343 (1981) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 343 (1981) VOLVO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over 343 (1981) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 343 (1981) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 343 (1981) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 343 (1981) VOLVO
Anti-roestbehandeling controleren en bijwerken
Aanvulling bij handleiding, Volvo 340
Waardoor ontstaat roest?
Roest, of ijzeroxyde zoals de chemische naam is, ontstaat, wanteer ijzer of staal in contact met water komt. Zelfs de luchtvochtigheid is al voldoende om roest te doen ontstaan. Bovendien kunnen bepaalde ongunstige omstandigheden de roestvorming versnellen:
- Indien de lucht verontreinigingen bevat, zoals chloriden, zwavelverontreinigingen, kooldioxyde, zoals in industriecentra gewoonlijk het geval is.
- in het kustgebied, waar de lucht extra zout is.
- bij voortdurend rijden op wegen, die gepekeld zijn.
Reeds in de fabriek kreeg uw Volvo een zeer nauwkeurige en volledige anti-roestbehandeling. Wat kunt u, als eigenaar van de auto, toen om deze bescherming te behouden? Ja zeker u, want er zijn vooral twee zeer effectieve methoden:
Houd uw auto schoon!! Spoel onder hoge druk de onderkant van de auto, de wielkuipen en de randen van de spatschermen goed schoon!
- Controleer de anti-roestbehandeling regelmatig en werk deze zo nodig bij!! (Voor het bijwerken moet de temperatuur van de auto tenminste +10 °C zijn.)
De onzichtbare anti-roestbehandeling
De „onzichtbare“ anti-roestbehandeling (in kokerbalken, ruimten met gaten en afgesloten gedeelten) moet voor de eerste keer na ten hoogste drie jaar en vervolgens tenminste om het jaar vernieuwd worden. Vraag advies bij uw Volvo garage en laat hen u hierbij helpen. Als u dat wilt, kunt u echter ook zelf de anti-roestbehandeling enigszins bijwerken. Het beste kunt u dan roestbeschermingsmiddelen gebruiken, die momenteel in de handel zijn, zowel in spuitbussen als voor bijwerken met een penseel. Een gewone drukoliekan met een lange en liefst buigzame tuit is bijzonder geschikt om bij nauwe plaatsen te kunnen komen.
Voor deze behandeling moet u een dunne, penetrerende anti-roest-vloeistof (ML) gebruiken. De afbeeldingen op het volgende blad tonen, waar u de vloeistof kan inspuiten (de gaten zijn al geboord).
Zorg ervoor, dat u bij de behandeling een goede ventilatie heeft. Lees eerst de instructies op de verpakking van het anti-roest-middel!!
Denk er echter om, dat een dergelijke behandeling slechts een aanvullende behandeling is! Indien u volledig resultaat wilt hebben, moet in alle ruimten met gaten, kokerbalken en afgesloten gedeelten het anti-roestmiddel verneveld worden in een werkplaats, die over de juiste spuitapparatuur en mondstukken beschikt.
Inhoud
| pagina | pagina | ||
| Inleiding | 2 | Starten en rijden | 30 - 41 |
| totaaloverzicht dashboard | 4 | starten van de motor | 32 |
| versnellingsstanden | 33 | ||
| Beschrijving | automatische transmissie | 34 | |
| bedieningsorganen | 6 - 17 | rijden met een caravan | 38 |
| instrumenten | 6 | ||
| stuurhendels | 10 | ||
| dashboardschakelaars | 12 | ||
| verwarming en ventilatie | 16 | ||
| Service en onderhoud | 42 - 83 | ||
| Beschrijving van de uitvoering | 17-29 | voorzorgsmaatregelen tijdens onderhoudswerkzaamheden | 45, 58 |
| stoelen | 20 | motorolie | 48 |
| veiligheidsgordels | 22 | koelsysteem | 54 |
| portieren en sloten | 24 | zekeringen | 59 |
| achterklep en bagageruimte | 26 | vervangen van gloeilampen | 60 - 67 |
| motorkap | 29 | verwisselen van een wiel | 70 |
e inhoudsopgave is meer bedoeld als imene verwijzing naar bepaalde tekst- eelten, dan als exacte bladwijzer.
open boven de pagina's vergemak- in het zoeken bij het snel doorbla- en.
ndex op pag. 94 tot 96 daarentegen vijst nauwkeurig naar de gezochte in- atie.
Technische specificaties 84 - 93
| specificatie smeermiddelen | 88 |
| specificatie motor | 89-90 |
| specificatie elektrische installatie | 91 |
INDEX 94 - 96
inleiding

Deze handleiding bevat de benodigde informatie om uw Volvo 343 of 345 op de juiste manier te gebruiken en onderhouden
Deze handleiding is gebaseerd op de MT (handgeschakelde transmissie) en AUT (automatische transmissie) uitvoeringen van de Volvo 343/345 DL. Belangrijke verschillen tussen de diverse modellen zijn als volgt aangegeven: (GLS, DLS) of (niet L).
Gezien het feit dat wij proberen deze handleiding geschikt te maken voor alle uitvneringen van deze modellenreeks, is het niet uitgeslofen dat u bepaalde gegevens tegenkomt, die op uw auto niet van toepassing zijn. Mocht u enige twijfel hieromtrent koesteren, dan verzoeken wij u contact op te nemen met uw Volvo dealer
Als u meer uitvoerige beschrijving wenst over afstellingen of reparaties verwijzen wij naar onze werkplaatsha boeken, die u via uw dealer kunt bestel
De technische gegevens en opgave, treffende de constructie, evenals de beeldingen in de handleiding zijn bindend. Wij behouden ons het recht v hierin wijzigingen aan te brengen zor voorafgaande kennisgeving.
sleutels

ntact- / stuurslot

Voorportieren, achterklep

De contactsleutels zijn uit veiligheids- overwegingen voorzien van een label, waarop het sleutelnummer staat (Een buitenstaander zou het sleutelnummer kunnen noteren en zodoende een duplic- caat kunnen verkrijgen.) Verwijder de la- bel en berg deze veilig op. opdat u altijd over het sleutelnummer kunt beschikken.
instrumenten en bedieningsorganen

instrumenten en bedieningsorganen
Beschreven op pagina:
Instelbaar ventilatiemondstuk 16
Richtingaanwijzers, dimschake-
laar, grootlichtsignaal,
claxon (L) 10
Instrumentenpaneel GL, DL, L 6
Instrumentenpaneel GLS, DLS 8
Controle- en waarschuwings- lampen GL, DL, L 7
Controle- en waarschuwings- lampen GLS, DLS 9
Defroster voorruit 16
Ruitewisser en ruitesproeier 11
Frisse-luchtblaasmonden 17
Regeling verwarming 16
Defroster zijruit 16
Motorkapvergrendeling 29
Lichtschakelaar 12
Choke 14
edieningsknoppen
Claxon (niet L)
Contact-, stuurslot 14
Schakelaar luchtaanjager 16
Schakelaar lage-versnellings-
and 34
Asbak 15
Schakelaar waarschuwings-
knipperlichten 13
Sigare-aansteker 15
Op de pagina's 6-19 vindt u een uitgebreide beschrijving van alle instrumenten en bedieningsorganen van de auto.
Bedenk echter wel, dat er verschillen kunnen bestaan in de uitvoering van de auto's voor de diverse landen o.a. door afwijkende wettelijke voorschriften.
instrumentenpaneel

GL, DL en L (behalve de klok)
Snelheidsmeter
A Kilometerteller
Geeft het aantal kilometers aan.
B Dagteller
Het cijfer geheel rechts geeft het aan meters in honderdtallen aan.
C Knop om dagteller op nul in te stel Indrukken
De rode puntjes op de snelheidsmeter ven de aanbevolen maximum snelheder de eerste tweede en derde versnell aan (handgeschakelde versnellingsbak
TEMP
Temperatuurmeter
C koud
N. normaal
H. warn
Onder het rijden moet de wijzer in het groene vak staan.
Kont de wijzer herhaaldelijk in het rode vak (controlelampje brandt), dan moeten het koelvloeistofpeil en de spanning van de ventilatornem worden gecontroleerd (zie pagina's 54 en 56)
TANK
Benzinemeter
C leeg
R reserve
. half vol
F vo
De inhoud van de benzinetank is ongeveer 46 liter
Indien de wijzer zich in het rode vak bevindt en de gele waarschuwingslamp gaat branden dan is er nog ongeveer 5 liter aanwezig
Klok (niet L)
De knop voor het gelijkzetten van de bevindt zich onder het instrumente, neel rechts van de stuurkolom.
Omhoog drukken en draaven
Accessoire te verknijgen bij uw dealer een toerenteller voor montage in het strumentenpaneel in plaats van de klok
waarschuwings- en controlelampjes

ze vier waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden onder geen voor- arde branden:
Laadstroom
dit lampje onder het rijden gaat bran- moet men stoppen en de spanning de ventilatorriem controleren (zie pa- 156).
Oliedruk
het lampje onder het rijden gaat bran- s de oliedruk van de motor te laag de motor direct af en controleer het oroliepeil, pagina 48. de motor zwaar belast is geweest kan gebeuren, dat het lampje gaat bran- zodra de motor met stationair toe- draait. Dit is normaal, als het lampje ste weer uitgaat wanneer gas wordt even.

Handrem (parkeerrem)
Deze lampen branden zodra de handrem (parkeerrem) tussen de voorstoelen is aangetrokken, terwijl het contact aan- staat.

Remvloeistofniveau
Het lampje waarschuwt als het niveau van de remvloeistof in het reservoir beneden het minimum is.
Rijd de auto met de nodige voorzichtigheid naar een garage ter controle (zie ook pagina's 41 en 52).
Controlelampjes
Deze lichten op zodra het aangeduide in werking is gesteld.

linker richtingaanwijzers

choke


waarschuwings-knipperlichten

waarschuwingslamp, autogordeis

lichtsignaal


grootlicht


mistachterlamp, indien gemonteerd

automatische transmissie in lage-versnellingsstand

parkeerlichten

rechter richtingaanwijzers
instrumentenpaneel met toerenteller

GLS, DLS
rpm x 100
Toerenteller
Geeft het motortoerental aan in honderdtallen van omwentelingen p/minuut. Het wijzertje mag niet in het rode vak van de schaal komen.
Het wijzertje mag slechts eventjes in het gestreepte vak komen (b.v. bij het accelereren voordat men een hogere versnelling kiest)

Temperatuurmeter
C koud
N normaal
H warm
Onder normale rijomstandigheden moet het wijzertje ongeveer in het midden van de schaal staan (N). Komt het wijzertje herhaaldelijk in het rode vak (waarschu wingslamp licht op) dan moeten het koelvloeistofpeil en de spanning van de ventilatorriem worden gecontroleerd (zie pagina's 55 en 56).
Snelheidsmeter
A Kilometerteller
Geeft het aantal kilometers aan
B Dagteiler
Het cijfer geheel rechts geeft het aan meters in honderdtallen aan.
C Knop om dagteller op nul in te stell Indrukken

Benzinemeter
0 leeg
R reserve
half vol
F vol
De inhoud van de benzinetank is ong- 57 liter
Indien de wijzer zich in het rode vak vindt en de gele waarschuwingslamp g branden, dan is er nog ongeveer 5 l aariwezig.
Klok
De knop voor het gelijkzetten van de k bevindt zich onder het instrumenten neel, rechts van de stuurkolom Omhoog drukken en draaien.
controle- en waarschuwingslampjes

ze vier waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden onder geen voor- arde branden:
Laadstroom
dit lampje onder het rijden gaat bran- 1, moet men stoppen en de spanning de ventilatorriem controleren (zie pa- a 56).
Oliedruk
et lampje onder het rijden gaat bran- , is de oliedruk van de motor te laag. de motor direct af en controleer het toroliepeil, zie pagina 49.
de motor zwaar belast is geweest kan gebeuren, dat het lampje gaat branrodra de motor met stationair toe-
draait. Dit is normaal, als het lampje minste weer uitgaat wanneer gas wordt geven.

Handrem (parkeerrem)
Deze lampen branden zodra de handrem (parkeerrem) tussen de voorstoelen is aangetrokken, terwijl het contact aanstaat.

Remvloeistofniveau
Het lampje waarschuwt als het niveau van de remvloeistof in het reservoir beneden het minimum is.
Rijd de auto met de nodige voorzichtigheid naar een garage ter controle (zie ook pagina's 41 en 52).
Controlelampjes GLS, DLS
Deze lampjes lichten op zodra het aangeduide in werking is gesteld

linker richtingaanwijzers

waarschuwingslamp, autogordels

waarschuwingsknipperlichten

choke


mistachterlamp, indien ge- monteerd

rechter richtingaanwijzers
Richtingaanwijzers, grootlichtsignaal en dimlicht
Alle funches voor het geven van signalen in het verkeer zijn gecombineerd in de linker stuurkolomhendel.
Veranderen van richting, passeren (1) Hendel licht naar boven of naar beneden drukken
Normaal alslaan (2)
Rechtsaf hendel naar boven Linksaf hendel naar beneden
(als kuplampen niet branden). Trek deze hendel naar het stuurwiel toe. Het grootlicht brandt nu en blijft branden tot de hendel weer wordt losgelaten.
(als koplampen branden) Om van groot op dimlicht over te selt len en omgekeerd de stuurkolomhe, naar het stuurwiel toe (rekken en veri gens loslaten
rechter stuurkolomhendel

itewissers en ruitesproeiers
itewissers, één keer wissen (1)
jk de hendel één keer licht naar bene-
itewissers, langzaam (2)
uk de hendel naar beneden tot de eerste k'.
Wissers, snel (3)
de hendel verder naar beneden tot tweede 'klik'.

Door de stuurkolomhendel naar boven te drukken treden de ruitewissers ongeveer om de zeven seconden in werking voor gebruik in lichte regen of mist (niet L).

Trek de hendel naar het stuurwiel toe.
Koplampwissers en -sproeiers
Bij modellen, uitgerust met koplampwis- sers en -sproeiers:
Deze werken gelijktijdig met de voorruit-sproeiers.
Accessoire te verkrijgen bij uw dealer: set koplampwissers en -sproeiers voor 343/345.

De gente verbuching van de auto is inige schakeld, incluser het dim- of geoolich. hetgeen afkenkelke is van de sland van de linker stuurhended.

Hoofdverichiting

De parker- en insturmeneverlichung zijn ingeschakeld

ParkerveMichiting

De verlichting van de auto wordt bedend door de draischaeklar aan de linkerkant van het dashboard
Lichschakelaar
schakelaars op het dashboard

Accassore te verkligen di uw dealer en antomatische Idischakelaar voor verwarme achteruit.
Gebuk de achteratuverwarming niet ger dan noodzakeliik (Deze werk alleen als het contact in schakeld staat).
Verwarmde accterruit

schakelaars op de tunnelconsole

Lage-versnellingsstand
het indrukken van deze schakelaar zal automatische transmissie een lagere nelling kiezen (zie pag. 35).
De tunnelconsole kan drie of vier schakelaars herbergen ten behoeve van accessoires.
Alarmschakelaar
Bij ingeschakelde alarminstallatie knipperen alle richtingaanwijzers gelijktijdig. Gebruik de alarminstallatie overeenkomstig de plaatselijke bepalingen en wel dáár, waar uw auto voor het overige verkeer een gevaar kan zijn.
Stuurslot, tevens contact-startschakelaar

Opmerking
Als de auto zo geparkeerd staat dat het stuurmechanisme enigszins onder spanning staat, kan men de blokkering gemak kelijker ongedaan maken door het stuur wat been en weer te draaien
Stand geblokkeerd stuur:
Het stuur wordt pas geblokkeerd, als de sleutel uit het stuurslot wordt genomen.
Rijstand:
Het contact is ingeschakeld. De contactsleutel blijft in deze stand bij draaiende motor.
Startstand:
AUT keuzehendel in stand N. Zodra de motor aanslaat, sleuteltje loslaten. Het veert automatisch terug in de rijstand.
Startbevelliging
Als de motor niet aanslaat, moet de sleutel eerst weer in de blokkeerstand worden gedraaid, voordat opnieuw gestart kan worden.

Trek de chokeknop helemaal uit om e koude motor te starten. Duw daarna knop steeds zover in tot de motor re matig blijft lopen (zie ook pagina 32)

Bij uitgetrokken choke brandt het cont lelampje in het instrumentenpaneel
handrem, asbak, sigare-aansteker

handrem werkt op de achterwielen. bruik de handrem enkele keren per k om de werking te controleren.

Om de asbak te ledigen: het lipje omlaag drukken en de asbak geheel uittrekken.

Druk de knop van de aansteker gemerkt "LIGHTER" geheel in. Als de aansteker terugspringt is deze gereed voor gebruik.

iarschuwingslampen, handrem
dra het contact wordt aangezet, zullen ve lampen oplichten bij aangetrokken em.
verwarming en ventilatie

Instelbare ventilatiemondstukken
Deze worden gevoed met lucht van de verwarming en kunnen elk afzonderlijk worden ingesteld.
A Verticaal
B Horizontaal
C Luchthoeveelheid
open naar boven draaien
dicht: naar beneden draaien
D Onlwaseming zijruit
Deze wordt niet door de instellingen A, B en C beinvloed.

Kachelbediening
Het bedieningspaneel heeft vier schuifregelaars.
COOL TEMP WARM (temperatuur)
warm: de verwarming werkt maximaal.
OFF DEF FLOOR (ventilatieregelaar, links)
del: de lucht wordt verdeeld over de linkerzijde voorruit en de defroster van de linker zijruit.
floor: de lucht stroomt het interieur van onderaf binnen.
FAN 0123
(schakelaar luchtaanjager)
0 uitgeschakeld
1: langzaam
2 snel
3: volle capaciteit
MAX REAR OFF
(achter passagiers, niet L)
blaasmonden geheel open
FLOOR DEF OFF
def: de lucht wordt verdeeld over de rechterzijde voorruit en de delrosler voor de rechterzijru.
floor: de lucht stroomt het interieur va onderaf binnen
Verwarmde achterruit
Tuimelschakelaar naast de verlicht schakelaar (zie pagina 12).

het midden van het dashboard bevinden h twee blaasmonden, waardoor frisse ' wordt aangevoerd
langzaam rijden kan deze luchtstroom sterkt worden door de aanjager.
Verticaal
Horizontaal
schthoeveelheid
den naar boven draaien dicht naar beneden draaien
Regelstanden voor ...


schuifdak, zonnekleppen
Schuifdak (extra)
Het schuifdak heeft twee standen:
Deze worden bediend door de keuzeknop
en de slinger, welke zich tussen beide
zonnekleppen bevinden.
De keuzeknop mag alleen worden ingesteid, als het schwijk in de plaatsen
stand staat.
Dak open stand
Openen: Plaats de keuzeknop in de stand
"ROOF OPEN",
deze linksom.
Sluiten: Trek de slinger omlaag en draai
deze rechtsom
Ventilatiestand
Openen: Plaats de keuzeknop in de stand
"VENT OPEN"
deze rechtsom
Sluiten: Trek de slinger omlaag en draai
deze linksom.
Lijt veiligheidseopouunt moet de slinsser
Uit veiligheidsoogpunt moet de slinger tijdens het nijden altijd weggeklapt zijn

Klap deze omlaag om verblinding do laagstaande zori tegen te gaan Door de arm aan de zijde van de bin spiegel uit de klem te trekken, kan de z neklep opzij gedraaid worden. De zo neklep van de passagier is in een aan landen voorzien van een make-up spigeltje.
binnenverlichting, spiegels

: schakelaar heeft drie standen.
nste stand: lamp blijft aan. udenstand: lamp blijft uit. derste stand: (normaal) zodra een
voorportier geopend wordt, gaat de binnen-verlichting branden.
...roleer of de verlichting uit is wanneer auto geparkeerd staat.

Stel de spiegel altijd in alvorens weg te rijden.
Anti-verblindingsstand (niet L)
Om verblinding door laagstaande zon of door koplampen van achteropkomend verkeer te voorkomen, het hendeltje naar voren duwen.
Accessoire te verkrijgen bij uw dealer: afstandsbediening voor de buitenspiegel(s).

Horizontale instelling: pak de spiegel bij A vast en druk naar voren of naar achteren.
Verticale instelling: pak de spiegel bij B vast en druk naar voren of naar achteren.
Stel de spiegel altijd in alvorens weg te rijden.
Getinte buitenspiegels
Gebruik een ontdooimiddel en een rubber zwabbertje om ijs van de spiegel te verwijderen. Een metalen of hardplastic krabber kan de blauwe anti-verblindingslaag beschadigen.
voorstoelen

1 Verplaatsen in lengterichting
Trek de beugel naar boven om de sto vooruit of achteruit te schuiven.
2 Stand van de rugleuning
Draai de knop naar voren om de rugle ning rechtop te zetten
Door de knop naar achteren te draale kan de rugleuning tot in slaapstand vsteld worden
3 Ontgrendelknop, rugleuning (343
Licht de knop naar boven om de ruglening naar voren te klappen.
Bij het terugklappen valt de rugleunie weer vanzelf in de vergrendeling
Elektrisch verwarmde bestuurder... (extra)
De verwarming schakelt automatisch beneden 15°C en schakelt uit bij extemperatuur van ongeveer 25°C
nderen in de auto
n volwassen persoon met de veiligidsgordel om geniet in een Volvo een er goede bescherming bij een eventuele tsing, een plotselinge uitwijkmanoeuvre abrupt remmen. Om uw kinderen op de ste manier te beschermen tegen letsel ongelukken volgen hier enige raadgegen:
ink eraan dat een kind, ongeacht zijn eltijd en lengte, altijd goed beschermd ent te worden. In het bijzonder mogen eine kinderen nooit op de schoot zitten n personen, die geen veiligheidsgordel n hebben.
vele landen zijn er wettelijke voor- hriften, waar kinderen in een auto beten zitten en hoe deze te beschermen. acht te weten te komen welke voor- hriften in uw land van kracht zijn.
Effectieve bescherming hangt van de li- chaamsbouw van het kind af. Kinderen kunnen voor dit doel in 3 verschillende groepen worden ingedeeld:
1 Kinderen die zo klein zijn, dat zij niet kunnen zitten
Het kind moet dan in een reiswieg, de bak van een kinderwagen of iets dergelijks liggen, zo dat het hoofd naar het midden van de auto gericht is. Om de reiswieg bij een plotselinge uitwijkmanoeuvre of abrupt remmen op zijn plaats te houden, moet deze worden vastgehouden door of de veiligheids-gordel van de achterbank te gebruiken of de Volvo kinderbank tussen de voorstoelen en achterbank te plaatsen. De kinderbank is bij uw Volvo dealer verkrijgbaar.
2 Kinderen vanaf de leeftijd dat ze kunnen zitten en tot een lengte van ongeveer 117 cm (6 - 7 jaar)
Gebruik nooit het type kinderzitje, dat aan de rugleuning van de achterbank wordt gehangen. U kunt het beste gebruik maken van de Volvo veiligheidsstoel, die naar achteren wijst. Deze kinderveiligheidsstoel is eveneens bij uw Volvo dealer verkrijgbaar. Deze stoel wordt op de passagiersstoel of de
achterbank bevestigd en wijst naar achteren. In beide gevallen moet u de stoel met de veiligheidsgordel van de auto vastzetten, zelfs als de stoel niet wordt gebruikt, zodat de stoel bij een eventuele zware botsing niet los kan schieten.
Hoe u de stoel moet vastzetten blijkt uit de installatie-instrukties die bij de stoel geleverd worden
3 Kinderen langer dan 117 cm (ouder dan 6-7 jaar)
Als het kind uit de kinderstoel is gegroeid moet het op de achterbank zitten en de standaard veiligheidsgordels gebruiken. De beste bescherming wordt geboden als het kind op een kussen zit, met de heupgordel zo laag mogelijk op de heupen.
Een speciaal voor dit doel ontworpen en beproefd veiligheidskussen is bij uw Volvo dealer verkrijgbaar.
22
- als het kussen van de achterzijzing naar voren is gekardt contolyere of de net lussen het kussen en de schij van het portier gekemed zit, daar dit de jus werking van de rolgordei kan verhinderen (zie ook pag 271).
- de gordel dient contortabel over uw schouder te iigenen. Luw Volvo dealer kan indien nodig, de hoogte van de bovente brevisziging van de gordel veranderl
- de gordel dient contortabel over uw schouder te iigenen. Luw Volvo dealer kan
De gordel may niet gedaalid zitten;
- Trak de gordel langzaam uit - D'ux de gesp in de situing. - Fran duidelik hoorbaar kligeling geelt - dan dat de gordel vastzt.
Vastmaeken
Rode knop op de sluding indukken Geel net optimechanisme de galage Nord de gurdet geheal op le rollen
Losmaeken
De gordels zijn voorn gemonterd voor sommige landen evenenes achtein. Men zich zich vlwewegen in de gordel om iets op de achterbank te leggen of iets uit gevoeken en is gebalokeed. De veiligheedsgordeil kan niet worden uit gevoeken en is gebalokeed.
Automatische driepunts rolgordeis
- Gen waarscunwingslamp op het instytu- mentepanel gaat kpropren als de au- togoerdel van een in gebruik zifinde voor- steel niet is vastgemarkt

onderhoud veiligheidsgordels

- Gebruik uitsluitend water met een synthetisch wasmiddel om de gordels schoon te maken.
- Als de gordels zwaar belast zijn geweest, bijvoorbeeld bij een aanrijding, moeten ze, ook als er niets aan te zien is, compleet ^o worden vervangen, omdat ze aan beveiligende eigenschappen hebben ingeboet.
● Verander nooit zelf iets aan de constructie, maar wendt u tot een Volvogarage.

auto's die zijn uitgerust met autogordels de achterbank, is een heupgordel aanacht voor de middelste achterpassa. Deze gordel dient zo strak mogelijk worden afgesteld zonder dat hij ongeak veroorzaakt.
inger maken: pak de gesp vast, haaks opzichte van de gordel en trek de gor-
orter maken: (na het vastmaken van deordel) trek het bovenste deel van de gorgel terug.
* Compleet: de veiligheidsgordel, inclusief het rolmechanisme met blokkeerinrichting en alle bevestigingsbouten.
Controle
- Als beide gordels voorin zijn vastgemaakt, mag het controlelampje niet langer branden. Indien dit wel zo is, controleer dan of de gesp goed gesloten is.
- Trek snel en hard aan de gordel om het blokkeringsmechanisme te controleren.
- Controleer af en toe de werking van de veiligheidsgordels ook onder het rijden, bij het afremmen en het nemen van bochten.
Bij deze laatste twee controles behoort de gordel niet uitgetrokken te kunnen worden.
portieren en sloten

Afsluiten: draar de sleutei naar de achterkant van de auto
Openen draai de sleutel naar de voor- kant toe.

Het openen van buitenaf
De portieren worden geopend door aan de handgreep te trekken

Het openen van binnenuit
De portieren kunnen altijd van binnen geopend worden, of ze nu op slot zitten niet (m u.v. een achterportier met het derveiligheidsslot in werking)
Accessoires te verkringen bij uw dealer kaartenvak portier, tochtschermen vo de voorportieren.
portieren en sloten

et afsluiten van binnenuit
e portieren worden afgesloten door de pop in te drukken. De voorportieren gaan op slot als de knop eerst wordt inge- ukt en daarna het portier wordt dichtge- aan. Hierdoor wordt voorkomen, dat de portieren worden afgesloten met de sleu- ls nog in de auto.
Door de stand van de knoppen kunt u meteen zien of alle portieren op slot zijn.
Bedenk dat als de afsluitknoppen ingedrukt zijn onder het rijden, dit bij een ongeval te hulp schietende mensen kan verhinderen u te bereiken!

Kinderveiligheidsslot (345)
Het kinderveiligheidsslot kan alleen worden ingesteld als het achterportier openstaat.
Hefboom omhoog: het portier kan alleen van buitenaf worden geopend.
Hefboom omlaag: het portierslot werkt normaal.
Accassore te verkuligen bil uw dealu veligheidserek voor de hoedenplank
Als er veel bague wordt megegenaan den op sobre punten, die langs d'acelerut kumen scenarien. Het ver- baschädig
Omerking
steugetel honzontaal staat.
Openen: Sieuţel linksom drauen tot hel
slueteigat vertical staat
Astituten: Steuelt recithosom dausien lot het
Steck de portuierstelei in het slot
Suit de keep door daze staving dichi te drunken.
branden (nel L).
Druck de gieep in en frck de kiep open Het licht in de baguermente gaat nu
komen
geplaatste pakles mit tegen de acheter
De hoedenplank (nil L), die de bagag
Openen van de achterkliep
Slot van de achterklep
Bagageruimte

achterklep, bagaveruimte

erwijderen van de hoedenplank
m de bagageruimte te vergroten, moet lereerst de hoedenplank als volgt worverwijderd:
klap het achterste deel naar voren,
trek aan de hoedenplank en schuif deze uit de geleiding van de kofferpanelen.

Neerklappen van de achterbank
- Ontgrendel de rugleuning door de knoppen, links en rechts, in te drukken.
- Klap de zitting naar voren en trek de rugleuning naar beneden.
Drie-deurs modellen: verzeker u ervan dat de autogordel van de voorstoelen niet klem door de naar voren geklapte zitting. Dit kan verhinderen dat de rolautomaat de juiste banning op de gordel uitoefent, waardoor deze in een noodsituatie niet naar behoren fonctioneert.

Terugklappen van de achterbank
- Trek de rugleuning omhoog en naar achteren.
- Indien autogordels gemonteerd zijn op de achterbank moeten deze langs de zijkanten van de rugleuning worden geleid.
● Klap de zitting terug.
Opmerking
De achterbankzitting kan zonodig in zijn geheel worden verwijderd door de twee scharnierpenen uit te trekken. Licht de scharnierpenhefboom uit de uitsparing en trek vervolgens de scharierpen eruit met een draaiende beweging.
zijruiten achter, asbakken

Scharnierende zijruiten, 343
Open trek de sluiting naar binnen en zweck vervolgens naar buiten.
Dicht de sluiting naar binnen zwenken en vergrendelen
De achterste zijnuten zijn alleen op slot wanneer de sloting volledig teruggedrukt is in de vergrendelde stand

Voor het ledigen de asbak compleet uit de armleuning trekken (345: de tunnelconsole) of een stofzuiger gebruiken.

De nodige bedrading voor het installere van een radio of radio cassettespeler reeds aanwezig.
De aansluilingen voor de radio zijn niplakband vastgemaakt aan de kabelboor die zich achter de kachelbediening in h dashboard bevindt en zij zijn bereikbaar door het handschoenenkastje te ve wijderen

e motorkap scharniert aan de voorzijde pen waardoor motor, reservewiel (B 14) zekeringenkast bereikbaar worden.
.grendel de motorkap door aan de endel onder het dashboard te trekken. e motorkap springt los uit de vergrende- ng en kan nu worden opgeklapt.
e motorkap wordt automatisch in geologie stand gehouden.

Trek de motorkapsteun van de aanslag af en sluit de motorkap.
Ga voor de auto staan en duw de motorkap met beide handen naar beneden tot u een klik hoort. De motorkap is nu vergrendeld.

De tankdop bevindt zich boven het rechter achterwiel.
Accessoire te verkrijgen bij uw dealer: een afsluitbare tankdop.
| Algemeen |
| Economisch bandstofverbriu! |
inriiden, brandstofverbruik
Jinig rijden, automatische trans- issie
| n zo veel mogelijk nut te hebben van het 'erdrive effect voor het zuinig rijden met ito's uitgerust met de AUT automatische insmissie, wordt het volgende aanbevo-? |
Neem langzaam het gaspedaal zover terug dat de gewenste snelheid nog juist wordt gehandhaafd. De transmissie schakelt hierdoor automatisch over naar de overdrive-positie. De motor maakt daardoor relatief minder toeren.
Druk het gaspedaal geleidelijk in om de snelheid te verhogen. Hierdoor wordt een hogere snelheid bereikt zonder dat de automatische transmissie een lagere overbrengingsverhouding kiest.
| pagina | |
| Starten en rijden | 30-41 |
| starten van de motor | 32 |
| versnellingsstanden | 33 |
| automatische transmissie | 34 |
| rijden met een caravan | 38 |
| Service en onderhoud | 42-83 |
| Technische specificaties | 84-93 |
| INDEX | 94-96 |
Starten van de motor
Starten van een koude motor
GL, DL en L (B 14)
(Bij het starten bij lage temperaturen, d.w.z. beneden -5°C, wordt aanbevolen het gaspedaal driemaal in te drukken al-vorens met de volgende startprocedure te beginnen.)
1 Trek de handrem aan.
2 Plaats de versnellingshendel in neutraal (N).
3 Druk het koppelingspedaal in.
4 Trek de chokeknop helemaal uit.
Kom niet aan het gaspedaal.
5 Draai de contactsleutel in de startstand.
Laat de sleutel los zodra de motor aan- slaat
Wil de motor binnen ten tot vijftien seconden niet aanslaan, draai dan de sleutel terug in de „blokkeerstand“ en wacht even alvorens de startprocedure te herhaien (om de accu op peil te laten komen).
Start niet langer dan twintig seconden achtereen
6 Druk de chokeknop iets terug. Als de motor eenmaal loopt, mag de chokeknop niet verder uitgetrokken staan dan strikt noodzakelijk is om de motor rustig te laten lopen. Duw daarom de chokeknop geleidelijk terug als
de motor op temperatuur komt. Om het brandstofverbruik en de uitlaatgas-emissie op een minimum te houden dient u de chokeknop zo snel mogelijk volledig terug te duwen.
Starten van een warme motor
(alle modellen)
1 Trek de handrem aan.
2 Plaats de versnellingshendel in neutraal (N)
3 Druk het koppelingspedaal in.
4 Druk het gaspedaal iets in.
5 Draai de contactsleutel in de startstand.
Laat de sleutel los zodra de motor aan-
slaat:
Wil de motor niet onmiddellijk aanslaan druk dan het gaspedaal volledig in en laat het los zodra de motor aanslaat
Waarschuwing
Als u de motor in een garage start, open dan de garagedeuren helemaal. De uitlaatgassen bevatten namelijk koofmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos is maar wel zeer giftig!
Starten van een koude motor
GLS en DLS (B 19)
1 Trek de handrem aan
2 Plaats de versnellingshendel
neutraal (N).
3 Druk het koppelingspedaal in
4 „Zomer“ (temperatuur + 10°C, hoger)
Trek de chokeknop voor driekwart u Kom niet aan het gaspedaal!
„Winter“ (temperatuur beneden 10°C)
Trek de chokeknop helemaal uit. Kom niet aan het gaspedaal!
5 Draai de contactsleutel in de star stand.
Laat de sleutel los zodra de motor aa slaat.
Wilde motor niet onmiddellijk aanslaat druk dan het gaspedal volledig in houdt het ingedrukt totdat de mot aanslaat.
Laat een koude motor niet direct na ' starten met hoge snelheden draaien!
6 Druk de chokeknop iets terug Als de motor eenmaal loopt, mag o chokeknop niet verder uitgetrokke staan dan strikt noodzakelijk is om c motor rustig te laten lopen. Duw dapi om de chokeknop geleidelijk teru de motor op temperatuur komt. Oui tu brandstofverbruik en de uitlaatga emissie zo laag mogelijk te houdel dient u de chokeknop zo snel mogeli volledig terug te duwen.
aai de motor zo vlug mogelijk arm
ervaring is gebleken, dat motoren veel eller slijten in auto's die korte afstanden eggen waarbij de motor veel wordt afzet. Dit komt, doordat de motor nooit de ons krijgt goed op temperatuur te komen. Naald van de koelvloeistoftemperarmeter loopt op naar het „N” punt op wijzer, zie pagina 6.)
dra de motor draait, moet men dan ook beren deze zo snel mogelijk op de rmale werktemperatuur te brengen. at de motor niet met stationair of ver- ogd toerental in neutraal warmdraaien, ar rijd zo vlug mogelijk weg en belast motor slechts weinig.

Om onnodige slijtage van de koppelingsvoering te voorkomen:
- het koppelingspedaal bij iedere schakeling helemaal indrukken.
- uw voet nooit op het koppelingspedaal laten rusten tijdens het rijden.

Licht met de vingers de ring onder de versnellingshendelknop op bij het kiezen van de achteruitstand.
Hierbij wordt de transmissie mecha- nisch geblokkerd. Daze positie kan woden gebrukt wanner de aito ge- parkeder staal, maar hel is gewent om tevens de handem aan te tarken wanner op een helling wordt gepar- keerd. Nooit het motolorverial opvoeren met de keuzehende in staal P.
P Karkeerstand Keuzehendelposities
De keuzehandel wordt op de volgende Wilde bedeind
in auto's die zin uigurst met het AUT. automatische transmissystem wordt de gewerste risland op een soortgelijke manier gezogen hier dan voor convolmente automatische transmissie.
Nooll gaseveen lijds het verplaaten van de keuzehendel.
Om de hendelussen de standen P en R le bewegen, de drukknoop geheld in-
Om de handel tussen de standen D en R le bewegen, de drunknog ten dale in-
De kauzehender wordt op de volgende wilde bedend
De kuzehandel may alleen worden ver- plaatst wanneer de auto silstaal.
Keuzehendelbediening
automatische transmissie
arten
Zet de keuzehendel in de stand N°. Start de motor.
Plaats de keuzehendel naar behoefte in stand D of R.
De motor mag ook in stand P worden gestart, maar u mag nooit het motor-toerental opvoeren in deze stand.
oppen
n de auto te stoppen moet het gaspeal worden losgelaten en het rempedaal orden ingetrapt.
krachtig remmen worden niet alleen de elremmen in werking gesteld, maar hakelt de transmissie tevens in een la- re overbrenging, waardoor ook op de otor wordt afgeremd.
inneer geparkeerd wordt, mag stand P worden ingeschakeld als de auto geel stilstaat.
jden
ap het gaspedaal zover in tot de ge- ste snelheid is verkregen en laat het al daarna zover terugkomen, dat de wenste snelheid blijft gehandhaafd.
transmissie zal daarbij automatisch in „overdrive“ positie schakelen.
Acceleratie (kick-down)
Wanneer een maximale optreksnelheid vereist is — bijvoorbeeld bij het inhalen — moet het gaspedaal geheel worden inge-trapt voorbij de voelbare vol-gaspositie. Daardoor wordt automatisch de laagste overbrengingsverhouding gekozen (kick-down effect). Wanneer het gaspedaal weer terugkomt in de rijpositie, zal de transmissie automatisch weer opschakelen.

Lage-versnellingsstand (stand 1)
Het gebruik van deze schakelaar heeft een soortgelijk effect als het inschakelen van de lage stand (1) bij een conventionele automatische transmissie.
Door het bedienen van deze schakelaar bereikt men het terugschakelen naar een lagere overbrengingsverhouding.
Dit is speciaal van nut in bergachtig terrein, omdat hierdoor wordt bewerkstelligd:
- het beste klimvermogen.
- het gunstigste motorremeffect bij afdalingen.
De stand is eveneens nuttig bij het rijden:
in files
● met volbeladen auto
- met een caravan (zie pagina 39).
Gebruik de lage-versnellingsstand even-wel nooit bij hoge snelheden.
Belangrijk
Door de volgende punten te bestuderen kunt u onnodige koppelingslijtage voorkomen:
- Bedien de keuzehendel uitsluitend wanneer de auto stilstaat.
De keuzehendel mag worden bediend wanneer de motor stationair, of iets sneller dan stationair (met uitgetrokken choke) loopt, maar nooit wanneer het motortoerental hoog wordt opgevoerd.
● Laat nooit tijdens het rijden uw hand op de keuzehendel rusten.
Een lichte druk op de drukknop stelt namelijk automatisch het ontkoppelingsmechanisme in werking en dit mag tijdens het rijden nooit plaatsvinden.
● Probeer nooit op een helling de auto staande te houden door wat gas te geven.
Gebruik daarvoor altijd de handrem
- Vermijd om met één voet het gaspedaal en met de andere voet tegelijkertijd het rempedaal te bedienen.
- Voer nooit het toerental van de motor op wanneer de keuzehendel in de P-stand staat.
Een dergelijke handelwijze kan schade veroorzaken aan de centrifugaalkoppeling en de aandrijving.
slepen

Zowel aan de voor- als achterzijde van de auto zijn sleepogen aangebracht voor de bevestiging van een sleepkabel. Ze bevinden zich aan de rechterzijde van de auto, onder de bumper.
Slepen van de auto
Indien noodzakelijk kan de auto over elke afstand worden gesleept Zorg hierbij echter voor het volgende:
- Plaats de versnellingshendel in neutraal. (AUT keuzehendel in stand N)
- Contactsleutel in het contactslot houden.
Zet het contactslot in de „blokkeerstand“ (draai de sleutel eerst naar „rijstand“ en dan terug naar de „blokkeerstand“ om u ervan le verzekeren dat het stuurslot vrij is)
- De rembekrachtiger werkt niet als motor niet loopt zodat een grotere p daaldruk moet worden uitgeoefen het remmen
Opmerking
In de meeste landen gelden aparte sn heidsbepalingen voor de auto met slee
starten met een hulpaccu
st starten van de motor door slepen n de auto
t is slechts mogelijk bij auto's met een ndgeschakelde versnellingsbak. De kkende auto rijdt met een gelijkmatige elheid.
de te trekken auto:
Schakel het contact in en trek bij een koude motor de choke uit.
Druk het koppelingspedaal naar beneden en schakel de derde of vierde versnelling in. Zodra de trekkende auto voldoende snelheid heeft ontwikkeld, het koppelingspedaal soepel laten opkomen.
Druk het koppelingspedaal in zodra de motor loopt.

De accudamp van een automobiel-accu bestaat uit een mengsel van waterstofgas en zuurstof — het zogenaamde „knalgas“ — dat zeer explosief is! Er zijn gevallen bekend van vonkvorming door onjuist aangesloten accu's waardoor de accu is ontploft met als gevolg zowel persoonlijk letsel als materiaalschade.
Starten met een hulpaccu
Als de accu in uw auto ontladen is, kan gebruik worden gemaakt van een hulpaccu om de motor te starten. Om elk gevaar van ontploffing uit te sluiten, raden wij u aan de volgende startprocedure zeer nauwkeurig te volgen.
- Verzeker u ervan dat de hulpaccu een 12 Volt accu is.
- Als de hulpaccu zich in een andere auto bevindt, controleer dan of de auto's elkaar niet raken (elektrisch contact!).
- Gebruik startkabels en sluit altijd de pluspool (rode kabel) van de hulpaccu (1) aan op de pluspool van de ontladen accu (2).
(Controleer altijd of de klemmen goed zijn aangesloten om vonkvorming te voorkomen gedurende de startprocedure.)
- Sluit vervolgens de minpool, zwarte kabel (3), aan op de gevlochten massakabel van de auto-accu op een punt dat verwijderd is van de accu (4).
- Start de motor van de „hulpauto“ en laat deze gedurende enkele minuten met verhoogd stationair toerental draaien (ongeveer 1500 omw/min.).
- Start de motor
De accuklemmen niet verplaatsen gedurende de startpogingen! Ga niet over de accu's hangen!
- Neem, nadat de motor is gestart, de kabels precies in de omgekeerde volgorde los. d.w.z. 4, 3, 2, 1 in de schets.
Eni serial organelle Volvo 343/345 tel scopeise caravanspeges kunnir door uw dealer worden galverd
De armen van de butenspieges mo ten wolden verlanged, daar de carey in de-taget brader is dan de aulo
overbelasting van de verming van de au to verminden
Het is daaron vaak beter om de bagoi in de caravan te plasten in plaats in de auto om zodovande het risico
most worden algetrocken van de max maal togetaste belasting in de any en, of op de accteres (zie pag. 87).
de terkhak drukt, togevoegd aan de druk op de aciteras. Deze belastie
maal de belasting die op de kogel van ulistelekt, wordt ongveer anderske
Door de helloomwerking van de tre back die aan de astraikart van de alu
dicht mogellijk bij de optimale waarde te stellen, die voor uw model auto in a tabel is aangeveen
De beste resultaten worden verkeige door de druk op de texhaakogel.
ren en rememen minder gemakkel gean, vooral bij zizwinden.
resultent in een minder stable car van/aanhangwagen, waardoor het sl
le weighing gewicht op de trechaakog
•
D E D D H H
De stabiliteit van de auto/caravan combinatie zal worden verbeterd, wanneer de bagage in de caravan (vooral zware stukken) op de vloer zijn geplaatst, het liefst boven de as en natuurlijk zo verdeeld, dat de juiste druk op de trekhaakkogel wordt verkregen (zie pagina 38).
Wanneer zware bagage in de auto wordt meegevoerd, moet deze zover mogelijk naar voren in de kofferruimte worden geplaatst of tussen de voorstoelen en de achterbank.
De bandenspanning van de achterwielen moet worden verhoogd in verband met de druk uitgeoefend op de trekhaak (bandenspanning: zie pag. 68.)
De kogel van de trekhaak moet regelmatig worden ingevet, om onnodige slijtage te voorkomen.
Je auto moet goed worden ingereden (min. 2000 km) voordat hij wordt gebruikt om een caravan over lange afstanden te trekken.
Het achteruitrijden met een caravan inter de auto vereist wat oefening. Maak u hiermee vertrouwd vóór u op vakantie gaat.
Bij het rijden met een caravan ...
- Het acceleratievermogen is minder dan normaal.
- De remweg is langer dan normaal.
- Motor en transmissie worden zwaarder belast dan normaal.
Gebruik daarom altijd een lagere versnelling (AUT: de lage-versnellingsstand) zowel bij het klimmen en dalen als bij het rijden in een file. - Het benzineverbruik zal iets toenemen door het grotere gewicht en ook door de grotere luchtweerstand.
- Een caravan is zijwindgevoelig.
- De wettelijke voorschriften betreffende de maximum snelheid kunnen variëren van land tot land.
Voorkom krachtig remmen!
In heuvelachtig terrein ...
Over het algemeen gesproken vermindert het vermogen van een motor bij het rijden op grote hoogte, waardoor de trekprestaties van de auto afnemen. Dit geldt zowel voor auto's met een automatische als een handgeschakelde versnellingsbak.
- Bij het afdalen van lange steile hellingen worden de remmen aan een grote-re belasting blootgesteld.
Het risico van oververhitting van de remmen kan tot een minimum worden teruggebracht door een lage versnel- ling in te schakelen en de snelheid van de auto overeenkomstig aan te passen.
- Het is belangrijk dat de koppeling niet oververhit raakt, vooral bij het herhaaldelijk stoppen en starten op heilingen. Rijd zo weinig mogelijk met „slippen-de“ koppeling.
rijden met een imperiaal

Rijden met een imperiaal
- Gebruik een stevige, voor uw Volvo ontworpen imperiaal, die goed kan worden vastgezet Volvo dealers leveren deze speciaal door Volvo ontworpen imperialen
-
Het is niet raadzaam de imperiaal voor lange perioden ongebruikt op het dak te laten ziffen. Hij is daarbij blootgesteld aan het weer en zelfs een lege imperiaal verhoogt de luchtweerstand van de auto en daardoor het benzineverbruik
-
Verdeel het gewicht gelijkmatig over de imperiaal. Voorkom dat het gewicht op een kant drukt
- Plaats het zwaarste deel van de lading zo dicht mogelijk bij het dak
-
Zet de bagage goed vast; gebruik een bagagenet.
● Rijd soepel -
Denk eraan dat met het gewicht van lading, het zwaartepunt en de rij-eige schappen van de auto veranderen.
- De zijwindgevoeligheid neemt toe naag gelang het volume van de bagage
- De maximaal toegestane belading va de imperiaal bedraagt 50 kg.
ij- en stuureigenschappen
e auto heeft bij het rijklaar gewicht een eutraal stuurkarakter en een goede ge- chtsverdeling. Hierdoor blijft de auto abiel in de bocht liggen en vermindert de ins op het wegslippen van de achterwie- n.
ergeet niet, dat deze eigenschappen innen veranderen als de auto anders wordt belast. Van grote betekenis voor de -eigenschappen van de auto is ook de indenspanning. Wij raden aan niet al teel te experimenteren met de bandenbanning, maar onze aanbevelingen op igina 68 gewoon op te volgen. Wij raden ook aan geen verschillende typen banen op de auto te monteren, bijv. radiaal- diagonaalbanden, daar in dat geval de -eigenschappen van de auto radicaal innen veranderen.
ijden met geopende achterklep
rijden met de achterklep open en oral wanneer u een lading meevoert die in de achterkant van de auto uitsteekt, in een gedeelte van de uitlaatgassen ok het koolmonoxyde) in de auto wor- en gezogen. Om alle risico's voor de in- enden uit te sluiten, moeten het lfdak en alle ramen worden gesloten vervolgens de verwarming en ventilatie worden ingesteld, dat een krachtige chtstroom door de blaasmonden wordt erkregen.
Remmen
Zwaar belaste remmen
Wanneer men in bergachtig terrein rijdt, bijvoorbeeld de Alpen, dan worden de remmen van de auto extra belast. Daar de snelheden bovendien vaak laag zijn, worden de remmen niet zo effectief gekoeld als bij snel rijden op rechte wegen. Om de remmen niet te veel te belasten, behoort men in plaats van de voetrem, de tweede versnelling (AUT: lage-versnellingsstand) in te schakelen. Op deze manier wordt het motorremeffect beter benut en de voetrem behoeft slechts nu en dan te worden gebruikt.
Vocht in de remmen
Bij regenachtig weer of bij het wassen van de auto kunnen de remvoeringen vochtig worden wat een veranderd remgedrag tot gevolg kan hebben.
Daarom is het gewenst om — wanneer deze situatie zich voordoet — het rempedaal af en toe licht in te drukken, zodat door de daarbij optredende warmteontwikkeling het vocht verdampt.
Als de rembekrachtiger niet werkt
De rembekrachtiger werkt alleen bij draai- ende motor. Als men de auto laat uitrollen of laat slepen met afgezette motor moet een pedaaldruk worden uitgeoefend, die enkele malen groter is dan normaal.
Het rempedaal voelt stug en hard aan als de rembekrachtiger niet werkt.
Een remcircuit raakt defect
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel geeft aan, dat het remvloeistofniveau in het reservoir te laag staat (zie ook pagina 7).
Het rempedaal laat zich gemakkelijker en verder indrukken.
Het is echter niet nodig het pedaal harder in te drukken dan normaal.
Als het waarschuwingslampje aangaat, rijd dan voorzichtig naar een garage om het remsysteem te laten controleren na eerst te hebben gecontroleerd of het remvloeistofreservoir niet helemaal leeg is.
service en zuinig rijden
Zuinig rijden
Bedenk dat regelmatig onderhoud het brandstofverbruik gunstig beinvloedt. Factoren die het benzineverbruik kunnen verhogen zijn o.a. de volgende ● vervuild luchtfilter
- versleten bougies
- onjuiste afstelling van de ontsteking - vuile motorolie en verstopt oliefilter
● foutief stationair toerental
- foutieve lucht-voorverwarming van de carburateur
- Ioutieve klepspeling
- remmen die „aaniggen“
- foutieve voorwieluitijning
Al deze punten en nog veel meer worden door uw Volvo werkplaats gecontroleerd en eventueel verholpen bij de 10 000 km servicebeurt
pagina
| Service en onderhoud | 42-83 |
| voorzorgsmaatregelen tijdens onderhoudswerkzaamheden | 45, 58 |
| motorolie | 48 |
| koelsysteem | 54 |
| zekeringen | 59 |
| vervangen van gloeilampen | 60-67 |
| verwisselen van een wiel | 70 |
| vervangen van ruitewisserbladen | 73 |
| routine-onderhoud | 78-81 |
| opsporen van storingen | 82 |
Technische specificaties 84-93
| INDEX | 94-96 |
| 43 |
onderhoud
Volvo service
Voordat de auto werd afgeleverd zijn er twee inspectiebeurten aan voorafgegaan. De eerste werd door de importeur verricht, waarna de dealer een alleveringsinspectiebeurt uitvoerde, geheel overeenkomstig de voorschriften van de Volvo fabriek.
Garantie-inspectiebeurt
Als de eerste 1 000 km zijn afgelegd, moet de auto naar een Volvo garage worden gebracht voor het uitvoeren van een garantie-inspectiebeurt. Hierbij wordt o.a. de olie van motor en transmissie ververst.
10 000 km servicebeurt
Na deze servicebeurt moet men het onderhoud van de auto aanpassen aan het Serviceboekje met inspectiebeurten om de 10 000 km. De omvang van deze servicebeurten wordt in het Serviceboekje beschreven
Denk eraan dat...
- de 10 000 km servicebeurt nodig is om uw auto zowel bedrijfszeker als verkeersveilig te houden.
- als de 10 000 km servicebeurt niet wordt uitgevoerd, er gevaar bestaat voor een onaanvaardbare toename van de milieu-schadelijke bestanddelen van de uitlaatgassen.
- een servicebeurt het beste wordt uitgevoerd door een Volvo werkplaats. Daar is uw auto in handen van geschoolde monteurs, die toegang hebben tot speciaal gereedschap en betrouwbare service literatuur.
- iedere servicebeurt gehonoreerd wordt met een stempel in het Serviceboekje. Een goed afgestempeld boekje is een indicatie van een goed verzorgde auto en dit verhoogt de inruulwaarde van de auto.
Doe het zelf
Er zijn enkele service werkzaamheden de meeste autobezitters zelf kunnen u voeren zoals b.v. oliepeilcontroles, oli verversingen enz. Dergelijke werkzaal heden en kleine reparaties, die iede chauffeur vroeg of laat eens moet do (vervangen van lampen, zekeringen, ve wisselen van wielen). zijn derhalve op volgende pagina's van deze handleidij beschreven.
Een uitvoerige beschrijving van reparatien afstellingen is in onze servicehan boeken te vinden. Deze handboeken ku u bestellen bij uw Volvo dealer.
Voor de geldigheid van onze garantievoorwaarden stellen wij als absolute eis.
dal de hierboven genoemde garantie-inspectliebeurt bij ongeveer de aangegeven kilometerstand wordt uitgevoerd,
dat de auto overeenkomstig de door ons verstrekle voorschriften wordt onderhouden en
dat zowel servicebeurten als reparaties door een erkende Volvo garage worden uitgevoerd.
opkrikken van de auto, voorzorgsmaatregelen
pkrikken van de auto
arage
anneer een hefbrug met zogenaamde efarmen wordt gebruikt, dient er op te orden gelet, dat de draagpunten van de efarmen onder de vier kriksteunen ko- en. Deze zijn voor dit doel speciaal ver- erkt.
aragekrik
ik de auto op onder een van de vier iksteunen.
et een garagekrik kan de auto ook wor- en opgekrikt onder de achteras of onder a achterste motordrager.
st er op, dat de krik goed wordt geplaatst, odat de auto niet van de krik afglijdt.
'ik de auto nooit op onder de oliepan en stuurstang.

- Kruip nooit onder de auto wanneer deze op de krik staat!
- De bij de auto geleverde krik moet uitsluitend worden gebruikt voor het verwisselen van een wiel. Bij andere werkzaamheden waarbij de auto moet worden opgekrikt, dient men de auto te ondersteunen bij het krikpunt door middel van bokken of iets dergelijks.
- Trek de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit stand in, bij auto's met automatische transmissie de P-stand.
- Blokkeer de voor- en achterkant van de wielen die nog op de grond staan met behulp van houten blokken of stenen.
motorruimte
1 Reservoir sproeiers voorruit en koplampen
(Innoud: 5 liter)
2 ACCU
- Carburateur
5 Olievuldop
6 Stroomverdeler
7 Expansietank koelsysteem 8 Wisselstroomdynamo
9 Chassisnummer
10 Zekeringenkast
12 Oliepeilstok
13 Reservoir remvloeistof
14 Bobine
15 Plaatje met gegevens voor de emissiecon-
trole (Zweden)

1 Reservoir ruitesproeiers/koplampsproeiers (inhoud: 5 liter)
2 Expansietank koelsysteem
3 Plaatje met gegevens
4 Olievuldop
5 Stroomverdeler
6 Luchtfilter
7 Accu
8 Zekeringenkast
9 Chassisnummer
10 Oliepeilstok
11 Carburateur
12 Reservoir remvloeistof
13 Bobine
14 Plaatje met gegevens voor de emissiecontrole (Zweden)
motorolie
B 14 motor (GL, DL en L)
Shenakop
pertich

B 19 motor (GLS, DLS)
obrevuldop
perlstok

Controle van het oliepeil
Controleer het oliepeil bij het tanken. D auto moet daarbij horizontaal staan. Ma de peilstok goed schoon voor iedere oli peilcontrole. Het oliepeil moet noch onder het MIN-teken, noch boven het MA) merkteken op de peilstok staan
Bijvullen van olie
Zonodig olie bijvullen van hetzelfde soo als al in de motor aanwezig is
Voor het bijvullen van MIN tot MAX is om geveer een liter olie nodig.
Aftappen van olie
Verwijder de olie-aftapplug. Ververs o olie bij een warme motor: de olie is da „dunner“ en kan dan vollediger en snelle worden afgetapt
Vernieuw tevens de afdichtring om olle lekkage te voorkomen.
Oliefilter vernieuwen
Vernieuw het filter iedere keer als de oli wordt ververst. Als alleen het filter wordt vernieuwd moet ongeveer een halve lite olie worden bijgevuld
Viscositeit
| Temperatuurgebied (constante temperatuur) | ||
| boven + 30°C | tussen + 30°C en -10°C | beneden -10°C° |
| SAE 10W-40 of 10W-30 | ||
| SAE 15W-50 of 15W-40 | ||
| SAE 20W-50** | ||
| SAE 30 | ||
| SAE 20/20W | ||
| SAE 10W | ||
^* Bij zeer lage temperaturen (onder -20^ ) of onder omstandigheden waarbij koudstartproblemen worden voorzien: Multigrade SAE 5W-20 (5W-30). Gebruik deze olie niet echter bij temperaturen die vaak boven 0^ liggen.
** SAE 20W-50 dient uitsluitend te worden gebruikt onder buitengewone rijomstandigheden die een hoog olieverbruik met zich meebrengen, b.v. rijden in bergachtig terrein waarbij veel op de motor wordt afgeremd of lange trajecten met hoge snelheden.
Kwaliteit olie
SE-CC of SF-CC overeenkomstig de API Service specificaties. Synthetische of semi-synthetische motoroliën mogen worden gebruikt, mits ze dezelfde specificaties hebben als de hierbovenvermelde oliën.
Opmerking: oliën met de aanduiding SE-CD mogen niet worden gebruikt.
Viscositeit
Zie de tabel.
Inhoud
exclusief oliefilter.
B 14:3.5 liter B 19:4.0 liter
inclusief oliefilter,
Controle van het oliepeil
Bij het tanken.
Olie verversen
Gedurende de inloopperiode: na de eerste 1000-2000 km; daarna: om de 10 000 km of minstens eenmaal per jaar.
Wanneer uw auto wordt gebruikt onder zware omstandigheden, b.v. korte ritten in koud weer, in stadsverkeer, bij voortdu-rend rijden met hoge snelheden, bij hoge temperaturen, in de bergen of voor het trekken van een zware aanhangwagen, dient de olie om de 5000 km te worden ververst of minstens twee maal per jaar.
Allen na de este 1 dou km
Oile verversen:
Controle van ollapel: Na Iederé 10 000 km
Eindarudjving
Allen na de erste 1 000 km
2.1 liter (bil) het verversen 1,9 liter. Controle van ollepell: Om de 10.000 km of minstans eenmaal in de zes maanden.
Jiboud
ATF (het getaie jaar)
Kwallett olive:
Verseellingsbak
versenellingsbak- en eindalandrijvingolle
1.45.1
B14 B19
All temperature SAE 90
Viscosite:
APJ GL 5 (MIL-1-2105 B or C)
clear
De ole wort lege
De uille wordt áteleged door de alapplung te verwideren. Zong dat de verszelleningsbaks- ofle warm si bil het verversion d.w.r.o.barel
Ollieell moet gelijk zin met de ni
Gabruk afild neuwe pakkingen bij het pleasen van de pluggen om oilek- kage le voorkomen
Heil ollpedi moel gelsk zil mel de m
veal/velping. Do the word toegavead
versenlingsbak afapplug

Je controles en onderhoudsbeurten zijn opgenomen in het onderhoudsprogram-
ndrijfriemen
Deze uniek ontworpen riemen vormen in feite het kloppend hart" van het AUT systeem. Vanneer de riemen aan vervanging toe zijn, oet u er goed aan er op te letten dat uitsluitend e originele Volvo aandrijfriemen gemonteerd en. Alleen deze riemen zijn met succes for de stringente kwaliteitscontroles van Volo gegaan; controles die garanderen dat ze aan te speciale eisen voldoen, welke essentiëel zijn voor een optimale prestatie van het transmisiesysteem.
AUT tandwielkasten
Er is een primaire en een secundaire (eind-aandrijving) tandwielkast.
Het oliepeil moet tot aan de niveau/vul- plug staan.
Het aftappen geschiedt door de aftap- pluggen te verwijderen.
Bijvullen geschiedt door de niveau/vul- plugopening.
Gebruik altijd nieuwe pakkingringen bij het plaatsen van de pluggen om olielekkage te voorkomen.
Kwaliteit olie:
(het gehele jaar door)
Viscositeit:
SAE 80 of SAE 80 W-90 (het gehele jaar door).
Capaciteit:
Primaire tandwielkast: 0,55 liter.
Secundaire (eindaandrijving)
tandwielkast: 1,03 liter
Controle van oliepeil:
Na iedere 10 000 km
Olie verversen:
Na iedere 20 000 km
(Tijdens het inrijden eveneens na de eer- ste 1 000 km.)
Opmerking:
Plaats de keuzehendel bij het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden aan de auto altijd in de N stand.
remvloeistof

Het doorzichtige reservoir vereenvoudigt de regelmatige controle van het rem vloecistofniveau. Zorg ervoor, dat dit niveau noort beneden het minimum (MIN) daalt
Vul het reservoir steeds met Volvo-rem vloeistof SAE J-1703 (DOT 4) om verzekerde te zijn van een goed functioneren van de reminen
Normaal moet de remvloeistof iedere 3 jaar of 80.000 km worden ververst Dit dient in een Volvowerkplaats te gebeuren
(Als altijd zo wordt gereden, dat veel en vaak krachtig moet worden geremd bij bij het nijden in de bergen moet de rem vloeistof eenmaal per jaar worden ververst)

Om de werking van het controlelampje op het instrumentenpaneel te controleren he contact aanzetten en de handrem antrekken. Zowel het handremcontrol lampje als dat van het remvloeistofniveau moeten gaan branden

Om het oliepeil in de zuiger-dempinrichting te controleren, moet de zuiger eerst worden verwijderd door de dop van de carburateur los te draaien. Zet de zuiger terug in de carburateur wanneer de olie de tijd heeft gekregen om terug te stromen. De olie is op zijn maximum niveau wanneer bij het omlaag drukken van de zuiger weerstand wordt gevoeld, wanneer de dop 18 mm van de rand verwijderd is (zie afbeelding). Olie moet worden bijgevuld wanneer weerstand wordt gevoeld op een afstand van ongeveer 3 mm van de rand.
Oliekwaliteit: ATF
Inhoud: 4.5 ml
Oliepeil controleren: elke 10 000 km
Olie verversen: niet nodig
Yet het koelsysteem bij zodra het niveau. Als er vaak bighge
lot het MIN-letken op het expresslatenky is dan net koelsyste
gezak. Als de motor warm is, daar dan de
Yolo werkplaats
Controller het koevlloestofiniveau bil het
Janken. Het niveau behoort lussen het MAX en
MI-N taken op het expanslantke te staan
dop van het expansletenkje langzzaam los
zodat de overdruk kan onstappen vuul
nooit alleen water bil.
Bijvullen van koelvoestof (alle motoren)
Verweren van Koevlloestof, B 14

Zet de verwarming op „WARM“.
- Verwijder de dop van de expansietank.
- Open de aftapkraan aan de rechterzijde van het motorblok.
Jaak de onderste slang bij de radiateur IOS.
Het vullen van het systeem (B 19):
- Sluit de radiateurslang weer aan en draai de aftapkraan dicht.
- Vul de expansietank tot het MAX-merkteken of iets hoger.
- Laat de motor warmdraaien en controleer of er geen lekkages voorkomen in het koelsysteem.
- Vul met koelvloeistof bij tot aan het MAX-merkteken.
Mengverhouding koelvloeistof, alle motoren
Gebruik het hele jaar door een mengsel van 50% Volvo anti-vriesvloeistof en 50% water voor bescherming tegen bevriezen tot -35°C. In landen met een klimaat waar bescherming tot -20°C voldoende wordt geacht, kan een mengsel van 34% Volvo anti-vries* en 66% water worden gebruikt. Vul nooit alleen water bij!
De anti-vriesvloeistof van Volvo beschermt het koelsysteem niet alleen tegen bevriezen, maar ook tegen corrosie van de materialen van de componenten, die in de motor en in het koelsysteem toegepast zijn. Bij aflevering door de fabriek is het koelsysteem gevuld met koel-vloeistof voor een vorstbestendigheid tot -20°C.
* Volvo type A (rood). Gebruik nooit verschillende soorten anti-vries door elkaar!
Inhoud koelsysteem
De inhoud van het koelsysteem is ongeveer...
B 14 motor: 5 liter
B 19 motor: 8 liter
Controle van het koelvloeistofpeil:
Controleer het koelvloeistofpeil bij het tanken.
Koelvloeistof verversen:
De koelvloeistof behoeft slechts om de drie jaar, liefst in de herfst, te worden ververst, met dien verstande dat het koelsysteem gevuld is met 50% Volvo anti-vries en 50% water. Als dit niet het geval is, dient de koelvloeistof met kortere tussenpozen te worden ververst.
ventilatorriemen


Riemspanning
De spanning van ventilatorniemen moet worden gecontroleerd volgens de onderhoudsvoorschriften
Een te strak gespannen ventilatorriem veroorzaakt voortijdige slijtage van de niem en van de dynamolagers
Fein te slap gespannen ventilatorriem kan gaan slippen, waardoor onvoldoende kneling wordt verkregen alsmede te weinig oplaadvermogen voor de accu.
Ventilatorriem, afstellen, B 14
Afstellen:
- Draai de bevestigingsbouten van de dynamo iets los (17 mm en 11 mm sleutels)
- Kantel de dynamo zover tof de ventla tornein 10 mm kan worden ingedrukt
- Draai de bevestigingsbouteen weer vast en controleer de riemspanning
Ventilatorriem, afstellen, B 19
Stel als volgt af
● Draai de spanbout iets los (13 m-sleutel).
- Kantel de dynamo zo ver dat de ventilatorniemen 5 tot 10 mm kunnen worden ingedrukt
- Draai de spanbout weer vast
Bij het eventueel vervangen van een versleten of beschadigde hem, moeten altijd twee men, niemen worden gemonteerd.
Wanneer nieuwe riemen geconteleerd zijn, moet de riemspanning na 1000 2000 km opneuw worden gecontroleerd en zonodig worden bij-gesteld
onderhoudspunten van de carrosserie
Onderhoud van de carrosserie
imeer bepaalde punten van de carrosseie een of meer keer per jaar, dit voorkomt liepen, knarsen en onnodige slijtage. De sluiting van de motorkap, de scharnieen van de portieren, alsmede hun uitlagbegrenzers moeten iedere 10 000 km vorden gesmeerd.
ijdens de wintermaanden moeten ook de loten van de portieren en de achterklep vorden voorzien van grafiet om vastvrie- ten te voorkomen.

Nr Onderhoudspunt
1* Sluiting motorkap
2 Motorkapuitsteller
3° Scharnieren en uitslagbegrenzers portieren
4 Rail en blokkeerinrichtingen voorstoelen
5 Raam- en sluitmechanismen (binnenkant portieren)
6 Sleutelgaten
7 Slotvangers portieren en stofafdekplaten
Smeermiddel
Paraffine
Vet
Vet
Olie
Siliconenvet
Slotenolie
Paraffine
elektrisch systeem, belangrijke voorzorgsmaatregelen
Bij werkzaamheden aan de auto moet men goed op het volgende letten:
Denk aan de volgende punten om kostbare en tijdrovende reparaties aan de dynamo of het laadcircuit te vermijden.
- Overtuig u ervan, dat de accukabels - Een draaiende dynamo moet altijd met
juist zijn aangesloten en goed vastzit- ten. de + aansluiting aan de + klem van de accu verbonden zijn en de - aanslu-
- Als er een hulpaccu voor het starten wordt gebruikt, moet de + pool aange-
sloten worden op de + pool en de — pool op de — pool.
● Maak bij draaiende motor nooit een ac-
cukabel los (bijvoorbeeld om de accu te verwisselen)
● Als aan de auto elektrisch moet worden
van de accu los en vervolgens alle lei-
dingen van dynamo en laadstroomre
- Een snellader mag niet worden gebruikt als hulp bij het starten.
'ekeringenkast in de motorruimte
jebruik uitsluitend een zekering van de- elfde stroomsterkte (nooit van een hoge- e stroomsterkte!) als die, welke vervan- en wordt.
Je juiste plaats van zekeringen en relais taat aangegeven op de doorzichtige kap an de zekeringenkast.
Zekering nummer 18 is 16 Amp, nummer 9 is 25 Amp en alle overige zijn 8 Amp.
'ekeringen
1 Rechter koplamp, dimlicht en mistach-
terlamp
2 Linker koplamp, dimlicht
3 Linker koplamp, grootlicht en contro-
lelampje
4 Rechter koplamp, grootlicht
5 Linker parkeerlicht, instrumentenver- lichting
Rechter parkeerlicht
Richtingaanwijzer en waarschuwings-
automaat
8 Ontkoppelingsmechanisme (AUT)
9 Controle- en waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel, koplamp-wisser/wasinstallatie
ierwarming bestuurdersstoel en
achteruitrijlichten
1 Claxons
2 Remlichten, klok, radio en verlichting bagageruimte
13 Richtingaanwijzer en waarschuwingsautomaat
14 Sigare-aansteker, verlichting hand-
schoenenkast en binnenverlichting
15 Linker achterlicht en kentekenplaatverlichting
16 Rechter achterlicht
17-
18 Achterruitverwarming
19 Schakelaar, kachelaanjager ^a
20 Schakelaars voor ruitewissers en lage-versnellingsstand (AUT)
° Zekering (25 Amp) voor aanjagermotor in dashboard.

Raak bij het monteren van duplo- en halogeenlampen het glas niet aan met de vingers. Sporen van vet, olie of andere ongerechtigheden blijven daarbij achter op het glas en verdampen, waardoor de reflector wordt aangetast
(Voor een volledige specificatie van de gloeilampen en hun vermogen, ze pagina 91)
Koplampen
- Draai de lichtschakelaar uit
- Open de motorkap, zie pag. 29. B 14 motor verwijder reservewiel en krik, indien de linker koplamp moet worden vervangen
- Verwijder de afschermkap door deze linksom te draaten
- Trek het contactblokje van de lampvoet
Demontage duplolampen
- Trek beide veerklemmen los en neer de gloeilamp eruit
Accessoire te verkrijgen bij uw dealer: set zekeringen en lampen voor 343/345
Gloeilamp
Koplamp duplo
Vermogen
45 50 W
Fitting
B451

- Breng de nieuwe gloeilamp zodanig in de reflector aan dat de nok op de fitting precies in de uitsparing van de reflectorrand valt.
▶ Duw beide veerklemmen terug.
Plaats het contactblokje en breng de aischermkap weer aan.

- De twee haken van de veerklem losma- ken.
- Draai de veerklem omlaag en neem de gloeilamp eruit.
| Gloeilamp | Vermogen | Fitting |
| Koplamp,halogeen | 60/55 W | B 43 t |

- Plaats de nieuwe lamp in de reflector. De nok moet in de uitsparing van de reflectorrand vallen.
- Draai de veerklem naar boven en maak de twee haken vast.
- Sluit het contactblokje aan en breng de afschermkap weer aan.
24
100A
^1 2 3 _4
Vermögen Fitting
M7
BA 95
-
darean
drukaxan en legalikarilid iets immosom te
● Verwiander net sample door held in le
der «calibration lot en mel net losferkées»
Voig dezerde instructores a s gehoernd en-
- Track de lifting out of rubber straw
sing tanguy in de rubber x-ray en situ te (koplamp)contactbike wear aan
● Vervang het deacute lample, druk de fil
Parketichen, voor

richtingaanwijzerlampen

lichtingaanwijzerlampen, vóór
'et het contact af en draai de lichtschaelaar uit.
en de motorkap (zie pag. 29). B 14 mo- er: verwijder reservewiel en krik om de nker richtingaanwijzerlamp te kunnen bereiken.
Draai de fitting linksom en verwijder "eze.
- Druk het lampje in, draai het iets linksom en neem het eruit
- Vervang het lampje en breng de fitting weer aan.
Richtingaanwijzers, voorscherm
- Verwijder de bevestigingsschroef en neem het huis compleet eraf.
- Trek de fitting eruit en verwijder het lampje door dit eruit te trekken.
- Vervang het defecte lampje en druk de fitting terug in het huis.
- Druk het huis terug op zijn plaats en zet de schroef weer vast.
| Gloeilamp | Vermogen | Fitting |
| Richtingaan-vijzer, vóór | 21 W | BA 15 s |
| Gloeilamp | Vermogen | Fitting |
| Richtingaanwijzer, zijkant voorscherm | 5 W | W2 |
vervangen van gloeilampen

De gloelampen in de achterlichtunit worden vervangen vanuit de bagageruinite
Gloeilamp
| 1 | richtingaanwijzer | 21 W | BA 15 s |
| 2 | achter remlicht | 5 21 W | BAY 15 d |
| 3 | achterlicht | 10 W | BA 15 s |
| 4 | mistachterlamp | 21 W | BA 15 s |
| 5 | achteruitrijlicht | 21 W | BA 15 s |
- Zet het contact af en draai de licht schakelaar uit
- Open de achterklep.
- Verwijder de gekarteide moer en de af schermkap
achterlichtunit

Trek de betreffende lamphouder eruit
Druk het lampje in en draai het iets, aksom om het te verwijderen.

- Vervang de gloeilamp door een van hetzelfde wattage.
- Monteer de lamphouder met de nok in de uitsparingen van de reflectorrand.

- Monteer de afschermkap door deze eerst in de hoek over de bevestigings-haak en dan over de bout te drukken.
● Monteer de gekartelde moer.
Instrumentenverlichting De gebruiken van voor de instumente deng geplastel dat verangen het basst kan worden overgeleten aan uw zijn dealer
Gloellamp Kencken- verichling
5 W
W2
Vermogen
Filling
99
neur bùnnon om het lampsclus gebeel
uit de bumper te nemen.
Steck van schroeverdauer in de op- ming van de kap en druck de klemveer
Verwider de kentekenverlichening als vort
ut de bumper
Gloelampen kentekenverlichting

vervangen van gloeilampen

erwijder de fitting van de binnenverlic- ing als volgt (N.B. De contactklemmen en onder stroom tenzij zekering no. 14 lijk wordt verwijderd).
Steek een schroevedraaier in het gleufje en druk het borgveertje er in om de fitting er uit te wippen.

Verlichting bagageruimte (niet L)
- Neem het lampje uit de fitting en maak zonodig de contactklemmen schoon.
-
Plaats een nieuwe lamp tussen de klemmen en druk de fitting terug op zijn plaats.
-
Verwijder de fitting door een schroevedraaler in de opening te steken en de fitting voorzichtig uit het paneel te wippen.
- Druk de nieuwe lamp tussen de veerklemmen en druk de fitting terug op zijn plaats.
Verlichting handschoenenkast
| oeilamp | Vermogen | Fitting | Volg dezelfde methode als die voor het vervangen van de verlichting in de bagageruimte. | Gloeilamp | Vermogen | Fitting |
| nnenverlichting | 5 W | BA 15 s | Verlichtingbagageruimte | 5 W | S 8.5 |
wielen en banden
Bandenspanning
Controleer regelmatig de bandenspanning
Vergeet hierbij het reservewiel niet
Corrigeren van de bandenspanning
Corrigeer de bandenspanning alleen als de banden koud zijn Bij warme banden mag de bandenspanning alleen worden gewijzigd als de spanning te laag is. Reeds na enkele kilometers rijden loopt de temperatuur op en daarmee ook de bandenspanning
Bandenspanning (koude banden) in kPa (psi)
(kPa kilopascal 100 kPa = 1 kg/cm² = 14 psi)
| Model | Band | 1 tot 3 personen | vollast | ||
| voor | achter | voor | achter | ||
| 343-345GL DL L | 155 SR 13 of175-70 SR 13 | 190(27) | 210(30) | 190(27) | 240*(34) |
| 343-345GLS DLS | 165 SR 13185-70 SR 13of185-60 HR 14 | 190(27) | 210(30) | 190(27) | 240*(34) |
| inchengeleverd | 155 S 13"specialspare" | 250(35) | 250(35) | 250(35) | 250(35) |
(3) 汉山
Wielen
Geperst stalen velgen van vroegere modellen Volvo 343 migen niet op uw auto gemonteerd worden, omdat ze de werking van het remsysteem beenvloeden.
Gebruik bij het monteren van lichtmetalen velgen uitsluitend het door Volvo goedgekeurde type voor de 343-345 modellen
Voorbeelden van de verschillende types bandenslijtag


Slijtagebaan
De banden zijn voorzien van een zijn „slijtagegraad-indictor“. In het loopvlak zijn een aantar delen waar de profieldiep minder is dan van de rest van het loopvlak (zie piij eers voorbeeld). Als de banden zover versleten zijn, dat deze del-zichtbaar worden, is het hoog tijd om de banden te ver-wen.
Bedenk wel, dat banden met minder profiel dan 1,6 mm een zeer slechte greep op het wegdek hebben bij regen de sneeuw.
nkele aanwijzingen om onnodige bandenslijtage te porkomen
Houd de banden op de juiste spanning.
Rijd soepel, voorkom wegscheuren, het met hoge snelheid nemen van scherpe bochten en krachtig remmen.
Bedenk, dat de slijtage groter wordt naar gelang de snelheid hoger wordt.
Verwissel de banden niet onnodig.
Rijd niet met verkeerd uitgelijnde voorwielen.
Rijd niet met in onbalans zijnde wielen.
Let op de banden bij het parkeren langs trottoirbanden.
Winteruitrusting
Spijkerbanden hebben een inrijperiode van 500-1000 km nodig. Tijdens deze periode moet men rustig rijden, zodat de spijkers gelegenheid krijgen zich goed in de banden te zetten.
Spijkerbanden en winterbanden zijn niet leverbaar in de exacte maat 175/70 SR 13. Maat 155 SR 13 spijker/winterbanden mogen echter zowel op de 5 J (standaard) velgen gemonteerd worden als op de 5½ J lichtmetalen velgen (extra, ook leverbaar als Volvo accessoire).
De banden moeten tijdens de gehele levensduur altijd in dezelfde richting draaien. Als u de wielen wilt verwisselen zorg er dan vooral voor, dat de wielen altijd aan dezelfde kant van de auto worden gemonteerd.
Sneeuwkettingen kunnen op de achterwielen worden gemonteerd, mits het een uitvoering met kleine schakels is en zij niet zo ver buiten de band uitsteken dat zij tegen de remcomponenten of andere onderdelen aanlopen. Door Volvo geconstrueerde sneeuwkettingen kunnen bij de Volvo dealers worden besteld.
Sneeuwkettingen met losse schakels, die snel zijn aan te brengen, mogen niet worden gebruikt daar de ruimte tussen de velgen en de remcomponenten hiervoor ontoereikend is.
Opmerking: De maximum snelheid bij het gebruik van sneeuwkettingen is 60 km/u.
Vermitder hier reserved en de xlix en de ge- commlerde kührendel wilmoversteiger de onder is opaborgen
All modelen
(1) De mal van de baggerichte op (de mal kan worden versageschaal op de negekerple to deplank)
GLS en DL5
Open de motorkap (the pages 79)
GL, DL en L
Parker de aulo do een hortoznaal verhaard wyderk en tak de handem aan bloker de widen dio op de goed blijven met houten dokken of stenen.
(Bil en zachte ondergrond de kivkel)
● Drais de krik nu ont (met de klok mee).
Steek de kinhendel in de daarvoor de steimde opening van de kirk (1, 2).
Plaats de kink in de kirsteun bij het wiel dat moet worden verwaren.
Verwijder de welmoeren en de nauw (word op zin plaats gebouden door ( welmoeren) Verwijder net wel
vllkont
● Draal de welmoeren een halve slag to ● Kirk de auto verder op tot het wi
Kirk de auto zover op tot er bewegir komt in de carrossene (banden zijn ni wel in aanraking met het wegderk).
Demontage

ontage van het reservewiel
Plaats het wiel op de wielbouten.
hroef twee van de wielmoeren hand- vast aan.
Centreer de naafdop en monteer de overige twee wielmoeren.
Laat de auto zakken en trek de moeren liselings na.

Controleer de spanning van de reserveband en breng deze zonodig op de waarde die staat aangegeven op het plaatje met technische gegevens (linker portier) en op pagina 68. Vergeet echter niet dat het „special spare" reservewiel altijd een spanning moet hebben van 250 kPa, zie pagina 72.
● Berg de krik en de wielmoerslinger op: GL, DL en L in de motorruimte; GLS en DLS in de bagageruimte.
Waarschuwing!
Kruip nooit onder de auto wanneer deze op de krik staat! De bij de auto geleverde krik moet uitsluitend worden gebruikt voor het verwisselen van een wiel (zie ook pagina 45).
reservewiel
Reservewiel „special spare“
(Bepaalde landen)
Uw auto is uitgerust met een reservewiel dat van een speciaal type band is voorzien, een zogenaamde „special spare“ („speciaal reservewiel“).
De woorden SPARE of SPECIAL SPARE zijn in het profiel van de band gegoten, die op een zwart stalen velg gemonteerd is.
De spanning van deze band moet altijd 250 kPa zijn, onafhankelijk van lading of plaats. Mocht deze band verloren raken of beschadigd worden, dan kunt u een nieuwe kopen bij uw Volvo dealer.

Het speciale reservewiel mag alleen gebruikt worden als een tijdelijke vervanging voor een jokke band en dient zo snel mogelijk weer door een gewoon wiel vervangen te wolden.
Denk er ook aan, dat deze band in combinatie met gewone banden eventuele veranderingen van de rij-eigenschappen ten gevolge kan hebben (zie pagina 41) Wanneer deze band gemonteerd is, wordt 100 km/uur als hoogste snelheid aanbevolen ook al is deze band tegen nogere snelheden bestand
wisserbladen

In een wisserblad van het type met een te vervangen, de veerklep indrukken bij draaipunt en het wisserblad compleet as van de wisserarm schuiven.
1 veiligheidsredenen behoort u de bladen te vernieuwen zodra deze strepen op de ruit achterlaten.

Om een wisserblad van het type met een haak op de wisserarm te vervangen, de plastic borgclip bij het draaipunt indrukken en het wisserblad van de wisserarm afschuiven.

Demonteer als volgt: trek de wisser van het koplampglas af en neem het wisserblad van de arm af bij het draaipunt. Druk het nieuwe wisserblad erop met het langste deel van het blad aan de buitenkant.
N B Direct na het wegalden moet u een paar keer rememen om het vocht van de removergen le verwiarden
maternal kumen cristian
reflectoren aan waardoor barsten in h
Let erop. dat u nooit benzine gebruiki voi
Autoshampo of een paar éénepies ge-
Geschäte wasmidalen
maar nooit heat water.
ter Lauw water kan worden gabrukt.
- Was de auto met een spons (met of zonder wasmiddei) en met erq veel wa-
[1] Indien de auto erq vuil is kan hi! gewas- sen worden met een koud ontvelings-
word1
● Speed de hele auto af tot hel vuit week
carrossene al (welkupen etc.)
● Spuit het vuil aan de onderkant van de
Het wassen kan als vortigt geben
pel's worden opengemakt Vlækken op de listen rond de ruiten spæ borden en deuer kumen met een polijs middel verwierder worden (gabuik nog silipasta of stalswol)
Tegelik met het wassen moeten ook i dianeropeningen in portieren en drei
- Droog de auto met een schone, zich zeem.
(No text)
Wassen
wassen en poetesen
lijsten en in de was zetten
Plijst en zet de auto in de was als de glans in de lak vermindert en als een gewone asbeurt niet genoeg is om de oorspron- lijke glans terug te krijgen. Polijsten be- eft normaal niet eerder te worden uit- voerd dan een jaar na levering van de ito; het in de was zetten kan echter eer- er gebeuren.
as en droog de auto zorgvuldig voor het lijsten/in de was zetten.
bruik wasbenzine voor asfaltvlekken of erspetters. Moeilijkere vlekken kunnen rwijderd worden met een slijppasta voor itolak.
plijst eerst met een polijstmiddel en zet ter de auto in de was met een vloeibare een vaste was. Veel preparaten bevat- zowel een polijstmiddel als was. Matte ikken eerst polijsten, en dan in de was tten.
Anti-roestbehandeling
Uw Volvo heeft in de fabriek een anti-roestbehandeling ondergaan.
Uitwendig, aan de onderkant van de auto en in de wielkuipen bevindt zich een dikke roestbeschermingslaag. In de kokerbalken en de gesloten delen werd een dunnere laag anti-roestmiddel aangebracht. De uitwendig aangebrachte beschermingslaag behoort regelmatig en minstens éénmaal per jaar te worden gecontroleerd en, waar nodig, bijgewerkt.
Wanneer blijkt dat deze beschermingslaag is beschadigd, dan dienen de beschadigde plekken meteen te worden hersteld om te voorkomen dat er vocht tussen de carrosserie en de beschermingslaag komt. Verwijder eventuele losse delen van de oude beschermingslaag en reinig deze plaatsen grondig, alvorens met het bijwerken te beginnen.
De inwendige beschermingslaag dient de eerste maal na drie jaar en daarna minstens éénmaal per twee jaar opnieuw behandeld te worden.
Opmerking: anti-roestmiddelen mogen tijdens het bijwerken nooit op de aan-drijfas komen, omdat dit onbalans kan veroorzaken.

Controleer na het in de was zetten of nadat de auto een corrosiewerende behandeling heeft ondergaan, of de draineeropeningen aan de onderkant van de portieren nog steeds open zijn. Hierdoor wordt voorkomen, dat water in de portieren blijft staan. Deze openingen zijn aangegeven op de afbeelding.
Er zijn eveneens twee draineeropeningen aan de onderkant van de twee achterportieren en onder de achterklep. U dient er op toe te zien, dat deze openingen niet verstopt raken door vuil.
lakschade
| Bijwerken van de lak | Kleine steenslagplekken en krassen | ![]() |
| Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk worden behandel. zodat roest geen kans krijgt. Controleer het lakwerk daarom regelmatig en werk de lak bij. b.v. nadat de auto is gewassen.Kleine plekken (ter grootte van een cent) en krassen kunt u met een penseeltje bijwerken.Grolere beschadigingen vereisen speciale uitrusting en vakbekwaamheid. Voor het bijwerken van grotere lakbeschadigingen kunt u zich beter tot uw dealer wendenSpatbordranden en drempels kunnen zelf worden bigewerkt met een spuitbus, vooropgesteld dat aan de afwerking geen hoge eisen worden gesteld.LakcodeOm er zeker van te zijn altijd de goede kleur te krijgen moet u het lakcodenummer opgeven dat vermeld is op het typeplaatje bij de radiateur (zie...1' in de afbeelding op pagina 84).OpmerkingLakreparaties aan auto s in metallic - uitvoering zijn moeilijk zelf uit te voeren en kunnen derhalve beter aan de vakman worden overgelaten76 | MateriaalRoestverwijderingsmiddelGrondlak-busjeLak-busje of een zogenaamde lakpen (in de dop van de lakpen bevindt zich ook slijppasta voor de nabehandeling)Pennemesje of iets dergelijksPenseel.Als de steenslag niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag is te zien, kan de lak direct worden opgebracht na de plek wat opgeschuurd te hebben om het vuil te verwijderen.Als de steenslag tot op de plaat is doorgedrongen dan moet als volgt worden gehandeld | 1 Schuur het beschadigde deel schoot tot op de plaat en haal van de lakra den met een pennemesje of iets de gelijks de scherpe kantjes af.Breng het roestverwijderingsmidda aan (voorzichtig voor ogen en huig wacht enige minuten en reing da goed met water.Roer de grondlak (primer) linkbreng met een klein penseeltje of luciferhoutje wat lak op |

Als de grondlak droog is kunt u de afdeklaag met een penseel aanbrengen. Let er wel op, dat de lak goed is geroerd en breng daarna meerdere laklagen aan. Laat de lak iedere keer wel goed droog worden.
krassen gaat men te werk zoals reeds is schreven. Om de onbeschadigde lak te schermen kan het gewenst zijn deze af plakken.

Bijwerken van lakbeschadigingen van de spatbordranden en drempels
Matenaal:
Roestverwijderingsmiddel
● Grondlak-spuitbusje
Lak-spuitbusje
● Schuurpapier (korrel 150 - 300)
- Verdunner.
N.B. Voor het bijwerken moet de auto goed schoon en droog zijn. Boven-dien moet de temperatuur boven de 15°C zijn.
Bij het lakken van grote oppervlakken behoort u van tevoren de onbeschadigde lak met verftape of papier afgeplakt te hebben.
Verwijder de tape onmiddellijk na het spuiten, voordat de lak gedroogd is.
1 Verwijder losse deeltjes
2 Schuur het beschadigde deel schoon en spoel vervolgens af met verdunner.
3 Breng het roestverwijderingsmiddel aan (voorzichtig voor ogen en huid), wacht enige minuten en reinig dan goed met water. Wrijf daarna droog.

4 Schud het spuitbusje minstens 1 minuut. Spuit de grondlak op. Tijdens het spuiten moet het busje 20-30 cm van de te spuiten plek met gelijkmatige snelheid heen en weer worden bewogen. Gebruik papier om de omliggende vlakken te beschermen.
5 Als de grondlak droog is, kan de afdeklak op dezelfde manier worden gespoten. Spuit meerdere malen en laat de lak een paar minuten drogen alvorens de volgende laag aan te brengen.
N.B. Wacht 24 uur met de nabehandeling
Waarcschwing Badenk wel dat de Indamper ge- vaarlik zin om in de ademen Zorg voor ben jeorde ventielle in de azio bis dit middel wort gebuuk Dansk er ook om dat waschenzie en wastahaline brandgevaarlik zin
Reinjagen van het kunstler De vinylbedinding en de kunstistof pan ien kunnen worden schoongemak m een luaw sople van een synthetisch wae middel Voor kunstistofen may nooit trichchool thyleen, benzine, petrolenum of een dera lik reinjiginsmiddel worden gebruil Deze kumen de bekiding aanzaten in anarking komen met de vloer van ( auto, omdat ze schade aan kunnen richi door het oplossen van het hechtmidc dal voor het vastlijmen van de taptij wortt gebruikt.

De stoffen bekiding van de voorstoelen an de achterbank kan in het algemeen met waier en zeep of een wasmiddeloplossing minder vijsteken, schoensmeerveken veikken ijsleken, schoensmeerveken middel worden gebuikt (triclooentry- lean, wasbezinsie of wassfalling).
Reinigen van de bekelding
reinigien van het interneter
einigen van de vloerbedekking van vloermatten
( vaste) vloerbedekking moet regelma- worden gestofzuigd. Eventuele vlekken innen met tapijtreiniger worden ver- jderd.
dien bovendien extra (rubber) vloermat- n worden gebruikt dan kunnen deze, sdat ze uit de auto zijn verwijderd, met spiritus worden gereinigd, waarna zij met ater moeten worden afgespoeld.

Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel (zie ook pagina 23).
Reinigen van het glas van het instrumentenpaneel
Om beschadiging of breuk van het glas te voorkomen, mag uitsluitend water worden gebruikt waarin zich geen chemische toevoegingen bevinden.
Andere vloeistoffen zoals benzine, petroleum enz. mogen nooit worden gebruikt.
winter

Voorzorgsmaatregelen voor koud weer
Als u zelf uw auto wilt nakijken voor het koude jaargetijde zijn intrede doet om onnodige moeilijkheden te voorkomen dan moet u aan het volgende aandacht schenken:
- Overtuig u ervan dat de koelvloeistot minstens 50% anti-vries bevat. Dit geeft een vorstbeveiliging tot -35 €
2 Gebruik dunnere olie voor het smeer systeem van de motor om startmoelijkheden te voorkomen Zie de aanbevolen olie op pagina 88.
3 De accu wordt in de winter zwaarder belast dan in de zomer, daar o.a. de verlichting meer wordt gebruikt. Bovendien neemt de accucapaciteit af naarmate het kouder wordt.
Controleer de accucapaciteit en vet de accupolen in.
4 Overtuig u ervan dat het onstekings-
systeem schoon is en juist is afgesteld.
Spuit de verdelerkap en kabels in met
een waterafstotend middel om start-
problemen bij lage temperaturen te
voorkomen
5 Om te voorkomen, dat het reservoir voor de ruitesproeiers bevrest moet dit met een vorstbestendige vloeistof worden gevuld. Dit is erg belangrijk omdat bij het rijden op winterse wegen dikwijls veel vuil op de voorruit komt waardoor de sproeiers en wissers veel gebruikt moeten worden
6 Voor feilloos starten bij zeer lage temperaturen dient u het gaspedaal driemaal in te drukken alvorens met c normale startprocedure (zie pagina 3; te beginnen.
7 Parkeer in de winter de auto nooit in aangetrokken handrem, maar schak de eerste versnelling of de P-stand en leg dan iets voor de wielen.
Accessoires te verkrigen bij uw dealer verstralers, hoes voor de radiateurg beschermkap voor de luchtinlaat om motorkap (bijvoorbeeld tegen sneeuw verschillende extra verwarmingstoesten (benzine of lichtnet) voor de molen of het interieur van de auto.
oorzorgsmaatregelen voor lange afstanden
anneer u overweegt een lange reis te ian maken, laat de auto dan van tevoren ikijken, vooral de remmen, voorwielen, uurinrichting en transmissie:
et is altijd een geruststelling om, op beerkte schaal, een aantal van de meest sentiele onderdelen in reserve te hebben (gloeilampen, zekeringen, contactunten en bougies).
evarendriehoek en schuimblusappa- at zijn in vele landen wettelijk ver- icht.
Indien men sommige werkzaamheden zelf wenst uit te voeren, verdienen de volgen-de punten de aandacht.
● Ga na of de motor soepel loopt en of het benzineverbruik normaal is.
- Controleer de motor op lekkage van olie en koelvloeistof.
- Controleer de spanning van de ventilatorriem.
- Controleer de accu op conditie en vloeistofniveau.
- Controleer de banden (ook het reserve-wiel) en vervang deze zonodig.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.

Facult ut le western wat de ozoneak s van de large acqui Wellsicht werd de auto geparkert met het contact aan als ei ten strong waaring u de garage moet achterden

flowchart
graph LR
A["De motor will not starten"] --> B["Startmotor wert normal"]
B --> C["Writer de startmotor?"]
C --> D["JA"]
D --> E["NEE"]
subgraph A
F["Startmotor draat traag Gedeetelik lage accu?"]
G["Schakel alle elektrische verkurkers uit (koplamper, aanjager and 2) PROBER NOG sens. Start niet langer dan 20 secyen acciteren. Wacht daarna zaker een minuit (zie pag. 32)."]
H["Scanker dielle elektrische verkurkers uit (koplamper, aanjager and 2) PROBER NOG sens. Start niet langer dan 20 secyen acciteren. Wacht daarna zaker een minuit (zie pag. 32)."]
I["Gen resultaat: conclaireer aansluhsingen van accu en startmotor"]
J["probeer te staten met hulpaccu (zie pag. 37)"]
K["probeer te staten met hulpaccu (zie pag. 37)"]
L["Gen resultaat: probeer te staten met hulpaccu (zie pag. 37)"]
M["Gen resultaat: gen resultaat: gen resultaat: controller de contact-puren op confide en jusie alslaid"]
N["Gen resultaat: controller de contact-puren op confide en jusie alslaid"]
O["Gen resultaat: controller de contact-puren op confide en jusie alslaid"]
P["Gen resultaat: controller de contact-puren op confide en jusie alslaid"]
end
Als de motor om een of andere reden niet wil staten, dan kan men zel de volgende punten nalopen voordal de hulp van een garage wordt ingerepen.
opsporen van storingen
Stamotor drawt traag Gedeellik lage accu
(一)本次股东大会的召集和召开程序
Schakel alle elektrische verkurkers uit (kopampen, aanjager enz) PROBER NOG ENS. Sirt net länger dan 20 second aachen/eren, watit dama zeker ten minuit (zie pag. 32).
Green resultat:
controller anislu thinger van accu en staamolor
Green resuIlaat:
opsporen van storingen
NEE
Startmotor werkt niet
(AUT: staat keuzehendel in stand N?)

Geen resultaat: controleer aansluitingen aan accu en startmotor. AUT: als ook de achteruitrijlichten niet werken, controleer dan zekering nummer 10.

Geen resultaat: binnenverlichting werkt wel (en/of verlichting keuzehendelpaneel bij de AUT) maar de startmotor wil niet aanslaan; dit wijst op een zwakke accu ^6 .
Start met hulpaccu (zie pagina 37) of bel garage.

Belangrijke voorzorgsmaatregel (AUT)
Bij werkzaamheden met lopende motor altijd de keuzehendel in de N-stand plaatsen.
Iotorruimte zie pagina's 46-47).
Tracht uit te vinden wat de oorzaak is van de lege accu. Wellicht werd de auto geparkeerd met het contact aan of is er een storing waarop u de garage moet attenderen.
type-aanduiding
Chassis- en motornummer
Om een vlotte afhandeling van uw correspondentie mogelijk te maken, ook bij het bestellen van onderdelen, verzoeken wij steeds de type-aanduiding, het chassis- en het motornummer te vermelden.


1 Typeplaat
Onder de motorkap bij de radiateur. Deze geeft aan: type, bouwjaar, chassisnummer, codenummers voor de kleur van de bekleding en kleur van de lak, maximum laadvermogen
2 Chassisnummer
In het schutbord geslagen, net boven de zekeringenkast
3 Motornummerplaat
Links op het motorblok, geeft motortype en -nummer aan
Onder het slot van het linker portier met gegevens over olie en bandenspanning.
Het volgende geldt alleen voor bepaalde landen:
5 Tweede plaatje met chassisnummer Links op de vloer in de bagageruimte
6 Emissie-afstelgegevens Op het schutbord, boven de bobine.
ieuwe maateenheden
het volgende hoofdstuk, spificatie, n de nieuwe SI-eenheden reis inge- erd. De vroegere eenhedenworden hter tussen haakjes vermeld. nieuwe eenheden zijn:
- kiloWatt als eenheid va vermogen. voorheen pk - paardekrait
n — Newtonmeter als eenlid van koppel voorheen kgm - kilogrameter
5 — omwentelingen per seonde voorheen omw/min - omentelingen per minuut.
a — kiloPascal als eenheid va druk (vloeistoffen, gassen) voorheen kg/cm² -kilogram per vierkante centimeter
— Newton als eenheid van lacht Voorheen kg- kilogram.

| specificatie smeermiddelen | 88 |
| specificatie motor | 89-90 |
| specificatie elektrische installatie | 91 |
INDEX 94-96
85
specificaties, afmetingen
| Afmetingen, algemeen | 343 & 345 (B 14)GL, DL, L | 343 & 345 (B 19)GLS, DLS |
| Totale lengte | 4.235 m | 4.235 m |
| Totale breedte | 1.66 m | 1.66 m |
| Hoogte onbelast | 1.44 m | 1.45 m |
| Hoogte bij vollast | 1.396 m | 1.404 m |
| Bodemvrijheid bij vollast gemeten onder knaldemper | 141 mm | 146 mm |
| Wielbasis | 2.395 m | 2.400 m |
| Spoorbreedte, voor | 1.37 m | 1.38 m |
| Spoorbreedte, achter | 1.40 m | 1.405 m |
| Bumperhoogte, voor, vollast | 503 mm | 511 mm |
| Bumperhoogte voor, onbelast | 514 mm | 530 mm |
| Bumperhoogte achter, vollast | 485 mm | 493 mm |
| Bumperhoogte, achter, onbelast | 555 mm | 564 mm |
| Draaicirkel, gemeten bij buitenwiel | 9.20 m | 9.35 m |
| Draaicirkel, gemeten bij bumperhoeken | 9.70 m | 9.85 m |
| 343 & 345alle modellen | ||
| Afmetingen, bagageruimte | ||
| Lengte | 940 mm | |
| Lengte, achterbank neergeklapt | 1710 mm | |
| Max. breedte | 1360 mm | |
| Max. noogte met hoegenplank | 440 mm | |
| Max. hoogte opening achterklep | 570 mm | |
| Volumes, bagageruimte | ||
| Bagageruimte | ca 380 dm ^1 | |
| Laadruimte met neergeklapte achterzitting (geladen tot aan de bovenkant van de voorste rugleuning) | ca 1200 dm ^1 | |
| Laadruimte maximum met neergeklapte achterzitting (geladen tot aan de hoofdsteunen van de voorstoelen) | ca 1800 dm ^1 | |
specificaties, gewichten en volumes
| ewichten | 343 MTGL, DL, L | 345 MTGL, DL, L | 343 AUTGL, DL, L | 345 AUTGL, DL, L | 343, B 19GLS, DLS | 345, B 19GLS, DLS |
| jklaar gewicht volgens DIN 70020 | ||||||
| at lege benzinetank | 955 kg | 980 kg | 980 kg | 1005 kg | 1070 kg | 1095 kg |
| ax. toegestane totaalgewicht | 1440 kg | 1440 kg | 1485 kg | 1485 kg | 1600 kg | 1600 kg |
| ax. toegestane gew. aanhangwagen | 1000 kg | 1000 kg | 900 kg | 900 kg | 1200 kg | 1200 kg |
| ax. belasting vooras | 670 kg | 670 kg | 670 kg | 670 kg | 770 kg | 770 kg |
| ax. belasting achteras | 790 kg | 790 kg | 825 kg | 825 kg | 850 kg | 850 kg |
| inbevolen druk op trekhaakkogel | 600 N(60 kg) | 600 N(60 kg) | 550 N(55 kg) | 550 N(55 kg) | 650 N(65 kg) | 650 N(65 kg) |
| ax. toegestane daklast | 500 N(50 kg) | 500 N(50 kg) | 500 N(50 kg) | 500 N(50 kg) | 500 N(50 kg) | 500 N(50 kg) |
| blumes | GL, DL, L | GLS, DLS |
| inetank, ca. | 45 l | 57 l |
| eisysteem, ca. | 5 l | 8 l |
| eservoir ruitesproeiers, ca. | 5 l | 5 l |
specificate, smearmiddelen en vloestoften
14 motor
silinder, watergekoelde benzinemotor in lijn.
naal gelagerde krukas, gietijzeren motorblok met tfe cilindervoeringen.
:htmetalen cilinderkop.
opkleppen met stoterstangen en een door een ketting ngedreven en hoogliggende nokkenas.
neersysteem met een door de nokkenas aangedreven ndwielpomp.
ull-flow" oliefilter.
inzinesysteem met tweetraps valstroom carburateur.
esloten koelsysteem met expansietank.
B 19 motor
4-cilinder, watergekoelde benzinemotor in lijn.
5-maal gelagerde krukas, motorblok vervaardigd van speciaal gietijzer met de cilinders direct in het blok geboord. Cilinderkop van lichtmetaal met tegenover elkaar liggende inlaat- en uitlaatkanalen, de zogenaamde „cross-flow" cilinderkop.
Kopkleppen met een door een getande riem aangedreven bovenliggende nokkenas.
Smeersysteem met een door een tussenas aangedreven tandwielpomp met een „Full-flow“ oliefilter.
Brandstofsysteem met een horizontale carburateur van het constante-onderdruktype.
Het koelsysteem is van het gesloten overdruktype met expansietank.
pe-aanduiding
rmogen DIN
ix. koppel DIN
al cilinders
ring
39
inderinhoud
impressieverhouding
epspeling, inlaatklep:
uitlaatklep:
controlewaarde:
afstelwaarde:
B 14.2E
51 kW bij 92 r/s
(70 pk bij 5500 omw/min)
105 Nm bij 42 r/s
(10,7 kgm bij 2500 omw/min)
4
76 mm
77 mm
1397 cc
9,25:1
96 RON
kopkleppen met stoterstangen
0.15 mm (koud)
0.20 mm (koud)
-
WHO
B 19 A 854
70 kW bij 90 r/s
(95 pk bij 5400 omw/min)
150 Nm bij 60 r/s
(15,2 kgm bij 3600 omw/min)
4
88.9 mm
80 mm
1986 cc
9.2:1
96 RON
kopkleppen met bovenliggende nokkenas
-
-
0.35 - 0.50 mm (heet)
0.40 - 0.45 mm (heet)
specificaties, motoren
| Brandstolsysteem | B 14.2E | B 19 A 854 |
| Carburateur | Weber32 DIR 93-100 | Zenith175 CD-2 SE |
| Stationair toerental(handgeschakelde versnellingsbak) | 17 ± 0,4 r/s (1000 ± 25 omw/min) | 15 ± 0,4 r/s (900 ± 25 omw/min) |
| Stationair toerental(automatische transmissie) | 14 ± 0,4 r/s (825 ± 25 omw/min) | — |
| Koelsysteem | ||
| TypeThermostaat opent bijVentilatorVentilatorriem type | Gesloten (overdruksysteem) 89^ C 5-bladig, asymmetrischDA-9.5 1215 LA (Volvo 3290730-5) | Gesloten (overdruksysteem) 92^ C 6-bladig, asymmetrischHC-38-925 (twee) (Volvo 958352-7) |
| Ontsteking | ||
| OntstekingsvorgardeOntstekingshijdstipBougies, type* | 1-3-4-2 6^ ± 1^ voor BDP Volvo 273588-4(Bosch W145 T30 of WBD)0,55-0,65 mm15-20 Nm | 1-3-4-2 10^ ± 1^ voor BDP Volvo 273545-4(Bosch W7DC)0,65-0,75 mm20-30 Nm |
| Bougies, elektrodenafstandaanthaalmoment | ||
| Stroomverdeler,draarrichtingafstand onderbrekerpuntencontacthoek bij stationairtoerental | rechtsom0,4-0,5 mm 57^ ± 3^ | rechtsom0,4-0,5 mm 62^ ± 3^ |
* of dienovereenkomstig
ektrische installatie
12 Volt systeem met spanning-geregelde wisselstroomdynamo.
| cu | B 14 | B 14, Nordic | B 19 |
| e | 53624 | 54549 | 55530 |
| anning | 12 V | 12 V | 12 V |
| x. capaciteit | 36 Ah | 45 Ah | 55 Ah |
| lvo onderdeelnummer | (3107769-6) | 3107769-6 | 3277968-8 |
| ectrolyt | B 14 | B 19 | |
| ortelijk gewicht | 1,28 | 1,28 | |
| aden bij | 1,15 | 1,15 | |
| ssapool | negatief | negatief | |
| sselstroomdynamo | |||
| x. vermogen | 700 W | 770 W | |
| artmotor | |||
| mogen | 920 W | 1400 W |
keringen zie pagina 59
| oeilampen, 12 V | Vermogen, Watt | Fitting | Aantal |
| plampen, duplo | 45/40 | B 45 t | 2 |
| plampen, halogeen (H4) | 60/55 | B 43 t | 2 |
| rkeerlichten, voor | 4 | BA 9 s | 2 |
| ichtingaanwijzers, voor | 21 | BA 15 s | 2 |
| ichtingaanwijzers, zijkant voorscherm | 5 | W 2 | 2 |
| ingaanwijzers, achter | 21 | BA 15 s | 2 |
| eerlichten, achter | 10 | BA 15 s | 2 |
| rkeer/remlichten, achter | 5/21 | BAY 15 d | 2 |
| stachterlamp | 21 | BA 15 s | 1 |
| hteruitrijlampen | 21 | BA 15 s | 2 |
| ntekenverlichting | 5 | W 2 | 2 |
| monverlichting | 5 | BA 15 s | 1 |
| hting bagageruimte | 5 | S 8.5 | 1 |
| rlichting handschoenenkastje | 5 | S 8.5 | 1 |
| ntrole- en waarschuwingslampjes, verlichting | |||
| shboard en instrumentenpaneel, B 14 | 1,2 | W 1 | 23 |
| B 19 | 1,2 | W 1 | 25 |
Enkelvoudige, droge, mechanische kabelbediende plaatkoppeling. Geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak opgesteld bij de achteras in een geheel met de eindaandrijving („Transaxle“ principe)
Koppeling
Koppelingsvork vrije slag (alleen de B 14 LHD modellen) gemeten bij de kabelbevestiging op de koppelingshefboom: 5 mm
Versnellingsbak type M 45 R
| Overbrengingsverhouding | |
| eerste versnelling | 3.71:1 |
| tweede versnelling | 2.16:1 |
| derde versnelling | 1.37:1 |
| vierde versnelling | 1.00:1 |
| achteruit | 3.68:1 |
Eindaandrijving
| Overbrengingsverhouding, eindaandrijving | |
| modellen met de B 14 motor | 3,91 - 1 |
| modellen met de B 19 motor | 3,64 - 1 |
Snelheden bij 17 r/s (1000 omw/min motortoerental)
| Versnelling | B 14 | B 19 |
| 1e | 7,3 km/uur | 8,0 km/uur |
| 2e | 12,5 km/uur | 13,8 km/uur |
| 3e | 19,7 km/uur | 21,7 km/uur |
| 4e | 27,0 km/uur | 29,8 km/uur |
| achteruit | 7,4 km/uur | 8,1 km/uur |
(Vergeet niet, dat dit theoretische waarden zijn. Deze kunnen in de praktijk afwijken, afhankelijk van bijvoorbeeld de bandenmaat, de bandenspanning en de mate van de bandenslijtage)
Aanbevolen minimum en maximum snelheden
| Versnelling | minimum | maximum |
| eerste | — | 45 km/our |
| tweede | 15 km/our | 75 km/our |
| derde | 25 km/our | 115 km/our |
| vierde | 40 km/our | — |
Traploze, automatische transmis (AUT), met twee aandrijfriemen, die koppel van de motor via een automatische centrifugaalkoppeling, met een conti varierende reductieverhouding over brengt op de achterwielen.
Centrifugaalkoppeling
| Ingrijptoerental: | 17,5 - 19,2 r(1050 - 1150 omw/mi) |
| Volledige koppeling bij: | 39,2 - 42,5 r(2350 - 2550 omw/mi) |
AUT
Continu variabele reductieregeling tussen 4,0 en 14.
specificaties, stuurinrichting, remmen
vorwielophanging
afhankelijke voorwielophanging van t type MacPherson, Dubbelwerkende, draulische fuseeschokdempers met proefveer in combinatie met de drieksarm-constructie, gevormd door de alarm en de naar achteren lopende actiestang, tezamen met stabilisatoring.
bound- en bumpbegrenzing zijn in de tokdempers ingebouwd.
chterwielophanging
Dion-asconstructie met asymmetrie parabolische bladveren, dubbelwerde hydraulische schokdempers met jebouwde rebound- en bumpbegreng en een reactiestang.
Stuurinrichting
Stuurinrichting van het tandheugeltype met stuurslot en samendrukbare veiligheidsstuurkolom.
Remmen
Hydraulisch op alle wielen met voor en achter gescheiden remcircuits en een drukafhankelijk reduceerventiel in het achtercircuit.
Schijfremmen vóór, trommelremmen achter. Rondom zelfnastellend met rembekrachtiger.
Remvloeistof: SAE J-1703 (DOT 4).
Handrem: mechanisch op de achterwie- len.
index
| Aandrijnemen, AUT | 51 | Benzinemeter | 6,8 | vorzorgsmaatregelen | 45,58 |
| Aandrijving | 92 | Benzine, octaangetal | 89 | Draaicirkel | |
| Aanduwen | 37 | Benzinetank | 29,87 | Draaischakelaar | |
| Aanhanger | 38 | Benzineverbruik | 30,31,42 | Draneeropeningen | |
| Aanjager | 16,17 | Bergen, rijden | 35,41,52 | Duplolampen | 60, |
| Acceleren (kick-down, AUT) | 30,35 | Beurten, service | 30,44 | Dynamo (wisselstroom) | 46,58 |
| Accu | 7,39,58,80,91 | Bevestigingspunten, krik | 45,70 | Dynamoriem, spanning | |
| Achterbank, terugklappen | 27 | Binnenspiegel | 19 | ||
| Achterklep | 26,41 | Binnenverlichting | 19,67 | Economisch rijden | 30,31 |
| Achterklep, schakelaar | 67 | Bougies | 82,90 | Eerste hulp, als motor niet start | |
| Achterlicht unit | 64,74 | Brandstofverbruik | 30,31,42 | Eindaandrijving | 50,51,88 |
| Achterruitverwarming | 12,16,26 | Buitenspiegels | 19,38 | Elektrisch systeem, voorzorgsmaatregelen | |
| Achterruitversnelling | 33 | ||||
| Afmetingen | 86 | Caravan | 38,39 | zekeringen | |
| Aftappen, motorolie | 48 | Carburateur | 46,47,53,90 | Elektrolyt, accu | |
| Alarminstallatie | 7,13 | Carrosserie | 57,74 | Expansietank, koelsysteem | 46,47, |
| Alarmschakelaar | 13 | Centrifugaalkoppeling (AUT) | 92 | ||
| Anti-roestbehandeling | 75 | Chassisnummer | 46,47,84 | Filter, olie | |
| Anti-verblindingsstand, spiegel | 19 | Choke | 14,32 | Frisse-luchtblaasmonden | |
| Anti-vries | 55,80 | Claxon | 5,59 | ||
| Asbak, dashboard | 15 | Contacthoek | 90 | Garagekrik | |
| Asbakken, achterin | 28 | Contactsleutel | 14,32,36 | Garantie | 30 |
| Automatisch ontkoppelingsmechanisme (AUT) | 35 | Contactslot | 5,14,36 | Gaspedaal | 31,32 |
| Automatische transmissie | 31,34,35,92 | Controlelampjes instrumentenpaneel | 6,7,8,9 | Gereedschap | |
| Automatische transmissie onderhoud | 51,57 | Controlelampjes, reinmen | 7,9,52 | Gewichten | |
| Auto-start niet | 32,37,82 | Corrosiebevolging | 75 | Gloelampen, behandeang | |
| Gloelampen vermogens | |||||
| Gloerampen, vervangen | 7 | ||||
| Dagteler snelholdsmeter | 6,8 | Gordeis | 7,2 | ||
| Bagage, imperiaal | 40 | Dak openen | 18 | Gordeis, controleren | |
| Bagagerumite | 26,27,41,86 | Dashboardschakelaars | 12 | Gordeis onderhoud | 23 |
| Bagagerumite verlichting | 26,67 | Dashboard, verlichting | 12,66 | Grootlicht | 8,10 |
| Bandon | 41,68,69,72 | Demister achterruit | 12,26 | Grootlichtsignaal | 8 |
| Bandon, altagepatroon | 68 | Demister voorruit, zie defrosters | 16,17 | ||
| Bandenspanning | 68,39,41,72 | Derde deuz, zie achterklep | 26,41,86 | Halogeenlampen | |
| Bankzetting, uitnomen | 27 | Deuren | 24,26,41,57 | Handrem | 7,15,34,35, |
| Batterij, zie accu | 7,39,58,80,91 | Deursloten | 24 | Handschakening | 30,33 |
| Bekleding, reinigen | 78 | Dimlont | 8,10,12 | Handschoenenkastje, lamp | 87 |
| Belading, imperiaal | 40,87 | Doe het zelf | 2,44 | Hoedenplank | 26 |
| Belasting, gegevens | 87 | Doe het zelf | Hulpaccu | 37 |
index
| periaal | 40 | Lakschade | 76, 77 | Ontwaseming, voorruit | 16, 17 |
| ialen | 35 | Lampen | 60, 91 | Opkrikken | 45, 70 |
| loud, benzinetank | 87 | Lampen, instrumentenpaneel | 12, 66 | Opsporen van storingen | 82 |
| ijden | 30 | Lange reis | 81 | Overbrengingsverhoudingen,versnellingsbak | 92 |
| pectiebeurt | 30 | Lassen | 58 | Overdrive (AUT) | 30, 31, 35 |
| strumentenpaneel | 6, 7, 9, 79 | Lichtschakelaar | 12 | ||
| strumentenverlichting | 12, 66 | Lichtsignaal | 8, 10 | ||
| erieurverlichting | 25, 67 | Luchtverdeling | 16 | Parkeerlichten | 12 |
| Luchtfilter | 42, 46, 47 | Parkeerlichten, gloeilampen vervangen | 62 | ||
| chelontluchter | 54 | Parkeerstand (AUT) | 34, 35, 80 | ||
| ntekenverlichting | 66 | Maateenheden | 85 | Passeren | 10, 35 |
| uzehendel, AUT | 34, 35 | Matten, reinigen | 79 | Peilstok, olie | 46, 48 |
| uzehendel, schakelaars | 13, 35 | Max. belasting | 87 | Portiersleutels | 3, 24 |
| k-down (AUT) | 30, 35 | Mistachterlamp | 10, 64 | Portiersloten | 24, 25, 26, 57 |
| meterteller | 6, 8 | Motor, afremmen | 35 | Portieren | 24, 57 |
| derveiligheid | 21 | Motor, inrijden | 30 | Profieldiepte, banden | 68 |
| derveiligheidsloten | 25 | Motorkapvergrendeling | 5, 29, 57 | ||
| urcode, bekleding | 84 | Motornummer | 84 | Radiateur | 54, 55 |
| urcode, lak | 76, 84 | Motorolie | 48, 49, 88 | Radio, bedrading | 28 |
| ok | 6, 8 | Motorruimte | 46, 47 | Regelaars, frisse lucht | 17 |
| eling, remmen | 41 | Motorspecificatie | 89 | Regelaars, verwarming en ventilatie | 16 |
| elvloeistof | 54, 80, 88 | Motor, starten | 32, 36, 82 | Relais | 59 |
| elvloeistof, temperatuurmeter | 6, 8, 33 | Motor, werktemperatuur | 6, 8, 30, 33 | Rembekrachtiger | 36, 41 |
| olmonoxyde | 32, 41 | Remmen | 15, 35; 41, 74 | ||
| plampen | 8, 10, 12 | Neutrale stand (AUT) | 34, 45, 51, 83 | Remvloeistofniveau, controlelamp, | 7, 9, 52 |
| plampwissers en -sproeiers | 11, 73 | Noodknipperlichtinstallatie | 7, 9, 13 | Reservewiel | 70, 72 |
| ppelingspedaal | 33 | Richtingaanwijzers | 10 | ||
| weer | 80 | Olie, aftappen | 48 | Richtingaanwijzers, voorscherm | 63 |
| 45, 70 | Oliedruk | 7, 9 | Roestpreventie | 55, 75 | |
| Oliefilter | 48 | Roestwerende behandeling | 75 | ||
| adcircuits, voorzorgsmaatregelen | 58 | Olie, motor | 48, 49, 80, 88 | Rolgordels | 22 |
| adstroom, waarschuwingslamp | 7, 9 | Oliepeilstok | 46,47, 48 | Rolgordels, controle | 23 |
| ding, auto | 26, 38, 41, 87 | Olie, verversen | 48, 49, 50, 51 | Rolgordels, onderhoud | 23, 79 |
| ding, caravan | 38, 39 | Olievuldop | 46, 48 | Rugleuning achterbank | 27 |
| g, imperiaal | 40 | Onderbrekerpunten, afstand | 90 | Ruitesproeiers | 11 |
| temperaturen | 32, 80, 88 | Onderhoud | 44 | Ruitesproeiers | |
| ge temperaturen, starten | 32, 80 | Onderhoud carrosserie | 45, 74 | vloeistofreservoir | 46, 47, 80, 87 |
| ge-versnellingsstand | 13, 34, 35, 41 | Onderhoud, veiligheidsgordels | 23, 79 | Ruitewisserbladen | 73 |
| ge-versnellingsstand, schakelaar | 13, 34 | Ontgrendelknop, rugleuning | 20 | Ruitewissers | 11 |
| kcode | 76, 82 | Ontkoppelingsmechanisme (AUT) | 35 | Rijden met caravan | 38, 39 |
index
| Rijden met impenaal | 40 | Stuurblokkering | 14,36 | Voorruitontwasening | |
| Rij-eigenschappen | 41 | Stuurkarakter | 41 | Voorstoelverstelling | |
| Stuurslot | 14,93 | Voorzorgsmaatregelen, elektrischeuitrusting | |||
| Schakelaar verlichting | 12 | ||||
| Schakelen | 30,33,41 | Technische specificaties | 84-93 | Voorzorgsmaatregelen, koud weer | |
| Scharmieren zijruit achter | 28 | Temperatuur koelyloeistof | 6,8,33 | Voorzorgsmaatregelen, krik | 45. |
| Schuifdak | 18 | Toerenteller | 8 | Voorzorgsmaatregelen,lange afstanden | |
| Servicebeurten | 44 | Transmissie, blokkering | 34 | ||
| Serviceboekje | 44 | Trekhaak | 38 | ||
| SI-eenheden | 85 | Trichloprethyleen | 78 | Waarschuwingsknipperlichten | 7,9. |
| Sigare-aansteker | 15 | Tuimelschakelaars | 13 | Waarschuwingslampjes | 6,7 |
| Sleepogen | 36 | Tunnelconsole | 13 | Wassen | |
| Slepen | 36,87 | Typeplaat | 46,47,84 | Wattage, gloeilampen | |
| Slepen en starten (handgeschakeld) | 37 | Wielen | 69. | ||
| Sleutel, contactslot | 14,32,36 | Uitlaatgassen | 32,41,44 | Wielen, uitwisselbaarheid | |
| Sleutel, portieren | 24 | Uitstelbare zijruit | 28 | Wielophanging | |
| Sleutelnummers | 3 | Winterbanden | |||
| Sloten, kinderveiligheid | 25 | Veiligheid in de auto, kinderen | 21,25 | Wisselstroomdynamo | 46,58. |
| Sloten, portieren | 24,26,57 | Veiligheidsgordels | 7,22,23 | Wisselstroomynamo, riemspanning | |
| Slijtage, banden | 68 | Veiligheidsgordels, controle | 23 | Wisserbladen | |
| Smeermiddelen | 88 | Veiligheidsgordels, onderhoud | 23,79 | ||
| Smering | 57 | Veiligheidsslot | 25 | Zekeringen | |
| Sneeuwkettingen | 69 | Ventilate (frisse lucht) | 17 | Zekeringenkast | 46,47. |
| Snelheden, min, en max | 92 | Ventilate en verwarming | 16,41 | Zonnekleppen | |
| Snelheidsmeter | 6,8 | Ventilatorriem | 56 | Zuinig rnden | 30,31. |
| "Special spare" reservewiel | 72 | Verlichting, bagageruimte | 26,67 | Zijruit achter | |
| Spiegels | 19 | Verlichting, schakelaar | 12 | Zijruitontwasening | |
| Spikerbanden | 69 | Verlichting, instrumenten | 12,66 | ||
| Sproeierreservoir | 46,47 | Verlichting, interieur | 19,67 | ||
| Spulbus, lak | 77 | Vormogen, motor | 89 | ||
| Stadslichten | 12 | Vormogen, gloeilampen | 91 | ||
| Startblokkering | 14,32 | ||||
| Starten en stoppen (AUT) | 35 | Versnellingsbak | 33,50,88,92 | ||
| Starten, lage temperaturen | 32,80 | Versnellingshendel | 33,36 | ||
| Starten, met hulpaccu | 37 | Verwarming | 16,17 | ||
| Starten, motor | 32,80,82 | Verwarming, achterruit | 12,16,26 | ||
| Steunpunten krik | 45 | Verwarming, bestuurdersstoel | 20 | ||
| Stoelen | 20,27 | Vlekken verwijderen | 78 | ||
| Storingen opsporen van | 82,83 | Vloematten reinigen | 79 | ||
| Stroomverdeler | 90 | Vochtwerend middel | 80 |

| Perso.ialia | Dichtstbijzijnde Volvo-garage | Gegevens auto |
| Naam | Naam | Type-aanduiding |
| Adres | Adres | |
| Chassisnr. | ||
| Tel. | Tel | |
| Nr rijbewijs | Chef werkplaats | |
| Verzekeringsmaatschappij | Tel | Motomr. |
| Polisnr | Kentekennr. |
De "zichtbare" anti-roestbehandeling niet u met regelmatige lus- senpozen, tenminste een maal per jaar. controleren en bijwerken Indien de anti-roestbehandeling ook maar ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddellijk doen, zodat geen vocht onder de roestbescherming kan komen. De roestbescherming moet echter schoon en droog zijn, wanneer u gaat bijwerken. Alvorens bij te werken moet u de auto goed afspoelen, wassen en droog maken. Gebruik anti-roestmiddelen in een spuitbus of die met een penseel aangebracht moeten worden. Voor nauwe plaatsen is een drukolie- kan goed bruikbaar. Er bestaan drie verschillende typen anti-roest- middel:
a) dunne (ML), voor naden aan de onderkant
b) dunne (doorzichtige), voor zichtbare plaatsen
c) dikke, voor slijtvlakken aan het onderstel en voor de wielkuipen.
Denkbare plaatsen, die met deze hulpmiddelen wellicht bijgewerkt moeten worden, zijn bijvoorbeeld:
- Zichtbare lasplaatsen en naden in het plaatwerk (vloeistof type b)
- Onderstel en wielkuipen, speciaal de naad tussen vloer en drempels (eerst vloeistof type a en daarna type c)
- Flenzen aan de motorkap (vloeistof Type b)
- Portierscharmieren (vloestof type b)
- Onder alle sierlijsten en afdeklijsten voor zijramen (vloeistof type b. wordt voorzichtig op de lijsten gepoten)

Reinigen na het behandelen
Wanneer is met de behandeling grededgekomen bent, moet u ho overbodige anti-roestmodel wegvegen met een doek, die met to penhige bevochtigd is.
VOLVO
192401301081000570
AB VOLVO • GÖTEBORG, ZWEDEN
PRIVATE IS THE NEUTHEANS
[Unreadable]
