GEBRUIKSAANWIJZING ANH-P9R PIONEER
De kleuren van de snoeren van dit toestel zijn gewijzigd.
- Het PIONEER navigatie-eenheid is uitsluitend bedoeld als hulp bij het vinden van de weg maar uw bestemming e.d. U mag het autonavigatiesystemen Niet beschouwen als een verranging voor uw eigena beordelingsvermogen en alertheid tijdens het rijden.
- Gebruik het navigatie-eenheid zichneer u bijvoorbeeld in nooodgevallen de weg maar een ziekenhuis of politiebureau wilt weten. De wegenkaart bevat namelijk Niet alle informatie betreffende deze diensten.
Bedien het autonavigationsystem niet onder omstandigheden waar bij u alle aandacht voor de weg nodig heeft. Neem.altijd deplaatselijke verkeersregels en de vereiste vergilheidsmaatregelen in acheit.
- In deze handleiding worden de inbouw van het navigatie-eenheid in uw auto beschreiben. De bediening van het apparaat worden beschreiben in de afzonderlijke "Gebruiksaanwijzing" die bij het apparaat worden geleverd.
Belangrijke veiligheidsmaatregelen
- Lees de handleiding zorgvuldig door voordat u het navigatie-eenheid gaat inbouwen.
- Bewaar de handleiding voor eventuele naslag in de toekomst.
- Neem alle waarschuwingsinformatie in acht en volg de instructies nauwkeurig op.
- Dit navigatie-eenheid isuitsluitend bedoeld als hulp bij het vinden van de weg maar uw bestemming e.d. U mag het systemeniet beschouwen als een verranging voor uw eigeneboordelingsvermögen en alertheid tijdens het rijden. Bedien het navigatie-eenheid Niet onder omstandigheden waar bij u alle aandacht voor de weg nodig heeft. Neem.altijd deplaatselijkke verkeersregels en de vereiste veiligheidsmaatregelen in ache.
- Onder bepaalde omstandigheden kan het navigatie-eenheid foutieve informatatie op het scherm tonen betreffende de positie van uw auto, de afstand tot bepaalde plaatsen die u op het scherm ziet en de kompasrichting. Ook hebft het system een,aantal beperkingen zoals het ontbreken van informatatie over eenrich-tingswegen,tijdelijk verkeersomleidingen en eventuele gevaarlijke routes. Uw eigendeordingsvermogen heeft waarom te allen tijde voorrang boven de informatatie die het system geeft.
-
Evenals bij het gebruik van andere accessoires in uw auto dient u erop te letten dat het navigatie-eenheid Niet uw aandacht van de weg afleidt. Indien u moei-lijkheden heeft bij de bediening van het apparaat of als de informatatie op het beeldscherm Niet duidelijk is, parkeer de auto dan op een veilige plaats langs de weg voordat u het probleem probeert op te losers.
-
Probeer het autonavigatie-systemen Niet zich in te bouwen of onderhoud aan het systeme te verrachten. Inbouwen en onderhoud van elektronische apparatuur en auto-accessoires door Personen die nicht de vereistevakopleiding en ervaring hebben in dit soort werkzaamheden, kan resulteren in een elektrische schok of een andere gevaarlijke situatie.
- Tijdens het rijden dient u alkijd de veiligheidsgordel te dragen. Bij een ongeluk is de kans op letsetl aanzienlijk groter als u de veiligheidsgordel Niet draagt.
INFORMATIE BETREFFENDE UW NIEUWE NAVIGATIE-EENHEID EN HET GEBRUIK VAN DEZE HANDLEIDING 2
Belangrijke veiligheidsmaatregelen
LEES DEZE INFORMATIE BETREFFENDE UW NAVIGATIE-EENHEID ZORGVULDIG DOOR EN BEWAAR DE INFORMATIE VOOR EVENTUELE NASLAG 3
Aansluten
Aansluiten van de stroomdraad 8
Aansluiten op een los verkrijgbare eindversterker 10
Aansluiten van de apparatuur 12
Installeren
Installaren van het toestel 13
- Voorkomen van elektromagnetische storing in het navigatie-eenheid 14
- Hoofdapparaat en bijgeleverd montagematerialiaal 14
Installatie met de rubber mof 15
- Verwijderen van het apparatus 15
Bevestigen van de GPS antenna 16
- Bevestigen van de Antenne binnenin de auto (op het dashboard of de hoedenplank) 17
- Bevestigen van de Antenne aan de buitenzijde van de auto (op de carrosserie) 18
Instellen van de navigatie
Kalibrering 19
Modus werkplaats 21
Controle van de sensoriek van de auto zelf en het systeme resp. functies 22
Testen van de taal 22
- Controle van de systeemcomponenten (test van toestel) 22
- Controle van de werkung van het spelheidssignaal, acheteruirijsignaal, de sensoriek van het toestel zichl 23
- Controle van de werkking van de GPS-antenne 23
Kalibrering 24
Kalibrering 24
Wissen van de kalibrering 24
- Installing van een kalibrering 24
Demo-modus 26

BELANGRIJK
PIONEER raadt u af het apparaat zich in te bouwen of eventueel onderhoud te verrichten. Bij verkeerd inbouwen of onderhoud bestaat de kans op een elektrische schok of een andere gevaarlijke situatie. Laat inbouwen en onderhoud van het apparaat over aan bevoegd PIONEER servicepersoneel.
Maak alle draden met kabelklemmen of isolatietape vast. Let er tevens op dat er geen draden bloot liggen.
Boor geen gat in het motorruimteschot om de geel draad van het apparaat� auto-accu te leiden. Door de motortrillingen kan de aangebrachte isolatie losraken op deplaats waar de draad van het interieur maar de motorruimte loopt, met een gevaarlijke situatie tot gevolg. Zorg ervoor dat u de draad op de diverseplaatsen stevig vastmaakt.
- Wanner de GPS antennedraad of de microfoondraad zich rond de stuurkolom of de versnellingspook wikkelt, ontstaat een bijzonder gevaarlijke situatie. Let er bij het inbouwen van het apparatus op dat u op geen enkele wijze gehinder wordt bij de normale besturing van de auto.
Zorg ervoor dat de draden de beweging van de diverse onderdelen van de auto zoals de versnellingspook, de handrem of het stoelverschuivingsmechanisme nicht hinderen.
- Laat de draden Niet langsplaatsen lopen waar deze blootgesteld worden aan hoge temperatures. Als de isolatie van de draden erg warm worden,+kennen de draden beschadigd raken met kortsluiting tot gevolg.
Maak de GPS antennedraad nicht korter en ook nicht langer. Wijzigen van de antennedraad kan resulteren in kortsluiting.
Maak ook geen enkele andere draad korter. Het is anders möglichk dat het beveiligingscircuit Niet juist werkt.
- Tap nooit stroom af van de stroomtoevoerdraad van het navigatie-eenheid voor de voeding van andere elektronische apparatuur. De stroomcapaciteit van de draad kan overschreden worden, met oververhitting tot gevolg.
Aansluten

Opmerkingen
- Dit apparaat is bestemd voor inbouw in auto's met een negatief geaarde 12-volts accu. Alvorens u het installeert in een auto, bus, vrachtswagen of ander voer- of vaartuig, dient u eerst te controleren of de accuspanning de juiste is.
- Om kortsluiting te vermiijden, dient u vooral voor het installereren de negatieve accukabel los te make.
- Zie voor het aansluiten van de eindversterker en andere apparatuur de gebruiksaanwijzing en volg de aanwijzingen nauwgezet op.
- Houd de bedrading op+zijn plaats met kabelklemmen of met isolatieband. Wikkel ter bescherming ook isolatieband om de bedrading waar deze de metalen oppervlakken van de auto raakt.
Leid de bedrading altijd zo dat deze Niet in aanraking kan komen met bewegende onderdelen zoals de versnellingspook, de handrem en de geleiderails van de stoelen. Zet de bedrading stevig vast en vermijd ookplaatsen die warm worden, zoals bij eenuitblaasopening van de autoverwarming. Als de isolatie smelt of door beweging doorslijt, zou er kortsluiting konnen onstaan.
Leid de gele draad Niet door het brandschot waar de motorruimte voor aansluiting op de accu. Hierbij is de kans groot op beschadiging van de isolatie en zeer gevaarlijke kortsluiting.
- Maak de bedrading Niet korter. Bij inkorten van de bedrading kan het beveiligingscircuit Niet in werkung treden runawayat nodig is.
- Tap geen stroom af van de bedrading door een stukje isolatie te verwijderen en een andere draad aan de kerndraad te verbinden. Hierdoor kan de maximale stroomcapaciteit van de draad overschreden worden, met als gevolg oververhitting.
-
Gebruik voor het verwangen van de zekering uitsluitend een zekering van het op dit toestel gespecificeerde vermogen.
Aangezien er gebruik is gemaakt van een uniek BPTL circuit, mag u de luidsprekersnoeren nooitrechtstreeks met de aarde verbinden en mag u ook Niet de negatieve luidsprekerdraden gemeenschappelijk aansluiten.
-
Sluit op dit apparaat luidsprekers aan die een hoog ingangsvermogen können verwerken, van nominaal tenminste 50 W, met een impedantie van 4 tot 8 Ohm. Sluit u luidsprekers aan die Niet aan deze eisen voldoen, dan bestaat er de kans dat de luidsprekers in brand vliegen, beginnen te roken of anderszins beschadigd raken.
- Wanneer de signaalbron van dit product aan (ON) staat, worden er een controlesignaal geprodueerd via de blauw/witte draad. Sluit deze aan op een systemd.afstandsbediening van een externe power versterker, of op de auto-antenne relais bedieningsaansluiting van de auto zelf (max. 300 mA 12 Volt gelifkstroom). Als de auto voorzien is van een glas-antenne, dient u de aansluiting te make n op de aansluiting van de stroomvoorziening van de antennebooster.
- Als u met dit apparaat een externe eindversterker gebruikt, let dan op dat u niede blauw/witte draad aansluit op de stroomvoorzieningsaansluiting van de eindversterker. Sluit de blauw/witte draad ook Niet aan op de stroomaansluiting van de autoantenne. Een dergelijkke aansluiting kan een te groote stroomafname en daarmee storingveroorzaken.
- Om kortsluiting te voorkomen dient u de losgekoppelde draad af te deken met isolatieband. Vergeet vooral nicht de ongebruikte luidsprekerdraden te isoleren. Als de draden Niet geisoleerd zijn, bestaat er het gevaar van kortsluiting.
-
Om vergissingen te voorkomen is de ingangskant van de IP-BUS aansluiting blauw uitgevoerd en de uitgangskant zwart. Let op dat u bij het aansluiten deze kleurcode volgt.
-
Als er een auto-antonne is geistalleerd, dient u het contact uit te zetten of het voorpaneel te verwijderen om de antenne op te bergen.
Aansluten
- Bij inbouw van dit apparaat in een auto waarvan het contactslot geen "ACC" stand heeft, dient u de rode stroomdraad van dit apparaat aan te sluiten op een aansluitpunt waarvan de stroom worden in- en uitgeschakeld door ON/OFF zetten van het contactsoleuteltje. Als u deze stroomdraad aansluit op een punt dat als u de auto enkele uren ongebruikt LAST.
(Afb.1)

ACC stand

Geen ACC stand
Afb.1
- De Zwarte draad is de aardedraad. Aard gezende draad gescheiden van de aarde van toestellen met een hoog vermogen, bijvoorbeeld eindversterkers.
De toestellen zonden namelijk möglich worden beschadigd of er worden brand verooorzaakt indien u dit toestel tezamen met andere toestellen aardt en de aarde worden ontkoppeld.
- Snoeren voor dit toestel en overeenkomende snoeren voor andere toestellen hebben möglich verzschillende kleuren ookal is de functie van de snoeren hetzelfde. Zie voor het verbinden van dit toestel met een ander toestel waarom de installmentehandleiding van beiden toestellen en verbind de snoeren metdezelfde functie met elkaar.

Aansluiten van de stroomdraad


ISO aansluiting
Opmerking
In bepaalde auto's is de ISO aansluiting möglich in tweeën verdeld. U moet in dat geval een verbinding met beiden aansluitingen make.
Opmerking
De plaatssaar het snelheidsdetectiecircuit zich bevindt, hangt af van het automodel. Zie voor nadere bijzonderheden de hierop betrekking hebende documentationatie van PIONEER. Wanner u het systeminbouwt in een auto die Niet in de documentationwort verweld of waarbij het systeme Niet op het snelheidsdetectiecircuit kan worden aangesloten, dient u de ND-PG1 snelheidspulsgenerator (los verkrijgbaar) op de roze draad aan te sluiten.
Afb. 2
Du
Aansluiten op een los verkrijgbare eindversterker


Aansluiten van de apparatuur

Installaren van het toestel

BELANGRIJK
PIONEER raadt u af het apparaat zich in te bouwen of eventueel onderhoud te verrachten. Bij verkeerd inbouwen of onderhoud bestaat de kans op een elektrische schok of een andere gevaarlijke situatie. Laat inbouwen en onderhoud van het apparaat over aan bevoegd PIONEER servicepersoneel.
- Voor u het apparaat definitief installeert, is het raadzaam eerst alle aansluitingen tjdelijk te makeen om te controlleren of alles maar behoren functioneert, zodate u later Niet voor verrassingen komt te staan.
- Gebruik voor het installereren uitsluitend de bij het apparaat geleverde onderdelen. Toepassing van andere dan de goedgekeurde onderdelen kan leiden tot storing in de werkung van het apparaat.
- Installee het apparaat op een plaats waar het de bestuurder Niet in de weg kan zitten en waar het ook bij een moodstop e.d. geen gevaar voor deinzittenden kan opleveren.
- Raadpleeg uw dichtst bijzijnde dealer als het voor het installereren van het apparatusaat nodig blijkt gaten te boren, of andere wijzigingen aan te brengen aan de auto.
- Wonneer u schroeven gebruikt, let er dan op dat deze nicht in contact komen met de elektrische bedrading. De bedrading zou beschadigd{kennen raken door de voertuigtrillingen, wat kan leiden tot kortsluiting of andere storingen.
- Wonneer de GPS antennedraad of de microfoondraad zich rond de stuurkolom of de versnellingspook wikkelt, ontstaat een bijzonder gevaarlijke situatie. Let er bij het inbouwen van het systeme op dat u op geen enkele wijze gehinderd worden bij de normale besturing van de auto.
Zorg ervoor dat de draden Niet loshangen en geraakt hunnen worden door een portier of stoelverschuivingsmechanisme, met eventueel kortsluiting tot gevolg.
- Controller nadat u het navigatieenheid heeft ingebouwd of de andere apparatuur in uw auto maar behoren werkt.
- De halfflegeider-laser in het apparaat is gevoelig voor beschadiging door oververhitting, dus installer het apparaat Niet te zich in de buurt van de autoverwarming of de warme luchtssroom waarvan.
- Monteer het apparaat onder een hoek van maximaal +30 tot 0 graden (maximaal 5 graden aan links of rechts van de rijrichting van uw auto). Als het apparaat te schuin wordt gemonteerd, is de kans groter dat de voertuigpositie fouf op het scherm worden aangegeven. (Afb. 5)


Afb.5
- Let erop dat de snoeren nicht het gedeelte bedekken dat is aangegeven in de onderstaande afbeelding. Dit om te voorkomen dat de ventilatie van de versterker worden belemmerd. (Afb. 6)

Dit gedeelte Niet afdekken.
Afb. 6
Installeren
Voorkomen van elektromagnetische storing in het navigatie-eenheid
- Om geluiden te voorkomen要去 de volgende voorwerpen zo ver möglichk van het hoofdapparaat van de navigatie-eenheid alsmede andere kabels en draden worden geplaatst:
-TV-antenne en antennekabel
-FM-, MG/LG-antenne met de kabel
-GPS-antenna met de kabel
Bovendien要去 de diverse antennekabels zo ver möglichk van elkaar worden aangebracht. ZeogenietSAMen worden bevestigd of elkaar kruisen.
Bij elektromagnetische storingen is de kans groter dat de voertuigpositie fouitief op het scherm worden aangegeven.
Hoofdapparaat en bijgeleverd montagemateriaal

Hoofdapparaat

Frame

Schroef

Houder

Verwijdersleutels

Rubber mof
(2 stuks)
Installeren
Installatie met de rubber mof

Houder
Nadat u de houder in het dashboard hebt geplaatst, kiest u de juiste lipjes voor de dikte van het dashboard-material en buigt u deze om.
(Plaats zo stevig als möglichk met gebruik van de boven- en onderlipjes. Buig de lipjes 90 graden om te vergrendelen.)
Afb. 7
Verwijderen van het apparaat

Trek maar buiten om het frame te verwijderen. (Om het frame waar aan te brengen,plaatst u de kant met de groef omlaag en bevestigt u het aldus.)
Afb. 8

Afb.9
Installeren
Bevestigen van de GPS antenne

BELANGRIJK
Maak de GPS antennedraad nicht korter en ook nicht langer. Wijzigen van de antennedraad kan resulteren in kortsluiting.

Opmerkingen
- De Antenne dient op een zo horizontally möglichk oppervlak te worden bevestigd op een plaats waar de ontvangst van de radiogolven zo min möglichk worden gehinder. De antenne kan de radiogolven van de satelliet alleen ontvangen als er geen obstakteussen de antennene en de satelliet is.
Het verdient aanbeveling de antennope het dak of op het kofferdeksel van de auto te bevestigen. (Afb. 10)

Afb. 10
- Indien u de GPS antennene binnenin de auto aanbrengt, gebruik dan het metalenplaatje dat bij het systeme worden geleverd. Als ditplaatje Niet gebruikt worden, zal de ontvangstgevoeligheid onbevredigend zijn.
- Maak het bijgeleverde metalenplaatje nicht kleiner, aangezien dit resulteert in een lagere gevoeligheid van de GPS antenne.
- Trek nied aan de antennedraad wonneer u de GPS antennene wilt verwijderen. De magneet van de antennene is erg krachtig en u zou de draad kannen lostrekken van de antennene.
- De GPS antennae worden bevestigd met behulp van de magnete. Let er bij het bevestigen van de GPS antennae op dat u geen krassen op de carrosserie veroorzaakt.
- Wanner u de GPS antennne op de buitenzijde van de auto heeft aangebracht, dient u deze los te make n en in de auto te leggen voordat u door een autowasserette rijdt. Indien dit worden verzuiimd, kan de antennne losraken en krassen op de carrosserie veroorzaken.
- Verf de GPS antennne nicht, aangezien dit de prestatie van de antennne beinvloedt.
Bevestigen van de antennene binnenin de auto (op het dashboard of de hoedenplank) (Afb. 11)
Bevestig het metalenplaatje op een zo horizonvaal möglichke ondergrond op eenplaats waar de GPS antennae de golven van buitenaf kan ontvangen. Plaats de GPS antennae op het metalenplaatje. (De GPS antennae heeft een magneet aan de onderzijde.)

Zorg dat het oppervlak waarop u het metalenplaatje gaat aanbrengen, droog is en vrij van stof, olie, vet enz.
Opmerking
De onderkant van het metalen\
plaatje bevat een sterk\
kleefmiddel, dat het dashboard\
kan beschadigen wonneer u het\
plaatje verwijdert.
Klemmen
Gebruik de klemmen om de
draad op de vereiste
plaatsen gegen het interieur
van de auto te bevestigen.
Afb. 11

Opmerkingen
- Let er bij het aanbrengen van het metalenplaatje op dat Niet inkleine onderdelen worden gesneden.
- De ruiten van sommige auto's lately de signalen van de GPS satellieten Niet door. In dat geval dient u de GPS antennae aan de buitenzijde van de auto te bevestigen.
Bevestigen van de antennae aan de buitenzijde van de auto (op de carrosserie) (Afb. 12)
Bevestig de GPS antennne op een zo horizonvaal möglichke ondergrond zoals op het dak of kofferdeksel. (De GPS antennne heeft een magneet aan de onderzijde.)

De antennedraad via het kofferdeksenaar binnen leiden

Instellen van de navigatie
Kalibrering
Voor u het navigatiesystem gaat gebruiken, moet u de kalibratie uitvoeren en de gewenste taal instellen zoals beschreiben in de handleiding.

Nadat u de radio heeft ingeschakeld, worden rechts op het display de status van de GPS-antenne of de status van de GPS-ontvangst weergegeven. Er zijn vier verschillende meldingen möglichk:
GPS OK: U kurz de navigatie-cdplaatsen.De GPS-ontvangst is reeds aanwezig.
- GPS WAIT: Er worden gewacht op GPS-ontvangst. Wacht tot GPS OK worden weergegeben (auto moet buiten staan). De navigatie-cd kan worden geplaatst.
- GPS ANTENNA ERROR: De GPS-antenna is nicht correct aangesloten.
GPS MODUL ERROR: Neem contact op met de Hotline als deze melding worden weergegeven.
1 Plaats de navigatie-cd in het toestel - de software van het navigationsystem worden geinstalleerd.
2 Nadat u de navigationsoftware heeft geinstalleerd, drukt u NAVI/OK toets in.
Het display hiernaast worden weergegeven.

3 Door op des BACK toets te drukken, kommt u waar de systeeminstelingen.
Vervolgens worden u verzocht de taal te selecteren.
4 Selecteer met de draaiknop de gewenste taal.
Door op de draaiknop te drukken worden de selectie overgenomen en worden de taal geinstalleerd.

5 Selecteer de gewenste stem met de draaiknop.
Bij een aantal talen kurz u kiezen uit mannelijke en rouwelijke stemmen.
Door hierop te drukken worden de stem overgenomen en geinstalleerd.

6 Druk na de installmente op de NAVI/OK toets om te bevestigen.
Instellen van de navigatie
7 Na de installmentie van de taal moet u voor het begin van de kalibreringsrit op het GPSontvangst wachtten.

Opmerkingen
- Tijdens deze controle moet de auto buiten staan. De GPS-antenne moet zoveel möglichk vrije zich in alle richtingen hebben. Het kan een aantal minuten duren tot er voldoende GPS-ontvangst aanwezig is. In deze tijd worden het display hiernaast weergegeven. Bij voldoende GPS-ontvangst worden u verzocht de kalibreringsrit te beginnen.
| KALIBRERINGSRIT KAN BEGINNEN |
| WIEL: 3451, | GYRO: 30, SATELLIETEN: 4 |
| 48:52, 53 N | 08:30, 25 E |
- Om deze wachtijd te reduceren, is het aan te raden de autoijdens dezeperiode Niet te bewegen. Het toestel moet ingeschakeld zichn.
8 Voor de kalibreringsrit moeten de tests van de sensoriek worden uitgevoerd.
Druk voor het oproepen van de modus werkplaats tegelijkkertijd op de multifunctionele knappen 3 en 5.
De modus Werklaats worden opgeroepen.
| VERSIE |
| GPS INFO |
| KALIBRERING |
9 Nadat de tests zijn beeindigd, kan de kalibreringsrit beginnen.
De modus werkplaats worden door meermaals drukken op de NAVI/OK toets beeindigd.
| KALIBRERINGSRIT KAN BEGINNEN |
| WIEL: 3451, | GYRO: 30, SATELLIETEN: 4 |
| 48:52, 53 N | 08:30, 25 E |

Opmerkingen
- De kalibreringsrit mag Niet op de snugweg worden gemaatk en er moet zoveel möglichk worden afgeslagen. Tijdens de kalibreringsrit worden het display hiernaast weergegeven.
- Nadat de kalibreerstatus 2 is bereikt, worden het basismenu van het navigatiesystem weergegeven. Het toestel is nu maar voor gebruik. Pas na meertere ritten (kalibreerstatus 3) worden de definitieve naukeurigheid bereikt.
- Als het toestel tijdens de kalibreringsrit wordenuitgeschakeld, worden u bij een neue start nogmaals verzocht de taal te installereren. Een neue installmentie kan met een druk op NAVI/OK toets worden overgeslagen.
- Voor een correcte navigatie bij ritten met tijsdafhankelijke begeleiding要去 de tijd op de klok juist worden ingesteld, Zoals beschreiben in de gebruiksaanwijzing onder Systeeminstelleningen.
Instellen van de navigatie
Modus werkplaats
1 Toestel inschakelen (zie gebruiksaanwijzing)
2 Bij een toestel dat al is gekalibreerdd, selecteert u met een druk op NAVI/OK toets het basiskenu van het navigatingsystem.

3 Door op de BACK toets te drukken, komt u maar de systeeminstellen.
4 Druk tegelijkertijd op de multifunctionele knoppen 3 en 5.
De modus Werkplaats worden opgeroepen.

In de modus werkplaats können onderstaande functies worden geselecteerd:

- KALIBRERINGSRIT -indicatie voor kalibreringsrit
- GPS INFO - test van de GPS-functie
- KALIBRERING - functie om de kalibrering te wissen of om een kalibrering in te stellen
- SENSORIEK - test van de sensorfuncties
- VERSIE - de versie van de navigatie-cd worden weergegeven
- TAALPROEF - test van de verbale weergave
- MODULPROEF - test van de interne componenten
- DEMO - instellen van de demo-modus Door de draaiknop verder te draaien, kut u de gewenste invoor selecteren (hoofdletters) en verzolgens uw keuze bevestigen door op de draaiknop te drukken.
Instellen van de navigatie
Controle van de sensoriek van de auto zelf en het systeme resp. functies
Testen van de taal
Met een testprogramma kan de verbale weergave worden gecontroleerd.
1 Selecteer in de modus Werkplaats TAALPROEF met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.
De aanwijzing "Navigatie-cd plaatsen a.u.b."\
wordt weergegeven.

2 Door op de NAVI/OK toets te drukken kan de verbale aanwijzing worden herhaald.
3 Nadat de proof is beeindigd, drukt u NAVI/OK toets in.
Het toestel schakelt terug in de modus Werkplaats.
Controle van de systeemcomponenten (test van toestel)
Een testprogramma test automatisch de interne componenten van het navigatiesystem.
1 Selecteer in de modus Werkplaats MODULPROEF met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.

2 Verschijnt OK, dan druk u de weergegeven NAVI/OK toets in.
Vervolgens gaat u terug in de modus Werkplaats.
Instellen van de navigatie
Controle van de werking van het snelheidssignaal,chteruitrijsignaal, de sensoriek van het toestel zichl
1 Selecteer in de modus Werkplaats
SENSORIEK met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.

2 Voor de controle van de werkking van het slenlheidssignaal beweegt u de auto meerdere meters voorwaarts ofchterwaarts.
Het getal hinter WIEL: moet (ook bij een geringe slelheid) steeds groter worden.
Het getal anschter WIEL: mag in nullast of als u op het gaspedaal trapt verwijl u stilstaat Niet groter worden.

Het getal anschter X: en Y: moet nicht veranderen.
3 Voor het controlleren van de werkking van hetchyteruijsignaal zet u de koppeling in dechyteruijversnelling.
Het getal ache ter ACHTERUIT: moet van 0 op 1 (1 op 0) springen.
4 Om de test van de sensoriek te verlaten, drukt u toets NAVI/OK in.
Vervolgens gaat u terug in de modus Werkplaats.
Controle van de werkking van de GPS-antenna
1 Selecteer in de modus Werkplaats GPS INFO met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.

Bij een correcte functionaliteit en GPS-ontvangst worden het,aantal ontvangen satellieten (bijv. SAT 5), datum en tijd (bijv.13.03.99 14:56:08) en de momenteel möglichke bpaling van de positie FIX: (bijv. 3D) weergegeven.

- Voor een goede en snelle kalibrering heeft u minimaal FIX 2D nodig. Het kan een poosje duren voordat deze waarde is bereikt (auto nu Niet bewegen).
2 Om de GPS-test te verlaten, drukt u toets NAVI/OK in.
Vervolgens gaat u terug in de modus Werkplaats.
Instellen van de navigatie
Kalibrering
Kalibrering
Na de eerste inbedrijfstelling moet een kalibreringsrit worden uitgevoerd. Hierbij worden automatisch het signaal van de kilometerteller aan de specifieke gegevens van de auto en de Gyro-sensoren aan de inbouwpositie van het toestel aangepast. Het te rijden traject is afhankelijk van het type auto en van deplaatselijkke omstandigheden.

Opmerking
- Het navigatiesystem is pas bedrijsklaar als de kalibreringsrit is beeindigd! Op het display verschijnt het basismenu van het navigatiesystem. Pas na meertere ritten (kalibreerstatus 3) worden de definitieve nauwkeurigheid bereikt.
1 Selecteer in de modus Werkplaats KALIBRERINGSRIT met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.

De kalibreerstatus (bijv. STATUS: 2), de soort positie (bijv. 3D) worden weergegeven. Na eensuccesvolle kalibrering worden inplaats van WIEL en ACHTERUIT de momenteel gereden straat weergegeven (voor zover.Deze gedigitaliseerd is).
Wissen van de kalibrering
Als het navigatiesystem euit de auto wordt gebouwd en verrolgens in een andere auto wordt gebouwd, moet de kalibrering worden uitgevoerd. Hiertoe要去en vooral de huidige kalibreringsgegevens worden gewist.

1 Selecteer in de modus Werkplaats KALIBRERING met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.
2 Selecteer met de draaiknop WISSEN en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.
De kalibrering worden gewist en u gaat terug maar de modus Werkplaats.

Installing van een kalibrering

Opmerking
- De instelling van een kalibrering mag pas worden uitgevoerd, als de ingevoerde waardebekend is. Als foute waarden worden ingevoerd, kan het toestel geen correcte routeberekening make.
1 Selecteer in de modus Werkplaats KALIBRERING met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.

Instellen van de navigatie
2 Selecteer met de draaiknop WIJZIGEN en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.

3 De hoek van het toestel kan met de draaiknop worden geseleerd en met een druk op de draaiknop worden bevestigd.

De hoek van het toestel is gelijk met de horizontale toestelhoek. Bij een positieve waarde wordt het toestel maar de bestuurder toe gedraaid (stuur links).
4 De hoek van het toestel kan met de draaiknop worden geseleerd en met een druk op de draaiknop worden bevestigd.

De hoek van het toestel is gelijk met de verticale toestelhoek. Bij een positieve waarde worden het toestel maar boven gekanteld.
5 Vervolgens kan het getal van het wielimpuls per ommenteling (voor zover bekend) worden geselecteerd door de draaiknop te draaien en kan met een druk op de draaiknop worden bevestigd.

Als het getal van het wielimpuls per omwenteling Nietbekend is, moet u ONBEKEND selecteren. Het invoeren van de gegevens van de banden is Niet möglichk.
6 De vooraf ingevoerde geevens worden nogmaals weergegeven. Als de ingevoerde geevens correct zijn, drukt u op de NAVI/OK toets.
Voor een eventuele correctie selecteert u WIJZIGEN door de draaiknop te draaien en bevestigt u dit door op de draaiknop te drukken. Vervolgens knut u de waarden nogmaals invoeren.

Als de Vooraf ingevoerde gegevens zich bevestigd, knut u tevens de gegevens van de banden invoeren of de zelfkalibrering starten.
7 Voor het invoeren van de gevevens van de banden selecteer u INVOER BANDENMAAT door de draaiknop te draaien en bevestigt u dit door op de draaiknop te drukken.

8 Voer met behulp van de draaiknop de bandenmaat in en druk verwolgens longer dan 2 seconden op de draaiknop om de invoer te bevestigen.

Instellen van de navigatie
De letter "R" kan nicht worden ingeoerd. Voor en na de schuine strepen要去en 3 getallen worden ingeoerd.
Ontbrekende getallen met een "0" ervoor invullen.
Voorbeeld:
Aanduiding op de banden: 185/55R15 81T
Invoer: 185/055/015
Vervolgens selecteert u voor het aangeven van de diepte van het profiel met de draaiknopCUSSEN PROFIEL NIEUW en PROFIEL GEBRUIKT.
Vervolgens bevestigt u de selectie met een druk op de NAVI/OK toets.

9 De vooraf ingevoerde geevens worden nogmaals weergegeven. Als de ingevoerde geevens correct zijn, drukt u op de NAVI/OK toets.
Voor een eventuele correctie selecteert u WIJZIGEN door de draaiknop te draaien en bevestigt u dit door op de draaiknop te drukken. Vervolgens knut u de waarden nogmaals invoeren.

10 Als de gevevens van de banden of van het vooraf bevestigde punt START ZELFKALIBRERING worden bevestigd, verschijnt het display hienaast.
INVOER AFGESLOTEN
11 Na 8 seconden worden maar het basiskenu van het navigatiesystem doorgeschakeld of u worden gezvaagd de kalibreringsrit te starten.
Het toestel heeft un de kalibreerstatus 2. De hoogste nauwkeurigheid bereikt u met kalibreerstatus 3.
Demo-modus
De demo-modus is ontworpen voor demonstraties. In het toestel worden een vaste positie voorgegeven (Hamburg Werderstrasse).
1 Selecteer in de modus Werkplaats DEMO met de draaiknop en bevestig dit door op de draaiknop te drukken.
Door kort op de NAVI/OK toets te drukken, kurz u tussen AAN en UIT kiezen. Drukt u larger op de draaiknop, dan worden de instelling overgenomen.
U knut nu, zoals worden beschreiben in de gebruikshandleiding, een bestemming invoeren.
2 Om de demo-modus uit te schakelen, selecteert u met de draaiknop UIT en bevestigt u dit door op de draaiknop te drukken.



PIONEER CORPORATION