TICP100 - Niet gecategoriseerd TEKTRONIX - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis TICP100 TEKTRONIX in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Niet gecategoriseerd in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding TICP100 - TEKTRONIX en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. TICP100 van het merk TEKTRONIX.
GEBRUIKSAANWIJZING TICP100 TEKTRONIX
- IAR Systems name may not be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. THE SOFTWARE IS PROVIDED "AS IS" AND THE AUTHOR DISCLAIMS ALL WARRANTIES WITH REGARD TO THIS SOFTWARE INCLUDING ALL IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS. IN NO EVENT SHALL THE AUTHOR BE LIABLE FOR ANY SPECIAL, DIRECT, INDIRECT, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES OR ANY DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR PERFORMANCE OF THIS SOFTWARE. Third Party Software Licenses 6Belangrke veiligheidsinformatie Deze handleiding bevat informatie en waarschuwingen die door de gebruiker moeten worden opgevolgd voor veilig gebruik en om het product in een veilige toestand te houden. Voor het veilig uitvoeren van onderhoud aan dit product, zie de Samenvatting onderhoudsveiligheid die volgt op de Samenvatting algemene veiligheid. Samenvatting algemene veiligheid Gebruik het product uitsluitend zoals gespecificeerd. Lees de onderstaande veiligheidsmaatregelen om letsel te vermijden en schade aan dit product of de producten die hiermee zijn verbonden te voorkomen. Lees alle instructies zorgvuldig door. Bewaar deze instructies voor toekomstige raadpleging. Dit product moet worden gebruikt in overeenstemming met de lokale en nationale codes. Voor een juiste en veilige werking van het product is het van essentieel belang dat u de algemeen aanvaarde veiligheidsprocedures opvolgt, naast de veiligheidsmaatregelen die in deze handleiding zijn gespecificeerd. Het product is uitsluitend ontworpen voor gebruik door getraind personeel. Alleen gekwalificeerd personeel dat zich bewust is van de gevaren mag de afdekking verwijderen voor reparatie, onderhoud of aanpassing. Controleer het product vóór gebruik altijd met een bekende bron om er zeker van te zijn dat het correct functioneert. Dit product is niet bedoeld om gevaarlijke spanningen te detecteren. Gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen om schokken en letsel door vlambogen te voorkomen wanneer gevaarlijke, onder spanning staande geleiders zijn blootgelegd. Tijdens gebruik van dit product moet u zich mogelijk toegang verschaffen tot andere onderdelen van een groter systeem. Lees de veiligheidssecties van de handleidingen van de andere componenten voor waarschuwingen en aanwijzingen voor de bediening van het systeem. Wanneer deze apparatuur in een systeem wordt geïntegreerd, is de veiligheid van dat systeem de verantwoordelijkheid van de monteur van het systeem. Brand of persoonlk letsel vermden De nominale waarden van alle aansluitklemmen in acht nemen Om het gevaar van brand of een schok te vermijden, dient u alle nominale waarden en markeringen op het product in acht te nemen. Raadpleeg de producthandleiding voor meer informatie over de nominale waarden voordat u de aansluitingen naar het product tot stand brengt. Zorg dat u de certificering van de meetcategorie (CAT) en de nominale spannings- of stroomwaarden van de individuele component met de laagste nominale waarde van een product, sonde of accessoire niet overschrijdt. Pas geen potentiaal toe op een aansluitklem, waaronder de algemene aansluiting, die de maximale nominale waarde van die aansluitklem overschrijdt. De meetklemmen op dit product zijn niet gecertificeerd voor aansluiting op circuits van categorie IV. Sluit geen stroomsondes aan op bedradingen met een spanning boven de nominale spanning van de stroomsonde. Belangrijke veiligheidsinformatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 7Niet bedienen zonder afdekkingen Bedien dit product niet als de afdekkingen of panelen zijn verwijderd, of wanneer de behuizing is geopend. Blootstelling aan gevaarlijke spanning is mogelijk. Blootgelegde circuits vermden Raak de blootgelegde aansluitingen en componenten niet aan wanneer er netspanning aanwezig is. Niet bedienen met vermoede storingen Als u vermoedt dat dit product beschadigd is, laat het inspecteren door gekwalificeerd onderhoudspersoneel. Schakel het product uit als het beschadigd is. Gebruik het product niet als het beschadigd is of incorrect functioneert. Als u twijfelt over de veiligheid van het product, schakel het dan uit. Breng een duidelijke markering aan op het product om verder gebruik te voorkomen. Inspecteer vóór gebruik de spanningssondes, testkabels en accessoires op mechanische schade en vervang ze wanneer deze beschadigd zijn. Gebruik de sondes of testkabels niet als deze beschadigd zijn, als er blootgelegd metaal zichtbaar is of als er tekenen van slijtage aanwezig zijn. Inspecteer de buitenkant van het product voordat u het gaat gebruiken. Controleer op scheuren of ontbrekende onderdelen. Gebruik alleen gespecificeerde vervangingsonderdelen. Niet bedienen in natte/vochtige omstandigheden Houd er rekening mee dat condensatie kan optreden wanneer een unit van een koude naar een warme omgeving wordt verplaatst. Niet bedienen in een explosieve atmosfeer Productoppervlakken schoon en droog houden Verwijderd de ingangssignalen voordat u het product reinigt. Vermijd het gebruik van chemische producten bij de sonde en sondetips, omdat dergelijke producten tijdelijke of permanente schade kunnen veroorzaken en de goede werking van de sonde kunnen aantasten. Voor de reiniging wordt het gebruik van perslucht aangeraden. Een veilige werkomgeving bieden Plaats het product altijd op een locatie die geschikt is voor het aflezen van het display en de indicatoren. Vermijd onjuist of langdurig gebruik van toetsenborden, pointers en toetsen. Onjuist of langdurig gebruik van een toetsenbord of pointer kan leiden tot ernstig letsel. Zorg dat uw werkgebied voldoet aan de toepasselijke ergonomische normen. Raadpleeg een professional op het gebied van ergonomie om stressgerelateerd letsel te vermijden. Sondes en testkabels Attentie: Houd de sondedraad zo ver mogelijk uit de buurt van de tip en de hoogspanningscircuits om elektrische schokken te voorkomen. De spanningswaarde van de sondedraad is lager dan de spanningswaarde van de sondetip. Zodoende biedt de sondedraad mogelijk onvoldoende bescherming. Attentie: Gebruik de sonde nooit als de slijtage-indicator op de kabel zichtbaar wordt, om elektrische schokken te voorkomen. Neem contact op met Tektronix via tek.com voor een vervangend onderdeel. Belangrijke veiligheidsinformatie 8Oppassen voor hoge spanningen Zorg ervoor dat u de nominale spanningswaarden van de sonde die u gebruikt begrijpt en overschrijd deze nominale waarden niet. Twee nominale waarden zijn belangrijk om het volgende te weten en te begrijpen:
- De maximale meetspanning van de sondepunt naar de referentiekabel van de sonde.
- De maximale zwevende spanning van de referentiekabel van de sonde naar het aardingspunt. Deze twee nominale spanningswaarden zijn afhankelijk van de sonde en uw toepassing. Raadpleeg de sectie Specificaties van de handleiding voor meer informatie. Attentie: Om een elektrische schok te voorkomen, mag de maximale meting of de maximale zwevende spanning van de oscilloscoop-ingang van de BNC-aansluiting, de sondepunt of de referentiekabel van de sonde niet worden overschreden. Op de juiste manier aansluiten en loskoppelen. Sluit geen sondes of testkabels aan of ontkoppel deze niet wanneer ze zijn aangesloten op een spanningsbron. Gebruik alleen geïsoleerde spanningssondes, testkabels en adapters die bij het product worden geleverd of die door Tektronix worden aangegeven als geschikt voor het product. Maak het te testen circuit spanningsloos voordat de stroomsonde wordt aangesloten of losgekoppeld. Sluit geen stroomsondes aan op kabels met een spanning of frequentie die hoger is dan de spanningswaarde van de stroomshunt De sonde en accessoires inspecteren Inspecteer de sonde en accessoires vóór elk gebruik op schade (insnijdingen, scheuren of defecten in de sondebehuizing, accessoires of kabelmantel). Niet gebruiken indien beschadigd. Gebruik van zwevende metingen Laat de referentiekabel van deze sonde niet boven de nominale zwevende spanning zweven. De sonde en accessoires onderhouden Ga naar tek.com/support voor meer informatie over hoe u contact kunt opnemen met Tektronix Service Support. Termen in deze handleiding en op het product Deze termen kunnen in deze handleiding voorkomen: Attentie: Waarschuwingen betreffen condities of werkwijzen die zouden kunnen leiden tot letsel of de dood. Let op!: Let op-meldingen betreffen condities of werkwijzen die zouden kunnen leiden tot schade aan dit product of andere eigendommen. Deze termen kunnen op het product voorkomen:
- GEVAAR betekent risico op letsel dat onmiddellijk kan optreden zodra u de markering leest.
- WAARSCHUWING betekent risico op letsel dat niet onmiddellijk kan optreden zodra u de markering leest.
- LET OP betekent een gevaar voor eigendommen, met inbegrip van het product. Belangrijke veiligheidsinformatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 9Symbolen op het product Wanneer dit symbool op het product is aangebracht, moet u de handleiding raadplegen om de aard van de mogelijke gevaren op te zoeken en welke eventuele acties moeten worden ondernomen om deze gevaren te vermijden. (Dit symbool kan ook worden gebruikt om de gebruiker te verwijzen naar de certificeringen in de handleiding.) Op het product kunnen een of meerdere van de volgende symbolen voorkomen. LET OP: Raadpleeg de handleiding Beschermende aardingsklem Aardingsklem WAARSCHUWING: Hoogspanning Aansluiting op en loskoppeling van gevaarlijke niet-geïsoleerde bedrading toegestaan. Niet aansluiten op of verwijderen van een niet-geïsoleerde geleider die ONDER SPANNING GEVAARLIJK is. WAARSCHUWING: Heet oppervlak Belangrijke veiligheidsinformatie 10Afstandsvereisten Dankzij het unieke common mode-spanningsbereik van het meetsysteem kan het in de buurt van common mode-signalen met een hoge frequentie/een hoge spanning worden gebruikt. Het is belangrijk dat alle voorzorgsmaatregelen worden opgevolgd tijdens het gebruik van dit product. Attentie: Er is een risico van elektrische schokken tijdens het gebruik van dit meetsysteem. Het systeem is bedoeld om de gebruiker te isoleren van gevaarlijke ingangsspanningen (common mode-spanningen); de kunststof behuizing van de sondekop en de afscherming op de sondepunt leveren geen veilige isolatie. Houd een veilige afstand tot de sondekop en de sondepunt zolang het meetsysteem is aangesloten op het spanningvoerende circuit, zoals aanbevolen in dit document. Blijf uit de buurt van de gevarenzone voor verbranding door radiofrequentie tijdens het verrichten van metingen op een spanningvoerend circuit. De volgende afbeelding toont de onderdelen van het meetsysteem en de gevarenzone voor RF-brandwonden bij het werken met gevaarlijke spanningen. De gevarenzone voor RF-brandwonden van 1 m (40 inch) wordt aangegeven met de stippellijnen rondom de sondekop. Figuur 1: Gevarenzone voor RF-brandwonden rond de sondekop Attentie: Risico op RF-brandwonden. Raadpleeg de volgende vermogensafnamecurve om de gevarenzones te identificeren. Gebruik de sonde niet binnen de grenzen van het grijs gearceerde gebied in de grafiek om RF-brandwonden te voorkomen. Attentie: Er is een risico van verbranding door verhoogde temperaturen van de punt bij continuous-wave signalen of common- mode signalen met een hoge burst-inschakelduur tussen ca. 10 MHz en 50 MHz. Hierdoor dissiperen de ferrieten van de punt een aanzienlijk vermogen bij spanningen lager dan die worden vermeld in de volgende grafiek. Om het risico van verbranding te vermijden, moet u de temperatuur van de punt beperken tot 85°C (185°F) of lager, door de toegepaste common-mode spanning en/of inschakelduur te beperken, de omgevingstemperatuur te verlagen en/of een geforceerde convectie-luchtstroom toe te passen. Belangrijke veiligheidsinformatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 11Figuur 2: Maximale veilige hanteringslimieten voor common-mode-spanningen. Belangrijke veiligheidsinformatie 12Nalevingsinformatie Deze sectie bevat de veiligheids- en milieunormen waaraan het instrument voldoet. Dit product is uitsluitend bedoeld voor gebruik door professionals en getraind personeel; het is niet bedoeld voor huishoudelijk gebruik of gebruik door kinderen. Vragen ten aanzien van de naleving kunnen rechtstreeks worden gericht aan het volgende adres: Tektronix, Inc. PO Box 500, MS 19-045 Beaverton, OR 97077, US tek.com Naleving van veiligheidsvoorschriften Deze sectie bevat de veiligheidsnormen waaraan het product voldoet en andere informatie over de naleving van veiligheidsvoorschriften. EU-verklaring van overeenstemming – laagspanning Naleving met de volgende specificatie werd aangetoond, zoals aangegeven in het Publicatieblad van de Europese Unie. Richtlijn inzake laagspanning 2014/35/EU.
- EN 61010-1. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 1: Algemene eisen
- EN 61010-2-030. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 2-030: Bijzondere eisen voor het beproeven en meten van circuits Overzicht van in de VS nationaal erkende testlaboratoria
- UL 61010-1. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 1: Algemene eisen
- UL 61010-2-030. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 2-030: Bijzondere eisen voor het beproeven en meten van circuits Canadese certicering
- CAN/CSA-C22.2 nr. 61010-1. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 1: Algemene eisen
- CAN/CSA-C22.2 nr. 61010-2-030. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 2-030: Bijzondere eisen voor het beproeven en meten van circuits Aanvullende nalevingen
- IEC 61010-1. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 1: Algemene eisen
- IEC 61010-2-030. Veiligheidseisen voor elektrisch materieel voor meet- en regeltechniek en laboratoriumgebruik - Deel 2-030: Bijzondere eisen voor het beproeven en meten van circuits Type apparatuur Test- en meetapparatuur Beschrving van vervuilingsgraad Een meting van de verontreinigingen die zouden kunnen optreden in de omgeving rond en in een product. Gewoonlijk wordt de interne omgeving binnenin een product beschouwd als dezelfde als de externe omgeving. Producten mogen alleen worden gebruikt in de omgeving waarvoor deze zijn gecertificeerd. Nalevingsinformatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 13• Vervuilingsgraad 1. Geen vervuiling of alleen droge, niet-geleidende vervuiling. Producten in deze categorie zijn gewoonlijk ingekapseld, hermetisch afgesloten of geplaatst in cleanrooms.
- Vervuilingsgraad 2. Gewoonlijk alleen droge, niet-geleidende vervuiling. Incidenteel moet een tijdelijke geleiding veroorzaakt door condensatie worden verwacht. Deze locatie is een typische kantoor-/thuisomgeving. Tijdelijke condensatie treedt alleen op als het product buiten gebruik is.
- Vervuilingsgraad 3. Geleidende vervuiling of droge, niet-geleidende vervuiling die als gevolg van condensatie geleidend wordt. Dit zijn beschutte locaties waarin de temperatuur en de luchtvochtigheid niet worden geregeld. Het gebied is beschermd tegen direct zonlicht, directe regen of wind.
- Vervuilingsgraad 4. Vervuiling die aanhoudende geleiding genereert door middel van geleidende stof, regen of sneeuw. Gewoonlijk buitenlocaties. IP-certicering IPx0 (zoals gedefinieerd in IEC 60529). Elektrische specicaties Elektrische specificaties TICP025: Stroom 20mA, 250 MHz TICP050: Stroom 20mA, 500 MHz TICP100: Stroom 20mA, 1 GHz Max. spanning naar aarde 1300 V; Vervuilingsgraad 2; Max met transiëntenniveau mag 5kV
niet overschrijden 1800 V; Voor gebruik in een omgeving met vervuilingsgraad 1800; max. met transiëntenniveau mag 5 kV
niet overschrijden 600 V voor CAT III; Vervuilingsgraad 2 1000 V voor CAT II; Vervuilingsgraad 2 Naleving van milieuvoorschriften In deze sectie vindt u informatie over de impact van het product op het milieu. Behandeling van producten aan het einde van de levensduur Neem de volgende richtlijnen in acht bij het recyclen van een instrument of component: Recyclen van apparatuur De productie van deze apparatuur vereist de winning en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De apparatuur kan stoffen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor het milieu of de menselijke gezondheid indien deze aan het einde van de levensduur van het product niet op de juiste manier worden behandeld. Om het vrijkomen van deze stoffen in het milieu te voorkomen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen te verminderen, moedigen we u aan dit product in een daarvoor geschikt systeem te recyclen waardoor de meeste materialen zullen worden hergebruikt of op de juiste wijze worden gerecycled. Dit symbool geeft aan dat dit product voldoet aan de toepasselijke voorschriften van de Europese Unie volgens Richtlijnen 2012/19/EU en 2006/66/EG inzake afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (WEEE) en accu's. Voor informatie over recyclingopties, raadpleegt u de Tektronix-website (www.tek.com/productrecycling). Nalevingsinformatie 14Voorwoord Dit document bevat informatie over het installeren en gebruiken van de actieve geïsoleerde stroomshuntsondes uit de Tektronix TICP-serie. De sonde biedt een ongeëvenaarde bandbreedte, nauwkeurigheid, gebruiksgemak en isolatie op het gebied van stroomshuntmetingen. Compensatiebox De TekVPI-compensatiebox (comp) verbindt het meetsysteem met een van de ingangskanalen op de oscilloscoop. Het meetsysteem wordt van stroom voorzien via de TekVPI-interface van de oscilloscoop. Met behulp van de leds op de compbox wordt de algehele status van de sonde aangegeven. Sondekop De sondekop vormt een interface tussen het te testen apparaat (DUT - device-under-test) en de compensatiebox. De sondekop bevat de isolatiebarrière die het DUT scheidt van de aarde. Sondepunten Er zijn sondepuntopties beschikbaar om de sondekop op het DUT aan te sluiten. Belangrke prestatie-specicaties en kenmerken
- Galvanische isolatie tussen de sondepunt en de oscilloscoop
- Verkrijgbaar in drie bandbreedtes: 1 GHz, 500 MHz en 250 MHz
- Brede reikwijdte voor stroommeting, bepaald door de shunt die wordt gebruikt met 1X, 10X of 100X sondepunten
- Ruis <4,70 nV / √Hz (<21 μV RMS bij 20 MHz) Voorwoord Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 15• Tot 90 dB CMRR bij 1 MHz
- Maximale common mode-spanning: 1,8 kV; Voor gebruik in een omgeving met vervuilingsgraad 1; transiëntenniveau mag 5 kV
- 1,5% nauwkeurigheid DC-versterking
- Compatibel met de MSO-instrumenten uit de 4-, 5- en 6-serie, inclusief de nieuwste B-modellen
- TekVPI™-interface maakt besturing en sondeconfiguratie mogelijk vanaf het voorpaneel van de oscilloscoop of de programmeerinterface Modeloverzicht Model Beschrijving TICP025 250 MHz Tektronix geïsoleerde stroomsonde TICP050 500 MHz Tektronix geïsoleerde stroomsonde TICP100 1 GHz Tektronix geïsoleerde stroomsonde Standaardaccessoires In de volgende tabel worden de accessoires vermeld die met de sonde worden meegeleverd. Accessoire Beschrijving Onderdeelnum mer 1X sondepuntkabel met MMCX-connector TICPMM1 10X sondepuntkabel met MMCX-connector TICPMM10 SMA-puntadapter TICPSMA Ferriet klemfilter common mode 276-0905-XX Statief wordt gebruikt om de sonde vast te houden. 020-3210-XX Statiefadapter voor ¼ in - 20 UNC schroefdraadaccessoires. 103-0508-XX Sondepuntadapter. Hiermee kan een MMCX IsoVu-punt worden gebruikt op standaard vierkante pinnen van 0,100 inch, 0,025 inch. 131-9717-XX #table-continued Voorwoord 16Accessoire Beschrijving Onderdeelnum mer Zachte draagtas met schuiminzetstuk. 016-2147-XX Aanbevolen accessoires De volgende tabel geeft een overzicht van de optionele accessoires. Accessoire Beschrijving Onderdeelnum mer Sondepunt 100X met MMCX-connector TICPMM100 Vierkante pin voor MMCX-adapter, 0.062" afstand 131-9677-XX MMCX voor IC grijperkabel 196-3546-XX Vierkante pin voor IC grijperkabel 196-3547-XX MicroCKT-grijpers 206-0569-XX Voorwoord Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 17Operationele informatie Gebruik dit gedeelte om u te helpen de sonde veilig en effectief te gebruiken. Lees alle veiligheidsinformatie voordat u uw meetsysteem installeert, zodat u op de hoogte bent van de operationele en afstandsvereisten, inclusief mogelijke gevaarlijke gebieden wanneer het meetsysteem is aangesloten op het DUT. Blokschema TICP De volgende afbeelding toont een blokschema van de actieve geïsoleerde stroomshuntsonde van Tektronix. De common mode-weerstand en capaciteit naar aarde wordt weergegeven in de afbeelding. De common mode-weerstand wordt bij de sonde als oneindig weergegeven, omdat deze galvanisch geïsoleerd is en kan worden genegeerd. De capaciteit van de common mode-koppeling naar de aarde en het omliggende circuit wordt weergegeven als de overbruggingscapaciteit. Deze capaciteit zal ongeveer 20 pF bedragen wanneer de sondekop 6 inch (15,25 cm) boven een grondvlak wordt geplaatst. Om de effecten van common mode capacitieve belasting te minimaliseren, kunt u het volgende overwegen:
- Kies indien mogelijk een referentiepunt in het te testen apparaat (DUT) met een statisch potentieel ten opzichte van de aarding.
- Sluit de coaxiale (gemeenschappelijke) afscherming van de sondepunt aan op het laagste impedantiepunt van het circuit.
- Het vergroten van de fysieke afstand tussen de sondekop en een geleidend oppervlak zal de capaciteit verminderen.
- Wanneer u meerdere TICP-sondes gebruikt om verschillende punten in het circuit te meten die niet dezelfde common mode- spanningen hebben, houd dan de sondekoppen gescheiden om de capacitieve koppeling te minimaliseren. Operationele informatie 18Beste methoden voor hantering van meetsystemen Het meetsysteem bestaat uit kwaliteitsonderdelen en moet met zorg worden behandeld om schade of verslechtering van de prestaties als gevolg van verkeerd gebruik te voorkomen. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het hanteren van de sonde en de punten.
- De sondekabel niet pletten, krimpen of knikken..
- Verdraai de kabel niet.
- Laat geen knikken of knopen in de sondekabel ontstaan.
- Oefen geen trekkracht uit op de sondekabel.
- Trek niet aan de kabel, zeker niet als er knikken of knopen aanwezig zijn.
- Laat de sondekop of de compbox niet vallen. Dit kan leiden tot schade en verkeerde uitlijning van de interne componenten.
- Vermijd het te ver buigen van de sondepunten; overschrijd de minimale buigradius van 5,1 cm (2,0 inch) niet.
- Voorkom dat de kabels geplet worden door per ongeluk met het wiel van een stoel over de kabel te rijden of door een zwaar voorwerp op de kabel te laten vallen.
- Bewaar het meetsysteem in de meegeleverde draagtas wanneer het niet in gebruik is. Omgevingsvereisten Kenmerk Component Operationeel Niet operationeel Temperatuur Compensatiebox en sondekop 0°C tot +50°C -20°C tot +70°C Puntkabels en adapters -40°C tot +85°C -40°C tot +85°C Vochtigheid Compensatiebox en sondekop 5% tot 85% relatieve vochtigheid tot +40°C, 5% tot 45% relatieve vochtigheid tot +50°C, niet-condenserend 5% tot 85% relatieve vochtigheid tot +40°C, 5% tot 45% relatieve vochtigheid tot +70°C, niet-condenserend Puntkabels en adapters Hoogte Alle componenten Tot 3.000 meter (9.842 voet) Tot 12.000 meter (39370 voet) Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 19Besturingselementen en indicatoren Een beschrijving van de besturingselementen en indicatoren op de compensatiebox. 1. Ontgrendelingsknop. Om de compensatiebox (comp) los te koppelen van de oscilloscoop, drukt u op de ontgrendelingsknop en trekt u de box weg van het instrument. 2. STATUS-indicatoren. Ledlampjes die de status van de sonde aangeven. Er bevindt zich een statusindicator aan de boven- en achterkant van de compbox. Zie Table 1 voor meer informatie over de status van de led. Kabelmarkeringen De markering op de kabel waarschuwt voor mogelijk gevaar door RF-brandwonden. Operationele informatie 20Sondepunten Elke sondepunt heeft een label waarop het maximale dynamische bereik en de dempingsfactor worden vermeld. Ferrietklem aanbrengen In de volgende stappen wordt het aanbrengen van de common mode-ferrietklem op de sondekabel beschreven. Procedure
1. Plaats de common mode-ferrietklem binnen 0,25 inch van de trekontlasting van de compensatiebox.
2. Leg de kabel vijf maal in een lus om de open ferrietklem en sluit de klem.
Zorg ervoor dat de lussen zo klein mogelijk zijn om de effectiviteit van het ferriet te maximaliseren. Volgende stappen Om de ferrietklem van de sondekabel te verwijderen, steekt u een platte schroevendraaier in de opening tussen de vergrendelingen van de klem en tilt u deze omhoog. Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 21Aansluiten op een circuit De volgende stappen beschrijven het proces voor het aansluiten van de sonde van de TICP-serie op een oscilloscoop en het te testen apparaat (DUT). Voordat u begint Attentie: Sluit het meetsysteem niet aan op een spanningvoerend circuit, om het risico op een elektrische schok te vermijden. Haal altijd eerst de spanning van het te testen circuit voordat u de kabel van de punt koppelt aan of ontkoppelt van het te testen circuit. De kunststof behuizing van de sondekop en de sondepunt van de sondekabel zorgen niet voor de isolatie. Attentie: Om het gevaar voor elektrische schokken of RF-brandwonden te voorkomen terwijl het DUT onder spanning staat, mag u de sondekop of de sondepunt niet aanraken tijdens het uitvoeren van metingen. Houd altijd 1 m (40 in.) afstand van de sondekop tijdens het meten. Zie Figure 1. Attentie: Om te voorkomen dat er een vlamboog ontstaat die door een ander potentiaal wordt veroorzaakt, mag u de sondekop of de sondepunt niet koppelen met een circuit dat een andere spanning heeft. Let op!: Om mogelijke schade aan de apparatuur te voorkomen, mag u de coaxiale (gemeenschappelijke) afscherming van de sondepunt of SMA-ingang niet aansluiten op het hoge-impedantiegedeelte van een circuit. De extra capaciteit kan circuitschade veroorzaken. Sluit de coaxiale (gemeenschappelijke) afscherming aan op het lage-impedantiegedeelte van het circuit. Opmerking: Het aanraken van de sondekop of de kabel van de sondepunt bij het meten van een hoogfrequent common mode-signaal vergroot de capacitieve koppeling en kan de common mode-belasting op het te testen circuit verslechteren. Opmerking: Voorkom onnauwkeurige metingen als gevolg van het stapelen van afzonderlijke sondekoppen. Houd mobiele telefoons op minstens een meter afstand tijdens het uitvoeren van metingen. Over deze taak Controleer of het DUT niet is aangesloten op een spanningvoerend circuit. Voor een zo nauwkeurig mogelijke meting laat u de sonde 5 minuten opwarmen. Procedure
1. Sluit de compensatiebox aan op een beschikbaar kanaal op de oscilloscoop.
2. Lijn de IsoConnect™-connectoren van de sondepunt en de sondekop met elkaar uit.
Zorg ervoor dat u tijdens dit proces de sondepunt niet buigt of verdraait.
3. Koppel de sondepunt met de sondekop.
Operationele informatie 22Opmerking: Bevestig de sondekop op een tweepoot- of driepootstatief (met adapter) of een soortgelijke steun. Door gebruik van een steun blijft de sondekop stabiel, waardoor potentiële mechanische spanningen op het elektrische aansluitpunt van het DUT worden verminderd. De steun houdt de sondekop ook uit de buurt van omringende circuits en geleidende objecten om de parasitaire capacitieve koppeling met deze omgeving te minimaliseren. De meegeleverde statiefadapter is vereist om sondes van de TICP-serie op een statief te bevestigen.
4. Sluit de sondepunt aan op het DUT.
Als u een MMCX-punt gebruikt, sluit u de punt aan op een MMCX-connector of op een adapter met vierkante pin voordat u deze aansluit op het DUT. De adapters worden aangesloten op vierkante pinnen met een tussenruimte van 0,100 inch (2,54 mm) of 0,062 inch (1,57 mm).
5. Stel de besturingsselementen op de oscilloscoop in.
6. Schakel het DUT in om de meting uit te voeren.
Installatie statiefadapter In de volgende stappen wordt de installatie beschreven van de statiefadapter op de sondekop en het bevestigen ervan op een statief. Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 23Procedure
1. Bevestig de adapter op een compatibel statief.
De schroefdraad in de adapter is UNC¼-20. Zorg ervoor dat de schroefdraad van het statief ook UNC¼-20 is.
2. Open de klem op de statiefadapter en bevestig deze op de sondekop.
Bevestiging op een tweepootstatief In de volgende stappen wordt beschreven hoe de sondekop kan worden bevestigd op een tweepootstatief. Operationele informatie 24Procedure
1. Knijp de handgrepen van het tweepootstatief samen om de klem te openen.
2. Plaats de sondekop in de klem en laat de hendel los, zodat de sonde de hoek heeft die nodig is om verbinding te maken met het DUT. Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 25De SMA-adapter aansluiten De volgende stappen beschrijven het proces voor het aansluiten van de TICPSMA SMA-puntadapter op de sondekop en de SMA-kabel. Voordat u begint Opmerking: Het wordt aanbevolen om eerst de SMA-kabel op de SMA-adapter aan te sluiten en vervolgens de SMA-adapter op de sondekop aan te sluiten. Procedure
1. Sluit een SMA-kabel aan op de SMA-adapter.
Gebruik een SMA-sleutel om de SMA-kabel vast te draaien tot 8 in lbs.
2. Sluit de SMA-adapter aan op de sondekop.
Operationele informatie 26De sondepuntadapters installeren Er zijn twee Tektronix-sondepuntadapters waarmee u de MMCX-sondepunten kunt aansluiten op pinnen op de printplaat. De pitchadapter MMCX-op-0,1-inch (2,54 mm) en de pitchadapter MMCX-op-0,062-inch (1,57 mm). Eén uiteinde van elke adapter heeft een MMCX-poort voor aansluiting op een IsoVu MMCX-puntkabel. Het andere uiteinde van de adapter heeft een centrale pin-poort en vier gemeenschappelijke (afgeschermde) poorten rond de buitenkant van de adapter. Inkepingen op de adapters kunnen worden gebruikt om de afgeschermde poorten te lokaliseren. De procedure voor het installeren van deze adapters is hetzelfde, het belangrijkste verschil is de afstand tussen de pinnen op de printplaat. Om de adapters op de vierkante pinnen aan te brengen, lijnt u het midden van de adapter uit met de signaalbronpin op de printplaat. Gebruik de inkeping op de adapter om een van de afgeschermde poorten uit te lijnen met de gemeenschappelijke pin op de printplaat. De volgende afbeeldingen tonen voorbeelden van het uitlijnen van de adapters op de printplaat. Om de beste elektrische prestaties te bereiken, in het bijzonder de CMRR-prestaties en EMI-gevoeligheid, plaatst u de sondepuntadapter zo dicht mogelijk bij de printplaat. Figuur 3: De MMCX-op-0,1-inch (2,54 mm) adapter op de printplaat uitlijnen Figuur 4: De MMCX-op-0,062-inch (1,57 mm) adapter op de printplaat uitlijnen Nadat u de adapters hebt uitgelijnd, drukt u de adapter voorzichtig omlaag om deze op zijn plaats op de printplaat te plaatsen. Figuur 5: De MMCX-op-0,1-inch (2,54 mm) adapter op zijn plaats duwen Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 27Figuur 6: De MMCX-op-0,062-inch (1,57 mm) adapter op zijn plaats duwen De vierkante pinnen aanbrengen op de printplaat De volgende afbeelding en tabel tonen de aanbevolen afstandsvereisten voor het aansluiten van de adapters op de vierkante pinnen op de printplaat. De onderkanten van de adapters worden bovenaan weergegeven. Figuur 7: Afstandsvereisten adapter Referentie afbeelding Sondepuntadapter, MMCX op 0,1” pitch vk. pin 0,635 mm (0,025 in) vk. pinnen Sondepuntadapter, MMCX op 0,062” pitch vk. pin 0,406 mm (0,016 in) vk. pinnen 1 Aanbevolen maximale pinlengte 6,00 mm (0,235 in) Aanbevolen maximale pinlengte 4,40 mm (0,170 in) 2 Ruimte tussen adapter en printplaat minimaliseren 3 Veiligheidsruimte (diameter van iedere adapter) 4 Vermijd of minimaliseer aanwezigheid van componenten binnen de veiligheidsruimte De vierkante pinnen van 0,025 inch (0,635 mm) moeten zich al op de printplaat bevinden. Bij sommige vierkante pinnen zijn mogelijk headers op de printplaat geïnstalleerd. Tektronix raadt aan om het plastic afstandsstuk van de vierkante pinnen te verwijderen om beter Operationele informatie 28toegang te krijgen tot de printplaat, zoals weergegeven in de volgende afbeelding, om de beste elektrische prestaties te bereiken, in het bijzonder CMRR. Mogelijk moet u een pincet gebruiken om het afstandsstuk te verwijderen, zoals weergegeven op de afbeelding. Figuur 8: Het verwijderen van de header van de vierkante pinnen op de printplaat Tektronix levert een set soldeerpinnen (0,018 inch (0,46 mm) diameter) om op de printplaat te installeren voor gebruik met de adapter MMCX op 0,062 inch (1,57 mm). Gebruik het soldeerhulpgereedschap (Tektronix onderdeelnummer, 003-1946-xx) om deze pinnen op de printplaat te installeren. De soldeerpinnen zijn extreem klein en kunnen lastig te hanteren zijn. Tektronix raadt aan een pincet en een vergrootinstrument te gebruiken bij het installeren van de pinnen op de printplaat. De soldeerpinnen kunnen rond een op het oppervlak gemonteerd onderdeel op de printplaat worden geïnstalleerd, maar er moet voldoende ruimte vrij blijven voor een goede elektrische verbinding met de adapter. Figuur 7 op pagina 28 Opmerking: De coaxiale (gemeenschappelijke) afscherming van de sondepunt en puntadapters moet altijd worden aangesloten op het laagste impedantiepunt (meestal een gemeenschappelijk circuit- of voedingsrail) in het te testen circuit (ten opzichte van de sondepuntkabel/centrale geleider) om de meest nauwkeurige golfvorm te verkrijgen. Gebruik de volgende stappen om de soldeerpinnen met behulp van de soldeerhulp op de printplaat aan te brengen:
1. Steek de soldeerpinnen voorzichtig in de soldeerhulp, zoals weergegeven in de volgende afbeelding.
Figuur 9: Gebruik van de soldeerhulp om de vierkante pinnen op de printplaat aan te brengen 2. Gebruik de soldeerhulp om de vierkante pinnen op hun plaats te houden terwijl u de vierkante pinnen op de printplaat soldeert. 3. Breng indien nodig een kleine hoeveelheid lijm aan om de aansluiting op de printplaat verder te versterken. Breng de lijm echter zo laag mogelijk aan voor een goed elektrisch contact voor de adapter. Figuur 7 op pagina 28 Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 29Menu Probe Setup (Sondeconguratie) Gebruik het menu 'Probe Setup' (Sondeconfiguratie) om informatie over de sonde te bekijken, zelfkalibratie (SelfCal) uit te voeren, AutoZero uit te voeren, de bereikmodus te wijzigen en het bereik in te stellen. Om toegang te krijgen tot het menu voor sondeconfiguratie op de oscilloscoop, tikt u twee keer op de bijbehorende analoge kanaal-badge op de instellingenbalk en tikt u vervolgens op Probe Setup (Sondeconfiguratie). U ontvangt een waarschuwingsbericht als u de sonde op de oscilloscoop aansluit zonder dat een sondepunt is aangebracht. De volgende afbeeldingen tonen het menu met en zonder de waarschuwing voor de punt. Zelfkalibratie De zelfkalibratiefunctie (SelfCal) die de versterkingsnauwkeurigheid en de DC-offset corrigeert. Deze parameters veranderen tijdens het opwarmen van de sonde tot de bedrijfstemperatuur en blijven constant nadat de temperatuur een stabiele toestand heeft bereikt. Controleer de SelfCal Status (Status Zelfkalibratie) in het menu Probe Setup (Sondeconfiguratie). De status geeft aan wanneer SelfCal is Passed (Geslaagd) of Failed (Mislukt) en wanneer het wordt Recommended (Aanbevolen) om SelfCal uit te voeren. Om de status van de SelfCal op afstand te controleren, gebruikt u het commando SELFCAL:STATE? PI om vast te stellen of zelfkalibratie is RECOMMENDED (Aanbevolen), RUNNING (In uitvoering) of PASSED (Geslaagd). Het wordt aanbevolen om SelfCal opnieuw uit te voeren wanneer er een verandering van 10°C in de omgevingstemperatuur is of wanneer de status Recommended (Aanbevolen) is. Voer de volgende stappen uit om een zelfkalibratie uit te voeren:
1. Tik op de kanaal-badge die overeenkomt met het kanaal waarop u de sonde hebt aangesloten.
Operationele informatie
302. Klap in het menu van het kanaal het tabblad Probe Setup (Sondeconfiguratie) open.
3. Tik op de knop SelfCal.
Gebruik om de zelfkalibratie op afstand uit te voeren het commando CH<x>:PROBE:SELFCAL EXECUTE PI. Het aangesloten kanaal wordt aangegeven met "x". Opmerking: Voor de beste resultaten voert u zelfkalibratie uit terwijl de sonde is aangesloten op de uitgeschakelde DUT. Bij gebruik van verticale schalen van 10 mV/div of minder moet de zelfkalibratie van de sonde worden uitgevoerd terwijl de sondepunt nog is bevestigd en zonder dat er een signaal op de sondepunt wordt toegepast. Daarnaast wordt voor de punten TICPSMA en TICPMX1X aanbevolen om tijdens de zelfkalibratie een representatieve drive-impedantie (een uitgeschakeld DUT) aangesloten te laten op de sondepunt. Op hogere verticale schalen, of in het specifieke geval van een TICPSMA- of TICPMX1X-punt die wordt aangedreven door een zeer lage impedantie (een shuntweerstand ≤5 Ω), kan een alternatieve benadering worden gebruikt om de punt los te koppelen van de sondekop, om er zeker van te zijn dat er geen signaal wordt toegepast tijdens zelfkalibratie. Het duurt 5 minuten voordat de sonde van de TICP-serie is opgewarmd en het uitvoeren van de zelfkalibratie duurt minder dan twee minuten. De SelfCal Status (Status Zelfkalibratie) verandert in Passed (Geslaagd) of Failed (Mislukt). AutoZero AutoZero en zelfkalibratie werken op verschillende delen van het meetsysteem. Zelfkalibratie optimaliseert metingen door aanpassingen van parameters in de sonde. AutoZero is een oscilloscoopfunctie en wordt gebruikt wanneer een weergegeven golfvorm niet correct is gecentreerd (bijvoorbeeld vanwege een kleine DC-offsetfout). AutoZero wordt automatisch uitgevoerd na zelfkalibratie. Het is belangrijk om het DUT uit te schakelen of uw sonde los te koppelen van het DUT voordat u AutoZero uitvoert. Auto Range De Range Mode (Modus Bereik) kan worden ingesteld op Auto (Automatisch) of Manual (Handmatig). Wanneer de Range Mode (Modus Bereik) is ingesteld op Auto (Automatisch), wordt het sondebereik automatisch geselecteerd wanneer aan de V/div-knop op de oscilloscoop wordt gedraaid. De relatie tussen het sondebereik en de V/div-instelling is zoals te zien in de tabel Bereiken en 4/5/6-serie MSO Volts/div-instellingen. Bereiken Het meetsysteem heeft verschillende bereiken waaruit u kunt kiezen, ongeacht of de sonde met of zonder punt wordt gebruikt. Hierdoor kunnen afwegingen worden gemaakt tussen ruis en dynamisch bereik, afhankelijk van de vereisten van de meting die wordt uitgevoerd. Let op!: Om schade aan de sonde te voorkomen, mag u de piekspanning voor een bepaalde punt of sondekop niet overschrijden. De maximale niet-destructieve spanningslimiet (piekspanning) mag niet stijgen wanneer de sondebereiken worden gewijzigd. Bij MSO-instrumenten uit de 4-, 5- en 6-serie kunnen de bereiken worden geselecteerd wanneerRange Mode (Modus bereik) is ingesteld op Manual (Handmatig). De aanbevolen V/div-instellingen worden weergegeven in de onderstaande tabel. De weergegeven bereiken gelden voor de SMA-ingang van de sonde en de 1X-punt. Vermenigvuldig het bereik en de V/div-instelling met de puntdemping om de waarden voor een sondepunt te verkrijgen. Tabel 1: Bereiken en Volt/div-instellingen voor MSO's van de 4/5/6-serie Bereiken MSO-sondes van de 4/5/6-serie Aanbevolen instellingenV/div 20 mV 2 mV/div 30 mV 5 mV/div #table-continued Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 31Bereiken MSO-sondes van de 4/5/6-serie Aanbevolen instellingenV/div 45 mV 5 mV/div 65 mV 10 mV/div 90 mV 10 mV/div 125 mV 20 mV/div 175 mV 20 mV/div 250 mV 20 mV/div 350 mV 50 mV/div 500 mV 100 mV/div Wanneer u een punt gebruikt, toont het label van elke sondepunt het maximale dynamische bereik en de dempingsfactor. Wanneer gevoeligere bereiken worden geselecteerd, is het dynamische bereik beperkt. Raadpleeg het lineaire differentiële ingangsspanningsbereik in de specificatietabel voor meer informatie. Een sondepunt selecteren Let op!: Vermijd overspanningsomstandigheden die de ingangsafsluiting van de sondekop kunnen beschadigen of aantasten door de juiste sondepunt te selecteren. Het selecteren van de juiste verzwakkingsfactor voor de sondepunt is van cruciaal belang om ervoor te zorgen dat de ingangsafsluiting van de sondekop niet wordt aangetast of beschadigd door overspanning. Selecteer de sondepunt die de laagst mogelijke demping biedt voor het signaal dat wordt gemeten. Houd bij het selecteren van een sondepunt voor een bepaalde toepassing rekening met de volgende vragen:
- Wat is de maximale RMS/piekspanning op het testpunt dat wordt gemeten (bijvoorbeeld bij een storing)?
- Wat is de minimale single-ended ingangsweerstand die mijn circuit kan verdragen?
- Hoe groot is het signaal dat ik in één keer op de oscilloscoop wil weergeven?
- Welke gevoeligheid heb ik nodig (bijvoorbeeld de minimale V/div-instelling)? De volgende tabel helpt u bij het selecteren van de juiste sondepunt. Begin bovenaan de tabel en werk naar beneden. Kies de eerste punt die aan al uw criteria voldoet. Tabel 2: Selectie van sondepunt Sondepunt Gevoeligste V/div- instelling Dynamisch bereik Maximale niet- destructieve spanning (DC + pk AC) Single-ended ingangsweerstand TICPSMA 1 mV ±0,5 V ±3 V 50 Ω TICPMM1 1 mV ±0,5 V ±3 V 50 Ω TICPMM10 10 mV ±5V ±15 V 500 Ω TICPMM100 100 mV ±50 V ±60 V 5000 Ω Voor maximale niet-destructieve spanning, raadpleeg de Maximum differential input voltage vs frequency derating graphs. Scheefstand Elke sonde wordt geleverd met nominale propagatievertragingswaarden die automatisch kunnen worden toegepast via het menu Vertical (Verticaal) op de oscilloscoop. De nauwkeurigheid van de scheefstand kan worden verbeterd met behulp van een bekend signaal en een Operationele informatie 32scheefstandopstelling. Wanneer de timingrelaties tussen golfvormen van cruciaal belang zijn, moet u uw testsysteem altijd rechtzetten met bekende apparatuur. Offset invoer Het meetsysteem biedt een instelbare invoer-gerelateerde offsetspanning. Dit maakt het mogelijk om een gedeelte van het signaal dat buiten het scherm valt te bekijken, of om gevoelig gedrag te onderzoeken dat zich voordoet bovenop een grotere differentiële spanning. Bijvoorbeeld, een stap van 0 V naar 0,6 V zou normaal gezien een invoerbereik van ±0,5 V overschrijden. Door een offset van 250 mV toe te passen, wordt de 600 mV stap binnen het dynamische bereik van de sonde gebracht en kan deze nauwkeurig worden weergegeven. De offset wordt toegepast door de sonde. Spanningsbereik De sonde is ontworpen om karakterisering mogelijk te maken van hoogfrequente circuits met een breed scala aan differentiële spanningen in de aanwezigheid van common mode-spanningen. Het begrijpen van de limieten en verschillen tussen de spanningswaarden, zoals besproken in deze sectie, is essentieel om de signaalbetrouwbaarheid en meetnauwkeurigheid te optimaliseren. Hoewel het common mode-spanningsbereik van de sonde erg groot is (1000 V CATII), is het differentiële ingangsbereik beperkt en hangt af van de puntdemping, het geselecteerde versterkingsbereik en de toegepaste offset. De ingangsspanningsomstandigheden zijn onderverdeeld in verschillende ingangsbereiken. Common mode-spanningsbereik De sondekop wordt geïsoleerd van de massa, waardoor het common mode-invoerbereik 1000 V CATII wordt. Het differentiële ingangsbereik is beperkter en heeft betrekking op het signaal dat over de sondepunt kan worden toegepast, ongeacht de common mode-spanning. Het differentiële spanningsbereik verwijst naar de daadwerkelijke meting die op het oscilloscoopscherm verschijnt bij gebruik van IsoVu™. Voor nauwkeurige resultaten moet de meting binnen het bereik van een eventuele toegepaste offset ±V diff bereik van de punt vallen.V meas
diff Spanningsbereik voor offset Offset-spanning kan worden toegepast via de instellingen van het menu Vertical (Verticaal) van de oscilloscoop. Het ingangs- offsetvermogen van de sonde reikt van ±0,5 V tot ±50 V, afhankelijk van de gebruikte punt. Deze offset wordt toegepast op de sondekop en kan nuttig zijn om toegepaste signalen binnen het dynamische bereik (V diff ) van de sonde te brengen. Maximaal niet-destructief differentieel spanningsbereik Het maximale niet-destructieve differentiële ingangsbereik is de grootste differentiële spanning die op de ingang kan worden toegepast zonder schade aan de sonde te veroorzaken. Dit is een DC + piek AC-classificatie (geen enkel deel van het differentiële ingangssignaal mag deze waarde overschrijden). De maximale niet-destructieve differentiële spanning varieert van ±3 V tot ±60 V, afhankelijk van de gebruikte sondepunt. Het overschrijden van deze niveaus zal permanente schade aan de componenten van de sondekop veroorzaken. Operationele informatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 33Specicaties Dit hoofdstuk bevat specificaties voor het instrument. Alle specificaties gelden voor de meeste apparaten, behalve waar ze zijn aangemerkt als gegarandeerd. Specificaties voor de meeste apparaten worden voor uw gemak verstrekt, maar zijn niet gegarandeerd. Specificaties die zijn voorzien van het ✔-symbool zijn gegarandeerd en gecontroleerd in de prestatieverificatie. Alle specificaties gelden voor de meeste apparaten en zijn van toepassing op alle modellen, tenzij anders vermeld. Om aan de specificaties te voldoen, moet eerst aan deze voorwaarden zijn voldaan:
- Het instrument moet werken binnen de omgevingslimieten die in deze handleiding zijn beschreven.
- Het instrument moet gedurende ten minste vijf minuten continu in bedrijf zijn geweest binnen het gespecificeerde bedrijfstemperatuurbereik.
- Het meetsysteem wordt gevoed door een TekVPI-compatibele oscilloscoop. Gegarandeerde specificaties beschrijven gegarandeerde prestaties met tolerantielimieten of bepaalde type-geteste vereisten. Overzicht sondes en punten Sondes TICP100 TICP050 TICP025 Bandbreedte 1 GHz 500 MHz 250 MHz Stijgtijd 400 ps 700 ps 1,4 ns Nauwkeurigheid DC- versterking ±1,5% Maximale common mode-spanning 1800 V; Voor gebruik in een omgeving met vervuilingsgraad 1800; max. met transiëntenniveau mag 5 kV
niet overschrijden 1300 V; Vervuilingsgraad 2; Max met transiëntenniveau mag 5kV
niet overschrijden 600 V voor CAT III; Vervuilingsgraad 2 1000 V voor CAT II; Vervuilingsgraad 2 Spectrale dichtheid RMS-ruis 4,70 nV / √Hz (<21 μV RMS bij 20 MHz) Lengte sondekabel 2 meter (78 inch) Ingangsspanningsbereik, ingangsimpendantie Het differentiële ingangsspanningsbereik + offsetbereik mag de maximale meetbare ingangsspanning niet overschrijden. Bijvoorbeeld, de offset is beperkt tot ±0,15 V in het ±0,5 V-bereik van de TICPSMA. Het volledige ±0,5 V-offset is beschikbaar in het ±0,125 V-bereik van de sonde uit de TICP-serie. Sondepunten Differentieel ingangsspanningsb ereik Offsetbereik Maximaal meetbare ingangsspanning (Vpk) Maximaal niet- destructief differentiële spanning Ingangsimpedantie
RMS 5000 Ω || <3 pF Specificaties 34Figuur 10: Differentieel ingangsspanningsbereik Ruisvloer (A RMS) Shuntselectie 20 MHz 250 MHz 1 GHz 50 Ω TICP als shunt 420 nA 1,5 μA 3,0 μA 5 Ω shunt 4,2 μA 14,9 μA 29,7 μA 1 Ω shunt 21 μA 74,3 μA 149 μA 500 mΩ shunt 42 μA 149 μA 297 μA 50 mΩ shunt 420 μA 1,5 mA 3,0 mA 5 mΩ shunt 4,2 mA 14,9 mA 29,7 mA 500 μΩ shunt 42 mA 149 mA 297 mA 50 μΩ shunt 420 mA 1,5 A 3,0 A 15 μΩ shunt 1,4 A 5,0 A 9,9 A Maximaal meetbare stroom Maximum is afhankelijk van shuntvermogen. Shuntselectie TICPMM1 TICPSMA TICPMM10 TICPMM100 50 Ω TICP als shunt 13 mA - - 5 Ω shunt 130 mA 1,3 A 10 A 1 Ω shunt 650 mA 6,5 A 50 A #table-continued Specificaties Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 35Shuntselectie TICPMM1 TICPSMA TICPMM10 TICPMM100 500 mΩ shunt 1,3 A 13 A 100 A 50 mΩ shunt 13 A 130 A 1,0 kA 5 mΩ shunt 130 A 1,3 kA 10 kA 500 μΩ shunt 1,3 kA 13 kA 100 kA 50 μΩ shunt 13 kA 130 kA 1000 kA 15 μΩ shunt 43,3 kA 433,3 kA 3300 kA Sondebereiken De gepubliceerde cijfers gelden voor de punten TICPSMA en TICPMM1. Vermenigvuldig respectievelijk met 10 of 100 voor punten van 10X of 100X. Ingangsbereik Offsetbereik Spectrale dichtheid RMS-ruis
Ruisvloer bij 20 MHz (V RMS
±0,5 V ±0,15 V 22,9 nV / √Hz 102,5 µV RMS ±0,35 V ±0,30 V 17,4 nV / √Hz 77,8 µV RMS ±0,25 V ±0,40 V 15,0 nV / √Hz 67,2 µV RMS ±0,175 V ±0,475 V 9,5 nV / √Hz 42,4 µV RMS ±0,125 V ±0,5 V 8,7 nV / √Hz 38,9 µV RMS ±0,09 V ±0,5 V 6,3 nV / √Hz 28,3 µV RMS ±0,065 V ±0,5 V 5,5 nV / √Hz 24,7 µV RMS ±0,045 V ±0,5 V 4,7 nV / √Hz 21,2 µV RMS ±0,03 V ±0,5 V 4,7 nV / √Hz 21,2 µV RMS ±0,02 V ±0,5 V 4,7 nV / √Hz 21,2 µV RMS Afwzingsverhouding common mode (CMRR) Sondepunt DC 1 MHz 100 MHz 250 MHz 500 MHz 1 GHz TICPSMA 195 dB 90 dB 75 dB 50 dB 45 dB 35 dB TICPMM1 140 dB 90 dB 80 dB 70 dB 70 dB 50 dB TICPMM10 160 dB 70 dB 60 dB 60 dB 40 dB 20 dB TICPMM100 145 dB 50 dB 45 dB 30 dB 20 dB 6 dB Specificaties 36Toepassingsvoorbeelden Toepassingsvoorbeelden voor Wide Bandgap- (WBG) en PMIC-stroomintegriteit. Voorbeeld WBG (800V, gewoonlk 40 A; 0,125 Ω shunt) In een SiC-circuit van 800 V dat schakelt bij 40 A, zal een shunt van 125 mΩ een signaal van 5 V produceren. Om dit te meten met behulp van de TICP, moet de 10X-punt worden gebruikt. Pas in het bereik van ±3,5 V een offset toe van 0,3 V. Het meetbare stroombereik gaat van 52 A tot -4 A. Bij deze instellingen is de RMS-ruisvloer 2,2 mA RMS bij een bandbreedte van 250 MHz PMIC-stroomintegriteit (48 V, gewoonlk 3 mA; 1 Ω shunt) Op een 48 V PMIC-bus zal de stand-bystroom van 3 mA een signaal van 3 mV produceren op een shunt van 1 Ω. Gebruik de 1X-punt in het meest gevoelige ±20 mV-bereik, pas offset toe om de 3mA-stroom te bekijken en transiënten van 0 A tot 40 mA vast te leggen met een RMS-ruisvloer van 21,2 µA Specificaties Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 37Elektrische specicaties Analoge bandbreedte Sondepunt Bandbreedte TICPSMA >1 GHz TICPMM1 >1 GHz TICMM10 >1 GHz TICPMM100 >1 GHz Lineariteit Afwijking van een beste lijn is < ±2% van piek-FS Maximale afwijking van lineaire regressie, uitgedrukt als percentage van het gespecificeerde dynamische bereik. Ingangsimpedantie Sondepunt Ingangsweerstand Ingangsvermogen TICPMM1 50 ±0,5%, 49,75 tot 50,25 TICMM10 500 ±2%, 490 tot 510 <3 pF TICPMM100 5000 ±2%, 4900 tot 5100 <3 pF Impedantie van geïsoleerde beveiligingslijn (naar aarding) >120 MΩ, ~17 pF Nauwkeurigheid offset- versterking ±0,5% Lineariteit offset ±0,1% Ingangsbereik bedrijfsspanning ±0,65 V maximum differentieel Ingangskoppeling DC DC-balans < 0,1 divs Operationele willekeurige trillingen 0,31 GRMS, 5‑500 Hz, 10 minuten per as, 3 assen (30 minuten in totaal) Specificaties 38Frequentieresponsgraek De volgende grafiek toont de frequentierespons voor elke sonde. Naleving van regelgeving EMC Voldoet aan de EMC-richtlijn van de Europese Unie (CE-markering) Veiligheid Voldoet aan de laagspanningsrichtlijn van de Europese Unie (CE-markering) Voldoet aan ANSI/UL61010-1 (CSA-markering) Voldoet aan ANSI/UL61010-2-030 (CSA-markering) Voldoet aan CAN/CSA C22.2 No.61010-1 (CSA-markering) Voldoet aan CAN/CSA C22.2 No.61010-2-030 (CSA-markering) RoHS Voldoet aan de beperkingen van de Europese Unie voor gevaarlijke stoffen (CE-markering) Specificaties Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 39Afmetingen sonde Figuur 11: Sondekop Figuur 12: Sondepunten Figuur 13: Compensatiebox Specificaties 40Procedures voor prestatievericatie Gebruik de volgende procedures om de prestaties van het IsoVu-meetsysteem te verifiëren. Voordat u met de procedures begint, kopieert u de testregistratie en gebruikt u deze om de prestatieresultaten vast te leggen. Test record Vereiste apparatuur De apparatuur die nodig is om de prestatieverificatieprocedures uit te voeren, wordt weergegeven in de volgende tabel. Tabel 3: Vereiste apparatuur voor prestatieverificatie Beschrijving Minimale vereisten Voorbeeldproduct Ondersteunde oscilloscoop met TekVPI- interface Ondersteuning voor 50 Ω-ingang, volledig compatibel met TekVPI-interface Tektronix 5-serie B MSO DC-spanningsbron 3 mV tot 4 V, ±0,1% nauwkeurigheid Fluke 9500B oscilloscoopkalibrator met een Fluke 9500 Active Head SMA mannelijke kortsluitconnectordop (optioneel) Intern kortgesloten, verkoperd contact Fairview Microwave SC2135 Digitale multimeter (DMM) 0,1% nauwkeurigheid of beter Tektronix DMM6500 Eén 50 Ω-weerstand Impedantie 50 Ω; connectors: vrouwelijke BNC-ingang, mannelijke BNC-uitgang Tektronix onderdeelnummer 011-0049-XX Precisieweerstand meetopstelling Tektronix onderdeelnummer 067-3281-XX Meetopstelling prestatieverificatie TekVPI- kalibratie Tektronix onderdeelnummer 067-1701-XX RMS-ruis systeem Deze procedure verifieert of de sondes uit de TICP-serie werken en voldoen aan de gegarandeerde ruisspecificatie. De ruis wordt gemeten zonder ingangssignaal op het meest gevoelige bereik. Voordat u begint
1. Schakel de TekVPI-oscilloscoop in.
2. Sluit de TICP-sonde aan op de oscilloscoop op kanaal 1 en verwijder de TICP-sondepunt (indien bevestigd).
3. Laat de testapparatuur 30 minuten opwarmen bij een omgevingstemperatuur van ongeveer 20 °C (68 °F).
Over deze taak Deze procedure is geldig voor alle versies van de sonde van de TICP-serie. Procedure
3. Voer zelfkalibratie uit (Self-calibration).
4. Sluit de TICPSMA-sondepunt aan op de TICP-sonde.
5. Sluit de SMA kortsluitconnectordop aan op de TICPSMA.
Procedures voor prestatieverificatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 416. Schakel het TICP-kanaal in en gebruik de volgende instelling voor het menu Vertical (Verticaal): a) Vertical Scale: 1 mV/div (Verticale schaal: 1 mV/div)
7. Bewerk de instellingen van het menu
Trigger als volgt: a) Type: Edge (Type: Edge) b) Source: AC Line (Bron: AC-lijn) c) Slope: Rising (Helling: stijgend) d) Level: 0 V (Niveau: 0 V) e) Coupling: DC (Koppeling: DC)
8. Bewerk de instellingen van het menu
Horizontal (Horizontaal) als volgt: a) Horizontal Scale: 100 µs/div (Horizontale schaal: 100 µs/div) b) Record Length: 6.25 M (Opnamelengte: 6,25 m)
9. Bewerk de volgende instelling van het menu Acquisition (Verwerving):
a) Single Sequence Stop After: 1 Acquisitions (Stop enkele sequentie na: 1 Verwervingen)
10. Voeg een meting toe met de volgende instellingen:
a) Amplitude Measurement: AC RMS (Meting amplitude: AC RMS) b) Source: CH 1 Bron (kanaal 1)
11. Druk op de knop Single / Seq om de meting uit te voeren.
12. Noteer het AC RMS-meetresultaat in de testregistratietabel.
Testregistratie RMS-ruis systeem Gebruik de testregistratietabel voor het registreren van de resultaten van de prestatieverificatieprocedure van de RMS-ruis. Tabel 4: Testregistratietabel Modelnummer: Serienummer: Procedure uitgevoerd door: Datum: Sonde Maximale ruis Gemeten ruis TICP025 75 µV rms TICP050 125 µV rms TICP100 155 µV rms Procedures voor prestatieverificatie 42Nauwkeurigheid DC-versterking Deze procedure verifieert of de sondes uit de TICP-serie werken en voldoen aan de gegarandeerde DC-versterkingsnauwkeurigheid. Voordat u begint
1. Schakel de TekVPI-oscilloscoop in.
2. Sluit een 067-3281-XX 50 Ω precisieweerstand aan op de uitgang van de 067-1701-XX meetopstelling.
3. Sluit een DMM aan op de 50 Ω precisie-uitgang met een BNC-T-stuk.
4. Sluit een BNC-kabel vanaf het T-stuk, dat zich bevindt aan de uitgang van de 50 Ω-precisieaansluiting, aan op een ander oscilloscoopkanaal. Controleer of het kanaal in 1 MΩ-modus en 200 mV/div staat. Dit wordt alleen gebruikt voor een goede aarding.
5. Sluit de meetopstelling 067-1701-XX aan op kanaal 1 van de oscilloscoop.
6. Sluit de sonde van de TICP-serie aan op de meetopstelling 067-1701-XX.
7. Schakel de Fluke 9500B oscilloscoopkalibrator in.
8. Sluit de Fluke 9530 Active Head aan op de Fluke 9500B op kanaal 1.
9. Laat de testapparatuur 30 minuten opwarmen bij een omgevingstemperatuur van ongeveer 20 °C (68 °F).
Over deze taak Deze procedure is geldig voor alle versies van de sonde van de TICP-serie. Procedure
3. Voer zelfkalibratie uit (Self-calibration).
4. Sluit de TICPSMA-sondepunt aan op de TICP-sonde.
5. Sluit de TICPSMA aan op de Fluke 9500 Active Head.
6. Schakel het TICP-kanaal in en gebruik de volgende instelling voor het menu Vertical (Verticaal):
a) Range mode (Modus bereik): Manual (Handmatig) b) Range (Bereik): 500 mV c) Offset: 0 V
7. Selecteer Mode: Manual Waveform (Modus: Handmatige golfvorm) op de Fluke 9500B, met de volgende instellingen:
a) Selecteer Waveform: DC (Golfvorm: DC) b) Selecteer 400 mV/div c) Zet de uitvoer op ON (AAN)
8. Druk op de knop Single / Seq om de meting uit te voeren.
9. Registreer de DC-spanning op de precisieweerstand van 50 Ω in de tabel.
10. Druk op de knop Invert voltage (+/-) (Spanning omkeren) op de Fluke 9500B om -400 mV toe te passen op de sonde en registreer de uitgangsspanning in de tabel.
11. Herhaal de gehele procedure voor de resterende bereiken en noteer de waarden in de testregistratietabel.
Procedures voor prestatieverificatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 43Testregistratie Nauwkeurigheid DC-versterking Gebruik de testregistratietabel voor het registreren van de resultaten van de prestatieverificatieprocedure van de nauwkeurigheid van de DC-versterking. Tabel 5: Testregistratietabel Modelnummer: Serienummer: Procedure uitgevoerd door: Datum: Sondeversterking wordt gedefinieerd als de verandering in uitvoer gedeeld door de verandering in invoer. Versterking =(Meting1-Meting2)/(Invoer1-Invoer2) Bereik Invoer 1 Invoer 2 Gemeten uitvoer 1 Gemeten uitvoer 2 Berekende versterking Bovengrens versterking Ideale versterking Ondergrens versterking 500 m +0,400 V -0,400 V 1,010 1,000 0,990 350 m +0,280 V -0,280 V 1,443 1,429 1,415 250 m +0,200 V -0,200 V 2,020 2,000 1,980 175 m +0,140 V -0,140 V 2,886 2,857 2,828 125 m +0,100 V -0,100 V 4,040 4,000 3,960 90 m +0,072 V -0,072 V 5,612 5,556 5,500 65 m +0,052 V -0,052 V 7,769 7,692 7,615 45 m +0,036 V -0,036 V 11,222 11,111 11,000 30 m +0,024 V -0,024 V 16,834 16,667 16,500 20 m +0,016 V -0,016 V 25,250 25,000 24,750 Procedures voor prestatieverificatie 44DC-balans Met deze procedure wordt geverifieerd of de sondes uit de TICP-serie werken en voldoen aan de gegarandeerde resterende offset wanneer de invoer nul is en de offset nul is. Voordat u begint
1. Schakel de TekVPI-oscilloscoop in.
2. Sluit een 067-3281-XX 50 Ω precisieweerstand aan op de uitgang van de 067-1701-XX meetopstelling.
3. Sluit een DMM aan op de 50 Ω precisie-uitgang met een BNC-T-stuk.
4. Sluit een BNC-kabel vanaf het T-stuk, dat zich bevindt aan de uitgang van de 50 Ω-precisieaansluiting, aan op een ander oscilloscoopkanaal. Controleer of het kanaal in 1 MΩ-modus en 200 mV/div staat. Dit wordt alleen gebruikt voor een goede aarding.
5. Sluit de meetopstelling 067-1701-XX aan op kanaal 1 van de oscilloscoop.
6. Sluit de sonde van de TICP-serie aan op de meetopstelling 067-1701-XX.
7. Laat de testapparatuur 30 minuten opwarmen bij een omgevingstemperatuur van ongeveer 20 °C (68 °F).
Over deze taak Deze procedure is geldig voor alle versies van de sonde van de TICP-serie. Procedure
3. Voer zelfkalibratie uit (Self-calibration).
4. Bevestig de TICPSMA-sondepunt aan op de TICP-sonde.
5. Schakel het TICP-kanaal in en gebruik de volgende instelling voor het menu Vertical (Verticaal):
a) Range mode (Modus bereik): Manual (Handmatig) b) Probe range (Bereik sonde): 500 mV
6. Druk op de knop Single / Seq om de meting uit te voeren.
a) Meet de spanning aan de uitgangszijde van de precisieweerstand van 50 Ω met de DMM.
7. Herhaal de gehele procedure voor de resterende bereiken en noteer de waarden in de testregistratietabel.
Procedures voor prestatieverificatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 45Testregistratie DC-balans Gebruik de testregistratietabel voor het registreren van de resultaten van de prestatieverificatieprocedure van de DC-balans. Tabel 6: Testregistratietabel Modelnummer: Serienummer: Procedure uitgevoerd door: Datum: De restuitvoer voor elk bereik moet minder dan ±10 mV zijn. Bereik Grenswaarde Gemeten 500 mV ±10 mV 350 mV ±10 mV 250 mV ±10 mV 175 mV ±10 mV 125 mV ±10 mV 90 mV ±10 mV 65 mV ±10 mV 45 mV ±10 mV 30 mV ±10 mV 20 mV ±10 mV Procedures voor prestatieverificatie 46Nauwkeurigheid offset-versterking Deze procedure verifieert of de sondes uit de TICP-serie werken en voldoen aan de gegarandeerde offset-versterkingsnauwkeurigheid. Voordat u begint
1. Schakel de TekVPI-oscilloscoop in.
2. Sluit een 067-3281-XX 50 Ω precisieweerstand aan op de uitgang van de 067-1701-XX meetopstelling.
3. Sluit een DMM aan op de 50 Ω precisie-uitgang met een BNC-T-stuk.
4. Sluit een BNC-kabel vanaf het T-stuk, dat zich bevindt aan de uitgang van de 50 Ω-precisieaansluiting, aan op een ander oscilloscoopkanaal. Controleer of het kanaal in 1 MΩ-modus en 200 mV/div staat. Dit wordt alleen gebruikt voor een goede aarding.
5. Sluit de meetopstelling 067-1701-XX aan op kanaal 1 van de oscilloscoop.
6. Sluit de sonde van de TICP-serie aan op de meetopstelling 067-1701-XX.
7. Laat de testapparatuur 30 minuten opwarmen bij een omgevingstemperatuur van ongeveer 20 °C (68 °F).
Over deze taak Deze procedure is geldig voor alle versies van de sonde van de TICP-serie. Procedure
3. Voer zelfkalibratie uit (Self-calibration).
4. Bevestig de TICPSMA-sondepunt aan op de TICP-sonde.
5. Bevestig de TICPSMA aan de Fluke 9500 Active Head.
6. Schakel het TICP-kanaal in en gebruik de volgende instelling voor het menu Vertical (Verticaal):
a) Range (Bereik): 20 mV b) Offset: 20 mV/div
7. Selecteer Mode: Manual Waveform (Modus: Handmatige golfvorm) op de Fluke 9500B, met de volgende instellingen:
a) Selecteer Waveform: DC (Golfvorm: DC) b) Selecteer 20 mV/div c) Zet de uitvoer op ON (AAN)
8. Druk op de knop Single / Seq om de meting uit te voeren.
a) Voeg de offset toe met de waarde gemeten op de DMM. 9. Herhaal de hele procedure met alle volgende instellingen voor oscilloscoop-offset en Fluke-ingangsspanning: 0,25 V, 0 V, -0,25 V en -0,5 V. Testregistratie Nauwkeurigheid offset-versterking Gebruik de testregistratietabel voor het registreren van de resultaten van de prestatieverificatieprocedure van de nauwkeurigheid van de offset-versterking. Tabel 7: Testregistratietabel Modelnummer: Serienummer: Procedure uitgevoerd door: Datum: Procedures voor prestatieverificatie Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 471. Voer de offsetspanningen en de bijbehorende gemeten gemiddelde resultaten in Excel in.
2. Maak een spreidingsplot van de gegevens, met de offsetspanningen op de Y-as en de gemiddelde spanningen op de X-as.
3. Voeg een trendlijn toe aan de plot en kies de optie om de vergelijking weer te geven.
De beste benadering van de gegevens zou een helling tussen 0,995 en 1,005 moeten hebben om een nauwkeurigheid van 1% te behalen. Bereik Meting 500 mV Meting 250 mV Meting 0 mV Meting -250
Grenswaarden Berekend 20 mV 0,995 < x < 1,005 Procedures voor prestatieverificatie 48Onderhoud Informatie om mogelijke storingen te isoleren en procedures voor het onderhoud van uw sonde. Serviceaanbod Tektronix biedt service voor reparaties onder garantie en andere diensten speciaal om te voldoen aan uw specifieke servicebehoeften. De servicetechnici van Tektronix zijn goed uitgerust om uw sonde te onderhouden. Diensten worden geleverd bij Tektronix Servicecentra en op locatie bij uw faciliteit, afhankelijk van uw locatie. Ga naar tek.com/service om alle beschikbare diensten te bekijken. Controleer de status van uw garantie op tek.com/warranty-status-search. Reiniging Let op!: Om schade aan het meetsysteem te voorkomen, mag u het niet blootstellen aan sprays, vloeistoffen of oplosmiddelen. Voorkom dat er vocht in de compbox of sensorkop terechtkomt wanneer u de buitenkant reinigt. Behoud de integriteit van de connectoren door ze vrij van verontreinigingen te houden. Verwijder eventueel vuil van de connectoren met behulp van schone, droge perslucht onder lage druk. Storingzoeken en foutcondities Hieronder wordt de status van elke led beschreven en mogelijke problemen die u kunt tegenkomen bij het uitvoeren van metingen met de sonde. Gebruik dit als snelle referentie voor het oplossen van problemen voordat u contact opneemt met Tektronix voor service. Tabel 8: Beschrijvingen statusled Led Status Actie Groen (ononderbroken) Normaal bedrijf - Groen (knipperend) Bulkstroomstoring Haal de stekker uit het stopcontact en sluit weer aan. Inspecteer de interface van de sonde/oscilloscoop. Mogelijk is onderhoud nodig aan de sonde. Rood (ononderbroken) Storing in sondetoepassing Haal de stekker uit het stopcontact en sluit weer aan. Mogelijk is onderhoud nodig aan de sonde. Rood (knipperend) Storing in sondetoepassing en bulkstroomstoring Haal de stekker uit het stopcontact en sluit weer aan. Inspecteer de interface van de sonde/oscilloscoop. Mogelijk is onderhoud nodig aan de sonde en/of oscilloscoop. Rood (knipperend •
Geen voeding naar geïsoleerde zijde van de sonde Haal de stekker uit het stopcontact en sluit weer aan. Mogelijk is onderhoud nodig aan de sonde. Tabel 9: Meetproblemen en mogelijke oplossingen Probleem Oplossing DC-offset is aanwezig in signaal
- Voer zelfkalibratie uit
- Zorg ervoor dat het ingangssignaal binnen het geselecteerde dynamische bereik van de geselecteerde punt ligt #table-continued Onderhoud Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 49Probleem Oplossing De flank van de blokgolf lijkt 'verzacht', afgerond of ongecompenseerd
- Voer zelfkalibratie uit
- Zorg ervoor dat het bandbreedtefilter van de oscilloscoop is ingesteld op volledige bandbreedte
- Zorg ervoor dat het ingangssignaal de sonde-ingang niet overstuurt De gemeten amplitude is kleiner dan verwacht
- Het ingangssignaal kan 'vastgelopen' zijn
- Zorg ervoor dat het ingangssignaal binnen het dynamische bereik van de geselecteerde sondepunt ligt.
- Pas een offset toe om het ingangssignaal binnen het dynamische bereik van de geselecteerde sondepunt te brengen Onnauwkeurigheid bij DC-metingen
- Voer zelfkalibratie uit
- Stel de opnamelengte in op minimaal 200 μs (langer is beter) Er is te veel ruis en kleine signalen kunnen niet nauwkeurig worden gemeten
- Selecteer een punt met lagere demping
- Stel de verticale schaal van de oscilloscoop in op een kleinere waarde
- Kies handmatig een lagere bereikinstelling om de ruis te verminderen Er wordt geen signaal gedetecteerd; de golfvorm is een vlakke lijn
- Verwijder de punt en controleer de continuïteit ervan, aan de hand van de ingangsimpedantietabel De sondekop verliest af en toe stroom
- Zorg ervoor dat de sondekop binnen zijn bedrijfstemperatuurbereik blijft
- Voeg externe koeling toe, zoals een kleine bureauventilator. Er is te veel common mode-ruis
- Verwijder accessoires, losse kabels of blootliggende kabels tussen het testpunt en de sondepunt
- Gebruik een MMCX-punt met een MMCX-testpunt, dat ofwel in het ontwerp van de printplaat is opgenomen of als een onverwacht testpunt dient Waarschuwing Geen punt gedetecteerd
- Maak de punt los en bevestig deze weer Het meetsysteem opnieuw verpakken voor verzending Als u het meetsysteem ter reparatie naar Tektronix moet retourneren, gebruik dan de originele verpakking. Als deze niet beschikbaar is of niet geschikt is voor gebruik, neem dan contact op met uw Tektronix-vertegenwoordiger voor een nieuwe verpakking. Wanneer u het meetsysteem aan Tektronix retourneert, dient u een label te bevestigen waarop de volgende informatie staat:
- Naam van de eigenaar van het product
- Adres van de eigenaar
- Serienummer van het instrument
- Een beschrijving van de ondervonden problemen en/of vereiste service Onderhoud 50Programmeren op afstand In dit gedeelte worden commando's en query's behandeld die naar de sensorkop kunnen worden verzonden wanneer deze is aangesloten op een Tektronix-oscilloscoop. Trefwoorden in lange vorm en korte vorm worden aangegeven met hoofdletters/kleine letters. De commando's en query's worden door de meeste oscilloscopen ondersteund; eventuele verschillen in ondersteunende oscilloscopen worden beschreven bij de commando's. Raadpleeg voor aanvullende informatie de documentatie voor programmeurs van uw oscilloscoop. Lst met commando's De commando's en query's worden door de meeste oscilloscopen ondersteund; eventuele verschillen in ondersteunende oscilloscopen worden beschreven bij de commando's. Raadpleeg voor aanvullende informatie de documentatie voor programmeurs van uw oscilloscoop. CH<x>:PRObe? (Query Only) Dit query only-commando retourneert alle informatie over de sonde die aan het opgegeven kanaal is gekoppeld. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe? Voorbeelden CH2:PROBE? retourneert mogelijk 1.0000E-01; RESISTANCE 1.0000E+07;UNITS "V";ID:TYPE "10X"'SERNUMBER "N/A" voor een 10X-sonde, wat aangeeft dat (naast andere parameters) de dempingsfactor voor de sonde die is aangesloten op kanaal 2 100,0 mV is (ervan uitgaande dat sonde-eenheden zijn ingesteld op volt). CH<x>:PRObe:AUTOZero (No Query Form) Met deze opdracht wordt de AutoZero-functie uitgevoerd. De handeling wordt volledig uitgevoerd door de oscilloscoop. Het kanaal wordt aangegeven met x. Raadpleeg de zelfkalibratieprocedure voor informatie over het uitvoeren van de zelfkalibratie. Self-calibration Syntaxis CH<x>:PRObe:AUTOZero EXECute Argumenten EXECute stelt de sonde die is aangesloten op het opgegeven kanaal in op AutoZero. Voorbeelden CH1:PROBE:AUTOZERO EXECUTE stelt de sonde die is aangesloten op kanaal 1 in op AutoZero. Programmeren op afstand Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 51CH<x>:PRObe:FORCEDRange Het commando selecteert het dynamische bereik van de sonde(1 of 9) in +/-V. Dit is afhankelijk van de bevestigde sondepunt. Het kanaal wordt aangegeven met x. Het commando mag alleen worden gebruikt wanneer CH<x>:PROBECONTROL is ingesteld op MANUAL. Tabel 10: Sondepuntkabels en dynamisch bereik Sondepuntkabel Dynamisch bereik +/-V Geen punt of 1X-punt 0,02 | 0,03 | 0,045 | 0,065 | 0,09 | 0,125 | 0,175 | 0,25 | 0,35 | 0,5 10X 0,2 | 0,3 | 0,45 | 0,65 | 0,9 | 1,25 | 1,75 | 2,5 | 3,5 | 5,0 100X 2 | 3 | 4.5 | 6.5 | 9 | 12,5 | 17,5 | 25 | 35 | 50 De query retourneert het dynamische bereik van de sondepunt in +/-V. Syntaxis CH2:PRObe:FORCEDRange <NR3> CH2:PRObe:FORCEDRange? Argumenten <NR3> specificeert het dynamische bereik van de sonde Voorbeelden Als er een stroomsonde is aangesloten op de ingang van kanaal 1, stelt CH1:PROBE:FORCEDRANGE
5.0 de aangesloten sonde in op het 5 V-bereik.
CH3:PROBE:FORCEDRANGE? retourneert mogelijk 5.0000, wat aangeeft dat het bereik van de sonde die is aangesloten op kanaal 3 is ingesteld op 5 V. CH<x>:PRObe:GAIN? (Query Only) Het commando retourneert de versterkingsfactor van het momenteel geselecteerde bereik (omgekeerd van demping). Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe:GAIN? Voorbeelden CH2:PROBE:GAIN? retourneert mogelijk 100.0000E-3, wat aangeeft dat de aangesloten 10X- sonde 0,1 V levert aan de BNC van kanaal 2 voor elke 1,0 V die wordt toegepast op de sonde-ingang. CH<x>:PRObe:ID? (Query Only) Dit query only-commando retourneert het type en het serienummer van de sonde die aan het opgegeven kanaal is aangesloten. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe:ID? Voorbeelden CH2:PROBE:ID? retourneert mogelijk "B010289";"TICP100", wat aangeeft dat een TICP100- sonde met serienummer B010289 is aangesloten op kanaal 2. Programmeren op afstand 52CH<x>:PRObe:ID:SERnumber? (Query Only) Dit query only-commando retourneert het serienummer van de sonde die is aangesloten op het opgegeven kanaal. Het kanaal wordt aangegeven met x. Opmerking: Voor sondes van niveau 0 en 1 is het serienummer “N/A”. Syntaxis CH<x>:PRObe:ID:SERnumber? Voorbeelden CH1:PROBE:ID:SERNUMBER? retourneert mogelijk "B010289", wat aangeeft dat het serienummer van de sonde die is aangesloten op kanaal 1 B010289 is. CH<x>:PRObe:ID:TYPe? (Query Only) Dit query only-commando retourneert het serienummer van de sonde die is aangesloten op het opgegeven kanaal. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe:ID:TYPe? Voorbeelden CH1:PROBE:ID:TYPE? retourneert mogelijk "TICP100", wat aangeeft dat een TICP100-sonde is aangesloten op kanaal 1. CH<x>:PRObe:SELFCal:State? (Query Only) Dit query only-commando retourneert de zelfkalibratiestatus RECOMMENDED, RUNNING of PASSED (AANBEVOLEN, IN UITVOERING of GESLAAGD). Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe:SELFCal:State? Voorbeelden CH1:PRObe:SELFCal:State? kan RUNNING retourneren, wat aangeeft dat de sonde van kanaal 1 op dit moment een zelfkalibratie aan het uitvoeren is. CH<x>:PRObe:SELFCal Dit query only-commando start de zelfkalibratie op de sonde. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe:SELFCal EXECUTE Voorbeelden CH1:PRObe:SELFCal EXECUTE voert zelfkalibratie uit op de sonde van kanaal 1. CH<x>:PRObe:STATus? (Query Only) Met dit commando wordt de foutwaarde van het ongetekende gehele getal van de sonde opgevraagd. Het kanaal wordt aangegeven met
Voorwaarden Vereist een sonde die de relevante foutmeldingen ondersteunt. Syntaxis CH<x>:PRObe:STATus? Retourneert Retourneert een geheel getal dat de som van de binaire foutbits B0 – B15 vertegenwoordigt. De foutbits worden niet weergegeven; ze worden samengevoegd tot de gehele waarde. Hieronder volgt een lijst met de fouten voor elke bit.
- B0 – Sonde uitgeschakeld Programmeren op afstand Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 53• B1 – Klembekken open
- B3 – Temperatuur sonde buiten limietwaarden
- B5 – Sondepunt ontbreekt
- B6 – Storing sondepunt
- B7 – Sondepunt niet ondersteund
- B8 – Zelfkalibratie is nodig of aanbevolen (de query retourneert 256 in decimaal formaat)
- B9 tot B15 – Gereserveerd Voorbeelden CH4:PROBE:STATus? kan 2 retourneren, wat aangeeft dat de sonde een fout m.b.t. open klembekken meldt. CH<x>:PRObe:UNIts? (Query Only) Dit query only-commando retourneert een tekenreeks die de meeteenheden beschrijft voor de sonde die aangesloten is op het opgegeven kanaal. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PRObe:UNIts? Voorbeelden CH4:PROBE:UNITS? kan "V" retourneren, wat aangeeft dat de meeteenheid voor de sonde die is aangesloten op kanaal 4 Volt is. CH<x>:PROBECOntrol Met dit commando wordt de voorkeur voor het bereikregelbeleid van de multirange sonde die op kanaal <x>is aangesloten, ingesteld of opgevraagd. Het kanaalnummer wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PROBECOntrol {AUTO|MANual} CH<x>:PROBECOntrol? Argumenten AUTO (Automatisch) stelt de waarden in. Het sondebereik wordt automatisch berekend. Met MANual (Handmatig) kunt u verschillende geldige waarden selecteren voor de sonde die op een bepaald kanaal is aangesloten. Voorbeelden CH2:PROBECONTROL AUTO stelt de waarden in en het sondebereik wordt automatisch berekend. CH2:PROBECONTROL? kan MANUAL retourneren, wat aangeeft dat u verschillende geldige waarden kunt selecteren voor de sonde die is aangesloten op kanaal 2. CH<x>:PROBEFunc:EXTAtten Dit commando wordt gebruikt om de dempingswaarde te specificeren als een vermenigvuldiger voor de gegeven schaalfactor op het opgegeven kanaal. Het kanaal wordt aangegeven met x. Het queryformulier van dit commando retourneert de door de gebruiker opgegeven demping. Syntaxis CH<x>:PROBEFunc:EXTAtten <NR3> CH<x>:PROBEFunc:EXTAtten? Programmeren op afstand 54Argumenten <NR3> is de dempingswaarde, die is gespecificeerd als een vermenigvuldiger in het bereik van 1.00E-10 tot 1.00E+10. Voorbeelden CH1:PROBEFUNC:EXTATTEN 167.00E-3 specificeert een externe demping, die is aangesloten tussen uw ingangssignaal en de ingang van de sonde die is aangesloten op kanaal 1. CH2:PROBEFUNC:EXTATTEN? kan 1.0000E+00 retourneren, wat aangeeft dat de sonde die is aangesloten op kanaal 2 rechtstreeks is gekoppeld aan het signaal van de gebruiker. CH<x>:PROBEFunc:EXTDBatten Met dit commando wordt de ingang-uitgang-verhouding (uitgedrukt in decibeleenheden) van externe demping of versterking tussen het signaal en de ingangskanalen van het instrument ingesteld of opgevraagd. Het kanaal wordt aangegeven met x. Het queryformulier van dit commando retourneert de door de gebruiker opgegeven demping in decibellen. Syntaxis CH<x>:PROBEFunc:EXTDBatten <NR3> CH<x>:PROBEFunc:EXTDBatten? Argumenten <NR3> is de dempingswaarde, die is gespecificeerd in het bereik van -200,00 dB tot 200,00 dB. Voorbeelden CH3:PROBEFUNC:EXTDBATTEN 2.5 specificeert een externe demper van 2,5 dB op kanaal 3. CH1:PROBEFUNC:EXTDBATTEN? kan 2.5000E+00 retourneren, wat aangeeft dat de demping voor kanaal 1 gelijk is aan 2,5 dB. CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits Met dit commando stelt u de meeteenheid in voor de externe demper van het opgegeven kanaal. Het kanaal wordt aangegeven met x. De alternatieve eenheden worden gebruikt als ze zijn ingeschakeld. Gebruik het commando CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits:STATE om de alternatieve eenheden in of uit te schakelen. Syntaxis CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits <QString> CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits? Argumenten <QString> geeft de dempingseenheid aan voor het opgegeven kanaal. Voorbeelden CH4:PROBEFUNC:EXTUNITS "Pascals" stelt de meeteenheid in voor de externe demper van kanaal 4. CH2:PROBEFUNC:EXTUNITS? kan "Pascals" retourneren, wat aangeeft dat de meeteenheid van de externe demper van kanaal 2 Pascal is. CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits:STATE Met dit commando wordt de inschakelstatus van aangepaste eenheden voor het opgegeven kanaal ingesteld of opgevraagd. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits:STATE {ON|OFF|<NR1>} CH<x>:PROBEFunc:EXTUnits:STATE? Argumenten Argument OFF schakelt de externe eenheden uit. Programmeren op afstand Handleiding Actieve geïsoleerde stroomshuntsondes TICP-serie 55Argument ON schakelt de externe eenheden in. <NR1> = 0 schakelt externe eenheden uit; andere waarden schakelen externe eenheden in. Voorbeelden CH2:PROBEFunc:EXTUnits:STATE ON schakelt externe eenheden in. CH2:PROBEFunc:EXTUnits:STATE? kan 0 retourneren, wat aangeeft dat externe eenheden uitgeschakeld zijn voor het opgegeven kanaal. CH<x>:PROBE:DYNAMICRANGE? (Query Only) Dit commando vraagt het dynamische bereik op van de sonde die is aangesloten op het opgegeven kanaal. Het kanaal wordt aangegeven met x. Syntaxis CH<x>:PROBE:DYNAMICRANGE? Retourneert De geretourneerde waarde is de delta tussen het huidige minimum- en maximumbereik, met enige tolerantie. Het is ook de delta tussen de indicatoren voor het sondebereik (indien momenteel weergegeven). Voorbeelden CH1:PROBE:DYNAMICRANGE? kan 1.3056 retourneren, wat aangeeft dat het dynamische bereik van de sonde die op kanaal 1 is aangesloten is ingesteld op 1.3056 V. Programmeren op afstand 56TICP 系列 有源隔离电流分流器探头
Notice-Facile