S70 (2000) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis S70 (2000) VOLVO in PDF-formaat.
| Merk | Volvo |
| Model | S70 (2000) |
| Categorie | Personenauto |
| Carrosserievorm | Sedan (4 deuren) |
| Aantal zitplaatsen | 5 |
| Motor | 2.4 liter, 5 cilinders, 140 pk |
| Transmissie | Handgeschakelde 5-versnellingsbak of optionele 4-traps automaat |
| Brandstof | Benzine |
| Gemiddeld brandstofverbruik | 9,5 l/100 km (gecombineerd) |
| CO2-uitstoot | Ca. 230 g/km |
| Lengte | 4720 mm |
| Breedte | 1760 mm |
| Hoogte | 1425 mm |
| Wielbasis | 2660 mm |
| Leeggewicht | Ca. 1450 kg |
| Laadvermogen | 530 kg |
| Maximale snelheid | 205 km/u |
| Van 0-100 km/u | 9,5 seconden |
| Veiligheidsvoorzieningen | ABS, airbags (bestuurder/voorpassagier/zijairbags), gordelspanners |
| Onderhoudsinterval | Elke 12 maanden of 15.000 km |
| Reparatiehandleiding | Beschikbaar in PDF-formaat op notice-facile.com |
Veelgestelde vragen - S70 (2000) VOLVO
Gebruikersvragen over S70 (2000) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding S70 (2000) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. S70 (2000) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING S70 (2000) VOLVO
Een alfabetische inhoudsopgave zit achterin het boekje
Hoofdstuk
Instrumenten, schakelaars en bediening 1
Interieur, portieren, kofferdeksel, schuifdak
Starten en rijden
Wielen en banden
Als er iets gebeurt
Carrosserie-onderhoud
Service Volvo 7
Specifications 8
Zuivering uitlaatgassen 9
Audio 10
Deze gebruikershandleiding bevat informatie over standaard en optionele uitrusting. Ook alternatieve uitrusting, een manuele of automatische transmissie bijvoorbeeld, wordt besproken. In sommige landen zijn bepaalde uitrustingen bij wet verplicht. Dit betekent dat u soms bepaalde stukken in deze handleiding kunt overslaan omdat ze handelen over zaken waarmee uw wagen niet is uitgerust.
De specificaties, constructies en afbeeldingen in deze handleiding zijn niet bindend. Wij behouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Deze handleiding is gedrukt op milieuxvriendelijk, chloorsrij papier.
Deze handleiding is gedrukt op milieouvriendelijk, chloorsrij papier.
Instrumenten, schakelaars en bediening=

| Beschrijving op pagina | |
| 1 Blaasmonden | 1:20 |
| 2 Koplampen en parkeerlichten | 1:6 |
| 3 Instrumentenverlichting | 1:10 |
| 4 Mistachterlicht | 1:10 |
| 5 Mistlamp voor (extra uitrusting) | 1:10 |
| 6 Hoogte-instelling koplampen (extra uitrusting) | 1:10 |
| 7 Plaats voor extra uitrusting | - |
| 8 Dashboard | 1:2-1:5 |
| 9 TRACS of STC (extra uitrusting) | 1:11 |
| 10 Bedieningspaneel boordcomputer (extra uitrusting) | 1:14 |
| 11 Elektrisch bediend schuifdak (extra uitrusting) | 2:4 |
| 12 Elektrisch verwarmde achterruit en buitenspiegels | 1:11 |
| 13 Luchtmenging | 1:20 |
| 14 Blaasmonden | 1:20 |
| 15 SRS (Airbag) | 2:15 |
| 16 Blaasmonden | 1:20 |
| 17 Motorkapvergrendeling | 2:30 |
| 18 Richtingaanwijzers, groot/dimlichtschakelaar, grootlichtsignaal Cruise control (extra uitrusting) | 1:8 |
| 19 Verstelbaar stuur | 1:12 |
| 20 Ruitenwissers/-sproeiers en koplampwissers/-sproeiers | 1:8 |
| 21 Verwarmde passagiers- en bestuurdersstoel Contact- en stuurslot | 1:9 |
| 22 Sigare-aansteker | 1:17 |
| 23 Audio | 1:7 |
| 24 Verwarmings- en ventilatiesysteem | 1:18 |
| 25 Waarschuwingsknipperlichten | 10:1 |
| 26 Asbakje | 1:20-1:28 |
| 27 Vakje voor geldstukken | 1:4 |
| 28 Versnellingspook | 1:18 |
| 29 Keuzeschakelaar sportief rijden | 1:18 |
| 30 Handrem | 3:7 |
| 31 Claxon | 3:8 |
| 32 Elektrische sluiting achterklep | 1:17 |
| 33 Elektrisch bediende raammechanismen | 2:23 |
| 34 Elektrisch verstelbare buitenspiegels | 1:19 |
| 35 Elektrische bediening benzineklep | 2:2 |
| 36 Vergrendeling portieren | 3:2 |
| 2:24 |
=Instrumenten

4 Klokje, buitentemperatuur-
meter
(Boordcomputer, extra uitrusting)
7 Dagteller op nul zetten
Druk het knopje in om deze op nul te zetten.
6 Kilometerteller
8 Toerenteller
De dagteller kunt u gebruiken om korte afstanden op te meten. Het rechter cijfer geeft hectometers aan.
N.B! 30 min. nadat de ontsteking werd
uitgeschakeld, wordt de verlichting var
toerentallen voorkomt. Wanneer deze functie
wordt ingeschakeld, kunt u pulsaties voelen,
wat in dat geval volkomen normaal is.

1 Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is ca 68* liter. Als het waarschuwingslampje gaat branden, is er nog ca 8 liter brandstof over om op te rijden.

Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan. Als de meter telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet het koelvloeistofpeil onmiddellijk gecontroleerd worden; doe dit ook, als het controlelampje brandt; zie 7:11.
3 Snelheidsmeter
* Auto's met AWD ongeveer 66 liter
1:2
Instrumenten

15 Remcircuit buiten werking
16 Parkeerrem aangetrokken
17 ABS (niet-blokkerende remmen)
buiten werking
18 Automatische versnellingsbak:
stand W, 3, 2, 1, of L ingeschakeld
19 Te weinig koelvloeistof
20 TRACS ontkoppeld (extra
STC ontkoppeld uitrusting)
21 Fout in de motorelektronica
22 Service-herinnering
6 Mistachterlamp brandt
7 Grootlicht brandt
8 De koffer/achterportier is niet
gesloten.
9 Een gloeilamp brandt niet meer
10 Richtingaanwijzers aanhangwagen
Voorverwarming (dieselmotor)
Elektronisch gasklepsysteem
12 Airbagsysteem defect
13 Dynamo laadt niet bij
14 Oliedruk te laag
1 Linker richtingaanwijzers
2 Rechter richtingaanwijzers
3 Cruise control ingeschakeld
4 Te weinig sproeivloeistof
Als het lampje brandt, is er nog
maar 1/2 liter sproeivloeistof in het
reservoir
5 Te weinig brandstof
Als het lampje gaat branden, is er
nog ca 8 liter brandstof over om op
te rijden
= Controle- en waarschuwingslampjes
Deze waarschuwingslampjes mogen onder het rijden nooit branden!
Deze moeten echter wel branden, als vóór het starten de startsleutel in de rijstand gedraaid wordt. Dan blijkt of de lampjes werken. Als de motor aangeslagen is, moeten alle waarschuwingslampjes uitgaan behalve dat voor de parkeerrem. Dit gaat pas uit, als de parkeerrem losgezet wordt.
Remcircuit buiten werking Ⓐ
Als dit lampje onder het rijden of bij afremmen gaat branden, is het remvloeistofpeil te laag. Sta onmiddellijk stil en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit, ziet u op de achterkant van dit boekje)! Als ergens in het reservoir het peil onder MIN is: rijd niet verder, maar laat de auto voor controle en reparatie naar een werkplaats brengen.

Als dit lampje onder het rijden gaat branden, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 7:7. Na erg hard rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair loopt. Dit is normaal, als het bij verbogen van het motor-toerental maar weer uitgaat.

Brandt niet meer Als dit lampje gaat branden, is een van onder- staande gloeilampen uitgegaan: Dimlichten, Achterlichten, Parkeerlichten achter. Remlichten (als het lampje bij intrappen van het rempedaal brandt). Controleer de zekering en de gloeilamp.

ontstekingssysteem
Als het waarschuwingslampje blijft branden nadat de motor is gestart, is een storing waargenomen door een van de boorddiagnosesystemen. De waargenomen storing heeft waarschijnlijk tot gevolg dat de motor niet voldoet aan de emissienormen. La de auto controleren bij een Volvo-dealer.

Dit lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, zit er een storing in de elektrische installatie of is de ventilatorriem slecht aangespannen.

Parkeerrem aangetrokken
Bij gewoon afremmen wordt de parkeerrem die apart van de voetrem werkt niet gebruikt. Daarom reinigt deze zichzelf niet. Wij adviseren u dus om de parkeerrem regelmatig te gebruiken.

Als het lampje brandt, is een storing waargenomen in het brandstof- en ontstekingssysteem. De motor loopt waarschijnlijk niet goed en beschikt onvoldoende vermogen. Schakel het uit en start de motor opnieuw. Als he nog steeds brandt, zal de auto gecont moeten worden door uw Volvo-deale

Te weinig koelyloeistof
Als dit lampje onder het rijden gaat branden, is het koelvloeistofpeil te laag. Zet de motor af en controleer het koelvloeistofpeil in het expansievat; zie pagina 7:11.
Als het lampje brandt,
waargenotten in het brandstor- en entstekingrosterm. De motor leont
onstekingssystem. De motor kopt waarschiplik niet goed en beschikt
waarschijnlijk met goed en beschikt over onvoldoende vermogen. Schakel het contact uit en start de motor opnieuw. Als het lampje nog steeds brandt, zal de auto gecontroleerd moeten worden door uw Volvo-dealer.

Dit lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, zit er een storing in de elektrische installatie of is de ventilatorriem slecht aangespannen.

Controle- en waarschuwingslampjes
Service-herinnering
SER- VICE
Wanneer dit lampje gaat branden, is uw auto toe aan een onderhoudsbeurt. Het
oplichten van het lampje hangt af van drie factoren: kilometeraantal, totaal aantal bedrijfsuren van de motor of tijd in maanden, afhankelijk van wat het eerste een limietwaarde bereikt (sommige modellen houden enkel rekening met het kilometeraantal). De waarden worden in de fabriek voorgeprogrammeerd. Bij de onderhoudsbeurt wordt het lampje door uw Volvo dealer teruggesteld. Na het aanzetten van het contact blijft het lampje altijd nog twee

Voorverwarming (diesel)
Wanneer de buitentemperatuur onder +5°C ligt, is een voorverwarming vereist. Het controle-lampje
gaat branden wanneer de sleutel in de positie rijden/ voorverwarmen wordt gedraaid, om aan te geven dat de voorverwarmings-inrichting werkt. Wanneer het lampje dooft, kan de motor worden gestart. Het is de temperatuur van de motor die bepaalt hoe lang moet worden voorverwarmd: hoe kouder de motor, hoe langer de voorverwarming. Wanneer de motor warm is, gaat het controlelampje niet branden. Als de motor niet start en de voorverwarming moet worden herbegonnen, moet u de sleutel eerst terug in de "0"-stand draaien. Cruise control ingeschakeld Wanneer de cruise control ingeschakeld is, brandt dit lampje. Op motorvarianten B5252S, B5202S en D5252T ontbreekt dit lampje.

Automatische
versnellingsbak
Dit lampje gaat branden als stand W ingeschakeld of positie 4-1 of L gekozen is. Als het controlelampje gaat knipperen, wijst dit op een defect in de automatische versnellingsbak. Neem in dat geval contact op met uw Volvo-werkplaats. Als de auto
minder krachtig lijkt en het controle- lampje knippert, moet u de keuzehendel in positie L. zetten.

Controlelampje voor de
richting-aanwijzers van de aanhangwagen
Als het elektrisch systeem van de aanhangwagen aangesloten is, knippert dit lampje tegelijk met de andere controlelampjes van richtingaanwijzers. Als dit lampje niet knip pert, betekent dit dat de richtingaanwijzers van de aanhangwagen of van de auto niet

TRACS ontkoppeld
(extra uitrusting)
Als het TRACS (TRAction Control System) handmatig wordt ontkoppeld met de schakelaar op het instrumentenpaneel, gaat het controlelampje branden. Het gaat ook branden bij een defect aan het TRACS en als de remmen oververhit raken. In dit geval dooft het lampje wanneer de remmen weer afgekoeld zijn. Neem contact op met uw Volvo werkplaats. Opmerking! Op auto's met AWD is TRACS permanent ingeschake

Als dit lampje onder het rijden blijft of gaat branden, heeft de diagnose-eenheid van het Airbagsysteem een storing ontdekt. Rijd voor controle onmiddellijk naar een Volvo- werkplaats. Meer informatie over de airbag vindt u op pagina 2:15-2:20.

ABS - niet-blokkerende remmen buiten werking
Door het ABS-systeem kunnen de wielen bij sterk afremmen niet blokkeren. Als dit lampje brandt, werkt het systeem niet. Het gewone remsysteem van de auto werkt echter normaal. Rijd voor controle naar een Volvo-werkplaats. Over ABS-remmen kunt u meer lezen op pagina 3:15.
STC uitgeschakeld

(Optionele uitrusting)
Het controlelampje brandt als de STC handmatig is uitgeschakeld door middel van de STC-schakelaar op het dashboard. Het controlelampje gaat ook branden als een storing is waargenomen in het STC-systeem of als de remmen te warm worden, maar het zal weer uit gaan als de remmen de normale bedrijfstemperatuur bereiken. Het controlelamp gaat knipperen als het STC-systeem wordt ingeschakeld om te voorkomen dat de aangedreven wielen tijdens acceleratie hun grip op het wegdek verliezen. Neem contact op met een erkende Volvo-dealer.
=Koplampen, Knipperlichten
Koplampen en parkeerlichten
O Startsleutel in stand 0: alle lichten uit.
Startsleutel in stand II (alt.1): dimlichten aan (+ parkeerlichten voor en achter en nummerplaatverlichting).
Dimlichten wordt automatisch aangezet wanneer de startsleutel in
stand II wordt gezet.
Startsleutel in stand II (alt.2): alle lichten uit.
Parkeerlichten voor en achter.
De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren gebruikt worden, nooit onder het rijden.
Startsleutel in stand 0 en 1: alle verlichting is uit.
Startsleutel in stand II: de koplampen branden (+ parkeerlichten voor en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) N.B: U moet de lichtschakelaar altijd in de stand draaien om het grootlicht te kunnen laten branden.

Knipperlichten (alle vier knipperen) moeten gebruikt worden, als u gedwongen bent om stil te staan of de auto zo te parkeren, dat deze het verkeer in gevaar brengt of hindert.
Denk hieraan: De voorschriften voor het gebruik van knipperlichten variëren van land tot land.

Met knop (A) onder de lichtschakelaar kunnen de automatische dimlichten in positie 0 worden bediend. Druk de knop in en draai hem in de gewenste positie met een kleine schroevedraaier.
1 Automatische dimlichten (alt.1) 2 Automatische dimlichten (zelfs in 30 E-stand, Canada) 3 Alle lampen zijn uit (alt.2)
Start- en stuurslot

Het stuurslot blokkeert het stuur bij het uithalen van de sleutel.
Tussenstand-"radiostand"
Bepaalde elektrische componenten kunnen gebruikt worden (b.v. de radio, kachelaanjager, sigare-aansteker). De elektrische installatie van de motor is niet ingeschakeld.
1
Start- en stuurslot
Als de stand van de voorwielen zodanig is dat druk wordt uitgeoefend op het stuurslot, kan de sleutel niet gemakkelijk in het contactslot worden gestoken en ook niet gemakkelijk worden gedraaid. Draai het stuur tijdens het draaien van de sleutel een beetje naar links en rechts om de druk op het stuurslot te verminderen. Denk eraan om bij het verlaten van de auto het stuurslot te blokkeren: dan verkleint u de kans op diefstal.
Rijstand
Stand van de sleutel tijdens het rijden (en tijdens de voorverwarming van diesel-motoren - alleen bij temperaturen onder +5°C). De gehele elektrische installatie van de auto is ingeschakeld.
III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Laat, als de motor aangeslagen is, de sleutel los. Deze gaat automatisch in de rijstand terug.
WAARSCHUWING!
Neem nooit de contactsleutel uit het stuurslot tijdens het rijden of slepen van de auto!

1:7
—Richtingaanwijzers, Stuurstand verstellen
Richtingaanwijzers, groot-/dimlichtschakelaar en grootlicht-“signaal”
I "Drukpuntstand"
Bij bochten met een kleine stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) beweegt u de hendel licht naar boven of beneden en houdt deze met de vinger vast. Bij loslaten gaat de hendel onmiddellijk naar de neutrale stand terug.
2 Normale bochten
3 Grootlicht-"signaal" (koplampen uit)
Druk de hendel licht naar het stuur (toto dat u wat weerstand voelt). Het grootlicht brandt, totdat u de hendel weer loslaat.
3 Omschakelen groot-/dimlicht (koplampen branden)
Druk de hendel voorbij de "signaalstand" naar het stuur en laat deze weer los. De koplampen wisselen tussen groot- en dimlicht.
Als een gloeilamp in de richtingaanwijzers stukgegaan is, kunt u dit zien, omdat het controlelampje aanzienlijk sneller dan normaal knippert.
Stuurstand verstellen
Het stuurwiel kan zowel in de hoogte als in
de lengte worden versteld. Druk de hendel aan de linkerkant van de stuurkolom naar
beneden. Breng het stuurwiel in de gewenste positie. Druk de hendel weer naar boven om de positie van het stuurwiel te vergrendelen.
WAARSCHUWING!
Verstel de stuurstand, voordat u met de auto gaat rijden: nooit onder het rijden! Controleer of het stuur vastzit.
Automatisch vertraging van de verlichting ("Follow-me-home")
Als het donker is wanneer u de auto verlaat en u wilt dat de lichten nog even blijven branden, doet u het volgende:
- Verwijder de sleutel uit het contactslot. - Druk de bedieningshendel voor groot licht/dimlicht een klein beetje in de richting
van het stuurwiel.
Het dimlicht in de koplampen gaat branden en blijft gedurende 30 seconden branden.
(1) AD = BD = 1

Ruitewissers en -sproeiers Koplampwissers en -sproeiers
1 Intervalwissen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken elke 6 seconden een slag.
2 "Drukpuntstand"
Als u wilt, dat de wissers slechts een of een paar slagen maken (b.v. bij motregen): zet de hendel in de drukpuntstand en houd deze met de vinger vast. Bij loslaten blijven de wissers in de retourstand.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + koplampwissers/-sproeiers
Met de hendel in deze stand gaan ook de ruitewissers werken en maken na het loslaten van de hendel nog 2-3 slagen.
Achterruitwisser/sproeier
De achterruitwisser/sproeier wordt bediend met de schakelaars op de ruitewisserhendel.
1 Achterruitwisser, normale snelheid 2 Intervalwissen
De achterruitwisser maakt elke 10 seconden een slag. 3 Achterruitsproeier
Als u op deze knop drukt werkt de wisser samen met de sproeier. Nadat de knop is losgelaten maakt de wisser nog 2 à 3 slagen.

1 Regelbare weerstand voor instrumentenver- lichting
Draai de knop naar boven – verlichting sterker.
De instrumentenverlichting brandt in stand - D E en
2 Mistachterlicht
Het mistachterlicht is aanzienlijk sterker dan het gewone achterlicht en wordt gebruikt bij zeer slecht zicht. Het mistachterlicht wordt aangezet met behulp van de schakelaar (deze functie wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de motor wordt uitgezet). Als het controlelampje op het dashboard brandt, brandt het mistachterlicht in combinatie met groot/dimlicht. Het mistachterlicht zit aan de linkerkant van de auto.

| Instellingen | |||
| Lading | 4-deurs | 5-deurs | AWD |
| Bestuurder | 0 | 0 | 0 |
| Bestuurder en 1 passagier | 0- | 0 | 0 |
| Bestuurder en 5 passagiers | 1(0)- | 0- | 0- |
| 5 inzittenden + lading (95 kg) | 1(0)= | 1(0)= | 1- |
| Bestuurder + max. lading (270 kg) | 3(1) | 3(2) | 2 |
( ) Auto's met Nivomat.
Opmerking: Ga na of instelling 0 overeenkomt met de normale adingsomstandigheden.
4 Hoogte-instelling lichtstraal
(sommige landen)
Het systeem bestaat uit een elektrische motor op elke koplamp en een schakelaar op het dashboard. Met de schakelaar kan de hoogte van de koplampstralen worden aangepast aan verschillende ladingen. De hoogte van de lichtstraal kan alleen worden ingesteld met ingeschakelde koplampen. De correcte niveaus voor de verschillende ladingen worden in nevenstaande tabel opgegeven,
5 Plaats voor extra uitrusting
3 Mistlamp voor (extra
uitrusting)
De mistlamp voor wordt in- en uitgeschakeld met behulp van de schakelaar. Als de LED op de schakelaar brandt, werkt de mistlamp in combinatie met het parkeerlicht en het groot/ dimlicht. Denk hieraan: De voorschriften voor het gebruiken van mistachterlampen en mistlampen variëren van land tot land.
Boordcomputer Elektrisch verwarmde achterruit/buitenspiegel—
8 Elektrisch bediend schuif/
kanteldak (extra uitrusting)
Zie voor het open- en dichtdoen pagina 2:4.
9 Elektrisch verwarmde
achterruit
Elektrisch verwarmde buiten spiegels
Gebruik de elektrische verwarming om ijs en aanslag van de achterruit en buitenspiegels te verwijderen. Door eenmaal op de schakelaar te drukken gaan de verwarmingen van de achterruit en buitenspiegels tegelijk werken. Dit blijkt uit het branden van het oranje controlelampje in de schakelaar. Een ingebouwde tijd-schakelaar zorgt, dat de verwarming van de buitenspiegels en de achterruit na ca 12 minuten automatisch uitgeschakeld wordt. Tegelijk gaat het controlelampje uit. Als u nog een keer op de schakelaar drukt, terwijl het controlelampje brandt, schakelt u de gehele verwarming uit. Als u nogmaals op de schakelaar drukt, nadat het controlelampje uitgegaan is, gaat de verwarming opnieuw werken.

6 TRACS (extra uitrusting)
7 Bediening boordcomputer
(extra uitrusting)
Draai aan de knop om de gewenste functie van de boordcomputer te krijgen; zie pagina 1:14.
广力云智慧零售收银系统
1:5.
6 Stabiliteits- en tractieregeling
(extra uitrusting)
Het optionele STC-systeem (stabiliteits- en
tractieregeling) zorgt bij een glad wegdek
automatisch voor een betere stabilitie en tractie van de aangedreven wielen. Zie pagina 3:15 voor meer informatie.
Het STC-systeem kan handmatig worden ingeschakeld of uitgeschakeld met de STC-schakelaar op het dashboard.
=Cruise Control (extra uitrusting)
WAARSCHUWING!
De Cruise Control mag niet in druk verkeer of op een gladde weg gebruikt worden. N.B! Bij het rijden op een helling kan de werkelijke snelheid iets van de ingestelde afwijken.

3 Druk SET-knop (A) op + of - in en u stelt de gewenste snelheid in.
Snelheid verminderen
De Cruise Control wordt uitgeschakeld, als het rem- of koppelingspedaal ingetrapt wordt. De eerder ingestelde snelheid wordt in het geheugen bewaard. Als schakelaar (B) eventjes in de RESUME-stand gezet wordt, neemt de auto de eerder ingestelde snelheid weer aan.
Accelereren
Een tijdelijk snelheid vergroten, b.v. bij passe- ren, heeft geen invloed op de werking van de Cruise Control. De auto neemt de vorige snel- heid weer aan zonder dat de schakelaar in de stand RESUME gezet moet worden. Omdat de Cruise Control al ingeschakeld is, kan de snel- heid verhoogd of verlaagd worden door SET-
Inschakelen
De schakelaar voor de Cruise Control zit op de richtingaanwijzerhendel. De schakelaars van de cruise control bezinden zich op de
richtingaanwijzerhendel. Als de cruise control wordt
ingeschakeld, gaat een
controlelampje branden op het
instrumentenpaneel.
Gewenste snelheid instellen:
1 Zet schakelaar (B) in de stand ON.
2 Verhoog of verlaag tot de gewenste snel-
heid. N.B! De Cruise Control kan bij snel-
heden onder 35 km/h niet ingeschakeld
worden.
1:12
knop (A) op + of - ingedrukt te houden. Kort indrukken komt overeen met ± 1,6 km/h. De snelheid die de auto bij het loslaten van de knop heeft, wordt ingeprogrammeerd.
Uitschakelen
Zet schakelaar (B) in de stand OFF of trap op het rem- of koppelingspedaal. Als het contact afgezet of de keuzehendel in stand N gezet

Klokje Buitentemperatuurmeter

Klok en buitentemperatuurmeter (sommige modellen)
Keuze van eenheden
Als de pennen A en B tegelijk ingedrukt worden, worden de tijd en de temperatuur volgens onderstaand schema tussen vier verschillende standen anders aangegeven:
1e maal drukken: 12 uur en °F
2e maal drukken: 24 uur en °F
3e maal drukken: 12 uur en °C
4e maal drukken: 24 uur en °C
Buitentemperatuurmeter
Geeft onder het rijden de temperatuur vlak boven het wegdek aan.
Als de temperatuur tussen +2°C en -5°C ligt, gaat een waarschuwingslampje (C) branden.
OPMERKING! Bij traag rijden of bij stilstaan kan de aangegeven omgevingstemperatuur wat hoger liggen door de warmte van de motor.
N.B.! 30 min. nadat de ontsteking werd
uitgeschakeld, wordt de verlichting van het
klokje gedoofd. Om ze terug aan te doen, moet u de ontsteking opnieuw inschakelen.
Klokje gelijkzetten
Het digitale klokje kan gelijkgezet worden door b.v. met een potlood op een van de beide pennen (A) of (B) te drukken.
b.
m = minuten
Als u een van de pennen langer dan vier secon- den ingedrukt houdt, verandert de tijd sneller.
Boordcomputer (extra uitrusting)


• Gemiddelde snelheid
• Actueel brandstofverbruik
• Gemiddeld brandstofverbruik
- Buitentemperatuur Waarschuwingslampje A
• Dagteller
- Bereik tot lege tank
Opmerking! Dertig minuten nadat het contact is uitgeschakeld, wordt de display van de
boordcomputer, dagteller en klok uitgeschakeld.
Schakel het contact in om de display weer in te
schakelen.
Boordcomputer
Volvo's boordcomputer ontvangt veel informa-
tie en deze wordt met een microprocessor con-
tinu geëvalueerd. Het systeem heeft zes func-
ties die in een tekenvenster verzameld zijn. Het
markeerlampje geen de gekozen functie aan.
Het klokje in de boordcomputer geen commin
in het linken veld de tijd een. De voelende
in het minker veld de tijd aan. De vorgende gegevens verschijnen, als u een functie kiest:
Boordcomputer
Gemiddelde snelheid ∅ km/h
De gemiddelde snelheid na de laatste maal op nul zetten (Reset). Als het contact afgezet wordt, wordt de gemiddelde snelheid opgeslagen en vormt bij verder rijden de basis voor de nieuwe waarde. Deze kan met de Resetknop van de schakelaar op nul gezet worden.
Actueel brandstofverbruik L/100 km
Ononderbroken informatie over het actuele brandstofverbruik. Elke seconde wordt het brandstofverbruik uitgerekend. Als de auto stilstaat, geeft het tekenvenster “----” aan.
Gemiddeld brandstofverbruik ∅ L/100 km
Het gemiddelde brandstofverbruik na de laatste maal op nul zetten (Reset). Als het contact afgezet wordt, wordt het gemiddelde verbruik opgeslagen en blijft bewaard, totdat het met de Reset-knop van de schakelaar op nul gezet wordt.


Geeft onder het rijden de temperatuur vlak boven het wegdek aan. Als de buitentemperatuur tussen ong. +2°C en -5°C ligt, gaat een waarschu-wingslampje branden in de "sneeuwvlok".
OPMERKING! Bij traag rijden of bij stilstaan kan de aangegeven omgevingstemperatuur wat hoger liggen door de warmte van de motor.
Dagteller km
De afgelegde afstand na de laatste maal op nul zetten (Reset). Deze waarde wordt opgeslagen, totdat deze met de Reset-knop van de schakelaar op nul gezel wordt.
Bereik tot lege tank km → 0
Aangegeven wordt de afstand die met de nog in de tank aanwezige brandstof gereden kan worden, berekend t.o.v. het gemiddelde verbruik en de resterende brandstofhoeveelheid. Als de brandstofhoeveelheid onder 8 liter daalt, gaat een waarschuwingslampje in het instrumenten-paneel werken. Als de afstand tot een lege tank minder dan 20 km is, geeft het tekenvenster “—“ aan.

Verwarmde stoelen vooraan/achteraan Parkeerrem

Schakelaars voor de verwarmde voorstoelen en de verwarmde achterbank
Verwarmde achterbank
(extra uitrusting)
De stoelverwarming kan met deze schakelaar worden aan- en uitgezet. Druk de schakelaar eenmaal in om de verwarming aan te zetten. Door de schakelaar opnieuw in te drukken wordt de verwarming uitgezet.
De ingebouwde timer schakelt de verwarming automatisch uit na 10 minuten. N.B! Ontkoppel de elektrische aansluiting bij het verwijderen van de zitting van de achterbank.
Elektrisch verwarmde voorstoe-
len
De elektrische verwarming kan met de schakelaar aan- en uitgezet worden. De verwarming wordt met een thermostaat geregeld en schakelt automatisch uit. Zet de verwarming van de passagiersstoel uit, als er niemand op de stoel zit.

De hendel van de handrem bevindt zich tussen de beide voorstoelen. De handrem werkt op de achterwielen. Een waarschuwingslampje in het instrumentenpaneel geeft aan dat de handrem is ingeschakeld. Denk er aan dat dit lampje ook brandt als de handrem slechts een klein stukje is aangetrokken. Controleer altijd of de handrem volledig is aangetrokken. Zorg dat de handrem altijd is vergrendeld in een inkeping door de hendel stevig omhoog te trekken. Trek de hendel van de handrem een klein beetje omhoog en druk op de knop op de hendel om de auto van de handrem te zetten. Laat de hendel vervolgens zakken. Zet de auto altijd op de handrem als u de auto parkeert.
Asbakjes en Sigarenaansteker, Stroomvoorziening

Asbakje
Asbakje
Stroomvoorziening/
Asbakje met vering: druk licht tegen de klep dan gaat deze automatisch open. Als u de asbak wilt legen, pakt u deze aan de zijkanten beet en trekt u deze naar buiten.
Sigarenaansteker
Asbakje voor de achterbank
Als het asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken worden. Til de achterkant op en verwijder het asbakje.
Druk de aansteker in, als u deze wilt gebruiken. Als deze na ca 6-8 seconden warm geworden is, komt deze automatisch met een "klik" naar buiten. De aansluiting voor de sigare-aansteker voorin en achterin heeft een vermogen van 120 W.
Elektrisch bediende raammechanismen (extra uitrusting)

Zorg er voor (speciaal als kinderen in de auto zijn) dat bij het sluiten van de ramen geen handen klem komen te zitten.
Vergrendeling
portieren. Zie ook pag. 2:24.
raammechanismen
Schakelaar voor
Rechts voor

te verbreken (d.w.z. de startsleutel eruit te halen), als u kinderen alleen in de auto achterlaat.
De ramen achter kunnen worden bediend met de schakelaars op de respectieve achterportieren en met de schakelaars in het bestuurdersportier.
ON
De ramen achter kunnen enkel worden bediend met de
schakelaars in het bestuurdersportier, en niet langer met de schakelaars op de achterportieren.
OFF
N.B! De elektrisch bediende raammechanismen hebben een overbelastingsbeveiliging die werkt, als de ramen door iets geblokkeerd zijn. Als dit gebeurt: verwijder het voorwerp en wacht ca 20 seconden. Dan is de beveiliging afgekoeld en kunt u de raammechanismen weer gebruiken.
Bij auto's met ook voor de achterportieren elektrisch bediende raammechanismen kunnen deze met de schakelaar midden op het schakelaarpaneel vastgezet worden. Denk er om de stroom naar de raammechanismen altijd
Verwarming en ventilatie - verwarmings-/ventilatiesystemen

Blaasmonden
A Dicht B Open
C Luchtstroom opzij gericht D Luchtstroom omhoog geric
Luchtmenging
Het verwarmings-/ventilatiesysteem is uitgerust met een luchtmengingsfunctie waarmee frisse lucht kan worden aangevoerd wanneer de blaasmonden open staan (stand B).
De bedoeling is dat er dan koele lucht naar uw gezicht wordt geblazen terwijl de rest van het interieur warme lucht krijgt aangevoerd. Schakel de luchtmengingsfunctie uit wanneer de centrale blaasmonden niet verbruikt worden en u het interieur snel wilt opwarmen.
Op de volgende pagina's staan enkele adviezen om de verwarming/ventilatie zo effectief mogelijk te gebruiken. De airconditioning maakt het mogelijk om in de auto een koel en behaaglijk klimaat te krijgen, ook al is het buiten erg warm, maar denk eraan, dat ramen en schuif-
dak dicht moeten zijn.
Als de auto is uitgerust met een luchtfilter voor het passagierscompartiment is er naast de luchtinlaat in het motorcompartiment een sticker geplakt.
N.B! De airconditioningsinstallatie bevat het nieuwe koelmiddel R134a. Dit bevat geen chloor waardoor het geheel ongevaarlijk voor de ozonlaag is. Verder draagt R134a in een zeer beperkte mate bij tot
het zogenoernde broeilkas-effect. Bij het vullen met/verversen van koelmiddel mag uitsluitend R134a gebruikt worden. Voer zelf gee werkzaamheden uit aan het airconditioningsysteem, maar laat h
onderhoud uitvoeren in een erkende werkplaats. Het airconditiongsysteem moet regelmatig onderhouden worden. Zie het Serviceboekje.
- "Verwarmings-/ventilatiesysteem zonder airconditioning." Dit wordt op pagina 1:22–1:23 beschreven.
- "Verwarmings-/ventilatiesysteem met manuele airconditioning." Dit wordt op pagina 1:24–1:25 beschreven.
- "Verwarmings-/ventilatiesysteem met automatische airconditioning." Dit wordt op pagina 1:26–1:28 beschreven.

Luchtverdeling=




—Verwarmings-/ventilatiesysteem zonder airconditioning:
Functiekiezer
Passagierskant
Stel de gewenste temperatuur in
Kies de gewenste functie
De kiezer is traploos instel-
haar tussen de aangegeven
functies.
Bestuurderskant
Stel de gewenste temperatuur in
Temperatuurkiezer
Luchtverdeling
Temperatuurkiezer

Lucht naar ramen. In deze stand is er geen "recirculatie" van de lucht.


Lucht naar vloer en ramen

Lucht naar vloer

De interieurlucht "recirculeert", d.w.z., dat geen frisse lucht de auto ingezogen wordt. Het controle-lampje brandt, als deze functie ingeschakeld is.
Indien
recirculatie van de lucht in het voertuigplaats.


Aanjager
0 = Afgezet 4 = Hoogste snelheid
0 = Afgezet
0 = Afgezet
0 = Afgezet
0 = Afgezet
0 = Afgezet
Verwarmings-/ventilatiesysteem zonder airconditioning
Zo wordt het het warmst:
Sluit de twee centrale blaasmonden en schakel de luchtmengingsfunctie uit.

... en zo wordt het het koelst:
Blaasmonden open.

... en zo wordt aanslag van de ramen verwijderd:
Sluit de twee middelste blaasmonden en schakel de luchtmengingsfunctie uit. Zet de functiekiezer op 367. In deze stand vindt geen recirculatie van de lucht plaats. Open de twee buitenste blaasmonden indien de zijramen opnieuw beslaan.

— Verwarmings-/ventilatiesysteem met manuele airconditioning
Functiekiezer


—Verwarmings-/ventilatiesysteem met manuele airconditioning
Enkele goede adviezen:
Denk eraan dat er altijd wat lucht door de
ren tot ca 0°C gebruikt worden.
de blaasmonden open staan, ongeacht de posi-
tie van de functiekiezer.
Als u de maximale hoeveelheid lucht naar de
vloer of de ramen wilt hebben, moet u de
blaasmonden dichtzetten. Als de zijramen weer
beslaan: zet de twee buitenste blaasmonden
open.

Sluit de twee centrale blaasmonden en schakel de luchtmengingsfunctie uit.
... en zo wordt het het koelst:
Open de blaasmonden.
Druk op de schakelaars voor en airconditioning Stel de temperatuur bij met behulp van de temperatuurkiezer indien de lucht te koud is.

airconditioning Stel de temperatuur bij met behulp van de temperatuurkiezer indien de lucht te koud is.

Zet de blaasmonden open.
... en zo wordt aanslag van de ramen verwijderd:
Gebruik het airconditioningsysteem om de ramen snel te ontwasemen, zelfs wanneer de buitentemperatuur betrekkelijk koud is. Selecteer op het bedieningspaneel. De airconditioning zal automatisch in werking treden. Er vindt geen luchtrecirculatie plaats het voertuig.
Open de twee buitenste blaasmonden indien de zijramen opnieuw bestaan.

Sluit de twee centrale blaasmonden en schakel de luchtmengingsfunctie uit.
=Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische airconditioning:
Functiekiezer


Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische airconditioning=
Aanyullende informatie
Voor een optimale automatische werking

Zet de functiekiezer op AUT en kies een
temperatuur. Als aan de bestuurderszijde de
temperatuurkiezer wordt geselecteerd op maximum warmte of koelte draait de ventilator
op de hoogste snelheid.
Snel ontwasemen
ECC (Electronic Climate Control)
Het airconditioningsysteem houdt de temperatuur in het interieur automatisch op het gewenste peil, ongeacht de buitentemperatuur. Het systeem maakt gebruik van de snelste beschikbare methode om de gewenste temperatuur te bereiken. Het kiezen van een lagere of hogere temperatuur dan het eigenlijk gewenste temperatuurniveau heeft weinig invloed op de snelheid van verwarmen/koelen. De bereikte temperatuur stemt niet noodzakelijk volledig
overeen met de ingestelde temperatuur,
aangezien voor de reele temperatuur rekening
wordt gehouden met factoren zoals de luchterelheid, an vochtigheid en de intensiteit
dacttschmidt en -voetlogheid en de intelssten van het zonlicht aan bestuurders en
passagierskant. De schakelaars voor recirculatie
hebben twee functies, met en zonder Timer.
Zonder Timer
Indien wordt geselecteerd, vindt luchtrecirculatie plaats totdat u op
Met Timer
Indien u gedureade 3 seconden op
drukt, wordt de functie geselecteerd
gedurende 3-12 minuten, afhankelijk van de
buitentemperatuur of totdat u indrukt.
Druk gedurende tenminste 3 seconden op sobakolars, om to vshakalan tussen
schakelaar om te schakelen tussen functies. Het oranje/groene lampie knippert
gedurende tenminste 5 seconden indien de t
functie wordt ingeschakeld. Het oranje/groene
lampje brandt continu gedurende tenminste 5
seconden indien de timer-functie wordt
uitgeschakeld.
—Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische airconditioning
| De recirculatie wordt automatisch ingeschakeld bij koelen in warm weer als de ventilator in stand AUT staat. Dit kan ook gebruikt worden voor het snel opwarmen/koelen met de ventilator in manuele stand. | Algemene informatie | Hulpverwarming Diesel (Optionele uitrusting) |
| Bij warm weer kan door condensvorming bij de werkende airconditioning water onder de auto druppelen. | De auto kan worden uitgerust met een hulpverwarming, waarmee onder koude weersomstandigheden het passagierscompartiment snel op temperatuur kan worden gebracht. | |
| • De airconditioning wordt uitgeschakeld wanneer de ventilator op 0 staat. | Het airconditioningsysteem wordt tijdelijk uitgeschakeld bij gebruik van de "kick-down" functie. | |
| • Bedek de zonnesensor bovenop het dashboard niet om te voorkomen dat het verwarmings/ventilatiesysteem foutieve informatie ontvangt. | Wanneer het airconditioningsysteem gebruikt wordt, kan er wat damp uit de blaasmonden komen. Dit is het gevolg van een hoge relatieve vochtigheid en een hoge omgevingstemperatuur, en is volkomen normaal. | Bij extreme koude kan de uitlaat van de verwarming witte rook uitstoten (condensatie). |
| • Bij het rijden in vochtige weersomstandigheden, wanneer de ruiten bewasemd raken, kan het nodig zijn de ontwaseming handmatig in te stellen. Zet de functiekiezer op een stand tussen en , en de aanjager op minimaal halve snelheid (of hoger om snelier te ontwasemen).N.B' De temperatuur wordt automatisch geregeld. | Wanneer het gesneeuwd heeft, moet u de luchtinlaat van het verwarmingssysteem vrijmaken. De luchtinlaat bevindt zich onder de motorkap. | Dit is volkomen normaal.De hulpverwarming werkt automatisch, door middel van een eigen regeleenheid. De regeleenheid heeft een sensor waarmee de buitentemperatuur wordt gemeten en de verwarming geactiveerd. |
| Schakel de luchtmengingsfunctie uit wanneer de centrale blaasmonden gesloten zijn en u het interieur snel wilt opwarmen. | De verwarming is in serie aangesloten op het normale verwarmingssysteem van de auto. Het passagierscompartiment wordt verwarmd via de aanjager. | |
| Het beslaan van de voorruit en andere ruiten kan voor een belangrijk deel worden voorkomen door deze regelmatig te reinigen. Gebruik hiervoor een gewone reinigingsvloeistof voor ruiten. | De verwarming bevindt zich onder het linker voorspatscherm. | |
| Zie pagina 5:18 voor het lokaliseren van storingen van de verwarming. |
Interieur, portieren, kofferdeksel, schuifdak=
Op de volgende pagina's worden stoelen, autogordels, portieren, enz. beschreven:
| Spiegels | 2:2 |
| Binnenverlichting Make-up spiegel | 2:3 |
| Schuif-/kanteldak | 2:4 |
| Opbergplaatsen | 2:5 |
| Voorstoelen | 2:6 |
| Autogordels | 2:8 |
| Kinderen in de auto | 2:9 |
| SRS (Airbag) SIPS airbag | 2:15 |
| Portieren, sloten, sleutels | 2:22 |
| Motorkap | 2:30 |
| Bagageruimte, 4-deurs model | 2:31 |
| Bagageruimte, 5-deurs model | 2:35 |
—Spiegels


B = niet-verblindende stand
Binnenspiegel
A normale stand
B niet-verblindende stand. Gebruik deze, als de koplampen van de auto achter u hinderlijk zijn.
Schakelaar, elektrisch verstelbare
buitenspiegel
Achteruitkijkspiegel, elektrisch bediend
De schakelaars om de buitenspiegels te verstellen bevinden zich in het portier. Kies de te verstellen spiegel met behulp van de bovenste knop.
A opzij
B in de hoogte
Gebruik om ijs van de spiegels te verwijderen geen schraper met een sta- len blad, want dan kan het spiegelglas krassen! Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel waarvan de buitenste helft een "dode hoek"-spiegel is.
WAARSCHUWING!
Stel de spiegels in, voordat u gaat rijden!
Binnenverlichting Make-up spiegel—

Draai de klep omhoog, dan brandt het lampje. De contactsleutel aan de bestuurderszijde moet in stand I zijn gedraaid.

Er zijn voor de passagiers achter twee leeslampjes in de instaphandgreep. De verlichting doet u met de schakelaar aan en uit.
Het lampje brandt, als de voorste schakelaar in staat. Het lampje brandt, als een portier open-gaat.

De binnenverlichting vóór bestaat uit twee leeslampjes voor de voorste zitplaatsen.
Leeslampjes voor en achter branden altijd. Leeslampjes voor en achter zijn altijd uit Leeslampjes voor en achter branden, als een portier opengaat. Leeslampje links of rechts brandt, als de middenschakelaar in staat.
Nadat de portieren dichtgedaan zijn, blijft de binnenverlichting nog 30 seconden branden, maar gaat uit, als het contact afgezet wordt of de portieren op slot gedaan worden.
—Schuif-/Kanteldak
Elektrisch bediend schuif-/kantel-dak
Het schuif-/kanteldak werkt op twee manieren: als een gewoon schuifdak met AUTO-opening en comfort-positie, en ook kan het achterste deel worden omlaaggezet (ventilatiestand). De startsleutel moet in de rijstand staan.
Schuif-/kanteldak, normale werking: Om het schuif-/kanteldak te openen moet u de onderrand van de schakelaar indrukken. Om het schuif-/kanteldak te sluiten moet u de bovenrand van de schakelaar ingedrukt houden tot het dicht is.
AUTO-opening: Druk de onderrand van de schakelaar even in om het schuif-/kanteldak te openen tot de comfortpositie. Hef de AUTO-functie op door de schakelaar opnieuw even in te drukken.
Opmerking! Het schuif-/kanteldak opent altijd eerst tot de comfort-positie (normaal/AUTO) alvorens tot de volledig open positie te komen. Comfort-positie: Het schuif-/kanteldak is uitgerust met een stop-positie, kort voor de volledig open positie. In deze stand veroorzaakt de wind het minste geruis.
Schuif-/kanteldak, ventilatiestand: Om het schuif-/kanteldak te openen moet u de bovenrand van de schakelaar indrukken. Om het schuif-/kanteldak te sluiten moet u de onderrand van de schakelaar ingedrukt houden tot het dicht is.
Ventilatiestand

Het schuif-/kanteldak is verder aan de binnen- kant voorzien van een handbediend verschuif- baar zonnescherm. Dit zonnescherm wordt automatisch teruggeschoven wanneer het schuif-/kanteldak geopend wordt. Het schuift ook wat terug wanneer de ventilatiestand gekozen wordt.
Opmerking! Sluit het zonnescherm niet met het schuif-/kanteldak in ventilatiestand, aangezien dit het mechanisme zou kunnen beschadigen.

Zorg ervoor dat er geen harde, scherpe of zware voorwerpen op de hoedenplank, in het zijvak van het portier of elders in de auto liggen (of uitsteken), aangezien ze persoonlijk letsel kunnen veroorzaken wanneer er plotseling en hard geremd wordt. Zorg er altijd voor dat grote en zware voorwerpen goed vastliggen met behulp van de veiligheidsgordels. Plaats uw voeten nooit op het deurvakje van het handschoenenkastje. Houd beide voeten op de vloer!

In de hoogte verstellen
De voorkant van de bestuurdersstoel kan op zeven verschillende hoogten en de achterkant in negen standen versteld worden.
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Hendel voor A = de voorkant kan versteld
worden.
Hendel achter B = de achterkant kan versteld worden.
De voorkant van de passagiersstoel kan op zeven verschillende hoogteniveaus worden gezet.
Lendesteun

In de lengterichting verstellen
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden! Als de beugel omhooggebracht wordt, kan de stoel naar voren of achteren gezet worden. Controleer of de stoel vergrendeld is, als u deze versteld heeft. Hetzelfde geldt voor de passagiersstoel.
Hellingshoek van de rugleuning
Verstelbare rugleuning. Om de rugleuning makkelijk te kunnen verstellen, mag er geen druk op worden uitgeoefend.
Snel neerklappen
De passagiersstoel kan i.v.m. lange lading snel neergeklapt worden. Zie pagina 2:33.
WAARSCHUWING!
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Voorstoelen
Noodstop:
Indien de stoel per ongeluk in beweging komt, drukt u op één van de toetsen en de verstelling zal stoppen.
Opmerking! Elektrisch verstelbare voorstoelen bezitten een overbelastingsbeveiliging die geactiveerd wordt wanneer een voorwerp de beweging van de stoel blokkeert. In dat geval moet u ong. 20 seconden wachten alvorens de stoel opnieuw te verstellen.

WAARSCHUWING!
Bij het verstellen moet u ervoor zorgen dat er geen voorwerpen klem kunnen raken voor of achter de stoel en dat er geen risico is voor de achterpassagiers. Zorg er ook voor dat kinderen nooit met de verstelknoppen van de stoelen spelen

Geheugenfunctie bestuurdersstoel
Programmering:
Er kunnen drie posities in het geheugen worden opgeslagen. Wanneer de stoel is ingesteld, houdt u de MEM-toets ingedrukt en drukt u tegelijkertijd op toets 1.
Verstelling
Hou één van de geheugentoetsen 1, 2 of 3 ingedrukt tot de stoel stopt.
Wanneer de geheugentoets wordt losgelaten, zal de verstelling onmiddellijk stoppen om veiligheidsredenen.
Elektrisch verstelbare voorstoelen (extra uitrusting)
Wanneer uw Volvo is uitgerust met elektrisch verstelbare stoelen, kunt u met de twee schakelaars de volgende instellingen uitvoeren: Hoogte van de voorkant van de zitting (A) Vooruit – achteruit (B) Hoogte van de achterkant van de zitting (C) Hoek van de rugleuning (D)
Om veiligheidsredenen stopt de verstelling wanneer één van de schakelaars wordt losgelaten.
De contactsleutel hoeft niet in het contactslot te steken om de stoelen te kunnen verstellen (geldt voor stoelen met geheugen). De stoel aan passagierszijde kan alleen worden verstek als de contactsleutel in stand I of II is gedraaid.
Autogordels
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben, als u de gordel niet gebruikt! Vraag al uw passagiers ook de gordels te gebruiken! Anders zullen degenen die op de achterbank
zitten bij een ongeluk tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd worden. Dan worden de gordels van de voorstoelen zwaarder belast
dan waarvoor deze bestemd zijn. Alle inzitten- den kunnen dan letsel oplopen. Doe als volgt: trek de gordel heel langzaam uit en vergrendel deze door de borglip in de sluiting te steken. Een sterke "klik" geeft aan, dat de gordel ver-
grendeld is. Voor de voorstoel wordt de gordel, al naar gelang van de lengte van de persoon, automatisch afgesteld. Als u de gordel met de
hand wilt verstellen, moet u deze een paar dm uittrekken en naar uw eigen hoogte insteken. Normaal is de gordel niet vergrendeld en kunt u zich vrij bewegen.
De gordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden: - bij te snel uittrekken - bij afremmen en accelereren - bij sterk overhellen van de vuto
- bij sterk overhellen van de auto - bij bochten nemen Het is voor het geven van maximale beveiliging van belang, dat de gordel goed tegen het lichaam liegt. Laat de rugleuning niet te veel achterover hellen. De gordel is bedoeld als beveiliging bij normale rijhouding.

De heupgordel moet laag zitten
Denk er daarom aan, dat ... • geen clips of andere acc
worden - de gordel niet scheef zit of gedraaid is - de gordel niet strak zit - de heupgordel laag moet zitten - dus niet boven de buik
- de heupgordel over de heup gespannen wordt door volgens de afbeelding aan de diagonale band te trekken.
Elke gordel is natuurlijk voor één persoon bestemd! Om de gordel los te maken; druk op de rode knop van de sluiting. Laat daarna de gordel helemaal oprollen.
Gordels regelmatig controleren
Controleer of de gordel niet tegen scherpe ran- den schuurt en overigens in goede staat is. Ge- bruik voor het schoonmaken van de gordel water en een synthetisch wasmiddel.
De vergrendelende werking van de rolgordels kunt u als volgt controleren:
- Pak de gordel beet en ruk er heel snel aan. De veiligheidsgordel moet vergrendelen en vergrendeld blijven.
Denk hieraan: In bepaalde landen is het wettelijk voorgeschreven, dat alle inzittenden hun gordel gebruiken.
Autogordels, Kinderen in de auto
Belangrijke tips!
Bij gebruik van andere in de handel verkrijgba- re kinderveiligheidsprodukten is het belang- rijk, dat de meegeleverde montageinstructie goed doorgelezen en nauwkeurig opgevolgd wordt. Maar toch moet u aan het volgende den- ken:
- Kinderkussens/-zitjes met stalen beugels die in contact komen met het veiligheidsgordel-slot mogen niet worden gebruikt omdat het slot toevallig kan worden geopend (zie afbeelding). Volvo beschikt over een gamma kinderveiligheidsprodukten die speciaal voor de Volvo S/V 70 werden vervaardigd en getest.
- Het kinderzitje moet altijd zo gezet worden, als door de fabrikant voorgeschreven is. - Zet de bevestigingsband van het kinderzitje niet vast aan de lengte – afstelstang, veren en allerlei rails en balken onder de stoel met scherpe randen. - Laat de rug van het kinderzitje tegen het dashboard rusten. - Laat het bovenste deel van het kinderzitje niet tegen de voorruit liggen. - Gebruik het kinderzitje nooit op de voorstoel in auto's met SRS-airbag aan passagierskant.
N.B! Neem voor duidelijker montageinstructies contact met de fabrikant op, als er bij het aanbrengen van het kinderveiligheidsprodukt problemen zijn.

De heupgordel moet laag zitten
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders met name moeten zorgvuldig zijn met het gebruiken van de gordel! Maar denk er aan om de gordel altijd zo te leggen, dat deze niet onnodig op de baarmoeder drukt. De heupgordel van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie hierboven!
!
WAARSCHUWING!
Als de gordel zwaar belast geweest is, b.v. in verband met een botsing, moet de gehele gordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, bouten en sluiting, door een nieuwe vervangen worden. Ook al lijkt de gordel onbeschadigd te zijn, toch kunnen een deel van zijn beveiligende eigenschappen verloren gegaan zijn. Vervang de gordel ook, als deze erg versleten of beschadigd is. Breng nooit zelf veranderingen of reparaties in de gordel aan, maar laat een Volvo-werkplaats dit doen!
—Kinderen in de auto
Het kind moet ook goed zitten – en veilig!
Een volwassene met een autogordel om is bij een botsing of ander ongeluk in een Volvo goed beschermd. Om uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen hier enkele adviezen over de plaats van kinderen in de auto. Denk eraan, dat een kind, ongeacht zijn leeftijd en grootte, altijd in de auto vastgeze moet zijn. En laat nooit een kind bij een passagier op schoot zitten! De plaats en uitrusting kiest u op grond van het gewicht van het kind. Gebruik de speciale kinderzitjes en -kussens van Volvo.

Op de voorstoel N.B! Nooit met airbag
Kinderen tot 3 jaar
Zelfs pasgeboren baby's zitten veilig in het Volvo kinderzitje. In combinatie met een speciale montagekit en de 3-puntsveiligheidsgodel, is het kinderzitje goedgekeurd wanneer naar achteren gericht op de voorstoel of op buitenste of middelste zitplaatsen achteraan (voor kinderen tot 18 kg) wordt gemonteerd. Voor heel kleine kinderen is er een baby-inzstuk dat makkelijk in het kinderzitje kan worden geplaatst. Met het oog op een maximale veiligheid moet u alle instructies volgen voor het aanbrengen van de verankerings- en more gelussen.

Bevestigingsogen voorstoel
Voorgemonteerde bevestigingsogen
Vóór de voorstoel bevinden zich bevestigingsogen voor een kinderzitje, verborgen onder de vloermat en onder het zijpaneel (niet op auto's met airbag aan passagierskant). Zoek de plaats op van de bevestigingsogen en snij een opening uit in de vloermat om ze vrij te maken (zie ook plaatsingsinstructies). Om de bevestigingsogen sneller te vinden kunt u de vloermat wegvouwen.
N.B! Er zijn in veel landen wettelijke voorschriften waar kinderen in de auto gezet moeten worden. Onderzoek wat geldt in het land waar u naar toegaat.
WAARSCHUWING!
Nooit het kinderzijte vooraan monteren wanneer de auto is uitgerust met een SRS (airbag) aan passagierszijde.
Kinderen in de auto

Kinderen van ongeveer 3 jaar en
Wanneer kinderen uit de kinderzijtes gegroeid zijn, moeten ze op een kinderkussen op de achterbank zitten. Gebruik de veiligheidsgorde van de auto, bij voorkeur in combinatie met een ruggesteun. Volvo's speciale kinderkussens, ruggesteunen (goedgekeurd voor kinderen tussen 15-36 kg) en driepuntsgordels zijn speciaal aan de hand van hoge
Plaats het kinderkussen en de ruggesteun (indien van toepassing) en maak de veiligheidsgordel vast zoals in de afbeelding hierboven. Zorg ervoor dat de hoofdsteun is ingesteld op de hoogte van het hoofd van het kind. 2-11

Middelste zitplaats achterbank
Veranker het kinderzitje door de bevestigingsband door het frame van het kinderzitje te halen, vast te klikken en strak aan te spannen. Haal de heup- en schoudergordels door de haken van het kinderzitje en span strak aan. OPMERKING! Om veiligheidsredenen moet u de instructies volgen bij het monteren van het kinderzitje.

Buitenste zitplaats achteraan
Op de voorstoel zijn verankeringsogen voor een kinderzitje gemonteerd (niet bij auto's met airbag aan passagierskant) en achteraan zijn er verankeringsogen op de glijrails van de voorstoel (niet op auto's met elektrisch verstelbare stoel vooraan).
Voor auto's met elektrisch bediende stoelen zijn bevestigingsoogjes leverbaar als een accessoire. Neem contact op met uw Volvo-dealer voor meer informatie.
Monteer met de bevestingsriemen en zet ze vast. Het kinderzitje moet ook worden voorzien van een steunframe wanneer het op de achterbank wordt bevestigd.
achterbank wordt bevestigd.
zien van een steunframe wanneer het op de
vast. Het kinderzitje moet ook worden voor-
Monteer met de bevestingsriemen en zet ze
dealer voor meer informatie.
accessoire. Neem contact op met uw Volvo-
zijn bevestigingsoogjes leverbaar als een
Voor auto's met elektrisch bediende stoelen
stelbare stoel vooraan).
voorstoel (niet op auto's met elektrisch ver-
(altog aan passagierskant) en achterlaan zijn verankeringsgen op de glirtils van de
een kinderzijte gemonteerd (miet bij auto's met airbag aan passagierskant) en achteraan zijn er
Op de voorstoel zijn verankeringsogen voor
On de voorstoel zijn verankeringsogen voor
—Geïntegreerd kinderkussen voor de middenzitting en de buitenste zittingen

Buitenste zittingen - Omhoog
vouwen
- Trek aan het handvat, zodat het
kinderzitkussen omhoog komt.
- Neem het kussen met beide handen beet
en duw het naar achter.
- Duw tot het vergrendelt.
Stel de positie van de hoofdsteun zorgvukdig af ten opzichte van het hoofd van het kind. Voordat u het kinderkussen in de rugleuning van de achterbank vouwt, vouwt u eerst de achterkant van
het geïntegreerde kinderkussen (A) naar beneden. Klik de sluiting vast (B). Tenslotte vouwt u het
geïntegreerde kinderkussen in de rugleuning van de achterbank (C).
WAARSCHUWING! Als de ruggesteun en het kussen vóór het invouwen van het geïntegreerde kinderkussen niet aan elkaar zijn vastgemaakt, kan het ruggesteungedeelte bij het neerklappen in
de opening van de rugleuning van de achterbank vast blijven zitten.
Volvo's eigen geïntegreerde kinderkussen voor de middenzitting en buitenste zittingen zijn speciaal ontworpen om een maximum aan veiligheid voor uw kind te garanderen. In combinatie met de standaard veiligheidsgordels is het geïntegreende kinderkussen goedgekeurd voor kinderen van tussen de 15 en 36 kg.
Kinderen in de auto—

WAARSCHUWING!
Als het geïntegreerde gordelkussen b.v. in verband met een
botsing, zwaar belast geweest is, moet het
genele gorderkussen, incl. de autogordel mat houten, door een nieuw vanvangen
met binnen, door een minder Verlangen worden. Ook als het gordelkussen.
onbeschadigd lijkt te zijn. Het gordelkussen
moet ook vervangen worden, als het erg
versleten of beschadigd is. Denk er echter
aan, dat het vervangen van het kussen
vakkundig gebeuren moet, omdat het voor de ingrittende van wazenlijk balang is dat
de muzitende van wezemlijk betang is, dat het kussen goed vastzit. Laat vervanging en
eventuele reparaties aan uw Volvo-
werkplaats over. Als het kussen vui
geworden is, moet het eerst ter plaats
schoongemaakt worden. Als de bekleding
zo vuil is, dat deze apart gewassen moet
worden, gelden bovenstaande montageinstructies voor het kussen.
Buitenste zittingen - Omlaag
-
Trek aan het handvat.
-
Duw de stoel naar beneden en druk tot hij
vergrendelt.
WAARSCHUWING! Voordat u de rugleuning
van de achterbank naar voren klapt, moet u niet
vergeten eerst het geïntegreerde kinderkussen
naar beneden te vouwen.
= Extra bank Middelste hoofdsteun

Verticale regeling, naar voren trekken en drukken.
Middelste hoofdsteun
De hoogte van de middelste hoofdsteun wordt
naar de lengte van de passagiers op de mid-
delste plaats afgesteld.
Stel de middelste hoofdsteun nauwkeurig naar
de plaats van ho
de afbeelding).

De extra bank is voorzien voor twee kinderen van elk maximum 40 kg en ongeveer 150 cm
groot.
A: Op
WAARSCHUWIN
Als uw auto is uitgerust met een naar
achteren gerichte extra bank, dan moet de
achteren gerichte extra bank, dan moet de
achterklen zijn voorzien van een
ontgrendeld (met de sleutel in het
bestuurdersportier en/of met de
afstandsbediening) en met behulp van de
sleutel in het slot van de achterklep.
moeten beide delen van
de rugleuning van de achterbank omhoog

Portierwaarschuwingslampen uitdoen
Een tip!
De binnenverlichting en de rode waarschu-
wingslampen in de achterplaten van de portieren branden, als een portier geopend wordt.
Als u met geopende portieren wat langer moet
blijven staan en toch wilt, dat deze lampen niet
branden: druk het sluitmechanisme in en de
lampen gaan uit. U kunt de
arschuwingslampjes open portier en de
interieurverlichting resetten door, alvorens het
portier te slurten, de butlenste portierhendel omboon te trakken en het vorsengeld.
omhoog te frecken en het vergrender
inorganismans, naar beneden te du
Insgeschaamistik, that d'endeich je duwen.

WAARSCHUWING!
Wanneer de extra bank gebruikt wordt,
moeten beide delen van
de rugleuning van de achterbank omhoog
staan, moet het ladingnet neergelaten zijn en, moet het kinden- wiligbidslot
en moet het kindervemigheidssk onteregeld zijn. Zo kunnen de
bij een ongeval de auto verlaten.
SRS (Airbag) SIPS airbag

De zijdelingse airbags zijn in de rugleuningen van de voorstoelen ingebouwd.

WAARSCHUWING!
De airbag (SRS) is bedoeld als aanvulling op en niet ter
vervanging van de veiligheidsgordel.
De zijdelingse airbag (SIPS*) is bedoeld als aanvulling op het
bestaande SIPS-systeem. voor een op altijd uw veiligheidsgordel dragen.

De airbag is boven het handschoenenkastje ingebouwd en aangeduid met 'SRS'.
SRS (airbag) en SIPS (zijdelingse airbag)

De airbag is in het midden van het stuurwiel ingebouwd en aangeduid met 'SRS'.
[Non-Text]
Als extra beveiliging en als aanvulling op de standaard driepuntsgordel, is uw auto uitgerust met een airbag (SRS). De vermelding 'SRS' is aangebracht op het stuurwiel en op het dashboard aan de passagierszijde, als daar een airbag is aangebracht. De opblaasbare luchtkussens liggen samengevouwen in het stuurwiel en boven het handschoenenkastje. De SIPS-airbags (zijdelingse luchtkussens) zorgen voor een nog grotere veiligheid in de auto. Als de auto uitgerust is met SIPS, is de vermelding 'SIPS' aangebracht aan de zijkant van beide voorstoelen. De zijdelingse luchtkussens zijn aangebracht in de rugleuningen van de voorstoelen. De luchtkussens worden opgeblazen als de auto betrokken is bij een voldoende zware botsing. De hoek van de botsing en de snelheid en de aard van het andere voorwerp spelen ook een rol bij het bepalen of de luchtkussens worden opgeblazen. De SIPS-luchtkussens treden alleen in werking bij zijdelingse botsingen (dezelfde factoren als hierboven gelden). U kunt hierover meer lezen op pagina 2:20.
Als extra beveiliging en als aanvulling op de standaard driepuntsgordel, is uw auto uitgerust met een airbag (SRS). De vermelding 'SRS' is
aangebracht op het stuurwiel en op het dashboard aan de passagierszijde,
als daar een airbag is aangebracht. De opblaasbare luchtkussens liggen
samengevouwen in het stuurwiel en boven het handschoenenkastje. De SIPS airbags (zijdelinse luchtkussens) zorgen voor een nog grotere.
De SIPS-airbags (Zijdelingse luennkussens) Zorgen voor een nog grotere veiligheid in de auto. Als de auto uitgerust is met SIPS, is de vermelding
'SIPS' aangebracht aan de zijkant van beide voorstoelen. De zijdelingse
luchtkussens zijn aangebracht in de rugleuningen van de voorstoelen. De
dichtküssels worden opgeblazen als de auto betrokken is bij een voldoende zware botsing. De hoek van de botsing en de snelheid en de
aard van het andere voorwerp spelen ook een rol bij het bepalen of de
luchtkussens worden opgeblazen. De SIPS-luchtkussens treden alleen in
werking bij zijdelingse botsingen (dezelfde factoren als hierboven gelden)
U kunt hierover meer lezen op pagina 2:20.
SRS (Airbag) SIPS-airbag
Het SRS-systeem (luchtkussens in het stuurwiel en in het dashboard)
Dit systeem bestaat uit een gasgenerator (1), omgeven door een opblaasbaar kussen (2). Bij voldoende zware botsingen activeert de sensor (3) het ontstekingssysteem van de gasgenerator, waardoor het lucht-kussen wordt opgeblazen en opgewarmd. Om de klap van het kussen tegen het lichaam op te vangen, begint het kussen direct na de botsing leeg te lopen. Hierbij komt wat rook vrij in de auto. Het hele verloop, van het opblazen tot het leeglopen van het kussen, neemt slechts enkele tienden van seconden in beslag.
Veiligheidsgordels met spanners
Auto's met airbags (SRS) hebben speciale gordelspanners met springladingen (4). In het rolsysteem is een kleine springlading aangebracht die tot ontploffing wordt gebracht op het moment van een botsing, waardoor de gordel zich strak om het lichaam spant om zo de speelruimte door losse kleding enz. weg te halen. Hierdoor worden de krachten van een botsing beter opgevangen.
SIPS-systeem (zijdelings luchtkussen)
Het systeem bestaat uit een gasgenerator, en een elektrische sensor (3)in de portierstijl, een pyrotechnische kabel (2) en een luchtkussen (1). Een voldoende zware botsing activeert de sensor, die de generator ontsteekt, die op zijn beurt het luchtkussen opblaast. Het luchtkussen plaatst zich tussen de inzittende en de deur en absorbeert de schok op het moment van de botsing en begint onmiddellijk daarna leeg te lopen. De SIPS-lucht-kussens in de voorstoelen werken onafhankelijk van elkaar.
WAARSCHUWING!
Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen het besturen van de auto nadelig beïnvloeden. Andere beveiligingssystemen kunnen ook beschadigd worden. De rook en het stof als gevolg van het opblazen van de luchtkussens kunnen irritatie aan huid of ogen veroorzaken, als u er intensief aan blootgesteld wordt. Spoel huid en/of ogen in dat geval met koud water en/of neem contact op met uw dokter. Door de snelheid waarmee het proces gepaard gaat kan het materiaal van de airbag schaafwonden veroorzaken.

Label op de veiligheidsgordels met gordelspanners
Opmerking!
Als de voorstoel aan passagierszijde bezet is, reageert de sensor (3) anders dan wanneer dit niet het geval is. Bij een aanrijding is het dus mogelijk dat slechts één van SRS-airbags wordt geactiveerd.



Sticker op de deurstijl
Het SRS-systeem wordt permanent bewaakt door een sensor/diagnose-eenheid. Op het dashboard bevindt zich een
waarschuwingslampje met de letters 'SRS'. Als de contactsleutel in stand I of II wordt gedraaid, gaat het SRS-controlelampje bran tegelijk met de andere lampjes. Na ongevee seconden gaat het lampje uit.
!
Probeer nooit zelf te werken aan het SRS-systeem of de SIPS-airbags, aangezien dit kan leiden tot defecten van het systeem e persoonlijke verwondingen. Werkzaamheden aan het SRS-systeem de SIPS-airbags mogen alleen uitgevoerd worden in een erkend Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
!
Als het waarschuwingslampje blijft branden of gaat branden tijdens het rijden, betekent dit dat het SRS-systeem niet naar behoren werkt. Als dit gebeurt, dient u onmiddellijk contact e nemen met een erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
SRS (Airbag) SIPS-airbag

Passagiers voorin mogen nooit voorover leunen over het dashboard, op het randje
van de stoel gaan zitten, of in een vreemde houding zitten. Ze moeten rechtop zitten in
een comfortabele positie, met hun rug
tegen de rugleuning. De passagiers moeten te allen tijde hun veiligheidsgordel dragen.
De passagiers moeten hun voeten op de vloer houden, en dus niet on het
dashboard, in het portiervakje, op de stoel of tegen of uit het raam.
Laat kinderen nooit voor de stoel staan of
Zet een kind nooit in het kinderzitie of op
het kinderkussen op de voorstoel als de
auto uitgerust is met een airbag (SRS) aan
passagierskant. Er mozen aan voetuurer of voetsgei
Er mogen geen voorwerpen of accessories geplaatst worden op of bevestigd worden
aan het SRS-paneel (boven het
handschoenenkastje) of in de zone van
ontpooling van het luchtkussen. Laat geen losse voorwernen slingeren op
vloer, stoel of dashboard.
Probeer nooit om het SRS-paneel op het
stuurwiel of boven het handschoenenkastje
de openen. Dit mag siechts gebearen in een erkende Volvo-werkplaats.
Passagiers korter dan 140 cm mogen
onder geen beding voorin zitten indien de
auto is ungerust passagierszijde.
!
Bevestig geen labels of stickers op een van de SRS-panelen!
!
WAARSCHUWING!
SIPS-airbag
Breng geen extra bekleding aan op
stoelen die zijn uitgerust met SIPS- airbags, tenzij de bekleding van gen
is dat door Volvo is goedgekeurd voor
gebruik met SIPS-airbags.
Plaats geen voorwerpen of
accessoires in de zone van ontplooiing van de zijde-lir
airbag.
Probeer nooit om het SIPS-paneel in
de voorstoelen te openen. Het
vervangen van de onderdelen van de SIRS, uitboe man slecht uitvareerd
SIT S-annog mag siechts ungevoerd worden door een erkende Volvo-
werkplaats.
Het SIPS-systeem bestaat uit een elektronische inrichting met twee hoofdelementen: de airbagmodule en de sensoreenheid. De airbag-module bevindt zich in het frame van de rugleuning van de stoel en de sensor is bevestigd aan de zijkant van het zitgedeelte van de stoel, aan de kant van het portier. Omdat het SIPS-systeem een elektronisch systeem is, wordt de sensor doorlopend gecontroleerd door de sensor van het SRS-systeem. In opgeblazen toestand heeft de airbag een inhoud van ongeveer 15 liter,
Passagiersairbag uitschakelen
Indien de auto uitgerust is met een
cm niet vooraan zitten in een kinderzitje of op een zitkussen. Indien u dit toch wenst, moet
eerst de passagiersairbag uitgeschakeld
worden. Neem voor de verschillende
uitschakelalternatieven contact op met uw
Volvo-dealer.

Airbag en kinderzitje kunnen niet samen worden gebruikt!
Een kind in het kinderzitje of op het kinderkussen kan ernstig letsel oplopen op de voorstoel bij auto's met een airbag aan passagierskant.
Als de auto enkel uitgerust is met een airbag voor zijdelingse aanrijdingen, mogen kinder-zitje of kinderstoel op de voorstoel geplaatst worden.
De veiligste plaatsen voor kinderen in een kinderzitje of op een kinderkussen is op de achterbank bij auto's met airbag (SRS) aan passagierskant.
WAARSCHUWING!
SRS (Airbag) SIPS-airbag
Het centrale element van het Volvo-veiligheids- systeem
De driepuntsgordel vormt het centrale element van het Volvo-veiligheidssysteem. Alle inzittenden moeten een veiligheidsgordel dragen in alle omstandigheden. Het SRS-systeem vormt slechts een aanvullende beveiliging op de driepuntsgordel, zoals het SIPS-airbagsysteem een aanvulling vormt op het SIPS-systeem in de carrosserie.
Wanneer de airbags worden opgeblazen
De sensor van het SRS-systeem reageert overeenkomstig de kracht van de afremming en snelheidsvermindering die veroorzaakt worden door de botsing. De sensor bepaalt dus aan de hand van de aard en de sterkte van de botsing of de airbags moeten worden opgeblazen.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de sensoren van de auto niet geactiveerd worden door vervorming van de carrosserie, maar wel door een sterke vaartvermindering op het moment van de botsing. Dit houdt in dat het SRS-systeem zal reageren wanneer de inzittenden in de voorstoelen gevaar lopen letsel op te lopen door aanraking met het dashboard of het stuurwiel.
De bovenstaande informatie geldt eveneens voor de SIPS-airbag, op het feit na dat deze alleen geactiveerd wordt bij zijdelingse botsingen, wanneer de auto in botsing komt met een onbeweeglijk/massief voorwerp binnen de zone die bestreken wordt door het SIPS-systeem, en als deze botsing voldoende zwaar is.
!
De SRS-sensor zit op in de middenconsole tussen de voorstolen. Als de vloerbekleding doorweekt raakt of als de vloer van het pas sagiersgedeelte onder water komt te staan, dient u de accuklemme onder de motorkap los te koppelen. Probeer de motor niet te start omdat dan de airbag geactiveerd kan worden. Laat de auto wegsk naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats.
WAARSCHUWING!
OPMERKING! Het SRS- en SIPS-airbagsysteem kan slechts één keer worden geactiveerd. Daarna adviseren wij het volgende:
- Laat de auto naar een Volvo-werkplaats slepen. Zelfs als de auto het ongeluk nog kan rijden, raden wij u af om ermee te blijven rijden nadat de airbags geactiveerd zijn.
- De onderdelen van het SRS- en SIPS-systeem moeten worden vervangen in een erkende Volvo-werkplaats.
- Gebruik alleen originele Volvo-onderdelen om de SRS- en SIPS-onderdelen te vervangen (airbags, gordelspanners etc.).
Voor,werp binnen de zone als bestreichen wordt door het DIP S system, en als deze botsing voldoende zwaar is.
OPMERKING! Het SRS- en SIPS-airbagsysteem kan slechts één keer worden geactiveerd. Daarna adviseren wij het volgende:
- Laat de auto naar een Volvo-werkplaats slepen. Zelfs als de auto na het ongeluk nog kan rijden, raden wij u af om ermee te blijven rijden nadat de airbags geactiveerd zijn.
- De onderdelen van het SRS- en SIPS-systeem moeten worden vervangen in een erkende Volvo-werkplaats.
- Gebruik alleen originele Volvo-onderdelen om de SRS- en SIPS-onderdelen te vervangen (airbags, gordelspanners etc.).
WHIPS (Whiplash-beschermingssysteem)

OPMERKING! Plaats geen
dozen of dergelijke tussen het
zitkussen van de achterbank en
de rugleuning van de
voorstoel.
WHIPS
Het systeem bestaat uit energie-absorberende rugleuningen en speciaal ontwikkelde hoofdsteunen in de voorstoelen.
WHIPS-stoel
Het WHIPS-systeem wordt geactiveerd bij een aanrijding van achteren, afhankelijk van de aanrijdingshoek, snelheid en eigenschappen van het voertuig dat bij de aanrijding betrokken is. Na activering worden de
rugleuningen van de voorstoelen (indien deze bezet zijn) naar achteren geplaatst, waardoor de zitpositie van de bestuurder en passagier
verandert. Hierdoor vermindert het risico op whiplash-letsel aan de nek.
Juiste zithouding
Voor een zo goed mogelijke zithouding dienen de bestuurder en passagier in het midden van de stoelen te zitten en te zorgen voor zo min mogelijk ruimte tussen het hoofd en de hoofdsteun.
WAARSCHUWING!
Indien de stoel is blootgesteld aan grote krachten, zoals
bijvoorbeeld bij een aanrijding, dan dient het WHIPS systeem gecontroleerd te worden door een erkende werkplaats. Zelfs indien
de stoel niet beschadigd lijkt, kan het zijn dat het WHIPS-systeem is geactiveerd zonder dat er zichtbare schade is aangebracht aan de stoel. De beschermende eigenschappen van het WHIPS-systeem
Portieren en sloten

De auto wordt geleverd met twee hoofdsleutels en één hulpsleutel. Elke sleutel is uitgerust met een gecodeerde zender/ontvanger
(transponder). De code van elke sleutel wordt doorgegeven via een antenne in het contactslot en vergeleken met de code in de gelegenheid.
en vergedien met de code in de regondernato van de startonderbreker. De auto kan alleen gestart worden als de juiste sleutel met de juiste code gebruikt wordt.
Als u een van de autosleutels verliest, moet u alle overblijvende sleutels naar een erkende
Volvo-werkplaats brengen, Als preventieve
maatregel tegen dierstal moeten de codes van de verloren sleutels uit het systeem worden
gewist. Tegelijkertijd moeten de overblijvende sleutels weer in het systeem worden
geprogrammeerd.
Bij de sleutels wordt een apart plaatje geleverd
waarop de sleutelnummers staan. Bewaar dit
plaatje op een veilige plaats. Neem het mee als u de sleutels een nieuwe code wilt laten geven.
Laat de sleutel nooit in het startslot wanneer u de auto verlaat!
Als u vergeet de contactsleutel uit het contactslot te halen en de het portier a
bestuurderszijde van binnen of van buiten sluit, geeft het centrale vergrendelingssysteem
een geluidssignaal als het portier aan de bestuurderszijde automatisch wordt
ontgrendeld.


Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten


Hulpsleutel
Voor voorportieren, contact en stuurslot

Afstandsbediening
Als de auto geleverd wordt met afstandsbediening, bestaat die uit twee exemplar
Als u de afstandsbediening kwijt bent of als hij beschadigd is, dient u contact op te nemen met
uw Volvo-dealer. Er kunnen maximaal drie afstandsbedieningen tegelijkertijd gecodeerd en in gebruik zijn.
Portieren en sloten
"Deadlock" vergrendelings-positie
Uw auto beschikt over een speciale "dead-lock"
vergrendelingspositie. Als de portieren in deze
positie worden vergrendeld, kunnen ze niet van
binnenuit worden geopend. De "dead-lock"-
vergrendeling kan van buitenaf alleen worden
geactiveerd door het bestuur-dersportier af te
sluiten met een sleutel of een afstands-bediening
en niet via de kofferruimte.
Alle portieren, de achterklep en de achterdeur
moeten gesloten zijn voordat de "deadlock"
vergrendeling geactiveerd kan worden. Nu
kunnen de portieren niet meer van binnenuit
geopend worden. De auto kan alleen van bui
tenaf geopend worden via het bestuurders-portier
of met de afstandsbediening. De achter-klep kan
apart geopend worden.
Als u een vijfdeursmodel hebt, moet de kinder-
vergrendeling van de achterdeur ingeschakeld
zijn om de "deadlock"-vergrendeling in wer-king
te kunnen stellen. Als de auto in de "dead-lock"-
vergrendeling staat, kunnen de achter-klep en de
benzineklep niet geopend worden van binnenuit.
(1) 本说明仅供参考。
WAARSCHUWING! Zorg ervoor dat de "deadlock".
vergrendeling nooit in werking
wordt gesteld als er zich nog iemand
in de auto bevindt, omdat de portieren
dan niet van binnenuit geopend kunnen
worden!
Gooi lege batterijen niet zomaar weg.
aangezien die schadelijk zijn voor het
milieu. Vraag advies aan uw Volvo-dealer.
Vermijd contact tussen uw vingers en de
batterij of de batterijpolen.


De batterij vervangen
Volvo adviseert om de afstandsbediening niet
te gebruiken om de portieren van binnenuit te
sluiten. Om veiligheidsredenen is het niet
mogelijk de portieren af te sluiten wanneer de
sleutel in het contact zit. Als u het bestuur-
dersportier sluit, zowel van buitenaf als van
binnenuit, met de sleutel nog in het contact,
stuurt het centrale vergrendelingssysteem een
"ontgrendel"-signaal naar het bestuurders-
portier.
Als de afstandsbediening niet meer werkt op de gebruikelijke afstand van de auto, dient u de batterij bij de eerstvolgende onderhoudsbeurt of anders binnen een paar weken te vervangen.
- Verwijder de achterzijde van de
afstandsbediening met behulp van een
muntstuk.
Vervang de batterij (3 Volt, type CR2016). Plaats het deksel terug en controleer of het
stevig vastzit zodat er geen water in de
afstandsbediening terecht kan komen.
(1) 2017年1月1日至2018年1月1日,公司与关联方累计发生关联交易的总金额为人民币45,000万元。
Volvo adviseert om de afstandsbediening niet
te gebruiken om de portieren van binnenuit te
sluiten. Om veiligheidsredenen is het niet
mogelijk de portieren af te sluiten wanneer de
sleutel in het contact zit. Als u het bestuur-
dersportier sluit, zowel van buitenaf als van
binnenuit, met de sleutel nog in het contact,
stuurt het centrale vergrendelingssysteem een
"ontgrendel"-signaal naar het bestuurders-
portier.
Volvo adviseert om de afstandsbediening niet
te gebruiken om de portieren van binnenuit te
sluiten. Om veiligheidsredenen is het niet
of anders binnen een paar weken te vervangen.
- Verwijder de achterzijde van de
afstandsbediening met behulp van een
muntstuk.
• Vervang de batterij (3 Volt, type CR2016).
- Plaats het deksel terug en controleer of het
stevig vastzit zodal er geen water in de
afstandsbediening terecht kan komen.
Vergrendelen en ontgrendelen

Vergrendelen en ontgrendelen van binnenuit
Met behulp van de schakelaars die zich in
beide voorportieren bevinden kunt u alle port-
ieren gelijktijdig vergrendelen of ontgren-delen,
Als tw auto ungerust is niet de deaultock
vergrendeling werken de schakelaars niet indien
vergrafteling werken de schanleitals met, onder
er een of meerdere portieren open-staan.
U kunt tevens alle deuren apart vergrendelen
of ontgrendelen met behulp van de slotknopjes.
Wanneer u de achterportieren vergrendelt met de
slotknopjes, zijn de openingshandgrepen
van de achterdeuren buiten gebruik. Als u de achterpertieren van binnepuit wilt organen
lachterportieren van innmendt wirt openen,
meet u de slodknopies waar omhavs trakken
Als u na ontgrendeling van de auto met de
afstandsbediening niet binnen twee minuten
een van de portieren of het kofferdeksel opent.
worden de portieren en het kofferdeksel auto- mutisch voor vorgendeld. Deze functie voor-
maatsch weer vergrendoeld. Deze functie v komt dat de gebruiker de auto onbedoeld
uchterlaat zonder hem af te sluiten.
De geblokkeerde slotstand is niet
geactiveerd bij automatische vergrendeling.
Uw auto vergrendelen en ontgrendelen van buitena
Door gebruik te maken van uw portiersleutel
of afstandsbediening, worden alle zijdeuren en
de achterklep/kofferdeksel tegelijkertijd ver-
grenduela. In deze positie zijn de slotknopjes en de handgeren aan de binnenkant buiten
gebruik (geldt voor auto's met een "deadlock"
vergrendelingssysteem). Hierdoor is het voor
onbevoegden uiterst moeilijk om de portieren te
openen.
Met behulp van de portiersleutel of de af-
standsbediening kunnen alle Zijportieren en de
lachterklep genjektjung omgreendeld worden.
Vergrendelen en ontgrendelen

Het apart vergrendelen van het kofferdeksel en het handschoen- enkastje
Als u de hoofdsleutel in het kofferdekselslot steekt en 90 graden tegen de klok in draait (A), wordt het kofferdeksel apart afgesloten. In dit geval kan het kofferdeksel niet ontgrendeld worden met een hulpsleutel, met de afstandsbediening of met de schakelaar in het portier. U kunt het slot uitsluitend met de hoofdsleutel uit deze positie halen (B). Het handschoenenkastje kan uitsluitend vergrendeld en ontgrendeld worden met de hoofdsleutel. Het handschoenenkastje wordt zodoende apart afgesloten.
De kofferbak/achterklep kan niet met de achterklepknop op de afstandsbediening worden vergrendeld. Men kan er alleen mee ontgrendelen. U kunt de achterklep/kofferbak of met de sleutel in het bestuurdersportier of met de LOCK-knop op de afstandsbediening vergrendelen. Van binnenuit: Met de schakelaar in het portier kunt u het kofferdeksel of de achterklep ontgrendelen. Deze schakelaar werkt niet in een rijdende auto. Als u het kofferdeksel van binnenuit opent, springt het een klein stukje open.
Benzineklep
Trek aan de hendel om de klep te openen. Wanneer u de klep weer sluit, moet u stevig duwen, tot hij vastklikt.
Vergrendelen en ontgrendelen van kofferdeksel en achterklep
Van buitenaf: De achterklep c.q. het
kofferbakdeksel kan worden ontgrendeld met de afstandsbediening door de knop voor de achterklep twee maal binnen 3 sekonden in te
drukken. De achterklep c.q. het kofferbakdeksel kan ook met de hoofdsleutel worden
ontgrendeld. Wanneer u de achterklep c.q. het kofferbakdeksel ontgrendelt, gaat deze een
beetje open. Indien u de auto met de
portiersleutel vergrendelt of de LOCK-knop op de afstandsbediening indrukt, dan worden
kofferbakdeksel/achterklep tegelijkertijd m portieren vergrendeld. Indien alle portieren
vergrendeld zijn wanneer u het kofferbakdeksel sluit, dan wordt het kofferbakdeksel
automatisch ook vergrendeld.
Kinderslot


WAARSCHUWING!


Pal voor kinderslot
Kinderslot - zijdeuren
De pal voor het kinderslot zit aan de achterkant van beide achterdeuren en is alleen bereikbaar als de deur open is.
A De deur kan niet van binnenuit geopend worden B De deur kan van binnenuit geopend worden
Denk eraan dat passagiers achter in de auto bij een ongeluk de achterdeuren niet zelf kunnen openen als de pal in positie A staat. De achterdeuren moeten in dat geval van buiten geopend worden.
2:26
Pal voor kinderslot
Kinderslot - achterklep (alleen voor auto's met naar achteren gerichte extra bank)
Gebruik de pal als u wilt voorkomen dat de achterklep van binnenuit geopend wordt. De gemakkelijkste manier om de pal te verzetten is met een kleine schroevendraaier. Denk er echter aan dat bij een ongeluk passagiers in de extra stoel de achterklep niet van binnenuit kunnen openen als de pal in positie A staat.
A Klep kan niet van binnenuit geopend worden
B Klep kan van binnenuit geopend word
Als u de "deadlock"-vergrendeling gebruikt dient u er voor een optimale veiligheid voor te zorgen dat het kinderslot van de achterklep op positie A staat.
Kinderslot - achterklep (alleen voor auto's met naar achteren gerichte extra bank)
Gebruik de pal als u wilt voorkomen dat de achterklep van binnenuit geopend wordt. De gemakkelijkste manier om de pal te verzetter
is met een kleine schroevendraaier. Denk er echter aan dat bij een ongeluk passagiers in de extra stoel de achterklep niet van binnenuit kunnen openen als de pal in positie A staat.
A Klep kan niet van binnenuit geopend
worden
B Klep kan van binnenuit geopend worden
Als u de "deadlock"-vergrendeling gebruikt
dient u er voor een optimale veiligheid voor te
zorgen dai het positie A staat.
Kinderslot - achterklep (alleen voor auto's met naar achteren gerichte extra bank)
Gebruik de pal als u wilt voorkomen dat de achterklep van binnenuit geopend wordt. De gemakkelijkste manier om de pal te verzetten
is met een kleine schroevendraaier. Denk er echter aan dat bij een ongeluk passagiers in de extra stoel de achterklep niet van binnenuit kunnen openen als de pal in positie A staat.
A Klep kan niet van binnenuit geopend
worden
B Klep kan van binnenuit geopend worden
Als u de "deadlock"-vergrendeling gebruikt
dient u er voor een optimale veiligheid voor te zorgen dat het kinderslot van de achterklen op
positie A staat.
Kinderslot - achterklep (alleen voor auto's met naar achteren gerichte extra bank)
Gebruik de pal als u wilt voorkomen dat de achterklep van binnenuit geopend wordt. De gemakkelijkste manier om de pal te verzetten
is met een kleine schroevendraaier. Denk er echter aan dat bij een ongeluk passagiers in de extra stoel de achterklep niet van binnenuit kunnen openen als de pal in positie A staat.
A Klep kan niet van binnenuit geopend
Als u de "deadlock"-vergrendeling gebruikt
dient u er voor een optimale veiligheid voor te zorgen dat het kinderslot van de achterklen op
positie A staat.












Pal voor kinderslot















Pal voor kinderslot














A B
A B
A B
A B
A B
Alarm

Het gecodeerde radiosignaal dat wordt gebruikt voor het aan- en uitzetten van het alarm en dat verzonden wordt met de afstandsbediening, is een "rolling code"-signaal. Dit betekent dat het in een willekeurige volgorde wordt veranderd voor elke verzending. Hiermee wordt het registreren van de code door onbevoegden voorkomen.
- Er wordt beweging waargenomen in het passagiersgedeelte (als de auto is uitgerust met een bewegingssensor) - De auto wordt opgetild of weggesleept (als de auto is uitgerust met een niveausensor) - Er is een accukabel ontkoppeld. Als dit gebeurt zal de sirene 10 maal gedurende 30 seconden klinken met een tussenpoos van 5 seconden tussen elk signaal. Als de auto uitgerust is met een reservebatterij voor de sirene (optionele uitrusting) kan deze functie niet worden onderbroken.
N.B.! Als uw auto uitgerust is met een bewegingssensor, moet u erover waken dat deze niet afgedekt wordt met kleding of andere voorwerpen.
- Er breekt een ruit (als de auto is uitgerust met een glasbreuksensor)
Alarm
| Inschakeling van het alarmsysteemDruk op de LOCK-knop op de afstandsbediening. Bij wijze van bevestiging branden de richtingaanwijzers eenmaal lang. In bepaalde landen kan het alarm ook ingeschakeld worden met de sleutel of de portierschakelaars.Uitschakeling van het alarmsysteemDruk op de UNLOCK-knop op de afstandsbediening. Bij wijze van bevestiging branden de richtingaanwijzers tweemaal kort. In bepaalde landen kan het alarm ook uitgeschakeld worden met de sleutel.Automatische inschakeling van het alarmsysteemAls u na het uitschakelen van het alarmsysteem met de afstandsbedie- ning niet binnen twee minuten een van de portieren of het kofferdek-sel/ de achterklep opent, wordt het alarm automatisch opnieuw inges- schakeld. Deze functie voorkomt dat de gebruiker de auto onbedoeld achterlaat zonder het alarm in te schakelen.Het alarm uitzettenAls het alarm weerklinkt en u wilt het uitzetten, dient u op de UNLOCK-knop van de afstandsbediening te drukken. In bepaalde landen kan het alarm ook uitgeschakeld worden met de sleutel of de portierschakelaars. Bij wijze van bevestiging branden de richting- aanwijzers tweemaal kort.Opmerking!Als het uitrustingsniveau van uw auto niet in de mogelijkheid van in/ uitschakeling van het alarm met de sleutel voorziet, en uw afstandsbediening werkt niet of is zoekgeraakt, dan is het toch mogelijk om de auto te starten. Ga als volgt te werk: Open het bestuurdersportier met de sleutel. Het alarm wordt ingeschakeld en de | contact in. Het alarmsysteem is nu tijdelijk uitgeschakeld. Als het bij de eerste poging niet lukte om het contact in te schakelen, moet men deze handeling herhalen.Het alarm zal vervolgens weer worden ingeschakeld wanneer de auto metHoorbaar signaalHet hoorbare alarmsignaal wordt voortgebracht door een aparte alarm- claxon of door een tweede accusirene. Eén alarmcyclus duurt 30 seconden.Optisch signaalHet optische alarmsignaal wordt gegeven door alle richtingaanwijzers, die gedurende vijf minuten knipperen, en door het binnenlicht, dat gedurende vijf minuten brandt.Controlelampje alarmEen controlelampje (LED) boven op het dashboard geeft de stand van het alarmsysteem aan:LED is uit: Alarm is uitgeschakeld.LED knippert één keer per seconde: Alarm is ingeschakeld.Tussen het uitschakelen van het alarm en het starten van de auto, knippert de LED snel: Het alarm is geactiveerd.Na het aanzetten van het contact knippert de LED snel gedurende 15 seconden: Er is een storing waargenomen in het alarmsysteem of in de elektrische startonderbreker. Neem contact op met uw Volvo-dealer.Overvalalarm (in bepaalde landen)Het overvalalarm dient voor uw persoonlijke bescherming. In noodge- vallen kunt u het alarm laten weerklinken, om de aandacht te trekken, door de rode knop op de afstandsbediening gedurende drie seconden ingedrukt te houden of door er minstens tweemaal binnen drie seconden op te drukken. |
Alarm
Voorkomen van ongewenst alarm
Als uw auto is uitgerust met bewegingssensoren, moeten alle ramen en het schuifdak gesloten worden alvorens het alarm in te schakelen.
Als uw auto verwarming heeft
Als uw auto uitgerust is met een verwarmingstoestel en met bewegingssensoren (extra uitrusting), en u wilt de verwarming gebruiken en tegelijk uw alarmsysteem inschakelen, moet u de sensoren tijdelijk ontkoppelen.
!
Probeer niet zelf het onderhoud aan een onderdeel van het alarmsysteem uit te voeren. Daarmee kunt u de verzekerings- voorwaarden schenden.
Speciaal voor België
Passief inschakelen
Het alarm wordt ingeschakeld zodra het bestuurdersportier gesloten wordt, van buitenaf of van binnenuit, op voorwaarde dat de andere portieren ook gesloten zijn.
Garagemode
Zet het contact af en haal de sleutel uit het startslot. Druk de schakelaar in het bestuurdersportier naar de ontgrendelings-positie gedurende minimum 3 seconden. Na 3 seconden worden de portieren vergrendeld en direct weer ontgrendeld. Na deze bevestiging moet u de UNLOCK-toets van de afstandsbediening binnen de 15 seconden indrukken. De auto is nu in Garagemode en u kunt er aan werken zonder dat de passieve inschakeling plaatsvindt. Om de Garagemode weer te verlaten, moet u de LOCK-toets van de afstandsbediening indrukken.
Tijdelijk ontkoppelen van de sensoren
Om te voorkomen dat het alarm per ongeluk gestart wordt als u bijvoorbeeld een hond in de auto achterlaat of tijdens een tocht op een veerboot, kunnen de bewegings- en niveausensoren tijdelijk ontkoppeld worden. Zet het contact uit, verwijder de contactsleutel uit het contact en sluit alle portieren. Druk minimaal drie seconden op de vergrendelingsschakelaar in vergrendelingspositie in het bestuurdersportier. Eerst worden alle deuren vergrendeld en daarna worden ze bij wijze van bevestiging na drie seconden weer ontgrendeld. De auto kan nu afgesloten worden en het alarm kan ingeschakeld worden met behulp van de afstandsbediening. De sensoren blijven ontkoppeld tot het contact weer wordt aangezet.
- Zet het contact af.
- Open/sluit een van de portieren. 30
seconden na de sluiting van het laatste portier wordt het alarm ingeschakeld zonder vergrendeling van de portieren.
Ministerie van Verkeer en Waterstaat NL. 95080270
Motorkap

Vergrendelingen draaien – helemaal openen
De motorkap gaat normaal over een hoek van ca 57° open. U kunt deze loodrecht zetten door de vergrendelingen van de scharnieren naar beneden te draaien; zie de afbeelding. De vergrendelingen gaan automatisch in hun normale stand terug, als u de motorkap dichtdoet. Let erop, dat de motorkap in een garage het plafond niet raakt!
!
Controleer bij het dichtdoen of de motorkap goed vergrendeld is!
WAARSCHUWING!
Aan de handgreep trekken...

... aan de handgreep trekken en optillen
Motorkap openen
Trek aan de slothandgreep helemaal links onder het dashboard. U hoort wanneer de sluiting loslaat. Trek aan de handgreep helemaal links onder het dashboard. U v wanneer de sluiting loslaat. Maak de veiligheidslip los en til de motorkap op.

Bagageruimte - 4-deurs model
Gevarendriehoek Krik

Bagageruimte
Het reservewiel ligt onder de mat van de bagageruimte. De krik met slinger zit in de velg vast.
Let erop, als de krik na gebruik weer opgeborgen wordt, dat deze goed vastzit. Aanbringen, zie de sticker op het luik over het reservewiel.

Bagageruimteverlichting
A Lampje altijd uit. B Lampje brandt, als het kofferdeksel open is.
=Neerklapbare bank - 4-deurs model:

Vergrendelingsknop naar voren trekken

Autogordel van de middelste plaats
Achterbank neerklappen
De rugleuning van de achterbank bestaat uit meerdere delen en elk deel kan apart neergeklapt worden. Zo krijgt u verschillende laadmogelijkheden.
- Breng de achterbankgordels over het vaste
gedeelte van de rugleuning omhoog. De
gordel van de middelste plaats kan ook bij
iemand in de bagageruimte komt.
Trek de vergrendelingsknop naar voren en
klap de rugleuning neer.
Aan de achterkant van de rugleuning zitten
WAARSCHUWING!
Wanneer u de ruggesteun omhoogklapt, moet u nagaan of hij correct is vergrendeld.
Rugleuning neerklappen Lange lading

De rugleuning van de passagiersstoel kan met twee grendels horizontaal neergeklapt worden, b.v. voor lange lading.
- Zet de rugleuning in de voorste stand.
- Til de grendels aan de achterkant van de rugleuning op.
- Klap tegelijk de rugleuning naar voren.
Lange lading (4-deurs model)
Om lange voorwerpen te kunnen vervoeren heeft het paneel achter de midden-armsteun een luikje om volgens de afbeelding te kunnen laden.
N.B! Dit luikie is alleen voor lichte lading (b.v. ski's). Maximumlengte 2
meter en maximumgewicht 25 kg.
Opmerking! Als de auto is uitgerust met een geïntegreerd kinderkussen.
moet u dit eerst uitklappen.

Zet bij het laden en lossen van lange voorwerpen de motor af en trek
de parkeerrem aan! Anders kunt u in ongunstige gevallen met de la
ding de versnellings- of keuzehendel raken en deze in een rijstand
zetten, zodat de auto kan gaan rijden.


Veranker de lading b.v. met de gordel rond de neergeklapte arm-
steun; zie de afbeelding. Anders kan de lading bij sterk afremmen
verschuiven en inzittenden letsel toebrengen.
Bescherm scherpe randen met iets zachts.
Verankeringspunten - 4-deurs model


Bagageruimteverlichting
Er is een extra lampje in het plafond aan de achterkant van de bagageruimte.
A Lampje altijd uit.
Lampje brandt wanneer het kofferdeksel open is.
Verankeringsogen
Veranker volumineuze en zware lading altijd! Anders kan bij sterk afremmen of een botsing persoonlijk letsel ontstaan. Er zijn twee ogen om band of touw in vast te maken. Uw Volvo-dealer heeft een veiligheidsnet voor lading; verder kunt u band kopen dat in de ogen past.
Bagageruimte - 5-deurs model

Controleer of de veiligheidsgordels niet vast-
geklemd zitten door de bank.
Om de laadruimte uit te breiden volstaat het neerklappen van de rugleuning op de zitting.
Bij het terugzetten van rugleuning en zitting op hun normale plaats moet u ervoor zorgen dat ook de hoofdsteunen naar hun normale positie terugkeren.
Controleer of de rode grendelindicateur niet langer zichtbaar is (B). De rugleuning is correct vergrendeld in open positie wanneer de indicateur verdwijnt.

• Druk de grendel van de rugleuning naar
achter en klap de rugleuning naar voren.
N.B! Zorg ervoor dat de gaten in de plastic delen van de rugleuning op de goede plaats terecht komen voor de haken op de kussen-zitting.
- Bij het terugzetten van rugleuning en zitting
op hun normale plaats moet u ervoor zorgen dat ook de hoofdsteunen naar hun normale positie terugkeren.
- De hoofdsteunen van de twee buitenste zitplaatsen moeten worden neergeklapt maar niet verwijderd. Trek ze recht naar boven en klap ze dan neer. Laat ook de centrale hoofdsteun zakken indien nodig.

Verlengen van de laadruimte
- De achterbank is in twee delen opgesplitst en elk deel kan apart worden neergeklapt. - Zet de rugleuningen van de voorstoelen
rechter als ze sterk achterover hellen.
- Trek het bandje van de bankzitting naar u toe en kantel de zitting naar de rugleuning
van de voorstoelen toe,
De hoofdsteunen van de twee buitenste zitplaatsen moeten worden neergeklapt maar niet verwijderd. Trek ze recht naar boven en
klap ze dan neer. Laat ook de centrale hoofdsteun zakken indien nodig.

Bagageruimte - 5-deurs model

Verwijderen van de zitting
Verwijderen van de zitting
zakken en til hem uit de auto. Om de zitting terug te zetten gaat u te werk in omgekeerde volgorde.
De zitting kan gemakkelijk worden verwijderd, wat zorgt voor een grotere laadruimte. Klap de zitting omhoog naar de voorstoelen, maak de rode plastic bevestigingen los, ontkoppel de elektrische aansluitingen, laat de zitting iets

Laad zware lading niet tot vlak bij de voorstoelen: hierdoor wordt de neergeklapte rugleuning onmodig zwaar belast. Laad nooit hoger dan de rugleuning! Als u dit toch doet, kan bij sterk afremmen of een botsing de lading naar voren geslingerd worden en u of uw passagiers ernstig letsel toebrengen. Denk er ook aan om de lading altijd goed te verankeren (vast te binden).
WAARSCHUWING!

De rode grendelindicateur voor de vergrendeling van de rugleuning is zichtbaar wanneer de rugleuning niet vergrendeld is. Wanneer hij niet meer zichtbaar is, is de rugleuning vergrendeld. Het rijden met een niet-vergrendelde rugleuning kan ernstig persoonlijk letsel veroorzaken bij plots remmen of ongeval, aangezien de veiligheidsgordels dan niet werken.
Bagageruimte - 5-deurs model

Veranker volumineuze en zware ladingen altijd! Anders kan bij plots remmen of botsingen persoonlijk letsel ontstaan. Er zijn zes ogen om de lading te verankeren met touw of banden (vier in de bagageruimte en twee in het interieur). Uw Volvo-dealer heeft geschikte banden en ladingnetten. N.B! Zorg ervoor dat de verwarmings- en antennedraden aan de binnenkant van de ramen niet kunnen worden beschadigd door de vervoerde voorwerpen. Zorg er ook voor dat u bij het reinigen van de ramen de draden niet beschadigt, bijv. met ringen.
Verbanddoos (extra uitrusting)
Het Eerste-hulpkussen bevat een verbanddoos. In een stationcar
bevindt dit zich in het draagnet aan de linkerzijde of onder het rechter luik in de bagageruimte. In andere modellen bevindt het zich op de hoedenplank.
Reservewiel en krik
Het reservewiel bevindt zich onder de mat in een speciale uitsparing. Verwijder de bedekking achteraan en til de bedekking vooraan op om toegang te krijgen tot het reservewiel. De krik en de slinger zitten vast in de velg. Zorg ervoor dat de krik na gebruik weer stevig wordt vastgezet. Aanbrengen, zie de sticker op het luik over het reservewiel.
—Ladingnet

Ladingnet (extra uitrusting)
Een ladingnet is nuttig om ladingen veilig te verankeren. Het is gemaakt van stevig nylon en wordt afgerold vanuit de rugleuning van de achterbank. Het ladingnet moet vanaf de achterkant worden afgerold en geplaatst.
Om het net te verwijderen gaat u te werk in omgekeerde volgorde.
Het ladingnet kan ook worden gebruikt wanneer de achterbank is neergeklapt, maar dan moet een extra steun op de instaphandgreep worden gebruikt.
- Open de afdekking van de rechter rugleuning achteraan.
- Trek het ladingnet naar u toe (1).
- Haak eerst de stang op de steun aan de rechterkant, trek dan de stang
uit en haak hem op zijn plaats aan de linkerkant (2&3).
- Trek het ladingnet links uit en bevestig het aan de stang (4).
• N.B! Zorg ervoor dat het net correct vastzit aan de haken (5).
Bagage-afdekking

Trek de bagage-afdekking uit, over de bagage, en haak hem in de gaten van de achterstijlen in de bagageruimte.
Om de bagage-afdekking te verwijderen: - Druk de linkerkant van de bagage-afdekking in en maak hem los van het zijpaneel. - Verwijder de bagage-afdekking. - Voor het (terug) plaatsen gaat u te werk in omgekeerde volgorde.
N.B.! Zorg ervoor dat u de antennebedrading niet beschadigt bij het plaatsen en verwijderen van de bagage-afdekking.

Bagagenet op zijpaneel
(extra uitrusting)
Als de extra zitplaats in gebruik is, mag het bagagenet op het zijpaneel niet worden gebruikt. Het bagagenet op het zijpaneel ma alleen worden gebruikt in combinatie met het bagagenet.
Bevestigen van het bagagenet op het zijpaneel: Zet eerste hoek (1) vast met haak, draai het net vervolgens naar binnen en zet beide klemmen (2) vast. Druk vervolgens de pen in het gat in de vloer. Zet klem (3) in de achterkant vast.
Eén draagzak kan met de klem op zijn plaats worden gehouden. Zie de afbeelding.

De afdekking bevindt zich onder de lijst. Trek de afdekking over de bumper bij het laden en lossen. Met de klittenband kan de afdekking op eenvoudige wijze worden aangebracht en verwijderd.

Het net is niet geschikt voor zware of scherpe voorwerpen. Gebruik da vier verankeringsogen.
Waarschuwing!
Bagageruimte 5-deurs model. Laden

De veiligheidsgordels en airbags bieden bestuurder en passagiers een goede bescherming, vooral bij frontale hotsingen. Het risico van verwondin-
gen kan echter ook van achteren komen. Bij het laden van de auto moet u
eraan denken dat voorwerpen die niet correct zijn geladen en vastgezet
naar voren kunnen worden geslingerd bij botsingen of bij bruusk remmen,
wat ernstige letsels kan veroorzaken. Denk eraan dat een voorwerp van 20 boletver/voelant van 1000 boerde Haar, het de 30
20 kg het equivalent van 1000 kg weegt bij een frontale botsing aan 50 km/h.
- Plaats nooit een lading boven de rugleuning zonder gebruik te maken van een ladingnet.
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt op de volgende pagina's behandeld wat met het rijden te maken heeft, zoals de motor starten, schakelen, slepen, rijden met aanhanger, enz.
| Tankdop | 3:2 |
| Zuinig rijden | 3:3 |
| Motor starten | 3:4 |
| Schakelen | 3:5 |
| Laden en rij-eigenschappen | 3:11 |
| Rijden met caravan (aanhanger) | 3:12 |
| Remsysteem | 3:15 |
| STC | 3:16 |
| Vierwielaandrijving, Slepen | 3:18 |
| Starten met startkabels | 3:20 |
| Maatregelen voor de winter | 3:21 |
| Maatregelen voor lange reizen | 3:21 |
Tankdop

Brandstof (loodvrij) tanken
De tankdop zit achter de klep van het rechter achterscherm. Bij hoge buitentemperaturen kan in de tank wat overdruk ontstaan. Als dit gebeurt, dient u de klep langzaam te openen. Doe niet te veel benzine in de tank. Laat het benzinepistool niet meer dan driemaal automatisch afslaan. Vul niet te veel brandstoftank bij. Bij hoge temperaturen zal het teveel aan brandstof uit de tank stromen. Schroef de dop er na het tanken weer op tot u een klik hoort.
Elektrisch openen van de
benzineklep
Druk op de schakelaar in het portier om de benzineklep automatisch te openen.
De tankdop zit achter de klep van het rechter achterscherm. Hang bij het tanken de dop in d houder aan de binnenkant van de klep. Breng na het tanken de dop weer aan en draai hem vast tot u een klik hoort. . Bij lage temperaturen (-5 tot -40°C), kan de
dieselbrandstof paraffineafzet-tingen vormen, die tot startproblemen kunnen leiden. Bij koud weer moet u er dus over waken speciale winterdiesel te tanken of 20 à 30 % petroleum toe te voegen aan de dieselbrandstof. Vanwege de eigenschappen van RME-brandstof bij lage temperaturen, wordt geadviseerd deze brandstof alleen te gebruiken bij temperaturen boven 0°C. gebruik onder deze temperatuur Dieselbrandstof (MK1).
Zuinig rijden
| Zuinig rijden wil niet zeggen langzaam rijden!Zuinig rijden wil zeggen anticiperend, soepel rijden en de rijstijl en snelheid aan de betreffende situatie aanpassen.Denk aan het volgende:Laat de motor zo snel mogelijk warmdraaien! D.w.z.: laat de motor niet stationair lopen, maar ga zo snel mogelijk met geringe belasting rijden.Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme – twee tot drie maal meer – en slijt bovendien meer.Rijd soepel! Vermijd onnodig snel accelere- ren en sterk afremmen. Zo kunt u veel brandstof besparen.Verlaag de snelheid iets op buiten- en auto-snelwegen.Blijf niet met onnodig zware lading in de auto rijden.Verwijder de imperiaal, als u deze niet ge-bruikt.Als de auto een automatische versnellings-bak heeft, schakelt deze zelf op het juiste moment, maar vermijd onnodig “kick-down”. | Verder moet u natuurlijk de gehele auto en met name de motor in goede conditie houden. Factoren die kunnen helpen om het benzinever-bruik laag te houden zijn b.v.:Goede bougiesEen schoon luchtfilterDe juiste motorolie, het juiste interval om deze te verversen en een nieuw oliefilterRemmen die niet “aanlopen”De juiste wieluitlijningDe juiste bandenspanning | Maar ...Denk erom, dat de allerbelangrijkste factoren wat betreft het brandstofverbruik u zelf en uw manier van het gebruiken van het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingshendel zijn. Het verschil tussen goed en verkeerd rijden kan enkele dl per 10 km betekenen. Dit is heel wat brandstof in een jaar!TURBO-WAARSCHUWING!Wanneer koud: laat de motor direct na het starten niet aan hoge toerentallen razen: de olie is nog viskeus en komt niet tot in alle smeerpunten.Bij het uitschakelen van de motor: laat de motor niet aan hoge toerentallen razen voor u hem uitschakelt. Schakel de motor altijd uit terwijl hij stationair draait. Zo draait de turbolader niet te lang zonder oliedruk. |
Starten van een motor
| Starten van een motor:1. Trek de parkeerrem (handrem) aan2. Zet bij een automaat de keuzehendel in stand P3. Trap het koppelingspedaal in4. Raak het gaspedaal niet aanDieselmotor: Draai de startsleutel in de stand rijden/ voorverwarmen, Wacht tot het controlelampje van de voorverwarming op het instrumentenpaneel dooft.5. Draai de startsleutel in de startstand. Laat - bij elke startpoging - de startmotor werken, totdat de motor aanslaat maar maximaa 10 seconden.Als u niet de juiste sleutel gebruikt, stopt de motor na 2 seconden.Draai voor beter koud-starten de sleutel in stand II en wacht een seconde om de brand-stofdruk op te bouwen. Draai daarna de sleutel in de startstand. | KATALYSATORWAARSCHUWING!Normaal heeft de katalysator een werk-temperatuur van enkele honderden graden. Parkeer de auto niet boven brandbaar materiaal (b.v. hoog gras) dat door de katalysator aangestoken kan worden.Motor zo snel mogelijk warm-draaien!Als de motor aangeslagen is, moet u deze dus zo snel mogelijk op de normale werktemperatuur laten komen. Begin met geringe belasting te rijden en laat de motor niet onnodig stationair lopen. Uit ervaring is gebleken, dat motoren van auto’s waarmee korte stukjes gereden worden, abnormaal snel slijten.Dit komt, doordat de auto nooit op de normale werktemperatuur kan komen. | [IMAGE]VoorverwarmingDe voorverwarming is nodig wanneer de buitentemperatuur lager ligt dan +5°C. Het controlelampje gaat branden wanneer de start-sleutel in de stand rijden/voorverwarmen wordt gedraaid, om aan te geven dat de voorver-warmingsinrichting werkt. Wanneer het lampje dooft, kan de motor worden gestart. Het is de temperatuur van de motor die bepaalt hoe lang moet worden voorverwarmd: hoe kouder de motor, hoe langer de voorverwarming.Wanneer de motor warm is, gaat het controle-lampje niet branden.Als de motor niet start en de voorverwarming moet worden herbegonnen, moet u de sleutel eerst terug in de "0"-stand draaien.Dieselmotor uitzettenDraai de startsleutel in de "0"-stand. Een elek-trische klep onderbreekt de voeding van de motor. Als de motor niet stopt, zie pagina 5:17. |

Zet altijd de garagedeuren helemaal open, als u de motor in de garage start. De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos is, maar wel dodelijk giftig is.

Om de achteruitversnelling in te kunnen schakelen, moet de versnellingshendel eerst in de neutraalstand (tussen 3e en 4e versnelling) worden gezet. Het veiligheidsmechanisme van de achteruitversnelling voorkomt dat vanuit 5e versnelling rechtstreeks in achteruit kan worden geschakeld.

WAARSCHUWING!
Schakel nooit de achteruitversnelling in terwijl u vooruit rijdt.

Schakelstanden
Schakelstanden handgeschakelde versnellingsbak
Trap bij het schakelen het koppelingspedaal telkens helemaal in. Haal tussen het schakelen de voet van het koppelingspedaal. Om zo zuinig mogelijk te rijden moet u bij een normale snelheid van meer dan 70 km/h op buitenwegen de 5e versnelling zo vaak mogelijk gebruiken.
Door de versnellingen in de juiste volgorde te schakelen, gaat de versnellingsbak langer mee. Schakel bijvoorbeeld nooit direct van 2e in 5e versnelling.
Veiligheidssystemen voor de automatische versnellingsbak
| Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak1 Zet de keuzehendel in stand P.2 Start de motor met de contactsleutel.3 Trap het rempedaal in en zet de keuzehendel in de gewenste rijstand - de versnelling schakelt nu met een zekere vertraging in.Dit is duidelijk voelbaar - de auto gaat wat trekken.De motor moet stationair lopen!Geef nooit gas, voordat u gevoeld heeft, dat de versnelling ingeschakeld is.Als u na het kiezen van de rijstand te snel gas geeft, wordt bruusk ingeschakeld en slijt de versnellingsbak onnodig.Zet de parkeerrem los.4 Laat het rempedaal los en geef gas.De auto wordt op de eenvoudigste manier stilgezet: laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal.Zet de keuzehendel in stand P en trek de parkeerrem aan.OPMERKING! Tijdens het rijden met een koude motor (sommige turbomodellen) schakelt de transmissie bij een hoger motortoerental over. Hierdoor bereikt de driewegkatalysator sneller de bedrijfstemperatuur. | Adaptieve systeem van de automatische versnellingsbakDe versnellingsbak wordt geregeld door een "adaptief systeem". De regeleenheid in de auto "leert" voortdurend hoe de versnellingsbak zich op elk moment gedraagt. Het systeem valueert het schakelen in de versnellingsbak en zorgt dat onder alle omstandigheden de optimale schakelstand is geselecteerd. De regeleenheid valueert ook uw rijstijl, bijvoorbeeld hoe hard u het gaspedaal intrapt. | Veiligheidssystemen voor de automatische versnellingsbakDe automatische versnellingsbak die in de auto is geïnstalleerd, beschikt over enkele speciale veiligheidsvoorzieningen:ContactslotvergrendelingDe keuzehendel kan niet uit stand P worden gehaald tenzij de contactsleutel in het contactslot steekt en in stand II is gedraaid. De sleutel kan alleen uit het contactslot worden verwijderd als de keuzehendel in de stand P staat.SchakelvergrendelingVoordat de keuzehendel kan worden verplaatst om een versnelling te kiezen, moet de contactsleutel in de stand II staan en moet het rempedaal zijn ingetrapt.Als u de motor hebt gestart en de auto staat nog stil: Trap het rempedaal in en kies een versnelling met de keuzehendel!Schakelaar startblokkeringIn auto's met een handgeschakelde versnellingsbak kan de motor niet worden gestart tenzij het koppelingspedaal is ingetrapt.Raadpleeg pagina 5:18 als u de keuzehendel in stand P wilt plaatsen, waarbij de schakelvergrendeling wordt geannuleerd (zie hierboven). |
Automatische versnellingsbak AW4
2 Lage versnelling
De auto moet stilstaan voor het inschakelen van de achteruitrijversnelling! N Neutraalstand
De N-stand is de neutraalstand. De motor kan worden gestart, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan wanneer de auto stilstaat en de versnelling in stand N staat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Het omhoog- en omlaagschakelen van de versnellingen gebeurt automatisch, afhankelijk van de gasklepopening, de acceleratie en de snelheid. De auto moet stilstaan voor het overschakelen van R naar D.
3 Lage versnelling
Het omhoog- en omlaagschakelen tussen de 1e, 2e, en 3e derde versnelling gebeurt automatisch.
Er wordt niet tot 4e geschakeld. Stand 3 kan worden gebruikt: • voor het rijden in de bergen
- voor het rijden met een aanhanger - om extra afremmen op de motor te verkrijgen In deze stand brandt het lampje ◆ in h instrumentenpaneel

Kies deze stand bij het starten of parkeren van de auto.
De auto moet stilstaan voor het inschakelen van de P-stand! In stand P wordt de versnellingsbak automatisch vergrendeld. Trek na het parkeren altijd de handrem aan!
Terugschakelblokkering
In deze stand brandt het lampje ◆ in het instrumentenpaneel
Automatische versnellingsbak AW4
"Kickdown"
Als u het gaspedaal volledig intrapt, voorbij de normale volgasstand, schakelt de versnellingsbak onmiddellijk naar een lagere versnelling. Dit is het zogenaamde kickdownschakelen. Wanneer de maximale snelheid voor de betreffende is bereikt, of wanneer u het gaspedaal loslaat van de kickdown-stand, schakelt de versnellingsbak automatisch omhoog. Gebruik de kickdown-stand wanneer u maximaal acceleratievermogen wilt hebben.bijvoorbeeld bij het inhalen De versnellingsbak heeft bij alle versnellingen een kickdown-blokkering.

Het W-programma kan worden in- en uitgeschakeld met de knop. "Winter" is bestemd voor optrekken er op een glad wegoppervlak. Er brandt een LED in het programma de lichten aan zijn. W wordt aangegeven in het instrumentenpaneel. In deze stand brandt het lampje ⚙ in the instrumentenpaneel
Keuzehendelblokkering
(schakelvergrendeling)
U kunt de keuzehendel altijd vrij bewegen tussen D en N. Andere standen hebben een blokkeerknop op de keuzehendel. Door de blokkeerknop op de hendel in te drukken kan de hendel naar achteren en naar voren worden verplaatst tussen R en N, en tussen standen D, 3, 2, en 1.
uitgeschakeld met de knop. "Winter" is bestemd voor optrekken en rijden op een glad wegoppervlak. Er brandt een LED in het programma wanneer
de lichten aan zijn.
W wordt aangegeven in het
instrumentenpanel.
In deze stand brandt het lampje ♠ in het
instrumentenpanel
Automatische versnellingsbak AW5
R Achteruitversnelling
Voor het inschakelen van de
achteruitversnelling moet de auto stilstaan!
N Neutraalstand
De N-stand is de neutraalstand. De auto kan worden gestart, maar er is geen versnelling ingeschakeld. Trek de handrem aan wanneer de auto stilstaat en de versnelling in stand N staat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Het omhoog- en omlaagschakelen van de versnellingen geb automatisch, afhankelijk van de acceleratie de snelheid. De auto moet stilstaan voor het overschakelen van R naar D.
4 Lage versnelling
Het omhoog- en omlaagschakelen tussen de 1e, 2e, 3e en 4e versnelling gebeurt automatisch.
Er wordt niet tot de 5e geschakeld.
Stand 4 kan worden gebruikt:
• voor het rijden in de bergen
- voor het lijden met een aanhanger
- om sterker op de motor af te remmen
In deze stand brandt het lampje ◆ in het
instrumentenpaneel

Keuzehendelstanden
P Parkeerstand
Kies deze stand bij het starten of parkeren van de auto.
Voor het inschakelen van de P-stand moet de auto stilstaan! In stand P wordt de versnel-lingsbak mechanisch vergrendeld. Trek na het parkeren altijd de handrem aan!
Automatische versnellingsbak AW5
"Kickdown"
Als u het gaspedaal volledig intrapt, voorbij de normale volgasstand, schakelt de versnellingsbak automatisch naar een lagere versnelling. Dit is het zogenaamde kickdown schakelen. Wanneer de maximale snelheid voor de betreffende versnelling is bereikt, of wanneer u het gaspedaal uit de kickdown-stand loslaat, schakelt de versnellingsbak onmiddellijk automatisch omhoog. Gebruik de kickdown-stand wanneer u maximaal acceleratievermogen wilt hebben, bijvoorbeeld bij het inhalen. De versnellingsbak heeft voor alle versnellingen een terugschakelblokkering.

Keuzehendelblokkering
(schakelvergrendeling)
U kunt de keuzehendel altijd vrij bewegen
tussen N en D. Andere standen hebben een
vergrendeling, die u met de blokkeerknop op
de keuzehendel bedient.
Door de blokkeerknop op de hendel in te
drukken, kunt u de hendel naar achteren en
naar voren tussen R en N en tussen de standen
D, 4, 3 en L verplaatsen.
W - Winter
Het W-programma wordt in- en uitgeschakeld met de bijbehorende knop.
Gebruik deze stand voor he
rijden op een glad wegdek. Als dit programma
is ingeschakeld, brandt de LED in de knop.
Op het instrumentenpaneel wordt W
aangegeven.
In deze stand brandt het lampje ◆ in het
instrumentenpaneel
Laden en rij - eigenschappen =
Rij-eigenschappen en banden
De banden betekenen veel voor de rij-eigenschappen van de auto. Het bandentype – radiaalbanden –, de maat en de bandenspanning zijn belangrijk voor het gedrag van de auto. Let er bij het vervangen van banden op, dat u hetzelfde type, dezelfde maat en liefst ook hetzelfde merk krijgt als daarvoor op alle vier wielen van de auto zaten en volg onze adviezen voor de bandenspanning op; zie de zelf-klever op de benzineklep.
Als de lastdragers moeten worden verwijderd, verwijdert u de bout uit de sluitring met het gereedschap dat zich in het handschoenenkastje bevindt. De bout bevindt zich aan beide zijden de bovenrand. Vervolgens kan de lastdrager diagonaal naar voren worden verplaatst en omhoog worden getild. Als de lastdragers won bevestigd, moet het gebogen gedeelte aan de voorkant zitten. Voor auto's met een schuifdak het windgeruis worden verminderd door de lastdragers te bevestigen (zie afbeelding).
Niet met open kofferdeksel rijden!
Bij het rijden met een open kofferdeksel kunnen namelijk wat uitlaatgassen en dus giftig koolmonoxyde via de bagageruimte in de auto komen. Maar, als u gedwongen bent om een stukje met open kofferdeksel te rijden, moet u als volgt te werk gaan:
• Doe het schuif-/kanteldak dicht.
- Zet de functiekiezer van de verwarmingsinstallatie op en de aanjager op
volle snelheid, 5. 3:11

Gaten voor imperiaal
De lading en de plaats ervan
beïnvloeden de rij-eigenschappen Bij rijklaargewicht heeft uw auto een neutraal rijkarakter met een lichte neiging tot onder- stuur. Deze eigenschappen, samen met een goede gewichtsverdeling, zorgen, dat de auto in bochten stabiel blijft en de kans op slippen- de achterwielen kleiner wordt. Denk erom, dat deze eigenschappen kunnen veranderen door de manier waarop de auto geladen wordt. Hoe zwaarder de last in de koffer, hoe minder on- derstuurneigingen de auto vertoont. De lading van de auto moet zo aangepast worden, dat het totale gewicht van de auto of de asdruk niet overschreden worden.
Bij gebruik van een imperiaal
- Gebruik een stevige imperiaal die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door Volvo ontwikkeld zijn. - Controleer regelmatig of de imperiaal goed vastzit. - Laad niet meer dan 100 kg op het dak. - Verdeel de lading gelijkmatig over de imperiaal. Laad niet scheef en leg de zwaarste lading onderaan.
- Denk erom, dat het zwaartepunt van de auto en de rij-eigenschappen veranderen, als u zwaar laadt. - Denk erom, dat de auto meer wind vangt en meer brandstof verbruikt, naarmate de lading groter is. - Snoer de lading met een sterk touw stevig vast! - Rijd soepel. Vermijd snel accelereren, sterk afremmen en scherpe bochten nemen. - Verwijder de imperiaal, als u deze niet gebruikt, dan daalt de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
N.B! Imperiaals en skiboxen zijn extra laadruimten voor lichte lading. Laad de zwaarste lading altijd onderaan en diep bagageruimte van de auto. De afstand tussen de dakrailingsteunen mm en mag niet worden gewijzigd (weg versterkingen in het dak). Dit betekent dat bepaalde oudere skibox een vaste afstand tussen de dakrailingste niet kunnen worden gebruikt.
=Dakkoffer, Rijden met een caravan (aanhanger):

Dakkoffer (bepaalde modellen)
Dakkoffer bevestigen
De dakkoffer weegt ongeveer 45 kg. Plaats de koffer op de dragers.
Plaats de zes bevestigingsbeugels vanaf de onderzijde. (Bij bepaalde
modellen zijn twee bevestigingsbeugels iets korter dan de andere.
Plaats deze in het midden.) Zet de riem indien nodig vast in de breidingshouwals. Plaats de breedingingsplasties voor du vium. Des
bevestigingsdeugels. Flaats de bevestigingsplaatjes over de hem. Draal da knopan vast. De kleinste komt hovan en de grootets onder. Draai de
de knopen vast. De kleimste komt boven en de grooeste onder. Draal de knoppen stevig vast. Begin met de kleinere knoppen en doe dan de
knappen ste Ag van! Beginn met de klemere knoppen en doe dan de grotere. Als u de dakkoffer verwiidert, voert u de hovenstaande stampen
uit in de omgekeerde volgorde. Opmerking! Controleer voordat u de
dakkoffer vastzet de ruimte voor de achterklep en spoiler (indien
aanwezig).
Laden
Controleer regelmatig of de dakkoffer goed vast zit op de lastdragers.
De maximale dakbelasting voor de auto is 100 kg inclusief de
dakkoffer! Verdeel de lading gelijkmatig. Zorg dat de zwaarste spullen
zich onder in de dakkotter bevinden. Denk er aan dat rijden met een
dakkoffer van invloed is op de manier waarop de auto zich gedraagt.
Eigenaars van een caravan/aanhanger – lees dit!
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn. Om in de trekhaak/auto de volle treksterkte te bereiken moeten in de langsliggers achter versterkingen aangebracht worden. Bij uw Volvo-dealer kunt u informeren welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstrueerde trekhaken zijn voor uw auto op maat gemaakt en de Volvo-werkplaats helpt u bij het aanbrengen. Om slijtage te voorkomen moet u de trekhaak regelmatig schoonmaken en de kogel* invetten, evenals de bevestigingspen (op verwijderbare trekhaken). N.B! Denk eraan dat de bumper bestemd is voor het opvangen van de schokken, en u dus geen trekhaak kunt gebruiken die aan de bumper moet worden vastgeschroefd!
- Uw auto kan uitgerust zijn met een "Nivomat", d.w.z. een automatische niveauregeling van de achtervering waardoor de achterpartij onder het rijden altijd de juiste hoogte heeft, ongeacht de lading. De Nivomat werkt, als de auto rijdt. Bij een stilstaande auto met zware lading in de bagageruimte of een aangekoppelde caravan daalt de achterpartij door de belasting, maar zodra u gaat rijden, pompt de Nivomat de achterpartij tot de juiste hoogte omhoog. * Is niet van toepassing wanneer u een kogel met ingebouwde zwenk demper gebruikt.

Rijden met een caravan (aanhanger)
N.B! Bovengenoemd maximumgewicht en de snelheidsgrens zijn
door VOLVO CAR CORPORATION toegestaan. Denk eraan, dat
nationale voertuigbepalingen de snelheid en het aanhangergewicht
nog verder kunnen beperken!
Leg de lading zo in de aanhanger, dat het gewicht op de trekhaak van de
auto ca 50 kg bij aanhangergewichten onder 1200 kg en ca 75 kg bij
aanhangergewichten boven 1200 kg is. Merk op dat het gewicht op de
trekhaak (50/75 kg) in het totaal toegelaten gewicht van de auto is inbe-
grepen en dat de koffer eventueel minder zwaar moet worden geladen
zodat de aslast en/of het totaalgewicht bij het trekken van een aanhanger
niet worden overschreden.
(1) 本次股东大会的召集和召开程序
Vermijd bij het nemen van hellingen van meer dan 12% om met aan-
hangergewichten boven 1200 kg te rijden. Op hellingen boven 15% en
meer moet men niet met een aanhanger rijden. De belasting op de aan-
gedreven wielen/voorwielen wordt dan zo laag, dat deze kunnen door-
slippen en doorrijden onmogelijk maken. De auto met aanhanger kan
niet altijd met alleen de parkeerrem blijven stilstaan, de wielen kunnen
op de ondergrond gaan glijden.
Vergeet niet dat een stilstaande auto met aanhanger kan beginnen te rollen. Gebruik daarom niet alleen de parkeerrem, maar vergrendel de auto ook door hem in een versnelling te schakelen en/of blokken aan te brengen voor de wielen.

Tijdens het slepen moeten alle veiligheidskabels
van de aanhanger zijn bevestigd aan het oog naast
de trekhaak.
WAARSCHUWING!
Als aan bovenstaande eisen niet voldaan is, kan de gehele
combinatie bij uitwijken en afremmen moeilijk beheersbaar
worden hetgeen voor u en uw medeweggebruikers gevaarlijk kan
Rijden met caravan (aanhangwagen)


WAARSCHUWING!
Als uw auto uitgerust is met een verwijderbare trekhaak: controleer voor u vertrekt of de trekhaak goed vergrendeld is. De groene grendel moet in horizontale stand staan! Zie afbeelding.
| Maximaal toegestaan aanhanggewicht voor een afgeremde aanhangwagen | Gewicht op de trekhaak | Volvo's versterkingsset vereist. Trillingdemper geadviseerd. | Auto's met automaat: AW5 | |
| Extra oliekoeler wordt geadviseerd. | Extra oliekoeler vereist. | |||
| 0–1200 kg | 50 kg | ● | ||
| 1201–1500 kg | 75 kg | ● | ||
| 1501–1600 kg | 75 kg | ● | ||
Remsysteem

ABS-remmen
ABS is een systeem dat is ontworpen om te voorkomen dat de wielen bij hard remmen blokkeren.
Het systeem "voelt" wanneer de remmen op het punt staan te blokkeren en regelt de rem- druk automatisch om wielblokkering te voor komen.
Het ABS voert een zelfdiagnose uit wanneer de motor wordt gestart en ook bij een snelheid van ong. 30 km/h. U hoort dan een pompend geluid en voelt het rempedaal pulseren. Dit is normaal.
Wanneer het ABS de remdruk regelt, hoort en voelt u het rempedaal duidelijk pulseren. Ook dat is volkomen normaal.
Laat het rempedaal niet los wanneer u het ABS hoort en voelt werken! Merk op dat u het rempedaal volledig moet intrappen om een optima- le remwerking te bekomen maar dat het ABS het totale remvermogen niet verhoogt. Maar doordat de auto altijd bestuurbaar blijft, kunt u hem altijd onder controle houden en rijdt u bijgevolg veiliger.
De rembekrachtiging werkt alleen, als de motor loopt
Als u met afgezette motor rijdt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo sterk op het rerdaal trappen als bij lopende motor. Het rempedaal voelt stug en zwaar aan.
Als de remmen erg zwaar belast worden
Bij het rijden in de Alpen of op andere wegen met dergelijke hoogteverschillen worden de remmen van de auto erg zwaar belast, ook al trapt u niet bijzonder sterk op het rempedaal. Omdat bovendien de snelheid vaak laag is, worden de remmen niet zo effectief gekoeld als bij het rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet zwaarder dan noodzake- lijk te belasten moet u niet alleen de voetrem gebruiken, maar ook terugschakelen en naar beneden dezelfde versnelling als tegen de hel- ling op gebruiken. Bij auto's met een automa-ische versnellingsbak: schakel de 3e versnel-
ing of eventeder saand 12 m. zo wordt eelcever op de motor afgeremd en behoeft de voetrem telkens slechts eventjes gebruikt te worden. Denk erom, dat u bij het rijden met een aanhanger de remmen van de auto nog zwaarder belast.

Als een remcircuit stukgaat
Dan brandt het waarschuwingslampje. Het rempedaal pakt dieper dan normaal; bovendien is meer pedaalkracht nodig om het normale remvermogen te krijgen. Als het waarschuwingslampje brandt: sta onmiddellijk stil en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit, ziet u op pagina 7:10). Als ergens in het reservoir het peil onder MIN ligt: rijd niet verder, maar laat de auto voor controle en reparatie van de lekkage naar de werkplaats overbrengen.
Vocht op remschijven en remvoer- ringen verandert de remeigen-
schappen
Als u met de auto in zware regen of door plas- sen rijdt en als u de auto wast, worden de rem- componenten nat. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen, zodat een bepaalde vertraging van het remver- mogen merkbaar is. Druk nu en dan licht op het rempedaal, als u in regen of natte sneeuw lange afstanden rijdt, dan worden de remvo- ringen verwarmd en verdampt het water. Dit moet u ook na wassen en in erg vochtig weer doen.
STC (stabiliteits- en tractieregeling)
| Met de knop voor het stabiliteits- entractieregeling op het dashboard wordt hetSTC-systeem in- en uitgeschakeld. Omveiligheidsredenen moet de knop minimaal eenhalve seconden worden ingedrukt om het STCSysteem uit te schakelen. Hetwaarschuwingssymbool gaat branden als hetSTC-systeem is uitgeschakeld. Als de motorwordt gestart, wordt de stabiliteits- entractieregeling automatisch geactiveerd.Aanbevolen wordt het STC-systeem tijdelijkeuit te schakelen als een wiel met andereafmetingen dan de andere wielen onder de autois aangebracht. | Het waarschuwingssymbool knippert onder devolgende omstandigheden:Het STC-systeem is actief om wielspintijdens acceleratie te voorkomen.Het waarschuwingslampje gaat branden enblijft branden onder de volgendecomstandigheden:De diagnosefunctie van het STC-systeemwordt uitgevoerd (gedurende ongeveertwee seconden na het starten).Het STC-systeem is uitgeschakeld metbehulp van de knop voor het STC-systeem.Het STC-systeem is tijdelijk uitgeschakeldvanwege een te hoge temperatuur in deremmen. Het STC-systeem wordtautomatisch weer ingeschakeld als detemperatuur van de remmen weer normaalis.Het STC-systeem is uitgeschakeldvanwege een storing in het systeem. |
| Waarschuwing!Onder normale omstandigheden verhoogt hetSTC-systeem de totale veiligheid en prestatievan de auto, maar dat moet niet wordengezien als een reden om harder te rijden.Neem altijd de gebruikelijkeveiligheidsnormen in acht bij het nemen vanbochten en rijden op een glad wegdek. | |

STC (stabiliteits- en tractieregeling)
Het STC-systeem (stabiliteits- en tractieregeling) is ontworpen om te voorkomen dat de aangedreven wielen tractie verliezen tijdens acceleratie. Dit zorgt voor een betere voorwaartse tractie op een glad wegdek en de optimale combinatie van voorwaartse beweging en zijdelingse stabiliteit. Dit resulteert op zijn beurt in meer veiligheid en betere prestaties.
Bij lagere snelheden, tot ongeveer 40 km/a, werkt de tractiefuncie door vermogen van een aangedreven wiel dat slipt, over te brengen op het aangedreven wiel dat geen grip heeft verloren. Om de voorwaartse tractie in deze situatie te verbeteren kan het nodig zijn dat u het gaspedaal een beetje verder intrapt dan gebruikelijk. Als de tractieregeling actief is, kan een pulserend geluid klinken. Dit is volkomen normaal voor het systeem. De stabiliterisfunctie verlaagt het motorkoppel als de aangedreven wielen beginnen te slippen tijdens acceleratie. Dit zorgt voor een mintmale wielslip en een betere zijdelingse stabiliteit. Dit resulteert op zijn heurt in meer veiligheid en betere prestaties.
Als het TRACS-waarschuwingslampje gaat branden en blijft branden, betekent dit dat
het TRACS-systeem niet actief is. - Verlaat de weg zodra dit mogelijk is. - Zet de motor uit.
Als het waarschuwingslampje niet gaat
branden, was het een tijdelijke storing en hoeft u niet met de auto naar een Volvo-
dealer.
Als het waarschuwingslampje opnieuw gaat branden en blijft branden, moet u met de auto naar een Volvo-dealer en het systeem laten controleren.
Auto's die zijn uitgerust
Het systeem voor elektronische
remkrachtverdeling is een geïntegreerd onderdeel van het ABS-systeem. De
elektronische remkrachtverdeling regelt de remkracht die wordt uitgeofend op de
achterwielen om een optimaal remeffect te bewerkstelligen.

Waarschuwing!
Als de waarschuwingslampjes BRAKE
en ① ABS ≡ allebei branden, kan de achterzijde van de auto wegglijden als hevig wordt geremd. Als het niveau in he
remvloeistofreservoir normaal is, is het onder deze omstandigheden mogelijk naar de dichtstbijzijnde Volvo-dealer te rijden om het remsysteem te laten controleren, maar er dient dan wel zeer voorzichtig te worden gereden.

N.B! Auto's met een automatische ver-
snellingsbak kunnen niet aangesleept
worden! Auto's met katalysator mogen
niet aangesleept worden. Als u deze in-
structie niet opvolgt, heeft u kans, dat de
katalysator minder goed werkt.
Als de accu ontladen is, moet u een hulp-
startaccu gebruiken; zie pagina 3:20.
Sleepoog achter
Speciaal voor een automatische versnellingsbak!
- De schakelpook moet in de N-stand staan.
- De maximum toegelaten snelheid voor de AW 4-versnellingsbak is 20
km/u. De maximum toegelaten afstand 30 km.
- De maximum toegelaten snelheid voor de AW 5-versnellingsbak is 80
km/u. De maximum toegelaten afstand 80 km.
- Auto's die uitgerust zijn met een AW4/5-versnellingsbgak mogen
uitsluitend vooruit in de rijrichting gesleept worden.
- De motor kan niet op gang getrokken worden! Voor "Hulpstart", zie de volgende bladzijde!
Als u gesleept moet worden – denk hieraan!
- Zet het stuurslot los, zodat de auto gestuurd kan worden!
- Denk eraan, dat de bekrachtiging van de voetrem en van de stuurin-
richting niet werken, als de motor stilstaat!
- U moet ca vier maal zo sterk op het rempedaal trappen en het sturen
gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
• Rijd soepel! Houd de sleepkabel gestrekt om onnodig rukken te
vermijden.
Slepen
OPMERKING! De sleepogen mogen alleen worden gebruikt voor het sle-
pen van de auto over de weg. Ze mogen niet worden gebruikt voor het
trekken van een auto uit een gracht.
Hier moet een beroep worden gedaan op professionele bijstand.
Vierwielaandrijving, De auto slepen

Auto's met vierwielaandrijving mogen niet gesleept worden met slechts een opgetilde as.
* Auto's met een automatische versnellingsbak mogen niet worden gesleept. Slepen van auto's met vierwielaandrijving, AWD Auto's met vierwielaandrijving mogen niet gesleept worden met slechts één opgetilde as. Het incorrect slepen kan schade veroorzaken aan de viskeuze koppeling die het vermogen verdeelt tussen de voor- en achterwielen.
!
Auto's met een automatische versnellingsbak mogen niet worden gesleept.
WAARSCHUWING!
Permanente vierwielaandrijving, AWD (bepaalde modellen)
De vierwielaandrijving, die op uw Volvo permanent ingeschakeld is, beantwoordt aan de hoogste technische eisen. Correct gebruikt biedt de AWD de bestuurder een hoger zekerheidsniveau in moeilijke wegomstandigheden dan de klassieke voor- of achterwielaandrijving.
Werking van de vierwielaandrijving, AWD
Vierwielaandrijving betekent dat de vier wielen van uw auto tegelijk worden aangedreven, waarbij het vermogen automatisch wordt verdeeld tussen de voor- en achterwielen. Een viskeuze koppeling verdeelt het vermogen tussen de wielparen met de beste grip voor de betrokken rijomstandigheden. Dit levert een optimale wegligging op en voorkomt doorslippende wielen.
In normale omstandigheden gaat het grootste deel van het vermogen naar de voorwielen, die zijn uitgerust met Volvo's TRACS-antislipsysteem (zie pagina 1:11), dat via het ABS van de auto werkt. De achterwielen zijn voorzien van een differentieelgrendel, die automatisch gaat werken als een van de achterwielen dreigt door te slippen wanneer
De differentieelgrendel wordt ontkoppeld bij snelheden boven 40 km/u. Deze optimale aandrijving verbetert de veiligheid in de regen, sneeuw en ijzel.
Bij het remmen onderbreekt een vrijwielkoppeling de vermogenstransmissie naar de achterwielen om de stabiliteit te verbeteren. De vrijwielkoppeling maakt het ook mogelijk om n
vierwielaandrijving achteruit te rijden aan snelheden tot 50 km/u.
Starten met startkabels

Denk erom, dat de accu's, speciaal de hulp-startaccu, het zeer explosieve knalgas bevatten. Een vonk die kan ontstaan, als u de startkabels verkeerd aansluit, is voldoende om een accu te laten exploderen en u zelf en de auto schade toe te brengen. De accu bevat zwavelzuur dat ernstige brandwonden kan veroorzaken. Als het zuur met de ogen, huid of kleding in aanraking komt: spoel met veel water. Neem, als het in de ogen gespat is, daarna onmiddellijk contact met een arts op.
Accu
De accu bevat een bijtend en giftig zuur. Daarom is het van belang, dat er milieuvriendelijk met de accu omgegaan wordt. Laat uw Volvo-dealer u hierbij helpen.
Als de accu om de een of andere reden ontladen is, kunt u om de motor aan te slaan stroom "lenen" van een losse accu of van de accu van een andere auto. Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpoging geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te vermijden adviseren wij u het volgende precies te doen:
- Draai de contactsleutel op positie 0.
- Controleer of de spanning van de hulpaccu 12 V is.
- Als u startkabels naar een andere auto gebruikt, moet u het contact van die auto afzetten en er voor zorgen dat de auto's elkaar niet raken.
- Sluit de rode startkabel aan op de positieve klemmen van de accu's, die zijn aangegeven met rood, "P" of een "+" (1 en 2 de illustratie).
Starten met startkabels gaat als volgt:
Als de accu om de een of andere reden ontladen is, kunt u om de motor aan te slaan stroom "lenen" van een losse accu of van de accu van een andere auto. Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpoging geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te vermijden adviseren wij u het volgende precies te doen;
- Draai de contactsleutel op positie 0.
- Controleer of de spanning van de hulpaccu 12 V is.
- Als u startkabels naar een andere auto gebruikt, moe
contact van die auto afzetten en er voor zorgen dat de auto's elkaar niet raken. 4. Sluit de rode startkabel aan op de positieve klemmen van de accu's, die zijn aangegeven met rood, "P" of een "+" (1 en 2 de illustratie).
- Sluit de zwarte startkabel aan op de negatieve klem van de hulpaccu, die is aangegeven met blauw, "N" of een "-" (3).
- Sluit het andere uiteinde van de zwarte kabel aan op uw auto. Kies een geschikt massapunt op enige afstand van uw accu, zoals een van de hijsogen van de motor (4 in de illustratie).
- Start de motor van de hulpauto. Laat de motor ongeveer 1 minuut draaien aan een wat hoger toerental dan stationair (zo'n 1500 omw/min).
- Start de motor van de auto met pech. Opmerking: raak de contacten niet aan terwijl u de auto start (risico op vonken) en leun niet over de accu's!
- Maak de startkabels los in omgekeerde volgorde.
Maatregelen voor de winter
Als het koud begint te worden:
Als u zelf voor uw auto wilt zorgen om in het koude jaargetijde onnodige problemen te vermijden, kunnen de volgende adviezen nuttig
- Controleer of de koelvloeistof zonder te bevriezen tegen -35^ bestand is, d.w.z. is of de glycoltoevoeging ca 50% is of wel ca 3,6
Liter Volvo antivries. Alleen Volvo anti-vries mag gebruikt worden. Zie ook pagina 7:12.
- Om condenswater in de brandstoltank te vermijden moet u deze zo vol mogelijk proberen te houden.
- Gebruik de juiste motorolie. De viscositeit van de motorolie is van groot belang. Bij een lagere viscositeit (dunnere olie) worden het koud-startvermogen van de motor verbeterd en tegelijk het brand-
koud maretverlagen van de motor. Verleven en leggeijen het stofverbruik tijdens het warmworden verlaagd. Voor gebruik in de winter worden, mits de temperatuurgrenzen aangehouden worden
SW/30-motoroliën en hiervan met name de synthetische geadviseerd. Let er goed op, dat de oliën aan de kwaliteitsnormen voldoen
en deze niet bij hard rijden in een warm klimaat gebruikt worden. Zie pagina 7:7 of informeer bij uw Volvo-werkplaats.
- Aan de accu worden in de winter veel zwaardere eisen dan in de zomer gesteld, omdat verlichting kachelaangiager, ruitewissers, enz.
meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperstwur. Fan slecht geladen aayu kan stukvrieken, als het org
temperatuur. Een steem geladen accu kan stukvriechen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de polen met een roestwerend middel.
- Om ijsvorming in het reservoir, slangen en spuitkoppen voor de ruite-/koplampsproeiers te vermijden en de sproeierpomp niet
stuk te maken moet u het reservoir met ruitesproeier anti-vries vul- len. Dit is belangrijk, omdat u 's winters onder het riiden veel water
en vuil op de voorruit en koplampen krijgt en de wissers en provisions dus vuik moet gebruikken
- Gebruik in de sloten Volvo Slotenolie (Teflon-spuitbus) of vet. Deze zijn verkrijgbaar bij uw dealer. N.B! Vermijd het gebruik van ijsoplossende spuitbussen, want daardoor werken de sloten slechter.
Wielen en banden
- belangrijk voor de rij-eigenschappen van de auto!
Lees daarom de volgende pagina's nauwkeurig door. De goede rij-eigenschappen van de auto kunnen opvallend veranderen, als u slordig bent met b.v. de bandenspanning.
Slijtageprofiel 4:2
Speciale velgen 4:2
Bandenspanning 4:3
Algemene informatie 4:4
Reservewiel 4:4
Bandmaten 4:5
Bandenspanning 4:6
Slijtageprofiel, Winterbanden
De banden hebben een slijtage- profiel

Winterbanden, sneeuwkettingen
Volvo adviseert het gebruik van winterbanden op alle vier de wielen tijdens de winter! Raadpleeg de tabel op pagina 4:5. Auto's met 16 inch remmen mogen niet worden uitgerust met 15 inch wielen/banden. Neem contact op met de Volvo-dealer als u niet zeker bent van de bandmaten.
maar 1,6 mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom, dat banden met zo weinig profiel bij regen of sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.
Denk erom, dat volgens de wet het profiel over het gehele loopvlak ten minste 1,6 mm moet zijn!
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden:
- Zorg voor de juiste bandenspanning - Bijsverbal, Vomijlletter, van de
- Rijd soepel. Vermijnje wegscheuren, snel bochten nemen en sterk afremmen
- Denk eraan, dat bij snel rijden de banden snel slijten
- Wielen moeten altijd aan dezelfde kant van de auto onderling worden verwisseld, zodat ze altijd in dezelfde richting draaien.
• Rijd niet met een verkeerde wieluitlijning
- Balanceer de wielen, indien nodig - Denk aan de banden, als u de auto
"Ochtendzool"
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als de banden daarna bij het parkeren afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. worden iets platter. Deze vervorming, de zogenoemde "ochtendzool", kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. De bandentypen vertonen deze ochtendzool in verschillende mate als gevolg van verschillende soorten koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de ochtendzool verdwijnt.
Speciale velgen

Sticker met de bandenspanning
De bandenspanning is belangrijk!
De juiste bandenspanning staat aangegeven op een sticker aan de binnenkant van de benzineklep. Deze spanning geldt voor zomer- en winterbanden. Zie pagina 4:6. Als u niet met de juiste bandenspanning rijdt, is het rijgedrag van de auto opvallend slechter en slijten de banden meer. Denk erom, dat de waarden voor koude banden gelden (heersende buitentemperatuur). Al na een paar kilometer rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Dit is normaal en u moet dus geen lucht laten ontsnappen, als u de spanning bij warme banden contro-leert. Maar u moet de spanning wel verhogen, als deze te laag is. Denk eraan, dat de bandenspanning met de buitentemperatuur kan var-iëren. Controleer de spanning dus buitenshuis, als de banden koud zijn,
Sneeuwkettingen mogen enkel worden gemonteerd op de voorwielen en op bepaalde, door Volvo goedgekeurde velg/band-combinaties. De kettingen moeten bestaan uit kleine schakels en niet uitsteken om te voorkomen dat ze tegen de remklauwen, veerpoten of andere onderdelen schuren. Om dit te voorkomen raden wij af om conventionele sneeuwkettingen te gebruiken op 205/55 R15, 205/50 R16 banden of banden met dezelfde breedte of breder.
Volvo stelt sneeuwkettingen voor die zijn goedgekeurd voor alle eveneens door Volvo goedgekeurde combinaties van wielen/velgen. N.B! Met sneeuwkettingen mag nooit sneller dan 50 km/h gereden worden! Rijd niet onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de sneeuwkettingen en banden dan erg snel slijten. Gebruik nooit zgn. snel monteerbare kettingen, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en wielen daarvoor te klein is.
Sneeuwkettingen voor auto's met vierwielaandrijving, AWD
Op auto's met vierwielaandrijving mogen sneeuwkettingen alleen op de voorwielen gemonteerd worden. Gebruik enkel kettingen die bestemd zijn voor de AWD-modellen. Op de V70 XC AWD met 205/65R15 wielen mogen geen sneeuwkettingen worden aangebracht..
Opgelet!
De auto's met vierwielaandrijving zijn niet ontworpen of vervaardigd om te worden gebruikt als terreinvoertuigen. Auto's met vierwielaandrijving of een viskeuze koppeling moeten altijd wielen van gelijke afmetingen hebben op dezelde as. Het gebruik van een reservewiel met verkeerde diameter kan ernstige schade veroorzaken aan de transmissie van de auto.
De enige goedgekeurde speciale velgen zijn de velgen die door Volvo zijn getest en goedgekeurd. Raadpleeg uw dealer bij twijfel.
Algemeen
Wielen en banden, algemeen
| Reservewiel “Temporary spare” (bepaalde landen) |
| Uit ervaring is gebleken, dat tegenwoordig een reserveband zelden gebruikt wordt. Daarom kan deze 4-5 jaar oud zijn, voordat deze nog 4-5 jaar als gewone band gebruikt gaat worden. Om een zo oude band te gebruiken is niet aan te raden, omdat het rubber verouderd is. Daarom heeft Volvo een speciaal reservewiel ontwikkeld dat slechts zo kort gebruikt moet worden als nodig is om de gewone band te repareren of te vervangen. |
| Het speciale compacte reservewiel is alleen bedoeld voor tijdelijk gebruik in het geval van een lekke band (thuiskomertje). De band weegt ongeveer de helft van een standaardband. De bandenspanning moet 420 kPa (4,2 kp/cm2) bedragen, ongeacht de belasting van de auto of de positie van het wiel. Het compacte reservewiel voldoet aan alle wettelijke eisen voor de auto bij de maximaal toegestane asdruk. Als het compacte reservewiel is beschadigd, kan een nieuw reservewie worden aangeschaft bij de Volvo-dealer. |
| dergelijk gemonteerd wiel moet daarom zo snel mogelijk door een gewoon wiel vervangen worden. Slechts één dergelijk wiel mag op de auto gemonteerd zijn. |
| Denk er ook aan, dat deze band samen met de normale andere banden iets andere rij-eigenschappen kan geven. |
| Met een gemonteerd reservewiel “Temporary spare” is de hoogste toegestane snelheid daarom 80 km/h, ook al is de band tegen een hogere snelheid bestand. |
| Opmerking! Bepaalde auto’s hebben eenzelfde reservewiel als de andere wielen van de auto (stalen of aluminium velg). Als u het reservewiel vervangt, is het belangrijk dat het nieuwe wiel dezelfde afmetingen heeft als het oude (zie de tabel op pagina 4:5). Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reservewiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd is. Een |
Bij het wielen verwisselen hieraan denken!
Bij het van zomerwielen op winterwielen overgaan moet u met krijt op de banden schrijven waar het wiel zat, b.v. LV links voor, enz. In de velgen van de auto zit een "extra" gat. Dit gat moet passen over de paspen die op de remschijven zit. Deze paspen zorgt ervoor, dat de wielen na verwisselen – lekke band of verwisselen tussen winter- en zomerwielen – altijd in precies dezelfde stand komen als daarvoor waardoor een goede wielbalans gewaarborgd is. De banden moeten hangend of liggend worden opgeslagen, nooit staand.
Bandmaten
| Combinaties van goedgeunrde banden en velgen: | |
| 185/65R15: | 6.0-6.5 Jx15x43 |
| 195/60R15: | 6.0-6.5 Jx15x43 |
| 205/55R15: | 6.5 Jx15x43 |
| 205/50R16: | 6.5 Jx16x43 |
| 205/45R17: | 7 Jx17x43 |
| 195/65R15: | 6.5 Jx15x43 |
| 205/55R16: | 6.5 Jx16x43 |
| 215/45R17: | 7 Jx17x43 |
| 205/65R15: | 6.5 Jx15x43 |
| "Temporary Spare" | |
| T115/70R15: | 4Bx15x57 Voorwielaandrijving |
| T125/80R17: | 4Bx17x43 Voorwielaandrijving met 16 inch remmen |
| T125/80R17: | 4Bx17x50 AWD |
| Snelheidscodes | |
| T | band goedgekeurd voor max. 190 km/u |
| H | band goedgekeurd voor max. 210 km/u |
| V | band goedgekeurd voor max. 240 km/u |
| W | band goedgekeurd voor max. 270 km/u |
| Y | band goedgekeurd voor max. 300 km/u |
| Q | band goedgekeurd voor max. 160 km/u" |
"Winterband
RF: Versterkte gemarkeerde banden met hogere belastingseigenschappen dan standaardbanden.
Bandmaten
De auto wordt geleverd met bandmaten die worden weergegeven in de onderstaande tabel. Deze zijn getest en goedgekeurd door Volvo Car Corporation. Het is van belang dat u bij het verwisselen van de banden dezelfde maat aanboudt. Opmerking! Auto's met 16 inch remmen kunnen niet worden uitgerust met 15 inch wielen.
| Model | Zomerband | Winterband | "Temporary Spare" |
| S70/V70 Bensin | 195/60R15 88V205/55R15 87W205/50R16 87W | 185/65R15 M+S | T115/70R15 90M |
| S70/V70 Turbo 15" remmen | 205/55R15 87W205/50R16 87W | 185/65R15 M+S | T115/70R15 90M |
| S70/V70 Turbo 16" remmen | 205/50R16 87W | 205/50R16 M+S | T125/80R17 99M |
| S70/V70 Diesel | 195/60R15 88V | 185/65R15 M+S | T115/70R15 90M |
| S70/V70 AWD | 205/55R16 91W | 195/65R15 M+S | T125/80R17 99M |
| V70 XC AWD | 205/55R16 91W205/65R15 94V | 195/65R15 M+S | T125/80R17 99M |
| V70 R AWD 16" remmen | 205/55R16 91W215/45R17 91WRF | 205/55R16 M+S | T125/80R17 99M |
Bandenspanning
| Bandmaten | Snelheid (km/u) | 1-3 passagiers (kPa) voor achter | Volledige belasting(±Pa) voor achter | |
| S70 Diesel | 195/60R15 88V185/65R15 M+S | 0-160160- | ||
| V70 Diesel | 195/60R15 88V185/65 R15 M+S | 0-160160- |
"Temporary Spare"
| Bandmaten | Snelheid (km/u) | 1-3 passagiers (kPa) voor achter | Volledige belasting(3Pa) voor achter |
| T115/70R15 90MT125/80R17 99M | 0-80 | 420 420 | 420 420 |
Gebruik uitsluitend de door Volvo toegelaten bandenma(a)t(en) op uw auto. In sommige landen worden de toegelaten bandenma(a)t(en) aangegeven in de autopapieren. Neem in geva van twijfel contact op met uw Volvo-dealer.
| Bandmaten | Snelheid (km/u) | 1-3 passagiers (kPa) | Volledige belasting(ies) | |||
| voor achter | voor achter | |||||
| S70 benzine | ||||||
| B5244S | 195/60R15 88V | 0-160 | 220 | 200 | 230 | 250 |
| B5244S2 | 205/55R15 87W | |||||
| B5204T4 | 205/50R16 87W | 160- | 250 | 250 | 260 | 280 |
| 185/65R15 M+S | ||||||
| V70 benzine | ||||||
| B5244S | 195/60R15 88V | 0-160 | 220 | 210 | 240 | 280 |
| B5244S2 | 205/55R15 87W | |||||
| B5204T4 | 205/50R16 87W | 160- | 250 | 250 | 260 | 310 |
| 185/65R15 M+S | ||||||
| S70 Turbo | ||||||
| B5204T3 | 205/55R15 87W | 0-160 | 230 | 210 | 250 | 250 |
| B5234T3 | 205/50R16 87W | |||||
| B5244T | 185/65R15 M+S | 160- | 280 | 260 | 290 | 290 |
| B5244T2 | 205/50R16 M+S | |||||
| V70 Turbo | ||||||
| B5204T3 | 205/55R15 87W | 0-160 | 230 | 220 | 250 | 280 |
| B5234T3 | 205/50R16 87W | |||||
| B5244T | 185/65R15 M+S | 160- | 280 | 270 | 290 | 320 |
| B5244T2 | 205/50R16 M+S | |||||
| S70 AWD | ||||||
| B5244T | 205/55R16 91W | 0-160 | 220 | 220 | 250 | 260 |
| B5244S | 195/65R15 M+S | 160- | 260 | 260 | 280 | 300 |
| V70 AWD | ||||||
| B5244T | 205/55R16 91W | 0-160 | 220 | 230 | 250 | 280 |
| B5244S | 195/65R15 M+S | |||||
| 205/55R16 M+S | 160- | 260 | 270 | 280 | 320 | |
| RAWD | ||||||
| B5244T2 | 215/45ZR17 91W | 0-190 | 250 | 250 | 260 | 280 |
| 190- | 300 | 300 | 310 | 330 | ||
| V70XCAWD | ||||||
| B5244T | 205/55R16 91W | 0-160 | 220 | 230 | 250 | 280 |
| 205/65R15 94V | ||||||
| 195/65 R15 M+S | 160- | 260 | 270 | 280 | 320 | |
Als er iets gebeurt =
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u een probleempje krijgt, zoals b.v. een lekke band, kapotte gloeilamp, e.d. dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden.
Wiel verwisselen 5:2
Gloeilamp vervangen 5:5
Zekering vervangen 5:12
Storingen lokaliseren 5:15
Wiel verwisselen
Paspen aan binnenkant

Dopsleutel insteken en draatien Wieldop recht naar voren lostrekken
De wielbouten losdraadien
- Op auto's met aluminium velgen en een afdekkap moet deze laatste
worden verwijderd met behulp van de copsleutel.
Auto's met stalen velgen hebben een losneembare wieldop.
Verwijder deze zo: haak met beide handen in de gaten van de dop en trek
deze rechtuit los. Als u de dop aanbrengt: let er goed op, dat het
ventielgat van de dop recht vóór het ventiel van het wiel komt.
Draai de wielbouten een halve tot een vol-ledige slag los met behulp van
de dopsleu-tel.
Draai de bouten los door ze in tegenwijzer-zin te draaien.
Aan elke kant zit middenin de auto een kriksteun.
OPMERKING! Auto's met vierwielaandriiving hebben een extra
kriksteun. Zie de illustratie hierboven.
Trek de handgreen naar buiten en druk hem naar beneden om de
Slinger los te halen. Plaats de krik in de pen van de kriksteun, zoals is
afgebeeld.
!
Auto's met vierwielaandrijving of een viskeuze koppeling moeten
altijd wielen van gelijke afmetingen hebben op dezelfde as
Het gebruik van een reservewiel met verkeerde dian schade veroorzaken aan de transmissie van de auto.
Wiel verwisselen

Trek de hefboom uit de krik en druk die
omlaag om de slinger los te maken. Plaats de krik op de pen in het steunpunt, zoals
aangegeven in de afbeelding.
- Draai de krik omlaag zodat de voet vlak op de
ondergrond staat. Controleer of de krik op de
juiste wijze is bevestigd (zie afbeelding) en of de
voet zich verticaal onder het steunpunt bevindt.
- Als de krik weer wordt opgeborgen, is het
belangrijk dat de riem door de krik
wordt getrokken zodat die goed vast zit (zie
(sticker).

Alle auto's met vierwielaandrijving zijn voorzien van een extra kriksteun achter.
Banden verwisselen op auto's met vierwielaandrijving, AWD
Door hun grotere gewicht hebben deze
modellen een extra kriksteun, die gebruikt moet worden voor het verwisselen van een
achterwiel. De extra kriksteun zit net voor de
achteras (zie illustratie). Als u een garagekrik gebruikt, dient u ervoor te zorgen dat de juiste
steun wordt gebruikt en dat de krik de
brandstoltank niet beschadigt.

Breng de auto
omhoog
N.B! Draai de voet van de krik zo, dat deze vlak op de grond drukt. Controleer opnieuw of de krik volgens de afbeelding in de steun
zit
en of de voet loodrecht onder de steun staat.
- Breng de auto zoveel omhoog, dat aan de
ene kant de wielen vrij zijn.
- Verwijder de wielbouten en neem het wiel af. Zorg ervoor dat de schroefdraad van de wielbouten niet wordt beschadigd.

Bevestiging van de krik op de velg (bepaalde modellen)
WAARSCHUWING!
!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan.
- Kruip nooit onder de auto, als deze op de krik staat.
- De originele krik moet bij het wielen verwisselen gebruikt worden.
- Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik ge-
bruikt worden en moeten bokken gezet worden onder het gedeelte
van de auto dat omhooggebracht is. - Trek de parkeerrem aan, schakel bij handschakeling de le versnelling
of achteruit en bij een automaat stand P in.
- Leg iets vóór en achter de wielen die op de grond blijven. Gebruik
grote houtblokken of flinke stenen.
- De bout en het tandsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd
zijn.
N.B! Bij de stalen velgen mag geen gebruik worden gemaakt van lange,
verchroomde wielbouten, aangezien deze het onmogelijk maken de
wieldoppen te plaatsen.

Draai de wielbauten kruiselings vast.
Montage
- Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon. OPMERKING! De wielbouten niet invetten!
- Monteer het wiel. De remschijf is voorzien van een paspen die in het extra gat in het wiel moet vallen. Draai de wielbouten stevig vast. - Laat de auto zakken zodat de wielen niet meer kunnen draaien. Draai de bouten diagonaal en geleidelijk aan. Aanhaalmoment is ongeveer 110 Nm (11,0 kpm). Het is belangrijk dat de bouten worden aangespannen met het juiste aanhaalmoment, gebruik dus een momentsleutel. - Plaats de wieldop terug. Het symbool achterop de wieldop moet naar het ventiel gericht zijn (bij stalen velgen). - Zet vervolgens de sticker in de bagageruimte de krik met slinger altijd goed vast om gerammel te vermijden.
Gloeilamp vervangen

Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen worden via de motorruimte vervangen.
NB! Ontkoppel de stekerverbinding niet voor de gloeilamp uit het kop- lamphuis is verwijderd! Raak het glas van de gloeilampen nooit aan met de vingers. Olie en vet van de vingers verdampen en zetten zich af op de reflector, waardoor deze minder goed weerspiegelt.
- Schakel de lichten uit en zet de contactsleutel in stand 0! - Open de motorkap.
A Dimlicht
- Draai de kunststof kap (A) linksom en verwijder de kap. Druk de veerklem in zodat deze los komt (1) en duw deze naar opzij (2).
Trek de gloeilamp met de connector naar buiten. Druk de kunststof pal naar binnen en til de kap (B) omhoog. B Groot licht
Trek de connector los.
Druk de veerklem in zodat deze los komt (1) en duw deze naar opzij (2). Trek de gloeilamp met de connector naar buiten. Het is van belang dat de connector op de juiste wijze wordt verbonden
met de gloeilamp. Raak het glas van de nieuwe gloeilamp niet met de vingers aan.
Plaats alle onderdelen in de omgekeerde volgorde terug.
Controleer de werking van de gloeilamp.
C Parkeerlichten
Trek de lampeenheid recht naar buiten. Laat de connector op zijn plaats zitten.
Vomovir

Gloeilamp vervangen

Luchtgeleiding (bepaalde modellen)
Schakel de verlichting uit. Maak voorzichtig
de clip van de luchtgeleiding vooraan los.
Vouw daarna de luchtgeleiding vooraan
voorzichtig naar beneden, zodat u bij de
lamphouder kunt komen.
Draai de lamphouder tegen de klok in en haal
hem eruit.
vervang de gloenhamp en monteer alles in
omgekeerde volgorde. Duw de luchtgeleiding
terug op zijn plaats en breng de clip opnieuw aan.

Lamphouder
Lamphuis
Plastic vergrendeling

Gloeilamp vervangen in hoeklamp vooraan
- Schakel de lichten uit en zet de contactsleutel in stand 0! - Open de motorkap.
- Maak de plastic veer los waarmee het lamphuis vastzit.
- Verwijder het gehele lamphuis en haal de lamphouder los van de
lamp.
Laat de stekkerverbinding met bedrading aan de lamphouder zitten.
Verwijder de gloeilamp uit de lamphouder door de lamp in te
drukken en linksom te draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de lamphouder weer in de
lamp.
Controleer of de gloeilamp brandt.
Gloeilamp vervangen

Plaats van de lampen, rechts
Vervangen van gloeilampen in achterlicht (4-deurs)
1 Achterlicht 3 Remlicht 5 Achteraitrijlamp 2 Richtingaanwijzer* 4 Achterlicht 6 Mistachterlamp
"Gele lense
- Laat de stekerverbinding met bedrading in de lamphouder zitten. - Verwijder de gloeilamp door deze in te drukken en een paar mm
linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de lamphouder en zet de
lamphouder weer in het achterlicht.
- Controleer of de gloeilamp brandt. Zet de afdekkap vast.
Achterklep: druk op de plastic klem en duw de afdekkap naar beneden.
Druk het plastic haakje (B) in en trek de lamphouder los. De gloeilampen zitten vast in de lamphouder.
=Gloeilamp vervangen

Vervangen van gloeilampen in achterlicht (5-deurs)
5 Achterlicht
4 Achteruitrijlamp 6 Mistachterlamp
(alleen linkerkant)
(1)


- Verwijder de gloeilamp door hem in te drukken en een paar millimeter linksom te draaien.
- Zet de nieuwe lamp op zijn plaats en zet de lamphouder terug in het achterlicht. Controleer of de lamp brandt. Zet het afdekpaneel terug.
* extra ultrusting
Alle gloeilampen in het achterlicht worden via de bagageruimte vervan-
- Schakel de lichten uit en draai de startsleutel in positie 0.
Verwijder het bovenste paneel van het achterlicht met behulp van een schroevedraaier, en het onderste paneel door eerst het zijpaneel van
de vloer te verwijderen en dan het paneel zelf.
- verwijder de luidspreker* in de afdekkap boven.
- Druk de plastic grendels (A of B) in en trek de lamphouder eruit. De gloeilampen bevinden zich in de lamphouder.
- Laat de stekerverbinding met bedrading in de lamphouder zitten.
Gloeilamp vervangen

Kruiskopschroeven voor het lampeglas
Kentekenplaatverlichting
Doe de verlichting uit.
Draai de beide schroeven uit, Steek de schroe-
vedraaier in en draai voorzichtig, dan laat het
glas los. Vervang de gloeilamp en breng het
glas weer aan.

Schroevedraaier insteken en droaien
Bagageruimteverlichting
Doe de verlichting uit.
Druk het nokje met een schroevedraaier in en
verwijder de lamphouder. Veryang de gloei-
lamp en breng de lamphouder weer aan.
Gloeilamp vervangen
Lamphouden

Schroevedraaier insteken en draaien
en naar beneden trekken
Leeslampje achter
Doe de verlichting uit.
Steek een schroevedraaier in en draai deze, dan laat het lampje los. Vervang de gloeilamp en druk het lampje weer op zijn plaats.

Schroevedraaier insteken, voorzichtig draaien en naar beneden trekken
Plafondverlichting
Doe de verlichting uit.
Steek de schroevedraaier in en draai deze licht, dan laat het glas los. Vervang de gloeilamp en druk het glas weer op zijn plaats.

De gloeilamp wordt van buitenaf vervangen. Schuif het licht naar voren en trek het aan de achterkant los. Daarna kan het gehele licht verwijderd worden. Laat de bedrading in de lamphouder zitten en draai de lamphouder een kwart slag. Trek de kapotte gloeilamp er rech naar voren uit.
Gloeilamp vervangen

Schroevedraaier insteken en draaien
Instapverlichting
Steek een schroevedraaier in en draai deze voorzichtig, dan laat het lampje los. Verwijder de verlichting, buig de lippen van de plaat om en verwijder deze. Vervang de gloeilamp en breng de plaat weer aan.
Druk het lampje weer op zijn plaats.
Overige gloeilampen
Het kan moeilijk zijn om sommige gloeilampen, zoals die voor hooggeplaatste remlichten, te vervangen. U kunt dit beter overlaten aan uw Volvo-werkplaats.

Portierwaarschuwingslampen
Alle portieren hebben rode waarschuwingslampen. Doe het volgende om een gloeilamp te vervangen:
Schuif het lamphuis omhoog en verwijder het;
draai de lamphouder los. Trek de kapotte
gloeilamp recht naar voren uit. Vervang de
gloeilamp en breng de lamphouder weer aa

Schroevedraatier insteken en draaien
Make-up spiegel
Steek een schroevedraaier in en draai deze, dan
laat het glas los.
Verwijder en vervang de gloeilamp.
Druk eerst de onderkant van het lampeglas
weer op de vier haken en druk daarna de
bovenkant vast.
Zekering vervangen

Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen, doordat een zekering door een tijdelijke overbelasting doorgebrand is. De
zekeringen van de auto zitten in een zekeringenkastje in de motorruimte. U kunt hierbij komen door het klepje te openen. Aan de binnenkant hiervan zit een sticker waarop de plaatsen van de zekeringen staan.
Voor degene die vindt, dat bepaalde zekeringen moeilijk bereikbaar zijn, hebben wij een "targetje" gemaakt dat samen met vier reservezekeringen in het zekeringenkastje vastgeklemd is.
Het is het gemakkelijkst te zien of een zekering kapot is door deze uit te nemen. Daarom moet u eerst in het zekeringenoverzicht op het klepje kijken om te weten welke zekering u moet controleren. Trek de zekering rechtuit los en kijk aan de binnenkant of de gebogen draad doorgebrand is. Breng, als dit het geval is, een nieuwe zekering met dezelfde kleur en ampére-aanduiding als daarvoor aan – het cijfer staat op de zekering! Gebruik nooit een zekering met een te hoog ampére.
Zekeringen
| 1 | - | 28 Elektrisch verwarmde voorstoelen/achterbank. | 25 A | |
| 2 | Mistlamp achter. Controlelampje mistlamp achter. | 10 A | 29 Elektrisch verwarmde achterruit. Versnellingsvergrendeling. Herinnering veiligheidsgordel. Sirene. Cruise control. Elektrisch verwarmde zijspiegels. Waarschuwing defecte gloeilamp. | 10 A |
| 3 | Vergrendeling/alarm. RTI. Versnellingkiezer (automaat). | 10 A | ||
| 4 | Elektronische startonderbreker (Immobilizer).ABS | 10 A | ||
| 5 | Klimaatregeling. diagnose. | 15 A | 30 Sigarenaansteker voor. | 15 A |
| 6 | Centrale vergrendeling | 20 A | 31 Aanjager interieur. Automatische airconditioning. | 25 A |
| 7 | Audiosysteem, versterker. | 15 A | 32 Audiosysteem,Rheostaat, Elektrisch bediend schuifdakm. | 10 A |
| 8 | Elektronische startonderbreker (Immobilizer).Boordcomputer. Lichtschakelaar. | 15 A | 33 Koplampafstelling. Wisser/sproeier achterruit. | 15 A |
| 9 | Elektrisch verwarmde achterbank. | 20 A | 34 Wisser/sproeier voorruit. Claxon. | 25 A |
| 10 | Startslot. | 15 A | 35 Elektrisch verstelbare stoelen | 10 A |
| 11 | Remlichten. | 10 A | 36 SRS | 15 A |
| 12 | Hulpverwarming Diesel | 10 A | *37Elektrisch bediende raammechanismen.Elektrisch bediend schuifdak. | AUT/CB |
| 38 - | ||||
| 13 | Waarschuwingsknipperlichten. Grootlichtsignaal. | 15 A | *39Elektrisch verstelbare stoel, links. | AUT/CB |
| 14 | Elektrisch verwarmde achterruit en zijspiegels. | 30 A | *40Elektrisch verstelbare stoel, rechts. | AUT/CB |
| 15 | Binnenverlichting. Portierwaarschuwingslampjes. RTI.Verlichting bagageruimte. Herinnering veiligheidsgordel.Verlichting handschoenenkastje. | 10 A | ** Deze zekering bevindt zich onder het deksel. Het is een automatische stroomonderbreker die in normale omstandigheden niet moet worden vervangen. | |
| 16 | Elektrisch bediende antenne. Elektrische aansluiting aanhanger.Accessoires. | 30 A | ||
| 17 | Mistlampen voor. | 20 A | ||
| 18 | - | - | Zekeringtang | Kapotte zekering |
| 19 | Grootlicht, links (extra verstraler***). | 15 A | ||
| 20 | Grootlicht, rechts. Controlelampje grootlicht. | 15 A | ||
| 21 | Dimlicht, links. | 15 A | ||
| 22 | Dimlicht, rechts. | 15 A | ||
| 23 | Parkeerlichten, voor en achter. Achterlicht links.Verlichting kentekenplaat. | 10 A | ||
| 24 | Parkeerlichten, voor en achter. Achterlicht rechts. | 10 A | ||
| 25 | - | - | ||
| 26 | Schakelaar lichten. | 15 A | ||
| 27 | Achteruitrijlichten. Richtingaanwijzers. | 15 A | ||
Zekeringnummer in het zekeringenkastje
Zekeringen

Hoofdzekeringenkastje
De hoofdzekeringen beschermen het volledige elektrische systeem van de. Een doorgebrande zekering wijst op ernstig probleem. Vervang de zekerien nooit zelf. Roep de hulp in van uw werkplaats.
Ga na welke zekering doorgebrand is in de centrale verdeeldoos links van het instrumentenpaneel of in het zekeringen/relaiskastje in de motorruimte.
Relais
Nr.
15 Systeemrelais.
16 Gloeibougies (diesel).
17 Startmotor.
18 Airconditioning.
(1) Aircondamping.
14 AC-relais, Gloeibougies (Diesel), uitlaatsysteem van de auto... 10 A
Ampère
60 A
... 50 A
... 50 A
... 50 A
50 A
60 A
60 A
50 A
... 80 A
at. 10 A
10 A
(1)
20 A
10 A
In de vorige hoofdstukken staan al aanwijzingen bij bedrijfsstoringen. In dit hoofdstuk is alleen sprake van storingen die u zelf kunt verhelpen om verder te kunnen rijden.
Storing in het ontstekingssysteem
Controleer of de bougies droog en schoon zijn.
Controleer of alle kabels van het ontstekingssysteem goed aangesloten en schoon zijn.
De aanwijzingen voor het starten van de motor zijn niet in acht genomen; zie pagina 3:4. Start de motor volgens de aanwijzingen.
De accu is slecht geladen of ontladen.
Start de auto met een hulp-startaccu; zie pagina 3:19Controleer of de zekering voor de brandstofpomp intact is (zekering nr. 12 in het hoofdzekeringenkastje).
Laat de accu opladen.
Zoek naar de oorzaak voor het ontladen van de accu.
Slecht contact in de elektrische installatie van de motor.
Controleer de gehele bedrading van het ontstekingssysteem, de accu en de startmotor.
Er komt geen brandstof naar de motor.
Controleer of er brandstof in de tank zit.
Controleer of er in het brandstofsysteem geen slangaansluiting losge- raakt of ingeklemd is.
Controleer of de zekering voor de brandstofpomp intact is (zekering nr. 12 in het hoofdzekeringenkastje).
Storingen lokaliseren
ONBALANS, TRILLINGEN OF ZWAAR STU- REN TIJDENS HET RIJDEN
Wielonbalans
Maak eerst de binnenzijde van de velgen schoon. Als er geen verbetering optreedt, moeten de wielen worden gebalanceerd. Oliepeil in de bekrachtigingspomp te laag Controleer het oliepeil en vul olie bij; zie pagina 7:7.
DE MOTOR WORDT WARM
De radiatorslangen zijn kapot of lekken
Controleer de radiatorslangen en vervang deze, indien nodig.
Te weinig koelyloeistof
Controleer het koelyloeistofpeil en vul koelyloeistof bij; zie pagina 7:11.
Elektrische koelventilator
Controleer of de elektrische ventilator werkt.
Storingen lokaliseren
DE MOTOR START NIET OF HEEFT TE WEINIG VERMOGEN (DIESEL)
Doorgebrande zekering van de brandstofpomp Controleer hoofdzekering nr. 12 in het hoofdzekeringenkastje
Brandstofffilter verstopt Tap het water uit de brandstofffilter af en vervang hem (gebruik "winter"-diesel).
Aanwezigheid van water of onzuiverheden in de brandstof
Tap het water uit de brandstofffilter af en vervang hem. Zie pagina 7:12. Afzetting van paraffine in de brandstofffilter (koud weer)
Zet de auto in een verwarmde garage. Vervang de filter en gebruik "winter"-diesel.
DE MOTOR STOPT NIET (DIESEL)
Elektrische klep geblokkeerd
Jaag de motor in hoog toerental en probeer opnieuw. Als hij nog steeds niet stopt, zet u hem in vierde versnelling, drukt u het rempedaal stevig in en laat u het koppelingspedaal bruusk los. Zorg dat niemand voor de auto staat als deze handeling wordt uitgevoerd
Verwijder de zekering.
HET SCHUIF-/KANTELDAK GAAT NIET DICHT
Geen stroom naar de elektromotor van het dak
De overbelastingsbeveiliging (nr 37 in het zekeringenkastje) heeft gewerkt. Wacht 20 seconden, dan is de overbelastingsbeveiliging afgekoeld. Controleer zekering nr 35.
ZWAKKERE KOPLAMPEN
Dynamo
In de winter kan de sterkte van de koplampen variëren naargelang de rij- omstandigheden. Dit is normaal en resulteert uit het feit dat de belasting van de dynamo het motortoerental beïnvloedt.
—Storingen lokaliseren
MOTORKOELVLOEISTOFVERWARMING START NIET
De zekering van de verwarming is doorgeslagen. Controleer zekering 12. Neem contact op met een erkende Volvowerkplaats als de storing aanhoudt.
Versleten kabels of lekkende brandstofleiding Controleer of de kabels en de brandstofleiding niet loszitten.
De verwarming wordt automatisch uitgeschakeld
De voorverwarming niet werkt na meerdere startpogingen (6 in totaal). De brander tijdens het rijden wordt uitgeschakeld en dit door de vlamsensor wordt waargenomen. De regeleenheid van de verwarming een of meer storingen waarneemt in een onderdeel van het systeem. De motorkoelvloeistoftemperatuur de afsluittemperatuur heeft bereikt.
Schakelvergrendeling opheffen Zo kunt u de schakelvergrendeling annuleren en de keuzehendel uit stand P verplaatsen: Draai de contactsleutel in stand I. Druk op de knop "Shiftlock override" en houd die ingedrukt terwijl u de keuzehendel in een andere stand zet.

Carrosserie-onderhoud
- niet alleen een kwestie van uiterlijk!
De carrosserie moet natuurlijk onderhouden worden om de auto van buiten en binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en bij te werken.
Roestwerende behandeling 6:2
Lakbeschadigingen 6:3
Auto wassen 6:4
Bekleding reinigen 6:6
Roestwerende behandeling
Roestwerende behandeling - controleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een zeer nauwkeurige en volledige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderstel en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en gesloten secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof. Wat kunt u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende behandeling in goede staat te houden?
Wel, er zijn met name twee effectieve methoden:
- Houd de carrosserie schoon! Gebruik een hogedrukspuit om vuil van het chassis, de bodem, de wielkasten en onder de randen van de vleugels te spuiten.
- Laat regelmatig de bescherming tegen roesten controleren en indien nodig bijwerken
De auto heeft in de fabriek een roestwerende behandeling gekregen die bij normale omstandigheden pas na circa 8 jaar nabehandeld moet worden. Na deze tijd moet dit met tussenpozen van drie jaar gedaan worden. Als uw auto nabehandeld moet worden: laat uw Volvo-werkplaats u hierbij helpen. Voor het krijgen van een perfect resultaat moet het nabehandelen vakkundig gebeuren.

De "zichtbare" roestwerende behandeling moet regelmatig gecontroleerd en bijgewerkt worden. Als de roestwerende laag ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddellijk laten doen om te voorkomen, dat vocht onder de roestwerende laag komt – laat uw Volvo-werkplaats u hierbij helpen. Als u de roestwerende behandeling zelf wilt bijwerken, moet u ervoor zorgen, dat de bij te werken plaats schoon en droog is. Spoel, was en droog de auto zorgvuldig. Gebruik een roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwast aan.
Er zijn twee verschillende soorten roestwerende middelen:
een dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen, een dik voor slijtplekken van het onderstel en
Denkbare plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn b.v.:
- Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (dunne vloeistof).
- Onderstel en wielkuipen (dikke vloeistof).
- Portierscharnieren (dunne vloetstof). - Motorperscharmien en elching (de
Als u met de behandeling klaar bent, kan het overtollige roestwerende middel verwijderd worden met een doek die met terpentine bevochtigd is. De motorruimte is in de fabriek behandeld met een kleurloos roestwerend middel op wasbasis. Dit middel is tegen gewone wasmiddelen bestand zonder op te lossen en onwerkzaam te worden. Als u echter met zogenaamde aromatische oplosmiddelen, zoals b.v. wasbenzine, terpentine (met name met een emulgator erin) reinigt, moet na het reinigen de beschermende waslaag vernieuwd worden. De Volvo-dealers verkopen dergelijke wassen.

Wegens brandgevaar is het belangrijk dat de verwarming wordt beschermd tijdens de roestwerende behandeling.
Lakbeschadigingen
Lakresten met tape verwijderen

Kleine steenslagplekken en kras-
Materialen:
• Grondlak (primer) in een busje
• Lak in een busie of zgn. lakpen
• Penseel
- Tape
Als de steenslagplek niet tot op het metaal is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag is, kunt u met lak opvullen, nadat het vuil verwijderd is.
Als de steenslagplek tot op het metaal is
doorgedrongen, moet u het volgende doen: • Breng op het beschadigde vlak een stukje
tape aan. Trek daarna de tape weg waardoor
de lakresten meekomen.
Roer de grondlak (de primer) goed om en
breng deze met een fijn penseeltje of met
een lucifer aan.
- Als de grondlak goed droog is, kan met een
penseel de eindlak aangebracht worden.
Roer de lak goed om en brene deze daarna
enkele malen dun aan en laat de lak telkens
eerst goed drogen.
Bij krassen doet u, zoals hiervoor beschre-
ven is, maar het kan gewens
Woekt aan naar dagen met d
- Wacht een paar dagen met de hatochande- line, dva, het poliisten van de hiigewerk
ing, d.w.z. het poljsten van de bijgewerkde plekker. Gebruik aan sachte doek en waar
spaarzaam met polijstpasta.
De roestwerende behandeling moet door uw Volvo-werkplaats geïnspecteerd worden; zie het Garantie- & Serviceboekje.
De lak is een belangrijk gedeelte van de bescherming van de auto tegen roest en u moet deze dus regelmatig controleren. Lakbeschadi
gingen moeten onmiddellijk bijgewerkt worden om roestvorming te voorkomen. De meest voorkornende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u zelf kunt bijwerken, zijn:
- kleine steenslagplekken en krassen.
- beschadigingen op b.v. spatschermranden en drempels.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.
Lakkleurcode
Let erop, dat u de juiste lakkleur krijgt.
Controleer dit met het codenummer voor de
lakkleur dat op het produktplaatje op het linker binnenscherm staat.

Lakkleurcode
Auto wassen
Auto vaak wassen!
Was de auto zodra deze vuil geworden is, met name 's winters, omdat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken.
Op de volgende manier kunt u uw auto wassen:
- Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spatscherm-
- Spoel de genele auto af, toldat het vuit geweekt is; spuit niet direct op de elaten.
- was de auto met een spons met of zonder wasmiddel en veel water.
Gebruik hirst lauw, maar geen heel water. Als het vuil are vastzet kunt u de auto met
- Als het van erg vastzit, kunt u de auto met een kodoontveitingsmid- del wassen, maar dan moet u dit doen op een wasplasts met een
spoelputie.
- Droog de auto af met een schone, zachte zeem.
- Een motorbediende antenne (extra uitrusting) moet na het wassen
afgeveegd en afgedroogd worden.
- Maak de wisserbladen schoon met een nagelborsteltje en een lauwe
zeepoplossing.
- Bij het reinfingen van de motor mag geen water rechtstreeks op de verdaler achterden en de motor stederer over. Nijb te isien
verdeter achterduan op de motor worden gespoten. Na het reinfig moet u de bougieholtes droogblazen met behulp van perslucht.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 5–10 cl gewoon vloeibaar afwasmiddel op 10 liter water. Vlekken op aluminium strips rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden. Gebruik nooit polijstpasta of staalwol!

In een wasautomaat wassen Poetsen In de was zetten—
In een wasautomaat wassen
Wij adviseren u om uw auto de eerste maanden – totdat de lak hard geworden is – met de hand te wassen.
In een automatische wasinrichting kan de auto eenvoudig en snel gewassen worden. Denk er echter aan, dat een automatische was-inrichting de auto niet zo effectief en voorzichtig wast als u zelf met de hand met spons
en water doet. De borstels van de wasautomaat komen niet geheel bij alle plaatsen. Het afspoelen van het onderstel van de auto dat 's winters van groot belang is, gebeurt niet in alle wasautomaten. Let erop, dat eventuele
extra uitrusting – extra koplampen – goed vastzitten, want anders be-staat er kans, dat de borstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Draai de radio-antenne los of schuif deze in.
Voordat u de automatische wasinrichting binnenrijdt, moet u de armen
van de koplampwissers onder de aanslagen onderaan de koplampen leggen. Zo wordt verhinderd, dat de borstels de armen pakken en het wissermechanisme beschadigen.
N.B! Vergeet, als het wassen klaar is, daarna niet om de wisser-armen weer in hun normale stand te brengen! Was uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels!
Bumpers
Gebruik een normaal autowasmiddel. Gebruik nooit benzine of oplosmiddelen. Gebruik gedenatureerde alcohol voor de moeilijke plekjes.
Gebruik geen papier, om krassen in de laklaag te voorkomen. Maak plekken waar benzine of diesel gemorst is onmiddellijk schoon.
Bekleding reinigen
| Bekleding reinigenBehandeling van vlekken op textielVoor vuile textielbekleding worden speciale reinigingsmiddelen aanbe- volen; deze zijn bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar. Andere chemische produkten kunnen de behandeling i.v.m. brandbestendigheid nadelig beïnvloeden.Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat deze ingedroogd zijn. De vlekken moeten opgelost worden, niet weggewreven, weggekrabd of met een harde borstel weggeschuurd worden.Behandeling van vlekken op vinylKrab of wrijf nooit op een vlek. Gebruik nooit sterke ontvlekkings- middelen. Reinig met een zwakke zeepoplossing en lauw water.Behandeling van vlekken op leerVeeg de vuil geworden leren bekleding met een vochtige doek af. Ge- bruik nooit sterke oplosmiddelen, benzine, alcohol, e.d.Een behandeling met de Volvo leeronderhoudset een of twee maal per jaar wordt geadviseerd om het leer soepel en comfortabel te houden.OntvlekkingsmiddelenGebruik textielreinigingsprodukt van Volvo.Zoniet raden wij de volgende methode aan:Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90%) wordt met 3 dl water gemengd.Ammoniak-zeepoplossing: bovengenoemde ammoniakoplossing wordt met 1 dl zeepwater gemengd. Zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte kleurloze toiletzeep in lauw water op te lossen. | Behandeling van vlekken in stoffen en textielmattBehandel de vlekken zo snel mogelijk!Verwijder het grootste deel van de vlek met een bot mes of iets dergel- lijks. Zuig zo veel mogelijk op met schone witte doeken. Stofzuig rond om de vlek, zodat vuil in de buurt niet oplost.Bevochtig een schone witte doek met het oplosmiddel. Zuig daarna het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herhaal de behandeling, totdat de vlekken verdwenen zijn.Aan het volgende denken:Bij verfvlekken, b.v. inkt, balpuntpennen, lippenstift, moet heel voor zichtig met het ontvlekkingsmiddel gewerkt worden, omdat de kleur- stof in de vlek kan oplossen en de vlek daardoor groter wordt.Wees spaarzaam met oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kan de schuimplastic vulling in de zitting beschadigen.Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.Autogordels reinigenGebruik water met een synthetisch wasmiddel.Bumperafdeklijst reinigen, (5-deurs).Gebruik een oplossing van zachte zeep en gebruik indien nodig een zachte borstel. |
Volvo Service
Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en deze langer meegaat. En ook, als u uw auto door een nieuwe wilt vervangen. Lees
daarom over:
Volvo Service 7:2
Motorruimte 7:6
Motorolie controleren en verversen 7:7
Stuurbekrachtiging, remmen, koppeling 7:10
Koelyloeistof controleren 7:11
Wisserblad vervangen 7:13
Ruitewissers, koplampwissers 7:14
Carrosseriesmering 7:14
Accessoires aanbrengen 7:15
Volvo Service
Dit onderhoud moet uw auto krijgen
Denk eraan, dat ...
Voortaal u uw auto in ontvangst nam, heeft deze twee inspecties gehad. De eerste vond in de fabriek plaats en de tweede was de afleveringsinspectie bij uw dealer volgens de instructies van de Volvo-fabriek.
Het Volvo Onderhouds Programma
Om uw Volvo steeds in hoge mate verkeersveilig, bedrijfszeker en betrouwbaar te houden moet u het Volvo Onderhouds Programma opvolgen, zoals dit in het Garantie- en Serviceboekje beschreven is. Wij raden u aan om deze werkzaamheden altijd in een Volvo-werkplaats te laten uitvoeren. Uw Volvo-werkplaats heeft het personeel, de speciale gereedschappen en de serviceliteratuur die de hoogste servicekwaliteit garanderen die u, als Volvo-bezitter, verwacht. U kunt er ook verzekerd van zijn, dat uw Volvo-werkplaats altijd originele Volvo serviceonderdelen gebruikt van dezelfde kwaliteit als de componenten die de Volvo-fabriek gebruikt. Het Volvo Onderhouds Programma is opgesteld voor de gemiddelde automobilist. Wanneer u van mening bent dat uw auto uitzonderlijke service behoeft, raadpleeg dan uw dealer. Hij kan een aangepast serviceprogramma voor uw auto opstellen!
BELANGRIJK!
Voorwaarde voor de geldigheid van onze garantie is, dat u uw auto volgens de instructies van deze handleiding onderhoudt, d.w.z., dat b.v. het olie verversen en de onderhoudsbeurten bij de juiste kilometerstand uitgevoerd worden en dat u onderhoudsbeurten en reparaties door een erkende Volvo-werkplaats laat uitvoeren.
Denk aan het volgende, voordat u aan uw auto gaat werken:
↓
WAARSCHUWING!
De ontsteking van de auto werkt met een zeer hoge spanning! De spanning in het ontstekingssysteem is levensgevaarlijk! Raak de bougies, bobine of bobine- en bougiekabels niet aan, als de motor loopt of het contact aanstaat!
Het contact moet afgezet zijn bij:
- Het aansluiten van motortestapparatuur, de ontstekingstestlamp, de contacthoek-/toerentalmeter, de ontstekingsoscilloscoop, enz.
De accu moet losgekoppeld zijn bij de volgende werkzaamheden:
- Het vervangen van onderdelen van het ontstekingssysteem, zoals bougies, bobine,
stroomverdeler, bobine- en bougiekabels, enz.
- De massa-aansluiting van het Airbag-systeem (SRS) in de middenconsole tussen de
voorstoelen mag niet losgemaakt worden. Verbind ook geen andere elektrische
componenten onder de bestuurdersstoel met de massa. Bij een verkeerde massaverbinding kan de goede werking van het SRS in gevaar gebracht worden.
Accu
- Overtuig u ervan, dat de accukabels goed aangesloten en stevig vast-
gezet zijn. - Koppel de accu nooit los, als de motor loopt (b.v. bij het vervangen
van de accu). - Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgemaakt zijn.
- Zet de radio af, voordat u de accu loskoppelt. Als de radio tegen dief-
stal beveiligd is en de accu losgekoppeld geweest is, moet de radioco-
de opnieuw ingevoerd worden: anders werkt de radio niet.
Volvo Service

vloeistofpeil verloopt makkelijker met een zaklamp. Elke cel bezit zijn eigen niveau-indicator (zie afbeelding). Vul indien nodig de accu met water bij tot de maximum-markering. OPMERKING! Vul niet verder bij dan de maximum-markering!
Gebruik gee
gedistilleerd of gedeïoniseerd water
Als u de accu herlaadt, moet u het
vloeistofpeil controleren na het laden en.
indien nodig, water bijvullen.
Zorg ervoor dat de doppen goed zijn
aangespannen.
Accu's met grijze doppen
(ontluchtingsfilters) - de grijze dop mag
niet vervangen worden door een zwarte
luchtdichte dop.






Aan de bovenzijde van de batterij staan de volgende sym bolen vermeld:
Gebruik een veiligheids-
bril.
Zie voor meer details het
instructieboekje.
Bewaar de batterij buiten
het bereik van kinderen.
De batterij bevat een bij-
tend zuur.
Vermijd vonken of open
vuur.
Explosiegevaar.
WAARSCHUWING

Denk eraan dat de accu een zeer
ontplofbaar mengsel van waterstof en
zuurstof bevat. Open vuur of roken in de
nabijheid van de accu kan de explosie van
de accu met zich meebrengen, met schade
aan de auto en persoonlijk letsel tot gevolg
De accu bevat ook zwavelzuur, dat ernstige
corrosie kan veroorzaken. Als het zuur in
aanraking komt met uw ogen, huid of
kleding, moet u grondig spoelen met water
Als het zuur in uw open spat, moet u eerst
spoelen en onmiddellijk daarna medische
hulp inroepen.
Accu
De rij-omstandigheden, uw rijstijl, het aantal startpogingen, de klimaatomstandigheden enz kunnen allemaal een invloed uitoefenen op de levensduur en werking van uw accu. Om uw accu in optimale conditie te houden moet u volgende punten voor ogen houden:
Controleer regelmatig (minstens om de zes maanden of elke 15 (000 km) het corrsta
vloeistofreil in de accu (zie afbreiding)
Controleer alle callen in de avon. Gabbrafik
en schroevadruvier om de afdakking to
verwijderen. De controle van het