Rider 216 AWD - Grasmaaier HUSQVARNA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis Rider 216 AWD HUSQVARNA in PDF-formaat.

📄 124 pagina's PDF ⬇️ Nederlands NL 💬 AI-vraag 🖨️ Afdrukken
Notice HUSQVARNA Rider 216 AWD - page 64
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Nederlands NL Slovenščina SL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : HUSQVARNA

Model : Rider 216 AWD

Categorie : Grasmaaier

Download de handleiding voor uw Grasmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Rider 216 AWD - HUSQVARNA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Rider 216 AWD van het merk HUSQVARNA.

GEBRUIKSAANWIJZING Rider 216 AWD HUSQVARNA

  • 63Inhoud Inleiding p. 64
  • Veiligheid p. 68
  • Montage p. 73
  • Bediening p. 74
  • Onderhoud p. 77
  • Problemen oplossen p. 87
  • Vervoer, opslag en verwerking p. 88
  • Technische gegevens p. 90
  • Service p. 92
  • Garantie p. 92
  • EG-conformiteitsverklaring Inleiding Afleveringsinspectie en productnummers Let op: Bij dit product werd een afleveringsinspectie uitgevoerd. Vraag uw dealer om een getekend exemplaar van het afleveringsinspectiedocument. Contactinformatie servicewerk- plaats: Deze gebruikershandleiding hoort bij het product met het product//serienummer: p. 93

Motor: Transmissie: Productbeschrijving De Rider 213C, Rider 216 en Rider 216 AWD zijn zitmaaiers. Met de pedalen voor vooruit en achteruit rijden kan de bestuurder de snelheid moeiteloos aanpassen. De Rider 216 AWD heeft aandrijving op alle wielen (AWD). Rider 213C, Rider 216 en Rider 216 AWD worden gebruikt met Combi- maaidekken met BioClip. Gebruik Het product is gemaakt voor het maaien van gras op open en vlakke ondergrond in woonwijken en tuinen. Bevestig een optionele accessoire om het product voor andere doeleinden te gebruiken. Neem contact op met uw Husqvarna-leverancier voor meer informatie over de beschikbare accessoires. Verzeker uw product Zorg ervoor dat uw nieuwe product verzekerd is. Neem bij twijfel of vragen over verzekering contact op met uw verzekeraar. Wij raden u aan een all-risk verzekering af te sluiten die alle risico's afdekt, inclusief schade aan derden, brand, schade, diefstal en aansprakelijkheid. 64 374 - 001 - 29.09.2017Productoverzicht

1. Pedaal voor vooruitrijden

2. Pedaal voor achteruitrijden

3. Hefhendel voor het maaidek

9. Vergrendelknop voor parkeerrem

10. Stoelverstelling

11. Hendel voor het inschakelen en uitschakelen van de

aandrijving op de vooras, Rider 216 AWD

16. Hendel voor het inschakelen en uitschakelen van de

aandrijving, Rider 213C, Rider 216. Hendel voor het inschakelen en uitschakelen van de aandrijving op de achteras, Rider 216 AWD

374 - 001 - 29.09.2017 65Overzicht elektrische installatie

3. Veiligheidsschakelaar stoel

4. Microschakelaar, parkeerrem

5. Veiligheidsschakelaar voor de hefhendel

6. Ontstekingsvergrendeling

Veiligheidsschakelaar stoel De veiligheidsschakelaar van de stoel activeert het veiligheidscircuit zodra de bestuurder opstaat van de stoel. De motor en de aandrijving van de messen stoppen als de messen zijn ingeschakeld of de parkeerrem niet is geactiveerd. Zie ook Veiligheidscircuit op pagina 70

Pedalen voor vooruit en achteruit rijden Met deze twee pedalen is de snelheid traploos regelbaar. Pedaal (1) is voor vooruit rijden en pedaal (2) voor achteruit rijden. Het product remt wanneer de pedalen worden losgelaten.

Maaidek De maaidekken voor dit product zijn Combi-maaidekken met BioClip. BioClip maait het gras tot meststof. De Combi-maaidekken kunnen ook zonder BioClip worden gebruikt. Zonder BioClip wordt het gras naar achteren uitgeworpen. Symbolen op het product WAARSCHUWING: Onzorgvuldig of onjuist gebruik kan leiden tot ernstig letsel of overlijden van de gebruiker of anderen. 66 374 - 001 - 29.09.2017Lees de bedieningshandleiding zorgvuldig door en zorg dat u de instructies hebt begrepen voordat u het product gebruikt. Draaiende messen. Houd lichaamsdelen uit de buurt van de kap wanneer de motor draait. Waarschuwing: draaiende delen. Houd lichaamsdelen uit de buurt. Kijk uit voor weggeslingerde en afgeketste voorwerpen. Gebruik het product nooit als personen, met name kinderen en/of huisdieren, zich in de directe omgeving bevinden. Kijk achter u vóór en tijdens achteruit rijden. Maai nooit gras dwars over een helling. Maai geen gras op een helling van meer dan 10°. Zie Gras maaien op hellingen op pagina

Laat nooit passagiers meerijden op het product of bijbehorende uitrusting. Vooruit rijden. Neutraalstand. Achteruit rijden. Parkeerrem. Dit product voldoet aan de geldende EG- richtlijnen. Geluidsemissie naar de omgeving volgens de EG-richtlijn. De emissie van het product staat vermeld in het hoofdstuk "Technische gegevens" en op het label. Gebruik altijd goedgekeurde gehoorbescherming. Stop de motor. Start de motor. Motortoerental – snel. Motortoerental – langzaam. Brandstof. Max. ethanol 10%. Maaihoogte. Onderhoudsstand voor de maaihoogtehendel. De messen zijn ingeschakeld. De messen zijn uitgeschakeld. Onderhoudsstand van het maaidek. Werkstand van het maaidek. In- en uitschakelen van het aandrijfsysteem. Oliepeil. Let op: Andere symbolen/stickers op het product hebben betrekking op certificeringseisen voor een aantal commerciële markten. Productaansprakelijkheid Zoals uiteengezet in de wet voor productaansprakelijkheid zijn wij niet aansprakelijk voor schade die door ons product wordt veroorzaakt, indien:

374 - 001 - 29.09.2017

67• het product niet goed is gerepareerd.

  • het product is gerepareerd met onderdelen die niet van de fabrikant afkomstig zijn, of onderdelen die niet zijn goedgekeurd door de fabrikant.
  • het product een accessoire bevat die niet afkomstig is van de fabrikant of niet is goedgekeurd door de fabrikant.
  • het product niet is gerepareerd door een erkend servicepunt of door een erkende autoriteit. Veiligheid Veiligheidsdefinities Waarschuwingen, voorzorgsmaatregelen en opmerkingen worden gebruikt om te wijzen op belangrijke delen van de gebruikershandleiding. WAARSCHUWING: Wordt gebruikt om te wijzen op de kans op ernstig of fataal letsel voor de gebruiker of omstanders wanneer de instructies in de handleiding niet worden gevolgd. OPGELET: Wordt gebruikt indien er een risico bestaat op schade aan het product en andere eigendommen of aan de omgeving wanneer de instructies in de handleiding niet worden gevolgd. Let op: Geven verdere informatie die nodig is in een bepaalde situatie. Algemene veiligheidsinstructies WAARSCHUWING: Dit product kan handen en voeten afsnijden en objecten wegslingeren. Ernstig letsel of de dood kunnen het gevolg zijn als u de veiligheidsvoorschriften negeert. WAARSCHUWING: Gebruik een product niet langer als de snijuitrusting beschadigd is. Beschadigde snijuitrusting kan objecten wegslingeren en als gevolg daarvan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. Vervang beschadigde messen onmiddellijk. WAARSCHUWING: Dit product produceert tijdens bedrijf een elektromagnetisch veld. Dit veld kan onder bepaalde omstandigheden de werking van actieve of passieve medische implantaten verstoren. Om het risico op ernstig of dodelijk letsel te beperken, raden we personen met een medisch implantaat aan om contact op te nemen met hun arts en de fabrikant van het medische implantaat alvorens dit product te gaan gebruiken. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Wees altijd voorzichtig en gebruik uw gezond verstand. Vermijd situaties die uw capaciteiten te boven gaan. Als u na het lezen van de gebruikershandleiding niet precies weet hoe u het product moet bedien, vraag dan advies aan deskundige voordat u verder gaat.
  • Voordat u het product gaat gebruiken, moet u de gebruikershandleiding en de instructies op het product lezen en begrijpen.
  • Zorg dat u weet hoe u het product en de bedieningselementen veilig gebruikt en hoe u het product snel kunt stoppen.
  • Zorg ook dat u weet wat de veiligheidspictogrammen betekenen.
  • Houd het product schoon zodat plaatjes en stickers leesbaar blijven.
  • Denk erom dat de bediener of gebruiker verantwoordelijk is voor ongelukken of beschadigingen aan eigendommen.
  • Vervoer geen passagiers. Het product mag maar door één persoon worden gebruikt.
  • Laat het product niet onbeheerd staan terwijl de motor draait. Alvorens het product onbeheerd te laten dient u altijd de messen te stoppen, de parkeerrem in te schakelen, de motor uit te schakelen en de contactsleutel te verwijderen.
  • Gebruik het product alleen bij daglicht of onder goed verlichte omstandigheden. Houd het product op een veilige afstand van gaten en andere onregelmatigheden in de grond. Kijk uit voor andere mogelijke risico's.
  • Gebruik het product nooit bij slecht weer, zoals mist, regen, op vochtige of natte plekken, bij krachtige wind, strenge kou, bij onweer, enz.

botsingen te voorkomen.

  • Verwijder stenen, speelgoed, draden, enz. uit het werkgebied, omdat deze anders door de messen kunnen worden weggeslingerd.
  • Laat kinderen of andere personen die niet geschikt zijn om het product te gebruiken, geen werkzaamheden met of aan het product verrichten. De minimumleeftijd van de gebruiker kan zijn vastgelegd in plaatselijke voorschriften.
  • Zorg dat er zich niemand in de buurt van het product bevindt wanneer u de motor start, de aandrijving inschakelt of met het product gaat rijden.
  • Houd een oogje op het verkeer als u maait nabij een weg of wanneer u een weg oversteekt.
  • Gebruik het product nooit wanneer u vermoeid bent, alcohol of drugs hebt gebruikt, of als u medicijnen gebruikt die uw gezichtsvermogen, beoordelingsvermogen of coördinatie kunnen beïnvloeden.
  • Parkeer het product altijd op een vlakke ondergrond met de motor uitgeschakeld. Veiligheidsinstructies met betrekking tot kinderen WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Er kunnen zich ernstige ongevallen voordoen als u niet goed oplet terwijl er zich kinderen in de nabijheid van het product bevinden. Kinderen kunnen worden aangetrokken tot het product en het maaien. Het is heel goed mogelijk dat kinderen niet langer zijn waar u ze het laatst zag.
  • Houd kinderen uit de buurt van het gebied dat moet worden gemaaid. Zorg ervoor dat de kinderen onder toezicht van een volwassene staan.
  • Let goed op en schakel het product uit als er kinderen in het werkgebied komen. Wees vooral voorzichtig bij bochten, bosjes, bomen of andere objecten die uw zicht kunnen belemmeren.
  • Kijk achterom en ook naar beneden, voordat u begint met achteruit rijden en tijdens het achteruit rijden, om te verifiëren of er zich geen kleine kinderen in de buurt van het product bevinden.
  • Laat geen kinderen op het product meerijden. Ze kunnen eraf vallen en ernstig gewond raken of kunnen het veilig gebruik van het product hinderen.
  • Laat het product niet door kinderen bedienen. Veiligheidsinstructies voor bediening WAARSCHUWING: Raak nooit de motor of uitlaat aan tijdens of direct na gebruik. De motor en het uitlaatsysteem worden zeer heet tijdens het gebruik. Kans op brandwonden, brand en schade aan eigendommen of aangrenzende gebieden. Houd tijdens het maaien de machine uit de buurt van bosjes en andere objecten. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Kijk altijd naar beneden en achterom voordat en terwijl u achteruit rijdt. Kijk uit voor grote en kleine obstakels.
  • Verlaag de rijsnelheid voordat u een bocht neemt.
  • Stop de messen wanneer u door zones rijdt waar u niet maait. OPGELET: Lees de volgende veiligheidsinstructies voordat u het product gaat gebruiken.
  • Maak de koelluchtinlaat van de motor vrij van gras en vuil voordat u het product gebruikt. Als de koelluchtinlaat geblokkeerd is, bestaat het risico op motorschade.
  • Beweeg voorzichtig rond stenen en andere grote objecten en zorg dat de messen de objecten niet raken.
  • Zorg dat u met het product geen objecten raakt. Stop en inspecteer het product en het maaidek wanneer de messen tijdens het maaien iets geraakt hebben. Voer waar nodig reparaties uit voordat u verder gaat.

374 - 001 - 29.09.2017

69Persoonlijke beschermingsmiddelen WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.

  • Draag tijdens het gebruik van het product altijd goedgekeurde persoonlijke beschermingsmiddelen. Persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen niet alle risico’s uitsluiten maar kunnen de ernst van eventueel letsel helpen beperken. Vraag uw dealer u te helpen bij het kiezen van de juiste beschermingsmiddelen.
  • Gebruik altijd goedgekeurde gehoorbescherming. Langdurige blootstelling aan lawaai kan leiden tot permanente gehoorbeschadiging.
  • Draag altijd veiligheidsschoenen of veiligheidslaarzen. Stalen neuzen worden aanbevolen. Gebruik het product niet met blote voeten.
  • Draag indien nodig handschoenen, bijvoorbeeld bij het monteren, inspecteren of reinigen van de snijuitrusting.
  • Draag geen loszittende kleding, sieraden of andere voorwerpen die vast kunnen komen te zitten in bewegende delen.
  • Houd een EHBO/doos en brandblusser binnen handbereik. Veiligheidsvoorzieningen op het product WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Gebruik het product nooit wanneer de veiligheidsvoorzieningen defect zijn. Controleer de veiligheidsvoorzieningen regelmatig op een juiste werking. Als de veiligheidsvoorzieningen defect zijn, neem dan contact op met uw Husqvarna servicewerkplaats.
  • Voer geen veranderingen uit aan de veiligheidsvoorzieningen. U mag het product niet gebruiken als beschermingsplaten, afschermingen, veiligheidsschakelaars of andere veiligheidsvoorzieningen ontbreken of defect zijn. Het contactslot controleren
  • Start de motor en schakel die weer uit bij wijze van controle van het contactslot. Zie De motor starten op pagina 75

De motor uitschakelen op pagina 76

  • Verifieer of de motor start wanneer u de contactsleutel naar START draait.
  • Verifieer of de motor onmiddellijk uitschakelt wanneer u de contactsleutel naar STOP draait. Veiligheidscircuit De motor kan alleen worden gestart als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  • Het maaidek staat in de geheven stand en de parkeerrem is geactiveerd. De motor moet in de volgende situaties uitschakelen:
  • Het maaidek wordt omlaag gezet en de bestuurder staat op van de stoel.
  • Het maaidek staat in de geheven stand, de parkeerrem is niet geactiveerd en de bestuurder staat op van de stoel. Voor het controleren van het veiligheidscircuit probeert u de motor te starten terwijl aan één van de bovenstaande voorwaarden niet wordt voldaan. Wijzig de omstandigheden en probeer het opnieuw. Voer deze controle dagelijks uit. De snelheidsbegrenzer controleren
  • Laat het pedaal voor vooruit rijden los om de machine te laten remmen.
  • Voor meer remkracht drukt u het pedaal voor achteruit rijden in.
  • Zorg dat de pedalen voor vooruit rijden en achteruit rijden niet geblokkeerd zijn en over de gehele pedaalslag kunnen worden bediend.
  • Controleer of het product afremt wanneer u het pedaal voor vooruit rijden loslaat. Parkeerrem WAARSCHUWING: Als de parkeerrem niet werkt, kan het product beginnen te bewegen en daardoor letsel of schade veroorzaken. Inspecteer de parkeerrem regelmatig en stel deze af indien nodig. Zie De parkeerrem controleren op pagina 80

Geluiddemper De uitlaatdemper is bedoeld om het geluidsniveau zo laag mogelijk te houden en om de uitlaatgassen weg te voeren van de gebruiker. Gebruik het product niet als de demper ontbreekt of beschadigd is. Bij een defecte uitlaatdemper stijgt het geluidsniveau en neemt het risico op brand toe.

374 - 001 - 29.09.2017Inspecteer de uitlaatdemper regelmatig om te verifiëren

of die goed vastzit en niet beschadigd is. OPGELET: De uitlaatdemper wordt erg heet tijdens en na gebruik en wanneer de motor draait bij stationair toerental. Wees voorzichtig in de buurt van brandbare materialen en/of dampen om brand te voorkomen. Beschermkappen Ontbrekende of beschadigde beschermkappen vergroten de kans op letsel bij bewegende delen en hete oppervlakken. Voer een controle van de beschermkappen uit voordat u het product start. Zorg dat de beschermkappen juist zijn aangebracht en niet zijn gescheurd of andere beschadigingen vertonen. Vervang beschadigde beschermkappen. Gras maaien op hellingen WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.

  • Maaien op een helling verhoogt het risico dat u de controle over het product verliest en dat het product kantelt. Dit kan ernstig of dodelijk letsel veroorzaken. Bij maaien op een helling is het van groot belang voorzichtig te werk te gaan. Als u niet achteruit tegen een helling op kunt rijden of als u zich daar niet prettig bij voelt, maai de helling dan niet.
  • Verwijder stenen, takken en andere obstakels.
  • Maai verticaal tegen de helling (omhoog en omlaag), niet horizontaal (van links naar rechts of omgekeerd).
  • Rijd niet een helling af met opgeheven maaidek.
  • Gebruik het product niet op een helling van meer dan 10°.
  • Start of stop niet op een helling.
  • Rijd op hellingen gelijkmatig en langzaam.
  • Vermijd abrupte veranderingen in snelheid en richting.
  • Draai niet meer dan noodzakelijk. Draai langzaam en geleidelijk wanneer u een helling afrijdt. Rijd met lage snelheid. Draai voorzichtig aan het stuurwiel.
  • Kijk uit voor en rijd niet over voren, kuilen en hobbels. Er bestaat een grotere kans dat het product kantelt op een ondergrond die niet vlak is. Obstakels kunnen moeilijk te zien zijn door hoog gras.
  • Maai niet in de buurt van randen, greppels of hellingen. Het product kan plotseling kantelen als een van de wielen over de randen van een steile helling of greppel komt, of als een berm inzakt. Als het product in het water terechtkomt, bestaat het risico van verdrinking.
  • Niet gebruiken voor het maaien van nat gras. Nat gras is glad en de banden kunnen hun grip verliezen waardoor het product slipt.
  • Zet uw voet niet op de grond om te proberen het product te stabiliseren.
  • Ga zeer voorzichtig te werk als er een accessoire of ander object aan het product is bevestigd waardoor het minder stabiel is.
  • Breng wielverzwaarders aan om de stabiliteit te verhogen. Neem voor meer informatie contact op met uw dealer. Brandstofveiligheid WAARSCHUWING: Wees voorzichtig met brandstof. Brandstof is zeer brandbaar en kan leiden tot letsel en schade aan eigendommen. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Vul de brandstoftank nooit binnen.
  • Benzine en benzinedampen zijn giftig en zeer licht ontvlambaar. Wees voorzichtig met benzine om letsel of brand te voorkomen.
  • Verwijder de brandstoftankdop niet en vul de tank niet bij wanneer de motor draait.
  • Laat de motor afkoelen voordat u brandstof bijvult.
  • Rook niet tijdens het bijvullen van brandstof.
  • Vul geen brandstof bij in de nabijheid van vonken of open vuur.
  • Bij lekkage in het brandstofsysteem mag u de motor niet starten zolang de lekken niet gerepareerd zijn.

374 - 001 - 29.09.2017

71• Vul de tank niet verder dan het aanbevolen brandstofniveau. De warmte van de motor en de zon doet de brandstof uitzetten waardoor de brandstof kan overstromen als de tank te ver wordt gevuld.

  • Vul niet teveel bij. Als u benzine op het product morst, dep dan de benzine op en wacht totdat het restant is verdampt voordat u de motor start. Als u benzine op uw kleding morst, trek dan andere kleding aan.
  • Bewaar brandstof in daarvoor bestemde verpakkingen.
  • Bewaar het product en de brandstof op zodanige wijze dat er geen risico bestaat dat brandstoflekken of dampen schade kunnen veroorzaken.
  • Tap brandstof af in een daarvoor goedgekeurde verpakking, en doe dat buiten en niet in de nabijheid van open vuur. Veiligheid bij accu's WAARSCHUWING: Een beschadigde accu kan exploderen en letsel veroorzaken. Als de accu vervormd of beschadigd is, neem dan contact op met een erkende Husqvarna servicewerkplaats. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Draag een veiligheidsbril wanneer u zich in de buurt van accu's begeeft.
  • Draag geen horloges, sieraden of andere metalen voorwerpen in de buurt van de accu.
  • Houd de accu buiten het bereik van kinderen.
  • Laad de batterij op in een goed geventileerde ruimte.
  • Houd ontvlambare materialen op een minimumafstand van 1 m wanneer u de batterij oplaadt.
  • Voer vervangen accu´s af. Zie Afvoeren op pagina
  • Er kunnen explosieve gassen uit de accu vrijkomen. Rook niet in de buurt van de accu. Houd de accu uit de buurt van open vuur en vonken. Veiligheidsinstructies voor onderhoud WAARSCHUWING: Als het product niet correct geparkeerd staat en de motor en het contact niet worden uitgeschakeld, kan letsel of schade aan eigendommen of het aangrenzend gebied ontstaan. Voer geen onderhoud aan de motor of het maaidek uit tenzij aan de onderstaande voorwaarden is voldaan:
  • De motor is uitgeschakeld.
  • Het product is op een vlakke ondergrond geparkeerd.
  • De parkeerrem is ingeschakeld.
  • De contactsleutel is verwijderd.
  • Het maaidek is ontkoppeld.
  • De bougiekabels zijn van de bougies losgenomen. WAARSCHUWING: Uitlaatgassen van de motor bevatten koolmonoxide, een geurloos, giftig en uiterst gevaarlijk gas. Laat het product nooit binnenshuis of in gesloten ruimten draaien. WAARSCHUWING: Lees de volgende waarschuwingen voordat u het product gaat gebruiken.
  • Voor optimale prestaties en veiligheid adviseren wij u het product te onderhouden volgens het onderhoudsschema. Zie Onderhoudsschema op pagina 77
  • Elektrische schokken kunnen letsel veroorzaken. Raak geen kabels aan als de motor draait. Voer een functietest van het ontstekingssysteem niet met uw vingers uit.
  • Start de motor niet als de beschermkappen zijn verwijderd. Er bestaat dan groot risico op letsel door bewegende of hete delen.
  • Laat het product afkoelen voordat u onderhoudswerkzaamheden in de motorruimte uitvoert.
  • De messen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken. Voorzie de messen van bescherming of draag beschermende handschoenen wanneer u aan de messen werkt. OPGELET: Lees de volgende veiligheidsinstructies voordat u het product gaat gebruiken.
  • Laat de motor niet draaien als de bougie of ontstekingskabel is verwijderd.
  • Zorg dat alle moeren en bouten goed zijn vastgedraaid en dat de apparatuur in goede staat is.
  • Wijzig de instelling van de regelaars niet. Als u de motor te snel laat draaien, kunnen onderdelen van de machine beschadigd raken. Zie Technische gegevens op pagina 90 voor het hoogst toegestane motortoerental.
  • Het product is alleen goedgekeurd voor gebruik in combinatie met de uitrusting die wordt geleverd of wordt aanbevolen door de fabrikant.

Inleiding WAARSCHUWING: De spanveer van de aandrijfriem kan breken, wat tot letsel kan leiden. Draag een veiligheidsbril wanneer u het maaidek bevestigt of verwijdert. Lees de montage-instructies in de gebruikershandleiding aandachtig door. Een label aan de binnenzijde van de voorste afdekking van het product toont ook hoe het maaidek moet worden bevestigd en verwijderd. Verwijderen en aanbrengen van het maaidek

1. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.

2. Schakel de parkeerrem in.

3. Zet de maaihoogtehendel in de onderhoudsstand.

4. Trek de hefhendel voor het maaidek naar achteren

in de vergrendelde stand om het maaidek omhoog te zetten.

5. Maak de klem op de voorste afdekking los met het

hulpstuk aan de contactsleutel en haal de afdekking eraf.

6. Til de beugel voor de maaihoogteafstelling omhoog

en plaats hem in de houder.

7. Trek aan de veerhendel om de veer van de

aandrijfriemspanning los te halen.

8. Breng de veer aan in de houder op de spanarm voor

9. Verwijder de aandrijfriem en plaats hem in de

10. Plaats een houten blok tussen de apparatuur en het

chassis. Zo zorgt u ervoor dat het maaidek niet terugspringt wanneer het wordt verwijderd. WAARSCHUWING: Wees voorzichtig. Kans op letsel als uw hand tussen het frame van de uitrusting en het chassis bekneld raakt.

374 - 001 - 29.09.2017 7311. Verwijder de 2 schroeven van het frame van de

12. Pak de voorkant van het maaidek met twee handen

vast en trek het maaidek naar voren.

13. Verwijder het houten blok.

14. Bevestig het maaidek in omgekeerde volgorde.

Bediening Inleiding WAARSCHUWING: Voordat u het product gaat gebruiken, dient u het hoofdstuk over veiligheid te lezen en hebben begrepen. Brandstof bijvullen WAARSCHUWING: Benzine is uiterst ontvlambaar. Wees voorzichtig en vul buitenshuis brandstof bij (zie Brandstofveiligheid op pagina 71

De motor gebruikt loodvrije benzine met een minimum octaangetal van RON 85 (niet vermengd met olie). Wij adviseren biologisch afbreekbare alkylaatbenzine te gebruiken. Gebruik geen benzine die methanol bevat. Controleer het brandstofniveau voorafgaand aan elk gebruik en vul bij indien nodig. Vul de brandstoftank nooit volledig. Zorg ervoor dat er minimaal 2,5 cm ruimte overblijft. De stoel afstellen De stoel kan voorover gekanteld worden. De stoel kan ook in de lengterichting worden verschoven. Draai de handgrepen onder de stoel los om de stoel naar voren of achteren te schuiven. In- en uitschakelen van het aandrijfsysteem Om het product te verplaatsen met uitgeschakelde motor dient u het aandrijfsysteem uit te schakelen. Trek de hendel van het aandrijfsysteem helemaal uit om de aandrijving naar de as uit te schakelen. Duw de hendel van het aandrijfsysteem helemaal in om de aandrijving naar de as in te schakelen. Gebruik geen tussenliggende standen. De hendel van het aandrijfsysteem voor model Rider 213C, Rider 216 bevindt zich achter het linkerachterwiel.

374 - 001 - 29.09.2017Model Rider 216 AWD heeft een hendel voor de

aandrijving van de vooras en een andere hendel voor de aandrijving van de achteras. De hendel voor de aandrijving van de achteras vindt u achter het linkerachterwiel. De hendel voor de aandrijving van de vooras van de Rider 216 AWD vindt u achter het linkervoorwiel. Maaidek omhoog zetten en omlaag zetten Om het maaidek omhoog te zetten naar de transportstand, trekt u de hefhendel naar achteren. Als de motor draait, stoppen de messen automatisch met draaien. Om het maaidek omlaag te zetten naar de maaistand, drukt u op de vergrendelknop en beweegt u de hefhendel naar voren. Als de motor draait, beginnen de messen automatisch te draaien. De motor starten

1. Zorg dat het aandrijfsysteem ingeschakeld is, zie

In- en uitschakelen van het aandrijfsysteem op pagina

2. Zet het maaidek omhoog en schakel de parkeerrem

3. Draai de contactsleutel naar de startstand.

4. Laat, zodra de motor aanslaat, de contactsleutel

meteen los naar de neutraalstand.

374 - 001 - 29.09.2017

75Let op: Bedien de startmotor niet langer dan 5 seconden per keer. Als de motor niet start, wacht dan 15 seconden voordat u het opnieuw probeert.

5. Laat de motor 3-5 minuten draaien met halfgas (B)

voordat u de motor bij zware belasting gebruikt.

6. Duw de gashendel in de stand vol gas (C).

A B C Let op: Het inschakelen van de maaimessen terwijl de motor met volle snelheid draait, veroorzaakt spanning op de aandrijfriemen. Gebruik pas vol gas wanneer het maaidek omlaag is gezet in de maaistand. Het product gebruiken

2. Trap het parkeerrempedaal in en laat deze

vervolgens los om de parkeerrem uit te schakelen.

3. Druk één van de rijpedalen voorzichtig in. De

snelheid neemt toe naarmate u het pedaal dieper indrukt. Gebruik pedaal (1) voor vooruit rijden en pedaal (2) voor achteruit rijden.

4. Laat het pedaal los om te remmen.

5. Selecteer de maaihoogte (1-10) met behulp van de

6. Druk op de vergrendelknop op de hefhendel voor het

maaidek en zet het maaidek omlaag naar de maaistand. De motor uitschakelen

1. Trek de hefhendel voor het maaidek naar achteren

in de vergrendelde stand om het maaidek omhoog te zetten. De messen stoppen met draaien.

2. Draai de contactsleutel naar stand STOP.

3. Schakel de parkeerrem in zodra het product stopt.

De parkeerrem inschakelen en uitschakelen

1. Trap het parkeerrempedaal in (1).

3. Houd de knop ingedrukt en zet het

parkeerrempedaal vrij.

4. Om de parkeerrem uit te schakelen, trapt u het

parkeerrempedaal nogmaals in. Een goed maairesultaat verkrijgen

  • Maai geen nat gras. Nat gras kan een slecht maairesultaat opleveren.
  • Begin met een hoge maaihoogte en verlaag die geleidelijk.
  • Maai met een zo hoog mogelijke rotatiesnelheid van de messen (hoogst toegestane motortoerental, zie Technische gegevens op pagina 90 ). Rijd met lage snelheid met het product. Als het gras niet te hoog en dik is, verkrijgt u ook bij hogere rijsnelheid een goed resultaat.
  • Voor het beste maairesultaat maait u het gras regelmatig en gebruikt u de BioClip-functie. Onderhoud Inleiding WAARSCHUWING: Voordat u onderhoudswerkzaamheden gaat uitvoeren, dient u het hoofdstuk over veiligheid te lezen en hebben begrepen. Onderhoudsschema
  • = Algemeen onderhoud uit te voeren door de gebruiker. De instructies zijn niet opgenomen in deze gebruikershandleiding. X = De instructies zijn opgenomen in deze gebruikershandleiding. O = De instructies zijn niet opgenomen in deze gebruikershandleiding. Laat onderhoud aan de machine uitvoeren door een erkende servicewerkplaats. Let op: Als er meer dan één tijdsinterval in de tabel staat vermeld, dan geldt de kortste interval uitsluitend voor de eerste onderhoudsbeurt. Onderhoud Dagelijks onderhoud voorafgaand aan het gebruik Onderhoudsinterval in uren

Controleer of moeren en schroeven goed vastgedraaid zijn * Controleer op brandstof- of olielekkage * Reinigen zoals beschreven in Product reinigen op pagina 78

Reinig de binnenzijde van het maaidek, rondom de messen X Rond de geluiddemper reinigen X Zorg dat de koelluchtinlaat van de motor niet geblokkeerd is X Controleer of de veiligheidsvoorzieningen in orde zijn X Inspecteer en test de remmen * Controleer het motoroliepeil X Controleer het transmissieoliepeil X Controleer de stuurkabels X Inspecteer de messen van het maaidek X Reinig het maaidek, onder de riemafdekkingen en onder het maai- dek

Zorg voor een juiste bandenspanning X X Controleer de parkeerrem X

374 - 001 - 29.09.2017 77Onderhoud Dagelijks onderhoud

voorafgaand aan het gebruik Onderhoudsinterval in uren

Motorolie verversen X X Het oliefilter vervangen X X Reinig het luchtfilter X Vervang het luchtfilter X Brandstoffilter vervangen X Controleer of het maaidek correct is uitgelijnd X X Smeer de riemspanner. X X Inspecteer de stuurkabels en stel ze zo nodig af O O Inspecteer de uitlaatdemper en het hitteschild O Inspecteer het maaidek op beschadigingen O Vervang de bougie O Stel de parkeerrem af. O Controleer de gaskabel en stel die zo nodig af O Reinig de koelribben van de motor en de transmissie O Reinig de motor en de transmissie O Controleer de riemen O O Controleer de accu * O Controleer de brandstofslang. Vervang indien nodig O Ververs de olie in de transmissie O O Product reinigen OPGELET: Gebruik geen hogedrukspuit of stoomreiniger. Water kan in lagers en elektrische aansluitingen dringen en corrosie veroorzaken die tot schade aan het product kan leiden. Reinig het product direct na gebruik.

  • Reinig geen hete oppervlakken zoals de motor, de uitlaatdemper en het uitlaatsysteem. Wacht tot de oppervlakken zijn afgekoeld en verwijder daarna gras of vuil.
  • Gebruik eerst een borstel om te reinigen, voordat u water gebruikt. Verwijder maaisel en vuil van en rondom de transmissie, de luchtinlaat van de transmissie en de motor.
  • Gebruik stromend water uit een slang om het product te reinigen. Gebruik geen hogedrukspuit.
  • Richt de waterstraal niet op elektronische componenten of lagers. Reinigingsmiddelen kunnen schade veroorzaken.
  • Om het maaidek te reinigen adviseren wij het maaidek in de onderhoudsstand te zetten en met een waterstraal schoon te spuiten.
  • Start het maaidek na het reinigen en laat de motor kort draaien om waterresten te verwijderen. De motor en de uitlaatdemper reinigen Houd de motor en de uitlaatdemper vrij van grasresten en vuil. Grasresten vol olie of brandstof die in contact komen met de motor, zorgt voor meer kans op brand en kan ook tot oververhitting van de motor leiden. Laat de 78 374 - 001 - 29.09.2017motor afkoelen voordat u die schoonmaakt. Reinigen met water en een borstel. Grasresten rond de uitlaatdemper drogen snel en vormen een brandgevaar. Gebruik een borstel of verwijder de grasresten met water wanneer de uitlaatdemper koud is. Koelluchtinlaat van motor reinigen WAARSCHUWING: Stop de motor. De koelluchtinlaat draait en kan letsel aan uw vingers veroorzaken.
  • Zorg ervoor dat de inlaatgrille op de motorkap niet geblokkeerd is. Verwijder gras en vuil met een borstel. Zorg dat de koelluchtinlaat van de motor niet geblokkeerd wordt. Verwijder gras en vuil met een borstel.
  • Open de motorkap. Zorg dat de koelluchtinlaat van de motor niet geblokkeerd wordt. Verwijder gras en vuil met een borstel.
  • Controleer het luchtkanaal aan de binnenzijde van de motorafdekking. Zorg dat het luchtkanaal schoon is en niet tegen de koelluchtinlaat schuurt. De kappen verwijderen Verwijderen van motorkap

1. Klap de stoel naar voren.

2. Maak de klem op de motorkap los met het hulpstuk

aan de contactsleutel.

3. Klap de motorkap naar achteren.

Verwijderen van voorste kap

1. Maak de klem op de voorste kap los met het

hulpstuk aan de contactsleutel.

2. Verwijder de voorste kap.

Rechter spatbord verwijderen

1. Draai de knop op het pedaal voor achteruit rijden (A)

los en verwijder hem.

2. Verwijder de 3 schroeven (B) en verwijder het

Linker spatbord verwijderen

  • Verwijder de 3 schroeven en verwijder het linker spatbord.

374 - 001 - 29.09.2017

79De stuurkabels inspecteren Na verloop van tijd kan de spanning van de stuurkabels afnemen. Hierdoor verandert de afstelling van de besturing. U moet de besturing als volgt inspecteren en afstellen:

1. De kabels hebben de juiste spanning wanneer u ze

met de hand 5 mm omhoog of omlaag in de groef op de stuurbeugel kunt bewegen.

2. Als de kabels te slap zijn gespannen, moet u ze door

een erkende servicewerkplaats laten afstellen. De parkeerrem controleren

1. Parkeer het product op een harde ondergrond die

afloopt. Let op: Parkeer het product niet op een grashelling wanneer u de parkeerrem controleert.

2. Trap het parkeerrempedaal in (1).

3. Zet de parkeerrem vrij terwijl u de vergrendelknop

4. Als het product begint te bewegen, moet u de

parkeerrem door een erkende servicewerkplaats laten afstellen.

5. Bedien het parkeerrempedaal opnieuw om de

parkeerrem uit te schakelen. Het brandstoffilter vervangen

1. Open de motorkap om bij het brandstoffilter te

2. Gebruik een platte tang om de slangklemmen van

het brandstoffilter te verwijderen.

3. Trek aan de slangeinden om het brandstoffilter te

4. Duw het nieuwe brandstoffilter in de uiteinden van

de slangen. Gebruik vloeibaar reinigingsmiddel op de uiteinden van het brandstoffilter om de aansluiting te vergemakkelijken.

5. Duw de slangklemmen tegen het brandstoffilter.

Het luchtfilter reinigen en vervangen

1. Open de motorkap.

2. Draai de knoppen waarmee het filterdeksel is

bevestigd los en til het deksel eraf.

3. Til het uiteinde van het luchtfilter op om het te

374 - 001 - 29.09.20174. Tik het papieren filter tegen een hard oppervlak om

het te reinigen. Gebruik geen perslucht.

5. Als het papieren filter niet schoon wordt, dient het te

6. Plaats het luchtfilter terug op de slang.

7. Duw het luchtfilter op de juiste plaats.

8. Bevestig het luchtfilterdeksel en draai de knoppen

vast. Bougie controleren en verwijderen

1. Open de motorkap.

2. Verwijder de ontstekingskabelschoen en reinig het

gebied rond de bougie.

3. Verwijder de bougie met een ⅝ʺ (16 mm)

4. Controleer de bougie. Vervang de bougie als de

elektroden zijn verbrand of als de isolatie is gebarsten of beschadigd. Als de bougie niet beschadigd is, reinig deze dan met een staalborstel.

5. Meet de elektrode-opening en zorg ervoor dat deze

correct is. Zie Technische gegevens op pagina 90

6. Buig de zij-elektrode om de elektrode-opening aan te

7. Plaats de bougie terug en draai deze met de hand

totdat deze tegen de zitting aan zit.

8. Draai de bougie vast met de bougiesleutel totdat de

ring wordt samengedrukt.

9. Draai een gebruikte bougie nogmaals ⅛ slag vast,

een nieuwe bougie nog ¼ slag extra. OPGELET: Onjuist vastgedraaide bougies kunnen leiden tot motorschade.

10. Vervang de ontstekingskabelschoen.

OPGELET: Probeer de motor niet te starten als de bougie of de ontstekingskabel is verwijderd. Hoofdzekering vervangen Een doorgebrande zekering wordt aangegeven door een doorgebrande verbinding.

1. Verwijder de motorkap. De hoofdzekering bevindt

zich in een houder aan de voorzijde van de accu.

2. Trek de zekering uit de houder.

3. Vervang de doorgebrande zekering door een nieuwe

zekering van hetzelfde type, platte pen 15 A.

4. Plaats de afdekkingen terug.

Als een hoofdzekering binnen korte tijd nadat u deze hebt vervangen nogmaals doorbrandt, is er sprake van kortsluiting. Repareer de kortsluiting voordat u het product opnieuw gebruikt. Zoek hulp van een erkende servicewerkplaats. De accu opladen

  • Laad de accu op wanneer deze te zwak is om de motor te starten.
  • Gebruik een standaard acculader. OPGELET: Gebruik geen boostlader of startbooster. Dit zal leiden tot schade aan het elektrisch systeem van het product.
  • Koppel altijd de lader los alvorens de motor te starten. Noodstart van motor uitvoeren Als de accu te zwak is om de motor te starten, kunt u gebruik maken van startkabels om een noodstart uit te voeren. Dit product is voorzien van een 12-volt-systeem met negatieve aarding. Het product dat voor de

374 - 001 - 29.09.2017

81noodstart wordt gebruikt, moet ook een 12-volt-systeem met negatieve aarding hebben. Startkabels aansluiten WAARSCHUWING: Explosiegevaar door explosief gas dat afkomstig is van de accu. Sluit geen negatieve aansluitklem van de volledig opgeladen accu aan op of in de buurt van de negatieve aansluitklem van de zwakke accu. OPGELET: Gebruik de accu van uw product niet om andere voertuigen te starten.

1. Verwijder de motorkap.

2. Verwijder de kap van het accuvak.

3. Sluit het ene uiteinde van de rode kabel aan op de

PLUSKLEM (+) van de zwakke accu (A).

4. Sluit het andere uiteinde van de rode kabel aan op

de PLUSKLEM (+) van de volledig opgeladen accu (B). WAARSCHUWING: Zorg dat de uiteinden van de rode draden geen kortsluiting maken tegen het chassis.

5. Sluit een uiteinde van de zwarte kabel aan op de

MINKLEM (-) van de volledig opgeladen accu (C).

6. Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel aan op

een CHASSISMASSA (D), uit de buurt van de brandstoftank en de accu.

7. Plaats de afdekkingen terug.

Startkabels verwijderen Let op: Verwijder de startkabels in omgekeerde volgorde van aanbrengen.

1. Verwijder de ZWARTE kabel van het chassis.

2. Verwijder de ZWARTE kabel van de volledig

3. Verwijder de RODE kabel van de 2 accu's.

Bandendruk De bandenspanning van alle vier banden moet 60 kPa (0,6 bar/8,5 PSI) zijn. Het maaidek in de onderhoudsstand zetten WAARSCHUWING: De spanveer van de aandrijfriem kan breken, wat tot letsel kan leiden. Draag een veiligheidsbril.

Verwijderen en aanbrengen van het maaidek op pagina 73

2. Pak de voorkant van het maaidek vast en trek het

maaidek uit tot de aanslag.

3. Til het maaidek op tot het verticaal staat en een

klikgeluid hoorbaar is. Het maaidek wordt automatisch vergrendeld in de verticale stand.

1. Houd de voorkant van het maaidek vast met uw

2. Maak de vergrendeling met uw rechterhand los.

3. Klap het maaidek omlaag en druk het naar binnen

4. Til de beugel voor maaihoogteafstelling uit diens

houder en plaats hem in de uitsparing.

5. Plaats de aandrijfriem terug.

6. Plaats de spanveer terug om de aandrijfriem onder

7. Bevestig de voorste afdekking.

8. Zet de maaihoogtehendel in een van de standen

1-10. Bodemdruk van maaidek controleren en aanpassen Een juiste bodemdruk zorgt ervoor dat het maaidek boven de bodem beweegt, maar er niet hard tegenaan drukt.

1. Verifieer of de banden een spanning hebben van 60

kPa (0,6 bar / 9,0 psi).

2. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.

3. Zet het maaidek omlaag in de maaistand.

4. Plaats een personenweegschaal onder de voorkant

5. Plaats een blok tussen het frame en de weegschaal

om er zeker van te zijn dat de steunwielen geen gewicht dragen.

6. Om de bodemdruk af te stellen draait u aan de

stelschroeven achter beide voorwielen.

7. Draai de bouten rechts- of linksom totdat de

bodemdruk tussen 12 en 15 kg ligt (26.5-33 lb). Controleren of het maaidek correct is uitgelijnd

1. Verifieer of de banden een spanning hebben van 60

kPa (0,6 bar / 9,0 psi).

2. Parkeer het product op een vlakke ondergrond.

3. Zet het maaidek omlaag in de maaistand.

4. Meet de afstand tussen de bodem en de voorste en

achterste rand van het maaidek. Zorg dat de achterkant 4-6 mm (1/5") hoger is dan de voorkant. De uitlijning van het maaidek afstellen

1. Verwijder de voorste afdekking en het rechter

832. Verwijder de schroeven waarmee de

te korten. Maak de arm langer om de achterrand van de afdekking omhoog te zetten. Maak de arm korter om de achterrand van de afdekking omlaag te zetten.

5. Draai de moeren op de hefarm na het afstellen vast.

7. Bevestig het rechter spatbord en de voorste

afdekking. Verwijderen van de BioClip-plug

  • Verwijder de BioClip-plug om het Combi-maaidek om te schakelen van BioClip naar uitworp aan de achterzijde. Verwijderen en bevestigen van BioClip-plug op maaidek Combi 103

1. Zet het maaidek in de onderhoudsstand.

2. Verwijder de 3 schroeven die de BioClip-plug op zijn

plaats houden en verwijder de plug.

3. Breng drie M8x15 mm schroeven aan in de

schroefopeningen voor de BioClip-plug om schade aan de schroefdraad te voorkomen.

4. Zet het maaidek weer in de maaistand.

5. Bevestig de BioClip-plug in omgekeerde volgorde.

Verwijderen en bevestigen van BioClip-plug op maaidek Combi 94

1. Zet het maaidek in de onderhoudsstand.

2. Maak de knop en de bouten los waarmee de

BioClip-plug is bevestigd en verwijder de plug.

3. Zet het maaidek weer in de maaistand.

4. Bevestig de BioClip-plug in omgekeerde volgorde.

De messen inspecteren OPGELET: Beschadigde of onjuist gebalanceerde messen kunnen schade aan het product veroorzaken. Vervang beschadigde messen. Laat botte messen slijpen en balanceren door een erkende servicewerkplaats.

1. Zet het maaidek in de onderhoudsstand.

of het nodig is om ze te slijpen.

3. Draai de mesbouten vast met een aanhaalmoment

van 45-50 Nm. De messen vervangen

1. Zet het maaidek in de onderhoudsstand.

2. Zet het blad vast met een houten blok.

3. Draai de bout van het mes los en verwijder de bout

samen met de sluitringen en het mes.

4. Monteer het nieuwe mes met de schuine uiteinden in

de richting van het maaidek. WAARSCHUWING: Het gebruik van een onjuist type mes kan ertoe leiden dat objecten uit het maaidek geworpen worden en ernstig letsel veroorzaken. Gebruik alleen messen die worden aangegeven in Technische gegevens op pagina 90

5. Bevestig het mes, de ring en de bout. Draai de bout

vast met een aanhaalmoment van 45–50 Nm. Het motoroliepeil controleren

1. Parkeer het product op een vlakke ondergrond en

schakel de motor uit.

6. Maak de peilstok los, trek hem eruit en lees het

7. Het oliepeil moet tussen de markeringen op de

peilstok staan. Als het peil bijna bij de markering "ADD" staat, moet u olie bijvullen tot de markering "FULL".

8. Vul olie bij via de opening waarin de peilstok zit. Vul

langzaam olie bij. Meng nooit verschillende soorten olie door elkaar.

9. Zet de peilstok goed vast voordat u de motor start.

Start de motor en laat die stationair draaien gedurende circa 30 seconden. Stop de motor. Wacht 30 seconden en controleer het oliepeil nogmaals. De motorolie en het oliefilter vervangen Als de motor koud is, moet u de motor starten en 1-2 minuten laten draaien voordat u de motorolie aftapt. Hierdoor wordt de motorolie warm en is deze gemakkelijker af te tappen. WAARSCHUWING: Laat de motor niet langer dan 1 tot 2 minuten draaien voordat u de motorolie aftapt. De motorolie wordt zeer heet en kan brandwonden veroorzaken. Laat de motor afkoelen voordat u de motorolie aftapt. WAARSCHUWING: Als u motorolie morst op uw lichaam, was dat dan af met water en zeep.

374 - 001 - 29.09.2017 851. Open de kunststof dop op het uiteinde van de

2. Om de olie gemakkelijker zonder morsen af te

tappen, kunt u bijvoorbeeld een kunststof slang op het uiteinde van de olieaftapplug aanbrengen.

3. Plaats een opvangbak onder de olieaftapplug.

4. Verwijder de peilstok.

5. Draai de olieaftapplug linksom en trek eraan om

7. Duw de olieaftapplug in en draai deze rechtsom om

8. Verwijder de kunststof slang en plaats de dop weer

op de olieaftapplug.

9. Draai het oliefilter linksom om het te verwijderen.

10. Smeer de rubberen afdichting op het nieuwe oliefilter

in met een beetje verse motorolie.

11. Om het nieuwe oliefilter te bevestigen, draait u het

filter met de hand rechtsom tot de rubberen afdichting op zijn plaats zit, waarna u het filter nog een halve slag verder draait.

12. Vul de motor met nieuwe olie zoals aangegeven in

Het motoroliepeil controleren op pagina 85

14. Schakel de motor uit en controleer het oliefilter op

15. Vul olie bij en compenseer daarbij de hoeveelheid

die het nieuwe oliefilter opneemt. Let op: Voor veilig afvoeren van afgewerkte motorolie, zie Afvoeren op pagina 89

Het transmissieoliepeil controleren

1. Verwijder de twee schroeven, één aan elke kant, en

til de transmissiekap eraf.

2. Zorg dat het oliepeil in de transmissieolietank tussen

de twee horizontale lijnen op de tank staat.

3. Vul motorolie bij als het oliepeil onder de onderste

lijn staat, maar vul nooit bij tot boven de bovenste lijn. Zie Technische gegevens op pagina 90 voor de aanbevolen olie. De riemspanner smeren De riemspanner moet regelmatig worden gesmeerd met een hoogwaardig smeervet op basis van molybdeen- disulfide.

374 - 001 - 29.09.20171. Verwijder de 2 schroeven waarmee de

riemafscherming is bevestigd en til deze eraf.

2. Vul met een vetspuit de smeernippel aan de

rechterkant onder de onderste riemschijf totdat er vet naar buiten perst.

3. Bevestig de riemafscherming en draai de 2

schroeven vast. Problemen oplossen Probleemoplossingsschema Als u in deze handleiding geen oplossing voor uw probleem kunt vinden, neem dan contact op met Husqvarna uw servicewerkplaats. Probleem Oorzaak De startmotor laat de motor niet aanslaan De parkeerrem is niet ingeschakeld. Zie De parkeerrem inschakelen en uitscha- kelen op pagina 76

De hefhendel voor het maaidek staat in de maaistand. Zie Veiligheidscircuit op pagina 70

De hoofdzekering is doorgebrand. Zie Hoofdzekering vervangen op pagina 81

Het contactslot is defect. Slecht contact tussen de kabel en de accu. Zie Veiligheid bij accu's op pagina

De accu is te zwak. Zie De accu opladen op pagina 81

De startmotor is defect. De motor start niet wanneer de startmotor de motor laat aansla-

Geen brandstof in de brandstoftank. Zie Brandstof bijvullen op pagina 74

De bougie is defect. De ontstekingskabel is defect. Vuil in de carburateur of brandstofleiding. De motor loopt niet gelijkmatig De bougie is defect. De carburateur is verkeerd afgesteld. Het luchtfilter is verstopt. Zie Het luchtfilter reinigen en vervangen op pagina 80

De ontluchting van de brandstoftank is geblokkeerd. Vuil in de carburateur of brandstofleiding.

374 - 001 - 29.09.2017 87Probleem Oorzaak

De motor produceert nauwelijks vermogen Het luchtfilter is verstopt. Zie Het luchtfilter reinigen en vervangen op pagina 80

De bougie is defect. Vuil in de carburateur of brandstofleiding. De gaskabel is verkeerd afgesteld. De transmissie levert niet genoeg vermogen De koelluchtinlaat of de koelvinnen van de transmissie zijn geblokkeerd. De ventilator van de transmissie is beschadigd. Er zit geen olie in de transmissie of het oliepeil is te laag. Zie Het transmissieo- liepeil controleren op pagina 86

De accu laadt niet De accu is defect. Zie Veiligheid bij accu's op pagina 72

Slecht contact bij de kabelklemmen op de accupolen. Zie Veiligheid bij accu's op pagina 72

Het product trilt De messen zitten los. Zie De messen inspecteren op pagina 84

Eén of meer messen zijn niet goed gebalanceerd. Zie De messen inspecteren op pagina 84

De motor zit los. Het maairesultaat is onvoldoende De messen zijn bot. Zie De messen inspecteren op pagina 84

Het gras is lang of nat. Zie Een goed maairesultaat verkrijgen op pagina 77

Het maaidek zit scheef. Gras verstopt het maaidek. Zie Product reinigen op pagina 78

De bandenspanning tussen de rechter- en linkerzijde is verschillend. Zie Ban- dendruk op pagina 82

Het product rijdt met te hoge snelheid. Zie Een goed maairesultaat verkrijgen op pagina 77

Het motortoerental is te laag. Zie Een goed maairesultaat verkrijgen op pagina

De aandrijfriem slipt. Vervoer, opslag en verwerking Transport

  • Het product is zwaar en kan letsel door verbrijzeling veroorzaken. Wees voorzichtig wanneer u het product op een voertuig of aanhangwagen laadt of eraf haalt.
  • Gebruik een goedgekeurde aanhangwagen voor vervoer van het product.
  • Zorg dat u de plaatselijk geldende verkeersregels kent voor het vervoeren van het product op een aanhanger of voor rijden op de openbare weg. Het product veilig vastzetten op een aanhanger WAARSCHUWING: De parkeerrem is niet voldoende om het product tijdens transport te zekeren. Bevestig het product stevig aan de aanhangwagen. Uitrusting: 2 goedgekeurde spanbanden en 4 wigvormige wielkeggen.

1. Schakel de parkeerrem in.

88 374 - 001 - 29.09.20172. Bevestig de spanbanden rond het frame of de achterkant van het onderstel.

3. Zet de spanbanden vast in de richting van de

achterkant en de voorkant van de aanhangwagen om het product in lengterichting te zekeren.

4. Plaats de wielkeggen voor en achter de

achterwielen. Het product slepen Het product is voorzien van een hydrostatische transmissie. Ter voorkoming van schade aan de transmissie mag u het product uitsluitend over een korte afstand en bij lage snelheid slepen. Ontkoppel de transmissie voorafgaand aan slepen. Zie In- en uitschakelen van het aandrijfsysteem op pagina

Opslag Bereid het product voor op opslag aan het eind van het seizoen, en voorafgaand aan opslag langer dan 30 dagen. Als u de brandstof langer dan 30 dagen in de tank laat zitten, kunnen kleverige deeltjes verstopping in de carburateur veroorzaken. Dit heeft een negatief effect op de werking van de motor. Voeg een stabilisatiemiddel toe aan de brandstof om te voorkomen dat kleverige deeltjes ontstaan tijdens opslag van de machine. Bij gebruik van alkylaatbenzine is toevoegen van een stabilisatiemiddel niet nodig. Als u standaard benzine gebruikt, ga dan niet over op het gebruik van alkylaatbenzine. Hierdoor kunnen kwetsbare rubberen onderdelen hard worden. Voeg een stabilisatiemiddel toe aan de brandstof in de tank of in de jerrycan. Gebruik altijd de mengverhoudingen die de fabrikant voorschrijft. Laat de motor minstens 10 minuten draaien nadat u het stabilisatiemiddel heeft toegevoegd om te zorgen dat het stabilisatiemiddel ook de carburateur bereikt. WAARSCHUWING: Zet het product met brandstof in de tank niet binnen of op plekken met een slechte ventilatie. Er is gevaar voor brand als brandstofdampen dicht bij open vuur, vonken of waakvlammen zoals die van boilers, heetwatertanks of wasdrogers komen. WAARSCHUWING: Verwijder gras, bladeren en andere brandbare materialen van het product om het risico van brand te verkleinen. Laat het product afkoelen voordat u die in de stallingsruimte plaatst.

  • Reinig het product, zie Product reinigen op pagina

. Werk lakbeschadigingen bij om corrosie te voorkomen.

  • Inspecteer het product op versleten of beschadigde onderdelen en draai loszittende moeren en schroeven vast.
  • Verwijder de accu. Reinig hem, laad hem op en berg hem op een koele plaats op.
  • Ververs de motorolie en voer de afgewerkte olie af.
  • Leeg de brandstoftank. Start de motor en laat die draaien tot de carburateur leeg is. Let op: Leeg de brandstoftank en de carburateur niet als u een stabilisatiemiddel aan de tank heeft toegevoegd.
  • Verwijder de bougies en giet ongeveer een eetlepel motorolie in elke cilinder. Draai de motoras om de olie aan te brengen en breng de pluggen weer aan.
  • Smeer alle smeernippels, koppelingen en assen.
  • Stal het product in een schone en droge ruimte en dek het product af voor extra bescherming.
  • Een hoes voor bescherming van uw product tijdens stalling of transport is verkrijgbaar bij uw dealer. Afvoeren
  • Gebruikte motorolie, antivries en zijn gevaarlijke stoffen en mogen niet in de bodem of in de natuur worden geloosd. Voer gebruikte chemicaliën af naar uw servicepunt of een afvalverwerkingspunt.
  • Wanneer het product is versleten en niet meer wordt gebruikt, lever deze dan in bij uw dealer of recyclagebedrijf.
  • Wees voorzichtig met olie, oliefilters, brandstof en de accu vanwege de mogelijke gevolgen voor het milieu. Neem de plaatselijk geldende wet- en regelgeving voor recycling in acht.
  • Gooi de accu niet bij het huishoudelijk afval.
  • Lever de accu in bij een Husqvarna servicewerkplaats of bij een bedrijf dat oude accu's verwerkt.

374 - 001 - 29.09.2017

89Technische gegevens Technische gegevens Rider 213C Rider 216 Rider 216 AWD Afmetingen Lengte zonder maaidek, mm 1960 1960 1960 Breedte zonder maaidek, mm 883 883 883 Lengte met maaidek, mm 2243 2243 2243 Breedte met maaidek, mm 994 1000–1080 1000–1080 Hoogte, mm 1120 1120 1120 Gewicht zonder maaidek, met lege tanks, kg 194 198 217 Gewicht inclusief maaidek, met lege tanks,

Het aangegeven nominale vermogen van de motor heeft betrekking op het gemiddelde nettovermogen (bij het opgegeven toerental) van een typische productiemotor voor het betreffende motormodel, gemeten volgens de SAE-norm J1349/ISO1585. In massa geproduceerde motoren kunnen een afwijkende waarde geven. Het werkelijk geleverde vermogen van de geïnstalleerde motor in het product hangt af van de bedrijfssnelheid, de omgevingscondities en andere waarden. 90 374 - 001 - 29.09.2017Rider 213C Rider 216 Rider 216 AWD Startmotor Elektrische start, 12

Geluidsvermogenniveau, gemeten dB(A) 98 99 99 Geluidsvermogenniveau, gegarandeerd dB(A)

Geluidsdrukniveau bij het oor van de gebrui- ker, dB(A)

Geluidsemissie naar de omgeving gemeten als geluidsvermogen (L

) volgens EG-richtlijn 2000/14/EG.

Geluidsdrukniveau volgens EN ISO 5395. De gerapporteerde gegevens voor het geluidsdrukniveau vertonen een typische statistische spreiding (standaardafwijking) van 1,2 dB (A).

Trillingsniveau volgens EN ISO 5395. De gerapporteerde gegevens voor het trillingsniveau vertonen een typi- sche statistische spreiding (standaardafwijking) van 0,2 m/s

Artikelnummer 579 65 25-10 504 18 82-10 WAARSCHUWING: Het gebruik van een maaidek dat niet is goedgekeurd voor gebruik in combinatie met het product kan wegslingeren van objecten veroorzaken wat tot ernstig letsel kan leiden. Gebruik geen andere typen maaidek dan aangegeven in deze gebruikershandleiding. Service Service Laat uw product jaarlijks door een erkend servicepunt controleren om te zorgen dat het product tijdens het hoogseizoen veilig en optimaal presteert. De beste tijd voor onderhoud of revisie van het product, is het laagseizoen. Wanneer u onderdelen bestelt, vermeld dan de aanschafdatum, model, type en serienummer. Gebruik altijd originele reserveonderdelen. Garantie Garantie op transmissie Alleen van toepassing op Rider 216 AWD. De garantie op de transmissie is alleen van toepassing als de controles van de rotatiesnelheid van de voor- en achterwielen werden uitgevoerd zoals aangegeven in het onderhoudsschema. Laat een erkende dealer de rotatiesnelheid aanpassen, indien nodig, ter voorkoming van schade aan het transmissiesysteem. Raadpleeg de tabel met waarden in het werkplaatshandboek. 92 374 - 001 - 29.09.2017EG-conformiteitsverklaring EG-conformiteitsverklaring Husqvarna AB, SE–561 82 Huskvarna, Zweden, tel.: +46-36-146500, verklaart hierbij dat de Husqvarna zitmaaier Rider 213C, Rider 216 en Rider 216 AWD met serienummers van 2014 en later (het jaartal staat duidelijk op het typeplaatje vermeld, gevolgd door het serienummer), voldoen aan de vereisten van de volgende EU-richtlijnen:

  • van 17 mei 2006 "met betrekking tot machines" 2006/42/EG
  • van 26 februari 2014 "met betrekking tot elektromagnetische compatibiliteit" 2014/30/EU
  • van 8 mei 2000 "met betrekking tot geluidsemissies in het milieu” 2000/14/EG Informatie over geluidsemissies en de maaibreedte, zie Technische gegevens. De volgende geharmoniseerde normen zijn van toepassing: EN ISO 12100-2, EN ISO 5395-1, EN ISO 5395-3 Tenzij anders vermeld, betreft het de meest recente versies van de hierboven genoemde normen. Aangemelde instantie: 0404, SMP Svensk Maskinprovning AB, Box 7035, SE-750 07 Uppsala heeft rapporten opgesteld inzake de beoordeling van de overeenstemming met bijlage VI van Richtlijn 2000/14/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende "de geluidsemissie door materieel voor gebruik buitenshuis". Het certificaat heeft de nummers: 01/901/143, 01/901/144 Huskvarna, 2017-09-30 Claes Losdal, Development Manager/Garden Products (gemachtigde vertegenwoordiger voor Husqvarna AB en verantwoordelijk voor technische documentatie.)