MC 50 Advanced Comfort - Veegmachine Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis MC 50 Advanced Comfort Kärcher in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over MC 50 Advanced Comfort Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Veegmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MC 50 Advanced Comfort - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MC 50 Advanced Comfort van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING MC 50 Advanced Comfort Kärcher
2 Informatie over het voertuig 2
2.1 Reglementair gebruik 2
2.2 Zwaartepunt MC 50 (met veeg-/zuigsysteem) 2
2.3 Zwaartepunt MC 50 (zonder aanbouwap- paraten) 2
2.4 Functie van de veegmachine 2
3 Algemene aanwijzingen 3
3.1 Milieubescherming, REACH en afdanking van het oude voertuig 3
3.2 Garantie 3
3.3 Toebehoren, reserveonderdelen, aanbouwsets 3
3.4 Symbolen in de gebruiksaanwijzing 3
3.5 Symbolen op het apparaat 3
4 Veiligheidsinstructies 4
4.1 Algemene veiligheidsinstructies 4
4.2 Werkkleding 4
4.3 Instructies inzake uitladen 4
4.4 Veiligheidsinstructies voor de bediening 4
4.5 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus 4
4.6 Veiligheidsinstructies voor de verbrandingsmotor 5
4.7 Veiligheidsinstructies over het transport van het apparaat 5
4.8 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud 5
4.9 Veiligheidsinrichtingen 5
5 Bedieningselementen 6
5.1 Overzicht MC 50 6
5.2 Ventilatie / airconditioning (optie) 6
5.3 Stuurkolom 7
5.4 Pedalen 7
5.5 Oplooprem (optie) 7
5.6 Plafondconsole 7
5.7 Deurkruk 8
5.8 Veeggoedreservoir (veegmachine) 8
5.9 Aansluitingen 8
5.10 Console MC 50 10
5.11 Werking joystick 11
6 Voor de inbedrijfstelling 11
6.1 Vóór eerste inbedrijfstelling 11
6.2 Tanken 11
6.3 Ruitensproei-inrichting vullen 12
6.4 Waterreservoir vullen (bij veegmachine) 12
6.5 Chauffeursstoel instellen 12
6.6 Stuurwielstand instellen 12
6.7 Vóór de start/veiligheidscontrole 13
6.8 Dagelijkse onderhoudswerkzaamheden 13
7 Werking 13
7.1 Rijden 13
7.2 Bij veegbedrijf 14
7.3 Indompeldiepte bezem beperken 14
7.4 Veeggoedcontainer leegmaken 14
7.5 Apparaat uitzetten 15
7.6 Vorstbescherming 15
7.7 Transport 15
7.8 Vuilreservoir/waterreservoir wegnemen 16
7.9 Veegwerk wegnemen 17
8 Aanbouwapparaat 18
8.1 Onkruidborstel 18
9 Opslag 20
10 Onderhoud 20
10.1 Algemene aanwijzingen 20
10.2 Bekledingen 20
10.3 Reiniging 21
10.4 Onderhoudsintervallen 22
10.5 Onderhoudswerkzaamheden 23
10.6 Zekeringen 32
11 Hulp bij storingen 33
11.1 Storingen met weergave 33
11.2 Storingen zonder indicatie 33
11.3 Wegslepen 34
13 EU-conformiteitsverklaring 36

Lees vóór het eerste gebruik van uw voertuig deze originele gebruiksaanwijzing, ga nave- nant te werk en bewaar ze voor later gebruik of nieuwe eigenaars.
2 Informatie over het voertuig
De MC 50 is een veegmachine met een veeg-/zuigsysteem. Daarnaast of in plaats daarvan kunnen nog andere aanbouwapparaten (niet meegeleverd) worden aangebracht.
Gebruik dit apparaat uitsluitend volgens de gegevens in deze gebruiksaanwijzing.
- De veegmachine is bestemd voor het vegen van vervuilde oppervlakken buiten.
- Het apparaat mag niet in gesloten ruimtes gebruikt worden.
- Het apparaat is niet geschikt voor het opzuigen van gezondheidsschadelijke stoffen.
- Er mogen aan het apparaat geen wijzigingen worden aangebracht.
- Het apparaat is alleen geschikt voor het/de in de gebruiks-aanwijzing genoemde wegdek/ondergrond.
- Er mag alleen gereden worden op de door de onderne- mer of diens gemachtigde voor het machinegebruik vrij- gegeven oppervlakken.
- Over het algemeen geldt: Licht ontvlambare stoffen uit de buurt van het apparaat houden (explosie-/brandgevaar).
2.1.1 Voorzienbaar verkeerd gebruik
- Nooit explosieve vloeistoffen, brandbare gassen of onverdunde zuren en oplosmiddelen opvegen/opzuigen! Daartoe behoren benzine, verfverdunner of stookolie die door verwerveling met de zuiglucht explosieve dampen of mengsels kunnen vormen, verder aceton, onverdunde zuren en oplosmiddelen omdat zij op het apparaat gebruikte materialen aantasten.
- Nooit reactieve metaalstoffen (bijv. aluminium, magnesium, zink) opvegen/opzuigen, ze vormen in verbinding met sterk alkalische of zure reinigingsmiddelen explosieve gassen.
- Geen brandbare of glimmende voorwerpen opvegen/opzuigen.
- Het verblijf in de gevarenzone is verboden. Niet gebruiken in ruimtes met ontploffingsgevaar.
2.1.2 Geschikte ondergronden voor het vegen
Asfalt
■ Industrievloer
■ Estrik
■ Beton
■ Klinkers
2.2 Zwaartepunt MC 50 (met veeg-/zuigsysteem)

text_image
KÜRCHER 1100 mm 360 mmPositie zwaartepunt bij volledig geladen apparaat.
2.3 Zwaartepunt MC 50 (zonder aanbouwapparaten)

text_image
625 mm 800 mmPositie zwaartepunt zonder gemonteerde aanbouwtoe- stellen.
→ Opstellingen aan de achterkant van het voertuig en de laadtoestand beïnvloeden het zwaartepunt van het voertuig en dus ook het rijgedrag.
→ Wanneer aan de achterzijde van het apparaat geen werkinstallatie is bevestigd, moet het compenserende gewicht zeker aan de achterzijde aangebracht zijn.
2.4 Functie van de veegmachine

- Het ontstane stof wordt door sproeiwater gebonden.
- De zijbezems brengen het keergoed tot voor de zuigmond.
- De zuigturbine creëert onderdruk en zuigt het keergoed in het veeggoedreservoir.
3 Algemene aanwijzingen
Als u bij het uitpakken transportschade constateert, neem dan contact op met uw distributeur.
- Gebruiksaanwijzing en veiligheidsinstructies van de op het apparaat aangebrachten werkinstallaties lezen en in acht nemen.
- De op het apparaat aangebrachte waarschuwings- en aanwijzingsborden geven aanwijzingen voor gebruik zonder gevaar.
- Naast de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzingen moeten de algemene veiligheidsvoorschriften en voorschriften ter vermijding van ongevallen van de wetgever in acht genomen worden.
3.1 Milieubescherming, REACH en afdanking van het oude voertuig
3.1.1 Milieubescherming

Het verpakkingsmateriaal is herbruikbaar. Deponeer het verpakkingsmateriaal niet bij het huis-houdelijk afval, maar bied het aan voor hergebruik.

Batterijen, olie, brandstof en gelijkardige stoffen mogen niet in het milieu terechtkomen. Die stoffen moeten via geschikte inzamelsystemen afgevoerd worden.
3.1.2 Stoffen (REACH)
Actuele informatie over stoffen vindt u onder:
3.1.3 Afdanking van het oude voertuig
Oude voertuigen bevatten waardevolle recyclebare materialen die moeten worden hergebruikt. Wij adviseren om bij de afdanking van uw voertuig samen te werken met een gespecialiseerd afvalverwerkingsbedrijf.
3.2 Garantie
In elk land gelden de door onze bevoegde verkoopmaatschappij uitgegeven garantievoorwaarden. Eventuele storingen aan de accessoires herstellen wij binnen de garantieperiode kostenlos voor zover een materiaal- of productiefout de oorzaak is. Voor garantieaanspraken wendt u zich met uw aankoopbewijs tot uw handelaar of de dichtstbijzijnde, bevoegde klantendienst.
3.3 Toebehoren, reserveonderdelen, aanbouwsets
Er mogen enkel toebehoren, reserveonderdelen en aanbouwsets gebruikt worden die door de fabrikant zijn vrijge- geven.
Om risico 's te vermijden, mogen reparaties en het vervangen van onderdelen aan het apparaat alleen worden uitgevoerd door een erkende klantendienst.
Verdere informatie over reserveonderdelen vindt u op www.kaercher.com bij Service.
3.4 Symbolen in de gebruiksaanwijzing
⚠ GEVAAR
Waarschuwt voor een direct dreigend gevaar, dat tot ernstige lichamelijke letsels of de dood leidt.
⚠ WAARSCHUWING
Waarschuwt voor een mogelijk gevaarlijke situatie, die tot ernstige lichamelijke letsels of de dood zou kunnen leiden.
VOORZICHTIG
Verwijzing naar een mogelijk gevaarlijke situatie, die tot lichte letsels of materiële schades kan leiden.
3.5 Symbolen op het apparaat

VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken! Laat de uitlaatinstallatie voldoende afkoelen voordat u aan het apparaat begint te werken.

VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar door eventueel hete hydraulische snelkoppelingen. Om de verbindingen te scheiden, moeten handschoenen gedragen worden.


⚠ GEVAAR
Gevaar voor kneuzing. Erop letten dat er zich tijdens het bedrijf niemand in de buurt van het knikgewricht bevindt.

⚠ WAARSCHUWING
Gevaar voor kneuzing. Handen uit de buurt houden van de gemarkeerde plaats.


VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar. Niet betreden.

⚠ GEVAAR
Gevaar voor kantelen. Enkel terreinen berijden met een max. zijdelingse helling van 10%.

Vul hier koelmiddel.

⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar door ongepland zakkend veeggoedreservoir. Werkzaamheden aan de turbine enkel uitvoeren bij een volledig opgetild veeggoedreservoir.
![]() | WAARSCHUWING Verwondingsgevaar door roterende bezems. Afstand houden. |
![]() | Losgekoppelde veegeenheid hier vasthouden om ze op te tillen. |
![]() | GEVAAR Ongevalgevaar! Bij het leegmaken van het veeggoedreservoir de parkeerrem activeren. |
![]() | GEVAAR Gevaar voor kantelen! Veeggoedreservoir en-kel leegmaken wanneer het apparaat op een effen en stevige ondergrond staat. |
![]() | GEVAAR Verwondingsgevaar. Veeggoedreservoir niet optillen wanneer zich personen achter het apparaat bevinden. |
![]() | GEVAAR Verwondingsgevaar. Zuigeenheid enkel van het apparaat scheiden bij een neergelaten veeggoedreservoir. |
![]() | GEVAAR Ongevalgevaar. Niet rijden met een opgetild veeggoedreservoir. |
![]() | GEVAAR Brandgevaar. Geen brandende voorwerpen opvegen en opzuigen. |
4 Veiligheidsinstructies
4.1 Algemene veiligheidsinstructies
- Het apparaat met de werkinstallaties moet voor gebruik gecontroleerd worden op deugdelijkheid en bedrijfsveiligheid. Indien zij niet in goede staat verkeren, mag u de apparatuur niet gebruiken.
- Bij gebruik van het apparaat in gevaarlijke omgevingen (bijvoorbeeld tankstations) moeten de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften in acht genomen worden. Niet gebruiken in ruimtes met ontploffingsgevaar.
4.2 Werkkleding
- Werkzaamheden aan het apparaat altijd met geschikte handschoenen uitvoeren.
- Let op nauw aansluitende kledij van het bedieningspersoneel. Draag veiligheidsschoenen en vermijd loshangende kledij.
- Draag geschikte hoofdbedekking zodat staarten of lange haren niet kunnen worden gegrepen door roterende onderdelen.
– Draag tijdens het werk geen juwelen, ringen e.d.
4.3 Instructies inzake uitladen
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar, beschadigingsgevaar!
Gewicht van het apparaat bij het verladen in acht nemen!
Leeggewicht (zonder aanbouwsets) 1150 kg*
* Indien aanbouwsets gemonteerd zijn, is dat gewicht overeenkomstig hoger.
GEVAAR
Het voertuig is niet toegelaten voor kraanbelading.
Gebruik geen vorkheftruck, het apparaat zou beschadigd kunnen worden.
4.4 Veiligheidsinstructies voor de bediening
- Degene die het apparaat bedient dient het te gebruiken volgens de voorschriften. Deze dient rekening te houden met de plaatselijke omstandigheden en bij het werken met het apparaat te letten op derden, speciaal op kinderen.
- Het apparaat mag nooit onbeheerd worden achtergelaten zolang de motor nog draait. De bediener mag het apparaat pas verlaten, als de motor is uitgezet, het apparaat tegen onbedoelde bewegingen is afgeschermd, eventueel de handrem is aangetrokken en de contactsleutel uit het contact is gehaald.
- Het apparaat mag alleen door personen worden gebruikt die voor de omgang ermee zijn opgeleid of hun vaardigheden in het bedienen hebben aangetoond en uitdrukkelijk de opdracht hebben gekregen voor het gebruik.
- Kinderen of niet-geïinstrueerd personeel mogen het apparaat niet gebruiken.
- Het apparaat mag gebruikt worden door personen met beperkte fysische, zintuigelijke of mentale capaciteiten of gebrek aan ervaring en kennis, op voorwaarde dat ze onder toezicht staan of over het veilige gebruik van het apparaat werden ingelicht en de daaruit resulterende gevaren begrijpen.
- Over kinderen dient toezicht te worden gehouden, om te waarborgen dat ze niet met het apparaat spelen.
- Kap niet openen bij een lopende motor.
4.5 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus
- De voor motorrijtuigen voorgeschreven maatregelen, regels en verordeningen dienen altijd te worden opgevolgd.
- Het apparaat mag niet worden gebruikt door kinderen of jongeren.
- Het meenemen van begeleidende personen is niet toegestaan.
- Om onbevoegd gebruik van het apparaat te voorkomen, dient men de contactsleutel te verwijderen.
- Ongevalgevaar door verminderd remvermogen. Geen voetmat in de bestuurderscabine leggen. In de bestuurderscabine mogen zich geen losse voorwerpen bevinden die onder het gaspedaal kunnen schuiven.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
Voor elk gebruik moet de veiligheidscontrole in het hoofdstuk „Inbedrijfstelling“ uitgevoerd worden.
- Alle bedieningshendels en schakelaars moeten voor het starten van de motor in de neutrale stand staan. De bestuurder moet bij het starten op de bestuurdersstoel zitten. Het rijpedaal mag tijdens de startprocedure niet gebruikt worden.
– Draag tijdens ritten en bij het werk een veiligheidsgordel. - Het voertuig mag enkel vanop de bestuurdersstoel in beweging gezet worden.
- Bij transportritten moet het frontrek maximaal omhooggeheven en geblokkeerd worden, daarvoor hendel helemaal naar boven trekken.
- Bijzondere voorzichtigheid betrachten bij werken aan hellingen en greppels.
⚠ GEVAAR
Kantelgevaar!
Een voertuig met knikbesturing gedraagt zich bij draaibewegingen aanzienlijk anders dan een auto.
→ Berijd in rijrichting enkel stijgingen en dalingen tot 25%.
→ Vermijd abrupte draaibewegingen.
→ In bochten langzaam rijden.
→ Kantelgevaar bij onstabiele ondergrond.
→ Kantelgevaar bij de zijwaartse hellingen.
Gevaar voor kantelen. Enkel terreinen berijden met een max. zijdelingse helling van 10%.
→ Vermijd het plots nemen van bochten tijdens het bergop of bergaf rijden en zijwaarts rijden op hellingen.
→ Let op het zwaartepunt dat zich afhankelijk van de opstelling en het vulniveau van het vuilreservoir verplaatst.
→ Pas de rijsnelheid bij voorwaarts rijden en het nemen van bochten aan de omgevingsomstandigheden en de laadtoestand aan.
→ Let erop dat het remgedrag tijdens het rijden en transport afwijkend is!
4.5.1 Banden en bandendruk
- Vooraleer u de vuldruk van de banden corrigeert, moet gecontroleerd worden of de drukverlager aan de compressor juist is ingesteld.
- Maximum vuldruk van de banden niet overschrijden. De toegelaten vuldruk van de banden moet aan de band en eventueel aan de veld afgelezen worden. Bij verschillende waarden moet de kleinst waarde in acht genomen worden.
- Informatie over de banden en de aanbevolen bandendruk vindt u in het hoofdstuk "Technische gegevens | Banden". Bovendien is er een sticker in de bestuurderscabine waarop de aanbevolen bandendruk wordt vermeld.
4.6 Veiligheidsinstructies voor de verbrandingsmotor
- Voor de inbedrijfstelling de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant lezen en in het bijzonder de veiligheids-instructies in acht nemen.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
- De uitlaat mag niet geblokkeerd worden.
- Niet over de uitlaat buigen of deze aanraken (verbrandingsgevaar).
- Raak de verbrandingsmotor niet aan of neem hem niet vast (verbrandingsgevaar).
- Verbrandingsgevaar. Vooraleer de bekledingen worden weggenomen, het apparaat laten afkoelen.
-
Gevaar voor brandwonden! Nooit het afsluitdeksel van de koeler bij bedrijfstemperatuur openen. Het reservoir staat onder druk.
-
Uitlaatgassen zijn schadelijk voor de gezondheid, ze mogen niet worden ingeademd.
- De motor heeft ca. 5 seconden naloop nodig na het uitzetten. In deze tijd absoluut uit de buurt blijven van het aandrijfbereik.
- Verwondingsgevaar door onbeschermd ventilatorwiel
- Gebruik enkel de in de gebruiksaanwijzing vermelde brandstof. Bij gebruik van ongeschikte brandstoffen bestaat explosiegevaar (zie hoofdstuk „Technische gegevens“).
- Let er bij het tanken op dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt.
- Bij de werking van het apparaat in ruimten moet gezorgd worden voor voldoende verluchting en afvoer van de uitlaatgassen (vergiftigingsgevaar).
4.7 Veiligheidsinstructies over het transport van het apparaat
Bij vervoer van het apparaat dient u de motor af te zetten en het apparaat goed vast te zetten.
Hiervoor wordt verwezen naar het hoofdstuk „Transport“.
4.8 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud
- Voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden van het apparaat, het vervangen van onderdelen of het ombouwen voor een andere functie dient het apparaat te worden uitgeschakeld en eventueel de contactsleutel te worden verwijderd.
- Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerkplaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betreffende veiligheidsvoorschriften vertrouwd zijn.
- Veiligheidscontrole volgens de plaatselijk geldige voorschriften voor van plaats veranderlijke, industrieel benutte apparaten opvolgen.
- Knikgewricht, dichtingen, elektrische en elektronische onderdelen mogen niet met de hogedrukreiniger of waterslang gereinigd worden.
4.9 Veiligheidsinrichtingen
4.9.1 Zitcontactschakelaar
Wanneer zich geen bediener op de chauffeursstoel bevindt, zijn functies met een verhoogd, potentieel gevaar geblokkeerd.
4.9.2 Startblokkering
Om de motor te starten, moet het rempedaal ingedrukt worden.
5 Bedieningselementen
5.1 Overzicht MC 50

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 KARCHER1 Deurkruk *
2 Stuurkolom *
3 Werklicht
4 Stuurwiel
5 Plafondconsole *
6 Tanksluiting
11 Slangkoppeling watercirculatiesysteem (optie)
12 Tankweergave
F = vol
E = leeg
13 Pedalen *
14 Ventilatie / airconditioning (optie) *
15 Extra ventilator *
16 Console *
17 Bestuurdersstoel *
18 Noodhamer
19 Reservoir ruitensproei-inrichting
* zie onderstaand gedetailleerd aanzicht
5.2 Ventilatie / airconditioning (optie)

text_image
1 2 3 OFF OFF OFF OFF OFF1 Schakelaar ventilator
2 Temperatuurregelaar verwarming
3 Regelaar koelvermogen (optie)
5.3 Stuurkolom

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 101 Ventilatie
2 Controlelampje knipperlicht
3 Schakelaar noodknipperlichtinstallatie
4 Klemschroef hoogteregeling stuurwiel
5 Bedrijfsurenteller werkhydraulica
6 Controlelampje parkeerrem
7 Weergave lossende stand AUX 1
8 Klemschroef stuurwielstand
9 Weergave lossende stand lift aan voorzijde
10 Multifunctionele hendel voor verlichting, knipperlichten en claxon
5.3.1 Multifunctionele hendel voor verlichting, knipperlichten en claxon
- Claxonneren: hendel omhoog drukken
- Knipperen: hendel naar rechts of links
- Parkeerlicht en dimlicht: ring draaien (tegen de klok in)
- Groot licht: hendel bij ingeschakeld dimlicht naar vo- ren drukken
- Lichtsignaal: hendel naar achteren trekken
5.4 Pedalen

1 Rempedaal
2 Vergrendeling rempedaal (parkeerrem)
3 Aanslag werksnelheid
4 Rijpedaal vooruit
5 Rijpedaal achteruit
5.4.1 Parkeerrem hanteren
→ Rempedaal volledig induwen.
→ Vergrendeling laten vastklikken.
→ Rempedaal loslaten.
5.4.2 Parkeerrem loslaten
→ Rempedaal volledig induwen.
→ Vergrendeling losmaken.
→ Rempedaal loslaten.
5.5 Oplooprem (optie)
Met de draaiknop voor neerlaatsnelheid kan de neerlaatsnelheid van het frontrek ingesteld worden.

text_image
1 1031 Draaiknop oplooprem
5.5.1 Draaiknop zaksnelheid voorste hefinrichting

text_image
A BA Draairichting „Zaksnelheid verhogen“
B Draairichting „Zaksnelheid verlagen“
→ Door te draaien in draairichting B tot de eindaanslag blokkeert u de voorste hefinrichting.
Tip
Is nodig om bij transportritten op de openbare weg de voorste hefinrichting en dus ook het zakken van de aanbouwapparaten te blokkeren.
5.6 Plafondconsole

text_image
1 2 3 4 51 Schakelaar ruitenwisser, 2 trappen
2 Schakelaar zwaailicht
3 Schakelaar werkverlichting
4 Schakelaar voor optie (bv. verwarmbare buitenspiegel)
5 Knop ruitensproei-inrichting
5.7 Deurkruk

Verwondingsgevaar door naar beneden vallend veeggoedreservoir! Het snelwisselsysteem van het veeggoedreservoir moet juist vastgeklikt zijn.
Grendelindicatie aan beide kanten van het snelwisselsysteem controleren!

Wanneer na het inschuiven van het veeggoedreservoir een zwart vlak zichtbaar is, is het reservoir juist vastgeklikt. Wanneer na het inschuiven van het veeggoedreservoir een rood vlak zichtbaar is, is het reservoir niet vergrendeld en kan het bij het aanrijden of kantelen van het vuilreservoir van de machine vallen.
Wanneer het rode vlak zichtbaar is, moet het reservoir juist vastgeklikt worden!
5.9 Aansluitingen
Begripsdefinitie AUX: auxilliary = extra bedieningsklep Begripsdefinitie hydraulische PTO: Power Take Off = hydraulische krachtafgifte Begripsdefinitie elektrische PTO: Power Take Off = elektrische krachtafgifte
5.9.1 Voren

text_image
AUX 2 AUX 1 2.PTO H₂O E 1 / 12V 1 2 3 4 5
1 Hydraulische verbindingen AUX2
2 Hydraulische verbindingen AUX1
3 Hydraulische verbindingen 2.PTO
4 Wateraansluiting (bijv. voor borstelaansluiting)
5 Contactdoos E1
6 Hydraulische verbindingen PTO
7 Lekkagekoppeling
5.9.2 Achteren

text_image
3 4
5.9.3 Aan de volgswagen

1 Wateraansluiting
2 Contactdoos E3-vooraan

text_image
B 18 A 19 OFF MAX 17 MIN 20 16 1 2 3 4 5 6 15 14 13 12 7 8 I II 11 9 101 Waarschuwingslampje laadcontrole batterij
2 Waarschuwingslampje temperatuur hydraulische olie
3 Waarschuwingslampje koelwatertemperatuur
4 Waarschuwingslampje oliedruk
5 Controlelampje groot licht
6 Schakelaar
Stand 1: Waterkoppeling voren aan
Stand 0: Waterkoppeling voren uit
Stand 2: Watercirculatiesysteem uitschakelen (optie)
7 K n o p
Stand 1: Hydraulica Main PTO aan
Stand 0: Hydraulica Main PTO uit
8 Contactslot
9 Boordcontactdoos 12 V
10 Instelling toerental motor
11 Bedrijfsurenteller motor
12 Knop met vergrendeling
Hydraulica Main PTO permanent aan
Functie alleen in verbinding met vergrendelde parkeerrem en knop 7
13 Niet bezet
14 Niet bezet
15 Hoofdschakelaar lossende stand
16 Bedieningshefboom vuilreservoir
Hendel naar voren: Vuilreservoir inschuiven (alleen als de motor draait)
Hendel naar achteren: Vuilreservoir legen (alleen als de motor draait)
17 Instelling toerental PTO
18 Bij werkzaamheden met zuigmond
Stand A - zuigmond niet vergrendeld
Stand B - zuigmond vergrendeld
19 Bedieningshendel 2.PTO aansluiting
Hendel naar voren: zijbezems aan, vegen
Hendel in het midden: zijbezems stoppen
Hendel naar achteren: draairichting omkeren
20 Joystick
5.10.1 Contactslot

text_image
A B C DA Symbool verwarmingsspiraal: Voorgloeien
B Stand STOP: motor uit
C Stand 1: Ontsteking aan
D Stand 2: Motor starten
A Symbol verwarmingsspiraal: Voorgloeien B Stand STOP: motor uit C Stand 1: Ontsteking aan D Stand 2: Motor starten
5.11 Werking joystick

text_image
1 2 3 A B C D1 Joystick
2 Toets voor
3 Functietoetsen
A - blauw
B - rood
C - groen
D - grijs
→ Met de joystick wordt bestuurd:
Aansluiting AUX elektrisch 12 V
→ Bij de selectie van een lossende stand licht een overeenkomstige indicatie op.
5.11.1 Bediening
| Lift aan voorzijde (met lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Grijze toets (D) in-drukken | --- | |
| Lift aan voorzijde (zonder lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren --- naar | voren/achte- | ren bewegen |
| Lift aan voorzijde (met lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaarlossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Grijze toets (D) in-drukken | --- | |
| Lift aan voorzijde (zonder lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren --- naar | voren/achte- | ren bewegen |
| Aansluiting AUX 2 (met lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Groene toets (C) indrukken | --- | |
| Aansluiting AUX 2 (zonder lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaar lossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Deactiveren --- naar links/rechts | bewegen | |
| Aansluiting AUX 1 | ||
| Toets voor (joystick) | Functietoets Joystick | |
| Indrukken en ingedrukt houden | --- naar links/rechts bewegen | |
| Aansluiting AUX elektrisch 12 V | ||
| Toets voor (joystick) | Functietoets Joystick | |
| --- Functietoetsen | blauw of rood (A/B) indrukken | --- |
1 Weergave lossende stand AUX 1
2 Weergave lossende stand lift aan voorzijde
→ Bij de selectie van een lossende stand licht een overeenkomstige indicatie op.
6 Voor de inbedrijfstelling
6.1 Vóór eerste inbedrijfstelling
→ Documententas volgens de bijgevoegde handleiding bevestigen aan de achterruit.
6.2 Tanken
⚠ Gevaar
Explosiegevaar!
– Niet in gesloten ruimtes tanken.
- Roken en open vuur is verboden.
- Let erop dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt.
→ Motor uitzetten.
→ Tankdop openen.
→ Diesel tanken.
Uitsluitend de in de gebruiksaanwijzing aangegeven brandstof mag worden gebruikt.
→ Pistool van brandstofvulslang zo ver mogelijk in de vulpijp stoppen. Zodra het volgens voorschrift gebruikte pistool van de brandstofvulslang voor de eerste keer afslaat, dan niet meer verder tanken.
→ Overgelopen brandstof wegvegen en vuldop van brandstoftank sluiten.
6.2.1 Tanken met jerrycan
- Hoeveelheid brandstof van te voren schatten, om over- lopen te verhinderen.
6.3 Ruitensproei-inrichting vullen

→ Deksel verwijderen.
→ Vloeistof vullen.
→ Deksel sluiten.
6.4 Waterreservoir vullen (bij veegmachine)
→ Sluiting van de vulopening voor vers water losschroeven.
→ Watertank vullen.
OPMERKING
De waterslang mag voor het vullen van het waterreservoir niet ingevoerd worden (vermijden van terugzuiging).
→ Watertoevoer sluiten.
→ Watertoevoerslang verwijderen en vulopening vers water sluiten.
6.4.1 Bij watercirculatiesysteem (optie)
→ water in het veeggoedreservoir vullen (max. 50 liter).
6.5 Chauffeursstoel instellen
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar. Bestuurdersstoel niet instellen tijdens de rit.
6.5.1 Standaardstoel

1 Hefboom stoelverstelling
2 Draaigreep vering
3 Verstelling rugleuning
4 Weergave veerinstelling
5 Instelwiel hoogte armleuning
→ Op de chauffeursstoel plaatsnemen.
→ Hendel stoelverstelling naar boven trekken en stoel in de gewenste positie verschuiven.
→ Hendel stoelverstelling loslaten en stoel inklikken.
→ Helling van de rugleuning instellen met de draaigreep
Helling rugleuning.
→ Hoogte van de armleuningen instellen aan de instelwienen.
→ Draaigreep Vering zodanig instellen dat de wijzer van de weergave Vering in het groene veld staat.
6.5.2 Comfortstoel (optioneel)

Om te verlagen: knop uittrekken
Om te verhogen: knop indrukken (bij draaiende motor)
3 Verstelling rugleuning
4 Veiligheidsgordel
→ De demping van de bestuurderstoel gebeurt automatisch.
6.6 Stuurwielstand instellen
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar. Stuurwielstand niet instellen tijdens de rit.

1 Klemschroef hoogteregeling stuurwiel
2 Klemschroef stuurwielstand
→ Klemschroef hoogteregeling stuurwiel losdraaien.
→ Stuurwiel instellen op de gewenste hoogte.
→ Klemschroef aanspannen.
→ Klemschroef stuurwielstand losdraaien.
→ Gewenste helling van de stuurkolom instellen.
→ Klemschroef aanspannen.
6.7 Vóór de start/veiligheidscontrole
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar, verwondingsgevaar. Zodra een punt van de veiligheidscontrole niet vervuld wordt, mag het apparaat niet in bedrijf genomen en moet het gerepareerd worden.
Voor ieder gebruik moet de volgende veiligheidscontrole uitgevoerd worden:
6.7.1 Veiligheidscontrole
Veiligheidscontrole bij ingeschakelde ontsteking (stand 1) uitvoeren.
→ Bij geloste parkeerrem: Gaspedaal lossen, hydraulica Main PTO uitschakelen - de motor mag bij het draaien aan de contactsleutel (stand 2) niet starten
→ Bij bedienen van rempedaal: Hydraulica Main PTO inschakelen - de motor mag bij het draaien aan de contactsleutel (stand 2) niet starten
→ Bij lopende motor: Hydraulica Main PTO inschakelen, bestuurdersstoel ontlasten - de hydraulica Main PTO moet vanzelf uitschakelen
6.8 Dagelijkse onderhoudswerkzaamheden
Dagelijkse onderhoudswerkzaamheden uitvoeren (zie „Onderhoud en instandhouding“)
7 W e r k i n g
⚠ GEVAAR
Gevaar voor kneuzing. Erop letten dat er zich tijdens het bedrijf niemand in de buurt van het knikgewricht bevindt. Verbrandingsgevaar, knelgevaar Apparaat enkel gebruiken wanneer alle delen van de behuizing zijn aangebracht.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door oververhitting van de kracht-overbrenging en de rem. Rempedaal tijdens de rit enkel gebruiken wanneer het apparaat bij het loslaten van de rempedaal c.q. een korte bediening niet stopt.
Beschadigingsgevaar door ontbrekende smering. Bij het oplichten van het waarschuwingslampje Oliedruk tijdens het bedrijf moet de motor onmiddellijk uitgeschakeld en de storing opgelost worden.
Beschadigingsgevaar door oververhitte motor of hydraulische olie. Bij het oplichten van het waarschuwingslampje Motortemperatuur of Temperatuur hydraulische olie, motortoerental op nullast zetten (motor niet uitzetten) en maatregelen uitvoeren zoals in het hoofdstuk „Storingen“. Beschadigingsgevaar voor de hydraulische slangen van de veegeenheid. Bezem aan een afgrond of een hefbrug niet lager laten zakken dan het standvlak van de wielen (bij veegmachine).
7.1 Rijden
⚠ WAARSCHUWING
Het apparaat heeft een centraal scharnier waarmee maxi-male bewegelijkheid wordt verzekerd.
Hierdoor kunnen beide voertuighelften dwars t.o.v. de rijrichting onafhankelijk van elkaar bewegen.
Door deze speciale constructie krijgt de bestuurder niet meteen een reactie van de achterste voertuighelft.
Daarom moeten de bewegingen van de achterkant tijdens het rijden met de spiegel in het oog worden gehouden.
Vooral bij het snel nemen van bochten reageren voertui-gen met knikbesturing op sneeuw, ijs, natte of losse onder-grond en bij draaimanoeuvres op een helling aanzienlijk gevoeliger op draaibewegingen dan auto's.
Hierdoor is het zeer lastig om een voertuig met knikbesturing door tegensturen te stabiliseren!

text_image
1 2 3 5 4 1041 Rempedaal
2 Vergrendeling rempedaal (parkeerrem)
3 Aanslag werksnelheid
4 Rijpedaal vooruit
5 Rijpedaal achteruit
7.1.1 Parkeerrem loslaten
→ Rempedaal volledig induwen.
→ Vergrendeling naar achteren draaien.
→ Rempedaal loslaten.
7.1.2 Motor starten
→ Voet van het gaspedaal nemen.
→ Motortoerental op stand MIN zetten.
→ Rempedaal volledig induwen.
Het controlelampje Parkeerrem moet branden.
→ Bij een lage buitentemperatuur de contactsleutel gedurende ca. 3 seconden in de stand Voorgloeien draaien.
→ Contactsleutel op Motor starten draaien en vasthouden tot de motor gestart is.
→ Contactsleutel loslaten. De contactsleutel gaat in stand „1“, motor in.
→ Rempedaal loslaten.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar door oververhitting van de kracht-overbrenging en de rem. Apparaat niet verrijden met een geactiveerde rem.
→ Na een koude start het apparaat met motortoerental op MIN laten warmdraaien zodat de hydraulische olie de bedrijfstemperatuur bereikt.
De opwarmduur hangt af van de omgevingstemperatuur en kan in het onderstaande diagram afgelezen worden.

line
| Time (Min) | Temperature (°C) | |------------|------------------| | 2 | +20 | | 5 | +15 | | 10 | +10 | | 15 | +5 | | 20 | 0 | | 25 | -5 | | 30 | -10 | | 35 | -15 | | 40 | -20 |7.1.3 Rijden
LET OP
Als het rijpedaal wordt losgelaten, vertraagt de snelheid anders dan bij auto's.
In de transportmodus is de remvertraging bij het loslaten van het rijpedaal kleiner dan in de werkmodus.
→ Apparatuur optillen.
→ Zuigmond en zijbezems optillen (bij veegmachine).
→ Motortoerental op ECO zetten.
→ Langzaam op het gaspedaal drukken.
→ Rijrichting met het stuurwiel regelen.
7.1.4 Stoppen
→ Rijpedaal loslaten of kort achteruit bewegen, het apparaat remt zelf en blijft staan.
Rempedaal enkel bedienen wanneer het apparaat on- danks de bovengenoemde maatregelen niet stopt.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar voor het aandrijfsysteem. Rem en- kel in noodgevallen en als parkeerrem bij een stilstaand apparaat en niet als bedrijfsrem gebruiken.
7.1.5 Over hindernissen heen rijden
⚠ WAARSCHUWING
Beschadigingsgevaar! Zijbezems en zuigmond voor het rijden over hindernissen opheffen.
Hindernissen tot een hoogte van 150 mm:
→ Langzaam en voorzichtig in een hoek van 45° voorwaarts over hindernis rijden.
Hindernissen van meer dan 150 mm hoogte:
→ Er mag alleen over hindernissen heen gereden worden met een geschikte oprijdrempel.
⚠ Waarschuwing
Gevaar voor beschadiging! Verzeker u ervan, dat het voertuig niet erop rust.
7.2 Bij veegbedrijf
VOORZICHTIG
Geen pakbanden, draad of dergelijke opvegen, dit kan tot verstopping van het zuigkanaal leiden.
Om beschadiging van de grond te vermijden, niet de veegmachine op één plaats gebruiken.
OPMERKING
Om een optimaal reinigingsresultaat te krijgen, moet de rij-snelheid aan de omstandigheden aangepast worden.
Tijdens het bedrijf moet het veeggoedreservoir op gezette tijden geledigd worden.
→ Motor starten en laten warmdraaien.
→ Motortoerental op ECO zetten.
→ Hendel (18) op stand A.
Zuigmond niet vergrendeld
→ Toerental zijbezems instellen.
→ Hendel (19) naar voren drukken.
Zijbezem vegen is ingeschakeld.
→ Knop (7) werkhydraulica Main PTO inschakelen. Zuigtrubine loopt.
→ Bij het vegen van droog veeggoed: schakelaar (6) Besproeiing zijbezem inschakelen.
Indien nodig het watercirculatiesysteem inschakelen (optie).
→ De verdere bediening met de joystick uitvoeren, zie hiervoor hoofdstuk 5.10 "Werking joystick".
7.2.1 Grote voorwerpen afstoten
Middelgrote voorwerpen (bv. drankblikken) kunnen door het apparaat opgezogen worden.
Grote voorwerpen (bv. takken) kunnen zijdelings afgestoten worden door de draairichting van de zijbezens kort om te keren.
→ Hendel (19) kort naar achteren trekken.
Draairichting van de zijbezem verandert.
7.3 Indompeldiepte bezem beperken
Bij gebruik van zachte bezems kan het nodig zijn om de indompeldiepte te beperken zodat de borstels bij het vegen niet te sterk vervormd worden.

→ Contramoer losdraaien.
OPMERKING
Hoe verder de schroef naar beneden is gedraaid, hoe kleiner de indompeldiepte van de bezems.
→ Contramoer aandraaien.
7.4 Veeggoedcontainer leegmaken
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar! Bij het achteruitrijden mogen derden niet in gevaar gebracht worden, eventueel aanwijzingen laten geven.
Gevaar voor kantelen. Veeggoedreservoir enkel leegma- ken wanneer het apparaat op een stevige ondergrond staat die noch naar achteren noch naar opzij helt.
Bij ledigen op hellingen c.q. rampen, letten op de overeenkomstige veiligheidsafstand.
Ongevalgevaar! Bij het leegmaken van het veeggoedreservoir de parkeerrem activeren.
Verwondingsgevaar! Voor het ledigen van het veeggoedreservoir de zuigturbine uitschakelen.
Verwondingsgevaar! Tijdens het ledigen mogen zich geen personen en beesten in het zwenkbereik van het veeggoedreservoir ophouden.
Gevaar voor kneuzing! Nooit in het stangenstelsel van het ledigingsmechaniek grijpen.
OPMERKING
Til het vuilreservoir altijd volledig op tot de eindstand.
→ Bij veegmachine: Zijbezems en zuigmond optillen.
Bij apparaathouder: Werkapparaat optillen.
→ Apparaat stopzetten.
→ Besproeiing zijbezem met schakelaar (6) uitschakelen.
→ Ongeveer 20 seconden wachten.
→ Bij veegmachine: zuigturbine met knop (7) uitschakelen.
Bij apparaathouder: apparatuur met knop (7) uitschakelen.
→ Veeggoedcontainer legen.
Hendel (16) naar achteren.
→ Na het leegmaken veeggoedreservoir opnieuw ingeschoven.
Hendel (16) naar voren.
7.4.1 Extra bij watercirculatiesysteem (optie)
→ Filter in het veeggoedreservoir met waterstraal reinigen.

text_image
1 21 Filter
2 Houder
→ Filter uit de houder zwenken en verwijderen.
→ Filter reinigen onder stromend water.
→ Veeggoedcontainer omhoog brengen.

1 Fenderbevestiging
2 V e n ti e l
→ Borgplaat tegen de klok draaien en wegnemen.
→ Ventiel eruitnemen en reinigen.
7.5 Apparaat uitzetten
→ Bij optioneel aanwezige 3e zijbezem of onkruidborstel: intrekken en optillen, zie hoofdstuk 8.1 "Onkruidborstel".
→ Bij veegmachine: Zijbezems en zuigmond optillen.
Bij apparaathouder: Werkapparaat optillen.
→ Apparaat stopzetten.
→ Besproeiing zijbezem met schakelaar (6) uitschakelen.
→ Ongeveer 20 seconden wachten.
→ Bij veegmachine: zuigturbine met knop (7) uitschakelen.
Bij apparaathouder: apparatuur met knop (7) uitschakelen.
→ Motortoerental op stand MIN zetten.
→ Motor 1 tot 2 minuten in de nullast laten draaien.
→ Contactsleutel in de stand „STOP“ draaien en contactsleutel verwijderen.
→ Parkeerrem bedienen.
→ Bij kans op vorst controleren of er voldoende antivries-middel in het koelwater zit.
→ Waterreservoir en leidingsysteem leegmaken; zie „Onderhoudswerkzaamheden/waterreservoir ledigen“ (op-tie).
7.7 Transport
⚠ WAARSCHUWING
Gevaar voor letsels en beschadigingen! Houd bij het transport rekening met het gewicht van het apparaat.
Ongevalgevaar: Het apparaat moet bij transport tegen verschuiven gezekerd zijn.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar! Het apparaat nooit aan het bezem-
systeen bevestigen of wegslepen (bij veegmachine).
→ Apparaat uitzetten en parkeerrem vergrendelen.

→ Voertuig met spanriemen op de bevestigingsogen links en rechts beveiligen.
7.8 Vuilreservoir/waterreservoir wegnemen
Met de optionele opnamewagen (bestelnr. 2.851-043) kan het vuilreservoir/waterreservoir van de veegmachine MC 50 genomen worden.
Tegelijkertijd dient de opnamewagen voor het opbergen van het veegsysteem dat van het apparaat is gedemon- teerd.
→ Ledig het vuilreservoir en waterreservoir voor het weg-nemen.
7.8.1 Hydraulisch systeem drukvrij maken
→ Ontsteking in stand „1“ draaien (motor niet starten).
→ Keuzeschakelaar in stand Vuilreservoir zetten.
→ Hendel Vuilreservoir ledigen heen-en-weer bewegen.
→ Ontsteking in stand Motor uit draaien.
7.8.2 Zuigslang wegnemen
→ Zuigslang naar beneden uit het vuilreservoir trekken (pijl).

Verbrandingsgevaar door eventueel hete hydraulische snelkoppelingen. Om de verbindingen te scheiden, moeten handschoenen gedragen worden.
→ Controleren of de sluitkogel in één lijn met de uitsparing ligt. Zoniet moet de sluitmof gedraaid worden tot de kogel en de uitsparing in één lijn liggen.
→ Verbinding aan sluitmof naar achteren trekken.

7.8.5 Opnamewagen op vuilreservoir aanbrengen
→ Opnamewagen parallel aan het apparaat uitrichten.
→ Opnamewagen parallel aan het apparaat inschuiven.

Voor het optillen van het vuilreservoir controleren of de bouten links en rechts correct in de opname zitten. Optillen enkel toegestaan bij correct zittende bouten!
→ Boutpositionering links en rechts controleren.

1 VERKEERD: Bout zit niet in de opname
2 JUIST: Bout zit veilig in de opname
7.8.6 Veeggoedcontainer omhoog brengen
→ Ventiel met het dunne uiteinde van de hefboom tot de aanslag met de wijzers mee draaien.
→ Reservoir door pompen met de hefboom optillen.

→ Wagen met vuilreservoir/waterreservoir ca. 30 cm terugtrekken.
→ Reservoir verder optillen tot het voorste uiteinde voldoende afstand heeft ten opzichte van het contactoppervlak.
→ Wagen met vuilreservoir/waterreservoir volledig terugtrekken.
7.8.7 Vuilreservoir/waterreservoir aanbrengen
→ Vuilreservoir in omgekeerde volgorde opnieuw op het apparaat aanbrengen.
→ Draai het ventiel tegen de klok in om te laten zakken.
7.9 Veegwerk wegnemen
→ Bezemhouder op de opnamewagen naar boven zwenken en vergrendelen
→ Bezem laten zakken.
→ Apparaat uitschakelen.

→ Verbindingen scheiden (pijlen).

→ Bezem met de hand optillen en stalen kabel losmaken.

→ Borgbout naar voren zwenken en eruit trekken.

→ Veegwerk optillen en op de opnamewagen zetten.

De aanbouwset onkruidborstel wordt op de frontale apparaathouder bevestigd.
Deze wordt bijv. gebruikt voor het verwijderen van:
– samengeklonterd vuil
- onkruid tussen stenen
- of gelijkaardige reinigingsopdrachten.
→ De aanbouwset kan samen met het systeem voor 2 be- zems worden gebruikt.
→ De onkruidborstel is geschikt voor alle oppervlakken.
→ Op wegverhardingen of gelijkaardige oppervlakken kunnen krassporen ontstaan, zelfs wanneer de onkruidborstel in de lossende stand wordt gebruikt.
8.1.2 Belangrijke instructies
→ Bij het rijden op de openbare weg moeten de geldende bepalingen worden gerespecteerd.
→ Houd de plaatselijke voorschriften voor ongevallenpreventie en de desbetreffende veiligheidsvoorschriften in acht.
→ Veiligheidsinstructies en gebruiksaanwijzing van het vrachtvoertuig in acht nemen.
8.1.3 Voorwaarden voor het bedrijf
→ Lift aan voorzijde moet aan het voertuig zijn gemonteerd.
8.1.4 Onkruidborstel monteren
→ Compleet voorgemonteerde onkruidborstel aan lift aan voorzijde monteren en vastzetten. Tip
Als de onkruidborstel als aanbouwset is geleverd, moet deze volgens de bij de aanbouwset meegeleverde montagehandleiding 0.083-359.0 worden opgebouwd.
→ Hydraulische aansluitingen PTO, AUX 1 en AUX 2 aan het voertuig tot stand brengen.
→ Wateraansluiting tot stand brengen.
8.1.5 Bediening
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar bij contact met de roterende onkruidborstel. Bij instellingen en werkzaamheden erop letten dat er voldoende veiligheidsafstand t.o.v. personen wordt gehouden.
Verwondingsgevaar door wegvliegende stenen of vuil. Spuitbescherming correct instellen en voldoende afstand tot personen houden.
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar door verminderd besturingsvermogen. Als de onkruidborstel wordt neergedrukt, worden de voorwielen ontlast. Dit kan ertoe leiden dat de besturing wordt belemmerd. In dit geval moet de onkruidborstel meteen opnieuw worden opgetild.
→ De onkruidborstel en de frontale apparaathouder worden met de joystick bediend.
A

→ Pen transportbeveiliging eruit trekken.
→ Frontale apparaathouder naar rechts zwenken.
→ Pen transportbeveiliging in de stand Bedrijf steken en met de veerstekker borgen.
→ Frontale apparaathouder neerlaten tot de bezem de bodem raakt.
→ Schroef aanspannen.
→ Contramoer aandraaien.
→ Motor starten.
→ Frontale apparaathouder optillen.
→ Onkruidborstel in de gewenste positie rollen (zijdelings overhellen), knikken (naar voren kantelen) en zwenken.
→ Voor reinigingswerkzaamheden werkhydraulica Main PTO inschakelen, de onkruidborstel wordt gedraaid.
→ Frontale apparaathouder in de lossende stand neerla- ten.
Instructie:
Over het algemeen wordt de frontale apparaathouder in de lossende stand neergelaten. Als er een hoger reinigingsvermogen wordt vereist, kan de onkruidborstel ook kortstondig worden neergedrukt.
→ Reinigingswerkzaamheden uitvoeren.
8.1.6 Werking joystick

text_image
1 2 A B C D 31 Joystick
2 Toets voor
3 Functietoetsen
1 Joystick 2 Toets voor 3 Functietoetsen
A - blauw
B - rood
C - groen
D - grijs
→ Met de joystick wordt bestuurd:
Hydraulische hefinrichting voren
Aansluiting AUX 1
Aansluiting AUX 2
Aansluiting AUX elektrisch 12 V
→ Bij de selectie van een lossende stand licht een overeenkomstige indicatie op.
8.1.6.1 Bediening
| Lift aan voorzijde (met lossende stand) | ||
| Hoofdschakelaarlossende stand (console) | Functietoets Joystick | |
| Activeren Grijze toets (D) in-drukken | --- | |
| Lift aan voorzijde (zonder lossende stand) |
| Hoofdschakelaar | Functietoets Joystick |
| lossende stand (console) |
| Deactiveren --- naar voren/achte- | ren bewegen |
| Onkruidborstelarm (met lossende stand) |
| Hoofdschakelaar | Functietoets Joystick |
| lossende stand (console) |
| Activeren Groene toets (C)indrukken | --- |
| Onkruidborstelarm indrukken/optillen (zonder los- sende stand) |
| Hoofdschakelaar lossende stand (console) | Functietoets Joystick |
| Deactiveren Indrukken en ingedrukt houden | naar links/rechts bewegen |
| Bezemarm uitzwenken/intrekken |
| Toets voor (joystick) | Functietoets Joystick |
| --- --- naar links/rechts | bewegen |
| Bezemkop knikken (naar voren kantelen) |
| Functietoets | Functietoets | Joystick |
| Blauw | Rood |
| Indrukken en ingedrukt houden | --- naar links/rechts | bewegen |
| Bezemkop rollen (zijdelings overhellen) |
| Functietoets | Functietoets | Joystick |
| Blauw | Rood |
| --- Indrukken en inge-drukt houden | naar links/rechts bewegen |
8.1.7 Transport
⚠ WAARSCHUWING
Verhoogd risico op verwonding bij rijden met ongunstig gepositioneerde onkruidborstel. Om het verwondingsgevaar te minimaliseren moet de borstel voor het rijden zoals hieronder beschreven worden gepositioneerd.
→ Frontale apparaathouder optillen.
→ Bezem naar voren knikken.
→ Bezem met de klok mee intrekken.
→ Pen van de transportbeveiliging in de stand Transport plaatsen en met de veerstekker borgen.
→ Spuitbescherming zodanig monteren dat de borstel is afgedekt.
9 O p s l a g
⚠ WAARSCHUWING
Gevaar voor letsel en beschadiging! Het gewicht van het apparaat bij opbergen in acht nemen.
Als het voertuig lange tijd niet worden gebruikt, neem dan volgende punten in acht:
→ Zet het voertuig op een beschermde, effen en droge plaats weg.
→ Bij optioneel aanwezige 3e zijbezem of onkruidborstel: intrekken en optillen, zie hoofdstuk 8.1 "Onkruidborstel".
→ Bij veegmachine: Zijbezems en zuigmond optillen. Bij apparaathouder: Werkapparaat optillen.
→ Contactsleutel in de stand „STOP“ draaien en contactsleutel verwijderen.
→ Beveilig het voertuig tegen wegrollen, zet de parkeerrem vast.
→ Motorolie en motoroliefilter wisselen.
→ Bij kans op vorst controleren of er voldoende antivries-middel in het koelwater zit.
→ Waterreservoir en leidingsysteem leegmaken; zie „Onderhoudswerkzaamheden/waterreservoir ledigen“ (op-tie).
→ Bij watercirculatiesysteem (optie), water uit het veeggoedreservoir aflaten.
→ Veegmachine aan de binnen- en buitenkant reinigen.
→ Accu elke 2 maanden opladen.
→ Min-pool van de batterij afklemmen als het apparaat langer dan 4 weken niet gebruikt wordt.
10 Onderhoud
10.1 Algemene aanwijzingen
→ Voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden van het apparaat, het vervangen van onderdelen of het ombouwen voor een andere functie dient het apparaat te worden uitgeschakeld en eventueel de contactsleutel te worden verwijderd.
→ Voor werkzaamheden aan de elektrische installatie moet de batterij afgeklemd worden.
→ Parkeerrem vastzetten.
→ Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerkplaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betreffende veiligheidsvoorschriften vertrouwd zijn.
10.1.1 Veiligheidsmaatregelen bij opgetild veeggoedreservoir (bij veegmachine)
Vóór werkzaamheden aan het apparaat met een opgetild veeggoedreservoir moet de veiligheidssteun aangebracht worden:

→ Veerstekker uittrekken.
→ Veiligheidssteun van het veeggoedreservoir wegne- men.

1 Zekeringssteun
2 Zuigerstang
→ Veiligheidssteun op de zuigerstang van een hefcilinder voor het veeggoedreservoir steken.
10.2 Bekledingen
10.2.1 Motorbekledingen wegnemen / aanbrengen
⚠ WAARSCHUWING
Verbrandingsgevaar. Vooraleer de bekledingen worden weggenomen, het apparaat laten afkoelen.

1 Motorbekleding zijkant
2 Koelrooster
Voor de uitvoering van verschillende onderhoudswerkzaamheden moeten de motorbekledingen weggenomen worden.
10.2.2 Zijdelingse motorbekleding wegnemen

→ Beide kapsluitingen openen.
→ Bekleding optillen en bovenaan naar buiten zwenken.
→ Paneel wegnemen.
10.2.3 Zijdelingse motorbekleding aanbrengen

1 Bevestigingsgleuf
2 Centreerkegel
→ Onderste uiteinde van de bekleding achter het wiel steken.
→ Bekleding bovenaan naar het apparaat zwenken en de bovenste rand van de bekleding in de bevestigingsgleuf hangen.
→ Kapsluitingen sluiten.
10.2.4 Koelrooster wegnemen

→ Beide sluitingen openen (sluiting eruit trekken, ca. 90° draaien en loslaten).
→ Koelrooster bovenaan eruit zwenken, naar boven trekken en wegnemen.
10.3 Reiniging
→ Veeggoedreservoir leegmaken (bij veegmachine).
→ Apparatuur optillen.
→ Zuigmond en zijbezems optillen.
→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Motortoerental op stand MIN zetten.
→ Contactsleutel in de stand „STOP“ draaien en contactsleutel verwijderen.
→ Parkeerrem vastzetten.
10.3.1 Apparaat reinigen
Apparaat dagelijks reinigen na het werk.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
Asafdichtingen, elektrische componenten en hydraulische ventielen niet reinigen met een hogedrukstraal.
Motor niet met water afspoelen.
Bij het reinigen van het apparaat met een hogedrukreiniger moeten de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften nageleefd worden.
Koelerlamellen enkel met perslucht (max. 5 bar), niet m et water reinigen.
Geen agressieve reinigingsmiddelen gebruiken.
Ter bescherming van de luchtfilter de achterkant van het apparaat enkel wassen bij een uitgeschakelde motor.
→ Controleer het voertuig op olie- en brandstoflekken om brandgevaar uit te sluiten. Laat ondichtheden door de klantenservice oplossen.
→ Zijbezems met waterstraal afspoelen (bij veegmachine).
→ Zuigmond met waterstraal reinigen (bij veegmachine).
→ Controleren, of de fronthefinrichting licht loopt (opheffen en laten zakken).
→ Hoogteregeling zuigmond en grofvuilklep op lichtlopendheid controleren (bij veegmachine).
→ Ter voorkoming van brandgevaar de motor, de geluiddemper, de batterij en de brandstoftank vrij houden van plantenresten en olie.
→ Motor controlleren op verontreiniging, indien nodig met borstel of perslucht reinigen.
→ Koeler controleren op verontreiniging.
→ Grote voorwerpen met de hand verwijderen.
→ Verontreinigingen met een zachte borstel of perslucht verwijderen.
Koeler airconditioning wegdraaien:
→ bevestigingsstaaf onderaan uit de houder halen en naar boven zwenken.
→ Koeler airconditioning wegdraaien.
10.3.3 Zuigkanaal en veeggoedreservoir reinigen (bij veegmachine)
→ Apparaat starten.
→ Motortoerental op ECO zetten.
→ Waterslang voor de zuigmond leggen en watertoevoer openen.
→ Zuigturbine inschakelen.
→ Zuigturbine gedurende ca. 2 minuten laten lopen.
→ Zuigturbine uitschakelen.
→ Veeggoedcontainer legen.
→ Binnenkant van het veeggoedreservoir en afdekrooster van het zuigkanaal met een waterstraal uitspoelen.
10.4 Onderhoudsintervallen
OPMERKING
Om uw garantie te behouden, moeten tijdens de garantieperiode alle service- en onderhoudswerkzaamheden door een de geautoriseerde Kärcher-klantenservice conform het onderhoudsboekje uitgevoerd worden.
OPMERKING
De bedrijfsurenteller geeft het tijdstip van de onderhouds-intervallen aan.
10.4.1 Dagelijks voor het bedrijfsbegin
→ Functie van alle bedieningselementen en controle-lampjes controleren.
→ Brandstoftank vullen.
→ Motoroliepeil controleren.
→ Koelvloeistofstand controleren.
→ Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren.
→ Brandstofffilter controleren.
→ Luchtfilter controleren, zo nodig reinigen.
→ Zijbezems en zuigmond op slijtage en erin gewikkelde banden controleren (bij veegmachine).
→ Smeer alle lagers die in „Onderhoudswerkzaamheden/Voertuig smeren“ met „*“ gekenmerkt zijn.
→ Indien het apparaat met een uitgeschakeld watercirculatiesysteem (optie) gebruikt werd, filter en ventiel van het watercirculatiesysteem reinigen om een veilige functie van het watercirculatiesysteem te garanderen en schade uit te sluiten.
Beschrijving van de handelingen, zie „Bedrijf/veeggoedreservoir ledigen/Extra bij watercirculariesysteem“ (bij veegmachine).
→ Afvoerrooster in het veeggoedreservoir reingen (bij veegmachine).
→ Controleren of de kranen aan de waterafscheider en de brandstofffilter geopend zijn.
→ Controleren dat de waterafscheider geen water bevat.
→ Radiateur reinigen.
→ Controleren of bij het rijden met aanbouwapparatuur achteraan een gewicht vereist en gemonteerd is.
→ Volledige apparaat op beschadigingen controleren.
10.4.2 Na elke wasbeurt van het voertuig
→ Smeer alle lagers die in „Onderhoudswerkzaamheden/Voertuig smeren“ met „*“ gekenmerkt zijn.
10.4.3 Wekelijks
→ Dichtingen veeggoedreservoir controleren (bij veegmachine).
→ Bandendruk controleren.
Raadpleeg voor de aanbevolen bandendruk de sticker in de bestuurderscabine of zie hoofdstuk "Technische gegevens | Banden".
→ Ribensproeierwaterstand controleren.
→ Grofvuilklep controleren op functionaliteit en soepelheid (bij veegmachine).
→ Looprollen aan de zuigmond op soepelheid controleren (bij veegmachine).
→ Spuitbeeld van de sproeiers voor de borstelberegening en in de zuigmond controleren. Indien nodig de sproeiers reinigen of vervangen (bij veegmachine).
10.4.4 Na de eerste 50 bedrijfsuren
→ Eerste inspectie door de klantendienst laten uitvoeren.
10.4.5 Alle 50 bedrijfsuren
→ Koelerventilator controleren en reinigen.
→ Waterafscheider controleren.
→ Batterij controleren.
→ Accupool op oxidatie controleren, indien nodig schoonborstelen en met poolvet invetten. Op stevige zitting van de verbindingskabels letten.
→ Dynamo reinigen (niet met hogedrukreiniger).
→ Lager smeren (zie „Apparaat smeren“).
10.4.6 Alle 250 bedrijfsuren of halfjaarlijks
→ Lagers van de knikbesturing controleren. *
→ Motorolie en motoroliefilter wisselen.
→ Motoroliepeil controleren.
→ Brandstofffilter controlleren.
→ Koelvloeistofstand controleren.
Mengverhouding water / antivriesmiddel controleren.
→ Waterfilter reinigen of vernieuwen.
→ Olie in de wielmotoren vervangen.
→ Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren.
→ Hydraulisch systeem controleren op dichtheid, schuurplaatsen en stabiliteit van de aansluitingen.
→ Staat en luchtdruk van de banden controleren (bij veegmachine).
→ Luchtfilter wisselen.
→ Remmen controleren op functionaliteit en instelling. *
→ Motortoerental en instelling controleren. *
→ Slang van de luchtfilter naar de motor controleren.
→ Slangen en klembeugels controleren.
→ Koelerlamellen van waterkoeler, oliekoeler en airconditioning met perslucht reinigen.
→ Functie van verwarming en verwarmingsventilator controleren. *
→ Luchtfilter van de verwarmingsventilator controleren, indien nodig vervangen.
→ V-riem op slijtage controleren.
→ Waterafscheider controleren.
→ Brandstofslang en klembeugels controleren (bij veegmachine).
→ Dichtingen aan het veeggoedreservoir en zuigkanaal controleren op slijtage (bij veegmachine).
→ Zuigmond controlleren op instelling en slijtage (bij veegmachine). *
→ Grofvuilklep controleren op functionaliteit en soepelheid (bij veegmachine).
→ Waterpomp en sproeiers op functionaliteit controleren, indien nodig reinigen (bij veegmachine).
→ Zuigslang op slijtage controleren (bij veegmachine).
→ Veegspiegel van de zijbezems controleren (bij veegmachine). *
→ Bezemsysteem op lichtlopendheid controleren - zwenken dwars op de rijrichting (bij veegmachine).
→ Batterij controleren, indien nodig gedestilleerd water navullen.
→ Bowdenkabels en bewegende delen op gangbaarheid controleren
→ Functie van de luchtbehandelingsinstallatie controleren
→ Ventilatiespleten van de verlichting reinigen.
* Uitvoering door klantendienst.
→ Brandstofffilter vervangen.
→ Hydraulische olie vervangen.
→ Hydraulische oliefilter vervangen.
→ Olie in de wielmotoren vervangen.
→ Rookgassysteem op ondichtheden controleren.
→ Stroomvoerende leidingen en contacten op beschadiging en oxidatie controleren
→ V-riem van de hydraulische pomp vervangen en spanrol smeren.
10.4.7 Alle 500 uren of halfjaarlijks
Uitvoering van alle werkzaamheden door de klanten-service.
10.4.8 Alle 1000 bedrijfsuren of jaarlijks
Uitvoering van alle werkzaamheden door de klanten-service.
→ Koelwater vervangen.
→ V-riem van de hydraulische pomp en spanrol vervangen, spanrol smeren.
→ Ventielen intellen.
→ Visuele controle brandstof- en koelwaterslangen, indien nodig vervangen.
10.4.9 Alle 1500 bedrijfsuren
Uitvoering van alle werkzaamheden door de klanten-service.
→ V-riem vervangen.
→ Verstuivers controleren en reinigen.
10.4.10 Alle 2000 bedrijfsuren
→ Zittingen van in- en uitlaatventielen leppen (door klan-tendienst).
10.4.11 Jaarlijks
→ Veiligheidscontrole volgens de lokale voorschriften door de klantenservice.
10.5 Onderhoudswerkzaamheden
10.5.1 Algemene veiligheidsinstructies
⚠ GEVAAR
Levensgevaar!
Voor reparatiewerkzaamheden het voertuig uit de geva- renzone van het verkeer duwen, waarschuwingskleding dragen.
⚠ GEVAAR
Gevaar voor verwonding door nadieselen van motor! Na het afzetten van de motor 5 seconden wachten. In deze tijd absoluut wegblijven van het werkgebied.
Verwondingsgevaar door onverwacht startend voertuig! Verwijder voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden aan het voertuig de contactsleutel en klem de batterij af. Opgelet bij de reiniging met hogedrukreiniger! Richt de hogedrukstraal niet direct op elektrische componenten, banden, koellamellen en hydraulische slangen.
Bij het reinigen van het apparaat met een hogedrukreiniger moeten de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften nageleefd worden.
Instandhoudingswerkzaamheden aan het hydraulisch systeem mogen enkel uitgevoerd worden door speciaal geschoold personeel.
⚠ Gevaar
Verwondingsgevaar! Bij alle onderhoudswerken veeggoedreservoir helemaal omhoog kantelen en bezemsysteem/aanbouwapparatuur laten zakken, om het hydraulisch systeem drukloos te maken.
Verwondingsgevaar door naar beneden zwenkend veeggoedreservoir. Voor werkzaamheden onder het veeggoedreservoir moet het veeggoedreservoir volledig in de stand Ledigen gedraaid worden (bij veegmachine).
Verwondingsgevaar door ongepland zakkend veeggoedreservoir. Werkzaamheden aan de turbine enkel uitvoeren bij een volledig opgetild veeggoedreservoir (bij veegmachine).
⚠ WAARSCHUWING
Voor alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden apparaat voldoende laten afkoelen.
Warme onderdelen, zoals aandrijfmotor en uitlaat niet aanraken.
Motorolie, stookolie, diesel en benzine niet in het milieu terecht laten komen. Gelieve bodem te beschermen en oude olie op een milieuvriendelijke manier tot afval verwerken.
10.5.2 Voorbereiding
→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Werkapparaat of zijbezems laten zakken.
→ Motortoerental op stand MIN zetten.
→ Contactsleutel in de stand „STOP“ draaien en contactsleutel verwijderen.
→ Parkeerrem vastzetten.
10.5.3 Veiligheidsvoorschriften accu's
Let bij de omgang met accu's absoluut op de volgende waarschuwingstip:
![]() | Neem instructies in de gebruiksaanwijzing van de batterij en op de batterij en uit deze gebruiks- aanwijzing in acht! | ![]() | Gevaar van brandwonden! | |
![]() | Veiligheidsbril dragen! | ![]() | Eerste hulp! | |
![]() | Kinderen uit de buurt houden van zuren en accu's! | ![]() | Waarschuwings- tekst! | |
![]() | Explosiegevaar! Verwij | ![]() | ||
![]() | Vuur, vonken, open licht en roken verbo- den! | ![]() | Accu niet in vuil- nisbak gooien! |
GEVAAR
Rekening houden met de voorschriften voor het voorkomen van ongevallen zoals DIN VDE 0510, VDE 0105 T.1. Ontploffingsgevaar! Geen werktuigen of dergelijk materiaal op de accu, d.w.z. op eindpool en batterijcelverbinder leggen.
Verwondingsgevaar! Wonden nooit met lood in contact brengen. Na het werken aan accu's altijd de handen schoonmaken.
Brand- en explosiegevaar!
- Roken en open vuur is verboden.
- Ruimtes waarin accu's opgeladen worden, dienen goed geventileerd te zijn, omdat bij het opladen zeer explosief gas ontstaat.
Gevaar van brandwonden!
- Zuurspetters in het oog of op de huid met veel schoon water uit- resp. afspoelen.
– Daarna direct een dokter raadplegen.
- Verontreinigde kleding met water uitwassen.
- Andere kledij aantrekken.
10.5.4 Accu in apparaat plaatsen en aansluiten
→ Accu in de accuklemmen plaatsen.
→ Poolklem (rode kabel) op de pluspool (+) aansluiten.
→ Poolklem op minpool (-) aansluiten.
→ Batterij inschuiven.
→ Klemmen op de batterijbodem vastschroeven.
OPMERKING
Bij de uitbouw van de batterij moet erop gelet worden dat eerst de leiding van de negatieve pool afgeklemd wordt. Controleer de batterijpolen en de poolklemmen op voldoende bescherming door poolbeschermingsvet.
10.5.5 Accu laden
⚠ Gevaar
Gevaar voor verwonding! Houd u aan de veiligheidsvoorschriften bij het omgaan met accu's. De gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het laadapparaat opvolgen.
⚠Gevaar
Accu alleen met het geschikte laadapparaat opladen.
→ Batterij demonteren.
→ Negatieve pool van de batterij afklemmen.
→ Positieve pool van de batterij afklemmen.
→ Pluspool-leiding van het laadtoestel met de pluspool-aansluiting van de accu verbinden.
→ Minpool-leiding van het laadtoestel met de minpoolaansluiting van de accu verbinden.
→ Stekker in het stopcontact steken en laadtoestel inschakelen.
→ Accu met de kleinst mogelijke laadstroom laden.
OPMERKING
Wanneer de batterij opgeladen is, het oplaadapparaat eerst van het stroomnet en dan van de batterij halen.
Bij reparatiewerken op openbare wegen in de gevarenzone van het langsrijdende verkeer, waarschuwingskleding dragen.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
Ondergrond controleren op stabiliteit. Apparaat nog extra vastzetten met een blok achter de wielen; dit om wegrollen te vermijden.
→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Contactsleutel uitnemen.
→ Parkeerrem vastzetten.
→ Krik op het betreffende opnamepunt van de voor- resp. achteras plaatsen.
OPMERKING
Geschikte, in de handel gebruikelijke krik gebruiken.

Opnamepunt voor krik
→ Wielmoeren/wielbouten met passend gereedschap ca. 1 omwenteling lossen.
→ Apparaat met de krik opheffen.
→ Wielmoeren/wielbouten losschroeven en eruit nemen.
→ Wiel wegnemen.
→ Defect wiel in een vakgarage laten repareren.
→ Wileaanbrengen en wielmoeren/wielbouten tot aanslag erin schroeven en licht aandraaien.
→ Apparaat met de krik laten zakken.
→ Wielmoeren/wielbouten met het vereiste draaimoment aandraaien.
| Aanhaalmoment voorbanden 83 - 85 Nm | |
| Aanhaalmoment achterbanden 83 - 85 Nm |
10.5.7 Motoroliepeil controleren en olie bijvullen

→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Oliepeilstok uittrekken.
→ Oliepeilstok afvegen en inschuiven.
→ Oliepeilstok uittrekken.

text_image
MAX MIN→ Oliepeil controleren.
→ Oliepeilstok weer erin doen.
- Het oliepeil moet zich tussen de "MIN"- en „MAX"-markering bevinden.
- Bevindt zich het oliepeil onder de „MIN"-markering, motorolie bijvullen.
- Motor niet boven „MAX"-markering bijvullen.
→ Olievuldeksel afschroeven.
→ Motorolie erin doen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
→ Olievuldeksel afsluiten.
→ Minstens 5 minuten wachten.
→ Motoroliepeil controleren.
VOORZICHTIG
Een te hoog oliepeil leidt tot de beschadiging van de motor door oververhitting. Wanneer het oliepeil de „MAX“-markering overschrijdt, moet olie afgelaten worden tot het correcte oliepeil is bereikt.
10.5.8 Motorolie en motoroliefilter wisselen
⚠ Gevaar
Verbrandingsgevaar door hete olie en eventueel hete slangleidingen!
→ Opvangreservoir voor minstens 6 liter olie klaarzetten.
→ Motor laten afkoelen.

→ Olieaftapschroef uitschroeven.
→ Olievuldeksel afschroeven.
→ Olie aftappen.
→ Oliefilter afschroeven.
→ Bevestigingspunt en afdichtvlakken reinigen.
→ Afdichting van het nieuwe oliefilter voor het inbouwen met olie insmeren.
→ Nieuw oliefilter inbouwen en handvast aanhalen.
→ Olieaftapschroef met een nieuwe dichting vastschroeven (aanhaalmoment 60 Nm).
→ Motorolie erin doen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
→ Olievulopening afsluiten.
→ Motor ca. 30 seconden laten lopen.
→ Motoroliepeil controleren.
→ Afgewerkte olie naar de betreffende inzamelcentra brengen.
10.5.9 Oliepeil hydraulisch systeem controleren en hydraulische olie bijvullen

1 Deksel
2 Oliekijkglas
Het oliepeil moet zich binnen het kijkglas bevinden.
→ Deksel en omgeving reinigen.
→ Deksel verwijderen.
→ Hydraulische olie bijvullen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
10.5.10 Hydraulisch systeem controleren
→ Alle slangen van het hydraulische systeem en aansluitingen op lekkage controleren.
Onderhoud van het hydraulische systeem alleen door de Kärcher-klantendienst.
10.5.11 Hydraulische olie en oliefilter vervangen

→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Deksel en omgeving reinigen.
→ Schroeven eruit draaien en deksel wegnemen.
→ Veer en filterelement eruit nemen.
→ Opvangbak (ca. 20 liter) onder de olieaftapschroef plaatsen.
→ Olieaftapschroef uitdraaien en olie opvangen.
→ Olieaftapschroef met een nieuwe dichting vastschroeven (aanhaalmoment 40 Nm).
→ Olie in de filteropening vullen. Oliehoeveelheid en -soort zie „Technische gegevens“.
→ Nieuwe hydraulische-oliefilter plaatsen.
→ Dichting controleren en aanbrengen.
→ Veer aanbrengen.
→ Deksel aanbrengen en vastschroeven.
→ Motor starten en apparaat enkele minuten laten draai- en.
Daarbij de olieaftapschroef en het deksel op dichtheid controleren.
→ Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren.
→ Afgewerkte olie naar de betreffende inzamelcentra brengen.
10.5.12 Olie in de wielmotoren vervangen

→ Bereik rond olievul- en olieaflaatschroef reinigen.
→ Opvangbak onder de olie-aftapschroef zetten.
→ Olieaftapschroef uitdraaien en olie opvangen.
→ Olievulschroef eruit draaien.
→ Olieaftapschroef indraaien en vast aandraaien. (aanhaalmoment 30 Nm).
→ Olie erindoen.
Oliehoeveelheid en -soort zie „Technische gegevens“.
→ Olievulschroef indraaien en aanspannen. (aanhaalmoment 30 Nm).
→ Afgewerkte olie naar de betreffende inzamelcentra brengen.
10.5.13 Koelmiddelpeil controleren
→ Motorbekleding rechts wegnemen.

Het koelwaterpeil moet gecontroleerd worden bij een koude motor.
- Het koelwaterpeil moet bij de onderste markering staan.
10.5.14 Koelwater navullen
- Koelmiddel zie hoofdstuk „Technische gegevens“.
- Om na te vullen, moet een mengsel van water en anti-vriesmiddel gebruikt worden.
- Geen verschillende antivriesmiddelen mengen.
- Enkel onthard water voor het mengsel gebruiken.
- Vul koelmiddel enkel na bij een koude motor.
→ Motorbekleding rechts wegnemen.
Indien het koelwaterexpansievat helemaal leeg is, moet eerst de koeler nagevuld worden:

1 Koelerdeksel
2 Aflaatschroef
→ Koelerdeksel afschroeven.
→ Koeler langzaam helemaal tot boven zonder luchtbellen vullen.
→ Koelerdeksel opschroeven.
Koelwaterexpansievat navullen:
→ Deksel van het expansievat nemen.
→ Expansievat tot de onderste streep vullen.
→ Deksel van het expansievat sluiten.
→ Motor starten en laten warmdraaien.
→ Controleer het vulniveau in het koelmiddel-compensatievat.
Bij een warme motor moet het koelwaterpeil bij de bovenste streep staan.
→ Bij een te laag koelwaterpeil de motor uitzetten, laten afkoelen en ontbrekende koelvloeistof in het expansievat gieten.
10.5.15 Brandstofffilter controleren

– Onderhoud niet in gesloten ruimtes doen.
- Roken en open vuur is verboden.

→ Afsluitkraan sluiten.
→ Opvangbak onder de brandstofffilter houden.
→ Wartelmoer losdraaien.
→ Filterinzet eruit nemen.
→ Binnenkant van de bak reinigen.
→ Nieuwe filterinzet plaatsen.
→ 0-ring controleren. Indien nodig vervangen.
→ Brandstofffilter opnieuw monteren.
→ Afsluitkraan openen.
→ Brandstofsysteem ontluchten.
10.5.17 Waterafscheider controleren

→ Garanderen dat de afsluitkraan open is.
→ Controleren of de vlotter zich op de bodem van de waterafscheider bevindt.
Indien de vlotter niet op de bodem ligt, bevindt er zich water in de waterafscheider en moet de waterafscheider gereinigd worden.
10.5.18 Waterafscheider reinigen
⚠ Gevaar
Explosiegevaar!
– Onderhoud niet in gesloten ruimtes doen.
- Roken en open vuur is verboden.
→ Afsluitkraan sluiten.
→ Opvangbak onder de waterafscheider houden.
→ Wartelmoer losdraaien.
→ Reservoir van de waterafscheider nemen.
→ Veer en vlotter uit het reservoir nemen.
→ Binnenkant van de bak reinigen.
→ Draadfilter reinigen.
→ O-ring tussen reservoir en bovendeel van de wateraf-scheider controleren.
→ Waterafscheider opnieuw monteren.
→ Afsluitkraan openen.
→ Brandstofsysteem ontluchten.
10.5.19 Brandstofsysteem ontluchten
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar. Brandstofsysteem niet ontluchten door de startmotor te bedienen.
→ Controleren of het brandstofreservoir gevuld is.
→ Afsluitkraan aan de brandstofffilter en aan de wateraf-scheider openen.

→ Pomphendel meermaals naar beneden duwen tot het brandstofsysteem ontlucht is.
→ Motor starten.
→ Wanneer de motor niet start, het ontluchtingsproces herhalen.
10.5.20 Luchtfilter controleren

1 Indicatie luchtfiltervervanging
→ Indien de indicatie van de luchtfiltervervanging rood is, moet het luchtfilterelement vervangen worden.
10.5.21 Luchtfilter reinigen en vervangen

→ Schroef uitdraaien.
→ Luchtfilter naar binnen schuiven en naar beneden weg-nemen.
→ Klem loszetten.
→ Luchtfilterhuis openen.

→ Voorfilter wegnemen.
Luchtfilterelement ingebouwd laten zodat het stof bij de reiniging van de voorfilter niet in de motor terechtkomt.
→ Voorfilter voorzichtig van binnen naar buiten met perslucht (0,3...0,5 MPa) uitblazen.
→ Indien de voorfilter niet proper wordt of beschadigd is, moet een nieuwe voorfilter gebruikt worden.
→ Binnenkant van de luchtfilterbehuizing reinigen.
→ Luchtfilterelement indien nodig vervangen.
→ Luchtfilter in omgekeerde volgorde opnieuw monteren.
→ Knop van de indicatie voor de luchtfiltervervanging indrukken om de weergave te resetten.
10.5.22 Watercirculatiesysteem (optie) spoelen
→ Slangverbinding watercirculatiesysteem scheiden.
→ Watertoevoerslang met het watercirculatiesysteem verbinden en spoelen.
→ Bij het spoelen van het uiteinde naar de zuigbuis tevens de schakelaar Beregening op het watercirculatie-systeem zetten.
10.5.23 Apparaat smeren

Gevaar voor functionele storingen. V-riem niet met vet in contact laten komen.
→ Met pijlen gemarkeerde smeernippels met de vetpers smeren.
→ Met „*“ pijlen gemarkeerde smeernippels moeten dagelijks voor het bedrijfsbegin gesmeerd worden.
→ Hoogwaardig vet dat voor meerdere doeleinden geschikt is gebruiken en met de vetspuit invetten.
1 V-snaar
VOORZICHTIG
Gevaar voor functionele storingen. V-riem niet met vet in contact laten komen.
→ Met pijlen gemarkeerde smeernippels met de vetpers smeren.
→ Met „*“ pijlen gemarkeerde smeernippels moeten dagelijks voor het bedrijfsbegin gesmeerd worden.
→ Hoogwaardig vet dat voor meerdere doeleinden geschikt is gebruiken en met de vetspuit invetten.
10.5.24 V-snaar controleren
V-riem aan de koelerventilator van de motor controleren.
10.5.25 Ruitensproeiers onderhouden

text_image
1 21 Sproeier
2 Schroef
Sproeiers reinigen/instellen:
→ Sproeiopeningen met een draad reinigen.
→ sproeirichting door het verdraaien van de sproeikop d.m.v. een draad instellen.
Ruitenwisserblad vervangen:
→ Schroef losdraaien.
→ ruitenwisserblad vervangen.
10.5.26 Zijbezems vervangen (bij veegmachine)
→ Parkeerrem vastzetten.
→ Schroeven "A" eruit draaien.
→ Schroeven "B" losdraaien.
→ Bezem draaien en wegnemen.
→ 2 schroeven 180° verspringend in de nieuwe bezem schroeven.

→ Borstel in de richting van de pijl draaien.
→ Overige schroeven indraaien en alle schroeven aanspannen.
10.5.27 Keerwerk wegnemen (bij veegmachine)
→ Bezem laten zakken.
→ Apparaat uitschakelen.

→ Bezem met de hand optillen en staalkabel eruit halen.

→ Borgpen naar voren zwenken en wegnemen.
→ Keerwerk optillen.
10.5.28 Sproeiwatersysteem ontluchten (bij veegmachine)
OPMERKING
Als het waterreservoir volledig werd leeggemaakt, moet na de nieuwe vulling het sproeiwatersysteem ontlucht worden.

→ Ventiel openen totdat het water zonder luchtbellen naar buiten komt.
→ Ventiel weer sluiten.
10.5.29 Waterreservoir leegmaken (bij veegmachine)

→ Ventiel sluiten.
→ Wartelmoer losschroeven.
→ Slang verwijderen.
→ Ventiel openen.
→ Water aflaten.
→ Wartelmoer opnieuw op de filter aanbrengen en aanspannen.
Bij kans op vorst:
→ Ventiel openen en beregening gedurende enkele seconden inschakelen.
→ Apparaat met open ventiel opslaan.
10.5.30 Waterfilter reinigen (bij veegmachine)

→ Ventiel sluiten.
→ Wartelmoer losschroeven.
→ Filterbeker van het filterhuis schroeven.
→ Filterelement reinigen.
→ Ventiel openen.
→ Filterbeker op het filterhuis schroeven en vastzetten.
→ Wartelmoer opnieuw op de filter aanbrengen en aanspannen.
→ Ventiel openen.
10.5.31 Sproeiers aan de zijbezems reinigen (bij veegmachine)

→ Wartelmoer losschroeven.
→ Sproeier verwijderen.
→ Sproeier reinigen.
10.5.32 Sproeiers in de zuigmond reinigen (bij veegmachine)

→ Zuigmond laten zakken.

→ Slang naar boven uit de houder trekken.
→ Sproeierhouder uit de zuigmond trekken.
→ Sproeier verwijderen.
→ Sproeier reinigen.
Instructie:
Sproeiers niet verwisselen, het boorgat van de voorste sproeier heeft een andere diameter.
10.5.33 Looprollen zuigmond vervangen (bij veegmachine)

text_image
1 21 Looprol
2 Bevestigingsmoer
→ Bevestigingsmoeren van de geleiderollen verwijderen.
→ Geleiderollen vervangen.
→ Bevestigingsmoeren van de geleiderollen vastschroeven.
→ Looprollen zodanig instellen dat de achterste zuiglip rondom een afstand tussen 0 en 1 mm ten opzichte van de bodem heeft.
→ Bevestigingsmoeren aanspannen.
10.6 Zekeringen
OPMERKING
Gebruik enkel zekeringen met eenzelfde zekeringwaarde.
→ Defecte zekeringen vervangen.
10.6.1 Zekeringen en zekeringkast van de chauffeurscabine vervangen

→ Kartelschroeven eruit draaien en deksel wegnemen.

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 10 1 5 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 9| Zekeringen bestuurderscabine | ||
| 1 Vrije | steekplaats in de plafondconsole (tweede plaats van rechts) | 10 A |
| 2 Aans | uiting autoradio 3 A | |
| 3 Werk | verlichting 10 A | |
| 4 Scha | kelaar voor optie (bv. verwarmbare buitenspiegel) | 10 A |
| 5 Ruiten | wisser 10 A | |
| 6 Ruiten | sproei-inrichting 3 A | |
| 7 Zwaailicht | 7.5 A | |
| 8 Cabineverlichting | 3 A | |
| 9 Relais | groot licht | |
10.6.2 Zekeringen en zekeringkast motorruimte vervangen

→ Deksel verwijderen.

text_image
9 10 11 12 13 14 15 1 2 3 4 5 6 7 8| Zekeringen motorruimte | ||
| 1 Controlelampjes, zoemer koelwatertemperatuur, brandstofpomp, achteruitrijclaxon, 7-polige contactdoos vooraan, 2-polige contactdoos vooraan, motoruitschakelkleptimer, motoruitschakelklep (houdstroom) | 10 A | |
| 2 2-polige contactdoos vooraan, 7-polige contactdoos vooraan, 2-polige contactdoos achteraan, voorlicht | 20 A | |
| 3 Ventiel rijrichting, dynamo, 10 A | ||
| 4 Airconditioning 7.5 A | ||
| 5 boordcontactdoos console, 7-polige contactdoos vooraan | 10 A | |
| 6 Motoruitschakelklep (aantrekstroom) 30 A | ||
| 7 Bedrijfsurenteller vegen, PTO stop, contro-lelampje rem | 10 A |
| 8 Hoofdzekering 40 A | |
| 9 Dimlicht 20 A | |
| 10 Airconditioning 20 A | |
| 11 Cabine 30 A | |
| 12 Zwaailicht, claxon, relais licht, 7-polige contactdoos vooraan (Pin 1) | 10 A |
| 13 Knipperlicht, waarschuwingsknipperlicht 10 A | |
| 14 Airconditioning 10 A | |
| 15 Comfortstoel 15 A |
11 Hulp bij storingen
11.1 Storingen met weergave
| Weergave | Oorzaak | Oplossing | Door wie |
| Waarschu-wingslampje motortemperatuur brandt | Motor oververhit | Motortoerental op nullast zetten. | Bediener |
| Peil van de koelvloeistof in de motor controle-ren.Indien het waarschuwingslampje niet binnen 5 minuten dooft, de motor uitzetten en de klan-tendienst raadplegen. | |||
| Waarschu-wingslampje Tem-peratuur hydraulische olie brandt | Hydraulische olie oververhit | Temperatuur te hoog: laat de motor stationair draaien tot het waarschuwingslampje uit is.Hydraulisch systeem voor werking uitschake-len. | Bediener |
| Waarschu-wingslampje Bat-terij brandt | Batterij wordt niet geladen | Klantendienst raadplegen. | Bediener |
11.2 Storingen zonder indicatie
| Storing | Oplossing |
| Apparaat wil niet starten. | Accu opladen of vervangen |
| Op de rempedaal drukken. | |
| Brandstof tanken, brandstofsysteem ontluchten | |
| Brandstofffilter reinigen of vervangen. | |
| Brandstofleidingsysteem, aansluitingen en verbindingen controleren en zo nodig repareren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Motor loop onregelmatig | Luchtfilter reinigen of vervangen |
| Brandstofleidingsysteem, aansluitingen en verbindingen controleren en zo nodig repareren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Motor loopt, maar het apparaat rijdt slechts langzaam of helemaal niet. | Parkeerrem ontgrendelen |
| Vloeistofpeil van het hydraulisch systeem controleren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Zijbezems draaien slechts langzaam of helemaal niet (bij veegmachine) | Toerental zijbezems verhogen |
| Touwtjes en banden verwijderen | |
| Vloeistofpeil van het hydraulisch systeem controleren | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Storing OplossingApparaat stoft (bij veegmachine) Waterpomp ins | schakelen |
| Water bijvullen | |
| Toerental zijbezems aanpassen | |
| Sproeiers aan de zijbezems reinigen | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Veegeenheid laat veeggoed liggen (bij veegmachine) | Werkgebied verkleinen |
| Veeggoedcontainer legen | |
| Motortoerental correct instellen | |
| Zuigkanaal reinigen | |
| Beschermingsrooster uitlaatgas reinigen | |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Grof vuil blijft liggen (bij veegmachine) | Zuigmond laten zakken en bovenkant reinigen. |
| Veeggoedreservoir gaat niet omhoog of omlaag (bij veegmachine) | Vloeistofpeil van het hydraulisch systeem controleren |
| Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen | |
| Storing bij hydraulisch bewogen delen | Kärcher-klantenservice op de hoogte brengen |
| Eén van twee aangesloten aanbouwapparaten mag niet gebruikt worden | Hydraulische koppelingen van het niet-gebruikte aanbouwapparaat uittrekken |
11.3 Wegslepen
⚠️ VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar. Het apparaat mag niet weggetakeld worden. De veegmachine niet meer dan stapvoets bewegen.
⚠ GEVAAR
Het voertuig is niet toegelaten voor kraanbelading.
OPMERKING
Bij het wegslepen erop letten, dat het bezemsysteem niet beschadigd wordt (bij veegmachine).
→ Sproeiwater aflaten (bij veegmachine).
→ Veeggoedreservoir leegmaken (bij veegmachine).
→ Sleptouw vastmaken aan het sleepoog van voren of van achteren.
→ Apparaat langzaam op het transportvoertuig trekken.
VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar voor het transmissie. Apparaat langzaam verschuiven of trekken.
| MC 50 | ||
| Rijsnelheid, vooruit km/h 20 | ||
| Rijsnelheid, achteruit km/h 8 | ||
| Werksnelheid km/h 10 | ||
| Klimvermogen (max.) % 25 | ||
| Aangedreven assen 2 | ||
| Theoretische oppervlaktecapaciteit m | ^2 /u 14000 | |
| Werkbreedte mm 1400 | ||
| Duur inzetten bij volle tank h ca. 12 | ||
| Motor | ||
| Fabrikant -- Yanmar | ||
| Type | -- | 3TNV76-DU |
| Slagvolume | cm^3 | 1116 |
| Motorvermogen bij 3000 1/min | kW | 18,9 |
| Koppel bij 2000 1/min | Nm | 66,6 |
| Elektrische installatie | ||
| Accu | V, Ah | 12, 40 |
| Bedrijfsstoffen | ||
| Soort brandstof | Diesel | |
| Inhoud brandstoftank | I | 37 |
| Type motorolie | SAE 10W-40 | |
| Hoeveelheid motorolie | I | 3,4 |
| Koelmiddel (SAE J814C) | -- | Havoline XLC Antifreeze |
| Type hydraulische olie | Renol B HV 46 | |
| Hoeveelheid hydraulische olie | I | 20 |
| Olietype wielmotor | GL4/5 75-W90 | |
| Oliehoeveelheid wielmotoren | I | 4 x 0,08...0,09 |
| Veeggoedreservoir | ||
| Max. ontladhoogte | mm 1400 | |
| Volume van het veeggoedreservoir (brutto) | I ( m^3 ) | 700 (0,7) |
| Maximale lading | kg | 565 |
| Zijbezems | ||
| Zijbezem-diameter | mm 700 | |
| Toerental (traploos) | 1/min | 0...150 |
| Smeervetten | ||
| Voor manueel in te vetten smeerplekken | -- | Vet voor meerdere doel-einden geschikt |
| Omgevingsvoorwaarden | ||
| Temperatuur °C -5 ... +40 | ||
| Luchtvochtigheid, niet bedauwend | % 0 - 90 | |
| Maten en gewichten | ||
| Lengte x breedte x hoogte | mm 2797 x 1212 x 1970 | |
| Transportgewicht | kg | 1150 |
| Toelaatbaar totaalgewicht | kg | 1750 |
| Toegelaten asbelasting vooraan | kg | 900 |
| Toegelaten asbelasting achteraan | kg | 1200 |
| Draagkracht trekhaak (optie) | kg | 120 |
| Belasting trekhaak (optie), geremd/ongeremd | kg | 1000/500 |
| Draaicirkel | mm 750 | |
| Watertank | I | 160 |
| Berekende waarden conform EN 60335-2-72 | ||
| Totale waarde trilling armen | m/s^2 | <2,5 |
| Onzekerheid K | m/s^2 | 0,2 |
| Totale waarde trilling zitting m/s | ^2 | <0,5 |
| Onzekerheid K m/s | ^2 | 0,1 |
| Berekende waarden conform Outdoor2000/14/EG, EN 60335-2-72 | ||
| Geluidsdrukniveau L_pA | dB(A) 77 | |
| Onzekerheid K_pA | dB(A) 3 | |
| Geluidskrachtniveau L_WA + onveiligheid K_WA | dB(A) 103 | |
* met veeginstallatie
Alleen door Kärcher goedgekeurde banden gebruiken.
| Bandentype Grootte van de band | Aanbevolen bandendruk MPa (bar) |
| Band voor normaal gebruik op de openbare weg | 195/55 R10C 0,62 (6,2) |
| Band voor gebruik op gras | 20x10.00-10 0,28 (2,8) |
| Standaard band, extra breed | 20x12.00-10 0,14 (1,4) |
| Tractieband (grof pro-fiel) | 20x 8.00-10 0,45 (4,5) |

Afbeelding: Sticker in de bestuurderscabine met aanbevolen waarden voor de bandendruk
13 EU-conformiteitsverklaring
Hierbij verklaren wij dat de hierna vermelde machine door haar ontwerp en bouwwijze en in de door ons in de handel gebrachte uitvoering voldoet aan de betreffende fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen, zoals vermeld in de desbetreffende EU-richtlijnen. Deze verklaring verliest haar geldigheid wanneer zonder overleg met ons veranderingen aan de machine worden aangebracht.
Product: Straatveegmachine
Type: MC 50
Van toepassing zijnde EU-richtlijnen
2006/42/EG (+2009/127/EG)
2014/30/EU
2000/14/EG
Toegepaste geharmoniseerde normen
EN 13019
CISPR 12
Toegepaste conformiteitsbeoordelingsprocedure
2000/14/EG: Bijlage V
Geluidsvermogensniveau dB(A)
Gemeten: 101
Gegarandeerd: 103
De ondergetekenden handelen in opdracht en met volmacht van de directie.
Documentatieverantwoordelijke:
S. Reiser
Alfred Kärcher SE & Co. KG

















