing
van de camera).
7. Invulflitsen bij daglicht
De beide zo berekende waarden voor diafragma en belichtingstijd kunnen zonder meer op de camera worden ingesteld, omdat de belichtingstijd langer is dan de flitssynchronisatietijd van de camera.
Om een aangepaste opheldering te verkrijgen, om bijv. het karakter van de schaduwen te behouden, wordt aanbevolen om de op de flitser ingestelde diafragmawaarde een stap lager te kiezen dan de op de camera ingestelde waarde. In het voorbeeld werd diafragma 8 ingesteld. Wij bevelen aan, op de flitser diafragma 5,6 in te stellen ( waarbij u de instelling aan de camera op 8 laat staan ).
Tip:
Wanneer het werkdiafragma 5,6 vanwege de ingestelde filmgevoeligheid niet op de flitser ter beschikking is, kan men zich als volgt behelpen:
Kies op de mecablitz werkdiafragma 8 en stel op de camera een belichtingstijd van 1/30 s. bij diafragma 11 in.
Zou u op de mecablitz het werkdiafragma 4 kiezen, dan zou dat bijvoorbeeld een belichtingstijd van 1/125 s. vergen. De flitssynchronisatietijd 1/100 s. van de camera zou hierbij worden overschreden.

Let er op, dat de tegenlichtbron niet rechts-treeks op de sensor van de flitser schijnt, de elektronica van de sensor wordt daardoor beïnvloed.

8. Belichtingscorrectie
De belichtingsautomatieken zijn ingesteld op een reflectie door het onderwerp van 25% ( gemiddelde reflectie van onderwerpen voor flitsfoto's ). Een donkere achtergrond die veel licht absorbeert en een lichte achtergrond die sterk reflecteert ( bijv. tegenlichtopnamen ), kunnen over-, c.q. onderbelichting tot gevolg hebben.
Belichtingscorrectie bij automatisch flitsen
Om bovengenoemd effect te compenseren, kan de belichting, door het verder openen of verder sluiten van het cameradiafragma, worden gecorrigeerd. Bij een overwegend lichte achtergrond onderbreekt de sensor van de flitser de lichtafgifte te vroeg en het eigenlijk te fotograferen onderwerp wordt te donker. Bij een donkere achtergrond wordt de lichtafgifte te laat onderbroken en wordt het onderwerp te licht.

lichte achtergrond:
cameradiafragma 1/2 tot 1 waarde verder opene
( bijv. van 5,6 naar 4 )
donkere achtergrond
cameradiafragma 1/2 tot 1 waarde verder dichtdoen
( bijv. van 8 naar 11 )

9. Aanduiding van de belichtingscontrol

Afb. 8: De aanduiding van de belichtingscontrole
De aanduiding van de belichtingscontrole o.k. licht alleen op als de opname bij instelling op automatisch flitsen, correct werd belicht.
Daarmee heeft u de mogelijkheid, om, vooral bij indirect flitsen met moeilijk vooraf te bepalen omstandigheden voor wat de reflectie betreft, via een met de hand te ontsteken proefflits het juiste diafragma te bepalen.
De proefflits wordt met de ontspanknop ontstoken (afb. 8). Blijft de aanduiding o.k. van de belichtingscontrole na dew proefflits donker, dan moet u het eerstvolgende kleinere diafragmagetal instellen of de afstand tot het reflecterende vlak, c.q. tot het onderwerp verkleinen en de proefflits herhalen.
Het op deze wijze bepaalde diafragma moet ook op de camera worden ingesteld.
Houd bij de proefflits de flitser met de sensor net als bij de latere opname.

10. Onderhoud en verzorging
Verwijder stof en vuil met een zachte, droge of met siliconen behandelde doek. Gebruik geen reinigingsmiddelen - de kunststoffen zouden daardoor aan beschadiging kunnen worden blootgesteld.
De in de flitser ingebouwde flitscondensator ondergaat een natuurkundige verandering wanneer het apparaat gedurende langere tijd niet ingeschakeld wordt. Daarom is het noodzakelijk, de flitser om de drie maanden ongeveer 10 minuten lang ingeschakeld te houden. De voedingsbronnen moeten daarbij zoveel energie leveren, dat de aanduiding van de flitsparaatheid binnen 1 min. na het inschakelen oplicht.

11. Accessoires

Voor verkeerd functioneren en schade aan de meca-blitz, veroorzaakt door het gebruik van accessoires van andere fabrikanten, wordt geen garantie verleend.
- Laadapparaat B 28 ( bestelnr.: 000100280 ) voor het opladen van NiCd-accu's, type IEC KR 15 / 51
- Mecalux 11 ( bestelnr.: 000000112 )
Sensor voor optisch, zonder vertraging op afstand ontsteken van andere flitsers door een vanaf de camera ontstoken flits. Spreekt ook aan op infra-rood. Geen batterijen nodig.
- Mecaluxhouder 60 - 26 ( bestelnr.: 000060264 ) voor het bevestigen van de mecalux 11.
• Reflectiescherm 28-23 (bestelnr.:000028237)
• Tas T 33 ( bestelnr.: 00006331 )
Richtgetal bij ISO 100/21°: 28 / 22 met groothoekdiffusor
Groothoekuitlichting
voor kleinbeeld vanaf 35 mm brandpuntsafstand, met groothoekdiffusor vanaf 28 mm brandpuntsafstand.
Kleurtemperatur:
ong. 5600 K
Richtgetallentabel:
| Filmgevoeligheid in ISO | Richtgetal |
| Metersysteem | Ft-systeem |
| 25 / 15° | 14 | 46 |
| 50 / 18° | 20 | 65 |
| 100 / 21° | 28 | 92 |
| 200 / 24° | 40 | 130 |
| 400 / 27° | 56 | 184 |
| 800 / 30° | 79 | 260 |
| 1600 / 33° | 112 | 368 |
Synchronisatie: Laagspannings-thyristorontsteking
| Aantalflitsen: | Flitsvolgtijd: |
| NiCd-accu | ong. 90* ...1200** | ong. 7 s* ...0,3 s** |
| Alkalimangaan-batterijen | ong. 180* ...2500** | ong.10 s* ...0,3 s** |
| Ni Metaalhydride accu's | ong. 140* ...1800** | ong. 7 s* ...0,3 s** |
Verlichtingshoek:
rechthoekig, horizontaal ong. 58°, verticaal ong. 42°, met groothoekdiffusor horizontaal ong. 68°, verticaal ong. 49°
Flits duur:
Bij automatisch flitsen 1/400 s ...1/20.000 s
flitser, groothoekdiffusor, gebruiksaanwijzing
Werkdiafragma: 2, 4, en 8 bij ISO 100/21°
* flitsen met handinstelling
** automatisch flitsen
