760 GLE (1982) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 760 GLE (1982) VOLVO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over 760 GLE (1982) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 760 GLE (1982) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 760 GLE (1982) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 760 GLE (1982) VOLVO
Achter in deze handleiding is een alfabetische inhoudsopgave.
| Presentatie van de auto | 2 | |
| Instrumenten en bediening | 4 | |
| Interieur, portieren en kofferdeksel/achterklep | 25 | |
| Starten en rijden | 38 | |
| Wielen en banden | 53 | |
| Als er iets gebeurt | 56 | |
| Carrosserie-onderhoud | 71 | |
| Service en periodiek onderhoud | 79 | |
| Specificaties | 92 | |
| Alfabetische inhoudsopgave | 102 |
Presentatie

Deze handleiding gaat over het rijden met en het onderhouden van uw Volvo 760 GLE
Denk eraan, dat er tussen de verschillende modelvarianten en tussen verschillende landen detailverschillen kunnen bestaan. Daarom kunnen in deze handleiding componenten worden beschreven die bij bepaalde varianten tot de extra uitrusting of accessoires behoren.
Als u belangstelling voor uitvoeriger beschrijvingen van de constructie van de auto, service, afstellingen en reparaties heeft, raden wij u onze Servicehandboeken aan, dus dezelfde boeken die in de Volvo-garages worden gebruikt. U kunt deze bij uw Volvo-dealer bestellen!
Bij verhuizen naar een ander land moet u zich op de hoogte stellen va de daar geldende bepalingen voor de import en registratie van auto. De wettelijke bepalingen kunnen van land tot land aanzienlijk verschlen, waardoor het duur kan worden om uw auto aan te passen. Wij verzoeken u om deze handleiding in de auto achter te laten, als van auto verandert. Dan kan de volgende eigenaar ook over het rijde met en het onderhoud van de auto lezen.
De specificaties, constructiegegevens en illustraties die in de han leiding staan, zijn niet bindend. Wij behouden ons het recht voor o zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten van de auto.

Dubbelsleutel (,,garagesleutel")
Voorportieren Contact-/stuurslot
Nummerplaatje

Schrijf het nummer van de sleutels op in een notitieboekje of op een stukje papier dat u in uw portemonnee, portefeuille of handtasje kunt bewaren.
Het nummer van de sleutels staat ook op het afzonderlijke nummerplaatje dat bij de sleutels zit. Verwijder het nummerplaatje van de sleutelhanger (zodat niemand het nummer kan overschrijven als u b.v. de sleutels zou verliezen) en leg het op een veilige plaats of kleef het vast (aan de achterkant van het nummerplaatje zit zelfklevende tape). Als u een sleutel verliest, kunt u een nieuwe bestellen bij een Volvo-dealer.
Een nauwkeurige beschrijving van de werking van de centrale vergrendeling staat op pagina 32 en 33.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Instrumenten, schakelaars en bediening
Beschreven op pagina
1 Blaasmond 19
2Koplampen en parkeerlichten 14
3 Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht schakelaar en grootlichtsignaal 11
4 Waarschuwingsknipperlichten ..... 11
5 Instrumentenpaneel 6-9
6 Ruitewissers/-sproeiers en
koplampwissers/-sproeiers .... 12
7 Blaasmonden 19
8 Verwarming en ventilatie 19-23
9 Plaats voor radio -
0 Sigare-aansteker 17
1 Asbakje 17
2 Verwarming passagiersstoel 16
3 Handrem (parkeerrem) 17
4 Motorkapsluiting 35
5 Elektrisch bediende raammechanismen 18 en elektrisch bediende buitenspiegels 26
6 Frisse-lucht inlaat 19
7 Mistachterlamp 15
8 Mistlampen of verstralers 15
9 Plaats voor accessoires -
0 Plaats voor accessoires ...... -
1 Blaasmond 19
2 Contact-/stuurslot 10
Beschreven op pagina
23 Plaats voor accessoires ....
24 Elektrische achterruitverwarming ..... 16
25 Claxons
26 Elektrisch bediend schuifdak 16
Op pagina 6–23 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedieningsorganen nauwkeurig beschreven.
Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrusting kunnen voorkomen.
Instrumenten

1 Klokje
2 Gelijkzetknopje voor
klokje
3 Toerenteller
4 Snelheidsmeter
5 Dagteller
6 Nul-instelling dagteller
7 Kilometerteller
8 Temperatuurmeter
9 Brandstofmeter
10 Regelbare weerstand in- strumentenverlichting
11 Voltmeter
Instrumenten
let klokje werkt elektrisch en wordt door de
occu aangedreven.
'oor gelijkzetten moet u de knop indrukken
n draaien.
Foerenteller
leze geeft het motortoerental in duizend mw/min aan. Bij het rijden mag u af en toe in et zwarte gebied tussen 5500 en 6000 komen, oals b.v. bij het accelereren en passeren. let rode gebied mag niet worden gebruikt.
)agteller
eze wordt voor het opmeten van korte rijfstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft ectometers (100 meter) aan.
(nop om de dagteller op nul e zetten
ruk de knop in om de dagteller op nul te
etten.
Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan.
Tijdens het rijden moet de wijzer normaal in het zwarte gebied staan.
Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvloeistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 90, 91.
Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 45.
Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is circa 66 liter. Het rode gebied komt met circa 8 liter overeen.
Voltmeter
De voltmeter geeft de spanning van de elektrische installatie (= circa 12–15 volt) aan. Tijdens het rijden moet de wijzer binnen het zwarte gebied van de meter blijven. Als de wijzer tijdens het rijden in een van de rode gebieden komt, kan er een storing in de elektrische installatie zijn. Laat dit in een Volvowerkplaats controleren.
Regelbare weerstand voor de instrumentenverlichting
Bij rechtsom draaien - de instrumentenverlichting wordt sterker
Bij linksom draaien - de instrumentenverlichting wordt zwakker
Controle- en waarschuwingslampjes
1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 Niet aangesloten
4 Te weinig motorolie
5 Niet aangesloten
6 Niet aangesloten
7 Niet aangesloten
8 Oliedruk te laag
9 Dynamo laadt niet bij
10 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde versnellingsbak)
11 Grootlicht brandt
12 Defect remcircuit
13 Handrem is aangetrokken
14 Defecte gloeilamp
15 Te weinig sproeiervloeistof (als het lampje brandt, zit er nog maar 1/2–1 liter sproeiervloeistof in het reservoir)
16 Niet aangesloten
17 Controlelampje autogordels
18 Overdrive uitgeschakeld (automatische versnellingsbak)

Waarschuwingslampje, te weinig olie in de motor
Voer deze controle elke ochtend uit, voordat u de motor start – dit vergt maar enkele seconden. De auto moet vlak staan en het liefst moet de motor koud zijn! Draai de contact-sleutel in de rijstand zodat alle waarschu-wingslampjes gaan branden. Het opmeten moet in de eerste twee seconden gebeuren. Dan licht het lampje een of twee keren op. Als het oliepeil goed is, gaat het lampje daarna weer uit. Als het lampje blijft knipperen, is het oliepeil te laag! Controleer dan het oliepeil met de peilstok in de motor en vul olie bij.
N.B! De controle mag alleen op deze manie gebeuren. Als de contactsleutel te lang ge draaid gehouden wordt en de motor aanslaa wordt het oliepell niet aangegeven. Als d motor enkele seconden heeft gelopen en d controle dan herhaald wordt, is de verkrege waarde foutief, omdat heel wat olie uit de oli pan in de motor opgepompt is.
De rode en oranje waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
ij moeten echter gaan branden als u vóór het starten het contact aan- et. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor is aangeslagen, iosten alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje
voor de handrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de handrem heeft losgezetet.
Je dynamo laadt liet bij
et lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Is het lampje onder het rijden gaat branden, ter een storing in de elektrische installatie of jn de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie por de spanning van de ventilatorriem pagina 1.
.B! Als de ventilatorriemen stukgaan of als de
intilatorriem zo slecht gespannen is dat de
namo niet bijlaadt, gaat niet alleen dit lamp-
maar ook de waarschuwingslampjes 12, 13,
en 15 branden. Dit komt door speciale wet-
lijke voorschriften in bepaalde landen en is
is heel normaal.

Te lage oliedruk
Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 84, 85.
Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normaal als het maar uitgaat als het motortoerental wordt opgevoerd.

Een gloeilamp brandt niet

Als het waarschuwingslampje gaat branden, is een van onderstaande gloeilampen uitgegaan: dimlicht
achterlicht
remlicht (als het lampje brandt bij ingetrapt rempedaal).
Controleer de zekering en de gloeilamp.
Zie voor het vervangen van gloeilampen pagina 60–65; voor het vervangen van zekeringen pagina 65–67.
Als het waarschuwingslampje na het vervangen van een kapotte gloeilamp blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant van de auto worden vervangen.
angetrokken andrem
t lampje brandt, als de handrem (parkeer-n) aangetrokken is.

Defect remcircuit
Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt en het rempedaal iets lager dan normaal pakt, is een van de circuits van de voetrem buiten werking. Rijd voorzichtig met de auto naar een garage en laat de remmen controleren.

Contact-/stuurslot

natural_image
Interior view of a vehicle's dashboard and steering wheel (no visible text or symbols)
Contact- en stuurslot
Als de sleutel zwaar draait, komt dit doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker.
Het contact/stuurslot heeft een zogenaamde „vergrendeling tegen opnieuw starten“. Dit houdt in dat als de motor niet aanslaat, de sleutei weer in de stand 0 moet worden gezet, voordat opnieuw gestart kan worden.

0 Vergrendelingsstand
Met het stuurslot wordt het stuur vergrendeld als u de sleutel uit het slot haalt.

I Tussenstand
Bepaalde elektrische componenten (b.v. de kachelaanjager, de sigareaansteker) kunnen worden ingeschakeld. De ontsteking van de motor is niet ingeschakeld.

II Rijstand
Dit is de stand van de sleutel onder het rijden. De gehele elektrische installatie van de auto is ingeschakeld.

III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld.
Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.
Richtingaanwijzers Waarschuwingsknipperlichten


natural_image
Interior view of a car dashboard with control panel and indicator lights (no readable text or symbols)

natural_image
Interior view of a car dashboard with steering wheel and directional indicator (no readable text or symbols)
ichtingaanwijzers, groot/dimlicht-schakelaar en 'ootlicht-,,signaal"
„Drukpuntsstand“
Bij bochten met een geringe stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug als het losgelaten wordt.
Normale bochten
3 Groot/dimlicht-schakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje naar het stuur en laat het weer los. De koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.
3 Grootlicht-„signaal" (koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur (totdat een lichte weerstand gevoeld wordt. Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje weer losgelaten wordt.
Als een gloeilamp in de richtingaanwijzers stukgegaan is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.
Knipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Ruitewissers Koplampwissers


natural_image
Interior view of a car dashboard with steering wheel, dashboard display, and control panel (no visible text or symbols)
Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers
1 Wissen met intervallen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken elke 6 seconden ongeveer een slag.
2 „Drukpuntsstand“
Als u de wissers slechts een of een paar slagen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht worden en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand als het hendeltje losgelaten wordt.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproelers + koplampwissers/-sproelers
Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en deze maken 2-3 slagen, nadat het hendeltjelosgelaten is.
N.B! De koplampwissers hebben een bevei ging tegen overbelasting en deze brandt door als de wisserbladen b.v. door sneeuw of worden geblokkeerd.
Doe het volgende, als dit het geval is: zet h contact af en verwijder de sneeuw of het i Zet daarna het contact weer aan. Na cir 2 minuten kunnen de koplampwissers we gebruikt worden.
Ruitewissers Koplampwissers


natural_image
Close-up of a mechanical device interior with a red arrow pointing to a component (no visible text or symbols)
iproeiers afstellen
leek een speld in de sproeiers en draai deze > dat de stralen de voorruit raken zoals de 'beelding laat zien.
Vloeistofreservoir
De ruite- en koplampwissers zijn op hetzelfde vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 5 liter. Gebruik in de winter een anti-bevrlezingsmiddel, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.
Koplampen Parkeerlichten


Koplampen en parkeerlichten

Alle verlichting is uit.

Parkeerlichten (voor en achter)
De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren, nooit onder het rijden, gebruikt worden.

Koplampen + parkeerlichten
De koplampen moeten natuurlijk branden als in het donker op slecht verlichte wegen en in slecht verlichte straten gereden wordt.
Als het bestuurdersportier geopend wordt, herinnert een zoemer eraan dat de parkeerlichten of de koplampen nog branden.
Mistachterlampen Mistlampen


Mistachterlamp bepaalde landen)
e mistachterlamp is aanzienlijk sterker dan
et gewone achterlicht en wordt bij het rijden
et zeer slecht zicht gebruikt. (De koplampen
oeten branden, anders kan de mistachter-
mp niet branden).
en eraan dat: de wettelijke bepalingen voor
et gebruik van een mistachterlamp van land
t land verschillen.
Mistlampen of verstralers
De mistlampen en verstralers kunnen niet aangezet worden, als het dimlicht brandt.
Elektrische achterruitverwarming Elektrisch verwarmde stoelen

natural_image
Interior view of a vehicle dashboard with steering wheel, gauges, and control panel (no visible text or symbols)
Elektrische achterruit-verwarming
Gebruik de elektrische achterruitverwarming om ijs en aanslag op de achterruit te verwijderen. Schakel de verwarming uit, als de ruit vrij van ijs en aanslag is om de elektrische installatie niet onnodig te belasten.
Leg geen voorwerpen zo neer dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de ruit kunnen beschadigen. Wees bij het schoon- en droogmaken van de ruit voorzichtig om b.v. de draden niet met een ring te beschadigen.

natural_image
Interior view of a car gear shift lever with a red arrow pointing to the left side (no visible text or symbols)
Elektrisch verwarmde passagiersstoel
De beide voorstoelen hebben een elektrisch verwarmde zitting en rugleuning. De verwarming is met een thermostaat geregeld en wordt onder ca +15°C automatisch ingeschakeld en bij ca +30°C automatisch uitgeschakeld. Schakel de verwarming van de passagiersstoel uit met de schakelaar, als niemand op de stoel zit! De verwarming van de bestuurdersstoel kan niet uitgeschakeld worden.

natural_image
Interior view of a car showing the dashboard and rear seats with red arrows indicating motion or movement (no text or symbols present)
Elektrisch bediend schuifdak (extra uitrusting)
Het schuifdak werkt op twee manieren:
ten eerste als een gewoon schuifdak; te tweede kan de achterkant omhooggebracl worden in de zogenaamde "ventilatiestand Om het schuifdak dicht te doen moet u op andere kant van de sehakelaar drukken da waar mee het schuifdak geopend werd.
Handrem Sigare-aansteker Asbakjes

natural_image
Interior view of a car showing the left side of the intake manifold with a red arrow pointing to a specific component, and a red 'P' label in the corner (no readable text or symbols beyond the label)
landrem (parkeerrem)
a hendel zit tussen de voorstoelen. De handm werkt op de achterwielen. Als de handrem ingetrokken is, brandt het waarschuwingsmpje in het instrumentenpaneel. Als de indrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingeukt worden.
ebruik bij parkeren altijd de handrem, want in blijft deze goed werken.

natural_image
Interior view of a car's car intake canal with red measurement lines (no text or symbols visible)
Sigare-aansteker
Asbakje
Sigare-aansteker
Druk de aansteker in, als deze moet worden gebruikt. Als hij warm genoeg geworden is (na ca 6–8 seconden), komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.

natural_image
Close-up of a mechanical component with visible internal structure and textured surface (no text or symbols)
Asbakje, achterbank
Asbakjes
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaage- drukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch bediende raammechanismen

Elektrisch bediende raammechanismen
De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien.
Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet het contact aan-staan. De ramen gaan omlaag als op het achterste deel van de schakelaar wordt gedrukt en zij gaan omhoog door op het voorste deel van de schakelaar te drukken.

natural_image
Close-up of a computer control panel with a red arrow pointing to the button (no visible text or symbols)
Vergrendeling voor de raammechanismen achter
Bij auto's met elektrisch bediende raammechanismen voor ook de achterportieren kunnen de raammechanismen vergendeld worden m de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel van het bestuursportier.
ON - De ramen van de achterportieren kunnen met de schakela van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportier bediend worden.
OFF - De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf h bestuurdersportier en dus niet met de schakelaars van d achterportieren bediend worden.
Verwarming, ventilatie en airconditioning


'erwarming en ventilatie
a airconditioning – er zijn drie varianten van is een gecombineerde verwarmings- en air-onditioninginstallatie. Al naar gewenst wordt, in warme of koude lucht met de bedienings-ganen van het dashboard naar de gewenste aats in de auto geleid worden.
de afdekplaat onder de stuurkolom zit een aasmond die naar boven of beneden gericht geheel gesloten kan worden.
Auto's met airconditioning hebben bovendien een inlaat voor frisse lucht bij de voetruimten van beide voorstoelen. Deze inlaten kunnen elk met een handgreep geopend of gesloten worden (naar voren = open, naar achteren = dicht).
Blaasmonden
A Luchtstroom omhoog gericht
B Dicht
C Luchtstroom naar opzij gerichf
Verwarmings- en ventilatiesysteem
De airconditioning is
niet
ingeschakeld ingeschakeld ingeschakeld

Verwarmings- en ventilatiesysteem met airconditioning
1 Aanjager
1 = laagste snelheid
4 = hoogste snelheid
De aanjager werkt altijd en kan niet geheel afgezet worden.
2 Luchtverdeling (verwarmde of gekoelde lucht)
Luchtconditionering ingeschakeld
MAX geeft de snelste afkoeling. Gebruik deze stand als de auto in de zon heeft gestaan en erg warm is of als het buiten erg warm en/of vochtig is. De lucht wordt door de blaasmonden van het dashboard naar binnen geblazen. Als de temperatuur behaaglijk geworden is, moet de hendel in de stand NORM of B/L gezet worden.
NORM geeft een normale afkoeling. Lucht door de blaasmonden.
B/L (Bi/Level) geeft een normale afkoeling. Lucht naar de vloer en door de blaasmonden.
Lucht naar de voorruit en de zijramen. De airconditioning is ingeschakeld en verwijdert vocht uit de lucht. Daarom verwijnen beslagen ramen snel.
De airconditioning is niet Ingeschakeld
VENT Lucht door de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer.
F/D (Floor/Defroster) De helft van de lucht gaat naar de vloer en de andere helft naar de voorruit en de zijramen.
3 TEMP
Naar links (COOL) = koud
Naar rechts (WARM) = warm
Verwarmings- en ventilatiesysteem
o wordt het het warmst:

.en zo wordt het het koelst:

s de temperatuur behaaglijk geworden is, oet de bevenste hendel in de stand NORM of /L gezet worden!
en zo verdwijnen besiagen ruiten het
leist:

s het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op luchtinlaat van het verwarmingssysteem at rooster voor de voorruit) weggeveegd orden.
Verwarmings- en ventilatiesysteem

Verwarmings- en ventilatiesysteem zonder airconditioning
1 Aanjager
1 laagste snelheid
4 hoogste snelheid
De aanjager werkt altijd en kan niet geheel afgezet worden.
2 Luchtverdeling
B/L (Bi/Level) Lucht naar de vloer en door de blaasmonden.
VENT Alleen lucht door de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer
F/D
(Floor/Defroster) De helft van de lucht gaat naar de vloer en de andere helft naar de voorruit en de zijramen.
Lucht naar de vorruit en zijramen.

3 TEMP
Naar links (COOL) = koud
Naar rechts (WARM) = warm
Zo wordt het het warmst:

Sluit de frisse-luchtinlaten bij de voetruimten
...en zo wordt het het koelst:

Als u meer koele lucht bij de voeten wilt, moe u de frisse-luchtinlaten openen en de aanja gersnelheid verminderen.
...en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Sluit de frisse-luchtinlaten bij de voetruimter
Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw o
de luchtinlaat van het verwarmingssysteer
(het rooster vóór de voorruit) weggeveeg
worden.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
De airconditioning is

N.B! In alle standen behalve gaat de aanjager pas werken, als de koelwatertemperatuur van de motor hoger dan +35°C of de temperatuur in de auto hoger dan +18°C is.
Warm of koud buiten?
Als de functiekiezer in onderstaande stand (zie de afbeelding) gezet wordt, krijgt u altijd een perfect en behaaglijk „klimaat” in de auto. Kies de gewenste temperatuur met de temperatuurkiezer en dan gaat de rest vanzelf!
/erwarmings- en ventilatiesysteem met automatische temperatuurregeling (extra uitrusting)
Temperatuurkiezer
Stel het gewenste aantal graden in! De graden
ijn in °C of °F (Fahrenheit) aangegeven.
$$
5 ^ {\circ} \mathrm{F} = 1 8 ^ {\circ} \mathrm{C} \quad 7 5 ^ {\circ} \mathrm{F} = 2 4 ^ {\circ} \mathrm{C} \quad 8 5 ^ {\circ} \mathrm{F} = 3 0 ^ {\circ} \mathrm{C}
$$
Functiekiezer
1 de twee linker standen werkt de aircondi-
oning niet!
)FF Lucht naar de vloer; aanjager op lage snelheid.
ICON Automatische aanpassing van de temperatuur en de luchtverdeling. (De temperatuur kan echter nooit lager worden dan de buitentemperatuur.) In de overige standen is de airconditioning ingeschakeld.
LO Aanjager op lage snelheid."
auto
De aanjagersnelheid wordt automatisch aangepast\*
HI Aanjager op hoogste snelheid.\*
\* Automatische aanpassing van de temperatuur en de luchtverdeling.
B/L
(Bi/Level) Automatische aanpassing van de temperatuur en de aanjagersnelheid. Lucht naar de vloer en de blaasmonden.

Automatische aanpassing van de temperatuur. Alle lucht gaat naar de voorruit en de zijramen. Aanjager op de hoogste snelheid.

Kies de gewenste temperatuur!
Zo verdwijnen beslagen ruiten het snelst:

Kies de gewenste temperatuur!
Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op de luchtinlaat van het verwarmingssysteem (het rooster voor de voorruit) weggeveegd worden.
Interieur, portieren, kofferdeksel, achter- klep, schuifdak
Op de twaalf volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
achteruitkijkspiegels, binnen en buiten 26
binnenverlichting, schuifdak 27
voorstoelen 28
kinderen in de auto 29
autogordels 30
portieren en sloten 32
kofferdeksel 33
bagageruimte 34
motorkap 35
opbergplaatsen in de auto 36
vervoer van lange lading,
benzinetankklep 37
Achteruitkijkspiegels

Binnenspiegel
D normale stand
N (NIGHT) anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand als u last van de koplampen van auto's achter u heeft.

Buitenspiegels, elektrisch instelbaar
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier.
A zijdelings instellen
B hoogte-instelling
Stel de spiegels goed in, voordat u begint te rijden!
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat het spiegelglas kan krassen!
Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel, waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een „groothoekspiegel" is die de „dode hoek" elimineert.
Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en afstanden geeft!
Binnenverlichting Schuifdak
eslampjes voor de voorstoelen

Plafondlamp

natural_image
Close-up of a mechanical component with a rectangular opening and internal circuit board (no visible text or symbols)
Leeslampjes voor de achterbank

innenverlichting
binnenverlichting bestaat uit een plafond-
np en leeslampjes voor de vier zitplaatsen
1 de auto.
\_amp is altijd aan
\_amp is altijd uit
.lamp gaat branden, als een van de portieren jeopend wordt.
I u de tijd te geven om o.a. in het donker het
tactslot te vinden heeft de plafondlamp een
ebouwde vertraging waardoor de lamp pas
seconden nadat het bestuurdersportier ge-
ten is, uitgaat.
Schuifdak
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak en ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand” komt.
Druk altijd de knop in voordat u aan de slinger draait.
Linksom = normaal schuifdak
Rechtsom = ..ventilatiestand'
Uit veiligheidsoverwegingen moet de slinger tijdens het rijden altijd Ingeklapt zijn!
Voorstoelen
Hoogte-instelling
De voor- en achterkant van de bestuurdersstoel kan in vier verschillende hoogten versteld worden.
Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld.
Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld
Verstel de stoel voordat u gaat rijden.
De passagiersstoel zit aan de vloer vast. Voor het verstellen van de hoogte moet gereedschap gebruikt worden.
Overigens heeft de passagiersstoel dezelfde verstelmogelijkheden als de bestuurdersstoel, d.w.z. vier verschillende standen voor de vooren de achterkant.

De voorstoelen zijn elektriscl verwarmd
De verwarming wordt met een thermostat geregeld en wordt onder +15°C automatiso ingeschakeld en boven ca +30°C uitgeschakeld. De verwarming van de passagiersstort kan worden uitgeschakeld met een schakelaat die vóór de handrem zit. Zie pag. 16!
SOFT = zachter
Hardheid van de lendesteun
FIRM = harder
Lengteverstelling
Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of naar achteren geschoven worden.
Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is.
Verstel de stoel voordat u gaat rijden.
Hellingshoek van de rugleuning
)ok kinderen moeten goed zitten – en veilig
en volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed bechermd bij een botsing of een ander ongeluk.
m uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen er adviezen over de plaats van kinderen in de auto.
enk eraan dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, nooit „los" de auto mag zitten. En laat ook nooit een kind bij een passagier o school zitten!
veel landen is het wettelijk voorgeschreven hoe kinderen in de auto
eplaatst mogen worden. Informeer hiernaar in het land waarheen u
ilt gaan.
elke bescherming het doelmatigst is, hangt af van de lichaamsgroot-
van het kind:
en baby die nog zo klein is dat deze niet kan itten
et kind moet in een wieg, kinderwagenbak of iets dargelijks op de achterbank liggen met het hoofdje naar het midden van de auto ge- berd. De wieg of de bak moet zo „geborgd” worden dat deze bij sterk remmen niet op de vloer valt; dit kan gedaan worden met de auto-ordels van de achterbank of door een Volvo kinderbank te gebruiken; et de wieg of de bak hierop en zet deze met b.v. kussens of een deken ist, zodat deze niet kunnen bewegen.
e kinderbank is bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar.
inderen vanaf de leeftijd det zij kunnen zitten et een lengte van ongeveer 117 cm (6–7 jaar)
ebruik nooit een kinderstoel die aan de regleuning van de achterbank
get worden opgehangen.
kunt het beste de Volvo veiligheidsstoel gebruiken die naar achteren jst. Deze veiligheidsstoel is ook bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar. De op wordt op de passagiersstoel of de achterbank vastgezet en wijst iar achteren. In beide gevallen moet de stoel vastgezet worden met autogordel van de passagiersstoel, ook al wordt de stoel niet gebruikt, zodat de kinderstoel bij een zware botsing niet kan losschieten.

natural_image
Illustration of a car interior with passengers and a man in a red chair, no visible text or symbols
Hoe u de kinderstoel moet vastzetten, blijkt uit de instructies die bij de stoel geleverd worden.
Kinderen langer dan 117 cm (ouder dan 6–7 jaar)
Als het kind uit de kinderstoel gegroeid is, moet het op een Volvo kinderkussen – bij de Volvo-dealer verkrijgbaar – op de achterbank zitten en de gewone rolgordel van de auto gebruiken.
Dit kussen is speciaal voor dit doel gemaakt en het zorgt ervoor dat de middelste band van de autogordei zo laag mogelijk om de heupen komt, hetgeen een goede bescherming waarborgt.
Op de volgende pagina wordt het gebruik van de autogordels uitvoerig behandeld.
Autogordels

natural_image
Red rectangular sign with a black silhouette of a person holding a crossbar (no text or symbols)

natural_image
Person wearing a suit and belt vest, seated in a vehicle (no visible text or symbols)
Voorstoel

natural_image
Person wearing a checkered suit and holding a belt buckle (no visible text or symbols)
Achterbank
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers dat zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degene die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de auto kunnen dan letsel oplopen.
Twee herinneringslampjes, een op het dashboard en een op de achterbank, knipperen als u met de auto rijdt zonder dat u zelf en de passagier op de voorstoel de autogordel omge- daan hebben.
De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben „rolgordels”!
Deze moet u als volgt gebruiken: trek de autogordel heel langzaam uit en vergrendel deze door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik“ geeft aan dat de autogordel vergrendeld is.
De autogordel mag niet scheef of gedraaid zitten
Om de autogordel los te maken moet op de rode knop van de vergrendeling gedrukt worden. Laat daarna de rol de autogordel geheel oprollen.
Normaal is de autogordel „niet vergrendek en kunt u zich onbelemmerd bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan di niet uitgetrokken worden:
- als de gordel te snel uitgetrokken wordt
- bij afremmen en accelereren
● als de auto sterk overhelt
- bij het nemen van bochten.

Heupgordel van de achterbank
Controleer af en toe de autogordels
Controleer of de autogordel niet tegen scherpe
randen schuurt en of de bouten wel goed aan-
getrokken zijn en de autogordel overigens in
goede staat is.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel
om de autogordel te reinigen.
- Doe de gordel om en ruk er heel snel aan.
- Rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond (Controleer eerst of dit van het verkeer wel kan). Haal de autogordel aan.
Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden!

natural_image
Line drawing of a person seated in a chair, wearing a red belt and holding a steering wheel (no text or symbols)
e middelste autogordel van de achterbank is in heupgordel. Deze moet altijd op de juiste ngte afgesteld worden.
WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, bouten en blokkeerinrichting door een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, kan toch een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn.
In een Volvo-garage kan de monteur snel zien of de autogordel vervangen moet worden. Vervang de autogordel ook als deze erg gesleten of beschadigd is.
Verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-garage doen!
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten de autogordel met oplettenheid gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie de afbeelding.
Portieren en sloten Kinderveiligheidssloten

natural_image
Close-up of a metallic door handle with a circular button and handle, no visible text or symbols
WAARSCHUWING!
Laat de portieren tijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)!
Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen. Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden.

Portieren op slot en van het slot doen
De auto heeft een zogenaamde centrale vergrendeling. Dat betekent dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch geopend en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier.
Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en draai een kwart slag linksom om hen op slot te doen.
Om de portieren van binnen uit te kunnen openen moeten de vergrendelknopjes omhooggetrokken worden. Als dit knopje van het bestuurdersportier iets steviger omhooggetrokken wordt, gaan de vergrendelknopjes van de andere portieren ook omhoog. Op dezelfde manier kunnen alle portieren op slot gedaan worden door het knopje van het bestuurders-
portier steviger dan normaal omlaag te drukken.
Als het vergrendelknopje van het bestuurdersportier „normaal stevig” omhooggetrokken of omlaaggedrukt wordt, heeft dit geen invloed op de overige portieren.
Alle portieren zijn op slot, als de vergrendel-knopjes omlaaggedrukt zijn.
Het bestuurdersportier kan alleen met de sleutel aan de buitenkant op slot gedaan worden!
Kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achter portieren en is bereikbaar als het portier ope is.
A het slot werkt normaal
B het portier kan niet van binnenuit geopen worden.
Denk eraan dat als de knop in stand B staat d passagiers op de achterbank bij een eventuer ongeluk niet uit de auto kunnen komen. D achterportieren moeten dan van buitenaf ge opend worden. Zie ook de tekst van de waar schuwing in het kader.
Kofferdeksel

natural_image
Close-up of a metallic car door with a red accent stripe on the side (no visible text or symbols)
lot van het kofferdeksel
et slot van het kofferdeksel reageert op de
intrale vergrendeling, zodat met het slot van
at bestuurdersportier ook het sluiten van het
offerdeksel bediend wordt.
aar – het kofferdeksel kan ook met de hoofd-
autel (de grote sleutel) op slot en van het slot
daan worden zelfs al „werkt de centrale ver-
endeling" van de auto.
Doe als volgt:

Van het slot doen

Vergrendelen
Trek de sleutel er loodrecht uit!
Bovendien kan het kofferdeksel als volgt tegen bediening door de centrale vergrendeling „geblokkeerd“ worden:

Trek de sleutel er horizontaal uit
Het kofferdeksel is nu altijd op slot.
Deze mogelijkheid om het kofferdeksel te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaangeraakt“ moet blijven. Geef de bi-sleutel (de kleine sleutel) aan degene die de auto moet lenen. Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet het volgende gedaan worden:

natural_image
Close-up of a mechanical component with labeled parts A and B, showing internal structure and circular holes (no text or symbols beyond labels)
Bagageruimteverlichting
A lamp is altijd uit
B lamp brandt als het kofferdeksel open is

Trek de sleutel er
loodrecht uit!
Bagageruimte

Motorkap Motorruimteverlichting

natural_image
Close-up of a car's side panel with a red arrow pointing to the front panel (no visible text or symbols)

natural_image
Close-up of a hand using a tool to adjust or install a mechanical component (no visible text or symbols)

natural_image
Close-up of mechanical components with red circular markings, no visible text or symbols

natural_image
Close-up of a mechanical linkage assembly (no visible text or symbols)

natural_image
Close-up of a mechanical component with red lettering 'A' and 'B' on a perforated surface (no readable text or symbols)
otorkap openen
k aan de vergrendelingshandgreep (heleal links onder het dashboard). U kunt horen het slot opengaat.
Je motorkap een paar cm op, ga er met de d onder en druk op de hendel van de veilig- lspal. Open de motorkap.
itroleer of de motorkap na het dichtdoend vergrendeld is!
Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55° open. De motorkap kan loodrecht geopend worden als de aanslagen van de scharnieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De aanslagen gaan automatisch in hun „normale stand“ terug, als de motorkap dichtgedaan wordt.
Let erop dat de motorkap niet tegen het pla-
fond komt als de auto in een garage is!
Motorruimteverlichting
A lamp is altijd uit
B lamp brandt als de motorkap open is.
Opbergplaatsen

natural_image
Close-up of a fabric with pleated fabric and ruffled edge, no visible text or symbols
Zak aan de achterkant van de voorstoelen
WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat geen „gevaarlijke“ voorwerpen, zoals b.v. camera's en verrekijkers, op de hoedenplank of op andere plaatsen liggen waar zij bij sterk afremmen of een botsing tot gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote, zware pakketten vast met een van de autogordels!

natural_image
Close-up of a mechanical component with a red arrow pointing to a small symbol (no readable text or labels)
Houder voor parkeerbiljetten
Vak in de armsteun van de achterbank

natural_image
Close-up of a metallic mechanical component with a curved bracket and textured surface (no visible text or symbols)
Vak tussen
de voorstoelen

natural_image
Diagram of a vehicle interior with red arrows indicating motion or force vectors (no text or symbols)

natural_image
Interior view of a vehicle seatbelt with visible structural ribs and seat brackets (no text or symbols)
Vak in de voorportieren

natural_image
Close-up of a car's side panel showing the front and side edges (no text or symbols visible)
Luikje voor lange lading Benzinetankklep

natural_image
Line drawing of a person's arm holding a rolled-up document or scroll, with no visible text or symbols.
WAARSCHUWING!
Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen. Bescherm scherpe randen met iets zachts.

natural_image
Close-up of a metallic car door panel with a cylindrical component inserted (no visible text or symbols)
uikje voor „lange lading”
oor een luikje in de rugleuning van de achter-
nk kunnen lange voorwerpen vervoerd
orden.
n de bekleding niet vuil te maken kan een k voor ski's gebruikt worden.
B! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. i's). Maximumlengte 2 meter en maximumwicht 15 kg.
WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel of de keuzehendel komen en deze in een of andere rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rollen.
Benzine tanken
De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep. Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik“ hoort.
De Volvo-dealers hebben voor alle Volvo-
modellen een afsluitbare tankdop.
Het octaangetal van de benzine mag niet lager
dan 97 zijn.
De tank heeft een inhoud van ca 66 liter.
Inrijden
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, het schakelen, het slepen, het rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
„inrijden” 38 zuinig rijden 39 motor starten 40 schakelen met handgeschakelde versnellingsbak 41 schakelen met automatische versnellingsbak 42 belangrijke tips 45 slepen 46 starten met hulpaccu 47 denk hierom bij de remmen 48 s over het rijden met een caravan 49 maatregelen voor de winter 50 maatregelen voor lange reizen 50 langdurig niet gebruiken 52
Een nieuwe auto moet worden „ingereden”
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat kalm aan te doen en mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet geh te gebruiken.
Overschrijd de volgende snelheden niet:
Onder de eerste1000 km Tussen 1000en 2000 km 1e versnelling 30 km/uur 40 km/uur 2e versnelling 50 km/uur 70 km/uur 3e versnelling 80 km/uur 100 km/uur 4e versnelling 110 km/uur 130 km/uur Overdrive 130 km/uur 150 km/uur
Maar rijd ook niet te langzaam in een hoge versnelling, d.w.z. laat motor niet zwoegen, en gebruik de eerste 2000 km de kick-down als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
uinig rijden wil nog niet zeggen langzaam rijden!
Jinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel den en de rijstijl en de snelheid aan de beaande situatie aanpassen.
enk hierbij aan het volgende:
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat niet de motor stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden.
Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme – twee tot drie maal meer – en bovendien slijt de motor sneller. Rijd liefst geen korte afstanden omdat dan de motor nooit warm kan worden.
Rijd soepel! Vermijd snelle onnodige acceleraties en sterk afremmen. Dan kunt u veel benzine besparen.
Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje; dit kan 30 % benzine besparen.
Rijd niet met een onnodige zware lading in de auto.
Rijd niet langer op winterbanden als de wegen schoon en droog geworden zijn. Dit kan een besparing van 5 % geven.
Verwijder de imperiaal als deze niet gebruikt wordt; dit bespaart u 20 % benzine.
Zet de zijramen niet onnodig open.
Van belang bij het zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
● Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 20 km/uur
Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 35 km/uur.
Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 50 km/uur.
- Als de auto een overdrive heeft, moet u deze bij normaal met meer dan ca 70 km/uur rijden op buitenwegen zo vaak mogelijk gebruiken.
- Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, schakelt deze uit zichzelf de juiste versnelling in, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down”.
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name nog de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het benzine-verbruik laag te houden zijn b.v.:
Goede bougies
- Goed afgestelde ontsteking
● Schoon luchtfilter
- Juiste klepspeling
● Goed werkende luchtvoorverwarming
● Juist stationair toerental
- Juiste motorolie, juiste intervallen van olie verversen en nieuw oliefilter
- Juist afgesteide brandstofinjectie
- Remmen die niet „aanlopen“
- Juiste voorwieluitlijning
- Juiste bandenspanning – kan ca 10 % besparen.
Denk eraan dat voor wat betreft het benzineverbruik u zelf de belangrijkste factor bent en ook aan de manier waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingsbak omgaat. Het verschil tussen goed en verkeerd rijden kan 4–5 dl per 10 km bedragen. Dat wordt heel wat benzine per jaar!
Starten
Zo moet u de motor starten:
- Trek de handrem (parkeerrem) aan
- Zet de versnellingshendel in de neutrale stand (stand N of P bij een automatische versnellingsbak)
- Trap het koppelingspedaal in
- Kom niet aan het gaspedaal!
- Draai de contactsleutel in de startstand. Laat de sleutel los als de motor aangeslagen is!
Als de motor niet onmiddellijk aanslaat, moet u het gaspedaal voor de helft intrappen en in die stand houden totdat de motor loopt.
Denk eraan dat het contactslot een zogenaamde blokkeerinrichting tegen „opnieuw starten“ heeft; dit wil zeggen dat u bij elke hernieuwde startpoging weer met de contactsleutel uit stand 0 moet beginnen.
Vermijd herhaalde korte startpogingen!
(Telkens als de startmotor ingeschakeld wordt, wordt er namelijk een hoeveelheid benzine in de motor gespoten.)
Laat in plaats daarvan de startmotor wat langer werken (maar tenhoogste 15–20 seconden) bij elke startpoging.
Laat de motor onmiddellijk na koud starten niet razen!
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden!
Uit ervaring is gebleken dat motoren van auto' die korte afstanden afleggen abnormaal sni slijten. Dit komt omdat de motor nooit op d normale bedrijfstemperatuur kan komen.
Als de motor aangeslagen is, moet u de moto dus zo snel mogelijk op de normale bedrijft temperatuur laten komen.
Begin met een geringe motorbelasting te rijde en laat de motor niet onnodig stationair loper
WAARSCHUWING!
Zet de garagedeuren altijd helemaal open als u de auto in de garage start!
De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos maar wel dodelijk vergiftig is.
Handgeschakelde versnellingsbak met overdrive (bepaalde landen)


natural_image
Interior view of a car gear shift lever with a red arrow pointing to the left side (no visible text or symbols)

natural_image
Hand holding a small object with a red upward arrow, no text or symbols present
chakelstanden, hand- eschakelde versnellingsbak
= achteruit
ap telkens bij het schakelen het koppelingsdaal helemaal in.
tal tussen het schakelen uw voet van het ppelingspedaal!
e overdrive bespaart enzine
overdrive kan in de 4e versnelling ingehakeld worden.
overdrive wordt ingeschakeld als u op de op in de versnellingshendel drukt. Als de
knop nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De overdrive wordt automatisch uitgeschakeld bij terugschakelen uit de 4e versnelling, maar maaker desondanks een gewoonte van om de overdrive altijd met de hand uit te schakelen als u naar de 3e versnelling terugschakelt!
De overdrive kan soepeler in- en uitgeschakeld worden als u ook licht op het koppelingspedaal trapt.
Om zu zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal met meer dan ca 70 km/uur op buitenwegen rijden de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken.
Het controlelampje brandt als de overdrive ingeschakeld is.
Achteruit inschakelen
Til de ring tegen de knop van de versnellings-hendel met de vingers op en schakel de achteruit in. De ring werkt op de achteruitvergren-deling en maakt dat u de achteruit niet per ongeluk kan inschakelen.
Automatische versnellingsbak

natural_image
Close-up of a car gear shift lever mechanism (no visible text or symbols)
P Parkeren
Kies deze stand als u de auto met lopende of afgezette motor parkeert. Laat de auto nooit met lopende motor achter! Als lemand per ongeluk de keuzehendel uit de stand P brengt, kan de auto namelijk gaan rollen. In de stand P is de versnellingsbak mechanisch vergrendeld. Trek even goed de handrem aan bij parkeren op een helling!
R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u de stand R kiest!
2 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e en 2 versnelling gaat automatisch. Het opschakelen naar de 3e versnelling gaat niet automatisch Schakel stand 2 in als u onmiddellijk naar o 2e versnelling wilt terugschakelen (sterker a remmen op de motor).
Stand 2 kunt u gebruiken...
- bij betrakkelijk langzaam rijden op buitenwegen
• bij het rijden in de stad
- bij het rijden in de bergen
• bij het inhalen
- om sterker op de motor af te remmen.
125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om stand 2 te mogen kiezen!
Schakelstanden van de keuzehendel
P parkeren
R achteruitrijden
N neutrale stand
D rijstand
^2 lage versnelling
N Neutrale stand
De stand N is de neutrale stand, d.w.z. dat geen versnelling ingeschakeld is. Trek de handrem aan, als de auto met de keuzehendel in stand N stilstaat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Het op- en terugschakelen tussen alle versnellingen van de versnellingsbak geschiedt automatisch, afhankelijk van het gasgeven en de snelheid.
1 Lage versnelling
Als u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt 2e versnelling ingeschakeld. Pas als de sn heid tot ca 50 km/uur afgenomen is, wordt 1e versnelling ingeschakeld.
N.B! Opschakelen uit de 1e versnelling g beurt niet!
Kies stand 1 als u in de 1e versnelling wilt den en niet wilt dat opschakelen plaats het b.v. bij het rijden in de bergen, als in stand het beste op de motor wordt afgeremd.
125 km/uur is de maximaal toegestane sn heid om stand 1 te mogen kiezen!
Automatische versnellingsbak

lokkeerinrichting keuzehendel
keuzehendel kan altijd vrij tussen de stan-
en D en 2 bewogen worden, terwijl de overige
anden een blokkeerinrichting hebben die met
druktoets op de knop van de keuzehendel
diend kan worden.
por met de handpalm licht op de druktoets drukken kan de hendel moeiteloos in de anden N, D, 2 en 1 gezet worden.
3 de druktoets geheel ingedrukt wordt, kunn bovendien de standen R en P ingeschalld worden. Dit is ook nodig om de hendel uit stand P te brengen.
Als de druktoets geheel ingedrukt is, kan de keuzehendel dus moeiteloos in alle standen van de versnellingsbak gezet worden.

Overdrive
In principe werkt de overdrive als een vierde versnelling van de versnellingsbak. Bij het rijden op buitenwegen schakelt de overdrive bij accelereren automatisch in.
Met de drukknop aan de zijkant van de versnellingshendel wordt de overdrive „geblokkeerd“, d.w.z. wordt verhinderd dat de overdrive wordt ingeschakeld. Dan wordt als hoogste versnelling de 3e versnelling van de versnellingsbak gebruikt. Het controlelampje „OD OFF” brandt. Als nogmaals op de knop wordt gedrukt, wordt de overdrive weer ingeschakeld.
Automatische versnellingsbak
Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak
1 Zet de keuzehendel in stand P of N. (De motor mag in geen andere stand gestart worden.)
2 Start de motor op normale wijze met de contactsleutel.
3 Trek de handrem aan of druk licht op het rempedaal (anders gaat de auto langzaam rijden, als u de keuzehendel in een van de rijstanden zet).
4 Zet de keuzehendel in de gewenste rijstand.
5 Laat het rempedaal los en geef gas.
De auto wordt op de eenvoudigste manier stilgezet: laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal af. De keuzehendel behoeft niet aangeraakt te worden.
„Kick-down“
Als u bij een snelheid onder ca 120 km/uur hi gaspedaal helemaal intrapt, wordt onmiddell naar een lagere versnelling teruggeschakel („kick-down“-terugschakeling). Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling berei of als u het gaspedaal iets uit de „kick-down“ stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken als maximaal wilt accelereren, zoals b.v. bij in halen.
Blokkeer de overdrive, d.w.z. rijd met een brandend „OD OFF“-lampje b.v...
- bij het rijden met een caravan of andere aanhanger
- bij het rijden in heuvelachtig terrein
● als u met de hand naar de 3e versnelling wilt terugschakelen.
Probeer echter bij andere rij-omstandigheden zo veel mogelijk in de overdrive te rijden om zo min mogelijk brandstof te gebruiken.
Denk aan het volgende!
- De auto moet stilstaan als u stand P of R kiest!
- De motor moet met stationair toerental lopen als u stand D, 2, 1 of R kiest en de auto si staat!
- 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om tijdens het rijden stand 2 of 1 te mog kiezen.
Om aan te denken!
De lading en de plaats ervan beïnvloeden de rij-eigen- schappen
w auto heeft bij het opgegeven rijklaargeicht de neiging tot „onderstuur“. Daarom moet u bij het nemen van een bocht steeds meer stuuruitslag geven als de snelheid veroogd wordt. Hierdoor blijft de auto stabiel in e bocht en wordt de kans op uitbreken van dechterwielen kleiner. Denk erom, dat deze igenschappen kunnen veranderen als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder de lading elemaal achter in de bagageruimte is, des te minder is de auto onderstuurd.
lij-eigenschappen en banden
e banden zijn van groot belang voor de rijigenschappen van de auto. Het bandentype adiaalbanden), de maat en de bandenspanning zijn van belang voor het gedrag van de auto. Bij het vervangen van banden moet u rop letten dat u hetzelfde type en dezelfde laat (en liefst ook hetzelfde merk) krijgt als op alle vier wielen van de auto zat en volg de aanbevolen bandenspanning op (zie ag. 55.).
lijd niet met een open offerdeksel!
ij het rijden met een open kofferdeksel kan
amelijk een deel van de uitlaatgassen en dus
ok het giftige koolmonoxyde via de bagage-
limte in de auto gezogen worden.
Is u echter toch gedwongen bent om een
ukje met open kofferdeksel te rijden, moet
het volgende doen:
- Draai alle ramen dicht.
- Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op F/D of B/L (afhankelijk van het type verwarmingssysteem van de auto) en zet de aanjager op de hoogste snelheid 4.
Als u een imperiaal gebruikt
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn.
- Mag u tenhoogste 100 kg op de imperiaal laden.
- Moet de lading gelijkmatig over de imperiaal verdeeld worden. Laad niet scheef!
- Moet u de zwaarste lading onder leggen.
- Moet u erom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen als de auto zwaar geladen wordt.
- Moet u erom denken dat de auto meer wind vangt en dus het brandstofverbruik toe-neemt naarmate de lading groter is.
- Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten!
- Moet u soepel rijden! Vermijd sterk accele-
reren, sterk afremmen en het nemen van
scherpe bochten.
- Moet u de imperiaal verwijderen als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op overhitting van het koelsysteem.
Dit geldt met name op warme dagen als...
...u lang met volgas en een hoog motortoe-
rental tegen steile hellingen op rijdt met een
aanhanger.
...de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
...de motor onmiddellijk afgezet wordt als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken” genoemd).
Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen:
- Verminder de snelheid als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
● Laat de motor niet onnodig stationair lopen.
- Zet de motor niet onmiddellijk af als u snel gereden heeft. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen!
Als de motor desondanks te warm wordt, d.w.z. als de temperatuur herhaaldelijk in het rode gebied komt of erin blijft, moet u het volgende doen:
- Zet de airconditioning af.
- Zet de auto stil en zet de versnellingshendel (keuzehendel) in de neutrale stand (stand N). Laat de motor lopen!
Verhoog het motortoerental tot ca 2000 omw/min, d.w.z. tweemaal het stationaire toerental.
- Controleer het koelvloeistofpeil in de expansietank zonder de dop te verwijderen; zie pag. 84. Als koelvloeistof bijgevuld moet worden, moet de dop voorzichtig losgeschroefd worden, zodat de druk in het systeem wegvalt voordat de dop weggenomen wordt. Vul koelvloeistof bij volgens de instructies van pag. 90.
- Controleer de spanning van de V-riemen; zie pag. 91.
Slepen

natural_image
Close-up of a car's side panel showing a hand inserting a component into the wheel, with a red arrow indicating the process (no text or symbols visible)
Sleepoog, vóór

natural_image
Side view of a vehicle's front bumper with a red arrow pointing to a specific area (no visible text or symbols)
Sleepoog, achter
Als u moet worden gesleept, moet u aan het volgende denken!
- Zet het stuurslot los, want dan kan gestuurd worden!
- Denk aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid.
- Denk erom dat de voetrem en de stuurbekrachtiging niet werken als de motor stilstaat! U moet ongeveer vier maal zo hard op het rempedaal trappen en het sturen gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
● Rijd soepel! Houd de sleepkabel gespannen om onnodige rukken te voorkomen.
Speciaal voor een automatische versnellingsbak
- De keuzehendel moet in stand N staan, de versnellingsbak moet goed afgesteld zijn en het oliepeil moet juist zijn (zie pag. 87).
- De maximaal toegestane snelheid is 20 km/uur. De langste toegestane af te leggen afstand is 30 km.
- De motor mag niet door aanslepen gestart worden! Zie voor hulpstarten de volgende pagina.
Motor door aanslepen starter
N.B! Auto's met een automatische versne lingsbak mogen niet aangesleept worden!
Als de accu ontladen is, moet een hulpaccu gebruikt worden (zie de volgende pagina).
Auto's met een handgeschakelde versne
lingsbak
Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig.
Zet het contact aan.
Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat h
koppelingspedaal voorzichtig opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in als de mot
loopt!
Starten met hulpaccu

WAARSCHUWING!
Denk eraan dat accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiële sehade toe te brengen.
'o moet u met een hulpaccu starten
Is de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang i krijgen stroom „lenen“ van een losse accu of van de accu van een andere auto. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u het onerstaande nauwkeurig op te volgen:
Controleer of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft.
Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet raken.
Sluit het ene uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (1) van de hulpaccu (met rood, P of + gemerkt). Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpogingen geen vonken ontstaan.
Sluit het andere uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (2) van de ontladen accu.
Sluit het ene uiteinde van de zwarte kabel aan op de minpool (3) van de hulpaccu (met blauw, N of – gemerkt).
- Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel ergens (aarding) bij de auto die gestart moet worden op een afstand van de accu aan, b.v. de massakabel tussen de motor en de carrosserie (4).
- Start de motor van de „hulpauto”. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen.
- Start de motor van de auto met de ontladen accu.
N.B! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen!
- Maak de kabels in precies de omgekeerde volgorde als bij het aansluiten weer los.
Om bij de remmen aan te denken
Als een remcircuit defect raakt

gaat het waarschuwingslampje branden.
Het rempedaal pakt iets lager en voelt wat zachter dan normaal aan.
Merk echter op dat u niet merkbaar harder op het rempedaal moet trappen om de normale remwerking te krijgen!
Een defect remcircuit blijkt dus niet uit een verhoogde pedaaldruk.
Als het waarschuwingslampje gaat branden, moet u naar een garage rijden en het rem- systeem laten controleren.
Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden.
Trap af en toe licht op het rempedaal als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig weer.
Denk erom dat de remmen nog zwaarder won den belast als u met een caravan/aanhange rijdt.
De rembekrachtiger werkt alleen als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor rolt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.
Het rempedaal voelt stug en hard aan.
Als de remmen zeer zwaar belast worden
Bij het rijden in bergterrein of op andere wegen met dergelijke hoogteverschillen worden de remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal. Omdat bovendien vaak de snelheid laag is, worden de remmen niet zo effectief gekoeld als bij het rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet onnodig zwaar te belasten moet u in plaats van alleen maar de voetrem te gebruiken terugschakelen en dezelfde versnelling gebruiken als bij het klimmen. Dit is bij auto's met automatische versnellingsbak stand 2 of eventueel stand 1. Op deze manier wordt effectiever op de motor afgeremd en behoeft de voetrem telkens maar kort gebruikt te worden.

natural_image
Close-up of a mechanical brake assembly with visible caliper and housing (no text or symbols)
Voorwielrem
Rijden met caravan (aanhanger)
it moeten caravaneigenaars lezen!
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn!
Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door
Volvo geconstrueerde trekhaken zijn voor uw auto „op maat gemaakt“ en een Volvo-garage kan deze aanbrengen.
Denk erom dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
Als u een auto met een automatische versnellingsbak heeft, adviseren wij u om gelijktijdig met het aanbrengen van de trekhaak ook een „extra oliekoeler“ te laten aanbrengen, d.w.z. een extra oliekoeler voor de versnellingsbakolie. Daarmee wordt de temperatuur van de versnellingsbakolie normaal gehouden, ook al rijdt u met een zware aanhanger in heuvelachtig terrein.
(Bepaalde auto's hebben deze extra oliekoeler al bij aflevering. Controleer met uw dealer of u een dergelijke auto heeft.)
Deze aanhangergewichten kunnen maximaal toegestaan worden: Maximaal 908 kg (2000 lbs) in landen met een warm klimaat. Maximaal 1500 kg in de overige landen.
Toelaatbaar is 1600 kg als u voorzichtig rijdt – tenhoogste 70 km/uur. Voor warme landen moet de auto de extra oliekoeler voor de automatische versnellingsbak hebben.
Denk erom dat de stroomvoorziening voor de aanhanger niet overal op de elektrische installatie van de auto kan worden aangesloten. Dit komt, omdat het waarschuwingslampje voor een defecte gloeilamp op een speciale manier geschakeld is.
Als een Volvo inklapbare trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren.
Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de trekhaak van de auto 65–75 kg is.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden.
Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
Rijd niet met een zware aanhanger als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee tot de auto tenminste 1000 km heeft gelopen.
● Laat nooit de koppeling onnodig slippen!
Anders kan de koppeling oververhit worden. Dit is met name van belang als u in heuvelachtig terrein rijdt en vaak stilstaat en weer gaat rijden.
- Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
- Op grotere hoogten is de luchtdruk lager, waardoor het motorvermogen lager en dus ook het trekvermogen slechter dan normaal is.
Speciale wenken voor eigenaars van een auto met een automatische versnellingsbak
- Kies stand 1 van de versnellingsbak als u op steile hellingen of langzaam rijdt. Op deze manier verhindert u dat de versnellingsbak op-schakelt en wordt de versnellingsbakolie kouder. Op bergwegen met lange maar niet zo steile hellingen kan stand 2 gekozen worden.
- Bij het afdelen van lange, steile hellingen moet stand 1 gekozen worden (of stand 2 bij het afdalen van minder steile hellingen). Zo wordt de beste afremming op de motor verkregen.
- Houd de auto op een helling niet met het gaspedaal stil, maar gebruik hiervoor de rem. Dan wordt voorkomen dat de versnellingsbakolie onnodig heet wordt.
- „Blokkeer“ de overdrive, d.w.z. druk de knop op de keuzehendelknop in (het controlelampje OD OFF in het instrumentenpaneel gaat branden). De overdrive wordt dan niet ingeschakeld.
- Ververs om de 40 000 km de versnellingsbakolie als u bij zware omstandigheden rijdt; zie pag. 87.
Wintertijd
Als het koud begint te worden
Als u zelf uw auto wilt nakijken om onnodige moeilijkheden in het koude jaargetijde te voorkomen, moet u aan het volgende denken:
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glykolgehalte ca 50% is overeenkomende met ca 5 liter Volvo anti-vries type C (blauwgroen). Zie voor het verversen van koelvloeistof pag. 90.
- Om geen condenswater in de benzinetank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden.
Gebruik bovendien regelmatig carburateurvloeistof die in de tank gegoten moet worden, voordat u benzine tankt.
\- Gebruik de juiste motorolie om startmoeilijkheden te voorkomen. Zie de aanbevolen olies op pag. 85.
\- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accupolen met een roestwerend middel.
\- Parkeer de auto niet met aangetrokken handrem, als het vriest. Schakel dan de 1e of achteruitversnelling in (stand P bij auto's met automatische versnellingsbak) en blokkeer liefst de wielen.
\- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruitewissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden. Dit is van belang, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en koplampen komt, waardoor de sproeiers en wissers vaak gebruikt moeten worden. Met Volvo sproeiervloeistof moeten de volgende mengverhoudingen gebruikt worden:
Tussen +5°C en ±0°C = 0,8 liter sproeiervloeistof
Tussen ±0°C en -5°C = 1,4 liter sproeiervloeistof
Tussen -5°C en -10°C = 2,0 liter sproeiervloeistof
Tussen -10°C en -15°C = 2,5 liter sproeiervloeistof
Tussen -15°C en -20°C = 3,0 liter sproeiervloeistof
met 0,5 liter meer voor elke 5°C.
\- Om bevroren sloten (van portieren en kofferdeksel) te voorkomen moet u de sloten tijdig met een vorstbestendig middel „smeren”.

natural_image
Side profile of a black sedan parked in front of a modern building with glass windows and warm lighting (no visible text or symbols)
Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volvo-garage helemaal laten controleren.
Het is altijd goed om tijdig vóór de reis een set van de meest noodzakelijke service-onderdelen (gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisserbladen) aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets. Bij hem kunt u ook het boekje „Volvo in Europa" krijgen waarin staat waar de Volvo-dealers en Volvo-garages zijn. Nuttig om te weten als er iets gebeurt.
Als u zelf de auto wilt nakijken, adviseren wij het volgende te doen:
- Controleer of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal is.
- Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelvloeistof of benzine.
- Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versleten V-riemen vervangen.
- Controleer de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden.
- Laat de remmen, de wieluitlijning en de stuurinrichting controleren.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- In veel landen is een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannië of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
- Bij reizen naar landen, waar benzine met het juiste octaangetal moeilijk te krijgen is, kan de motor enigszins aangepast worden. Bespreek dit met de Volvo-garage.

natural_image
Side view of a classic sedan parked in a forested area (no visible text or symbols)
Langdurig niet gebruiken
Hier zijn adviezen als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden, b.v. in verband met een buitenlandse reis of als u de auto 's winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvoudige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen als u de de auto weer wilt gaan gebruiken.
- Vul de benzinetank helemaal, zodat er geen kans op condenswater in de tank is.
- Was de auto heel goed en zet deze in goede autowas. Bescherm verchroomde onderdelen met een daarvoor bestemd middel.
- Zet de auto in een garage die droog en goed geventileerd is.
● Laat de handrem los.
- Controleer of er geen stroomverbruikers aanstaan, b.v. de verlichting, de radio, de binnenverlichting, de motorruimte- en bagageruimteverlichting. Natuurlijk blijft het klokje lopen, maar dit vraagt zo weinig stroom dat dit te verwaarlozen is. Eventueel kan de zekering voor het klokje (zekering nr 5) verwijderd worden (zie pag. 67).
- Klap de ruitewissers en koplampwissers naar voren om te voorkomen dat de rubberwisserbladen op de voorruit en de koplampen gaan vastzitten.
- Zet een raam wat open om de auto te ventileren.
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ vorst bestand is. De antivries van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toevoegingen die de motor en de radiator beschermen.
- Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af.
- Controleer af en toe de bandenspanning.
- Controleer ongeveer elke zeven weken de ladingstoestand van de accu.

natural_image
Side view of a beige sedan parked on a cobblestone pavement (no visible text or symbols)
Vielen en banden – belangrijk voor de ij-eigenschappen van le auto!
ees daarom de volgende pagina's nauw-
eurig door. De goede rij-eigenschappen van
e auto kunnen opvallend veranderen als u
v. slordig bent met de bandenspanning.
algemeen 53
slijtagewaarschuwing 54
speciale wielen 54
porbeelden van bandenslijtage 55
bandenspanning 55

natural_image
Side profile of a silver sedan with a visible wheel rim, parked in a garage (no text or symbols)
Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is uw auto met 6×15" wielen en 195/60 HR 15 banden uitgerust.
Deze cijfers betekenen dat de wielen 6 inch breed en 15 inch in diameter zijn. De bandencodering betekent het volgende:
195 is de sectiebreedte in mm.
60 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent,
H zegt dat de band tegen een snelheid van 210 km/uur\* bestand is
R betekent radiaalband en
15 is de binnendiameter van de band in inch.
U moet er bij het vervangen van banden goed op letten dat u op alle vier wielen hetzelfde type (radiaalband), dezelfde maat (codering) en liefst ook hetzelfde merk krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
S = maximumsnelheid 180 km/uur
V = maximumsnelheid boven 210 km/uur.
Wielen en banden
De banden hebben een „slijtage-waarschuwing”
De slijtagewaarschuwing bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die een 1½ mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is dat nog maar 1½ mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom dat banden met zo weinig profieldiepte bij regen en sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
- Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan dat snel rijden de banden sterk doet slijten.
- Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning.
Balanceer de wielen zo nodig.
- Pas op de banden als u de auto bij een trottoirrand parkeert.
„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool“, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschil- lende bandentypen vertonen deze „ochtendzool“ in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de „ochtendzool“ verdwijnt.
Winterbanden, spijkerbanden, Sneeuwkettingen
Als winterbanden kunnen gebruikt worden banden die op de origine wielen van de auto gemonteerd worden (vraag uw Volvo-dealer c advies voor geschikte banden) of ook 14"-banden, die gemontee zijn op Volvo's uit de 240- of 260-serie. Geschikte bandenmaten z dan 175 SR 14 of 185/70 SR 14.
Spijkerbanden moeten voorzichtig en rustig „ingereden“ worden, z dat de spijkers zich goed in de banden kunnen zetten. Daardoor woi de levensduur van de banden en met name van de spijkers verlengd Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in dezelfde richti draaien. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen aan dezelf kant als daarvoor laten zitten.
Sneeuwkettingen kunnen, als-zij fijne schakels hebben en niet zov- ten opzichte van de band uitsteken dat zij tegen de remklauwen andere onderdelen kunen aanlopen, op de achterwielen van de au aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben door Volvo goedg keurde en geconstrueerde sneeuwkettingen.
N.B! Met sneeuwkettingen mag noolt sneller dan 60 km/uur gered worden!
Rijd nooit onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de sneeu
kettingen en banden dan zeer snel slijten.
Snel te monteren kettingen met losse schakels mogen niet gebruik worden, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen da voor te klein is.
WAARSCHUWING!
Speciale wielen
De enige goedgekeurde „speciale wielen“ voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmetalen wielen die door Volvo-dealers verkocht worden.
Bandenspanning Bandenslijtage
e bandenspanning is belangrijk!
introleer telkens bij het tanken de bandenspanning! De juiste span-
ng staat in de tabel hiernaast.
het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rijjenschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de nden meer. Denk eraan dat de waarden van de tabel voor koude nden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden rm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het ntroleren van warme banden geen lucht laten ontsnappen. De bannspanning moet wel verhoogd worden als deze te laag is.
or warme banden gelden, af handelijk van de temperatuur, 10-kPa (1,5-4 psi) hogere waarden.
Bandenspanning, koude banden, kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden pounds/square inch (psi).
Bandenmaat 1-3 personen Vollast Voor Achter Voor Achter 195/60 HR 15 190 (27) 190 (27) 210 (30) 230 (32) Reserveband „Special Spare” 280 (40) 280 (40) 280 (40) 280 (40)
Als lang en snel gereden wordt (langer dan een uur boven 120 km/uur) moet de bandenspanning met 30 kPa verhoogd worden. N.B! Dit geldt niet voor de reserveband „Special Spare“. Deze band moet altijd een spanning van 280 kPa hebben.
borbeelden van verschillende soorten bandenslijtage

'age spanning

Te hoge spanning

natural_image
Diagram of a gear meshing with zigzag teeth pattern (no text or symbols)
Verkeerd toespoor

Onbalans

Slijtageprofiel
vóór, normale
slijtage
Als er iets gebeurt...
Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u met de auto iets krijgt dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz.
In dit hoofdstuk worden behandeld:
wielen verwisselen 57
gloeilampen vervangen 60
zekeringen vervangen 65
lokaliseren van storingen 68
wisserbladen vervangen 70

enk bij het wielen verwisselen aan het ølgende!
u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op banden aantekenen waar het wiel zat, b.v. LV = links vóór, enz. ing ook recht tegenover elkaar verfstippen aan, een op het wiel en i op de naaf, zodat u precies weet hoe het wiel op de naaf zat. Als eze moeite neemt, behoeft u de wielen niet meer te balanceren als en weer monteert.
Reservewiel „Special Spare“
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Special Spare“ genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
De band heeft de codering 175 H 146 PR. Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen.
De spanning van deze band moet 280 kPa (2,8 kg/cm²) zijn, engeacht de lading in de auto en waar het wiel op de auto zit.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserve-wiel eventjes te gebruiken als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om dat deze band, tezamen met de normale andere banden, de rij-eigenschappen iets kan veranderen, b.v. een zekere spoorgevoeligheid geven.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een „Special Spare" reservewiel gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen de maximumsnelheid van de auto bestand.
Wiel verwisselen

natural_image
Close-up of a car tire being cleaned with a tool, no visible text or symbols

natural_image
Close-up of a car tire being adjusted for a wrench, with a magnified inset showing the tool (no text or symbols visible)
Wiel verwisselen
Het reservewiel ligt onder de mat op de vloer van de bagageruimte. De krik met de slinger sit tegen de achterwand van de bagageruimte en de gereedschapsdooz zit tegen de wand rechts in de bagageruimte.
Verwijder het wiel als volgt:
\- Trek de handrem aan en schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak – stand P bij een auto met een automatische versnellingsbak. Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant.
- Verwijder de naafdop met de schroeverdraaier uit de gereedschap doos.
- Draai de wielmoeren met de pijpsleutel een 1/2–1 slag los. De mo ren moeten door linksom te draaien losgedraaid worden; zie de beelding.

natural_image
Person kneeling beside a car tire with a mechanical clamp attached (no visible text or symbols)

natural_image
Diagram of a red clamp or tool interacting with a gray surface, no text or symbols present
Breng de krik aan bij het wiel dat omhooggebracht moet worden. Er zit bij elk wiel een kriksteun. Breng de arm van de krik in de steun aan; zie de afbeelding.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel vrijkomt.
Verwijder de wielmoeren en neem het wiel af. Pas op en beschadig de schroefdraad van de wielmoeren niet.
WAARSCHUWING!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan.
- Kruip nooit onder de auto als deze op de krik staat.
- Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is bokken gezet worden.
- Trek de handrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling of de achteruit in - stand P bij een automatische versnellingsbak.
- Blokker de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor stevige houtblokken of grote stenen.
- De bout en het tandsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd zijn.
Wielen aanbrengen
Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon.
- Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren vast. N.BI De conische kant van de wielmoeren moet naar het wiel gekeerd worden; zie de rechter afbeelding op pag. 58.
- Laat de auto zakken en haal de moeren kruiselings aan. Aanhaalmoment 85 Nm (8,5 kgm).
- Breng de naafdop aan.
Gloeilamp vervangen


Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen van beide koplampen moeten vanuit de motorruimte vervangen worden.
Doe het volgende:
● Schakel de verlichting uit.
- Open de motorkap.
- Buig de klemveren, waarmee het plastic deksel vastzit, opzij en verwijder het deksel.
- Trek de connector los.
Druk de verende ring in en draai deze iets linksom.
- Verwijder de gloeilamp.
\- Breng de nieuwe gloeilamp aan volgens de tekening. De gloeilamp heeft drie pasnokken en deze zijn asymmetrisch a gebracht, waardoor de gloeilamp maar op een manier goed zit.
N.B! Pak de gloellamp nooit met de vingers aan het glas beet. Vel olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zef zich op de reflector af waardoor deze snel slecht wordt.
Gloeilamp Vermogen Fitting (type) Groot/dimlicht 60/55 W H4
Gloeilamp vervangen

natural_image
Close-up of a mechanical or electrical component with visible wiring and components (no readable text or symbols)
rkeerlicht Richtingsaanwijzer

loeilamp in een hoeklicht vóór vervangen
gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen wor-
Schakel de verlichting uit en zet het contact af.
Laat de connector met draden aan de fitting zitten.
Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp.
Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom te draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het hoeklicht. N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de andere is en in de breedste uitsparing in het gat moet passen!
Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloeilamp licht geeft.
Gloeilampen Vermogen Fitting Parkeerlicht 5 W BA15s Richtingsaanwijzer 21 W BA15s
Gloeilamp vervangen


Gloeilamp in een achterlicht vervangen
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagageruimte vervangen worden.
Doe het volgende:
● Schakel de verlichting uit en zet het contact af.
- Schroef de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaag. De afdekkap zit aan de onderkant vast.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom en maak deze los.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en een paar mm linksom te draaien.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan.
N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de belde andere is. Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor de fitting passen.
Draai de fitting rechtsom vast.
Controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vas
Gloellampen (linker kant) Vermogen Fitting 1 Reflector - - 2 Achteruitrijlicht 21 W BA 15s 3 Richtingaanwijzer 21 W BA 15s 4 Remlicht* 21 W BA 15s 5 Achterlicht 5 W BA 15s 6 Achterlicht/remlicht 5/21 W BAY 15d
' In bepaalde landen mistachterlamp.
Gloeilamp vervangen

natural_image
Hand inserting a red object into a car seat cover (no text or symbols visible)
loeilamp in de kenteken- laatverlichting vervangen
hakel de verlichting uit en zet het contact
Trek de lamphouder volgens de pijl naar
hteren, totdat deze aan de voorkant loslaat.
rvang de gloeilamp.
introleer of de pakking goed ligt en pas de nphouder in de voorkant van het gat en druk t achterste deel met de hand omhoog zodat weer vastzit.

natural_image
Close-up of a hand using a tool to test a small electronic component on a perforated surface (no visible text or symbols)
Gloeilamp van de motor- ruimte vervangen
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilamp Vermogen Fitting Motorruimte-verlichting 10 W SV8,5

natural_image
Close-up of a car's side panel showing a metallic grille and handle (no text or symbols visible)
Gloeilamp van de bagage- ruimte vervangen
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilamp Vermogen Fitting Bagageruimte-verlichting 10 W SV8,5
peilamp Vermogen Fitting ntekenplaat-richting 4 W BA 9s
Gloeilamp vervangen

natural_image
Hand holding a car seatbelt with a red bookmark (no text or symbols visible)

natural_image
Cross-sectional diagram of a mechanical device showing internal components and fluid paths (no text or labels)
Leeslampjes
Plafond-verlichting
Gloeilamp van de plafondverlichting en leeslampjes vervangen
Pak het voorste deel van de lamp vast (zie de afbeelding) en trek de lamp recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng de lamphouder weer aan.
Gloeilamp
Vermogen
Fitting
Plafondverlichting
10 W
S8,5-8
Leeslampjes
5 W
W2.1×9.5d
Gloeilamp vervangen Zekeringen


loeilamp in de mistlamp/verstraler ervangen
1ai de kruiskopschroeven los.
"wijder de schroeven en de „hoekstukken” en trek de reflector naar en/buiten. Breng de veren die de gloeilamp vasthouden uit elkaar buig deze omhoog.
ik de connector van de draad naar de gloeilamp los en breng een
uwe gloeilamp aan.
eng alle onderdelen in de omgekeerde volgorde als bij het verwij- en aan. Denk om de tekst TOP op het lampeglas! Deze moet aan de /enkant zitten.
3! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beetl en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en ten zich op de reflector af; deze wordt dan snel slecht.
ellamp
:tlamp, verstraler
Vermogen
55 W
Fitting (type)
H3
Kapotte zekering vervangen
Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos vóór het asbakje in de tunnelconsole.
Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen:
- Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag en licht het asbakje uit.
- Druk de druktoets (met de tekst „electrical fuses – press 📋") van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en verwijder de houder.
U ziet nu de 22 zekeringen in twee series zitten. Misschlen zien de zekeringen er voor u niet gewoon uit: die komt omdat zij van een nieuw, beter en nauwkeuriger type dan vroeger zijn.
Zekeringen

De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zij doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst van de volgende pagina kijken om te weten welke zekering gecontroleerd moet worden.
Voor degene die vinden dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn, is een „tangetje“ gemaakt dat rechts aan de zijkant van de zekeringenruimte aangebracht is. Pak met dit tangetje het bovenste deel van de zekering vast en trek deze recht omhoog. Houd de tang vast volgens de afbeelding, dan kunt u de zekering niet laten vallen.

Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de geboge draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met di zelfde kleur en ampère-aanduiding als de oude aan (het cijfer sta op de zekering)! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zek ringenkastje, een 15, een 25 en een 30 ampère zekering.
Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er le met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor contro naar een Volvo-garage.
Zekeringen
Zekering-codering Zekering-codering 1 Centrale vergrendeling, groot-lichtsignaal waarschuwings-knipperlichten 15 12 Sigare-aansteker, elektrisch bediende buitenspiegels, radio 15 2 Brandstofpomp 25 13 Claxons, ruitewissers/-sproeiers,koplampwissers/-sproeiers 25 3 Verstralers, mistlampen 15 14 Kachelaanjager 30 4 Remlichten 15 15 Brandstofpomp (in de tank) 15 5 Verlichting handschoenenkastje,klokje, radio, motorruimteverlichting,binnenverlichting, bagageruimtever-lichting, elektrisch bediende antenne,waarschuwingslampje portieren 15 16 Mistachterlamp 15 17 Grootlicht links 15 18 Grootlicht rechts, verstraler 15 19 Dimlicht links 15 20 Dimlicht rechts 15 6 Elektrische ventilator 25 21 Verlichting asbakje, instrumenten- endashboardverlichting, linker parkeer-licht achter en vóór, kentekenplaat-verlichting, waarschuwingszoemer 7 Elektrisch bediende raam-mechanismen 30 8 Richtingsaanwijzers, overdrive 15 9 Elektrische achterruitverwarming,elektrisch bediend schuifdak 30 22 Verlichting autogordels, rechterparkeerlicht achter en vóór, opbergvakachter de handrem, mistlampen 15 10 Elektrisch verwarmde voorstoelen,brandstofinjectie, controlelampjeautogordels, instrumenten, achteruit-rijlichten, waarschuwingslampjeoliepeil 25 R Reservezekeringen 11 Dagrijlichten, kachelaanjager, air-conditioning, cruise control, regel-eenheid (automatisch verwarmings-systeem) 25 Als u in het bedradingsschema met o.a. de werking en plaatsing van derelais geinteresseerd bent, raden wij u ons Servicehandboek aan. Ditkunt u bij uw Volvo-dealer bestellen. 67
Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat niet aan (de startmotor draait de motor niet met normaal toerental rond of de startmotor werkt helemaal niet)
De accu is slecht geladen of geheel ontladen.
Slecht contact bij de aansluitingen van de accu of de startmotor.
Defect in de startmotor.
Defect in het contactslot.
Laat de accu opladen of plaats een nieuwe accu.
Eventueel kan de auto door slepen of met een hulpaccu gestart worden.
(Zoek de oorzaak voor het ontladen van de accu op.)
Maak de poolschoenen en alle aansluitingen goed schoon en zet hen goed vast.
Breng de auto voor reparatie naar een Volvo-garage.
De motor slaat niet aan (ook al draait de startmotor de motor met normaal toerental rond)
Er komt geen benzine.
Er zit water of vuil in de benzine.
Defect in de ontsteking.
Controleer of er benzine in de tank zit en er benzine tot bij de motor komt.
Controleer of de zekeringen nr 2, 10 en 15 heel zijn (zie pag. 67). Deze zekeringen beveiligen de componenten van de brandstof-inspuiting.
Laat de benzine aftappen en de benzinetank schoonmaken.
Controleer de bougies (elektrode-afstand, barstjes, e.d.).
Controleer de stroomverdelerkap op barstjes en andere beschadigingen.
Controleer van alle kabels van de ontsteking of deze goed aangesloten en schoon zijn.
Controleer de bobine.
Defect in het injectiesysteem.
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
Lokaliseren van storingen
'ermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat over en loopt bij alle toerentallen onregelmatig
efect in de ontsteking
effect in het injectiesysteem.
Controleer de bougies op hun uiterlijk en toestand.
Controleer de stroomverdelerkap.
Controleer de kabels van de ontsteking.
Controleer de bobine.
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
De motor slaat bij hoge toerentallen over
effect in de bougies.
affect in het injectiesysteem.
Controleer de bougies.
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
De motor trekt niet goed
erstopt luchtfilter.
erstopt brandstofffilter.
)utief afgestelde ontsteking.
Controleer het luchtfilter.
Vervang het brandstofffilter.
Controleer de afstelling.
Hoog brandstofverbruik
et brandstofsysteem lekt.
echte bougies.
iutief afgestelde ontsteking.
erstopt luchtfilter.
fect in het injectiesysteem.
Dicht eventuele lekken.
Controleer de bougies en vervang deze zo nodig.
Stel de ontsteking goed af.
Controleer het luchtfilter en vervang dit zo nodig.
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen

natural_image
Diagram showing a mechanical device with a red arrow pointing downward, no text or symbols present

natural_image
Diagram of a mechanical device with a red arrow indicating downward motion, no text or symbols present
Ruitewissers vervangen
Klap de hele wisserarm naar voren/boven. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm met een vinger in.
Trek het wisserblad los.
Schuif het nieuwe wisserblad op en controleer of het goed vastzit!
Voor uw eigen veiligheid en die van andere verkeersdeelnemers moeten de ruitewisserbladen vervangen worden, als deze strepen op de ruit achterlaten en deze dus niet meer goed schoon wissen.
Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisserblad naar buiten los. Druk het nieuwe wisserblad zo vast dat het goed pakt. N.B! Het langste deel van het wisserblad moet naar het midden van de auto wijzen.
Carrosserie-onderhoud - niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
roestwerende behandeling, controleren en bijwerken 72
lakbeschadigingen,
controleren en bijwerken 74
auto wassen 76
bekleding reinigen 78
Roestwerende behandeling
Roestwerende behandeling – controleren ei bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een zeer nauwkeurige en voll dige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onders en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gesp ten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en geslot secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof.
Wat kun u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende b handeling in goede staat te houden?
Wel, er zijn vooral twee zeer effectieve methods:
- Houd de auto schoon! Spoel het onderstel, de wielkuipen en spatschermranden onder hoge druk schoon.
- Laat de roestwerende behandeling regelmatig controleren en wa nodig bijwerken.
De „onzichtbare” roestwerende behandeling
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling (in balken, holle ruimt en gesloten secties) moet voor de eerste maal na tenhoogste drie ja en daarna tenminste om het jaar vernieuwd worden.
Denk eraan dat deze plaatsen voor het verkrijgen van een perfresultaat moeten worden ingespoten in een bedrijf met goede e vernevelapparatuur en de juiste sproeiers. Vraag uw Volvo-garage advies.
Roestwerende behandeling
e „zichtbare“ roestwerende behandeling
„zichtbare“ roestwerende behandeling moet regelmatig gecontro- erd en zo nodig bijgewerkt worden, tenminste één maal per jaar. Als roestwerende behandeling ergens bijgewerkt moet worden, moet u onmiddellijk laten doen om te voorkomen dat vocht onder de roest- rende laag komt.
bij te werken plaats moet achter schoon en droog zijn! De auto moet s goed afgespoeld, gewassen en drooggemaakt worden. Gebruik n roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwaste . Een gewone drukoliekan met een lange en liefst buigzame tuit is stekend geschikt om bij nauwe plaatsen te kunnen komen.
zij drie verschillende types roestwerend middel:
een dun (type ML) voor balken, holle ruimten en gesloten secties
een dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen
een dik voor slijtplekken van het onderstel en van de wielkuipen.
rmoedelijke plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn
Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype b)
Onderstel en wielkuipen (vloeistoftype c)
Gefelste randen van de motorkap (vloeistoftype b) Portierscharnieren (vloeistoftype b).
Motorkapscharnieren en -slot (vloeistoftype b.
de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel
t een lap die met terpentine bevochtigd is, verwijderd worden.

Bijwerken van lakbeschadigingen
Lakbeschadigingen bijwerken
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk worden behandeld om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn:
- Kleine steenslagplekken en krassen.
- Afbladderende spatschermranden en drempels b.v.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.

natural_image
Illustration of a medical procedure showing a tool interacting with a circular object (no text or symbols present)

natural_image
Illustration of a brush applying paint to a circular object with a brush tip, against a pink background (no text or symbols)
Kleine steenslagplekken en krassen
Lakkleurcode
Let erop dat u de juiste lakkleur heeft. Controleer dit met het codenummer voor de Jakkleur dat op het typeplaatje op het rechter binnenscherm in de motorruimte staat.

Lakkleurcode
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfate-ringsmiddel) – tube of bus.
- Grondlak – bus.
- Lak – bus of zogenaamde lakpen (in de dop van de lakpen zit ook wat polijstpasta voor nabehandelen)
- Pennemesje of iets dergelijks.
- Penseel.
Als de steenslagplek niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan de lak direct opgebracht worden, als vuil weggeschraapt is.
Als de steenslagplek tot de plaat doorg drongen is, moet u het volgende doen:
1 Schraap het beschadigde oppervlak tot de plaat schoon en schuin de lakranden m b.v. een pennemesje af (zie afbeelding 1).
2 Breng het roestverwijderingsmiddel (de om ogen en huid) met een penseel of wacht een paar minuten en spoel dan go met water af.
3 Roer de grondlak (de primer) goed om breng deze met een fijn penseeltje of n een lucifer op (afbeelding 2).
4 Als de grondlak goed droog is, kan de eir lak met een penseel opgebracht wordt Roer de lak goed om en breng deze daar enkele malen dun op en laat de lak dat tussen goed drogen.
Bijwerken van lakbeschadigingen

natural_image
Illustration of a sewing machine needle cutting fabric, with a ruler partially visible below (no text or symbols)

Bij krassen doet u zoals hierboven beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak af te plakken (zie afbeelding 3).
Wacht een paar dagen met de nabehandeling. In de dop van de lakpen zit polijstpasta om de bijgewerkte plaatsen te polijsten. Gebruik een zachte doek en wees zuinig met de polijstpasta.
Bijwerken van afbladderende spatschermranden en drempels
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
- Grondlak - spuitbus
Lak-spuitbus
- Polijstpapier (korrelfijnheid 150–300).
● Thinner
Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is.
1 Verwijder loszittende bladders.
2 Schuur het beschadigde vlak schoon en reinig het met thinner.
3 Breng het roestverwijderingsmiddel (denk om ogen en huid) met een penseel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af.
Maak het vlak goed droog!
4 Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten moet u de spuitbus met gelijkmatige snelheid op een afstand van 20-30 cm van het vlak heen en weer bewegen; zie de afbeelding bescherm de omringende vlakken met karton.
5 Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit een paar maal en laat de lak daartussen een paar minuten drogen.
Wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, om- dat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken.
Op de volgende manier kunt u de auto wassen:
- Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spat-schermranden, enz.) zorgvuldig af.
- Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is.
- Was de auto met een spons (met of zonder wasmiddel) en veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren.
- Spoel daarna de auto met schoon water goed na, met name als een koudvettingsmiddel gebruikt is.
- Droog de auto af met een schone zachte zeem.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoschampoo) of 50–100 cm³ gewoon vloeibaar af-wasmiddel op 10 liter water.
Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden (gebruik nooit polijstpasta of staalwol). Roestvrijstalen onderdelen kunnen met een chroompoetsmiddel gereinigd worden.
WAARSCHUWING!
Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat vocht van de remvoeringen kan verdwijnen!
N.B! Bij het wassen moet u de aftapgaten in de portieren en de drier pels telkens goed schoonmaken om te voorkomen dat deze door mo der en vuil verstopt raken.

natural_image
Side view of a car's front bumper with red arrows indicating motion or force vectors (no text or symbols present)
Aftapgaten
Automatisch wassen Cleanen In de was zetten
automatische wasinrichting – snel en envoudig, maar...
et een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig hoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat de meeste automa- che wasinrichtingen de auto niet zo effectief en voorzichtig wassen u zelf met de hand met spons en water doet. Normaal wordt het onderstel van de auto in de meeste wasautomaten niet afgespoeld, rwijl dit met name in de winter van groot belang is.
et erop, dat eventuele extra uitrusting (extra koplampen, buitenspieis, antennes) goed vastzitten, want anders bestaat er kans dat de erstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Schroef v. liefst de antenne los als dit eenvoudig te doen is.
j het wassen in een automatische wasinrichting met borstels moet u
armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de
plampen leggen.
I wordt verhinderd dat de borstels de armen pakken en het wisserechanisme beschadigen.
B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale and te brengen als het wassen klaar is.
as uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels!
as uw auto de eerste zes maanden liefst niet in een automatische isinrichting (omdat de lak dan nog niet hard genoeg is).
enk eraan, dat wassen in een automatische wasinrichting wassen
at de hand nooit kan vervangen!
Cleanen en in de was zetten
U moet de auto cleanen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en als u de lak een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter.
Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gecleaned te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat cleanen en/of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Moeilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak ("rubbing") verwijderd worden.
Polijst eerst met polish en zet de auto daarna met vloeibare of vaste was in de was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was. Bij uw Volvo-dealer is originele Volvo polish en was verkrijgbaar.
Bekleding reinigen
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt. Vermijd schuren en schrobben met een harde borstel. Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zij ingedroogd zijn. De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of weggeschuurd worden.
Ontvlekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90%-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammonlak-zeep-oplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt met 1 dl zeepwater gemengd (zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen).
Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoeveelheden perchloorethyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Perchloorethyleen-benzine moet niet voor vochtige materialen gebruikt worden. Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden.
Spiritus
Terpentine
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat perchloorethyleendampen erg giftig zijn. Let erop dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden.
Denk er ook om dat wasbenzine, spiritus en terpentine brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlekken zo snel mogelijk.
Verwijder het grootste deel van de viek met een bot mes of iets dergi- lijks.
Zuig van de vlek zo veel mogelijk met schone witte doeken op. Stofzu rondom de vlekken, zodat omringend vuil niet oplost.
Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolger het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herha de behandeling tot de vlekken verdwenen zijn.
Denk aan het volgende:
- Bij verfvlekken (b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift) moet heel voor zichtig gewerkt worden met het ontvlekkingsmiddel, omdat o kleurstof in de vlek opgelost kan worden en de vlek daardoor grote wordt.
- Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kan het schuimplastic in de zitting beschadigen.
- Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Vlekken op leer en vinylbekleding behandeler
Krab of wrijf nooit op een vlek.
Gebruik noplt sterke ontvlekkingsmiddelen.
Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpentine iets dergelijks gebruiken.
Reinig daarna met een zwakke zeepoplossing en lauw water.
Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft u Volvo-garage gaarne alle inlichtingen.
Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat. En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom over:
Volvo Service 80
om aan te denken! 81
de motorruimte 83
motorolie, controleren en verversen 84
versnellingsbakolie, achtersolie,
peil controleren 86
stuurbekrachtiging, koppeling,
remmen, vloeistofpeil controleren 88
carrosseriesmering 89
koelvloeistof
controleren en vervangen 90
V-riemen, controleren 91
Volvo Service
Deze inspectie moet uw auto krijgen
Voordat u uw auto in ontvangst nam, heeft deze twee inspecties gehad. De eerste werd in de fabriek uitgevoerd en de tweede was de afleveringsinspectie die door uw Volvo-dealer volgens de instructies van de Volvo-fabrieken werd uitgevoerd.
De garantie-inspectie moet de auto na 1000-2000 km krijgen. Breng de auto liefst naar de dealer die de auto geleverd heeft. Bij de garantie-inspectie worden veel controles uitgevoerd, terwijl ook de olie in de motor, de versnellingsbak en de achterasoverbrenging ververst worden.
Preventief onderhoud
De verzorging van uw auto door Volvo eindigt niet met de garantie-inspectie. Volvo heeft een serviceprogramma ontwikkeld met regelmatige controle- en onderhoudsmaatregelen die nodig zijn om tussen de inspectiebeurten de verkeers- en bedrijfszekerheid van de auto te behouden.
Het serviceprogramma van Volvo is flexibel en houdt rekening met milieu- en klimaatomstandigheden, wettelijke bepalingen, enz. Dit betekent ook dat van land tot land bepaalde variaties kunnen voorkomen met betrekking tot de inhoud en de intervallen van de inspecties. Alle inspectie-intervallen zijn op normaal autogebruik berekend. Als u van mening bent dat uw rijstijl meer dan normaal van de auto vergt, moet u passende service-intervallen met uw dealer bespreken. Dan kunt u ook aan de weet komen welke maatregelen tot het programma behoren.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van onze garantievoorwaarden stellen wij als absolute eis dat genoemde garantie-inspectiebeurt wordt uitgevoerd bij ongeveer de juiste kilometerstand en dat de auto overeenkomstig de instructies van deze handleiding is onderhouden, dat b.v. de voorgeschreven olieverversingen en de 1000 km inspectiebeurten bij de juiste kilometerstand worden uitgevoerd en ook dat reparaties en inspectiebuerten bij een erkende Volvo-garage zijn uitgevoerd.
Servicehandboeken – voor u met uw technische belangstelling
Als u meer over de constructie wilt weten dan in deze handleidi verteld kan worden en als u nauwkeurige informatie over afstelling en reparaties wilt hebben, moet u Volvo Servicehandboeken hebb Dit zijn dezelfde boeken als in Volvo-garages gebruikt worden er kunt deze via uw Volvo-dealer of rechtstreeks van Volvo betrekken
Denk eraan dat...
- onderhoud nodig is om de auto in een verkeers- en bedrijfszek toestand te houden.
- uitgesteld onderhoud de kans op een grotere uitstoot van milkingevaarlijke uitlaatgassen meebrengt.
- onderhoud het eenvoudigst en best bij een Volvo-garage uitgevolkan worden. Deze heeft voor het merk gespecialiseerd person met speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur.
- elke onderhoudsbeurt wordt afgesloten met een stempel in garantie/serviceboekje. Een „goed-gestempeld” garantie/servi-boekje verhoogt de tweedehandswaarde van de auto.
enk aan het volgende, voordat u aan uw auto gaat werken:
w auto heeft een wisselstroomdynamo!
j werkzaamheden aan de elektrische installatie moet u aan het vol-
ende denken, omdat u anders kostbare en tijdrovende reparaties aan
dynamo krijgt.
Overtuig u ervan dat de accukabels goed aangesloten zijn en stevig vastzitten.
Als bij het starten een hulpaccu gebruikt wordt, moet de +pool aan de +pool en de -pool aan de massa aangesloten worden.
Maak nooit een accukabel los bij draaiende motor (b.v. bij het vervangen van een accu).
Maak bij elektrisch lassen eerst de massakabel van de accu en daarna alle kabels naar de dynamo los.
Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgemaakt zijn. Snelladers mogen als hulp bij het starten gebruikt worden, maar zij moeten uitgeschakeld zijn, als de kabels aangebracht en verwijderd worden.
jectiesysteem van de motor
s bij alle werkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem ervoor dat geen vuil in het systeem komt.
erkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem moet u overlaten n een Volvo-garage die de juiste apparatuur heeft.
」to opkrikken
de auto met een brug met hefarmen of met een garagekrik om- oggebracht wordt, moeten de vier opkrikpunten (twee aan elke
nt, zie de afbeelding) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel spe-
al versterkt.
gebruik van een garagekrik kan deze ook onder het gegoten achter-
luis of onder de vooras midden tussen de voorwielen aangebracht
rden.
dit laatste geval dient de afschermplaat onder de motor verwijderd

natural_image
Side view of a silver sedan with two red arrows pointing to the side (no text or symbols)
te worden. Let erop dat de krik goed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de krik afglijdt.
Gebruik altijd bokken of iets dergelijks,
WAARSCHUWING!
- De krik moet op een vaste, horizontale ondergrond staan.
- Kruip nooit onder de auto, als deze op de krik staat!
- Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden.
- Trek de handrem aan, schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak – stand P bij een automatische versnellingsbak.
- Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor grote houtblokken of stenen.

bar
| Category | Value |
|---|---|
| Red Square | 82 |
| Typeplaatje
? Oliepeilstok, automatische
versnellingsbak
3 Reservoir voor rem-/koppelingsvloeistof
Brandstofffilter
; Expansietank, koelsysteem
; Accu
'Oliepeilstok, motor
Bijvullen, motorolie
1) Oliereservoir, stuur-
bekrachtiging
1 Luchtfilter
Vloeistofreservoir, ruite-/koplampsproeiers

Motorolie
Oliepeil altijd bij het tanken controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut nadat de motor afgezet is. Veeg vóór de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het kader van de peilstok liggen. De afstand tussen het merkteken MAX en MIN van de peilstof is ca 2 liter.
Eventueel olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagin De biivuldop moet recht omhooggetrokken worden.
Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt - 6 ^1/2 liter a gelijktijdig het oliefilter vervangen wordt en anders 6 liter, komt h oliepeil ongeveer in het midden van het kader van de peilstok te ligge
d.w.z. midden tussen de merkt
kens MAX en MIN hetgeen gehe
normaal is. Vul niet met teveel oli
dan wordt het olieverbruik hoge

Motorolie aftappen
U kunt bij de aftapplug komen via een gat in de voorste afschermplaat van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is.
WAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!
Oliefilter vervangen bij olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg. Als het oliefilter vervang wordt zonder dat de olie ververst wordt, moet 1/2 liter motorolie t gevuld worden.
liekwaliteit:
olgens API Service SE-CC
API Service SF-CC
nthetische of halfsynthetische olies mogen gebruikt worden als deze aan bovenstaande
^2 I-normen voldoen.
B! Olies met de codering SE-CD mogen niet gebruikt worden.
iscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| Speed (W) | Temperature (°C) |
|---|---|
| 0W/30 | -22 |
| 10W/30 | -4 |
| 10W/40 | -10 |
| 15W/50 | 14 |
| 20W/50 | 32 |
| 30 | 10 |
| 40 | 20 |
| 86 | 68 |
| 104 | 86 |
| 40 | 40 |
The chart displays a single red bar at -30°C to 40°C with a scale of 104 °F. The bars are ordered from left to right based on their temperature ranges.
extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur of een abnormaal hoog everbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij er snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/50 of SAE 20 W/50 motorolie aangeraden, nk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze olles!
Olie-inhoud: zonder oliefilter 6,0 liter met oliefilter 6,5 liter
Controleer altijd bij het tanken het ollepell. Ververs de olie tenminste elke 10 000 km of tenminste één maal per jaar (tijdens het inrijden ook bij de garantie-inspectie, nadat de eerste 1000–2000 km gereden zijn.
Als u bij bijzonder ongunstige omstandlgheden rijdt, zoals b.v. bij hoge bultentemperaturen, bij het rijden met een aanhanger, bij het rijden op steile hellingen, bij het snel afleggen van grote afstanden, bij langdurig stationair lopen, bij veel rijden van korte afstanden bij koud weer, moet de olie elke 5000 km of tenminste één maal per half jaar ververst worden.
Versnellingsbakolie (handgeschakelde versnellingsbak) Achterasolie

Handgeschakelde versnellingsbak
Het oliepeil moet tot aan de peil/bijvulplug staan. De versnellingsbak en de overdrive worden met dezelfde olie gesmeerd. Indien nodig, moet via het peil/bijvulgat olie bijgevuld worden. Wacht totdat u ziet dat de olie naar de overdrive kan overlopen.
Oliekwaliteit: ATF-olie type F of G bij alle temperaturen.
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt.
Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 1000-2000 km.

Achterasoverbrenging
De olie moet tot aan de peilplug staan. Indien nodig, moet via het p
gat olie bijgevuld worden.
Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C), SAE 90 of SAE 80 W/9
Oliepell controleren: bij elke inspectiebeurt.
Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 100 2000 km.
Versnellingsbakolie (automatische versnellingsbak)

natural_image
Close-up of an automotive engine bay with visible hoses and a red arrow pointing to a component (no text or symbols)

A Koude versnellingsbakolie - olietemperatuur +40°C. Deze temperatuur wordt na ca 10 minuten stationair lopen in de garage of werkplaats bereikt. Bij een olietemperatuur onder +40°C kan het peil onder het MIN-streepje liggen.
B Warme versnellingsbakolie - olietemperatuur +90°C. Deze temperatuur wordt in ca 30 minuten bij snel rijden op buitenwegen bereikt. Bij een olietemperatuur boven +90°C kan het peil boven het MAX-streepje liggen.
N.B! Bij oliepeilcontroles moet de motor stationair lopen!
utomatische versnellingsbak
het controleren van het oliepell moet u het
gende doen:
t de auto horizontaal en laat de motor statloir lopen. Breng de keuzehendel via alle ver-ellingen in stand P. Wacht twee minuten en entroleer het oliepeil. Op bovenstaande ening is zichtbaar dat de peilstok een pude" en een „warme" kant heeft. Het olie- I moet tussen de streepjes MAX en MIN gen. Veeg de peilstok af met een nylonlap, bier of zeemleer of met een lap die geen ten op de peilstok achterlaat. N.B! De olie- erg heet zijn!
Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de streepjes MAX en MIN is een halve liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie eruit gooien. Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet als deze nog koud is.
Oliekwaliteit: ATF-olie type G (of F) bij alle temperaturen.
Ollepeil controleren: bij elke inspectiebeurt, maar tenminste elk half jaar.
Olie verversen behoeft normaal niet. Maar bij auto's die vaak met een aanhanger rijden of op andere manier zwaar belast worden, moet de olie elke 40 000 km ververst worden.
WAARSCHUWING!
Mors nooit olie op de hete uitlaatpijpen!
Brandgevaar!
Stuurbekrachtigingsvloeistof Rem- en koppelingsvloeistof

Stuurbekrachtigingsvloeistof
Het peil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. De hoeveelheid tussen deze streepjes is 0,2 liter.
Oliekwaliteit: ATF-olie.
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen behoeft niet.
Remvloeistof, koppelingsvloeistof
De rem- en koppelingsvloeistof hebben tezamen een reservoir. Het moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen.
Vloeistoftype: remvloeistof DOT4 (of SAE J 1703).
Vloeistofpell controleren: altijd bij het tanken.
Vloelstof verversen: om de 3 jaar
N.B! Bij auto's waarmee zo gereden wordt dat de remmen vaak zwaar gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen, moet vloeistof elk jaar ververst worden. Dit verversen behoort niet tot e inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een spectiebeurt bij een Volvo-garage te laten doen.
Carrosseriesmering


'ortieruitstellers
Smeerplaats (aantal) Smeer-middel Nr Smeerplaats (aantal) Smeer-middel Smeer de carrosserie een of meer malen per jaar; dan voorkomt u piepen en onnodige slij-tage. Motorkapslot (1) Paraffine 7 Raammechanismen (4) Olie, vet Motorkapscharnieren (2) Olie Sluitingen (binnenkant portieren) (4) Siliconen-vet N.B! Portieruitstellers (4) Olie In de wintermaanden moeten ook de sloten van de portieren en het kofferdeksel met een middel dat vastvriezen voorkomt (slotenolie) Windscherm, schuifdak (1) Olie 8 Rails (4) en blokkeer-inrichtingen (2) Olie Portiersloten, buitenste glijvlakken (4) Paraffine 9 Sleutelgaten (2) Slotenolie behandeld worden. Slotje kofferdeksel (1) Olie 10 Sluitplaten (4) Paraffine Sleutelgat (1) Slotenolie
Koelvloeistof

Koelvloeistof altijd bij het tanken controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Schroef, als de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ontsnappen.
Koelvloeistof om de 3 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Verwijder de dop van de expansietank (voorzichtig als de motor warm is).
2 Zet van het verwarmingssysteem de TEMP-bediening op maximale warmte – WARM. Draai de kranen aan weerskanten van het motorblok open.
3 Maak de onderste slang los bij de radiator.
Vullen
4 Draai de kranen dicht en bevestig de slang volgens 2 en 3 hierboven.
5 Vul de expansietank tot het MAX-streepje nog iets verder.
6 Laat de motor warmdraaien en controleer het koelsysteem niet lekt en vul dan weer t het MAX-streepje met koelvloelstof.
Samenstelling van de koelvloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebru het gehele jaar een mengsel van 50% Voh anti-vrles, type C (blauwgroen) en 50% wate N.B! De motor is van een aluminiumlegerij gemaakt zodat het belangrijk is om Volvo an vries te gebruiken. Deze heeft een bijzond goede corroslewerende werking! Verschille de koelvloeistoffen mogen niet met elkaar g mengd worden!
Door de anti-vries wordt in de zomer corrosion en in de winter ook ijsvorming voorkomen. A de auto nieuw is, is het koelsysteem gevu met koelvloeistof die tegen -35°C kan. Inhoud van het koelsysteem: ca 10 liter.
Koelvloelstofpeil controleren: altijd bij h
tanken.
Koelvloeistof verversen: om de 3 jaar in herfst, als het koelsysteem voor 50 % m Volvo anti-vries, type C en voor 50 % met wat gevuld is.
Als het koelsysteem met een andere anti-vri gevuld is, moet deze vaker ververst wordt b.v. om het jaar in de herfst.
V-riemen (ventilatorriemen)


Ventilatorriemen en V-riemen voor de stuur- bekrachtiging en airconditioning
Riem 1 en 2 Ventilator, dynamo en waterpomp
Riem 3 Stuurbekrachtiging
Riem 4 Airconditioning
Laat een Volvo-garage de riemen afstellen en vervangen
Door de plaats van de riemen kan het erg lastig zijn om zelf een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit daarom aan een Volvo-garage over. Riem 1 en 2 moeten altijd als stel vervangen worden!

natural_image
Simple line drawing of a pulley system with three wheels and an arrow indicating direction (no text or symbols)
Riemspanning controleren
De riemen moeten met normale kracht in het midden 5–10 mm ingedrukt kunnen worden. Als de riemen kortgeleden vervangen zijn, moet de spanning na 1000–2000 km gecontroleerd en eventueel afgesteld worden.
Toestand van de riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vuile riemen kunnen de oorzaak zijn van een slechte koeling en dynamovermogen en ook van een slecht werkende stuurbekrachtiging en airconditioning,
Specifications
Specificaties en technische gegevens
Nieuwe eenheden
In het onderstaande hoofdstuk van de handleiding worden voor de specificaties de nieuwe SI-eenheden gebruikt. De oude eenheden zijn tussen haakjes vermeld. De in de handleiding gebruikte nieuwe eenheden zijn:
kW - kilowatt als eenheid van vermogen
oude eenheid pk (paardekracht)
100 kW = ca 136 pk
Nm - neuwtonmeter als eenheid van koppel oude eenheid kgm (kilogrammeter)
100 Nm = ca 10 kgm
r/s - omwentelingen per seconde
oude eenheid t/min (omwentelingen per minuut)
100 r/s = 6000 t/min
kPa - kilopascal
(druk van vloeistoffen, gassen)
oude eenheid kg/cm²
100 kPa = ca 1 kg/cm²
Maten en gewichten
Lengte 479
Breedte 176
Hoogte 144
Wielbasis 277
Spoorbreedte, vóór 146
Spoorbreedte, achter 146
Draaicirkel 9.9
Rijklaargewicht (afhankelijk van de uitvoering) 1305-1330
Toegestane belasting (excl. de bestuurder)\* 490-515
Totaalgewicht 1820
Maximumasdruk, voor 930
Maximumasdruk, achter 930
Maximumdakbelasting 100
Maximumaanhanger-
gewicht (normaal klimaat) 1500
(warm klimaat) 908
Zie ook pag.
\* De toegestane maximumasdruk mag nooit ov schreden worden!
ype-aanduidingen
alle contacten met uw Volvo-dealer over de to en bij het bestellen van service-onderlen en accessoires kan het gemakkelijk zijn u de type-aanduiding, het chassisnummer het motornummer van de auto kent.
Type- en modeljaaraanduiding en chassis-nummer
Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op de achterwand van de bagageruimte.
Type-aanduiding, toegestane maximum-gewichten en codenummers voor lakkleur en bekleding
Plaatje op het rechter binnenscherm.
Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer van de motor
Aan de linker kant van de motor.
Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer
a handgeschakelde versnellingsbak: aan de onderkant.
\- automatische versnellingsbak: aan de linker kant.
Overbrengingsverhouding, onderdeel- en
labricagenummer van de achteras
Sticker op het linker deel van de achteras.
Serviceplaatje
Plaatje in de bagageruimte op de afdekplaat onder de achterruit, aan de rechter kant.

Smeermiddelen
Motor
Oliekwaliteit: Volgens API Service { SE-CC
SF-CC
Synthetische en halfsynthetische olies mogen gebruikt worden als zij aan bovenstaande API-normen voldoen.
N.B! Olies met de codering SE-CD mogen niet gebruikt worden.
Olie-inhoud: excl. oliefilter 6,0 liter incl. oliefilter 6,5 liter
Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olie-temperatuur en een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/50 of SAE 20 W/50 motorolie aangeraden.
Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze olies!
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| Speed (W) | Value |
|---|---|
| 0W/30 | -22 |
| 5W/30 | -4 |
| 10W/30 | 14 |
| 10W/40 | 32 |
| 15W/50 | 68 |
| 20W/50 | 86 |
| 30 | 104 |
The chart displays a single red circle at -30°, indicating a reference point. The bars are ordered rightward, showing that higher wind speeds correspond to higher SAE values. The legend is implicit in the color coding: red for lower SAE, white for higher SAE. The x-axis represents the SAE value in degrees Celsius.
Versnellingsbak
Oliekwaliteit: ATF-olie, type F of G (handgeschakeld)
ATF-olie, type G (eventueel F) (automaat)
Olie-inhoud: { Handgeschakeld 2,3 lit
Automaat 7,5 liter
Achteras
Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C)
SAE 90 of 80 W/90
Olie-inhoud: 1,6 liter
Stuurbekrachtiging
Oliekwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: 1,2 liter
Remvloeistof en koppelingsvloeistof
Vloeistoftype: Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703)
Vloeistofinhoud: ca 0,4 liter
Iotor
atergekoelde benzinemotor.
cilinder V-motor waarbij de cilinders onder een hoek van 90° aan.
et motorblok is van aluminium en is voorzien van verwisselbare
itte, gietijzeren cilindervoeringen.
a lichtmetalen cilinderkop heeft gescheiden in- en uitlaatkana-
n.
vee bovenliggende nokkenassen, één aan iedere kant.
3 smering wordt verzorgd door een tandwielpomp die door de ukas wordt aangedreven.
et oliefilter is van het full-flow type.
andstofsysteem met brandstofinspuiting.
at koelsysteem is een gesloten overdruksysteem.
ype-aanduiding
irmogen, DIN
oppel, DIN
linderaantal
linderdiameter
aglengte
linderinhoud
ompressieverhouding
epspeling, koude motor
inlaatkleppen
uitlaatkleppen
B28E
115 kW bij 95 r/s
(156 pk bij 5700 omw/min)
235 Nm bij 50 r/s
(24,0 kgm bij 3000 omw/min)
6
91 mm
73 mm
2,85 dm³ (2,85 liter)
9,5:1
0.10-0.15 mm
0,25–0,30 mm
Koelsysteem
Type
Thermostaat gaat open bij
Ventilatorriem
Gesloten, overdruk
92°C
HC-38-1100 (2 st)
Brandstofsysteem
Brandstofinspuiting
volgens CI-systeem.
Ontsteking
Ontstekingsvolgorde
Ontstekingstijdstip.
stroboscoopafstelling
(vacuümregelaar losgenomen)
Bougies\*\*
1-6-3-5-2-4
10°+2° vóór B.D.P. bij 12-13 r/s
(700-800 omw/min)
Volvo setnr 273541-3
(Champion BN9Y\*)
0.6-0.7 mm
12±2 Nm (1,2÷0,2 kgm)
Rechtsom
\* of dienovereenkomstig
\*\*mogen niet worden verwijderd als de motor warm is.
Specifications
Transmissie
Volautomatische versnellingsbak (AW 71), bestaande uit een hydraulische koppelormvormer met planetaire versnellingsbak. In bepaalde landen als alternatief een handgeschakelde, geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak (M46) met overdrive. Enkelvoudige, hydraulisch bediende koppeling.
Versnellingsbak
Type-aanduiding M46 AW71 Overbrengingsverhouding 1e versnelling 4,03:1 2,45:1 2e versnelling 2,16:1 1,45:1 3e versnelling 1,37:1 1:1 4e versnelling 1:1 - overdrive 0,79:1 0,69:1 achteruit 3,68:1 2,21:1
Achteras
Overbrengingsverhouding 3,54:1
Snelheid in km/uur bij 17 r/s (1000 omw/min
Versnellingsbak M46 Achterasoverbrenging 3,54:1 1e versnelling 8 2e versnelling 16 3e versnelling 24 4e versnelling 34 overdrive 42 achteras 9
Denk erom dat deze waarden afgerond zijn. Zij kunnen in de prakti iets afwijken als gevolg van de bandenmaat, -spanning en -slijtage
Aanbevolen minimum- en maximumsnelheden, km/uur
Motor Versnellingsbak 1e 2e 3e 4e B28E, M46 0–50 20–80 35–130 45-*
\* Circa 70 km/uur met ingeschakelde overdrive.
Specifications
lektrische installatie
-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Impolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is op het chassis aangesloten.
vanning 12 volt cu, capaciteit 55 Ah elektrolyt, s.g. 1,28 moet worden geladen bij 1,21 namo, maximumvermogen 980 W maximumstroomsterkte 70 A artmotor, vermogen 1,1 kW (1,5 pk)
if dienovereenkomstig
peilampen, 12 V Vermogen Fitting Aantal plampen 60/55 W H4 2 rstralers of mistlampen 55 W H3 2 rkeerlichten, vóór 21/5 W(32/3 CP) BAY 15 d 2 shtingaanwijzers, vóór 21 W BA 15 s 2 achter 21 W BA 15 s 2
Gloeilampen, 12 V Vermogen Fitting Aantal Achterlichten 5 W BA 15 s 2 Remlichten 21 W BA 15 s 2 Remlichten/achterlichten (bepaalde landen) 21/5 W BAY 15 d 2 Achteruitrijlichten 21 W BA 15 s 2 Mistachterlamp(en) 21 W BA 15 s 1 of 2 Kentekenplaatverlichting 5 W W 2,1×9,5 d 2 Waarschuwingslamp, portieren 3 W W 2,1×9,5 d 4 Plafondverlichting 10 W SV8,5 1 Leeslampjes, vóór 5 W W 2,1×9,5 d 2 achter 5 W W 2,1×9,5 d 2 Motorruimteverlichting 10 W SV8,5 1 Bagageruimteverlichting 10 W SV8,5 1 Handschoenenkastje, verlichting 2 W BA 9 s 1 Instrumentenverlichting 3 W W 2,1×9,5 d 2 Verlichting, bedieningspaneel 1,2 W W 2×4,6 d 12 automatische versnellingsbak 1,2 W W 2×4,6 d 1 asbakje achter 1,2 W W 2×4,6 d 1 autogordelsluiting 1,2 W W 2×4,6 d 1 Waarschuwingslampje, laadstroom 1,2 W * 1 oliedruk 1,2 W * 1 handrem 1,2 W * 1 defect remcircuit 1,2 W * 1 defecte gloeilamp 1,2 W * 1 Controlelampje,‘ autogordels, achterbank 2 W BA 9 s 2 richtingaanwijzers 1,2 W * 1 grootlicht 1,2 W * 1 overdrive 1,2 W ^ 1 waarschuwingsknipperlichten elektrische achterruit- verwarming 1,2 W * 1 mistachterlamp 1,2 W * 1 motoroliepeil 1,2 W * 1 sproeiervloeistof 1,2 W * 1 autogordels vóór 1,2 W * 1
Specifications
Voortrein
Voorwielophanging van het type MacPherson.
De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd.
Stuurinrichting met tandheugel.
De stuurkolomas is van het veiligheidstype.
De afstelwaarden gelden – bij de velg opgemeten – voor een onbelaste auto, incl. brandstof, koelvloeistof en reservewiel.
Toespoor (Toe-in), op de velg opgemeten 3,5±1 mm
bij de zijkant band opgemeten 4,5±1 mm
Banden
Luchtdruk in kPa (kilopascal)
100 kPa (kilopascal) = 1 kg/cm²
Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden: pounds/square inch (psi).
Model Banden 1-3 personen Vollast Vóór Achter Vóór Achter 760 GLE 195/60 HR 15 190 (27) 190 (27) 210 (30) 230 (32) Reserveband „Special Spare“ 280 (40) 280 (40) 280 (40) 280 (40)
Bij langdurig zeer snel rijden (langer dan een uur boven 120 km/uur) moet de bandenspanning met 30 kPa (4 psi) verhoogd worden. Dit geldt niet voor de reserveband „Special Spare”.
Gereedschap

natural_image
Black toolbox containing various wrenches and screwdrivers (no visible text or labels)
Pijpsleutel voor wielmoeren en bougies. Hefboom voor de pijpsleutel
Kruiskopschroevedraaier/schroevedraaier Steeksleutels (2 st)
Inhoudsgegevens
Brandstoftank ca 66 liter Koelsysteem ca 10 liter Motorolie, incl. oliefilter 6,5 liter Versnellingsbakolie,4-bak met overdrive 2,3 liter automaat 7,5 liter Achterasolie 1,6 liter Stuurbekrachtiging 1,2 liter Reservoir spreiervloeistof 5,2 liter
Aantekeningen
Aantekeningen
Aantekeningen
Alfabetische inhoudsopgave
Accu 97
Achteras, olie 86, 94
Achterklep 33
Achterlichten 62
Achterruit, elektrische verwarming ..... 16
Achteruitkijkspiegels 26
Achteruitrijlichten 62,97
Achteruitvergrendeling 41
Aftapgaten 76
Aftapkraan, koelyloeistof 90
Aftapplug, achterasolie 86
motorolie 84
versnellingsbakolie 86
Airconditioning 19-23
Als iets gebeurt 56
Anti-bevriezingsvloeistof 90
Anti-verblindingshendel 11
Armleuning 36
Asbakjes 17
Autogordels 30
Automatisch wassen 77
Automatische versnellingsbak, rijden met 42
olie ... 87,94
Bagage, imperiaal 45
Bagageruimteverlichting 33
Bagageruimte 34
Banden 53
Bandenspanning 55
Bediening, verlichting 14
Bediening, verwarming en ventilatie ..... 19
Bedrijfsstoringen 68
Bekleding, reinigen 78
Benzine 37
Bestuurdersplaats 4
Bevroren sloten 50
Binnenverlichting 27
Blaasmonden 19
Bougies 95
Brandstof, bijvullen 37
Brandstof, zuinig zijn met 39
Brandstofmeter 6.7
Brandstofspecificaties 95
Brandstofsysteem 95
Brandstof 37
Buitenlandse reizen 51
Carburateur vloeistof 50
Carrosseriesmering 89
Carrosserie-onderhoud 71
Centrale vergrendeling 32, 33
Chassisnummer 93
Claxons 4
Cleanen 77
Combi-instrument 6.8
Contactsleutel 10
Contact- en stuurslot 10
Controlelampjes 8
Dagteller 6
Defroster 19-23
Draaicirkel 92
Dynamoriemen, spanning 91
Dynamo 81.97
Elektrisch bediende raammechanismen .. 18
Elektrisch verwarmde achterruit 16
stoel 16,28
Elektrische installatie 97
Elektrolyt, accu 97
Expansietank, koelsysteem 90
Frisse-luchtinlaat 19
Garagekrik 59,81
Garantie 80
Garantie-inspectie 80
Gegevens 92
Gereedschappen 98
Gevarendriehoek 34
Gewichten 92
Gloeilampen, gegevens
vervangen
Glycol
Grootlichtsignaal
Handrem
Hoogteverstelling, voorstoelen
Houder voor parkeerbiljetten ....
Hulpstartaccu
Identificatie
Imperiaal
In de was zetten
Inhoudsgegevens
Inrijden
Instrumenten en bediening ....
Instrumentenpaneel 6
Instrumentenverlichting
Instrumenten
Interieuronderdelen
Intervalstand, ruitewissers ....
Kentekenplaatverlichting 63,
Keuzehendel
Kick-down
Kilometerteller
Kinderen in de auto
Kinderveiligheidssloten
Kinderveiligheid
Kinderstoel
Klepspeling
Klokie
Knipperlichten
Koelsysteem
Koelyloeistof
Koelyloeistofpeil, controleren
Kofferdeksel
Koplampen 14.
Koplampen, gloeilamp vervangen ....
Koplampwissers
Alfabetische inhoudsopgave
ppelingsvloeistof 88
ppeling 96
ud starten 40
k 59
kkieurcode 74
kwerk, bijwerken 74
mpen, gegevens 97
mpen, vervangen 60
ngdurig niet gebruiken 52
nge lading 57
nge reizen, maatregelen .... 51
eslampjes 27
ge band 58
ndesteun 28
ngteverstelling, voorstoelen 28
chtbediening 14
:zhthendel 11
kaliseren van storingen 68
chtdruk, banden 55
latregelen, elektrische installatie ..... 81
lange reizen 51
wintertijd 50
aten en gewichten 92
iximumbelasting 92
stachterlampen 15,62,97
stlampen, gloeilamp vervangen ..... 65
schakelaar 15
stor, gegevens 95
olie verversen 84
oliepeil controleren 84
otorkap 35
otorkapsluiting 35
stornummer 93
otorolie 85,94
)torruimte 83
:taangetal 37
ie 94
Olie verversen, motor 84
Oliedruk 8,9
Oliefilter 84
Oliepeil, controleren 84
Oliepeilstok.
automatische versnellingsbak 87
motor 84
Olies 94
Omhoogbrengen auto 81
Onbalans in wielen 54
Onderhoud 71,79
Onderstelbehandeling 72
Onsteking 95
Opbergplaatsen 36
Opkrikken 81
Opkrikpunten 59,81
Overbrengingsverhouding, achteras ..... 96
versnellingsbak 96
Overdrive, automatische versnellingsbak 43
handgeschakelde versnellingsbak ..... 41
Parkeerlichten 14,61,62
Parkeerrem 17
Peilstok, motorolie 84
Portieren 32
Portierwaarschuwingslampjes 97
Presentatie 2
Profieldiepte, banden 54
Raammechanismen 18
Reinigen 78
Remmen 48
Remyloeistof 88,94
Reservewiel 57
Richtingaanwijzers 11
Rijden met aanhanger/caravan 49
imperiaal 45
Rij-eigenschappen 45
Rij-instructies 38
Roestwerende behandeling 72
Rolgordels 30
Rugleuning, verstellen 28
Ruitewisserblad, vervangen 70
Ruitewissers/-spoelers 12
Ruitesproeiers, afstellen 13
Schakelen 41,42
Schuifdak 16,27
Service 80
Serviceboekje 80
Sigare-aansteker 17
Sleepogen 46
Slepen 46
Sleutels 3
Sloten 32
Smeermiddelen 94
Smering, carrosserie 89
Sneeuwkettingen 54
Snelheidsmeter 6
Speciale velgen 54
Specifications 92
Spiegels 26
Spijkerbanden 54
Sproeiervloeistofreservoir 13
Starten met hulpstartaccu 47
Starten, motor 40
Steenslag 74
Stoelen 2
Stuurbekrachtiging 8
Stuureigenschappen 49
Stuurinrichting 98
Stuurslot 10
Tankdop 37
Technische gegevens 92
Temperatuurmeter 6
Toerenteller 6
Transmissie 96
Trekhaak 49
Typeplaatjes 93
Alfabetische inhoudsopgave
Type-aanduidingen 93
Veiligheidsgordels 30
Veiligheidsvergrendeling 32
Verlichting 14
Versnellingsbak, olies 94
standen 41,42
Verstralers, gloeilamp vervangen ..... 65
schakelaar 15
Vervangen, gloeilampen 60
koelvloeistof 90
wielen 58
wisserbladen 70
Verwarming en ventilatie 19-23
Vlekken verwijderen 78
Vloermatten, reinigen 78
Voetrem 48
Voorstoelen 28
Voorwieluitlijning 98
V-riemen 91
Waarschuwingsdriehoek 34
Waarschuwingsknipperlichten 11
Waarschuwingslampjes 8
Waarschuwingslampjes, defect remcircuit 8.9
Waarschuwingsprofiel, bandenslijtage 54,55
Wasautomeat 77
Wassen 76
Wiel verwisselen 58
Wielbalans 54, 55
Wielen en banden 53
Winterbanden 54
Wintertijd, maatregelen 50
Wisselstroomdynamo 81
Wisserbladen 70
Zekeringen 65
Zuinig rijden 39
Foerenteller
leze geeft het motortoerental in duizend mw/min aan. Bij het rijden mag u af en toe in et zwarte gebied tussen 5500 en 6000 komen, oals b.v. bij het accelereren en passeren. let rode gebied mag niet worden gebruikt.)agteller
eze wordt voor het opmeten van korte rijfstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft ectometers (100 meter) aan.(nop om de dagteller op nul e zetten
ruk de knop in om de dagteller op nul te etten.Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Tijdens het rijden moet de wijzer normaal in het zwarte gebied staan. Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvloeistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 90, 91. Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 45.Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is circa 66 liter. Het rode gebied komt met circa 8 liter overeen.Voltmeter
De voltmeter geeft de spanning van de elektrische installatie (= circa 12–15 volt) aan. Tijdens het rijden moet de wijzer binnen het zwarte gebied van de meter blijven. Als de wijzer tijdens het rijden in een van de rode gebieden komt, kan er een storing in de elektrische installatie zijn. Laat dit in een Volvowerkplaats controleren.Regelbare weerstand voor de instrumentenverlichting
Bij rechtsom draaien - de instrumentenverlichting wordt sterker Bij linksom draaien - de instrumentenverlichting wordt zwakkerControle- en waarschuwingslampjes
1 Linker richtingaanwijzer 2 Rechter richtingaanwijzer 3 Niet aangesloten 4 Te weinig motorolie 5 Niet aangesloten 6 Niet aangesloten 7 Niet aangesloten 8 Oliedruk te laag 9 Dynamo laadt niet bij 10 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde versnellingsbak) 11 Grootlicht brandt 12 Defect remcircuit 13 Handrem is aangetrokken 14 Defecte gloeilamp 15 Te weinig sproeiervloeistof (als het lampje brandt, zit er nog maar 1/2–1 liter sproeiervloeistof in het reservoir) 16 Niet aangesloten 17 Controlelampje autogordels 18 Overdrive uitgeschakeld (automatische versnellingsbak) Waarschuwingslampje, te weinig olie in de motor
Voer deze controle elke ochtend uit, voordat u de motor start – dit vergt maar enkele seconden. De auto moet vlak staan en het liefst moet de motor koud zijn! Draai de contact-sleutel in de rijstand zodat alle waarschu-wingslampjes gaan branden. Het opmeten moet in de eerste twee seconden gebeuren. Dan licht het lampje een of twee keren op. Als het oliepeil goed is, gaat het lampje daarna weer uit. Als het lampje blijft knipperen, is het oliepeil te laag! Controleer dan het oliepeil met de peilstok in de motor en vul olie bij. N.B! De controle mag alleen op deze manie gebeuren. Als de contactsleutel te lang ge draaid gehouden wordt en de motor aanslaa wordt het oliepell niet aangegeven. Als d motor enkele seconden heeft gelopen en d controle dan herhaald wordt, is de verkrege waarde foutief, omdat heel wat olie uit de oli pan in de motor opgepompt is.De rode en oranje waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
ij moeten echter gaan branden als u vóór het starten het contact aan- et. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor is aangeslagen, iosten alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje voor de handrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de handrem heeft losgezetet.Je dynamo laadt liet bij
et lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Is het lampje onder het rijden gaat branden, ter een storing in de elektrische installatie of jn de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie por de spanning van de ventilatorriem pagina 1. .B! Als de ventilatorriemen stukgaan of als de intilatorriem zo slecht gespannen is dat de namo niet bijlaadt, gaat niet alleen dit lamp- maar ook de waarschuwingslampjes 12, 13, en 15 branden. Dit komt door speciale wet- lijke voorschriften in bepaalde landen en is is heel normaal. Te lage oliedruk
Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 84, 85. Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normaal als het maar uitgaat als het motortoerental wordt opgevoerd. Een gloeilamp brandt niet
 Als het waarschuwingslampje gaat branden, is een van onderstaande gloeilampen uitgegaan: dimlicht achterlicht remlicht (als het lampje brandt bij ingetrapt rempedaal). Controleer de zekering en de gloeilamp. Zie voor het vervangen van gloeilampen pagina 60–65; voor het vervangen van zekeringen pagina 65–67. Als het waarschuwingslampje na het vervangen van een kapotte gloeilamp blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant van de auto worden vervangen.angetrokken andrem
t lampje brandt, als de handrem (parkeer-n) aangetrokken is. Defect remcircuit
Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt en het rempedaal iets lager dan normaal pakt, is een van de circuits van de voetrem buiten werking. Rijd voorzichtig met de auto naar een garage en laat de remmen controleren. Contact-/stuurslot
natural_image
Interior view of a vehicle's dashboard and steering wheel (no visible text or symbols)Contact- en stuurslot
Als de sleutel zwaar draait, komt dit doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker. Het contact/stuurslot heeft een zogenaamde „vergrendeling tegen opnieuw starten“. Dit houdt in dat als de motor niet aanslaat, de sleutei weer in de stand 0 moet worden gezet, voordat opnieuw gestart kan worden. 0 Vergrendelingsstand
Met het stuurslot wordt het stuur vergrendeld als u de sleutel uit het slot haalt. I Tussenstand
Bepaalde elektrische componenten (b.v. de kachelaanjager, de sigareaansteker) kunnen worden ingeschakeld. De ontsteking van de motor is niet ingeschakeld. II Rijstand
Dit is de stand van de sleutel onder het rijden. De gehele elektrische installatie van de auto is ingeschakeld. III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.Richtingaanwijzers Waarschuwingsknipperlichten
 natural_image
Interior view of a car dashboard with control panel and indicator lights (no readable text or symbols)natural_image
Interior view of a car dashboard with steering wheel and directional indicator (no readable text or symbols)ichtingaanwijzers, groot/dimlicht-schakelaar en 'ootlicht-,,signaal"
„Drukpuntsstand“
Bij bochten met een geringe stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug als het losgelaten wordt. Normale bochten3 Groot/dimlicht-schakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje naar het stuur en laat het weer los. De koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.3 Grootlicht-„signaal" (koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur (totdat een lichte weerstand gevoeld wordt. Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje weer losgelaten wordt. Als een gloeilamp in de richtingaanwijzers stukgegaan is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.Knipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt. Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.Ruitewissers Koplampwissers
 natural_image
Interior view of a car dashboard with steering wheel, dashboard display, and control panel (no visible text or symbols)Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers
1 Wissen met intervallen Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken elke 6 seconden ongeveer een slag. 2 „Drukpuntsstand“ Als u de wissers slechts een of een paar slagen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht worden en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand als het hendeltje losgelaten wordt. 3 Ruitewissers, normale snelheid 4 Ruitewissers, hoge snelheid 5 Ruitesproelers + koplampwissers/-sproelers Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en deze maken 2-3 slagen, nadat het hendeltjelosgelaten is. N.B! De koplampwissers hebben een bevei ging tegen overbelasting en deze brandt door als de wisserbladen b.v. door sneeuw of worden geblokkeerd. Doe het volgende, als dit het geval is: zet h contact af en verwijder de sneeuw of het i Zet daarna het contact weer aan. Na cir 2 minuten kunnen de koplampwissers we gebruikt worden.Ruitewissers Koplampwissers
 natural_image
Close-up of a mechanical device interior with a red arrow pointing to a component (no visible text or symbols)iproeiers afstellen
leek een speld in de sproeiers en draai deze > dat de stralen de voorruit raken zoals de 'beelding laat zien.Vloeistofreservoir
De ruite- en koplampwissers zijn op hetzelfde vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 5 liter. Gebruik in de winter een anti-bevrlezingsmiddel, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.Koplampen Parkeerlichten
 Koplampen en parkeerlichten
 Alle verlichting is uit.  Parkeerlichten (voor en achter) De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren, nooit onder het rijden, gebruikt worden.  Koplampen + parkeerlichten De koplampen moeten natuurlijk branden als in het donker op slecht verlichte wegen en in slecht verlichte straten gereden wordt. Als het bestuurdersportier geopend wordt, herinnert een zoemer eraan dat de parkeerlichten of de koplampen nog branden.Mistachterlampen Mistlampen
 Mistachterlamp bepaalde landen)
e mistachterlamp is aanzienlijk sterker dan et gewone achterlicht en wordt bij het rijden et zeer slecht zicht gebruikt. (De koplampen oeten branden, anders kan de mistachter- mp niet branden). en eraan dat: de wettelijke bepalingen voor et gebruik van een mistachterlamp van land t land verschillen.Mistlampen of verstralers
De mistlampen en verstralers kunnen niet aangezet worden, als het dimlicht brandt.Elektrische achterruitverwarming Elektrisch verwarmde stoelen
natural_image
Interior view of a vehicle dashboard with steering wheel, gauges, and control panel (no visible text or symbols)Elektrische achterruit-verwarming
Gebruik de elektrische achterruitverwarming om ijs en aanslag op de achterruit te verwijderen. Schakel de verwarming uit, als de ruit vrij van ijs en aanslag is om de elektrische installatie niet onnodig te belasten. Leg geen voorwerpen zo neer dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de ruit kunnen beschadigen. Wees bij het schoon- en droogmaken van de ruit voorzichtig om b.v. de draden niet met een ring te beschadigen. natural_image
Interior view of a car gear shift lever with a red arrow pointing to the left side (no visible text or symbols)Elektrisch verwarmde passagiersstoel
De beide voorstoelen hebben een elektrisch verwarmde zitting en rugleuning. De verwarming is met een thermostaat geregeld en wordt onder ca +15°C automatisch ingeschakeld en bij ca +30°C automatisch uitgeschakeld. Schakel de verwarming van de passagiersstoel uit met de schakelaar, als niemand op de stoel zit! De verwarming van de bestuurdersstoel kan niet uitgeschakeld worden. natural_image
Interior view of a car showing the dashboard and rear seats with red arrows indicating motion or movement (no text or symbols present)Elektrisch bediend schuifdak (extra uitrusting)
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak; te tweede kan de achterkant omhooggebracl worden in de zogenaamde "ventilatiestand Om het schuifdak dicht te doen moet u op andere kant van de sehakelaar drukken da waar mee het schuifdak geopend werd.Handrem Sigare-aansteker Asbakjes
natural_image
Interior view of a car showing the left side of the intake manifold with a red arrow pointing to a specific component, and a red 'P' label in the corner (no readable text or symbols beyond the label)landrem (parkeerrem)
a hendel zit tussen de voorstoelen. De handm werkt op de achterwielen. Als de handrem ingetrokken is, brandt het waarschuwingsmpje in het instrumentenpaneel. Als de indrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingeukt worden. ebruik bij parkeren altijd de handrem, want in blijft deze goed werken. natural_image
Interior view of a car's car intake canal with red measurement lines (no text or symbols visible)Sigare-aansteker
Druk de aansteker in, als deze moet worden gebruikt. Als hij warm genoeg geworden is (na ca 6–8 seconden), komt hij automatisch met een „klik” naar buiten. natural_image
Close-up of a mechanical component with visible internal structure and textured surface (no text or symbols)Asbakjes
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaage- drukt en het asbakje verwijderd worden.Elektrisch bediende raammechanismen
Elektrisch bediende raammechanismen
De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien. Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet het contact aan-staan. De ramen gaan omlaag als op het achterste deel van de schakelaar wordt gedrukt en zij gaan omhoog door op het voorste deel van de schakelaar te drukken. natural_image
Close-up of a computer control panel with a red arrow pointing to the button (no visible text or symbols)Vergrendeling voor de raammechanismen achter
Bij auto's met elektrisch bediende raammechanismen voor ook de achterportieren kunnen de raammechanismen vergendeld worden m de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel van het bestuursportier. ON - De ramen van de achterportieren kunnen met de schakela van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportier bediend worden. OFF - De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf h bestuurdersportier en dus niet met de schakelaars van d achterportieren bediend worden.Verwarming, ventilatie en airconditioning
 'erwarming en ventilatie
a airconditioning – er zijn drie varianten van is een gecombineerde verwarmings- en air-onditioninginstallatie. Al naar gewenst wordt, in warme of koude lucht met de bedienings-ganen van het dashboard naar de gewenste aats in de auto geleid worden. de afdekplaat onder de stuurkolom zit een aasmond die naar boven of beneden gericht geheel gesloten kan worden. Auto's met airconditioning hebben bovendien een inlaat voor frisse lucht bij de voetruimten van beide voorstoelen. Deze inlaten kunnen elk met een handgreep geopend of gesloten worden (naar voren = open, naar achteren = dicht).Blaasmonden
A Luchtstroom omhoog gericht B Dicht C Luchtstroom naar opzij gerichfVerwarmings- en ventilatiesysteem
De airconditioning is niet ingeschakeld ingeschakeld ingeschakeld Verwarmings- en ventilatiesysteem met airconditioning
1 Aanjager
1 = laagste snelheid 4 = hoogste snelheid De aanjager werkt altijd en kan niet geheel afgezet worden.2 Luchtverdeling (verwarmde of gekoelde lucht)
Luchtconditionering ingeschakeld
MAX geeft de snelste afkoeling. Gebruik deze stand als de auto in de zon heeft gestaan en erg warm is of als het buiten erg warm en/of vochtig is. De lucht wordt door de blaasmonden van het dashboard naar binnen geblazen. Als de temperatuur behaaglijk geworden is, moet de hendel in de stand NORM of B/L gezet worden. NORM geeft een normale afkoeling. Lucht door de blaasmonden. B/L (Bi/Level) geeft een normale afkoeling. Lucht naar de vloer en door de blaasmonden. Lucht naar de voorruit en de zijramen. De airconditioning is ingeschakeld en verwijdert vocht uit de lucht. Daarom verwijnen beslagen ramen snel.De airconditioning is niet Ingeschakeld
VENT Lucht door de blaasmonden. FLOOR Lucht naar de vloer. F/D (Floor/Defroster) De helft van de lucht gaat naar de vloer en de andere helft naar de voorruit en de zijramen.3 TEMP
Naar links (COOL) = koud Naar rechts (WARM) = warmVerwarmings- en ventilatiesysteem
o wordt het het warmst:  .en zo wordt het het koelst:  s de temperatuur behaaglijk geworden is, oet de bevenste hendel in de stand NORM of /L gezet worden! en zo verdwijnen besiagen ruiten het leist:  s het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op luchtinlaat van het verwarmingssysteem at rooster voor de voorruit) weggeveegd orden.Verwarmings- en ventilatiesysteem
Verwarmings- en ventilatiesysteem zonder airconditioning
1 Aanjager
1 laagste snelheid 4 hoogste snelheid De aanjager werkt altijd en kan niet geheel afgezet worden.2 Luchtverdeling
B/L (Bi/Level) Lucht naar de vloer en door de blaasmonden. VENT Alleen lucht door de blaasmonden. FLOOR Lucht naar de vloerF/D
(Floor/Defroster) De helft van de lucht gaat naar de vloer en de andere helft naar de voorruit en de zijramen. Lucht naar de vorruit en zijramen. 3 TEMP
Naar links (COOL) = koud Naar rechts (WARM) = warm Zo wordt het het warmst:  Sluit de frisse-luchtinlaten bij de voetruimten ...en zo wordt het het koelst:  Als u meer koele lucht bij de voeten wilt, moe u de frisse-luchtinlaten openen en de aanja gersnelheid verminderen. ...en zo verdwijnen beslagen ruiten:  Sluit de frisse-luchtinlaten bij de voetruimter Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw o de luchtinlaat van het verwarmingssysteer (het rooster vóór de voorruit) weggeveeg worden.Verwarmings- en ventilatiesysteem
De airconditioning is  N.B! In alle standen behalve gaat de aanjager pas werken, als de koelwatertemperatuur van de motor hoger dan +35°C of de temperatuur in de auto hoger dan +18°C is.Warm of koud buiten?
Als de functiekiezer in onderstaande stand (zie de afbeelding) gezet wordt, krijgt u altijd een perfect en behaaglijk „klimaat” in de auto. Kies de gewenste temperatuur met de temperatuurkiezer en dan gaat de rest vanzelf!/erwarmings- en ventilatiesysteem met automatische temperatuurregeling (extra uitrusting)
Temperatuurkiezer
Stel het gewenste aantal graden in! De graden ijn in °C of °F (Fahrenheit) aangegeven. $$ 5 ^ {\circ} \mathrm{F} = 1 8 ^ {\circ} \mathrm{C} \quad 7 5 ^ {\circ} \mathrm{F} = 2 4 ^ {\circ} \mathrm{C} \quad 8 5 ^ {\circ} \mathrm{F} = 3 0 ^ {\circ} \mathrm{C} $$Functiekiezer
1 de twee linker standen werkt de aircondi- oning niet! )FF Lucht naar de vloer; aanjager op lage snelheid. ICON Automatische aanpassing van de temperatuur en de luchtverdeling. (De temperatuur kan echter nooit lager worden dan de buitentemperatuur.) In de overige standen is de airconditioning ingeschakeld. LO Aanjager op lage snelheid." auto De aanjagersnelheid wordt automatisch aangepast\* HI Aanjager op hoogste snelheid.\* \* Automatische aanpassing van de temperatuur en de luchtverdeling. B/L (Bi/Level) Automatische aanpassing van de temperatuur en de aanjagersnelheid. Lucht naar de vloer en de blaasmonden.  Automatische aanpassing van de temperatuur. Alle lucht gaat naar de voorruit en de zijramen. Aanjager op de hoogste snelheid.  Kies de gewenste temperatuur! Zo verdwijnen beslagen ruiten het snelst:  Kies de gewenste temperatuur! Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw op de luchtinlaat van het verwarmingssysteem (het rooster voor de voorruit) weggeveegd worden.Interieur, portieren, kofferdeksel, achter- klep, schuifdak
Op de twaalf volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld: achteruitkijkspiegels, binnen en buiten 26 binnenverlichting, schuifdak 27 voorstoelen 28 kinderen in de auto 29 autogordels 30 portieren en sloten 32 kofferdeksel 33 bagageruimte 34 motorkap 35 opbergplaatsen in de auto 36 vervoer van lange lading, benzinetankklep 37Achteruitkijkspiegels
Binnenspiegel
D normale stand N (NIGHT) anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand als u last van de koplampen van auto's achter u heeft. Buitenspiegels, elektrisch instelbaar
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier. A zijdelings instellen B hoogte-instelling Stel de spiegels goed in, voordat u begint te rijden! Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat het spiegelglas kan krassen! Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel, waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een „groothoekspiegel" is die de „dode hoek" elimineert. Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en afstanden geeft!Binnenverlichting Schuifdak
eslampjes voor de voorstoelen  Plafondlamp natural_image
Close-up of a mechanical component with a rectangular opening and internal circuit board (no visible text or symbols)innenverlichting
binnenverlichting bestaat uit een plafond- np en leeslampjes voor de vier zitplaatsen 1 de auto. \_amp is altijd aan \_amp is altijd uit .lamp gaat branden, als een van de portieren jeopend wordt. I u de tijd te geven om o.a. in het donker het tactslot te vinden heeft de plafondlamp een ebouwde vertraging waardoor de lamp pas seconden nadat het bestuurdersportier ge- ten is, uitgaat.Schuifdak
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak en ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand” komt. Druk altijd de knop in voordat u aan de slinger draait. Linksom = normaal schuifdak Rechtsom = ..ventilatiestand' Uit veiligheidsoverwegingen moet de slinger tijdens het rijden altijd Ingeklapt zijn!Voorstoelen
Hoogte-instelling
De voor- en achterkant van de bestuurdersstoel kan in vier verschillende hoogten versteld worden. Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld. Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld Verstel de stoel voordat u gaat rijden. De passagiersstoel zit aan de vloer vast. Voor het verstellen van de hoogte moet gereedschap gebruikt worden. Overigens heeft de passagiersstoel dezelfde verstelmogelijkheden als de bestuurdersstoel, d.w.z. vier verschillende standen voor de vooren de achterkant. De voorstoelen zijn elektriscl verwarmd
De verwarming wordt met een thermostat geregeld en wordt onder +15°C automatiso ingeschakeld en boven ca +30°C uitgeschakeld. De verwarming van de passagiersstort kan worden uitgeschakeld met een schakelaat die vóór de handrem zit. Zie pag. 16! SOFT = zachter Hardheid van de lendesteun FIRM = harderLengteverstelling
Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of naar achteren geschoven worden. Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is. Verstel de stoel voordat u gaat rijden.Hellingshoek van de rugleuning
)ok kinderen moeten goed zitten – en veilig
en volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed bechermd bij een botsing of een ander ongeluk. m uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen er adviezen over de plaats van kinderen in de auto. enk eraan dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, nooit „los" de auto mag zitten. En laat ook nooit een kind bij een passagier o school zitten! veel landen is het wettelijk voorgeschreven hoe kinderen in de auto eplaatst mogen worden. Informeer hiernaar in het land waarheen u ilt gaan. elke bescherming het doelmatigst is, hangt af van de lichaamsgroot- van het kind:en baby die nog zo klein is dat deze niet kan itten
et kind moet in een wieg, kinderwagenbak of iets dargelijks op de achterbank liggen met het hoofdje naar het midden van de auto ge- berd. De wieg of de bak moet zo „geborgd” worden dat deze bij sterk remmen niet op de vloer valt; dit kan gedaan worden met de auto-ordels van de achterbank of door een Volvo kinderbank te gebruiken; et de wieg of de bak hierop en zet deze met b.v. kussens of een deken ist, zodat deze niet kunnen bewegen. e kinderbank is bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar.inderen vanaf de leeftijd det zij kunnen zitten et een lengte van ongeveer 117 cm (6–7 jaar)
ebruik nooit een kinderstoel die aan de regleuning van de achterbank get worden opgehangen. kunt het beste de Volvo veiligheidsstoel gebruiken die naar achteren jst. Deze veiligheidsstoel is ook bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar. De op wordt op de passagiersstoel of de achterbank vastgezet en wijst iar achteren. In beide gevallen moet de stoel vastgezet worden met autogordel van de passagiersstoel, ook al wordt de stoel niet gebruikt, zodat de kinderstoel bij een zware botsing niet kan losschieten. natural_image
Illustration of a car interior with passengers and a man in a red chair, no visible text or symbolsKinderen langer dan 117 cm (ouder dan 6–7 jaar)
Als het kind uit de kinderstoel gegroeid is, moet het op een Volvo kinderkussen – bij de Volvo-dealer verkrijgbaar – op de achterbank zitten en de gewone rolgordel van de auto gebruiken. Dit kussen is speciaal voor dit doel gemaakt en het zorgt ervoor dat de middelste band van de autogordei zo laag mogelijk om de heupen komt, hetgeen een goede bescherming waarborgt. Op de volgende pagina wordt het gebruik van de autogordels uitvoerig behandeld.Autogordels
natural_image
Red rectangular sign with a black silhouette of a person holding a crossbar (no text or symbols)natural_image
Person wearing a suit and belt vest, seated in a vehicle (no visible text or symbols)natural_image
Person wearing a checkered suit and holding a belt buckle (no visible text or symbols)Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers dat zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degene die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de auto kunnen dan letsel oplopen. Twee herinneringslampjes, een op het dashboard en een op de achterbank, knipperen als u met de auto rijdt zonder dat u zelf en de passagier op de voorstoel de autogordel omge- daan hebben. De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben „rolgordels”! Deze moet u als volgt gebruiken: trek de autogordel heel langzaam uit en vergrendel deze door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik“ geeft aan dat de autogordel vergrendeld is.De autogordel mag niet scheef of gedraaid zitten
Om de autogordel los te maken moet op de rode knop van de vergrendeling gedrukt worden. Laat daarna de rol de autogordel geheel oprollen. Normaal is de autogordel „niet vergrendek en kunt u zich onbelemmerd bewegen. De autogordel wordt vergrendeld en kan di niet uitgetrokken worden: - als de gordel te snel uitgetrokken wordt - bij afremmen en accelereren ● als de auto sterk overhelt - bij het nemen van bochten.  Heupgordel van de achterbankControleer af en toe de autogordels
Controleer of de autogordel niet tegen scherpe randen schuurt en of de bouten wel goed aan- getrokken zijn en de autogordel overigens in goede staat is. Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de autogordel te reinigen. - Doe de gordel om en ruk er heel snel aan. - Rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond (Controleer eerst of dit van het verkeer wel kan). Haal de autogordel aan. Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden! natural_image
Line drawing of a person seated in a chair, wearing a red belt and holding a steering wheel (no text or symbols)WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, bouten en blokkeerinrichting door een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, kan toch een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn. In een Volvo-garage kan de monteur snel zien of de autogordel vervangen moet worden. Vervang de autogordel ook als deze erg gesleten of beschadigd is. Verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-garage doen!Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten de autogordel met oplettenheid gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie de afbeelding.Portieren en sloten Kinderveiligheidssloten
natural_image
Close-up of a metallic door handle with a circular button and handle, no visible text or symbolsWAARSCHUWING!
Laat de portieren tijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)! Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen. Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden. Portieren op slot en van het slot doen
De auto heeft een zogenaamde centrale vergrendeling. Dat betekent dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch geopend en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier. Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en draai een kwart slag linksom om hen op slot te doen. Om de portieren van binnen uit te kunnen openen moeten de vergrendelknopjes omhooggetrokken worden. Als dit knopje van het bestuurdersportier iets steviger omhooggetrokken wordt, gaan de vergrendelknopjes van de andere portieren ook omhoog. Op dezelfde manier kunnen alle portieren op slot gedaan worden door het knopje van het bestuurders- portier steviger dan normaal omlaag te drukken. Als het vergrendelknopje van het bestuurdersportier „normaal stevig” omhooggetrokken of omlaaggedrukt wordt, heeft dit geen invloed op de overige portieren. Alle portieren zijn op slot, als de vergrendel-knopjes omlaaggedrukt zijn. Het bestuurdersportier kan alleen met de sleutel aan de buitenkant op slot gedaan worden!Kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achter portieren en is bereikbaar als het portier ope is. A het slot werkt normaal B het portier kan niet van binnenuit geopen worden. Denk eraan dat als de knop in stand B staat d passagiers op de achterbank bij een eventuer ongeluk niet uit de auto kunnen komen. D achterportieren moeten dan van buitenaf ge opend worden. Zie ook de tekst van de waar schuwing in het kader.Kofferdeksel
natural_image
Close-up of a metallic car door with a red accent stripe on the side (no visible text or symbols)lot van het kofferdeksel
et slot van het kofferdeksel reageert op de intrale vergrendeling, zodat met het slot van at bestuurdersportier ook het sluiten van het offerdeksel bediend wordt. aar – het kofferdeksel kan ook met de hoofd- autel (de grote sleutel) op slot en van het slot daan worden zelfs al „werkt de centrale ver- endeling" van de auto. Doe als volgt:  Van het slot doen  Vergrendelen Trek de sleutel er loodrecht uit! Bovendien kan het kofferdeksel als volgt tegen bediening door de centrale vergrendeling „geblokkeerd“ worden:  Trek de sleutel er horizontaal uit Het kofferdeksel is nu altijd op slot. Deze mogelijkheid om het kofferdeksel te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaangeraakt“ moet blijven. Geef de bi-sleutel (de kleine sleutel) aan degene die de auto moet lenen. Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet het volgende gedaan worden: natural_image
Close-up of a mechanical component with labeled parts A and B, showing internal structure and circular holes (no text or symbols beyond labels)Bagageruimteverlichting
A lamp is altijd uit B lamp brandt als het kofferdeksel open is  Trek de sleutel er loodrecht uit!Bagageruimte
Motorkap Motorruimteverlichting
natural_image
Close-up of a car's side panel with a red arrow pointing to the front panel (no visible text or symbols)natural_image
Close-up of a hand using a tool to adjust or install a mechanical component (no visible text or symbols)natural_image
Close-up of mechanical components with red circular markings, no visible text or symbolsnatural_image
Close-up of a mechanical linkage assembly (no visible text or symbols)natural_image
Close-up of a mechanical component with red lettering 'A' and 'B' on a perforated surface (no readable text or symbols)otorkap openen
k aan de vergrendelingshandgreep (heleal links onder het dashboard). U kunt horen het slot opengaat. Je motorkap een paar cm op, ga er met de d onder en druk op de hendel van de veilig- lspal. Open de motorkap. itroleer of de motorkap na het dichtdoend vergrendeld is! Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55° open. De motorkap kan loodrecht geopend worden als de aanslagen van de scharnieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De aanslagen gaan automatisch in hun „normale stand“ terug, als de motorkap dichtgedaan wordt. Let erop dat de motorkap niet tegen het pla- fond komt als de auto in een garage is!Motorruimteverlichting
A lamp is altijd uit B lamp brandt als de motorkap open is.Opbergplaatsen
natural_image
Close-up of a fabric with pleated fabric and ruffled edge, no visible text or symbolsWAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat geen „gevaarlijke“ voorwerpen, zoals b.v. camera's en verrekijkers, op de hoedenplank of op andere plaatsen liggen waar zij bij sterk afremmen of een botsing tot gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote, zware pakketten vast met een van de autogordels! natural_image
Close-up of a mechanical component with a red arrow pointing to a small symbol (no readable text or labels)natural_image
Close-up of a metallic mechanical component with a curved bracket and textured surface (no visible text or symbols)natural_image
Diagram of a vehicle interior with red arrows indicating motion or force vectors (no text or symbols)natural_image
Interior view of a vehicle seatbelt with visible structural ribs and seat brackets (no text or symbols)natural_image
Close-up of a car's side panel showing the front and side edges (no text or symbols visible)Luikje voor lange lading Benzinetankklep
natural_image
Line drawing of a person's arm holding a rolled-up document or scroll, with no visible text or symbols.WAARSCHUWING!
Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen. Bescherm scherpe randen met iets zachts. natural_image
Close-up of a metallic car door panel with a cylindrical component inserted (no visible text or symbols)uikje voor „lange lading”
oor een luikje in de rugleuning van de achter- nk kunnen lange voorwerpen vervoerd orden. n de bekleding niet vuil te maken kan een k voor ski's gebruikt worden. B! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. i's). Maximumlengte 2 meter en maximumwicht 15 kg.WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel of de keuzehendel komen en deze in een of andere rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rollen.Benzine tanken
De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep. Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik“ hoort. De Volvo-dealers hebben voor alle Volvo- modellen een afsluitbare tankdop. Het octaangetal van de benzine mag niet lager dan 97 zijn. De tank heeft een inhoud van ca 66 liter.Inrijden
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, het schakelen, het slepen, het rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:| „inrijden” | 38 |
| zuinig rijden | 39 |
| motor starten | 40 |
| schakelen met handgeschakelde versnellingsbak | 41 |
| schakelen met automatische versnellingsbak | 42 |
| belangrijke tips | 45 |
| slepen | 46 |
| starten met hulpaccu | 47 |
| denk hierom bij de remmen | 48 |
| s over het rijden met een caravan | 49 |
| maatregelen voor de winter | 50 |
| maatregelen voor lange reizen | 50 |
| langdurig niet gebruiken | 52 |
Een nieuwe auto moet worden „ingereden”
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat kalm aan te doen en mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet geh te gebruiken. Overschrijd de volgende snelheden niet:| Onder de eerste1000 km | Tussen 1000en 2000 km | |
| 1e versnelling | 30 km/uur | 40 km/uur |
| 2e versnelling | 50 km/uur | 70 km/uur |
| 3e versnelling | 80 km/uur | 100 km/uur |
| 4e versnelling | 110 km/uur | 130 km/uur |
| Overdrive | 130 km/uur | 150 km/uur |
uinig rijden wil nog niet zeggen langzaam rijden!
Jinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel den en de rijstijl en de snelheid aan de beaande situatie aanpassen. enk hierbij aan het volgende: Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat niet de motor stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden. Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme – twee tot drie maal meer – en bovendien slijt de motor sneller. Rijd liefst geen korte afstanden omdat dan de motor nooit warm kan worden. Rijd soepel! Vermijd snelle onnodige acceleraties en sterk afremmen. Dan kunt u veel benzine besparen. Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje; dit kan 30 % benzine besparen. Rijd niet met een onnodige zware lading in de auto. Rijd niet langer op winterbanden als de wegen schoon en droog geworden zijn. Dit kan een besparing van 5 % geven. Verwijder de imperiaal als deze niet gebruikt wordt; dit bespaart u 20 % benzine. Zet de zijramen niet onnodig open. Van belang bij het zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling! ● Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 20 km/uur Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 35 km/uur. Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 50 km/uur. - Als de auto een overdrive heeft, moet u deze bij normaal met meer dan ca 70 km/uur rijden op buitenwegen zo vaak mogelijk gebruiken. - Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, schakelt deze uit zichzelf de juiste versnelling in, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down”. Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name nog de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het benzine-verbruik laag te houden zijn b.v.: Goede bougies - Goed afgestelde ontsteking ● Schoon luchtfilter - Juiste klepspeling ● Goed werkende luchtvoorverwarming ● Juist stationair toerental - Juiste motorolie, juiste intervallen van olie verversen en nieuw oliefilter - Juist afgesteide brandstofinjectie - Remmen die niet „aanlopen“ - Juiste voorwieluitlijning - Juiste bandenspanning – kan ca 10 % besparen. Denk eraan dat voor wat betreft het benzineverbruik u zelf de belangrijkste factor bent en ook aan de manier waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingsbak omgaat. Het verschil tussen goed en verkeerd rijden kan 4–5 dl per 10 km bedragen. Dat wordt heel wat benzine per jaar!Starten
Zo moet u de motor starten:
- Trek de handrem (parkeerrem) aan - Zet de versnellingshendel in de neutrale stand (stand N of P bij een automatische versnellingsbak) - Trap het koppelingspedaal in - Kom niet aan het gaspedaal! - Draai de contactsleutel in de startstand. Laat de sleutel los als de motor aangeslagen is! Als de motor niet onmiddellijk aanslaat, moet u het gaspedaal voor de helft intrappen en in die stand houden totdat de motor loopt. Denk eraan dat het contactslot een zogenaamde blokkeerinrichting tegen „opnieuw starten“ heeft; dit wil zeggen dat u bij elke hernieuwde startpoging weer met de contactsleutel uit stand 0 moet beginnen. Vermijd herhaalde korte startpogingen! (Telkens als de startmotor ingeschakeld wordt, wordt er namelijk een hoeveelheid benzine in de motor gespoten.) Laat in plaats daarvan de startmotor wat langer werken (maar tenhoogste 15–20 seconden) bij elke startpoging. Laat de motor onmiddellijk na koud starten niet razen!Laat de motor zo snel mogelijk warm worden!
Uit ervaring is gebleken dat motoren van auto' die korte afstanden afleggen abnormaal sni slijten. Dit komt omdat de motor nooit op d normale bedrijfstemperatuur kan komen. Als de motor aangeslagen is, moet u de moto dus zo snel mogelijk op de normale bedrijft temperatuur laten komen. Begin met een geringe motorbelasting te rijde en laat de motor niet onnodig stationair loperWAARSCHUWING!
Zet de garagedeuren altijd helemaal open als u de auto in de garage start! De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos maar wel dodelijk vergiftig is.Handgeschakelde versnellingsbak met overdrive (bepaalde landen)
 natural_image
Interior view of a car gear shift lever with a red arrow pointing to the left side (no visible text or symbols)natural_image
Hand holding a small object with a red upward arrow, no text or symbols presentchakelstanden, hand- eschakelde versnellingsbak
= achteruit ap telkens bij het schakelen het koppelingsdaal helemaal in. tal tussen het schakelen uw voet van het ppelingspedaal!e overdrive bespaart enzine
overdrive kan in de 4e versnelling ingehakeld worden. overdrive wordt ingeschakeld als u op de op in de versnellingshendel drukt. Als de knop nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De overdrive wordt automatisch uitgeschakeld bij terugschakelen uit de 4e versnelling, maar maaker desondanks een gewoonte van om de overdrive altijd met de hand uit te schakelen als u naar de 3e versnelling terugschakelt! De overdrive kan soepeler in- en uitgeschakeld worden als u ook licht op het koppelingspedaal trapt. Om zu zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal met meer dan ca 70 km/uur op buitenwegen rijden de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken. Het controlelampje brandt als de overdrive ingeschakeld is.Achteruit inschakelen
Til de ring tegen de knop van de versnellings-hendel met de vingers op en schakel de achteruit in. De ring werkt op de achteruitvergren-deling en maakt dat u de achteruit niet per ongeluk kan inschakelen.Automatische versnellingsbak
natural_image
Close-up of a car gear shift lever mechanism (no visible text or symbols)P Parkeren
Kies deze stand als u de auto met lopende of afgezette motor parkeert. Laat de auto nooit met lopende motor achter! Als lemand per ongeluk de keuzehendel uit de stand P brengt, kan de auto namelijk gaan rollen. In de stand P is de versnellingsbak mechanisch vergrendeld. Trek even goed de handrem aan bij parkeren op een helling!R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u de stand R kiest!2 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e en 2 versnelling gaat automatisch. Het opschakelen naar de 3e versnelling gaat niet automatisch Schakel stand 2 in als u onmiddellijk naar o 2e versnelling wilt terugschakelen (sterker a remmen op de motor). Stand 2 kunt u gebruiken... - bij betrakkelijk langzaam rijden op buitenwegen • bij het rijden in de stad - bij het rijden in de bergen • bij het inhalen - om sterker op de motor af te remmen. 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om stand 2 te mogen kiezen!Schakelstanden van de keuzehendel
P parkeren R achteruitrijden N neutrale stand D rijstand ^2 lage versnellingN Neutrale stand
De stand N is de neutrale stand, d.w.z. dat geen versnelling ingeschakeld is. Trek de handrem aan, als de auto met de keuzehendel in stand N stilstaat.D Rijstand
D is de normale rijstand. Het op- en terugschakelen tussen alle versnellingen van de versnellingsbak geschiedt automatisch, afhankelijk van het gasgeven en de snelheid.1 Lage versnelling
Als u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt 2e versnelling ingeschakeld. Pas als de sn heid tot ca 50 km/uur afgenomen is, wordt 1e versnelling ingeschakeld. N.B! Opschakelen uit de 1e versnelling g beurt niet! Kies stand 1 als u in de 1e versnelling wilt den en niet wilt dat opschakelen plaats het b.v. bij het rijden in de bergen, als in stand het beste op de motor wordt afgeremd. 125 km/uur is de maximaal toegestane sn heid om stand 1 te mogen kiezen!Automatische versnellingsbak
lokkeerinrichting keuzehendel
keuzehendel kan altijd vrij tussen de stan- en D en 2 bewogen worden, terwijl de overige anden een blokkeerinrichting hebben die met druktoets op de knop van de keuzehendel diend kan worden. por met de handpalm licht op de druktoets drukken kan de hendel moeiteloos in de anden N, D, 2 en 1 gezet worden. 3 de druktoets geheel ingedrukt wordt, kunn bovendien de standen R en P ingeschalld worden. Dit is ook nodig om de hendel uit stand P te brengen. Als de druktoets geheel ingedrukt is, kan de keuzehendel dus moeiteloos in alle standen van de versnellingsbak gezet worden. Overdrive
In principe werkt de overdrive als een vierde versnelling van de versnellingsbak. Bij het rijden op buitenwegen schakelt de overdrive bij accelereren automatisch in. Met de drukknop aan de zijkant van de versnellingshendel wordt de overdrive „geblokkeerd“, d.w.z. wordt verhinderd dat de overdrive wordt ingeschakeld. Dan wordt als hoogste versnelling de 3e versnelling van de versnellingsbak gebruikt. Het controlelampje „OD OFF” brandt. Als nogmaals op de knop wordt gedrukt, wordt de overdrive weer ingeschakeld.Automatische versnellingsbak
Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak
1 Zet de keuzehendel in stand P of N. (De motor mag in geen andere stand gestart worden.) 2 Start de motor op normale wijze met de contactsleutel. 3 Trek de handrem aan of druk licht op het rempedaal (anders gaat de auto langzaam rijden, als u de keuzehendel in een van de rijstanden zet). 4 Zet de keuzehendel in de gewenste rijstand. 5 Laat het rempedaal los en geef gas. De auto wordt op de eenvoudigste manier stilgezet: laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal af. De keuzehendel behoeft niet aangeraakt te worden.„Kick-down“
Als u bij een snelheid onder ca 120 km/uur hi gaspedaal helemaal intrapt, wordt onmiddell naar een lagere versnelling teruggeschakel („kick-down“-terugschakeling). Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling berei of als u het gaspedaal iets uit de „kick-down“ stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken als maximaal wilt accelereren, zoals b.v. bij in halen. Blokkeer de overdrive, d.w.z. rijd met een brandend „OD OFF“-lampje b.v... - bij het rijden met een caravan of andere aanhanger - bij het rijden in heuvelachtig terrein ● als u met de hand naar de 3e versnelling wilt terugschakelen. Probeer echter bij andere rij-omstandigheden zo veel mogelijk in de overdrive te rijden om zo min mogelijk brandstof te gebruiken.Denk aan het volgende!
- De auto moet stilstaan als u stand P of R kiest! - De motor moet met stationair toerental lopen als u stand D, 2, 1 of R kiest en de auto si staat! - 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om tijdens het rijden stand 2 of 1 te mog kiezen.Om aan te denken!
De lading en de plaats ervan beïnvloeden de rij-eigen- schappen
w auto heeft bij het opgegeven rijklaargeicht de neiging tot „onderstuur“. Daarom moet u bij het nemen van een bocht steeds meer stuuruitslag geven als de snelheid veroogd wordt. Hierdoor blijft de auto stabiel in e bocht en wordt de kans op uitbreken van dechterwielen kleiner. Denk erom, dat deze igenschappen kunnen veranderen als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder de lading elemaal achter in de bagageruimte is, des te minder is de auto onderstuurd.lij-eigenschappen en banden
e banden zijn van groot belang voor de rijigenschappen van de auto. Het bandentype adiaalbanden), de maat en de bandenspanning zijn van belang voor het gedrag van de auto. Bij het vervangen van banden moet u rop letten dat u hetzelfde type en dezelfde laat (en liefst ook hetzelfde merk) krijgt als op alle vier wielen van de auto zat en volg de aanbevolen bandenspanning op (zie ag. 55.).lijd niet met een open offerdeksel!
ij het rijden met een open kofferdeksel kan amelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ok het giftige koolmonoxyde via de bagage- limte in de auto gezogen worden. Is u echter toch gedwongen bent om een ukje met open kofferdeksel te rijden, moet het volgende doen: - Draai alle ramen dicht. - Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op F/D of B/L (afhankelijk van het type verwarmingssysteem van de auto) en zet de aanjager op de hoogste snelheid 4.Als u een imperiaal gebruikt
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn. - Mag u tenhoogste 100 kg op de imperiaal laden. - Moet de lading gelijkmatig over de imperiaal verdeeld worden. Laad niet scheef! - Moet u de zwaarste lading onder leggen. - Moet u erom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen als de auto zwaar geladen wordt. - Moet u erom denken dat de auto meer wind vangt en dus het brandstofverbruik toe-neemt naarmate de lading groter is. - Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten! - Moet u soepel rijden! Vermijd sterk accele- reren, sterk afremmen en het nemen van scherpe bochten. - Moet u de imperiaal verwijderen als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op overhitting van het koelsysteem. Dit geldt met name op warme dagen als... ...u lang met volgas en een hoog motortoe- rental tegen steile hellingen op rijdt met een aanhanger. ...de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is. ...de motor onmiddellijk afgezet wordt als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken” genoemd). Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen: - Verminder de snelheid als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af. ● Laat de motor niet onnodig stationair lopen. - Zet de motor niet onmiddellijk af als u snel gereden heeft. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen! Als de motor desondanks te warm wordt, d.w.z. als de temperatuur herhaaldelijk in het rode gebied komt of erin blijft, moet u het volgende doen: - Zet de airconditioning af. - Zet de auto stil en zet de versnellingshendel (keuzehendel) in de neutrale stand (stand N). Laat de motor lopen! Verhoog het motortoerental tot ca 2000 omw/min, d.w.z. tweemaal het stationaire toerental. - Controleer het koelvloeistofpeil in de expansietank zonder de dop te verwijderen; zie pag. 84. Als koelvloeistof bijgevuld moet worden, moet de dop voorzichtig losgeschroefd worden, zodat de druk in het systeem wegvalt voordat de dop weggenomen wordt. Vul koelvloeistof bij volgens de instructies van pag. 90. - Controleer de spanning van de V-riemen; zie pag. 91.Slepen
natural_image
Close-up of a car's side panel showing a hand inserting a component into the wheel, with a red arrow indicating the process (no text or symbols visible)natural_image
Side view of a vehicle's front bumper with a red arrow pointing to a specific area (no visible text or symbols)Als u moet worden gesleept, moet u aan het volgende denken!
- Zet het stuurslot los, want dan kan gestuurd worden! - Denk aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid. - Denk erom dat de voetrem en de stuurbekrachtiging niet werken als de motor stilstaat! U moet ongeveer vier maal zo hard op het rempedaal trappen en het sturen gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal. ● Rijd soepel! Houd de sleepkabel gespannen om onnodige rukken te voorkomen.Speciaal voor een automatische versnellingsbak
- De keuzehendel moet in stand N staan, de versnellingsbak moet goed afgesteld zijn en het oliepeil moet juist zijn (zie pag. 87). - De maximaal toegestane snelheid is 20 km/uur. De langste toegestane af te leggen afstand is 30 km. - De motor mag niet door aanslepen gestart worden! Zie voor hulpstarten de volgende pagina.Motor door aanslepen starter
N.B! Auto's met een automatische versne lingsbak mogen niet aangesleept worden! Als de accu ontladen is, moet een hulpaccu gebruikt worden (zie de volgende pagina). Auto's met een handgeschakelde versne lingsbak Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig. Zet het contact aan. Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat h koppelingspedaal voorzichtig opkomen. Trap het koppelingspedaal weer in als de mot loopt!Starten met hulpaccu
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiële sehade toe te brengen.'o moet u met een hulpaccu starten
Is de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang i krijgen stroom „lenen“ van een losse accu of van de accu van een andere auto. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u het onerstaande nauwkeurig op te volgen: Controleer of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft. Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet raken. Sluit het ene uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (1) van de hulpaccu (met rood, P of + gemerkt). Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpogingen geen vonken ontstaan. Sluit het andere uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (2) van de ontladen accu. Sluit het ene uiteinde van de zwarte kabel aan op de minpool (3) van de hulpaccu (met blauw, N of – gemerkt). - Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel ergens (aarding) bij de auto die gestart moet worden op een afstand van de accu aan, b.v. de massakabel tussen de motor en de carrosserie (4). - Start de motor van de „hulpauto”. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen. - Start de motor van de auto met de ontladen accu. N.B! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen! - Maak de kabels in precies de omgekeerde volgorde als bij het aansluiten weer los.Om bij de remmen aan te denken
Als een remcircuit defect raakt
 gaat het waarschuwingslampje branden. Het rempedaal pakt iets lager en voelt wat zachter dan normaal aan. Merk echter op dat u niet merkbaar harder op het rempedaal moet trappen om de normale remwerking te krijgen! Een defect remcircuit blijkt dus niet uit een verhoogde pedaaldruk. Als het waarschuwingslampje gaat branden, moet u naar een garage rijden en het rem- systeem laten controleren.Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden. Trap af en toe licht op het rempedaal als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig weer. Denk erom dat de remmen nog zwaarder won den belast als u met een caravan/aanhange rijdt.De rembekrachtiger werkt alleen als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor rolt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt. Het rempedaal voelt stug en hard aan.Als de remmen zeer zwaar belast worden
Bij het rijden in bergterrein of op andere wegen met dergelijke hoogteverschillen worden de remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal. Omdat bovendien vaak de snelheid laag is, worden de remmen niet zo effectief gekoeld als bij het rijden op vlakke wegen. Om de remmen niet onnodig zwaar te belasten moet u in plaats van alleen maar de voetrem te gebruiken terugschakelen en dezelfde versnelling gebruiken als bij het klimmen. Dit is bij auto's met automatische versnellingsbak stand 2 of eventueel stand 1. Op deze manier wordt effectiever op de motor afgeremd en behoeft de voetrem telkens maar kort gebruikt te worden. natural_image
Close-up of a mechanical brake assembly with visible caliper and housing (no text or symbols)Rijden met caravan (aanhanger)
it moeten caravaneigenaars lezen!
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn! Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstrueerde trekhaken zijn voor uw auto „op maat gemaakt“ en een Volvo-garage kan deze aanbrengen. Denk erom dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden! Als u een auto met een automatische versnellingsbak heeft, adviseren wij u om gelijktijdig met het aanbrengen van de trekhaak ook een „extra oliekoeler“ te laten aanbrengen, d.w.z. een extra oliekoeler voor de versnellingsbakolie. Daarmee wordt de temperatuur van de versnellingsbakolie normaal gehouden, ook al rijdt u met een zware aanhanger in heuvelachtig terrein. (Bepaalde auto's hebben deze extra oliekoeler al bij aflevering. Controleer met uw dealer of u een dergelijke auto heeft.) Deze aanhangergewichten kunnen maximaal toegestaan worden: Maximaal 908 kg (2000 lbs) in landen met een warm klimaat. Maximaal 1500 kg in de overige landen. Toelaatbaar is 1600 kg als u voorzichtig rijdt – tenhoogste 70 km/uur. Voor warme landen moet de auto de extra oliekoeler voor de automatische versnellingsbak hebben. Denk erom dat de stroomvoorziening voor de aanhanger niet overal op de elektrische installatie van de auto kan worden aangesloten. Dit komt, omdat het waarschuwingslampje voor een defecte gloeilamp op een speciale manier geschakeld is. Als een Volvo inklapbare trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren. Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de trekhaak van de auto 65–75 kg is. Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden. Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig. Rijd niet met een zware aanhanger als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee tot de auto tenminste 1000 km heeft gelopen. ● Laat nooit de koppeling onnodig slippen! Anders kan de koppeling oververhit worden. Dit is met name van belang als u in heuvelachtig terrein rijdt en vaak stilstaat en weer gaat rijden. - Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan. - Op grotere hoogten is de luchtdruk lager, waardoor het motorvermogen lager en dus ook het trekvermogen slechter dan normaal is.Speciale wenken voor eigenaars van een auto met een automatische versnellingsbak
- Kies stand 1 van de versnellingsbak als u op steile hellingen of langzaam rijdt. Op deze manier verhindert u dat de versnellingsbak op-schakelt en wordt de versnellingsbakolie kouder. Op bergwegen met lange maar niet zo steile hellingen kan stand 2 gekozen worden. - Bij het afdelen van lange, steile hellingen moet stand 1 gekozen worden (of stand 2 bij het afdalen van minder steile hellingen). Zo wordt de beste afremming op de motor verkregen. - Houd de auto op een helling niet met het gaspedaal stil, maar gebruik hiervoor de rem. Dan wordt voorkomen dat de versnellingsbakolie onnodig heet wordt. - „Blokkeer“ de overdrive, d.w.z. druk de knop op de keuzehendelknop in (het controlelampje OD OFF in het instrumentenpaneel gaat branden). De overdrive wordt dan niet ingeschakeld. - Ververs om de 40 000 km de versnellingsbakolie als u bij zware omstandigheden rijdt; zie pag. 87.Wintertijd
Als het koud begint te worden
Als u zelf uw auto wilt nakijken om onnodige moeilijkheden in het koude jaargetijde te voorkomen, moet u aan het volgende denken: - Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glykolgehalte ca 50% is overeenkomende met ca 5 liter Volvo anti-vries type C (blauwgroen). Zie voor het verversen van koelvloeistof pag. 90. - Om geen condenswater in de benzinetank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden. Gebruik bovendien regelmatig carburateurvloeistof die in de tank gegoten moet worden, voordat u benzine tankt. \- Gebruik de juiste motorolie om startmoeilijkheden te voorkomen. Zie de aanbevolen olies op pag. 85. \- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accupolen met een roestwerend middel. \- Parkeer de auto niet met aangetrokken handrem, als het vriest. Schakel dan de 1e of achteruitversnelling in (stand P bij auto's met automatische versnellingsbak) en blokkeer liefst de wielen. \- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruitewissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden. Dit is van belang, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en koplampen komt, waardoor de sproeiers en wissers vaak gebruikt moeten worden. Met Volvo sproeiervloeistof moeten de volgende mengverhoudingen gebruikt worden: Tussen +5°C en ±0°C = 0,8 liter sproeiervloeistof Tussen ±0°C en -5°C = 1,4 liter sproeiervloeistof Tussen -5°C en -10°C = 2,0 liter sproeiervloeistof Tussen -10°C en -15°C = 2,5 liter sproeiervloeistof Tussen -15°C en -20°C = 3,0 liter sproeiervloeistof met 0,5 liter meer voor elke 5°C. \- Om bevroren sloten (van portieren en kofferdeksel) te voorkomen moet u de sloten tijdig met een vorstbestendig middel „smeren”. natural_image
Side profile of a black sedan parked in front of a modern building with glass windows and warm lighting (no visible text or symbols)Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volvo-garage helemaal laten controleren. Het is altijd goed om tijdig vóór de reis een set van de meest noodzakelijke service-onderdelen (gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisserbladen) aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets. Bij hem kunt u ook het boekje „Volvo in Europa" krijgen waarin staat waar de Volvo-dealers en Volvo-garages zijn. Nuttig om te weten als er iets gebeurt. Als u zelf de auto wilt nakijken, adviseren wij het volgende te doen: - Controleer of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal is. - Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelvloeistof of benzine. - Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versleten V-riemen vervangen. - Controleer de ladingstoestand van de accu. - Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden. - Laat de remmen, de wieluitlijning en de stuurinrichting controleren. - Controleer de verlichting. - Controleer het gereedschap. - In veel landen is een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is. - Bij reizen naar Groot-Brittannië of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind. - Bij reizen naar landen, waar benzine met het juiste octaangetal moeilijk te krijgen is, kan de motor enigszins aangepast worden. Bespreek dit met de Volvo-garage. natural_image
Side view of a classic sedan parked in a forested area (no visible text or symbols)Langdurig niet gebruiken
Hier zijn adviezen als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden, b.v. in verband met een buitenlandse reis of als u de auto 's winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvoudige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen als u de de auto weer wilt gaan gebruiken. - Vul de benzinetank helemaal, zodat er geen kans op condenswater in de tank is. - Was de auto heel goed en zet deze in goede autowas. Bescherm verchroomde onderdelen met een daarvoor bestemd middel. - Zet de auto in een garage die droog en goed geventileerd is. ● Laat de handrem los. - Controleer of er geen stroomverbruikers aanstaan, b.v. de verlichting, de radio, de binnenverlichting, de motorruimte- en bagageruimteverlichting. Natuurlijk blijft het klokje lopen, maar dit vraagt zo weinig stroom dat dit te verwaarlozen is. Eventueel kan de zekering voor het klokje (zekering nr 5) verwijderd worden (zie pag. 67). - Klap de ruitewissers en koplampwissers naar voren om te voorkomen dat de rubberwisserbladen op de voorruit en de koplampen gaan vastzitten. - Zet een raam wat open om de auto te ventileren. - Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ vorst bestand is. De antivries van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toevoegingen die de motor en de radiator beschermen. - Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af. - Controleer af en toe de bandenspanning. - Controleer ongeveer elke zeven weken de ladingstoestand van de accu. natural_image
Side view of a beige sedan parked on a cobblestone pavement (no visible text or symbols)Vielen en banden – belangrijk voor de ij-eigenschappen van le auto!
ees daarom de volgende pagina's nauw- eurig door. De goede rij-eigenschappen van e auto kunnen opvallend veranderen als u v. slordig bent met de bandenspanning. algemeen 53 slijtagewaarschuwing 54 speciale wielen 54 porbeelden van bandenslijtage 55 bandenspanning 55 natural_image
Side profile of a silver sedan with a visible wheel rim, parked in a garage (no text or symbols)Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is uw auto met 6×15" wielen en 195/60 HR 15 banden uitgerust. Deze cijfers betekenen dat de wielen 6 inch breed en 15 inch in diameter zijn. De bandencodering betekent het volgende: 195 is de sectiebreedte in mm. 60 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent, H zegt dat de band tegen een snelheid van 210 km/uur\* bestand is R betekent radiaalband en 15 is de binnendiameter van de band in inch. U moet er bij het vervangen van banden goed op letten dat u op alle vier wielen hetzelfde type (radiaalband), dezelfde maat (codering) en liefst ook hetzelfde merk krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen. S = maximumsnelheid 180 km/uur V = maximumsnelheid boven 210 km/uur.Wielen en banden
De banden hebben een „slijtage-waarschuwing”
De slijtagewaarschuwing bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die een 1½ mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is dat nog maar 1½ mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom dat banden met zo weinig profieldiepte bij regen en sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
- Zorg voor de juiste bandenspanning. - Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen. - Denk eraan dat snel rijden de banden sterk doet slijten. - Verwissel de wielen niet onderling. - Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning. Balanceer de wielen zo nodig. - Pas op de banden als u de auto bij een trottoirrand parkeert.„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool“, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschil- lende bandentypen vertonen deze „ochtendzool“ in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de „ochtendzool“ verdwijnt.Winterbanden, spijkerbanden, Sneeuwkettingen
Als winterbanden kunnen gebruikt worden banden die op de origine wielen van de auto gemonteerd worden (vraag uw Volvo-dealer c advies voor geschikte banden) of ook 14"-banden, die gemontee zijn op Volvo's uit de 240- of 260-serie. Geschikte bandenmaten z dan 175 SR 14 of 185/70 SR 14. Spijkerbanden moeten voorzichtig en rustig „ingereden“ worden, z dat de spijkers zich goed in de banden kunnen zetten. Daardoor woi de levensduur van de banden en met name van de spijkers verlengd Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in dezelfde richti draaien. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen aan dezelf kant als daarvoor laten zitten. Sneeuwkettingen kunnen, als-zij fijne schakels hebben en niet zov- ten opzichte van de band uitsteken dat zij tegen de remklauwen andere onderdelen kunen aanlopen, op de achterwielen van de au aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben door Volvo goedg keurde en geconstrueerde sneeuwkettingen. N.B! Met sneeuwkettingen mag noolt sneller dan 60 km/uur gered worden! Rijd nooit onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de sneeu kettingen en banden dan zeer snel slijten. Snel te monteren kettingen met losse schakels mogen niet gebruik worden, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen da voor te klein is.WAARSCHUWING!
Speciale wielen
De enige goedgekeurde „speciale wielen“ voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmetalen wielen die door Volvo-dealers verkocht worden.Bandenspanning Bandenslijtage
e bandenspanning is belangrijk!
introleer telkens bij het tanken de bandenspanning! De juiste span- ng staat in de tabel hiernaast. het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rijjenschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de nden meer. Denk eraan dat de waarden van de tabel voor koude nden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden rm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het ntroleren van warme banden geen lucht laten ontsnappen. De bannspanning moet wel verhoogd worden als deze te laag is. or warme banden gelden, af handelijk van de temperatuur, 10-kPa (1,5-4 psi) hogere waarden.Bandenspanning, koude banden, kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden pounds/square inch (psi).| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | ||
| Voor | Achter | Voor | Achter | |
| 195/60 HR 15 | 190 (27) | 190 (27) | 210 (30) | 230 (32) |
| Reserveband „Special Spare” | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) |
borbeelden van verschillende soorten bandenslijtage
 'age spanning  Te hoge spanning natural_image
Diagram of a gear meshing with zigzag teeth pattern (no text or symbols)Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u met de auto iets krijgt dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz. In dit hoofdstuk worden behandeld: wielen verwisselen 57 gloeilampen vervangen 60 zekeringen vervangen 65 lokaliseren van storingen 68 wisserbladen vervangen 70 enk bij het wielen verwisselen aan het ølgende!
u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op banden aantekenen waar het wiel zat, b.v. LV = links vóór, enz. ing ook recht tegenover elkaar verfstippen aan, een op het wiel en i op de naaf, zodat u precies weet hoe het wiel op de naaf zat. Als eze moeite neemt, behoeft u de wielen niet meer te balanceren als en weer monteert.Reservewiel „Special Spare“
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Special Spare“ genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel). De band heeft de codering 175 H 146 PR. Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen. De spanning van deze band moet 280 kPa (2,8 kg/cm²) zijn, engeacht de lading in de auto en waar het wiel op de auto zit. Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserve-wiel eventjes te gebruiken als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden. Denk er ook om dat deze band, tezamen met de normale andere banden, de rij-eigenschappen iets kan veranderen, b.v. een zekere spoorgevoeligheid geven. De aanbevolen maximumsnelheid, als een „Special Spare" reservewiel gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen de maximumsnelheid van de auto bestand.Wiel verwisselen
natural_image
Close-up of a car tire being cleaned with a tool, no visible text or symbolsnatural_image
Close-up of a car tire being adjusted for a wrench, with a magnified inset showing the tool (no text or symbols visible)Wiel verwisselen
Het reservewiel ligt onder de mat op de vloer van de bagageruimte. De krik met de slinger sit tegen de achterwand van de bagageruimte en de gereedschapsdooz zit tegen de wand rechts in de bagageruimte. Verwijder het wiel als volgt: \- Trek de handrem aan en schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak – stand P bij een auto met een automatische versnellingsbak. Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. - Verwijder de naafdop met de schroeverdraaier uit de gereedschap doos. - Draai de wielmoeren met de pijpsleutel een 1/2–1 slag los. De mo ren moeten door linksom te draaien losgedraaid worden; zie de beelding. natural_image
Person kneeling beside a car tire with a mechanical clamp attached (no visible text or symbols)natural_image
Diagram of a red clamp or tool interacting with a gray surface, no text or symbols presentWAARSCHUWING!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan. - Kruip nooit onder de auto als deze op de krik staat. - Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is bokken gezet worden. - Trek de handrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling of de achteruit in - stand P bij een automatische versnellingsbak. - Blokker de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor stevige houtblokken of grote stenen. - De bout en het tandsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd zijn.Wielen aanbrengen
Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon. - Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren vast. N.BI De conische kant van de wielmoeren moet naar het wiel gekeerd worden; zie de rechter afbeelding op pag. 58. - Laat de auto zakken en haal de moeren kruiselings aan. Aanhaalmoment 85 Nm (8,5 kgm). - Breng de naafdop aan.Gloeilamp vervangen
 Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen van beide koplampen moeten vanuit de motorruimte vervangen worden. Doe het volgende: ● Schakel de verlichting uit. - Open de motorkap. - Buig de klemveren, waarmee het plastic deksel vastzit, opzij en verwijder het deksel. - Trek de connector los. Druk de verende ring in en draai deze iets linksom. - Verwijder de gloeilamp. \- Breng de nieuwe gloeilamp aan volgens de tekening. De gloeilamp heeft drie pasnokken en deze zijn asymmetrisch a gebracht, waardoor de gloeilamp maar op een manier goed zit. N.B! Pak de gloellamp nooit met de vingers aan het glas beet. Vel olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zef zich op de reflector af waardoor deze snel slecht wordt.| Gloeilamp | Vermogen | Fitting (type) |
| Groot/dimlicht | 60/55 W | H4 |
Gloeilamp vervangen
natural_image
Close-up of a mechanical or electrical component with visible wiring and components (no readable text or symbols)loeilamp in een hoeklicht vóór vervangen
gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen wor- Schakel de verlichting uit en zet het contact af. Laat de connector met draden aan de fitting zitten. Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp. Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom te draaien. Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het hoeklicht. N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de andere is en in de breedste uitsparing in het gat moet passen! Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloeilamp licht geeft.| Gloeilampen | Vermogen | Fitting |
| Parkeerlicht | 5 W | BA15s |
| Richtingsaanwijzer | 21 W | BA15s |
Gloeilamp vervangen
 Gloeilamp in een achterlicht vervangen
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagageruimte vervangen worden. Doe het volgende: ● Schakel de verlichting uit en zet het contact af. - Schroef de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaag. De afdekkap zit aan de onderkant vast. - Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom en maak deze los. - Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en een paar mm linksom te draaien. - Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan. N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de belde andere is. Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor de fitting passen. Draai de fitting rechtsom vast. Controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vas| Gloellampen (linker kant) | Vermogen | Fitting |
| 1 Reflector | - | - |
| 2 Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 Remlicht* | 21 W | BA 15s |
| 5 Achterlicht | 5 W | BA 15s |
| 6 Achterlicht/remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
Gloeilamp vervangen
natural_image
Hand inserting a red object into a car seat cover (no text or symbols visible)loeilamp in de kenteken- laatverlichting vervangen
hakel de verlichting uit en zet het contact Trek de lamphouder volgens de pijl naar hteren, totdat deze aan de voorkant loslaat. rvang de gloeilamp. introleer of de pakking goed ligt en pas de nphouder in de voorkant van het gat en druk t achterste deel met de hand omhoog zodat weer vastzit. natural_image
Close-up of a hand using a tool to test a small electronic component on a perforated surface (no visible text or symbols)Gloeilamp van de motor- ruimte vervangen
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.| Gloeilamp | Vermogen | Fitting |
| Motorruimte-verlichting | 10 W | SV8,5 |
natural_image
Close-up of a car's side panel showing a metallic grille and handle (no text or symbols visible)Gloeilamp van de bagage- ruimte vervangen
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.| Gloeilamp | Vermogen | Fitting |
| Bagageruimte-verlichting | 10 W | SV8,5 |
| peilamp | Vermogen | Fitting |
| ntekenplaat-richting | 4 W | BA 9s |
Gloeilamp vervangen
natural_image
Hand holding a car seatbelt with a red bookmark (no text or symbols visible)natural_image
Cross-sectional diagram of a mechanical device showing internal components and fluid paths (no text or labels)Gloeilamp van de plafondverlichting en leeslampjes vervangen
Pak het voorste deel van de lamp vast (zie de afbeelding) en trek de lamp recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng de lamphouder weer aan.Gloeilamp
Vermogen
Fitting
Plafondverlichting 10 W S8,5-8 Leeslampjes 5 W W2.1×9.5dGloeilamp vervangen Zekeringen
 loeilamp in de mistlamp/verstraler ervangen
1ai de kruiskopschroeven los. "wijder de schroeven en de „hoekstukken” en trek de reflector naar en/buiten. Breng de veren die de gloeilamp vasthouden uit elkaar buig deze omhoog. ik de connector van de draad naar de gloeilamp los en breng een uwe gloeilamp aan. eng alle onderdelen in de omgekeerde volgorde als bij het verwij- en aan. Denk om de tekst TOP op het lampeglas! Deze moet aan de /enkant zitten. 3! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beetl en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en ten zich op de reflector af; deze wordt dan snel slecht. ellamp :tlamp, verstraler Vermogen 55 W Fitting (type) H3Kapotte zekering vervangen
Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos vóór het asbakje in de tunnelconsole. Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen: - Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag en licht het asbakje uit. - Druk de druktoets (met de tekst „electrical fuses – press 📋") van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en verwijder de houder. U ziet nu de 22 zekeringen in twee series zitten. Misschlen zien de zekeringen er voor u niet gewoon uit: die komt omdat zij van een nieuw, beter en nauwkeuriger type dan vroeger zijn.Zekeringen
 De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zij doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst van de volgende pagina kijken om te weten welke zekering gecontroleerd moet worden. Voor degene die vinden dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn, is een „tangetje“ gemaakt dat rechts aan de zijkant van de zekeringenruimte aangebracht is. Pak met dit tangetje het bovenste deel van de zekering vast en trek deze recht omhoog. Houd de tang vast volgens de afbeelding, dan kunt u de zekering niet laten vallen.  Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de geboge draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met di zelfde kleur en ampère-aanduiding als de oude aan (het cijfer sta op de zekering)! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zek ringenkastje, een 15, een 25 en een 30 ampère zekering. Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er le met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor contro naar een Volvo-garage. Zekeringen| Zekering-codering | Zekering-codering | ||
| 1 Centrale vergrendeling, groot-lichtsignaal waarschuwings-knipperlichten | 15 | 12 Sigare-aansteker, elektrisch bediende buitenspiegels, radio | 15 |
| 2 Brandstofpomp | 25 | 13 Claxons, ruitewissers/-sproeiers,koplampwissers/-sproeiers | 25 |
| 3 Verstralers, mistlampen | 15 | 14 Kachelaanjager | 30 |
| 4 Remlichten | 15 | 15 Brandstofpomp (in de tank) | 15 |
| 5 Verlichting handschoenenkastje,klokje, radio, motorruimteverlichting,binnenverlichting, bagageruimtever-lichting, elektrisch bediende antenne,waarschuwingslampje portieren | 15 | 16 Mistachterlamp | 15 |
| 17 Grootlicht links | 15 | ||
| 18 Grootlicht rechts, verstraler | 15 | ||
| 19 Dimlicht links | 15 | ||
| 20 Dimlicht rechts | 15 | ||
| 6 Elektrische ventilator | 25 | 21 Verlichting asbakje, instrumenten- endashboardverlichting, linker parkeer-licht achter en vóór, kentekenplaat-verlichting, waarschuwingszoemer | |
| 7 Elektrisch bediende raam-mechanismen | 30 | ||
| 8 Richtingsaanwijzers, overdrive | 15 | ||
| 9 Elektrische achterruitverwarming,elektrisch bediend schuifdak | 30 | 22 Verlichting autogordels, rechterparkeerlicht achter en vóór, opbergvakachter de handrem, mistlampen | 15 |
| 10 Elektrisch verwarmde voorstoelen,brandstofinjectie, controlelampjeautogordels, instrumenten, achteruit-rijlichten, waarschuwingslampjeoliepeil | 25 | R Reservezekeringen | |
| 11 Dagrijlichten, kachelaanjager, air-conditioning, cruise control, regel-eenheid (automatisch verwarmings-systeem) | 25 | Als u in het bedradingsschema met o.a. de werking en plaatsing van derelais geinteresseerd bent, raden wij u ons Servicehandboek aan. Ditkunt u bij uw Volvo-dealer bestellen. | |
| 67 | |||
Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat niet aan (de startmotor draait de motor niet met normaal toerental rond of de startmotor werkt helemaal niet)
De accu is slecht geladen of geheel ontladen. Slecht contact bij de aansluitingen van de accu of de startmotor. Defect in de startmotor. Defect in het contactslot. Laat de accu opladen of plaats een nieuwe accu. Eventueel kan de auto door slepen of met een hulpaccu gestart worden. (Zoek de oorzaak voor het ontladen van de accu op.) Maak de poolschoenen en alle aansluitingen goed schoon en zet hen goed vast. Breng de auto voor reparatie naar een Volvo-garage.De motor slaat niet aan (ook al draait de startmotor de motor met normaal toerental rond)
Er komt geen benzine. Er zit water of vuil in de benzine. Defect in de ontsteking. Controleer of er benzine in de tank zit en er benzine tot bij de motor komt. Controleer of de zekeringen nr 2, 10 en 15 heel zijn (zie pag. 67). Deze zekeringen beveiligen de componenten van de brandstof-inspuiting. Laat de benzine aftappen en de benzinetank schoonmaken. Controleer de bougies (elektrode-afstand, barstjes, e.d.). Controleer de stroomverdelerkap op barstjes en andere beschadigingen. Controleer van alle kabels van de ontsteking of deze goed aangesloten en schoon zijn. Controleer de bobine. Defect in het injectiesysteem. Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.Lokaliseren van storingen
'ermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat over en loopt bij alle toerentallen onregelmatig
efect in de ontsteking effect in het injectiesysteem. Controleer de bougies op hun uiterlijk en toestand. Controleer de stroomverdelerkap. Controleer de kabels van de ontsteking. Controleer de bobine. Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.De motor slaat bij hoge toerentallen over
effect in de bougies. affect in het injectiesysteem. Controleer de bougies. Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.De motor trekt niet goed
erstopt luchtfilter. erstopt brandstofffilter. )utief afgestelde ontsteking. Controleer het luchtfilter. Vervang het brandstofffilter. Controleer de afstelling.Hoog brandstofverbruik
et brandstofsysteem lekt. echte bougies. iutief afgestelde ontsteking. erstopt luchtfilter. fect in het injectiesysteem. Dicht eventuele lekken. Controleer de bougies en vervang deze zo nodig. Stel de ontsteking goed af. Controleer het luchtfilter en vervang dit zo nodig. Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen
natural_image
Diagram showing a mechanical device with a red arrow pointing downward, no text or symbols presentnatural_image
Diagram of a mechanical device with a red arrow indicating downward motion, no text or symbols presentRuitewissers vervangen
Klap de hele wisserarm naar voren/boven. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm met een vinger in. Trek het wisserblad los. Schuif het nieuwe wisserblad op en controleer of het goed vastzit! Voor uw eigen veiligheid en die van andere verkeersdeelnemers moeten de ruitewisserbladen vervangen worden, als deze strepen op de ruit achterlaten en deze dus niet meer goed schoon wissen.Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisserblad naar buiten los. Druk het nieuwe wisserblad zo vast dat het goed pakt. N.B! Het langste deel van het wisserblad moet naar het midden van de auto wijzen.Carrosserie-onderhoud - niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken. roestwerende behandeling, controleren en bijwerken 72 lakbeschadigingen, controleren en bijwerken 74 auto wassen 76 bekleding reinigen 78Roestwerende behandeling
Roestwerende behandeling – controleren ei bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een zeer nauwkeurige en voll dige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onders en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gesp ten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en geslot secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof. Wat kun u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende b handeling in goede staat te houden? Wel, er zijn vooral twee zeer effectieve methods: - Houd de auto schoon! Spoel het onderstel, de wielkuipen en spatschermranden onder hoge druk schoon. - Laat de roestwerende behandeling regelmatig controleren en wa nodig bijwerken.De „onzichtbare” roestwerende behandeling
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling (in balken, holle ruimt en gesloten secties) moet voor de eerste maal na tenhoogste drie ja en daarna tenminste om het jaar vernieuwd worden. Denk eraan dat deze plaatsen voor het verkrijgen van een perfresultaat moeten worden ingespoten in een bedrijf met goede e vernevelapparatuur en de juiste sproeiers. Vraag uw Volvo-garage advies.Roestwerende behandeling
e „zichtbare“ roestwerende behandeling
„zichtbare“ roestwerende behandeling moet regelmatig gecontro- erd en zo nodig bijgewerkt worden, tenminste één maal per jaar. Als roestwerende behandeling ergens bijgewerkt moet worden, moet u onmiddellijk laten doen om te voorkomen dat vocht onder de roest- rende laag komt. bij te werken plaats moet achter schoon en droog zijn! De auto moet s goed afgespoeld, gewassen en drooggemaakt worden. Gebruik n roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwaste . Een gewone drukoliekan met een lange en liefst buigzame tuit is stekend geschikt om bij nauwe plaatsen te kunnen komen. zij drie verschillende types roestwerend middel: een dun (type ML) voor balken, holle ruimten en gesloten secties een dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen een dik voor slijtplekken van het onderstel en van de wielkuipen. rmoedelijke plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype b) Onderstel en wielkuipen (vloeistoftype c) Gefelste randen van de motorkap (vloeistoftype b) Portierscharnieren (vloeistoftype b). Motorkapscharnieren en -slot (vloeistoftype b. de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel t een lap die met terpentine bevochtigd is, verwijderd worden. Bijwerken van lakbeschadigingen
Lakbeschadigingen bijwerken
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk worden behandeld om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn: - Kleine steenslagplekken en krassen. - Afbladderende spatschermranden en drempels b.v. Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben. natural_image
Illustration of a medical procedure showing a tool interacting with a circular object (no text or symbols present)natural_image
Illustration of a brush applying paint to a circular object with a brush tip, against a pink background (no text or symbols)Kleine steenslagplekken en krassen
Lakkleurcode
Let erop dat u de juiste lakkleur heeft. Controleer dit met het codenummer voor de Jakkleur dat op het typeplaatje op het rechter binnenscherm in de motorruimte staat.  LakkleurcodeMaterialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfate-ringsmiddel) – tube of bus. - Grondlak – bus. - Lak – bus of zogenaamde lakpen (in de dop van de lakpen zit ook wat polijstpasta voor nabehandelen) - Pennemesje of iets dergelijks. - Penseel. Als de steenslagplek niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan de lak direct opgebracht worden, als vuil weggeschraapt is. Als de steenslagplek tot de plaat doorg drongen is, moet u het volgende doen: 1 Schraap het beschadigde oppervlak tot de plaat schoon en schuin de lakranden m b.v. een pennemesje af (zie afbeelding 1). 2 Breng het roestverwijderingsmiddel (de om ogen en huid) met een penseel of wacht een paar minuten en spoel dan go met water af. 3 Roer de grondlak (de primer) goed om breng deze met een fijn penseeltje of n een lucifer op (afbeelding 2). 4 Als de grondlak goed droog is, kan de eir lak met een penseel opgebracht wordt Roer de lak goed om en breng deze daar enkele malen dun op en laat de lak dat tussen goed drogen.Bijwerken van lakbeschadigingen
natural_image
Illustration of a sewing machine needle cutting fabric, with a ruler partially visible below (no text or symbols)Bijwerken van afbladderende spatschermranden en drempels
Materialen: - Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus. - Grondlak - spuitbus Lak-spuitbus - Polijstpapier (korrelfijnheid 150–300). ● Thinner Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is. 1 Verwijder loszittende bladders. 2 Schuur het beschadigde vlak schoon en reinig het met thinner. 3 Breng het roestverwijderingsmiddel (denk om ogen en huid) met een penseel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af. Maak het vlak goed droog! 4 Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten moet u de spuitbus met gelijkmatige snelheid op een afstand van 20-30 cm van het vlak heen en weer bewegen; zie de afbeelding bescherm de omringende vlakken met karton. 5 Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit een paar maal en laat de lak daartussen een paar minuten drogen.Wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, om- dat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken. Op de volgende manier kunt u de auto wassen: - Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spat-schermranden, enz.) zorgvuldig af. - Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is. - Was de auto met een spons (met of zonder wasmiddel) en veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water. - Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren. - Spoel daarna de auto met schoon water goed na, met name als een koudvettingsmiddel gebruikt is. - Droog de auto af met een schone zachte zeem.Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoschampoo) of 50–100 cm³ gewoon vloeibaar af-wasmiddel op 10 liter water. Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden (gebruik nooit polijstpasta of staalwol). Roestvrijstalen onderdelen kunnen met een chroompoetsmiddel gereinigd worden.WAARSCHUWING!
Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat vocht van de remvoeringen kan verdwijnen! N.B! Bij het wassen moet u de aftapgaten in de portieren en de drier pels telkens goed schoonmaken om te voorkomen dat deze door mo der en vuil verstopt raken. natural_image
Side view of a car's front bumper with red arrows indicating motion or force vectors (no text or symbols present)Automatisch wassen Cleanen In de was zetten
automatische wasinrichting – snel en envoudig, maar...
et een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig hoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat de meeste automa- che wasinrichtingen de auto niet zo effectief en voorzichtig wassen u zelf met de hand met spons en water doet. Normaal wordt het onderstel van de auto in de meeste wasautomaten niet afgespoeld, rwijl dit met name in de winter van groot belang is. et erop, dat eventuele extra uitrusting (extra koplampen, buitenspieis, antennes) goed vastzitten, want anders bestaat er kans dat de erstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Schroef v. liefst de antenne los als dit eenvoudig te doen is. j het wassen in een automatische wasinrichting met borstels moet u armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de plampen leggen. I wordt verhinderd dat de borstels de armen pakken en het wisserechanisme beschadigen. B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale and te brengen als het wassen klaar is. as uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels! as uw auto de eerste zes maanden liefst niet in een automatische isinrichting (omdat de lak dan nog niet hard genoeg is). enk eraan, dat wassen in een automatische wasinrichting wassen at de hand nooit kan vervangen!Cleanen en in de was zetten
U moet de auto cleanen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en als u de lak een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter. Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gecleaned te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren. U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat cleanen en/of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Moeilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak ("rubbing") verwijderd worden. Polijst eerst met polish en zet de auto daarna met vloeibare of vaste was in de was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was. Bij uw Volvo-dealer is originele Volvo polish en was verkrijgbaar.Bekleding reinigen
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt. Vermijd schuren en schrobben met een harde borstel. Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zij ingedroogd zijn. De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of weggeschuurd worden.Ontvlekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90%-ig) wordt met 3 dl water gemengd. Ammonlak-zeep-oplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt met 1 dl zeepwater gemengd (zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen). Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoeveelheden perchloorethyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Perchloorethyleen-benzine moet niet voor vochtige materialen gebruikt worden. Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden.Spiritus
TerpentineWAARSCHUWING!
Denk eraan dat perchloorethyleendampen erg giftig zijn. Let erop dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden. Denk er ook om dat wasbenzine, spiritus en terpentine brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlekken zo snel mogelijk. Verwijder het grootste deel van de viek met een bot mes of iets dergi- lijks. Zuig van de vlek zo veel mogelijk met schone witte doeken op. Stofzu rondom de vlekken, zodat omringend vuil niet oplost. Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolger het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herha de behandeling tot de vlekken verdwenen zijn.Denk aan het volgende:
- Bij verfvlekken (b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift) moet heel voor zichtig gewerkt worden met het ontvlekkingsmiddel, omdat o kleurstof in de vlek opgelost kan worden en de vlek daardoor grote wordt. - Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kan het schuimplastic in de zitting beschadigen. - Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.Vlekken op leer en vinylbekleding behandeler
Krab of wrijf nooit op een vlek. Gebruik noplt sterke ontvlekkingsmiddelen. Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpentine iets dergelijks gebruiken. Reinig daarna met een zwakke zeepoplossing en lauw water. Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft u Volvo-garage gaarne alle inlichtingen.Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat. En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom over: Volvo Service 80 om aan te denken! 81 de motorruimte 83 motorolie, controleren en verversen 84 versnellingsbakolie, achtersolie, peil controleren 86 stuurbekrachtiging, koppeling, remmen, vloeistofpeil controleren 88 carrosseriesmering 89 koelvloeistof controleren en vervangen 90 V-riemen, controleren 91Volvo Service
Deze inspectie moet uw auto krijgen
Voordat u uw auto in ontvangst nam, heeft deze twee inspecties gehad. De eerste werd in de fabriek uitgevoerd en de tweede was de afleveringsinspectie die door uw Volvo-dealer volgens de instructies van de Volvo-fabrieken werd uitgevoerd. De garantie-inspectie moet de auto na 1000-2000 km krijgen. Breng de auto liefst naar de dealer die de auto geleverd heeft. Bij de garantie-inspectie worden veel controles uitgevoerd, terwijl ook de olie in de motor, de versnellingsbak en de achterasoverbrenging ververst worden.Preventief onderhoud
De verzorging van uw auto door Volvo eindigt niet met de garantie-inspectie. Volvo heeft een serviceprogramma ontwikkeld met regelmatige controle- en onderhoudsmaatregelen die nodig zijn om tussen de inspectiebeurten de verkeers- en bedrijfszekerheid van de auto te behouden. Het serviceprogramma van Volvo is flexibel en houdt rekening met milieu- en klimaatomstandigheden, wettelijke bepalingen, enz. Dit betekent ook dat van land tot land bepaalde variaties kunnen voorkomen met betrekking tot de inhoud en de intervallen van de inspecties. Alle inspectie-intervallen zijn op normaal autogebruik berekend. Als u van mening bent dat uw rijstijl meer dan normaal van de auto vergt, moet u passende service-intervallen met uw dealer bespreken. Dan kunt u ook aan de weet komen welke maatregelen tot het programma behoren.BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van onze garantievoorwaarden stellen wij als absolute eis dat genoemde garantie-inspectiebeurt wordt uitgevoerd bij ongeveer de juiste kilometerstand en dat de auto overeenkomstig de instructies van deze handleiding is onderhouden, dat b.v. de voorgeschreven olieverversingen en de 1000 km inspectiebeurten bij de juiste kilometerstand worden uitgevoerd en ook dat reparaties en inspectiebuerten bij een erkende Volvo-garage zijn uitgevoerd.Servicehandboeken – voor u met uw technische belangstelling
Als u meer over de constructie wilt weten dan in deze handleidi verteld kan worden en als u nauwkeurige informatie over afstelling en reparaties wilt hebben, moet u Volvo Servicehandboeken hebb Dit zijn dezelfde boeken als in Volvo-garages gebruikt worden er kunt deze via uw Volvo-dealer of rechtstreeks van Volvo betrekkenDenk eraan dat...
- onderhoud nodig is om de auto in een verkeers- en bedrijfszek toestand te houden. - uitgesteld onderhoud de kans op een grotere uitstoot van milkingevaarlijke uitlaatgassen meebrengt. - onderhoud het eenvoudigst en best bij een Volvo-garage uitgevolkan worden. Deze heeft voor het merk gespecialiseerd person met speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur. - elke onderhoudsbeurt wordt afgesloten met een stempel in garantie/serviceboekje. Een „goed-gestempeld” garantie/servi-boekje verhoogt de tweedehandswaarde van de auto.enk aan het volgende, voordat u aan uw auto gaat werken:
w auto heeft een wisselstroomdynamo!
j werkzaamheden aan de elektrische installatie moet u aan het vol- ende denken, omdat u anders kostbare en tijdrovende reparaties aan dynamo krijgt. Overtuig u ervan dat de accukabels goed aangesloten zijn en stevig vastzitten. Als bij het starten een hulpaccu gebruikt wordt, moet de +pool aan de +pool en de -pool aan de massa aangesloten worden. Maak nooit een accukabel los bij draaiende motor (b.v. bij het vervangen van een accu). Maak bij elektrisch lassen eerst de massakabel van de accu en daarna alle kabels naar de dynamo los. Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgemaakt zijn. Snelladers mogen als hulp bij het starten gebruikt worden, maar zij moeten uitgeschakeld zijn, als de kabels aangebracht en verwijderd worden.jectiesysteem van de motor
s bij alle werkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem ervoor dat geen vuil in het systeem komt. erkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem moet u overlaten n een Volvo-garage die de juiste apparatuur heeft.」to opkrikken
de auto met een brug met hefarmen of met een garagekrik om- oggebracht wordt, moeten de vier opkrikpunten (twee aan elke nt, zie de afbeelding) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel spe- al versterkt. gebruik van een garagekrik kan deze ook onder het gegoten achter- luis of onder de vooras midden tussen de voorwielen aangebracht rden. dit laatste geval dient de afschermplaat onder de motor verwijderd natural_image
Side view of a silver sedan with two red arrows pointing to the side (no text or symbols)WAARSCHUWING!
- De krik moet op een vaste, horizontale ondergrond staan. - Kruip nooit onder de auto, als deze op de krik staat! - Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden. - Trek de handrem aan, schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak – stand P bij een automatische versnellingsbak. - Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor grote houtblokken of stenen. bar
| Category | Value | |---|---| | Red Square | 82 |Motorolie
Oliepeil altijd bij het tanken controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut nadat de motor afgezet is. Veeg vóór de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het kader van de peilstok liggen. De afstand tussen het merkteken MAX en MIN van de peilstof is ca 2 liter.Eventueel olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagin De biivuldop moet recht omhooggetrokken worden. Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt - 6 ^1/2 liter a gelijktijdig het oliefilter vervangen wordt en anders 6 liter, komt h oliepeil ongeveer in het midden van het kader van de peilstok te ligge d.w.z. midden tussen de merkt kens MAX en MIN hetgeen gehe normaal is. Vul niet met teveel oli dan wordt het olieverbruik hoge Motorolie aftappen
U kunt bij de aftapplug komen via een gat in de voorste afschermplaat van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is. WAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!Oliefilter vervangen bij olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg. Als het oliefilter vervang wordt zonder dat de olie ververst wordt, moet 1/2 liter motorolie t gevuld worden.liekwaliteit:
olgens API Service SE-CC API Service SF-CC nthetische of halfsynthetische olies mogen gebruikt worden als deze aan bovenstaande ^2 I-normen voldoen. B! Olies met de codering SE-CD mogen niet gebruikt worden. iscositeit (bij constante luchttemperatuur) bar
| Speed (W) | Temperature (°C) | |---|---| | 0W/30 | -22 | | 10W/30 | -4 | | 10W/40 | -10 | | 15W/50 | 14 | | 20W/50 | 32 | | 30 | 10 | | 40 | 20 | | 86 | 68 | | 104 | 86 | | 40 | 40 | The chart displays a single red bar at -30°C to 40°C with a scale of 104 °F. The bars are ordered from left to right based on their temperature ranges.Versnellingsbakolie (handgeschakelde versnellingsbak) Achterasolie
Handgeschakelde versnellingsbak
Het oliepeil moet tot aan de peil/bijvulplug staan. De versnellingsbak en de overdrive worden met dezelfde olie gesmeerd. Indien nodig, moet via het peil/bijvulgat olie bijgevuld worden. Wacht totdat u ziet dat de olie naar de overdrive kan overlopen. Oliekwaliteit: ATF-olie type F of G bij alle temperaturen. Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 1000-2000 km. Achterasoverbrenging
De olie moet tot aan de peilplug staan. Indien nodig, moet via het p gat olie bijgevuld worden. Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C), SAE 90 of SAE 80 W/9 Oliepell controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 100 2000 km.Versnellingsbakolie (automatische versnellingsbak)
natural_image
Close-up of an automotive engine bay with visible hoses and a red arrow pointing to a component (no text or symbols)utomatische versnellingsbak
het controleren van het oliepell moet u het gende doen: t de auto horizontaal en laat de motor statloir lopen. Breng de keuzehendel via alle ver-ellingen in stand P. Wacht twee minuten en entroleer het oliepeil. Op bovenstaande ening is zichtbaar dat de peilstok een pude" en een „warme" kant heeft. Het olie- I moet tussen de streepjes MAX en MIN gen. Veeg de peilstok af met een nylonlap, bier of zeemleer of met een lap die geen ten op de peilstok achterlaat. N.B! De olie- erg heet zijn! Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de streepjes MAX en MIN is een halve liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie eruit gooien. Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet als deze nog koud is. Oliekwaliteit: ATF-olie type G (of F) bij alle temperaturen. Ollepeil controleren: bij elke inspectiebeurt, maar tenminste elk half jaar. Olie verversen behoeft normaal niet. Maar bij auto's die vaak met een aanhanger rijden of op andere manier zwaar belast worden, moet de olie elke 40 000 km ververst worden.WAARSCHUWING!
Mors nooit olie op de hete uitlaatpijpen! Brandgevaar!Stuurbekrachtigingsvloeistof Rem- en koppelingsvloeistof
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Het peil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. De hoeveelheid tussen deze streepjes is 0,2 liter. Oliekwaliteit: ATF-olie. Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen behoeft niet.Remvloeistof, koppelingsvloeistof
De rem- en koppelingsvloeistof hebben tezamen een reservoir. Het moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. Vloeistoftype: remvloeistof DOT4 (of SAE J 1703). Vloeistofpell controleren: altijd bij het tanken. Vloelstof verversen: om de 3 jaar N.B! Bij auto's waarmee zo gereden wordt dat de remmen vaak zwaar gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen, moet vloeistof elk jaar ververst worden. Dit verversen behoort niet tot e inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een spectiebeurt bij een Volvo-garage te laten doen.Carrosseriesmering
  'ortieruitstellers| Smeerplaats (aantal) | Smeer-middel | Nr | Smeerplaats (aantal) | Smeer-middel | Smeer de carrosserie een of meer malen per jaar; dan voorkomt u piepen en onnodige slij-tage. |
| Motorkapslot (1) | Paraffine | 7 | Raammechanismen (4) | Olie, vet | |
| Motorkapscharnieren (2) | Olie | Sluitingen (binnenkant portieren) (4) | Siliconen-vet | N.B! | |
| Portieruitstellers (4) | Olie | In de wintermaanden moeten ook de sloten van de portieren en het kofferdeksel met een middel dat vastvriezen voorkomt (slotenolie) | |||
| Windscherm, schuifdak (1) | Olie | 8 | Rails (4) en blokkeer-inrichtingen (2) | Olie | |
| Portiersloten, buitenste glijvlakken (4) | Paraffine | 9 | Sleutelgaten (2) | Slotenolie | behandeld worden. |
| Slotje kofferdeksel (1) | Olie | 10 | Sluitplaten (4) | Paraffine | |
| Sleutelgat (1) | Slotenolie |
Koelvloeistof
Koelvloeistof altijd bij het tanken controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is. Schroef, als de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ontsnappen.Koelvloeistof om de 3 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Verwijder de dop van de expansietank (voorzichtig als de motor warm is). 2 Zet van het verwarmingssysteem de TEMP-bediening op maximale warmte – WARM. Draai de kranen aan weerskanten van het motorblok open. 3 Maak de onderste slang los bij de radiator.Vullen
4 Draai de kranen dicht en bevestig de slang volgens 2 en 3 hierboven. 5 Vul de expansietank tot het MAX-streepje nog iets verder. 6 Laat de motor warmdraaien en controleer het koelsysteem niet lekt en vul dan weer t het MAX-streepje met koelvloelstof.Samenstelling van de koelvloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebru het gehele jaar een mengsel van 50% Voh anti-vrles, type C (blauwgroen) en 50% wate N.B! De motor is van een aluminiumlegerij gemaakt zodat het belangrijk is om Volvo an vries te gebruiken. Deze heeft een bijzond goede corroslewerende werking! Verschille de koelvloeistoffen mogen niet met elkaar g mengd worden! Door de anti-vries wordt in de zomer corrosion en in de winter ook ijsvorming voorkomen. A de auto nieuw is, is het koelsysteem gevu met koelvloeistof die tegen -35°C kan. Inhoud van het koelsysteem: ca 10 liter. Koelvloelstofpeil controleren: altijd bij h tanken. Koelvloeistof verversen: om de 3 jaar in herfst, als het koelsysteem voor 50 % m Volvo anti-vries, type C en voor 50 % met wat gevuld is. Als het koelsysteem met een andere anti-vri gevuld is, moet deze vaker ververst wordt b.v. om het jaar in de herfst.V-riemen (ventilatorriemen)
 Ventilatorriemen en V-riemen voor de stuur- bekrachtiging en airconditioning
Riem 1 en 2 Ventilator, dynamo en waterpomp Riem 3 Stuurbekrachtiging Riem 4 AirconditioningLaat een Volvo-garage de riemen afstellen en vervangen
Door de plaats van de riemen kan het erg lastig zijn om zelf een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit daarom aan een Volvo-garage over. Riem 1 en 2 moeten altijd als stel vervangen worden! natural_image
Simple line drawing of a pulley system with three wheels and an arrow indicating direction (no text or symbols)Riemspanning controleren
De riemen moeten met normale kracht in het midden 5–10 mm ingedrukt kunnen worden. Als de riemen kortgeleden vervangen zijn, moet de spanning na 1000–2000 km gecontroleerd en eventueel afgesteld worden.Toestand van de riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vuile riemen kunnen de oorzaak zijn van een slechte koeling en dynamovermogen en ook van een slecht werkende stuurbekrachtiging en airconditioning,Specifications
Specificaties en technische gegevens
Nieuwe eenheden
In het onderstaande hoofdstuk van de handleiding worden voor de specificaties de nieuwe SI-eenheden gebruikt. De oude eenheden zijn tussen haakjes vermeld. De in de handleiding gebruikte nieuwe eenheden zijn: kW - kilowatt als eenheid van vermogen oude eenheid pk (paardekracht) 100 kW = ca 136 pk Nm - neuwtonmeter als eenheid van koppel oude eenheid kgm (kilogrammeter) 100 Nm = ca 10 kgm r/s - omwentelingen per seconde oude eenheid t/min (omwentelingen per minuut) 100 r/s = 6000 t/min kPa - kilopascal (druk van vloeistoffen, gassen) oude eenheid kg/cm² 100 kPa = ca 1 kg/cm²Maten en gewichten
Lengte 479 Breedte 176 Hoogte 144 Wielbasis 277 Spoorbreedte, vóór 146 Spoorbreedte, achter 146 Draaicirkel 9.9 Rijklaargewicht (afhankelijk van de uitvoering) 1305-1330 Toegestane belasting (excl. de bestuurder)\* 490-515 Totaalgewicht 1820 Maximumasdruk, voor 930 Maximumasdruk, achter 930 Maximumdakbelasting 100 Maximumaanhanger- gewicht (normaal klimaat) 1500 (warm klimaat) 908 Zie ook pag. \* De toegestane maximumasdruk mag nooit ov schreden worden!ype-aanduidingen
alle contacten met uw Volvo-dealer over de to en bij het bestellen van service-onderlen en accessoires kan het gemakkelijk zijn u de type-aanduiding, het chassisnummer het motornummer van de auto kent. Type- en modeljaaraanduiding en chassis-nummer Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op de achterwand van de bagageruimte. Type-aanduiding, toegestane maximum-gewichten en codenummers voor lakkleur en bekleding Plaatje op het rechter binnenscherm. Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer van de motor Aan de linker kant van de motor. Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer a handgeschakelde versnellingsbak: aan de onderkant. \- automatische versnellingsbak: aan de linker kant. Overbrengingsverhouding, onderdeel- en labricagenummer van de achteras Sticker op het linker deel van de achteras. Serviceplaatje Plaatje in de bagageruimte op de afdekplaat onder de achterruit, aan de rechter kant. Smeermiddelen
Motor
Oliekwaliteit: Volgens API Service { SE-CC SF-CC Synthetische en halfsynthetische olies mogen gebruikt worden als zij aan bovenstaande API-normen voldoen. N.B! Olies met de codering SE-CD mogen niet gebruikt worden. Olie-inhoud: excl. oliefilter 6,0 liter incl. oliefilter 6,5 liter Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olie-temperatuur en een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/50 of SAE 20 W/50 motorolie aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze olies! Viscositeit (bij constante luchttemperatuur) bar
| Speed (W) | Value | |---|---| | 0W/30 | -22 | | 5W/30 | -4 | | 10W/30 | 14 | | 10W/40 | 32 | | 15W/50 | 68 | | 20W/50 | 86 | | 30 | 104 | The chart displays a single red circle at -30°, indicating a reference point. The bars are ordered rightward, showing that higher wind speeds correspond to higher SAE values. The legend is implicit in the color coding: red for lower SAE, white for higher SAE. The x-axis represents the SAE value in degrees Celsius.Versnellingsbak
Oliekwaliteit: ATF-olie, type F of G (handgeschakeld) ATF-olie, type G (eventueel F) (automaat) Olie-inhoud: { Handgeschakeld 2,3 lit Automaat 7,5 literAchteras
Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C) SAE 90 of 80 W/90 Olie-inhoud: 1,6 literStuurbekrachtiging
Oliekwaliteit: ATF-olie Olie-inhoud: 1,2 literRemvloeistof en koppelingsvloeistof
Vloeistoftype: Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703) Vloeistofinhoud: ca 0,4 literIotor
atergekoelde benzinemotor. cilinder V-motor waarbij de cilinders onder een hoek van 90° aan. et motorblok is van aluminium en is voorzien van verwisselbare itte, gietijzeren cilindervoeringen. a lichtmetalen cilinderkop heeft gescheiden in- en uitlaatkana- n. vee bovenliggende nokkenassen, één aan iedere kant. 3 smering wordt verzorgd door een tandwielpomp die door de ukas wordt aangedreven. et oliefilter is van het full-flow type. andstofsysteem met brandstofinspuiting. at koelsysteem is een gesloten overdruksysteem.ype-aanduiding
irmogen, DIN oppel, DIN linderaantal linderdiameter aglengte linderinhoud ompressieverhouding epspeling, koude motor inlaatkleppen uitlaatkleppenB28E
115 kW bij 95 r/s (156 pk bij 5700 omw/min) 235 Nm bij 50 r/s (24,0 kgm bij 3000 omw/min) 6 91 mm 73 mm 2,85 dm³ (2,85 liter) 9,5:1 0.10-0.15 mm 0,25–0,30 mmKoelsysteem
Type Thermostaat gaat open bij Ventilatorriem Gesloten, overdruk 92°C HC-38-1100 (2 st)Brandstofsysteem
Brandstofinspuiting volgens CI-systeem.Ontsteking
Ontstekingsvolgorde Ontstekingstijdstip. stroboscoopafstelling (vacuümregelaar losgenomen) Bougies\*\* 1-6-3-5-2-4 10°+2° vóór B.D.P. bij 12-13 r/s (700-800 omw/min) Volvo setnr 273541-3 (Champion BN9Y\*) 0.6-0.7 mm 12±2 Nm (1,2÷0,2 kgm) Rechtsom \* of dienovereenkomstig \*\*mogen niet worden verwijderd als de motor warm is.Specifications
Transmissie
Volautomatische versnellingsbak (AW 71), bestaande uit een hydraulische koppelormvormer met planetaire versnellingsbak. In bepaalde landen als alternatief een handgeschakelde, geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak (M46) met overdrive. Enkelvoudige, hydraulisch bediende koppeling. Versnellingsbak| Type-aanduiding | M46 | AW71 |
| Overbrengingsverhouding | ||
| 1e versnelling | 4,03:1 | 2,45:1 |
| 2e versnelling | 2,16:1 | 1,45:1 |
| 3e versnelling | 1,37:1 | 1:1 |
| 4e versnelling | 1:1 | - |
| overdrive | 0,79:1 | 0,69:1 |
| achteruit | 3,68:1 | 2,21:1 |
| Overbrengingsverhouding | 3,54:1 |
| Versnellingsbak | M46 |
| Achterasoverbrenging | 3,54:1 |
| 1e versnelling | 8 |
| 2e versnelling | 16 |
| 3e versnelling | 24 |
| 4e versnelling | 34 |
| overdrive | 42 |
| achteras | 9 |
| Motor Versnellingsbak | 1e | 2e | 3e | 4e |
| B28E, M46 | 0–50 | 20–80 | 35–130 | 45-* |
lektrische installatie
-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Impolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is op het chassis aangesloten.| vanning | 12 volt |
| cu, capaciteit | 55 Ah |
| elektrolyt, s.g. | 1,28 |
| moet worden geladen bij | 1,21 |
| namo, maximumvermogen | 980 W |
| maximumstroomsterkte | 70 A |
| artmotor, vermogen | 1,1 kW (1,5 pk) |
| peilampen, 12 V | Vermogen | Fitting | Aantal |
| plampen | 60/55 W | H4 | 2 |
| rstralers of mistlampen | 55 W | H3 | 2 |
| rkeerlichten, vóór | 21/5 W(32/3 CP) | BAY 15 d | 2 |
| shtingaanwijzers, vóór | 21 W | BA 15 s | 2 |
| achter | 21 W | BA 15 s | 2 |
| Gloeilampen, 12 V | Vermogen | Fitting | Aantal |
| Achterlichten | 5 W | BA 15 s | 2 |
| Remlichten | 21 W | BA 15 s | 2 |
| Remlichten/achterlichten (bepaalde landen) | 21/5 W | BAY 15 d | 2 |
| Achteruitrijlichten | 21 W | BA 15 s | 2 |
| Mistachterlamp(en) | 21 W | BA 15 s | 1 of 2 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 W | W 2,1×9,5 d | 2 |
| Waarschuwingslamp, portieren | 3 W | W 2,1×9,5 d | 4 |
| Plafondverlichting | 10 W | SV8,5 | 1 |
| Leeslampjes, vóór | 5 W | W 2,1×9,5 d | 2 |
| achter | 5 W | W 2,1×9,5 d | 2 |
| Motorruimteverlichting | 10 W | SV8,5 | 1 |
| Bagageruimteverlichting | 10 W | SV8,5 | 1 |
| Handschoenenkastje, verlichting | 2 W | BA 9 s | 1 |
| Instrumentenverlichting | 3 W | W 2,1×9,5 d | 2 |
| Verlichting, bedieningspaneel | 1,2 W | W 2×4,6 d | 12 |
| automatische versnellingsbak | 1,2 W | W 2×4,6 d | 1 |
| asbakje achter | 1,2 W | W 2×4,6 d | 1 |
| autogordelsluiting | 1,2 W | W 2×4,6 d | 1 |
| Waarschuwingslampje, laadstroom | 1,2 W | * | 1 |
| oliedruk | 1,2 W | * | 1 |
| handrem | 1,2 W | * | 1 |
| defect remcircuit | 1,2 W | * | 1 |
| defecte gloeilamp | 1,2 W | * | 1 |
| Controlelampje,‘ autogordels, achterbank | 2 W | BA 9 s | 2 |
| richtingaanwijzers | 1,2 W | * | 1 |
| grootlicht | 1,2 W | * | 1 |
| overdrive | 1,2 W | ^ | 1 |
| waarschuwingsknipperlichten elektrische achterruit- verwarming | 1,2 W | * | 1 |
| mistachterlamp | 1,2 W | * | 1 |
| motoroliepeil | 1,2 W | * | 1 |
| sproeiervloeistof | 1,2 W | * | 1 |
| autogordels vóór | 1,2 W | * | 1 |
Specifications
Voortrein
Voorwielophanging van het type MacPherson. De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd. Stuurinrichting met tandheugel. De stuurkolomas is van het veiligheidstype. De afstelwaarden gelden – bij de velg opgemeten – voor een onbelaste auto, incl. brandstof, koelvloeistof en reservewiel. Toespoor (Toe-in), op de velg opgemeten 3,5±1 mm bij de zijkant band opgemeten 4,5±1 mmBanden
Luchtdruk in kPa (kilopascal) 100 kPa (kilopascal) = 1 kg/cm² Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden: pounds/square inch (psi).| Model | Banden | 1-3 personen | Vollast | ||
| Vóór | Achter | Vóór | Achter | ||
| 760 GLE | 195/60 HR 15 | 190 (27) | 190 (27) | 210 (30) | 230 (32) |
| Reserveband „Special Spare“ | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) | 280 (40) | |
natural_image
Black toolbox containing various wrenches and screwdrivers (no visible text or labels)| Brandstoftank | ca 66 liter |
| Koelsysteem | ca 10 liter |
| Motorolie, incl. oliefilter | 6,5 liter |
| Versnellingsbakolie,4-bak met overdrive | 2,3 liter |
| automaat | 7,5 liter |
| Achterasolie | 1,6 liter |
| Stuurbekrachtiging | 1,2 liter |
| Reservoir spreiervloeistof | 5,2 liter |