760 (1987) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 760 (1987) VOLVO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over 760 (1987) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 760 (1987) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 760 (1987) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 760 (1987) VOLVO
Achter in deze handleiding is een alfabetische inhoudsopgave.
Presentatie van de auto 2
Instrumenten en bediening 4
Interieur, portieren en kofferdeksel 27
Starten en rijden 44
Wielen en banden 61
Als er iets gebeurt 65
Carrosserie-onderhoud 81
Service, periodiek onderhoud en specificaties 89
Presentatie

Deze handleiding gaat over het rijden met en het onderhouden van uw Volvo 760
Een grote bedrijfszekerheid en lange levensduur zijn twee belangrijke factoren voor de kwaliteit van Volvo-auto's. Om deze te behouden hebben wij deze handleiding opgesteld en wij verzoeken u deze door te lezen. Het boekje is zowel als instructie- en als naslagboekje bedoeld. Daarom bevat het een groot aantal getallen die bij het zoeken naar specifieke gegevens van belang zijn. Volg ook de gegeven servicevoorschriften op; meer hierover kunt u in het Serviceboekje lezen.
Als u belangstelling heeft voor een uitvoeriger beschrijving van de constructie van de auto zijn er Volvo Servicehandboeken; raadpleeg uw Volvo-dealer.
Laat dit boekje in de auto achter, dan kan de volgende eigenaar ook over het rijden met en het onderhouden van de auto lezen.
Vraag uw dealer, als u nog meer over service, onderhoud of het omgaar met uw auto wilt weten.
Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten van de auto.

Dubbelsleutel (,,garagesleutel")
Voorportieren Start-/stuurslot
Nummerplaatje

Het nummer van de sleutel – de hoofdsleutel en de dubbelsleutel hebben hetzelfde nummer – staat ook op het afzonderlijke nummerplaatje. Verwijder het nummerplaatje van de sleutelhanger zodat niemand het nummer kan overschrijven als u b.v. de sleutels zou verliezen en leg of kleef het vast – aan de achterkant van het nummerplaatje zit zelfklevende tape – op een veilige plaats. Als u een sleutel verliest, kunt u een nieuwe bestellen bij een Volvo-dealer.
Een nauwkeurige beschrijving van de werking van de sloten staat op pagina 34 en 35.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Instrumenten, schakelaars en bediening
Zie pagina
1 Blaasmond 21
2Koplampen en parkeerlichten 16
3 Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-
schakelaar en grootlichtsignaal 13
4 Waarschuwingsknipperlichten ..... 13
5 Instrumentenpaneel 6-11
6 Ruitewissers/-sproeiers en
koplampwissers/-sproeiers, achterruit-
wisser/-sproeier, 5-deurs .... 14
7 Blaasmonden 21
8 Verwarming en ventilatie 21-26
9 Plaats voor radio -
10 Sigare-aansteker 19
11 Asbakje 19
12 Elektr. verwarmde passagiersstoel ..... 18
13 Parkeerrem (handrem) 19
14 Motorkapsluiting 37
15 Elektrisch bediende raammechanismen 20 en elektrisch bediende buitenspiegels 28
16 Frisse-luchtinlaat 21
17 Mistachterlampen 17
18 Mistlampen of verstralers 17
19 ETC, Electric Traction Control 11
20 Plaats voor accessoires .... -
21 Blaasmond 21
22 Start-/stuurslot 12
Zie pagina
23 Elektrisch bediend schuifdak 29
24 Elektrisch verwarmde achterruit ..... 18
25 Claxons
26 Elektr. verwarm bestuurdersstoel..... 18
Op pagina 6–26 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedieningsorganen nauwkeurig beschreven.
Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrusting kunnen voorkomen.


1 Voltmeter
(alleen bij 760 Turbo)
2 Brandstofmeter
3 Gelijkzetknop klokje
4 Klokje
5 Snelheidsmeter
6 Dagteller
7 Nul-instelling dagteller
8 Kilometerteller
9 Toerenteller
10 Regelbare weerstand instrumentenverlichting
11 Temperatuurmeter
12 Turbodrukmeter (alleen bij 760 Turbo)
Voltmeter (alleen bij 760 Turbo)
De voltmeter geeft de spanning van de elektrische installatie aan. Tijdens het rijden moet de wijzer ongeveer rechtomhoog staan. Als de wijzer tijdens het rijden in een van de rode gebieden komt, kan er een storing in de elektrische installatie zijn. Laat dit in een Volvo-werkplaats controleren.
Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is circa 60 liter. Het rode gebied komt met circa 9 liter overeen.
Klokje
Het klokje werkt elektrisch en wordt door de accu aangedreven. Voor gelijkzetten moet u de knop indrukken en draaien.
Dagteller
Deze wordt voor het opmeten van korte rijafstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft hectometers (100 meter) aan. Druk de knop in om de dagteller op nul te zetten.
Toerenteller
Deze geeft het motortoerental aan in duizend omw/min. Het egaal rode gebied mag niet worden gebruikt.
Maximaal toegestaan continu motortoerental: 6000 omw/min bij de benzinemotor en 5000 omw/min bij de Dieselmotor
De motor van de 760 Turbo heeft een ingebouwde beveiliging tegen een te hoog motortoerental waardoor het motortoerental niet hoger dan ca 6200 omw/min kan worden. Als u bijvoorbeeld bij accelereren dit toerental nadert, wordt deze beveiliging ingeschakeld hetgeen aan sterk overslaan merkbaar is.
Regelbare weerstand voor de instrumentenverlichting
Bij rechtsom draaien – de instrumentenverlichting wordt sterker Bij linksom draaien – de instrumentenverlichting wordt zwakker.
Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvloeistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 101–103. Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 53.
Turbodrukmeter (alleen bij 760 Turbo)
De schaal van de turbodrukmeter is verdeeld in twee gebieden met verschillende kleuren: een zwart en een geel gebied. Met de wijzer in het zwarte gebied werkt de motor als „aanzuigmotor“, d.w.z. zonder turbolading. Houd de wijzer zo veel mogelijk in dit gebied om zo zuinig mogelijk te rijden. Met de wijzer in het gele gebied is de turbo ingeschakeld.
Controle- en waarschuwingslampjes

1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 ETC Electric Traction Control
Voorverwarmen (Dieselmotor)
Het controlelempje gaat branden, als de
startsleutel in de rij-/voorgloeistand
gedraaid wordt.
Zie ook pagina 46.
4 Niet aangesloten
5 ABS (extra uitrusting)
buiten werking
Zie ook pagina 10.
6 Verlichting brandt
7 Te hoge laaddruk, Turbo (Dieselmotor)
8 Oliedruk te laag
9 Dynamo laadt niet bij
10 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde versnellingsbak)
11 Grootlicht brandt
12 Remcircuit buiten werking
13 Parkeerrem aangetrokken
14 Defecte gloeilamp
15 Te weinig sproeivloeistof
(als het lampje brandt, zit er nog maar
1/2–1 liter sproeivloeistof in het reservoir)
16 4e versnelling uitgeschakeld (automatische versnellingsbak)
Zie ook pagina 51!
17 Controlelampje autogordels
18 Niet aangesloten
Deze waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
Zij moeten echter wel branden, als u vóór het starten het contact aanzet. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor is aangeslagen, moeten alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje voor de par-
keerrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de parkeerrem heeft losgezet.
De dynamo laadt niet bij
Het lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, zit er een storing in de elektrische installatie of zijn de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie voor de spanning van de ventilatorriemen pagina 103.
N.B! Als de ventilatorriemen stukgaan of zo slecht gespannen zijn dat de dynamo niet bijlaadt, gaan niet alleen dit lampje, maar ook de waarschuwingslampjes 12, 13, 14 en 15 branden. Dit komt door speciale wettelijke voorschriften in bepaalde landen en is dus heel normaal.

Een gloeilamp brandt niet
Dit waarschuwingssysteem voor een defecte gloeilamp wordt alleen ingebouwd voor Europese landen, waar de auto's geen herkenningslicht hebben. Het dient niet alleen voor het waarschuwen in geval van een defecte gloeilamp (over remlichten, achterlichten en dimlichten geschakeld), maar ook in geval van een defect remo circuit.
Nadat de motor aangeslagen is en het laadsysteem in werking is, gaan alle controle- en waarschuwingslampjes uit, met uitzondering van dat voor een defecte gloeilamp. Dit gaat pas uit, als het rempedaal kort ingetrapt is en de remlichten zijn gaan branden.
Als het blijft branden, heeft de bedrading van de remlichtschakelaar naar de remlichten geen spanning, zodat de remlichten niet werken.
Vervangen van gloeilampen: zie pagina 68–75. Vervangen van zekeringen: zie pagina 75–77.
Als na het vervangen van een kapotte gloeilamp het waarschuwingslampje blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant vervangen worden.

66728/5
Remcircuit buiten werking

Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt en het rempedaal iets lager dan normaal pakt, is een van de circuits van de voetrem buiten werking.
Sta onmiddellijk stil, ga uit de auto en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit, ziet op pagina 92 of 94).
Als het peil onder MIN ligt, mag u niet verder rijden, maar moet de auto ter controle en reparatie van de lekkage naar een werkplaats gesleept worden!
Als het peil tussen MIN en MAX ligt: rijd ter controle voorzichtig met de auto naar een werkplaats.
Te lage oliedruk

Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 95-97.
Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normal, als het maar uitgaat, als het motortoe- rental wordt opgevoerd.
Waarschuwingslampjes
Te hoge laaddruk, 760 Turbo Diesel
Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt, is de laaddruk te hoog. Rijd voor controle voorzichtig met de auto naar een werkplaats.

Extra uitrusting
ABS – niet-blokkerende remmen – buiten werking

Door het ABS-systeem kunnen de wielen niet blokkeren, als sterk afgeremd wordt. Als het lampje brandt, is het systeem buiten werking. Het gewone remsysteem van de auto werkt echter op normale wijze. Rijd ter controle naar een Volvo-werkplaats.
ETC Antispin
Deze uitrusting komt alleen voor bij de 760 Turbo voor bepaalde landen.

Schakelaar en waarschuwingslampje
De ETC is een actief anti-slipsysteem waardoor de rijveiligheid aanzienlijk vergroot wordt.
Het systeem begrenst het motorkoppel, als een van beide achterwielen of beide zouden gaan doorslippen.
Tegelijk wordt u gewaarschuwd, omdat in het dashboard een oranje waarschuwingslampje gaat branden.
Omdat er geen kans op doorslippen van de achterwielen meer bestaat, wordt ook het risico van ongecontroleerd slippen kleiner en behoudt de auto zijn koersvastheid, onafhankelijk van het gasgeven.
Het ETC-systeem wordt met een schakelaar op het dashboard in- en uitgeschakeld.
De schakelaar veert weer terug. Als deze een seconde ingedrukt wordt, wordt het systeem uitgeschakeld en gaat het waarschuwingslampje branden.
Als nog een seconde op de schakelaar wordt gedrukt, wordt het systeem weer ingeschakeld en gaat het lampje uit.
Als het lampje tijdens het rijden knippert/tikt (1 maal per seconde), is dit een aanwijzing voor doorslippen en dat het systeem werkt.
Als het lampje tijdens het rijden snel gaat knippenen (5 maal per seconde), zit er een storing in het systeem.
Schakel het systeem dan met de schakelaar uit. Zet, als dit niet gaat, de auto stil en zet het contact af. Zet het contact weer aan en schakel het systeem uit alvorens de motor te starten. Laat uw Volvo-werkplaats de werking van het systeem controleren.
Start-/stuurslot

Als de sleutel zwaar draait, komt dit, doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker.

0 Vergrendelingsstand
Met het stuurslot wordt het stuur vergrendeld, als u de sleutel uit het slot haalt.

Bepaalde elektrische componenten (b.v. de kachelaanjager, sigare-aansteker, koplampen) kunnen worden ingeschakeld. De elektrische installatie van de motor is niet ingeschakeld.

II Rij-/voorgloeistand
Stand van de sleutel tijdens het rijden (en bij voorgloeien voor het starten van de motor; alleen 760 Diesel). De achterlichten en kentekenplaatverlichting branden.

III Startstand
De startmotor wordt in- geschakeld.
Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.
Richtingaanwijzers Waarschuwingsknipperlichten

Richtingaanwijzers

Waarschuwingsknipperlichten
Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-schakelaar en grootlicht-„signaal”
„Drukpuntsstand“
Bij bochten met een geringe stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug, als het losgelaten wordt.
Normale bochten
3 Groot-/dimlicht-schakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje naar het stuur en laat het weer los. De koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.
3 Grootlicht-„signaal"
(koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur
(totdat een lichte weerstand gevoeld wordt).
Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje
weer losgelaten wordt.
Als een gloeilamp in de richtingaanwijzers stuk is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.
Waarschuwingsknipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Ruitewissers Koplampwissers Achterruitwisser en -sproeier

Wissen, voorruit

Sproeien, voorruit + koplampen

Achterruit, wissen en -sproeien
Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers
1 Wissen met intervallen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken ongeveer elke 6 seconden een slag.
2 „Drukpuntsstand“
Als u de wissers slechts een of een paar slagen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht worden en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand, als het hendeltje losgelaten wordt.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + koplampwissers/-sproeiers
Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en deze maken 2-3 slagon, nadathet hendeltje losgelaten is.
N.B! De koplampwissers hebben een beveiliging tegen overbelasting en deze brandt door, als de wisserbladen b.v. door sneeuw of ijs worden geblokkeerd (de wissers blijven steken). Als dit het geval is, moet de startsleutel in de 0-stand worden gedraaid, de sneeuw of het ijs worden verwijderd en ca 1 minuut worden gewacht. Dan is de beveiliging tegen overbelasting afgekoeld en kan het contact weer worden aangezet en kunnen de koplampwissers weer worden gebruikt. Controleer regelmatig de werking van de wissers.
Achterruitwisser en -sproeier
De achterruitwisser/-sproeier wordt bediend me de schakelaar aan de buitenkant van de ruitewis serhendel.
1 Achterruitwisser, normale snelheid.
2 Intervalwissen
De achterruitwisser maakt elke 10 seconden een slag.
3 Achterruitsproeier
Ook de wisser gaat werken, als de knop inge drukt wordt. Als de knop losgelaten wordt maakt de wisser nog 2–3 slagen.
Ruitewissers Koplampwissers

Zo moeten de sproeiers staan
Sproeiers afstellen
De vloeistofstralen moeten de ruit raken, zoals le afbeelding laat zien. De stralen kunnen in de boogterichting algesteld worden met een schroevedraaiertje.

De ruite- en koplampwissers en achterruitwisser (5-deurs) zijn op hetzelfde vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 4 liter.
Gebruik in de winter een anti-bevriezingsmiddel, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.

Verlichting, schakelaar

Koplampen en parkeerlichten
0
Alle verlichting is uit.
De contactsleutel wordt in de rijstand gedraaid.
-0.0
Parkeerlichten (voor en achter)
De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren, nooit onder het rijden, gebruikt worden.
D
Startsleutel in stand 0:
Alle verlichting uit.
Startsleutel in stand I, II of III:
De koplampen (+parkeerlichten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden.
De koplampen moeten natuurlijk branden, als in het donker op slecht verlichte wegen en overdag bij slecht zicht gereden wordt.
Als de schakelaar in stand ID staat, gaat dus alle verlichting uit, als de startsleutel in de stand 0 gedraaid wordt.
Mistachterlamp Mistlampen

Mistachterlamp, schakelaar
Mistachterlamp (bepaalde landen)
De mistachterlamp is aanzienlijk sterker dan het gewone achterlicht en wordt bij het rijden met zeer slecht zicht gebruikt. De koplampen moeten branden, anders kan de mistachterlamp niet branden.

Mistlampen (bepaalde landen)
De mistlampen worden bij mist en slecht zicht gebruikt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van een mistachterlamp en mistlampen van land tot land verschillen.
Elektrisch verwarmde achterruit, buitenspiegels, voorstoelen

Schakelaar elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels
Elektrisch verwarmde achterruit Elektrisch verwarmde buitenspiegels
Gebruik de elektrische verwarming om ijs en aanslag van de achterruit en buitenspiegels te verwijderen.
Door op de schakelaar te drukken wordt de verwarming van de achterruit en buitenspiegels gelijktijdig aangezet. Dit blijkt hieruit dat de beide oranje controlelampjes in de schakelaars branden. Een ingebouwde tijdschakelaar zorgt ervoor dat de verwarming van de buitenspiegels na ca 12 minuten automatisch uitgeschakeld wordt. Tegelijk gaat het betreffende controlelampje uit. Als nogmaals op de schakelaar wordt gedrukt terwijl een van de controlelampjes brandt, wordt de gehele verwarming uitgeschakeld. Als weer op de schakelaar wordt gedrukt, als de beide controlelampjes uitgegaan zijn, wordt de verwarming weer aangezet. Leg geen voorwerpen zo neer dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de achterruit beschadigd kunnen worden. Pas er bij het reinigen van de achterruit op dat de draden niet b.v. met ringen beschadigd worden.

Schakelaar elektrische verwarming voorstoelen
Elektrisch verwarmde voorstoelen
De elektrische verwarming kan met de schakelaar worden in- en uitgeschakeld. De verwarming heeft twee verschillende vermogenstanden.
Als op het rechter 1 deel van de schakelaar word gedrukt, wordt het normale verwarmingsvermo-gen verkregen.
Als op het linker 2 deel van de schakelaar word gedrukt, wordt het hoge vermogen verkregen. In de stand voor hoog vermogen wordt de verwarming van de passagiersstoel alleen in werking gesteld, als er iemand op de stoel zit.
Parkeerrem Sigare-aansteker Asbakjes

Parkeerremhendel
Parkeerrem (handrem)
De hendel zit tussen de voorstoelen. De parkeerrem aangetrokken is, brandt het waarschuvingslampje in het instrumentenpaneel. Als de parkeerrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingedrukt worden.
Gebruik bij parkeren altijd de parkeerrem, want dan blijft deze goed werken.

Sigare-aansteker
Asbakje

Sigare-aansteker en asbakjes
Druk de aansteker in, als deze moet worden gebruikt. Als hij warm genoeg geworden is – na ca 6–8 seconden –, komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaaggedrukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch bediende raammechanismen (extra uitrusting)


Elektrisch bediende raammechanismen
De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien.
Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet de startsleutel in de „rijstand“ worden gedraaid. De ramen gaan open, als op het achterste deel van de schakelaar wordt gedrukt en zij gaan dicht door op het voorste deel van de schakelaar te drukken.
Bij auto's met elektrisch bediende raammechanismen ook voor di achterportieren kunnen de raammechanismen vergrendeld worden met de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel van het be stuurdersportier.
Denk er aan om altijd de startsleutel uit het startslot te halen, als er kinde ren in de auto zijn.
- De ramen van de achterportieren kunnen met de schakelaar van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportie bediend worden.
- De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf het bestuur dersportier en dus niet met de schakelaars van de achterportier en bediend worden.
Verwarming, ventilatie en airconditioning

/erwarmings- en ventilatiesystemen
Er komen drie verschillende types verwarmings-
n ventilatiesystemen voor, namelijk:
zonder aircontitioning: deze wordt op pagina 22, 23 beschreven.
1 Met niet-automatische airconditioning; deze wordt op pagina 24, 25 beschreven.
met automatische airconditioning; deze wordt op pagina 26 beschreven.
p deze pagina's staan ook enkele adviezen oe u de verwarming en ventilatie zo goed mo- elijk moet gebruiken.
Met de airconditioning kunt u in de auto een koel en behaaglijk klimaat krijgen ook al is het buiten erg warm, maar denk erom dat de ramen en het schulfdak dicht moeten zijn.
In het afdekpaneel onder de stuurstang zit een blaasmond die naar boven of beneden gericht of gesloten kan worden.
Bij auto's met een verwarmingssysteem zonder airconditioning zit er bovendien een frisseluchtinlaat aan de buitenkant bij de voeten bij de voorstoelen. De inlaten kunnen elk met een eigen handgreep open- of dichtgezet worden.
Naar voren = open, naar achteren = dicht.
Blaasmonden
A Open
B Dicht
C Luchtstroom opzij gericht
D Luchtstroom omhoog gericht
Verwarming en ventilatie
Verwarming en ventilatie zonder airconditioning
Luchtverdeling

Lucht via de blaasmonden op het
dashboard. De inteneurlucht „recirculeert“, d.w.z., dat bijna geen frisse lucht in de auto gezogen wordt.

Lucht via de blaasmonden.
De reden is dat de verwarming op airconditioning voorbereid is.

Lucht naar de vloer en via de blaas- monden.
Kachelaanjager
0 = afgezet
4 = hoogste snelheid

Temperatuur 'Luchtverdeling

Lucht naar de vloer

Lucht naar de ruiten

Lucht naar de vloer+ruiten

Gebruik deze stand, als u een paar minuten geen last van sterk ruikende uitlaatgassen wilt hebben. Maar rijd zo niet langer dan circa 10–15 minuten, want anders bestaat er kans op onfrisse lucht en beslagen ruiten in de auto.
Verwarming en ventilatie
Zo wordt het het warmst:

-et erop, dat de frisse-luchtinlaten bij de voeten dicht zijn!
Denk erom dat er altijd wat lucht via de blaasmonden van het dashboard naar binnenkomt, zolang als de blaasmonden openstaan. Dit is niet afhankelijk van de stand van de luchtverdelingsshendel. Als u een maximale hoeveelheid lucht naar de vloer of de ruiten wilt hebben, moet u de blaasmonden dichtzetten.
Als de zijruiten weer gaan beslaan, moet u de twee buitenste blaasmonden openzetten.
..en zo wordt het het koelst:

Als u bij uw voeten meer koele lucht will hebben, noet u de frisse-luchtinlaten openzetten en de snelheid van de kachelaanjager verlagen.
..en zo verdwijnen beslagen ruiten:

et erop, dat de frisse-luchtinlaten bij de voeten
icht zijn!
Is het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw op e luchtinlaat voor het verwarmingssysteem, .w.z. het rooster vóár de voorruit, wegvegen.
Verwarming en ventilatie met airconditioning
Luchtverdeling
Airconditioning ingeschakeld

Dit geeft de snelste afkoeling -
De temperatuurhendel moet naar
links staan. Lucht via de blaasmonden in het dashboard.

Dit geeft een normale afkoeling. Lucht via de blaasmonden.

Dit geeft een normale afkoeling. Lucht naar de vloer en via de blaas- monden.
Kachelaanjager
0 = afgezet
4 = hoogste snelheid

Kouder
Warmer
Luchtverdeling Temperatuur
Airconditioning niet ingeschakeld

Lucht via de blaasmonden.

Dit verwijdert beslagen ruiten. Lucht naar de ruiten

Lucht naar de vloer + ruiten.

Lucht naar de vloer.

Gebruik deze als het erg warm of vochtig is.
Zet, als de temperatuur aangenaam geworden
is, de hendel op ☆ of op

Het kan in de auto warm worden al werkt de air-conditioning.
Zo wordt het het warmst:

...en zo wordt het het koelst:

Als de temperatuur behaaglijk geworden is, moet de bovenste hendel in de stand ⚙ of gezet worden.
...en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw van de luchtinlaat voor het verwarmingssysteem, d.w.z. het rooster vóór de voorruit wegvegen.
Hier zijn nog enkele adviezen en inlichtingen:
- De airconditioning wordt alleen ingeschakeld, als de temperatuur boven circa +8°C ligt. - In alle standen van de airconditioning werkt de kachelaanjager op snelheid 1, zelfs al staat de schakelaar in stand 0. Zo wordt ijsvorming in de airconditioning voorkomen.
- Deze stand moet gebruikt worden, als u een paar minuten geen last van sterk ruikende uitlaatgassen wilt hebben. In deze stand komt namelijk slechts een klein gedeelte van de lucht van buiten. Maar rijd zo niet langer dan circa 10–15 minuten, want anders bestaat er kans op onfrisse lucht en beslagen ruiten in de auto, omdat er bijna geen frisse lucht in de auto gezogen wordt. Regel de temperatuur met de temperatuurhendel.
Denk erom dat er altijd wat lucht via de blaasmonden van het dashboard naar binnenkomt, zolang als de blaasmonden openstaan. Dit is niet afhankelijk van de stand waarin de luchtverdelingshendel wordt gezet. Als u een maximale hoeveelheid lucht naar de vloer of de ruiten wilt hebben, moet u de blaasmonden dichtzetten. Als de zijruiten weer willen beslaan, moet u de twee builenste blaasmonden openzetten.
Een wenk: Om beslagen ruiten snel te doen verdwijnen kan met voordeel de airconditioning gebruikt worden, zelfs al is het buiten relatief koud, omdat vocht uit de lucht verwijderd wordt, voordat deze in de auto geblazen wordt. Gebruik de airconditioning regelmatig, dan werkt deze het beste.
Verwarming en ventilatie met automatische temperatuurregeling (extra uitrusting)


Zet de functiekiezer op aut en kies de temperatuur. Dat is voldoende!

Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw op de luchtinlaat voor het verwarmingssysteem, d.w.z. het rooster vóór de voorruit, wegvegen.
In de stand werkt de aanjager altijd met de hoogste snelheid. In de overige standen gaat de aanjager pas werken, als de temperatuur boven circa +35°C ligt of als de temperatuur in de auto +18°C of hoger is.
Interieur, portieren, kofferdeksel, achterklep, schuifdak
Op de volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
achteruitkijkspiegels, binnenverlichting,
schuifdak 28
voorstoelen, kinderen in de auto 30
autogordels 32
portieren en sloten, kinderveiligheidsslot 34
achterklep 5-deurs, motorkap, motorruimteverlichting 36
bagageruimte, 38
bagageruimteverlichting, brandstoftankklep 39
opbergplaatsen, vervoer lange lading 40
opklappen achterbank 5-deurs 42
zitting verwijderen, verankeringsogen 43
Achteruitkijkspiegels Make-up spiegel

A normale stand
B anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u last van de koplampen van auto's achter u heeft.

Schakelaars, buitenspiegels
Buitenspiegels, elektrisch instelbaar
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier.
A zijdelings instellen
B hoogte-instelling
Stel de spiegels goed in, voordat u gaat rijden!
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat dan het spiegelglas kan krassen!
Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel, waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een „groothoekspiegel" is die de „dode hoek" elimineert.
Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en afstanden geeft!

Make-up spiegel in de zonneklep
Make-up spiegel
A. De lamp brandt niet
B. De lamp brandt.
Binnenverlichting Schuifdak
.eeslampjes voor de voorstoelen

3innenverlichting, eeslampjes
le binnenverlichting bestaat uit een plafond- imp en leeslampjes voor de vier zitplaatsen an de auto.
De lamp is altijd aan
De lamp is altijd uit
De lamp gaat branden, als een van de portieren geopend wordt.
Im u de tijd te geven om o.a. in het donker het tartslot te vinden heeft de plafondlamp een in- ebouwde vertraging, waardoor de lamp pas 7 aconden, nadat het bestuurdersportier geslo- on is, uitgaat.

Schakelaar, schuifdak (elektr.)
Schuifdak, handbediend of elektrisch bediend (extra uitrusting)
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuildak, ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand“ komt te staan.
Bediening met slinger
Druk altijd de knop in, voordat u aan de slinger draait.
Linksom = normaal schuifdak Rechtsom = ventilatiestand
Uit veiligheidsoverwegingen moet tijdens het rijden de slinger altijd ingeklapt zijn!
De startsleutel moet in de rijstand staan. Om het schuifdak te sluiten: druk op de andere kant van de schakelaar dan toen u het schuifdak open-zette.
Noodbediening schuifdak: zie pagina 80.
Voorstoelen
Hoogte-instelling bestuurders- en passagiersstoel
De voorkant van de bestuurders- en passagiers-stoel kan op drie verschillende hoogten en de achterkant in vier standen gezel worden.
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld.
Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld.

- = zachter
- = harder
Lendesteun
Lengteverstelling
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden. Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of achteren worden geschoven.
Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is.
Hellingshoek van de rugleuning
Dok kinderen moeten goed zitten – en veilig!
en volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed bechermd bij een botsing of een ander ongeluk.
Im uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen ier adviezen over de plaats van kinderen in de auto.
Jenk eraan dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, altijd een utogordel om moet hebben. En laat ook nooit een kind bij een pasagier op schoot zitten!
In veel landen is het wettelijk voorgeschreven, hoe kinderen in de auto eplaatst mogen worden. Informeer hiernaar in het land, waarheen u vilt gaan.
Velke bescherming het doelmatigst is, hangt af van de lichaamsgroot- a van het kind;
Een baby die te klein is om te kunnen zitten
let kind moet op een voor het kind geschikt kinderzitje worden gezet. Ir zijn ook voor de allerkleinsten kinderzitjes, zodat deze net zo veilig als udere kinderen kunnen meerijden.
Iw Volvo-dealer kan u met adviezen en tips van dienst zijn.
kinderen vanaf de leeftijd dat zij kunnen zitten ot een lengte van ongeveer 117 cm lichter dan ca 18 kg)
kunt het beste de Volvo veiligheidsstoel gebruiken die naar achteren rijst. Deze is bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar. De stoel wordt op de passa-iersstoel of de achterbank vastgezet en wijst naar achteren. In beide ge-allen moet de stoel vastgezet worden met de autogordel van de passa-iersstoel, ook al wordt de stoel niet gebruikt, zodat de kinderstoel bij een ware botsing niet kan losschieten.

Volvo-kinderzitje en kussen, bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar
Hoe u de kinderstoel moet vastzetten, blijkt uit de instructies die bij de stoel geleverd worden.
Kinderen langer dan 117 cm (zwaarder dan ca 18 kg)
Als het kind uit de kinderstoel gegroeid is, moet het op een Volvo kinderkussen – bij de Volvo-dealer verkrijgbaar – op de achterbank zitten en de gewone rolgordel van de auto gebruiken.
Dit kussen is speciaal voor dit doel gemaakt en het zorgt ervoor dat de middelste band van de autogordel zo laag mogelijk om de heupen komt, hetgeen een goede bescherming waarborgt.
Op de volgende pagina wordt het gebruik van de autogordels uitvoerig behandeld.
Autogordels

Twoe herinneringslampjes, een op het instrumentenpaneel en een op de achterbank, knipperen als u met de auto rijdt zonder dat u of de voorpassagier de gordel om heeft.

De heupgordei moet laag zitten
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben, als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers dat ook zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degenen die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de auto kunnen dan letsel oplopen.
De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben rolgordels!
Deze moet u als volgt gebruiken: trek de autogordel heel langzaam uit en zet deze vast door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik“ geeft aan dat de autogordel vastzit. Normaal is de autogordel niet vergrendeld en kunt u zich onbelemmerd bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden:
- als de gordel te snel uitgetrokken wordt
- bij afremmen en accelereren
● als de auto sterk overhelt - bij het nemen van bochten.
Het is voor een maximale bescherming van be lang, dat de gordel goed tegen het lichaam ligt Denk er daarom aan dat:
- de gordel niet scheef of gedraaid is
● de heupgordel laag moet zitten (dus nie om de buik) - de heupgordel strak om de heup moe worden gezet door diagonaalsgewijs aan de gordel te trekkon (zie de afbeelding).
Uiteraard is elke gordel slechts voor een persoon bestemd!
Om de autogordels los te maken moet op de rode vergrendelingsknop worden gedrukt. Laa daarna de rol de autogordel geheel oprollen.
Autogordels


Heupgordel afstellen
De middelste autogordel van de achterbank is een heupgordel. Deze moet altijd zo afgesteld vorden, dat deze goed legen de heup ligt.
Controleer af en toe de autogordels
Controleer of de autogordel niet tegen scherpe randen schuurt en of de bouten wel goed aan- getrokken zijn en de autogordel overigens in goede staat is.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de autogordel te reinigen.
De blokkerende werking van de rolgordels moet u als volgt controleren:
- Pak de gordel vast en ruk er heel snel aan.
- Let op het verkeer en rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond. Haal de autogordel aan.
Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden!
Denk erom, dat het in bepaalde landen weltelijk is voorgeschreven, dat alle inzittenden een autogordel gebruiken.

De heupgordel moet laag zitten

Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten de autogordel met oplettenheid gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie de afbeelding.
WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, schroeven en blokkeerinrichting door een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, toch kan een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn.
Vervang de autogordel ook als deze erg gesleten of beschadigd is.
Verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-garage doen!
Portieren en sloten

De centrale vergrendeling wordt vanaf het bestuurdersportier bediend.
WAARSCHUWING!
Laat de portieren rijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)!
Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen.
Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden.
Bij auto's met centrale vergrendeling kunnen de knopjes van de achterportieren altijd met de binnenste handgreep omhooggeschoven worden. Daarna kunnen de achterportieren van buitenaf worden geopend.

Portieren op slot en van het slot doen
De auto heeft een zogenaamde centrale vergrendeling. Dat betekent dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch geopend en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier.
Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en draai een kwart slag linksom om hen op slot te doen.
Het voorste passagiersportier kan ook met de sleutel geopend worden. Dit heeft geen invloed op de centrale vergrendeling!
De portieren kunnen altijd van binnenuit met de handgreep worden geopend, ongeacht of het portier op slot is of niet. U kunt alle portieren op slot doen door het knopje van het bestuurdersportier omlaag te drukken. Op dezelfde manier kunnen alle portieren van het slot worden gedaan door het bestuurdersportier te openen.
Alle portieren zijn op slot, als de knopjes naar beneden zijn gedrukt.
Het bestuurdersportier kan aan de buitenkant alleen met de sleutel op slot worden gedaan!
Slot van het kofferdeksel
Het slot van het kofferdeksel reageert op dicentrale vergrendeling, zodat met het slot vai het bestuurdersportier ook het sluiten van het kofferdeksel bediend wordt.
Maar het kofferdeksel kan ook met de hoofd sleutel (de grote sleutel) op slot en van het slod gedaan worden zelfs al „werkt de centrale vergrendeling" van de auto.
Kofferdeksel Kinderveiligheidsslot
Doe als volgt:

Van het slot doen

Vergrendelen
Trek de sleutel er loodrecht uit!
Bovendien kan het kofferdeksel als volgt tegen bediening door de centrale vergrendeling „geblokkeerd“ worden:

Trek de sleutel er horizontaal uit
Het kofferdeksel is nu altijd op slot.
Deze mogelijkheid om het kofferdeksel te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaangeraakt“ moet blijven. Geef de dubbelsleutel (de kleine sleutel) aan degene die de auto moet lenen. Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet het volgende gedaan worden:

Trek de sleutel er
loodrecht uit!

Knop, kinderveiligheidsslot
Kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achterportieren en is bereikbaar als het portier open is.
A het slot werkt normaal
B het portier kan niet van binnenuit geopend worden.
Denk eraan dat als de knop in stand B staat de passagiers op de achterbank bij een eventueel ongeluk niet uit de auto kunnen komen. De achterportieren moeten dan van buitenaf geopend worden. Zie ook de tekst van de waarschuwing in het kader op de vorige pagina.

Uitdoen, portierlampen
Een tip!
De binnenverlichting en de rode waarschu- wingslampen in de achterplaten van de portieren gaan branden, als een portier geopend wordt. Als de portieren een tijdje open moeten blijven staan en u wilt, dat deze lampen niet branden, moet u de portierschakelaars indrukken en deze iets rechtsom draaien: de lampen gaan dan uit. Als de portieren weer dichtgedaan worden, komen de schakelaars weer in hun normale stand.
Kinderveiligheidsslot Achterklep, 5-deurs

Plaats en standen van het kinderveiligheidsslot
Kinderveiligheidsslot
Gebruik de vergrendeling, als u niet wilt, dat de klep van binnenuit geopend kan worden.
A De klep kan van binnenuit geopend worden.
B De klep kan niet van binnenuit geopend worden.

Achterklep openen
Achterklep openen
Ontgrendelen: draai de sleutel rechtsom en laat deze terugveren.
Vergrendelen: draai de sleutel linksom en laat deze terugveren.
Met de centrale vergrendeling ontgrendelt u de achterklep tegelijk met het bestuurdersportier. De achterklep wordt geopend door de klem in de handgreep in te drukken.

Openen van binnenuit
Openen van binnenuit
Van binnenuit de laadruimte wordt de achterklep geopend, als u de handgreep naar links trekt en tegelijk de klep naar buiten drukt.
Motorkap Motorruimteverlichting

...omhoogdrukken en openen

Grendels draaien - geheel openzetten
Motorkap openen
'rek aan de vergrendelingshandgreep helemaal nks onder het dashboard. U kunt horen dat het lot opengaat.
il de motorkap een paar cm op, ga er met de and onder en druk op de hendel van de veilig- leidspal. Open de motorkap.
Controleer of de motorkap na het dichtdoen joed vergrendeld is!
Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55° open. De motorkap kan loodrecht ge- opend worden, als de grendels van de schar- nieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De grendels gaan automatisch in hun normale stand terug, als de motorkap dichtgedaan wordt.
Let erop dat de motorkap niet tegen het dak komt, als de auto in een garage is!

Motorruimteverlichting
A de lamp is altijd uit
B de lamp brandt, als de motorkap open is.
Bagageruimte


Bagageruimte, van links gezien
De gereedschapsdoos komt vrij, als de klem verticaal gedraaid en de doos neergeklapt wordt.

Reservewiel en krik met slinger
Bagageruimteverlichting Brandstoftankklep

Schakelaarstanden

lagageruimteverlichting, -deurs
elemaal achterin de laadruimte bovenin zit een stra lampje.
Het lampje gaat aan, als de achterklep geopend wordt.
Het lampje is altijd uit.
Het lampje brandt altijd.
Bagageruimteverlichting
A de lamp is altijd uit
B de lamp brandt, als het kofferdeksel open is
Met ingang van modeljaar 1987 kunnen alle Volvo benzinemotoren op loodvrije benzine rijden. Het is slechts vereist, dat de benzine het aanbevolen minimumoctaangetal heeft.
N.B! Auto's met katalysator moeten altijd op loodvrije benzine rijden om de katalysator niet te beschadigen.
Brandstof tanken
De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik“ hoort.
De Volvo-dealers hebben voor alle Volvo- modellen een afsluitbare tankdop.
Het octaangetal van de benzine moet tenminste 95 zijn (760 GLE- 98 zijn (760 Turbo).
Voor Dieselolie: zie de brandstofspecificatie op pagina 113.
De tank heeft een inhoud van 60 liter.
N.B! Vul de tank niet geheel: de brandstof moet kunnen uitzetten.
Opbergplaatsen

WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat geen „gevaarlijke“ voorwerpen, zoals b.v. camera's en verrekijkers, op de hoedenplank of op andere plaatsen liggen, waar zij bij sterk afremmen of een botsing tot gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote, zware pakketten vast met een van de autogordeis!
Luikje voor lange lading
De kleine vakken worden geopend

Je klep voor het grote opbergvak is in tweeën gedeeld.
)pbergplaatsen 5-deurs
Inder de vloer van de laadruimte zitten drie op- ergvakken.

Lange lading altijd verankeren
Luikje voor „lange lading”
Om lange voorwerpen te kunnen vervoeren zit er in de plaat achter de rugleuning van de achterbank bij bepaalde auto's een luikje waardoor lange lading kan worden meegenomen (zie de afbeelding).
Om de bekleding niet vuil te maken kan een zak voor ski's gebruikt worden.
N.B! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. ski's). Maximumlengte 2 meter en maximum-gewicht 15 kg.
WAARSCHUWING!
Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen. Bescherm scherpe randen met iets zachts.
WAARSCHUWING!
Zel de motor af en trek de parkeerrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel of de keuzehendel komen en deze in een rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rollen.
Achterbank opklappen; laadruimte verlengen


- Zet de rugleuning rechtop, als deze erg naar achteren helt.
- Druk de achterkant van de zitting omlaag en trek tegelijk de vergrendeling voor de zitting omhoog en klap de zitting tegen de rugleuning van de voorstoel.

Hoofdsteunen verwijderen
De hoofdsteunen van de achterbank moeten verwijderd worden om de rugleuning helemaal omlaag te kunnen klappen. Verwijder de hoofdsteunen door deze recht omhoog te trekken.

- De rugleuning van de achterbank is in 60/4 verdeeld. De delen kunnen afzonderlijk neer geklapt worden.
- Trek de vergrendeling van de rugleuning om hoog en klap de rugleuning naar voren en om laag.
WAARSCHUWING!
Laad nooit hoger dan de rugleuningen! Als dit toch gebeurt, kan de lading bij sterk afremmen of een botsing naar voren gegooid worden en u of uw passagiers ernstig letsel toebrengen
Zitting verwijderen Verankeringsogen voor lading

N.B! Let erop, dat de haken aan de onderkant van de zitting in de gaten in de plastic beschermkappen van het bovenstuk van de rugleuning haken.
Bij het terugklappen van de rugleuning en de zitting moet u erop letten, dat de autogordels niet ingeklernd worden!

De zitting kan eenvoudig verwijderd worden en dan heeft u een iets langere laadruimte. Doe het volgende: klap de zitting voor de helft omhoog en trek de borgpen uit. Til de zitting op. Als u de zitting helemaal opklapt, gaat het uittrekken van de borgpen zwaar.

Veranker volumineuze en zware lading altijd! Anders kan bij sterk afremmen of een botsing persoonlijk letsel ontstaan. Er zijn zes ogen om banden of touwen aan vast te maken. Bij uw Volvo-dealer kunt u banden kopen die in de ogen passen.
WAARSCHUWING!
Laad geen zware lading tot bij de voorstoelen. Dan wordt de omlaaggeklapte rugleuning onnodig hard naar beneden gedrukt. Vergeet ook niet om de lading goed te verankeren (vast te binden). Anders kunnen harde en scherpe voorwerpen de achterkant van de voorstoelen kapot maken en bij sterk afremmen of een botsing ook letsel toebrengen aan degene die op de stoel zit!
Inrijden
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, het schakelen, het slepen, het rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
inrijden, zuinig rijden 45
motor starten 46
schakelen met handgeschakelde versnellingsbak 48
schakelen met automatische versnellingsbak 49–52
om aan te denken 53
slepen, starten met hulpaccu 54
denk hierom bij de remmen 56
tips over het rijden met een caravan 57
maatregelen voor de winter 58
maatregelen voor lange reizen 59
lange tijd niet gebruiken 60
Inrijden Zuinig rijden
en nieuwe auto moet worden ingereden"!
Is uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat alm aan te doen en de mogelijkheden van de uto gedurende de eerste 2000 km niet geheel te gebruiken.
verschrijd de volgende snelheden niet:
| Tijdens de eerste1000 km | Tussen 1000en 2000 km | |
| ø versnelling | 30 km/uur | 40 km/uur |
| ø versnelling | 50 km/uur | 70 km/uur |
| ø versnelling | 80 km/uur | 100 km/uur |
| ø versnelling | 110 km/uur | 130 km/uur |
| verdrive | 130 km/uur | 150 km/uur |
aar rijd ook niet te langzaam in een hoge ver- nelling, d.w.z. laat de motor niet zwoegen, en ebruik de eerste 2000 km de kick-down niet, als auto een automatische versnellingsbak heeft.
'uinig rijden wil nog niet eggen langzaam rijden!
Jinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel jden en de rijstijl en de snelheid aan de be-aande situatie aanpassen.
enk hierbij aan het volgende:
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat de motor niet stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden.
Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme – twee tot drie maal meer – en bovendien slijt de motor sneller. Rijd liefst geen korte afstanden, omdat dan de motor nooit warm kan worden.
- Rijd soepel! Vermijd snel en onnodig accele- ren en sterk afremmen. Dan kunt u veel brandstof besparen.
- Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje.
- Rijd niet met een onnodige zware lading in de auto.
- Rijd niet langer met winterbanden, als de wegen schoon en droog geworden zijn.
- Verwijder de imperiaal, als deze niet gebruikt wordt.
- Zet de zijramen niet onnodig open.
- Met de 760 Turbo moet u zo rijden dat de wijzer van de turbodrukmeter zo veel mogelijk in het zwarte gebied staat.
Van belang bij het zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
Benzinemotor
● Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 20 km/uur
Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 35 km/uur.
Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 50 km/uur.
Dieselmotor
● Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 15 km/uur
Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 30 km/uur.
Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 40 km/uur.
- Als de auto een overdrive heeft, moet u deze bij normaal met meer dan ca 70 km/uur op buitenwegen rijden zo vaak mogelijk gebruiken.
- Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, schakelt deze uit zichzelf de juiste versnelling in, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down”.
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name nog de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het brandstofverbruik laag te houden zijn b.v.:
Goede bougies
- Goed afgestelde ontsteking
● Schoon luchtfilter
- Juiste klepspeling
- Goed werkende luchtvoorverwarming
● Juist stationair toerental
- Juiste motorolie, juiste intervallen van olie verversen en nieuw oliefilter
- Juist afgestelde brandstofinjectie
- Remmen die niet „aanlopen“
- Juiste voorwieluitlijning
● Juiste bandenspanning.
Denk eraan dat u voor het brandstofverbruik zelf de belangrijkste factor bent en denk ook aan de manier, waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingsbak omgaat. Het verschil tussen goed en verkeerd rijden kan enkele di per 10 km bedragen. Dat wordt heel wat brandstof in een jaar!
Dieselmotor starten
Zo moet u de motor starten:
1 Trek de handrem (parkeerrem) aan
2 Zet de versnellingshendel in de neutrale stand (stand N of P bij een automatische versnellingsbak)
3 Draal de startsleutel in de rij-/gloeistand.
4 Kijk naar het controlelampje voor voorverwarmen.
5 Als het lampje is uitgegaan...
... trap het koppelingspedaal in, trap het gas-
pedaal voor de helft in en draai de start-
sleutel in de „startstand“, totdat de motor
aanslaat.
Denk eraan om bij koud weer de sleutel pas los te laten, als de motor gelijkmatig en betrouwbaar loopt.
Laat de motor onmiddellijk na koud starten niet razen!
Voorgloeitijden:
Bij +20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 6 sec.
Bij 0°C motortemperatuur brandt het lampje ca 11 sec.
Bij - 20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 21 sec.
Als u, bijvoorbeeld na een mislukte startpoging weer wilt voorglocien, moet de startsleutel eerst naar de „middenstand“ worden teruggedraaid en daarna weer in de „rij-/gloecistand“ om de gloeibougies weer in te schakelen.
Zo moet u de motor afzetten:
Als u de startsleutel uit de rij-/gloeistar draait, slaat de motor af, omdat de brandsto toevoer naar de motor door een magneetkle wordt afgesloten.
Als de motor niet afslaat: zie onder lokalise ren van storingen op pag. 79.
Controlelampje voor voorgloeien

Als de startsleutel in de rij-/gloeistand wordt gedraaid en dit lampje gaat branden, wijst dit erop, dat de gloeibougies (één in elke cilinder) zijn ingeschakeld.
Als het lampje is uitgegaan, kan de motor worden gestart.
De gloeitijd wordt door de motortemperatuur bepaald. Hoe kouder de motor, des te langer moet worden voorgegloeid. Als de motor warm is, gaat het lampje maar een paar seconden of in het geheel niet branden.
'o moet u de motor starten:
- Trek de parkeerrem (handrem) aan
Zet de versnellingshendel in de neutrale stand - stand N of P bij een automatische versnellingsbak.
Trap het koppelingspedaal in.
Kom niet aan het gaspedaal! - Draai de startsleutel in de startstand. Laat de sleutel los, als de motor aangeslagen is!
- Is de motor niet onmiddellijk aanslaat, moet u et gaspedaal voor de helft intrappen en in die land houden, totdat de motor loopt.
ermijd herhaalde korte startpogingen! elkens als de startmotor ingeschakeld wordt, ordt er namelijk wat benzine in de motor gespo- n. aat in plaats daarvan de startmotor wat langer erken – tenhoogste 15–20 seconden – bij elke artpoging.
aat de motor niet onmiddellijk na koud star- in razen!
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden!
Uit ervaring is gebleken dat motoren van auto's die korte afstanden afleggen, abnormaal snel slijten. Dit komt, omdat de motor nooit op de normale bedrijfstemperatuur kan komen. Als de motor aangeslagen is, moet u de motor dus zo snel mogelijk op de normale bedrijfstemperatuur laten komen. Begin met een geringe motorbelasting te rijden en laat de motor niet onnodig stationair lopen.
WAARSCHUWING TURBO
Laat de motor niet onmiddellijk na koud starten razen, want dan is de olie nog dikvloeibaar en komt niet direct bij alle smeerplaatsen. In het ergste geval wordt de motor beschadigd. Laat de motor altijd eerst stationair lopen, alvorens deze af te zetten. Na snel rijden moet de motor een paar minuten stationair lopen, voordat deze wordt afgezet. Als de motor vóór het afzetten een hoog toerental heeft, krijgt de turbo een hoog toerental en blijft nog lang doordraaien, nadat de motor is afgezet. Er is dan grote kans op schade door overhitting of slijtage als gevolg van onvoldoende smering.
Zet de garagedeuren altijd helemaal open, als u de auto in de garage start! De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos, maar wel dodelijk vergiftig is.
Handgeschakelde versnellingsbak met overdrive (bepaalde landen)

R = achteruit

Overdrive, schakelaar en controlelampje

Schakelstanden, hand- geschakelde versnellingsbak
Trap telkens bij het schakelen het koppelingspedaal helemaal in - ook bij het in- en uitschakelen van de overdrive!
Haal tussen het schakelen uw voet van het koppelingspedaal!
De overdrive bespaart benzine
De overdrive kan in de 4e versnelling ingeschakeld worden.
Door bij het in- en uitschakelen licht op het koppelingspedaal te trappen wordt soepeler overgeschakeld.
De overdrive wordt ingeschakeld, als u op het knopje in de versnellingshendelknop drukt. Als dit knopje nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De overdrive wordt automatisch uitgeschakeld bij terugschakelen uit de 4e versnelling, maar maak er toch een gewoonte van om bij terugschakelen de overdrive altijd met de hand uit te schakelen.
Om zo zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal met meer dan ca 70 km/ uur op buitenwegen rijden de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken.
Het groene controlelampje met de tekst „5" brandt, als de overdrive ingeschakeld is.
Achteruit inschakelen
Til met de vingers de ring tegen de knop van o versnellingshendel en schakel de achteruit in De ring werkt op de achteruitvergrendeling e maakt dat u de achteruit niet per ongeluk kan in schakelen.
Automatische versnellingsbak

schakelstanden van de euzehendel
' Parkeren
ies deze stand, als u de auto met lopende of fgezette motor parkeert.
aat de auto nooit met lopende motor achter! Is iemand per ongeluk de keuzehendel uit tand P brengt, kan de auto namelijk gaan rol- en.
'e auto moet stilstaan, als u stand P kiest! n stand P is de versnellingsbak mechanisch ver- rendeld. Trek toch de parkeerrem aan bij parke- en op een helling!
R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u stand R kiest!
N Neutrale stand
De stand N is de neutrale stand, d.w.z. dat geen versnelling ingeschakeld is.
Trok de parkeerrem aan, als de auto met de keuzehendel in stand N stilstaat.
D Rijstand
D is normale rijstand. Het op- en terugschakelen tussen alle versnellingen van de versnellingsbak geschiedt automatisch, afhankelijk van het gasgeven en de snelheid.
„Lock-up" (alleen 760 Turbo, 760 Turbo diesel)
De versnellingsbak heeft een zogenoemde „lock-up“-functie, waardoor het motortoerental daalt en het brandstofverbruik afneemt. „Lock-up" betekent kortgezegd dat de koppelomvormer van de versnellingsbak bij snelheden boven ca 85 km/uur uitgeschakeld wordt, als de keuze-hendel in stand D staat. Deze „lock-up“ is als een extra versnelling merkbaar, als u bij snel rij-den accelereert.
3 Lage versnelling (alleen 760 Turbo, 760 Turbo diesel
Het op- en terugschakelen tussen de 1e, 2e en 3e versnelling gebeurt automatisch.
Opschakelen uit de 3e versnelling gebeurt niet.
Stand 3 kunt u gebruiken...
bij inhalen
- bij het rijden met een aanhanger
- bij het rijden in de stad.
135 km/uur is de maximaal toegestane snelheid waarbij u stand 3 mag klezen!
2 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e en 2e versnelling gaat automatisch.
Opschakelen uit de 2e versnelling gebeurt niet.
Stand 2 kunt u gebruiken
- bij het rijden in bergterrein
- om sterker op de motor af te remmen.
1 Lage versnelling
Als u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt de 2e versnelling ingeschakeld. Pas als de snelheid tot ca 50 km/uur gedaald is, wordt de 1e versnelling ingeschakeld.
N.B! Opschakelen uit de 1e versnelling gebeurt niet!
Kies stand 1, als u in de 1e versnelling wilt rijden en geen opschakelen wilt, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein, waarbij in stand 1 het sterkste op de motor afgeremd wordt.
Automatische versnellingsbak

Blokkeertoets, standen
Blokkeerinrichting keuzehendel, 760 GLE
De keuzehendel kan altijd moeiteloos tussen de standen D en 2 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de toets op de keuzehendelknop bediend kan worden.
Door met de handpalm licht op de toets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D, 2 en 1 gezet worden.
Als de toets geheel ingedrukt wordt, kunnen bo- vendien de standen R en P ingeschakeld wor- den. Dit is ook nodig om de hendel uit stand P te brengen.

Blokkeertoets, standen
Blokkeerinrichting keuzehendel, 760 Turbo, 760 Turbo diesel
De keuzehendel kan altijd moeiteloos tussen de standen D en 3 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de toets op de keuzehendelknop bediend kan worden.
Door met de handpalm licht op de toets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D, 3 en 2 gezet worden.
Als de toets geheel ingedrukt wordt, kunnen bo- vendien de standen R, P en 1 ingeschakeld wor- den. Dit is ook nodig om de hendel uit stand P te brengen.
Automatische versnellingsbak

Schakelaar en controlelampje, uit-/inschakelen 4e versneiling
Jitschakelen 4e versnelling, 760 GLE
Met de drukknop aan de zijkant van de keuzendelknop kunt u de 4e versnelling uit- en in-schakelen. Bij uitschakelen van de 4e versnel-ing - het controlelampje ♦ gaat branden - gaat le versnellingsbak in de 3e versnelling als hoogte versnelling. Als u nogmaals op de knop lrukt, wordt de 4e versnelling weer ingeschabel - het lampje gaat uit.
Blokkeer de 4e versnelling, d.w.z. rijd met een brandend -lampje b.v. . .
- bij het rijden mot een caravan of andere aanhanger.
- bij het rijden in heuvelachtig terrein.
- als u met de hand naar de 3e versnelling wilt terugschakelen.
Probeer echter bij andere rij-omstandigheden zo veel mogelijk in de 4e versnelling te rijden om zo min mogelijk brandstof te gebruiken.
„Kick-down“
Als u het gaspedaal helemaal – voorbij de normale volgasstand – intrapt, wordt onmiddellijk automatisch naar een lagere versnelling teruggeschakeld („kick-down“-terugschakeling). Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling bereikt of als u het gaspedaal iets uit de „kickdown“-stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken, als u maximaal wilt accelereren, zoals b.v. bij het inhalen.
Denk erom dat de versnellingsbak pas naar de 4e versnelling opschakelt, als u het gaspedaal uit de „kick-down“-stand loslaat!
De versnellingsbak is uitgerust met een terug- schakelvergrendeling. Bij snelheden boven 160 km/uur (760 GLE), 155 km/uur (760 Turbo) en 132 km/uur (760 Turbo Diesel) heeft dus geen terugschakelen (kick-down) plaats.
Denk aan het volgende!
- De auto moet stilstaan, als u stand P of R kiest!
- De motor moet met stationair toerental lopen, als de auto stilstaat en u stand D, 3, 2, 1 of R wilt kiezen.
- 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om tijdens het rijden stand 2 of 1 te mogen klezen.
Automatische versnellingsbak
Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak
1 Zel de keuzehendel in stand P of N. De motor mag in geen andere stand gestart worden.
2 Start de motor op normale wijze met de start-sleutel.
3 Trek de parkeerrem aan of druk licht op het rempedaal, anders gaat de auto langzaam rijden, als u de keuzehendel in een van de rijstanden zet.
4 Zet de keuzehendel in de gewenste rijstand - de versnelling wordt nu met een zekere vertraging ingeschakeld - dit geldt met name voor de achteruit R. Dit is duidelijk voelbaar - de auto gaat wat trekken.
De motor moet dan stationair lopen! Geef nooit eerder gas dan dat u heeft gevoeld dat de versnelling ingeschakeld werd!
Als u na het kiezen van de rijstand te snel gas geeft, wordt bruusk ingeschakeld en slijt de versnellingsbak onnodig.
5 Laat het rempedaal los en geef gas.
De auto kan op de eenvoudigste manier stilgezet worden: laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal af.
Kies stand N bij even staan met lopende motor. Dan voorkomt u dat de versnellingsbakolie onnodig warm wordt.
Speciale wenken voor het rijden met een aanhanger
- Kies stand 1 van de versnellingsbak bij he oprijden van steile hellingen of als u lang zaam rijdt. Zo voorkomt u dat de versnellingsbak opschakelt en wordt de versnellingsbak olie kouder. In bergterrein met lange en nie zo steile hellingen kunt u stand 2 kiazen
- Bij het afrijden van lange steile hellinger moet stand 1 gekozen worden (stand 2 bi minder steile hellingen). U remt dan zo vee mogelijk op de motor af.
- Laat de auto op een helling niet met het gaspedaal stilstaan, maar gebruik de rem. Zo voorkomt u dat de versnellingsbakolie onno dig heet wordt.
760 GLE: „Blokkeer” de 4e versnelling d.w.z. druk de knop van de keuzehendelknop in (het controlelampje ⇌ in het instrumenten paneel gaat branden); de 4e versnelling wordt dan niet ingeschakeld. - 760 Turbo, 760 Turbo diesel: „Blokkeer stand D, d.w.z. zet de keuzehendel in stand 3 De versnellingsbak schakelt dan niet op naa de hoogste versnelling waardoor de versnel lingsbakolie kouder blijft.
De lading en de plaats ervan beïnvloeden de rij-eigen- schappen
Iw auto heeft bij het opgegeven rijklaarge-icht de neiging tot onderstuur. Daarom moet bij het nemen van een bocht steeds meer tuuruitslag geven, als de snelheid verhoogd wordt. Hierdoor blijft de auto stabiel in de ocht en wordt de kans op uitbreken van dechterwielen kleiner. Denk erom, dat deze eienschappen kunnen veranderen, als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder de lading elemaal achter in de bagageruimte is, des te minder is de auto onderstuurd.
Rij-eigenschappen en banden
le banden zijn van groot belang voor de rijigenschappen van de auto. Het bandentype – adiaalbanden – de maat en bandenspanning ijn van belang voor het gedrag van de auto. Bij et vervangen van banden moet u erop letten at u hetzelfde type en dezelfde maat en liefst ok hetzelfde merk krijgt als al op alle vier wielen an de auto zat en volg de aanbevolen bandenpanning op (zie pag. 63).
lijd niet met een open offerdeksel!
ij het rijden met een open kofferdeksel kan amelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ok het giftige koolmonoxyde via de bagage- limte in de auto gezogen worden.
Is u echter toch gedwongen bent om een tukje met open kofferdeksel te rijden, moet het volgende doen:
Draai alle ramen dicht.
- Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op afhankelijk van het type verwarmingssystem van de auto en zet de aanjager op de hoogste snelheid, 4.
Als u een imperiaal gebruikt
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn.
- Moet u regelmatig controleren of de imperiaal goed vastzit.
- Mag u tenhoogste 100 kg op de imperiaal laden.
- Moet de lading gelijkmatig over de imperiaal verdeeld worden. Laad niet scheef!
- Moet u de zwaarste lading onder leggen.
- Moet u erom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen, als de auto zwaar geladen wordt.
- Moet u erom denken dat de auto meer wind vangt en dus het brandstofverbruik toe-neemt, naarmate de lading groter is.
- Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten!
- Moet u soepel rijden! Vermijd sterk accele- reren, sterk afremmen en het nemen van scherpe bochten.
- Moet u de imperiaal verwijderen, als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op overhitting van het koelsysteem.
Dit geldt met op warme dagen als
...u met een caravan lang met volgas en een laag toerental legen steile hellingen oprijdt (kru- ipt).
...de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
...de motor onmiddellijk afgezet wordt, als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken“ genoemd).
... er voor de grille extra lichten gemonteerd zijn.
Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen:
- Verminder de snelheid, als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
- Laat de motor niet onnodig stationair lopen.
- Zet de motor niet onmiddellijk af, als u snel gereden heeft. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen!
Slepen

Als u moet worden gesleept, moet u aan het volgende denken!
- Zet het stuurslot los, want dan kan gestuurd worden!
- Denk aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid.
- Denk erom dat de voetrem en de stuurbekrachtiging niet werken, als de motor stilstaat! U moet dan ongeveer vier maal zo hard op het rempedaal trappen en het sturen gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
- Rijd soepell! Houd de sleepkabel gespannen om onnodige rukken te voorkomen.
Speciaal voor een automatische versnellingsbak
- De keuzehendel moet in stand N staan, de versnellingsbak moet goed afgesteld zijn en het oliepeil moet juist zijn (zie pag. 98).
- De maximaal toegestane snelheid is 20 km/uur. De langste toegestane af te leggen afstand is 30 km.
- De motor mag niet door aanslepen gestart worden! Zie voor hulpstarten de volgende pagina.
Motor door aanslepen starter
N.B! Auto's met een automatische versnelingsbak mogen niet aangesleept worden!
Als de accu ontladen is, moet een hulpaccu ge bruikt worden (zie de volgende pagina).
Auto's met een handgeschakelde versnelingsbak:
Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig. Benzinemolor: zet het contact aan.
Dieselmotor: draai de statsleutel in de rij-/gloe stand.
Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat he koppelingspedaal voorzichtig opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in, als d motor loopt!

WAARSCHUWING!
Denk eraan dat accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan, is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiële schade toe te brengen.
De elektrolyt van de accu bevat het zeer agressieve zwavelzuur! Als dit sterk bijtende zuur op uw huid of kleren spat, moet u onmiddellijk rijkelijk met water afspoelen. Ga naar een arts, als u spatten in uw ogen gekregen heeft!
'o moet u met startkabels starten
Is de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang e krijgen stroom „lenen" van een losse accu of van de accu van een andere auto. Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er ij de startpogingen geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te oorkomen adviseren wij u het onderstaande nauwkeurig op te volgen:
1 Controleer of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft.
Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet raken.
- Sluit de rode kabel aan tussen de pluspolen van de beide accu's: deze zijn met rood, P of + gemerkt (1 en 2 in de afbeelding).
- Zet de ene klem van de zwarte kabel op de minpool van de hulpaccu; deze is met blauw, N of – gemerkt (3).
- Zet de andere klem van de zwarte kabel op uw auto op een plaats – massa – die op een afstand van de accu ligt; dit is in de afbeelding met 4 aangegeven.
- Start de motor van de „hulpauto“. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen.
- Start de motor van de auto met de ontladen accu.
N.B! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen!
Maak de kabels in de omgekeerde volgorde als bij het aansluiten weer los.
Om bij de remmen aan te denken
Als een remcircuit defect raakt,

gaat het waarschuwingslampje branden.
Het rempedaal pakt iets lager en voelt wat zachter dan normaal aan.
Merk echter op dat u niet merkbaar harder op het rempedaal moet trappen om de normale remwerking te krijgen!
Een defect remcircuit blijkt dus niet uit een verhoogde pedaaldruk.
Als het waarschuwingslampje gaat branden: Sta onmiddellijk stil, ga uit de auto en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit, ziet u op pagina 92 of 94).
Als het peil onder MIN ligt: rijd niet verder, maar laat de auto ter controle en reparatie van de lekkage naar een werkplaats slepen!
Als het peil tussen MIN en MAX ligt: rijd ter controle onmiddellijk voorzichtig naar een werkplaats!
De rembekrachtiger werkt alleen, als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor rolt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.
Het rempedaal voelt stug en hard aan.
Een Diesel-motor heeft een aparte vacuum-pomp om in de rembekrachtiger voldoende onderdruk te krijgen. Bij stationair lopen zijn 5-10 seconden nodig om voor een goede rembekrachtiging voldoende vacuum op te bouwen.
Als de rembekrachtiger geheel leeg is geweest, bijvoorbeeld, doordat bij afgezette motor een aantal malen op het rempedaal is getrapt, moet u een paar seconden wachten om na het aanslaan van de motor weer te gaan rijden. Ondertussen moet u het rempedaal niet aanraken.
Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden.
Trap af en toe licht op het rempedaal, als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen, als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig weer.
Als de remmen zeer zwaar belast worden
Bij het rijden in bergterrein of op andere wege met dergelijke hoogteverschillen worden d remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u nie bijzonder hard op het rempedaal. Omdat bc vendien vaak de snelheid laag is, worden d remmen niet zo effectief gekoeld als bij he rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet onnodig zwaar te belaste moet u in plaats van alleen maar de voetrem t gebruiken terugschakelen en dezelfde ver snelling gebruiken als bij het klimmen. Dit i bij auto's met automatische versnellingsba stand 2 of eventueel stand 1. Op deze manie wordt effectiever op de motor afgeremd e behoeft de voetrem telkens maar kort gebruikte worden.
Denk crom dat de remmen nog zwaarder wolden belast, als u met een caravan/aanhange rijdt.
Rijden met caravan (aanhanger)
)it moeten caravaneigenaars lezen!
- De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn!
Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstrueerde trekhaken zijn voor uw auto op maat gemaakt en een Volvo-werkplaats kan deze aanbrengen.
Denk erom dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
Uw auto heeft een „Nivomat“, d.w.z. een automatische niveauregeling van de achtervering, zodat onder het rijden de achterasophanging, ongeacht de belasting, altijd de juiste hoogte heeft. De „Nivomat“ werkt, als de auto rijdt. Bij een stilstaande auto met een zware lading in de bagageruimte of met een aangekoppelde caravan gaat de achterasophanging als gevolg van de belasting omlaag, maar zodra u gaat rijden pompt de „Nivomat“ de achterasophanging weer tot de juiste hoogte omhoog.
Als u een auto met een automatische versnellingsbak heeft, adviseren wij u om gelijktijdig met het aanbrengen van de trekhaak ook een „extra oliekoeler“ te laten aanbrengen, d.w.z. een extra oliekoeler voor de versnellingsbakolie. Daarmee wordt de temperatuur van de versnellingsbakolie normaal gehouden, ook al rijdt u met een zware aanhanger in heuvelachtig terrein.
Bepaalde auto's hebben deze extra oliekoeler al bij aflevering. Contro-leer met uw dealer of u een dergelijke auto heeft. - Dit zijn de maximaal toegestane aanhangewichten voor afgeremde aanhangers.
* Maximaal 1500 kg. Geen beperkingen.
* Maximaal 1600 kg als u voorzichtig rijdt – maximaal 70 km/uur. De auto moet een extra oliekoeler voor de versnellingsbakolie hebben.
* Maximaal 1800 kg 70 km/uur onder de absolute voorwaarde dat aan de vier volgende eisen is voldaan:
1) Een speciale originele Volvo-trekhaak met versterkingsset voor de auto moet zijn aangebracht.
2) Een originele Volvo-stabilisator tussen de auto en de aanhanger moet worden gebruikt.
N.B. Onderstaande maximumgewichten en snelheidsgrenzen zijn door Volvo Car Corporation toegestaan. Denk erom dat nationale voertuigvoorschriften de snelheden en aanhanggewichten nog verder kunnen beperken.
3) Een extra oliekoeler voor de automatische versnellingsbak moet zijn aangebracht.
4) Vermijd wegen met steilere hellingen dan 12 %.
Denk erom dat 1800 kg een zeer hoog aanhanggewicht is. Rijd voorzichtig en pas uw snelheid aan aan de verkeers- en wegomstandigheden!
WAARSCHUWING! Als niet aan bovenstaande voorwaarden voldaan is, kan de gehele combinatie bij uitwijken on afremmen moeilijk beheersbaar worden met alle risico's voor u en uw medeweggebruikers!
- Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de trekhaak bij aanhanggewichten onder 1200 kg ca 50 kg en boven 1200 kg ca 70 kg is. Bij aanhanggewichten boven 1500 kg mag de bagagerruimte van de auto niet voor lading worden gebruikt!
- Als u een inklapbare Volvo trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren.
- Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden. Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
- Rijd niet met een zware aanhanger, als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee, tot de auto tenminste 1000 km heeft gelopen.
- Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
- Lees, als u een auto met een automatische versnellingsbak heeft, ook pagina 52 met een paar belangrijke speciale wenken!
- Omdat de motor van de auto zwaarder dan normaal wordt belast, moet de olie vaker worden ververst; zie pagina 95–97.
Wintertijd
Als het koud begint te worden
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glycolgehalte ca 50% is overeenkomende met ca 5 liter Volvo anti-vries type C (blauwgroen). Zie voor het verversen van koelvloeistof pag 101.
- Om geen condenswater in de brandstoftank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden. Gebruik bovendien regelmatig carburateurvloeistof die in de tank gegoten moet worden, voordat u benzine tankt.
- Gebruik 's winters speciale winterbrandstof; zie de specificaties op pagina 105, 106.
- Gebruik de julste motorolie om startmoelijkheden te voorkomen. Zie de aanbevolen oliën op pag. 95–97.
- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accupolen met een roestwerend middel.
- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruite-/koplampwissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden. Dit is van belang, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en koplampen komt waardoor de sproeiers en wissers vaak gebruikt moeten worden.
- Gebruik geen slotenolie in de sloten, maar gebruik smeervet dat bij uw dealer verkrijgbaar is.

Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volvo-werkplaats helemaal laten controleren.
Het is altijd goed om tijdig vóór de reis een set van de meest noodzakelijke service-onderdelen: gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisserbladen aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets. Bij hem kunt u ook het boekje „Met Volvo in Europa“ krijgen, waarin staat waar de Volvo-dealers en Volvo-werkplaatsen zijn. Nuttig om te weten als er iets gebeurt.
Als u zelf de auto wilt nakijken, adviseren wij het volgende te doen:
- Controleer of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal is.
- Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelvloeistof of brandstof.
- Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versleten V-riemen vervangen.
- Controleer de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden.
- Laat de remmen, de wieluitlijning en de stuurinrichting controleren.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- In veel landen is b.v. een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannie of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
- Bij reizen naar landen, waar benzine met het juiste octaangetal moeilijk te krijgen is, kan de motor enigszins aangepast worden. Bespreek dit met de Volvo-werkplaats.
Lange tijd niet gebruiken
Hier zijn adviezen, als de auto een tijd niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijd niet gebruikt zal worden, b.v. in verband met een buitenlandse reis of als u de auto 's winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvoudige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen, als u de auto weer wilt gaan gebruiken.
- Vul de brandstoftank helemaal, zodat er geen kans op condenswater in de tank is.
- Was de auto heel goed en zet deze in goede autowas. Bescherm verschroomde onderdelen met een daarvoor bestemd middel.
- Zet de auto in een garage die droog en goed geventileerd is.
● Laat de parkeerrem los.
● Koppel de accu los. - Klap de ruitewissrs en koplampwissers naar voren om te voorkomen dat de rubber wisserbladen op de voorruit en koplampen gaan vastzitten.
- Zet een raam wat open om de auto te ventileren.
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ vorst bestand is. De antivries van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toevoegingen die de motor en de radiator beschermen.
- Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af.
- Controleer af en toe de bandenspanning.
- Controleer ongeveer om de zeven weken de ladingstoestand van de accu.

Wielen en banden – belangrijk voor de rij-eigenschappen van de auto!
Lees daarom de volgende pagina's nauw- keurig door. De goede rij-eigenschappen van de auto kunnen opvallend veranderen, als u b.v. slordig bent met de bandenspanning.
slijtageprofiel, speciale velgen 62
voorbeelden van bandenslijtage, bandenspanning 63
algemeen, reservewiel 64
Wielen en banden
De banden hebben een „slijtageprofiel”
Het slijtageprofiel bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die een 1 ^1/2 mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is dat nog maar 1 ^1/2 mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom dat banden met zo weinig profieldiepte bij regen en sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.
Denk erom dat volgens de wet de profieldiepte over het gehele loopvlak tenminste 1 mm moet zijn!
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
- Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan dat snel rijden de banden sterk doet slijten.
- Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning.
● Balanceer de wielen zo nodig. - Pas op de banden, als u de auto bij een trottoirrand parkeert.
„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z, dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool“, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschillende bandentypen vertonen deze ochtendzool in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de ochtendzool verdwijnt.
Winterbanden, spijkerbanden, sneeuwkettingen
's Winters adviseren wij winterbanden met de maat 185/65R15 c 175/70R15.
Gebruik winterbanden altijd op alle vier de wielen!
N.B. Alleen bepaalde velgen van andere Volvo-modellen kunnen worde gebruikt. Vraag uw Volvo-dealer welke.
In winterbanden moet de bandenspanning 30 kPa hoger dan in zomerban den zijn.
Spijkerbanden moeten „ingereden“ worden, zodat de spijkers zich goe in de banden kunnen zetten. Daardoor wordt de levensduur van de bar den en met name van de spijkers verlengd.
Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in dezelfde richting draa en. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen aan dezelfde kar als daarvoor laten zitten.
Sneeuwkettingen kunnen, als zij fijne schakels hebben en niet zover te opzichte van de band uitsteken dat zij tegen de remklauwen of ander onderdelen kunnen aanlopen, alleen op de achterwielen van de aut aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben goedgekeurde door Volvo geconstrueerde sneeuwkettingen.
N.B! Met sneeuwkettingen mag nooit sneller dan 60 km/uur gerede worden!
Rijd nooit onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de sneeuw kettingen en banden dan zeer snel slijten.
Gebruik nooit snel monteerbare kettingen met losse schakels, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen daarvoor te klein is.
WAARSCHUWING!
Speciale velgen
De enige goedgekeurde „speciale wielen“ voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmetalen veigen die door Volvo-dealers verkocht worden.
Bandenspanning Bandenslijtage

Sticker met de bandenspanning
p de rechter portierstijl zit een sticker met de juiste bandenspanning.
e bandenspanning is belangrijk!
ontroleer telkens bij het tanken de bandenspanning! De juiste span- ng staat in de tabel hiernaast.
j het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rijenschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de inden meer. Denk eraan dat de waarden van de tabel voor koude inden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden arm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het introleren van warme banden geen lucht laten ontsnappen. De bandenspanning moet wel verhoogd worden, als deze te laag is.
por warme banden gelden, afhankelijk van de temperatuur, 10-1 kPa (1,5-4 psi) hogere waarden.
Bandenspanning, koude banden kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden pounds/square inch (psi).
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | |||
| Voor | Achter | Voor | Achter | ||
| 195/60 R 15 | 4-deurs | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| 185/65 R 15 | 5-deurs | 190 (28) | 210 (31) | 210 (31) | 280 (40) |
| Reserveband „Special Spare” | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) | |
Als lang en snel gereden wordt (langer dan een uur boven 120 km/uur) en altijd bij het rijden met winterbanden moet de bandenspanning met 30 kPa (4 psi) verhoogd worden. N.B! Dit geldt niet voor de reserveband „Special Spare”.
Algemeen Reservewiel
Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is uw auto uitgerust met banden met de aanduiding 185/65 R 1586 T of 195/60 R 1586 H. Deze aanduiding belekent het volgende:
185/195 is de sectiebreedte in mm
65/60 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent R betekent radiaalbanden
15 is de binnendiameter van de band in inches
86 is de codering voor de maximaal toegestane bandenbelasting, in dit geval 530 kg
H betekent dat de band voor snelheden tot 210 km/uur gemaakt is T betekent dat de band voor snelheden tot 190 km/uur gemaakt is.
S betekent dat de band voor snelheden tot 180 km/uur gemaakt is. Deze banden hebben een goede greep op de weg en geven de auto zeer veilige rij-eigenschappen op droge en natte wegdekken – ook bij hoge snelheden. De banden zijn echter in de eerste plaats ontwikkeld om deze goede eigenschappen op een onbedekte ondergrond te geven, zodat de bandenfabrikanten gedwongen werden om de eisen t.a.v. de wrijvingseigenschappen op sneeuw en ijs te verlagen.
Daarom adviseren wij u om 's winters Volvo-winterwielen te gebruiken, omdat deze bij de wegtoestanden in de winter met sneeuw en ijs optimale rij-eigenschappen geven.
Let er bij het vervangen van een band goed op, dat u hetzelfde type, d.w.z. radiaal, dezelfde maat of aanduiding en liefst ook hetzelfde merk voor alle vier de wielen krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
Denk bij het wielen verwisselen aan het volgende!
Als u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op de banden aantekenen, waar het wiel zat, b.v. LV links vóór, enz.
De velgen van de auto hebben een „extra“ gat. Dit gat moet passen over de paspen die op de remschijven zit.
Deze paspen zorgt ervoor dat de wielen na verwisselen – lege band of verwisselen van winter- en zomerwielen – altijd in precies dezelfde stand komen te zitten als daarvoor waardoor een goede wielbalans gewaarborgd is. Denk er echter aan om op het wiel te schrijven waar het zit, voordat u het verwijdert!
Bewaar de banden staande of hangende.

Reservewiel Special Spare op zwarte stalen velg
Reservewiel „Special Spare“
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Speci Spare“ genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
De band heeft de codering 155R 15. Als de band stukgaat, kunt u en nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen.
De spanning van deze band moet 350 kPa (3,5 kg/cm²) zijn, ongeac de belasting van de auto en waar het wiel op de auto zit.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserv wiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd, e.d. is. Ee gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door en normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om dat deze band, tezamen met de normale andere ba den, de rij-eigenschappen iets kan veranderen.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een „Special Spare“ reservew gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen een hoge snelheid bestand.
Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u met de auto iets krijgt, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz. dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden.
In dit hoofdstuk worden behandeld:
wiel verwisselen 66–67
gloeilampen vervangen 68–75
zekeringen vervangen 75–77
lokaliseren van storingen 78–80
Wiel verwisselen


Wiel verwisselen
Bij 4-deurs modellen ligt het reservewiel onder de vloermat van de bagageruimte. De krik met de slinger zit tegen de achterwand van de bagageruimte en de gereedschapsdoos zit tegen de wand rechts in de bagageruimte.
Bij 5-deurs modellen zijn het reservewiel en de krik met slinger onder de mat in het grote opbergvak vastgezet.
Zet altijd eerst het reservewiel goed vast en draai dan de krik vast, zodat de slinger vastgeklemd wordt. Dan is er geen gerammel.
Verwijder het wiel als volgt:
- Trek de parkeerrem aan en schakel de 1e versnelling of de achteru in bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak – stan P bij een auto met een automatische versnellingsbak. Blokkeer d wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant.
- Verwijder de wieldop met de schroevedraaier uit de gereedschaps doos.
- Draai de wielmoeren met de pijpsleutel een 1/2–1 slag los. De moer ren moeten door linksom te draaien losgedraaid worden; zie de a beelding.

Zo moet de krik zitten

Bij elk wiel zit een kriksteun.
Hang de krik aan de pen in de kriksteun, zoals de afbeelding toont, en draai de krikvoet zo naar beneden dat deze vlak op de grond drukt. Controleer opnieuw of de krik volgens de afbeelding in de kriksteun zit.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel vrijkomt.
Verwijder de wielmoeren en neem het wiel af. Pas op en beschadig de schroefdraad van de wielmoeren niet.
WAARSCHUWING!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan.
- Kruip nooit onder de auto, als deze op de krik staat.
- Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden.
- Trek de parkeerrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling of de achteruit in - stand P bij een automatische versnellingsbak.
- Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de vooren achterkant. Gebruik hiervoor stevige houtblokken of grote stenen.
- De bout en het landsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd zijn.
Wiel aanbrengen
Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon.
- Breng het wiel aan. Op de remschijven van de auto zit een paspen die in het „extra” gat in de velg moet komen. Draai de wielmoeren vast. N.B! Het schuine gedeelte van de moeren moet naar het wiel gekeerd worden; zie de afbeelding op pagina 66.
- Laat de auto zakken en haal de moeren kruiselings aan. Aanhaalmoment ca 85 Nm (8,5 kgm). Dit is het geval, als u met de dopsleutel en steel uit de gereedschapsdoos stevig aanhaalt.
- Breng de wieldop aan.
Gloeilamp vervangen

Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen van beide koplampen moeten vanuit de motorruimte vervangen worden.
N.B! Pak de gloeilamp noolt met de vingers aan het glas beet. Vet en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zetten zich op de reflector af waardoor deze snel slecht wordt.
Doc het volgende:
● Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0!
- Open de motorkap.
- Buig de klemveer, waarmee het plastic deksel vastzit opzij; dit kan zwaar gaan. Verwijder het deksel.
- Trek de connector los; deze kan stevig vastzitten.
- Druk de verende ring in en draai deze iets linksom.
● Verwijder de gloeilamp. - Breng de nieuwe gloeilamp volgens de tekening aan zonder het gl met de vingers aan te raken.
De gloeilamp heeft drie pasnokken en deze zijn asymmetrisch aan gebracht, waardoor de gloeilamp maar op een manier goed zit.
- Breng alles weer aan in een volgorde tegengesteld aan die van vo wijderen.
Gloeilamp vervangen

Gloeilamp in een hoeklicht vóór vervangen
je gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen worden.
om gemakkelijker bij de gloeilamp te kunnen komen kan de vulbuis voor et sproeivloeistofreservoir rechtomhoog weggetrokken worden.
- Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0!
Laat de connector met draden aan de fitting zitten.
Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp. - Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom te draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het hoeklicht. N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting lets breder dan de andere is en in de breedste uitsparing in het gat moet passen!
Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloeilamp licht geeft.

1 pool

2 polen
Paspennen op verschillende hoogte
Denk erom dat er in bepaalde landen twee verschillende types gloeilampen voorkomen, 1-polige en 2-polige.
Bij de 2-polige lamp zitten de paspennen op verschillende hoogte. De lamp kan maar op een manier in de fitting aangebracht worden. Probeer maar! Breng de lamp aan, druk deze naar binnen en draai deze voorzichtig een paar millimeter. Als draaien niet gaat, moet de lamp verwijderd, een 1/2 slag gedraaid en weer aangebracht worden. Als de gloeilamp juist aangebracht is, moet deze vastgedraaid kunnen worden zonder kracht te gebruiken.
Gloeilamp vervangen

Lampen, plaatsing linker kant



Gloeilamp in een achterlicht vervangen
| Gloeilampen (linker kant) | Vermogen | Fitting |
| 1 Reflector | - | - |
| 2 Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 Mistachterlamp | 21 W | BA 15s |
| 5 Achterlicht | 5 W | BA 15s |
| 6 Achterlicht/remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
* In bepaalde landen remlicht.
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagage ruimte vervangen worden.
Doe het volgende.
● Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0!
● Schroef de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaag De afdekkap zit aan de onderkant vast.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom en maal deze los. De gloeilamp zit in de fitting vast.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en een paar mm linksom te draaien.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan.
N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de flitting iets brede dan de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor d fitting passen.
Draai de fitting rechtsom vast.
Controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vast.
Gloeilamp vervangen, 5-deurs modellen

Lampen, plaatsing linker kant

Gloeilamp in een achterlicht vervangen
Gloeilampen
| 1 | Mistachterlamp | 21 W | BA 15s |
| 2 | Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 | Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 | Achterlicht+remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
| 5 | Reflector | - | - |
* In bepaalde landen remlicht.
De gloeilampen moeten van binnenuit de auto vervangen worden. Doe het volgende:
● Schakel de verlichting uit.
Maak het paneel van het achterlicht los met b.v. een schroevedraaier.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp circa 10 mm linksom en maak deze los.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en een paar mm linksom te draaien.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan.
N.B! Merk op, dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor de fitting passen.
- Draai de fitting rechtsom vast.
- Controleer of de lamp licht geeft.
Druk het paneel van het achterlicht weer op zijn plaats.
Gloeilamp vervangen

Plafondlamp 5-deurs
Druk de borgpen van het lamphuis in door een schroevedraaier in de opening aan de korte kant van het lamphuis te steken. Trek het lamphuis uit de bevestiging omlaag en vervang de gloeilamp.

Kentekenplaatverlichting 5-deurs
Draai met de kruiskopschroevedraaier van de gereedschapsdoos de kruiskopschroeven uit. Verwijder het lampglas. Druk de gloeilamp in en draai deze een paar mm linksom. Verwijder de lamp. Breng een nieuwe lamp aan en schroef het lampglas weer vast.

Make-up spiegel
Doe de verlichting uit.
Steek de schroevedraaier volgens de afbeeldin in en draai, dan laat de spiegel los.
Vervang de lamp en breng de spiegel weer aan de onderkant het eerst.
Gloeilamp vervangen

Naar achteren/beneden trekken
:entekenplaatverlichting
chakel de verlichting uit en draai de startsleu- I in stand 0! Trek de lamphouder naar achte- n, totdat deze aan de voorkant loslaat.
arvang de gloeilamp.
ontroleer of de pakking goed ligt en pas de mphouder in de voorkant van het gat en druk at achterste deel met de hand omhoog, zodat t weer vastzit.

Schroevedraajer naar binnen drukken
Motorruimteverlichting
Schakel de verlichting uit.
Steek de schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.

Schroevedraaler insteken en draaien
Bagageruimteverlichting
Schakel de verlichting uit.
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilamp vervangen
Plafondlamp en leeslampjes
Schakel de verlichting uit.
Pak het voorste deel van het lamphuis vast (zie de afbeelding) en trek het recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng het lamphuis weer aan.

Steek de schroevedraaier in en draai deze voorzichtig
Waarschuwingslamp portier
Alle portieren hebben rode waarschuwingslampen. Dit moet u doen om een lamp te vervangen: Steek volgens de afbeelding een schroevedraajer in en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Trek de kapotte lamp recht uit. Vervang de lamp en breng het glas weer aan.
Fitting

Zijknipperlicht
De gloeilamp moet van buitenaf worden vervar gen, Schuif de lamp naar voren en trek de act terkant eruit. Daarna kan de gehele lamp verwi derd worden. Laat de draden in de fitting zitte en trek de fitting eruit, Trek de kapotte gloeilam er recht uit.
Gloeilamp, zekering vervangen

listlamp
raai de twee kruiskopschroeven los.
erwijder de schroeven en de „hoekstukken“ en trek de reflector naar boren/buiten. Breng de veren die de gloeilamp vasthouden uit elkaar buig deze omhoog.
rek de connector van de draad naar de gloeilamp los en breng een ieuwe gloeilamp aan.
reng alle onderdelen in de omgekeerde volgorde als bij het verwij-eren aan. Denk om de tekst TOP op het lampeglas! Deze moet aan de ovenkant zitten.
.B! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beet! et en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en stetten zich op de reflector af; deze wordt dan snel slecht.

Zekering vervangen
Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos vóór het asbakje in de tunnelconsole.
Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen;
- Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag en licht het asbakje uit.
- Druk de blokkeertoets met de tekst „electrical fuses – press” van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en verwijder de houder.
U ziet nu de 26 zekeringen. Misschien zien de zekeringen er voor u niet gewoon uit: dit komt, omdat zij van een nieuw, beter en nauwkeuriger type dan vroeger zijn.
Zekeringen
De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zij doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst hiernaast kijken om te weten welke zekering gecontroleerd moet worden.
Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de gebogen draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met dezelfde kleur en ampère-aanduiding als de oude aan – het cijfer staat op de zekering! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zekeringenkastje, een 15 (blauwe), een 25 (lichtgele) en een 30 (groene) ampère zekering.
Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er iets met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor controle naar een Volvo-werkplaats.

Nr
Ampèr
1 ETC, brandstofpomp (hoofdpomp), Motronic (760 Turbo) Reserve (Dieselmotor)
2 Centrale vergrendeling, waarschuwingsknipper- lichten, grootlichtsignaal, ABS (niet-blokkerende remmen)
3 Mistlampen, verstralers, mistachterlampen 1
4 Remlichten 1
5 Verlichting handschoenenkastje, klokje, radio, motorruimteverlichting, binnenverlichting, bagage- ruimteverlichting, motor-bediende antenne, waarschuwingslampen portieren, make-up spiegel 1
6 Elektrisch verwarmde voorstoelen 3
7 Elektrische ventilator 2
8 Elektrisch bediende raammechanismen 3
9 Herinneringslampjes autogordels, richtingaan-wijzers, airconditioning, elektrisch verwarmde voorstoelen, elektrische ventilator, elektrisch bediende raammechanismen 1
10 Elektrisch verwarmde achterruit, elektrisch verwarmde buitenspiegels, elektrisch bediend schuifdak 3
11 Brandstofpomp (in de tank) Reserve (Dieselmotor) 1
12 Achterruitrijlichten, cruise control, overdrive, ontstekingstijdstip, ABS (niet-blokkerende remmen), uitschakeling 4e versnelling bij automatische versnellingsbak AW71
13 Automatische regeling stationair toerental 1
14 Elektrisch bediende buitenspiegels, sigare- aansteker, radio, achterruitwisser/-sproeier 1
Zekeringen
Nr
Ampère
15 Claxons, ruitewissers/-sproeiers, koplamp-/wissers/-sproeiers 25
16 Kachelaanjager, airconditioning 30
17 Linker grootlicht 15
18 Rechter grootlicht, extra koplamp 15
19 Linker dimlicht 15
20 Rechter dimlicht 15
21 Linker parkeerlicht vóór en achter, kentekenplaatverlichting, verlichting van instrumenten en schakelaar links van het stuur 15
?2 Verlichting autogordelsluiting, rechter parkeerlicht vóór en achter, verlichting van opbergvak tussen de voorstoelen, extra koplamp. Bij auto's met stuur rechts ook verlichting van instrumenten en schakelaar van het stuur 15
!3 Reserve
24 Reserve
5 Reserve
:6 Reserve
3 Reservezekeringen
I.B! Bij auto's met ABS (niet-blokkerende remmen) is dit systeem boven-ien beveiligd door een aparte 80 Ampère zekering die in de motorruimte p het rechter binnenscherm zit, en een 10 Ampère zekering bij de regeln hydraulische eenheid links in de bagageruimte.
lovendien is er een 80 Ampère zekering voor de voorverwarmingsauto- taat van de Dieselmotor aangebracht bij het relais hiervoor; aangebracht p de voorkant van de linker "veerpoot" in de motorruimte.
Als u in het volledige bedradingsschema met o.a. de werking en plaatsing van de relais geïnteresseerd bent, raden wij u ons Servicehandboek aan. Dit kunt u bij uw Volvo-dealer bestellen.
Voor degene die vindt dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn, is een „tangetje“ gemaakt dat rechts aan de zijkant van de zekeringenruimte aangebracht is.

1 Druk het tangetje op de zekering.
2 Trek de zekering met het tangetje rechtomhoog los.


3 Trek de zekering uit het tangetje en schuif er een nieuwe in.
4 Druk de nieuwe zekering met het tangetje op zijn plaats.
5 Trek het tangetje eraf.


Lokaliseren van storingen
In de vorige hoofdstukken werden al aanwijzingen bij bedrijfsstoringen behandeld. In dit hoofdstuk is alleen sprake van storingen die u zelf (met behulp van het gereedschap van de auto) kunt verhelpen om verder te kunnen rijden.
De aanwijzingen voor het starten van de motor zijn niet in acht genomen; zie pagina 46.
Start de motor volgens de aanwijzingen.
De accu is slecht geladen of ontladen.
Start de motor door aansiepen of met een hulpaccu; zie pagina 54. Laat de accu opladen.
Zoek naar de oorzaak van het ontladen van de accu.
Slecht contact in de elektrische installatie van de motor.
Controleer alle aansluitingen bij de bougies, bobine, stroomverdeler, accu en startmotor.
Er komt geen brandstof naar de motor.
Controleer of er brandstof in de tank is.
Controleer of er geen slangaansluiting vanhet brandstofsysteem losgeraakt is.
Controleer of de zekeringen voor de brandstofpomp heel zijn: zekering nr 1 en nr 11 (benzinemotor) en nr 13 (Dieselmotor): zie pagina 76.
Storing in het ontstekingssysteem (benzinemotor).
Controleer de bougies (de elektrode-afstand moet 0,7 mm zijn) en maa deze schoon.
Controloer de verdelerkap op scheurtjes en vocht; maak deze aan d binnenkant schoon en droog.
Controleer of alle elektrische kabels van het ontstekingssystem goe aangesloten en schoon zijn.
OVERSLAAN EN ONREGELMATIG LOPEN (benzinemotor)
Storing in het ontstekingssystem
Controleer de bougies (de elektrode-afstand moet 0,7 mm zijn) en maat deze schoon.
Controleer de verdelerkap op scheurtjes en vocht en maak deze aan c binnenkant schoon en droog.
Controleer of alle elektrische kabels van het ontstekingssysteem goe aangesloten en schoon zijn.
Ijsvorming in de carburateur of het inspuitsysteem
Zet de auto in de warmte en vul met carburateurvloeistof.
Verstopt luchtfilter/brandstofffilter
Vervang het filter.
OVERSLAAN EN ONREGELMATIG LOPEN (Dieselmotor)
/erstopt brandstofffilter.
ap via de bodemplug het water uit het brandstofffilter af of vervang het iter en let er verder op, dat u bij koud weer winterbrandstof gebruikt; ie pagina 105, 106.
De zekering voor de magneetklep van de brandstofpomp is kapot.
'ontroleer zekering nr 13 in het zekeringenkastje en vervang deze, indien odig.
Vater of vuil in de brandstof.
ap via de bodemplug het water uit het brandstoffilter af of vervang het iter.
Vasafscheiding in het brandstofffilter bij koud weer).
et de auto in de warmte, vervang het brandstofffilter en vul met winter-randstof; zie pagina 105.
ONBALANS OF TRILLINGEN TIJDENS HET RIJDEN
Vielonbalans.
aat de wielen balanceren.
Verkeerde bandenspanning.
Controleer de bandenspanning.
Te laag oliepeil in de bekrachtigingspomp.
Controleer het oliepeil en vul olie bij; zie pagina 99.
DE MOTOR SLAAT NIET AF (Dieselmotor)
De smoorklep blijft hangen.
Laat de motor razen en draai de startsleutel uit of schakel de 3e of 4e versnelling in, trap hard op het rempedaal en laat het koppelingspedaal op- kommen.

Noodstophefboom van de inspuitpomp
Bij auto's met automatische versnellingsbak: gebruik de noodstophefboom op de inspuitpomp (zie de afbeelding).
N.B! Deze hefboom komt alleen voor bij auto's met een automatische versnellingsbak.
Lokaliseren van storingen
DE MOTOR WORDT WARM
De radiatorslangen zijn kapot of lekken.
Controleer de radiatorslangen en vervang deze, indien nodig.
Te weinig koelvloeistof.
Controleer het koelvloeistofpeil en vul koelvloeistof bij; zie pagina 101.
De ventilatorriemen zijn kapot of slecht gespannen.
Vervang de ventilatorriemen of span deze.
MOTOR SLAAT OVER EN LOOPT ONREGELMATIG
Storing in het ETC-systeem.
Als het waarschuwingslampje en het relais snel beginnen te knipperen/tikken (5 maal knipperen/sec), is er een storing in het ETC-systeem. Schakel het systeem met de schakelaar uit. Als dit niet gaat – zet de auto dan stil en zet het contact af. Zet het contact weer aan en schakel het systeem uit, voordat u de motor start. Laat een Volvo-werkplaats de werking van het systeem controleren.
Geen stroom naar de schuifdakmotor.
Controleer zekering nr 10.
Draai de twee schroeven van de afdekkap van de schuifdakmotor uit Verwijder de kap. Druk het plastic pennetje in het midden van de bout me de gewone schroevedraaier omhoog en draai aan de bout, totda het schuifdak dicht is.

Carrosserie-onderhoud - niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
controleren en bijwerken 82, 83
lakbeschadigingen,
controleren en bijwerken 84, 85
auto wassen 86, 87
Roestwerende behandeling – controlleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een nauwkeurige en volledige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderstel en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en gesloten secties en dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof.
Wat kunt u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende behandeling in goede staat te houden?
- Houd de auto schoon! Spoel chassiscomponenten, het onderstel, de wielkuipen en de spatschermranden onder hoge druk schoon.
- Laat de roestwerende behandling in het 3" en 6" jaar door uw Volvowerkplaats controleren -zie het Garantieboekje.
Als uw auto als gevolg van beschadiging moet worden bijgewerkt, laat uw Volvo-workplaats u dan helpen.
)e „zichtbare” roestwerende behandeling
"le "zichtbare" roestwerende behandeling moet regelmatig gecontroleerd n bijgewerkt worden. Als de roestwerende laag ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddelijk laten doen om te voorkomen, dat vocht onder de roestwerende laag komt – laat uw Volvo-werkplaats u hierbij elpen.
Is u zelf de roestwerende behandeling wilt bijwerken, moet u ervoor organ, dat bij te werken plaats schoon en droog is. Spoel, was en roog de auto goed af. Gebruik een roestwerend middel in een spuitbus of reng het met een kwast aan.
r zijn twee verschillende types roestwerende middelen:
) dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen (klasse II).
) dik voor slijtplekken van het onderstel en de wielkuipen (klasse V).
enkbare plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn b.v.: Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype a)
Onderstel en wielkuipen. (vloeistoftype b)
Portierscharnieren (vloeistoftype a)
Motorkapscharnieren en -sluiting (vloeistoftype a)
Is de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel erwijderd worden met een lap die met terpentine bovochtigd is.
e motorruimte is in de fabriek behandeld met een kleurloos roestwerend middel op wasbasis. Dit middel is tegen normale wasmiddelen bestand onder op te lossen en onwerkzaam te worden. Als u echter met zogemde aromatische oplosmiddelen, zoals b.v. wasbenzine, terpentine speciaal die met een emulgator) reinigt, moet de beschermende waslaag a het reinigen worden vernieuwd.
e Volvo-dealers verkopen dergelijke wassen.

Lakbeschadigingen bijwerken
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk worden behandeld om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn:
- kleine steenslagplekken en krassen.
- afbladderende spatschermranden en drempels b.v.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.
Lakkleurcode
Let erop dat u de juiste lakkleur krijgt. Controleer dit met het codenummer voor de lakkleur dat op het typeplaatje op het rechter binnenscherm in de motorruimte staat.

Lakkleurcode
Kleine steenslagplekken en krassen
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
- Gröndlak – bus.
● Lak – bus of zogenaamde lakpen - Pennemesje of iets dergelijks.
- Penseel.
Als de steenslagplek niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan de lak direct opgebracht worden, als vuil weggeschraapt is.
Als de steenslagplek tot de plaat doorge- drongen is, moet u het volgende doen:
- Schraap het beschadigde oppervlak tot op de plaat schoon en schuin de lakranden met b.v. een pennemesje af (zie afbeelding 1).

Tot op de plaat schoonschrapen
- Breng het roestverwijderingsmiddel – den om uw ogen en huld – met een penseel op wacht een paar minuten en spoel dan goe met water af.
Maak het vlak goed droog! - Roer de grondlak (de primer) goed om e breng deze met een fijn penseeltje of met een lucifer op (afbeelding 2).

- Als de grondlak goed droog is, kan de eindla met een penseel opgebracht worden. Roe de lak goed om en breng deze daarna enkel malen dun op en laat de lak telkens goed dro gen.
- Bij krassen doet u, zoals hierboven beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak af te plakken (zie afbeelding 3).

Wacht een paar dagen met de nabehandeling. Gebruik een zachte doek en wees zuinig met de polijstpasta.
Bijwerken van beschadigde spatschermranden en drempels
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
- Grondlak – spuitbus
Lak-spuitbus - Polijstpapier (korrelfijnheid 150–300).
● Thinner
Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is.
● Verwijder loszittende bladders.
● Schuur het beschadigde vlak schoon en reining het met thinner.
- Breng het roestverwijderingsmiddel – denk om uw ogen en huid – met een pensel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af.
Maak het vlak goed droog!
- Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten moet u de spuitbus met gelijkmatige snelheid op een afstand van 20–30 cm van het vlak heen en weer bewegen; zie de afbeelding. Bescherm de omringende vlakken met karton.

Spuitbus zo houden
- Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit een paar maal en laat de lak telkens een paar minuten drogen.
Wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto, zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, omdat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken.
Op de volgende manier kunt u de auto wassen:
- Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spatschermranden, enz.) zorgvuldig af.
- Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is.
- Was de auto met een spons (met of zonder wasmiddel) en veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren.
- Droog de auto af met een schone zachte zeem.
- De motor-bediende antenne (extra uitrusting) moet worden afgedroogd en met een met olie bevochtigd doekje licht worden ingesmeerd.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 50–100 cm ^2 gewoon vloeibaar afwasmiddel op 10 liter waater.
Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden. Gebruik nooit polijstpasta of staalwol. Roestvrijstalen ondrdelen kunnen met een chroompoetsmiddel gereinigd worden.
Denk eraan...
Om vogelvuil altijd zo snel mogelijk van de lak te verwijderen. Het bevat namelijk chemische stoffen die de lak heel snel aantasten en doen verkleuren. De verkleuring kan niet weggepootst worden,
WAARSCHUWING!
Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat vocht van de remvoeringen kan verdwijnen!
N.B! Bij het wassen moet u alle afwateringsgaten in de portieren en de drempels telkens goed schoonmaken om te voorkomen dat deze door modder en vuil verstopt raken.

Automatische wasinrichting
Met een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig schoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat een automatische wasinrichting de auto niet zo effectief en voorzichtig wast als u zelf met de hand met spons en water doet. Het onderstel van de auto wordt in veel wasautomaten niet afgespoeld, terwijl dit met name in de winter van groot belang is.
Let erop, dat eventuele extra uitrusting – extra koplampen, buitenspiegels, antennes – goed vastzitten, want anders bestaat er kans dat de borstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Schroef b.v. de antenne los of schuif deze in.
Voordat u de automatische wasinrichting binnenrijdt, moet u de armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de koplampen leggen. Zo wordt verhinderd dat de borstels de armen pakken en het wissermechanisme beschadigen.
N.B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale stand te brengen, als het wassen klaar is.
Was uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels!
Was de auto de eerste maanden – voordat de lak hardgeworden is – liefst met de hand.
U moet de auto poetsen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en als u de lak een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter. Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gepoelst te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat poetsen en/of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Moeilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak ("rubbing") verwijderd worden.
Poets eerst met polish en behandel de auto daarna met vloeibare of vaste was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was.
Tegenwoordig zijn er veel verschillende merken zogenaamde polymere wassen in de handel die voor autolak bestemd zijn.
Het is gemakkelijk werken met de polymere wassen en zij geven een zeer hard en glanzend oppervlak dat de lak tegen oxydatie, vuil en verbleken beschermt.
Bekleding reinigen
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt. Vermiid schuren en schrobben met een harde borstel.
Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zij ingedroogd zijn.
De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of weggeschurd worden.
Ontvlekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90 %-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammoniak-zeepoplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt med 1 dl zeepwater gemengd. Zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen.
Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoeveelheden perchloorethyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Perchloorethyleen-benzine moet niet voor vochtige materialen gebruikt worden. Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden.
Spiritus
Terpentine
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat perchloorethyleendampen erg giftig zijn. Let erop dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden.
Denk er ook om dat wasbenzine, spiritus en terpentine brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlekken zo snel mogelijk.
Verwijder het grootste deel van de vlek met een bot mes of iets dergelijks.
Zuig van de vlek zo veel mogelijk met schone witte doeken op. Stofzuiq rondom de vlekken, zodat omringend vuil niet opgelost wordt.
Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolgens het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herhaa de behandeling tot de vlekken verdwenen zijn.
Denk aan het volgende:
- Bij verfvlekken, b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift, moet met het ont vlekkingsmiddel. heel voorzichtig gewerkt worden, omdat de kleursto in de vlek opgelost kan worden en de vlek daardoor groter wordt.
- Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kar het schuimplastic in de zitting beschadigen.
- Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Vlekken op leer en vinylbekleding behandelen
Krab of wrijf nooit op een vlek.
Gebruik nooit sterke ontvlekkingsmiddelen.
Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpentine o iets dergelijks gebruiken.
Reinig daarna met een zwakke zeepoplossing en lauw water.
Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft uv Volvo-werkplaats gaarne alle inlichtingen.
Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat. En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom over:
Volvo Service, om aan te denken! 90
de motorruimte 92–94
motor, oliepeil controleren en verversen 95–97
versnellingsbak, oliepeil controleren 98
stuurbekrachtiging, koppeling, remmen, vloeistofpeil controleren 99
carrosseriesmering 100
koelvloeistof controleren en vervangen 101, 102
V-riemen, controleren 103
wisserbladen vervangen 104
brandstofsysteem Dieselmotor 105
specificaties 107
Volvo Service
Afleveringsinspectie
Voordat uw Volvo de fabriek verliet, werd met uw auto proefgereden en werd deze zorgvuldig gecontroleerd en afgesteld. Voordat de auto aan u werd overgedragen, kreeg deze een uitgebreide afleveringsinspectie bij uw Volvo-dealer om er zeker van te zijn dat de auto geheel aan de Volvo-normen zou voldoen.
Garantie-inspectie
Uw Volvo krijgt bij uw Volvo-dealer een garantie-inspectie onder overlegging van de garantie-inspectiecoupon.
De garantie-inspectie moet na 1000–2000 km worden uitgevoerd. Er zijn aan deze garantie-inspectie geen kosten verbonden, behalve die voor het oliefilter en de oliën.
Het Volvo Onderhouds Programma
Om steeds van de hoge mate van veiligheid en betrouwbaarheid van uw Volvo gebruik te kunnen maken moet u het Volvo Onderhouds Programma opvolgen dat in het Serviceboekje beschreven is.
Wij raden u ten sterkste aan om de werkzaamheden waarvan in deze onderhoudsschema's sprake is, toe te vertrouwen aan uw Volvo-dealer die de ervaring, technische gegevens en apparatuur heeft om er zeker van te zijn dat de werkzaamheden worden uitgevoerd met de hoge kwaliteit die u, als Volvo-bezitter, verwacht. U kunt er tevens van verzekerd zijn dat uw Volvo-dealer alleen maar originele Volvo service-onderdelen gebruikt die van dezelfde hoge kwaliteit zijn als de onderdelen die oorspronkelijk tijdens de fabricage van uw Volvo werden gebruikt.
Het Volvo Onderhouds Programma is opgesteld voor Volvo-auto's die bij gemiddelde omstandigheden worden gebruikt. Het omvat een Basis Onderhouds Programma om de zes maanden of bij maximaal 10 000 km als veel met de auto wordt gereden, en een Totaal Onderhouds Programma een maal per jaar of bij maximaal 20 000 km. Als u van mening bent dat uw manier van rijden meer dan normaal van de auto vergt, moet u dit met uw Volvo-dealer bespreken; hij zal uw gaarne adviseren met een eventueel speciaal onderhoud dat nodig kan zijn.
BELANGRIJK
Voorwaarde voor de geldigheid van de garantie is absoluut: dat bovengenoemde garantie-inspectie ongeveer bij de juiste kilometerstand wordt uitgevoerd
dat het onderhoud van de auto volgens de instructies van deze handleiding wordt uitgevoerd
en dat de inspecties en reparaties door een erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Servicehandboeken
Als u technische belangstelling heeft en gedetailleerde gegevens wilt hebben die niet in dit boekje staan, maken wij u attent op onze Servicehandboeken die u bij uw Volvo-dealer of rechtstreeks bij Volvo kunt bestellen. Deze handboeken bevatten nauwkeurige informatie over reparaties er afstellingen en over de constructie en werking van de componenten var uw auto. Zij zijn namelijk dezelfde handboeken als door het Volvo personeel worden gebruikt.
Denk eraan dat...
- regelmatig onderhoud noodzakelijk is om uw auto in goede conditie te houden zowel wat betreft de betrouwbaarheid als de verkeersveiligheid
- het overslaan van een inspectie tot gevolg kan hebben dat uw auto uitlaatgassen afgeeft met een onaanvaardbaar hoog gehalte aan stoffen die voor het milieu schadelijk zijn.
- de inspecties het beste door een Volvo-werkplaats kunnen worden uitgevoerd, omdat deze ervaren personeel hebben die met de produk ten bekend zijn en speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur van Volvo hebben
- uw Serviceboekje na elke inspectie moet worden afgestempeld. Een „goed afgestempeld“ Serviceboekje is een aanwijzing dat de auto goed onderhouden is en dit verhoogt de tweede-handswaarde. Hierover kunt u meer lezen in uw garantieboekje.
Denk hieraan, voordat u aan uw auto gaat werken:
WAARSCHUWING!

De ontsteking van de auto werkt met een zeer hoge spanning die levensgevaarlijk is!
Raak de bougies, bobine, bougiekabels en bobinekabel niet aan, als de motor loopt of het contact aanstaat!
Het contact moet afgezet zijn of de accu moet losgekoppeld zijn bij de volgende werkzaamheden:
- Aansluiting van motortestapparatuur, ontstekingstestlamp, contacthoek/toerentalmeter, ontstekingsoscilloscoop, enz.
- Vervanging van onderdelen van de ontsteking, zoals bougies, bobine, stroomverdeler, bobine- en bougiekabels.
Als de auto met een hefbrug met twee kolommen omhooggebracht wordt, moeten de voorste hefarmen onder de steunen van de draagarmstangen (zie de afbeelding) worden aangebracht en niet onder de kriksteunen! Anders wordt de auto van voren te zwaar, zodat bij werkzaamheden aan de achteras en de achterveren het achterste deel van de auto los kan komen van de achterste hefarmen.
De achterste hefarmen moeten onder de achterste kriksteunen worden aangebracht.
accu
- Overtuig u ervan, dat de accukabels goed aangesloten en goed aangehaald zijn.
Koppel de accu nooit los, als de motor loopt (b.v. bij het vervangen van de accu). - Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgekoppeld zijn.
- Zet de radio uit, als de accu wordt losgekoppeld; anders wordt de elektronica van de radio beschadigd.
Auto omhoogbrengen
als de auto met een garagekrik omhooggebracht wordt, moeten de vier riksteunen (twee aan elke kant) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel peciaal versterkt.
ten garagekrik kan ook onder het gegoten achterashuis of onder de voor- s midden tussen de voorwielen aangebracht worden.
leschadig de afschermplaat onder de motor niet. Let erop dat de krik oed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de krik afglijdt.
Gebruik altijd bokken of iets dergelijks.

Steunen van draagarmstangen
Motorruimte
Motorruimte, 760 GLE
1 Expansietank koelsysteem
2 Peilstok motorolie
3 Vuldop motorolie
4 Oliepeilstok automatische versnellingsbak
5 Remvloeistofreservoir
6 Typeplaatje
7 Accu
8 Radiator
9 Luchtfilter
10 Vloeistofreservoir ruite-/koplampsproeiers

Motorruimte, 760 Turbo
1 Typeplaatje
2 Turbo-compressor
3 Vuldop motorolie
5 Remvloeistofreservoir
6 Vloeistofreservoir ruite-/komplampsproeiers
7 Expansietank koelsysteem
8 Radiator
9 Laadluchtkoeler
10 Vloeistofreservoir stuur-
bekrachtiging
11 Accu

Oliepeil altijd bij het tanken controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut, nadat de motor afgezet is. Veeg vóór de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het gearceerde deel van de peilstok liggen. De afstand tussen het merkteken MAX en MIN van de peilstok is ca 1 liter.
Eventueel olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagina. De vuldop moet recht omhooggetrokken worden. Als u bij het olie vorversen de juiste hoeveelheid toevoegt, komt het oliepeil ongeveer in het midden van het gearceerde deel van de peilstok te liggen, d.w.z. midden tussen de merktekens MAX en MIN hetgeen geheel normaal is. Vul niet met teveel olie; dan wordt het olieverbruik hoger.

Motorolie aftappen
J kunt bij de aftapschroef komen via een gat in le voorste afschermplaat van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is.
VAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!

Oliefilter moet vervangen worden bij olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg. Breng een nieuw aan volgens de instructies op het filter.
Motorolie aftappen
De aftapschroef zit helemaal achter in de oliepan van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is.
Een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en geen dit weg.
Benzinemotor Motorolie
Oliekwaliteit:
Volgens API Service tenminste SF*. Volgens CCMC klasse G2/G3.
*olien met de aanduiding SF/CC en SF/CD voldoen aan deze normen.
Synthetische of halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze aan bovenstaande API-normen voldoen.
Volvo adviseert geen olietoevoegingen te gebruiken, omdat deze een negatieve invloed op de levensduur van de motor kunnen hebben.
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| SAE Level | Temperature (°C) | | :--- | :--- | | -30 | 40 | | -22 | 104 | | -4 | 68 | | 14 | 86 | | 32 | 10 | | 50 | 20 | | 68 | 30 | | 86 | 40 | | 104 | 57347/1 |Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur of een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: 760 GLE: 8,0 liter 760 Turbo: 3.85 liter (+0,6 liter als de oliekoeler afgetapt is)
Controleer het oliepeil altijd bij het tanken.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000-2000 km.
Daarna volgens onderstaande tabel. Interval naar kilometerstand of tijd, al naar gelang het eerste het geval is.
| Rij-omstandigheden | Interval olie verversen en oliefilter vervangen |
| Ongunstige omstandig-heden: zie hieronder | Om de 5000 km of 3 maanden |
| Normale rij-omstandig-heden | Om de 10 000 km of 6 maanden |
Ongunstige rij-omstandigheden
- langdurig rijden in stoffige/zanderige omgeving
- langdurig rijden met caravan/aanhanger
- langdurig rijden in bergterrein
- langdurig rijden met hoge snelheid
- langdurig stationair lopen of rijden met lage snelheid
- lage temperaturen (onder 0°C) met voornamelijk korte afstanden (korter dan 10 km)
Dieselmotor Motorolie
)liekwaliteit:
'olgens API Service tenminste CD*. Volgens CCMC klasse D2. oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD/PD1 voldoen aan deze normen. synthetische of halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze an bovenstaande API-normen voldoen. 'olvo adviseert geen olietoevoegingen te gebruiken, omdat deze en negatieve invloed op de levensduur van de motor kunnen gebben.
/iscositeit (bij constante luchttemperatuur)

ij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur f een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in berg- errein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnel- egen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden. Denk chter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: zonder oliefilter 5,0 liter met oliefilter 6,0 liter
Controleer altijd bij het tanken het oliepeil.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000 km. Daarna moet de olie om de 5000 km of om de 3 maanden ververst worden, al naar gelang het eerste het geval is. Het ollefilter moet een maal op twee maal olie verversen worden vervangen.
Versnellingsbakolie (automatische versnellingsbak)

Peilstok met geel handvat

57651
A Koude versnellingsbakolie - olietemperatuur +40°C. Deze temperatuur wordt in de garage of workplaats bereikt na ca 10 minuten stationair lopen. Bij een olietemperatuur onder +40°C kan het peil onder het MIN-streepje liggen.
B Warme versnellingsbakolie - olietemperatuur +90°C. Deze temperatuur wordt bij snel rijden op buitenwegen in ca 30 minuten bereikt. Bij een olietemperatuur boven +90°C kan het peil boven het MAXstreepje liggen.
N.B! Bij oliepeilcontroles moet de motor stationair lopen!
Automatische versnellingsbak
Bij het controleren van het oliepell moet u het volgende doen;
Zet de auto horizontaal en laat de motor stationair lopen. Breng de keuzehendel via alle versnellingen langzaam in stand P. Wacht twee minuten en controleer het oliepeil. Op bovenstaande tekening is zichtbaar dat de peilstok een „koude” en een „warme” kant heeft. Het oliepeil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. Veeg de peilstok af met een nylonap, papier of zeemleer of met een lap die geen resten op de peilstok achterlaat. N.B! De olie kan erg heet zijn!
Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de streepjes MAX en MIN is een halve liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie eruit gooien. Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet als deze nog koud is.
Oliekwaliteit: ATF-olie type Dexron II D bij alle temperaturen.
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt maar tenminste elk half jaar.
Olie verversen: elke 40 000 km.
WAARSCHUWING!
Mors nooit olie op de hete uitlaatpijpen! Brandgevaar!
Stuurbekrachtigings-, rem- en koppelingsvloeistof

Plaatsing componenten bij de 760 GLE

Plaatsing componenten bij de 760 Turbo Diesel

Plaatsing componenten bij de 760 Turbo
Remvloeistof
Je rem- en koppelingsvloeistof hebben samen een reservoir. Het peil toet tussen de streepjes MAX en MIN liggen.
'loeistoftype: remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703).
'loeistofpeil controleren: altijd bij het tanken.
/Iloeistof verversen: om de 2 jaar
I.B! Bij auto's, waarmee zo gereden wordt dat de remmen vaak en waar gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen of in een troisch klimaat met hoge luchtvochtigheid, moet de vloeistof elk jaar ver- orst worden. Dit verversen behoort niet tot een inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een inspectiebeurt bij een Volvo-garage is laten doen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
760 Turbo/Turbo Diesel
Het peil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen; de hoeveelheid tussen deze streepjes is 0,2 liter.
760 GLE
De peilstok heeft verschillende merkstrepen voor warme en voor koude olie. Vóór het rijden mag het oliopeil niet boven COLD liggen. Na het rijden, als de olie nog warm is, mag het peil niet boven HOT liggen. Vul olie bij, als het peil bij ADD ligt.
Olie, alle modellen
Oliekwaliteit: ATF-olie
Oliepell controleren: bij elke inspectiebeurl. Olie verversen is niet nodig.
Carrosseriesmering

3 Portieruitsteller – zit bij het onderste portierscharnier
| Nr | Smeerplaats (aantal) | Smeer-middel | Nr | Smeerplaats (aantal) | Smeer-middel |
| 1 | Motorkapslot enblokkeerhaak (3) | Olie/Paraffine | 6 | Slotje kofferdeksel (1)Scharnieren kofferdeksel/achterklep (2) | Olie |
| 2 | Motorkapscharnieren (2) | Olie | Olie | ||
| 3 | Portieruitstellers (4) | Olie | 7 | Raammechanismen (4)Sluitingen (binnenkantportieren) (4) | Olie, vet |
| 4 | Windscherm, schuifdak (1) | Olie | |||
| 5 | Portiersloten, buitensteglijvlakken (4) | Paraffine | 8 | Rails (4) en blokkeer-inrichtingen (2) | Olie |
Samenstelling van de koelvloeistof
Vul noolt met alleen schoon water bij! Gebruik het gehele jaar een mengsel van 50% Volvo anti-vries, type C (blauwgroen) en 50% water. N.B! De motor is van een aluminiumlegering gemaakt, zodat het belangrijk is om Volvo anti-vries te gebruiken. Deze heeft een bijzonder goede corrosiewerende werking! Verschillende koelvloelstoffen mogen niet met elkaar gemengd worden!
Door de anti-vries worden in de zomer corrosie en in de winter ook bevriezen voorkomen. Als de auto nieuw is, is het koelsysteem gevuld net koelvloeistof die tegen circa -35°C kan.
Inhoud van het koelsysteem:
Benzinemotor ca 10 liter.
Dieselmotor ca 11,5 liter.
Koelvloeistofpeil controleren: altijd bij het tan- ken.
Koelvloeistof verversen: om de 2 jaar in de herfst.
Koelvloeistof altijd bij het tanken controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Schroef, als bijgevuld moet worden en als de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ont-snappen.
Dieselmotor
Koelvloeistof om de 2 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Zet de temperatuurhendel op het instrumentenpaneel op maximale warmte.
2 Verwijder de dop van de expansietank.
3 Draai de aftapkraan open.
4 Maak de onderste radiatorslang los bij de radiator.
Vullen
5 Schroef de onderste radiatorslang vast.
6 Draai de aftapkraan dicht.
7 Maak de bovenste slang voor de koudstartinrichting los en zet een lekbak onder de slang.
8 Vul de expansietank tot het MAX-streepje of nog iets hoger.
9 Laat de motor circa 5 minuten warmdraaien en controleer het koelsysteem op lekkage en vul ondertussen koelvloeistof bij.
10 Breng de slang op de koud-startinrichting aan en vul de expansietank geheel - tot boven het MAX-streepje.
Draai de dop op de expansietank.
N.B!
De motor mag alleen lopen met een goed gevuld koelsysteem. Als dit niet goed gevuld is, kunnen plaatselijk hoge temperaturen optreden met kans op beschadiging (barsten) van de cilinderkop.

Koelvloeistof verversen
Benzinemotor
Koelvloeistof om de 2 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Verwijder de dop van de expansietank (voorzichtig, als de motor warm is).
2 Zet van het verwarmingssysteem de temperatuurhendel op maximale warmte.
Draai de kranen aan weerskanten van het motorblok open. De 760 Turbo heeft maar een kraan en deze zit aan de rechter kant.
3 Maak de onderste slang los bij de radiator.
Vullen
4 Draai de kranen (kraan) dicht en bevestig de slang volgens 2 en 3 hierboven.
5 Vul de expansietank tot het MAX-streepje of nog iets verder.
6 Laat de motor warmdraaien en controleer of het koelsysteem niet lekt en vul dan weer tot het MAX-streepje met koelvloeistof.
Expansietank met MIN-en MAX-merkstrepen.
Plaatsing van de componenten bij de 760 GLE...

...en bij de 760 Turbo

Ventilatorriemen en V-riemen voor de stuurbekrachtiging en airconditioning
760 Turbo diesel

760 GLE

760 Turbo

Riemen vervangen
Als u zelf de riemen heeft vervangen, moet u de ieem 1-3 mm kunnen indrukken.
Va het vervangen van een riem moet de riemspanning door een Volvo-werkplaats worden gecontroleerd en eventueel worden afgesteld.
Toestand van de riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vuile riemen kunnen de oorzaak zijn van een slechte koeling en een laag dynamovermogen en ook van een slecht werkende stuurbekrachtiging en airconditioning.
Laat een Volvo-garage de riemen afstellen en vervangen
Door de plaats van de riemen kan het erg lastig zijn om zelf een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit dus aan een Volvo-werkplaats over.
Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen

Klap de wisserarm om en houd het wisserblad haaks op de wisserarm. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm naar binnen.
Trek het gehele wisserblad naar beneden, zo- dat het „oog“ van de arm helemaal door het gat in de bevestiging van het wisserblad komt.

Breng het nieuwe wisserblad in de tegengestelde volgorde aan en controleer of het goed vastzit!
Maak de wisserbladen met een nagelborsteltje en een lauwe zeepoplossing schoon, als zij strepen op de ruit beginnen achter te laten. Als dit niet helpt, moet het wisserblad vervangen worden!

Lang. Naar het midden van de auto
Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisser blad naar buiten los. Druk het nieuwe wisser blad met het langste uiteinde naar het midden van de auto vast.
Controleer of het wisserblad goed vastzit!

3randstofsysteem
ebruik alleen dieselolie van bekende oliemaatschappijen; koop nooit ieselolie van onbekende kwaliteit.
Winters met lage temperaturen moet u winterbrandstof gebruiken (deze wordt door de meeste oliemaatschappijen verkocht). Deze verhindert 'asafscheiding en zorgt ervoor, dat ook bij strenge kou de auto gemakkek aanslaat.
Is u geen winterbrandstof kunt krijgen, kunt u zelf lichtpetroleum bijmenen. Meng tussen 25 % en 40 % bij omdat anders de smerende eigenchappen van de dieselolie achteruitgaan, waardoor het injectiesysteem an beschadigen.
et is in bepaalde landen wettelijk verboden om petroleum bij de brand-tof te mengen. Gebruik dan door de autoriteiten goedgekeurde toevoeg-iddelen.
Wanneer u brandstof bijvult bij een tankstation, zorg er dan altijd voor dat alles rond het vulgat en de vuldop schoon is. Vult u zelf uit een vat brandstof bij, filtreer deze dan en zorg ervoor, dat alle gebruikte vaten schoon zijn.
N.B.
De verzegeling, die op de inspuitpomp zit, mag nooit door een onbevoegde monteur verwijderd worden. Indien dit toch gebeurt, vervalt alle garantie. De inspuitpomp moet volgens de wettelijke voorschriften verzegeld zijn.
Wanneer u geen brandstof meer heeft
Wanneer u geen brandstof meer in de tank heeft, hoeft u geen speciale maatregelen te nemen, nadat u nieuwe brandstof heeft bijgevuld. Het z.g. „ontluchten“ van het brandstofsysteem, dat noodzakelijk was bij vele oudere Diesel-auto's, is n.l. niet langer nodig, omdat de inspuit-pomp van uw Volvo Diesel „zelf-onluchtend“ werkt. Wanneer de tank geheel leeg was, is het heel normaal, dat u de startmotor eventjes moet laten draaien, voordat het hele brandstofsysteem met nieuwe brandstof is gevuld en de motor aanslaat.
Brandstofffilter
Water aftappen uit het brandstofffilter
In het brandstofffilter van de motor wordt geleidelijk condenswater uit de brandstoftank afgescheiden.
Als dit water via de inspuitpomp in de motor komt, kunnen storingen optreden. Daarom moet het water in het brandstofffilter om de 10 000 km worden afgetapt; dit kan het beste in verband met een onderhoudsbeurt gebeuren.
Het aftappen is heel eenvoudig en gaat als volgt:
- Zet onder de aftapschroef onder in het filter een opvangbak.
- Draai met een schroevedraaier de ontluchtingsschroef een paar slagen los.
- Draai de aftapschroef met de hand los.
- Tap af, totdat zuivere brandstof naar buiten komt.
- Draai de aftapschroef vast.
- Draai met de schroevedraaier de ontluchtingsschroef vast.
- Verwijder de opvangbak.
Ontluchtingsschroef

Bij alle contacten met uw Volvo-dealer over de auto en bij het bestellen van service-onderdelen en accessoires kan het gemakkelijk zijn, als u de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto kent.
1 Type- en modeljaaraanduiding en chassis-nummer Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op de achterwand van de bagageruimte.
2 Type-aanduiding, toegestane maximumgewichten en codenummers voor de lakleur en bekleding Plaatje op de plaat boven de rechter koplamp.
3 Type-aanduiding, onderdeel – en fabricagenummer van de motor Aan de linker kant van de motor. (B230 ET) Op het rechter motorblok (B280E). Op de linker kan van de motor boven de vacuümpomp (D24 TIC).
4 Type-aanduiding en fabricagenummer van de versnellingsbak
a handgeschakelde versnellingsbak: aan de onderkant.
b automatische versnellingsbak: aan de linker kant.
5 Overbrengingsverhouding, onderdeel- en fabricagenummer van de achteras Sticker op het linker deel van de achteras.
5 Serviceplaatje Sticker op het achterkant aan de middelste portierstijl links.

Specifications
Maten en gewichten
| Lengte | 479 cm |
| Breedte | 176 cm |
| Hoogte | 141 cm |
| Wielbasis | 277 cm |
| Spoorbreedte, vóór | 147 cm |
| achter | 146 cm |
| Draaicirkel | 9,9 m |
Toegestane belasting = Totaalgewicht – Rijklaargewicht
4-deurs 5-deurs
Laadruimte, 5-deurs modellen
| Lengte met opgeklapte achterbank | 106 cm |
| Lengte met neergeklapte achterbank | 182 cm |
| Laadopening, grootste breedte | 139 cm |
| Laadopening, grootste hoogte | 77 cm |

| Maximumdakbelasting | 100 kg |
| Maximumaanhanggewicht | 1600 kg |
| (Zie voor de juiste gegevens pagina 57.) | |
* De toegestane maximumasdruk mag nooit overschreden worden!
Inhoudsgegevens
| in liter | 760 GLE | 760 Turbo | 760 Turbo Diesel |
| Brandstoftank | ca 60 liter | ca 60 liter | ca 60 liter |
| Koelsysteem | ca 10 liter | ca 9,5 liter | ca 11,5 liter |
| Motorolie., incl. oliefilter | 6,0 liter | 3,85 liter | 6,2 liter |
| Versnellingsbakolie,4-bak met overdrive | — | 2,3 liter | 2,3 liter |
| automaat | 7,5 liter | 7,7 liter | 7,7 liter |
| Achterasolie | 1,6 liter | 1,6 liter | 1,6 liter |
| Stuurbekrachtiging | 0,8 liter | 0,5 liter | 0,5 liter |
| Sprooeivloeistofreservoir | 4,2 liter | 4,2 liter | 4,2 liter |
Benzinemotor
Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste SF*. Volgens CCMC klasse G2/G3.
* Oliën met de aanduiding SF/CC en SF/CD voldoen aan deze normen.
Dieselmotor
Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste CD'. Volgens CCMC klasse DP.
* Oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD voldoen aan deze normen.
Synthetische en halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden, als zij aan bovenstaande API-normen voldoen.
Olie-inhoud: incl. oliefilter
760 GLE: 6.0 liter
760 Turbo: 3.85 liter
760 Turbo Diesel: 6,2 liter
Volvo adviseert geen olietoevoegingen te gebruiken, omdat deze een negatieve invloed op de levensduur van de motor kunnen hebben.
Viscositetsdiagram: zie pagina 96–97.
Versnellingsbak
| Oliekwaliteit: | ATF-olie, type F of G (handgeschakeld),zie ook pagina 98!ATF-olie, type Dexron II D (automaat) |
| Olie-inhoud: | Handgeschakeldmet overdrive 2,3 literAutomaat 7,5 liter |
Achteras- overbrenging
| Oliekwaliteit: | API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C)SAE 90 of 80 W/90 |
| Olie-inhoud: | 1,6 liter |
Stuurbekrachtiging
| Oliekwaliteit: | ATF-olie |
| Olie-inhoud: | 0,8 liter (760 GLE)0,5 liter (760 Turbo, 760 Turbo diesel) |
Remvloeistof en koppelingsvloeistof
| Vloeistoftype: | Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703) |
| Vloeistofinhoud: | ca 0,4 liter |
Specifications
Motor 760 GLE
Watergekoelde benzinemotor.
6-cilinder V-motor, waarbij de cilinders onder een hoek van 90° staan.
Het motorblok is van aluminium en is voorzien van verwisselbare natte, gietijzeren cilindervoeringen.
Lichtmetalen cilinderkop met gescheiden in- en uitlaatkanalen.
Twee bovenliggende nokkenassen, aan iedere kant één.
De smering wordt verzorgd door een tandwielpomp die door de krukas wordt aangedreven.
Het oliefilter is van het full-flow type.
Brandstofsysteem met branstofinspruiting.
Het koelsysteem is een gesloten overdruk- systeem.
Motor 760 Turbo
Watergekoelde benzinemotor.
4-cilinder in lijn motor.
Het motorblok is van speciaal gietijzer gemaakt.
De cilindervoeringen zijn direct in het blok geboord.
Lichtmetalen cilinderkop met tegenover elkaar liggende in- en uitlaatkanalen.
Enkelvoudige bovenliggende nokkenas.
De smering wordt verzorgd door een tandwiel- pomp die door de krukas aangedreven wordt.
Het oliefilter is van het full-flow type.
Brandstolsysteem en ontsteking computer gestuurd (Molronic).
Door uitlaatgassen aangedreven turbocompressor met laadluchtkoeler.
Het koelsysteem is een gesloten overdruk- systeem.
Motor D 24 TIC (Turbo)
6-cilinder in lijn, watergekoelde Diesel-motor. Het motorblok is van gietijzer. De cilinderwanden zijn direct in het motorblok geboord. De cilinderkop is van lichtmetaal en heeft wervelkamers. Enkelvoudige bovenliggende nokkenas. Smeersysteem met door de krukas aangedreven tandwielpomp. Oliefilter van het full-flow type. Inspuitpomp, bestaande uit toevoerpomp, regelaar, inspuitschakelaar en hogedrukomp. De insputpomp wordt met een getande riem door de nokkenas aangedreven. De koud-startinrichting regelt automatisch het inspuittijdstip, afhankelijk van de motortemperatuur. Het koelsysteem is een gesloten overdrukssysteem met expansietank.
Automodel
Type-aanduiding, motor
Vermogen, ECE
Koppel, ECE
Cilinderaantal
Cilinderdiameter
Slaglengte
Cilinderinhoud
Compressieverhouding
Klepspeling
inlaatkleppen
uitlaatkleppen
inlaatkleppen
uitlaatkleppen
Laag stationair toerental
Hoog (versneld) stationair
toerental
760 GLE
B280E
125 kW bij 90 r/s
(170 pk bij 5400 omw/min)
240 Nm bij 75 r/s
(24,5 kgm bij 4500 omw/min)
6
91 mm
73 mm
2,85 dm ^3 (2,85 liter)
10.0:1
0,10-0,15 mm (koude
0.25-0.30 mm motor)
0,15-0,20 mm (warme
0,30-0,35 mm motor)
760 Turbo
B230ET
134 kW bij 97 r/s
(182 pk bij 5800 omw/min)
260 Nm bij 57 r/s
(26,5 kgm bij 3400 omw/min)
4
96 mm
80 mm
2,32 dm³ (2,32 liter)
9:1
(122 pk bij 4800 omw/min)
235 Nm bij 40 r/s
(24,0 kgm bij 2400 omw/min)
6
76.5 mm
86,4mm
2,383 dm³ (2,38 liter)
23,0:1
0.20-0.30 mm (warme
0,40-0,50 mm motor)
0,15-0,20 mm (koude
0.35-0.40 mm motor)
13.8 r/s (830 omw/min)
90 r/s (5400 omw/min)
Specifications
| Ontsteking | 760 GLE | 760 Turbo | 760 Turbo Diesel | |
| Ontstekingsvolgorde | 1-6-3-5-2-4 | 1-3-4-2 | 1-5-3-6-2-4 | |
| Ontstekingstijdstip, | 10 ± 2^ vóór B.D.P. bij 12-13 r/s(700-800 omw/min) | 10^ vóór B.D.P. bij 13,3-15 r/s(800-900 omw/min), niet afstelbaar | ||
| Bougies** | Volvo setnr 270590-3(Bosch HR5DC**) | Volvo setnr 273597-5(Bosch W7DC**) | ||
| elektrode-afstand | 0,6-0,7 mm | 0,7 mm | ||
| aanhaalmoment | 12± Nm (1,2±0,2 kgm) | 20-30 Nm (2-3 kgm) | ||
| Stroomverdeler, draairichting | Rechtsom | Rechtsom | ||
| Koelsysteem | ||||
| Type | Gesloten, overdruk | Gesloten, overdruk | Gesloten overdruk | |
| Thermostaat gaat open bij | 87°C | 92°C | 87°C | |
| Inhoud | ca 10 liter | ca 9,5 liter | ca 11,5 liter | |
| Brandstofsysteem | ||||
| Brandstofinspuiting volgens LH-Jetronic95 zijn | Computergestuurde brandstof-inspuiting, type Motronic98 zijn | Insputpomp | Bosch VE 6/10F 2400 L 116-4 | |
| Verstuivers, mondstuk | Bosch DNO SD 293 | |||
** Mag bij een warme motor niet verwijderd worden
*** Of dienovereenkomstig
Specifications
Transmissie
Enkelvoudige droge-plaatkoppeling.
Handgeschakelde, geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak met overdrive.
Als alternatief een volautomatische 4-versnellingsbak, bestaande uit een hydraulische koppelomvormer met planeetversnellingsbak.
Achterasoverbrenging van het hypoïde-type.
Versnellingsbak
| Type-aanduiding | Hand-geschakeld M46 | Auto-matisch AW71 | ZF4HP-22 |
| Overbrengingsverhouding | |||
| 1e versnelling | 4,03:1 | 2,45:1 | 2,48:1 |
| 2e versnelling | 2,16:1 | 1,45:1 | 1,48:1 |
| 3e versnelling | 1,37:1 | 1:1 | 1:1 |
| 4e versnelling | 1:1 | 0,69:1 | 0,73:1 |
| overdrive | 0,78:1 | - | - |
| achteruit | 3,68:1 | 2,21:1 | 2,09:1 |
Achterasoverbrenging
Overbrengingsverhouding 3,54:1 Handgeschakeld 3,73:1 (760 Turbo/760 Turbo diesel met automatische versnellingsbak) 3,91:1 (760 GLE)
Snelheid in km/uur bij 17 r/s (1000 omw/min)
| Versnellingsbak | M46 |
| Achterasoverbrenging | 3,54:1 |
| 1e versnelling | 8 |
| 2e versnelling | 15 |
| 3e versnelling | 24 |
| 4e versnelling | 33 |
| overdrive | 41 |
| achteruit | 9 |
Denk erom dat deze waarden afgerond zijn. Zij kunnen in de praktijk iets afwijken als gevolg van de bandenmaat, -spanning en -slijtage.
Aanbevolen minimum- en maximum- snelheden, km/uur
| Versnellingsbak | 1e | 2e | 3e | 4e |
| M46 Benzinemotor | 0-50 | 20-80 | 35-130 | 45-* |
| M46 Dieselmotor | 0-35 | 15-65 | 25-105 | 35-* |
• Bij circa 70 km/uur met ingeschakelde overdrive.
Voortrein
Voorwielophanging met veerpoten van het type MacPherson. De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd.
Stuurinrichting met tandheugel. De stuurkolomas is van het veiligheids-type.
De afstelwaarden gelden voor een onbelaste auto, incl. brandstof, koelvloeistof en reservewiel.
Toespoor (Toe-in), bij de velg opgemeten 2±0,5 mm
bij de zijkant band opgemeten 2,5±1 mm
Met ingang van modeljaar 1987 kunnen alle Volvo benzinemotoren op loodvrije benzine rijden. Het is slechts vereist, dat de benzine het aanbevolen minimumoctaangetal heeft.
N.B! Auto's met katalysator moeten altijd op loodvrije benzine rijden om de katalysator niet te beschadigen.
Elektrische installatie
12-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Eénpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is op het chassis aangesloten.
| 760 GLE | 760 Turbo | 760 Turbo diesel | |
| Spanning | 12 volt | 12 volt | 12 volt |
| Accu. capaciteit | 66 Ah | 55 Ah | 600 A/225 min |
| Electrolyt, s.g. | 1,28 | 1,28 | 1,28 |
| Moet worden geladen bij s.g. | 1,21 | 1,21 | 1,21 |
| Dynamo, maximum stroomsterkte | 100 Ampère | 70 Ampère | 55 Ampère |
| Startmotor, vermogen | 1,1 kW (1,5 pk) | 1,4 kW (1,9 pk) | 2,0 kW (2,7 pk) |
Brandstof (Diesel-olie)
Norm
DIN 51 601 (Duitse norm)
Gloeilampen, 12 V.
Zo zien de gloeilampen er uit

Gloeilampen
Vermogen Fitting Nr
| Koplampen | 60/55 W | H4 | 1 |
| Verstralers of mistlampen | 55 W | H3 | 2 |
| Parkeerlichten, vóór | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Richtingaanwijzers, vóór | 21 W | BA 15 s | 4 |
| achter | 21 W | BA 15 s | 4 |
| opzij | 5 W | W 2,1 × 9,5 d | 8 |
| Gloellampen | Vermogen | Fitting | Nr |
| Achterlichten | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Remlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Remlichten/achterlichten (bepaalde landen) | 21/5 W | BAY 15 d | 3 |
| Achteruitrijlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Mistachterlamp(en) | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 W | BA 9 s | 9 |
| Waarschuwingslamp portieren | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Plafondverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Leeslampjes, vóór | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| achter | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Motorruimteverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Bagageruimteverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Handschoenenkastje, verlichting | 2 W | BA 9 s | 9 |
| Make-upspiegelverlichting | 3 W | SV 7 | 7 |
| Instrumentenverlichting | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Verlichting, bedieningspaneel | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| automatische versnellingsbak | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| asbakje achter | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| autogordelsluiting | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| Waarschuwingslampjes, Controlelampjes | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
* VDO-instrument
** YAZAKI-instrument
Aantekeningen
Aantekeningen
Aantekeningen
Alfabetische inhoudsopgave
ABS-systeem (extra uitrusting) 10
Accu 91, 113
Achterasolie 98
Achterasoverbrenging 112
Achterbank opklappen 42,43
Achterklep openen 36
Achterlicht, gloeilamp vervangen ..... 70, 71
Achterruit, elektrische verwarming ..... 18
Achterruitwisser/sproeier, gebruik 14
Achteruit inschakelen 48
Achteruitkijkspiegels 28
Achteruitrijlichten 71
Achteruitvergrendeling 50
Afleveringsinspectie 90
Aftapkraan koelvloeistof 102
Aftappen motorolie 95
Afwateringsgaten 86
Airconditioning 24-25
Als iets gebeurt 65
Anti-vries 101
Anti-verblindingshendel 13
Asbakjes 19
Auto omhoogbrengen 91
Autogardels 32,33
Automatisch wassen 87
Automatische versnellingsbak,
rijden met 49-52
olie 98
Auto wassen 86
Bagage, imperiaal 53
Bagageruimte 38
Bagageruimteverlichting.
gebruik 39
gloeilamp vervangen 73
Banden 61-63
Bandenslijtage 63
Bandenspanning 63
Bediening verlichting 16
Bediening verwarming en ventilatie ... 21-26
Bedrijfsstoringen 78-80
Bekleding reinigen 88
Benzine, tanken 39
Benzinemotor starten 47
Bestuurdersstoel 30
Bijladen dynamo 8.9
Binnenverlichting, gebruik 29
gloeilamp vervangen 74
Blaasmonden 21
Blokkeerinrichting keuzehendel 50
Bougies 112
Brandstof tanken 39
Brandstof, zuinig zijn met 45
Brandstofffilter 106
Brandstofmeter 6.7
Brandstofsysteem 105,111
Brandstofspecificaties 113
Brandstoftankklep 39
Buitenlandse reizen,
voorzorgsmaatregelen 59
Caravan/aanhanger, rijden met 52
Carburateurvloeistof 58
Carrosserie-onderhoud 82-87
Carrosseriesmering 100
Centrale vergrendeling 34
Chassisnummer 107
Controlelampies 8-10
Dagteller 6,7
Defroster 21-26
Dieselmotor starten 46
Draaicirkel 108
Dynamo 113
riemspanning 103
Elektrisch bediende raammechanismen ... 20
Elektrisch instelbare buitenspiegels ..... 28
Elektrisch verwarmde achterruit 18
Elektrisch verwarmde buitenspiegels ..... 18
Elektrisch verwarmde voorstoelen 18
Elektrische installatie, gegevens ..... 113
Elektrolyt accu 113
ETC Anti-spin 11
Expansietank koelsysteem 103
Frisse-luchtinlaat 21-26
Garagekrik 91
Garantie 90
Garantie-inspectie 90
Gegevens, technische 107-115
Gereedschap 38
Gevarendriehoek 38
Gewichten 108
Gloeilampen, gegevens 114
vervangen 68-75
Glycol 101
Grootichtsignaal, knipperen 13
Handrem 19
Hoeklicht vóór, gloeilamp vervangen ..... 69
Hoogteverstelling voorstoelen 30
Hulpstartaccu 55
Identificatie, type-plaatjes 107
Imperiaal 53
In de was zeiten 87
Inhoudsgegevens 108
Inrijden 45
Instrumenten 6.7
Instrumenten en bediening 4.5
Instrumentenpaneel 6,7
Instrumentenverlichting 6,7
Interieur en carrosserie 27-43
Invervalstand ruitewissers 14
Kentekenplaatverlichting
gloeilamp vervangen 72,73
Keuzehendel, autom. versn.bak 49
Kick-down 51
Kilometerteller 6
Alfabetische inhoudsopgave
Kinderen in de auto 31
Kinderstoel 31
Kinderveiligheid 31
Kinderveiligheidsslot 35,36
Klepspeling 110
Klokje 6.7
Knipperlichten, gebruik 13
gloeilamp vervangen .... 74
Koelsysteem 108,111
Koelvloeistof 101
Koelvloeistofpeil controleren 101
Kofferdekselslot 34,35
Kogeldruk, rijden met caravan 57
Koplampwissers/-sproeiers, gebruik ..... 14
wisserblad vervangen 104
Koppeling 113
Koppelingsvloeistof 99
Koud starten 46,47
Krik 66,67
Kriksteunen 67,91
Laaddruk te hoog 8,10
Laadruimte (5-déurs) 108
Lakkleurcode 84
Lak bijwerken 84,85
Lampen, gegevens 114
vervangen 68-75
Lange tijd niet gebruiken 60
Lange lading 41
ange reizen, voorzorgsmaatregelen ..... 59
Leeslampjes, gebruik 29
gloeilamp vervangen ..... 74
_lege band 66,67
Lendesteun voorstoelen 30
_engteverstelling voorstoelen 30
_ichtbediening 13
Lichtsignaal 13
Lokaliseren van storingen 78-80
Make-up spiegel 28
gloeilamp vervangen 72
Maten en gewichten 108
Maximumbelasting 108
Maximumsnelheden 112
Mistachterlamp, gebruik 17
Mistlampen, gebruik 17
gloeilamp vervangen ..... 75
Motor, gegevens 110
olie verversen 95-97
oliepeil controleren 95
Motorkap openen 37
Motorkapsluiting 37
Motornummer 107
Motorolie Benzinemotor 96
Dieselmotor 97
Motorolie, controleren/verversen ..... 95
Motorruimte 92-94
Motorruimteverlichting 37
Motorruimteverlichting,
gloeilamp vervangen 73
Ochtendzool 62
Octaangetal 39
Olie verversen, motor 95, 97
Oliedruk 8,9
Oliefilter vervangen 95
Oliekwaliteit 96,97
Olien en vloeistoffen 109
Oliepeil controleren,
automatische versnellingsbak ..... 98
motor 95
Oliepeilstok,
automatische versnellingsbak ..... 99
motor 95
Om aante denken 53
Omhoogbrengen auto 91
Onbalans in wielen 62
Onderhoud 90-106
Onderhoudsprogramma 90
Onderstelbehandeling 82, 83
Ontsteking 111
Opbergplaatsen 40, 41
Opkrikken auto 91
Overbrengingsverhouding,
achteras 112
versnellingsbak 112
Overdrive,
handgeschakelde versnellingsbak ... 48
Parkeerlichten, gebruik 16
gloeilamp vervangen . 68-71
Parkeerrem 19
Peilstok motorolie 95
Plafondlamp gloeilamp vervangen .... 72,74
Poetsen 87
Portieren en sloten 34
Portier, waarschuwingslamp 35
Presentatie 2
Profieldiepte banden 62
Raammechanismen,
Reservewiel beschrijving 64
Richtingaanwijzers, gebruik 13
gloeilamp vervangen 68-71
Rijden met aanhanger/caravan 52,57
imperiaal 53
Rij-eigenschappen 53
Rij-instructies 44-59
Roestwerende behandeling 82,83
Rolgardels 32,33
Rugleuning verstellen 30
Dit moet u altijd bij tanken controleren:
Afgebeeld is de motorruimte van de 760 GLE. De tekst geldt echter ook voor de 760 Turbo/760 Turbo diesel.

Als u langdurig met hoge snelheid – langer dan een uur boven 120 km/uur – rijdt en altijd bij het rijden mel winterbanden, moet u de bandenspanning verhogen met 30 kPa (4 psi). N.B! Dit geldt niet voor de reserveband "Special Spare".
Benzine: octaangetal tenminste 95
Controleer zonder de dop te verwijderen of het remvloeistofpell (en koppelingsvloeistofpeil bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak) boven het MIN-merkteken staat. Vul, indien nodig, remvloeistof DOT 4 bij.
Het koelvloeistofpell moet tussen MAX en MIN op de expansietank liggen. Vul, indien nodig, bij met een mengsel van 50 % anti-vries en 50 % water. Zie pag. 101.
Het oliepeil moet tussen de streepjes op de peilstok liggen. Veeg vóór elke oliepeilcontrole de peilstok af. De afstand tussen de merkstreepjes komt met ca 1 liter olie overeen. Vul, indien nodig, olie bij van hetzelfde type als al in de motor zit.
Het vloeistofreservoir voor de ruite- en koplamp-sproelers moet altijd goed gevuld zijn (in de winter met water en anti-vries).
De accu vraagt "geen onderhoud" en de elektrolyt behoeft alleen maar bij een inspectiebeurt gecontroleerd te worden.
In de handleiding staat een beschrijving van
...wielen verwisselen op pag. 66–67
... een gloeilamp vervangen op pag. 68–75
... een zekering vervangen op pag. 75–77
VOLVO
Volvo Car Corporation
Göteborg, Sweden
TP 2774 (Dutch) 1700. 8.86 80269 Skandia-Tryckeriet, Göteborg
| Ruitewisserblad vervangen | 104 |
| Ruitewissers/-sproeiers | 14, 15 |
| Ruitesproeiers, afstellen | 15 |
| Schakelon, autom.versn.bak | 49-52 |
| handschakeling | 48 |
| Schuifdak, bediening | 29 |
| Service | 90 |
| Serviceboekje | 90 |
| Servicehandboeken | 90 |
| Sigare-aansteker | 19 |
| Sleepogen | 54 |
| Slepen | 54 |
| Sleutels | 3 |
| Sloten | 34-36 |
| Slijtageprofiel | 62 |
| Smeermiddelen | 109 |
| Smering carrosserie | 100 |
| Sneeuwkettingen | 62 |
| Slijtageprofiel | 62 |
| Smoermiddelen | 109 |
| Smeering carrosserie | 100 |
| Sneeuwkettingen | 62 |
| Snelheidsmeter | 6 |
| Speciale volgen | 62 |
| Specificaties | 107-114 |
| Spiegels | 28 |
| Spijkerbanden | 62 |
| Sproeiers afstellen | 15 |
| Sproeivloeistofreservoir | 15 |
| Starten door aanslepen | 54 |
| met hulpaccu/startkabels | 55 |
| Startkabols | 55 |
| Startsleutel | 3, 12 |
| Start-/stuurslot | 12 |
| Steenslag | 84 |
| Stoelen | 30 |
| Stuurbekrachtigingsvloeistof | 99 |
| Stuureigenschappen | 53 |
| Stuurinrichting, gegevens | 113 |
| Stuurslot | 12 |
| Tankdop | 39 |
| Technische gegevens | 107-115 |
| Temperatuurmeter | 6,7 |
| Toerenteller | 6,7 |
| Transmissie, gegevens | 112 |
| Trekhaak | 57 |
| Turbodrukmeter (760 Turbo) | 6,7 |
| Type-aanduidingen | 107 |
| Typeplaatjes | 107 |
| Veiligheidsgordels | 32,33 |
| Veiligheidsvergrendeling, achterportieren | 36 |
| Ventilatorriemen, spanning controleren | 104 |
| Verankeringsogen lading | 43 |
| Verlichting, gebruik | 16 |
| Versnellingsbak, automaat | 48,112 |
| handgeschakeld | 48,112 |
| standen | 48 |
| Versnellingsbakolie automaat | 98 |
| Vervangen, gloeilampen | 68-75 |
| koelvloeistof | 102 |
| wielen | 66,67 |
| wisserbladen | 81 |
| zekering | 75 |
| Verwarming en ventilatie | 21-26 |
| Viekken verwijderen | 88 |
| Vioermatten, reinigen | 88 |
| Voetrem | 56 |
| Voltmeter | 6,7 |
| Voorstoelen verstellen | 30 |
| Voortrein | 113 |
| Voorwicluitlijning | 113 |
| Voorzorgsmaatregelen, elektrische installatie | 91 |
| lange reizen | 59 |
| wintertijd | 58 |
| V-riemen controleren/vervangen | 103 |
| Waarschuwingsknipperlichten,gebruik | 13 |
| gloeilamp vervangen | 74 |
| Waarschuwingslamp portier,gloeilamp vervangen | 74 |
| Waarschuwingslampjes | 8-10 |
| Waarschuwingslampjes,defect remcircuit | 9 |
| gloeilamp vervangen | 9 |
| Waarschuwingsprofiel, bandenslijtage | 62 |
| Wasautomaat | 87 |
| Wassen | 86 |
| Wiel verwisselen | 66, 67 |
| Wielbalans | 62 |
| Wielen en banden | 62-64 |
| Winterbanden | 62 |
| Wintertijd, voorzorgsmaatregelen | 58 |
| Wisselstroomdynamo | 113 |
| Wisserblad vervangen | 104 |
| Zekering vervangen | 75 |
| Zekeringen | 76, 77 |
| Zijknipperlichten,gloeilamp vervangen | 74 |
| Zitting verwijderen | 43 |
| Zuinig rijdon | 45 |