760 GLE TDI (1983) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 760 GLE TDI (1983) VOLVO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over 760 GLE TDI (1983) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 760 GLE TDI (1983) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 760 GLE TDI (1983) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 760 GLE TDI (1983) VOLVO
Reinigings- en oplosmiddelen
Gebruik niet als reinigings- of oplosmiddel motorbenzine die lood of benzeen bevat. Lood of benzeen kan in bepaalde gevallen hoofdpijn, een gevoel van onwelzijn, e.d. veroorzaken. Bij hoge concentraties kunnen deze stoffen ook de bloedvormende organen van het lichaam beschadigen.


Inhoud
Achter in deze handleiding is een alfabetische inhoudsopgave.
| Presentatie van de auto | 2 |
| Instrumenten en bediening | 4 |
| Interieur, portieren en kofferdeksel/achterklep | 25 |
| Starten en rijden | 38 |
| Wielen en banden | 51 |
| Als er iets gebeurt | 54 |
| Carrosserie-onderhoud | 69 |
| Service en periodiek onderhoud | 77 |
| Specificaties | 91 |
| Alfabetische inhoudsopgave | 102 |
Presentatie

Deze handleiding gaat over het rijden met en het onderhouden van uw Volvo 760 GLE Turbo Diesel
Denk eraan, dat er tussen de verschillende modelvarianten en tussen verschillende landen detailverschillen kunnen bestaan. Daarom kunnen in deze handleiding componenten worden beschreven die bij bepaalde varianten tot de extra uitrusting of accessoires behoren.
Als u belangstelling voor uitvoeriger beschrijvingen van de constructie van de auto, service, afstellingen en reparaties heeft, raden wij u onze Servicehandboeken aan, dus dezelfde boeken die in de Volvo-garages worden gebruikt. U kunt deze bij uw Volvo-dealer bestellen!
Bij verhuizen naar een ander land moet u zich op de hoogte stellen van de daar geldende bepalingen voor de import en registratie van auto's. De wettelijke bepalingen kunnen van land tot land aanzienlijk verschillen, waardoor het duur kan worden om uw auto aan te passen.
Wij verzoeken u om deze handleiding in de auto achter te laten, als u van auto verandert. Dan kan de volgende eigenaar ook over het rijden met en het onderhouden van de auto lezen.
De specificaties, constructiegegevens en illustraties die in de handleiding staan, zijn niet bindend. Wij behouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten van de auto.

Voorportieren Start-/stuurslot
Nummerplaatje

Schrijf het nummer van de sleutels op in een notitieboekje of op een stukje papier dat u in uw portemonnee, portefeuille of handtasje kunt bewaren.
Het nummer van de sleutels staat ook op het afzonderlijke nummerplaatje dat bij de sleutels zit. Verwijder het nummerplaatje van de sleutelhanger (zodat niemand het nummer kan overschrijven als u b.v. de sleutels zou verliezen) en leg of kleef het vast (aan de achterkant van het nummerplaatje zit zelfklevende tape) op een veilige plaats. Als u een sleutel verliest, kunt u een nieuwe bestellen bij een Volvo-dealer.
Een nauwkeurige beschrijving van de werking van de centrale vergrendeling staat op pagina 32 en 33.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Instrumenten, schakelaars en bediening
Beschreven op pagina
1 Blaasmond 19
2. Koplampen en parkeerlichten ..... 14
3 Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-
schakelaar en grootlichtsignaal 11
4 Waarschuwingsknipperlichten ..... 11
5 Instrumentenpaneel 6-9
6 Ruitewissers/-sproeiers en
koplampwissers/-sproeiers 12
7 Blaasmonden 19
8 Verwarming en ventilatie 19-23
9 Plaats voor radio
10 Sigare-aansteker 17
11 Asbakje 17
12 Verwarming passagiersstoel 16
13 Handrem (parkeerrem) 17
14 Motorkapsluiting 35
15 Elektrisch bediende raammechanismen 18 en elektrisch bediende buitenspiegels 26
16 Frisse-luchtinlaat 19
17 Mistachterlamp 15
18 Mistlampen of verstralers 15
19 Plaats voor accessoires
20 Plaats voor accessoires
21 Blaasmond 19
22 Start-/stuurslot 10
Beschreven op pagina
23 Plaats voor accessoires
24 Elektrische achterruitverwarming ..... 16
25 Claxons
26 Elektrisch bediend schuifdak 27
Op pagina 6–23 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedieningsorganen nauwkeurig beschreven.
Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrusting kunnen voorkomen.

1 Klokje
2 Gelijkzetknopje voor klokje
3 Toerenteller
4 Snelheidsmeter
5 Dagteller
6 Nul-instelling dagteller
7 Kilometerteller
8 Temperatuurmeter
9 Brandstofmeter
10 Regelbare weerstand instrumentenverlichting
11 Voltmeter
Klokje
Het klokje werkt elektrisch en wordt door de accu aangedreven. Voor gelijkzetten moet u de knop indrukken en draaien.
Toerenteller
Deze geeft het motortoerental in duizend omw/min aan. Bij het rijden mag u af en toe in het rood gearceerde gebied tussen 5000 en 5500 komen, zoals b.v. bij het accelereren en passeren. Het egaal rode gebied mag niet worden gebruikt.
Dagteller
Deze wordt voor het opmeten van korte rijafstanden gebruikt. Het rechter oijfer geeft hectometers (100 meter) aan.
Knop om de dagteller op nul te zetten
Druk de knop in om de dagteller op nul te zetten.
Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Tijdens het rijden moet de wijzer ongeveer horizontaal staan. Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvloeistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 86 en 87. Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 43.
Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is circa 60 liter (bij bepaalde auto's ca 82 liter). Het rode gebied komt met circa 8 liter overeen.
Voltmeter
De voltmeter geeft de spanning van de elektrische installatie aan. Tijdens het rijden moet de wijzer ongeveer rechtomhoog staan. Als de wijzer tijdens het rijden in een van de rode gebieden komt, kan er een storing in de elektrische installatie zijn. Laat dit in een Volvowerkplaats controleren.
Regelbare weerstand voor de instrumentenverlichting
Bij rechtsom draaien - de instrumentenverlichting wordt sterker Bij linksom draaien - de instrumentenverlichting wordt zwakker
Controle- en waarschuwingslampjes
1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 Voorgloeien
Het controlelampje gaat branden, als de startsleutel in de rij-/gloeistand wordt gedraaid.
Zie ook pag. 40.
4 Te weinig motorolie
5 Niet aangesloten
6 Niet aangesloten
7 Te hoge vuldruk, Turbo
8 Oliedruk te laag
9 Dynamo laadt niet bij
10 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde versnellingsbak).
11 Grootlicht brandt
12 Remcircuit buiten werking
13 Handrem is aangetrokken
14 Defecte gloeilamp
15 Te weinig sproeivloeistof (als het lampje brandt, zit er nog maar 1/2-1 liter sproeivloeistof in het reservoir)
16 Niet aangesloten
17 Controlelampje autogordels
18 Niet aangesloten

Waarschuwingslampje, te weinig olie in de motor
OIL LEVEL
Voer deze controle elke ochtend uit, voordat u de motor start – dit vergt maar enkele seconden. De auto moet vlak staan en het liefst moet de motor koud zijn! Draai de startsleutel in de rijstand, zodat alle waarschuwingslampjes gaan branden. Het opmeten moet in de eerste twee seconden gebeuren. Het lampje blijft dan branden. Als het oliepeil te laag is, blijft het lampje branden, totdat de motor wordt gestart. Controleer dan het oliepeil met de peilstok in de motor en vul olie bij.
N.B! De controle mag alleen op deze manie gebeuren. Als de startsleutel te lang gedraai gehouden wordt en de motor aanslaa wordt het oliepeil niet aangegeven. Als do motor enkele seconden heeft gelopen en d controle dan herhaald wordt, is de verkrege waarde foutief, omdat heel wat olie uit de olie pan in de motor opgepompt is.
De rode en oranje waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
Sij moeten echter gaan branden, als u de startsleutel in de rijstand iraait. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor is aangeslagen, noeten alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje
voor de handrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de handrem heeft losgezet.
De dynamo laadt niet bij
Het lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, dit er een storing in de elektrische installatie of zijn de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie voor de spanning van de ventilatorriemen pagina 87.
N.BI Als de ventilatorriemen stukgaan of als de ventilatorriemen zo slecht gespannen zijn dat de dynamo niet bijlaadt, gaat niet alleen dit ampje, maar ook de waarschuwingslampjes 12, 13, 14 en 15 branden. Dit komt door speciae wettelijke voorschriften in bepaalde landen en is dus heel normaal.

Te lage oliedruk
Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 82, 83. Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normaal, als het maar uitgaat, als het motortoerental wordt opgevoerd.

Een gloeilamp brandt niet


Remcircuit buiten werking
Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt en het rempedaal iets lager dan normaal pakt, is een van de circuits van de voetrem buiten werking. Rijd voorzichtig met de auto naar een garage en laat de remmen controleren.

Als het waarschuwingslampje gaat branden, is een van onderstaande gloeilampen uitgegaan: dimlicht achterlicht remlicht (als het lampje brandt bij ingetrapt rempedaal).
Controleer de zekering en de gloeilamp. Zie voor het vervangen van gloeilampen pagina 58–63, voor het vervangen van zekeringen pagina 63–65. Als het waarschuwingslampje na het vervan- gen van een kapotte gloeilamp blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant van de auto worden vervangen.
Γe hoge vuldruk, Turbo

Als het waarschuwingslampje onder het rijden prandt, is de vuldruk te hoog. Rijd voor controle voorzichtig met de auto naar een werkplaats.
Aangetrokken handrem

Het lampje brandt, als de handrem (parkeerrem) aangetrokken is.
Start-/stuurslot

Als de sleutel zwaar draait, komt dit, doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker.
Het start-/stuurslot heeft een zogenaamde „vergrendeling tegen opnieuw starten“. Dit houdt in dat, als de motor niet aanslaat, de sleutel weer in de stand 0 moet worden gezet, voordat opnieuw gestart kan worden.

0 Vergrendelingsstand
Met het stuurslot wordt het stuur vergrendeld, als u de sleutel uit het slot haalt.

Bepaalde elektrische componenten (b.v. de kachelaanjager, sigare-aansteker, koplampen) kunnen worden ingeschakeld.

II Rij-/gloeistand
Dit is de stand van de sleutel onder het rijden en bij voorgloeien, alvorens de motor te starten. De dagrijlichten, achterlichten en kentekenplaatverlichting branden.

III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.
Richtingaanwijzers Waarschuwingsknipperlichten


Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-schakelaar en rootlicht-,,signaal"
„Drukpuntsstand“
Bij bochten met een geringe stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug, als het losgelaten wordt.
Normale bochten
3 Groot-/dimlicht-schakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje naar het stuur en laat het weer los. De koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.
3 Grootlicht-„signaal" (koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur (totdat een lichte weerstand gevoeld wordt). Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje weer losgelaten wordt.
Knipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Als een gloellamp in de richtingaanwijzers stukgegaan is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.
Ruitewissers Koplampwissers


Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers
1 Wissen met intervallen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken ongeveer elke 6 seconden één slag.
2 „Drukpuntsstand“
Als u de wissers slechts een of een paar slagen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht worden en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand, als het hendeltje losgelaten wordt.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + koplampwissers/-sproeiers
Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en deze maken 2-3 slagen, nadat het hendeltjelosgelaten is.
N.B! De koplampwissers hebben een beveiliging tegen overbelasting en deze brandt doc als de wisserbladen b.v. door sneeuw of i worden geblokkeerd, (de wissers blijven stken).
Als dit het geval is, moet de startsleutel de 0-stand worden gedraaid, de sneeuw of hijs worden verwijderd en ca 1 minuut wordt gewacht. Dan is de beveiliging tegen overblasting afgekoeld en kan de startsleutel we in de rijstand worden gedraaid en kunnen o koplampwissers weer worden gebruikt.
Ruitewissers Koplampwissers

proeiers afstellen
eek een speld in de sproeiers en draai deze dat de stralen de voorruit raken, zoals de beelding laat zien.

De ruite- en koplampwissers zijn op hetzelfde vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 3 liter. Gebruik in de winter een anti-bevriezingsmiddel, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.
Koplampen Parkeerlichten

Koplampen en parkeerlichten

Alle verlichting is uit.

Parkeerlichten (voor en achter)
De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren, nooit onder het rijden, gebruikt worden.

Startsleutel in stand 0:
Alle verlichting uit.
Startsleutel in stand I, II of III:
De koplampen (+parkeerlichten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden.
De koplampen moeten natuurlijk branden, als in het donker op slecht verlichte wegen en bij slecht zicht overdag gereden wordt.
Als de schakelaar in stand ID staat, gaat dus alle verlichting uit, als het contact wordt afgezet.
Mistachterlamp Mistlampen

Mistachterlamp bepaalde landen)
te mistachterlamp is aanzienlijk sterker dan et gewone achterlicht en wordt bij het rijden het zeer slecht zicht gebruikt. (De dimlichten toeten branden, anders kan de mistachter- lamp niet branden).
lenk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor et gebruik van een mistachterlamp van land at land verschillen.

Mistlampen of verstralers (bepaalde landen)
De mistlampen of verstralers kunnen niet aangezet worden, als het dimlicht brandt.
Elektrische achterruitverwarming Elektrisch verwarmde stoelen

Gebruik de elektrische achterruitverwarming om ijs en aanslag op de achterruit te verwijderen. Schakel de verwarming uit, als de ruit vrij van ijs en aanslag is om de elektrische installatie niet onnodig te belasten.
Leg geen voorwerpen zo neer, dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de ruit kunnen beschadigen. Wees bij het schoon- en droogmaken van de ruit voorzichtig om b.v. de draden niet met een ring te beschadigen.

De beide voorstoelen hebben een elektrisch verwarmde zitting en rugleuning. De verwarming is met een thermostaat geregeld en wordt onder ca +15°C automatisch ingeschakeld en bij ca +30°C automatisch uitgeschakeld. Schakel de verwarming van de passagiersstoel uit met de schakelaar, als niemand op de stoel zit! De verwarming van de bestuurdersstoel kan niet met de hand worden uitgeschakeld. Het in – en uitschakelen gebeurt door de thermostaat.
Handrem Sigare-aansteker Asbakjes

Handrem (parkeerrem)
De hendel zit tussen de voorstoelen. De handrem werkt op de achterwielen. Als de handrem aangetrokken is, brandt het waarschuwingslampje in het instrumentenpaneel. Als de handrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingedrukt worden.
Gebruik bij parkeren altijd de handrem, want dan blijft deze goed werken. Winters, als de kans bestaat dat de handrem vastvriest, moet u deze niet gebruiken. Schakel de 1e of achter-uitversnelling in en blokkeer de wielen.

Sigare-aansteker
Druk de aansteker in, als deze moet worden gebruikt. Als hij warm genoeg geworden is (na ca 6–8 seconden), komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.

Asbakjes
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaaggedrukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch bediende raammechanismen (Extra uitrusting)


De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien.
Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet de startsleutel in de „rijstand“ worden gedraaid. De ramen gaan omlaag, als op het achterste deel van de schakelaar wordt gedrukt en zij gaan omhoog door op het voorste deel van de schakelaar te drukken.
Vergrendeling voor de raammechanismen achter
Bij auto's met elektrisch bediende raammechanismen ook voor di achterportieren kunnen de raammechanismen vergrendeld worden met de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel van het be stuurdersportier.
ON - De ramen van de achterportieren kunnen met de schakelaa van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportier bediend worden.
OFF - De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf he bestuurdersportier en dus niet met de schakelaars van de achterportieren bediend worden.
Verwarming, ventilatie en airconditioning


/erwarming en ventilatie
e airconditioning – er zijn drie varianten van is een gecombineerde verwarmings- en air-onditioninginstallatie. Al naar gewenst wordt, an met de bedieningsorganen van het dash- oard warme of koude lucht naar de gewenste laats in de auto geleid worden. De afdekplaat onder de stuurkolom zit een laasmond die naar boven of beneden gericht f geheel gesloten kan worden.
Auto's zonder airconditioning hebben bovendien een inlaat voor frisse lucht bij de voetruimten van beide voorstoelen. Deze inlaten kunnen elk met een handgreep geopend of gesloten worden (naar voren = open, naar achteren = dicht).
Blaasmonden
A Luchtstroom omhoog gericht
B Dicht
C Luchtstroom naar opzij gericht
Verwarmings- en ventilatiesysteem

Verwarmings- en ventilatiesysteem met airconditioning
1 Aanjager
0 = afgezet
4 = hoogste snelheid
2 Luchtverdeling (verwarmde of gekoelde lucht)
MAX geeft de snelste afkoeling. (De TEMP-bediening moet op COOL-staan). Gebruik deze stand, als de auto in de zon heeft gestaan en erg warm is of als het buiten erg warm en/of vochtig is. De lucht wordt door de blaasmonden van het dashboard naar binnen geblazen. Als de temperatuur behaaglijk geworden is, moet de hendel in de stand NORM of B/L gezet worden.
NORM geeft een normale afkoeling. Lucht door de blaasmonden.
B/L geeft een normale afkoeling. Lucht (Bi/ naar de vloer en door de blaasmon- Level) den.
Lucht naar de voorruit en de zijramen. De airconditioning is ingeschakeld en verwijdert vocht uit de lucht (boven ca +8°C). Daarom verwijnen beslagen ramen snel.
De airconditioning is niet ingeschakeld
VENT Lucht door de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer.
F/D (Floor/Defroster) De helft van de lucht gaat naar de vloer en de andere helft naar de voorruit en de zijramen.
3 TEMP Naar links (COOL) = koud Naar rechts (WARM) = warm
Ook als de airconditioning werkt, kan het in d auto warm worden.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
o wordt het het warmst:

.en zo wordt het het koelst:

Is de temperatuur behaaglijk geworden is, moet de bovenste hendel in de stand NORM of I/L gezet worden!
..en zo verdwijnen beslagen ruiten het
nelst:

Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op le luchtinlaat van het verwarmingssysteem het rooster voor de voorruit) weggeveegd vorden.
Nog enkele aanvullende inlichtingen en adviezen:
- De compressor van de airconditioning moet alleen worden ingeschakeld, als de temperatuur boven ca +8°C ligt.
In alle drie de standen van de airconditioning, d.w.z. MAX, NORM, B/L, draait de luchtaanjager altijd met tenminste snelheid 1, ook al staat de schakelaar in stand 0 (om ijsvorming in de installatie te voorkomen). - Een detail: Gebruik de stand MAX, als u een paar minuten geen last wilt hebben van onaangenaam ruikende uitlaatgassen, als u bijvoorbeeld achter een Diesel vrachtauto rijdt. In deze stand komt namelijk maar een klein gedeelte van de lucht van buiten. Maar rijd niet langer dan ca 10–15 minuten met de hendel op MAX (omdat er bijna geen frisse lucht in de auto wordt gebracht, kan het onfris worden in de auto). Regel de temperatuur met de TEMP-hendel.
Verwarmings- en ventilatiesysteem

Verwarmings- en ventilatiesysteem zonder airconditioning
1 Aanjager
0 = afgezet
4 = hoogste snelheid
2 Luchtverdeling
MAX Lucht door de blaasmonden van het dashboard. De lucht binnenin de auto „circuleert“, d.w.z. dat bijna geen frisse lucht in de auto wordt gezogen. Gebruik deze stand, als u enkele minuten geen last willt hebben van onaangenaam ruikende uitlaatgassen, als u bijvoorbeeld achter een Diesel vrachtauto rijdt. Maar rijd niet langer dan ca 10–15 minuten met de hendel op MAX (anders kan het in de auto onfris worden en kunnen de ramen beslaan).
*NORM Alleen lucht door de blaasmonden.
B/L (Bi/Level) Lucht naar de vloer en door de blaasmonden.
*VENT Alleen lucht door de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer
F/D (Floor/Defroster) De helft van de lucht gaat naar de vloer en de andere helft naar de voorruit en de zijramen.
Lucht naar de voorruit en zijramen.
3 TEMP
* Deze twee standen hebben precies dezelfde functie. Dit komt, omdat het verwarmingssysteem al voor airconditioning geschikt is gemaakt en de stand NORM dan een koelfunctie heeft.
Zo wordt het het warmst:

Sluit de frisse-luchtinlaten bij de voetruimter
...en zo wordt het het koelst:

Als u meer koele lucht bij de voeten wilt, moe u de frisse-luchtinlaten openen en de aanja gersnelheid verminderen.
...en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Sluit de frisse-luchtinlaten bij de voetruimten Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op de luchtinlaat van het verwarmingssysteen (het rooster vóór de voorruit) weggeveeg worden.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
N.B! In alle standen behalve 📊 gaat de aanjager pas werken, als de koelwatertemperatuur van de motor hoger dan +35°C of de temperatuur in de auto ongeveer 18°C of hoger is.
Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische temperatuurregeling (extra uitrusting)
1 Temperatuurkiezer
Stel het gewenste aantal graden in! De graden zijn in °C of °F (Fahrenheit) aangegeven. 65°F = 18°C 75°F = 24°C 85°F = 30°C
2 Functiekiezer
In de twee linker standen werkt de airconditioning niet!
OFF Lucht naar de vloer; aanjager op lage snelheid.
ECON Automatische aanpassing van de temperatuur en de luchtverdeling. (De temperatuur kan echter nooit lager worden dan de buitentemperatuur.) In de overige standen is de airconditioning ingeschakeld.
LO Aanjager op lage snelheid.*
auto
De aanjagersnelheid wordt automatisch aangepast*
HI Aanjager op hoogste snelheid.*
* Automatische aanpassing van de temperatuur en de luchtverdeling.
B/L
(Bi/Level) Automatische aanpassing van de temperatuur en de aanjagersnelheid. Lucht naar de vloer en de blaasmonden.

Automatische aanpassing van de temperatuur. Alle lucht gaat naar de voorruit en de zijramen. Aanjager op de hoogste snelheid.
Warm of koud buiten?
Als de functiekiezer in onderstaande stand (zie de afbeelding) gezet wordt, krijgt u altijd een perfect en behaaglijk „klimaat“ in de auto. Kies de gewenste temperatuur met de temperatuurkiezer en dan gaat de rest vanzelf!

Kies de gewenste temperatuur!
Zo verdwijnen beslagen ruiten het snelst:

Zelfde instelling als normaal!!
Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op de luchtinlaat van het verwarmingssysteem (het rooster vóór de voorruit) weggeveegd worden.
Interieur, portieren, kofferdeksel, achter- klep, schuifdak
Op de twaalf volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
achteruitkijkspiegels, binnen en buiten 26
binnenverlichting, schuifdak 27
voorstoelen 28
kinderen in de auto 29
autogordels 30
portieren en sloten 32
kofferdeksel 33
bagageruimte 34
motorkap 35
opbergplaatsen in de auto 36
vervoer van lange lading,
brandstoftankklep 37
Achteruitkijkspiegels

N (NIGHT) anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u låst van de koplampen van auto's achter u heeft.
Buitenspiegels, elektrisch instelbaar
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier.
A zijdelings instellen
B hoogte-instelling
Stel de spiegels goed in, voordat u begint te rijden!
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat het spiegelglas kan krassen!
Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel.
waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een „groothoekspiegel is die de „dode hoek” elimineert.
Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en al standen geeft!
Binnenverlichting
Schuifdak
ceslampjes voor de voorstoelen

e binnenverlichting bestaat uit een plafond- lamp en leeslampjes voor de vier zitplaatsen an de auto.
Lamp is altijd aan
Lamp is altijd uit
Lamp gaat branden, als een van de portieren geopend wordt.
m u de tijd te geven om o.a. in het donker het tartslot te vinden heeft de plafondlamp een gebouwde vertraging, waardoor de lamp pas 2 seconden, nadat het bestuurdersportier ge- toten is, uitgaat.
Schuifdak, handbediend of elektrisch bediend (extra uitrusting)
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak, ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand“ komt te staan.
Bediening met slinger
Druk altijd de knop in, voordat u aan de slin- ger draait.
Linksom = normaal schuifdak
Rechtsom = „ventilatiestand“
Uit veiligheidsoverwegingen moet tijdens het rijden de slinger altijd ingeklapt zijn!
Het schuifdak wordt met de schakelaar vóór de handrem bediend. De startsleutel moet in de „rijstand“ staan. Om het schuifdak te sluiten: druk op de andere kant van de schakelaar dan toen u het schuifdak openzette.
Voorstoelen
Hoogte-instelling
De voor- en achterkant van de bestuurdersstoel kunnen elk in vier verschillende hoogten versteld worden.
Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld. Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
De passagiersstoel zit aan de vloer vast. Voor het verstellen van de hoogte moet gereedschap gebruikt worden.
Overigens heeft de passagiersstoel dezelfde verstelmogelijkheden als de bestuurdersstoel, d.w.z. vier verschillende standen voor de vooren voor de achterkant.

Lengteverstelling
Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of achteren worden geschoven.
Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is.
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Hellingshoek van de rugleuning
De voorstoelen zijn elektrisch verwarmd
De verwarming wordt met een thermostaat geregeld en wordt onder +15°C automatisel ingeschakeld en boven ca +30°C uitgeschakeld.
Jok kinderen moeten goed zitten – en veilig!
:en volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed be- chormd bij een botsing of een ander ongeluk.
Om uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen ijer adviezen over de plaats van kinderen in de auto.
Denk eraan dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, nooit „los n de auto mag zitten. En laat ook nooit een kind bij een passagier up schoot zitten!
n veel landen is het wettelijk voorgeschreven, hoe kinderen in de auto jeplaatst mogen worden. Informeer hiernaar in het land, waarheen u vilt gaan.
Velke bescherming het doelmatigst is, hangt af van de lichaamsgroote van het kind:
Een baby die nog zo klein is dat deze niet kan zitten
Het kind moet in een wieg, kinderwagenbak of iets dergelijks op de achterbank liggen met het hoofdje naar het midden van de auto ge- teerd. De wieg of de bak moet zo „geborgd“ worden, dat deze bij sterk ifremmen niet op de vloer valt; dit kan gedaan worden met de auto- gordels van de achterbank of door een Volvo kinderbank te gebruiken; cet de wieg of de bak hierop en zet deze met b.v. kussens of een deken (ast, zodat deze niet kan bewegen.
De kinderbank is bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar.
Kinderen vanaf de leeftijd dat zij kunnen zitten tot een lengte van ongeveer 117 cm (6–7 jaar)
Gebruik nooit een kinderstoel die aan de rugleuning van de achterbank noet worden opgehangen.
J kunt het beste de Volvo veiligheidsstoel gebruiken die naar achteren wijst. Deze veiligheidsstoel is ook bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar. De stoel wordt op de passagiersstoel of de achterbank vastgezet en wijst naar achteren. In beide gevallen moet de stoel vastgezet worden met de autogordel van de passagiersstoel, ook al wordt de stoel niet gebruikt, zodat de kinderstoel bij een zware botsing niet kan losschieten.

Hoe u de kinderstoel moet vastzetten, blijkt uit de instructies die bij de stoel geleverd worden.
Gebruik nooit zgn. „hangzitjes“ die aan de rugleuning worden gehangen.
Kinderen langer dan 117 cm (ouder dan 6–7 jaar)
Als het kind uit de kinderstoel gegroeid is, moet het op een Volvo kinderkussen – bij de Volvo-dealer verkrijgbaar – op de achterbank zitten en de gewone rolgordel van de auto gebruiken.
Dit kussen is speciaal voor dit doel gemaakt en het zorgt ervoor dat de middelste band van de autogordel zo laag mogelijk om de heupen komt, hetgeen een goede bescherming waarborgt.
Op de volgende pagina wordt het gebruik van de autogordels uitvoerig behandeld.
Autogordels

Twee herinneringslampjes één in het instrumentenpaneel en één op de achterbank, knipperen als u met de auto rijdt, terwijl u zelf en de voorpassagier de autogordel nog niet om hebben.

De heupgordel zit laag
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben, als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers dat zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degene die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de auto kunnen dan letsel oplopen.
Twee herinneringslampjes, een op het dashboard en een op de achterbank, knipperen, als u met de auto rijdt zonder dat u zelf en de passagier op de voorstoel de autogordel omge- daan hebben.
De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben „rolgordels”!
Deze moet u als volgt gebruiken: trek de autogordel heel langzaam uit en vergrendel deze door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik“ geeft aan dat de autogordel vergrendeld is.
De heupgordel zit laag. Het is voor een maximale bescherming van belang, dat de gordel goed tegen het lichaam liegt. Denk er daarom aan dat:
- de gordel niet scheef of gedraaid is
- de heupgordel laag moet zitten (dus niet om de buik)
- de heupgordel strak om de heup moet worden gezet door diagonaalsgewijs aan de gordel te trekken (zie de afbeelding).
Uiteraard is elke gordel slechts voor een persoon bestemd!
Om de autogordels los te maken moet op de rode vergrendelingsknop wordengedrukt. Laar daarna de rol de autogordel geheel oprollen.
Normaal is de autogordel „niet vergrendeld en kunt u zich onbelemmerd bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden:
● als de gordel te snel uitgetrokken wordt
bij afremmen en accelereren
als de auto sterk overhelt
- bij het nemen van bochten.
Autogordels

Heupgordel van de achterbank
Controleer af en toe de autogordels
Controleer of de autogordel niet tegen scherpe randen schuurt en of de bouten wel goed aan- getrokken zijn en de autogordel overigens in goede staat is.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de autogordel te reinigen.
- Dae de gordel om en ruk er heel snel aan.
- Rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond (Controleer eerst of dit van het verkeer wel kan). Haal de autogordel aan.
Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden!

De middelste autogordel van de achterbank is een heupgordel. Deze moet altijd op de juiste engte afgesteld worden.
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten de autogordel met oplettenheid gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordei moet laag zitten; zie de afbeelding.
WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, bouten en blokkeerinrichting door een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, kan toch een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn. In een Volvo-garage kan de monteur snel zien of de autogordel vervangen moet worden. Vervang de autogordel ook als deze erg gesleten of beschadigd is. Verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-garage doen!
Portieren en sloten

Laat de portieren tijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)!
Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen. Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden.

Portieren op slot en van het slot doen
De auto heeft een zogenaamde centrale vergrendeling. Dat betekent dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch geopend en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier.
Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en draai een kwart slag linksom om hen op slot te doen. Om de portieren van binnenuit te kunnen openen moeten de vergrendelknopjes omhooggetrokken worden. Als dit knopje van het bestuurdersportier iets steviger omhooggetrokken wordt, gaan de vergrendelknopjes van de andere portieren ook omhoog. Op dezelfde manier kunnen alle portieren op slot gedaan worden door het knopje van het bestuurders-
portier steviger dan normaal omlaag te drukken.
Als het vergrendelknopje van het bestuurdersportier „normaal stevig” omhooggetrokken of omlaaggedrukt wordt, heeft dit geen invloed op de overige portieren.
Alle portieren zijn op slot, als de vergrendelknopjes omlaaggedrukt zijn.
Het bestuurdersportier kan alleen met de sleutel aan de buitenkant op slot gedaan worden!
Een tip!
De binnenverlichting en de rode waarschu wingslampen in de achterplaten van de portie ren gaan aan, als een portier wordt geopenc. Als u de portieren een tijdje wilt open hebben en toch wilt dat deze lampen niet brander moet u de portierschakelaar van het bestuur dersportier indrukken en een 1/4 slag rechts om draaien: de lampen gaan dan uit! Als he portier wordt dichtgedaan, komt de schakelaa in de normale stand terug.
Kinderveiligheidssloten Kofferdeksel

inderveiligheidsslot
e knop zit helemaal achteraan in de achterportieren en is bereikbaar als het portier open
het slot werkt normaal het portier kan niet van binnenuit geopend worden. enk eraan dat als de knop in stand B staat de assagiers op de achterbank bij een eventueel ngeluk niet uit de auto kunnen komen. De chterportieren moeten dan van buitenaf ge- pend worden. Zie ook de tekst van de waar- chuwing in het kader op de vorige pagina.

Slot van het kofferdeksel
Het slot van het kofferdeksel reageert op de centrale vergrendeling, zodat met het slot van het bestuurdersportier ook het sluiten van het kofferdeksel bediend wordt. Maar – het kofferdeksel kan ook met de hoofdsleutel (de grote sleutel) op slot en van het slot gedaan worden zelfs al „werkt de centrale vergrendeling“ van de auto.
Doe als volgt:

Van het slot doen

Vergrendelen
Trek de sleutel er loodrecht uit!
Bovendien kan het kofferdeksel als volgt tegen bediening door de centrale vergrendeling „geblokkeerd“ worden:

Trek de sleutel er horizontaal uit
Het kofferdeksel is nu altijd op slot. Deze mogelijkheid om het kofferdeksel te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaangeraakt“ moet blijven. Geef de bi-sleutel (de kleine sleutel) aan degene die de auto moet lenen. Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet het volgende gedaan worden:

Trek de sleutel er
loodrecht uit!
Bagageruimte


Bagageruimteverlichting
A lamp is altijd uit
B lamp brandt, als het kofferdeksel open is
Motorkap Motorruimteverlichting

'ek aan de vergrendelingshandgreep (heleaal links onder het dashboard). U kunt horen at het slot opengaat.
I de motorkap een paar cm op, ga er met de and onder en druk op de hendel van de veilig-eidspal. Open de motorkap.
ontroleer, of de motorkap na het dichtdoen ped vergrendeld is!
Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55° open. De motorkap kan loodrecht geopend worden, als de aanslagen van de scharnieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De aanslagen gaan automatisch in hun „normale stand“ terug, als de motorkap dichtgedaan wordt.
Let erop dat de motorkap niet tegen het plafond komt, als de auto in een garage is!
Motorruimteverlichting
A lamp is altijd uit
Zak aan de achterkant van de voorstoelen
WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat geen „gevaarlijke“ voorwerpen, zoals b.v. camera's en verrekijkers, op de hoedenplank of op andere plaatsen liggen, waar zij bij sterk afremmen of een botsing tot gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote, zware pakketten vast met een van de autogordels!

Vak in de armsteun van de achterbank

Vak tussen
de voorstoelen

Houder voor parkeerbiljetten
Vak in de voorportieren

Luikje voor lange lading Brandstoftankklep

Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen. Bescherm scherpe randen met iets zachts.

.uikje voor „lange lading”
m lange voorwerpen te kunnen vervoeren is e plaat achter de rugleuning van de achter- ank zo gemaakt dat door een gat hierin lange ding kan worden meegenomen (zie de af- selding).
m de bekleding niet vuil te maken kan een ak voor ski's gebruikt worden.
.B! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. ki's). Maximumlengte 2 meter en maximumewicht 15 kg.
WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel komen en deze in een of andere rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rollen.
Brandstof tanken
De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep. Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik“ hoort.
De Volvo-dealers hebben voor alle Volvo- modellen een afsluitbare tankdop.
Brandstof: Dieselolie.
Op pagina 95 staat de brandstofspecificatie. De tank heeft een inhoud van ca 60 liter (be-paalde auto's: ca 82 liter).
Inrijden
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, het schakelen, het slepen, het rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
„inrijden“ 38
zuinig rijden 39
motor starten 40
schakelen met handgeschakelde versnellingsbak 42
om aan te denken 43
slepen 44
starten met hulpaccu 45
denk hierom bij de remmen 46
tips over het rijden met een caravan 47
maatregelen voor de winter 48
maatregelen voor lange reizen 49
langdurig niet gebruiken 50
Een nieuwe auto moet worden „ingereden“!
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat kalm aan te doen en d mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet gehe te gebruiken.
Overschrijd de volgende snelheden niet:
| Onder de eerste1000 km | Tussen 1000en 2000 km | |
| 1e versnelling | 30 km/uur | 35 km/uur |
| 2e versnelling | 50 km/uur | 65 km/uur |
| 3e versnelling | 80 km/uur | 100 km/uur |
| 4e versnelling | 110 km/uur | 130 km/uur |
| Overdrive | 130 km/uur | 130 km/uur |
Maar rijd ook niet te langzaam in een hoge versnelling, d.w.z. laat d motor niet zwoegen.
'uinig rijden wil nog niet zeggen langzaam rijden!
uinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel jden en de rijstijl en de snelheid aan de be-aande situatie aanpassen.
enk hierbij aan het volgende:
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat niet de motor stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden.
Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme en bovendien slijt de moter sneller.
Rijd liefst geen korte afstanden, omdat dan de motor nooit warm kan worden.
Rijd soepell! Vermijd snelle onnodige acceleraties en sterk afremmen.
Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje.
Rijd niet met een onnodige zware lading in de auto.
Rijd niet langer op winterbanden, als de wegen schoon en droog geworden zijn.
Verwijder de imperiaal, als deze niet gebruikt wordt.
1 Zet de zijramen niet onnodig open.
Van belang bij het zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
- Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 15 km/uur. Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 30 km/uur. Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 40 km/uur.
- Gebruik de overdrive bij normaal met meer dan ca 70 km/uur rijden op buitenwegen zo vaak mogelijk.
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name nog de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het brandstofverbruik laag te houden zijn b.v.:
● Schoon luchtfilter
● Juiste klepspeling
● Juist stationair toerental
- Juiste motorolie, juiste intervallen van olie verversen en nieuw oliefilter
- Juist afgestelde brandstofinjectie
Remmen die niet „aanlopen“
- Juiste voorwieluitlijning
● Juiste bandenspanning
Denk eraan dat voor wat betreft het brandstofverbruik u zelf de belangrijkste factor bent en ook aan de manier, waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingsbak omgaat.
Motor starten

Zo moet u de motor starten:
1 Trek de handrem (parkeerrem) aan
2 Zet de versnellingshendel in de neutrale stand (stand N of P bij een automatische versnellingsbak)
3 Draai de startsleutel in de rij-/gloeistand. Tijdens het voorgloeien mogen geen grote stroomverbruikers zijn ingeschakeld - anders wordt de accu onnodig belast.
4 Kijk naar het controlelampje voor voorgloeien.
5 Als het lampje is uitgegaan...
...trap het koppelingspedaal in, trap het gas-
pedaal voor de helft in en draai de start-
sleutel in de „startstand“, totdat de motor
aanslaat.
N.BI Het startslot heeft een zogenaamde „beveiliging tegen opnieuw starten“, zodat u bij elke nieuwe startpoging weer uit de stand 0 opnieuw met de startsleutel moet beginnen.
Laat de motor onmiddellijk na koud starten niet razen!
Controlelampje voor voorgloeien
Als de startsleutel in de rij-/gloeistand word gedraaid en dit lampje gaat branden, wijst di erop, dat de gloeibougies (één in elke cilinder zijn ingeschakeld.
Als het lampje is uitgegaan, kan de motor wor den gestart.
De gloeitijd wordt door de motortemperatuu bepaald. Hoe kouder de motor, des te lange moet worden voorgegloeid. Als de moto warm is, gaat het lampje maar een paar secon den of in het geheel niet branden.
Voorbeeld:
Bij + 20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 4 sec.
Bij 0°C motortemperatuur brandt het lampje ca 6 sec.
Bij-20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 9 sec.
Als u, bijvoorbeeld na een mislukte startpoging weer wilt voorgloeien, moet de startsleute eerst naar de „middenstand“ worden terugge draaid en daarna weer in de „rij-/gloeistand“ om de gloeibougies weer in te schakelen.
aat de motor zo snel mogelijk /arm worden!
it ervaring is gebleken dat motoren van auto's e korte afstanden afleggen, abnormaal snel lijten. Dit komt, omdat de motor nooit op de normale bedrijfstemperatuur kan komen. s de motor aangeslagen is, moet u de motor is zo snel mogelijk op de normale bedrijfs- temperatuur laten komen. egin met een geringe motorbelasting te rijden u laat de motor niet onnodig stationair lopen.
Zo moet u de motor afzetten:
Als u de startsleutel van de rij-/gloeistand draait, slaat de motor af, omdat de brandstoftoevoer naar de motor door een magneetklep wordt afgesloten. Als de motor niet afslaat; zie onder lokaliseren van storingen" op pag. 67.
WAARSCHUWING TURBO
Speciaal van belang voor auto's met Turbo-motoren Bij koud starten: Laat de motor niet onmiddellijk na koud starten razen, want dan is de olie nog dikvloeibaar en komt niet onmiddellijk bij alle smeerplaatsen. Vóór het afzetten: Laat de motor altijd eerst stationair lopen, alvorens deze af te zetten. Na snel rijden moet de motor een paar minuten stationair lopen, voordat deze wordt afgezet. Als de turbo een hoog toerental heeft en de motor onmiddellijk wordt afgezet, is er grote kans op schade door oververhitting of slijtage als gevolg van onvoldoende smering.
Handgeschakelde versnellingsbak

Trap telkens bij het schakelen het koppelingspedaal helemaal in.
Haal tussen het schakelen uw voet van het koppelingspedaal!
De overdrive bespaart brandstof
De overdrive kan in de 4e versnelling ingeschakeld worden.
De overdrive wordt ingeschakeld, als u op de knop in de versnellingshendel drukt. Als de
knop nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De overdrive wordt automatisch uitgeschakeld bij terugschakelen uit de 4e versnelling, maar maak er desondanks een gewoonte van om de overdrive altijd met de hand uit te schakelen, als u naar de 3e versnelling terugschakelt!
De overdrive kan soepeler in- en uitgeschakeld worden, als u ook licht op het koppelingspedaal trapt.
Om zo zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal met meer dan ca 50 km/uur op buitenwegen rijden de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken.
Het controlelampje brandt, als de overdrive ingeschakeld is.
Achteruit inschakelen
Til de ring tegen de knop van de versnellings hendel met de vingers op en schakel de achteruit in. De ring werkt op de achteruitvergren deling en maakt dat u de achteruit niet pes ongeluk kan inschakelen.
Om aan te denken!
De lading en de plaats ervan deïnvloeden de rij-eigen- chappen
w auto heeft bij het opgegeven rijklaargeicht de neiging tot „onderstuur“. Daarom moet u bij het nemen van een bocht steeds leer stuuruitslag geven, als de snelheid veroogd wordt. Hierdoor blijft de auto stabiel in a bocht en wordt de kans op uitbreken van de achterwielen kleiner. Denk erom, dat deze eigenschappen kunnen veranderen, als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder de laing helemaal achter in de bagageruimte is, es te minder is de auto onderstuurd.
lij-eigenschappen en banden
e banden zijn van groot belang voor de rij-igenschappen van de auto. Het bandentype adiaalbanden), de maat en de bandenspan-ing zijn van belang voor het gedrag van de uto. Bij het vervangen van banden moet u rop letten dat u hetzelfde type en dezelf[de laat (en liefst ook hetzelfde merk) krijgt als I op alle vier wielen van de auto zat en olg de aanbevolen bandenspanning op (zie ag. 53.).
Rijd niet met een open offerdeksel!
ij het rijden met een open kofferdeksel kan amelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ok het giftige koolmonoxyde via de bagage- jimte in de auto gezogen worden. Als u echter toch gedwongen bent om een stukje met open kofferdeksel te rijden, moet u het volgende doen:
- Draai alle ramen dicht.
- Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op F/D of B/L (afhankelijk van het type verwarmingssysteem van de auto) en zet de aanjager op de hoogste snelheid 4.
Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op overhitting van het koelsysteem.
Dit geldt met name op warme dagen als... ...u lang met volgas en een hoog motorto- rental tegen steile hellingen oprijdt met een aanhanger.
...de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
...de motor onmiddellijk afgezet wordt, als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken“ genoemd).
Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen:
- Verminder de snelheid, als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
Laat de motor niet onnodig stationair lopen. - Zet de motor niet onmiddellijk af, als u snel gereden heeft. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen!
Als u een imperiaal gebruikt
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn.
● Mag u tenhoogste 100 kg op de imperiaal laden. - Moet de lading gelijkmatig over de imperiaat verdeeld worden. Laad niet scheef!
- Moet u de zwaarste lading onder leggen.
- Moet u erom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen, als de auto zwaar geladen wordt.
- Moet u erom denken dat de auto meer wind vangt en dus het brandstofverbruik toe- neemt, paarmate de lading groter is.
- Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten!
- Moet u soepel rijden! Vermijd sterk accele- eren, sterk afremmen en het nemen van scherpe bochten.
- Moet u de imperiaal verwijderen, als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
Slepen

Als u moet worden gesleept, moet u aan het volgende denken!
- Zet het stuurslot los, want dan kan gestuurd worden!
- Denk aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid.
- Denk erom dat de voetrem en de stuurbekrachtiging niet werken, als de motor stilstaat! U moet ongeveer vier maal zo hard op het rempedaal trappen en het sturen gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
● Rijd soepel! Houd de sleepkabel gespannen om onnodige rukken te voorkomen.
Motor door aanslepen starter
Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig. Draai de startsleutel in de rij-/gloeistand e wacht, tot dat het controlelampje voor voor gloeien uitgaat.
Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat he koppelingspedaal voorzichtig opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in, als d motor loopt!

WAARSCHUWING!
Denk eraan dat accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan, is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiële schade toe te brengen.
'o moet u met een hulpaccu starten
Is de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang e krijgen stroom „lenen“ van een losse accu of van de accu van een andere auto. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u het onerstaande nauwkeurig op te volgen:
- Controleer of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft.
Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet raken. - Sluit het ene uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (1) van de hulpaccu (met rood, P of + gemerkt). Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpogingen geen vonken ontstaan.
1 Sluit het andere uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (2) van de ontladen accu. Denk om de juiste aansluiting van de polen. -
Sluit het ene uiteinde van de zwarte kabel aan op de minpool (3) van de hulpaccu (met blauw, N of – gemerkt).
-
Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel ergens (aarding) bij de auto die gestart moet worden op een afstand van de accu aan, b.v. de bevestiging van de minkabel aan de carrosserie (4).
- Start de motor van de „hulpauto“. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen.
- Start de motor van de auto met de ontladen accu. N.B! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen!
- Maak de kabels in precies de omgekeerde volgorde als bij het aan-sluiten weer los.
Om bij de remmen aan te denken
Als een remcircuit defect raakt,

gaat het waarschuwingslampje branden.
Het rempedaal pakt iets lager en voelt wat zachter dan normaal aan.
Merk echter op dat u niet merkbaar harder op het rempedaal moet trappen om de normale remwerking te krijgen!
Een defect remcircuit blijkt dus niet uit een verhoogde pedaaldruk.
Als het waarschuwingslampje gaat branden, moet u naar een garage rijden en het rem- systeem laten controleren.
Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden.
Trap af en toe licht op het rempedaal, als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt hel water. Dit moet u ook doen, als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig weer.
De rembekrachtiger werkt alleen, als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor rolt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.
Het rempedaal voelt stug en hard aan.
Een Diesel-motor heeft een aparte vacuümpomp om in de rembekrachtiger voldoende onderdruk te krijgen. Bij stationair lopen zijn 5-10 seconden nodig om voor een goede rembekrachtiging voldoende vacuum op te bouwen. Als de rembekrachtiger geheel leeg is geweest, bijvoorbeeld, doordat een aantal malen op het rempedaal is getrapt bij afgezette motor, moet u een paar seconden wachten om na het aanslaan van de motor weer te gaan rijden. Ondertussen moet u het rempedaal niet aanraken.
Als de remmen zeer zwaar belast worden
Bij het rijden in bergterrein of op andere wegen met dergelijke hoogteverschillen worden de remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal. Omdat bovendien vaak de snelheid laag is, worden de remmen niet zo effectief gekoeld als bij het rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet onnodig zwaar te belasten moet u in plaats van alleen maar de voetrem te gebruiken terugschakelen en dezelfde versnelling gebruiken als bij het klimmen.
Denk erom Jat de remmen nog zwaarder worden belast, als u met een caravan/aanhanger rijdt.
Rijden met caravan (aanhanger)
)it moeten caravaneigenaars lezen!
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn! Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstrueerde trekhaken zijn voor uw auto „op maat ge- makst” en een Volvo-garage kan deze aanbrengen.
Denk erom dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
) Deze aanhangergewichten kunnen maximaal worden toegestaan: Maximaal 1500 kg in het algemeen.
Maximaal 1600 kg, als de trekhaak dit toelaat en met ten hoogste 70 km/uur wordt gereden. Zie ook de inspectieinstrumenten van de auto.
Denk erom dat de stroomvoorziening voor de aanhanger niet overal op de elektrische installatie van de auto kan worden aangesloten. Dit komt, omdat het waarschuwingslampje voor een defecte gloeilamp op een speciale manier geschakeld is.
- Als een Volvo inklapbare trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren.
Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de frekhaak bij aanhanggewichten onder 1200 kg ca 50 kg en boven 1200 kg ca 70 kg is.
70 kg is.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden.
Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
Rijd niet met een zware aanhanger, als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee, tot de auto tenminste 1000 km heeft gelopen.
- Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
- Op grotere hoogten is de luchtdruk lager, waardoor het motorvermogen lager en dus ook het trekvermogen slechter dan normaal is.
- Omdat de motor van de auto zwaarder dan normaal wordt berast, moet de olie vaker worden ververst: zie pagina 83.
Wintertijd
Als het koud begint te worden
Als u zelf uw auto wilt nakijken om onnodige moeilijkheden in het koude jaargetijde te voorkomen, moet u aan het volgende denken:
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glycolgehalte ca 50% is overeenkomende met ca 5 liter Volvo anti-vries type C (blauwgroen). Zie voor het verversen van koelvloeistof pag. 86.
- Om geen condenswater in de brandstoftank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden. Gebruik speciale winterbrandstof in de winter. Zie voor brandstof pag 88 en 89.
- Gebruik de juiste motorolie om startmoeilijkheden te voorkomen. Zie de aanbevolen oliën op pag. 82, 83.
- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accupolen met een roestwerend middel.
- Parkeer de auto niet met aangetrokken handrem, als het vriest. Schakel dan de 1e of achteruitversnelling in en blokkeer liefst de wielen.
- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruitewissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden. Dit is van belang, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en koplampen komt, waardoor de sproeiers en wissers vaak gebruikt moeten worden. Met Volvo sproeivloeistof moeten de volgende mengverhoudingen gebruikt worden:
Tot-10°C: 1 deel sproeivloeistof/4 delen water
Tot -14°C: 1 deel sproeivloeistof/3 delen water
Tot -18°C: 1 deel sproeivloeistof/2 delen water
Tot -28°C: 1 deel sproeivloeistof/1 deel water
- Om bevroren sloten (van portieren en kofferdeksel) te voorkomen moet u de sloten tijdig met een vorstbestendig middel „smeren“.

Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volvo-garage helemaal laten controleren.
Het is altijd goed om tijdig voor de reis een set van de meest noodza-kelijke service-onderdelen (gloeilampen, zekeringen. V-riemen, wis-serbladen) aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets. Bij hem kunt u ook het boekje „Volvo in Europa“ krijgen, waarin staat waar de Volvo-dealers en Volvo-garages zijn. Nuttig om te weten als er iets gebeurt.
Als u zelf de auto wilt nakiiken, adviseren wij het volgende te doen:
- Controleer of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal
is - Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelyloeistof of brandstof.
- Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versieten V-riemen vervangen.
- Controleer de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden.
Laat de remmen, de wieluitlijning en de stuurinrichting controleren. - Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- In veel landen is een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannië of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
- Als u bij een buitenlandse reis niet wilt dat de dagrijlichten branden, kunt u zekering nr 11 verwijderen. Denk er echter om dat dan de luchtaanjager maar op de drie hoogste snelheden kan werken en de airconditioning niet kan worden gebruikt, (het automatische verwarmingssystoem werkt dan in het geheel niet!).

Langdurig niet gebruiken
Hier zijn adviezen, als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden, b.v. in verband met een buitenlandse reis of als u de auto 's winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvoudige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen, als u de de auto weer wilt gaan gebruiken.
- Vul de brandstoftank helemaal, zodat er geen kans op condenswater in de tank is.
- Was de auto heel goed en zet deze in goede autowas. Bescherm verchroomde onderdelen met een daarvoor bestemd middel.
- Zet de auto in een garage die droog en goed geventileerd is.
Laat de handrem los. - Controleer of er geen stroomverbruikers aanstaan, b.v. de verlichting, de radio, de binnenverlichting, de motorruimte- en bagageruimteverlichting. Natuurlijk blijft het klokje lopen, maar dit vraagt zo weinig stroom dat dit te verwaarlozen is. Eventueel kan de zekering voor het klokje (zekering nr 5) verwijderd worden (zie pag. 65).
- Klap de ruitewissers en koplampwissers naar voren om te voorkomen dat de rubber wisserbladen op de voorruit en de koplampen gaan vastzitten.
- Zet een raam wat open om de auto te ventileren.
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ vorst bestand is. De antivries van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toevoegingen die de motor en de radiator beschermen.
- Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af.
- Controleer af en toe de bandenspanning.
- Controleer ongeveer elke zeven weken de ladingstoestand van de accu.

Wielen en banden – belangrijk voor de rij-eigenschappen van de auto!
Lees daarom de volgende pagina's nauw- keurig door. De goede rij-eigenschappen van de auto kunnen opvallend veranderen, als u b.v. slordig bent met de bandenspanning.
algemeen 51
slijtagewaarschuwing 52
speciale velgen 52
voorbeelden van bandenslijtage 53
bandenspanning 53

Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is uw auto met 6×15" velgen en 195/60 HR 15 banden uitgerust. Deze cijfers betekenen dat de velgen 6 inch breed en 15 inch in diameter zijn. De bandencodering betekent het volgende:
195 is de sectiebreede in him, 60 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent, H zegt dat de band tegen een snelheid van 210 km/uur* bestand is,
R betekent radiaalband en 15. is de biannondiameter van de band in inch.
- Is de bijnheidmieten van U moet er bij het vervangen van banden goed op letten dat u op alle vier wielen hetzelfde type (radiaalband), dezelfde maat (codering) en liefst ook hetzelfde merk krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
• S = maximumsnelheid 180 km/uur V = maximumsnelheid boven 210 km/uur.
Wielen en banden
De banden hebben een „slijtage-waarschuwing”
De slijtagewaarschuwing bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die een 1 ^1/2 mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is dat nog maar 1 ^1/2 mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom dat banden met zo weinig profie- diepte bij regen en sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.
Denk erom dat volgens de wet de profieldiepte over het gehele loopvlak tenminste 1 mm moet zijn!
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
- Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan dat snel rijden de banden sterk doet slijten.
- Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning.
- Balanceer de wielen zo nodig.
- Pas op de banden, als u de auto bij een trottoirrand parkeert.
„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool“, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschillende bandentypen vertonen deze „ochtendzool“ in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de „ochtendzool“ verdwijnt.
Winterbanden, spijkerbanden, sneeuwkettingen
Als winterbanden worden de maten 185/65R15 (op alle vier wielen 175/70R15 (op alle vier wielen) aangeraden. Deze banden kunnen de originele velgen van de auto of op stalen 15" velgen voor de 760 C worden gemonteerd.
Velgen van andere Volvo-modellen kunnen niet worden gebruikt!
Spijkerbanden moeten voorzichtig en rustig „ingereden“ worden, dat de spijkers zich goed in de banden kunnen zetten. Daardoor wo de levensduur van de banden en met name van de spijkers verleng Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in dezelfde richt draaien. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen aan deze kant als daarvoor laten zitten.
Sneeuwkettingen kunnen, als zij fijne schakels hebben en niet zo ten opzichte van de band uitsteken dat zij tegen de remklauwer andere onderdelen kunnen aanlopen, op de achterwielen van de a aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben door Volvo goed keurde en geconstruerde sneeuwkettingen.
N.B! Met sneeuwkettingen mag nooit sneller dan 60 km/uur gerei worden!
Rijd nooif onnodig op een sneeuwwvrije ondergrond, omdat de snee kettingen en banden dan zeer snel slijten.
Snel te monteren kettingen met losse schakels mogen niet gebr worden, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen da voor te klein is.
WAARSCHUWING!
Speciale velgen
De enige goedgekeurde „speciale wielen“ voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmetalen velgen die door Volvo-dealers verkocht worden.
Bandenspanning Bandenslijtage
Je bandenspanning is belangrijk!
ontroleer telkens bij het tanken de bandenspanning! De juiste span- en staat in de tabel hiernaast.
ing staat in de tabel hiermaat: ij het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rij-genschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de anden meer. Denk eraan dat de waarden van de tabel voor koude anden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden arm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het ontroleren van warme banden geen lucht laten ontsnappen. De ban- tening moet wel verbond worden, als deze te laag is.
enspanning moet wel verbloga werateln, die 2000-1980 door warme banden gelden, afhankelijk van de temperatuur, 10-0 kPa (1,5-4 psi) hogere waarden.
Bandenspanning, koude banden, kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden pounds/square inch (psi).
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | ||
| Voor | Achter | Voor | Achter | |
| 195/60 HR 15 | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| Reserveband „Special Spare“ | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) |
Als lang en snel gereden wordt (langer dan een uur boven 120 km/uur) moet de bandenspanning met 30 kPa verhoogd worden. N.B! Dit geldt niet voor de banden met een maximumspanning van 280 kPa. Deze banden moeten altijd een spanning van 280 kPa hebben.
'oorbeelden van verschillende soorten bandenslijtage

e lage spanning

Te hoge spanning


Slijtageprofiel
voor, normale
slijtage
Als er iets gebeurt...
Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u met de auto iets krijgt dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz.
In dit hoofdstuk worden behandeld:
wielen verwisselen 55
gloeilampen vervangen 58
zekeringen vervangen 63
lokaliseren van storingen 66
wisserbladen vervangen 68

Denk bij het wielen verwisselen aan het olgende!
s u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op e banden aantekenen, waar het wiel zat, b.v. LV = links vóór, enz. reng ook recht tegenover elkaar verfstippen aan, een op het wiel en en op de naaf, zodat u precies weet hoe het wiel op de naaf zat. Als deze moeite neemt, behoeft u de wielen niet meer te balanceren, als hen weer monteert.
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Special Spare“ genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
De band heeft de codering 155R15. Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen.
De spanning van deze band moet 280 kPa (2,8 kg/cm²) zijn, ongeacht de lading in de auto en waar het wiel op de auto zit.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserve-wiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om dat deze band, tezamen met de normale andere banden, de rii-eigenschappen iets kan veranderen.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een „Special Spare“ reservewiel gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen de maximumsnelheid van de auto bestand.
Wiel verwisselen
Gevarondriehoek Gereedschapsdoos

Reservewiel
Krik met krikslinger

Het reservewiel ligt onder de mat op de vloer van de bagageruimte. De krik met de slinger zit tegen de achterwand van de bagageruimte en de gereedschapsdoos zit tegen de wand rechts in de bagageruimte.
Verwijder het wiel als volgt:
- Trek de handrem aan en schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak. Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant.
- Verwijder de wieldop met de schroevedraaier uit de gereedschapdoos.
- Draai de wielmoeren met de pijpsleutel een 1/2–1 slag los. De moeren moeten door linksom te draaien losgedraaid worden; zie de a beelding.
Wiel verwisselen


Bij elk wiel zit een kriksteun.
Hang de krik aan de pen in de kriksteun, zoals de afbeelding toont, en draai de krikvoet zo dat deze vlak op de grond drukt. Controleer opnieuw, of de krik volgens de afbeelding in de kriksteun zit.
Brenq de auto zo ver omhoog dat het wiel vrijkomt.
Verwijder de wielmoeren en neem het wiel af. Pas op en beschadig de schroefdraad van de wielmoeren niet.
WAARSCHUWING!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan.
Kruin nooit onder de auto, als deze op de krik staat. - Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden.
- Trek de handrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling of de achteruit in.
- Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor stevige houtblokken of grote stenen.
- De bout en het tandsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd zijn.
Wielen aanbrengen
Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon.
- Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren vast. N.B! De conische kant van de wielmoeren moet naar het wiel gekeerd worden; zie de rechter afbeelding op pag. 56.
- Laat de auto zakken en haal de moeren kruiselings aan. Aanhaal-moment 85 Nm (8,5 kgm).
- Breng de wieldop aan.
Gloeilampen vervangen


Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen van beide koplampen moeten vanuit de motorruimte vervangen worden.
Doe het volgende:
● Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in de stand 0.
- Open de motorkap
- Buig de klemveren, waarmee het plastic deksel vastzit, opzij en verwijder het deksel.
- Trek de connector los.
- Druk de verende ring in en draai deze iets linksom.
- Verwijder de gloeilamp.
- Breng de nieuwe gloeilamp aan volgens de tekening. De gloeilamp heeft drie pasnokken en deze zijn asymmetrisch aan gebracht, waardoor de gloeilamp maar op een manier goed zit.
N.B! Pak de gloellamp nooit met de vingers aan het glas beet. Vet olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zett zich op de reflector af waardoor deze snel slecht wordt.
Gloeilampen vervangen

arkeerlicht
Richtingaanwijzer

iloeilamp in een hoeklicht vóór vervangen
e gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen wor- 20.
Schakel de verlichting uit en draai de startsleuten in de stand o.
Laat de connector met draden aan de fitting zitten.
Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp.
Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom te draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de flitting weer in het noeklicht. N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de flitting iets breder dan de andere is en in de breedste uitsparing in het gat moet passen!
Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloenhamp hort geeft.
Gloeilampen vervangen

Gloeilamp in een achterlicht vervangen
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagage ruimte vervangen worden.
Doe het volgende:
● Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in de stand 0.
- Schroef de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaag. De afdekkap zit aan de onderkant vast.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom en maak deze los.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en een paar mm linksom te draalen.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan.
N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor de fitti passen.
Draai de fitting rechtsom vast.
Controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vast
| Gloeilampen (linker kant) | Vermogen | Fitting |
| 1 Reflector | - | - |
| 2 Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 Remlicht* | 21 W | BA 15s |
| 5 Achterlicht | 5 W | BA 15s |
| 6 Achterlicht/remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
* In bepaalde landen mistachterlamp.
Gloeilampen vervangen

iloeilamp in de kenteken- laatverlichting vervangen
chakel de verlichting uit en draai de start-eutel in de stand 0. Trek de lamphouder vol-ans de pijl naar achteren, totdat deze aan de porkant loslaat. Vervang de gloeilamp. ontroleer of de pakking goed liegt en pas de mphouder in de voorkant van het gat en druk at achterste deel met de hand omhoog zodat t weer vastzit.
Gloeilamp van de motor- ruimte vervangen
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilamp van de bagage- ruimte vervangen
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilampen vervangen

Gloeilamp van de plafondverlichting en leeslampjes vervangen
Doe de verlichting uit.
Pak het voorste deel van de lamp vast (Zie de afbeelding) en trek de lamp recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng de lamphouder weer aan.
Gloeilamp
Plafondverlichting Leeslampjes
Vermogen
10 W 5 W
Fitting
S8.5 W2,1×9.5d
Gloeilamp in zijknipperlicht vervangen
De gloeilamp moet van buitenaf worden vervangen. Druk het licht naar voren en trek achterkant eruit. Daarna kan het gehele lich worden verwijderd. Laat de draden in de lamp houder zitten en trek de lamphouder eruit. Trek de kapotte gloeilamp er recht uit. Als u de gloeilamp heeft vervangen en hicht weer wilt aanbrengen, moet u erop lette dat de gehele rubber pakking in het gat in het spatbord komt.
Gloeilampen vervangen Zekeringen vervangen

iloeilamp in de mistlamp/verstraler ervangen
raai de kruiskopschroeven los.
erwijder de schroeven en de „hoekstukken“ en trek de reflector naar bren/buiten. Breng de veren die de gloeilamp vasthouden uit elkaar a buig deze omhoog.
rek de connector van de draad naar de gloeilamp los en breng een leuwe gloeilamp aan.
reng alle onderdelen in de omgekeerde volgorde als bij het verwij- aren aan. Denk om de tekst TOP op het lampeglas! Deze moet aan de ovenkant zitten.
.B! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beet et en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en etten zich op de reflector af; deze wordt dan snel slecht.

Kapotte zekering vervangen
Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos vóór het asbakie in de tunnelconsole.
Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen:
- Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag en licht het asbakje uit.
Druk de druktoets (met de tekst „electrical fuses – press. [1-7]) van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en verwiider de houder.
U ziet nu de 22 zekeringen in twee series zitten. Misschien zien de zekeringen er voor u niet gewoon uit: dit komt, omdat zij van een nieuw, beter en nauwkeuriger type dan vroeger zijn.
Zekeringen

De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zij doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst van de volgende pagina kijken om te weten welke zekering gecontroleerd moet worden.
Voor degene die vinden dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn, is een „tangetje“ gemaakt dat rechts aan de zijkant van de zekeringenruimte aangebracht is.
1 Druk het tangetje op de zekering.
2 Trek de zekering rechtomhoog los met het tangetje.
3 Trek de zekering uit het tangetje en schuif er een nieuwe in.
4 Druk de nieuwe zekering met het tangetje op zijn plaats.
5 Trek het tangetje eraf.

Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de geboge draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met de zelfde kleur en ampère-aanduiding als de oude aan (het cijfer staat op de zekering)! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zeker ringenkastje, een 15 (blauwe), een 25 (lichtgele) en een 30 (groend ampère zekering.
Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er niet met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor control naar een Volvo-garage.
Zekeringen
| Zekering-codering | Zekering-codering | ||
| 1 Reserve | 11 | Dagrijlichten, airconditioning, cruise control, regeleenheid (automatisch verwarmingssysteem) 25 | |
| 2 Centrale vergrendeling, groot-lichtsignaal, waarschuwings-knipperlichten | 25 | 12 | Sigare-aansteker, elektrisch bediende buitenspiegels, radio 15 |
| 3 Verstralers, mistlampen | 15 | 13 | Claxons, ruitewissers/-sproeiers, koplampwissers/-sproeiers 25 |
| 4 Remlichten | 15 | 14 | Kachelaanjager, airconditioning 30 |
| 5 Verlichting handschoenenkastje,klokje, radio, motorruimteverlichting,binnenverlichting, bagageruimte-verlichting, motor-bediende antenne,waarschuwingslampen portieren | 15 | 15 | Reserve |
| 6 Elektrische ventilator | 25 | 16 | Mistlamp, mistachterlamp 15 |
| 7 Elektrisch bediende raam-mechanismen | 30 | 17 | Grootlicht links 15 |
| 8 Richtingaanwijzers, Magneetklep(insputpomp), regeleenheid (voorgloeien), overdrive | 15 | 18 | Grootlicht rechts, verstraler 15 |
| 9 Elektrische achterruitverwarming,elektrisch bediend schuifdak | 30 | 19 | Dimlicht links 15 |
| 10 Elektrisch verwarmde voorstoelen,controlelampje autogordels, instru-menten, achteruitrijlichten, waarschu-wingslampje oliepeil, defecte gloeilamp,elektrische ventilator, elektrisch bediendraammechanisme | 25 | 20 | Dimlicht rechts 15 |
| 21 | Verlichting asbakje, instrumenten- enpaneelverlichting, linker parkeerlichtachter en vóór, kentekenplaat-verlichting 15 | ||
| 22 | Verlichting autogordels, rechterparkeerlicht achter en vóór, opbergvakachter de handrem, mistlamp 15 | ||
| R | Reservezekeringen | ||
| Als u in het bedradingsschema met o.a. de werking en plaatsing van derelais geïnteresseerd bent, raden wij u ons Servicehandboek aan. Dit kunt u bij uw Volvo-dealer bestellen. | |||
Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat niet aan (de startmotor draait de motor niet met normaal toerental rond of de startmotor werkt helemaal niet)
De accu is slecht geladen of geheel ontladen.
Slecht contact bij de aansluitingen van de accu of de startmotor.
Defect in de startmotor. Defect in het startslot.
Laat de accu opladen of plaats een nieuwe accu. Eventueel kan de auto door slepen of met een hulpaccu gestart worden. (Zoek de oorzaak voor het ontladen van de accu op.)
Maak de poolschoenen en alle aansluitingen goed schoon en zet hen goed vast.
Breng de auto voor reparatie naar een Volvo-garage.
De motor slaat niet aan (ook al draait de startmotor de motor met normaal toerental rond)
Er komt geen brandstof.
De zekering voor de magneetklep van de inspuitpomp is stuk.
Er zit water of vuil in de brandstof.
Wasafscheiding in het brandstofffilter (bij koud weer).
Defect in het injectiesysteem.
Controleer of er brandstof in de tank zit en er brandstof tot bij de motor komt. Controleer (en vervang eventueel) zekering nr 8 in het zekeringenkastje (zie pag. 65).
Deze zekeringen beveiligen de componenten van de brandstof-inspuiting.
Tap via de bodemplug water uit het brandstofffilter af.
Zet de auto in een warme ruimte, vervang het brandstofffilter en vul met winterbrandstof (zie pag. 88, 89).
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
Lokaliseren van storingen
/ermoedelijke storing
'erstopt luchtfilter.
'erstopt brandstofffilter.
e systeemdrukregelaar blijft hangen.
Maatregel
De motor trekt niet goed
Controleer het luchtfilter.
Tap via de bodemplug water uit het brandstoffilter af of vervang het filter en zorg ervoor om bij koud weer winterbrandstof te gebruiken.
De motor slaat niet af
Last de motor razen en draai de startsleutel weer uit.
Bij auto's met handgeschakelde versnellingsbaak. Schakel de 3e of 4e versnelling in, trap op de rem en laat het koppelingspedaal opkomen.
Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen

Lang. Naar het midden van de auto
Ruitewissers vervangen
Klap de hele wisserarm naar voren/boven. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm met een vinger in.
Trek het wisserblad los.
Schuif het nieuwe wisserblad erop en contro- leer of het goed vastzit!
Voor uw eigen veiligheid en die van andere verkeersdeelnemers moeten de ruitewisserbladen vervangen worden, als deze strepen op de ruit achterlaten en deze dus niet meer goed schoon wissen.
Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisserblad naar buiten los. Druk het nieuwe wisserblad met het langste deel van het wisserblad naar het midden van de auto op.
Controleer of het wisserblad goed vastzit!
Carrosserie-onderhoud - niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
roestwerende behandeling, controleren en bijwerken 70
lakbeschadigingen, controleren en bijwerken 72
auto wassen 74
Roestwerende behandeling – controleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een zeer nauwkeurige en volledige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderste en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en gesloter secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof.
Wat kunt u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende behandeling in goede staat te houden?
Wel, er zijn vooral twee zeer effectieve methods:
- Houd de auto schoon! Spoel het onderstel, de wielkuipen en de spatschermranden onder hoge druk schoon.
- Laat de roestwerende behandeling regelmatig controleren en waar nodig bijwerken.
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling (in balken, holle ruimter en gesloten secties) moet voor de eerste maal na tenhoogste drie jaar en daarna tenminste om het jaar vernieuwd worden.
Denk eraan dat deze plaatsen voor het verkrijgen van een perfect resultaat moeten worden ingespoten in een bedrijf met een goede vernevelapparatuur en de juiste sproeiers. Vraag uw Volvo-garage om advies.
Roestwerende behandeling
)e „zichtbare” roestwerende behandeling
e „zichtbare“ roestwerende behandeling moet regelmatig gecontraderd en zo nodig bijgewerkt worden, tenminste één maal per jaar. Als de roestwerende behandeling ergens bijgewerkt moet worden, moet uit onmiddellijk laten doen om te voorkomen dat vocht onder de roestwerende laag komt.
e bij te werken plaats moet echter schoon en droog zijn! De auto moet us goed afgespoeld, gewassen en drooggemaakt worden. Gebruik en roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwastje p. Een gewone drukoliekan met een lange en liefst buigzame tuit is itstekend geschikt om bij nauwe plaatsen te kunnen komen.
r zijn drie verschillende types roestwerend middel:
) een dun (type ML) voor balken, holle ruimten en gesloten secties
) een dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen
een dik voor slijtplekken van het onderstel en van de wielkuipen.
ermoedelijke plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn
- Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype b)
Onderstel en wielkuipen (vloeistoftype c) - Gefelste randen van de motorkap (vloeistoftype b)
- Portierscharnieren (vloeistoftype b).
- Motorkapscharnieren en -slot (vloeistoftype b).
Is de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel het een lap die met terpentine bevochtigd is, verwijderd worden.


Drukoliekan met buigzame tuit
Bijwerken van lakbeschadigingen
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk worden behandeld om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn;
- Kleine steenslagplekken en krassen.
- Afbladderende spatschermranden en drempels b.v.,
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur bovent +15°C hebben.

Kleine steenslagplekken en krassen
Lakkleurcode
Let erop dat u de juiste lakkleur heeft. Controleer dit met het codenummer voor de lakkleur dat op het typeplaatje op het rechter binnenscherm in de motorruimte staat.

Lakkleurcode
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
Gröndlak – bus.
Lak – bus of zogenaamde lakpen (in de dop van de lakpen zit ook wat polijstpasta voor nabehandelen) - Pennemesje of iets dergelijks.
- Penseel.
Als de steenslagplek niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan de lak direct opgebracht worden, als vuil weggeschraapt is.
Als de steenslagplek tot de plaat doorg drongen is, moet u het volgende doen:
1 Schraap het beschadigde oppervlak tot de plaat schoon en schuin de lakranden m b.v. een pennemesje af (zie afbeelding 1).
2 Breng het roestverwijderingsmiddel (de om ogen en huid) met een penseel of wacht een paar minuten en spoel dan go met water af.
3 Roer de grondlak (de primer) goed om breng deze met een fijn penseeltje of π een lucifer op (afbeelding 2).
4 Als de grondlak goed droog is, kan de ein lak met een penseel opgebracht worden Roer de lak goed om en breng deze daar enkele rmalen dun op en laat de lak daatussen goed drogen.
Bijwerken van lakbeschadigingen

Bij krassen doet u, zoals hierboven beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak af te plakken (zie afbeelding 3).
Wacht een paar dagen met de nabehandeling. In de dop van de lakpen zit polijstpasta om de bijgewerkte plaatsen te polijsten. Gebruik een zachte doek en wees zuinig met de polijstpasta.
Bijwerken van afbladderende spatschermranden en drempels
Materialen:
Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
- Grondlak – spuitbus
Lak - spuitbus
- Polijstpapier (korrelfijnheid 150–300).
● Thinner
Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is.
1 Verwijder loszittende bladders.
2 Schuur het beschadigde vlak schoon en reinig het met thinner.
3 Breng het roestverwijderingsmiddel (denk om ogen en huid) met een penseel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af.
Maak het vlak goed droog!
4 Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten moet u de spuitbus met gelijkmatige snelheid op een afstand van 20–30 cm van het vlak heen en weer bewegen; zie de afbeelding, bescherm de omringende vlakken met karton.
5 Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit een paar maal en laat de lak daartussen een paar minuten drogen.
Wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto, zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, omdat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken.
Op de volgende manier kunt u de auto wassen:
- Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spat-schermranden, enz.) zorgvuldig af.
- Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is.
- Was de auto met een spons (met of zonder wasmiddel) en veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren.
- Spoel daarna de auto met schoon water goed na, met name als een koud-ontvettingsmiddel gebruikt is.
- Droog de auto af met een schone zachte zeem.
- Motor-bediende antenne (extra uitrusting): moet worden afgedroogd en met een met olie bevochtigd doekje licht worden ingesmeerd.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 50–100 cm³ gewoon vloeibaar af-wasmiddel op 10 liter water.
Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden (gebruik nooit polijstpasta of staalwol). Roestvrijstalen onderdelen kunnen met een chroompoetsmiddel gereinigd worden.
WAARSCHUWING!
Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat vocht van de remvoeringen kan verdwijnen!
N.B! Bij het wassen moet u de afwateringsgaten in de portieren en de drempels telkens goed schoonmaken om te voorkomen dat deze do modder en vuil verstopt raken.

Automatische wasinrichting – snel en aenvoudig, maar...
Met een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig schoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat de meeste automaische wasinrichtingen de auto niet zo effectief en voorzichtig wassen als u zelf met de hand met spons en water doet. Normaal wordt het understel van de auto in de meeste wasautomaten niet afgespoeld, het opstom is de winter van groot belang is.
erwijl dit met name in de winter van grostelje et erop, dat eventuele extra uitrusting (extra koplampen, buitenspie- jels, antennes) goed vastzitten, want anders bestaat er kans dat de borstels van de wasautmaat dergelijke onderdelen losrukken. Schroef v.v. liefst de antenne los, als dit eenvoudig te doen is, (eventueel aan- bezige motor-bediende antenne ingetrokken).
3ij het wassen in een automatische wasinrichting met borsteis moet u le armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de poplampen leggen.
To wordt verhinderd dat de borstels de armen pakken en hat walsen, mechanisme beschadigen.
L.B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun homale tred to brengen, als het wassen klaar is.
Vas uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels! Vas uw auto de eerste zes maanden liefst niet in een automatische vasinrichting (omdat de lak dan nog niet hard genoeg is).
)enk eraan, dat wassen in een automatische wasinrichting wassen net de hand nooit kan vervangen!
U moet de auto cleanen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en als u de lak een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter.
Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gecleaned te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat cleanen en/of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Moeilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak („rubbing“) verwijderd worden.
Polijst eerst met polish en behandel de auto daarna met vioelbare of vaste was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was. Bij uw Volvo-dealer is originele Volvo polish en was verkrijgbaar.
Bekleding reinigen
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt.
Vermijd schuren en schrobben met een harde borstel.
Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zij ingedroogd zijn.
De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of weggeschuurd worden.
Ontvlekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90%-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammoniak-zeep-oplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt met 1 di zeepwater gemengd (zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen).
Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoeveelheden perchloorethyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Perchloorethyleen-benzine moet niet voor vochtige materialen gebruikt worden. Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden.
Spiritus
Terpentine
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat perchloorethyleendampen erg giltig zijn. Let erop dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden.
Denk er ook om dat wasbenzine, spiritus en terpentine brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlekken zo snel mogelijk.
Verwijder het grootste deel van de vlek met een bot mes of iets derge lijks.
Zuig van de vlek zo veel mogelijk met schone witte doeken op. Stofzul rondom de vlekken, zodat omringend vuil niet oplost.
Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolger het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herha de behandeling tot de vlekken verdwenen zijn.
Denk aan het volgende:
- Bij verfvlekken (b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift) moet heel voor zichtig gewerkt worden met het ontvlekkingsmiddel, omdat d kleurstof in de vlek opgelost kan worden en de vlek daardoor grote wordt.
- Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel ka het schuimplastic in de zitting beschadigen.
- Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Vlekken op leer en vinylbekleding behandeler
Krab of wrijf nooit op een vlek.
Gebruik nooit sterke ontvlekkingsmiddelen.
Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpentine i iets dergelijks gebruiken.
Reinig daarna met een zwakke zeepoplossing en lauw water.
Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft u Volvo-garage gaarne alle inlichtingen.
Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat. En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom over:
Volvo Service 78
om aan te denken! 79
de motorruimte 81
motorolie, controleren en verversen 82
versnellingsbakolie, achterasolie, peil controleren 84
stuurbekrachtiging, remmen, vloeistofpeil controleren 85
koelvloeistof
controleren en vervangen 86
V-riemen, controleren 87
brandstofsysteem 88
brandstofffilter 89
carrosseriesmering 90
Volvo Service
Deze inspectie moet uw auto krijgen
Voordat u uw auto in ontvangst nam, heeft deze twee inspecties gehad. De eerste werd in de fabriek uitgevoerd en de tweede was de afleveringsinspectie die door uw Volvo-dealer volgens de instructies van de Volvo-fabrieken werd uitgevoerd.
De garantie-inspectie moet de auto na 1000–2000 km krijgen. Breng de auto liefst naar de dealer die de auto geleverd heeft. Bij de garantie-inspectie worden veel controles uitgevoerd, terwijl ook de olie in de motor, de versnellingsbak en de achterasoverbrenging ververst wordt.
Preventief onderhoud
De verzorging van uw auto door Volvo eindigt niet met de garantie-inspectie. Volvo heeft een serviceprogramma ontwikkeld met regelmatige controle- en onderhoudsmaatregelen die nodig zijn om tussen de inspectiebeurten de verkeers- en bedrijfszekerheid van de auto te behouden.
Het serviceprogramma van Volvo is flexibel en houdt rekening met milieu- en klimaatomstandigheden, wettelijke bepalingen, enz. Dit betekent ook dat van land tot land bepaalde variaties kunnen voorkommen met betrekking tot de inhoud en de intervallen van de inspecties. Alle inspectie-intervallen zijn op normaal autogebruik berekend. Als u van mening bent dat uw rijstijl meer dan normaal van de auto vergt, moet u passende service-intervallen met uw dealer bespreken. Dan kunt u ook aan de weet komen welke maatregelen tot het programma behoren.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van onze garantievoorwaarden stellen wij als absolute eis dat genoemde garantie-inspectiebeurt wordt uitgevoerd bij ongeveer de juiste kilometerstand en dat de auto overeenkomstig de instructies van deze handleiding is onderhouden, dat b.v. de voorgeschreven olieverversingen en de 1000 km inspectiebeurten bij de juiste kilometerstand worden uitgevoerd en ook dat reparaties en inspectiebeurten bij een erkende Volvo-garage worden uitgevoerd.
Servicehandboeken – voor u met uw technische belangstelling
Als u meer over de constructie wilt weten dan in deze handleiding verteld kan worden en als u nauwkeurige informatie over afstellinger en reparaties wilt hebben, moet u Volvo Servicehandboeken hebben. Dit zijn dezelfde boeken als in Volvo-garages gebruikt worden en u kunt deze via uw Volvo-dealer of rechtstreeks van Volvo betrekken.
Denk eraan dat...
- onderhoud nodig is om de auto in een verkeers- en bedrijfszekere toestand te houden.
- uitgesteld onderhoud de kans op een grotere uitstoot van milieugevaarlijke uitlaatgassen meebrengt.
- onderhoud het eenvoudigst en best bij een Volvo-garage uitgevoerd kan worden. Deze heeft voor het merk gespecialiseerd personee met speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur.
- elke onderhoudsbeurt wordt afgesloten met een stempel in het garantie/serviceboekje. Een „goed-gestempeld“ garantie/serviceboekje verhoogt de tweedehandswaarde van de auto.
lenk aan het volgende, voordat u aan uw auto gaat werken:
Iw auto heeft een wisselstroomdynamo!
ij werkzaamheden aan de elektrische installatie moet u aan het vol-ende denken, omdat u anders kostbare en tijdrovende reparaties aan e dynamo krijgt.
- Overtuig u ervan dat de accukabels goed aangesloten zijn en stevig vastzitten.
Als bij het starten een hulpaccu gebruikt wordt, moet de +pool aan de +pool en de -pool aan de massa aangesloten worden.
Maak nooit een accukabel los bij draaiende motor (b.v. bij het vervangen van een accu).
Maak bij elektrisch lassen eerst de massakabel van de accu en daar- na alle kabels naar de dynamo los.
Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgemaakt zijn. Snelladers mogen als hulp bij het starten gebruikt worden, maar zij moeten uitgeschakeld zijn, als de kabels aangebracht en verwijderd worden.
njectiesysteem van de motor
as bij alle werkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem ervoor p dat geen vuil in het systeem komt.
/erkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem moet u overlaten an een Volvo-garage die de juiste apparatuur heeft.
luto opkrikken
Is de auto met een garagekrik omhooggebracht wordt, moeten de er kriksteunen (twee aan elke kant) gebruikt worden. Deze zijn voor it doel speciaal versterkt.
en garagekrik kan ook onder het gegoten achterashuis of onder de poras midden tussen de voorwielen aangebracht worden.
eschadig de afschermplaat onder de motor niet.
et erop dat de krik goed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de rik afglijdt.
ebruik altijd bokken of iets dergelijks.
WAARSCHUWING!
Als de auto met een hefbrug met twee kolommen wordt opgekrikt, moeten de voorste hefarmen onder de steunen van de draagarmstangen (zie de afbeelding) worden aangebracht en niet onder de kriksteunen! Anders wordt de auto van voren te zwaar, zodal bij werkzaamheden aan de achteras en de achterveren het achterste deel van de auto los kan komen van de achterste hefarmen.
De achterste hefarmen moeten onder de achterste kriksteunen worden aangebracht.
De originele autokrik moet bij wielen verwisselen worden gebruikt. Zie hiervoor pagina 56 en 58.

Steunen van draagarmstangen

1 Typeplaatje
2 Expansietank, koelsysteem
3 Turbo-compressor
4 Bijvullen, motorolie
5 Inspruitpomp
6 Oliepeilstok, motor
7 Remvloeistofreservoir
8 Vloeistofreservoir, ruite-/komplampsproeiers
9 Luchtfilter
10 Brandstofffilter
1 Oliereservoir, stuur-
bekrachtiging
12 Accu
13 Kilometerteller (alleen Zweden)

Motorolie
Oliepeil altijd bij het tanken controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut, nadat de motor afgezet is. Veeg voor de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het kader van de peilstok liggen. De afstand tussen het merkteken MAX en MIN van de peilstok is ca 1 liter.
Eventueel olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagini Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt – ca 7 lite als u tegelijker tijd ook het filter vervangt, anders 6,2 liter – komt he oliepeil ongeveer in het midden van het kader van de peilstok te ligger d.w.z. midden tussen de merktekens MAX en MIN hetgeen geheel no
maal is. Vul niet met teveel olio dan wordt het olieverbruik hoger

De aftapplug zit helemaal achter in de oliepan van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is.
WAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!
Een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg.
Motorolie
)liekwaliteit:
olgens API Service tenminste CD ^+
oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD voldoen aan deze normen. synthetische of halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden, als eze aan bovenstaande API-normen voldoen.
'iscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| Range | Value (°C) | |---|---| | -30 | 40 | | -22 | 104 | | -20 | 86 | | -10 | 68 | | 0 | 50 | | 10 | 32 | | 20 | 14 | | 30 | -10 | | 40 | -22 | SAE 0W/30, 5W/30 SAE 10W/30 SAE 10W/40 SAE 15W/50 SAE 20W/50 SAE 30 SAE 40j extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelgegen, wordt SAE 15 W/50 of SAE 20 W/50 motorolie aangeraden. Denkhter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: zonder oliefilter 6,2 liter met oliefilter 7,0 liter
Controleer altijd bij het tanken het oliepeil.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000-2000 km.
Daarna moet het volgens onderstaande tabel gebeuren.
| Rij-omstandigheden | Interval olie verversen en oliefilter vervangen |
| Ongunstige omstandigheden zoals bij...langdurig rijden in stoffige/zanderige omgevinglangdurig rijden met caravan/aanhangerlangdurig rijden in bergterreinlangdurig rijden met hoge snelheidlangdurig stationair lopen of rijden met lage snelheidlage temperaturen (onder 0°C) met voor-namelijk korte afstanden (korter dan 10 km) | Om de 7500 km of om de 3 maanden, afhankelijk van hetgeen het eerst het geval is en een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen. |
| Normale rij-omstandigheden, d.w.z. rij-omstandigheden die hierboven niet zijn genoemd. | Om de 7500 km of om de 6 maanden, afhankelijk van hetgeen het eerst het geval is en een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen. |
Versnellingsbakolie Achterasolie

Versnellingsbak
Het oliepeil moet tot aan de peil/vulplug staan. De versnellingsbak en de overdrive worden met dezelfde olie gesmeerd. Indien nodig, moet via het peil/vulgat olie bijgevuld worden. Wacht, totdat u ziet dat de olie naar de overdrive kan overlopen. Oliekwaliteit: ATF-olie type F of G bij alle temperaturen. Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 1000–2000 km.

Achterasoverbrenging
De olie moet tot aan de peilplug staan. Indien nodig, moet via het pei vulgat olie bijgevuld worden. Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C), SAE 90 of SAE 80 W/90 Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 100 2000 km.
Stuurbekrachtigingsvloeistof Remvloeistof

Stuurbekrachtigingsvloeistof
Het oliepeil mag niet boven de merkstrepen op de peilstok liggen; de peilstok zit vast onder het deksel en heeft verschillende merkstrepen voor warme en voor koude olie. Na het rijden mag het oliepeil niet boven de merkstreep HOT en bij het controleren niet boven COLD liggen. Vul olie bij, als het peil bij ADD ligt.
Oliekwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: 0,7 liter
Oliepell controleren: bij elke onderhoudsbeurt
Olie verversen: is niet nodig.
Remvloeistof
Het vloeistofpeil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. Vloeistofttype: remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703).
Vloeistofpeil controleren: altijd bij het tanken. Vloeistof verversen: om de 3 jaar
N.B! Bij auto's, waarmee zo gereden wordt dat de remmen vaak en zwaar gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen, moet de vloeistof elk jaar ververst worden. Dit verversen behoort niet tot een inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een inspectiebeurt bij een Volvo-garage te laten doen.
Koelvloeistof
Expansietank
Radiator

Slang naar thermostaat van de in- spruitpomp
Onderste radiatorslang
Koelvloeistof altijd bij het tanken controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Schroef, als de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ontsnappen.
Koelvloeistof om de 3 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Zet de temperatuurbediening op WARM!
2 Verwijder de dop van de expansietank.
3 Maak de onderste radiatorslang los bij de radiator.
4 Maak de onderste waterslang los bij de thermostaat van de inspuitpomp. Buig de slang zo ver naar beneden, dat al het water uit de motor loopt.
Vullen
5 Draai de losgemaakte slangen volgens 3 en 4 hierboven vast.
6 Vul de expansietank tot de merkstreep MA: of nog iets verder.
7 Laat de motor warmdraaien en controlee of het koelsysteem niet lekt en vul koelvoei stof bij tot de merkstreep MAX.
N.B!
De motor mag alleen lopen met een goed ge vuld koelsysteem. Als dit niet goed gevuld is kunnen plaatselijk hoge temperaturen optre den met kans op beschadiging (barsten) va de cilinderkop.
Samenstelling van de koelvloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebruil het gehele jaar een mengsel van 50 % Volvo anti-vries, type C (blauwgroen) en 50 % water. Verschillende koelvloeistoffen mogen nie met elkaar gemengd worden! Door de anti-vries wordt in de zomer corrosie en in de winter ook bevriezen voorkomen. Al de auto nieuw is, is het koelsysteem gevul met koelvloeistof die tegen -35°C kan.
Inhoud van het koelsysteem: ca 9,7 liter. Koelvloeistofpeil controleren: altijd bij he tanken.
Koelvloeistof verversen: om de 3 jaar in di herfst, als het koelsysteem voor 50% me Volvo anti-vries, type C en voor 50% met water gevuld is.
Als het koelsysteem met een andere anti-vrie gevuld is, moet deze vaker ververst worden b.v. in de herfst elk jaar of om het jaar.
V-riemen (ventilatorriemen)

Ventilatorriemen en V-riemen voor de air-conditioning stuurbekrachtiging, ventilator en dynamo
Laat een Volvo-garage de riemen afstellen en vervangen
Door de plaats van de riemen kan het erg lastig zijn om zelf een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit daarom aan een Volvo-garage over.

De riemen moeten met normale kracht in het midden 5–10 mm ingedrukt kunnen worden. Als de riemen kortgeleden vervangen zijn, moet de spanning na 1000–2000 km gecontroleerd en eventueel afgesteld worden.
Toestand van de riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vuile riemen kunnen de oorzaak zijn van een slechte koeling en een laag dynamovermogen en ook van een slecht werkende stuurbekrachtiging en airconditioning.
Brandstofsysteem

Brandstofsysteem
VERGEET NOOIT om altijd de grootste reinheid in acht te nemen, als u aan het brandstofsystem van een Diesel-motor werkt. Gebruik altijd Diesel-brandstof van de bekende oliemaatschappijen. Gebruik nooit Diesel-brandstof van onbekende kwaliteit.
's Winters met lage temperaturen moet u de speciale winterbrandstoffen gebruiken die door de grote oliemaatschappijen worden verkocht. De winterbrandstoffen zijn vluchtiger, waardoor de kans op wasafscheiding in het brandstofsysteem kleiner is. Als u om de een of andere reden deze winterbrandstoffen niet kunt krijgen, kunt u zelf 25%–40% petroleum (lichtpetroleum) bijmengen, zie ook pag. 95 in deze handleiding. Zorg er ook voor, dat uw tank steeds goed gevuld is, want dan werkt u het ontstaan van condenswater tegen.
Als u bij servicestations tankt, moet u er altijd op letten, dat het bij het vulgat en de tankdop goed schoon is. Als u brandstof uit een eigen tank bijvult, moet u de brandstof goed filtreren en erop letten, dat alle vaten schoon zijn.
N.B!
De verzegelingen die op de inspuitpomp zijn aangebracht, mogen niet door onbevoegde monteurs worden verbroken. Als dit toch gebeurt, is alle garantie vervallen. De inspuitpomp moet volgens voorschriften van Statens Trafiksäkerhetsverk zijn verzegeld.
Als u bij het rijden geen brandstof meer heeft
Als u de brandstoftank heeft leeggereden, behoeft u geen specia maatregelen te treffen, als u weer brandstof heeft bijgevuld. U behoe het brandstofsysteem niet te „ontlucten“, zoals wel bij veel ouder Diesel-auto's nodig is. De inspuitpomp is namelijk zelf-ontluchten. Als de tank echter geheel leeg is geweest, is het heel normaal, dat u o startmotor een tijdje moet laten draaien, voordat het brandstofsystee weer met brandstof is gevuld en de motor weer aanslaat.
/ater afstappen uit het brandstofffilter
het brandstofffilter van de motor wordt geleidelijk condenswater uit brandstoftank afgescheiden.
s dit water via de inspuitpomp in de motor komt, kunnen storingen treden. Daarom moet het water in het brandstofffilter om de 7500 km orden afgetapt; dit kan het beste in verband met olie verversen ge- turen.
at aftappen is heel eenvoudig en gaat als volgt:
Zet onder de aftapschroef onder in het filter een opvangbak.
Draai de ontluchtingsschroef een paar slagen los met een schroe-vedraaier.
Draai de aftaschroef met de hand los.
Tan af, totdat zuivere brandstof naar buiten komt.
Draai de aftapschroef vast.
Draai de ontluchtingsschroef vast met de schroevedraaier.
Verwijder de opvangbak.
Ontluchtigsschroef

Nr Smeerplaats (aantal)
| 1 | Motorkapslot (1) |
| 2 | Motorkapscharnieren (2) |
| 3 | Portieruitstellers (4) |
| 4 | Windscherm, schuifdak (1) |
| 5 | Portiersloten, buitenste glijvlakken (4) |
| 6 | Slotje kofferdeksel (1) Sleutelgat (1) |
Smeer-middel
| Paraffine |
| Olie |
| Olie |
| Olie |
| ParaffineOlieSlotenolie |
Nr Smeerplaats (aantal)
| 7 | Raammechanismen (4)Sluitingen (binnenkant portieren) (4) |
| 8 | Rails (4) en blokkeer-inrichtingen (2) |
| 9 | Sleutelgaten (2) |
| 10 | Sluitplaten (4) |
Smeer- middel
| Olie, vet |
| Siliconen- vet |
| Olie |
| Slotenolie |
| Paraffine |
Smeer de carrosserie een of meer malen pe jaar; dan voorkomt u piepen en onnodige sli tage.
N.B!
In de wintermaanden moeten ook de sloten va de portieren en het kofferdeksel behandel worden met een middel dat vastvriezen voor komt (slotenolie).
Specificaties en technische gegevens
Nieuwe eenheden
In het onderstaande hoofdstuk van de handleiding worden voor de specificaties de nieuwe SI-eenheden gebruikt. De oude eenheden zijn tussen haakjes vermeld. De in de handleiding gebruikte nieuwe eenheden zijn:
kW - kilowatt als eenheid van vermogen
oude eenheid pk (paardekracht)
100 kW = ca 136 pk
Nm - newtonmeter als eenheid van koppel oude eenheid kgm (kilogrammeter) 100 Nm = ca 10 kgm
r/s - omwentelingen per seconde
oude eenheid t/min (omwentelingen per minuut)
100 r/s = 6000 t/min
kPa - kilopascal
(druk van vloeistoffen, gassen)
oude eenheid kg/cm²
100 kPa = ca 1 kg/cm²
Specifications
Maten en gewichten
Lengte 479 cr
Breedte 176 cr
Hoogte 141 cr
Wielbasis 277 cr
Spoorbreedte, voor 146 cr
Spoorbredte, achter 146 cr
Draaicirkel 9,9 m
Toegestane belasting
( behalve de bestuurder)* 385 kg
Totaalgewicht 1820 kg
Maximumsdruk, achter 930 kg
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumaanhanggewicht 1500 kg
(1600 kg bij rijden met maximaal 70 km/uui
* De toegestane asdruk mag nooit worden overschreden!
Type-aanduidingen
Bij alle contacten met uw Volvo-dealer over de auto en bij het bestellen van service-onderdelen en accessoires kan het gemakkelijk zijn, als u de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto kent.
1 Type- en modeljaaraanduiding en chassis-nummer
Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op de achterwand van de bagageruimte.
2 Type-aandulding, toegestane maximum-gewichten en codenummers voor lakkleur en bekleding
Plaatje op het rechter binnenscherm.
3 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer van de motor
Aan de linker kant van de motor, onder de vacuümpomp.
1 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer van de versnellingsbak
Aan de onderkant van de versnellingsbak.
5 Overbrengingsverhouding, onderdeel- en fabricagenummer van de achteras
Sticker op het linker deel van de achteras.
3 Serviceplaatje
Plaatje in de bagageruimte op de afdekplaat onder de achterruit, aan de rechter kant.

Smeermiddelen
Diesel
Motor
Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste CD*
* oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD voldoen aan deze normen.
Synthetische en halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden als zij aan bovenstaande API-normen voldoen.
Olie-inhoud: excl. oliefilter 6,2 liter incl. oliefilter 7,0 liter
Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olie- temperatuur en een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/50 of SAE 20 W/50 motorolie aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| SAE | Value | |---|---| | -30 | 104 °C | | -22 | 68 °F | | -4 | 86 °F | | -20 | 104 °C | | -10 | 32 °F | | 0 | 50 °F | | 10 | 68 °F | | 20 | 86 °F | | 30 | 104 °C | | 40 | 104 °C | | 5W/30 | 104 °C | | 10W/30 | 104 °C | | 10W/40 | 104 °C | | 15W/50 | 104 °C | | 20W/50 | 104 °C | | 30 | 104 °C | | 40 | 104 °C |Versnellingsbak
Oliekwaliteit: ATF-olie, type F of G
Olie-inhoud: 2,3 liter
Achteras
Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C) SAE 90 of 80 W/90
Olie-inhoud: 1.3 liter
Stuurbekrachtiging
Oliekwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: 0.7 liter
Remsysteem
Vloeistoftype: Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703)
Vloeistofinhoud: ca 0,4 liter
Specifications
Motor
Cilinder in lijn, watergekoelde Diesel-motor.
let motorblok is van gietijzer.
- Wiederswanden zijn direct in het motorblok geboord.
e cilinderwanden zijn direct in wervelkamers.
e cilinderkop is van lichtmetaal, en houd
nkelvoudige bovenliggende hokkenz meersysteem met door de krukas aangedreven tandwielpomp. Olie- ter van het full-flow type.
1spuitpomp, bestaande uit toevoerpomp, regelaar, inspuitschakeldar
n hogedrukpomp. e inspuitpomp wordt met een getande riem door de nokkenas aan- edreven.
e koud-startinrichting regelt het inspultijdstip, amankbijf, van davtomoerstuur, automatisch.
et koelsysteem is een gesloten overdruksysteem met expansietank.
'ype-aanduiding
ermogen DIN
oppel, DIN
ilinderaantal
ilinderdiameter
laqlengte
ilinderinhoud
ompressievhouding
ntstekingsvolgorde
aag stationair toerental
oog (versneld) stationair
perental
lepspeling, mm
laatklep, warme motor
koude motor
itlaatklep, warme motor koude motor
D 24 T (Turbo)
80 kW bij 80 r/s
(109 pk bij 4800 omw/min)
205 Nm bij 40 r/s
(20.9 kqm bij 2400 omw/min)
6
76.5 mm
86.4 mm
2.383 dm³ (2,383 liter)
23.0:1
1-5-3-6-2-4
12.5 r/s (750 omw/min)
87 r/s (5200 omw/min)
Controleren Afstellen
0.20-0.30 0.25
0.15-0.25 0.20
0.40-0.50 0.45
0.35-0.45 0.40
Brandstofsysteem
Inspuitpomp
Verstuivers, mondstuk openingsdruk
Bosch VE 6/10 F 2400 L 116
Bosch DNO SD 293
15.5-16.3 MPa (155-163 kg/cm²)
Brandstof (Diesel-olie)
Norm
DIN 51 601, CEC-ERF-DI of
Om wasafcheiding tegen te gaan en bij strenge kou goed starten te waarborgen hebben de meeste oliemaatschappijen speciale winterbrandstof. Deze moet u gebruiken. Als u om de een of andere reden deze brandstof niet kunt krijgen, kunt u zelf petroleum (lichtpetroleum) 25%–40% bijmengen.
Meer mag u niet bijmengen, omdat dan het smerende vermogen kan de Dieselbrandstof achteruitgaat, zodat kans op beschadiging van het inspuitsysteem bestaat. Het is in bepaalde landen volgens de wet verboden om petroleum aan de brandstof toe te voegen. Gebruik dan een ander geschikt toevoegmiddel dat door de overheidsinstanties is goedgekeurd.
Specifications
Koelsysteem
| Type | Gesloten, overdruk |
| Inhoud | ca 9,7 liter |
| Thermostaat | |
| gaat open bij | 87°C |
| is geheel open bij | 102°C |
| V-riemen (2 st.) | HC 38–975(Volvo O/N 958354) |
Transmissie
| Enkelvoudige droge-plaat koppeling, met kabel mechanisch bediend. |
| Geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak met overdrive. |
| Achteras van het hypoïde-type. |
Koppeling
| Koppelvork, vrije slag 1-3 mm. |
Versnellingsbak
| Type-aanduiding | M46 |
| Overbrengingsverhouding | |
| 1e versnelling | 4,03:1 |
| 2e versnelling | 2,16:1 |
| 3e versnelling | 1,37:1 |
| 4e versnelling | 1:1 |
| overdrive | 0,79:1 |
| achteruit | 3,68:1 |
Achteras
| Overbrengingsvevharding | 3,54:1 |
Snelheid in km/uur bij 17 r/s (1000 omw/min)
| fersnellingsbak | M46 |
| vichterasoverbrenging | 3,54:1 |
| e versnelling | 8 |
| e versnelling | 15 |
| e versnelling | 23 |
| e versnelling | 32 |
| werdrive | 40 |
| chteruit | 9 |
Jenk erom dat deze waarden afgerond zijn. Zij kunnen in de praktijk ets afwijken als gevolg van de bandenmaat, -spanning en -slijtage.
Anbevolen minimum- en maximumsnel- leden, km/uur
| 'ersnellingsbak | 1e | 2e | 3e | 4e |
| A46 | 0-35 | 15-65 | 25-105 | 35* |
Cirka 50 km/uur met ingeschakelde overdrive.
Elektrische installatie
12-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Eénpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is op het chassis aangesloten.
Snapping 12 volt
Accu. capaciteit 88 Ah
elektrolyt, s.g. 1,28
moet worden geladen bij s.g.
Dynamo, maximumvermogen
maximumstroomsterkte
Startmotor, vermogen
55 A 2,0 kW (2,7 pk)
Specifications
Gloeilampen 12 V.
Zo zien de gloeilampen er uit

Gloeilampen, 12 V
Koplampen
Verstralers of mistlampen
Parkeerlichten, vóór
Richtingaanwijzers, vóór
achter
opzij
Vermogen Fitting Nr
vorwielonhanging van het type MacPherson.
schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwa.
urriorichting met tandheugel.
stuurkolomas is van het veiligheidstype.
afstelwaarden gelden - bij de velg opgemeten - voor een
belaste auto, incl. brandstof, koelvloeistof en reservewien
genoor (Toe-in), bij de vela opgemeten 3,5=1 mm
bij de zijkant band opgemeten 4,5=1 min
anden
indenspanning in kPa (kilopascal)
0 kPa (kilopascal) = 1 kg/cm²
ssen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden: pounds/uare inch (psi).
| Model | Banden | 1-3 personen | Vollast | ||
| Vóór | Achter | Vóór | Achter | ||
| 60 GLE | 195/60 HR 15 | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| ReservebandSpecial Spare | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) | |
langdurig zeer snel rijden (langer dan een uur boven 120 km/uur) het de bandenspanning met 30 kPa (4 psi) verhoogd worden. B! Dit geldt niet voor banden met een maximumbandenspanning n 280 kPa. Voor deze banden moet de spanning altijd 280 kPa zijn.
Gereedschap

Piipsleutel voor wielmoeren.
Helfboom voor de pijpsleutel
Kruiskopschroevedraaier/schroevedraaier
Steeksleutels (2 st)
Inhoudsgegevens
Brandstoftank
Koelsysteem
Motorolie, incl. oliefilter
excl. oliefilter
Versnellingsbakolie,
4-bak met overdrive
Achterasolie
Stuurbekrachtiging
Reservoir sproeivloelstor
ca 60 liter (ca 82 liter bij bepaalde auto's)
ca 9.7 liter
7.0 liter
6.2 liter
2.3 liter
1.3 liter
0.7 liter
3.0 liter
Aantekeningen
Aantekeningen
Alfabetische inhoudsopgave
Accu 97
Achteras, olie 84, 94
Achterklep 33
Achterlichten 60
Achterruit, elektrische verwarming ..... 16
Achteruitkijkspiegels 26
Achteruitrijlichten 60,98
Achteruitvergrendeling 42
Aftapkraan, koelvlgeistof 86
Aftapplug, achterasolie 84
brandstofffilter 89
motorolie 82
versnellingsbakolie 84
Afwateringsgaten 74
Airconditioning 20-23
Als iets gebeurt 54
Anti-bevriezingsvloeistof 86
Anti-verblindingshendel 11
Armleuning 36
Asbakjes 17
Autogordels 30
Automatisch wassen 75
Bagage, imperiaal 43
Bagageruimte 34
Bagageruimteverlichting 33
Banden 51
Bandenspanning 53
Bediening, verlichting 14
Bediening, verwarming en ventilatie ..... 19
Bedrijfsstoringen 66
Bekleding, reinigen 76
Bestuurdersplaats 4
Bevroren sloten 48
Binnenverlichting 27
Blaasmonden 19
Brandstof 37.95
Brandstof, bijvullen 37
Brandstof, zuinig zijn met 39
Brandstofmeter 6,7
Brandstofspecifications 96
Brandstofsysteem 95
Buitenlandse reizen 49
Buitenspiegels 26
Carrosserie-onderhoud 69
Carrosseriesmering 90
Centrale vergrendeling 32, 33
Chassisnummer 93
Claxons 4
Cleanen 75
Controlelampie, remmen 8.9
voorgloeien 40
Dagteller 6
Dagrijlichten 14
Defroster 19-23
Draaicirkel 92
Dynamo 79,97
Elektrisch bediende raammechanismen .. 18
Elektrisch verwarmde achterruit 16
Elektrisch verwarmde stoel 16,28
Elektrische installatie 97
Elektrolyt, accu 97
Expansietank, koelsysteem 86
Frisse-luchtinlaat 19
Garagekrik 79
Garantie 78
Garantie-inspectie 78
Gegevens 92
Gereedschappen 99
Gevarendriehoek 34
Gewichten 92
Gloeilampen, gegevens 98
vervangen 58
Gloeistand 10
Gloeitijd 40
Glycol
Grootlichtsignaal
Handrem
Hoogteverstelling, voorstoelen .....
Houder voor parkeerbiljetten ....
Hulpstartaccu
Identificatie
Imperial
In de was zetten
Inhoudsgegevens
Inrijden
Instrumenten
Instrumenten en bediening
Instrumentenpaneel 6.
Instrumentenverlichting
Interieuronderdelen
Intervalstand, ruitewissers ....
Kontekenplaatverlichting 61,
Keuzehendel
Kilometerteller
Kinderen in de auto
Kinderstoel
Kinderveiligheid
Kinderveiligheidssloten
Klepspeling
Kleurcode
Klokie
Knipperlichten
Koelsysteem
Koelyloeistof
Koelvloeistofpeil, controleren
Kofferdeksel
Kogeldruk
Koplampen 14.
Koplampen, gloeilamp vervangen .....
Koplampwissers
Koppeling
Alfabetische inhoudsopgave
40
ud starten 57.79
k 57.79
ksteuhen
<kleurcode 72
<werk, bijwerken 97
topen, gegevens 50
ngdurig niet gebruiken 37
nge lading .... 49
ge reizen, voorzorgsmaatregel
27
estamples 56
no band
ge band 28
adesteun
gateverstelling, voorstoelen 28
htbediening
hthendel
kaliseren van störingen
ten on gewichten 92
ximumbelasting 92
stachterlampen 15, 60, 98
stlampen, gloeilamp vervangen 64
schakelaar 15
itor, gegevens 82
olie verversen 82
oliepeil controleren 35
torkap 35
torkapsluiting 93
tornummer 83,94
torolle 81
toffraltite
e verversen, motor 82
edruk 8,9
efilter
ën en vloeistoffen
epeil, controleren
epeilstok, motor 8
ahoogbrengen auto
balans in wielen
Oderhoud 69,77
Onderstelbehandeling 70
Opbergplaatsen 36 79
Opkrikken 19
Overbrengingsverhouding. 96
achteras 97
versnellingsbak 42
Overdrive
Barkoerlichten 14,59,60
Parkeerrem 17
Parkechtem 82 Peilstok motorolie
Portieren 32
Portierwaarschuwingslampen 98
Presentatie 52
Profieldiepte, banden 02
18
Raammechanismen 76
Reinigen 46
Remmen 85,96
Remydefistor 55
Reserviewer ...... 11 Bichtingaanwijzers ...... 26
Richtingaanwijzers zijkant
Rijden met aanhanger/caravan
imperiaal
Rij-eigenschappen
Rij-instructies
Roestwerende behandeling
Ralgordels
Rugleuning, verstellen
Ruitewisserblad, vervangen
Ruitewissers/-Spoeiers Duitenzujeers afstellen
Ruitesproelers, alstellen
Schakelen 42
Schuifdak 16,27
Service 78
Serviceboekje 78
Sigare-aansteker 17
Sleepogen 44 AA
Siepen 443
Sleutels 32
Sloten 94
Smeermiddelen 90
Smering, carrosserie 52
Sneeuwkettingen
Snelheidsmeter 52
Speciale velgen 91
Specifications 26
Spiegels 52
Spijkerbanden 13
Sproeimondstukken, arstellen 13
Sproelvloeistorreservoll 47
Starten met hulpstartacou 40
Starten, motor
Startsleutei 7
Steenslag 2
Stoelen ....B
Stuurbekrachtiging 4
Stuureigenschappen 9
Stuhrnrichting 1
Stuurslot
Tankdop 37
Technische gegevens
Temperatuurmeter
Toerenteller 6
Transmissie 50 47
Trekhaak 41
Turba-compressor 93
Type-aanduidingen
Typeplaatjes
Veiligheidsgordels 30
Veiligheidsvergrendeling 32
Versnellingsbak, oliën 94
standen 42

Alfabetische inhoudsopgave
Verstralers, gloeilamp vervangen .... 65 schakelaar .... 15
Vervangen, gloeilampen 58
koelvloeistof 86
wielen 56
wisserbladen 68
Verwarming en ventilatie 19
Vlekken verwijderen 76
Vloermatten, reinigen 76
Voetrem 46
Voorgloeien, Diesel 40
Voorstoelen 28
Voorwieluitlijning 99
Voorzorgsmaatregelen, elektrische installatie 79
lange reizen 49
wintertijd 48
V-riemen, spanning 87
Waarschuwingsdriehoek 34
Waarschuwingsknipperlichten 11
Waarschuwingslampjes 8,9
Waarschuwingslampjes, defect remcircuit 8, 9
Waarschuwingsprofiel, bandenslijtage 52, 53
Wasautomaat 75
Wassen 74
Wiel verwisselen 56
Wielbalans 52,53
Wielen en banden 51
Winterbanden 52
Wintertijd, voorzorgsmaatregelen 50
Wisselstroomdynamo 79
Wisserbladen 68
Zekeringen 63
Zuinig rijden 39