AMTRON Professional 22 C2 - Elektrisch laadstation Mennekes - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis AMTRON Professional 22 C2 Mennekes in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over AMTRON Professional 22 C2 Mennekes
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Elektrisch laadstation in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding AMTRON Professional 22 C2 - Mennekes en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. AMTRON Professional 22 C2 van het merk Mennekes.
GEBRUIKSAANWIJZING AMTRON Professional 22 C2 Mennekes
Gebruiks- en installatiehandleiding
1.3 Gebruikte symbolen....3
2 Voor uw veiligheid....3
2.1 Doelgroepen 3
2.2 Reglementair gebruik....3
2.3 Oneigenlijk gebruik....4
2.4 Fundamentele veiligheidsinstructies....4
2.4.1 Kwalificatie 4
2.4.2 Correcte toestand 4
2.4.3 Toezichtplicht in acht nemen....4
2.4.4 Laadkabel zoals voorgeschreven gebruiken......5
2.4.5 Orde houden....5
2.5 Veiligheidsstickers....5
3 Productbeschrijving......6
3.1 Typeplaatje 6
3.3 Opbouw van het apparaat....7
3.4 Kabelophanging 8
3.5 Energiemeter....8
3.6 Multifunctietoetsen 9
3.7 Bedrijfsmodi....9
3.8 LED-infoveld 9
3.9 Apparaatvarianten 10
5.1 Keuze van de plaats van opstelling....12
5.2 Toelaatbare omgevingsomstandigheden......12
5.3 Voorbereidende werkzaamheden aan de huisinstallatie....13
5.3.1 Voedingsleiding leggen 13
5.3.2 Afzekering aanbrengen....13
5.5 Apparaat op de wand monteren 15
5.6 Elektrische aansluiting....16
5.6.1 Voeding....16
5.6.2 Arbeidsstroomactiveringsschakelaar 16
5.7 Apparaat op eenfase bedrijf instellen....17
6 Inbedrijfstelling 17
6.1 Verbinding naar ECU instellen....17
6.2 Configureren via de webinterface.... 18
6.2.1 Bedrijfsmodus "Autostart" 19
6.2.2 Bedrijfsmodus "Lokale Whitelist" 19
6.2.3 Bedrijfsmodus "Backend-System" 20
6.2.4 Bedrijfsmodus "Gekoppeld" 21
6.2.5 Maximale laadstroom instellen....21
6.2.6 Geavanceerde instellingen 21
6.3 SIM-kaart plaatsen 30
6.4 Apparaat inschakelen....31
6.5 Spanningsvoorziening bewaken 31
6.6 Apparaat controleren....32
6.7 Apparaat sluiten 32
7 Bediening....33
7.1 Autoriseren 33
7.2 Voertuig laden....33
7.3 Multifunctietoetsen....34
7.3.1 Aardlekschakelaar en leidingveiligheids schakelaar opnieuw inschakelen....34
7.3.2 Aardlekschakelaar controleren....35
8 Onderhoud....35
8.1 Onderhoud....35
8.2 Reiniging....36
8.3 Update firmware....37
9 Storing oplossen....37
9.1 Foutmeldingen....37
9.2 Reserveonderdelen....38
9.3 Laadstekker noodontgrendelen 38
10 Buitenbedrijfstelling en demontage 39
11 Opslag 39
12 Afvoeren....39
13 Accessoires.... 39
14 Verklarende woordenlijst....40
1 Over dit document
De AMTRON ^® , hierna "apparaat" genoemd, is verkrijgbaar in verschillende varianten. De variant van uw apparaat wordt op het typeplaatje aangegeven. Dit document verwijst naar de volgende varianten van het apparaat:
■ AMTRÖ®Professional+ E 7,4 / 22
■ AMTRÖRProfessional+ 7,4 / 22
■ AMTRÖ® professional+ 7,4 / 22 PnC
■ AMTRÖ®Professional E 7,4 / 22
■ AMTRÖRProfessional 7,4 / 22
De bovengenoemde varianten zijn er ook met de nodige voorinstellingen voor integratie in de factureringsdienst MENNEKES ativo. Deze handleiding geldt ook voor de ativo-varianten.
Deze handleiding is voor de exploitant en de elektromonteur bedoeld. Deze bevat aanwijzingen voor een veilige bediening en installatie. Werkzaamheden die alleen door de elektromonteur uitgevoerd mogen worden, worden extra benadrukt.
Neem alle aanvullende documentatie voor het gebruik van het apparaat in acht. Bewaar alle documenten goed op om ze te kunnen raadplegen en geef deze aan de volgende exploitant door.
De Duitse versie van deze handleiding is de originele handleiding. Bij handleidingen in andere talen gaat het om vertalingen van deze originele handleiding.
Copyright © 2019 MENNEKES Elektrotechnik GmbH & Co. KG
1.1 Service
Wendt u zich tot MENNEKES of uw verantwoordelijke servicepartner bij vragen over het apparaat. Op onze homepage onder "Partner zoeken" vindt u verdere contactpersonen in uw land.
Gebruik voor een direct contact tot MENNEKES het formulier onder "Contact" op https://www.chargeupyourday.com/

Houd de volgende informatie gereed voor een snelle verwerking:
■ Typeaanduiding / serienummer (zie typeplaatje op het apparaat)
Meer informatie over het thema elektromobiliteit vindt u op onze homepage onder "FAQ".
Waarschuwing voor persoonlijk letsel

Deze waarschuwing geeft een onmiddellijk dreigend gevaar aan, dat tot de dood of zware verwondingen leidt.

Deze waarschuwing geeft een gevaarlijke situatie aan, die tot de dood of zware verwondingen kan leiden.

Deze waarschuwing geeft een gevaarlijke situatie aan, die tot lichte verwondingen kan leiden.
Waarschuwing voor materiële schade

Deze waarschuwing geeft een gevaarlijke situatie aan, die tot materiële schade kan leiden.
2 Voor uw veiligheid
1.3 Gebruikte symbolen

Het symbool geeft handelingen aan die alleen door een elektromonteur uitgevoerd mogen worden.

Het symbool geeft een belangrijke aanwijzing aan.

Het symbool geeft aanvullende, nuttige informatie aan.
▶ Het symbool geeft een oproep tot actie aan.
■ Het symbool geeft een opsomming aan.
→ Het symbool verwijst naar een andere plaats in deze handleiding.
Het symbool verwijst naar een ander document.
Het symbool geeft een resultaat aan.
2.1 Doelgroepen
Exploitant
Als exploitant bent u verantwoordelijk voor het apparaat. U hebt de verantwoordelijkheid voor een gebruik overeenkomstig de voorschriften en het veilige gebruik van het apparaat. Dit omvat ook de instructies aan personen die het apparaat gebruiken.
Als exploitant zonder elektrotechnische vakopleiding mag u alleen activiteiten uitvoeren, waarvoor geen elektricien nodig is.
Elektromonteur

Als elektromonteur beschikt u over een erkende elektrotechnische opleiding. Op basis van deze vakkennis bent u geautoriseerd de in deze handleiding gevraagde elektrotechnische werkzaamheden uit te voeren.
Eisen die worden gesteld aan een elektromonteur:
■ kennis van de algemene en specifieke veiligheids- en ongevallenpreventievoorschriften;
■ Kennis van de elektrotechnische voorschriften.
■ Kennis van de landelijke voorschriften.
■ vermogen om risico's te herkennen en potentiële gevaren te voorkomen.
Het apparaat is een laadstation voor gebruik in de particuliere en semi-openbare gebieden, bijv. particuliere eigendommen, bedrijfsparkeerplaatsen of bedrijventerreinen met beperkte toegang.
Het apparaat is uitsluitend voor het laden van elektrische voertuigen bedoeld.
■ Laden conform modus 3 volgens IEC 61851-1 voor elektrische voertuigen met niet-gasvormende accu's.
■ Contactmaterial conform IEC 62196.
Elektrische voertuigen met gasvormende accu's kunnen niet worden geladen.
Het apparaat is uitsluitend bedoeld voor de vaste montage ter plaatse en kan in zowel binnen als buiten worden gebruikt.
Het apparaat kan als afzonderlijk apparaat of met meerde gekoppelde apparaten worden gebruikt. Indien nodig kan het apparaat op een backend-system, bijv. de chargecloud, worden aangesloten.
In sommige landen zijn er wettelijke voorschriften die eisen dat het laadpunt spanningsvrij schakelt zodra een belastingsbescherming plakt (welding detection). Een arbeidsstroomactiveringsschakelaar schakelt in geval van een storing het laadpunt spanningsvrij.
In sommige landen zijn er wettelijke voorschriften die een aanvullende bescherming eisen tegen een elektrische schok. Een mogelijke aanvullende veiligheidsmaatregel kan het gebruik van een sluitdeksel zijn.
Het apparaat mag alleen met inachtneming van alle internationale en nationale voorschriften worden gebruikt. De volgende internationale voorschriften of de desbetreffende nationale omzetting hiervan moeten o.a. in acht worden genomen:
IEC 61851-1
IEC 62196-1
IEC 60364-7-722
Lees en volg deze instructies en alle aanvullende documentatie voor het gebruik van het apparaat.
2.3 Oneigenlijk gebruik
Het gebruik van het apparaat is alleen veilig bij gebruik volgens de voorschriften. Elk ander gebruik alsmede wijzigingen aan het apparaat zijn in strijd met de voorschriften en daarom niet toegestaan.
De exploitant is verantwoordelijk voor het reglementair gebruik en het veilige gebruik.
MENNEKES Elektrotechnik GmbH & Co. KG kan niet aansprakelijk worden gesteld voor de gevolgen door verkeerd gebruik.
2.4 Fundamentele veiligheidsinstructies
2.4.1 Kwalificatie
Sommige werkzaamheden in deze handleiding vereisen vakkennis van elektrotechniek. Worden de werkzaamheden bij ontbrekende vakkennis en kwalificatie uitgevoerd, kan dit tot ernstige ongevallen en zelfs de dood leiden.
▶ Voer alleen werkzaamheden uit waarvoor u gekwalificeerd en geïnstrueerd bent.
▶ Neem de aanwijzingen voor elektromonteurs in deze handleiding in acht.
2.4.2 Correcte toestand
Beschadigd apparaat
Vertoont het apparaat schade of gebreken, bijv. een defecte behuizing of ontbrekende onderdelen dan kunnen personen ernstig letsel oplopen door een elektrische schok.
▶ Voorkom botsingen en verkeerde behandeling.
- Gebruik het apparaat niet in geval van schade / defecten.
▶ Markeer beschadigde apparatuur zodat deze niet door anderen wordt gebruikt.
▶ Laat eventuele schade onmiddellijk door een elektromonteur verhelpen.
Ondeskundig onderhoud
Ondeskundig onderhoud kan de bedrijfsveiligheid van het apparaat in gevaar brengen en ongelukken veroorzaken. Daardoor kunnen personen zwaar letsel oplopen of overlijden.
▶ Let op het onderhoudsschema.
▶ Belast een elektromonteur met regelmatig onderhoud.
2.4.3 Toezichtplicht in acht nemen
Personen, met name kinderen, die de mogelijke gevaren niet of slechts in beperkte mate kunnen inschatten, vormen een gevaar voor zichzelf en anderen.
Houd uit de buurt van het apparaat en de laadkabel.
▶ Houd dieren uit de buurt van het apparaat en de laadkabel.
2.4.4 Laadkabel zoals voorgeschreven gebruiken
Gevaren zoals elektrische schokken, kortsluiting of brand kunnen het gevolg zijn van verkeerd gebruik van de laadkabel.
▶ Raak de contactpennen niet aan.
▶ Gebruik geen adapterstekkers of verlengkabels.
▶ Vermijd knikken, scherpe randen, belastingen en stoten.
▶ Vermijd knoopvorming van de laadkabel.
▶ Rol de laadkabel bij het laden volledig af.
▶ Laadkabel alleen direct aan de stekker uit de laadcontactdoos trekken.
▶ Als de laadkabel niet wordt gebruikt de beschermkap gebruiken.
▶ Plaats de laadkabel niet onder spanning.
2.4.5 Orde houden
Een rondslingerende laadkabel is een struikelblok.
Onderdelen op het apparaat kunnen
vallen.
▶ Minimaliseer struikelgevaar.
Berg de laadkabel zoals voorgeschreven op of gebruik de kabelophanging wanneer het laadproces beëindigd is.
Leg geen voorwerpen op het apparaat.
2.5 Veiligheidsstickers
Op sommige componenten van het apparaat zijn veiligheidsstickers aangebracht, die voor gevaarlijke situaties waarschuwen. Worden de veiligheidsstickers niet in acht genomen, kan dit tot ernstige verwondingen of de dood leiden.
| Veiligheidsstickers | |
| Symbool Betekenis | |
![]() | Gevaar voor elektrische spanning.► Voor werkzaamheden aan het apparaat, spanningsloosheid waar-borgen. |
![]() | Gevaar bij niet-inachtneming van de bijgevoegde documenten.► Voor werkzaamheden aan het apparaat, de bijgevoegde docu-menten, met name de bedienings-en installatiehandleiding lezen. |
▶ Veiligheidsstickers in acht nemen.
▶ Vervuilde veiligheidsstickers leesbaar houden. Bij het reinigen geen agressieve reinigingsmiddelen gebruiken.
▶ Beschadigde of onherkenbaar geworden veiligheidsstickers vervangen.
- Reserve- en accessoiredelen na het vervangen met de desbetreffende veiligheidsstickers voorzien.
3 Productbeschrijving
Uitrustingskenmerken
■ Laadvermogens tot 7,4 kW (eenfase) / 22 kW (driefase).
■ Communicatie tussen apparaat en voertuig conform ISO 15118. *
■ Toebehorenset voor de lokale koppeling van meerdere apparaten (niet ingebouwd).
■ Autorisering via Backend-System of RFID-kaart (ISO 14443A / MIFARE classic en MIFARE DESFire).
■ Geïntegreerde modem voor de radiotelefoniestandaarden 4G (LTE), 3G (UMTS) en 2G (GSM). *
■ Compatibel met OCPP 1.5 en OCPP 1.6.
■ MENNEKES ECU, Electronic Control Unit.
■ Statusinformatie per LED-infoveld.
■ Geintegreerde MiD-energiemeter.
■ Leidingveiligheidsschakelaar. *
■ Aardlekschakelaar type A. *
■ DC-aardlekbewaking > 6 mA.
■ Geïntegreerde arbeidsstroomactiveringsschakelaar (voor welding detection). *
■ Relais voor de aansluiting van een externe arbeidsstroomactiveringsschakelaar (voor welding detection). *
■ Ontgrendelingsfunctie bij stroomuitval (alleen bij apparaten met laadcontactdoos type 2).
■ Fasevolgordemeetrelais. *
■ Temperatuurbewaking.
■ Geïntegreerde kabelophanging.
■ Aansluitklaar bedraad.
* Optioneel
Optionele uitrusting
| Professional+ E 7,4 / 22 | Professional+ 7,4 / 22 | Professional+ 7,4 / 22 PnC | Professional E 7,4 / 22 | Professional 7,4 / 22 | |
| Communicatie conform ISO 15118 | -- x -- | ||||
| Geïntegreerde modem | x x x -- | ||||
| Leidingveiligheidsschakelaar | - x x - x | ||||
| Aardlekschakelaar type A | - x x - x |
| Arbeidsstroomactive-ringsschakelaar | -XX-X | ||
| Relais voor arbeidsstroomactive-ringsschakelaar | X--X- | ||
| Fasevolgordemeetrelais | -XX-X |
3.1 Typeplaatje
Het typeplaatje bevat alle belangrijke apparaatgegevens.
Het afgebeelde typeplaatje is een monster.
▶ Let op het typeplaatje op uw apparaat. Het typeplaatje bevindt zich aan de bovenkant van het deel van de behuizing.

text_image
MENNEKES ① ② XXXXXXXXX ③ Typ.SN: xxxxxxxx.xxxxx ④ IₙA: xx A ⑨ xP+N+ ⑤ Uₙ: xxx V ~ ⑩ IPxx ⑥ fₙ: xx Hz ⑪ AEVCS ⑦ IEC 61851, DIN IEC/TS 61439-7 ⑧Afb. 1: Typeplaatje (monster)
- Fabrikant
- Type
- Artikel / Serienummer
- Nominale stroom
- Nominale spanning
- Nominale frequentie
- Standard
- Barcode
- Poolnummer
- Bescherming
- Toepassing
3.2 Leveringsomvang

Afb. 2: Leveringsomvang (voorbeeld)
- Apparaat
- 3 x RFID-kaart
- binnenzeskantsleutel
- Zak met bevestigingsmateriaal (schroeven, pluggen, afsluitdoppen)
- USB-kabel
- Gebruiks- en installatiehandleiding
-
Begeleidende documenten: installatiegegevensblad boorsjabloon stroomschema testprotocol leveringsdocumenten
-
Toebehorenset voor de lokale koppeling van meerde apparaten (USB-ethernet-adapter, evt. antenneverlenging, klapferriet, installatiehandleiding)
3.3 Opbouw van het apparaat
De behuizing van het apparaat bestaat uit drie delen: het onderste gedeelte van de behuizing, het bovenste gedeelte van de behuizing en het frontpaneel. De uitvoering van het frontpaneel hangt af van de variant van het apparaat.
Afb. 3: Frontaanzicht (voorbeeld)
- LED-infoveld
- Bovenste gedeelte behuizing
- Kijkvenster voor energiemeter
- Frontpaneel
- RFID-kaartlezer
- Laadcontactdoos type 2 met klapdeksel ^1)
^1) afhankelijk van de uitvoering
Afb. 4: Achteraanzicht
- Onderste gedeelte behuizing
- Bevestigingsschroeven voor bovenste gedeelte behuizing
- Luchtuitlaat
- Voorgesponste uitsparing voor voedingsleiding / kabelkanaal
- Bevestigingsboringen voor montage
- Kabelopeningen
Binnenaanzicht behuizingsonderdeel

Afb. 5: Binnenaanzicht (voorbeeld: variant Professional+ E 7,4 / 22)
- Energiemeter
- ECU
- Laadzekering
- Aansluitklemmen voor spanningsvoorziening
- Relais voor arbeidsstroomactiveringsschakelaar 1)
- Actuatorbesturing 2)
- Voeding
- Stuurzekering
^1) Alleen bij de varianten Professional(+) E 7,4 /22
2) Alleen bij de varianten met laadcontactdoos type 2
De laadkabel kan direct aan de behuizing worden gehangen.

Het energieverbruik kan van de energiemeter worden afgelezen.

text_image
MENNEKES®Afb. 7: Energiemeter
3.6 Multifunctietoetsen
Alleen bij de varianten Professional(+) 7,4 / 22 (PnC).
De aardlekschakelaar en de leidingveiligheidsschakelaar in het apparaat kunnen via de multifunctietoetsen van buitenaf handmatig weer ingeschakeld worden. De aardlekschakelaar kan met de multifunctietoetsen zonder het openen van de behuizing op de juiste werking worden getest.

Afb. 8: Multifunctietoetsen
3.7 Bedrijfsmodi
Het apparaat beschikt over verschillende bedrijfsmodi, die ook tijdens het bedrijf gewijzigd kunnen worden.

De beschikbaarheid van de afzonderlijke bedrijfsmodi is afhankelijk van de configuratie van het apparaat.
De volgende bedrijfsmodi zijn mogelijk:
■ "Autostart"
De werking van het apparaat vindt plaats als individuele parkeerplaatsoplossing zonder koppeling aan een Backend-System. Een autorisering is niet nodig.
■ "Lokale Whitelist"
De werking van het apparaat vindt plaats als individuele parkeerplaatsoplossing zonder koppeling aan een Backend-System. De autorisering vindt plaats door RFID-kaarten en een lokale Whitelist.
■ "Backend-System"
Het apparaat wordt in het Backend-System via OCPP geïntegreerd. De werking van het apparaat vindt plaats via het Backend-System.
■ "Gekoppeld"
Meerdere apparaten worden via ethernet verbonden. Daardoor kan lokaal lastmanagement worden bedre-
ven en een verbinding met het backend-system voor alle gekoppelde apparaten tot stand worden gebracht. Voorwaarden:
De toebehorenset voor de lokale koppeling van meerdere apparaten is ingebouwd.
Meerdere apparaten zijn met elkaar gekoppeld.
Installatiehandleiding van de toebehorenset.
3.8 LED-infoveld
Het LED-infoeld geeft de bedrijfstoestand van het apparaat weer. Stand-by, lading, wachttijd en storing worden door vier symbolen in de kleuren blauw, groen, wit en rood weergegeven.
Symbool Kleur Bedrijfsmodus
![]() | Brandt blauw | StandbyHet apparaat is bedrijfsklaar Er is geen voertuig aangesloten op het apparaat. |
![]() | Knippert blauw | Stand-by: laadproces starten■ Autorisering is gelukt. Er is geen voertuig aangesloten op het apparaat.■ Autorisering is niet gelukt. Er is een voertuig met het apparaat verbonden. |
![]() | Brandt groen | LadingHet laadproces is bezig. |
![]() | Knippert groen | Lading: waarschuwing te hoge temperatuurHet laadproces is bezig. Het apparaat verlaagt de laadstroom om oververhitting en uitschakeling te vermijden. |
![]() | brandt wit | Wachttijd■ Het laadproces is aan het apparaat beëindigd. Op de bevestiging van het voertuig wachten.■ Wachten op de autorisering. |
![]() | knippert wit | Wachttijd: Laadkabel verwijderenHet laadproces is beëindigd.Laadkabel verwijderen. |
![]() | brandt of knip-pert rood | StoringEr is een storing opgetreden, die verhindert dat het voertuig gela-den wordt.→ "9 Storing oplossen" |
De kleuren groen en blauw zijn bij de inbedrijfstelling configureerbaar.
→ "6.2.6 Geavanceerde instellingen"
3.9 Apparaatvarianten

Vast aangesloten laadkabel met laadkoppeling type 2
Deze varianten beschikken over een permanent aangesloten laadkabel.
Hiermee kunt u elektrische auto's laden die met de stekker van het type 2 zijn uitgerust. U hoeft geen aparte laadkabel te gebruiken.

Laadcontactdoos type 2 met klapdeksel voor het gebruik van afzonderlijke laadkabels
Deze uitvoeringen beschikken over een laadcontactdoos type 2 met klapdeksel voor het gebruik van afzonderlijke laadkabels. Hiermee kunt u alle elektrische auto's laden, die met stekkers van het type 2 of type 1 zijn uitgerust.

Laadcontactdoos type 2 met sluitdeksel voor gebruik van afzonderlijke laadkabel
Alleen bij de varianten Professional(+) E 7,4 / 22.
Deze uitvoeringen beschikken over een laadcontactdoos type 2 met sluitdeksel voor het gebruik van afzonderlijke laadkabels. De sluitdeksel biedt extra bescherming tegen een elektrische schok en is in sommige landen wettelijk voorgeschreven.
→ "2.2 Reglementair gebruik"
Hiermee kunt u alle elektrische auto's laden, die met stekkers van het type 2 of type 1 zijn uitgerust.
Alle laadkabels van MENNEKES vindt u op onze homepage onder "Laadkabels". https://www.chargeupyourday.com/

| Professional(+) (E) 7,4 / 22 (PnC) | ||
| Laadvermogen modus 3 [kW] * | tot 22 | |
| Nominale spanning UN [V] AC ±10 % | 400 | |
| Nominale frequentie fN [Hz] | 50 | |
| Nominale stroom lNA [A] | 32 | |
| Maximale voorzekering [A] Volgens typeplaatje / configuratie | ||
| Bescherming | ■ Apparaat met vast aangesloten laadkabel: IP 44■ Apparaat met klapdeksel: IP 54 | |
| Beschermingsgraad II | ||
| Afmetingen h x b x d [mm] 474 x 259 x 220 | ||
| Gewicht [kg] | ■ Apparaat met vast aangesloten laadkabel: 8■ Apparaat met klapdeksel: 5,5 | |
| Nominale isolatiespanning Ui [V] | 500 | |
| Nominale stoothoudspanning Uimp [kV] | 4 | |
| Nominale stroom van een laadpunt lnc [A] | 32, 1 ph / 3 ph | |
| Voorwaardelijke nominale kortsluitstroom lcc [kA] | 10 | |
| Nominale belastingsfactor (RDF) 1 | ||
| Mate van vervuiling 3 | ||
| Overspanningscategorie III | ||
| Systeem volgens type van aardverbinding | TN / TT (IT alleen onder bepaalde voorwaarden vgl. "5.6.1 Voeding") | |
| Opstelling Buiten of binnen | ||
| Vaste plaats / plaats is veranderbaar Vaste plaats | ||
| Toepassing AEVCS | ||
| Buitenste bouwvorm | Wandmontage | |
| EMC-indeling | A+B | |
| Slagvastheid | IK10 | |
| Aansluitklemmen [mm2] | 10 | |
| Klemlijst voedingsleiding | Klembereik [mm2] | star 5 x 10flexibel 5 x 6 |
| Aanhaalmoment [Nm] | max. 1,8 | |
| Relais arbeidsstroomactiveingsschakelaar | Klembereik [mm2] | vast 1 x 6flexibel 1 x 4 |
| Aanhaalmoment [Nm] | 0,8 | |
| Standard | EN 61851, DIN IEC / TS 61439-7 | |
* Het apparaat kan met een eenfase of driefasen worden gebruikt.
5 Installatie

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.

OP
Beschadiging van het apparaat door ondeskundig gebruik
Botsingen en schokken kunnen het apparaat beschadigen.
▶ Vermijd botsingen en schokken.
- Gebruik een zachte onderlaag om het apparaat te plaatsen.
- Gebruik de pen voor het bevestigen van het frontpaneel niet als transporthulp of greep.
5.1 Keuze van de plaats van opstelling
Het apparaat is uitsluitend bedoeld voor de vaste montage ter plaatse en kan in zowel binnen als buiten worden gebruikt. Een geschikte opstellingsplaats voldoet aan de volgende voorwaarden:
■ Technische gegevens en netwerkgegevens stemmen overeen.
→ "4 Technische gegevens"
■ Toelaatbare omgevingsvoorwaarden worden aangehouden.
→ "5.2 Toelaatbare omgevingsomstandigheden"
■ De volgende minimale afstanden tot andere objecten (bijv. wanden) worden aangehouden: afstand naar links en rechts: 300 mm afstand naar boven: 300 mm
Bedrijfsmodus "Backend-System": het netwerk voor mobiele telefonie voor de verbinding met het Backend-System is op locatie onbeperkt beschikbaar.
Bedrijfsmodus "Gekoppeld": koppelbare apparaten bevinden zich voldoende dicht bij elkaar (De ethernet-kabel mag maximaal 100 m lang zijn).
■ Apparaat en laadopstelplaats bevinden zich, afhankelijk van de gebruikte laadkabel, voldoende dichtbij elkaar.
5.2 Toelaatbare omgevingsomstandigheden
EVAAR
Explosie- en brandgevaar
Wordt het apparaat in explosiegevaarlijke gebieden (Ex-bereik) gebruikt, kunnen explosieve stoffen zich door vonkvorming van onderdelen van het apparaat ontsteken.
- Niet gebruiken in explosiegevaarlijke omgevingen (bijv. LPG-tankstations).

OP
Beschadiging van het apparaat door ongeschikte omgevingsomstandigheden
Ongeschikte omgevingsomstandigheden kunnen tot beschadigingen aan het apparaat leiden.
▶ Vermijd directe zoninstraling.
▶ Apparaat beveiligen tegen directe waterstralen.
▶ Op voldoende ventilatie van het apparaat letten. Niet in nissen inbouwen.
▶ Apparaat uit de buurt van warmtebronnen houden.
▶ Vermijd sterke temperatuurschommelingen.
Toelaatbare omgevingsomstandigheden
| Omgevingstemperatuur -25 ... +40 °C | |
| Gemiddelde temperatu-ur in 24 uur | < 35 °C |
| Hoogteligging Max. 2.000 | m boven de zee-spiegel |
| Relatieve luchtvochtig-heid | Max. 95 % (niet-condense-rend) |
5.3 Voorbereidende werkzaamheden aan de huisinstallatie

Brandgevaar door overbelasting
Bij een ongepast ontwerp van de leidingveiligheidsschakelaar en de voedingsleiding bestaat brandgevaar.
Plaats de leidingveiligheidsschakelaar en de voedingsleiding overeenkomstig de technische gegevens en de configuratie van het apparaat.
▶ Voedingsleiding overeenkomstig de technische gegevens van het apparaat plaatsen.
Bij het ontwerp van de voedingsleiding (Doorsnede en kabeltype) absoluut de volgende plaatselijke omstandigheden in acht nemen:

■ Type van plaatsing
■ Kabelbekleding
Kabellengte
▶ Voedingsleiding naar de gewenste locatie leggen. Het apparaat kan op een wand of op een roestvaste of betonnen kolom van MENNEKES worden gemonteerd.
Wandmontage - opbouwmontage
Bij een opbouwmontage van onder moet de voorge- stanste uitsparing in het bovendeel van de behuizing wor- den uitgebroken.
Wandmontage - inbouwmontage
Bij een inbouwmontage moet de positie van de voedingsleiding aan de hand van het meegeleverde boorsjabloon of de afbeelding "Afb. 10: Boormaten [mm]" worden aangebracht.
Montage op een roestvaste of betonnen kolom
Zo nodig kan het apparaat op een roestvaste of betonnen kolom worden gemonteerd.
De roestvaste of betonnen kolommen zijn bij MENNEKES als accessoires verkrijgbaar.
Installatiehandleiding van de roestvaste en betonnen kolommen.
Montage op een sokkel
Indien gewenst kan het apparaat op een sokkel worden gemonteerd. De sokkel is bij MENNEKES als toebehoren verkrijgbaar.
Installatiehandleiding van de sokkel
5.3.2 Afzekering aanbrengen
Het apparaat is afhankelijk van de uitvoeringsvariant conform de volgende tabel met een aardlekschakelaar type A, een leidingveiligheidsschakelaar en een relais voor de aansluiting van een externe arbeidsstroomactive-ringsschakelaar uitgevoerd.
| Professional+ E7,4/22 | Professional+ 7,4/22 | Professional+ 7,4/22 PnC | Professional E7,4/22 | Professional 7,4/22 | |
| Leidingveiligheidsschakelaar | - x x - x | ||||
| Aardlekschakelaar type A | - x x - x | ||||
| Relais voor arbeidsstroomactive-ringsschakelaar | x - - x - |
Leidingveiligheidsschakelaar
Bij de varianten Professional(+) E 7,4 / 22 op het volgende letten:
De vereiste leidingveiligheidsschakelaar moet in de huis-installatie worden geplaatst.

■ Het apparaat moet met een installatieautomaat 32 A of minder met C-karakteristiek worden beveiligd.
■ De dimensionering van de leidingveiligheidsschakelaar moet met inachtneming van het typeplaatje het gewenste laadvermogen en de voedingsleiding (lengte en diameter van de leiding) naar het apparaat het laadstation, overeenkomstig de nationale voorschriften plaatsen.
■ Per laadpunt is een leidingveiligheidsschakelaar nodig.
Aardlekschakelaar
Bij de varianten Professional(+) E 7,4 / 22 op het volgende letten:
De vereiste aardlekschakelaar moet in de huisinstallatie worden geplaatst (overeenkomstig IEC 60364-7-722 (In Duitsland overeenkomstig DIN VDE 0100-722)).

■ Het apparaat beschikt over een verschilstroomsensor voor de DC-foutstroombewaking > 6 mA met een activeringsgedrag conform IEC 62752.
In het toepassingsgebied van de IEC 60364-7-722:2018 moet het apparaat afzonderlijk worden beschermd met een aardlekschakelaar type B.
In het toepassingsgebied van de HD 60364-7-722:2016 moet het apparaat afzonderlijk worden beschermd met ten minste één aardlekschakelaar type A.
Er mogen geen andere stroomcircuits op deze aardlekschakelaar worden aangesloten.
■ Nationale voorschriften moeten absoluut in acht worden genomen.
Arbeidsstroomactiveringsschakelaar
Bij de varianten Professional(+) E 7,4 / 22 op het volgende letten:
▶ Controleren of een arbeidsstroomactiveringsschakelaar in het land waar het apparaat wordt gebruikt wettelijk wordt voorgeschreven.
→ "2.2 Reglementair gebruik"
De vereiste arbeidsstroomactiveringsschakelaar moet in de huisinstallatie worden geplaatst.

■ De arbeidsstroomactiveringsschakelaar moet naast de leidingveiligheidsschakelaar zijn aangebracht.
■ De arbeidsstroomactiveringsschakelaar en de leidingveiligheidsschakelaar moeten compatibel t.o.v. elkaar zijn.
5.4 Apparaat openen

Afb. 9: Apparaat openen
In de uitleveringstoestand is het behuizingsbovendeel (2) De schroeven (1) zijn in het apparaat als toebehoren bijgevoegd.
▶ Stroomvoorziening uitschakelen.
▶ Schroeven (1) eventueel losdraaien.
▶ Behuizingsbovendeel (2) afnemen.
▶ Schroeven (3) losdraaien en het frontpaneel (4) naar onder klappen.
5.5 Apparaat op de wand monteren

Bij sterke minustemperaturen moet het apparaat voor de montage en inbedrijfstelling eerst 24 uur bij kamertemperatuur worden opgeslagen.
AET OP
Beschadiging van het apparaat door een ongelijkmatig oppervlak
Wordt het apparaat op een ongelijkmatig oppervlak gemonteerd, kan het onderste deel van de behuizing vervormen. De aangegeven beschermingsgraad wordt dan niet meer gegarandeerd. Er kan gevolgschade aan elektronische componenten ontstaan.
▶ Apparaat alleen op vlakke oppervlakken monteren.
- Zo nodig ongelijkmatige oppervlakken met geschikte maatregelen compenseren.

MENNEKES adviseert de montage op een ergonomisch geschikte hoogte afhankelijk van de lichaamslengte.

text_image
134 140 Ø6.5 7 160 22 80 112.5 14.5 18.3 186 321Afb. 10: Boormaten [mm]
▶ Bevestigingsboringen aan de hand van het mee-geleverde boorsjabloon of de afbeelding "Afb. 10: Boormaten [mm]" markeren.

Het meegeleverde bevestigingsmateriaal (schroeven, pluggen) is alleen voor een montage op betonnen, stenen en houten wanden geschikt.
▶ Boor de gaten in de wand en houd hierbij de diameter aan, die voor het gekozen bevestigingsmateriaal beoogd is.
Kabels door een kabelinvoer in het apparaat voeren. Daartoe moet een gat in het betreffende membraan worden gestoken.

Voor de toevoerleiding is binnen het apparaat ca. 30 cm kabel benodigd.

Om het binnendringen van regenwater te voorkomen, moet het gat in het membraan niet groter zijn dan de kabels.

Afb. 11: Aan de wand bevestigen
▶ Apparaat met gebruik van pluggen (1), schroeven (2) en afsluitpluggen (3) aan de wand vastschroeven.
AET OP
Beschadiging van het apparaat door ontbrekende afsluitpluggen
Worden de schroeven in de behuizing niet of niet toereikend met de meegeleverde afsluitpluggen afgedekt, is de aangegeven beschermingsgraad niet meer gegarandeerd. Er kan gevolgschade aan elektronische componenten ontstaan.
▶ Schroeven in de behuizing met de meegeleverde afs-luitplug afdekken.
- Apparaat op een vaste en veilige bevestiging controleren.
5.6 Elektrische aansluiting
5.6.1 Voeding
Het apparaat mag in een TN / TT net worden aangesloten. Het apparaat mag alleen onder de volgende voorwaarden in een IT net worden aangesloten.
■ De aansluiting in een 230 / 400 V IT-net is niet toege-staan.
■ De aansluiting in een IT net met 230 V externe geleiderspanning via een aardlekschakelaar is toegestaan, mits de maximale aanraakspanning bij de eerste storing niet hoger is dan 50 V AC.

text_image
① ② LIN2L3 P1Afb. 12: Aansluiting voedingsspanning
▶ Voedingsleiding demonteren
▶ Aders (2) 12 mm strippen.
Aders overeenkomstig het opschrift op de klemmen op de aansluitklemmen (1) aansluiten.
Eenfase bedrijf: klemmen L1, N en PE gebruiken.
Driefase bedrijf: klemmen L1, L2, L3, N en PE gebruiken.
▶ Aansluitgegevens van de klemlijst in acht nemen.
→ "4 Technische gegevens"

Bij het plaatsen van de voedingsleiding de toe-gestane buigradius aanhouden.
- Controleer of de afzonderlijke aders correct zijn aangesloten en de schroeven vast zijn aangedraaid.
5.6.2 Arbeidsstroomactiveringsschakelaar
Alleen bij de varianten Professional(+) E 7,4 / 22.
▶ Controleren of een arbeidsstroomactiveringsschakelaar in het land waar het apparaat wordt gebruikt wettelijk wordt voorgeschreven.
→ "2.2 Reglementair gebruik"
Ve arbeidsstroomactiveringsschakelaar werd in de huisinstallatie geplaatst.
→ "5.3.2 Afzekering aanbrengen"
In het apparaat is een relais voor de externe aansluiting van een arbeidsstroomactiveringsschakelaar aangebracht.

Afb. 13: Aansluiting arbeidsstroomactiveringsschakelaar
▶ Leiding van de arbeidsstroomactiveringsschakelaar demonteren.
▶ Aders (2) 8 mm strippen.
Aders op het relais (1) aansluiten.
Daarvoor de klemmen 11 (COM) en 14 (NO) gebruiken.
→ "4 Technische gegevens"
5.7 Apparaat op eenfase bedrijf instellen Fasevolgordemeetrelais
Alleen bij de varianten Professional(+) 7,4 / 22 (PnC).
Om het apparaat met eenfase te gebruiken, is het noodzakelijk de potentiometer bij het fasevolgordemeetrelais om te schakelen.

▶ Apparaat eenfasig aansluiten.
→ "5.6.1 Voeding"
▶ Potentiometer (1) op stand 1 met behulp van een sleuf-schroevendraaier instellen.
| Instelling Beschrijving |
| 1 Eenfasig bedrijf |
| 3 Driefasig bedrijf |
Webinterface
Om het apparaat met eenfase te gebruiken is het noodzakelijk een parameter in de webinterface om te schakelen.
→ "6 Inbedrijfstelling"
▶ Naar het menu "Operator" navigeren en de volgende parameters instellen:
| Parameter Instelling | |
| Phases connected to the ChargePoint | ► "Enkel fasesysteem" kiezen. |
6 Inbedrijfstelling

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevo- erd.
Aansluitingen

text_image
① ② ECU MENNECOS 10 20 30 40 50 60 70 80 90 100 110 120 130 140 150 160 170 180 190 200 210 220 230 240 250 260 270 280 290 300 310 320 330 340 350 360 370 380 390 400Afb. 14: Aansluitingen voor de configuratie op de ECU
| Pos. | Gebruik Aansluiting | |
| 1 | Sleuf voor een SIM-kaart | Micro-SIM |
| 2 | Configuratie van het apparaat | Micro-USB |
6.1 Verbinding naar ECU instellen
Bij een bestaande verbinding kan het apparaat geconfigureerd worden en de statusinformatie worden opgeroepen.
Eindapparaat (bijv. pc, laptop, mobiele telefoon) en ECU met de bijgevoegde USB-kabel verbinden. Gebruik daarvoor de Micro-USB-aansluiting (2) van de ECU.
→ "Afb. 14: Aansluitingen voor de configuratie op de ECU"
i
Als de driver onder het besturingssysteem Windows niet automatisch wordt geïnstalleerd:
▶ Navigeren naar "Configuratiescherm" > "Apparaatbeheer" > "Overige apparaten".
Klik met de rechtermuisknop op "RNDIS/Ethernet Gadget" > "Treibersoftware aktualisieren" (Driversoftware actualiseren) > "auf dem Computer nach Treibersoftware suchen" (Op de computer naar driversoftware zoeken) > "aus einer Liste von Gerätetreibern auf dem Computer auswählen" (Uit een lijst met apparaatdrivers op de computer kiezen)
"Netzwerkadapter" (Netwerkadapter) > "Microsoft Corporation" > "NDIS-kompatibles Remotegerät" (Compatibel extern NDIS-apparaat).
De driver wordt geinstalleerd.
6.2 Configureren via de webinterface
De configuratie vindt plaats via een webinterface in een internetbrowser. De webinterface is met een wachtwoord beveiligd.
▶ Internetbrowser openen.
Onder http://192.168.123.123/operator is de webinterface bereikbaar.
▶ Wachtwoord invoeren.
Wachtwoord: zie installatiegegevensblad.
- Apparaat met inachtneming van de omstandigheden en klantwensen configureren.
▶ Uitgevoerde configuratie door klikken op de knop "Save" opslaan.
▶ Wanneer de configuratie is afgesloten op de knop "Save & Restart" klikken.
i
De webinterface bevat enkele instelmogelijkheden die het apparaat niet ondersteunt.
Onder het hoofdstuk "3 Productbeschrijving" > "Uitrustingskenmerken" krijgt u een overzicht van de functies van het apparaat.
Structuur van de webinterface

Afb. 15: Structuur van de webinterface
- Menu
- Parameter
- Instelling / Status
- Opmerking / Informatie
- Knoppen voor het opslaan, opnieuw starten en laden van de voorinstellingen
Op de webinterface worden de volgende menu's weergegeven:
■ "State"
■ "Settings"
">Default"
■ "Operator"
■ "System"
■ "Documentation"
Menu "State"
Hier kunnen geen instellingen worden uitgevoerd. Er worden statusgegevens van het appartaat weergegeven, bijv.
■ Actuele toestand
■ Foutmeldingen
■ Configuratie, bijv. LED-kleurenschema (groen / blauw)
■ Backend-System
Menu "Settings"
Hier kunnen de basisinstellingen worden uitgevoerd, bijv.
■ Koppeling aan een Backend-System
■ Maximale laadstroom
Indien nodig kunnen de in het menu "> Default" gedefinieerde voorinstellingen door de knop "Settings Default & Restart" worden hersteld.
Menu "> Default"
Hier kunnen voorinstellingen voor het menu "Settings" worden gedefinieerd.
Menu "Operator"
Hier kunnen alle geavanceerde instellingen voor het instellen van het apparaat worden uitgevoerd, bijv..
■ Koppeling aan een Backend-System
Menu "System"
Hier kunnen geen instellingen worden uitgevoerd. Er wordt informatie over de firmwareversie en het systeem weergegeven. Hier kan een update van firmware worden uitgevoerd.
Menu "Documentation"
Hier kunnen geen instellingen worden uitgevoerd. Hier worden de documenten van de interface en de foutmeldingen beschreven.
6.2.1 Bedrijfsmodus "Autostart"
De werking van het apparaat vindt plaats als individuele parkeerplaatsoplossing zonder koppeling aan een Backend-System. Een autorisering is niet nodig. Het laden start automatisch zodra het voertuig is aangesloten.
▶ Na het menu "Settings" navigeren en de volgende parameters instellen:
| Parameter Instelling | |
| Connection Type | ► "No Backend" kiezen. |
| Free Charging ► "On" kiezen. | |
▶ Wanneer de configuratie is afgesloten op de knop "Save & Restart" klikken.
6.2.2 Bedrijfsmodus "Lokale Whitelist"
De werking van het apparaat vindt plaats als individuele parkeerplaatsoplossing zonder koppeling aan een Backend-System. De autorisering vindt plaats door RFID-kaarten en een lokale Whitelist.
▶ Na het menu "Settings" navigeren en de volgende parameters instellen:
| Parameter Instelling | |
| Connection Type | ► "No Backend" kiezen. |
| Free Charging ► "Off" kiezen. | |
| If in doubt allow charging | ► "Off" kiezen. |
▶ Klik op de knop "Save".
RFID-kaarten aanleren door voorhouden van de RFID-kaarten
▶ Naar het menu "Operator" navigeren en de volgende parameters instellen:
| Parameter Instelling | |
| Local fixed authorization list (FLL) | ► "On" kiezen. |
| FLL learning mode | ► "On" kiezen.De functie blijft 5 minuten actief |
▶ RFID-kaarten na elkaar voor de RFID-kaartlezer houden.
De aangeleerde RFID-UID's (Unique Identifier) worden in de parameter "List of entries in FLL" getoond. Er worden maximaal 80 RFID-UID's getoond.
▶ Wanneer de configuratie is afgesloten op de knop "Save & Restart" klikken.
RFID-kaarten aanleren door invoeren van de RFID-UID's
Daarvoor moeten de UID's van de RFID-kaarten bekend zijn.
▶ Naar het menu "Operator" navigeren en de volgende parameters instellen:
| Parameter Instelling | |
| Local fixed authorization list (FLL) | ► "On" kiezen. |
| FLL learning mode | ► "Off" kiezen. |
| List of entries in FLL | ► RFID-UID's invoeren. ■ Schrijfwijze: UID1:UID2:UID3 ... ■ Er worden max. 80 RFID-UID's getoond |
▶ Wanneer de configuratie is afgesloten op de knop "Save & Restart" klikken.
RFID-kaarten verwijderen
▶ Alle invoeren van de parameter "List of entries in FLL" verwijderen.
▶ Op de knop "Save & Restart" klikken.
▶ Laadgerechtigde RFID-kaarten aanleren.
▶ Op de knop "Save & Restart" klikken.
6.2.3 Bedrijfsmodus "Backend-System"
Het apparaat kan via mobiele communicatie of via ethernet op een Backend-System worden aangesloten. De werking van het apparaat vindt via het Backend-System plaats.

Aansluiting op een backend-system via USB of WLAN is niet mogelijk.

Voor de aansluiting via mobiele telefonie is een micro-simkaart nodig.
▶ SIM-kaart plaatsen.
→ "6.3 SIM-kaart plaatsen"

Voor de integratie via internet is een internet-verbinding via het lokale netwerk vereist. Deze verbindingssoort werkt alleen in combinatie met OCPP-J 1.6.
▶ Na het menu "Settings" navigeren en de volgende parameters instellen:
| Parameter Instelling / | Beschrijving |
| Connection Type | ► "GSM" of "Ethernet" kiezen. |
| Free charging | ► "Off"" kiezen. |
| Access Point Name (APN) | Naam van het toegangspunt van uw mobiele communicatietoegang |
| APN Username Gebruikersnaam voor het toe-gangspunt van uw mobiele comm-unicatietoegang | |
| APN Passwort | Wachtwoord voor het toegangs-punt van uw mobiele communica-tietoegang |
| OCPP Mode | Keuze van het OCPP-communicatieprotocol |
| Als "OCPP Mode" = "OCPP-S 1.5" of "OCPP-S 1.6": | |
| SOAP OCPP URL of Backend (Standard OCPP) | URL-adres van het Backend-System |
| Als "OCPP Mode" = "OCPP-J 1.6": | |
| WebSocket JSON OCPP URL of Backend | WS / WSS-URL van het OCPP-Backend-System |
| HTTP Basic Authentication pass-word | ■ Alleen wanneer "Connection type" = "Ethernet"■ Een leeg veld voorkomt de HTTP-basisauthenticatie. |
| Als "OCPP Mode" = "OCPP-B 1.5" of "OCPP-B 1.6":Voor het apparaat niet relevant | |
| Hostname (Binary OCPP) | Voor het apparaat niet relevant. |
| Portnumber (Binary OCPP) | Voor het apparaat niet relevant. |

Informatie over APN wordt door de beheerder van het mobiele netwerk ter beschikking gesteld.
Informatie over OCPP en het wachtwoord voor de HTTP-basisauthenticatie wordt door de beheerder van uw Backend-System ter beschikking gesteld.
▶ Klik op de knop "Save".
- Zo nodig de geavanceerde instellingen in het menu "Operator" uitvoeren, bijv. PIN van de SIM-kaart invoeren.
▶ Wanneer de configuratie is afgesloten op de knop "Save & Restart" klikken.
6.2.4 Bedrijfsmodus "Gekoppeld"
Meer apparaten worden via ethernet verbonden. Daardoor kan lokaal lastmanagement worden uitgevoerd en een aansluiting op het backend-system tot stand worden gebracht voor alle gekoppelde apparaten (via een gateway).
Voorwaarden:
De toebehorenset voor de lokale koppeling van meerdere apparaten is ingebouwd.
Meerdere apparaten zijn met elkaar gekoppeld.
Installatiehandleiding van de toebehorenset.
6.2.5 Maximale laadstroom instellen
▶ Naar het menu "Settings" navigeren en de volgende parameters instellen:
■ "Operator Current Limit (A)"
▶ Klik op de knop "Save".
- Zo nodig de geavanceerde instellingen in het menu "Operator" uitvoeren.
▶ Wanneer de configuratie is afgesloten op de knop "Save & Restart" klikken.
6.2.6 Geavanceerde instellingen
In het menu "Operator" zijn aanvullend op de parameters onder "Settings" geavanceerde instellingen te vinden.

De webinterface bevat enkele instelmogelijkheden die het apparaat niet ondersteunt. Onder het hoofdstuk "3 Productbeschrijving" > "Uitrustingskenmerken" krijgt u een overzicht van de functies van het apparaat.
Blok 1: backend-system
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| OCPP ChargeBoxIdentity (ChargePointID) | Identificatie van het laadpunt die naar het backend-system wordt gestuurd | Backend-system | De identificatie moet in het backend-system identiek zijn |
Blok 2: backend-system, mobiele communicatie, netwerk
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| Connection Type Soort verbinding naar backend-system | Voorinstelling: "GSM" | ||
| Access Point Name (APN) Naam van het toegangspunt van uw mobiele communicatietoegang | Backend-system / Mobiele communi-catie | ■ Alleen relevant, wanneer "Connection Type" = "GSM" ■ De informatie wordt door de beheerder van uw Backend-System ter beschik-king gesteld. | |
| APN Username | Gebruikersnaam voor het toegangspunt van uw mobiele communicatietoegang | ||
| APN Password | Wachtwoord voor het toegangspunt van uw mobiele communicatietoegang | ||
| Simkaart PIN-code PIN voor het ontgrendelen van de simkaart | Alleen wanneer de sim- kaart met een PIN is ver- grendeld | |
| Network selection mode Automatische of handmatige keuze van de netbeheer van het mobiel netwerk | Voorinstelling: "AUTO" | |
| Modem Access Technology Keuze van de mobiele netwerkstandaard Voorinstatie "AUTO" | ||
| Scan network operators at boot Instelling of de beschikbare netbeheerders van de mobiele netwerken worden weer- gegeven | communi- catie | Voorinstelling: "Off" |
| Requested Network operator Naam van de netbeheerder die in de hand- matige modus gebruikt moet worden | Alleen relevant als "Network selection mode" = "Manual" | |
| Network operator name format I nstelling of het formaat van de naam van de netbeheerder alfanumeriek of numeriek is | ||
| WAN router Toegang van de ethernet-interface tot de WAN-interface (GSM) | Netwerk | |
Blok 3: koppeling via ethernet
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| Mode for ethernet configu-ration | Modus voor de netwerkconfiguratie van het laadpunt | Voorinstelling: "Auto (DHCP)" | |
| DHCP client hostname Hostnaam, die samen met de DHCP-eisen aan de DHCP-server wordt gestuurd | |||
| DHCP client request retries Aantal herhalingen van de DHCP-eisen Voorinstelling: "10" | |||
| DHCP client request timeout | Time-out van de DHCP-eisen (in seconden) | Voorinstelling: "10" | |
| DHCP client request delay | Wachttijd, tussen de DHCP-eisen (in seconden) | Netwerk | Voorinstelling: "10" |
| Static network configuration IP | IP-adres bij toewijzing van statische IP-adressen | ■ Alleen relevant als "Mode for ether-net configuration" = "Manual config" | |
| Static network configuration netmask | Netwerkmasker bij toewijzing van statische IP-adressen | ■ De informatie over het statische IP adres moet afhankelijk van uw router / switch worden gekozen. | |
| Static network configuration gateway | Gateway-adres bij toewijzing van statische IP-adressen | ||
| Static network configuration DNS | DNS-serveradres bij toewijzing van statische IP-adressen | ||
Blok 4: koppeling via WLAN - Een koppeling van meerdere apparaten via WLAN is niet mogelijk.
| Parameter | Beschrijving | Noodzakelijk voor ... | Opmerking |
| WLAN SSID | Voor het apparaat niet relevant | ||
| WLAN password | Voor het apparaat niet relevant | ||
| Mode for WLAN configuration | Voor het apparaat niet relevant | ||
| DHCP client hostname | Voor het apparaat niet relevant | ||
| DHCP client request retries | Voor het apparaat niet relevant | ||
| DHCP client request timeout | Voor het apparaat niet relevant | ||
DHCP client request delay Voor het apparaat niet relevant
Static network configuration IP Voor het apparaat niet relevant
Static network configuration netmask Voor het apparaat niet relevant
Static network configuration gateway Voor het apparaat niet relevant
Static network configuration DNS Voor het apparaat niet relevant
Blok 5: USB-network
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk voor | ... | Opmerking | |
| Static USB network configuration additional IP Voor het apparaat niet relevant | |||
| Static USB network configuration gateway Voor het apparaat niet relevant | |||
| Static USB network configuration DNS Voor het apparaat niet relevant | |||
NL
Blok 6: backend-system, netwerk
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| Public address of the ChargePoint | Openbare IP-adressen van het laadpunt | Backend- | |
| Mode for selecting the public address of the ChargePoint | Modus voor de keuze van de openbare IP-adressen van het laadpunt | system | |
| WAN router password Wachtwoord voor de toegang tot de WAN-router | Netwerk | ||
| SSL Strictness as client SSL-verificatie als client | Backend-system | De informatie wordt door de beheerder van uw backend-system ter beschikking gesteld. | |
| SOAP OCPP Server Port of ChargePoint (Standard OCPP) | TCP-Server-Port voor binnenkomende ver-bindingen van het backend-system | ||
| SSL mode as server SSL-functie voor de verificatie als server | |||
| Backend connection timeout Tijd tot een foutmelding wordt weergegeven, nadat de verbinding met het backend-system werd onderbroken of niet meer tot stand kon worden gebracht | Laadsysteem | Alleen relevant als "Display backend dis-connect as error" = "On" | |
| Display backend disconnect as error | Instelling of de fout "Backend disconnected" moet worden weergegeven | Wordt deze fout weer-gegeven, knippert de LED "Storing" op het apparaat | |
Blok 7: autorisering, backend-system
| Parameter | Beschrijving | Noodzakelijk voor ... | Opmerking |
| OCPP Mode Keuze van | het OCPP-communicatieprotocol | De informatie wordt door de beheerder van uw backend-system ter beschikking gesteld. | |
| SOAP OCPP URL of backend (Standard OCPP) | URL-adres van het backend-system | Backend-system | ■ De informatie wordt door de beheerder van uw backend-system ter beschikking gesteld.■ Alleen bij "OCPP-S 1.5" en OCPP-S 1.6" |
| Backend whitelist (SOAP) | Lijst met de IP-adressen die eisen naar het apparaat mogen sturen | ||
| Hostname (Binary OCPP) | DNS-hostnaam of IP-adres van de binaire OCPP-proxyserver voor het backend-system. | Laadsysteem | De instelling moet leeg blijven |
| Portnumber (Binary OCPP) | TCP-poort van de proxyserver voor de binaire OCPP-communicatie met het backend-system | Voorinstelling: "444" | |
| WebSockets JSON OCPP URL of the backend | WS / WSS-URL van het OCPP-backend-system | Backend-system | ■ Alleen bij "OCPP-J 1.6". ■ ID van het laadpunt wordt bij het verbinden met het backend-system automatisch gekoppeld |
| WebSockets keep-alive interval | WebSockets-Keep-Alive-Intervall (in seconden) | ■ De waarde "0" voorkomt de Keep-Alive-Intervall ■ De informatie wordt door de beheerder van uw backend-system ter beschikking gesteld. | |
| HTTP Basic Authentication pass-word | Wachtwoord voor de HTTP-basisauthenticatie | ■ Alleen wanneer "Connection type" = "Ethernet" ■ Een leeg veld voorkomt de HTTP-basisauthenticatie. ■ De informatie wordt door de beheerder van uw backend-system ter beschikking gesteld. | |
| Tcp Watchdog Timeout | Tijd totdat een herstart wordt uit-gevoerd, nadat de verbinding naar het backend-system werd onderbroken of niet meer tot stand kon worden gebracht | Laadsysteem | De waarde "0" verhindert een herstart van het apparaat |
| Enable cache Instelling | of een interne cache voor de RFID-UID wordt gebruikt | Autorisering | "Off": RFID's worden niet aan de interne cache toegevoegd |
| List of entries in cache | Opsomming van de in de interne cache aanwezige RFID-UID's | ■ Schrijfwijze: UID1:UID2:UID3 ... ■ Max. 80 RFID-UID's | |
| Cache expiry mode | De vervaldatum van de cache invoeren als de vervaldatum van de OCPP van het backend-system niet werd vastgelegd | Voorinstelling: 2038 (grootste toegestane systeemtijd) | |
| Cache learning mode | Activeert het aanleren van RFID-UID's via de RFID-kaartlezer. De invoeren worden opgeslagen in de interne cache. | De functie blijft 5 minuten actief | |
| Local fixed authoriza-tion list (FLL) | Instelling of een lokale autorisa-tielijst voor de RFID-UID's wordt gebruikt | ||
| List of entries in FLL | Opsomming van de RFID-UID's in de lokale autorisatielijst | ■ Schrijfwijze: UID1:UID2:UID3 ... ■ Er worden max. 80 RFID-UID's getoond | |
| FLL learning mode | Activeert het aanleren van RFID-UID's via de RFID-kaartlezer. De invoeren worden opgeslagen in de lokale autorisatielijst | De functie blijft 5 minuten actief | |
| RFID Tag letter case Instelling hoe de RFID-UID's van Tag-Management verwerkt worden | Autorisering | ||
| Send Authorize for RemoteStart | Instelling of het apparaat na het ontvangen van een OCPP RemoteStart-aanvraag, een OCPP-autorisatiebericht naar het backend-system moet sturen | Backend-system | Informatie wordt door uw beheerder van uw Backend-System ter beschikking gesteld |
| Stop Transaction Mode | Instelling hoe het apparaat zich na het einde van een transactie moet gedragen | Laadsysteem | "Normal": ontgrendelt en beëindigt de transactie als de stekker op het voertuig wordt aangesloten (voor apparaten met vast aangesloten laadkabels instellen) |
| Restart transaction after power loss | Instelling of een transactie na een stroomuitval wordt voortgezet | ||
| Send informative StatusNotifications | Instelling of informatieve OCPP-statusberichten naar het backend-system gestuurd moeten worden | Backend-system | bijv. temperatuurberichten |
| Send error StatusNotifications | Instelling of foutgerelateerde OCPP-statusberichten naar het backend-system gestuurd moeten worden | ||
| Send USB error StatusNotification | Voor het apparaat niet relevant | ||
| Strategy for StatusNotification state transitions | Instelling, onder welke voorwaarden het laadpunt naar de toestand "Occupied" (bezet) wisselt | Backend-system | ■ Alleen bij "OCPP-S 1.5" ■ "Occupied on Charging": bezet wanneer een autorisering plaatsvindt en een laadkabel is aangesloten ■ "Occupied on Authorized/Plugged": bezet wanneer het laadpunt geautoriseerd is of een laadkabel / voertuig is aangesloten |
| Preparing until state C (OCPP 1.6) | Instelling, onder welke voorwaarden het laadpunt in de toestand "Charging" (laden) wisselt | ■ Alleen bij "OCPP-S 1.6" en OCPP-J 1.6 ■ "On": laden wanneer het voertuig zich in toestand C bevindt ■ "Off": laden wanneer het voertuig zich in toestand B of C bevindt | |
| Allow long get configuration keys | Instelling of de OCPP-sleutel meer dan 500 tekens mag bevatten | ||
NL
Blok 8: laadinstelling
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| Free charging Laden zonder autorisering. Laadproces begint zodra een voertuig wordt aangesloten | |||
| Free charging mode Instelling van het OCPP-gedrag Alleen wanneer | Autorisering | "Free charging" = "On" | |
| Rfid Tag for Free Charging with OCPP Full, fixed rfid modes | RFID-UID voor de modus "Full fixed Rfid" | ||
| If in doubt allow charging Noodladen als er geen verbinding met het backend-system aanwezig is | |||
Blok 9: laadstroom
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking |
| Operator Current Limit (A) Maximale laadstroom Laadsysteem |
Blok 10: dynamisch lastmanagement (DLM)
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| Dynamic Load Management | Stelt de functie van het laadpunt in een DLM-netwerk voor het lastmanagement in | ||
| DLM Network-ID Instelling, aan welk DLM-netwerk-ID het laadpunt wordt toegewezen | Formaat: willekeurig getal tus- sen 0 en 255 | ||
| DLM Master IP and port | IP-adres van de DLM-master, die het laadpunt stuurt. Bovendien kan de poort worden aange- geven | ||
| Disable Discovery Broadcasting | Instelling, of de Discovery Broadcasting bij DLM-Master wordt gedeactiveerd | Laadsysteem | Bij statische toewijzing van IP-adressen moet deze para- meter op "On" worden gezet |
| DLM-algorithm sample rate | Duur voor het berekenen van het algoritme | ||
| Allow EV Wakeup Instelling, of na het opladen van het voertuig nog laadstroom moet worden aangeboden | |||
| EVSE Sub-Distribution Limit (L1/L2/L3) [A] | Netvoedingsstroom, die voor het lastmanage- ment maximaal ter beschikking staat | bijvoorbeeld nominale stroom van de zekering in de voe- dingskabel | |
| Operator EVSE Sub-Distribution Limit (L1/L2/L3) [A] | Stroombovengrens voor lastmanagement. De waarde tijdens bedrijf worden veranderd (bijvoor- beeld door het backend-system) | Deze waarde is kleiner of net zo groot als "EVSE Sub Distribution Limit" | |
| External Input 1 Config | Voor het apparaat niet relevant | ||
| Ext. Input 1 Current Offset (L1/L2/L3) [A] | Voor het apparaat niet relevant | ||
| External Input 2 Config | Voor het apparaat niet relevant | ||
| Ext. Input 2 Current Offset (L1/L2/L3) [A] | Voor het apparaat niet relevant | ||
| External Meter Support | Instelling, of een energiemeter voor extra verbruikers wordt aangesloten | De energiemeter moet via een ethernetkabel met de router / switch aangesloten zijn. | |
| Main Distribution Limit (L1/L2/L3) [A] | Stroombovengrens voor lastmanagement en voor extra verbruikers | ■ Alleen wanneer "External Meter Support" = "On" ■ Deze waarde is hoger dan "EVSE Sub Distribution Limit" | |
| External Load Headroom (L1/L2/ L3) [A] | Veiligheidsmarge voor wisselende verbruikers (in A). Trekt men deze waarde af van de waarde in de parameter "Main Distribution Limit (L1/L2/ L3) [A]" resulteert de maxiamale stroombovengrens van de laadinfrastructuur | Alleen wanneer "External Meter Support" = "On" | |
| External Load Fallback (L1/L2/L3) [A] | Stroombovengrens, wanneer geen verbinding met de extrene energiemeter bestaat | Alleen wanneer "External Meter Support" = "On" | |
| External Meter Location | Instelling, hoe de externe energiemeter aan-gesloten is | Laadsysteem | ■ Alleen wanneer "External Meter Support" = "On" ■ „Including EVSE Sub-Distribution“: registreert laadpunten en extra verbruikers ■ „Excluding EVSE Sub-Distribution“: registreert alleen laadpunten |
| External Load Averaging Length [sec] | Instelling van de duur (in seconden), die moet worden gebruikt voor de middeling van de exter-ne energiemeter | ■ Alleen wanneer "External Meter Support" = "On" ■ Voorinstelling: "5" | |
| Current Imbalance Prevention | Instelling, of onevenwichtige belastingen moeten worden begrensd. De afzonderlijke fasestromen worden zo begrensd, dat het verschil tussen de afzonderlijke fasestromen de waarde onder "Current Limit" niet overschrijdt | ||
| Current Imbalance Limit | Maximale verschil van de afzonderlijke fasestro-men (in A) | Alleen wanneer "Current Imbalance Prevention" = "On" | |
| Minimum Current Limit [A] | Stroomondergrens, die bij het laden niet wordt onderschreden | ||
| Disconnected Limit [A] | Stroomgrens, wanneer er geen verbinding met het DLM-netwerk bestaat | ||
NL
| Clear persistent DLM slave DB | Wist de database van de bekende DLM-satellieten | Laadsysteem | De database moet worden gewist, wanneer een DLM-satelliet buiten gebruik wordt genomen |
Blok 11: energiemeter
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| Reset Meter Value Behaviour (S0 and internal meter) | Terugzetten van de energiemeter bij ieder laadproces | Backend-system | |
| Send signed meter values Voor het apparaat niet relevant | |||
| The format of signed meter values | Voor het apparaat niet relevant | ||
| Send the meter's public key to HTB backend | Voor het apparaat niet relevant | ||
| Data transfer for Tariff And Total Usage | Instelling of gegevens over het tarief en energieverbruik worden weergegeven | De informatie wordt door de beheerder van uw backend-system ter beschikking gesteld. | |
| Meter values sampled data (OCPP) | Lijst van parameters, die door de energiemeter tijdens een laadprocedure via OCPP worden verzonden | ||
| Meter Value Sample Interval (OCPP) | Interval (in seconden) voor de overdracht van de waarden voor "Meter values sampled data (OCPP)" | Backend-system | |
| Meter values aligned data (OCPP) | Lijst van parameters, die door de energiemeter, onafhankelijk van de laadprocedure, via OCPP worden verstuurd | ||
| Clock aligned data interval (OCPP) | Interval (in seconden) voor de overdracht van de waarden voor "Meter values aligned data (OCPP)" | ||
| Meter configuration (Second) Keuze | van een externe energieme-ter voor extra verbruikers | Alleen wanneer "External Meter Support" = "On" | |
| IP address of second meter IP-adres | van de externe energieme-ter | Laadsysteem | |
| Port number of Second Meter Poortnummer van de externe energiemeter | Voorinstelling: "502" | ||
| Pulses per kWh (Second S0 meter) | Voor het apparaat niet relevant | ||
Blok 12: overige
| Parameter Beschrijving Noodzakelijk | voor ... | Opmerking | |
| HLC 15118 configuration Activeert de communicatie conform ISO 15118 | ISO 15118 | Alleen bij de varianten Professional+ 7,4 / 22 PnC | |
| Use of SA Schedule in 15118 HLC | Maakt de overdracht van laadprofielen naar het voer-tuig mogelijk, die via het Smart Charging Profil door de exploitant (Secondary Actor) naar het laadpunt worden ingesteld. | ||
| Extra HLC 15118 logging Activeert de registratie van de in- en uitgangsstroom van de ISO 15118-communicatie. De logging wordt opgesla-gen in het hlc_log.csv bestand | |||
| Power source voltage Nominale spanning tussen fasegeleider en nulgeleider | Laadsysteem | ||
| Phases connected to the ChargePoint | Aantal aangesloten fasen op het apparaat | ||
| Phase rotation of the ChargePoint | Draairichting van de fasen L1, L2 en L3 Alleen relevant | bij driefase bedrijf | |
| Tilt detection Instelling van de hellingdetectie | |||
| Randomize charging after power loss | Toevallige vertraging na stroomuitval, om piekstromen te voorkomen | ||
| Language of Display Voor het apparaat niet relevant | |||
| UTC time for housekee-ping reboot | Tijd voor herstart van het apparaat | Laadsysteem | ledere 30 dagen wordt een her-start uitgevoerd |
| Vehicle connection timeout | Tijd die tussen een autorisering en het verbinden van het voertuig met het apparaat voorbij mag gaan om een lading te kunnen starten | ||
| Lock Actuator only if authorized | Vergrendeling van de laadstekker eerst na autorisering | ||
| Permanently locked cable | Continue vergrendeling van de laadstekker | ||
| Temperature Report Delta | Temperatuurverandering (in °C), die nodig is, om een tem-peratuurbericht naar het backend-system te sturen | Backend-system | |
| RCMB Delta Verschilstroomverandering (in 0,1 mA), die nodig is, om een OCPP-statusbericht naar het backend-system te sturen | |||
| Energy management from second meter | Energiemanagement übervia een externe teller | Laadsysteem | |
| Current limit for energy management from second meter | Stroombegrenzing (in A) voor het energiemanagement via een externe teller | ||
| Energy management from external input | Energiemanagement via een extern schakelcontact | ||
| Current limit for energy management from external input | Stroombegrenzing (in A) voor het energiemanagement via een extern schakelcontact | ||
| Operator Password Wachtwoord voor de webinterface | |||
NL
| USB Installer Password Voor het apparaat niet relevant | |||
| State page password protection | Activeert de wachtwoordbeveiliging voor de pagina "State" | ||
| Led color scheme Kleurschema van het LED-infoeld | Laadsysteem | ||
| HMI beep Activeert de akoestische signaalgever | |||
| Log Level Grootte van de datalogger | |||
6.3 SIM-kaart plaatsen
Alleen bij de varianten Professional+ (E) 7,4 / 22 (PnC).
ET OP
Beschadiging van onderdelen
Beschadiging van onderdelen of van het laadstation door elektrostatische ontlading!
▶ Raak vóór het plaatsen van de SIM-kaart een metalen onderdeel aan.

text_image
MENNERES 2k 1 ΔLARM READY ECUAfb. 16: SIM-kaart plaatsen
▶ SIM-kaart in de sleuf Micro-SIM (1) plaatsen.
6.4 Apparaat inschakelen
EVAAR
Gevaar voor elektrische schokken bij beschadigde appa- raten
Bij gebruik van een beschadigt apparaat kunnen personen door een elektrische schok zwaar gewond raken of komen te overlijden.
- Gebruik het apparaat niet wanneer deze schade vertoont.
Kenmerk het beschadigde apparaat, zodat dit niet door andere personen gebruikt wordt.
▶ Verhelp de schade onmiddellijk.
▶ Neem het apparaat evt. buiten bedrijf.
Voorwaarde:
■ Apparaat is correct geinstalleerd.
■ Apparaat is in een correcte toestand.
Alleen bij de varianten Professional(+) E 7,4 / 22: De noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen (aardlekschakelaar, leidingveiligheidsschakelaar, eventueel arbeidsactieveringsschakelaar) moeten met inachtneming van de desbetreffende nationale voorschriften in de huisinstallatie worden geplaatst, correct werken en zijn ingeschakeld.
→ "5.3.2 Afzekering aanbrengen"
■ Het apparaat werd overeenkomstig IEC 60364-6 alsmede de overeenkomstige nationale voorschriften (bijv. DIN VDE 0100-600 in Duitsland) bij de eerste inbedrijfstelling gecontroleerd.
▶ Spanningsvoorziening inschakelen en controleren.
→ "6.5 Spanningsvoorziening bewaken"
LED "Standby" op LED-infoveld brandt.
6.5 Spanningsvoorziening bewaken
Alleen bij de varianten Professional(+) 7,4 / 22 (PnC).
Het apparaat wordt door een fasevolgordemeetrelais bewaakt. Het bewaakt de drie fasen (L1, L2, L3) en de nulgeleider (N) van de spanningsvoorziening op correcte fasevolgorde, fase-uitval resp. onderspanning.
Bedrijfsstatusweergave

Drie fasen, rechtsdraaiveld:
▶ Gebruik van de klemmen L1, L2, L3, N,
▶ Instelling relais potentiometer op 3.
De groene led brandt.

Drie fasen, linksdraaiveld:
▶ Gebruik van de klemmen L1, L2, L3, N, PE.
▶ Instelling relais potentiometer op 3.
▶ Gebruik van de klemmen L1, N, PE.
▶ Instelling relais potentiometer op 1.
De groene led brandt.
De evaluatie van het relais potentiometer vindt slechts een keer plaats na het aanleggen van de spanningsvoorziening.
6.6 Apparaat controleren
Controle conform 60364-6 en de geldende nationale voorschriften (bijv. DIN VDE 0100-600 in Duitsland)
Voer bij de eerste inbedrijfstelling een controle van het apparaat conform IEC 60364-6 alsook de overeenkomstige geldende nationale voorschriften (bijv. DIN VDE 0100-600 in Duitsland) door. De controle kan worden uitgevoerd in combinatie met het MENNEKES-testbox en een testapparaat voor gestandaardiseerde testen. Het MENNEKES-testbox simuleert daarbij de voertuigcommunicatie. Testboxen zijn bij MENNEKES als toebehoren verkrijgbaar.
▶ Voor de goedkeuring van het apparaat een controle conform norm uitvoeren.
Gebruikshandleiding van het testbox.
6.7 Apparaat sluiten
AET OP
Beschadiging van het apparaat door beknelde onder- delen of kabels
Rakken onderdelen of kabels bij het sluiten van het apparaat bekneld, kunnen er beschadigingen en defecten ontstaan.
Zorg ervoor dat bij het sluiten van het apparaat geen onderdelen of kabels bekneld komen te zitten.
Indien nodig onderdelen of kabels vastzetten.

text_image
M5 x 35 4 2. 2 2 1. 1 M5 x 16 3 5Afb. 17: Apparaat sluiten
▶ Frontpaneel (1) naar boven zwenken en met de schroeven (2) bevestigen.
▶ Behuizingsbovendeel (3) monteren en met de schroeven (4) en (5) bevestigen. Meegeleverde verkorte inbussleutel gebruiken.
| Schroef Draaimoment | |
| (2) 0,5 Nm | |
| (4) 1,2 Nm | |
| (5) 1,2 Nm | |
7 Bediening
7.1 Autoriseren
Het gebruik van de apparaat is afhankelijk van de configuratie
met vorige autorisering mogelijk. U heeft de keuze uit de volgende
mogelijkheden:
■ Geen autorisering nodig. Alle gebruikers kunnen laden.
■ Autorisering door RFID.
■ Alle gebruikers met een RFID-kaart kunnen laden.
■ Alle gebruikers waarvan de RFID-kaart is vrijgeschakeld, kunnen laden.
■ Autorisering door Backend-System.
■ De autorisering vindt afhankelijk van een Backend-System bijvoorbeeld met een RFID-kaart, een Smartphone-app of ad hoc (bijv. direct payment) plaats.
■ Alleen bij de variant Professional+ 7,4 / 22 PnC: Autorisatie door communicatie tussen apparaat en voertuig volgens ISO 15118.
Voorwaarde: uw voertuig en uw backend-systeem ondersteunen ISO 15118.
Het symbool "Standby" op het LED-infoveld brandt.
▶ Afhankelijk van de configuratie autoriseren:
▶ Autorisering door RFID: de RFID-kaart voor de RFID-kaartlezer houden.
▶ Autorisering door Backend-System: de instructies van het desbetreffende Backend-System volgen.
▶ Autorisatie conform ISO 15118: De laadkabel met het voertuig en, indien nodig, het apparaat verbinden.
▶ Instructies op het apparaat in acht nemen (bijv. QR-code scannen).
Ve gegevens worden gecontroleerd. Het symbool "Wachttijd" op het LED-infoeld brandt.
De autorisering was succesvol. Het laadproces kan gestart worden.
i
Wordt het laden niet binnen de vrijgavetijd gestart, dan wordt de autorisering teruggezet en wisselt het apparaat naar de status"Standby". De autorisering moet opnieuw plaatsvinden.
Als de autorisering niet plaatsvindt, kunnen de volgende problemen aanwezig zijn:
Probleem Oplossing
| Onbekend klant-nummer. | ► Klanten in het Backend-System aanmaken. |
| Uw account is niet vrijgegeven. | ► Instellingen in het Backend-System controlleren.► Zorg ervoor dat de klant in het Backend-System geactiveerd is. |
| Geen communicatie tussen het apparaat en het Backend-System. | ► Autoriseringsproces herhalen. |
NL
7.2 Voertuig laden
AARSCHUWING
Gevaar voor letsel door niet-toegestane hulpmiddelen
Bij gebruik van adapterstekkers, verlengstukken of extra oplaadkabels in combinatie met het apparaat bestaat gevaar voor elektrische schokken of kabelbrand.
- Gebruik alleen de voor het voertuig en apparaat beoogde oplaadkabel.
- Gebruik voor het laden in geen geval adapterstekkers, verlengstukken of extra laadkabels.

Afb. 18: Voertuig laden (voorbeeld)
Dé autorisering is gelukt.
Zorg ervoor dat het voertuig en de laadkabel voor een Mode 3-lading geschikt zijn.
▶ Rol de laadkabel volledig af.
▶ Laadkabel met het voertuig verbinden.
Bij de uitvoering laadcontactdoos met klapdeksel:
▶ Klapdeksel naar boven klappen.
▶ Laadstekker volledig in de laadcontactdoos op het apparaat steken.
Bij de variant laadcontactdoos met sluitdeksel:
▶ Stekker precies in de laadcontactdoos van het apparaat steken. De grijze ring geeft door zijn contour de uitlijning van de stekker weer.
▶ Laadstekker 60° linksom draaien om de sluitdeksel te openen.
▶ Na het openen van de sluitdeksel laadstekker volledig in de laadcontactdoos steken.
Dé Laadstekker wordt automatisch vergrendeld en het laadproces begint.
Wanneer de lading niet start, kan het volgende probleem aanwezig zijn:
Probleem Oplossing
Vergrendeling van de laadstekker niet mogelijk.
▶ Controleer de laadcontact- doos op vreemde voorwerpen.
▶ Controleer de laadkabel en vervang deze eventueel.
Laadproces beëindigen
AET OP
Beschadiging van de laadkabel
Trekspanning op de laadkabel kan leiden tot kabelbreuken en andere schade.
▶ Trek de laadkabel alleen aan de stekker uit de laadcontactdoos.
▶ Laadproces op het voertuig of door het tonen van de RFID-kaart voor de RFID-kaartlezer beëindigen.
▶ Trek de laadkabel aan de stekker uit de laadcontactdoos.
▶ Schermkap op de laadkabel aanbrengen.
▶ Hang of berg de laadkabel op zonder knikken.
Laadkabel kan niet worden verwijderd
Als de stekker van de lader bijv. na een stroomstoring niet kan worden verwijderd, dan kan de stekker van de lader niet worden ontgrendeld in het apparaat. De laadstekker moet handmatig ontgrendeld worden.
▶ Laat een noodontgrendeling van de laadstekker door een elektromonteur uitvoeren.
→ "9.3 Laadstekker noodontgrendelen"
7.3 Multifunctietoetsen
Alleen bij de varianten Professional(+) 7,4 / 22 (PnC).
7.3.1 Aardlekschakelaar en leidingveiligheidsschakelaar opnieuw inschakelen


text_image
>15 mm
*klack*
Afb. 19: Aardlekschakelaar en leidingveiligheidsschakelaar opnieuw inschakelen
▶ Druk de multifunctionele schakelaar in tot de eindpositie (> 15mm).
De aardlekschakelaar en de zekeringautomaat zijn nu weer ingeschakeld.
7.3.2 Aardlekschakelaar controleren

text_image
• 8-10 mm
text_image
90°

Afb. 20: Aardlekschakelaar controleren
▶ Steek de platte schroevendraaier met een lemmetbreedte van 8-10 mm in de sleuf van de multifunctionele schakelaar.
▶ Draai de multifunctionele schakelaar 90° linksom.
Druk de multifunctionele schakelaar voor ca. twee seconden in (> 5mm).
Functioneert de aardlekschakelaar:
De aardlekschakelaar wordt geactiveerd!
Het storingsdisplay op het LED-infoveld knippert rood.
▶ Schakel de aardlekschakelaar weer in.
→ "7.3.1 Aardlekschakelaar en leidingveiligheidsschakelaar opnieuw inschakelen"
8 Onderhoud
8.1 Onderhoud
EVAAR
Gevaar voor elektrische schokken bij beschadigde appa- raten
Bij gebruik van een beschadigt apparaat kunnen personen door een elektrische schok zwaar gewond raken of komen te overlijden.
- Gebruik het apparaat niet wanneer deze schade vertoont.
Kenmerk het beschadigde apparaat, zodat dit niet door andere personen gebruikt wordt.
▶ Laat de schade onmiddellijk door een gekwalificeerde elektromonteur verhelpen.
▶ Laat het apparaat evt. door een gekwalificeerde elektromonteur buiten gebruik nemen.
Regelmatige controle- en onderhoudswerkzaamheden ondersteunen de storingsvrije en veilige werking van het apparaat en dragen bij aan een langere levensduur.
Eventuele foutbronnen kunnen vroegtijdig gedetecteerd worden en gevaren worden vermeden. Als er schade aan het apparaat wordt vastgesteld, moet deze onmiddellijk door een gekwalificeerde elektromonteur worden verholpen.
- Controleer het apparaat dagelijks of bij iedere lading op bedrijfsgereedheid en externe schade.
Voorbeelden van schade:
■ Defecte behuizing / frontpaneel (bijv. sterke vervormingen, scheuren, breuken)
■ Defecte of ontbrekende onderdelen (bijv. veiligheidsorganen, klapdeksel)
■ Onleesbare of ontbrekende veiligheidsstickers.

Een onderhoudsovereenkomst met een verantwoordelijke servicepartner garandeert een regelmatig controle.
Onderhoudsintervallen

De volgende activiteiten mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
De onderhoudsintervallen met inachtneming van de volgende aspecten kiezen:
Leeftijd en toestand van het apparaat
Omgevingsinvloeden
Belasting
Laatste testprotocollen
Het onderhoud minimaal binnen de volgende intervallen uitvoeren:
Component Onderhoudswerk
| Halfjaarlijks | |
| Elektrische schakel- en veiligheids-inrichtingen | Aardlekschakelaar, leidingveiligheidsschakelaar enz. op optische defecten controleren.Aardlekschakelaar op een correcte werking controleren. |
| Behuizing binnenkant | Apparaat op zuiverheid controleren.Apparaat indien nodig reinigen. |
| Apparaat buitenkant | Apparaat of defecten en beschadigingen controleren.Apparaat op zuiverheid controleren.Apparaat indien nodig reinigen.Î "8.2 Reiniging" |
| Laadkabel (bij de uitvoering met vast aangesloten laad-kabel) | Laadkabel op defecten en beschadigingen (bijv. knikken, scheuren) controleren.Herhaling van de metingen en controles overeenkomstig de geldige nationale voorschriften (bijv. VDE 0701/702 in Duitsland). |
| LED-infoeld LED-infoeld op een correcte werking en leesbaarheid controleren. | |
Component Onderhoudswerk
Halfjaarlijks
| Laadcontactdoos(bij uitvoering met laadcontactdoos) | Klapdeksel of sluitdeksel op een correcte werking en spoelheid controleren.Contactbussen van de laadcontactdoos op verruilingen en vreemde voorwerpen controleren. Laadcontactdoos eventueel reinigen en vreemde voorwerpen verwijderen. |
Component Onderhoudswerk
Jaarlijks
| Aansluitklemmen | Aansluitklemmen van de voedingsleiding controleren.Aansluitklemmen eventueel aandraaien. |
| Apparaat Herhaling | van de metingen en controles overeenkomstig IEC 60364-6 alsmede de geldige nationale voorschriften (bijv. DIN VDE 0105-100 in Duitsland). |
f Schade aan het apparaat deskundig verhelpen.
f Documenteer het onderhoud voldoende.
f Eventueel onderhoudsprotocol bij MENNEKES aanvragen.
Î "1.1 Service"
8.2 Reiniging

Levensgevaar door elektrische schok
Het apparaat bevat elektrische componenten die onder hoge spanning staan. Bij ondeskundig gebruik, vooral in combinatie met vocht, bij een geopende behuizing raken personen ernstig gewond door een elektrische schok.
f Reinig het apparaat uitsluitend van buiten.
f Houd het apparaat en de veiligheidsvoorzieningen gesloten.
ET OP
Materiële schade door verkeerde reiniging
Onjuiste reiniging kan schade aan de behuizing of onderdelen veroorzaken.
▶ Voorkom stromend water en zorg ervoor dat geen water bij spanningvoerende delen kan komen.
▶ Gebruikt u geen hogedruk reinigingsapparaten.
- Gebruik alleen hulpmiddelen (bijv. bezems, reinigingsmiddelen), die voor kunstof oppervlakken geschikt zijn.
- Gebruik geen agressieve reinigingsmiddelen of chemicaliën.
Het apparaat kan, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en vervuiling, droog of vochtig worden gereinigd. De reiniging wordt uitsluitend van buitenaf uitgevoerd.
Procedure:
▶ Verwijder eerst grof stof en vuil met een handborstel met zachte borstelharen.
▶ Veeg het apparaat grondig schoon met een schoon doekje geschikt voor kunststof oppervlakken, zo nodig bevochtigd met water.
▶ Reinig de laadkabel alleen in losgekoppelde toestand!
8.3 Update firmware
De firmware wordt constant doorontwikkeld, zodat na enige tijd nieuwe firmware-updates ter beschikking staan. De actuele firmware krijgt u op aanvraag van MENNEKES.
→ "1.1 Service"
9 Storing oplossen
Treedt een storing op, brandt resp. knippert het symbool "Storing" op het LED-infoeld. Het apparaat kan niet worden gebruikt, zolang de storing niet werd opgelost.
Mogelijke storingen:
■ Verkeerde of defecte laadkabel.
■ Alleen bij de varianten Professional(+) 7,4 / 22 (PnC): De aardlekschakelaar of de leidingveiligheidsschakelaar is geactiveerd.
Neem voor de storingsoplossing de volgende volgorde in acht:
▶ Laadproces beëindigen en laadkabel loskoppelen.
▶ Controleer of de laadkabel geschikt is.
▶ Laadkabel opnieuw erin steken en laadproces starten.
▶ Alleen bij de varianten Professional(+) 7,4 / 22 (PnC):
Schakel aardlekschakelaar of leidingveiligheidsschakelaar weer in.
→ "7.3.1 Aardlekschakelaar en leidingveiligheidsschakelaar opnieuw inschakelen"

Kon de storing niet worden verholpen, neem dan contact op met uw verantwoordelijke service-partner.
→ "1.1 Service"
9.1 Foutmeldingen

De volgende activiteiten mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
De foutmelding kan via de webinterface worden bekeken.
E is een netwerkverbinding aanwezig.
→ "6.1 Verbinding naar ECU instellen"
Foutmelding uitlezen
▶ Op de internetbrowser onder http://192.168.123.123/operator naar "State" navigeren.
▶ Op de regel "Errors list" wordt in de tweede kolom de foutmelding weergegeven.
Voorbeeld:
| ... ... ... | ||
| Errors list Residual current detected via sensor | ... | |
| ... ... ... | ||
Naar oplossingen van de foutmelding zoeken
▶ Navigeer naar "Documentation" > "Errors Documentation". In de tweede kolom "Error activation message" staan alle foutmeldingen vermeld.
▶ De actuele foutmelding in de kolom "Error activation message" zoeken en de oplossing in de kolom "Corrective actions" volgen.
Voorbeeld:
Sommige Backend-systemen bieden verdere hulp bij het oplossen van storingen.
9.2 Reserveonderdelen
Zijn voor de probleemoplossing reserve- of toebehoordelen noodzakelijk, moeten deze eerst worden gecontroleerd op identiek ontwerp.
Uitsluitend originele reserveonderdelen en accessoires gebruiken, die door MENNEKES geproduceerd en / of vrijgegeven zijn.
→ "1.1 Service"
9.3 Laadstekker noodontgrendelen

De volgende activiteiten mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Bij de uitval van de ontgrendelingsfunctie kan het gebeuren dat de laadstekker door de actuator mechanisch wordt vergrendeld. De laadstekker kan dan niet worden uitgetrokken en moet handmatig worden ontgrendeld.

▶ Rode hendel (2) op de vierkant as van de actuator (1) steken. De rode hendel is in de buurt van de actuator bevestigd met een kabelbinder.
▶ Rode hendel op de actuator 90° rechtsom draaien.
▶ Laadstekker eruit trekken.
▶ Rode hendel verwijderen en de hendel in de buurt van de actuator met een kabelbinder bevestigen.
▶ Apparaat sluiten.
→ "6.7 Apparaat sluiten"
10 Buitenbedrijfstelling en demontage

De werkzaamheden in dit hoofdstuk mogen alleen door een elektromonteur worden uitgevoerd.
Apparaat buiten bedrijf nemen
▶ Apparaat openen.
→ "5.4 Apparaat openen"
▶ Voedingsleiding afklemmen.
- Indien nodig de leiding van de arbeidsstroomactive-ringsschakelaar afklemmen.
Apparaat demonteren
▶ Apparaat buiten bedrijf nemen.
▶ Afsluitplug en schroeven verwijderen.
▶ Apparaat van de wand verwijderen.
▶ Leidingen uit de behuizing voeren.
▶ Apparaat sluiten.
→ "6.7 Apparaat sluiten"
11 Opslag
Een juiste opslag kan de bedrijfszekerheid van het apparaat positief beïnvloeden en in stand houden.
▶ Apparaat voor de opslag reinigen.
- Apparaat in de originele verpakking of met geschikte verpakkingsmaterialen schoon en droog opslaan.
▶ Neem de toegestane opslagcondities in acht.
Toegestane opslagcondities
| Opslagtemperatuur -25°C... + 40 °C |
| Gemiddelde temperatuur in < 35 °C |
| 24 uur |
| Relatieve luchtvochtigheid max. 95 % (niet-condenserend) |
12 Afvoeren

Het apparaat en de verpakking moeten aan het einde van de gebruiksduur overeenkomstig de voorschriften worden afgevoerd. Voor de verwijdering en de bescherming van het milieu moeten de landelijke wettelijke voorschriften van het gebruiksland in acht worden genomen. Apparaten en accu's mogen niet worden weggegooid bij het afval.
▶ Voer het verpakkingsmateriaal af naar daarvoor aangewezen containers.
▶ Voer oude apparaten en accu's af via uw dealer.
13 Accessoires
Accessoires, bijv. beschermende daken of laadkabels vindt u op onze homepage onder "Accessoires".
14 Verklarende woordenlijst
| Begrip Toelichtende informatie | |
| Backend-System | Infrastructuur voor de aansturing van de laadstations en het beheer van de persoonsgerelateerde toegangsgegevens. |
| ECU Electronic Control Unit | Eenheid voor besturing en communicatie |
| MiD Measuring Instruments Directive | Energiemeter |
| Modus 3(IEC 61851) | Laadmodus voor voertuigen met communicatie-interface op laadcontactmateriaal type 2. |
| RFID Autorisatiemogelijkheid via RFID-kaart op de apparaten. | |
| Type 2(IEC 62196-2) | Eén- en driefase laadcontactmateriaal met identieke contactbezetting voor laadver-mogens van 3,7 tot 44 kW AC. |








