760 (1988) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 760 (1988) VOLVO in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Volvo |
| Model | 760 (1988) |
| Categorie | Personenauto |
| Carrosserie | Sedan |
| Motortype | Benzine of diesel (2.3-2.8 L) |
| Vermogen | Ca. 115-170 pk |
| Overbrenging | Achterwielaandrijving |
| Transmissie | Handgeschakeld of automatisch |
| Lengte | 4800 mm |
| Breedte | 1760 mm |
| Hoogte | 1440 mm |
| Gewicht | Ca. 1400-1500 kg |
| Aantal zitplaatsen | 5 |
| Brandstoftank | 60-80 liter |
| Laadvermogen | Ca. 500-600 kg |
| Onderhoudsinterval | Elke 10.000-15.000 km |
| Remblijven | Schijfremmen voor en achter |
| Batterij | 12V, 60-70 Ah |
| Bandenmaat | 185/65 R14 of 195/60 R15 |
| Veiligheidssystemen | ABS (optioneel), gordels, kreukelzone |
Veelgestelde vragen - 760 (1988) VOLVO
Gebruikersvragen over 760 (1988) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 760 (1988) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 760 (1988) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 760 (1988) VOLVO
Alfabetische inhoudsopgave achter in deze handleiding.
Presentatie van de auto 4
Instrumenten en bediening 6
Interieur, portieren en kofferdeksel 24
Starten en rijden 43
Wielen en banden 61
Als er iets gebeurt 65
Carrosserie-onderhoud 81
Service, periodiek onderhoud en specificaties 89
Type-aanduiding van de auto .....
Chassisnummer ....
Type-aanduiding van de motor ....
Motornummer ....
Kleurcode ....
Kentekennummer ....
Bandentype ....
Brandstof
Maximumbelasting ....

Als u service nodig heeft: erkende Volvo-garages verzorgen het onderhoud en de reparatie van uw auto volgens de instructies van de Volvo-fabriek – en altijd met originele Volvo-onderdelen.
Volvo Car Corporation, de fabriek in Kalmar
Uw Volvo 760 is in de Volvo autofabrieken in Kalmar gemaakt.
Deze fabriek was een van de eerste ter wereld die bij de start in 1974 het "lopende band principe" verliet. In plaats daarvan ging Volvo over op het werken in teams met gemeenschappelijke taken. Op deze manier wilde men het verantwoordelijkheidsgevoel, de betrokkenheid en de arbeidsvreugde vergroten.
De fabriek heeft momenteel internationaal de aandacht getrokken wegens zijn effectieve produktie en technisch kunnen. Alle carrosserieën worden op zich zelf voortbewegende wagens naar 20 verschillende sta-
tions in de fabriek getransporleerd. De deelnemers bij elk station werken aan verschillende opdrachten binnen het station en kunnen het arbeids- tempo vaneren. Voordat de auto elk station verlaat, controleert het team het eigen werk en brengt het, waar nodig, orde. Als eenheid is het team verantwoordelijk voor de kwaliteit.
Voor een exclusieve auto als de 760 is de Kalmar-fabriek bijzonder goed geschikt. Hier doen zich de mogelijkheden voor om zich te specialiseren op de produktie in kleine series van een auto van de allerhoogste kwaliteit.

Dubbelsleutel
(„garagesleutel“)
Voorportieren
Start-/stuurslot
Hoofdsleutel „Portefeuillesleutel“
Deze sleutel past op
alle sloten van de auto.
Nummerplaatje

Het nummer van de sleutel – de hooïdsleutel en de dubbelsleutel hebben hetzelfde nummer – staat ook op het afzonderlijke nummerplaatje. Verwijder het nummerplaatje van de sleutelhanger zodat niemand het nummer kan overschrijven als u b.v. de sleutels zou verliezen en leg of kleef het vast – aan de achterkant van het nummerplaatje zit zelfklevende tape – op een veilige plaats. Als u een sleutel verliest, kunt u een nieuwe bestellen bij een Volvo-dealer.
Een nauwkeurige beschrijving van de werking van de sloten staat op pagina 32-33.
Presentatie

Deze handleiding gaat over het rijden met en het onderhouden van uw Volvo 760
Een grote bedrijfszekarheid en lange levensduur zijn twee belangrijke factoren van de kwaliteit van Volvo-auto's. Om deze te behouden hebben wij deze handleiding opgesteld en wij verzoeken u deze door te lezen. Het boekje is zowel als instructie- en als naslagboekje bedoeld. Daarom bevat het een groot aantal getallen die bij het zoeken naar specifieke gegevens van belang zijn. Volg ook de gegeven servicevoorschriften op; meer hierover kunt u in het Serviceboekje lezen.
Als u belangstelling heeft voor een uitvoeriger beschrijving van de constructie van de auto zijn er Volvo Servicehandboeken; raadpleeg uw Volvo-dealer.
Laat dit boekje in de auto achter, dan kan de volgende eigenaar ook over het rijden met en het onderhouden van de auto lezen.
Vraag uw dealer, als u nog meer over service, onderhoud of het omgaan met uw auto wilt weten.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Op pagina 6–24 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedie- ningsorganen nauwkeurig beschreven. Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrus- ting kunnen voorkomen.
Beschrijving op pagina
1 Blaasmond 16
- Koplampen en parkeerlichten
3 Richtingaanwijzers, grootdimmichtschafterdien 13 grootlichtsignaal 14 Cruise Control 8-11
4 Instrumentenpaneel 5 Ruitewissers/-sproeiers en koplampwissers/-sproeiers, achterruitwisser/-sproeler, 5-deurs 15 21
6 Blaasmonden 21-23
7 Verwarming en ventilatie
- Plaats voor radio 19
9 Sigare-aansteker 19
10 Asbakje 19
11 Parkeerrem
12 Elektrisch verwarmde passagiers- en bestaurelter 35
13 Motorkapsluiting 20
14 Elektrisch bediende raammechanismen en elektrisch bediende buitenspiegels 25 17
15 Instrumentenverlichting 17
16 Mistachterlampen 17
17 Gelijkzetten klokje
-
Plaats voor extra ultrusting
-
Plaats voor extra uitrusting 12
21 Start- en stuurslot
-
Plaats voor extra uitrusting 27
-
Elektrisch bediend schuifdak 13
24 Waarschuwingsknipperlichten 18
- Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
26 Claxon
Instrumenten, schakelaars en bediening

De inhoud van de brandstoftank is circa 80 ^a liter. Het rode gebied komt met circa 9 liter overeen. * 5- dours 60 liter
Dagteller
Deze wordt voor het opmeten van korte rijafstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft vectometers (100 meter) aan. Druk de knop in om de dagteller op nul te zetten.
Klokje
Het klokje werkt elektrisch en wordt door de accu aangedreven.
Toerenteller
Deze geeft het motorloerental aan in duizend omw/min. Het egaal rode gebied mag niet worden gebruikt.
Maximaal toegestaan continu motortoerental: 6000 omw/min bij de benzinemotor en 5000 omw/min bij de Dieselmotor
De motor van de 760 Turbo heeft een ingebouwde beveiliging tegen een te hoog motortoerental waardoor het motortoerental niet hoger dan ca 6200 omw/min kan worden. Als u bijvoorbeeld bij accelereren dit toerental nadert, wordt deze beveiliging ingeschakeld hetgeen aan sterk overslaan merkbaar is.
Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvloeistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 101–103. Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 52.
Turbodrukmeter (alleen bij 760 Turbo)
De schaal van de turbodrukmeter is verdeeld in twee gebieden met verschillende kleuren: een zwart en een geel gebied. Met de wijzer in het zwarte gebied werkt de motor als „aanzuigmotor”, d.w.z. zonder turbolading. Houd de wijzer zo veel mogelijk in dit gebied om zo zuinig mogelijk te rijden. Met de wijzer in het gele gebied is de turbo ingeschakeld.
Instrumenten

1 Brandstofmeter
2 Klokje
3 Snelheidsmeter
4 Dagteller
5 Kilometerteller
6 Nul-instelling dagteller
7 Toerenteller
8 Turbodrukmeter (alleen bij 760 Turbo)
9 Temperatuurmeter
Deze waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
Zij moeten echter wel branden, als u vóór het starten het contact aanzet. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor is aangeslagen, moeten alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje voor de par-
keerrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de parkeerrem heeft losgezet.
De dynamo laadt niet bij

Het lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, zit er een storing in de elektrische installatie of zijn de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie voor de spanning van de ventilatorriemen pagina 103.
N.B! Als de ventilatorriemen stukgaan of zo slecht gespannen zijn dat de dynamo niet bijlaadt, gaan niet alleen dit lampje, maar ook de waarschuwingslampjes 6, 8, 12, 13 en 21 branden. Dit komt door speciale wettelijke voorschriften in bepaalde landen en is dus heel normaal.
Te hoge laaddruk, 760 Turbo Diesel

Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt, is de laaddruk te hoog. Rijd voor controle voorzichtig met de auto naar een Volvo-werkplaats. Op pag. 55 staat meer over waarschuwing i.v.m. Turbo.
Een gloeilamp brandt niet
Dit waarschuwingssysteem voor een defecte gloeilamp wordt alleen ingebouwd voor Europese landen, waar de auto's geen herkenningslicht hebben. Het dient niet alleen voor het waarschuwen in geval van een defecte gloeilamp (over remlichten, achterlichten en dimlichten geschakeld), maar ook in geval van een defect remcircuit.
Nadat de motor aangeslagen is en het laadsysteem in werking is, gaan alle controle- en waarschuwingslampjes uit, met uitzondering van dat voor een defecte gloeilamp. Dit gaat pas uit, als het rempedaal kort ingetrapt is en de remlichten zijn gaan branden.
Als het blijft branden, heeft de bedrading van de remlichtschakelaar naar de remlichten geen spanning, zodat de remlichten niet werken. Vervangen van gloeilampen: zie pagina 68-75. Vervangen van zekeringen: zie pagina 75-77. Als na het vervangen van een kapotte gloeilamp het waarschuwingslampje blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant vervangen worden.

Remcircuit buiten werking

Als het lampje tijdens het rijden of bij het remmen brandt, is het remvloeistofpeil te laag.
Zet de auto onmiddellijk stil en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zil, staat op pag. 99)!
Als het peil in het gehele reservoir onder MIN ligt: rijd niet door, maar laat de auto voor controle en reparatie naar een werkplaats slepen!
Als het poil in de ene helft van het reservoir onder MIN ligt: rijd voor controle voorzichtig naar een werkplaats.
Te lage oliedruk

Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zel de motor onmiddellijk af en controleer het olicpeil in de motor; zie pagina 96–98.
Na zoer snei rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normal, als het maar uitgaat, als het motortoe- rental wordt opgevoerd.
Controle- en waarschuwingslampjes
1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 Niet aangesloten
4 Controlelampje knipperlichten aanhanger
5 Niet aangesloten
6 Te weinig sproeivloeistof
(als het laimpje brandt, zit er nog maar
1/2-1 liter sproeivloeistof in het reservoir)
7 Mistachterlampen
8 Defecte gloeilamp
9 Dynamo laadt niet bij
10 Oliedruk te laag
11 Grootlicht brandt
12 Remcircuit buiten werking
13 Parkeerrem aangetrokken
14 ABS buiten werking
15 Niet aangesloten
16 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde-versnellingsbak)
17 4e versnelling uitgeschakeld (automatische versnellingsbak)
Zie ook pagina 50!
18 Controlelampje autogordels
19 AIRBAG (bepaalde landen)
20 Voorverwarmen (Dieselmotor)
Het controlelempje gaat branden, als de
startsleutel in de rij-/voorgloerstand
gedraald wordt.
Zie ook pagina 45.
21 Te hoge laaddruk, Turbo (Dieselmotor)
22 Niet aangesloten
10

Controlelampje knipperlichten aanhanger
Controlelampje voor knipperlichten van een aanhanger. Als de aanhanger aangekoppeld is, knipperen deze tegelijk met een van de controlelampjes voor knipperlichten. Als dit niet knippert, werken de knipperlichten van de aanhanger niet,

ABS – niet- blokkerende remmen – buiten werking

Door het ABS-systeem kunnen bij stork afremmen de wielen niet blokkeren. Als het lampje brandt, is het systeem buiten werking. Het gewone remsysteem van de auto werkt echter op normale wijze. Rijd voor controle naar een Volvowerkplaats. Op pag. 54 staat meer over ABS-remmen.
Richtingaanwijzers Waarschuwingsknipperlichten

Richtingaanwijzers

Groot-/dimlicht of grootlichtsignaar

Waarschuwingsknipperlichten
Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-schakelaar en grootlicht-„signaal”
1 „Drukpuntsstand“
Bij bochten met een geringe studrutslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug, als het losgelaten wordt.
2 Normale bochten
(koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stoud (lotdat een lichte weerstand gevoeld wordt). Het grootlicht brandt, toldat het hendeltje weer losgelaten wordt.
3 Groot-/dimlichtschakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje voorbij de „signaalstand naar het stuur en laat het dan weer los. De koplampen schakelen van groot- naar dimlicht en omgekeerd.
Waarschuwingsknipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Als een gloeilamp in de richtingaanwijzers stuk is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.
Start-/stuurslot Stuur instellen

Als de sleutel zwaar draait, komt dit, doordat de voorwienen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker.




0 Vergrendelingsstand
Met het stuurslot wordt
het stuur vergrendeld, als
u de sleutel uit het slot
haalt.
Tussenstand –
„radiostand“
Bepaalde oloktrische componenten (b.v. de kachelaanjager, sigare-aansteker, koplampen) kunnen worden ingeschakeld. De elektrische installatie van de motor is niet ingeschakeld.
II Rij-/voorgloeistand
Stand van de sleutel tijdens het rijden (en bij voorgloeien vóór het starten van de motor; alleen 760 Diesel).
III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld.
Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.

Het stuur kan in 3 verschillende standen worden gezef.
Druk de bediening aan de linker kant van de stuurkolom naar beneden en houd deze zo. Zet daarna het stuur in de stand die u het prettigst vindt.
Controleer of het stuur geblokkeerd is. Stel het stuur in, voordat u gaat rijden.
Ruitewissers
Koplampw
- itwisser en -sproeier


Voorruit + koplamper

Achterruit wissen
Ruitewissers
1 Wissen met intervekt Dit wordt gebruikt bij het nijden of mist. De wissers maken ongeveer érkek 6 seconden één slag.
2 "Drukpuntsstand" Als u de wissers slechts een of een paar slageen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand, als het hendeltje losgelaten wordt. wordt.
3 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + kop -sproeiers Ais het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en deze maken 2-3 slagen, nadat het hendeltje losgelaten is. N.B! De koplampwissers hebben een beveil- ging tegen overbelasting en deze werkt als de wisserbladen b.v. door sneeuw of ijs worden ge- blokkeerd (de wissers blijven steken). Als dit het geval is, moet de startsleutel in de 0- stand worden gedraaid, de sneeuw of het ijs wor- den verwijderd en ca 1 minuut worden gewacht. Dan is de beveiliging tegen overbelasting afge- koeld en kan het contact weer worden aangezet en kunnen de koplampwissers weer worden ge- bruikt. Controleer regelmatig de werking van de wissers.
Achterruitwissen der opreier wordt bediend met van de ruitewis-
De achterruitwissen/-spier de schakelaar aan de buitenkant van door.
serhendel.
derruitwisser, normale und
10 seconden
1 Achteranwissen
2. Intervalwisser De achterruitwisser Haal- en slag.
3 Achterruitsproder
Ook de wisser gaat werken, als de knop losgelaten wordt
drukt wordt. Als de knop losgelaten wordt
maakt de wisser nog 2-3 slagen.
Cruise Control

De Cruise Control mag in druk verkeer of bij gladde wegen niet worden gebruikt. N.B! Bij het rijden op een helling kan de ware snelheid van de auto iets van de ingestelde snelheid afwijken.
Inschakelen
De schakelaar van de Cruise Control zit op de richtingaanwijzerhendel.
Gewenste snelheid instellen:
1 Zet schakelaar (B) in stand O
2. Accelereer tot de gewenste snelheid.
N.B! De Cruise Control kan bij snelheden onder 35 km/uur niet worden ingeschakeld.
3 Druk de SET SPEED knop (A) in.
Snelheid verminderen
De Cruise Control wordt uitgeschakeld, als het rempedaal wordt ingetrapt. Een eerder ingestelde snelheid wordt in het geheugen bewaard. Als de schakelaar eventjes in de RESUME stand wordt gebracht, gaat de auto weer met de ingestelde snelheid rijden.
N.B! De auto accelereert heel snel, als het verschil tussen de ingestelde en werkelijke snelheid groot is en de schakelaar in de RESUME stand wordt gezet. Accelereer dus eerst op de normale manier. Het snelheidsverschil wordt dan kleiner, als de schakelaar in de RESUME stand wordt gezet,
Accelereren
Een tijdelijke snelheidsverhoging, zoals b.v. bij het inhalen, heeft geen nadelige invloed op de werking van de Cruise Control. De auto gaat weer met de vorige snelheid rijden zonder dat de schakelaar in de RESUME stand behoeft te worden gezet.
Uitschakelen
Zet schakelaar (B) in de stand ● of druk op het rempedaal.
Als het contact afgezet wordt, wordt de Cruise Control automatisch uitgeschakeld.
Mistachterlampen
instrumentenverlichting
Klokje

Schakelaar misfachmienamp
Mistachterlampen

Als de mistachterlampen ingesond keld zijn, branden het controlelampje in de schakelaar en het controlelamp- je in het instrumentenpaneel. De mistachterlampen worden bij mist en slecht zicht gebruikt.

Regelbare weerstand instrumenten
Regelbare weerstand instrumentenverlichting
Bediening naar boven: sterkere verlichting Bediening naar beneden: zwakkere verlichting

Gelijkzetknopje klokje
Klokje gelijkzetten
On het klokie gelijk te zetten moet een van uit-
Om het kredje knappen worden ingedrukt:
, naar voren
naar achteren
Denk hieraan: De wettelijke voorschritten voor het gebruik van misterachterlampen verschillen van land tot land.
Koplampen Parkeerlichten

Schakelaar verlichting

Schakelaar symbolen
Koplampen en parkeerlichten
○ Startsleutel in stand 0: Alle verlichting is uit.
Startsleutel in stand I en II: Instrumenten- en bedieningsverlichting branden.
-04 Parkeerlichten voor en achter.
De parkeerlichten moeten alleen bij parkeren en noit onder het rijden worden gebruikt.

Startsleutel in stand 0: Alle verlichting is uit. Koplampen (+parkeerlichten voor en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden.
De koplampen moeten natuurlijk branden, als in het donker op slecht verlichte wegen en overdag bij slecht zicht gereden wordt.
Als de schakelaar in stand ID staat, gaat dus alle verlichting uit, als de startsleutel in de stand 0 gedraaid wordt.
Parkeerrem
Sigare-aansteker
Asbakjes

Parkeerrem (handrem)
De hendel zit tussen de voorstoelen. Als de parkeerrem aangetrokken is, brandt het waarschuwingslampje in het instrumentenpaneel. Als de parkeerrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingedrukt worden.
Gebruik bij parkeren altijd de parkeerrem, want dan blijft deze goed werken.

Sigare-aansteker
Asbakje

Sigare-aansteker en asbakjes
Druk de aansteker in, als deze moet worden gebruikt. Als hij warm genoeg geworden is – na ca 6–8 seconden –, komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaaggedrukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch verwarmde achterruit, buitenspiegels, voorstoelen

Schakelaar elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
Elektrisch verwarmde achterruit Elektrisch verwarmde buitenspiegels
Gebruik de elektrische verwarming om ijs en aanslag van de achterruit en buitenspiegels te verwijderen.
Door op de schakelaar te drukken wordt de verwarming van de achterruit en buitenspiegels gelijktijdig aangezet. Dit blijkt hieruit, dat de beide oranje controlelampjes in de schakelaars branden. Een ingebouwde tijdschakelaar zorgt ervoor, dat de verwarming van de buitenspiegels na ca 12 minuten automatisch uitgeschakeld wordt. Tegelijk gaat het betreffende controle-
lampje uit. Als nogmaals op de schakelaar wordt gedrukt, terwijl een van de controlelampjes brandt, wordt de gehele verwarming uitgeschakeld. Als weer op de schakelaar wordt gedrukt, als de beide controlelampjes uitgegaan zijn, wordt de verwarming weer aangezet.

Schakelaar voorstoelverwarming
Schakelaars stoelverwarming
De elektrische verwarming kan met de schakelaars worden in- en uitgeschakeld.
De verwarming werkt geheel automatisch en reagoert op de temperatuur bij het starten. Als de juiste temperatuur is bereikt, schakell de verwarming automatisch uit.
De verwarming van de passagiersstoel wordt alleen bediend, als er iemand op de stoel zit.
Verwarming, ventilatie en airconditioning


Openen - dichtdoen - richten
De airconditioning werkt geheel automatisch, maar de installatie kan, desgewenst, ook met de hand worden bediend. Met behulp van twee sensoren die op verschillende plaatsen binnenin de auto zijn aangebracht, wordt de temperatuur automatisch geregeld. Een sensor zit aan de bovenkant van het dashboard en reageert daar op de zoninstraling. De andere sensor is in de plafondverlichting aangebracht en reageert op de temperatuur midden in de auto.
Het is door de airconditioning mogelijk om in de auto een koel en aangenaam klimaat te krijgen, zelfs al is het buiten erg warm; denk er echter aan, dat de ramen en het zonnedak dicht moeten zijn.
Op de volgende twee pagina's staat meer over de werking van de airconditioning en hoe deze het doelmatigst kan worden gebruikt.
Blaasmonden
A Open
B. Dicht
C. Onzijrichten van de luchtsfroom
D. Ombogrichten van de luchtstroom
Elektrisch bediende raammechanismen
Links achter
Links vóór

Rechts achter
Rechts vóór
Elektrisch bediende raammechanismen
De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien.
Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet de startsleutel in de "rijstand" worden gedraaid. De ramen gaan open, als op het achterste deel van de schakelaar wordt gedrukt en zij gaan dicht door op het voorste deel van de schakelaar te drukken.
N.B! De elektrisch bediende raammechanismen hebben een beveiliging tegen overbelasting en deze werkt, als de ruiten door een voorwerp worden geblokkeerd.
Als dit gebeurt, moet het voorwerp worden verwijderd en ca 20 seconden gewacht. Dan is de beveiliging tegen overbelasting afgekoeld en kan de startsleutel weer in de rij-stand worden gedraaid en kunnen de raammechanismen worden gebruikt.

Bij auto's met ook voor de achterportieren elektrisch bediende raammechanismen kunnen de raammechanismen vergrendeld worden met de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel van het bestuurdersportier.
Denk er aan om altijd de startsleutel uit het startslot te halen, als er kinderen in de auto zijn.
- De ramen van de achterportieren kunnen met de schakelaar van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportier bediend worden.
- De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf het bestuurdersportier en dus niet met de schakelaars van de achterportieren bediend worden.
Achteruitkijkspiegels Make-up spiegel

B = anti-verblindingsstand
Binnenspiegel
A. normale stand
B anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u last van de koplampen van auto's achter u heeft.

Schakelaars buitenspiegels
Buitenspiegels, elektrisch instelbaar
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier.
A zijdelings instelling
B hoogte instellen

Make-up spiegel in de zonneklep
Make-up spiegel
A. De lamp brandt niet
B. De lamp brandt.
Stel de spiegels goed in, voordat u gaat rijden!
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, om- dat het spiegelglas dan kan krassen!
Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buiterspiegel waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een „groothoekspiegel" is die de dode hoek" elimineert.
Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en af- standen geeft!
Op de volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
achteruitkijkspiegels 25
binnenverlichting, schuifdak 26
voorstoelen, kinderen in de auto 28
autogordels 30
portieren en sloten 32
achterklep 5-deurs, kinderveiligheidsslot, motorkap, motorruimteverlichting 34
bagageruimte, bagageruimteverlichting 36
opbergplaatsen, vervoer lange lading 38
opklappen achterbank 5-deurs 40
zitting verwijderen, verankeringsogen 41
brandstoftankklep 42

Slinger schuifdak (handbed.)

Schakelaar schuildak (elektr.)
Schuifdak, handbediend of elektrisch bediend (extra uitrusting)
N.B! Het elektrisch bediende schuifdak heeft tegen overbelasting een beveiliging die werkt, als het dak door iets wordt geblokkeerd. Als dit gebeurt, moet het voorwerp worden verwijderd en ca 20 seconden worden gewacht. Dan is de overbelastingsbeveiliging afgekoeld en kan de startsleutel weer in de startstand worden gedraaid en het dak worden gebruikt.
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak, ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiesland“ komt te staan.
Bediening met slinger
Druk altijd knop 1 in, voordat u aan de slinger draait.
Linksom = normaal schuifdak Rechtsom = ventilatiestand
Uit veiligheidsoverwegingen moet de slinger tijdens het rijden altijd ingeklapt zijn!
De startsleutel moet in de rijstand staan. Om het schuifdak te sluiten: druk op de andere kant van de schakelaar dan toen u het schuifdak open-zette.
Noodbediening schuïtdak: zie pagina 80.
Binnenverlichting
Leoslampjes voor de voorstoelen

Binnenverlichting, leeslampjes
De binnenverlichting bestaat uit een plafondlamp en leeslampjes voor de vier zitplaatsen van de auto.
1 De lamp is altijd aan
2 De lamp is altijd uit
3 De lamp gaat branden, als een van de portieren geopend wordt.
Om u de tijd te geven om o.a. in het donker het startslot te vinden heeft de plafondlamp een ingebouwde vertraging, waardoor de lamp pas 7 seconden, nadat het bestuurdersportier gesloten is, uitgaat.

Leeslampjes achter
Leeslampjes achter
A Lampje brandt
B Lampje brandt niet
Voor de achterpassagiers zijn er twee leeslampjes in het plafond. Deze verlichting wordt met de schakelaar aan en uit gedaan.
Ook kinderen moeten goed in de auto zitten – en veilig!
- Een volwassene met een autogordel om is bij een botsing of ander ongeluk in een Volvo zeer goed beschermd.
Om uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven, geven wij hier enkele adviezen over de ultrusting en plaats van de kinderen in de auto.
Denk eraan, dat kinderen, ongeacht hun leefijd en grootte, in de auto altijd vastgezet moeten zijn. En laat nooit een kind bij een passagier op schoot zitten!
De plaats en uitrusting moeten op basis van het gewicht van het kind worden gekozen.
Het naar achteren gekeerde extra kinderzitje voor de bagageruimte van de 5-deurs modellen is aangepast aan 2 kinderen van tenhoogste 40 kg.
N.B! Er zijn in veel landen wettelijke voorschriften voor de plaats van kinderen in de auto. Onderzoek wat geldt in het land waar u naar toegaat.
WAARSCHUWING!
Als uw auto elektrisch verstelbare stoelen heeft, adviseren wij om het kinderzitje op de achterbank te zetten. Zo kan inklemmen worden voorkomen, als het kind of een ander aan de knoppen voor de stoel komt.

Volvo's nieuwe kinderzitje voor kinderen tot 18 kg
Kinderen tot 18 kg
In Volvo's nieuwe kinderzitje kunnen ook pasgeboren kinderen voilig zitten. De stoel kan achterstevoren op de voorste passagiersstoel of op de achterbank worden vastgezet. In beide gevallen moet de autogordel van de passagiersstoel worden vastgemaakt, zelfs al zit er niemand op de stoel. Zo kan het zitje niet eens bij zware belasting losraken. Volg altijd de meegeleverde aanwijzingen van de fabrikant op.

Kinderkussen, ruggesteun on 3-puntsgordel voor kinderen boven 18 kg
Kinderen zwaarder 18 kg
Kinderen zwaarder 18 kg moeten op een kinderkussen op de achterbank worden gezet en de rolgordel van de auto gebruiken. Liefst gecombineerd met de ruggesteun. Volvo's eigen kinderkussen, ruggesteun en 3-puntsgordel voor de middelste plaats van 4-deurs modellen zijn speciaal geconstrueerd om een maximale veiligheid te geven.
Vraag uw Volvo-dealer om raad en wenken.
Voorstoelen
Hoogte-instelling bestuurders- en passagiersstoel
De voorkant van de bestuurders- en passagiers-stoel kan op drie verschillende hoogten en de achterkant in vier standen geze worden. Verstel de stoel, voordat u gaafrijden. Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld. Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld.
- = zachter
Lendesteun
+ = harder

Elektrisch verstelbare bestuurdersstoel
Als extra uitrusting voor bepaalde landen kan uw Volvo worden uitgerust met een elektrisch verstelbare bestuurders stoel. Met de schakelaar aan de zijkant van de stoel kunnen dan worden versteld:
- De hoogte aan de voorkant van de stoel
- De hoogle aan de achterkant van de stoel
- Naar voren – naar achteren
- De hellingshoek van de rugleuning

flowchart
graph TD
A["STOP. Hiermee worden alle functies geblokkeord"] --> B["Stop"]
B --> C["Omlaag"]
C --> D["Voorkant"]
B --> E["Omhoog"]
E --> F["Naar voren"]
F --> G["Naar voren"]
B --> H["Naar achteren"]
H --> I["Naar achte"]
B --> J["Omhoog"]
J --> K["Achterkant"]
L["Rugleuning"] --> M["Naar voren"]
M --> N["Naar achteren"]
N --> O["Omhaag"]
Lengteverstelling
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden. Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of achteren worden geschoven. Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is.
Hellingshoek van de rugleuning
De knop STOP is een noodstopknop. Met deze knop worden de overige schakelaars buiten werking gesteld, zodat de stoelstand niet per ongeluk kan worden gewijzigd.
N.B! De elektrisch verstelbare voorstoelen hebben tegen overbelasting een beveiliging die werkt, als een stoel door iets wordt geblokkeerd. Als dit gebeurt, moet het voorwerp worden verwijderd en ca 20 seconden worden gewacht. Dan is de overbelastingsbeveiliging afgekoeld en kan de start-sleutel weer in de rij-stand worden gedraaid en de stoel worden gebruikt.
Zie voor noodbediening van de stoelen pagina 80.
Autogordels


Heupgordel afstellen
De middelste autogordel van de achterbank is een heupgordel. Deze moet altijd zo afgesteld worden, dat deze goed tegen de heup ligt.
WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, schroeven en blokkeerinrichting, door een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, toch kan een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn.
vervang de autogordel ook, als deze erg gesleten of beschadigd is.
verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-werkplaats doen!
Controleer af en toe de autogordels
Controleer of de autogordel niet tegen scherpe randen schuurt en of de bouten wel goed aangetrokken zijn en de autogordel overigens in goede staat is.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de autogordel te reinigen.
De blokkerende werking van de rolgordels moet u als volgt controleren:
- Pak de gordel vast en ruk er heel snel aan. - Let op het verkeer en rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond. Haal de autogordel aan.
Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden!
Denk erom, dat het in bepaalde landen wettelijk is voorgeschreven, dat alle inzittenden een autogordel gebruiken.

Do heupgordel moet laag zitten
Aanstaande moeders
Aanstaande mooders moeten de autogordel met oplettenheid gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen, dat geen druk op de baarmoeder uitgeofend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie de albeelding.
Autogordels

Twoe herinneringslampjes, een op het instrumentenpaneel en een op de achterbank, knipperen, als u met de auto rijdt zonder dat u of de voorpassagier de gordel om heeft.

De heupgordel moet laag zitten
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgon hebben, als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers, dat ook zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degenen die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de autokunnen dan leisel oplopen.
De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben rolgordels!
Deze moet u als volgt gebruiken; trek de autogordel heel langzaam uit en zet deze vast door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik“ geeft aan, dat de autogordel vastzit. Normaal is de autogordel niet vergrendeld en kunt u zich vrij bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden:
- als de gordel te snel uitgetrokken wordt
- bij afremmen en accelereren
als de auto sterk overhelt - bij het nemen van bochten.
Het is voor een maximale bescherming van belang, dat de gordel goed tegen het lichaam ligt. Denk er daarom aan, dat:
- geen klemmen of andere accessoires worden gebruikt die verhinderen, dat de gordel aanliqt.
- de gordel niet scheef of gedraaid is
● de heupgordel laag moet zitten (dus niet om de buik) - de heupgordel strak om de heup moet worden gezet door diagonaalsgewijs aan de gordel te trekken (zie de afbeelding).
Uiteraard is elke gordel slechts voor een per- soon bestemd!
Om de autogordels los te maken moet op de rode vergrendelingsknop worden gedrukt. Laat daarna de rol de autogordel geheel oprollen.
Kofferdeksel Achterklep, 5-deurs
Doe als volgt:

Van het slot doen

Vergrendelen
Trek de sleutel er loodrecht uit!

avendien kan het kofferdeksel als volgt den bediening door de centrale vergrende- ling „geblokkeerd“ worden:

Trek de sleutel er horizontaal uit
Het kofferdeksel is nu altijd op slot.
Deze mogelijkheid om het kofferdeksel te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaangeraakt“ moet blijven. Geef de dubbelsleutel (de kleine sleutel) aan degene die de auto moet lenen. Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet het volgende gedaan worden:

Trek de sleutel er loodrecht uit!

Achterklep openen
Achterklep openen
Ontgrendelen: draai de sleutel rechtsom en laat deze terugveren.
Vergrondelen: draai de sleutel linksom en laat deze terugveren.
Mel de centrale vergrendeling ontgrendelt u de achterklep tegelijk met het bestuurdersportier. De achterklep wordt geopend door de klem in de handgreep in te drukken.

Openen van binnenuit
Openen van binnenuit
Van binnenuit de laadruimte wordt de achterklep geopend, als u de handgreep naar links trekt en tegelijk de klep naar buiten drukt.
Portieren en sloten

De centrale vergrendeling wordt vanaf het bestuurdersportier bediend.
WAARSCHUWING!
Laat de portieren rijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)! Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen.
Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden.
Bij auto's met centrale vergrendeling kunnen de knopjes van de achterportieren altijd met de binnenste handgreep omhooggeschoven worden. Daarna kunnen de achterportieren van buitenaf worden geopend.
Portieren op slot en van het slot doen
De auto heeft een zogenaamde centrale vergrendeling. Dat betakent, dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch geopend en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier.
Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en draai een kwart slag linksom om deze op slot te doen.
Het voorste passagiersportier kan ook met de sleutel geopend worden. Dit heeft geen invloed op de centrale vergrendeling!
De portieren kunnen altijd van binnenuit met de handgreep worden geopend, ongeacht of het portier op slot is of niet. U kunt alle portieren op slot doen door het knopje van het bestuurdersportier omlaag te drukken. Op dezelfde manier kunnen alle portieren van het slot worden gedaan door het bestuurdersportier te openen. Alle portieren zijn op slot, als de knopjes naar beneden zijn gedrukt.
Het bestuurdersportier kan aan de buitenkant alleen met de sleutel op slot worden gedaan!

Slot van het kofferdeksel
Het slot van het kofferdeksel reageert op de centrale vergrendeling, zodat met het slot van het bestuurdersportier ook het sluiten van het kofferdeksel bediend wordt.
Maar het kofferdeksel kan ook met de hoofdsleutel (de grote sleutel) op slot en van het slot gedaan worden, zelf al „werkt de centrale vergrendeling“ van de auto.
Motorkap Motorruimteverlichting

...omhoogdrukken en openen

Grendels draaien – geheel openzetten

Schakelaarstanden
Motorkap openen
Trek aan de vergrendelingshandgreep helemaal links onder het dashboard. U kunt horen, dat het slot opengaat.
Til de motorkap een paar cm op, ga er met de hand onder en druk op de hendel van de veiligheidspal. Open de motorkap.
Controleer of de motorkap na het dichtdoen goed vergrendeld is!
De motorkap wordt normaal tot over een hoek van ca 55° geopend. Deze kan loodrecht worden geopend door de beide rode vergrendelingen naar boven te drukkon (zie de albeelding). Let erop, dat de vergrendelingen goed komen te zitten.
Als de motorkap wordt dichtgedaan, moet de motorkap iets worden opgetild en moeten de vergrendelingen naar beneden worden gedrukt.
Let erop, dat de motorkap het plafond niet raakt, als auto in een garage staat.
Motorruimteverlichting
A de lamp is altijd uit
Kinderveiligheidsslot

Plaats en standen van het kinderveiligheidsslot
Kinderveiligheidsslot
Gebruik de vergrendeling, als u niet wilt, dat de klep van binnenuit geopend kan worden.
A De klep kan van binnenuit geopend worden.
B De klep kan niet van binnenuit geopend worden,

Knap kinderveiligheidsslot
Kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achterportieren en is bereikbaar als het portier open is.
A. het slot werkt normaal
8 het portier kan niet van binnenuit geopend worden.
Denk eraan, dat als de knop in stand B staat, de passagiers op de achterbank bij een eventueel ongeluk niet uit de auto kunnen komen. De achterportieren moeten dan van buitenaf geopend worden. Zie ook de tekst van de waarschuwing in het kader op de vorige pagina.

De binnenverlichting en de rode waarschu-wingslampen in de achterplaten van de portieren gaan branden, als een portier geopend wordt. Als de portieren een tijdje open moeten blijven staan en u wilt, dat deze lampen niet branden, moet u de portierschakelaars indrukken en deze iets rechtsom draaien: de lampen gaan dan uit. Als de portieren weer dichtgedaan worden, komen de schakelaars weer in hun normale stand.
Bagageruimteverlichting

Schakelaarstanden

Schakelaarstanden
Bagageruimteverlichting, 5-deurs
Helemaal achterin de laadruimte zit bovenin een extra lampje.
1 Het lampje gaat aan, als de achterklep ge- opend wordt
2 Het lampje is altijd uit
3 Het lampje brandt altijd.
Bagageruimteverlichting
A de lamp is altijd uit
B de lamp brandt, als het kofferdeksel open is
Bagageruimte


De gereedschapsdoos komt vrij, als de klem verticaal gedraaid en de doos neergeklapt wordt.

Luikje voor lange lading
De kleine vakken worden geopend

De klep voor het grote opbergvak is in tweeën gedeeld.
Opbergplaatsen, 5-deurs
Onder de vloer van de laadruimte zitten drie opbergvakken.

Lange lading altijd verankeren
Luikje voor „lange lading”
Om lange voorwerpen te kunnen vervoeren zit er bij bepaalde auto's in de plaat achter de rugleuning van de achterbank een luikje waardoor lange lading worden meegenomen (zie de atbeelding).
Om de bekleding niet vuil te maken kan een zak voor ski's gebruikt worden. N.B! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. ski's). Maximumlengte 2 meter en maximumgewicht 15 kg.
WAARSCHUWING!
Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen. Bescherm scherpe randen met iets zachts.
WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel of de keuzehendel komen en deze in een rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rijden.
Opbergplaatsen

Zak aan de achterkant van de voorstoelen
WAARSCHUWING!
Let erop, dat op de hoedenplank of ergens anders geen zware voorwerpen liggen waar deze bij sterk afremmen tot gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote zware dingen altijd met een van de autogordels vast.

Houder voor parkeerbiljetten

Vak in de armsteun van de achterbank, 4-deurs

Vak tussen de voorstoelen

Vak in de voorportieren Opbergvak aan de zijkant van de voorstoelen

Zitting verwijderen Verankeringsogen voor lading

N.B! Let erop, dat de haken aan de onderkant van de zitting in de gaten in de plastic beschermkappen van het bovenstuk van de rugleuning haken.
- Bij het terugklappen van de rugleuning en de zitting moet u erop letten, dat de autogordels niet ingeklemd worden!

De zitting kan eenvoudig verwijderd worden en u heeft dan een iets langere laadruimte. Doe het volgende: klap de zitting voor de helft omhoog en trek de borgpen uit. Til de zitting op. Als u de zitting helemaal opklapt, gaat het uittrekken van de borgpen zwaar.

Veranker volumineuze en zware lading altijd! Anders kan bij sterk afremmen of een botsing persoonlijk letsel ontstaan. Er zijn zes ogen om banden of touwen aan vast te maken. Bij uw Volvo-dealer kunt u banden kopen die in de ogen passen.
Leg geen voorwerpen zo neer, dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de achterruit beschadigen. Reinig de ruit voorzichtig, zodat de draden niet met b.v. een ring worden beschadigd.
WAARSCHUWING!
Laad geen te zware lading tot helemaal bij de voorstoelen. Dan wordt de neergeklapte rugied- nies annodig hard naar beneden gedrukt.
ning onnodig hard naar beneden gebruikt.
Laad nooit hoger dan de rugleuning! Als dit wel gebeurt, kan de lading bij sterk afremmen of een botsing naar voren worden geslingerd en u of uw passagiers ernstig letsel toebrengen. Denk er ook altijd aan om de lading te verankeren (vast te binden).
Achterbank opklappen; laadruimte verlengen

- Zet de rugleuning rechtop, als deze erg naar achteren helt.
- Druk de achterkant van de zitting omlaag en trek tegelijk de vergrendeling voor de zitting omhoog en klap de zitting tegen de rugleuning van de voorstoel.

De hoofdsteunen van de achterbank moeten verwijderd worden om de rugleuning helemaal omlaag te kunnen klappen. Verwijder de hoofdsteunen door deze recht omhoog te trekken.

De rugleuning van de achterbank is in 60/40 verdeeld. De delen kunnen afzonderlijk neergeklapt worden.
- Trek de vergrendeling van de rugleuning omhoog en klap de rugleuning naar voren en omlaag.
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt behandeld hetgeen met rijden te maken heeft zoals b.v. het starten van de motor, schakelen, slepen, rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
inrijden, zuinig hijder davator starten 45
motor stamen
schakelen met handgeschakelde versnellingsbak 47
schakelen met automatische versnellingsbak 48-51
belangrijke wenken 53
tips over het rijden met een caravan remsysteem 54 56
slepen, starten met hulpaccu 58 de voor de winter 59
maatregelen voor lange reizen
maatregelen voor lange tijd niet gebruiken
Brandstoftankklep

De tankdop zit achter de klep in het linker achter-spatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep.
Bij hoge buitentemperaturen kan in de tank een zekere overdruk ontstaan. Open de dop dan langzaam.
Breng na het tanken de dop weer aan en draai deze, totdat een knappend geluid wordt gehoord.
Volvo-dealers hebben voor alle Volvo-modellen afsluitbare tankdoppen.

Tankvulpijp met vernauwing bij auto's met katalysator
Brandstof (loodvrij) tanken
Als u een auto met katalysator heeft, zit er in de tankvulpijp een vernauwing.
Met ingang van modeljaar 1987 kunnen alle Volvo benzinemotoren op loodvrije benzine rijden. Het is slechts vereist, dat de benzine het aanbevolen minimum-octaangetal heeft.
Auto's die op foodvrije benzine kunnen rijden, hebben een groene tankdop.
N.B! Auto's met katalysator moeten altijd op loodvrije benzine rijden om de katalysator niet te beschadigen.
Zo moet u de motor starten:
- Trek de parkeerrem (handrem) aan
Zet de versnellingshendel in de neutrale stand (stand N of P bij een automatische versnellingsbak)
3 Draai de startsleutel in de rij-/gloeistand.
4 Kijk naar het controlelampje voor voorverwarmen.
5 Als het lampje is uitgegaan... ...trap het koppelingspedaal in, trap het gas- pedaal voor de helft in en draai de start- sleutel in de „startstand“, totdat de motor aanslaat.
Denk eraan om bij koud weer de sleutel pas los te laten, als de motor gelijkmatig en betrouwbaar loopt.
Laat de motor na koud starten niet onmiddel- lijk razen!
moet worden voorgegloeid. Als de motor warm is, gaat het lampje maar een paar secon- den of in het geheel niet branden.
Voorgloeitijden:
Bij +20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 6 sec.
Bij 0°C motortemperatuur brandt het lampje ca 11 sec.
Bij -20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 21 sec.
Als u, bijvoorbeeld na een mislukte startpoging weer wilt voorglocien, moet de startsleutel eerst naar de „middenstand“ worden teruggedraaid en daarna weer in de „rij-/gloeistand“ om de gloeibougies weer in te schakelen.
Zo moet u de motor afzetten:
Als u de startsleutel uit de rij-/gloeistand draait, slaat de motor af, omdat de brandstofloevoer naar de motor door een magneetklep wordt afgesloten.
Als de motor niet afslaat: zie onder lokaliseren van storingen op pag. 79.
Controlelampje voor voorgloeien

Als de startsloutel in de rij-/gloeistand wordt gedraaid en dit lampje gaat branden, wijst dit erop, dat de gloeibougies (één in elke cilinder) zijn ingeschakeld.
Als het lampje is uitgegaan, kan de motor worden gestart.
De gloeitijd wordt door de motortemperatuur bepaald. Hoe kouder de motor, des te langer
Inrijden Zuinig rijden
Een nieuwe auto moet worden „ingereden“!
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat kalm aan te doon on de mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet geheel te gebruiken.
Overschrijd de volgende snelheden niet.
| Tijdens de eerste1000 km | Tussen 1000en 2000 km | |
| 1e versnelling | 30 km/uur | 40 km/uur |
| 2e versnelling | 50 km/uur | 70 km/uur |
| 3e versnelling | 80 km/uur | 100 km/uur |
| 4e versnelling | 110 km/uur | 130 km/uur |
| Overdrive | 130 km/uur | 150 km/uur |
Maar rijd ook niet te langzaam in een hoge versnelling, d.w.z. laat de motor niet zwoegen, en gebruik de eerste 2000 km de kick-down niet, als de auto een automatische versnellingsbak heeft.
Zuinig rijden wil nog niet zeggen langzaam rijden!
Zuinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel rijden en de rijstijl en de snelheid aan de bestaande situatie aanpasson.
Denk hierbij aan het volgende:
- Laal de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat de motor niet stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden.
Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme - twee tot drie maal meer - en bovendien slijt de motor sneller.
- Rijd liefst geen korte afstanden, omdat de motor dan nooit warm kan worden.
- Rijd soepell Vermijd snel en onnodig accele- ren en sterk afremmen. Dan kunt u veel brandstof besparen.
- Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje.
- Rijd niet met een onnodige zware lading in de auto.
- Rijd niet langer met winterbanden, als de wegen schoon en droog geworden zijn.
- Verwijder de imperiaal, als deze niet gebruikt wordt.
- Zet de zijramen niet onnodig open.
- Met de 760 Turbo moet u zo rijden, dat de wijzer van der turbodrukmoter zo veel mogelijk in hot zwarte gebied staat.
Van belang bij het zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
Benzinemotor
● Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 20 km/uur
Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 35 km/uur.
Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 50 km/uur.
Dieselmotor
● Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 15 km/uur
Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 30 km/uur.
Schakel van de 3e naar do 4e versnelling bij ca 40 km/uur.
- Als de auto een overdrive heeft, moet u deze bij normaal met meer dan ca 70 km/uur op buitenwegen rijden zo vaak mogelijk gebruiken.
- Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, schakelt deze uit zichzelf de juiste versnelling in, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down”.
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan mel name nog de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het brandstof- verbruik laag te houden zijn b.v.:
Goede bougies
- Goed afgestelde ontsteking
● Schoon luchtfilter
- Juiste klepspeeling
- Goed werkende luchtvoorverwarming
- Juist stationair toerental
- Juiste motorolie, juiste intervallon van olie verversen en olicfilter vervangen
- Juist afgestelde brandstofinspuiting
Remmon die niet „aanlopen“
- Juiste voorwieluitlijning
- Juiste bandenspanning
Denk eraan, dat u voor het brandstofverbruik zelf de belangrijksle factor bent en denk ook aan de manier waarop u met het gaspedaal, het rempe- daal en de versnellingsbak omgaat. Het verschil tussen goed en verkeerd rijden kan enkele di per 10 km bodragen. Dat wordt heel wat brandstof in een jaar!
Handgeschakelde versnellingsbak met overdrive (bepaalde landen)

R = achteruit

Overdrive, schakelaar en controlelampje

Schakelstanden hand- geschakelde versnellingsbak
Trap telkens bij het schakelen het koppelingspedaal helemaal in - ook bij het in- en uitschakelen van de overdrive!
Haal tussen het schakelen uw voet van het koppelingspedaal!
De overdrive bespaart benzine
De overdrive kan in de 4e versnelling ingeschakeld worden.
Door bij het in- en uitschakelen licht op het koppelingspedaal te trappen wordt soepeler overgeschakeld.
De overdrive wordt ingeschakeld, als u op het knopje in de versnellingshendelknop drukt. Als dit knopje nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De overdrive wordt bij terugschakelen uit de 4e versnelling automatisch uitgeschakeld, maar maak er toch een gewoonte van om bij terugschakelen de overdrive uitd met de hand uit te schakelen.
Omt zo zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal met meer dan ca 70 km/uur op buitenwegen rijden de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken.
het groene controlelampje met de tekst „5" brandt, als de overdrive ingeschakeld is.
Achteruit inschakelen
Til met de vingers de ring tegen de knop van de versnellingshendel en schakel de achteruit in. De ring werkt op de achteruitvergrendeling en maakt, dat u de achteruit niet per ongeluk kan inschakelen.
Automatische versnellingsbak

760 GLE Keuzehendelstanden 760 Turbo 760 Turbo diesel
Schakelstanden van de keuzehendel
P Parkeren
Kies doze stand, als u de auto met lopende of afgezette motor parkeert.
Laat de auto nooit met lopende motor achter! Als iemand per ongeluk de keuzehendel uit stand P brengt, kan de auto namelijk gaan rij- den.
De auto moet stillstaan, als u stand P kiest! In stand P is de versnellingsbak mechanisch vergrendeld. Trekt bij parkeren op een helling toch de parkeerrem aan!
R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u stand R kiest!
N Neutrale stand
Stand N is de neutrale stand, d.w.z. dat geen versnelling ingeschakeld is.
Trek de parkeerrem aan, als de auto met de keuzehendel in stand N stilstaat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Op- en terugschakelen tussen alle versnellingen van de versnellingsbak geschiedt automatisch, afhankelijk van het gasgeven en de snelheid.
„Lock-up“ (alleen 760 Turbo, 760 Turbo diesel)
De versnellingsbak heeft een zogenoemde „lock-up“-functie, waardoor het motortoerental daalt en het brandstofverbruik afneemt. „Lock-up“ betekent kortgezegd, dat de koppelomvormer van de versnellingsbak bij snelheden boven ca 85 km/uur uitgeschakeld wordt, als de keuze-hendel in stand D staat. Deze „lock-up“ is als een extra versnelling merkbaar, als u bij snel rijden accelereert.
3 Lage versnelling (alleen 760 Turbo, 760 Turbo diesel
Het op- en terugschakelen tussen de 1e, 2e o... 3e versnelling gebeurt automatisch.
Opschakelen uit de 3e versnelling gebeurt niet.
Stand 3 kunt u gebruiken...
bij het inhalen
bij het rijden met een aanhanger
bij het rijden in de stad.
135 km/uur is de maximaal toegestane sne- heid waarbij u stand 3 mag kiezen!
2 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e en 2e versnelling gaat automatisch.
Opschakelen uit de 2e versnelling gebeurt niet.
Stand 2 kunt u gebruiken
- bij het rijden in bergterrein
- om sterker op de motor af te remmen.
1 Lage versnelling
Als u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt de 2e versnelling ingeschakeld. Pas als de snelheid tot ca 50 km/uur gedaald is, wordt de 1e versnelling ingeschakeld.
N.B! Opschakelen uit de 1e versnelling gebeurt niet!
Kies stand 1, als u in de 1e versnelling wilt rijden en geen opschakelen wilt, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein, waarbij in stand 1 het sterkst op de motor algeremd wordt.
Automatische versnellingsbak

Standen blokkeertoets
Blokkeerinrichting keuzehendel, 760 GLE
De keuzehendel kan altijd moeiteloos tussen de standen D en 2 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de toets op de keuzehendelknop bediend kan worden.
Door met de handpalm licht op de toets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D. 2 en 1 gezet worden.
Als de toets geheel ingedrukt wordt, kunnen bo- vendien de standen R en P ingeschakeld wor- den. Dit is ook nodig om de hendel uit stand P te brengen.

Standen blokkeertoets
Blokkeerinrichting keuzehendel, 760 Turbo, 760 Turbo diesel
De keuzehendel kan altijd moeiteloos tussen de standen D en 3 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de toets op de keuzehendelknop bediend kan worden.
Door met de handpalm licht op de loets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D. 3 en 2 gezet worden.
Als de toets geheel ingedrukt wordt, kunnen bo- vendien de standen R, P en 1 ingeschakeld wor- den. Dit is ook nodig om de hendel uit stand P te brengen.
Benzinemotor starten
Zo moet u de motor starten:
- Trek de parkeerrem (handrem) aan
- Zet de versnellingshendel in de neutrale stand - stand N of P bij een automatische versnellingsbak.
- Trap het koppelingspedaal in.
- Kom niet aan het gaspedaal!
- Draai de startsleutel in de startstand. Laat de sleutel los, als de motor aangeslagen is!
Als de motor niet onmiddellijk aanslaat, moet u het gaspedaal voor de helft intrappen en in die stand houden, totoat de motor loopt.
Vermijd herhaalde korte startpogingen!
Telkens als de startmotor ingeschakeld wordt, wordt er namelijk wal benzine in de motor gespoten.
Laat in plaats daarvan de startmotor bij elke startpoging wat langer - tenhoogste 15-20 seconden - werken.
Laat de motor niet onmiddellijk na koud starten razen!
Normaal heeft de katalysator een werktemperatuur van verscheidene honderden graden. Parkeer de auto niet boven brandbaar materiaal (b.v. hoog gras) dat door de katalysator kan worden aangestoken.
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden!
Uit ervaring is gebleken, dat motoren van auto die korte afstanden afleggen, abnormaal slijten. Dit komt, omdat de motor nooit op de normale bedrijfstemperatuur kan komen.
Als de motor aangeslagen is, moet u de motor dus zo snel mogelijk op de normale bedrijfs-temperatuur laten komen.
Begin met een geringe motorbelasting te rijde en laat de motor niet onnodig stationair lop.
TURBO WAARSCHUWING
Van special belang voor auto's met turbo-motoren.
Bij koud-starten: Laat direct na het starten, als de olie nog dikvloeibaar is en niet alle smeerpunten direct kan bereiken, de motor niet met een hoog toerental razen. Als de turbo een hoog toerental heeft en de motor direct wordt afgezet, is er als gevolg van onvoldoende smering grote kans op oververhittingsschade of aanlopen.
Zet de garagedeuren altijd helemaal open, als u de auto in de garage start! De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos, maar wel dodelijk vergiftig is.
Automatische versnellingsbak, belasting en rij-eigenschappen Als u een imperiaal gebruikt
Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak
1 Zet de keuzehenden in mag in geen andere stand gestart worden.
- Start de motor op sleutel, aan of druk licht op het
3 Trek de parkeefrem al rempedaal, anders gaat de auto langzaan de keuzehendel in een van de rij-
den, als u de kreden standen zet.
4 Zet de keuzenhenden in de versnelling wordt nu met een zekere voor ging ingeschakeld - dit geldt met name voor het verlotzuit B. Dit is duidelijk voelbaar - de
De achteron wat trekken. Auto gaat wat trekken. De motor moet dan stationair lopen! Geel nooit eerder gas dan dat u heeft gevoeld, dat de versnelling ingeschakeld werd! Als u na het kiezen van de rijstand te snel gas geeft, wordt bruusk ingeschakeld en slijt de verspellingsbak onnodig.
- Laat het rempedaal los en g De auto kan heel eenvoudig stilgezet wordt laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal af. Kies stand N bij even stilstaan met lopende mo- tor. Dan voorkomt u, dat de versnellingsbakolie onnodig warm wordt.
Speciale wenken voor het rijden met een aanhanger
- Kies stand 1 van de vorten oprijden van steile hellingen of als u lang zaam rijdt. Zo voorkomt u, dat de versnelingsbak opschakelt en wordt de versnelingsbakolie kouder. In bergterrein met lange en niet zo steile hellingen kunt u stand 2 kiezen, van lange steile hellingen
- Bij het afrijden van de moet stand 1 gekozen worden (stand is minder steile hellingen). U remt dan zo veel mogelijk op de motor af.
- Laat de auto op bedaal stilstaan, maar gebruik de voorkomt u, dat de versnellingsbakolie omno- dig heet wordt. - "Blokkeer" de 4e versnelling.
760 GLE: "Blokkeer" d.w.z. druk de knop van de keuzenb in (het controlelampje ← in het instrumenten- paneel gaat branden); de 4e versnelling wordt dan niet ingeschakeld. 760 Turbo diesel: "Blokkeer"
- 760 Turbo, van de stand D. d.w.z. zet de keuzenhendem De versnellingsbak schakelt dan niet op naar de hoogste versnelling waardoor de versnel- lingsbakolie kouder blijft.
Als u een imperiaal gebruiken
- Moet u een stevige impie goed op de auto vastgezet kan worden Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn. - van regelmatig controleren of de imperi-
● Moet u regeml aal goed vastzit. 100 kg op de imperiaal
● Mag u tenhoog laden. - 1000 geltijikmatig over de imperiaal
- Moet de lading geijfijl verdeeld worden. Laad niet scheen - aan waarste lading onder leggen.
- Moet u de zwaarst - Moet u erom denken, dat het zwaarst -
- Moet de en- en de rij-eigenschappen van de ten, als de auto zwaar geladen wordt, het u- erom denken, dat de auto meer wind door stofverbruik toe-
- Moet u chen vangt en dus het brandsle neemt, naarmate de lading groter is. - de lading met een sterk touw goed
- Moet u de laomst vastzetten! Vermijd sterk accele-
- Moet u soepel rijden. Vorken, sterk afremmen en het nemen van reeren, sterk afremmen en de charge bochten.
- Moet u de imperiaal verwijl niet meer nodig heeft; daardoor verminden de luchtweerstand en dus ook het brand- stofverbruik.
Automatische versnellingsbak

Schakelaar en controelampje, uit-/inschakelen 4e versnelling
Uitschakelen 4e versnelling, 760 GLE
Met de drukknop aan de zijkant van de keuzehendelknop kunt u de 4e versnelling uit- en inschakelen. Bij ultschakelen van de 4e versnelling - het controielampje gaat branden - gaat de versnellingsbak in de 3e versnelling als hoogste versnelling. Als u nogmaals op de knop drukt, wordt de 4e versnelling weer ingeschakeld - het lampje gaat uit.
Blokkeer de 4e versnelling, d.w.z. rijd met een brandend ←-lampje b.v. . .
- bij het rijden met een caravan of andere aanhanger.
- bij het rijden in heuvelachtig terrein.
- als u met de hand naar de 3e versnelling wilt terugschakolen.
Probeer echter bij andere rij-omstandigheden zo veel mogelijk in de 4e versnelling te rijden om zo min mogelijk brandstof te gebruiken.
Denk aan het volgende!
De auto moet stilstaan, als u stand P of R kiest!
- De motor moet met stationair toerental lopen, als de auto stilstaat en u stand D, 3, 2, 1 of R wilt kiezen.
- 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om tijdens het rijden stand 2 of 1 te mogen kiezen.
„Kick-down“
Als u het gaspedaal helemaal – voorbij de normale volgasstand – intrapt, wordt onmiddellijk automatisch naar een lagere versnelling terug geschakeld („kick-down“-terugschakeling). Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling bereikt of als u het gaspedaal iets uit de „kickdown“-stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken, als u maximaal wilt accelereren, zoals b.v. bij het inhalen.
Denk erom, dat de versnellingsbak pas naar 4e versnelling opschakelt, als u het gaspedaal uit de „kick-down“-stand loslaat!
De versnellingsbak is uitgerust met een terug- schakelvergrendeling. Bij snelheden boven 160 km/uur (760 GLE), 155 km/uur (760 Turbo) en 132 km/uur (760 Turbo Diesel) heeft dus geen terugschakelen (kick-down) plaats.
Rijden met caravan (aanhanger)
Dit moeten caravaneigenaars lezen!
- De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn!
Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstrueerde trekhaken zijn voor uw auto op maat gemaakt en een Volvo-werkplaats kan deze aanbrengen.
Denk erom, dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
Uw auto heeft een „Nivomat“, d.w.z. een automatische niveauregeling van de achtervering, zodat onder het rijden de achterasophanging, ongeacht de belasting, altijd de juiste hoogte heeft. De „Nivomat“ werkt, als de auto rijdt. Bij een stilstaande auto met een zware lading in de bagageruimte of met een aangekoppelde caravan gaat de achterasophanging als gevolg van de belasting omlaag, maar zodra u gaat rijden pompt de „Nivomat“ de achterasophanging weer tot de juiste hoogte omhoog. - Dit zijn de maximaal toegestane aanhanggewichten voor afgeremde aanhangers.
N.B. Onderstaande maximumgewichten en snelheidsgrenzen zijn door Volvo Car Corporation toegestaan. Denk erom, dat nationale voertuigvoorschriften de snelheden en aanhanggewichten nog verder kunnen beperken.
* Maximaal 1500 kg – maximaal 80 km/uur.
* Maximaal 1600 kg – maximaal 70 km/uur. De auto moet een extra koeler voor de versnellingsbakolie hebben.
* Maximaal 1800 kg 70 km/uur onder de absolute voorwarde, dat aan de vier volgende eisen is voldaan:
1) Een speciale originele Volvo-trekhaak met versterkingsset voor de auto moet zijn aangebracht.
2) Een originele Volvo-stabilisator tussen de auto en de aanhanger moet worden gebruikt.
3) Vermijd wegen met stoilere hellingen dan 12 %. Denk erom, dat 1800 kg een zeer hoog aanhanggewicht is. Rijd voorzichtig en pas uw snelheid aan aan de verkeers- en wegomstandigheden!
WAARSCHUWING! Als niet aan bovenstaande voorwaarden voldaan is, kan de gehele combinatie bij uitwijken en afremmen moeilijk beheersbaar worden met alle risico's voor u en uw medeweggebruikers!
Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de trekhaak bij aanhanggewichten onder 1200 kg ca 50 kg en boven 1200 kg ca 70 kg is. Bij aanhanggewichten boven 1500 kg mag de bagageruimte van de auto niet voor lading worden gebruikt!
- Als u een inklapbare Volvo-trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkoren.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden. Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
- Rijd niet met een zware aanhanger, als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermoe, toldal de auto tenminste 1000 km heeft gelopen.
- Bij het afdalen van lange en steile hollingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
Lees, als u een auto met een automatische versnellingsbak heeft, ook pagina 52 met een paar belangrijke speciale wenken!
- Omdat de motor van de auto zwaarder dan normal wordt belast, moet de olie vaker worden ververst; zie pagina 96–98.
Belangrijke wenken
De lading en de plaats ervan beïnvloeden de rij-eigen- schappen
Uw auto heeft bij het opgegeven rijklaargewicht de neiging tot onderstuur. Daarom moet u bij het nemen van een bocht steeds meer stuuruitslag geven, als de snelheid verhoogd wordt. Hierdoor blijft de auto stabiel in de bocht en wordt de kans op uitbreken van de achterwielen kleiner. Denk erom, dat deze eigenschappen kunnen veranderen, als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder – maximaal 100 kg – de lading helemaal achter in de bagageruimte is, des te minder is de auto onderstuurd. De belasting van de auto moet zo worden aangepast, dat het totaalgewicht van de auto of de asdruk niet worden overschreden.
Rij-eigenschappen en banden
De banden zijn van groot belang voor de rij- eigenschappen van de auto. Het bandentype – radiaalbanden – de maat en bandenspanning zijn van belang voor het gedrag van de auto. Bij het vervangen van banden moet u erop letten dat u hetzelfde type en dezelfde maat en liefst ook hetzelfde merk krijgt als al op aile vier wielen van de auto zat en volg de aanbevolen bandenspanning op (zie pag. 63).
WAARSCHUWING!
Extra mallen bij de bestuurderplaats kunnen de oorzaak zijn, dat het gaspedaal blijft hangen. Lot er daarom op, dat het gaspedaal vrij is.
Rijd niet met een open kofferdeksel!
Bij het rijden met een open kofferdeksel kan namelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ook het giftige koolmonoxyde via de bagageruimte in de auto gezogen worden. Als u echter gedwongen bent om een stukje met open kofferdeksel to rijden, moet u het volgende doen:
- Draai alle ramen dicht.
- Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op en de aanjager op de hoogste snelheid, 5.
Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op over hitting van het koelsysteem.
Dit geldt met op warme dagen, als
...u met een caravan lang met volgas en een laag toerental tegen steile hellingen oprijdt (kruipt).
... de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
...de motor onmiddellijk afgezet wordt, al lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nako- ken“ genoemd).
...cr vóór de grille extra lichten gemonteerd zijn.
Oververhitting kan worden vermeden door het volgonde in acht te nemen:
- Verminder de snelheid, als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
- Laat de motor niet onnodig stationair lopen.
- Zet de motor niet onmiddellijk af, als u snel gereden heeft. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen!
Turbodruk/koelvloeistoftemperatuur
Te hoge turbodruk/ koelvloeistof- temperatuur

Het waarschuwingslampje heeft een dubbele functie. Als dit lampje rijdens het fijden gaat branden, geeft dit aan, dat de laaddruk van de turbo te hoog is of dat de koelvloecistoftemperatuur abnormaal hoog blijft. In beide gevallen geeft het brandende lampje aan, dat een veilig- leidsfunctie is ingeschakeld waardoor het maxi- umvermogen van de motor daalt en dus de be- lasting van de motor afneemt.
Op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld, waarom het lampje is gaan branden:
Te hoge turbodruk
Als te hoge turbodruk de oorzaak is geweest, gaat het waarschuwingslampje onmiddellijk uit, als het gaspedaal wordt losgelaten. Rijd dan met de auto zo naar een werkplaats, dat het waarschuwingslampje niet onnodig brandt.
Te hoge koelvloeistoftemperatuur
Als het waarschuwingslampje nog eventjes blijft branden, nadat het gaspedaal is losgelaten, en de wijzer van de temperatuurmeter gelijktijdig in het rode gebied staat, belekent dit, dat de koelvloeistoftemperatuur abnormaal hoog is. Rijd dan langzamer, toldat het lampje uitgaat. Bij het rijden in bergterrein moet naar een lagere versnelling worden teruggeschakeld en moet de motor met hoger toerental lopen.
Als het lampje herhaaldelijk een te hoge koelvloeistoftemperatuur aangeeft, moet u voor controle met de auto naar een werkplaats rijden.
N.B!
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden: rijd met geringere motorbelasting verder, totdat het lampje is uitgegaan. De motor kan worden oververhit, als deze onmiddellijk wordt afgezet.
Remsysteem
Als een remcircuit defect raakt,

gaat het waarschuwingslampje branden. Het rempedaal pakt lager en kan iets weker dan normaal aanvoelen; verder is meer pedaaldruk nodig dan voor een normaal remvermögen.
Als het waarschuwingslampje gaat branden: ga onmiddellijk stilstaan en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit slaat op pagina 99)!
Als het vloeistofpeil in het geliele reservoir onder MIN ligt: rijd niet verder, maar laat de auto voor controle on reparatie van de lekkage naar een werkplaats slepen!
Als het vloeistofpeil in de ene helft van het reservoir onder MIN ligt: tijd voor controle onmiddellijk voorzichtig met de auto naar een werkplaats.
een paar seconden wachten om na het aanslaan van de motor weer te gaan rijden. Ondertussen moet u het rempedaal niet aanraken.
Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden.
Trap af en toe licht op het rempedaal, als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen, als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig weer.
Als de remmen zeer zwaar belast worden
Bij het rijden in bergterrein of op andere wege met dergelijke hoogteverschillen worden o remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal. Omdat bo- vendien vaak de snelheid laag is, worden de remmen niet zo effectief gekoeld als bij het rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet onnodig zwaar te belaste moet u in plaats van alleen maar de voetrem gebruiken terugschakelen en dezelfde versnelling gebruiken als bij het klimmen. Dit is bij auto's met automatische versnellingsbak stand 2 of eventueel stand 1. Op deze manier wordt effectiever op de motor afgeremd en behoeft de voetrem telkens maar kort gebruikt te worden.
Denk erom dat de remmen nog zwaarder worden belast, als u met een caravan/aanhanger rijdt.
De rembekrachtiger werkt alleen, als de motor loopt
Als de auto mot afgezette motor rijdt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.
Het rempedaal voelt stug en hard aan.
Een Diesel-motor heeft een aparte vacuüm-pomp om in de rembekrachtiger voldoende onderdruk te krijpen. Bij stationair lopen zijn 5-10 seconden nodig om voor een goede rembekrachtiging voldoende vacuum op te bouwen. Als de rembekrachtiger geheel leeg is geweest, bijvoorbeeld, doordat bij afgezette motor een aantal malen op het rempedaal is getrapt, moet u
Voor auto's met ABS

Het ABS-systeem is zo geconstrueerd, dat de remmen bij sterk afremmen niet blokkeren. Het systeem „voelt aan", dat de remmen gaan blokkeren, regelt de remdruk automatisch en verhindert daardoor blokkeren. Als het systeem werkt, voelt u het rempedaal licht pulseren. Misschien hoort u ook, dat de regeling wordt in/uitgeschakeld. Dit alles is normaal: Denk er goed om, dat het ABS-systeem het totale remvermogen niet vorgroot. U heeft echter altijd de mogelijkheid om de auto te besturen en kunt daardoor de auto beter beheersen.
Starten met hulpaccu

WAARSCHUWING!
WAARSCHUWING! Denk om de accu's. Speciaal de hulp-startaccu bevat het zeer ex- plosieve knalgas. Een vonk die kan ontstaan, als de hulp-startka- beis foutief worden aangebracht, is voldoende om de accu te laten ontploffen en zowel u als de auto schade toe te brengen. De accu bevat zwavelzuur dat zeer agressief is. Als dit zuur met de ogen, huid of kieren in aanraking komt: spoel rijkelijk met water. Bij spatten in de ogen moet daarna onmiddelijk contact met een arts worden genomen.
Zo moet u met startkabels starten
Zo moet u met startkabels Als de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang te krijgen stroom „lenen“ van een losse accu of van de accu van een andere auto. Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpogingen geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u het onderstaande nauwkeurig optevolgen:
- Controleer of de help
- in de vulnancy in een andere auto zit, most
- in de auto's elkaar niet raken.
- Als de hulpacte en gecontroleerd worden of de auto s'elker, van de pluspolen van de beide acto e de beid.
- Sluit de rode kabel aan taste zijn met rood, P of + gemerkt (1 en 2 in de albeefenje, van de uit een op de zwarte kabel op de minpool van de hulpacdu,
-
Zet de ene klem van de blauw, deze is met blauw, N of - gemerkt (3).
-
van de zwarte kabel op uw auto op een plaats -
- Zet de andere kleim van de stafte massa – die op een afstand van de accu ligt; dit is in 2016.
4 aangegeven de motor van de „hulpauto“. 1500 omw/min, lopen. - Start de motor van de auto met de ontladen accu. N.B! Raak tijdens de startpoglingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen!
- Aansluitingen in de omgekeerde volgorde als bij het aansluiten weer
● Maak de kabels in de omgele los.
Slepen

Als u moet worden gesleept, moet u aan het volgende denken!
- Zet het stuurslot los, want dan kan gestuurd worden!
- Denk aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid.
- Denk erom, dat de voetrem en de stuurbekrachtiging niet werken, als de motor stilstaat! U moet dan ongeveer vier maal zo hard op het rempedaal trappen en het sturen gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
- Rijd soepel! Houd de sleepkabel gespannen om onnodig rukken te voorkomen.
Speciaal voor een automatische versnellingsbak
- De keuzehondel moet in stand N staan, de versnellingsbak moet goed afgesteld zijn en het oliepoil moet juist zijn (zie pag. 98).
- De maximaal toegestane snelheid is 20 km/uur. De langste toegestane af te leggen afstand is 30 km.
- De motor mag niet door aanslepen gestart worden! Zie voor hulpstarten de volgende pagina.
Motor door aanslepen starten
N.B! Auto's met een automatische versnelingsbak mogen niet aangesleept worden! Auto's met katalysator mogen niet worden aangesleept.
Als de accu ontladen is, moet een hulpaccu gebruikt worden (zie de volgende pagina).
Auto's met een handgeschakelde versnel- lingsbak:
Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig. Benzinemotor: zet het contact aan. Dieselmotor: draai de startsleutel in de rij-/voor- gloeistand.
Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat het koppelingspedaal voorzichtig opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in, als de motor loopt!

Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volou workplaats helemaal laten controleren.
Het is altijd goed om tijdig voor de reis een set van de meest noodza-kelijke service-onderdelen: gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisser-bladen aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets. Bij hem kunt u ook het boekje „Met Volvo in Europa“ krijgen, waarin staat waar de Volvo-dealers en Volvo-werkplaatsen zijn. Nuttig om to weten, als er iets gebeurt.
In het de vatu wilt pakijken, adviseren wij het volgende te doen:
Als u zeit de auto wit nakijken, de 2016. A 3-4-5-8 class of de motor goed loppt en het brandstofverbruik normaal
- Controleer of de motor goods respl.
is.
- Controleer de motor, de versheilingsbark en de aantristische van olie, koelyloeistof of brandstof.
- Controlear de toestand van de V-riemen. Laat versieten v-riemen
- Controleer de toccana van
vervangen. 2. Coupiers de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de ladingstoculans van - De kreden nauwkeurig ook de reserveband. Vervang
- Controleer de banden nauwkaaling, om de
onbetrouwbare banden.
Laat de remmen, de wieluitlijning en de stuurminotring betrieft.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- Controleer met gevoed en - In veel landen is b.v. een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannië of andere landen niet links verkeet moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
- Bij reizen naar landen, waar benzine met het juiste octaangelat moeilijk te krijgen is, kan de motor enigszins aangepast worden. Bespreek dit met de Volvo-werkplaats.
- Er bestaan in veel landen wettelijke voorschriften voor de plaat-4 kinderen in de auto. Onderzoek wat geldt in het land waar u naar toe gaat,
- Denk hieraan: De wettelijke voorschritten voor het gebruikst, achterlampen en mistlampen variëren van land tot land.
Wintertijd
Als het koud begint te worden
- Controler of de koelvloestof zonder te bevrezend tegen -35°C bo- stand is, d.w.z. dat het glycolgehalte ca 50 % is, overeenkomende met ca 5 liter Volvo anti-vries type C (blauwgroen). Zie voor het verversen van koelvloestof pag 101, 102.
- Om geen condenswater in de brandstoftank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden.
- Gebruik de juiste motorolie om startmoeilijkhoden te voorkömen. Zie de aanbevolen olien op pag. 96, 98.
- De accu wordt in de winter aanzionlijk zwaarder belast dan in de zo- mer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer ge- bruikt worden. Bovöndien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvnezen, als het erg koud wordt. Cont- roleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accu- polen met een roestwerend middel.
Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruite-/koplampsproeiers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden. Dit is van belang, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en koplampen komt waardoor de sproeiers en wissers vaak gebruikt moeten worden. - Gebruik geen slotenolie in do sloten, maar gebruik smecervet dat bij uw dealer verkrijgbaar is.

Wielen en banden – belangrijk voor de rij-eigenschappen van de auto!
Lees daarom de volgende pagina's nauwkeurig door. De goede rij-eigenschappen van de auto kunnen opvallend veranderen, als u b.v. slordig bent met de bandenspanning.
slijtageprofiel, speciale velgen 62
voorbeelden van bandenslijtage, bandenspanning 63
algemeen, reservewiel 64
Lange tijd niet gebruiken
Hier zijn adviezen, als de auto een tijd niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijd niet gebruikt zal worden, b.v. in verband met een buitenlandse reis of als u de auto 's winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvoudige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen, als u de auto weer wilt gaan gebruiken.
- Vul de brandstoftank helemaal, zodat er geen kans op condenswater in de tank is.
- Was de auto heel goed en zet deze in goede autowas. Bescherm verschroomde onderdelen met een daarvoor bestemd middel
- Zet de auto in een garage die droog en goed geventileerd is.
Laat de parkeerrem los.
● Koppel de accu los. - Klap de ruitewissers en koplampwissers naar voren om te voorkomen, dat de rubber wisserbladen op de voorruit en koplampen gaan vastzitten.
- Zet een raam wat open om de auto te ventileren.
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35°C vorst bestand is, De antivries van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toevoegingen die de motor en de radiator beschermen.
Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af. - Controleer af on toe de bandenspanning.
- Controleer ongeveer om de zeven weken de ladingstoestand van de accu.

Sticker met de bandenspanning. Op de rechter portierstijl zit een sticker met de juiste bandenspanning.
De bandenspanning is belangrijk!
Controleer telkens bij het tanken de bandenspanning staat in de tabel hiernaast. Bij het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rij- eigenschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de banden meer. Denk eraan, dat de waarden van de tabel voor koude banden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden warm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het controleren van warme banden geen lucht laten ontsnappen. De bandenspanning moet wel verhoogd worden, als deze te laag is. Voor warme banden gelden, afhankelijk van de temperatuur, 10-30 kPa (1,5-4 psi) hogere waarden.
Bandenspanning, koude banden (100 kPa = 1 kg/cm²)
kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes s square inch (psi).
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | |||
| Voor | Achter | Voor | Achter | ||
| 195/60 R 15 | 4-deurs | 200 (29) | 190 (28) | 210 (31) | 260 (38) |
| 185/65 R 15 | 5-deurs | 190 (28) | 210 (31) | 210 (31) | 280 (40) |
| Reserveband"Special Spare" | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) | |
Als lang en snel gereden wordt (lang) uit het kpa (4 psi) verhoogd worden. N.B! Dit geldt niet voor de reserveband "Special Spare".
Wielen en banden
De banden hebben een „slijtageprofiel”
Het slijtagoprofiel bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die een 1½ mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is, dat nog maar 1½ mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom, dat banden met zo weinig profiel bij regen en sneeuw een zeer slochte greep op het wegdek hebben.
Denk erom, dat volgens de wet het profiel over het gehele loopvlak tenminste 1 mm moet zijn!

Slijtageprofiel: normale slijtage
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
- Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan, dat snel rijden de banden sterk doot slijten.
- Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning,
Balanceer de wielen zo nodig. - Denk aan de banden, als u de auto bij een trottoirrand parkeert.
„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna de banden bij het parkeren afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool“, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschilende bandentypen verkonen deze ochtendzool in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de ochtendzool verdwijnt.
Winterbanden, spijkerbanden, sneeuwkettingen
's Winters adviseren wij winterbanden met de maat 185/65R15 / 175/70R15.
Gebruik winterbanden altijd op alle vier de wielen!
N.B. Allicen bepaalde velgen van andere Volvo-modellen kunnen worden gebruikt. Vraag uw Volvo-dealer welke.
In winterbanden moet de bandenspanning 30 kPa hoger dan in zomerbanden zijn.
Spijkerbanden moeten „ingereden“ worden, zodat de spijkers zich go in de banden kunnen zetten. Daardoor wordt de levensduur van de banden en met name van de spijkers verlengd.
Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in dezelfde richting draai- en. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen aan dezelfde kant als daarvoor laten zitten.
Sneeuwkettingen kunnen, als zij lijne schakels hebben en niet zover ten opzichte van de band uitsteken, dat zij tegen de remklauwen of andere onderdelen kunnen aaniopen, alleen op de achterwielen van de auto aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben goedgekeurde, door Volvo geconstrueorde sneeuwkettingen.
N.B! Met sneeuwkettingen mag nooit sneller dan 60 km/uur gereden worden!
Rijd nooit onnodig op een sneeuwwvrije ondergrond, omdat de sneeuw- kettingen en banden dan zeer snel slijten.
Gebruik nooit snel monteerbare kettingen met losse schakels, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen daarvoor te klein is.
WAARSCHUWING!
Speciale velgen
De enige goedgekeurde „speciale wielen“ voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmotalen velgen die door Volvo-dealers verkocht worden.
Als er iets gebeurt...
Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren, dat u met de auto iets krijgt, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz. dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden.
In dit hoofdstuk worden behandeld:
wiel verwisselen 66–67
gloeilampen vervangen 68-75
zekeringen vervangen 75–77
lokaliseren van storingen 78-80
Algemeen Reservewiel
Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is uw auto uitgerust met banden met de aanduiding 185/65 R 1586 T of 195/60 R 1587 H. Deze aanduiding betekent het volgende:
| 185/195 | is de sectiebreedte in mm |
| 85/80 | is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent betekent radiaalbanden |
| R | |
| 15 | is de binnendiameter van de band in inches |
| 87 | is de coddering voor de maximaal toegestane bandenbelasting, in dit geval 545 kg |
| H | betekent, dat de band voor snelheden tot 210 km/uur gemaakt is |
| T | betekent, dat de band voor snelheden tot 190 km/uur gemaakt is. |
S betekent, dat de band voor snelheden tot 180 km/uur gemaakt is. Deze banden hebben een goede greep op de weg en geven de auto zeer veilige rij-eigenschappen op droge en natte wegdekken – ook bij hoge snelheden. De banden zijn echter in de eerste plaats ontwikkeld om deze goede eigenschappen op een onbedekte ondergrond te geven, zodat de bandenfabrikanten gedwongen werden om de eisen t.a.v. de wrijvingseigenschappen op sneeuw en ijs te verlagen.
Daarom adviseren wij u om 's winters Volvo-winterwielen te gebruiken, omdat deze bij de wegtoestanden in de winter met sneeuw en ijs optimale rij-eigenschappen geven.
Let er bij het vervangen van een band goed op, dat u hetzelfde type, d.w.z. radiaal, dezelfde maat of aanduiding en liefst ook hetzelfde merk voor alle vier de wielen krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
Denk bij het wielen verwisselen aan het volgende!
Als u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op de banden aantekenen, waar het wiel zat, b.v. LV links voor, enz.
De velgen van de auto hebben een „extra“ gat. Dit gat moet passen over de paspen die op de remschijven zit.
Deze paspen zorgt ervoor, dat de wielen na verwisselen – lege band of verwisselen van winter- en zomerwielen – altijd in precies dezelfde stand komen te zitten als daarvoor waardoor een goede wielbalans gewaarborgd is. Denk er echler aan om op het wiel te schrijven waar het zit, voordat u het verwijdert!
Bewaar de banden staande of hangende.

Reservewiel Special Spare op zwarte stalen velg
Reservewiel „Special Spare“
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Special Spare“ genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
De band heeft de codering 155R 15. Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen.
De spanning van deze band moet 350 kPa (3,5 kg/cm²) zijn, ongeacht de belasting van de auto en waar het wiel op de auto zit.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserve-wiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om, dat deze band, lezamen met de normale andere banden, de rij-eigenschappen iets kan veranderen.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een „Special Spare“ reservewiel gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen een hogere snelheid bestand.
Wiel verwisselen

70 moet de KHA Zitten

duit een kriksteun, 10000000, zoals de afbeelding toont, en
- Bij elk wiel zit een kriksteln, Zoule van de krik aan de pen in de kriksteijn, Zoule van de krik van de krikvoet zo naar beneden dat deze viak op de grond drinkdraai de krikvoet.
Controleer opnieuw of
steun zit.
- Breng de auto de wielmoeren en neem het
- Verwijder de wielmoeren schroefdraad van de wielmoeren niet.
WAARSCHUWING!
- A van de krik staat.
- De krik moet stang de auto, als deze op de originele krik van de auto
Kruip nooit onder de - op. overwisselen moet de origmals
- op. workzaamheden aan de
- Bij het wielen verwisstend gebruikt worden. Bij alle andere werkzaallic auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden.
- Trek de parkeerrem aan, aan de overseeding of de achteruit in - blanch
versnellingsbak de te versnellingsbak. een automatische versnellingsbak. - Blokkeer de wielen en achterkant. Gebruik hiervoor stevige stenen, de stenen, de stenen van de krik moeten altijd goed
- De bout en het tandsegment van gesmeerd zijn.
Wiel aanbrengen
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van de auto zit een paspen af
- A van ofalakken van het wier en de maat
- A van ofalakken van het wier en de maat
- A van ofalakken van het wier en de maat
- A van ofalakken van het wier en de maat
Maak de aanlegvallen - On de remschijven van de
- Drasai de wielmoeren vaat-
- Breng het wiel aan. Op dat de in het „extra” gat in de velg most komen. Druk van
- het opheuige gedeelte van de moeren moet naar het wiel gekeel-
- Aanhaal-
N.B! Het schulme g worden; zie de afbeelding op pagina 60 en, en, en, haal de moeren kruiselings aan. Aarindel davon en, van, als u met de copsleutol
● Laat de auto zakken om het op-ment, ca 85 Nm (8,5 kgm). Dit is het gevat, aanhaalt.
en steel uit de gereeds - Breng de wieldop aan
Wiel verwisselen
Geyarendrichoek Gereedschapsdoos

Reserviewiel
Krik met krikslinger

Wieldop verwijderen met schroevedraaier

Wielmoeren losdraaien
Wiel verwisselen
Bij 4-deurs modellen ligt het reservewiel ligt onder de vloermat in de bagageruimte. De krik met slinger en de gereedschapsdoos zitten aan de achterwand van de bagageruimte vast.
Bij 5-deurs modellen zijn het reservewiel en de krik met slinger onder de mal in het grote opbergvak vastgezet.
Zet altijd eerst het reservewiel goed vast en draai dan de krik vast, zodat de slinger vastgeklemd wordt. Dan is er geen gerammel.
Verwijder het wiel als volgt:
- Trek de parkeerrem aan en schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak – stand P bij een auto met een automatische versnellingsbak. Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant.
- Vorwijder de wieldop door met een schroevedraaier in het gat te drukken te draaien.
- Draai de wielmoeren met de pijsleutel een 1/2-1 slag los. De moeren moeten door linksom te draaien losgedraaid worden; zie de afbeelding.
Gloeilamp vervangen

Fitting Connectors In een hoeklicht vóór vervangen
Gloeilamp in een
De gloeilampen moeten van uitkreden, de vulpelampen worden. De uitkreden hij de gloeilamp te kunnen komen kan de vulbuis voor het opplad.
Om gemakkelijker bij de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit de uit deuit.
Schakel de verlichting is a member of the actor met draden aan de linksom en verwijder de uitings
- Laat de connection Draai de fitting een paar mm linksomniew gloeilamp.
In het opacilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en
- Verwijder de gloeilamp linksom te draaien. - A een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het - van de pasnokken van de fitting lets breder - van de pasnokken van de fitting letts breder
- Breng een op. N.B! Merk op, dat een van de p#dans van de andere is en in de breedste uitsparing them sen! Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloeilamp licht geeft.
Gloeilamp vervangen

Gloeilamp in een koplamp vervangen
Alle gloeilampen van de koplampen worden vanuit de motorruimte vervangen.
N.B! Raak de gloeilampen nooit met de vingers aan. Vet en olie van vingers verdampen namelijk de warmte en zetten zich af op de reflector die snel sleet wordt.
Koplampen:
- Doe de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0!
- Oran de waterken
Open de motorkap. - Buig de klemveer naar boven waarmee de plastic dop vaslizit en verwijder de dop. De klemveer kan zwaar gaan.
- Trek de stekerverbinding los. Deze kan vastzitlen.
-
Druk de veerring in, draai deze iets linksom en verwijder deze.
-
Verwijder de gloeilamp.
- Breng de nieuwe gloeilamp volgens de afbeelding aan zonder het glas met de vingers aan te raken.
De gloeilamp heeft drie pasnokken die asymmetrisch zijn aango- bracht, zodat de gloeilamp maar op een manier kan passen. - Breng alles weer in de omgekeerde volgorde van het verwijderen aan.
Druk de klem naar beneden en verwijder de plastic dop
- Buig de klemveren naar buiten en verwijder de gloeilamp.
- Breng alles weer in de omgekeerde volgorde van het verwijderen aan
- De fitting heeft twee pasnokken en kan maar op een manier goed zitten.
Gloeilamp vervangen, 5-deurs modellen

Lampen, plaatsing linker kant

Gloeilamp in een achterlicht vervangen
| Gloeilampen | Sterkte | Rating | |
| 1 | Mistachterlamp | 21 W | BA 15s |
| 2 | Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 | Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 | Achterlicht+remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
| - | - | ||
De gloeilampen moeten van binnenuit de auto vervangen worden. Doe het
volgende:
- Sehakel de verlichting uit.
- Schaker de
- Mook het pageel van het achterlicht los metres
- 10 mm linksom en maak
Maak het panoeel van de kapotte gloeilamp circa 10 min.
- Draai de fitting van de uit het door de lamp. deze los.
- Verwijder de gloelamp uit de fitting, voor mm linksom te draaien.
paar him links to the last one nieuwe gloeilamp in de fitting en brong
- Zet een nieuwe grodning van de achterlicht aan.
N.B! Merk op, dat een van de p de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing
sen.
• Drsai de fitting rechtsom vast.
- Corteleer of de lamp licht geeft.
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler of the
- Controler in a case van het achterlicht weer op zijn pral
- Controler in a case van het achterlicht weer op zijn pral
Druk het paineer van het
Gloeilamp vervangen

Lampen, plaatsing linker kant



Gloeilamp in een achterlicht vervangen
1 Reflector
2 Achteruitrijlicht
3 Richtingaanwijzer
4 Mistachterlamp
5 Achterlicht
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagageruimte vervangen worden. Doe het volgende:
- Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0! - Schroef de afdeksen van het leit
- Darmel de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaag. De afdekkap zit aan de onderkant vast.
- Draal de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom en maak deze los. De gloeilamp zit in de fitting vast.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en een paar mm linksom te draalen.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan.
N.B! Merk op, dat een pasnok van de fitting iets breder is.
De pachok hoer in de breedste uitsparing in het gat voor de fitting passen. Draai de fitting rechtsom vast. Contrains of the
controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vast.


Paspennen op verschillende hoogte
Denk erom, dat er in bepaalde landen twee verschillende types gloeilampen voorkomen. 1-polige en 2-polige.
Bij de 2-polige lamp zitten de paspennen op verschillende hoogten. De lamp kan maar op een manier in de fitting aangebracht worden. Probeer maar! Breng de lamp aan, druk deze naar binnen en draai deze voorzichtig een paar millimeter. Als draaien niet gaat, moet de lamp verwijderd, een 1/2 slag gedraaid en weer aangebracht worden. Als de gloeilamp juist aangebracht is, moet deze vastgedraaid kunnen worden zonder kracht te gebruiken.
Gloeilamp vervangen

Schroevedraaier naar binnen drukken
Plafondlamp 5-deurs
Druk de borgpen van het lamphuis in door een schroevedraaier in de opening aan de korte kant van het lamphuis te steken. Trek het lamphuis uit de bevestiging omlaag en vervang de gloeilamp.

Bagageruimteverlichting
Schakel de verlichting uit. Druk de pasnok van het glas met een schroove-draaier naar binnen (zie de afbeelding) en ver-wijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.

Schrovedraaier naar binnen drukken
Motorruimteverlichting
Schakel de verlichting uit. Steek de schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilamp vervangen

Kruiskopschroovedraaiers voor het lampglas
Kentekenplaatverlichting, 5-deurs
Draai met de kruiskopschroevedraaier van de gereedschapsdoos de kruiskopschroeven uit. Verwijder het lampglas. Druk de gloeilamp in en draai deze een paar mm linksom. Verwijder de lamp. Breng een nieuwe lamp aan en schroef het lampglas weer vast.

Naar achteren/beneden trekken
Kentekenplaatverlichting
Schakol de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0! Trek de lamphouder naar achteren, toldat deze aan de voorkant loslaat.
Vervang de gloeilamp.
Controleer of de pakking goed ligt en pas de lamphouder in de voorkant van het gat en druk het achterste deel met de hand omhoog, zodat dit weer vastzit.

De gloeilamp wordt van buitenal vervangen. Schuif de lamp naar voren en trek de achterkant los. Daarna kan de gehele lamp worden verwijderd. Laat de bedrading in de fitting zitten en draai het lamphuis een kwart slag. Trek de kapotte gloeilamp recht uit.
Zekering vervangen

Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen, doordat de zekering door een tijdelijke overbelasting is doorgebrand. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos die op de linker zijkant van het dashboard zit. De reservezekeringen zitten in een verlicht doosje op het zekeringenkastje.
De centrale verdeidoos is bereikbaar door de klep weg te nemen. Als de klep weer wordt aangebracht, moet eerst de voorkant worden ingobracht en op zijn plaats gedrukt.
Gloeilamp vervangen
Plafondlamp en leeslampjes
Doe de verlichting uit.
Pak het voorste deel van hot lamphuis volgens de afbeelding vast en trok het recht naar beneden los. Druk het glas van binnenuit naar buiten en vervang de kapotte gloeilamp. Controler of deze werkt. Brong het lamphuis woer aan.

Schroevedraalor insteken en draaien
Leeslampje achter
Doe de verlichting uit.
Sleek een schroevedraalor in en draai deze, zo- dat de fitting loslaat. Vervang de gloeilamp en druk de fitting weer naar binnen.

Schroavedraaier insteken en voorzichtig draaien
Waarschuwingslamp portier
Alle portieren hebben rode waarschuwingslampen. Dit moet u doen om een lamp te vervangen: Steek volgens de afbeelding een schroevedraaier in en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Trek de kapotte lamp recht uit. Vervang de lamp en breng het glas weer aan.
Zekeringen
| Nr | Ampère | Nr | Ampère5 | ||
| 1 Linker parkeerlicht, kentekenplaatverlichting,parkeerlichten achter | 10 | 22 ABS (niet-blokkerende remmen) | 23 - | ||
| 2 Rechter parkeerlicht | 10 | 24 - | |||
| 3 Linker grootlicht | 15 | 25 Waarschuwingsknipperlichten,centrale vergrendeling | 26 Klokje, binnenverlichting,waarschuwingslampen portieren, verlichtinghandschoenenkastje, motorruimteverlichting,bagageruimteverlichting, make-up spiegel | 27 Remlichten | 30 |
| 4 Rechter grootlicht | 15 | ||||
| 5 - | 15 | ||||
| 6 Linker dimlicht | 10 | ||||
| 7 Rechter grootlicht | 15 | ||||
| 8 - | 10 | ||||
| 9 Mistachterlampen | |||||
| 10 Instrumentenverlichting, verlichting asbakje,kachelbediening, schakelaars, asbak voor enachter, snelsluiting autogordels | 5 | ||||
| 11 Achteruitrijlichten, richtingaanwijzers,Cruise Control | 15 | 28 Kachelaanjager, airconditioning | 29 Motor-bediende antenne,elektr.aansluiting aanhanger | ||
| 12 - | 30 Brandstofpomp (in tank), elektr.verwarmdeLambda-sonde | ||||
| 13 Elektr.verwarmde achterruit,elektr.verwarmde buitenspiegels | 25 | 31 Brandstofinspuiting, brandstofpomp (hoofdomp) | 32 Radio/versterker | ||
| 14 Overdrive, relais voor elektr. bediend schuifdak,elektr.bediende raammechanismen, uitschakelen4e versnelling (automaat) | 10 | 33 Radio/cassetterecorder | 34 Elektr.bediende raammechanismen,elektr.bediend schuifdak | ||
| 15 - | 35 Elektr.verwarmde voorstoelen,elektr. verstelbare voorstoelen | ||||
| 16 - | |||||
| 17 - | |||||
| 18 Radio/cassetterecorder | 5 | N.B! Bij auto's met ABS (niet-blokkerende remmen) is dit systeem boven-dien beveiligd door een aparte 10 A zekering die links onder het dash-board zit. | |||
| 19 Airconditioning, elektr.bediende buitenspiegels,achterruitwisser/-sproeier, 5-deurs, sigare-aansteker | 15 | ||||
| 20 Ruitewissers/-sproeiers, claxon | 25 | Bovendien is er voor de voorverwarmingsautomaat van de Dieselmotoreen 80 Ampère zekering aangebracht bij het relais hiervoor; aangebrachtop de voorkant van de linker „veerpoot" in de motorruimte. | |||
| 21 ETC, voorverwarming (dieselmotor),stationair-automaat, brandstofklep (Dieselmotor) | 5 | ||||
Zekeringen
Het is het eenvoudigst zichtbaar of een zekering kapot is door deze uit te nemen. Daarom moet eerst naar het zekeringenoverzicht in de klop worden gekeken om te weten welke zekering moet worden gecontroleerd. Trek de zekering recht uit en kijk aan de zijkant of de gebogen draad is doorgebrand. Brong in dit geval een nieuwe zekering met dezelfde kleur on hetzelfde ampérage als de oude aan – het nummer staat op de zekering. Reservezekeringen zillten in een verlicht doosje op het zekeringenkastje: een blauwe (15 A), een lichtgele (25 A) en een groene (30 A). Als na elkaar een aantal zekeringen op dezelfde plaats doorbranden, zit er een storing in de olektrische installatie en moet de auto voor controle naar een Volvo-werkplaats worden gebracht. Als u vindt, dat bepaalde zekeringen moeilijk bereikbaar zijn, is er een „tang” die in het zekeringenkastje is vastgeklemd.

OVERSLAAN EN ONREGELMATIG LOPEN (Dieselmotor)
Verstopt brandstofffilter.
Tap via de bodemplug het water uit het brandsloffilter af of vervang het filter en let er verder op, dat u bij koud weer winterbrandstof gebruikt; zie pagina 107.

zekering voor de magneetklep van de andstofpomp is kapot.
Controleer zekering nr 21 in het zekeringenkastje en vervang deze, indien nodig.
Water of vuil in de brandstof.
Tap via de bodemplug het water uit het brandstofffilter af of vervang het filter.
Wasafscheiding in het brandstofffilter (bij koud weer).
Zet de auto in de warmte, vervang het brandstofffilter en vul met winterbrandstof; zie pagina 107.
ONBALANS OF TRILLINGEN TIJDENS HET RIJDEN
Wielonbalans.
Laat de wielen balanceren.
Verkeerde bandenspanning.
Controleer de bandenspanning.
Te laag vloeistofpeil in de bekrachtigingspomp.
Controleer het vloeistofpeil en vul bij; zie pagina 99.
DE MOTOR SLAAT NIET AF (Dieselmotor)
De smoorklep blijft hangen.
Laat de motor razen en draai de startsleutel uit of schakel de 3e of 4e versnelling in, trap hard op het rempedaal en laat het koppelingspedaal opkomen.
Bij auto's met automatische versnellingsbak: gebruik de noodstopheiboom op de inspuitpomp (zie de afbeelding).
N.B! Deze hefboom komt alleen voor bij auto's met een automatische versnellingsbak.

Noodstophefboom van de inspuitpomp
DE MOTOR WORDT WARM
De radiatorslangen zijn kapot of lekken.
Controleer de radiatorslangen en vervang deze, indien nodig.
Te weinig koelvloeistof.
Controleer het koelvloeistofpeil en vul koelvloeistof bij; zie pag. 101, 102.
De ventilatorriemen zijn kapot of slecht gespannen.
Vervang de ventilatorriemen of span deze.
Lokaliseren van storingen
In de vorige hoofdstukken werden al aanwijzingen bij bedrijfsstoringen behandeld. In dit hoofdstuk is alleen sprake van storingen die u zelf (met behulp van het gereedschap van de auto) kunt verhelpen om verder te kunnen rijden.
De aanwijzingen voor het starten van de motor zijn niet in acht genomen; zie pagina 46.
Start de motor volgens de aanwijzingen.
De accu is slecht geladen of ontladen.
Start de motor door aansiepen of met een hulpaccu; zie pagina 56. Laat de accu opladen. Zoek naar de oorzaak van het onlladen van de accu.
Slecht contact in de elektrische installatie van de motor.
Controleer alle aansluitingen bij de bougies, bobine, stroomverdeler, accu en startmotor.
Er komt geen brandstof naar de motor.
Controleer of er brandstof in de tank is. Controleer of er geen slangaansluiting van het brandstofsysteem losge- raakt is. Controleer of de zekeringen voor de brandstofpomp heel zijn: zekering nr 30 en nr 31 (benzinemotor) en nr 21 (Dieselmotor); zie pagina 77.
Storing in het ontstekingssysteem (benzinemotor).
Controleer de bougies (de elektrode-afstand moet 0,7 mm zijn) en maak deze schoon. Controleer de verdelerkap op scheurtjes en vocht; maak deze aan de binnenkant schoon en droog. Controleer of alle elektrische kabels van het ontstekingssysteem ge aangesloten en schoon zijn.
OVERSLAAN EN ONREGELMATIG LOPEN (benzinemotor)
Storing in het ontstekingssysteem
Controleer de bougies (de elektrode-afstand moet 0,7 mm zijn) en maak deze schoon. Controleer de verdelerkap op scheurtjes en vocht en maak deze aan de binnenkant schoon en droog. Controleer of alle elektrische kabels van het ontstekingssysteem goed aangesloten en schoon zijn.
IJsvorming in de carburateur of het inspuitsysteem
Zet de auto in de warmte en vul met carburateurvloeistof.
Verstopt luchtfilter/brandstofffilter
Vervang het filter.
Carrosserie-onderhoud - niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
roestwerende behandeling, controleren en bijwerken 82, 83 lakbeschadigingen, controleren en bijwerken 84, 85 auto wassen 86, 87 bekleding reinigen 88
Lokaliseren van storingen
Geen spanning bij de schuifdakmotor.
De overbelastingsbeveiliging (nr 34 in het zekeringenkastje) hoelt ge- werkt. Wacht ca 20 seconden. Dan is deze beveiliging afgekoeld, Controleer zekering nr 14.
Draai de twee bouten van de afdekkap van de schuifdakmotor los. Verwijder de kap. Druk het plastic pennetje in het midden van de bout met de gewone schroevedraaier omhoog en draai de bout, toldat het schuifdak dicht is.

Geen spanning bij de stoelmotor.
Controleer of de noodstopknop niet is ingedrukt. De overbelastingsbeveiliging (nr 35 in het zekeringenkastje) heeft ge- werk1. Wacht ca 20 seconden. Dan is deze beveiliging afgekoeld.
Stoelmotor defect.
1 Hellingshoek rugleuning: Steek de tap van de slinger in het gaa/je in de afdokkap aan de zijkant van de stoel. Draai in de gewenste richting
2 Longeverstelling: Maak de klem waarmee de mat vastzil, achteraan de onderkant van de stoel los. Buig de mat opzij. Steek de slinger in, totdat deze stuit in de bus die op de achterste stoelbalk zit. Draai in de gewenste richting. De slinger zit in de gereedschapsdoos.

De „zichtbare“ roestwerende behandeling moet regelmatig gecontroleerd aan bijgewerkt worden. Als de roestwerende laag ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddelijk laten doen om te voorkomen, dat vocht onder de roestwerende laag komt – laat uw Volvo-werkplaats u hierbij helpen.
Als u zelf de roestwerende behandeling wilt bijwerken, moet u ervoor zorgen, dat bij te werken plaats schoon en droog is. Spoel, was en droog de auto goed af. Gebruik een roestwerend middel in een spuitbus of heng het met een kwast aan.
1 zijn twee verschillende types roestwerende middelen:
a) dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen (klasse II).
b) dik voor slijtplekken van het onderstel en de wielkuipen (klasse V).
Denkbare plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn b.v.:
- Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype a)
- Onderstel en wielkuipen. (vloeistoftype b)
- Portierscharnieren (vloeistoftype a)
- Motorkapscharnieren en -sluiting (vloeistoftype a)
Als de behandeling klaar is, kan het overtollige roestworende middel verwijderd worden met een lap die met terpentine bevochtigd is.
De motorruimte is in de fabriek behandeld met een kleurloos roestwerend middel op wasbasis. Dit middel is tegen normale wasmiddelen bestand zonder op te lossen en onwerkzaam te worden. Als u echter met zogenoemde aromatische oplosmiddelen, zoals b.v. wasbenzine, terpentine (speciaal die met een emulgator) reinigt, moet de beschermende waslaag na het reinigen worden vernieuwd.
De Volvo-dealers verkopen dergelijke wassen.
Motorkapscharnieren
en -slot

Portierscharnieren
Onderstel en
wielkuipen
Roestwerende behandeling
Roestwerende behandeling – controleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een nauwkeurige en volledige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderstel en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van balken, holle ruimton en dichte secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof.
Wat kunt u, als eigenaar van de auto, doen om deze roesfwerende behandeling in goede staat te houden?
- Houd de auto schoon! Spoel chassiscomponenten, onderstel, wielkui-pen en spatschermranden onder hoge druk schoon.
De roestwerende behandeling moet door uw Volvo-werkplaats worden goinspecteerd;zie het garantieboekje.
Laat uw Volvo-werkplaats helpen, als uw auto als gevolg van beschadiging moet worden bijgewerkt.
Lakbeschadigingen bijwerken
Bij krassen doet u, zoals al beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak af to plakken (zie afbeelding 3).

- Wacht een paar dagen en werk daarna bij, d.w.z. polijst de bijgewerkte plekken. Gebruik een zachte doek en wees zuinig met polijst-pasta.
Afbladderende spatschermranden en drempels bijwerken
Materialen:
● Grondverf (primer) in spuitbus
Lak in spuitbus
- Tape
Bij het lakken van grote vlakken moet van te vo- ren met tape en papier worden afgeplakt. Verwijder het afplakmateriaal direct na de laatste maal spuiten, voordat de lak is gedroogd.
- Verwijder loszittende bladders met tape.
Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit met grondverf. Bij het spuiten moet de bus met regelmatige snelheid 20-30 cm van het oppervlak heen en weer worden bewogen; zie de afbeelding. Gebruik karton om de omringende vlakken te beschermon.

Spuitbus zo houden
- Als de grondverf is gedroogd, moet de eindlak op dezelfde manier worden opgespoten. Spuit in een aantal malen en laat de lak daartussen tolkens een paar minulen drogen.
Lakbeschadigingen bijwerken
De lak is een belangrijk deel van de roestweronde behandeling van de auto on moet dus regolmatig worden geinspecteerd. Lakbeschadigingen moet u zo snel mogelijk bijwerken om roesten te voorkomen. De gewoonste lakbeschadigingen – deze kunt u zelf bijwekren – zin:
• steenslagplekjes en krassen
- afbladderende spatschermranden en drempels e.d.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.
Lakkleurcode
Let erop, dat u de juiste klour heeft. Controloer dit aan de lakkleurcode die staat op het typeplaatje op de plaat boven de rechter koplamp in de motorruimte.

Lakkleurcode
Steenslagplekjes en krassen
Materialen:
- Grondverl (primer) in busje
● Lak in busje of zogenoemde lakpen
Kwastje - Tape
Als de steenslagplek niet tot op de plaat is en er nog een onbeschadigde laklaag is, kunt u met lak opvullen, zodra vuil is verwijderd.
Als de steenslagplek tot op de plaat is, moet u het volgende doen:
- Breng op het beschadigde vlak een stukje tape aan. Trek daarna het tape weg, zodat lakresten meegaan (zie afbeelding 1).

Lakresten met tape verwijderen
- Roer de grondverl (primer) goed om en breng deze met een fijn kwastje of een lucifer op (z ^12 afbeelding 2).

- Als de grondverf droog is, moet met een kwastje eindlak worden opgebracht. Let erop, dat de lak goed geroerd is en brong daarna enkele malen een dun laklaagje op en laat daartussen telkens drogen.
Automatisch wassen Poetsen In de was zetten
Automatische wasinrichting
Met een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig schoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat een automatische wasinrichting de auto niet zo effectief en voorzichtig wast als u zelf met de hand met spons en water doet. Het onderstel van de auto wordt in veel wasautomaten niet afgespoeld, terwijl dit met name in de winter van groot belang is.
Let erop, dat eventuele extra uitrusting – extra koplampen, buitenspiegels, antennes – goed vastzitten, want anders bestaat er kans, dat de borstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Schroef van de antenne los of schuil deze in.
voordat u de automatische wasinrichting binnenrijdt, moet u de armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de koplampen leggen. Zo wordt verhinderd, dat de borstels de armen pakken en het wissermechanisme beschadigen.
N.B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale stand te brengen, als het wassen klaar is.
Was uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels! Was de auto de eerste maanden – voordat de lak hardgeworden is – liefst met de hand.
U moet de auto poetsen en in de was zetten, als u vindt, dat de lak mal is en als u de lak een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter. Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gepoetst te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordal u gaat poetsen en/ of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Moeil- lijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak („rubbing“) verwijderd worden.
Poets eerst met polish en behandel de auto daarna met vioelbare of vaste was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was.
Tegenwoordig zijn er veel verschillende merken zogenaamde polymere wassen in de handel die voor autolak bestemd zijn.
Het is gemakkelijk werken met de polymere wassen en zij geven een zeer hard en glanzend oppervlak dat de lak tegen oxydatie, vuil en verbleken beschermt.
Wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto, zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, om- dat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken.
Op de volgende manier kunt u de auto wassen:
- Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spat-schermranden, enz.) zorgvuldig af.
- Spoel de gehelc auto af, totdat het vuil week geworden is.
- was de auto met een spons (met of zonder wasmiddel) on veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren.
- Droog de auto af met een schone zachte zeom.
- De motor-bediendo antenne (extra uitrusting) moet worden afgedroogd en met een met olle bevochtigd doekje licht worden ingesmeerd.
- Nadat de motor is gereinigd, moet het water uit de bougieholten worden weggeblazen.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 50–100 cm ^2 gewoon vloeibaar af-wasmiddel op 10 liter water.
Vlekken op aluminium lijsten rondon ramen, spalschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden. Gebruik nooit polijslpasta of staalwol.
Denk eraan...
Om vogelvuil altijd zo snel mogelijk van de lak te verwijderen. Het bevat namelijk chemische stoffen die de lak heel snel aantasten en doen verkleuren. De verkleuring kan niet weggepoetst worden.
WAARSCHUWING!
Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat vocht van de remvoeringen kan verdwijnen!
N.B! Bij het wassen moet u alle afwateringsgaten in de portieren en de drempels telkens goed schoonmaken om te voorkomen, dat deze door modder en vuil verstopt raken.

Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat. En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom c'er:
Volvo Service, om aan te denken! 90
de motorruimte 93–95
motor, oliepeil controleren en verversen 96–98
stuurbekrachtiging, koppeling, remmen, vloeistofpeil controleren 99
versnellingsbak, oliepeil controleren 100
koelvloeistof controleren en verversen 101, 102
V-riemen controleren 103
wisserbladen vervangen 105
carrosseriesmering 106
brandstofsysteem Dieselmotor 107
specificaties 109
Bekleding reinigen
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt. Vermijd schuren en schrobben met een harde borstel. Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zij ingedroogd zijn. De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of weggeschuurd worden.
Ontvlekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90 %-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammonlak-zeepoplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt med 1 dl zeepwater gemengd. Zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op le jossen.
Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoevoelhoden perchloro- thyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Perchloorethy- leon-benzine moet niet voor vochtige materialen gebruikt worden. Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden. Spiritus
Spiritus
Terpentine
WAARSCHUWING!
Denk eraan, dat perchloorelhyleendampen erg giftig zijn. Let erop, dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden. Denk er ook om, dat wasbenzine, spiritus en terpentine brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlekken zo snel mogelijk. Verwijder het grootste deel van de vlek met een bot mes of iets dergelijks. Zuig van de vlek zo veel mogelijk met schone witte doeken op. Stofzulg rondom de vlekken, zodat omringend vuil niet opgelost wordt. Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolgens het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herhaal de behandeling, totdat de vlekken verdwenen zijn.
Denk aan het volgende:
- Bij vorflekken, b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift, moel met het ontvlekkingsmiddel heel voorzichtig gewerkt worden, omdat de kleurstof in de vlek kan oplossen en rievelde
- Gebruik zo woinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kan het schuimplastic in de zitting beschadiers.
- Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Vlekken op leer en vinylbekleding behandelen
Krab of wrijf nooit op een vlek. Gebruik nooit sterke ontvlekkingsmiddelen. Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpentine of iets dergelijks gebruiken. Reinig daarna met een zwakke zeopoplossing en lauw water.
Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft uw Volvo-werkplaats gaarne alle inlichtingen.
BELANGRIJK
Voorwaarde voor de geldigheid van de garantie is absoluut, dat: bovengenoemde garantie-inspectie ongeveer bij de juiste kilometer- stand wordt uitgevoerd onderhoud van de auto volgens de instructies van deze handleiding wordt uitgevoerd en inspecties en reparaties door een erkende Volvo-werkplaats wor- den uitgevoerd.
Servicehandboeken
Als u technische belangstelling heeft en gedetailleerde gegevens wilt hebben die niet in dit boekje staan, maken wij u attent op onze Servicehandboeken die u bij uw Volvo-dealer of rechtstreeks bij Volvo kunt bestellen. Deze handboeken bevatten nauwkeurige informatie over reparaties en afstellingen en over de constructie en werking van de componenten van uw auto. Zij zijn namelijk dezelfde handboeken als door het Volvo-personeel worden gebruikt.
Denk eraan, dat...
- regelmatig onderhoud noodzakelijk is om uw auto in goede conditie te houden zowel wat betreft de betrouwbaarheid als de verkeersveiligheid.
- het overslaan van een inspectie tot gevolig kuitlaatgassen afgeeft met een onaanvaardbaar hoog gehalte aan stoffen die voor het milieu schadelijk zijn.
- de inspecties het beste door een Voel uitgevoerd, omdat deze ervaren personeel heeft dat met de produkten bekend is en speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur van Volvo heeft.
- De inspectie aan inspectie moet worden afgestempeld. Een
- uw Serviceboekje na eike inspectie moet de "goed afgestempeld" Serviceboekje is een teken, dat de auto goed onderhouden is en dit verhoogt de tweede-handswaarde. Hierover kunt u meer lezen in uw garantieboekje.
Volvo Service
Afleveringsinspectie
Voordat uw Volvo de fabriek verlict, werd met uw auto proefgereden en werd deze zorgvuldig gecontroleerd en afgesteld. Voordat de auto aan u werd overgedragen, kreeg deze een uitgebreide afleveringsinspectie bij uw Volvo-dealer om er zeker van te zijn, dat de auto geheel aan de Volvo- normen zou volden.
Garantie-inspectie
Uw Volvo krijgt bij uw Volvo-dealer een garantie-inspectie onder overlegging van de garantie-inspectiecoupon.
De garantie-inspectie moet na 1000-2000 km worden uitgevoerd. Er zijn aan deze garantie-inspectie geen kosten verbonden, behalve die voor het oliefilter en de oliën.
Het Volvo Onderhouds Programma
Om steeds van de hoge mate van veiligheid en betrouwbaarheid van uw Volvo gebruik te kunnen maken moet u het Volvo Onderhouds Programma opvolgen dat in het Serviceboekje beschreven is.
Wij raden u ten sterkste aan om de werkzaamheden waarvan in deze onderhoudsschema's sprake is, toe te vertrouwen aan uw Volvo-dealer die de ervaring, technische gegevens en apparatuur heeft om er zeker van te zijn dat de werkzaamheden worden uitgevoerd met de hoge kwaliteit die u, als Volvo-bezitter, verwacht. U kunt er tevens van verzekerd zijn dat uw Volvo-dealer alleen maar originele Volvo service-onderdelen gebruikt die van dezefido hoge kwaliteit zijn als de onderdelen die oorspronkelijk tijdens de fabricage van uw Volvo werden gebruikt.
Het Volvo Onderhouds Programma is opgesteld voor Volvo-auto's die bij gemiddelde omstandigheden worden gebruikt. Het omvat een Basis Onderhouds Programma om de zes maanden of bij maximaal 10 000 km als veel met de auto wordt gereden, en een Totaal Onderhouds Programma een maal per jaar of bij maximaal 20 000 km. Als u van mening bent, dat uw manier van rijden meer dan normaal van de auto vergt, moet u dit met uw Volvo-doaler bespreken; hij zal uw gaarne adviseren met een eventueel speciaal onderhoud dat nodig kan zijn.
Motorruimte, 760 GLE
- Expansietank koelsysteem
- Peilstok motorone
- Vulden motorolie
3 Vulup mit dineilstok automatische
4 Oliepellstok az versnellingsbak
5 Reservoir rem-/koppelinge vloeistof
6 Typeplaatje
7 Accu
8 Radiator
a Lichtfilter
10 Vloeistofreservoir fuite koplampsproeiers

Denk hieraan, voordat u aan uw auto gaat werken:
WAARSCHUWING!

De ontsteking van de auto werkt met een zeer hoge spanning die levensgevaarlijk is!
Haak de bougies, bobine, bougiekabels en bobinekabel niet aan, als de motor loopt of het contact aanstaal!
Het contact moet afgozet of de accu losgekoppeld zijn bij de volgende workzaamheden:
- Aansluiting van motortestapparatuur, ontstekingstestlamp, contacthoek/toerentalmeter, ontstekingsoscilloscoop, enz.
- Vervanging van onderdelen van de ontsteking, zoals bougies, bobine, stroomverdeler, bobine- en bougiekabels.
Als de auto met een heifbrug met twee kolommen omhooggebracht wordt, moeten de voorste hefarmen onder de steunen van de draagarmstangen (zie de afbeelding) worden aangebracht en niet onder de kruk steunen! Anders wordt de auto van voren te zwaar, zodat bij werkzaamheden aan de achteras en de achterveren het achterste deel van de auto los kan komen van de achterste hefarmen.
De achterste hefarmen moeten onder de achterste kriksteunen worden aangebracht.

Accu
- Overluig u ervan, dat de accukabels goed aangesloten en goed aangehaald zijn.
- Koppel de accu nooit los, als de motor loopt (b.v. bij het vervangen van de accu).
- Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgekoppeld zijn.
- Zet de radio uit, als de accu wordt losgekoppeld; anders wordt de elektronica van de radio beschadigd.
Auto omhoogbrengen
Als de auto met een garagekrik omhooggebracht wordt, moeten de vier kriksteunen (twee aan elke kant) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel speciaal versterkt.
Een garagekrik kan ook onder het gegoten achterashuis of midden tussen de voorwielen onder de vooras aanpebracht worden.
Beschadig de afschermplaat onder de motor niet. Let erop, dat de krik goed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de krik afgliedt.
Gebruik altijd bokken of iets dergelijks.

Steunen van draagarmstangen
Motorruimte, 760 Turbo Diesel
1 Typeplaatje
2 Expansietank koel-
systeem
3 Turbo-compressor Vuldop motorolie
5 Insputpomp
6 Peilstok motorolie
7 Remvloeistofreservoir
8 Vloeistofreservoir ruite-/koplampsproeiers
9 Luchtfilter
10 Brandstofffilter
11 Vloeistofreservoir
stuurbekrachtiging
12 Accu

*ollen met de aanduiding SF/CC en SF/CD voldoen aan deze normen.
Synthetische of semi-synthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze aan boveenstaande API-normen voldoen.
Volvo adviseert geen olietoevoegingen te gebruiken, omdat deze een negatieve invloed op de levensduur van de motor kunnen hebben.
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| SAE Level | Value (°C) | | :--- | :--- | | -22 | -22 | | -30 | -30 | | -4 | -4 | | -10 | -10 | | 0 | 0 | | 10 | 10 | | 20 | 20 | | 30 | 30 | | 40 | 40 | | 50 | 50 | | 68 | 68 | | 86 | 86 | | 104 | 104 |57347/1
Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur of een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: 760 GLE: 6,0 liter 760 Turbo: 3,85 liter (+0,6 liter als de oliekoeler afgetapt is)
Controleer het oliepeil altijd bij het tanken.
Olie verversen en ollefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000-2000 km.
Daarna volgens onderstaande tabel. Interval naar kilometerstand of tijd, al naar gelang het eerste het geval is.
| Rij-omstandigheden | Interval olie verversen en oliefilter vervangen |
| Ongunstige omstandig-hoden: zie hieronder | Om de 5000 km of 3 maanden |
| Normale rij-omstandig-hoden | Om de 10 000 km of 6 maanden |
Ongunstige rlj-omstandigheden
- langdurig rijden in stoffige/zanderige omgeving
- langdurig rijden in stoffige/zanderige omgeving
- langdung rijden met caravan/aanhanger
- langdurig rijden in bergterrein
- langdurig rijden met höge snelheid
- langdung stationair lopen of rijden met lage snelheid
- lage temperaturen (onder 0°C) met voornamelijk korte afstanden (korter dan 10 km)
Motorolie
Oliepeil altijd bij het tanken controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut, nadat de motor afgezet is. Veeg vóór de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het gearoorde deel van de peilstok liggen. De afstand tussen de merktekens MAX en MIN van de peilstok is ca 1 liter.
Eventueel olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagina. De vuldop moet recht omhooggetrokken worden. Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt, komt het oij opil ongeveer in het midden van het gearceerde deel van de peilstok te ligen, d.w.z. midden tussen de merktekens MAX en MIN hetgeen geheel normaal is. Vul niet met teveel olie; dan wordt het olieverbruik hoger.

Motorolie aftappen
U kunt bij de aftapschroef komen via een gat in de voorste afschemplaat van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is.
WAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!

Oliefilter vervangen bij olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg. Breng een nieuw aan volgens de instructies op het filter.
Motorolie aftappen
De aftapschroef zit helemaal achter in de oliepan van de motor. Tap de olie af, als deze warm is.
Een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg.
Stuurbekrachtigings- en remvloeistof

Plaatsing componenten bij de 760 GLE

Plaatsing componenten bij de 760 Turbo Diesel

Plaatsing componenten bij de 760 Turbo
Remvloeistof
Het peil in het remvloeistof reservoir moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen.
Vloelstoftype: remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703).
Vloeistofpeil controleren: altijd bij het tanken. Vloeistof verversen: om de 2 jaar
N.B! Bij auto's, waarmee zo gereden wordt, dat de remmen vaak en zwaar gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen of in een tropisch klimaat met hoge luchtvochtigheid, moet de vloeistof elk jaar ververst worden. Dit verversen behoort niet tot een inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een inspectiebeurt bij een Volvo-garage te laten doen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
760 Turbo/Turbo Diesel
Het peil moet tussen de streepjes MAX on MIN liggen: de hoeveelheid tussen deze streepjes is 0,2 liter.
760 GLE
De peilstok heeft verschillende merkstrepen voor warme en voor koude olie. Vóór het rijden mag het oliepeil niet boven COLD liggen. Na het rijden, als de olie nog warm is, mag het peil niet boven HOT liggen. Vul olie bij, als het peil bij ADD ligt.
Olie, alle modellen
Oliekwaliteit: ATF-olie
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt. Olie verversen is niet nodig.
Dieselmotor, motorolie
Oliekwaliteit:
Volgens API Service tenminste CD*. Volgens CCMC klasse D2.
* oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD/PD1 voldoen aan deze normen.
Synthetische of semi-synthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze aan bovenstaande API-normen voldoen.
Volvo adviseert geen olietoevoegingen te gebruiken, omdat deze een negatieve invloed op de levensduur van de motor kunnen hebben.
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| Current Speed (W) | SAE Value | |---|---| | 5W/30 | -22 | | 10W/30 | -4 | | 15W/40 | 68 | | 20W/40 | 86 | | 30 | 104 | | 40 | 104 | 57962Bij oxtreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur of een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zoer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: zonder oliefilter 5,0 liter met oliefilter 6,0 liter
Controleer altijd bij het tanken het oliepeil.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000 km. Daarna moet de olie om de 5000 km of om de 3 maanden verversi worden, al naar gelang het eerste het geval is.
Het oliefilter moet een maal op twee maal olie verversen worden vervangen.
Samenstelling van de koelvloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebruik b. gehele jaar een mengsel van 50 % Volvo anti-vries, type C (blauwgroen) en 50 % water. N.B! De motor is van een aluminiumlegering gemaakt, zodat het belangrijk is om Volvo anti- vries te gebruiken. Deze heeft een bijzonder goede corrosiewerende werking! Verschillende koelvloeistoffen mogen niet met elkaar ge- mengd worden!
Ugo de anti-vries worden in de zomer corrosie en in de winter ook bevriezen voorkomen. Als de auto nieuw is, is het koelsysteem gevuld met koelvloeistof die tegen circa -35°C kan.
Inhoud van het koelsysteem:
Benzinemotor ca 10 liter.
Dieselmotor ca 11,5 liter.
Koelvloeistofpeil controleren: altijd bij het tan- ken.
Koelvloeistof altijd bij het tanken controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Draai, als bijgevuld moet worden en als de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ontsnappen.
Dieselmotor
Koelvloeistof om de 2 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Zeit de temperatuurhendel op het instrumentenpaneel op maximale warmte.
2 Verwijder de dop van de expansietank.
3 Draai de aftapkraan open.
4 Maak de onderste radiatorslang los bij de radiator.
Vullen
5 Schroef de onderste radiatorslang vast.
6 Draai de aftapkraan dicht.
7 Maak de bovenste slang voor de koudstartinrichting los en zet een lekbak onder de slang.
B Vul de expansietank tot het MAX-streepje of nog iets hoger.
9 Laat de motor circa 5 minuten warmdraaien en controleer het koelsysteem op lekkage en vul ondertussen koelvloelstof bij.
10 Breng de slang op de koud-startinrichting aan en vul de expansietank geheel - tot boven het MAX-streepje.
Draai de dop op de expansietank.
N.B!
De motor mag alleen lopen met een goed gevuld koelsysteem. Als dit niet goed gevuld is, kunnen plaatselijk hoge temperaturen optreden met kans op beschadiging (barsten) van de cilinderkop.

Versnellingsbakolie (automatische versnellingsbak)

Peilstok met geei handvat

57651
A Koude versnellingsbakolie - olietemperatuur +40°C. Deze temperatuur wordt in de garage of werkplaats bereikt na ca 10 minuten stationair lopen. Bij een olietemperatuur onder +40°C kan het peil onder het MIN-streepje liggen.
B Warme versnellingsbakolie - olietemperatuur +90°C. Deze temperatuur wordt bij snel rijden op buitenwegen in ca 30 minuten bereikt. Bij een olietemperatuur boven +90°C kan het peil boven het MAXstreepje liggen.
N.B! Bij oliepeilcontroles moet de motor stationair lopen!
Automatische versnellingsbak
Bij het controleren van het oliepeil moet u het volgende doen:
Zet de auto horizontaal en laat de motor stationair lopen. Breng de keuzehendel via alle versnellingen langzaam in stand P. Wacht twee minuten en controleer het oliepeil. Op bovenstaande tekening is zichtbaar, dat de peilstok een „koude” on een „warme“ kant heeft. Het oliepeil moet tussen de streepjes MAXen MIN liggen. Veeg de peilstok af met een nylonap, papier of zeemleer of met een lap die geen resten op de peilstok achterlaal. N.B! De olie kan erg heet zijn!
Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de streepjes MAX en MIN is een halve liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie eruit gooien. Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet als deze nog koud is.
Oliekwaliteit: ATF-olie type Dexron II D bij alle temperaturen.
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt, maar tenminste elk half jaar.
Olie verversen: elke 40 000 km.
WAARSCHUWING!
Mors nooit olie op de hete uitlaatpijpen! Brandgevaar!
Ventilatorriemen en V-riemen voor de stuurbekrachtiging en airconditioning
760 Turbo diesel

Als u zelf de riemen heeft vervangen, moet u de riem 1-3 mm kunnen indrukken.
Na het vervangen van een riem moet de riemspanning door een Volvo-werkplaats worden gecontroleerd en eventueel afgesteld.
Toestand van de riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vuile riemen kunnen de oorzaak zijn van een slechte koeling en een laag dynamovermogen en ook van een slecht werkende stuurbekrachtiging en airconditioning.
Laat een Volvo-garage de riemen afstellen en vervangen
Door de plaats van de riemen kan het erg lastig zijn om zelf een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit dus aan een Volvo-werkplaats over.
Benzinemotor
Koelvloeistof om de 2 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Verwijder de dop van de expansietank (voorzichtig, als de motor warm is).
2 Zet van het verwarmingssysteem de temperatuurhendel op maximale warmte. Draai de kranen aan weerskanten van het motorblok open. De 760 Turbo heeft maar een kraan en deze zit aan de rechter kant.
3 Maak de onderste slang los bij de radiator.
Vullen
4 Draai de kranen (kraan) dicht en bevestig de slang volgens 2 en 3 hierboven.
5 Vul de expansietank tot het MAX-streepje of nog iets verder.
6 Laat de motor warmdraaien en controleer of het koelsysteem niet lekt en vul dan weer tot het MAX-streepje met koelvloeistof.
Expansietank met MIN-en MAX-merkstrepon.
Plaatsing van de componenten bij de 760 GLE...

...en bij de 760 Turbo

Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen

Klap de wisserarm om en houd het wisserblad haaks op de wisserarm. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm naar binnen.
Trek het gehele wisserblad naar beneden, zo- dat het „oog“ van de arm helemaal door het gat in de bevestiging van het wisserblad komt.
Breng het nieuwe wisserblad in de tegengestel- de volgorde aan en controleer of het goed vastzit!
Maak de wisserbladen met een nagelborsteltje en een lauwe zeepoplossing schoon, als zij strepen op de ruit beginnen achter te laten. Als dit niet helpt, moet het wisserblad vervangen worden!

Lang. Naar het midden van de auto
Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisserblad naar buiten los. Druk het nieuwe wisserblad met het langste uiteinde naar het midden van de auto vast.
Controleer of het wisserblad goed vastzit!
Ruitewissers Koplampwissers

Zo moeten de sproeiers staan
Sproeiers afstellen
De vlocistofstralen moeten de ruit raken, zoals de albeelding laat zien. De stralen kunnen in de hoogterichting afgesteld worden met een schroevedraaiertje.

De ruite- en koplampwissers en achterruitwisser (5-deurs) zijn op hetzelfde vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 4 liter. Gebruik in de winter een anti-bevriezingsmiddel, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.

Gebruik alleen dieselolie van bekende oliemaatschappijen; koop nooit dieselolie van onbekende kwaliteit.
's Winters met lage temperaturen moet u winterbrandstof gebruiken (deze wordt door de meeste oliemaatschappijen verkocht). Deze verhindert wasafscheiding en zorgt ervoor, dat ook bij strenge kou de auto gemakkelijk aanslaat.
Als u geen winterbrandstof kunt krijgen, kunt u zelf lichtpetroleum bijmengen. Meng tussen 25 % en 40 % bij omdat anders de smerende eigenschappen van de dieselolie achteruitgaan, waardoor het injectiesysteem kan beschadigen.
Het is in bepaalde landen wettelijk verboden om petroleum bij de brandstof te mengen. Gebruik dan door de autoriteiten goedgekeurde toevoegmiddelen.
Wanneer u bij een tankstation brandstof bijvult, zorg er dan altijd voor, dat alles rond het vulgat en de vuldop schoon is. Vult u zelf uit een vat brandstof bij, filtreer deze dan en zorg ervoor, dat alle gebruikte vaten schoon zijn.
N.B.
De verzegeling, die op de inspuitpomp zit, mag nooit door een onbevoegde monteur verwijderd worden. Indien dit toch gebeurt, vervalt alle garantie. De inspuitpomp moet volgens de wettelijke voorschriften verzegeld zijn.
Wanneer u geen brandstof meer heeft
Wanneer u geen brandstof meer in de tank heeft, hoeft u geen speciale maatregelen te nemen, nadat u nieuwe brandstof heeft bijgevuld. Het z.g. „ontluchten" van het brandstofsysteem, dat noodzakelijk was bij vele oudere Diesel-auto's, is n.l. niet langer nodig, omdat de inspuit-pomp van uw Volvo Diesel „zelf-onluchtend" werkt. Wanneer de tank geheel leeg was, is het heel normaal, dat u de startmotor eventjes moet laten draaien, voordat het hele brandstofsysteem met nieuwe brandstof is gevuld en de motor aanslaat.
Carrosseriesmering


3 Portieruitsteller - zit bij het onderste portierscharnier
Nr Smeerplaats (aantal)
1 Motorkapslot en blokkeerhaak (3)
2 Motorkapscharnieren (2)
3 Portieruitstellers (4)
4 Windscherm, schuifdak (1)
5 Portiersloten, buitenste glijvlakken (4)
Smeer- middel
Olie/Paraffine
Olie
Olie
Paraffine
Nr Smeerplaats (aantal)
6 Slotje kofferdeksel (1)
Scharnieren kofferdeksel/achterklep (2)
7 Raammechanismen (4) Sluitingen (binnenkant portieren) (4)
8 Rails (4) en blokkeer-
inrichtingen (2)
Smeer- middel
Vet voor lage
temperatuur
Olie, vet
Olie
Olie, vet
Vet voor lage
temperatuur
Olie
Type-aanduidingen
Bij alle contacten met uw Volvo-dealer over de auto en bij het bestellen van service-onder- jelen en accessoires kan het gemakkelijk zijn, als u de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto kent.
1 Type- en modeljaaraanduiding en chassis-nummer
Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op je achterwand van de bagageruimte.
2 Type-aanduiding, toegestane maximumgewichten en codenummers voor de lakleur en bekleding
Plaatje op de plaat boven de rechter koplamp.
3 Type-aanduiding, onderdeel – en fabricagenummer van de motor
Aan de linker kanl van de motor. (B230 ET)
Op het rechter motorblok (B280E).
Op de linker kan van de motor boven de vacuumpomp (D24 TIC).
4 Type-aanduiding en fabricagenummer van de versnellingsbak
a handgeschakelde versnellingsbak: aan de onderkant.
b automatische vorsnellingsbak: aan de linker kant.
5 Overbrengingsverhouding, onderdeel- en fabricagenummer van de achteras Sticker op het linker deel van de achteras.
6 Serviceplaatje Sticker op het achterkant aan de middelste portierstijl links.

Brandstofffilter
Water aftappen uit het brandstofffilter
In het brandstoffilter van de motor wordt geleidelijk condenswater uit de brandstoltank afgescheiden.
Als dit water via de inspuitpomp in de motor komt, kunnen storingen optreden. Daarom moet het water in het brandstofffilter om de 10 000 km worden afgetapt; dit kan het beste in verband met een onderhoudsbeurt gebeuren.
Het aftappen is heel eenvoudig en gaat als volgt:
- Zet onder de aftapschroef onder in het filter een opvangbak.
- Draai met con schroevedraaier de ontluchtingsschroef een paar slagen los.
- Draai de aftapschroef met de hand los.
- Tap af, toldat zuivere brandstof naar buiten komt.
- Draai de aftapschroef vast.
- Draai met de schroevedraaier de ontluchtingsschroef vast.
- Verwijder de opvangbak.
Ontluchtigsschroef

Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste SF*. Volgens CCMC klasse G2/G3.
Oliën met de aanduiding SF/CC en SF/CD voldoen aan deze normen.
Dieselmotor
Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste CD*. Volgens CCMC klasse DP.
Oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD voldoen aan deze normen. Synthetische en gedeeltelijk synthetische oliën mogen gebruikt worden, als zij aan bovenstaande API-normen voldoen.
Olie-inhoud: incl. oliefilter
760 GLE: 6.0 liter
760 Turbo: 3,85 liter
760 Turbo Diesel: 6,2 liter
Volvo adviseert geen olietoevoegingen te gebruiken, omdat deze een negatieve invloed op de levensduur van de motor kunnen hebben.
| Oliekwalitelt: | ATF-olie, type F of G (handgeschakeld),zie ook pagina 100!ATF-olie, type Dexron II D (automaat) |
| Olie-inhoud: | Handgeschakeldmet overdrive 2,3 literAutomaat 7,5 liter |
Achterasoverbrenging
| Oliekwalitelt: | Achterasolie, Volvo O/N 1 161 329, of API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C) SAE 90 of 80 W/90 |
| Olie-inhoud: | 1,6 liter |
Stuurbekrachtiging
Oliekwaliteit:
ATF-olie
Olie-inhoud:
0.8 liter (760 GLE)
0,5 liter (760 Turbo, 760 Turbo diesel)
Remvloeistof
Vloeistoftype:
Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703)
Vloeistofinhoud:
ca 0.6 liter
Specifications
Maten en gewichten
| Lengte |
| Breedte |
| Hoogte |
| Wielbasis |
| Spoorbreedte, voor |
| achter |
| Draaicirkel |
Toegestane belasting =
Totaalgewicht - Rijklaargewicht
Plaatje met gewichtsgegevens op de plaat boven de rechter koplamp.

Maximumasdruk, achter
| Maximumdakbelasting | 100 kg |
| Maximumaanhanggewicht | 1600 kg |
| (Zie voor de juiste gegevens pagina 57.) | |
* De (het) toogestane maximumasdruk of totaalgewicht mag nooit overschreden worden!
Inhoudsgegevens in liter
| Brandstoftank | ca 80 liter* | ca 80 liter* | ca 80 liter* |
| Koelsysteem | ca 10 liter | ca 10 liter | ca 11,5 liter |
| Motorolie, incl. oliefilter | 6,0 liter | 3,85 liter | 6,2 liter |
| Versnellingsbakolie, | |||
| 4-bak met overdrive | - | 2,3 liter | 2,3 liter |
| automaat | 7,5 liter | 7,7 liter | 7,7 liter |
| Achterasolie | 1,6 liter | 1,6 liter | 1,6 liter |
| Stuurbekrachtiging | 0,8 liter | 0,5 liter | 0,5 liter |
| Sproelvloeistofreservoir | 4,2 liter | 4,2 liter | 4,2 liter |
- 5 downs 60 liter
Laadruimte, 5-deurs modellen
| Lengte met opgeklapte achterbank | 106 cm |
| Lengte met neergeklapte achterbank | 182 cm |
| Laadopening, grootste breedte | 139 cm |
| Laadopening, grootste hoogte | 77 cm |
Specifications
760 Turbo Diesel
D24TIC
90 kW bij 80 r/s
2 pk bij 4800 omw/min)
235 Nm bij 40 r/s
(24,0 kgm bij 2400 omw/min)
6
76.5mm
2,383 dm ^3 (2,38 liter)
22:0:1
0.20-0.30mm
0.15-0.20mm
0.40-0.50mm
0.35-0.40mm
1-5-3-6-2-4
Laag stationair toerental
13.8 r/s (830 orw/min)
Hoog (versneld) stationair
loerental
90 r/s (5400 omw/min)
Inspuitpomp
Boxh VE 6-10
F2400L116-4
Verstuivers.
mandstuk
Bosch DNO SD 293
Brandstof (Diesel-olie)
Norm
DIN 51 601 (Duitse norm)
| 760 GLE | 760 Turbo | 760 Turbo Diesel | |
| Type | Gesloten,overdruk | Gesloten,overdruk | Geslotenoverdruk |
| Thermostaatgaat open bijInhoud | 87°Cca 10 liter | 92°Cca 10 liter | 87°Cca 11.5 liter |
Transmissie
Enkelyoudige droge-plaatkoppeling.
Handgeschakelde, geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak met overdrive.
Als alternatief een volautomatische 4-versnellingsbak, bestaande uit een hydraulische koppelomyormer met planeetversnellingsbak.
Achterasoverbrenging van het hypoïde-type.
Versnellingsbak
| Type-aanduiding | Hand-geschakeld M46 | Auto-matisch AW71 | ZF4HP-22 |
| Overbrengingsverhouding | |||
| 1e versnelling | 4,03:1 | 2,45:1 | 2,48:1 |
| 2e versnelling | 2,16:1 | 1,45:1 | 1,48:1 |
| 3e versnelling | 1,37:1 | 1:1 | 1:1 |
| 4e versnelling | 1:1 | 0,69:1 | 0,73:1 |
| overdrive | 0,78:1 | - | - |
| achteruit | 3,68:1 | 2,21:1 | 2,09:1 |
Specifications
| Model | 760 GLE | 760 GLE | 760 Turbo | 760 Turbo |
| Type-aansuiding | B280E | B280F | B230 ET | B230FT |
| Vermogen, ECE DIN | 125 kW bij 90 r/s(170 pk bij 5400 omw/min) | 108 kW bij 85 r/s(147 pk bij 5100 omw/min) | 134 kW bij 97 r/s(182 pk bij 5800 omw/min) | 115 kW bij 80 r/s(156 pk bij 4800 omw/min) |
| Koppel ECE DIN | 240 Nm bij 75 r/s(24,5 kgm bij 4500 omw/min) | 235 Nm bij 63 r/s(24.0 kgm bij 3800 omw/min) | 260 Nm bij 57 r/s(26,5 kgm bij 3400 omw/min) | 242 Nm bij 55 r/s(24.7 kgm bij 3300 omw/min) |
| Cilineraantal | 6 | 6 | 4 | 4 |
| Cilinderdiameter | 91 mm | 91 mm | 96 mm | 96 mm |
| Slaglongte | 73 mm | 73 mm | 80 mm | 80 mm |
| Cylinderinhoud | 2,85 dm ^2 (2.85 liter) | 2,85 dm ^2 (2.85 liter) | 2,32 dm ^2 (2.32 liter) | 2,32 dm ^2 (2.32 liter) |
| Compressieverhouding | 10,0:1 | 9,5:1 | 9:1 | 8,7:1 |
| Klepspeling | ||||
| inlaatklep, warme motor | 0,15–0,20 mm | 0,15–0,30 mm | 0,40–0,45 mm | 0,40–0,45 mm |
| koude motor | 0,10–0,15 mm | 0,10–0,15 mm | 0,40–0,45 mm | 0,35–0,40 mm |
| uitlaatklep, warme motor | 0,30–0,35 mm | 0,30–0,35 mm | 0,40–0,45 mm | 0,40–0,45 mm |
| koude motor | 0,25–0,30 mm | 0,25–0,30 mm | 0,40–0,45 mm | 0,35–0,40 mm |
| Ontstekingsvolgorde | 1–6–3–5–2–4 | 1–6–3–5–2–4 | 1–3–4–2 | 1–3–4–2 |
| Ontstekingslijdslip(vacuumregelaar losgekoppeld) | 10±2 ^a vóór B.D.P.bij 12–13 r/s(700–800 omw/min) | 16 ^a +2 ^a voor B.D.P.12–13 r/s(700–800 omw/min) | 10 ^a vóór B.D.P.bij 13,3–15 r/s(800–900 omw/min), met afs-telbaar Volvo setnr 273597-5(Bosch W7DC ^a ) | 10 ^a voor B.D.P.bij 12–13 r/s(700–800 omw/min) |
| Bougies | Volvo setnr 270590-3(Bosch HR5DC ^a ) | Volvo O/N 273597-1(Bosch HR 6 DC) ^a | (Bosch W7DC ^a ) | Volvo O/N 271415-2(Bosch WR 6 DC) ^a |
| elektrode-afstandaanhaalmoment | 0,6–0,7 mm12±Nm (1,2±0,2 kgm) | 0,6–0,7 mm12±2 Nm (1,2±0,2 kgm) | 0,7 mm20–30 Nm (2–3 kgm) | 0,7–0,8 mm20–30 Nm (2–3 kgm) |
| Minimumoctaangetal | 95 | 91 loodvrij | 98 | 91 loodvrij |
| Carburateur/Insouiting | Inspuitsysteem LH-Jetronic | Inspuitsysteem LH-Jetronic | Inspuitsysteem Motronic | Inspuitsysteem LH-Jetronic |
| Stationair toerental | 12.5 r/s (7750 omw/min) | 12.5 r/s (750 omw/min) |
* of dienoverenkannistig
Met ingang van modeljaar 1987 kunnen alle Volvo benzinemoto- ren op loodvrije benzine rijden. Het is slechts vereist, dat de benzi- ne het aanbevolen minimumoctaangetal heeft. Auto's die op loodvrije benzine kunnen rijden, hebben een groene tankdop. N.B! Auto's met katalysator moeten altijd op loodvrije benzine rij- den om de katalysator niet te beschadigen.
Voortrein
Voorwielophanging met veerpoten van het type MacPherson. De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd.
- reinrichting met tandheugel. De stuurkolomas is van het veiligheids-type.
De afstelwaarden gelden voor een onbelaste auto, incl. brandstof, koel-vloeistof en reservewiel.
Toespoor (Toe-in), bij de velg opgemeten 2 ± 0,5 mm
bij de zijkant band opgemeten 3,0 ± 0,8 mm
Elektrische installatie
12-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Eénpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is op het chassis aangesloten.
| 760 GLE | 760 Turbo | 760 Turbo diesel | |
| Spanning | 12 volt | 12 volt | 12 volt |
| Accu, capaciteit | 66 Ah | 55 Ah | 600 A/225 min |
| Electrolyt, s.g. | 1,28 | 1,28 | 1,28 |
| Moet worden geladen bij s.g. | 1,21 | 1,21 | 1,21 |
| Dynamo, maximum stroomsterkte | 100 Ampère | 70 Ampère | 55 Ampère |
| Startmotor, vermogen | 1,1 kW (1,5 pk) | 1,4 kW (1,9 pk) | 2,0 kW (2,7 pk) |
Specifications
Achterasophanging 4-deurs
Gescheiden wielophanging met onalfhankelijke verende wielen en schokdempers met automatische niveauregeling. De ophanging bestaat uit naar achteren gerichte draagarmen, bovenste en onderste ophangarmon en spoorstangen.
Achterasoverbrenging
Achterasovertrenging van het hypoide typo met dubbelgelede steekassen.
Achterasoverbrenging
| Overbrengingsverhouding | 3,54:1 | Handgeschakeld |
| 3,73:1 | (760 Turbo/760 Turbo diesel met automatische vorsnellingsbak) | |
| 3,91:1 | (760 GLE) |
Snelheid in km/uur bij 17 r/s (1000 omw/min)
| Versnollingsbak | M46 |
| Achterasoverbrenging | 3,54:1 |
| 1e versnelling | 8 |
| 2e versnelling | 15 |
| 3e versnelling | 24 |
| 4e versnelling | 33 |
| overdrive | 41 |
| achteruit | 9 |
Denk erom dat deze waarden afgerond zijn. Zij kunnen in de praktijk iets afwijken als gevolg van de bandenmaat, -spanning en -slijtage.
Aanbevolen minimum- en maximum- snelheden, km/uur
| Versnellingsbak | 1e | 2e | 3e | 4e |
| M46 Benzinemotor | 0-50 | 20-80 | 35-130 | 45-* |
| M46 Dieselmotor | 0-35 | 15-65 | 25-105 | 35-* |
* Bij circa 70 km/uur met ingeschakolde overdrive.
Katalysator (Katalytische zuivering)

Katalysator
De katalysator vormt een uitbreiding van het uitlaatsysteem en heeft tot taak om de uitlaatgassen te zuiveren.
Deze bestaal voornamelijk uit een huis met een keramisch element dat zo is geconstrueerd, dat de uitlaatgassen door kanalen in het element worden geleid. De kanaalwanden zijn bedekt met een dunne laag platina/rhodium. Deze metalen hebben een katalysatorwerking, d.w.z., dat zij een chemische reactie activeren zonder er zelf aan deel te nemen.
De uitstoot van koolwaterstoffen, koolmonoxy- de neemt toe, als de katalysator beschadigd is.
N.B!
Auto's die met een katalysator zijn uitgerust, mogen uitsluitend op loodvrije benzine rijden, omdat anders de katalysator wordt beschadigt.
Lambda-sonde TM (gever zuurstofgehalte)
Hier is sprake van een regelsysteem dat tot taak heeft om de uitstoot te verminderen en de brandstof beter te benutten. Een govor voor het zuurstolgehalte bewaakt de samenstelling van de uitlaatgassen die uit de motor komen. De bij de analyse van de uitlaatgassen verkregen meetwaarde wordt overgebracht naar een elektronisch systeem dat de injectoren continu stuurt. De mengverhouding van de brandstof en lucht die naar de motor gaan, wordt zodanig continu gestuurd, dat er wordt gezorgd voor optimale voorwaarden voor de verbranding en voor een doeltreffende vermindering van de drie belangrijkste schadelijke stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxyde en stikstofoxyde) met behulp van een driewegs katalysator.
Specifications
Gloeilampen, 12 V. Zo zien de gloeilampen er uit

| Gloeilampen | Sterkte | Fitting | Nr |
| Koplampen | 60/55 W | H4 | 1 |
| Verstralers of mistlampen | 55 W | H3 | 2 |
| Parkeerlichten, voor | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Richtingaanwijzers, voor | 21 W | BA 15 s | 4 |
| achter | 21 W | BA 15 s | 4 |
| opzij | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Gloeilampen | Sterkte | Fitting | Nr |
| Achterlichten | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Remlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Remlichten/achterlichten (bepaalde landen) | 21/5 W | BAY 15 d | 3 |
| Achteruitrijlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Mistachterlamp(en) | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 W | BA 9 s | 9 |
| Waarschuwingslamp portieren | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Plafondverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Leeslampjes, voor achter | 5 W | W 2,1×9,5 d | 9 |
| 5 W | W 2,1×9,5 d | 9 | |
| Motorruimteverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Bagageruimteverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Handschoenenkastje, verlichting | 2 W | BA 9 s | 9 |
| Make-upspiegelverlichting | 3 W | SV 7 | 7 |
| Instrumentenverlichting | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Verlichting, bedieningspaneel | 1,2 W | W2×4,6 d | 10 |
| automatische versnollingsbak asbakje achter autogordelsluiting | 1,2 W | W2×4,6 d | 10 |
| 1,2 W | W2×4,6 d | 10 | |
| 1,2 W | W2×4,6 d | 10 | |
| Waarschuwingslampjes, Controlelampjes | 1,2 W | W2×4,6 d | 10 |
Algebeeld is de motoren.

pandopanning, koude banden, in kPa (psi)
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | |||
| Voor | Achter | Voor | Achter | ||
| 195/60 R15 | 4-deurs | 200 (29) | 190 (28) | 210 (31) | 260 (38) |
| 185/65 R15 | 5-deurs | 190 (28) | 210 (31) | 210 (31) | 280 (40) |
Als u langdurig met hoge snelheid – langer dan een uit boven 120 kmv door.
den met winterbanden, moet d de banken
voor de reserveband "Special Spare".
VOLVO
Volvo Car Corporation
Göteborg, Sweden

MIN-merk DOT 4 bij.
DOT 4 bij. Het koelvloeistofpell moet tussen MAX en MIN op de expansietank liggen. Vul, Indien nodig, bij met een mengsel van 50 % anti-vries en 50 % water.
Het ollepell moet tussen de streepjes op de peilstok liggen. Veeg vóór elke ollepeilcontrole de peilstok at. De afstand tussen de merkstreepjes komt met ca 1 l'olie overeen. Vul, indien nodig, olie bij van hetzelf-type als al in de motor zit.
Het vloeistofreservoir voor de ruite- en koplamp-sproelers moet altijd goed gevuld zijn (in de winter met water en anti-vries).
water en anti-vries). De accu vraagt "geen onderhoud" en de elektrolyt behoeft alleen maar bij een inspectiebeurt gecontroleerd te worden.
In de handlelding staat een beschrijving van
wijelen verwisselen op pag. 66-87
...wiefen verwiesd
to eilamp vervangen op pag. 68-75
... een gloeilamp vervangen op, 75-77
een zekering vervangen op p=3
Alfabetische inhoudsopgave
Achteruitkijkspiegels
Achteruitrijlichten
Achteruitvergrendeling
Afleveringsinspectie 101.10
Aflapkraan koelvloelstor
Aftappen motorolie
Afwateringsgaten 21-2
Airconditioning
Als iets gebeurt 10
Anti-vries
Anti-verbindingshende
Asbakjes
Auto omhoogbrengen
Autogordels
Automatisch Wassen
Bagageruimteverlichting, 37
gebruik 73
gloeilamp vervangen 62-64
Banden
Bandenslijtage
Bandenspanning 16
Bediening verlichting 21-23
Bediening verwarming en ventilatie .... 21-20 79-80
Bedrijfsstoringen
Bekleding reinigen 56
Belangrijke wenken 42
Benzine tanken 46
Benzinemotor starten 28
Bestuurdersstoel 10.11
Bijladen dynamo 26
Binnenverlichting, gebruik 73.74
gloeilamp vervangen 21
Blaasmonden 49
Blokkeeninrichting Kützenhauer 113
Bougies 42
Brandostol tanken 42
Brandstor, zuinig zijn met 108
Brandstoffliter
Brandstofmeter 107.113
Brandstofsystem 11
Brandstorspecificables 4
Brandstoftankklep
Buitenlandse reizen,
voorzorgsmaatregelen
Caravan/aanhanger, rijden met 53
Carrosserie-onderhoud 82-67
Carrosseriesmering 100
Centrale vergrendeling 109
Chassisnummer 10.11
Controlelampies
Dagteller 21-23
Defroster 45
Dieselmotor starten 110
Draaicirkel 115
Dynamo 103
riemspanning
Elektrisch bediende raammechanismen ... 20
Elektrisch instelbare buitenspiegels ..... 25
Elektrisch verwarmde achterruit 18
Elektrisch verwarmde buitenspiegels 18
Elektrisch verwarmde voorstoelen 18
Elektrische installatie, gegevens ..... 115
115
Elevsiotank koelsysteem 101, 102
Erisse-luchtinlaat 21-20
Garagekrik 91
Garantie
Garantie-inspectie 109-116
Gloeilampen, gegevens 68-7
vervangen 10
Glycol
Grootichtsignaal, knipperen
Handrem 69
Hoeklicht voor, gloeilamp vervangen
Hoogteverstelling, voorstoelen 57
Huloslartaccu
Identificatie, type-plaatjes 109
Imperial
in de was zeiten
Inhoudsgegovens
Inrijden 7-9
Instrumenten
Instrumenten en bediening
Instrumentenpaneel
Instrumentenverlichting 27-4
Kentekenplaatverlichting
gloeilamp vervangen 12
Keuzchendel, autom. versn.bak 50
Kick-down
Kilometerteller 29
Kinderen in de auto
Kinderstoel
the inhoudsopgave
| Service | 90 | Ve |
| Serviceboekje | 91 | Ve |
| Servicehandboeken | 19 | Ve |
| Sigare-aansteker | 56 | Ve |
| Sleepogen | 56 | Ve |
| Slepen | 5 | Ve |
| Sleutels | 32-33 | Ve |
| Sloten | 62 | Ve |
| Slijtageprofiel | 109 | Ve |
| Smcermiddelen | 100 | Ve |
| Smering, carrosserie | 62 | Ve |
| Sneeuwkettingen | 3 | Ve |
| Snelheidsmeter | 62 | Ve |
| Speciale veigen | 109-118 | Ve |
| Specificaties | 25 | Ve |
| Spiegels | 62 | Ve |
| Spijkerbanden | 104 | Ve |
| Sproeiers afsterien | 93-95,104 | Ve |
| Sproevlocestofreservoir | 56 | Ve |
| Starten door aanslepen met hulpstartaccu/startkabels | 57 | Ve |
| Startkabels | 5,1 | Ve |
| Startsleutel | 1 | Ve |
| Start-/stuurslot | 8 | Ve |
| Steenslag | 2 | Ve |
| Stoeien | 1 | Ve |
| Stuurbekrachtigingsviceistof | 51- | Ve |
| Stuureigenschappen | 1 | Ve |
| Stuurinrichting, gegevens | ||
| Stuurslot | ||
| Tankdop | 109-1 | Ve |
| Technische gegevens | ||
| Temperatuurmeter | 8 | Ve |
| Toerentoller | 8 | Ve |
| Transmissie, gegevens | 1 | Ve |
| Trekhaak | 8 | Ve |
| Turbodrukmeter (760 Turbo) | 8 | Ve |
| Type-aanduidingen | 10 | Ve |
| Typeplaatjes | 10 | Ve |
| Veiligheidsgordels | |||
| Veiligheidsvergrendeling, achterportieren | 34 | V | |
| Ventilatorniemen, spanning controleren | 103 | V | |
| Verankeringsogen lading | 41 | V | |
| Verlichting, gebruik | 16 | V | |
| Versnellingsbak, automaat | 48-51.114 | ||
| handgeschakeld standen | 47.114 | ||
| Versnellingshendel automaat | 68-75 | ||
| Vervangen, gloeilampen koelvloelistot wielen | 101.102 | ||
| 66.67 | |||
| 105 | |||
| wisserbladen | 78 | ||
| zekeringen | 21-23 | ||
| Verwarming en ventilatie | 88 | ||
| Viekken verwijderen | 88 | ||
| Vloermatten reinigen | 54 | ||
| Voetrem | 8.9 | ||
| Voltmeter | 2 | ||
| Voorstoelen verstellen | 11 | ||
| Voortreim | 11 | ||
| Voorwielutlijning | |||
| Voorzorgsmaatregelen, elektrische installatie | |||
| lange reizen | |||
| wintertijd | |||
| V-riemen controleren/vevangen | |||
| 115 | |||
| 12 | |||
| Waarschuwingsknipperlichten, gebruik | |||
| 42 | |||
| waarschuwingslamp portier, gloeilamp vervangen | |||
| 8.9 | |||
| 8.9 | |||
| 114 | |||
| 53 | |||
| 8.9 | |||
| 109 | |||
| 109 | |||
| Wasautomaat | |||
| Wassen | |
| Wiel verwisselen | 64 |
| Wielbalans | 62-64 |
| Wielen en banden | 52 |
| Winterbanden | 58 |
| Wintertijd, voorzorgsmaatregelen | 115 |
| Wisselstroomdynamo | 105 |
| Wisserblad, vervangen | |
| Zekering vervangen | 75-77 |
| Zekeringen | 76, 77 |
| Zijknipperlichten,gloeilamp vervangen | 41 |
| Zitting verwijderen | 44 |
| Zuinig rijden | |
86
66.67
Wassen 64