VC-524 - Multimeter VOLTCRAFT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis VC-524 VOLTCRAFT in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding VC-524 - VOLTCRAFT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. VC-524 van het merk VOLTCRAFT.
GEBRUIKSAANWIJZING VC-524 VOLTCRAFT
8.2 Aanduidingen en symbolen op het display ..........................................145
13 Verhelpen van storingen ............................................................................171 14 Technische gegevens ................................................................................172135 1 Inleiding Geachte klant, Met dit Voltcraft-product hebt u een hele goede beslissing genomen, waarvoor we u van harte willen bedanken. U heeft een hoogwaardig product uit de merkfamilie gekocht dat zich onderscheidt op het gebied van de meet-, laad- en netwerktechnologie door de buitengewone vakkundigheid en permanente innovatie. Met Voltcraft kan zowel de kieskeurige hobbyist als de professionele gebruiker zelfs de moeilijkste taken probleemloos uitvoeren. Voltcraft
biedt u betrouwbare techno- logie met een uitstekende prijs-kwaliteitsverhouding. We zijn ervan overtuigd: Uw keuze voor Voltcraft is tegelijkertijd het begin van een langdurige en prettige samenwerking. Veel plezier met uw nieuwe Voltcraft-product! Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk. Voor meer informative kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be 2 Verklaring van de symbolen Een uitroepteken in een driehoek wijst op belangrijke informatie in deze gebruiksaanwijzing die in elk geval nageleefd moet worden. Een bliksemschicht in een driehoek waarschuwt voor gevaar op elektri- sche schokken of beschadiging aan de elektrische beveiliging van het apparaat. Een symbool met een vierkant staat het meten van de stroom aan niet-geïsoleerde, gevaarlijk-actieve stroomkabels toe en waarschuwt voor de mogelijke gevaren. U dient gebruik te maken van een persoonlij- ke veiligheidsuitrusting. Het “pijl”-symbool ziet u waar bijzondere tips en aanwijzingen over de bediening gegeven worden.136 Dit apparaat is CE-conform en voldoet aan de noodzakelijke Europese richtlijnen Beschermingsklasse 2 (dubbele of versterkte isolatie, beschermende isolatie) CAT I Meetcategorie I voor metingen aan elektrische en elektronische appara- ten die niet direct door netspanning gevoed worden (bijv. apparaten die op batterijen werken, lage beveiligingsspanning, signaal- en stuurspan- ningen enz.) CAT II Meetcategorie II voor metingen aan elektrische en elektronische appara- ten die via een netstekker worden voorzien van netspanning. Onder deze categorie vallen ook alle lagere categorieën (bijv. CAT I voor het meten van signaal- en stuurspanningen). CAT III Meetcategorie III voor metingen in installaties in gebouwen (bijv. stopcon- tacten of groepen). Onder deze categorie vallen ook alle lagere catego- rieën (bijvoorbeeld CAT II voor metingen aan elektrische apparaten). Het uitvoeren van metingen in CAT III is alleen toegestaan met behulp van meetpunten met een maximale blootgestelde contactlengte van 4 mm of meetpunten met afdekkappen. Aardpotentiaal137 3 Doelmatig gebruik
Meten en weergeven van de elektrische grootheden in het bereik van meetcate- gorie CAT III tot max. 600 V tegen aardpotentiaal, overeenkomstig EN 61010-1 en alle lagere meetcategorieën. Het meetapparaat mag niet worden gebruik in de meetcategorie CAT IV.
Meten van gelijkstroom tot max. 400
Gelijkstroom- en wisselstroommetingen tot max. 600 V (AC-TrueRMS)
Frequentiemeting tot 10 kHz
Temperatuurmetingen tussen -20 en +760 °C
Weerstandsmetingen tot 60 MΩ
Meten van capaciteiten tot 6000 µF
Contactloze wisselspanningszoeker (NCV) ≥230 V/AC en ≤50 mm afstand
LPF (laagdoorlaatlter)
Inschakelfunctie De meetfuncties worden via de draaiknop geselecteerd. De meetbereikselectie vindt bij veel meetfuncties automatisch plaats en kan ook handmatig vooraf worden ingesteld. Bij het AC-spannings- en AC-stroommeetbereik worden de echte RMS (True RMS) weergegeven. De polariteit wordt bij negatieve meetwaarden automatisch met het teken (-) weer- gegeven. De stroommeting geschiedt contactloos via de uitklapbare stroomtang. Het ontkop- pelen van de meten stroomkring is niet nodig. De stroomtang is tevens ontworpen en goedgekeurd voor het meten van ongeïsoleerde, gevaarlijke geleiders die onder stroom staan. De spanning in het meetcircuit mag in CAT III 600 V niet overschrij- den. Het is aanbevolen om persoonlijke beschermingsuitrusting te dragen wanneer u metingen in het CAT III bereik uitvoert.138 De multimeter werkt op drie 1,5 V microbatterijen (type AAA, LR03) die in de han- del verkrijgbaar zijn. Gebruik het apparaat alleen met het aangegeven batterijtype. Gebruik geen batterijen met een celspanning van 1,2 V. Een automatische uitscha- keling vermijdt een vroegtijdige ontlading van de batterijen. De automatische uit- schakeling kan worden gedeactiveerd. Gebruik de multimeter niet wanneer de behuizing of het batterijvak open is of als het batterijdeksel ontbreekt. Metingen in explosiegevaarlijke omgevingen of vochtige ruimtes, bijvoorbeeld on- der ongunstige omgevingsomstandigheden, zijn niet toegestaan. Ongunstige om- gevingsomstandigheden zijn: Vocht of hoge luchtvochtigheid, stof en brandbare gassen, dampen of oplosmiddelen, onweer of soortgelijke omstandigheden zoals sterke elektrostatische velden enz. Gebruik voor de metingen alleen meetleidingen en -accessoires die op de specica- ties van de multimeter zijn afgestemd. De multimeter mag alleen worden gebruikt door personen die vertrouwd zijn met de geldende meetvoorschriften en alle mogelijke gevaren. Het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen wordt aanbevolen. Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met beperkte fysieke, sensorische of mentale vermogens of vanwege een gebrek aan ervaring en/of gebrek aan kennis. De omgang met meetapparaten dient door ge- schoold personeel verantwoordelijk bewaakt te worden. Elk ander gebruik dan hierboven beschreven zal het product beschadigen en kan andere gevaren met zich meebrengen, zoals kortsluiting, brand, elektrische schok enz. Het gehele product mag niet worden veranderd of worden omgebouwd! Lees de gebruiksaanwijzing goed door en bewaar deze om later nogmaals te kun- nen raadplegen. De veiligheidsrichtlijnen dienen altijd in acht te worden genomen!139 4 Omvang van de levering
Testkabels naar K-type thermokoppeladapter
Veiligheidsinstructies
Gebruiksaanwijzing 5 Actuele gebruiksaanwijzingen Download de actuele gebruiksaanwijzingen via de link www.conrad.com/downloads of scan ze met behulp van de afgebeelde QR-code. Volg de aanwijzingen op de website.140 6 Veiligheidsinstructies Lees de gebruiksaanwijzing voor gebruik zorgvuldig door. Deze bevat belangrijke informatie voor een juist gebruik van het product. In geval van schade, die ontstaat door het niet naleven van de ge- bruiksaanwijzing, komt de waarborg/garantie te vervallen! We zijn niet aansprakelijk voor gevolgschade! Wij zijn niet aansprakelijk voor materiële schade of persoonlijk letsel veroorzaakt door verkeerd gebruik of het niet opvolgen van de veiligheidsinstructies! In dergelijke gevallen komt de waarborg/ garantie te vervallen.
Het apparaat heeft de fabriek in een technisch veilige en perfect werkende toe- stand verlaten.
Volg de in deze gebruiksaanwijzing opgenomen veiligheidsinstructies en waar- schuwingen op om deze toestand van het apparaat te behouden en te zorgen voor een veilig gebruik ervan!
Om redenen van veiligheid en goedkeuring is het eigenmachtig ombouwen en/ of wijzigen van het apparaat niet toegestaan.
Raadpleeg een expert wanneer u twijfelt over het juiste gebruik, de veiligheid of het aansluiten van het apparaat.
Meetinstrumenten en toebehoren zijn geen speelgoed en moeten uit de buurt van kinderen worden gehouden!
In commerciële instellingen dient men de ongevallenpreventievoorschriften van het Verbond van Commerciële Beroepsverenigingen voor Elektrische Installa- ties en Apparatuur in acht te nemen.
In scholen en opleidingsinstellingen, hobby- en werkplaatsen moet werken met meetapparatuur gebeuren onder toezicht van daartoe opgeleid personeel.141
Zorg bij elke spanningsmeting dat het meetapparaat zich niet in een andere meetfunctie bevindt.
Bij het gebruik van de meetkabels zonder afdekkappen mogen metingen tussen het meetapparaat en aardpo- tentiaal niet boven de meetcategorie CAT II uitgevoerd worden.
Bij metingen in de meetcategorie CAT III moeten de afdekkappen op de meetpunten worden geplaatst, om onbedoelde kortsluiting tijdens de meting te voorko- men.
Plaats de afdekkappen op de meetpunten totdat ze vastzitten. Om ze te verwij- deren trekt u de kappen met enige kracht van de punten.
Verwijder de meetpunten altijd van het meetobject voordat u het meetbereik wijzigt.
De spanning tussen de aansluitpunten van het meetapparaat en aardpotentiaal mag niet hoger zijn dan 600 V in CAT III.
Wees met name voorzichtig bij de omgang met wisselspanningen (AC) groter dan 33 V resp. gelijkspanningen (DC) groter dan 70 V! Bij deze spanningen kunt u in geval van contact met een elektrische kabel een levensgevaarlijke elektrische schok krijgen.
Om een elektrische schok te voorkomen, dient u ervoor te zorgen dat u de te meten aansluitingen/meetpunten tijdens de meting niet, ook niet indirect, aan- raakt. Tijdens het meten mag u de meetpunten niet voorbij de voelbare hand- greepmarkeringen vastpakken. Ook mag u het meetapparaat dan niet aanraken.
Controleer voor elke meting uw meetapparaat en de meetdraden op beschadi- ging(en). Voer nooit metingen uit als de beschermende isolatie beschadigd is (gescheurd, losgetrokken, etc.). De meegeleverde meetkabels zijn voorzien van een slijtage-indicator. Bij beschadiging wordt er een tweede isolatielaag met een andere kleur zichtbaar. De meetapparatuur mag dan niet langer worden gebruikt en moet worden vervangen.
Gebruik de multimeter niet kort voor, tijdens of direct na onweer (blikseminslag! /energierijke overspanningen!). Let erop, dat uw handen, schoenen, kleding, de vloer, schakelingen en schakelcomponenten etc. per sé droog zijn.142
Gebruik het product niet in de directe nabijheid van: – sterke magnetische of elektromagnetische velden – zendantennes of HF-generatoren De gemeten waarde kan daardoor worden vertekend.
Als aangenomen mag worden dat veilig gebruik niet meer mogelijk is, moet het apparaat worden uitgeschakeld en tegen onbedoeld gebruik worden beveiligd. Men dient ervan uit te gaan dat een veilig gebruik niet meer mogelijk is als: – het apparaat zichtbaar beschadigd is, – het apparaat niet meer functioneert en – het gedurende een lange periode onder ongunstige omstandigheden opge- borgen is geweest of – na zware transportbelastingen.
Zet het meetapparaat nooit onmiddellijk aan nadat het van een koude naar een warme ruimte is gebracht. De condens die hierbij wordt gevormd kan het ap- paraat onder bepaalde omstandigheden onherstelbaar beschadigen. Laat het apparaat eerst op kamertemperatuur komen voordat u het inschakelt.
Laat het verpakkingsmateriaal niet achteloos rondslingeren; dit kan voor kinde- ren gevaarlijk speelgoed zijn.
Neem ook de veiligheidsinstructies in de afzonderlijke hoofdstukken in acht.143 7 Bedieningselementen
INRUSH LPF MODE LPF RANGE REL INRUSHdistributed byConrad Electronic SEKlaus-Conrad-Str. 1D-92240 HirschauModel No.: VC-524 A Een kabelscheider met geïntegreerde NCV-sensor B Stroomtang C Voelbare handgreepmarkering D NCV-signaalaanduiding E Hendel voor openen van stroomtang F Draaischakelaar om de gewenste meetfunctie te kiezen G Meetweergave (display)144 H Functieknoppen LPF-knop om de laagdoorlaatlter in te schakelen in de V-AC-modus MODE-knop voor omschakelen van de functie bij meervoudige bezette functies RANGE-knop voor handmatige meetbereikselectie REL-knop voor meting van de referentiewaarde INRUSH-knop voor inschakelfunctie I COM-meetaansluiting (referentiepotentiaal, “negatief potentiaal”) J Multifunctionele schroefdraad (1/4” UNC, statiefschroefdraad) voor optionele accessoires K VΩ-meetaansluiting (“positief potentiaal” voor gelijkstroom) L HOLD-functie knop voor het vastleggen van de meetweergave en voor led-wer- klamp M Batterijvak N Led-werklamp 8 Productbeschrijving De gemeten waarden worden weergegeven op de multimeter (hierna DMM ge- noemd), op een invers verlicht lcd-display. De weergave van de meetwaarden van de DMM bevat 6000 counts (count = kleinste weergavewaarde). De weergave va- rieert van 0 tot 5999. De VC-524 is voor gelijk- en wisselstroommetingen tot 400 A geschikt. Een automatische uitschakelfunctie schakelt het apparaat na een bepaalde periode van inactiviteit automatisch uit. De batterijen worden hierdoor ontzien en het maakt zodoende een langere gebruiksperiode mogelijk. De automatische uitschakeling kan worden gedeactiveerd. Het meetapparaat is zowel geschikt voor hobbygebruik alsook op professioneel gebied tot CAT III. Er bevinden zich beschermende transportkappen op de meegeleverde schuine stekkers van de meetkabels. Verwijder deze voordat u de stekkers in de aansluitin- gen van het meetapparaat steekt.145
De verschillende meetfuncties worden via een draaiknop geselecteerd. De automa- tische bereikkeuze “AUTO” is actief voor bepaalde meetfuncties. Hierbij wordt altijd het gepaste meetbereik voor elke toepassing automatisch ingesteld. De multimeter is uitgeschakeld wanneer de schakelaar in de positie “OFF” staat. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt.
8.2 Aanduidingen en symbolen op het display
De volgende symbolen en aanduidingen zijn zichtbaar op het apparaat of op het display. Beschrijvingen 1 Automatische uitschakeling is actief 2 Automatische meetbereikkeuze is actief 3 Symbool voor diodentest 4 Symbool voor continuïteitsmeting 5 Symbool voor actieve data hold-functie 6 INRUSH-symbool 7 Indicatie voor het vervangen van de batterij 8 Symbool voor frequentiemeting en pulsduurratio in %146 Beschrijvingen
V = Volt (eenheid van de elektrische spanning), mV = millivolt (macht -3), A = Ampère (eenheid van de elektrische stroomsterkte) 11 Meetwaardeweergave 12 Symbool voor het gebruik met wisselstroom 13 Teken bij negatieve meetwaarden 14 Symbool voor het gebruik met gelijkstroom 15 Symbool laagdoorlaatlter
nF = Nanofarad (macht -9; eenheid van elektrische capaciteit) µF = Micro-Farad (macht -6) 17 Actieve meting van relatieve waarden
Ω = Ohm (eenheid van elektrische weerstand), kΩ = Kilo-Ohm (macht 3), MΩ = Mega-Ohm (macht 6) LPF Laagdoorlaatlter voor AC-stroommeting INRUSH Startstroommeting voor AC-meetbereik OFF Schakelaarstand “uit” NCV Contactloze wisselspanningsdetectie (alleen V-AC) True RMS Echte effectieve-waardemeting HOLD Data-hold functie bekijken/uitschakelen REL Oproep relatieve waardemeting en referentiewaarde instellen (niet mogelijk voor continuïteitstest, diodetest, frequentie en NCV) RANGE Knop voor handmatige instelling voor het meetbereik147 Beschrijvingen MODE Knop voor het omschakelen van de functie bij meervoudige bezette meetfuncties OL Overloop-weergave; het meetbereik is overschreden Symbool voor de gebruikte batterijgegevens Meetfunctie diodetest Meetfunctie akoestische continuïteitstester AC Symbool voor wisselstroom DC Symbool voor gelijkstroom COM Meetaansluiting referentiepotentiaal
Meetfunctie spanningsmeting, Volt (eenheid van elektrische span- ning)
Meetfunctie stroommeting, Ampère (eenheid van elektrische stroom- sterkte) Hz% Meetfunctie frequentie, Hertz (eenheid van frequentie) en pulsduur- ratio in % Ω Meetfunctie weerstand, Ohm (eenheid van elektrische weerstand) CAP Meetfunctie capaciteitsmeting TEMP Meetfunctie temperatuurmeting Positiemarkeringen voor de stroomgeleider voor juiste stroommetin- gen Knop voor het aan- en uitzetten van de meetpuntverlichting148 9 Meetprocedure Overschrijd nooit de maximaal toegestane ingangswaarden. Raak geen schakelingen of schakelingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/DC kunnen voorkomen! Le- vensgevaar! Controleer voor het begin van de metingen de aangesloten meet- kabels op beschadigingen zoals bijv. sneden, scheuren of geplette segmenten. Defecte meetkabels mogen niet meer worden gebruikt! Levensgevaar! Controleer de juiste meetfunctie voor elke meting voordat u met de multimeter gaat werken. Voer altijd eerst een meting uit op een be- kende meetbron en controleer de juiste weergave. Een storing van de multimeter kan een levensbedreigende situatie voor de gebrui- ker veroorzaken. Als er een storing is, controleert u de multimeter en neemt u zo nodig contact op met een specialist om het apparaat te controleren. Tijdens het meten mag u de meetpunten niet voorbij de voelbare handgreepmarkeringen vastpakken. Ook mag u het meetapparaat dan niet aanraken. Er mogen altijd alleen de twee voor het meten benodigde meet- kabels op het meetapparaat aangesloten zijn. Verwijder uit veilig- heidsoverwegingen alle niet benodigde meetkabels van de meetap- paratuur, als u de stroommeting uitvoert. Metingen van stroomcircuits met wisselspanningen hoger dan 33 V of gelijkspanningen hoger dan 70 V mogen alleen worden uitge- voerd door deskundigen of door mensen die vertrouwd zijn met de geldende voorschriften en de eruit voortvloeiende gevaren. Zodra er “OL” (Overload = overbelasting) op het display verschijnt, hebt u het meetbereik overschreden.
9.1 De multimeter inschakelen
Schakel de multimeter in/uit met behulp van de draaiknop. Zet de draaiknop (F) op de gewenste meetfunctie. Zet de draaiknop op “OFF” om het apparaat uit te scha- kelen. Zet het meetapparaat altijd uit wanneer u het niet gebruikt. Na inschakeling vindt er een korte functietest plaats. Tijdens de functietest worden alle displaysegmenten weergegeven ter controle.149 Voordat u de multimeter kunt gebruiken, moet u de meegeleverde batterijen plaatsen. Raadpleeg het hoofdstuk “Reiniging en onder- houd” om de batterijen op een juiste manier te installeren of te ver- vangen.
9.2 Stroommeting “A”
Zorg dat de max. toegestane ingangswaarden in geen geval worden overschreden. Raak geen schakelingen of schakelingsonderdelen aan, als hierin hogere spanningen dan 33 V/ACrms of 70 V/DC kun- nen voorkomen! Levensgevaar! De maximale toelaatbare spanning in de stroommeetkring tegen de aardpotentiaal mag niet hoger zijn dan 600 V in CAT III. Houd voor uw eigen veiligheid rekening met alle relevante veilig- heidsinstructies, voorschriften en veiligheidsmaatregelen. De multimeter is voorzien van een vouwbare stroomtang voor contactloze stroom- metingen (B). De sensoren in de stroomtang detecteren het magnetisch veld rond de geleiders waar een stroom doorheen loopt. Het meten van zowel geïsoleerde als ongeïsoleerde geleiders en rails is toegestaan. Let erop dat de stroomleider altijd gecentreerd door de stroomtang loopt (let op de pijlmarkeringen) en de tang altijd is gesloten. Aan het uiteinde van de tang bevindt zich een kabelscheider (A), waarmee gebun- delde kabels eenvoudig kunnen worden gesorteerd. Dit maakt het gemakkelijker om de gewenste stroomkabel op te nemen. Pak met de stroomtang altijd slechts één kabel vast. Als u de toevoer- en afvoerkabels (bijv. L en N) klemt, zullen de stromen elkaar compenseren en krijgt u geen meetresultaat. Als er meerdere externe geleiders worden gedetecteerd (bijv. L1 en L2), wordt de stoom opgeteld. Bij geringe stroom kan de geleider meer- voudig rond een poot van de stroomtang worden opgewikkeld, om de totale meet- stroom te vergroten. Deel vervolgens de gemeten stroomwaarde door het aantal wikkelingen rond de stroomtang. U krijgt dan de correcte stroomwaarde.150 Ga voor het meten van wisselstroom (A ) als volgt te werk:
Schakel de DMM met de draaiknop (F) in en kies de meetfunctie “A ” en het waarschijnlijke meetbereik (60 A/400 A). Op het display verschijnt “A” en het symbool AC voor wisselstroom.
De weergave wordt bij gesloten stroom- tang in wisselstroombereik automatisch op nul gezet. Als een naburig sterk mag- netisch veld de juiste werking van het dis- play verstoort, kunt u deze ongewenste displaywaarde compenseren met behulp van de REL functie (relatieve waardeme- ting).
Klem de te meten individuele geleider en sluit de tang opnieuw. Plaats de geleider in het midden van de twee driehoekige positiesymbolen op de tang.
De gemeten wisselstroom wordt weerge- geven op het display.
Verwijder na het afsluiten van de meting de stroomtang van het meetobject en schakel het product uit. Zet de draaiknop op “OFF”.151 Ga voor het meten van gelijkstroom (A ) als volgt te werk :
Schakel de DMM met de draaiknop (F) in en kies de meetfunctie “A ” en het waarschijnlijke meetbereik (40 A/400 A). Op het display verschijnt “A” en het sym- bool AC voor wisselstroom.
Druk op de knop “MODE” om naar het DC-meetbereik te schakelen. Op het dis- play verschijnt “DC”.
In het gelijkstroom-meetbereik wordt het display automatisch op nul inge- steld zodra de tang wordt gesloten. Als een naburig sterk magnetisch veld de juiste werking van het display verstoort, kunt u deze ongewenste displaywaarde compenseren met behulp van de “REL” functie (relatieve waardemeting).
Klem de te meten individuele geleider en sluit de tang opnieuw. Plaats de gelei- der in het midden van de twee driehoekige positiesymbolen op de tang. Let op de stroomrichting. De plusgeleider moet komend van de stroombron van voor naar achteren lopen.
De gemeten gelijkstroom wordt weergegeven op het display.
Als een negatieve stroom wordt aangegeven, is de polariteit van de geleider verwisseld of stroomt de stroom in de tegenovergestelde richting (bijv. in de zonne- of laadmodus).
Verwijder na het afsluiten van de meting de stroomtang van het meetobject en schakel het product uit. Zet de draaiknop op “OFF”.152
9.3 Spanningsmeting “V”
Voer de volgende procedure uit om wisselspanning “AC” (V ) te meten:
Zet de DMM aan en selecteer de meet- functie “V ”.
Verbind de beide meetpunten paral- lel met het meetobject (generator, netspanning enz.). Het spanningsbereik “V DC/AC” toont een ingangsweerstand van >10 MOhm.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.153 Voer de volgende procedure uit om gelijkspanning “DC” (V ) te meten:
Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “V ”.
Sluit nu de beide meetpunten parellel aan op het te meten object (batterij, schakeling enz.). De rode meetpunt staat voor de pluspool, de zwarte meet- punt staat voor de minpool.
Op het beeldscherm verschijnt de actue- le meetwaarde samen met de polariteit. Is er bij gelijkspanning voor de meetwaarde een “-”(min)-teken te zien, dan is de gemeten span- ning negatief (of de meetleidin- gen zijn verwisseld). Het spanningsbereik “V DC/AC” heeft een ingangsweerstand van >10 MOhm.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.154
9.4 Frequentiemeting en pulsduur
De DMM kan de frequentie van een signaalspanning van 5 Hz - 10 kHz meten en weergeven. Houd rekening voor de ingangswaarden in de technische gegevens. Voor het meten van frequenties gaat u als volgt te werk:
Zet de DMM aan en selecteer de meet- functie “Hz”. Op het display verschijnt “V ”.
Druk 1x op de knop “MODE”. Op het display verschijnt “Hz”
Sluit nu de beide meetpunten aan op het te meten object (signaalgenerator, schakeling enz.).
De frequentie wordt in de bijbehorende eenheid op het display weergegeven.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.155 Meting van de pulsduur in % De DMM kan de verhouding van de pulsduur de positieve halve golengte van een wisselspanning signaal in procent van de gehele periode weergeven. Voor het meten van de pulsduur in % gaat u als volgt te werk:
Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “%”. Op het display verschijnt “V
Druk 2x op de knop “MODE”. Op het display ver- schijnt “%”.
Sluit nu de beide meetpunten aan op het te me- ten object (signaalgenerator, schakeling enz.).
De pulsduur van de positieve halve golf wordt als een percentage weergegeven. Bij een symmetrisch signaal wordt 50% weergegeven.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.
9.5 Temperatuurmeting
Tijdens het meten van de temperatuur mag enkel de temperatuur- sensor worden blootgesteld aan de te meten temperatuur. Over- of onderschrijd de bedrijfstemperatuur van de DMM niet om foutieve metingen te vermijden. De contact-temperatuursensor mag alleen op spanningsvrije opper- vlakken worden gebruikt.
Om binnen het volledige temperatuurbereik te meten dat door dit product wordt ondersteund (-20 tot +760 °C), moet u een sensor aanschaffen die een groter meetbereik heeft.
De inbegrepen type-K sensoradapter ondersteunt een miniatuurstekker.
Alle type K-thermosensoren kunnen worden gebruikt voor het meten van tem- peraturen.
De temperatuur kan in °C of °F worden weergegeven.156 Voer volgende procedure uit om de temperatuur te meten:
Zet de DMM aan en selecteer de meet- functie “TEMP”. Op het display verschijnt °C.
De temperatuureenheid kan worden om- geschakeld door op de knop “MODE” te drukken.
Steek de temperatuursensor met de juis- te polariteit in de meegeleverde tempe- ratuur-meetadapter. De thermo-element stekker past alleen met de juiste polariteit in de meetadapter. Gebruik geen geweld bij het insteken.
Sluit de meetadapter met de juiste polari- teit met de pluspool in de Temp-meetbus (K) en met de minpool in de COM-meet- bus (I) aan.
Het display geeft de temperatuurwaarde weer.
Als het display “OL” weergeeft, werd het meetbereik overschreden of is de thermo- sensor defect.
Verwijder na het meten de sensor en schakel de DMM uit. Wordt er geen temperatuursensor wordt aangesloten, kan de omge- vingstemperatuur van de DMM door een kortsluitbrug via de beide meetbussen “COM” en “Temp” worden weergegeven. Omdat de sensor zich in het binnenste van de behuizing bevindt, reageert de weergave zeer traag op temperatuurschommelingen. Deze functie helpt u de juiste bedrijfstemperatuur na een opslag te controleren. Voor snelle metingen moet een externe sensor worden gebruikt.157
9.6 Meten van weerstand
Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. Ga als volgt te werk om weerstand te meten:
Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie “Ω”.
Controleer de meetkabels op geleiding door de twee meetpunten met elkaar te verbinden. Nu moet zich een weerstandswaarde van ca.
0 - 0,5 Ohm instellen (de eigen weerstand van
Voor metingen met een lage weerstand (<400 Ohm) drukt u op de knop “REL” om de eigen weerstand van de meetkabels niet mee te nemen in de volgende weerstandsmeting. Op het display verschijnt “REL” en het hoofddis- play toont 0 Ohm. Automatische bereikkeuze (AUTO) is gedeactiveerd. Voor alle andere metingen is de intrinsieke weerstand van de meetkabel te verwaarlozen. Deactiveer de referentiewaardemeting door nogmaals op de knop “REL” te drukken. De autorange-functie is weer actief
Verbind nu de beide meetpunten met het meetobject. Als het gemeten object niet hoogohmig is of wordt onderbroken, verschijnt de meetwaarde op het dis- play. Wacht totdat de waarde op het display zich heeft gestabiliseerd. In geval van een weerstand >1 MOhm kan dit enkele seconden duren.
Het meetbereik is overschreden of de stroomkring is onderbroken als het dis- play “OL” (voor overload) weergeeft.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.158 Bij het meten van weerstand moet u erop letten dat de meetpunten waar- mee de meetpennen in contact komen vrij zijn van vuil, olie, soldeerhars en dergelijke. Dergelijke omstandigheden kunnen het meetresultaat be- invloeden.
9.7 Continuïteitstest
Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn.
Zet de DMM aan en selecteer de meetfunctie . Op het display verschijnt het symbool voor de continuïteitstest en het symbool voor de eenheid “Ohm”. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt u door naar de volgende meetfunctie, etc.
Als continuïteit wordt een meetwaarde <50 Ohm herkend en u hoort een geluidssignaal. Het meetbereik loopt tot 400 Ohm.
Het meetbereik is overschreden of de stroom- kring is onderbroken als het display “OL” (voor overload) weergeeft.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.159
Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn.
Zet de DMM aan en selecteer de meet- functie . Druk 1x op de knop “MODE” om de meetfunctie om te schakelen. Op het display verschijnt het symbool voor de diodetest en het symbool voor de eenheid “V”. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt u door naar de volgende meet- functie, etc.
Controleer de meetkabels op geleiding door de twee meetpunten met elkaar te verbinden. Vervolgens moet zich een meet- waarde van ca. 0,000 V instellen.
Sluit de beide meetpunten aan op het mee- tobject (diode).
Het display toont de doorlaatspanning “UF” in Volt (V). Als het display “OL” weergeeft, wordt de diode in de omgekeerde richting (UR) gemeten of is de diode defect (onderbroken). Voer ter controle nog een meting met omgekeerde polen uit.
Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.160
9.9 Capaciteitsmeting
Controleer dat er op alle te meten schakelonderdelen, schakelingen en bouwelementen evenals andere meetobjecten absoluut geen spanning staat en deze ontladen zijn. Houd bij elektrolytische con- densatoren absoluut rekening met de juiste polariteit.
Zet de DMM aan en selecteer de meetfunc- tie “CAP”.
Druk 2x op de knop “MODE” om de meet- functie om te schakelen. Op de display ver- schijnt de eenheid “nF”. Door nogmaals op de knop te drukken schakelt u door naar de volgende meetfunctie, etc.
Steek de rode meetkabel in de V-meet- bus (K) en de zwarte meetkabel in de COM-meetbus (I). Omwille van de hoge gevoeligheid van de meetingang, kan het in ge- val van “open” meetkabels enige tijd duren voordat de waarde op het display verschijnt. Door op de knop “REL” te drukken, wordt het display gereset op “0”. De REL-functie is enkel van nut bij lage capaciteits- waarden.
Verbind vervolgens beide meetpunten (rood = positieve pool / zwart = negatieve pool) met het meetobject (condensator). Het display geeft na een korte periode de capaciteit weer. Wacht totdat de waarde op het display zich heeft gestabili- seerd. Bij capaciteiten >40 µF kan dit enkele seconden duren. – Zodra “OL” (voor overload) wordt weergegeven op het display, heeft u het meetbereik overschreden. – Verwijder na het meten de meetkabels van het te meten object en zet de DMM uit.161
9.10 Contactloze wisselspanningsdetectie “NCV”
De spanningsdectector is alleen bedoeld voor snelle tests en ver- vangt in geen geval een tweepolige spanningscontrole met contact. Deze methode is niet toegestaan voor de controle van spannings- vrijheid om werkzaamheden uit te voeren. Door de NCV-functie (Non Contact Voltage detection) wordt contactloos de aanwe- zigheid van wisselspanning op kabels vastgesteld. De NCV-sensor (A) is aange- bracht aan de punt van de stroomtang.
Zet de DMM aan. De “NCV”-functie is actief zodra de DMM is ingeschakeld.
Breng de NCV-sensor zo dicht mogelijk in de buurt van een elektrische geleider.
Als wisselspanning wordt ontdekt, gaat de rode NCV- led (D) aan.
Omwille van de hoge gevoe- ligheid van de NCV-sensor, kan in geval van statische ladingen de led branden. Dit is normaal en geen defect. Test de NCV-functie altijd eerst op een bekende AC-span- ningsbron om fou- tieve detecties te voorkomen. Bij een foutieve detectie bestaat het risico op een elektrische schok. Bij veel ka- bels zijn de binnenste geleiders gedraaid. Verplaats daarom de sensor een paar centimeter langs de kabel om alle posities van de binnenste geleiders te detecteren.162 10 Extra functies Met de volgende aanvullende functies kunnen speciale meetfuncties worden ge- bruikt.
10.1 Automatische uitschakeling
De DMM schakelt zich na ongeveer 15 minuten automatisch uit, als er geen knop of draaiknop wordt bediend. Deze functie beschermt en ontziet de batterijen en verlengt de gebruiksduur. Ongeveer één minuut voor de uitschakeling hoort u vijf keer een geluidssignaal. Door op een willekeurige knop te drukken, kan het uitschakelen nog eens 15 minu- ten worden uitgesteld. Als er geen knop wordt ingedrukt, wordt het apparaat uitgeschakeld met een lang geluidssignaal. Om de DMM weer aan te zetten nadat het zichzelf heeft uitgeschakeld, drukt u op een willekeurige knop. Door de draaiknop via de “OFF”-positie wordt het meetap- paraat ook opnieuw geactiveerd. Het hernieuwd inschakelen duurt ongeveer 1 à 2 seconden. De actieve automatische uitschakeling wordt op het display weergegeven met dit symbool “ ” weergegeven. Automatische uitschakeling deactiveren Voor continue metingen is het noodzakelijk om de automatische uitschakeling te deactiveren. Schakel het meetapparaat uit om de functie te deactiveren. Houd de knop “MODE” ingedrukt en schakel het meetapparaat met behulp van de draaiknop in. Bij het inschakelen hoort u drie keer een geluidssignaal en het sym- bool voor de automatische uitschakeling wordt niet meer weergegeven. Het meetapparaat blijft zolang ingeschakeld tot het weer handmatig wordt uitge- schakeld of de batterijen leeg zijn. Na het uitschakelen wordt de automatische uit- schakeling weer geactiveerd.163
De HOLD-functie houdt de momenteel weergegeven meetwaarde op het display vast, om deze in alle rust te kunnen lezen en opschrijven. Controleer bij de controle van spanningvoerende leidingen of deze functie aan het begin van de test is uitgeschakeld. Dit zou anders tot verkeerde metingen kunnen leiden! Druk op de zijdelingse HOLD-knop (L) om de HOLD-functie te activeren; u hoort een geluidssignaal ter bevestiging van deze actie en het display toont “HOLD”. Om de HOLD-functie uit te schakelen, druk nogmaals op de HOLD-knop of veran- dert u de meetfunctie.
De RANGE-knop maakt het omschakelen van de standaardinstelling automatische bereikskeuze (AUTO) naar de manuele bereikskeuze mogelijk. Dit is nodig als de automatische bereikselectie niet de gewenste resolutie vertegenwoordigt of vaak schakelt tussen twee meetwaarde-resoluties in het meetbereik. Met elke keer drukken schakelt een meetbereik hoger en begint bij het einde weer met het kleinste meetbereik. Handmatige bereikselectie kan worden gedeactiveerd door lang op de knop “RAN- GE” (> 1s) te drukken. Auto Range (AUTO) is weer actief. De handmatige bereik- keuze is actief wanneer het symbool “AUTO” niet wordt weergegeven.
De REL-functie maakt een referentiewaarde mogelijk, om eventueel prestatieverlies zoals bijvoorbeeld bij weerstandsmetingen te vermijden. De actueel weergegeven waarde wordt daarbij op nul gezet. Er is nu een nieuwe referentiewaarde ingesteld. Druk op de “REL”-knop om deze meetfunctie te activeren en de referentiewaarde op te slaan. Op het display verschijnt het symbool “REL”. Het display is op nul terugge- zet en de automatische bereikkeuze is gedeactiveerd. Om deze functie uit te schakelen, druk nogmaals op de “REL”-knop of verandert u de meetfunctie. De REL-functie is niet actief in de meetbereiken continuïteitstest, diodetest, frequentie en pulsverhouding.164
Bij ingeschakelde DMM kan via de zijdelingse verlichtingsknop (L) de led-werklamp worden in- en uitgeschakeld. Voor het in- en uitschakelen houdt u de knop ongeveer 2 seconden ingedrukt. De verlichting blijft aan totdat de functie wordt uitgeschakeld met behulp van de verlichtingsknop (L), de draaiknop (positie “OFF”) of automati- sche uitschakeling worden gedeactiveerd.
10.6 LPF-functie(laagdoorlaalter)
De LPF-functie maakt in deze meetfunctie V-AC het onderdrukken van ongewenste meetsignalen boven de 160 Hz mogelijk. De signalen worden met ca. -24 dB/octa- ven gedeselecteerd.
Houd “LPF” ingedrukt (2 s). De invoer wordt met een pieptoon bevestigd. Op het scherm wordt het symbool “LPF” samen met stroomtype “AC” weer- gegeven.
Sluit de stroomtangen aan het te meten voorwerp aan.
De meetwaarde wordt op het scherm weergegeven.
Houd “LPF” ingedrukt (2 s) om naar de normale meetfunctie terug te keren. De LPF lunatie is alleen beschikbaar bij AC volumemeting. LPF165
In Inrush-functie maak in de meetfunctie A-AC het bepalen van aaloopstromen bin- nen de 100 ms (milliseconden) mogelijk. De meting gebeurt in het meetbereik 300 A met een triggerstroom van 5 A.
Houd de toets “Inrush” gedurende 2 seconden inge- drukt. De invoer wordt met een pieptoon bevestigd. – Op het scherm wordt het symbool “INRUSH” sa- men met stroomtype “AC” weergegeven. – Vier streepjes verwijzen naar het feit dat het toe- stel gereed is om te meten.
Sluit de stroomtangen aan het te meten voorwerp aan.
Schakel het te meten voorwerp in. Van zodra de triggerstroom van 5 A werd onderschreden, volgt de weergave van de aanloopstroom. De meetwaarde blijft op het scherm staan.
Houd “Inrush” ingedrukt (2 s) om naar de normale meetfunctie terug te keren. De Inrush-functie is alleen in het AC-stroommeetbereik mogelijk. De Hold-functie is bij een actieve Inrush-functie niet beschikbaar. INRUSH166 11 Reiniging en onderhoud
Om de nauwkeurigheid van de multimeter gedurende een lange periode te garande- ren, moet deze eenmaal per jaar worden gekalibreerd. Het product is, behalve een regelmatige reiniging en het vervangen van de batte- rijen, onderhoudsvrij. Voor instructies over hoe de batterijen te vervangen, zie hieronder. Controleer regelmatig de technische veiligheid van het apparaat en de meetkabels op bijv. beschadigingen van de behuizing of beknel- ling etc.
Voordat u het apparaat reinigt, dient u per sé de volgende veiligheidsinstructies in acht te nemen: Bij het openen van afdekkingen of het verwijderen van onderdelen, behalve als dit met de hand mogelijk is, kunnen onder spanning staande delen bereikbaar worden. Voor een reiniging of reparatie moeten de aangesloten kabels van de meetapparatuur en van alle meetobjecten worden gescheiden. Zet de DMM uit. Gebruik voor de reiniging geen schurende reinigingsmiddelen, benzine, alcohol of dergelijke. Daardoor wordt het oppervlak van het meetapparaat aangetast. De dam- pen zijn bovendien schadelijk voor de gezondheid en explosief. Gebruik voor de rei- niging ook geen scherp gereedschap zoals schroevendraaiers of staalborstels e.d. Gebruik voor de reiniging van het apparaat, het display en de meetkabels een scho- ne, pluisvrije, antistatische en enigszins vochtige doek. Laat het apparaat compleet drogen, voordat u het voor de volgende meting gebruikt.167
11.3 Plaatsen en vervangen van de batterijen
Het meetapparaat werkt op drie 1,5 V microbatterijen (bijv. AAA of LR03). Bij de eerste ingebruikname of wanneer het symbool voor vervanging van de batterij op het display verschijnt, moeten er drie nieuwe, volle batterijen worden geplaatst. Ga voor het plaatsen of vervangen van de batterij als volgt te werk:
Ontkoppel de aangesloten meetkabels van de te meten stroomkring en uw meetappa- raat. Koppel het meetapparaat los van alle meetvoorwerpen. Zet de DMM uit.
Draai de schroef van het batterijvakdeksel (M) aan de achterkant van het apparaat los met behulp van een geschikte kruis- kopschroevendraaier. De schroef kan niet volledig worden verwijderd. Verwijder het batterijvakdeksel van het apparaat.
Vervang alle gebruikte batterijen door nieu- we batterijen van hetzelfde type. Plaats de nieuwe batterijen met de juiste polariteit in het batterijvak. Let op de polariteitsaandui- ding in het batterijvak.
Sluit de behuizing weer zorgvuldig.168 Gebruik het meetapparaat in geen geval in geopende toestand. !LE- VENSGEVAAR! Laat geen lege batterijen in het meetapparaat zitten. Zelfs lekbesten- dige batterijen kunnen gaan roesten, waardoor er chemicaliën uit kunnen lekken die schadelijk zijn voor de gezondheid en het appa- raat kunnen beschadigen. Laat batterijen niet achteloos rondslingeren. Deze kunnen door kin- deren of huisdieren worden ingeslikt. Raadpleeg onmiddellijk een arts als er een batterij is ingeslikt. Haal om lekkage te voorkomen de batterijen uit het apparaat wan- neer het langere tijd niet wordt gebruikt. Lekkende of beschadigde batterijen kunnen chemische brandwon- den veroorzaken als deze met uw huid in aanraking komen. Draag daarom geschikte handschoenen als u dergelijke batterijen aan- raakt. Zorg ervoor dat batterijen niet worden kortgesloten. Gooi batterijen niet in het vuur. Normale batterijen mogen niet opgeladen of uit elkaar gehaald wor- den. Er bestaat brand- of explosiegevaar. Gebruik alleen alkalinebatterijen omdat deze krachtig zijn en lang mee- gaan.169 12 Afvoer
Alle elektrische en elektronische apparatuur die op de Europese markt wordt gebracht, moet met dit symbool zijn gemarkeerd. Dit symbool geeft aan dat dit apparaat aan het einde van zijn levensduur gescheiden van het ongesorteerd gemeentelijk afval moet worden weggegooid. Iedere bezitter van oude apparaten is verplicht om oude apparaten ge- scheiden van het ongesorteerd gemeentelijk afval af te voeren. Eind- gebruikers zijn verplicht oude batterijen en accu's die niet bij het oude apparaat zijn ingesloten, evenals lampen die op een niet-destructieve manier uit het oude toestel kunnen worden verwijderd, van het oude toe- stel te scheiden alvorens ze in te leveren bij een inzamelpunt. Distributeurs van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk verplicht om oude apparatuur gratis terug te nemen. Conrad geeft u de volgende gratis inlever- mogelijkheden (meer informatie op onze website):
in de door Conrad gemaakte inzamelpunten
in de inzamelpunten van de openbare afvalverwerkingsbedrijven of bij de te- rugnamesystemen die zijn ingericht door fabrikanten en distributeurs in de zin van de ElektroG Voor het verwijderen van persoonsgegevens op het te verwijderen oude apparaat is de eindgebruiker verantwoordelijk. Houd er rekening mee dat in landen buiten Duitsland andere verplichtingen kunnen gelden voor het inleveren van oude apparaten en het recyclen van oude apparaten.170
12.2 Batterijen/accu’s
Verwijder eventueel geplaatste batterijen/accu‘s en gooi ze apart van het product weg. U als eindgebruiker bent wettelijk verplicht (batterijverordening) om alle ge- bruikte batterijen/accu‘s in te leveren; het weggooien bij het huisvuil is verboden. Batterijen/accu’s die schadelijke stoffen bevatten, zijn gemar- keerd met nevenstaand symbool. Deze mogen niet via het huisvuil worden afgevoerd. De aanduidingen voor de zwa- re metalen die het betreft zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood (de aanduiding staat op de batterijen/accu’s, bijv. onder de links afgebeelde vuilnisbaksymbool). U kunt verbruikte batterijen/accu’s gratis bij de verzamelpunten van uw gemeente, onze lialen of overal waar batterijen/accu’s worden verkocht, afgeven. U voldoet daarmee aan de wettelijke verplichtingen en draagt bij aan de bescherming van het milieu. Dek blootliggende contacten van batterijen/accu‘s volledig met een stukje plakband af alvorens ze weg te werpen, om kortsluiting te voorkomen. Zelfs als batterijen/ accu‘s leeg zijn, kan de rest-energie die zij bevatten gevaarlijk zijn in geval van kortsluiting (barsten, sterke verhitting, brand, explosie).171 13 Verhelpen van storingen U hebt met deze DMM een product aangeschaft dat volgens de laatste stand der techniek is ontwikkeld en veilig is in het gebruik. Er kunnen zich echter problemen of storingen voordoen. Raadpleeg daarom de volgende informatie over de manier waarop u eventuele pro- blemen zelf gemakkelijk kunt oplossen: Neem absoluut de veiligheidsinstructies in acht! Storing Mogelijke oorzaak Mogelijke oplossing De multimeter functioneert niet Zijn de batterijen leeg? Controleer de batterijsta- tus. Batterij vervangen. Geen verandering van meetwaarde Is er een verkeerde meet- functie ingesteld (AC/DC)? Controleer het display (AC/DC) en schakel zo nodig om naar een andere functie. Zijn de meetkabels juist met de meetaansluitingen verbonden? Controleer de positie van de meetkabels Is de HOLD-functie geacti- veerd (display “HOLD”) Druk op de knop “HOLD” om deze functie te deactiveren. Andere reparaties dan hierboven beschreven, mogen uitsluitend door een erkend vakman worden uitgevoerd. Aarzel niet om contact op te nemen met onze technische dienst als u vragen hebt over de werking van de multimeter.172 14 Technische gegevens Aanduiding .......................................6000 counts (cijfers) Meetsnelheid ................................... ca. 3 metingen/seconde Meetmethode V/AC, A/AC ............... TrueRMS (echte effectieve waarderegistratie) Lengte meetkabels .......................... elk ca. 90 cm Meetimpedantie ...............................>10 MΩ (V-bereik) Opening van de stroomtang ............ max. 32 mm Meetbusafstand ...............................19 mm Automatische uitschakeling .............15 minuten, deactiveerbaar Voedingsspanning ........................... 3 microbatterijen (1,5 V, AAA of LR03) Stroomverbruik ................................ nominaal ca. 30 mA, max. 70 mA (continuïteitstest/led-werklamp) stand-by (automatische uitschakeling) ca. 5
Werkomstandigheden ...................... +5 tot +31 °C (<80%relatieve luchtvochtigheid) > +31 tot +40 °C (80%relatieve luchtvoch- tigheid lineair dalend tot <50% relatieve luchtvochtigheid) Gebruikshoogte ............................... max. 2000 m Opslagcondities ............................... -20 °C tot +60 °C, max. 80% relatieve lucht- vochtigheid Gewicht ............................................ca. 270 g Afmetingen (l x b x h) .......................209 x 70 x 35 (mm) Meetcategorie ..................................CAT III 600 V Verontreinigingsgraad .....................2 Veiligheid conform ........................... EN61010-1, EN61010-2-032, EN61010-2-033173 Meettolerantie Opgave van de nauwkeurigheid in ± (% van de aezing + weergavefout in counts (= aantal kleinste meetstappen)). De nauwkeurigheid geldt 1 jaar lang bij een tempera- tuur van +23 °C (±5 °C), bij een rel. luchtvochtigheid van minder dan 75%, niet con- denserend. Temperatuurcoëfciënt: +0,1x (gespeciceerde nauwkeurigheid)/1 °C. De meting kan worden beïnvloed als het apparaat binnen een hoogfrequente elek- tromagnetische veldsterkte wordt gebruikt. Wisselstroom Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 60,00 A 0,01 A ±(2% + 17) 400,0 A 0,1 A ±(2,8% + 8) Frequentiebereik 50 - 60 Hz; overbelastingsbeveiliging 600 V, 400 A *Meetpositiefout: Nauwkeurigheidsafwijking bij een niet gecentreerde meetpo- sitie: ±1% TrueRMS crest-factor (crest factor (CF)) voor niet-sinusvormige signalen : max. 3,0 CF >1,4 - 2,0 + 1% CF >2,0 - 2,5 + 2,5% CF >2,5 - 3,0 + 4% Gelijkstroom Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 60,00 A 0,01 A ±(2,8% + 12) 400,0 A 0,1 A ±(2,8% + 8) Beveiliging tegen overbelasting 600 V, 400 A *Meetpositiefout: Nauwkeurigheidsafwijking bij een niet gecentreerde meetpo- sitie: ±1%174 Wisselspanning Bereik Resolutie Nauwkeurigheid* 6,000 V 0,001 V ±(1,5% + 7)60,00 V 0,01 V 600,0 V 0,1 V Frequentiebereik 50 - 100 Hz; overbelastingsbeveiliging 600 V; impedantie: 10
Notice-Facile