940 (1998) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 940 (1998) VOLVO in PDF-formaat.
| Producttype | Auto |
| Merk | Volvo |
| Model | 940 (1998) |
| Categorie | Auto |
| Lengte | 4870 mm |
| Breedte | 1760 mm |
| Hoogte | 1410 mm |
| Ledig gewicht | 1400 kg |
| Brandstoftype | Benzine / Diesel |
| Motorinhoud | 2.0 - 2.3 L |
| Transmissie | Handgeschakeld of automatisch |
| Veiligheidssystemen | ABS, airbags, gordelspanners |
| Onderhoud | Regelmatige olie- en filters vervanging |
| Bandenspanning voor | 2.2 bar |
| Bandenspanning achter | 2.4 bar |
| Inhoud brandstoftank | 70 L |
| Motoroliecapaciteit | 5.0 L |
| Koelvloeistofcapaciteit | 8.0 L |
| Reparatiehandleiding | Beschikbaar in PDF |
Veelgestelde vragen - 940 (1998) VOLVO
Gebruikersvragen over 940 (1998) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 940 (1998) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 940 (1998) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 940 (1998) VOLVO
Een uitgebreide inhoudsopgave staat achter in dit bockje.
Hoofdstuk
Instrumenten en bediening 1
Interieur, portieren, kofferdeksel, schuifdak 2
Starten en rijden 3
Wielen en banden 4
Als er iets gebeurt 5
Carrosserie-onderhoud 6
Service, onderhoud 7
Specifications 8
Zuivering uitlaatgassen 9
Audio 10
In de handleiding wordt niet alleen de standaarduitrusting beschreven, maar ook extra uitrusting of accessoires. Verder kan er een alternatief in de uitrusting zijn, b.v. een handgeschakelde of automatische versnellingsbak. Bepaalde landen hebben ook wettelijke voorschriften voor het uitrustingsniveau van de auto.
Daardoor moet u soms in de handleiding verder gaan dan het hoofdstuk waarin uitrusting beschreven wordt die de auto niet heeft.
De specificaties, constructiegegevens en illustraties in dit boekje zijn niet bindend. Wij behouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Instrumenten, schakelaars en bediening
Pagina
1 Blaasmond 1:13
2 Koplampen en parkeerlichten .... 1:6
3 Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht schakelaar en grootlichtsignaal 1:6
4 Waarschuwingsknipperlichten 1:6
5 Instrumentenpaneel 1:2
6 Ruitewissers/-sproeiers en
koplampwissers/-sproeiers 1:7
7 Blaasmonden 1:13
8 Verwarming en ventilatie 1:13
9 Plaats voor radio....
10 Plaats voor extra uitrusting
11 Asbakje 1:11
12 Elektrisch verwarmde stoelen 1:10
13 Parkeerrem (handrem)....1:11
14 Elektrisch bediende raammechanismen en elektrisch bediende buitenspiegels (extra uitrusting) 2:10
15 Motorkapsluiting 2:13
16 Mistachterlicht.... 1:8
17 Mistlamp vor 1:8
18 Hoogte-instelling lichtstraal 1:8
19 Regelbare weerstand instrumentenverlichting 1:8
20 Start-/stuurslot 1:7
21 Elektrisch verwarmde achterruit 1:9
22 Elektrisch bediend schuifdak (extra uitrusting) 1:9
23 Sigareaansteker 1:11
24 Claxons 1:8
Op pagina 1:2–1:20 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedieningsorganen nauwkeurig beschreven.
Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrusting kunnen voorkomen.
Instrumenten, schakelaars en bediening

1 Buitentemperatuurmeter (Extra)
Deze geeft tijdens het rijden de buitentemperatuur vlak boven het wegdek aan. Als de temperatuur tussen +2 °C en -5 °C ligt, waarschuwt de buitentemperatuurmeter met een lampje.
N.B.! Bij lage snelheid of als de auto stilstaat, kan de buitentemperatuurmeter door de warmte van de motor een te hoge waarde aanwijzen.
2 Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is ca. 75 liter. Er is nog ca. 6 liter brandstof over, als het lampje in het instrumentenpaneel brandt.
3 Klokje
Het klokje werkt elektrisch en loopt op de accu. Om het klokje gelijk te zetten: druk het knopje in en draai eraan.
4 Snelheidsmeter
5 Kilometerteller
6 Dagteller
Dagteller op nul zetten
Deze wordt voor het opmeten van korte rijafstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft hectometers (100 meter) aan. Druk de knop in om de dagteller op nul te zetten.
Als de dagteller een rood 100-meter wieltje heeft, is de snelheidsmeter, incl. de dag- en kilometerteller, vervangen. De meterstand en het tijdstip voor het vervangen staan in uw Garantieboekje.
7 Toerenteller
Deze geeft het motortoerental in duizend omw./min. aan.
Het egaal rode gebied mag niet gebruikt worden.
Het hoogste toegestane continue motortoerental is bij benzinemotoren 6000 omw./min.
8 Turbodrukmeter (bepaalde modellen)
De schaal van de turbodrukmeter is verdeeld in twee gebieden met verschillende kleuren: een zwart en een geel gebied.
Met de wijzer in het zwarte gebied werkt de motor als „aanzuigmotor”, d.w.z. zonder turbolading. Houd de wijzer zo veel mogelijk in dit gebied om zo zuinig mogelijk te rijden. Met de wijzer in het gele gebied is de turbo ingeschakeld.
9 Temperatuurmeter
Als de wijzer herhaaldelijk in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u het koel-vloeistofpeil en de aandrijfriemen onmiddellijk controleren.
Controle- en waarschuwingslampjes

1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 Storing in de zuivering uitlaatgassen
4 Richtingaanwijzer, aanhanger
5 Niet aangesloten
6 Te weinig sproeivlocistof
Als het lampje brandt, zit er nog maar 1/2-
1 liter sproeivlocistof in het reservoir
7 Mistachterlamp
8 Defecte gloeilamp
9 Dynamo laadt niet bij
10 Oliedruk te laag
11 Grootlicht brandt
12 Remcircuit buiten werking
13 Parkeerrem is aangetrokken
14 ABS (niet-blokkerende remmen) buiten werking
15 Niet aangesloten
16 Niet aangesloten
17 4e versnelling uitgeschakeld (automatische versnellingsbak)
18 Controlelampje autogordels
19 Airbagsysteem defect
20 Niet aangesloten
21 Niet aangesloten
Waarschuwingslampjes
Deze waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden! Zij moeten echter gaan branden, als u vóór het starten het contact aanzet. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor aangeslagen is, moeten
alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje voor de parkeerrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de parkeerrem losgezet heeft.
Remcircuit buiten werking

Als het lampje tijdens het rijden of remmen brandt, is het remvloeistofpeil te laag. Sta onmiddellijk stil en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit, staat op de achterkant van dit boekje). Als het peil ergens in het reservoir onder MIN ligt: rijd niet verder, maar laat de auto voor controle en reparatie naar een werkplaats slepen!
Oliedruk te laag

Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 7:6. Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair koopt. Dit is heel normaal, als het maar uitgaat, als het motortoerental opgevoerd wordt.
Elektronisch systeem van de auto defect

Als na het starten van de motor het lampje blijft branden, heeft een van de diagnosesystemen in het brandstof- of ontstekingssysteem van de motor een storing ontdekt. Door de storing beantwoordt de motor vermoedelijk niet aan de geldende voorschriften voor de zuivering van uitleatgassen. Rijd voor controle naar een Volvo-werkplaats.
De dynamo laadt niet bij

Het lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, zit er een storing in de elektrische installatie of zijn de ventilatorriemen slecht gespannen.
Een gloeilamp brandt niet meer

Als het lampje brandt, brandt een van de volgende gloeilampen niet meer:
Dimlichten
Achterlichten
Remlichten (als het lampje brandt bij intrappen van het rempedaal).
Controleer de zekering en de gloeilamp. Als het waarschuwingslampje blijft branden, al heeft u de kapotte gloeilamp door een nieuwe vervangen, moet u ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant van de auto vervangen.
Remlichtencontrole
(alleen Duitsland)
Als de motor aangeslagen is, gaan alle controlelampjes behalve dit uit; het lampje gaat pas uit, als zo op het rempedaal getrapt wordt, dat de remlichten branden.
Als het lampje niet uitgaat, zit er een defect in het remlichtencircuit.
Parkeerrem aangetrokken

Waarschuwingslampjes
(ABS) - niet-blokkerende remmen - buiten werking

Het ABS-systeem is zo geconstrueerd, dat de remmen bij sterk afremmen niet blokkeren. Het systeem „voelt”, als de remmen gaan blokkeren, regelt de remdruk automatisch en verbindert zo het blokkeren. Als het systeem werkt, voelt u het rempedaal pulseren. U hoolt ook, wanneer de regeling in/buiten werking treedt; dit alles is normaal. Merk op, dat u voor het bereiken van een optimaal effect met volle kracht op het rempedaal moet trappen, maar dat het ABS-systeem de totale remcapaciteit niet vergroot. U kunt de auto echter steeds blijven besturen en heeft dus een betere controle.

Als het lampje blijft branden of onder het rijden gaat branden, heeft de diagnose-eenheid van het Airbagsysteem een storing ontdekt. Rijd voor controle onmiddellijk naar een Volvo-werkplaats. Meer over Airbag staat op pagina 2:26.
Koplampen, parkeerlichten, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten
Koplampen en parkeerlichten
0
Alle verlichting is uit.
Automatische dimlichten (bepaalde modellen)
Startsleutel in de „rijstand“: de dimlichten (en de achterlich-
ten, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting)
branden. De dimlichten gaan dus automatisch branden, als de
startsleutel in de „rijstand“ gedraaid wordt en deze kunnen alleen uitgedaan worden door de zekering nr 25 weg te nemen.
DCE
Parkeerlichten (voor en achter). De parkeerlichten mogen alleen
bij parkeren, nooit onder het rijden, worden gebruikt.
Startslentel in stand 0: Alle verlichting is uit.

Startsleutel in stand I, II of III: De koplampen (+parkeerlich-
ten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden.
De koplampen moeten natuurlijk branden, als in het donker op
slecht verlichte wegen en overdag bij slecht zicht gereden wordt.
Als de schakelaar in de stand 📄 staat, gaat dus alle verlichting uit.
als de startsleutel in stand 0 wordt gedraaid.

Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-schakelaar en
grootlicht-„signaal“
1 „Drukpuntstand“
Bij bochten met een geringe stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug, als het losgelaten wordt.
2 Normale bochten
3 Groot-/dimlicht-schakelaar
(koplampen branden)
'Trek het hendeltje naar het stuur tot voorbij de „knipperstand" en laat het weer los. De
koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.
(koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur (toldat u wat weerstand voelt). Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje wordt losgelaten.
Als in de richtingaanwijzers een gloeilamp stuk is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.
Waarschuwingsknipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren, dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Ruitewissers en -sproeiers, start- en stuurslot


Start- en stuurslot
0 Vergrendelingsstand
Het stuurslot vergrendelt het stuur, als de sleutel uit het slot wordt gehaald.
Bepaalde elektrische componenten kunnen worden ingeschakeld. De elektrische installatie van de motor is niet ingeschakeld.
II Rijstand
Stand van de sleutel tijdens het rijden. De dagrijlichten, achterlichten en kentekenplaatverlichting branden.
III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.
Als de sleutel zwaar draai, komt dit, doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer en draai de sleutel, dan gaat het gemakkelijker.
Let erop dat het stuurslot dient te zijn vergren- deld wanneer u de auto verlaat; zo vermindert u de kans op diefstal.
Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers
1 Wissen met intervallen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken ongeveer elke 6 secon-den één slag.
2 „Drukpuntstand“
Als de wissers slechts een of een paar slagen moeten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntstand gebracht en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de retourstand, als het hendeltje wordt losgelaten.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + koplampwissers/-sproeiers
Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en maken deze 2-3 slagen, nadat het hendeltje losgelaten is.
WAARSCHUWING!

Neem nooit de contactsleutel uit het stuurslot tijdens het rijden of slepen van de auto!
Mistlampen, instrumentenverlichting
A - Mistachterlicht
Het mistachterlicht wordt aangezet met behulp van de schakelaar (deze functie wordt automatisch uitgeschakeld wanneer de motor wordt uitgezet). Als het controlelampje op het dashboard brandt, brandt het mistachterlicht in combinatie met het groot/dimlicht.
B - Mistlamp voor
De mistlamp voor wordt in- en uitgeschakeld met behulp van de schakelaar. Als de LED op de schakelaar brandt, werkt de mistlamp voor in combinatie met het parkeerlicht en het groot/dimlicht.
Denk hieraan: De wettelijke
voorschriften voor het gebruik van mistachterlampen verschillen van land tot land.
| Lading | 944 | 944 met aanhang | 945 | 945 met aanhang |
| Bestuurder | 0 | 1,5 | 0 | 0,5 |
| Besturder en 1 passagier | 0 | 1,0 | 0 | 0,5 |
| 5 inzittenden | 1 | 2,0 | 0 | 0,5 |
| 5 inzittenden + lading | 2 | 2,5 | 0,5 | 0,5 |
| Bestuurder + lading | 3 | 3,5 | 1,5 | 2,0 |

D - Regelbare weerstand instrumentenverlichting
Bediening naar boven: sterkere verlichting Bediening naar beneden: zwakkere verlichting
C - Hoogte-instelling lichtstraal (sommige landen)
Het systeem bestaat uit een elektrische motor op elke koplamp en een schakelaar op het dashboard. Met de schakelaar kan de hoogte van de koplampsstraalen worden aangepast aan verschillende ladingen. De hoogte van de lichtstraal kan alleen worden ingesteld met ingeschakelde koplampen. De correcte niveaus voor de verschillende ladingen worden in nevenstaande tabel opgegeven.
Elektrisch verwarmde achterruit, buitenspiegels, achterruitwisser, schuifdak

E - Elektrisch verwarmde achterruit Elektrisch verwarmde buiten- spiegels
Gebruik de elektrische verwarming om ijs en aanslag van de achterruit en buitenspiegels te verwijderen.
Door op de schakelaar te drukken wordt de verwarming van de achterruit en van de
buitenspiegels gelijktijdig aangezet. Dit blijkt hieruit, dat de beide oranje controlclampjes in de schakelaars branden. Een ingebouwde tijdschakelaar zorgt ervoor, dat de verwarming van de buitenspiegels na ca 12 minuten auto-matisch uitgeschakeld wordt. Tegelijk gaat het betreffende controlclampje uit. Als nogmaals op de schakelaar gedrukt wordt, terwijl een van de controlelampjes brandt, wordt de gehele verwarming uitgeschakeld. Als weer op de schakelaar gedrukt wordt, als de beide controlclampjes uitgegaan zijn, wordt de verwarming weer aangezet.
Achterruitwisser en -sproeier
5-deurs model
De achterruitwisser/-sproeier wordt met de schakelaars aan de buitenkant van de ruite-wisserhendel bediend.
1 Achterruitwisser, normale snelheid
2 Intervalwissen
De achterruitwisser maakt elke 10 secon- den een slag.
3 Achterruitsprocier
Ook de wisser wordt aangezet, als u de knop indrukt. Als u de knop loslaat, maakt de wisser nog 2–3 extra slagen.
F - Schuifdak, elektrisch bediend
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak, ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand” komt te staan.
De startsleutel moet in de rijstand staan. Om het schuifdak te sluiten: druk op de andere kant van de schakelaar dan bij het openzetten van het schuifdak.
Meer informatie over het schuifdak, zie pagina 1:20.
Bij defect, zie pagina's 1:20 en 5:3.
Elektrisch verwarmde voorstoelen

Schakelaar voorstoelen
Verwarmde voorstoelen
De stoelverwarming kan worden aan- en uitgeschakeld met behulp van de schakelaars. Op sommige modellen werkt de verwarming volledig automatisch. Bij het bereiken van de juiste temperatuur wordt de verwarming automatisch uitgeschakeld.
Schakel de verwarming van de passagiers- stoel uit als niemand hem gebruikt.
Parkeerrem Sigareaansteker Asbakjes

Sigareaansteker
Asbakje
Parkeerrem (handrem)
De hendel zit tussen de voorstoelen. De parkeerrem werkt op de achterwielen. Als de parkeerrem aangetrokken is, brandt het waar- schuwingslampje in het instrumentenpaneel. Als de parkeerrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingedrukt worden. Gebruik bij parkeren altijd de parkeerrem, want dan blijft deze goed werken.
Sigareaansteker en asbakjes
Druk de aansteker in, als deze gebruikt moet worden. Als hij na ca 6–8 seconden warm genoeg geworden is, komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaaggedrukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch bediende raammechanismen
Links achter
Links vóór

Rechts achter
Rechts vóór
De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet de startsleutel in de "rijstand" staan. De ramen gaan open, als op het achterste deel van de schakelaar gedrukt wordt en zij gaan dicht door op het voorste deel van de schakelaar te drukken. De elektrisch bediende zijruit aan bestuurderszijde is voorzien van een extra "AUTO"-functie. Door deze toets snel in te drukken, opent de ruit volledig. Dit kan worden onderbroken door de toets nogmaals snel in te drukken. OPMERKING! De AUTO-functie geldt enkel aan de bestuurderszijde.

Bij auto's met ook voor de achterportieren elektrisch bediende raammechanismen kunnen de raammechanismen vergrendeld worden met de schakelaar in het midden van het schakelaarpanel van het bestuurdersportier. Denk eraan om altijd de stroom naar de raammechanismen te verbreken (d.w.z. de startsleutel te verwijderen), als u kinderen alleen in de auto achterlaat.
De ramen van de achterportieren kunnen met de schakelaar van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportier bediend worden.
De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf het bestuurdersportier en dus niet met de schakelaars van de achterportieren bediend worden.
WAARSCHUWING!

Zorg er voor (speciaal als er kinderen in de auto zijn) dat bij het sluiten van de ramen geen handen klem komen te zitten.
N.B! De elektrisch bediende raammechanismen hebben een overbelastingsbeveiliging die werkt, als de ramen door iets geblokkeerd zijn. Als dit gebeurt: verwijder het voorwerp en wacht ca 20 seconden. Dan is de beveiliging afgekoeld en kunt u de raammechanismen weer gebruiken.
Verwarming, ventilatie en airconditioning

Verwarming en ventilatie
Er komen verschillende types verwarmings- en ventilatiesystemen voor, namelijk:
- „Standuardsysteem“ zonder airconditioning. Dit wordt beschreven op pagina 1:14.
- „Combined unit“ met airconditioning. Dit wordt beschreven op pagina 1:16.
- Automatisch verwarmings- en ventilatie-systeem. Dit wordt beschreven op pagina 1:18.
Op deze pagina's staan ook enkele adviezen hoe u de verwarming en ventilatie zo goed mogelijk moet gebruiken.
Met de airconditioning kunt u in de auto een koel en behaaglijk klimaat krijgen ook al is het buiten erg warm, maar denk crom dat de ramen en het schuifdak dicht moeten zijn. Zorg ervoor dat de afvoeropeningen op de hoedenplank en in de wieluitsparingen in de bagageruimte van de 5-deurs modellen niet geblokkeerd raken.

Openen - dichtzetten - richten
Blaasmonden
A Open
B Dicht
C Luchtstroom opzij gericht
D Luchtstroom omhoog gericht
Zorg voor het milieu
De airconditioning is voorzien van het chloorvrije koelmiddel R134a, dat geheel ongevaarlijk is voor de ozonlaag. Bovendien draagt het slechts in zeer beperkte mate bij aan het „broeikaseffect". Gebruik steeds R134a wanneer u koelmiddel bijvult of ververst. Dit moet door een Volvo-werkplaats gedaan worden.
Verwarming en ventilatie zonder airconditioning

Verwarming en ventilatie
Zo wordt het het warmst:

Denk erom, dat er altijd wat lucht uit de blaasmonden van het dashboard komt, zolang als de blaasmonden openstaan! Dit hangt niet af van de stand van de functiekiezer. Als u de maximale hoeveelheid lucht naar de vloer of de ruiten wilt hebben, moet u de blaasmonden dicht zetten. Als de zijruiten weer gaan beslaan, moeten de twee buitenste blaasmonden opengezet worden.
... en zo wordt het het koudst:

Blaasmonden open.
... en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Zet de twee middelste blaasmonden dicht! Als het gesneeuwd heeft moet de sneeuw van de luchtinlaat voor de verwarmingsinstallatie, d.w.z. van het rooster voor de voorruit, weggeveegd worden!
Verwarming en ventilatie met handbediende airconditioning


Wanneer deze knop ingedrukt is, „recirculeert" de lucht in het interieur, d.w.z. dat bijna geen lucht in de auto gezogen wordt. Het controlelampje brandt wanneer deze functie actief is. Wanneer de functiekiezer in de stand defrost staat, is de recirculatie altijd uitgeschakeld, ongeacht de stand van de knop.

Het airconditioningsysteem is ingeschakeld wanneer de knop ingedrukt is. Het controle-lampje brandt blauw wanneer de airconditioning aan staat. Het airconditioningsysteem is altijd ingeschakeld wanneer de functiekiezer in de stand defrost staat, ongeacht de stand van de knop.
Functiekiezer

Lucht via de blaasmonden.

Lucht naar de ruiten. In deze stand recirculeert de lucht niet. Het airconditioningsysteem is altijd ingeschakeld.

Lucht naar de vloer en naar de ruiten.

Lucht naar de vloer.

Lucht naar de vloer en naar de blaasmonden.
Zo wordt het het warmst:

Zet de middelste blaasmonden dicht. Zet, als het in het interieur warm geworden is, de aanjagerbediening in stand 2 en regel de temperatuur.
... en zo wordt het het koudst:

Zet de blaasmonden open.
moet ingedrukt zijn.
Regel de temperatuur met de temperatuurkie- zer.
... en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Zet de functiekiezer in de stand 332, In deze stand is het airconditioningsysteem altijd ingeschakeld!
Als het gesneeuwd heeft, moet de sneeuw van de luchtinlaat voor de verwarmingsinstallatie (het rooster voor de voorruit) weggeveegd worden.
Verwarming en ventilatie
Hier nog enkele adviezen en inlichtingen:
- Voor het inschakelen van de airconditioning moet de aanjagerschakelaar tenminst in stand 1 staan.
- Gebruik deze stand om snel te koelen of als u een paar minuten geen last van stinkende uitlaatgassen wilt hebben. In deze stand komt namelijk slechts een klein gedeelte van de lucht van buiten. Maar rijd zo niet langer dan ca 10–15 minuten, omdat er bij het toevoeren van bijna geen frisse lucht kans op ongezonde lucht in de auto is. Regel de temperatuur met de temperatuurkiezer.
- Het airconditioningsysteem functioneert niet bij temperaturen onder +6°C.
Denk erom, dat er altijd wat lucht door de blaasmonden van het dashboard komt, zolang als deze openstaan! Dit hangt niet van de stand van de functiekiezer af. Als u de maximale hoeveelheid lucht naar de vloer of naar de ruiten wilt hebben, moeten de blaasmonden dichtgezet worden. Als de zijruiten weer gaan beslaan, moeten de twee buitenste blaasmonden opengezet worden.
Om de aanslag snel uit de auto te verwijderen kan met voordeel de airconditioning gebruikt worden, ook al is het buiten relatief koud, omdat vocht uit de lucht verwijderd wordt, voordat deze in de auto geblazen wordt.
Gebruik de airconditioning regelmatig; dan werkte deze het beste.
Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische airconditioning
Aanjager
0 = afgezet
5 = hoogste snelheid aut = aanjagersnelheid automatisch aangepast
Functiekiezer
Kies de gewenste functie. aut = normaal
Temperaturkiezer
Stel de gewenste temperatuur in.


Wanneer deze knop ingedrukt is, wordt de lucht in het interieur "gerecirculeerd", zonder aanvoer van verse buitenlucht. Zolang deze functie actief is, brandt het kader rond het controlelampje. Met de functiekiezer op de positie "ontwasemen" is de recirculatie nooit actief, ongeacht de stand van de knop.

De airconditioning is actief bij ingedrukte knop. Zolang deze functie actief is, brandt het kader rond het controlelampje. Ingeval van systeemstoring gaat het lampje knipperen. De airconditioning is altijd actief wanneer de functiekiczer op de positie "ontwasemen" staat, ongeacht de stand van de knop.
Functiekiezer
aut
In deze stand wordt de luchtverdeling automatisch aangepast.

Lucht via de blaasmonden

Lucht naar de ruiten. In deze stand recirculeert de lucht in het interieur niet. Het airconditioningsysteem werkt altijd.

Lucht naar de vloer en ruiten.

Lucht naar de vloer.

Lucht naar de vloer en de blaasmonden. Iets koudere lucht via de blaasmonden dan naar de vloer.
Verwarming en ventilatie
Zet de functiekiezer op aut en kies de temperatuur.
Als de temperatuurkiezer op maximale warmte of koelte gezet wordt, werkt de aanjager op de hoogste snelheid.
Zo verdwijnen beslagen ruiten het snelst:

Zet de functiekiezer in de stand

In deze stand is het airconditioningsysteem altijd ingeschakeld, ongeacht de stand van de knop.
Tegelijk is de functie recirculatie uitgeschakeld.
Hier nog enkele adviezen en inlichtingen:
- Gebruik deze stand, als u een paar minuten geen last van stinkende uitlaatgassen wilt hebben. In deze stand komt namelijk slechts een klein gedeelte van de lucht van buiten. Maar rijd zo niet langer dan ca 10–15 minuten. Omdat er bijna geen frisse lucht toegevoerd wordt, is er kans op ongezonde lucht in de auto.
- Het airconditioningsysteem werkt niet bij temperaturen onder +6°C.
Gebruik de airconditioning regelmatig: dan werkt deze het beste.
N.B! Leg niets op de zonnewarmtegever die in het luidsprekerrooster rechts aangebracht is. De airconditioning krijgt dan verkeerde informatie.
Als het onder de auto druppelt, kan dit komen, omdat bij warm weer de airconditioning vaak condenswater afvoert.
Moeilijke weersomstandigheden
Bij het rijden in zeer vochtige omstandigheden, zoals slagregen, smeltende sneeuw enz. kan het efficiënter zijn om de handmatige in plaats van de automatische instelling voor de ontwase- ming van de ruiten te kiezen. Zet de functiekie- zer op „Defrost” of „Defrost/vloer” en de aanjagersnelheid op 3 of hoger. Sluit ook de middelste blaasmonden.
Aanwijzing van een defect in de airconditioning
De knop ☒ heeft een controlelampje dat een defect in de airconditioning aangeeft.
Indien het controlelampje gaat knipperen, als het contact wordt aangezet, heeft de installatie een eenvoudig defect. Indien het lampje langer dan 20 seconden blijft knipperen, zit er een ernstiger defect in de airconditioning. Neem contact met op uw Volvo-werkplaats!
Denk erom, dat er altijd wat lucht door de blaasmonden van het dashboard komt, zolang als deze openstaan! Dit hangt niet van de stand van de functiekiezer af. Als u de maximale hoeveelheid lucht naar de vloer of naar de ruiten wilt hebben, moeten de blaasmonden dichtgezet worden. Als de zijruiten weer gaan beslaan, moeten de twee buitenste blaasmonden opengezet worden.
Om de aanslag snel uit de auto te verwijderen kan met voordeel de airconditioning gebruikt worden, ook al is het buiten relatief koud, omdat vocht uit de lucht verwijderd wordt, voordat deze in de auto geblazen wordt.
Schuif-/kanteldak

Elektrisch bediend schuif-/kanteldak
Het schuif-/kanteldak werkt op twee manieren: als een gewoon schuifdak en ook kan het achterste deel omhooggezet worden, zodat u een „ventilatiestand“ krijgt.
De startsleutel moet in de rijstand staan.
Om het schuifdak open te doen: druk op de onderkant van de schakelaar.
Om het schuifdak dicht te doen: druk op de bovenkant van de schakelaar.
Voor de ventilatiestand: druk op de bovenkant van de schakelaar en druk op de onderkant om dicht te doen.
Overbelastingsbeveiliging
N.B! Het elektrisch bediende schuifdak heeft een overbelastingsbeveiliging die werkt, als het dak door iets geblokkeerd wordt. Als dit het geval is, moet het voorwerp verwijderd en ca 20 seconden gewacht worden.
Dan is de beveiliging afgekoeld en kunt u het schuifdak weer gebruiken.
WAARSCHUWING!
Zorg er voor (speciaal als er kinderen in de auto zijn) dat bij het sluiten van het schuifdak geen handen klem komen te zitten.

Zonnescherm
Bij het schuifklak hoort aan de binnenkant ook een met de hand verschuifbaar zonnescherm. Dit gaat automatisch iets terug, als de „ventilatiestand” gebruikt wordt.
N.B! Doe het zonnescherm niet dicht, als het dak in de ventilatiestand staat, want het zou niet goed meer kunnen werken.
Op de volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
Sleutels 2:2
Centrale vergrendeling met afstandsbesturing, zonder alarm 2:4
Centrale vergrendeling met afstandsbesturing, en alarm 2:6
Voorstoelen 2:8
Achteruitkijkspiegels, binnen en buiten 2:10
Binnenverlichting 2:11
Opbergplaatsen 2:12
Motorkap 2:13
Bagageruimte, 4-deurs model 2:14
Bagageruimte, 5-deurs model 2:16
Autogordels 2:20
Kinderen in de auto 2:22
Airbag (SRS) 2:26
Laden 2:32
Ladingnet 2:33
Bagageafdekking 2:34
Portieren en sloten

Deze sleutel passen op alle sloten van de auto.

De verschillende autosleutels zijn uitgerust met een gecodeerde zend/ontvanger (transponder). De code in elke sleutel wordt doorgegeven via een antenne in het startslot en vergeleken met de code in de regeleenheid van de startonderbreker. De auto kan alleen gestart worden als de juiste sleutel met de juiste code gebruikt wordt.
Als u de sleutels van de auto verliest, breng dan de overige sleutels naar een erkende Volvo-werkplaats. Ter voorkoming van diefstal moet de code van de verloren sleutel uit het systeem worden gewist en de overige sleutels opnieuw in het systeem worden geprogrammeerd.
Nummerplaatje
De nummers van de sleutels (boofdsleutels en extra sleutels) staan vermeld op een afzonderlijk nummerplaatje. Bewaar het nummerplaatje niet bij uw sleutelbos, zodat niemand het nummer kan kopieren. Bewaar het op een veilige plaats.
Portieren vergrendelen en ontgrendelen
Alle portieren en de koffer worden automatisch veren ontgrendeld via het slot van het bestuurdersportier. Draai de sleutel naar rechts om alle portieren en de koffer te ontgrendelen. Draai hem naar links om alle portieren en de koffer te vergrendelen. Het passagiersportier vooraan kan ook worden veren ontgrendeld met behulp van een sleutel. Dit heeft geen weerslag op de vergrendeling van de andere portieren en de koffer. U kunt alle portieren van binnenuit vergrendelen door het slotknopje aan bestuurderskant in te drukken. De portieren kunnen ook van binnenuit worden geopend wanneer de slotknopjes zijn ingedrukt.
Om het bestuurdersportier te vergrendelen van buitenaf moet de sleutel worden gebruikt.
WAARSCHUWING!

Hon de portieren ontgrendeld – slotknopjes omhoog – tijdens het rijden! Anders kunnen de hulpdiensten zich indien nodig geen toegang verschaffen tot het interieur van de auto.
Denk eraan dat de achterportieren met ingeschakeld kinderslot alleen van buitenaf kunnen worden geopend als de slotknopjes omhoog zijn. De slotknopjes van de achterportieren kunnen van binnenuit worden omhooggedrukt met de handgreep binnen.

Hoofdisleatel voor het kofferdeksel/de achterklep
Kofferdeksel-/achterklepslot
Bij auto's met centrale vergrendeling reageert het slot van het kofferdeksel/de achterklep zo, dat de vergrendeling van het kofferdeksel/de achterklep met het slot van het bestuurdersportier bediend wordt. Het kofferdeksel/de achterklep kan ook met de hoofdsleutel op slot en van het slot gedaan worden, zelfs al is de auto „centraal vergrendeld”.

Van het slot doen

Op slot doen
Trek de sleutel er loodrecht uit! Bovendien kan het kofferdeksel/de achterklep als volgt tegen bediening door de centrale vergrendeling „geblokkeerd” worden:

Trek de sleutel er horizontaal uit
Het kofferdeksel/de achterklep is nu altijd op slot.
Deze mogelijkheid om het kofferdeksel/de achterklep te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaangeraakt“ moet blijven. Geef de dubbelsleutel aan degene die de auto moet lenen. Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet u het volgende doen:
Trek de sleutel er loodrecht uit!


Knop kinderveitligheidsslot
Kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achterportieren en is onbereikbaar, als het portier dicht is.
A het slot werkt normaal
B het portier kan niet van binnenuit geopend worden.
Denk eraan dat, als de knop in stand B staat, de passagiers op de achterbank bij een eventueel ongeluk niet uit de auto kunnen komen. De achterportieren moeten dan van buitenaf geopend worden. Zie ook de tekst van de waarschuwing in het kader op de vorige pagina.
Centrale vergrendeling met afstandsbesturing, zonder alarm (sommige markten)

Centrale vergrendeling met afstandsbesturing, (extra uitrusting)
Uw auto kan in optie uitgerust worden met een afstandsbediend systeem voor centrale vergrendeling. Dankzij dit systeem kunnen de sloten van portieren en koffer vergrendeld worden zonder sleutel.
De auto wordt geleverd met twee gecodeerde afstandsbedieningen. Met de afstandsbediening kunnen alle portieren en de koffer geopend en vergrendeld worden van op een afstand van 3-5 meter.
Ontgrendeling
Druk de grote knop van de afstandsbediening in, U hoort een korte bieptoon. Ook de richtingaanwijzers geven twee korte lichtsignalen. Tegelijk gaat de binnenverlichting branden. Alle portieren en de koffer zijn nu ontgrendeld.
Vergrendeling
Sluit alle portieren en de koffer. Druk de grote knop van de afstandsbediening in. U hoort een korte bieptoon. Ook de richtingaanwijzers geven één lang lichtsignaal. Alle portieren, de koffer en de motorkap zijn nu vergrendeld.
Volvo raadt aan om de portieren niet van binnenuit te vergrendelen met de afstandsbediening. Om veiligheidsredenen kunnen de portieren en de koffer niet vergrendeld worden wanneer de contactsleutel zich in positie I of II bevindt. Het is echter wel mogelijk ze te ontgrendelen. Om diefstal te voorkomen kunt u de afstandsbediening het beste aan de sleutelring laten. Als u de auto uitleent aan iemand die u niet voldoende kent, moet u deze persoon de hulpsteutel overhandigen, en niet de afstandsbediening. Neem onmiddellijk contact op met uw Volvo-dealer als u een van de afstandsbedieningen verliest. Voor meer informatie over de autosleutels, zie pagina 2:2.
Belangrijke punten
Als u na ontgrendeling van de auto geen van de portieren of de koffer opent binnen 2 minuten, worden de portieren en koffer automatisch weer vergrendeld.
Vergrendelen en ontgrendelen met de sleutel
Als u enkel de autosleutels gebruikt, zullen de richtingaanwijzers geen bevestigingssignaal geven.
Kleine knop
Deze knop wordt enkel gebruikt in combinatie met een alarmsysteem.
Centrale vergrendeling met afstandsbesturing, zonder alarm (sommige markten)
Auto's met elektronische startonderbreker
Op sommige markten zijn de auto's met elektronische startonderbreker uitgerust met een LED op het dashboard. Het knipperen van deze LED geeft aan dat de elektronische startonderbreker geactiveerd is.
Programmering van nieuwe afstandsbedieningen
Alle afstandsbedieningen moeten tegelijk geprogrammeerd worden (maximum 4 afstandsbedieningen).
Programmering van uw nieuwe afstandsbedieningen:
- Sluit alle portieren, de motorkap en de koffer.
- Zet het contact binnen tien seconden 5 keer aan en uit en laat het de vijfde keer aan staan.
- Druk een van de twee toetsen van elke afstandsbediening in.
- Opmerking: De eerste afstandsbediening moet binnen 15 seconden geprogrammeerd worden. De rest moet geprogrammeerd worden met tussenpozen van maximaal 10 seconden.
- Zet het contact af en test de afstandsbedieningen.
- Als u dit verkiest, kunt u deze bewerking ook overlaten aan uw Volvo-dealer.
Opgelet!

Vergrendel de portieren niet van binnenuit met de afstandsbediening. Anders kunnen de hulpdiensten zich bij een ongeval geen toegang verschaffen tot het interieur van de auto.
Volvo raadt aan de portieren niet van binnemuit te vergrendelen met de afstandsbediening.
Batterijen vervangen.
De afstandsbediening geeft bij gebruik een korte pieptoon, hetgeen aangeeft dat de batterijen in orde zijn. Wanneer u echter bij elk gebruik van de afstandsbediening een serie van 3 korte pieptonen hoort, dan betekent dit dat de batterijen bij de eerstvolgende onderhoudsbeurt of binnen een paar weken moeten worden vervangen. Volvo adviseert om uit voorzorg de batterijen één keer per jaar te vervangen. Ga als volgt te werk indien u de batterijen zelf vervangt;
- Draai het kapje op de afstandsbediening met behulp van een muntstuk naar links, in de richting van "OPEN". Draai niet verder dan de "OPEN"-markering! Verwijder het kapje voorzichtig.
- Vervang de batterijen (3 Volt, type CR 1220). Plaats de nieuwe batterijen eerst in het kapje! Zorg dat de afdichtring van het kapje goed op zijn plaats zit.

Opmerking! Het drukveertje onder de batterijen is breekbaar!
- Plaats het kapje met de nieuwe batterijen weer in de oorspronkelijke stand terug, aan de hand van de markeringen op de achterzijde van de afstandsbediening. Controleer of het kapje goed is vastgedraaid, zodat er geen vocht in de eenheid kan komen.
- Oude batterijen kunt u inleveren bij uw Volvo-dealer, die voor verdere milieuvriendelijke verwerking zal zorgdragen.
- Raak de batterijen niet met uw vingers aan; dit verkort de levensduur ervan. Gebruik handschoenen, een zakdoek of iets dergelijks.
Centrale vergrendeling met afstandsbesturing en alarm (sommige markten)
Activering van het alarm
Sluit alle portieren en de koffer. Druk knop I van de afstandsbediening in. U hoort een korte bieptoon. De richtingaanwijzers geven een lang lichtsignaal. De portieren, motorkap en koffer zijn nu vergrendeld en het alarm is geactiveerd. De LED op het dashboard knippert wanneer het alarm geactiveerd is.
Desactivering van het alarm
Druk knop 1 van de afstandsbediening in. De richtingaanwijzers geven twee korte lichtsignalen. Tegelijk gaat de binnenverlichting branden. De portieren, motorkap en koffer zijn nu ontgrendeld.
OPMERKING!
Als uw afstandsbediening om welke reden ook niet zou werken, als u hem kwijt bent of als hij beschadigd is en u toch de auto wilt starten, moet u als volgt te werk gaan: Open het bestuurdersportier met de sleutel. Het alarm wordt ingeschakeld en de claxon weerklinkt. Wacht totdat het alarm niet meer weerklinkt (ongeveer 30 seconden), en start dan de auto binnen de 5 seconden. Het alarmsysteem is nu gedesactiveerd. Het alarm kan na deze procedure alleen weer geactiveerd worden met een werkende afstandsbediening. Ingeval een van de sensoren een alarm heeft gegenereerd of er een poging is geweest om in de auto te breken zonder de sleutel, kan

YENJING
Afstandsbediening
bovenstaande methode niet gebruikt worden. De auto kan dan alleen gestart worden met een werkende afstandsbediening.
Belangrijke punten
- Wanneer het contact wordt aangezet, wordt het alarm gedesactiveerd.
- Als de LED langer dan 5 seconden continu brandt, wijst dit op een storing in een van de alarmcircuits (zoals een slecht gesloten portier).
- Als u het alarm desactiveert maar geen van de portieren, motorkap of koffer opent binnen twee minuten, wordt het alarm weer
geactiveerd (en de portieren weer vergrendeld). Als u zich nog in de auto bevindt terwijl het alarm om de een of andere reden ingeschakeld is, dan zal het alarm geactiveerd worden wanneer u de auto probeert te starten. In dit geval moet u het gehele alarmsysteem uitschakelen met behulp van uw afstandsbediening. Zie de volgende bladzijde
- Wanneer het alarm afgaat, weerklinkt de extra claxon in de motorruimte gedurende 30 seconden. Bovendien knipperen de richtingaanwijzers gedurende vijf minuten.
- Als de LED continu blijft branden na de desactivering van het alarm, wijst dit er op dat er een poging tot inbraak in de auto heeft plaatsgevonden.
- Als u om welke reden ook de aandacht wilt trekken wanneer u zich in of bij de auto bevindt, met het alarmsysteem gedesactiveerd en het contact afgezet, moet u het overvalalarm als volgt inschakelen: druk de kleine knop (2) van de afstandsbediening gedurende 3 seconden in. De extra claxon gaat werken en de knipperlichten werken gedurende 30 seconden. Om het overvalalarm af te zetten moet u een van de toetsen van de afstandsbediening indrukken.
- U kunt de auto ook afsluiten als een van de portieren openstaat. Daarom is het belangrijk om ervoor te zorgen dat uw sleutel niet in de auto liegt als het laatste portier gesloten wordt.
Centrale vergrendeling met afstandsbesturing en alarm (sommige markten)
Volledige ontkoppeling van het alarmsysteem
U kunt deze functie gebruiken wanneer de auto een onderhoudsbeurt krijgt of wanneer u hem uitleent. Overhandig uw afstandsbediening nooit aan een vreemde. Zo voorkomt u dat buiten uw medeweten andere afstandsbedieningen voor uw auto worden geprogrammeerd.
Ga te werk als volgt: Desactiveer het alarm- systeem en zet het contact aan. Druk knop 1 gedurende 3 seconden in. Wacht tot de knipperlichten van de auto twee korte signalen geven. Ter bevestiging knippert ook de LED van het instrumentenpaneel om de drie seconden.
Het alarm wordt weer aangesloten wanneer u het activeert.
Accu van de auto vervangen (alarmsysteem met extra sirene)
Desactiveer het alarmsysteem. Zet het contact aan en weer uit. Ontkoppel een van de polen van de accu in de motorruimte binnen 15 seconden. De sirene wordt weer aangesloten wanneer de stroomvoorziening hersteld wordt.
Programmeren van nieuwe afstandsbedieningen
Alle afstandsbedieningen moeten tegelijk geprogrammeerd worden (maximum 4 afstandsbedieningen).
Ga te werk als volgt:
- Sluit alle portieren, de motorkap en de koffer.
- Zet het contact 5 keer binnen tien seconden aan en uit, en laat het de laatste keer aan staan.
- Druk een van de twee toetsen van een afstandsbediening in.
- Opmerking: De eerste afstandsbediening moet geprogrammeerd worden binnen de 15 seconden. De rest moet geprogrammeerd worden met een maximale tussentijd van 10 seconden. -Wanneer het alarmsysteem de codes van de verschillende afstandsbedieningen heeft aanvaard, gaat de LED op het dashboard even continu branden en daarna snel knipperen.
- Zet het contact uit en test de afstandsbedieningen.
- Als u dit verkiest, kunt u deze bewerking ook overlaten aan uw Volvo-dealer.
Sensoren ontkoppelen
Het alarmsysteem kan uitgerust zijn met verschillende types sensoren, die een extra beveiliging bieden voor uw auto.
Niveausensor: reageert wanneer de auto gaat hellen, zodat het alarm geactiveerd wordt wanneer iemand probeert uw wielen te stelen enz. Tijdens tochtjes op veerboten e.d. is het aangewezen de niveausensor te ontkoppelen. Ultrageluidssensor: reageert op bewegingen in de auto. Laat dus geen honden of kinderen in de auto achter.
Glasbreuksensor: reageert op het geluid van brekend glas.
Om de sensoren te ontkoppelen; desactiveer het alarmsysteem en zet het contact aan. Druk knop 1 van de afstandsbediening even in. Wacht tot de richtingaanwijzers van de auto een kort lichtsignaal geven. Activeer daarna het alarmsysteem weer. De sensors worden weer aangekoppeld wanneer u de ontsteking of het alarmsysteem weer inschakelt.
Opmerking! Wanneer u één sensor ontkoppelt, zijn automatisch alle sensoren in de auto ontkoppeld.
Voorstoelen
Hoogteverstelling bestuurdersstoel
De voorkant van de bestuurdersstoel kan op drie verschillende hoogten en de achterkant op vier verschillende hoogten worden gezet.
Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld. Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld.
Hoogteverstelling passagiersstoel
De passagiersstoel is op de vloer vast aangebracht. De voor- en achterkant van de stoel kunnen elk in twee verschillende standen worden gezet. Voor het veranderen van de hoogte is gereedschap nodig.

- = zachter
Lendesteun
+ = harder
Hellingshoek van de rugleuning
Lengteverstelling
Als de heugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of achteren worden geschoven. Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is.
Elektrische regeleenheid
WAARSCHUWING!

Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Elektrisch bediende bestuurders- en passagiersstoel zonder geheugen
Als uw Volvo elektrisch verstelbare stoelen heeft, kunt u met de twee schakelaars aan de zijkant van de stoel instellen;
De hoogte van de voorkant van de stoel

Stopknop (alleen stoel zonder geheugen)
De knop STOP is een noodstopknop. De knop schakelt de overige schakelaars uit, zodat de stoel niet per ongeluk versteld kan worden.
Elektrisch bediende bestuurders- stoel met geheugenfunctie.
Programming:
Drie standen kunnen opgeslagen worden. Nadat de stoel ingesteld is, wordt de knop MEM ingedrukt gehouden en tegelijk op knop 1 gedrukt. Met de geheugenknoppen 2 en 3 kunnen nog meer stoelstanden in het geheugen opgeslagen worden.

Houd een van de geheugenknoppen (1, 2 of 3) ingedrukt tot de stoel stopt.
Zodra een van de verstelknoppen wordt losgelaten stopt de stoel om veiligheidsredenen onmiddellijk met bewegen.
Noodstop (stoel met geheugen)
Als de stoel per ongeluk in beweging komt, moet u een van de knoppen indrukken. De stoel staat dan direct stil.
Contactsleutel
De contactsleutel moet niet in het contactslot zitten om de stoelen te verstellen.
N.B! De elektrisch verstelbare voorstoelen hebben een beveiliging tegen overbelasting die werkt, als een stoel door iets geblokkeerd is. Als dit gebeurt, moet het contact afgezet (de startsleutel in stand 0) en ca 20 seconden gewacht worden, voordat de stoel weer gebruikt kan worden.
WAARSCHUWING!

Bij het verstellen van de stoelen moet u nagaan of zich geen voorwerpen voor of achter de stoel bevinden. Zorg ervoor dat de achterpassagiers niet beklemd kunnen raken bij het verstellen. Zorg ervoor dat de kinderen niet met de schakelaars spelen om te voorkomen dat ze bekneld zouden raken.
Achteruitkijkspiegels

B = anti-verblindingsstand

Schakelaars buitenspiegels
Binnenspiegel
A normale stand
B anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u last van de koplampen van auto's achter u heeft.
Buitenspiegels, met de hand instelbaar
De buitenspiegel kan van binnenuit met de hendel ingesteld worden.
WAARSCHUWING!

Stel de spiegels goed in, voordat u gaat rijden!
Buitenspiegels, elektrisch instelbaar (extra uitrusting)
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier.
A zijdelings instellen
B hoogte instellen
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat het spiegelglas kan krassen! Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel waarvan de buitenste helft van het
spiegelglas een „groothoekspiegel“ is die de „dode hoek“ elimineert.
Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en afstanden geeft!
Binnenverlichting

Plafondlamp

Uitdoen portierlampen
Binnenverlichting
De binnenverlichting bestaat uit een plafondlamp en leeslampjes voor de voorste zitplaatsen in de auto.
1 De lamp is altijd aan
2 De lamp is altijd uit
3 De lamp gaat branden, als een van de portieren geopend wordt.
Auto's met automatische airconditioning
Om u de tijd te geven om o.a. in het donker het startslot te vinden, heeft de plafondlamp een ingebouwde vertraging, waardoor de lamp pas 7 seconden na het dichtdoen van het bestuurdersportier uitgaat.
Portierschakelaar
De binnenverlichting en de rode waarschu- wingslampen in de achterplaten van de portieren gaan aan, als een portier geopend wordt.
Als u de portieren een tijdje open wilt hebben, maar niet wilt, dat deze lampen branden, moet u alle portierschakelaars indrukken en iets rechtsom draaien: de lampen gaan dan uit! Als het portier dichtgedaan wordt, komen de schakelaars in de normale stand terug.
Opbergplaatsen

WAARSCHUWING!
Let erop, dat er geen zware voorwerpen op de hoedenplank of op andere plaatsen liggen waar deze bij sterk afremmen gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote, zware dingen altijd met een van de autogordels vast!
Motorkap

...onhoogdrakken en openen
Grendels draaien – geheel openzeiten
Motorkap openen
Trek aan de vergrendelingshandgreep (helemaal links onder het dashboard). U kunt horen, dat het slot opengaat.
Til de motorkap een paar cm op, ga er met de hand onder en druk op de hendel van de veiligheidshaak. Open de motorkap.
Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55° open. De motorkap kan loodrecht geopend worden, als de grendels van de scharnieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De grendels gaan automatisch in hun normale stand terug, als de motorkap dichtgedaan wordt. Let erop dat de motorkap niet tegen het plafond komt, als de auto in een garage is!
WAARSCHUWING!
Controleer na het dichtdoen of de motorkap goed vergrendeld is!

Bagageruimte 4-deurs model
Gereedschapstas
Gevarendriehoek

De krik moet altijd helemaal ingedraaid zijn om in de houder te passen. Zet de krik met de riem vast.

Bagageruimteverlichting
A De lamp is altijd uit.
B De lamp brandt, als het kofferdeksel open is.
Luikje voor „lange lading” 4-deurs model

Lange lading altijd verankeren
Om lange voorwerpen te kunnen vervoeren zit er in het paneel achter de rugleuning van de achterbank een luikje waardoor geladen kan worden (zie de afbeelding). Als b.v. voor ski's een zak (accessoire) gebruikt wordt, wordt de bekleding niet vuil gemaakt.
N.B.! Het luikje is er alleen voor lichte lading (b.v. ski's). Maximumlengte: 2 meter en maximumgewicht: 15 kg.
WAARSCHUWING!

Veranker de lading met de neergeklapte armleuning. Anders kan de lading bij sterk afremmen gaan schuiven en persoonlijk letsel toebrengen, Bescherm scherpe randen met iets zachts.
WAARSCHUWING!

Zet de motor af en trek de parkeerrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellings- of de keuzehendel komen en deze in een rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rijden.
Achterklep 5-deurs model

Openen van binnenuit

Plaats en standen van het achterklepslot
Ontgreendelen: draai de sleutel rechtsom en laat deze terugveren.
Vergrendelen: draai de sleutel linksom en laat deze terugveren.
Bij auto's met centrale vergrendeling wordt de achterklep tegelijk met het bestuurdersportier op slot en van het slot gedaan.
De achterklep wordt geopend door de pal in de handgreep naar binnen te knijpen.
Van binnenuit de laadruimte wordt de achterklep geopend, als de handgreep naar links getrokken en tegelijk de achterklep naar buiten gedrukt wordt.
Vergrendeling achterklepslot
Gebruik de pal, als u niet wilt, dat de achterklep van binnenuit geopend kan worden.
A De achterklep wordt van binnenuit geopend.
B De achterklep kan niet van binnenuit geopend worden.
Bagageruimte 5-deurs

De gereedschapsdoos kan eruit genomen worden, als de pal verticaal gedraaid en de doos omlaaggeklapt wordt.
Reservewiel en krik
Het reservewiel en de krik met slinger zijn onder de mat in het grote opbergvak vastgezet. Zet het reservewiel altijd goed vast en draai de krik zo vast, dat de slinger vastgeklemd wordt. Dan heeft u geen gerammel.
Verlichting in de laadruimte
Helemaal achterin de laadruimte zit een extra daklamp.
A De lamp gaat branden, als de achterklep geopend wordt.
0 De lamp is altijd uit.
B De lamp brandt altijd.
Bagageruimte 5-deurs model

Grendel van de zitting

Grendel van de rugleuning

Laadruimte verlengen
- Zet de rigleuningen van de voorstoelen recht op, als deze erg achteroverhellen.
- Trek aan de band voor de zittinggrendel en klap de zitting naar de rugleuningen van de voorstoelen.
- De rugleuning van de achterbank bestaat uit twee delen. Deze kunnen apart neergeklapt worden.
- Druk de grendel van de rugleuning naar achteren en klap de rugleuning voorover.
- N.B! Let erop, dat de gaten in de plastic beschermers bovenin de rugleuning in de haken onderin de zitting haken.
- De hoofdsteunen van de buitenste plaatsen
gaan automatisch in de rugleuning en behoeven dus niet met de hand omlaaggedrukt te worden. Druk de hoofdsteun van de middelste plaats omlaag, als deze omhooggetrokken is.
- Bij het weer terugklappen van de rugleuning en de zitting gaan de hoofdsteunen weer in hun oorspronkelijke standen (als
deze hoog stonden, moet u deze zelf het laatste stukje omhoogtrekken).
Controleer of het rode vergrendelteken niet meer zichtbaar is. Dan is de rugleuning in de opgeklapte stand goed vergrendeld.
Let er ook op, dat de autogordels niet ingeklemd worden.

WAARSCHUWING! Het rode vergrendelteken bij de grendelbediening van de rugleuning geeft aan, dat de rugleuning niet vergrendeld is. Als deze door het openingsknopje van de vergren bedekt is, is de rugleuning vergrendeld. Door met een onvergrend rugleuning te rijden wordt bij snel afremmen of bij een botsing de op schade groter.

Bagageruimte 5-deurs

Zitting tegen de voorstoelen opklappen en zitting verwijderen

Onder de vloer van de laadruimte zitten drie opbergvakken. De klep voor het grote vak is in tweeën gedeeld.

Lading altijd verankeren
Zitting verwijderen
De zitting kan eenvoudig worden verwijderd; u krijgt dan een iets langere laadruimte. Doe als volgt: klap de zitting tegen de voorstoelen op en verwijder de zitting.
Opbergvakken
WAARSCHUWING!

Laad zware lading niet tot vlak bij de voorstoelen, dan wordt de neergeklapte rugleuning ontodig zwaar belast. Laad nooit hoger dan de rugleuning! Als u dit toch doet, kan bij sterk afremmen of een botsing de lading naar voren geslingerd worden en u of uw passagiers ernstig letsel toebrengen. Denk er ook aan om de lading altijd goed te verankeren (vast te binden).
Verankeringsogen voor lading
Veranker volumineuze en zware lading altijd. Anders kan bij sterk afremmen of een botsing persoonlijk letsel toegebracht worden. Er zijn zes ogen om banden of touw aan vast te maken.
Bij uw Volvo-dealer kunt u banden kopen die bij de ogen passen.
Autogordels
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben, als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers, dat ook zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degenen die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de auto kunnen dan letsel oplopen. Deze moet u als volgt gebruiken: trek de autogordel heel langzaam uit en zet deze vast door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik” geeft aan, dat de autogordel vastzit. Normaal is de autogordel niet vergrendeld en kunt u zich vrij bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden:
• als de gordel te snel uitgetrokken wordt
• bij afremmen en accelereren
• als de auto sterk overhelt
• bij het nemen van bochten.
Om de autogordels los te maken moet op de rode vergrendelingsknop gedrukt worden. Laat daarna de rol de autogordel geheel oprollen.
Laat de rugleuning niet te veel achterover hellen. De gordel is bedoeld als beveiliging bij een normale rijbouding.

Het is voor een maximale bescherming van belang, dat de gordel goed tegen het lichaam ligt. Denk er daarom aan dat:
- de gordel niet scheef of gedraaid zit
- de heupgordel laag moet zitten (dus niet m de buik)
- de heupgordel strak om de heup moet worden gezet door diagonaalsgewijs aan de gordel te trekken (zie de afbeelding)
- geen klemmen of andere accessoires gebruikt worden waardoor de gordel niet strak kan zitten.
Uiteraard is elke gordel slechts voor één persoon bestemd!
WAARSCHUWING!

Als de gordel, b.v. bij een botsing, zwaar belast geweest is, moet de gehele gordel compleet met rol, bevestigingen, bouten, sluiting en eventuele gordelspanner door een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, kan een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn. Vervang de gordel ook, als deze erg gesleten of beschadigd is. Verander of reparer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door de Volvo-werkplaats doen!
Autogordels
Controleer af en toe de autogordels
Het vergrendelen van de rolgordels kunt u controleren door de gordel vast te pakken en er snel aan te rukken. De gordel mag dan niet uitgetrokken worden! Controleer of de gordel niet tegen scherpe randen schuurt en overigens in goede staat is. Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de gordel te reinigen. Denk hierom! Het is in bepaalde landen wettelijk voorgeschreven, dat alle inzittenden de autogordel moeten gebruiken.

Hoofalstevn in de hoogte afstellen

Hoofdsteun in de hoogte afstellen
Hoofdsteun achter (5-deurs model)
De hoofdsteunen in alle stoelen kunnen al naar gelang de lengte van de passagier in hoogte worden versteld. Trek de hoofdsteun met beide handen naar voren en druk hem tegelijkertijd naar beneden. Indien u het gordelkussen gebruikt, zorg dan dat de hoofdsteun zorgvuldig is afgesteld, zodat deze zich achter het hoofd van het kind bevindt. Zie ook Pagina 2:25.
Hoofdsteun achter (4-deurs-model)
De hoofdsteun in de middelste stoel kan al naar gelang de lengte van de passagier in hoogte worden versteld. Druk de hoofdsteun zover als nodig is naar boven of naar beneden. Indien u het gordelkussen gebruikt, zorg dan dat de hoofdsteun zorgvuldig is afgesteld, zodat deze zich achter het hoofd van het kind bevindt. Zie ook Pagina 2:25.
Kinderen in de auto
Ook kinderen moeten goed zitten - en veilig!
Een volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed beschermd bij een botsing of een ander ongeluk. Om uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen hier enkele adviezen over de uitrusting en de plaats van kinderen in de auto. Denk eraan, dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, nooit „los“ in de auto mag zitten. En laat ook nooit een kind bij een passagier op schoot zitten!
N.B! In veel landen is het wettelijk voorgeschreven, hoe kinderen in de auto geplaatst moeten worden. Informeer hiernaar in het land waarheen u wilt gaan. Welke bescherming het doelmatigst is, hangt als volgt af van de lichaamsgrootte van het kind.
Als alle zitplaatsen in het interieur bezet zijn, kan bij 5-deurs modellen een extra zitje in de bagageruimte gebruikt worden. Het extra zitje is geschikt voor twee kinderen, elk met een gewicht tot 40 kg en een lengte tot ca 140 cm.
WAARSCHUWING!

Zet het kinderzitje nooit op de voorstoel, als de auto aan de passagierskant SRS (Airbag) heeft. Zie ook pag. 2:25.

Op de voorstoel gezet

Buitenste plaats van de achterbank
Kinderen tot ongeveer 3 jaar
In het Volvo kinderzitje kunnen ook pasgebo-ren kinderen veilig zitten. Dit zitje is in combinatie met een speciale montageset en de 3-puntsgordel van de auto goedgekeurd om achterste voren op de voorstoel (voor kinderen tot 18 kg) en op de buitenste plaatsen en de middelste plaats van de achterbank (voor kinderen van 9 kg tot 18 kg) aangebracht te worden.
Om kleine kinderen stevig in het kinderzitje vast te zetten is er een baby-inzetstuk dat eenvoudig in het kinderzitje vastgemaakt kan worden.
Voor bepaalde markten zijn in de fabriek twee bevestigingsogen gemonteerd op de voorstoel. Het linkse oog ligt verborgen onder de mat. Zoek dit oog op en maak een inkeping (zie illustratie) met een scherp mes om het te kunnen gebruiken.
Bij het aanbrengen van de steunen en de vastzetband voor het kinderzitje moet de bijgeleverde montage-instructie precies opgevolgd werden om een zo groot mogelijke veiligheid te bereiken.
De steunen van het kinderzitje worden in de rails van de stoel aangebracht. Bij het aanbrengen op de achterbank moet op het kinderzitje ook een steunpoot aangebracht worden.

Middelste plaats van de achterbank

Veranker het kinderzitje door de vastzetband door het zitje te halen, vast te maken aan de steun en strak aan te trekken. Bevestig de heupgordel aan de haken van het kinderzitje.
Span aan door de schoudergordel aan te trekken.
N.B! Volg bij het aanbrengen van het kinder-zitje altijd de montage-instructie voor het zitje precies op om een zo groot mogelijke veiligheid te bereiken.
Kinderen vanaf ongeveer 3 jaar
Als het kind uit het kinderzitje gegroeid is, moet het op de achterbank of de voorstoel op het kinderkussen gezet worden en moet de rolgordel van de auto gebruikt worden. Liefst in combinatie met de ruggesteun. Volvo's eigen kinderkussen, ruggesteun (goedgekeurd voor kinderen van 15–36 kg) en 3-puntsgordel in de auto zijn speciaal geconstrueerd om een grote veiligheid te geven. Bij het aanbrengen van het kinderzitje en de ruggesteun moet de meegeleverde montage-instructie precies opgevolgd worden om een zo groot mogelijke veiligheid te bereiken.
Zet het kinderkussen en de ruggesteun op de achterbank of de voorstoel. Zet het kind op zijn plaats, trek de heupband om de hoeken van het kinderkussen en de diagonale band over of onder de hoeken, zodat de diagonale band goed over het asgedeelte ligt. Druk de gordelsluiting dicht en haal de gordel aan, zodat deze tegen het lichaam van het kind ligt.
Kinderen in de auto

Controleer of de gordel goed over het asge-deelte ligt en of de beupband laag zit, zodat de beste beveiliging bereikt wordt. De gordel mag de hals van het kind niet raken of onder de as liggen. Als de ruggesteun gebruikt wordt, moet de diagonale band in de hoeken van de ruggesteun vrij liggen.
WAARSCHUWING!

Zet het kinderzijte nooit op de voorstoel, als de auto aan de passagierskant SRS (Airbag) heeft.
Belangrijke tips!
Het is bij het gebruiken van andere in de handel zijnde kinderveiligheidsprodukten van belang, dat men de meegeleverde montage-instructie goed doorleest en opvolgt. Hier volgt nog meer om aan te denken:
- Het kinderzitje moet altijd aangebracht worden, zoals door de fabrikant voorgeschreven is.
- Zet de vastzetband van het kinderzitje niet vast aan de afstelstang voor de stoellengte, veren en diverse rails en balken onder het zitje met scherpe randen.
- Laat de rug van het kinderzitje tegen het dashboard rusten.
- Laat het bovenste deel van het kinderzitje niet tegen de voorruit rusten.
N.B! Neem in geval van problemen met het aanbrengen van kinderveiligheidsprodukten voor duidelijkere montage-instructies contact met de fabrikant op.

De heupgordel moet laag zitten
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten er heel goed om denken om de autogordel te gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen, dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten.

Eén geheel vormend gordelkussen voor kinderen van 15-36 kg
Gordelkussen
Volvo's eigen één geheel vormende gordelkussen voor de middelste plaats is speciaal voor een zo groot mogelijke veiligheid geconstrucerd. In combinatie met de 3-puntsgordel is het goedgekeurd voor kinderen van 15–36 kg. Om het kind correct in de auto te installeren moet het heupgedeelte van de 3-puntsgordel door de gordelgeleider B lopen (indien dit type gordelkussen gemonteerd is) en over het bekken van het kind – niet over de buik. Zie illustratie.
Stel ook de stand van de hoofdsteun nauwkeurig t.o.v. het hoofd van het kind af. Zie voor reinigen pagina 6:8.
Het wegklappen van het gordelkussen
Klap het kussen op tot u een klik hoort.
WAARSCHUWING!

Als het één geheel vormende gordelkussen, b.v. bij een botsing, zwaar belast geweest is, moet het gehele kussen incl. gordel, d.w.z. compleet met bouten, door een nieuw vervangen worden. Ook al lijkt het één geheel vormende gordelkussen onbeschadigd, toch kunnen de beveiligende eigenschappen ten dele verloren gegaan zijn. Het gordelkussen moet ook vervangen worden, als het erg gesleten of beschadigd is. Denk er echter aan, dat het vervangen van het kussen vakkundig gebeuren moet, omdat het voor de veiligheid van de inzittenden van wezenlijk belang is, dat het kussen goed vastzit. Laat het vervangen en eventueel repareren van het kussen dus aan uw Volvo-werkplaats over. Als het kussen vuil geworden is, moet het in de eerste plaats ter plaatse gereinigd worden. Als de bekleding zo vuil is, dat deze apart gewassen moet worden, gelden bovenstaande instructies voor het aanbrengen van het kussen.
WAARSCHUWING!

De gewone armsteun midden achteraan mag niet worden gebruikt als kinderkussen. Alleen Volvo's één geheel vormende gordelkussen mag hiervoor worden gebruikt.
SRS (Airbag) SIPS airbag

De airbag is in het midden van het stuurwiel ingebouwd en aangeduid met 'SRS'.

De airbag is boven het handschoenenkastje ingebouwd en aangeduid met 'SRS'.

De zijdelingse airbags zijn in de rugleuningen van de voorstoelen ingebouwd.
SRS (airbag) en SIPS (zijdelingse airbag)
Als extra beveiliging en als aanvulling op de standaard driepuntsgordel, is uw auto uitgerust met een airbag (SRS). De vermelding 'SRS' is aangebracht op het stuurwiel en op het dashboard aan de passagierszijde, als daar een airbag is aangebracht. De opblaasbare luchtkussens liggen samengevouwen in het stuurwiel en boven het handschoenenkastje. De SIPS-airbags (zijdelingse luchtkussens) zorgen voor een nog grotere veiligheid in de auto. Als de auto uitgerust is met SIPS, is de vermekling 'SIPS' aangebracht aan de zijkant van beide voorstoelen. De zijdelingse luchtkussens zijn aangebracht in de rugleuningen van de voorstoelen. De luchtkussens worden opgeblazen als de auto betrokken is bij een voldoende zware botsing. De hoek van de botsing en de snelheid en de aard van het andere voorwerp spelen ook een rol bij het bepalen of de luchtkussens worden opgeblazen. De SIPS-luchtkussens treden alleen in werking bij zijdelingse botsingen (dezelfde factoren als hierboven gelden). U kunt hierover meer lezen op pagina 2:31.
WAARSCHUWING!

De airbag (SRS) is bedoeld als aanvulling op en niet ter vervanging van de veiligheidsgordel.
De zijdelingse airbag (SIPS*) is bedoeld als aanvulling op het bestaande SIPS-systeem. Voor een optimale bescherming moet u altijd uw veiligheidsgordel dragen.
* Side Impact Protection System
SRS (Airbag) SIPS-airbag
Het SRS-systeem (luchtkussens in het stuurwiel en in het dashboard)
Dit systeem bestaat uit een gasgenerator (1), omgeven door een opblaasbaar kussen (2). Bij voldoende zware botsingen activeert de sensor (3) het ontstekingssysteem van de gasgenerator, waardoor het lucht-kussen wordt opgeblazen en opgewarmd. Om de klap van het kussen tegen het lichaam op te vangen, begint het kussen direct na de botsing leeg te lopen. Hierbij komt wat rook vrij in de auto. Het hele verloop, van het opblazen tot het leeglopen van het kussen, neemt slechts enkele tienden van seconden in beslag.
Veiligheidsgordels met spanners
Auto's met airbags (SRS) hebben speciale gordelspanners met springladingen (4). In het rolsysteem is een kleine springlading aangebracht die tot ontploffing wordt gebracht op het moment van een botsing, waardoor de gordel zich strak om het lichaam spant om zo de speelruimte door losse kleding enz. weg te halen. Hierdoor worden de krachten van een botsing beter opgevangen.
SIPS-systeem (zijdelings luchtkussen)
Dit systeem bestaat uit een gasgenerator (4), een mechanische sensor (3), een pyrotechnische kabel (2) en een luchtkussen (1). Een voldoende zware botsing activeert de sensor, die de generator ontsteekt, die op zijn beurt het luchtkussen opblaast. Het luchtkussen plaatst zich tussen de inzittende en de deur en absorbeert de schok op het moment van de botsing en begint onmiddellijk daarna leeg te lopen. De SIPS-luchtkussens in de voorstoelen werken onafhankelijk van elkaar.
WAARSCHUWING!

Rijd nooit met opgeblazen airbags. Ze kunnen het besturen van de auto nadelig beïnvloeden. Andere beveiligingssystemen kunnen ook beschadigd worden. De rook en het stof als gevolg van het opblazen van de luchtkussens kunnen irritatie aan huid of ogen veroorzaken, als u er te lang aan blootgesteld wordt. Spoel huid en/of ogen in dat geval met koud water en/of neem contact op met uw dokter. Door de snelheid waarmee het proces gepaard gaat kan het materiaal van de airbag schaafwonden veroorzaken.

Het waarschuwingslampje op het dashboard
Het SRS-systeem wordt permanent bewaakt door een sensor/diagnose-eenheid. Op het dashboard bevindt zich een waarschuwingslampje met de letters 'SRS'. Dit lampje gaat tegelijk met de andere lampjes branden als u de auto start en moet uitgaan als de motor draait. Ook als u de contactsleutel in positie II draait, moet het lampje na zo'n tien seconden uitgaan.
WAARSCHUWING!
Als het waarschuwingslampje blijft branden of gaat branden tijdens het rijden, betekent dit dat het SRS-systeem niet naar behoren werkt. Als dit gebeurt, dient u onmiddellijk contact op te nemen met een erkende Volvo-werkplaats.


Label op de veiligheidsgordels met gordelsparners

Sticker op de deurstijl
Het jaar en de maand op de sticker op de deurstijl geven aan wanneer u naar uw erkende Volvo-werkplaats moet voor onderhoud of vervanging van de airbags en de gordelspanners. Probeer nooit zelf te werken aan het SRS-systeem of aan de SIPS-airbag. Neem contact op met uw Volvo-dealer als u vragen hebt over het SRS-systeem of de SIPS-airbags.
WAARSCHUWING!
Probeer nooit zelf te werken aan het SRS-systeem of de SIPS-airbags, aangezien dit kan leiden tot defecten van het systeem en persoonlijke verwondingen. Werkzaamheden aan het SRS-systeem of de SIPS-airbags mogen alleen uitgevoerd worden in een erkende Volvo-werkplaats.
SRS (Airbag) SIPS-airbag

Opblazen van het luchtkussen aan passagierskant
Airbag - passagierskant
Wanneer het luchtkussen wordt opgeblazen, bedraagt het volume ongeveer 150 liter aan de passagierskant en ongeveer 65 liter aan de bestuurderskant (lager volume door de positie van het stuurwiel). Beide kussens bieden vrijwel dezelfde bescherming bij een botsing.
WAARSCHUWING!
Airbag - passagierskant
- Passagiers voorin mogen nooit voorover leunen over het dashboard, op het randje van de stoel gaan zitten, of in een vreemde houding zitten. Ze moeten rechtop zitten in een comfortabele positie, met hun rug tegen de rugleuning. De passagiers moeten te allen tijde hun veiligheidsgordel dragen.
- De passagiers moeten hun voeten op de vloer houden, en dus niet op het dashboard, in het portiervakje, op de stoel of tegen of uit het raam.
- Laat kinderen nooit voor de stoel staan of zitten.
- Gebruik nooit een kinderzitje of kinderkussen op de voorste stoel als u auto uitgerust is met een airbag aan de passagierskant.
- Passagiers die kleiner zijn dan 140 cm dienen niet in de passagiersstoel te zitten indien de auto is uitgerust met een airbag.aan de passagierszijde.
- Er mogen geen voorwerpen of accessoires geplaatst worden op of bevestigd worden aan het SRS-paneel (boven het handschoenenkastje) of in de zone van ontplooiing van het luchtkussen.
- Laat geen losse voorwerpen slingeren op vloer, stoel of dashboard.
- Probeer nooit om het SRS-paneel op het stuurwiel of boven het handschoenenkastje te openen. Dit mag slechts gebeuren in een erkende Volvo-werkplaats.

WAARSCHUWING!
Bevestig geen labels of stickers op een van de SRS-panelen!

WAARSCHUWING!
SIPS-airbag
- Gebruik voor de voorstoelen van auto's die zijn uitgerust met het SIPS-systeem uitsluitend de originele Volvo-bekleding of bekleding die door Volvo is goedgekeurd voor gebruik met airbags.
- Plaats geen voorwerpen of accessoires in de zone van ontplooing van de zijdelingse airbag.
- Probeer nooit om het SIPS-paneel in de voorstoelen te openen. Het vervangen van de onderdelen van de SIPS-airbag mag slechts uitgevoerd worden door een erkende Volvo-werkplaats.

SRS (Airbag) SIPS-airbag

Airbag en kinderzijte kunnen niet samen worden gebruikt!
Het kind kan ernstig letsel oplopen als het kinderzitje of kinderkussen op de passagiersstoel wordt geplaatst van een auto met een airbag aan de passagierskant.
De achterbank is de meest veilige plaats voor een kinderzitje of een kinderkussen indien de auto is uitgerust met een airbag aan de passagierszijde.
Een kinderzitje of kinderkussen kan op de passagiersstoel worden aangebracht indien de auto alleen aan de passagierszijde met een SIPS-airbag is uitgerust.

SRS-tekst aan de zijkant van het dashboard
WAARSCHUWING!
Gebruik nooit een kinderzitje of kinderkussen op de voorste stoel als de auto uitgerust is met een airbag aan de passagierskant.


Opblazen van de SIPS-airbag
SIPS-airbag
Het SIPS-systeem bestaat uit een mechanische inrichting met twee hoofdelementen: de airbagmodule en de sensoreenheid. De airbag-module bevindt zich in het frame van de rugleuning van de stoel en de sensor is bevestigd aan de zijkant van het zitgedeelte van de stoel, aan de kant van het portier. Aangezien het een mechanisch systeem betreft, wordt de sensor niet bestuurd door de diagnose-eenheid van het SRS-systeem. In opgeblazen toestand heeft de airbag een inhoud van ongeveer 12 liter.
Wanneer de airbags worden opgeblazen
Bij een botsing reageert de sensor in het SRS-systeem zowel op de kracht van de botsing als op de vaartvermindering van de auto. De sensor berekent of de botsing voldoende zwaar is om de airbag in werking te stellen.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de sensoren van de auto niet geactiveerd worden door vervorming van de carrosserie, maar wel door een sterke vaartvermindering op het moment van de botsing. Dit houdt in dat het SRS-systeem zal reageren wanneer de inzittenden in de voorstoelen gevaar lopen letsel op te lopen door aanraking met het dashboard of het stuurwiel.
De bovenstaande informatie geldt eveneens voor de SIPS-airbag, op het feit na dat deze alleen geactiveerd wordt bij zijdelingse botsingen, wanneer de auto in botsing komt met een onbeweeglijk/massief voorwerp binnen de zone die bestreken wordt door het SIPS-systeem, en als deze botsing voldoende zwaar is.
OPMERKING! Het SRS- en SIPS-airbagsysteem kan slechts één keer worden geactiveerd. Daarna adviseren wij het volgende:
- Laat de auto naar een Volvo-werkplaats slepen. Zelfs als de auto na het ongeluk nog kan rijden, raden wij u af om ermee te blijven rijden nadat de airbags geactiveerd zijn.
- De onderdelen van het SRS- en SIPS-systeem moeten worden vervangen in een erkende Volvo-werkplaats.
- Gebruik alleen originele Volvo-onderdelen om de SRS- en SIPS-onderdelen te vervangen (airbags, gordelspanners etc.).
Het centrale element van het Volvo-veiligheids- systeem
De driepuntsgordel vormt het centrale element van het Volvo-veiligheidssysteem. Alle inzittenden moeten een veiligheidsgordel dragen in alle omstandigheden. Het SRS-systeem vormt slechts een aanvullende beveiliging op de driepuntsgordel, zoals het SIPS-airbagsysteem een aanvulling vormt op het SIPS-systeem in de carrosserie.

WAARSCHUWING!
De SRS-sensor zit op de vloer onder de bestuurdersstoel. Als de vloerbekleding doorweekt raakt of als de vloer van het passagiersgedeelte onder water komt te staan, dient u de accuklemmen onder de motorkap los te koppelen. Probeer de motor niet te starten, omdat dan de airbag geactiveerd kan worden. Laat de auto wegslepen naar de dichtstbijzijnde erkende Volvo-werkplaats.
Bagageruimte 5-deurs model. Laden

Plaats de lading tegen de rugleuning

Plaats de lading tegen de twee delen van de rugleuning

Veranker de lading met de laadriemen
Laden in de laadruimte
De veiligheidsgordels en airbags bieden bestuurder en passagiers een goede bescherming, vooral bij frontale botsingen. Het risico van verwondingen kan echter ook van achteren komen. Bij het laden van de auto moet u eraan denken dat voorwerpen die niet correct zijn geladen en vastgezet naar voren kunnen worden geslingerd bij botsingen of bij bruusk remmen, wat ernstige letsels kan veroorzaken.
Denk eraan dat een voorwerp van 20 kg het equivalent van 1000 kg weegt bij een frontale botsing aan 50 km/h.
Hou volgende punten voor ogen bij het laden van de auto:
- Plaats de lading tegen de rugleuning.
- Plaats zware lading zo laag mogelijk.
- Laad volumineuze voorwerpen aan beide zijden van de opsplitsing van de achterbank
- Veranker de lading met laadriemen die door de verankeringsogen in de laadruimte lopen.
- Als niemand op de achterbank zit moet u de rugleuning verstevigen door de gordels achteraan vast te maken.
- Plaats nooit een lading boven de rugleuning zonder gebruik te maken van een ladingnet.
Bagageruimte, 5-deurs model - Ladingnet

Uw auto kan als extra uitrusting worden uitgerust met een ladingnet. Het ladingnet voorkomt dat lading of dieren naar voren worden geworpen ingeval u hard moet remmen. Het ladingnet kan in de dakbekleding worden opgeborgen wanneer het niet gebruikt wordt.
Ladingnet en extra naar achter gekeerd kinderzitje
Als uw auto uitgerust is met een extra naar achter gekeerd kinderzitje in de bagageruimte, moet u absoluut het ladingnet verwijderen voor u het kinderzitje kunt gebruiken. Anders kan het kind, als u bruusk moet remmen, ernstig gewond raken, en ook de hulpdiensten kunnen problemen ondervinden om in de bagageruimte te komen.
Om het ladingnet te verwijderen:
• Druk het ladingnet naar achter
- Maak de twee knoppen op het ladingnet los en duw ze naar het midden
• Verwijder het ladingnet
- Om het net terug te plaatsen gaat u te werk in omgekeerde volgorde.
Bagageruimte, 5-deurs model - Bagageafdekking

Uw auto kan als extra uitrusting uitgerust worden met een bagageafdekking. Deze bagageafdekking wordt uitgerold achter de achterbank. Trek hem uit en bevestig hem aan de achterkaut van de bagageruimte om de lading af te schermen en aan het zicht te onttrekken. (Zie afbeelding.)
De bagageafdekking verwijderen
(zie afbeelding)
Als u de bagageafdekking tijdelijk wilt verwijderen, bijv. om een omvangrijke lading te vervoeren:
- Duw het uiteinde van de bagageafdekking naar het midden
- Trek de bagageafdekking naar achter
- Om de bagageafdekking terug te plaatsen gaat u te werk in omgekeerde volgorde.
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, schakelen, slepen, rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
Brandstof tanken, „inrijden” 3:2
Zuinig rijden 3:3
Motor starten 3:4
Schakelen 3:5
Om aan te denken 3:9
Cruise control 3:10
Slepen 3:11
Starten met een hulpaccu 3:12
Remmen 3:13
Maatregelen voor de winter 3:14
Tips over het rijden met een caravan 3:15
Maatregelen voor lange reizen 3:17
Brandstoftankklep

Vulpijp met vernauwing voor auto's met katalysator
Brandstof tanken (Loodvrij)
Als u een auto met katalysator heeft, zit er een vernauwing in de tankpijp. De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep. Bij hoge buitentemperaturen kan in de tank overdruk ontstaan. Draai de tankdop voorzichtig los. Doe niet te veel benzine in de tank. Laat het benzinepistool niet meer dan driemaal automatisch afslaan. Bij warm weer kan de brandstoftank overlopen indien deze te veel brandstof bevat. Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik” hoort.
Uw nieuwe auto – gladde wegen
Rijden op gladde wegen voelt verschillend aan naargelang de auto uitgerust is met een handgeschakkelde of een automatische versnellingsbak. Oefen het rijden op gladde wegen in optimale omstandigheden om na te gaan hoe uw nieuwe auto reageert.
Een nieuwe auto moet „ingereden“ worden!
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om het wat kalm aan te doen en de mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet geheel te gebruiken.
Overschrijd de volgende snelheden niet:
| Tijdens de eerste1000 km | Tussen 1000en 2000 km | |
| 1e versnelling | 30 km/uur | 40 km/uur |
| 2e versnelling | 50 km/uur | 70 km/uur |
| 3e versnelling | 80 km/uur | 100 km/uur |
| 4e versnelling | 110 km/uur | 130 km/uur |
| 5e versnelling | 130 km/uur | 150 km/uur |
Maar rijd ook niet te langzaam in een hoge versnelling, d.w.z. laat de motor niet zwoegen, en gebruik de eerste 2000 km de „kickdown” niet, als u een automatische versnellingsbak heeft.
Auto's met katalysator moeten altijd op loodvrije benzine rijden om de katalysator niet te beschadigen.
Geadviseerd octaangetal: 95 RON.
Sommige benzinemaatschappijen passen in de brandstof schoonhoudende toevoegstoffen toe. Deze verkleinen de kans, dat de brandstof in de motor afzettingen veroorzaakt die het rijgedrag en de prestaties nadelig beïnvloeden. Vraag het personeel, als u eraan twijfelt of de benzine deze toevoegstoffen bevat.
N.B! Voeg zelf geen schoonhoudende toevoegstoffen toe zonder dat u van een erkende Volvo-werkplaats uitdrukkelijk het advies gekregen heeft dit te doen.
Overleg met uw Volvo-werkplaats over reizen naar landen waar loodvrije benzine of benzine met een hoog genoeg octaangetal moeilijk te krijgen is.
Zuinig rijden
Rijd anticiperend
Zuinig rijden wil zeggen, anticiperend en soepel rijden en de rijstijl en de snelheid aan de bestaande situatie aanpassen.
Denk hierbij aan het volgende:
- Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat de motor niet stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden. Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme en bovendien slijt de motor sneller.
- Rijd liefst geen korte afstanden, omdat de motor dan nooit warm kan worden.
- Rijd soepel! Vermijd onnodig snel accelereren en sterk afremmen.
- Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje.
- Rijd niet onmodig met een zware lading in de auto.
- Rijd niet meer op winterbanden, als de wegen schoon en droog geworden zijn.
- Verwijder de imperiaal, als deze niet gebruikt wordt.
- Zet de zijramen niet onnodig open.
Schakel tijdig
Een belangrijk gedeelte van zuinig rijden is het op de juiste manier benutten van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
- Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 20 km/uur 2e naar 3e versnelling bij ca 35 km/uur 3e naar 4e versnelling bij ca 50 km/uur 4e naar 5e versnelling bij ca 70 km/uur.
- Bij auto's met een automatische versnellingsbak schakelt deze zelf tijdig, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down”.
Verzorg de auto
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het brandstofverbruik laag te houlen zijn b.v.:
- Goede hougies (geldt voor benzinemotoen)
• Schoon huchtfilter - Juiste klepspeling
- Juiste motorolie, juist interval van olie verversen en nieuw oliefilter
- Remmen die niet „aanlopet“
- Juiste voorwieluitlijning
- Juiste bandenspanning.
Denk eraan, dat voor wat betreft het brandstofverbruik u zelf de belangrijkste factor bent en ook de manier, waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingshendel omgaat.
De katalysator heeft een werktemperatuur van verscheidene honderden graden °C. Parkeer de auto dus niet boven brandbaar materiaal (b.v. hoog gras) dat door de katalysator aangestoken kan worden.
Motor starten
Zo moet u de motor starten:
Benzinemotor
1 Haal de parkeerrem (handrem) aan.
2 Handgeschakelde versnellingsbak: Schakelhendel in de vrije stand. Trap het koppelingspedaal in.
Automatische versnellingsbak: Keuzehendel in stand P of N.
3 Raak het gaspedaal niet aan.
4 Draai de startsleutel in de startstand. Als de motor niet binnen 5–10 seconden aanslaat: laat de sleutel los en probeer opnieuw te starten.
Indien de motor niet of slecht start, moet contact worden opgenomen met de dichtstbijzijnde Volvo-werkplaats.
Laat na koud-starten de motor niet onmiddellijk met een hoog toerental razen.
Een auto met katalysator mag niet aangesleept worden.
Als deze instructie niet opgevolgd wordt, riskeert u, dat de katalysator minder goed werkt.
Koud-starten op grote hoogte
Bij koud-starten op grote hoogte (boven 1800 m) kan het starten vergemakkelijkt worden door het gaspedaal voor de helft in te trappen en daar te houden, voordat de startsleutel in de startstand (punt 4 hierboven) gedraaid wordt. Als de motor aanslaat en het toerental oploopt, laat u het gaspedaal langzaam opkomen.
Bij koud starten: Laat de motor na koud starten niet onmiddellijk razen, want dan is de olie nog dikvlocibaar en komt niet direct bij alle smeerplaatsen.
Motor met elektronische startonderbreker starten
De motor wordt op de normale manier gestart. Als u niet de juiste sleutel gebruikt, stopt de motor na 2 seconden. Als de sleutel langer dan 4 minuten in de rijstand wordt gehouden, moet hij terug worden gedraaid. Start dan opnieuw,
WAARSCHUWING

VOOR KOOLMONOXYDE!
Zet de garagedeuren altijd helemaal open, als u de auto in de garage start! De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos, maar wel dodelijk giftig is.
Handgeschakelde versnellingsbak M-90
Blokkeerinrichting achteruitversnelling M-90
De blokkeerinrichting voorkomt dat de versnellingsbak per ongeluk in achteruit wordt geschakeld bij het schakelen van 5de naar 4de. Deze blokkeerinrichting wordt altijd ingeschakeld wanneer de versnellingshendel in 5de versnelling wordt geduwd, en wordt uitgeschakeld wanneer de versnellingshendel in neutraal komt (tussen 3de en 4de).

Schakelstanden handgeschakelde versnellingsbak
Trap bij het schakelen het koppelingspedaal telkens helemaal in. Haal tussen het schakelen de voet van het koppelingspedaal. Om zo zuinig mogelijk te rijden moet u bij een normale snelheid van meer dan 70 km/h op buitenwegen de 5e versnelling zo vaak mogelijk gebruiken. Door de versnellingen in de juiste volgorde te schakelen, gaat de versnellingsbak langer mee. Schakel bijvoorbeeld nooit direct van 2e in 5e versnelling.
Achteruitvergrendeling
Om de achteruitversnelling in te kunnen schakelen, moet de versnellingshendel eerst in de neutraalstand (tussen 3e en 4e versnelling) worden gezet. Het veiligheidsmechanisme van de achteruitversnelling voorkomt dat vanuit 5e versnelling rechtstreeks in achteruit kan worden geschakeld.
WAARSCHUWING!

Schakel nooit de achteruitversnelling in terwijl u vooruit rijdt.
Automatische versnellingsbak

Kies deze stand bij het starten van de motor of het parkeren van de auto.
De auto moet stilstaan, als u stand P kiest! In stand P is de versnellingsbak mechanisch vergrendeld. Trek bij parkeren op een helling toch de parkeerrem aan!
R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u stand R kiest!
N Neutrale stand
Stand N is de neutrale stand, d.w.z, dat geen versnelling ingeschakeld is. De motor kan gestart worden.
Trek de parkeerrem aan, als de auto met de keuzehendel in stand N stilstaat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Het op- en terug- schakelen tussen alle versnellingen van de versnellingsbak geschiedt automatisch, afhankelijk van het gasgeven en de snelheid.
WAARSCHUWING!
Laat de auto nooit met lopende motor achter! Als iemand per ongeluk de keuzehendel uit stand P brengt, kan de auto namelijk gaan rijden.

„Lock-up“
Auto's met een automatische versnellingsbak hebben een zogenaamde „lock-up“-functie. Daardoor daalt het motortoerental en vermindert het brandstofverbruik. „Lock-up“ betekent in het kort, dat met de keuzehendel in stand D de koppelomvormer van de versnellingsbak bij snelheden boven ca 75-110 km/uur uitgeschakeld wordt. U voelt deze „lock-up“ als een extra schakeling, als u accelereert.
1 Lage versnelling
Als u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt de 2e versnelling ingeschakeld. Pas als de snelheid tot ca 50 km/uur gedaald is, wordt de 1ste versnelling ingeschakeld.
N.B.! Opschakelen uit de 1e versnelling gebeurt niet!
Kies stand 1, als u in de le versnelling wilt rijden en niet wilt, dat opschakelen plaats heeft, b.v. bij het rijden in de bergen, omdat in stand 1 het beste op de motor wordt afgeremd.
2 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e en 2e versnelling gaat automatisch. Opschakelen naar de 3de versnelling vindt niet plaats. Stand 2 kunt u gebruiken...
• bij het rijden in de bergen
- om sterker op de motor af te remmen.

Schakelaar en controlelampje, uit-/inschakelen 4e versnelling
Uitschakelen 4e versnelling (AW versnellingsbak)
Met de drukknop aan de zijkant van de keuze-hendelknop kunt u de 4e versnelling uit- en inschakelen.
Bij uitschakelen van de 4e versnelling – het controlelampje ♦ gaat branden – gaat de versnellingsbak in de 3e versnelling als hoogste versnelling. Als u nogmaals op de knop drukt, wordt de 4e versnelling weer ingeschakeld – het lampje gaat uit.
Blokkeer de 4e versnelling, d.w.z. rijd met een brandend -lampje b.v.
- bij het rijden met een caravan of andere aanhanger
- bij het rijden in heuvelachtig terrein
- als u met de hand naar de 3e versnelling wilt terugschakelen.
Probeer echter bij andere rij-omstandigheden zo veel mogelijk in de 4e versneling te rijden om zo min mogelijk brandstof te gebruiken.
Denk aan het volgende!
- De auto moet stilstaan, als u stand P of R kiest!
- Als de auto stilstaat en u stand D, 2, 1 of R wilt kiezen, moet de motor stationair lopen!
- 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om onder het rijden stand 2 of 1 te kiezen!
„Kick-down“
Als u het gaspedaal helemaal intrapt, voorbij de normale volgasstand, wordt automatisch naar een lagere versnelling teruggeschakeld (zgn. „kick-down“)-terugschakeling). Bij Turbo modellen is de versnellingsbak uitgerust met een blokkeerinrichting voor terugschakelen. Bij snelheden boven 150 km/uur heeft dus geen terugschakelen („kick-down“) plaats. Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling bereikt of als u het gaspedaal iets uit de „kick-down“-stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken, als u maximaal wilt accelereren, zoals b.v. bij passeren.
Denk erom, dat de versnellingsbak pas naar de 4e versnelling opschakelt, als u het gaspedaal uit de „kick-down“-stand loslaat.
Automatische versnellingsbak

Blokkeertoetsstanden
Blokkeerinrichting keuzehendel
(AW versnellingsbak)
De keuzehendel kan altijd moeiteloos tussen de standen D en 2 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de toets op de keuzehendelknop bediend kan worden.
Door licht op de toets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D, 2 en 1 gezet worden. Als de toets belemaal ingedrukt wordt, kunnen bovendien de standen R en P ingeschakeld worden.
Automatische versnellingsbak
Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak
1 Zet de keuzehendel in stand P of N. De motor mag in geen andere stand gestart worden.
2 Start de motor op normale wijze met de startsleutel.
3 Trap het rempedaal naar beneden.
4 Zet de keuzehendel in de gewenste rijstand - de versneling schakelt nu met enige vertraging in; dit geldt vooral voor de achteruit R. Dit is duidelijk merkbaar - de auto begint te trekken.
Als u na het kiezen van een rijstand te snel gas geeft, wordt bruusk ingeschakeld en slijt de versnellingsbak onnodig.
5 Laat het rempedaal los en geef gas.
De motor moet dan stationair lopen! Geef pas gas, als u gevoeld heeft, dat de versnelling ingeschakeld werd!
Kies stand N bij even stilstaan met lopende motor. Dan voorkomt u, dat de versnellingsbakolie onmodig warm wordt!
Speciale wenken voor caravaneigenaars
- Kies stand 1 van de versnellingsbak, als u op steile hellingen of langzaam rijdt. Op deze manier verhindert u, dat de versnellingsbak opschakelt en blijft de versnellingsbakolie kouder. Op bergwegen met lange maar niet zo steile hellingen kan stand 2 gekozen worden.
- Bij het afdalen van lange, steile hellingen moet stand 1 gekozen worden (stand 2 bij het afdalen van minder steile hellingen). Zo wordt het beste op de motor afgeremd.
- Laat de auto tegen een helling niet op het gaspedaal stilstaan, maar gebruik hiervoor de rem. Zo voorkomt u, dat de versnellingsbakolie onnodig heet wordt.
AW-versnellingsbak
„Blokkeer” de 4e versnelling, d.w.z. druk op de knop van de keuzehendelknop (het controlelampje ◆ in het instrumentenpaneel gaat branden). De 4e versnelling wordt dan niet ingeschakeld.
De lading en de plaats ervan hebben invloed op de rij-eigenschappen
Uw auto heeft bij het opgegeven rijklaargewicht de neiging tot onderstuur. Daarom moet u bij het nemen van een bocht steeds meer stuuruitslag geven, als u de snelheid verhoogt. Hierdoor blijft de auto stabiel in de bocht en wordt de kans op uitbreken van de achterwielen kleiner. Denk crom, dat deze eigenschappen kunnen veranderen, als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder de lading helemaal achter in de bagageruimte is, des te minder ruakt de auto onderstuurd. N.B! De lading van de auto moet zo aangepast worden, dat het totaalgewicht van de auto of de asdruk niet overschreden wordt.
Rij-eigenschappen en banden
De banden zijn van groot belang voor de rij-eigenschappen van de auto. Het bandentype – radiaalbanden – de maat en de bandenspanning zijn van belang voor het gedrag van de auto. Bij het vervangen van banden moet u erop letten dat u hetzelfde type en dezelfde maat en liefst ook hetzelfde merk krijgt als al op alle vier wielen van de auto zaten en de aanbevolen bandenspanning opvolgen (zie pag. 4:3)
Rijd niet met een open kofferdeksel!
Bij het rijden met een open kofferdeksel kan namelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ook het giftige koolmonoxyde via de bagageruimte in de auto gezogen worden. Als u echter toch gedwongen bent om een stukje met open kofferdeksel te rijden, moet u het volgende doen:
- Draai alle ramen dicht.
- Zet de functiekiezer van de verwarming op en de aanjager op de volle snelheid, 5.
Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op oververhitting van het koelsysteem. Dit geldt met name op warme dagen, als...
... u met een aanhanger lang met volgas en een hoog motortocrental tegen steile hellingen oprijdt.
... de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
... de motor onmiddellijk afgezet wordt, als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken” genoemd).
... er vóór de grille extra lichten gemonteerd zijn.
Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen:
- Verminder de snelheid en gebruik een lagere versnelling, als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
- Laat de motor niet onnodig stationair lopen.
- Zet de motor niet onmiddellijk af, als u na hardrijden stilstaat.
Automatisch sperdifferentieel
Het sperdifferentieel wordt bij snelheden boven 5 km/uur automatisch ingeschakeld, als een van de aangedreven wielen doordraait, en bij snelheden boven 40 km/uur uitgeschakeld. Het sperdifferentieel zorgt voor een betere trekkrachtverdeling over de aangedreven wielen op een glad en slipperig wegdek; het wisselt snel tussen de aangedreven wielen afhankelijk van de ondergrond – ook bij achteruitrijden.
WAARSCHUWING!

Door extra matten bij de bestuurdersplaats kan het gaspedaal blijven hangen. Let er dus op, dat het gaspedaal vrij is.
Cruise Control

Inschakelen
De schakelaars voor de cruise control bevinden zich op de richtingaanwijzerhendel.
Gewenste snelheid instellen:
1 Zet schakelaar (B) in de stand ON. 2 Versnel of vertraag tot de gewenste snelheid. Opmerking: De cruise control kan bij snelheden onder 35 km/u niet ingeschakeld worden. 3 Druk de SET SPEED knop (A) in om de gewenste snelheid te behouden.
Om te vertragen
De cruise control wordt automatisch uitgeschakeld wanneer het rem- of koppelingspedaal ingedrukt wordt. De eerder ingestelde snelheid wordt in het geheugen bewaard. Als schakelaar (B) even in de RESUME-stand gezet wordt, neemt de auto deze eerder ingestelde snelheid weer aan.
Om te versnellen
Het tijdelijk verhogen van de snelheid, bijv. om te passeren, beïnvloedt de werking van de cruise control niet. De auto neemt de vorige snelheid weer aan zonder dat de schakelaar in de stand RESUME moet worden gezet. Wanneer de cruise control ingeschakeld is, kan de snelheid verhoogd worden door de SET SPEED knop (A) neer te drukken. Kort indrukken komt overeen met een versnelling van 1,6 km/u. De snelheid die de auto bij het loslaten van de knop heeft is nu geprogrammeerd.
WAARSCHUWING!

De Cruise Control mag niet in druk verkeer of op een gladde weg gebruikt worden. N.B! Bij het rijden op een helling kan de werkelijke snelheid iets van de ingestelde afwijken.
Uitschakelen
Zet schakelaar (B) in de OFF-stand of druk het rem- of koppelingspedaal in. Als het contact wordt afgezet of de versnellingshendel in stand N wordt gebracht, wordt de cruise control automatisch uitgeschakeld. Als de snelheid onder 70 % van de ingestelde snelheid daalt wordt de cruise control eveneens automatisch uitgeschakeld. Hetzelfde gekdt nog bij door-slippende/blokkerende wielen.

Sleepoog, vóór

Sleepoog, achter
Als u gesleept moet worden
- Zet het stuurslot los, zodat de auto bestuurbaar is!
- Denk aan de wettelijk toegestane maximumsnelheid!
- Bedenk, dat de bekrachtiging van de voetrem en de stuurinrichting niet werkt, als de motor stilstaat! U moet dan 3 tot 4 maal sterker op het rempedaal drukken en het sturen gaat veel zwaarder dan normaal.
- Rijd soepel. Houd de sleepkabel strak: zo voorkomt u onnodig rukken!
Speciaal voor auto's met automatische versnellingsbak
- e keuzehendel moet in stand N zijn, de versnellingsbak goed afgesteld en het olieniveau op peil.
- De hoogst toegelaten snelheid is 20 km/h. De auto mag maximaal over een afstand van 30 km worden gesleept.
- Als u niet zeker bent van het correcte olieniveau of de goede afstelling, moet de auto worden gesleept met de aandrijfwielen van de grond.
- De motor mag niet aangeslecept worden; zie voor hulpstarten de volgende pagina.
Motor door aanslepen starten
N.B. Dit mag niet bij een auto met automatische versnellingsbak.
Auto's met katalysator mogen niet aangesleept worden.
Als de accu ontladen is, moeten startkabels gebruikt worden (zie de volgende pagina).
Auto's met handgeschakelde versnellingsbak zonder katalysator.
Draai de startsleutel in de rijstand (II). Start de trekkende auto en rijd deze met gelijkmatige snelheid.
Zet uw auto in de 3e of 4e versnelling en laat het koppelingspedaal soepel opkomen. Trap het koppelingspedaal weer in, zodra de motor aanslaat.
Slepen
OPMERKING! De sleepogen mogen alleen worden gebruikt voor het slepen van de auto over de weg. Ze mogen niet worden gebruikt voor het trekken van een auto uit een gracht. Hier moet een beroep worden gedaan op professionele bijstand.
Starten met hulpaccu

WAARSCHUWING!

Denk eraan, dat de accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan, is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiele schade toe te brengen.
De accu bevat het zeer agressieve zwavel-zuur! Als dit op uw huid of kleren spat, moet u onmiddellijk rijkelijk met water afspoelen. Ga naar een arts, als u spatten in uw ogen gekregen heeft!
Zo moet u met een hulpaccu starten
Als de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang te krijgen stroom „lenen” van een losse accu of van de accu van een andere auto. Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er bij de startpogingen geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u het onderstaande nauwkeurig op te volgen:
• Draai de startsleutel in de stand D.
- Controleer of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft.
- Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor hiervan afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet raken.
- Sluit de rode kabel aan tussen de pluspolen van de beide accu's: deze zijn met rood, P of + gemerkt (1 en 2 in de afbeelding).
- Zet de enc klem van de zwarte kabel op de minpool van de bulpaccu; deze is met blauw, N of – gemerkt (3).
- Zet op uw auto de andere klem van de zwarte kabel op een plaats – massa – die op een afstand van de accu ligt, b.v. op een van de bijsogen van de motor; dit is in de afbeelding met nr. 4 aangegeven.
- Start de motor van de „hulpauto”. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen.
- Start de motor van de auto met de ontladen accu. N.B.! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen!
- Maak de kabels in de omgekeerde volgorde t.o.v. bij het aansluiten weer los.
Remmen
Als een remcircuit defect raakt
Het rempedaal pakt wat lager en kan wat zachter dan normaal aanvoelen. Bij auto's met ABS is verder een grotere pedaaldruk nodig om het normale remvermogen te krijgen.
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden of remmen brandt, is het remvloeistofpeil te laag. Sta onmiddellijk stil en controleer het peil in het remvloeistofreservoir (waar dit zit, staat op de achterkant van dit boekje)! Als het peil ergens in het reservoir onder MIN ligt: rijd niet verder, maar laat de auto voor controle en reparatie naar een werkplaats slepen!
De rembekrachtiger werkt alleen, als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor rolt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.

Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden. Trap af en toe licht op het rempedaal, als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen, als de auto gewassen is, en na wegrijden in zeer vochtig weer. Dit moet u ook doen als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig of zeer koud weer.
Als de remmen zeer zwaar belast worden Bij het rijden in bergterrein of op andere wegen met dergelijke hoogteverschillen worden de remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal. Omdat de snelheid bovendien vaak laag is, worden de remmen niet zo effectief afgekoeld als bij het rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet onnodig zwaar te belasten moet u in plaats van alleen maar de voetrem te gebruiken terugschakelen en dezelfde versnelling gebruiken als bij het klimmen. Zo wordt effectiever op de motor afgeremd en behoeft de voetrem telkens maar eventjes gebruikt te worden.
Denk erom, dat de remmen nog zwaarder belast worden, als u met een caravan/aanhangwagen rijdt.
Als het koud begint te worden
ABS
Het ABS-systeem is geconstrucerd om bij sterk afremmen het blokkeren van de wielen te verhinderen. Het systeem "voelt" als de remmen de wielen gaan blokkeren, regelt de remdruk en verhindert daardoor blokkeren van de wielen. Het ABS-systeem ondergaat zelfdiagnose, als de motor gestart wordt en bij een snelheid van ca 6 km/uur. Dan kunt u het rempedaal voelen pulseren. Er kan ook een zacht klikkend geluid klinken wanneer u gas geeft na een tijd stationair te hebben gedraaid. Het ABS-systeem voert dan immers een zelfdiagnose uit.
Dit is geheel normaal voor het systeem. Als het ABS-systeem tijdens het afremmen regelt, voelt u in het rempedaal drukimpulsen en deze zijn ook duidelijk hoorbaar. Dit alles is geheel normaal. Verminder de pedaaldruk niet, als de ABS-regeling voelbaar is! Denk eraan, dat u met volle kracht op het rempedaal moet trappen om het maximale vermogen te krijgen, maar dat het ABS-systeem bet totale remvermogen niet vergroot. U behoudt echter altijd de mogelijkheid om de auto te besturen en heeft dus een betere controle over de auto en dus een grotere veiligheid.
Als het koud begint te worden
Als u zelf uw auto wilt nakijken om in het koude jaargetijde onnodige moeilijkheden te voorkomen, moet u aan het volgende denken:
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glycolgehalte ca 50% d.w.z. ca 5 liter Volvo anti-vries is. Zie voor het verversen van koelvloeistof pagina 7:10.
- Om geen condenswater in de brandstoftank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden.
- Gebruik de juiste motorolie. De viscositeit van de motorolie is van groot belang. Bij lagere viscositeit (dunnere olie) gaat het koudstarten van de motor beter en daalt het brandstofverbruik tijdens het warmworden. Als de temperatuurgrenzen van pagina 7:6–7:8 worden aangehouden, worden 's winters 5W/30 oliën aangeraden en hiervan met name de synthetische. Let er goed op, dat de oliën aan de kwaliteitsnormen voldoen en niet bij hard rijden in een warm klimaat worden gebruikt. Zie ook pagina 7:6–7:8 of vraag uw Volvo-werkplaats om advies.
- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de occupolen met een roestwerend middel.
- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruite/koplampwissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden.
Dit is belangrijk, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en de koplampen komen en de wissers en sproeiers dus vaak gebruikt moeten worden.
- Gebruik in de sloten Volvo Slotenolie (Teflon-sputibus) of vet voor lage temperatuur. Deze kunt u bij uw Volvo-dealer kopen.
N.B! Vermijd het gebruik van ijs oplossende spuitvloeistoffen, want dan kunnen de sloten slechter werken.
Rijden met caravan (aanhangwagen)
Dit moeten caravaneigenaars lezen!
- De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn! Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstruerde trekhaken zijn voor uw auto op maat gemaakt en een Volvo-garage kan deze aanbrengen.
- Denk crom, dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
- Bepaalde 5-deurs modellen hebben een automatische niveauregeling van de achtervering, zodat tijdens het rijden de achterasophanging altijd de juiste hoogte heeft, ongeacht de belasting.
- Leg de lading zo in de aanhangwagen, dat de druk op de trekhaak van de auto bij aanhanggewichten onder 1200 kg ca 50 kg en bij aanhanggewichten boven 1200 kg ca 75 kg is. Denk eraan, dat de druk op de trekhaak (50/75 kg) een deel van het laadvermogen van de auto is en dat daarom de lading in de bagageruimte misschien verminderd moet worden, zodat de asbelastingen en/of het totaalgewicht van de auto bij het rijden met een aanhangwagen niet overschreden worden.
- Verhoog de bandenspanning tot die voor vollast; zie de tabel op pagina 4:3.
- Als u een inklapbare Volvo trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren.
- Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel" en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden. Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
- Rijd niet met een zware aanhangwagen, als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee, totdat de auto tenminste 1000 km gelopen heeft.
- Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
-
Speciale wenken voor eigenaars van een auto met een automatische versnellingsbak, zie pagina 3:11.
* Geldt niet voor een kogelhandschoen met trillingdemper. -
Bij het rijden in warme gebieden mag het aanhanggewicht niet meer dan 1500 kg bedragen.
- De motor wordt bij het rijden met een aanhangwagen zwaarder dan normaal belast. Daarom moet de olic vaker ververst worden; zie de tabel op pagina 7:7.
Houd er ook rekening mee, dat het koelsysteem van de motor zwaarder dan normaal wordt belast; zie pagina 3:9. - De maximaal toegestane snelheid is 80 km/h.
- Het maximaal toegestane aanhanggewicht voor een niet-afgeremde aanhangwagen is 500 kg.
- N.B! De opgegeven maximaal toegestane aanhanggewichten en snelheidsgrenzen zijn door Volvo Car Corporation toegestaan. Denk er echter aan, dat nationale voertuigbepalingen het aanhanggewicht en de snelheid nog verder kunnen beperken.
Extra olieradiator
N.B! Bepaalde modellen hebben een automatische versnellingsbak, zodat geen extra oliekoeler vereist is. Bepaalde modellen hebben als standaard een extra oliekoeler. Laat uw Volvo-werkplaats controle- ren of uw auto uitgerust moet worden met een extra oliekoeler voor de automatische versnellingsbak.
Zie volgende pagina!
WAARSCHUWING!

Als u de voor gewicht en snelheid opgegeven grenzen niet opvolgt, kan de gehele combinatie bij uitwijken en afremmen moeilijk beheersbaar worden met alle risico's voor u en andere weggebruikers.
Rijden met caravan (aanhangwagen)

Als uw auto uitgerust is met een verwijderbare trekhaak: controleer voor u vertrekt of de trekhaak goed vergrendeld is. De groene grendel moet in horizontale stand staan! Zie afbeelding.
| Maximaal toegestaan aanhanggewicht voor een afgeremde aanhangwagen | Gewicht op de trekhaak | Volvo's versterkingsset vereist. Trillingdemper geadviseerd. | Auto's met automaat: | |
| Extra oliekoeler wordt geadviseerd. | Extra oliekoeler vereist. | |||
| 0–1200 kg | 50 kg | ● | ||
| 1201–1500 kg | 75 kg | ● | ||
| 1501–1600 kg | 75 kg | ● | ||
| 1601–1800 kg | 75 kg | ● | ● | |
Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen, imperiaal
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volvo-garage helemaal laten controleren.
Het is altijd goed om tijdig vóór de reis een stel van de meest noodzakelijke service-onderdelen (gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisserbladen) aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets.
Als u zelf de auto wilt nakijken, adviseren wij het volgende te doen:
- Controleer of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal is.
- Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelvloeistof of brandstof.
- Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versleten V-riemen vervangen.
- Controleer de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden.
- Laat de remmen, wieluitlijning en stuurinrichting controleren.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- In veel landen b.v. is een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannië of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
- Bij reizen naar landen waar benzine met het juiste octaangetal of loodvrije benzine moeilijk te krijgen is, kan de motor enigszins worden aangepast. Vraag uw Volvo-werkplaats om advies.
Als u een imperiaal gebruikt:
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die voor Volvo ontwik-keld zijn.
- Moet u regelmatig controleren of de imperiaal goed vastzit.
- Mag u ten hoogste 100 kg op het dak laden.
- Moet de lading gelijkmatig over de imperiaal verdeeld worden. Laad niet scheef! Moet u de zwaarste lading onder leggen.
- Moet u crom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen, als de auto zwaar geladen wordt.
- Moet u crom denken dat de auto meer wind vangt en dus meer brandstof verbruikt naarmate de lading groter is.
- Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten! Moet u soepel rijden! Vermijd sterk accelereren, sterk afremmen en het nemen van scherpe bochten.
- Moet u de imperiaal verwijderen, als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
Wielen en banden – belangrijk voor de rij-eigenschappen van de auto!
Lees daarom de volgende pagina's nauwkeurig door. De goede rij-eigenschappen van de auto kunnen opvallend veranderen, als u slordig bent met b.v. de bandenspanning.
Slijtageprofiel, winterbanden 4:2
Bandenspanning 4:3
Algemeen, reservewiel 4:4
Slijtage speciale velgen
De banden hebben een „slijtageprofiel”
Het slijtageprofiel bestaat uit enkele smalle strepen dwars op het loopvlak met een 1,6 mm minder diep profiel dan de rest van de band. Als de band zo versleten is, dat maar 1,6 mm over is, zijn de strepen duidelijk zichtbaar en moet u nieuwe banden monteren. Denk crom, dat banden met zo weinig profiel bij regen en sneeuw een slechte greep op het wegdek hebben.

Slijtageprofiel vóór,
normale slijtage
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
• Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan, dat snel rijden de banden sterk doet slijten.
• Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning.
• Balanceer de wielen zo nodig.
- Denk om de banden, als u langs een trottoirrand parkeert.
„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool”, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschillende bandentypen vertonen deze ochtendzool in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de ochtendzool verdwijnt.
Winterbanden, sneeuwkettingen
Voor Scandinavie raden wij winterbanden195/65 R15 aan. Voor andere landen raden wij winterbanden met dezelfde maat als normale banden, of bandmaat 195/65 R15 aan.
Gebruik altijd winterbanden op alle vier wielen!
N.B! Slechts bepaalde velgen van andere Volvo-modellen kunnen
worden gebruikt. Uw Volvo-dealer weet welke.
Spijkerbanden moet u 500–1000 km soepel en rustig „inrijden“, zodat de spijkers zich goed in de banden kunnen zetten. Dit vergroot de levensduur van de banden en met name van de spijkers.
Laat de banden gedurende hun gehele levensduur steeds in dezelfde richting draaien. Als u wielen wilt verwisselen, moet u deze aan dezelfde kant als ervoor laten zitten.
Denk erom, dat de wettelijke bepalingen voor het gebruik van spijkerbanden van land tot land verschillen.
Sneeuwkettingen mogen tezamen met de van fabriekswege gemonteerde Volvo velg/band-combinatie uitsluitend achter gebruikt worden. De kettingen moeten fijne schakels hebben en niet zover t.o.v. de banden uitsteken, dat zij tegen de remklauwen of andere onderdelen kunnen schuren. Volvo-dealers hebben goedgekeurde sneeuwkettingen.
N.B! Met sneeuwkettingen moet u nooit sneller dan 50 km/uur rijden! Rijd nooit onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de sneeuwkettingen en banden dan snel slijten.
Gebruik nooit zogenaamde snel monteerbare kettingen, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen daarvoor te klein is.
WAARSCHUWING!

Speciale velgen
De enige goedgekeurde „speciale velgen“ voor Volvo-modellen zijn de velgen die zijn getest door Volvo en die zijn opgenomen in de lijst met „Volvo Original Parts – Originele Volvo-onderdelen“.
Bandenspanning
De bandenspanning is belangrijk!
Controleer de bandenspanning regelmatig! De juiste spanning staat in de tabel hiernaast.
Als u niet met de juiste bandenspanning rijdt, is het rijgedrag van de auto opvallend slechter en slijten de banden sterker.
Denk erom, dat de waarden in de tabel voor koude banden gelden (heersende buitentemperatuur). Al na een paar kilometer rijden worden de banden warm en loopt de spanning op. Dit is normaal en u moet dus geen lucht laten ontsnappen, als u bij warme banden de spanning controleert. U moet de spanning wel verhogen, als deze te laag is.
Denk eraan, dat de bandenspanning met de buitentemperatuur kan variëren.
Controleer de bandensspanning dus buitenshuis, als de banden koud zijn.

Tussen haakjes staan de waarden in de Engelse eenheid pounds/square inch (psi).
| Model | 1-3 personen | Vollast en aanhanger | ||
| Voor | Achter | Voor | Achter | |
| 4-deurs | 190 (28) | 190 (28) | 210 (30) | 260 (38) |
| 5-deurs | 190 (28) | 210 (30) | 210 (30) | 280 (41) |
| „Temporary Spare“ | 420 (60) | 420 (60) | 420 (60) | 420 (60) |
Als snel – sneller dan 160 km/uur – gereden wordt, moet de bandenspanning met 30 kPa (4 psi) verhoogd worden.
N.B.! Dit geldt niet voor de reserveband „Temporary Spare”.
Op de rechter portierstijl zit een sticker met de juiste bandenspanning.
Algemeen Reservewiel
Wielen en banden, algemeen
Wat betekent de codering op de zijkant van de band 195/65R15 91V? Wel, deze codering betekent het volgende:
195 is de sectiebreedte in mm.
65 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent.
R betekent radiaalband en
15 is de velgdiameter van de band in inch.
91 zijn codecijfers voor de toegestane maximumbelasting; in dit geval 615 kg
V vermeldt, dat de band voor snelheden tot 240 km/uur gemaakt is.
U moet er bij het vervangen van banden goed op letten, dat u op alle vier wielen hetzelfde type (radiaalband), dezelfde maat (codering) en liefst ook hetzelfde merk krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
Denk bij het wielen verwisselen aan het volgende!
Als u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op de banden aantekenen, waar het wiel zat, b.v. LV = links voor, enz. In de velgen van de auto zit een "extra" gat. Dit gat moet passen over de paspen die achter op de remschijven zit.
Door de paspen komen de wielen na verwisselen in verband met een lege band of bij het overgaan van winterbanden op zomerbanden altijd in precies dezelfde stand als daarvoor te zitten, zodat de wielen weer goed gebalanceerd zijn.
Denk eraan dat u op het wiel aantekent waar het wiel zat wanneer u het verwijdert! De wielen moeten hangend of liggend worden opgeslagen, nooit staand.
Reservewiel „Temporary Spare“ (bepaalde landen)
Uit ervaring is gebleken, dat tegenwoordig een reserveband zelden gebruikt wordt. Daarom kan deze al 4-5 jaar oud zijn, voordat deze nog 4-5 jaar als gewone band gebruikt gaat worden. Een zo oude band te gebruiken is niet aan te raden, omdat het rubber verouderd is.
Daarom heeft Volvo een speciaal reservewiel ontwikkeld dat slechts zo kort gebruikt moet worden als nodig is om de gewone band te repareren of vervangen.
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Temporary Spare” genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band bij uw Volvo-dealer kopen.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserve-wiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om, dat deze band, te zamen met de normale andere banden, de rij-cigenschappen iets kan veranderen.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een reservewiel „Temporary Spare” gemonteerd is, is daarom 80 km/uur, ook al is de band tegen de maximumsnelheid van de auto bestand.

Nieuwe banden
Vergeet niet dat banden een beperkte levensduur hebben. Deze band werd vervaardigd in week 15, in 1995! (155)
Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren, dat u met de auto iets krijgt dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden, zoals b.v. een lekke band, een kapotte gloeilamp, enz. In dit hoofdstuk worden behandeld:
Lokaliseren van storingen 5:2
Zekeringen vervangen 5:3
Wielen verwisselen 5:6
Gloeilampen vervangen 5:8
Lokaliseren van storingen
In de vorige hoofdstukken zijn at instructies bij bedrijfsstoringen behandeld. In dit hoofdstuk is alleen sprake van storingen die u zelf kunt verhelpen om verder te kunnen rijden.
De motor slaat over en loopt onregelmatig (benzinemotor)
Storing in het ontstekingssysteem.
Controleer of alle kabels van het ontstekingssysteem goed aangesloten en schoon zijn.
Ijsvorming in de carburateur of het inspuitsysteem.
Zet de auto in de warmte en voeg carburateurvloeistof toe.
Verstopt luchtfilter/brandstofffilter.
Vervang het filter.
Auto met elektronische startonderbreker start niet
De motor start maar stopt direct.
Controleer of u de juiste sleutel gebruikt. Probeer een van de andere autosleutels. Controleer of er niet meer dan één sleutel met elektronische startonderbreker naast elkaar liggen: hierdoor worden immers verschillende signalen tegelijk naar de regelmodule gestuurd.
De motor start helemaal niet.
Volg de instructies op pagina 3:4.
De motor start moeilijk of helemaal niet
De aanwijzingen voor het starten van de motor zijn niet in acht genomen; zie pagina 3:4.
Start de motor volgens de aanwijzingen.
De accu is slecht geladen of ontladen.
Start de auto door aanslepen of met een hulpaccu; zie pagina 3:12.
Laat de accu opladen.
Zoek de oorzaak op waarom de accu ontladen is,
Slecht contact in de elektrische installatie van de motor.
Controleer alle aansluitingen van de bougies, bobine, stroomverdeler, accu, startmotor.
Er komt geen brandstof bij de motor.
Controleer of er brandstof in de tank is.
Controleer of er een slang ingeklemd of een slangaansluiting van het brandstofsysteem losgeraakt is.
Controleer of de zekeringen voor de brandstofpomp heel zijn; zekeringen nr 1 en 11; zie pagina 5:4.
Storing in het ontstekingssysteem.
Controleer de verdelerkap op scheurtjes en maak de verdelerkap schoon en droog.
Controleer of alle kabels van het ontstekingssysteem goed aangesloten en schoon zijn.
Onbalans of trillingen tijdens het rijden
Wielonbalans.
Laat de wielen balanceren.
Te laag oliepeil in de stuurbekrachtigingspomp.
Controleer het oliepeil en vul met olic bij.
De motor wordt warm
De radiatorslangen zijn kapot of lekken.
Controleer de slangen en vervang deze, indien nodig.
Te weinig koelvlocistof.
Controleer het koelvloeistofpeil en vul met koelvloeistof bij.
De aandrijfriemen zijn kapot of slecht gespannen.
Vervang of span de aandrijfriemen.
Het schuifdak kan niet dichtgedaan worden
Geen stroom naar de schuifdakmotor.
De overbelastingsbeveiliging heeft gewerkt. Wacht ca 20 seconden. Dan is deze beveiliging afgekoeld.

Zekeringen
Tangetje voor
zekeringen
Zekering vervangen
Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos vóór het asbakje in de tunnelconsole.
Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen:
- Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag licht het asbakje uit.
- Druk de blokkeertoets met de tekst „electrical fuses – press” van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en vervijder de houder.
U ziet nu de 26 zekeringen in twee series zitten.
Zekeringen

Nummering van de zekeringen in het zekeringenkastje.
De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zij doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst hiernaast kijken om te weten welke zekering gecontroleerd moet worden.
Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de gebogen draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met dezelfde kleur en ampere-aanduiding als de oude aan – het cijfer staat op de zekering! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zekeringenkastje, een 15 (blauwe), een 25 (lichtgele) en een 30 (groene) ampère zekering.
Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er iets met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor controle naar een Volvo-garage.
| Nr | Ampère | |
| 1 | Brandstofpomp; Motorelektronika, Immobilizer | 25 |
| 2 | Centrale vergrendeling; Knipperlichten; Grootlichtsignaal | 25 |
| 3 | Elektrisch verstelbare voorstoelen; Stroomtoevoer naar aanhangwagen | 30 |
| 4 | Remlichten | 15 |
| 5 | Verlichting handschoenenkastje; Klokje; Audio; Binnenver- lichting; Bagageruimtevertlichting; Motor-bediende antenne; Waarschuwingslampen in portieren; Verlichting make-up spiegel | 15 |
| 6 | Aanjager verwarming/ventilatie | 30 |
| 7 | Mistlampen; Mistachterlamp | 15 |
| 8 | Herinneringssysteem autogordels; Richtingaanwijzers; Relais elektrisch verwarmde voorstoelen; Relais elektrisch bediende raammechanismen; Relais stroomtoevoer naar aanhanger | 15 |
| 9 | Elektrisch bediende raammechanismen | 30 |
| 10 | Elektrisch verwarmde achterruit; Elektrisch verwarmde buiten- spiegels; Elektrisch bediend schuifdak | 30 |
| 11 | Brandstofpomp (in de tank); Elektrisch verwarmde Lambdasonde | 15 |
| 12 | Achteruitrijlichten; Vierde versnelling (versnellingsbak AW); Cruise Control, Remlichtencontrole | 15 |
| 13 | Brandstofklep | 15 |
| 14 | Elektrisch bediende buitenspiegels; Sigareaansteker; Radio; Achterruitwisser/-sprocier; Buitentemperatuurmeter Elektrisch verstelbare stoelen | 15 |
| 15 | Claxon; Ruitewissers/-sprociers, Elektrisch verstelbare stoelen | 25 |
| 16 | Aanjager verwarming/ventilatie | 30 |
| 17 | Linker grootlicht | 15 |
| 18 | Rechter grootlicht; Relais mistlampen | 15 |
| 19 | Linker dimlicht; Linker lichtlengteregeling | 15 |
| 20 | Rechter dimlicht; Rechter lichtlengteregeling | 15 |
Zekeringen
Nr
Ampere
21 Linker attentielicht voor en achter; Kentekenplaatverlichting; 15 Verlichting instrumenten- en bedieningspaneel
22 Verlichting snelsluiting autogordels; Rechter attentielicht voor 15 en achter; Relais mistlampen; Verlichting instrumenten en bedieningspancel
23 Elektrisch verwarmde voorstoelen 25
24 ABS 15
25. Automatische dimlichten (voor uitschakelen) 25
26 Audio 15
R Reservezekeringen

Als u in het volledige bedradingsschema met o.a. de functie en plaats van de relais geïnteresseerd bent, raden wij u ons Servicehandboek aan. Dit kunt u bij uw Volvo-dealer bestellen.
N.B! De koplampwissers hebben een beveiliging tegen overbelasting en deze werkt, als de wissers b.v. door sneeuw of ijs geblokkeerd worden (blijven steken). Dan, moet de startsleutel in stand 0 gedraaid, de sneeuw of het ijs verwijderd en circa 1 minuut gewacht worden. Dan is de beveiliging afgekoeld, kan het contact weer aangezet en de koplampwissers weer gebruikt worden.
Als u vindt, dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn: er zit een „tangetje” aan de zijkant rechts in het zekeringenkastje.
1 Druk het tangetje stevig op de zekering.
2 Trek de zekering met het tangelje rechtomhoog los.
3 Trek de zekering uit het tangetje en schuif er een nieuwe zekering in.
4 Druk de nieuwe zekering met het tangetje op zijn plaats.
5 Trek het tangetje los.
Wiel verwisselen

Wieldop verwijderen (aluminium velg)

Wieldop verwijderen (stalen velg)

Wielmoeren losdraaien
Het reservewiel ligt onder de vloermat van de bagageruimte.
- Trek de parkeerrem aan en schakel bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak de achteruit in. Plaats een blok vóór en achter de wielen die op de grond blijven staan.
- Auto's met stalen velgen hebben een losneembare wieldop. Verwijder deze als volgt: pak met beide handen in de gaten van de wieldop en trek deze rechtuit los. Als u de wieldop aanbrengt: let er goed op, dat het ventielgat van de dop recht voor het ventiel komt.
- Draai de wielmoeren met de pijpsleutel 1/2–1 slag los. De moeren worden losgedraaid door hen linksom te draaien.

Zo moet de krik zitten
• Bij elk wiel zit een kriksteun.
- Houd de krik tegen de pen in de kriksteunbevestiging en draai de krikvoet zo naar beneden, dat deze vlak tegen de grond drukt.
- Controleer opnieuw of de krik volgens de afbeelding in de steun zit en of de krikvoet loodrecht onder de steun zit.
- Breng de auto zo ver omhoog, dat het wiel vrijkomt.
- Verwijder de wielmoeren en neem het wiel af. Beschadig de schroefdraad van de wielmoeren niet.
WAARSCHUWING!

- Kruip nooit onder de auto, als deze op de krik staat!
- De auto en de krik moeten zich op een stevig, horizontaal vlak bevinden.
- Bij het verwisselen van wielen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten bokken gezet worden onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is.
- Trek de parkeerrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling of de achteruit in, resp. stand P bij een automatische versnellingsbak.
- Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik stevige houtblokken of grote stenen.
- De schroefdraad van de krik moet altijd goed gesmeerd zijn.
Wielen aanbrengen
- Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon.
- Breng het wiel aan. Op de remschijven van de achterwielen zit een paspen die in het „extra“ gat in de velg moet zitten. Draai de wielmoeren vast. N.B.! De conische kant van de wielmoeren moet naar het wiel gekeerd worden;
- Laat de auto zakken zodat de wielen niet meer kunnen draaien. Draai de bouten diagonaal en geleidelijk aan. Aanhaalmoment is ongeveer 85 Nm (8,5 kpm). Het is belangrijk dat de bouten worden aangespannen met het juiste aanhaalmoment, gebruik dus een momentsleutel.
- Breng de wieldop aan. Bepaalde modellen hebben een wieldop die de gehele velg bedekt. Het symbool op de achterkant van de wieldop moet naar het ventiel gekeerd worden.
- Draai de krik helemaal in, voordat u deze in de bagageruimte in de houder zet.
Gloeilamp vervangen


Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen van beide koplampen moeten vanuit de motorruimte worden vervangen.
N.B! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beet. Vet en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zetten zich op de reflector af waardoor deze snel slecht wordt.
Koplampen:
- Doe de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0.
- Open de motorkap.
- Buig de klemveer waarmee de plastic dop vastzit naar boven en verwijder de dop. De klemveer kan zwaar gaan.
- Trek de stekerverbinding los. Deze kan vastzitten.
-
Druk de veerring in, draai deze iets linksom en verwijder deze.
-
Verwijder de gloeilamp.
- Breng de nieuwe gloeilamp volgens de afbeelding aan zonder het glas met de vingers aan te raken.
De gloeilamp heeft drie pasnokken die asymmetrisch zijn aangebracht, zo dat de gloeilamp maar op één manier kan passen. - Breng alles weer in de omgekeerde volgorde van het verwijderen aan.
- Druk de klem naar beneden en verwijder de plastic dop.
- Buig de klemveren naar buiten en verwijder de gloeilamp.
- Breng alles weer in de omgekeerde volgorde van het verwijderen aan.
- De fitting heeft twee pasnokken en kan maar op één manier goed zitten.
Gloeilamp vervangen

Gloeilamp in een hoeklicht vóór vervangen
De gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen worden.
- Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0. Aan de ene kant moet de vulpijp voor het sproeivloeistofreservoir weggetrokken worden.
- Laat de connector met draden aan de fitting zitten. Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp.

- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom de draaien.
Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het hoeklicht.
N.B.! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de andere is en in de breedste uitsparing in het gat moet passen!
Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloeilamp licht geeft.
Gloeilamp vervangen

Lampen, plaatsing linkerkant

Lampen, plaatsing linkerkant
Gloeilamp in een achterlicht vervangen
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagage- ruimte vervangen worden.
Advies: vervang telkens één gloeilamp om verwisseling te voorkomen. Doe het volgende:
- Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0.
- Buitenkant: Draai schroef A los en buig de afdekkap omlaag. Klep: Til de haak op en buig de afdekkap omlaag. De kap zit aan de onderkant vast.
- Verwijder de fitting. De gloeilampen zitten in de fitting vast.
- Verwijder de gloeilamp door deze in te drukken en een paar mm linksom te draaien.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan.
N.B.! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting breder dan de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor de fitting passen.
Draai de fitting rechtsom vast.
Controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vast.
| Gloeilampen | Sterkte | Fitting |
| 1, 4 Achterlicht | 5 W | BA 15s |
| 2 Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 3 Remlicht | 21 W | BA 15s |
| 5 Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 6 Mistachterlamp (alleen links) | 21 W | BA 15s |
Gloeilamp vervangen

De gloeilampen worden van binnenuit de auto vervangen.
Gloeilamp in een achterlicht vervangen
5-deurs model
Advies: vervang telkens één gloeilamp tegelijk om verwisseling te voorkomen.
• Doe de verlichting uit.
- Wring het paneel voor het achterlicht met b.v. een schroevedraaier uit.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 10 mm linksom en neem deze los.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door deze naar binnen te drukken en 10 mm linksom te draaien.
Gloeilampen
1 Mistachterlamp 21 W BA 15s
2 Achteruitrijlicht 21 W BA 15s
3 Richtingaanwijzer 21 W BA 15s
4 Remlicht 21/5 W BAY 15d
(witte fitting rechts, zwarte fitting links)
- Breng een nieuwe gloeilamp in de fitting aan en zet de fitting weer in het achterlicht. N.B.! Merk op, dat een van de pasnokken van de fitting breder dan de overige is. Deze pasnok moet in de breedste uitsparing van het gat voor de fitting passen.
• Draai de fitting rechtsom.
- Controleer of de gloeilamp licht geeft.
- Druk het paneel voor het achterlicht weer op zijn plaats.
Denk crom, dat er in bepaalde landen twee verschillende types gloeilampen voorkomen, 1-polige en 2-polige.
Bij de 2-polige lamp zitten de paspennen op verschillende hoogten. De lamp kan maar op één manier aangebracht worden. Probeer maar! Breng de lamp aan, druk deze naar binnen en draai deze voorzichtig een paar mm. Als dit niet gaat, moet de lamp verwijderd, een 1/2 slag gedraaid en weer aangebracht worden. Bij goed aanbrengen moet de lamp zonder kracht vastgedraaid kunnen worden.
Gloeilamp vervangen
Fitting

Schroevedraaier insteken en voorzichtig draaien
Zijknipperlicht
Schakel de verlichting uit.
De gloeilamp moet van buitenaf vervangen worden. Schuif de lamp naar voren en trek de achterkant eruit. Daarna kan de gehele lamp verwijderd worden. Laat de draden in de fitting zitten.
Draai de fitting een 1/4 slag linksom en trek deze rechtuit los.
Trek de kapotte gloeilamp er recht uit.
Waarschuwingslamp portier
Alle portieren hebben rode waarschuwingslampen.
Dit moet u doen om een lamp te vervangen: Steek volgens de afbeelding een schroevedraaier in en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Trek de kapotte lamp recht uit.
Vervang de lamp en breng het glas weer aan.
Gloeilamp vervangen

Kruiskopschroef van het lampeglas

Kruiskopschroef van het lampeglas
Kentekenplaatverlichting
Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0. Draai de schroeven van het lampeglas los. Steek volgens de afbeelding een schroevendraaier in en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Trek de kapotte lamp recht uit. Vervang de lamp en breng het glas weer aan.
Kentekenplaatverlichting
5-deurs model
Schakel de verlichting uit en draai de startsleutel in stand 0. Draai de schroeven uit met de schroevedraaier van de gereedschapsdoos. Let erop dat de schroevedraaier in de steel verschillende bits heeft. Verwijder het lampeglas en vervang de lamp. Zet het lampeglas weer terug. Het glas heeft een uitsparing die op de pasnok past.
Gloeilamp vervangen

Schroevedraaier naar binnen drukken

Schroevedraaier naar binnen drukken
Bagageruimteverlichting
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Bagageruimteverlichting
5-deurs model
Druk de pal in het lamphuis naar binnen door de schroevedraaier in de opening aan de korte kant van het lamphuis te brengen. Trek het lamphuis naar beneden uit de bevestiging en vervang de gloeilamp.
Gloeilamp vervangen

Trek het lamphuis zo los

Leeslampjes
Plafondverlichting
Plafondverlichting Leeslampjes
(bepaalde modellen)
Schakel de verlichting uit.
Pak het voorste deel van het lamphuis vast (zie de afbeelding) en trek het recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng het lamphuis weer aan,
| Gloeilampen | Sterkte | Fitting |
| Plafondverlichting | 10 W | SV 8,5 |
| Leeslampjes | 5 W | W 2,1x9,5d |
Gloeilamp vervangen

Veer met een schroevedraaier indrukken

Blokkeerveren indrukken

Naar achteren/beneden trekken
Hooggeplaatst remlicht
Verwijderen
Draai de startsleutel in de stand 0.
Druk de veer met een schroevedraaier in; zie de afbeelding.
Trek gelijktijdig de kap naar u toe.
Druk de blokkeerveren van de reflector in; zie de afbeelding.
Vervang de gloeilamp.
Aanbrengen
Breng de reflector weer aan. Controleer vóór het aanbrengen van de kap of de lamp brandt. Zet de paspennen in de bovenkant van de kap en druk dan de kap op zijn plaats.
Druk de blokkeerveren van de reflector in; zie de afbeelding.
Vervang de gloeilamp.
Aanbrengen
Breng de reflector weer aan. Controleer vóór het aanbrengen van de kap of de lamp brandt. Zet de paspennen in de bovenkant van de kap en druk dan de kap op zijn plaats.
5-deurs modellen
Verwijderen
Draai de startsleutel in de stand 0.
Pak met beide handen de kap aan de zijkanten vast en trek de kap naar achteren/beneden.
Carrosserie-onderhoud – niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer:
het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
Roestwerende behandeling controleren en bijwerken 6:2
Lakbeschadingen controleren en bijwerken 6:4
Auto wassen 6:6
Bekleding reinigen 6:8
Roestwerende behandeling
Roestwerende behandeling – controleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een nauwkeurige en volledige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderstel en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en gesloten secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof.
Bijwerken van de roestwerende behandeling:
- Houd de auto schoon! Gebruik een hoge-drukslang om de chassisonderdelen, het onderstel, de wielkuipen en de spatschermranden schoon te spuiten. Hou de hoge-drukslang op minstens 30 cm van het lakwerk.
- Laat de roestwerende behandeling regelmatig controleren en bijwerken.
* Draagarmen, draagarmstangen, veerstoelen en veerpootschotels
De auto is gebouwd met een roestwerende behandeling die bij normale omstandigheden pas na circa 8 jaar een nabehandeling nodig heeft. Na deze tijd moet met tussenpozen van drie jaar nabehandeld worden. Als uw auto nabehandeld moet worden: laat uw Volvo-werkplaats u hierbij helpen.
Om een perfect resultaat te krijgen moet het nabehandelen vakkundig gebeuren.
De roestwerende bescherming moet door uw Volvo-werkplaats gecontroleerd worden – zie het Garantieboekje.

De „zichtbare“ roestwerende behandeling moet regelmatig gecontroleerd en bijgewerkt worden. Als de roestwerende laag ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddellijk laten doen, zodat geen vocht onder de roestwerende laag binnendringt – laat uw Volvo-werkplaats u helpen.
Motorkapscharnieren en -slot
Als u zelf de roestwerende laag wilt bijwerken, moet u erop letten, dat de bij te werken plaats schoon en droog is. Spoel, was en droog de auto zorgvuldig. Gebruik een roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwast op.
Er zijn twee verschillende types roestwerend middel:
a) dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen
b) dik voor slijtplekken van het onderstel en de wielkuipen
Denkbare plaatsen om met deze middelen bij te werken zijn b.v.:
• Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (dumne vlocistof)
- Onderstel en wielkuipen (dikke vloeistof)
• Portierscharnieren (dunne vloeistof)
- Motorkapscharnieren en -slot (dunne vloeistof)
Als de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel verwijderd worden met een lap die met terpentine bevochtigd is.
De motorruimte is van fabriekswege behandeld met een kleurloos roest-werend middel op wasbasis. Dit middel is tegen normale wasmiddelen bestand zonder op te lossen of niet meer te werken. Als de motor echter wordt gereinigd met zogenaamde aromatische oplosmiddelen, zoals thinner, terpentine (speciaal als deze emulgatoren bevat), moet de wasbescherming na het reinigen worden vernieuwd. De Volvo-dealers verkopen dergelijke wassen.

Onderstel en wielkuipen
Lakbeschadigingen bijwerken
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk behandeld worden om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn:
- Kleine steenslagplekken en krassen
- Afbladerende spatschermranden en drempels b.v.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.
Lakkleurcode
Let erop, dat u de juiste lakkleur heeft. Controleer dit met het codenummer voor de lakkleur dat op het typeplaatje in de motorruimte staat.

Lakkleurcode

Lakresten met maskeertape verwijderen

Kleine steenslagplekken en krassen bijwerken
Materialen:
Als de steenslagplek niet tot de plaat doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan na verwijdering van vuil de lak direct opgebracht worden. Als de steenslagplek tot de plaat doorgedrongen is, moet u het volgende doen:
- Breng een stukje maskeertape op het beschadigde vlak aan. Trek daarna de maskeertape weg, zodat lakresten meegaan (zie afbeelding 1)
- Roer de grondlak (de primer) goed om en breng deze met een fijn penseeltje of met een lucifer op (afbeelding 2).
- Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak met een pensel opgebracht worden. Roer de lak goed om en breng deze daarna enkele malen dun op en laat de lak telkens eerst goed drogen.
Lakbeschadigingen bijwerken

- Bij krassen doet u, zoals hierboven beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak door afplakken te beschermen (zie afbeelding 3).
- Wacht een paar dagen met de nabehandeling, dwz. het poetsen. Gebruik een zachte dock en wees zuinig met polish.
Beschadigde spatschermranden en drempels bijwerken
Materialen:
• Grondlak – spuitbus
• Lak - spuitbus
• Maskeertape
Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is.
• Verwijder loszittende bladders.
- Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten
moet u de spuitbus met gelijkmatige snelheid op een afstand van 20–30 cm van de plek been en weer bewegen; zie de afbeelding. Bescherm de omringende vlakken met karton.
Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit deze een paar maal op en laat de lak telkens eerst een paar minuten drogen.
Auto wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto zodra deze vuit geworden is, met name in de winter, omdat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken. Op de volgende manier kunt u de auto wassen:
- Spoel het vuil zorgvuldig af van de onderkant van de auto (wielkui-pen, spatschermranden, enz.)
- Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is.
- Bij gebruik van een hogedrukspuit: Let erop dat het mondstuk van de hogedrukspuit op ten minste 30 centimeter afstand van de carrosserie wordt gehouden. Spuit niet direct op sloten.
- Was de auto met een spons met of zonder wasmiddel en veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren.
- Droog de auto af met een schone zachte zeem.
- De elektrisch bedienbare antenne (accessoire) dient na een autowasbeurt te worden gedroogd.
- Was de wisserbladen af met een nagelborsteltje en een lauwe zeepoplossing.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 5–10 cl gewoon vloeibaar af wasmiddel op 10 liter water. Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden. Gebruik nooit polijstpasta of staalwol.
Denk hieraan!
Verwijder vogelvuil altijd zo snel mogelijk van de lak. Het bevat namelijk stoffen die de lak snel doen verkleuren. Dit kan niet meer weggepolijst worden.
WAARSCHUWING!

Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat het vocht van de remvoeringen kan verdwijnen!
WAARSCHUWING!

Was de motor niet, als deze warm is. Brandgevaar!
N.B! Bij het wassen moet u de afwateringsgaten in de portieren en in de drempels telkens goed schoonmaken om te voorkomen dat deze door modder en vuil verstopt raken.

Automatische wasinrichting
Met een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig schoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat een automatische wasinrichting de auto niet zo effectief en voorzichtig wast als u zelf met de hand met spons en water doet. De borstels van de wasautomaat kunnen niet overal bijkomen. Het onderstel van de auto wordt niet in alle wasautomaten afgespoeld, terwijl dit met name in de winter van groot belang is.
Let crop, dat eventuele accessoires (extra koplampen, buitenspiegels, antennes) goed vastzitten, want anders bestaat er kans, dat de horstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken.
Draai b.v. de antenne los of schuif deze in.
Voordat u de automatische wasinrichting binnenrijdt, moet u de armen van de koplampwissers onder de aanslagen onderaan de koplampen leggen om te verbinderen, dat de borstels de armen pakken en het wissermechanisme beschadigen.
N.B.! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale stand te brengen, als het wassen klaar is.
Was uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels!
Was de auto de eerste maanden – voordat de lak hard geworden is – liefst met de hand.
Denk eraan, dat het wassen in een automatische wasinrichting het wassen met de hand nooit kan vervangen!
U moet de auto poetsen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en u deze een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter. Normaal behoeft de auto pas dan na een jaar gepoetst te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat poetsen en/of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine.
Moeilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak („rubbing“) verwijderd worden.
Poets eerst met polish en behandel de auto daarna met vloeibare of vaste was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was.
Er zijn momenteel veel verschillende merken zogenaamde polymerwassen voor autolak in de handel.
Deze wassen zijn gemakkelijk te verwerken en geven een zeer hard en glad oppervlak, waardoor de lak tegen oxydatie, vuil worden en verbleken beschermd is.
Wassen
Bekleding reinigen
Vlekken op textiel behandelen
Voor vuile textielbekleding worden speciale reinigingsmiddelen aanbe- volen die bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar zijn. Andere chemische produkten kunnen de brandwerende behandeling van de bekleding schaden.
Vlekken kunnen altijd het beste onmiddellijk verwijderd worden, nog voordat deze ingedroogd zijn. De vlekken moeten opgelost, niet weggewreven of met een harde borstel weggeborsteld worden.
Vlekken op vinyl behandelen
Krab of wrijf nooit op een vlek. Gebruik nooit sterke ontvlekkingsmiddelen. Reinig met een zwakke zeepoplossing en lauw water.
Verwijderen van vlekken op het leer
Reinig de vuil geworden lederen binnenbekleding met speciale reini- gingsmiddelen die bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar zijn. Een behande- ling een- of tweemaal per jaar met de Volvo leeronderhoudset wordt geadviseerd om het leer soepel en comfortabel te houden.
Gebruik nooit sterke oplosmiddelen, benzine, alcohol, white-spirit, enz. Deze produkten kunnen de stof, het vinyl en het leer beschadigen.
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlek zo snel mogelijk.
Verwijder het grootste deel van het vuil met een bot mes of iets dergelijks.
Zuig van de vlek zo veel mogelijk op met schone witte doeken. Stofzuig rondom de vlek, zodat omringend vuil niet oplost.
Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolgens het oplosmiddel met een droge wattenprop uit de vlek op. Herhaal de behandeling tot de vlek verdwenen is.
Denk aan het volgende:
- Bij verfylekken, b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift, moet heel voorzichtig met het ontvlekkingsmiddel gewerkt worden, omdat de kleurstof in de vlek kan oplossen en de vlek daardoor groter wordt.
- Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kan het schuimplastic in de zitting beschadigen.
- Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Ontylekkingsmiddelen
Gebruik Volvo's textielwasset of:
Ammoniakoplossing: 1 theclepel ammoniak (ca 90%-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammoniak-zeepoplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt met 1 dl zeepwater gemengd. Zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen.
Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat.
En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom over:
Volvo Service 7:2
Motorruimte 7:4
Versnellingsbakolie controleren 7:5
Motorolie controleren en verversen 7:6
Stuurbekrachtigings-, koppelings- en remvloeistof controleren 7:8
Carrosseriesmering 7:9
Koelvloeistof controleren en verversen 7:10
Accu-onderhoud 7:11
Aandrijfriemen controleren, Sproeivloeistofreservoir 7:12
Wisserblad vervangen 7:13
Installatie van telefoon en accessoires 7:14
Volvo Service
Afleveringsinspectie
Voordat uw Volvo de fabriek verliet, werd met uw auto proefgereden en werd deze zorgvuldig gecontroleerd en afgesteld. Voordat de auto aan u werd overgedragen, kreeg deze een uitgebreide afleveringsinspectie bij uw Volvo-dealer om er zeker van te zijn dat de auto geheel aan de Volvo-normen zou voldoen.
Het Volvo Onderhouds Programma
Om steeds van de grote veiligheid en betrouwbaarheid van uw Volvo gebruik te kunnen maken moet u het Volvo Onderhouds Programma opvolgen dat in het Serviceboekje beschreven is.
Wij raden u ten sterkste aan om de werkzaamheden waarvan in deze onderhoudsschema's sprake is, toe te vertrouwen aan uw Volvo-dealer die de ervaring, technische gegevens en apparatuur heeft. U bent er dan zeker van, dat de werkzaamheden worden uitgevoerd met de hoge kwaliteit die u, als Volvo-bezitter, verwacht. U kunt er tevens van verzekerd zijn, dat uw Volvo-dealer alleen maar originele Volvo service-onderdelen gebruikt die van dezelfde hoge kwaliteit zijn als de onderdelen die oorspronkelijk tijdens de fabricage van uw Volvo werden gebruikt.
Het Volvo Onderhouds Programma is voor de normale autorijder opgezet. Als u van mening bent, dat uw manier van rijden meer dan normaal van de auto vergt, moet u dit met u Volvo-dealer bespreken; hij zal u gaarne adviseren met een eventueel speciaal onderhoud dat nodig kan zijn.
Belangrijk
Voorwaarde voor de geldigheid van de garantie is absoluut: dat bovengenoemde garantie-inspectie ongeveer bij de juiste kilometerstand wordt uitgevoerd, dat het onderhoud van de auto volgens de instructies van deze handleiding wordt uitgevoerd, en dat de inspecties en reparaties door een erkende Volvo-werkplaats worden uitgevoerd.
Denk eraan, dat...
- regelmatig onderhoud noodzakelijk is om uw auto in goede conditie te houden zowel wat betreft de betrouwbaarheid als de verkeersveiligheid.
- het overslaan van een inspectie tot gevolg kan hebben, dat uw auto uitlaatgassen afgeeft met een onaanvaardbaar hoog gehalte aan stoffen die voor het milieu schadelijk zijn.
- de inspecties het beste door een Volvo-werkplaats kunnen worden uitgevoerd, omdat deze ervaren personeel hebben dat met de produkten bekend is en speciaal gereedschap en betrouwbare service-literatuur van Volvo heeft.
- Uw Serviceboekje na elke inspectie moet worden afgestempeld. Een „goed afgestempeld” serviceboekje is een aanwijzing, dat de auto goed onderhouden is en dit verhoogt de tweedehandswaarde.
Servicehandboeken
Als u technische belangstelling heeft en gedetailleerde gegevens wilt hebben die niet in dit boekje staan, maken wij u attent op onze Service-handboeken die u bij uw Volvo-dealer of rechtstreeks bij Volvo kunt bestellen. Deze handboeken bevatten nauwkeurige informatie over reparaties en afstellingen en over de constructie en werking van de componenten van uw auto. Dit zijn namelijk dezelfde handboeken als door het Volvo-personeel worden gebruikt.
WAARSCHUWING!

Het ontstekingssysteem werkt met zeer hoge spanning! Het hele ontstekingssysteem kan levensgevaartlijke spanningsniveaus voeren! Raak de bougies, bougiekabels of bobines niet aan wanneer de motor draait of wanneer het contact aan staat.
Zet het contact altijd af bij:
- het aansluiten van motortestapparatuur.
- het vervangen van ontstekingsonderdelen zoals bougies, bobines, stroomverdeler, bougiekabels enz.
Ontkoppel de accu voor:
- Werkzaamheden aan het SRS-systeem.
De massaverbinding van de SRS-airbag onder de bestuurdersstoel mag niet worden ontkoppeld. Verbind ook geen andere elektrische uitrusting met de massa onder de bestuurdersstoel. Bij incorrecte massaverbinding kan de goede werking van het SRS-systeem in gevaar komen.
Voordat u werkzaamheden uitvoert aan de auto:
Accu
Ga na of de accukabels correct zijn aangesloten en stevig vastzitten. Ontkoppel de accu nooit terwijl de motor draait (bijv. om de accu te vervangen).
Gebruik nooit een snellader om de accu te laden. Bij het laden moeten de accukabels ontkoppeld zijn.
Schakel de radio uit alvorens de accukabels te ontkoppelen.
Als uw radio een antidiefstalcode bezit en de accu wordt losgekoppeld, moet u de radiocode opnieuw invoeren om de radio te kunnen aanzetten.
Zorg voor het milieu
De accu bevat een zuur dat agressief en giftig is. Het is dus van belang, dat op een milieu-vriendelijke manier met de accu omgegaan wordt. Laat de Volvo-dealer u helpen.
Auto omhoogbrengen
Als de auto met een garagekrik omhooggebracht wordt, moeten de vier kriksteunen (twee aan elke kant) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel speciaal versterkt.
Een garagekrik kan ook onder het gegoten achterashuis of onder de vooras midden tussen de voorwielen gezet worden.
Beschadig de afschermplaat onder de motor niet. Let erop, dat de krik goed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de krik afglijdt.
Gebruik altijd bokken of iets dergelijks.
Als de auto met een hefbrug met twee kolommen omhooggebracht wordt, moeten de voorste hefarmen onder de steunen van de draagarmstangen (zie de afbeelding) aangebracht worden en niet onder de kriksteunen! Anders wordt de auto van voren te zwaar, zodat bij werkzaamheden aan de achteras en de achterveren het achterste deel van de auto los kan komen van de achterste hefarmen.
De achterste befarmen moeten onder de achterste kriksteunen aangebracht worden.
Achterste kriksteunen

Steunen van de draagarmstangen
Motorruimte
Motorruimte injectiemotor
1 Reservoir sproeivlocistof
2 Luchtfilter
3 Expansietank, koelsysteem
4 Vuldop motorolie, motor
5 Peilstok, motor
6 Peilstok, automatische versnellingsbak
7 Reservoir remvloeistof
8 Oliereservoir, stuurbekrachtiging
9 Accu
10 Motortypeplaatje
11 Gegevensplaatje
12 Aandrijfriem stuurbekrachtiging en waterpomp
13 Aandrijfriem dynamo
14 Aandrijfriem airconditioning

De koelventilator kan enige tijd, nadat de motor afgezet is, uit zichzelf weer gaan werken!
Automatische versnellingsbak

Peilstok met geel handvat
A Koude versnellingsbakolie - olietemperatuur +40°C. Deze temperatuur wordt in de garage of werkplaats na ca 10 minuten stationair lopen bereikt. Bij een olietemperatuur onder +40°C kan het peil onder het MIN-streepje liggen.
B Warme versnellingsbakolie – olietemperatuur +90°C. Deze temperatuur wordt bij snel rijden op buitenwegen in ca 30 minuten bereikt. Bij een olietemperatuur boven +90°C kan het peil boven het MAX-streepje liggen.
N.B! Bij oliepeilcontroles moet de motor stationair lopen!
Bij het controleren van het oliepeil moet u het volgende doen: Zet de auto horizontaal en laat de motor stationair lopen. Breng de keuzehendel via alle versnellingen langzaam in stand P. Wacht twee minuten en controleer het oliepeil. Op bovenstaande tekening is zichtbaar, dat de peilstok een „koude“ en een „warme“ kant heeft. Het oliepeil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. Veeg de peilstok af met een nylon lap, papier of zeemleer of met een lap die geen pluizen op de peilstok achterlaat. N.B! De olie kan erg heet zijn!
Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de strepen MAX en MIN is ca 0,5 liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie „eruit gooien”. Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet, als deze nog koud is.
Oliekwaliteit: Volvo synthetische versnellingsbakvlocistof 97337 (die voldoet aan zowel de vereisten Dexron II E als Ford Mercon).
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt.
Motorolie controleren/verversen
Controleer de motorolie regelmatig bij het tanken
Het is met name belangrijk, dat u in de inrijperiode de motorolie controleert. Zet de auto vlak en wacht na het afzetten van de motor ten minste 1 minuut, zodat de olie in de oliepan heeft kunnen terugstromen. De betrouwbaarste waarde krijgt u bij een koude motor vóór het starten. Veeg vóór het controleren de peilstok af.
Het peil moet binnen het op de peilstok gemarkeerde gebied liggen.
De afstand tussen MAX en MIN op de peilstok komt overeen met ca 1 liter.
Als het peil bij MIN ligt, moet bijgevuld worden bij
Koude motor 1 liter Warme motor 0,5 liter.

Tap de olie af, als deze warm is.

WAARSCHUWING!
De olie kan erg heet zijn! Denk eraan, dat olie schadelijk voor de huid kan zijn. Gebruik bij het omgaan met olie altijd handschoenen.
Indien nodig, olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagina. Trek de olievuldop recht omhoog. Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt, komt het oliepeil ongeveer in het midden van het "gearceerde" gebied van de peilstok te liggen, d.w.z. midden tussen de merktekens MAX en MIN; dit is geheel normaal. Vul niet met teveel olie; dan wordt het olieverbruik hoger.

Oliefilter vervangen bij het olie verversen
Als u zelf de motorolie ververst en het oliefilter vervangt, moet u erop letten, dat op een milieu-vriendelijke manier met de afvalolie omgegaan wordt. Laat de Volvo-dealer u helpen.
WAARSCHUWING!
Mors geen olie op de hete uitlaatpijpen. Brandgevaar!

Oliekwaliteit: ACEA A2/A3
Synthetische of semi-synthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze aan bovenstaande kwaliteitscisen voldoen. Gebruik geen olie-additieven, tenzij aanbevolen door een erkende Volvo-werkplaats.
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| SAE Type | Value | |---|---| | -30 | 104°F | | -22 | 104°F | | -20 | 104°F | | -10 | 104°F | | 0 | 104°F | | 10 | 104°F | | 20 | 104°F | | 30 | 104°F | | 40 | 104°F | | SAE 5W/30 | 104°F | | SAE 5W/40 | 104°F | | SAE 10W/30 | 104°F | | SAE 10W/40 | 104°F | | SAE 15W/40 | 104°F | | SAE 20W/40 | 104°F | | SAE 30 | 104°F | | SAE 40 | 104°F |Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur of een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals bijv. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij snel rijden op autowegen, wordt SAE 15W/40 of SAE 20W/40 aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: 3,85 liter
Olie verversen en oliefilter vervangen
| Rij-omstandigheden | Interval olie verversen en oliefilter vervangen |
| Ongunstige rij-omstandig-heden: zie hieronder. | Om de 7500 km of 6 maanden |
| Normale rij-omstandig-heden. | Om de 15.000 km of 12 maanden |
Ongunstige rij-omstandigheden
• langdurig rijden in stoffige/zanderige omgeving
• langdurig rijden met caravan/aanhangwagen
• langdurig rijden in bergterrein
• langdurig rijden met zeer hoge snelheid
- langdurig stationair lopen of rijden met lage snelheid
- lage temperaturen (onder 0°C) met voornamelijk korte afstanden (korter dan 10 km)
Stuurbekrachtigings-, koppelings- en remvloeistof

Remvloeistofreservoir

Reservoir stuurbekrachtigingsvloeistof
Remvloeistof en koppelingsvloeistof
Het remvloeistofpeil moet boven het MIN teken staan.
Vlocestoftype: remvloeistof
Kwaliteit: DOT 4+
Vloeistofinhoud: 0,4 liter
Vloeistofpeil controleren: regelmatig.
Vloeistof verversen: om het jaar.
Bij auto's waarmee zo wordt gereden, dat er veel en krachtig moet worden geremd, b.v. bij rijden in de bergen en bij het rijden in een tropisch klimaat met hoge luchtvochtigheid, moet de remvloeistof elk jaar ververst worden.
Het verversen beboort niet tot een normale inspectie, maar dit moet bij een dergelijke inspectie wel door een Volvo-werkplaats gedaan worden,
Stuurbekrachtigingsvloeistof
De oliepeilstok zit aan de dop vast. Het oliepeil mag bij koude motor niet boven het streepje MAX staan.
Vul olie bij, als het peil bij MIN staat.
Oliekwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: 0,8 liter
Olie verversen: is niet nodig.
Carrosseriesmering


3 Portieruitsteller - zit bij het onderste portierscharnier
Nr Smeerplaats (aantal)
1 Slot en veiligheidshaak (3)
2 Motorkapscharnieren (2)
3 Portierscharnieren (8)
Portieruitstellers (4)
4 Windscherm, schuifdak (1)
5 Glijvlakken portiersloten (4)
6 Slot kofferdeksel (1)
Smeermiddel
Olie
Olie
Olie
Olie
Olie
Vet voor lage temperatuur
Vet voor lage temperatuur
of Tellon-spray
Nr Smeerplaats (aantal)
7 Raammechanismen (4) Sluitingen (binnenkant portieren)
8 Rails (4) en blokkeringen (2) voorstoelen
9 Portiersloten
Smeermiddel
Olie, Vet
Vet voor lage temperatuur
Olie
Vet voor lage temperatuur
of Teflon-spray
Koelsysteem
Samenstelling van de koelyloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebruik het gehele jaar een mengsel van 50% Volvo anti-vries, en 50% water.
OPMERKING! Sommige motoronderdelen zijn vervaardigd uit een aluminiumlegering. Het is dan ook belangrijk dat u de koelvloeistof van Volvo gebruikt, aangezien deze een speciaal corrosiewerend middel bevat!
Verschillende koelvloeistoffen mogen niet met elkaar gemengd worden!
Door de anti-vries wordt in de zomer corrosie en in de winter ook bevriezen voorkomen. Als de auto nieuw is, is het koelsysteem gevuld met koelvlocistof die tegen circa -35^ bestand is.
Inhoud van het koelsysteem: Benzinemotor ca 8,5 liter
Koelvloeistof regelmatig controleren; normaal behoeft deze niet ververst te worden
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Draai, als bijgevuld moet worden en de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ontsnappen.
N.B.!
De motor mag alleen lopen met een goed gevuld koelsysteem. Als dit niet goed gevuld is, kunnen plaatselijk hoge temperaturen optreden met kans op beschadigen (scheuren) van de cilinderkop.
Zorg voor het milieu
Als u zelf de koelvloeistof ververst, moet u erop letten, dat u op een milieu-vriendelijke manier met de afvalkoelvloeistof omgaat. Laat de Volvo-dealer u helpen.
Koelvloeistof verversen
Aftappen
1 Zet de kachelbediening op het instrumentenpaneel op warm.
2 Verwijder de dop van de expansietank.
3 Draai de aftapkraan open.
4 Maak de onderste radiatorslang los bij de radiator.
Vullen
1 Draai de onderste radiatorslang vast.
2 Draai de aftapkraan dicht.


De rij-omstandigheden, uw rijstijl, het aantal startpogingen, de klimaatomstandigheden enz. kunnen allemaal een invloed uitoefenen op de levensduur en werking van uw accu. Om uw accu in optimale conditie te houden moet u volgende punten voor ogen houden:
- Controleer regelmatig (minstens om de zes maanden of elke 15.000 km) het correcte vlocistofpeil in de accu (zie afbeelding).
- Controleer alle cellen in de accu. Gebruik een schroevedraaier om de afdekking te verwijderen. De controle van het
vloeistofpeil verloopt makkelijker met een zaklamp. Elke cel bezit zijn eigen niveau-indicator (zie afbeelding).
- Vul indien nodig de accu met water bij tot de maximum-markering. OPMERKING! Vul niet verder bij dan de maximum-markering!
- Gebruik geen kraanwater. Gebruik gedistilleerd of gedeioniseerd water.
- Als u de accu herlaadt, moet u het vlocistofpeil controleren na het laden en, indien nodig, water bijvullen.
- Zorg ervoor dat de doppen goed zijn aangespannen.
- Accu's met grijze doppen (ontluchtingsfilters) - de grijze dop mag niet vervangen worden door een zwarte luchtdichte dop.
WAARSCHUWING
Denk eraan dat de accu een zeer ontplofbaar mengsel van waterstof en zuurstof bevat. Open vuur of roken in de nabijheid van de accu kan de explosie van de accu met zich meebrengen, met schade aan de auto en persoonlijk letsel tot gevolg. De accu bevat ook zwavelzuur, dat ernstige corrosie kan veroorzaken. Als het zuur in aanraking komt met uw ogen, huid of kleding, moet u grondig spoelen met water. Als het zuur in uw ogen spat, moet u eerst spoelen en onmiddellijk daarna medische hulp inroepen.

Aan de bovenzijde van de batterij staan de volgende sym bolen vermeld:

Gebruik een veiligheids- bril.

Zie voor meer details het instructieboekje.

Bewaar de batterij buiten het bereik van kinderen.

De batterij bevat een bijtend zuur.

Vermijd vonken of open vuur.

Explosiegevaar.
Aandrijfriemen en ventilatorriemen, Ruitewissers Koplampwissers
Riemen vervangen
Als u zelf de riemen heeft vervangen, moet u de riem 1–3 mm kunnen indrukken. Na het vervangen van een riem moet de riemspanning door een Volvo-werkplaats gecontroleerd en eventueel afgesteld worden.
Riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vervuilde riemen kunnen leiden tot een slechte koeling, een slecht laadvermogen van de dynamo en kunnen bovendien de werking van de stuurbekrachtiging en airconditioning ongunstig beïnvloeden.
Laat een Volvo-werkplaats de aandrijfriemen afstellen en vervangen
Het kan als gevolg van de plaats van de riemen voor u moeilijk zijn om een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit daarom aan uw Volvo- werkplaats over. Als de ventilator en de dynamo door dubbele riemen worden aangedreven, moeten deze altiid als paar vervangen worden.

Stralen zo afstellen
Sproeikoppen afstellen
De vloeistofstralen moeten de voorruit volgens de afbeelding raken. De stralen kunnen met een schroevedraaiertje in de hoogte versteld worden.

Sproeivloeistofreservoir
Sproeivloeistofreservoir
De ruite- en koplampwissers (en bij de 5-deurs modellen ook de achterruitwisser) hebben hetzelfde vloecistofreservoir. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 4 liter.
Gebruik in de winter anti-vries, zodat het reservoir en de slangen niet bevriezen. Bij auto's met turbo- of dieselmotor zit het reservoir op de overeenkomstige plaats aan de rechterkant van de auto.
Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen

Klap de wisserarm uit en houd het wisserblad haaks op de wisserarm. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm naar binnen.


Trek het gehele wisserblad naar beneden, zodat het „oog“ van de arm helemaal door het gat in de wisserbladbevestiging steekt.
Breng het nieuwe wisserblad in de tegengestelde volgorde aan en controleer of het goed vastzit.
Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisserblad naar buiten los. Druk het nieuwe wisserblad vast met het langste uiteinde naar het midden van de auto gericht. Controleer of het wisserblad goed vastzit!

Maak de wisserbladen met een nagelborsteltje en een lauwe zeepoplossing schoon, als deze strepen op de ruiten gaan achterlaten. Als dit niet helpt, moet het wisserblad vervangen worden!
Installatie van telefoon en accessoires

Installatie van telefoon en accessoires
Om storingen en schade aan het elektrisch systeem van uw auto te voorkomen wordt het auto geleverd met twee connectoren voor de installatie van een telefoon en andere elektrische uitrusting. De twee connectoren bevinden zich onder het handschoenenkastje, achter het geluidwerende paneel.
Bij de installatie van de accessoires of de telefoon kunt u het beste contact opnemen met een erkende Volvo-werkplaats. Bij het installeren van uw originele Volvo-telefoon of -accessoires moet u de bijgaande instructies opvolgen.
Zwarte connector (voor accessoires)
| Positie | Aansluiting | Max. belasting |
| 1 | Aarde (31) | 4 A |
| 2 | Parkeerlichten (58) | 1 A |
| 3 | Reostaat (NR) | 1 A |
| 4 | Accu + (30) | 3 A |
Gele connector (voor telefoon)
| Positie | Aansluiting | Max. belasting |
| 1 | Aarde (31) | 4 A |
| 2 | Contact, posities I en II | 1 A |
| 3 | Onderdrukkingssignaal | ** |
| 4 | Accu + (30) | 3 A |
** Neem voor meer informatie contact op met een erkende Volvowerkplaats.
Specifications
In dit hoofdstuk staan allerlei getallen e.d. die bij het opzoeken van specifieke gegevens van belang kunnen zijn:
Type-aanduidingen 8:2
Maten en gewichten 8:3
Smeermiddelen, Koelsysteem, brandstof 8:4
Transmissie 8:5
Voortrein 8:5
Elektrische installatie 8:6
Motor 8:7
Specifications
Type-aanduidingen
Bij alle contacten met uw Volvo-dealer over de auto en bij het bestellen van service-onderdelen en accessoires kan het gemakkelijk zijn, als u de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto kent.
1 Type- en modeljaaraanduiding en chassisnummer
Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen.
2 Type-aanduiding, toegestane maximum-gewichten en codenummers voor de lakkleur en bekleding
Op een plaatje op de plaat boven de rechter koplamp.
3 Type-aanduiding, onderdeel- en fabrica-
genummer van de motor
Aan de linker kant van de motor.
4 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricagenummer van de versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak: aan de onderkant.
Automatische versnellingsbak: aan de linker kant.
5 Overbrengingsverhouding, onderdelen fabricagenummer van de achteras Op een sticker links op de achteras.

Specifications
Maten en gewichten
Lengte 487 cm
5-deurs model 484 cm
Breedte 175 cm
Hoogte 141 cm
5-deurs model 143 cm
Wielbasis 277 cm
Spoorbreedte, voor 147 cm
achter 146 cm
Draaicirkel 9,8 m
Plaatje met gewichtsgegevens op de plaat boven de rechter koplamp.
1 - Maximaal totaalgewicht
2 - Maximaal trekgewicht (auto en aanhanger)
3 - Maximaal gewicht vooras
4 - Maximaal gewicht achteras

Toegestane belasting = Totaalgewicht - Rijklaargewicht
Maximum dakbelasting 100 kg
Maximum aanbanggewicht 1800 kg
Zie ook pagina 3:16.
N.B! De lading van de auto moet zo worden aangepast, dat het totaalgewicht van de auto of de asdruk niet worden overschreden!
Laadruimte, 5-deurs model
Lengte met opgeklapte achterbank 106 cm
Lengte met neergeklapte achterbank 194 cm
Laadopening, grootste breedte 146 cm
Laadopening, grootste hoogte 77 cm
Inhoudsgegevens
Brandstoftank ca 75 liter
Koelsysteem, benzinemotor 8,5 liter
Motorolie, benzinemotor ....3,85 liter
Versnellingsbakolie, handgeschakelde 5-bak – M-90 ....1,75 liter automatische versnellingsbak ....7,5 liter
Achterasolie 1,6-1,75 liter
Stuurbekrachtiging 0,5 liter
Sproeivloeistofreservoir 4 liter
Remsysteem....0,4 liter
* Zie volgende pagina
Specifications
Smeermiddelen
| Oliekwaliteit: | ACEA A2/A3 |
| Viscositeit: | zie pagina 7:7. |
| Olie-inhoud: | 3,85 liter (excl. oliefilter: 3,35 liter). |
Synthetische of semi-synthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze aan bovenstaande kwaliteitseisen voldoen.
Gebruik geen olie-additieven, tenzij aanbevolen door een erkende Volvo-werkplaats.
Oliekwaliteit:
Automatisch: Volvo synthetische versnellingsbakvloeistof 97337 (die voldoet aan zowel de vereisten Dexron II E als Ford Mercon).
Inhoud:
Olickwaliteit: Volvo synthetische versnellingsbakolie 97308
Volume: 1,75 liter
Achteras
| Oliekwaliteit: | Volvo achterasolieAPI-GL-5 (MIL-L-2105 C of D) |
| Viscositeit: | SAE 90 of 80W/90 |
| Olie-inhoud: | ca 1,6-1,75 liter |
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Oliekwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: ca 0,5 liter
Remvlocistof
Vloeistoftype: Remvloeistof, type DOT 4+ Vloeistofinhoud: ca 0.6 liter
Koelsysteem
Type: Gesloten, overdruk
| Inhoud: | ca 8,5 liter |
| De thermostaat opent bij: | 87°C |
| Benzine, octaangetal | |
| F-motor (Auto met katalysator) | |
| advies: | 95 loodvrij |
| minimum: 91 loodvrij | |
| G-motor | |
| minimum: | 91 gelood/loodvrij |
| Norm DIN 51600 | |
Airconditioning
| Koelmiddel: | R 134a (zonder freon) |
| Volume: | 950 gram |
| Olietype: | Seiko-Seiki SS-121DS5 P/N=1161426-0 |
Specifications
Transmissie
Enkelvoudige droge-plaat koppeling.
Geheel gesynchroniseerde 5-versnellingsbak met vloerpook.
Als alternatief volautomatische versnellingsbak, bestaande uit een hydraulische koppelomvormer met planetaire versnellingsbak. Achterasoverbrenging van het hypoïde-type.
Versnellingsbakken, handgeschakeld
| Overbrengingsverhouding | B230 FK, FT B200 FT | B230FT(5-d) | |
| 1e versnelling | 3,91:1 | 3,54:1 | 3,91:1 |
| 2e versnelling | 2,20:1 | 2,05:1 | 2,30:1 |
| 3e versnelling | 1,38:1 | 1,38:1 | 1,38:1 |
| 4e versnelling | 1,00:1 | 1,00:1 | 1,00:1 |
| 5e versnelling | 0,81:1 | 0,81:1 | 0,75:1 |
| Achteruit | 3,81:1 | 3,45:1 | 3,81:1 |
Versnellingsbakken, automatisch
| Type-aanduiding | AW 70/71 |
| Overbrengingsverhouding | |
| 1e versnelling | 2,45:1 |
| 2e versnelling | 1,45:1 |
| 3e versnelling | 1,00:1 |
| 4e versnelling | 0,69:1 |
| Achteruit | 2,21:1 |
Aanbevolen minimum- en maximumsnelheden, km/uur
| Motortype | 1ste | 2de | 3de | 4de | 5de |
| 0-45 | 20-80 | 30-125 | 40< | 70< |
Voortrein
Veerpoot van het type MacPherson. Schokdempers in de veerpoten ingebouwd. Stuurinrichting met tandheugel. Stuurbekrachtiging. Stuurkolomas van het veiligheidstype.
De afstelwaarden gelden voor een onbelaste auto, incl. brandstof, koelyloeistof en reservewiel.
Toespoor (Toe-in), bij de velg opgemeten 2,3 ± 1,0 mm bij de zijkant band opgemeten 2,8 ± 1,3 mm
Specifications
Elektrische installatie
| Benzinemotor | |
| Spanning | 12 volt |
| Accu. capaciteit | 420 A, 75 min |
| 520 A, 90 min | |
| electrolyt, s.g. | 1,28 |
| opladenbij s.g. | 1,23 |
| Dynamo, maximumstroomsterkte | 100 A |
| 80 A | |
| 65 A | |
| Startmotor, vermogen | 1,4 kW |
Gloeilampen, 12 V. Zo zien zij eruit.
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 |
| 6 | 7 | 8 | 9 | 10 |
| Gloeilampen | Vermogen | Fitting | Afb.nr |
| Koplampen | 60/55 W | H4 | 1 |
| Verstralers, mistlampen | 55 W | H3 | 2 |
| Parkeerlichten, voor | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Richtingaanwijzer, voor | 21 W | BA 15s | 4 |
| achter | 21 W | BA 15s | 4 |
| opzij (geel) | 5 W | W2,1x9,5d | 8 |
| Achterlichten | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Hoog geplaatst remlicht | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Remlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Achterlichten Remlichten *** | 21/5 W | BAY 15 d | 3 |
| Achteruitrijlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Mistachterlamp(en) | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 W | W2,1x9,5d | 8 |
| Kentekenplaatverlichting | 4 W | BA 9 s | 9 |
| Waarschuwingslamp portier | 3 W | W 2,1 x9,5d | 8 |
| Plafondverlichting | 10 W | SV 8,5 | 6 |
| Leeslampjes,voor | 5 W | W 2,1 x9,5d | 8 |
| Bagageruimteverlichting | 10 W | SV 8,5 | 6 |
| Verlichtinghandschoenenkastje | 2 W | BA 9 s | 9 |
| Make-up verlichting | 3 W | SV 7 | 7 |
| Instrumentenverlichting | 3 W | W 2,1x9,5 | 8 |
| Verlichting bedieningspaneel | 1,2 W | W 2x4,6 d | 10 |
| automaat | 1,2 W | W 2x4,6 d | 10 |
| Waarschuwings-/controlelampjes in instrumentenpaneel | 1,2 W | W 2x4,6 d | 10 |
** 4-deurs
*** 5-deurs
Specifications
| Motor | B230FK | B200FT | B230GK | B200GT | B230FT |
| Vermogen [kW bij r/s] | 99/82 | 114/93 | 99/82 | 114/93 | 121/80 |
| [pk bij omw/min] | 135/4900 | 155/5600 | 135/4900 | 155/5600 | 165/4800 |
| Koppel [Nm bij r/s] | 230/38 | 230/60 | 230/38 | 230/60 | 264/57 |
| [kgm bij omw/min] | 23,4/2300 | 23,4/3600 | 23,4/2300 | 23,4/3600 | 27,0/3450 |
| Cilinderaantal | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 |
| Cilinderdiameter [mm] | 96 | 88,9 | 96 | 88,9 | 96 |
| Slaglengte [mm] | 80 | 80 | 80 | 80 | 80 |
| Cilinderinhoud [dm ^2 (l)] | 2,32 | 1,99 | 2,32 | 1,99 | 2,32 |
| Compressieverhouding | 8,7:1 | 8,5:1 | 8,7:1 | 8,5:1 | 8,7:1 |
| Bougies | P/N 270746-1* | P/N270747-9* | P/N 270746-1* | P/N270747-9* | P/N 270746-1* |
| elektrode-afstand [mm] | 0,7–0,8 | 0,7 | 0,7–0,8 | 0,7 | 0,7 |
| aanbaalmoment [Nm] | 25 | 25 | 25 | 25 | 25 |
| Octaangetal | |||||
| advics | 95** | 95** | 95** | ||
| minimum | 91** | 91** | 91*** | 91*** | 91** |
* of dienovereenkomstig
** loodyvrij
*** loodhoudend/loodyvrij
Momenteel kunnen alle benzinemotoren van Volvo op loodvrije benzine rijden. Het is alleen nodig, dat de benzine het geadviscerde minimum octaangetal heeft. N.B! Auto's met katalysator moeten altijd op loodvrije benzine rijden om de katalysator niet onwerkzaam te maken.
Zuivering uitlaatgassen
Volvo Car Corporation heeft al jarenlang een traditie op het gebied van het milieu. Al in 1970 begonnen wij met de ontwikkeling van schonere motoren en dit resulteerde in een door een Lambda-sonde gestuurde driewegkatalysator. Als eerste autofabrikant leverden wij in 1976 de eerste in serie geproduceerde personenauto's met dit op de volgende pagina beschreven systeem naar de USA.
Het is ook van belang, dat u als autobezitter weet welke componenten van de auto op de inhoud van de uitlaatgassen invloed kunnen hebben en welke maatregelen nodig zijn om de uitstoot van schadelijke
uitlaatgassen te beperken.
Zorg voor het milieu
Wat betreft de zorg voor het milieu zijn er binnen het werkterrein van Volvo veel voorbeelden. Wij gebruiken in onze verwarmings-/ventilatiesystemen een nieuw chloorvrij koelmiddel dat voor de ozonlaag geheel ongevaarlijk is en in zeer beperkte mate aan het brocikaseffect bijdraagt. Asbestloze remmen, motoren met katalysator en rijden op methanol zijn andere voorbeelden van hetgeen wij bij Volvo Car Corporation voor het milieu doen.
Ook onze specifieke diensten zijn voor het milieu van belang, zoals b.v. door originele Volvo onderdelen te gebruiken en het ontstekings- en brandstofsysteem te onderhouden en andere maatregelen om de uitstoot van uitlaatgassen direct te verminderen. Verder willen wij ook de nadruk leggen op de milieuvriendelijkheid van de Volvo-werkplaatsen wat betreft het omgaan met voor het milieu gevaarlijke stoffen, cnz.
Katalytische zuivering uitlaatgassen 9:2
Positieve carterventilatie,
brandstofverdampingssysteem 9:3
Beheersing samenstelling uitlaatgassen 9:4
Katalysator

Lambda-sonde
Katalysator
De katalysator is een uitbreiding van het uitlaatsysteem en dient om de uitlaatgassen te zuiveren.
Hij bestaat voornamelijk uit een huis met een keramisch element dat kanalen bevat waardoor de uitlaatgassen stromen. De wanden van deze kanalen zijn bezet met een dun laagje platina/rhodium. Deze metalen zijn katalysatoren: zij veroorzaken een chemische reactie zonder er zelf aan deel te nemen.
N.B.!
Auto's die met een katalysator zijn uitgerust, mogen alleen op loodvrije benzine rijden, omdat de katalysator anders wordt beschadigd.
(Zie de geadviseerde brandstoffen.)
Lambda-sonde ^TM (zuurstofgehaltegever) Hier is sprake van een regelsysteem dat dient om de uitstoot te verminderen en de brandstof beter te benutten. Een zuurstofgehaltegever bewaakt de samenstelling van de uitlaatgassen die uit de motor komen. De bij de analyse van de uitlaatgassen verkregen meetwaarde wordt ingevoerd in een elektronisch systeem dat de injectoren continu stuurt. De mengverhouding van de brandstof en lucht die naar de motor gaan wordt zodanig continu geregeld, dat er optimale voorwaarden voor de verbranding en met behulp van een driewegkatalysator een doelmatige vermindering van de drie schadelijkste stoffen (koolwaterstoffen, koolmonoxyde en stikstofoxyde) ontstaan.
Beheersing samenstelling uitlaatgassen

Positieve carterventilatie
De carterventilatie verhindert, dat de carterdampen van de motor in de lucht terechtkomen. In plaats daarvan worden deze via de aanzuigbuis in de cilinders gezogen en nemen aan de verbranding deel.
Carterventilatie controleren
De toestand en de mate van verstopping van de slangen moeten volgens het Volvo Onderhouds Programma gecontroleerd worden. Slechte slangen moeten vervangen worden. De geijkte nippel in de aanzuigbuis moet verwijderd en gereinigd worden.
Brandstofverdampingssysteem
Auto's met katalysator hebben een brandstof-verdampingssysteem waardoor de uitstoot van brandstofdampen in de atmosfeer verhinderd wordt. Het systeem bestaat uit een egalisatie-reservoir in de brandstoftank, een kantelklep op de dwarsbalk vlak voor de brandstoftank en een koolstofffilter (bus) met ingebouwde vacuum-klep in de motorruimte bij het luchtfilter.
De verschillende componenten zijn onderling verbonden door slangen waardoorheen de gassen uit de brandstoftank naar het filter stromen. Deze worden daar bewaard, totdat de motor gestart wordt en dan bij gasgeven (niet bij stationair lopen) in het inlaatspruitstuk van de motor gezogen.
Controle uitlaatgassen, service
Voor goede emissiewaarden is dus nodig
... wat betreft onderhoud:
- dat de auto de Garantie-inspectie en regelmatig onderhoud volgens het Volvo Onderhouds Programma krijgt. Wat deze begrippen inhouden wordt op pagina 7:2 en in het Garantie-/Serviceboekje uitgelegd. Geadviscerd wordt om de onderhoudsbeurten te plannen.
... wat betreft motorcomponenten:
- dat de kleppen goed afgesteld zijn.
- dat de motor de juiste smering krijgt. Olie verversen en oliefilter vervangen staan op pagina 7:6.
- dat het koelsysteem goed werkt. Koelvloeistof verversen, de vorstbestendigheid van de koelvloeistof, e.d. staan op pagina 7:10
- dat het uitlaatsysteem niet lekt en in goede staat is.
... wat betreft het brandstofsysteem:
- dat leidingen en aansluitingen heel en dicht zijn.
- dat het brandstof- en luchtfilter niet verstopt zijn.
- dat het koolmonoxydegehalte van de uitlaatgassen binnen toegestane grenzen blijft.
• dat de auto op de juiste benzine rijdt, - dat auto's met katalysator op loodvri je benzine rijden.
... wat betreft het ontstekingssysteem:
- dat de bougies heel zijn en de juiste elektrode-afstand hebben.
| Brandstofverbruik en kooldioxide (CO2) -uitstoot | |||
| Motor | Transm. | Brandstofverbruik 1/100 km | Kooldioxide (CO2)-uitstoot g/km |
| 944-B230FK | Hand. | 10.3 | 244 |
| 944-B239FK | Aut. | 11.0 | 264 |
| 945-B230FK | Hand. | 10.3 | 244 |
| 945-B230FK | Aut. | 11.0 | 264 |
| 944-B230FT | Hand. | 10.5 | 244 |
| 944-B230FT | Aut. | 11.3 | 264 |
| 945-B230FT | Hand. | 10.5 | 244 |
| 945-B230FT | Aut. | 11.3 | 264 |
| 944-B200FT | Hand. | 10.2 | 244 |
| 944-B200FT | Aut. | 10.9 | 259 |
| 945-B200FT | Hand. | 10.2 | 244 |
| 945-B200FT | Aut. | 10.9 | 259 |
Audio
Audio
Op de volgende pagina's vindt u de beschrijving en het audiosysteem* in uw Volvo
RDS 10:2
CR-906 10:3
CT-906 10:18
CD-wisselaar 10:36
Algemene informatie 10:37
Technische specificaties 10:40
* Extra vitrusting
RDS
Radio Data System
De Volvo CR-906 en CT-906 toestellen toestellen zijn ontworpen voor het digitale informaticsysteem RDS (Radio Data Systeem), ontwikkeld door Swedish Telia in samenwerking met de European Broadcasting Union (EBU).
RDS biedt automatische programmering en directe verkeersinformatie, en zorgt voor extra mogelijkheden inzake programmakeuze. Het radiostation zendt informatie uit over het programma. Deze informatie is vervat in een datacode waarin het programma geïdentificeerd wordt, ongeacht de frequentie waarop wordt uitgezonden.
Hierdoor is de bestuurder niet verplicht van frequentie te veranderen als hij naar hetzelfde programma wil blijven luisteren. Elke zender/programma heeft een eigen identificatiecode waar de radio naar kan zoeken.
De radio wordt zo automatisch op een nieuwe frequentie ingesteld tijdens het rijden. De RDS-radio kan ook verkeersinformatie ontvangen. Deze informatie wordt door-gestuurd met een speciaal signaal dat normale radiouitzenden en cassettes/CD's onderbreekt om de informatie, altijd op normaal volume, te laten boren.
In sommige landen wordt ook "PTY" (programmatype) en "EON" (Enhanced Other Network) informatie uitgezonden, die een uit-breiding vormen van het RDS-systeem.
EON zorgt ervoor dat een aantal zenders (met of zonder verkeersinformatic) worden gekoppeld in een netwerk. Als u dus luistert naar een EON-gekoppelde zender zonder verkeersinformatie, krijgt u die informatie toch te horen
vanuit een andere zender in het EON- netwerk.
Verdere functies in het RDS-systeem zijn tijdsturingssignalen, alarmsignalen e.d. Het systeem wordt voortdurend uitgebreid en bestrijkt het grootste deel van West-Europa.
Uw autoradio beantwoordt aan de normen van EG-richtlijn 89/336/EEC. De normen inzake gevoeligheid conform EN 55020 en inzake storingen conform EN 55013 worden nageleefd bij gebruik in woongebieden, bedrijfsruimten en kleinere ondernemingen, zowel binnen als buiten de gebouwen.
Op de volgende pagina's worden werking en gebruik van het Volvo audiosysteem CR-906 beschreven

- • Aan/uit
Volume
• Balansregeling links/rechts (duwen)
• Balansregeling voor/achter (trekken) - Antidiefstal-indicator
-
Regeling lage tonen
-
Regeling hoge toten
- Golfengtekiezer
- Afstemknop
- CD
- Display
-
Voorkeuzeknoppen
-
Autostore
- Programmatype
- Verkeersprogramma
- Cassetterichting
- Cassette-opening
- Uitwerpen cassette
Antidiefstalcode CR-906

Codekaart

Alle toestellen worden geleverd met twee kaarten waarop de correcte code van het toestel staat vermeld. Bewaar deze kaarten niet in de auto.
Antidiefstalcode
De radio is voorzien van een antidiefstalcircuit. Als het toestel uit de auto wordt gehaald of de accuvoeding wordt onderbroken, moet een speciale code worden ingevoerd om het toestel te kunnen gebruiken. Zie het radiokaartje dat bij uw voertuig werd geleverd of viaag uw leverancier de correcte code.
Wanneer de motor wordt uitgeschakeld en de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd, gaat de antidiefstal-indicator knipperen.
Gebruik van de code
- Controleer of de radio correct is aangesloten.
- Schakel het toestel aan. Het display geeft "CODE" weer.
- Voer de code van vier cijfers in met de voorkeuzeknoppen 1-6.
- Als de ingevoerde code niet correct is, wordt "CODE" opnieuw weergegeven. Herhaal punt 3.
OPMERKING: Er zijn drie pogingen tot invoer van de code toegelaten. Daarna wordt het toestel 2 uur lang geblokkerd. Gedurende deze wachttijd van 2 uur moet het toestel aangesloten blijven. Voer de code opnieuw in na deze periode.

A - Aan/uit-schakelaar en volumeregeling
Draai de knop rechtsom voor inschakeling en verhoging van het volume.
B - Golflengtekiezer
Druk knop WB in om de gewenste golflengte kiezen. De ingestelde golflengte wordt afgebeeld: U1, U2, MW of LW.
U=FM
MW=MG
LW=LG
C - Manueel afstemmen
Druk de linkerkant van de afstemknop in om af te stemmen op een lagere frequentie en rechtsom om af te stemmen op een hogere frequentie. Als de knop langer dan 0,9 seconde wordt ingedrukt, wordt de !ZOEK"-functie ingeschakeld.
D - ZOEK-afstemmen
De "ZOEK"-functie kan worden gebruikt aan weerskanten van de afstemknop. Als de knop langer dan 0,9 seconde wordt ingedrukt, gaat de radio automatisch zoeken naar de volgende duidelijk beluisterbare zender, waar hij stopt. Als u wilt blijven zoeken, moet u de afstemknop opnieuw langer dan 0,9 seconden indrukken.
Als de TP of PTY knoppen zijn ingedrukt, zal de "ZOEK"-functie, indien geactiveerd, alleen stoppen bij zenders die deze informatie uitzenden.
Radio CR-906

A - Voorkeuzen instellen
- Kies de gewenste golflengte,
- Druk een voorkeuzeknop in. Het geluid valt weg.
- Houd de knop ingedrukt tot het gehuid weer opkomt (ong. 2 seconden).
- De frequentie is nu opgeslagen en kan opnieuw worden opgeroepen door de betrokken voorkeuzeknop in te drukken. Het gekozen voorkeuzenummer wordt afgebeeld.
Deze functie werkt in alle golflengten! 1. Druk de "AUT"-knop in tot "AUTO MEM A" wordt afgebeeld. De sterkste zenders (max. 8) in de gekozen golflengte zijn nu automatisch opgeslagen in het geheugen. Als er geen hoorbare zenders zijn, wordt "NO STN" afgebeeld.
- Druk de "AUT"-knop nogmaals in gedurende minder dan 0,9 seconde om te luisteren naar een andere automatisch opgeslagen zender. Iedere keer dat u "AUT" indrukt wordt op een nieuwe zender afgestemd.

A - Balans links/rechts
Druk de knop in en draai links- of rechtsom om de balansregeling tussen de luidsprekers links en rechts te regelen.
B - Balansregeling voor/achter
Trek de knop uit en draai links- of rechtsom om de balansregeling tussen de luidsprekers voor en achter te regelen. Druk de knop na het regelen terug in de oorspronkelijke positie.
C - Regeling lage tonen
Druk de knop in. De knop is geveerd. Draai links- of rechtsom om de lage tonen te regelen. Breng de knop na het regelen terug in de oor-spronkelijke positie.
D - Regeling hoge tonen
Druk de knop in. De knop is geveerd. Draai links- of rechtsom om de hoge tonen te regelen. Breng de knop na het regelen terug in de oorspronkelijke positie.
AF-zoekfunctie (automatisch herafstemmen) CR-906

014,0351
AF-zoekfunctie (automatisch herafstemmen)
Als u afstemt op een zender met RDS-code, wordt eerst de frequentie weergegeven en daarna de naam van de zender in letters. Deze AF-zoekfunctie zorgt ervoor dat het toestel automatisch afstemt op de krachtigste zender van het gekozen programma.
Als u wilt blijven luisteren naar een zwakke RDS-zender gaat u als volgt te werk: Druk de WB-knop in gedurende meer dan 0,9 seconde. "AF OFF" wordt afgebeeld gedurende 1 seconde. Als u de AF-zoekfunctie weer wilt inschakelen, herhaalt u deze bewerking. "AF OFF" wordt afgebeeld gedurende 1 seconde.
"AF ON" Automatische zenderopsporing is actief.
"AF OFF" Automatische zenderopsporing is inactief.
"AF" Alternatieve frequentie.

Verkeersprogramma (TP)
Als de TP-knop (Traffic Program) gedurende meer dan 0,9 seconde wordt ingedrukt, kunnen RDS-zenders die verkeersinformatie uitzenden worden opgevangen. "TP" wordt afgebeeld wanneer deze functie wordt ingeschakeld. Wanneer het toestel in cassette of CD-mode is, sternt de radio op de achtergrond automatisch af op een sterke FM-zender met verkeersinformatie. Als een cassette of CD speelt op het moment dat er verkeersinformatie wordt uitgezonden, worden deze onderbroken en kan de informatie op normaal niveau worden beluisterd.
Zelfs als het volume volledig uitgedraaid is, wordt de aankondiging gehoord bij normaal volume. Na de aankondiging keert het toestel terug tot het oorspronkelijk ingestelde volume. De cassette of CD gaan weer spelen.
- De verkeersinformatie onderbreekt alleen wanneer zowel TP als TP afgebeeld worden.
- Zolang alleen TP wordt afgebeeld, zendt de huidige zender geen verkeersinformatie uit.
-
Als u prioritair wilt laten zoeken naar zenders die verkeersinformatie uitzenden, moet u de TP-knop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde. "TP S ON" wordt afgebeeld.
-
Als u wilt blijven luisteren naar een zwakke zender die geen verkeersinformatie uitzendt, moet u de 'TP-knop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde. "TP S OFF" wordt afgebeeld.
- Als u een verkeersaankondiging niet wilt beluisteren, moet u de TP-knop indrukken gedurende minder dan 0,9 seconde.
Programmatypes CR-906

0899.0563
Definities van de termen waarmee de programmatypes worden aangeduid
| Display | Display | Display | |||
| 1. Nieuws | NEWS | 6. Toneel | DRAMA | 11. Rock | ROCK M |
| 2. Actualiteiten | AFFAIRS | 7. Cultour | CULTURE | 12. Lichte muziek | M.O.R.M.* |
| 3. Informatie | INFO | 8. Wetenschap | SCIENCE | 13. Licht klassiek | LIGHT |
| 4. Sport | SPORT | 9. Gevarieerd | VARIED | 14. Ernstig klassiek | CLASSIC |
| 5. Opvoeding | EDUCATE | 10. Pop | POPM | 15. Andere muziek | OTHER M |
De "PTY"-functie maakt het mogelijk om een bepaald programmatype te kiezen. Om een bepaald programmatype te kiezen gaat u als volgt te werk:
- Druk de "PTY"-knop in gedurende minder dan 0,9 seconde. Het afgestemde programma wordt afgebeeld.
- Door de afstemknop telkens gedurende minder dan 0,9 seconde in te drukken schuift u door de verschillende programmatypes.
- Wanneer u het gewenste programmatype hebt gevonden, drukt u de afstemknop of de "PTY"-knop in gedurende meer dan 0,9 seconde om het zoeken naar een programma van het gekozen type te starten. Een asterisk in het display bevestigt uw keuze. Tijdens het zoeken wordt "WAIT" weergegeven.
- Zodra het gewenste programmatype gevonden is, wordt de naam gedurende 5 seconden afgebeeld. Als er geen zender van het gewenste
type gevonden is, wordt "NO PTY" afgebeeld gedurende 5 seconden en keert de radio terug tot de vorige zender.
- Wanneer u door de verschillende programmatypes schuift, kunt u ook kiezen tussen "SPRAAK" en "MUZIEK", "SPRAAK" omvat types 1-9. "MUZIEK" omvat types 10-15.
- Als u altijd snel toegang wenst tot een bepaakl programmatype: Druk "PTY" korter dan 0,9 seconde in. Kies het programmatype. U kunt dit dan opslaan onder een van de voorkeuzeknoppen door deze knop langer dan 0,9 seconde in te drukken.
Wanneer u deze functie wilt gebruiken:
Druk "PTY" korter dan 0,9 seconde in. Druk de voorkeuzeknop in. Het programmatype wordt nu afgebeeld. Druk "PTY" opnieuw korter dan 0,9 seconde in. Een sterretje in het display bevestigt uw keuze.
Prioritaire programmatypes CR-906

DOULIESGA
Programmatypes - prioriteiten
- Als u de "PTY"-knop gedurende meer dan 0,9 seconde indrukt, wordt de Prioritaire mode geselecteerd. In het klein wordt "PTY PRI" afge-beeld.
- "PTY PRIO" wordt afgebeeld gedurende 2 seconden, waarna het huidige programmatype gedurende 2 seconden wordt afgebeeld. Hierna wordt het vorige gekozen programmatype weergegeven gedurende 3 seconden.
- Druk de afstemknop in gedurende meer dan 0,9 seconde om te zoeken naar het gewenste programmatype.
-
Zodra u een programmatype hebt gevonden dat u prioriteit wilt verlenen, moet u de afstemknop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde. Een sterretje in het display bevestigt uw keuze. U kunt prioriteit verlenen aan meer dan één programmatype.
-
Tijdens het opslaan wordt "PTY SET" weergegeven gedurende 2 seconden, waarna de geselecteerde programmatypes elk gedurende 1 seconde worden afgebeeld.
- De radio keert nu terug tot de vorige mode en zoekt een programma van het geselecteerde type via de RDS-informatie. Zodra het geselecteerde programmatype gevonden is, schakelt de radio over op de betrokken zender. Een kleine "P" wordt afgebeeld in de kanaalindicator.
- Als u altijd snel toegang wenst tot een bepaald programmatype: Druk "PTY" minder dan 0,9 seconde in. Kies het programmatype. U kunt dit dan opslaan onder een van de voorkeuzeknoppen door deze knop langer dan 0,9 seconde in te drukken.
Wanneer u deze functie wilt gebruiken: Druk "PTY" langer dan 0,9 seconde in. Druk de voorkeuzeknop in. Het programmatype wordt nu afgebeeld. Druk "PTY" opnieuw minder dan 0,9 seconde in. Een sterretje in het display bevestigt uw keuze.

10311564
- Als u alle geselecteerde prioriteiten wilt wissen, moet u "ALLCLEAR" indrukken en de afstemknop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde.
- Als u één van de geselecteerde prioriteiten wilt wissen, moet u de "PTY"-knop indrukken op het moment dat het geprogrammeerde type wordt afgebeeld op het display. Het sterretje verdwijnt ook.
-
Wanneer u door de verschillende programmatypes schuift, kunt u ook kiezen tussen "SPRAAK" en "MUZIEK", "SPRAAK" omvat types 1-9. "MUZIEK" omvat types 10-15.
-
Net zoals TP-mode onderbreekt ook de Prioritaire mode cassettes en CD's. Als u bijvoorbeeld prioriteit hebt verleend aan Nieuws, zullen de cassette of CD worden onderbroken om het nieuws te kunnen beluisteren.
- Als u een geselecteerd programma niet wilt beluisteren op het moment van de onderbreking, moet u de "PTY"-knop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde.
Cassettedeck CR-906

De cassette wordt ingeschoven met de open kant naar rechts (kant 1 of A van de cassette naar boven). Wanneer de cassette wordt ingebracht, wordt de radio uitgeschakeld en begint de cassette automatisch te spelen. Op het display wordt "TAPE →" of "← TAPE" afgebeeld om aan te geven welke kant van de cassette wordt afgespeeld. Wanneer een kant van de cassette afgespeeld is, schakelt het toestel automatisch over op de andere kant (auto-reverse). De cassette kan ook worden ingebracht of uitgeworpen wanneer het toestel uitgeschakeld is.
B - Omkeren van de cassette (rev)
Druk beide "REV"-knoppen in om de andere kant van de cassette te spelen. De afgespeelde kant van de cassette wordt afgebeeld.
C - Snel spoelen
Druk één van de knoppen in om snel vooruit of achteruit te spoelen. Als u de betrokken knop volledig indrukt, gaat het snel spoelen verder tot het einde van de cassetteband. Vervolgens wordt de andere kant van de cassette gespeeld.

A - Cassette uitwerpen
Druk de cassetteknop in om de cassette te stoppen en uit te werpen. De radio begint automatisch weer te spelen en ontvangt de laatst gekozen zender.
B - Dolby B NR ruisonderdrukkingssysteem
Dit toestel beschikt over het DOLBY B NR ruisonderdrukkingssysteem voor het afspelen van cassettebanden. Het Dolby-systeem is ingeschakeld wanneer het dubbel D symbool wordt afgebeeld in het display. Druk de CD-knop in gedurende meer dan 0,9 seconden om het Dolby ruisonderdrukkingssysteem in/uit te schakelen.
![RDSi E1-SPN ANTI-THEFT WD CD < > VOLVO CR-205 DISC TRACK [ ] 2--06 1 2 3 4 5 6 DISC No. SON/RND C/D A B TP PTY AUT](/content/2026/05/1111209/images/4bff9fb79e8632a8bb257741f35d1ea539ca8f9bd5ba58108b4d1b83b967154a.jpg)
A - CD-keuzeknop
Druk CD in om de CD-mode te activeren. De laatst beluisterde CD/track begint opnieuw te spelen. Als de CD-wisselaar* geen CD's bevat wordt "—" afgebeeld. Als een geselecteerde CD-positie geen CD bevat, worden het CD-nummer en "—" afgebeeld en wordt automatisch de volgende CD geselecteerd.
B - Keuzeknoppen CD-nummer
Druk een van de voorkeuzeknoppen in om het gewenste CD-nummer te kiezen. Het geselecteerde CD-nummer en het track-nummer worden afgebeeld.
* De functies in verband met de CD-wisselaar zijn slechts van toepassing als de Volvo CD-wisselaar is aangesloten op het toestel. Deze wisselaar wordt apart verkocht als extra uitrusting. Als geen CD-wisselaar is aangesloten op het toestel wordt "CD E-EE" afgebeeld ingeval u de CD-mode selecteert.
C - Keuzeknop track-nummer
Druk de afstemknop in gedurende minder dan 0,9 seconde om het gewenste track-nummer te selecteren. Het gekozen track-nummer wordt afgebeeld.
D - Muziek zoeken
Druk de afstemknop in gedurende meer dan 0,9 seconde om binnen de track te zoeken. Tijdens het zoeken kunt u de muziek horen, die aan een hogere snelheid wordt afgespeeld. Tegelijk wordt de totale gespeelde tijd weergegeven.

A - Scankeuze
Druk de AUT-knop in gedurende minder dan 0,9 seconde. Van elke track van elke CD wordt gedurende 10 seconden muziek gespeeld. "SCN" wordt weergegeven.
B - Willekeurige keuze
Druk de AUT-knop in gedurende meer dan 0,9 seconde. Uit een willekeurig gekozen CD worden, evencens willekeurig, 4 tracks gespeeld. Vervolgens wordt op dezelfde manier een nieuwe CD gespeeld. Wanneer deze functie ingeschakeld is, wordt "RND" weergegeven.
C - Om terug te keren tot de vorige mode
Door op de CD-knop te drukken keert u terug tot de laatst gebruikte mode (cassette of radio).
CT-906

- Aan/uit
- Radio
- Keuzetoets verkeersinformatieprogramma
- Keuzetoets programmatype
- Nieuws
- CD
-
CD wisselaar
-
Volume draaien
Pauze drukken - Regeling lage tonen drukken
Regeling hoge tonen drukken en trekken - Balansregeling, links/rechts drukken
Balansregeling, voor/achter drukken en trekken - Display
-
Voorkeuzetoetsen
-
Automatisch programmeren
- Afspelen in willekeurige volgorde
- CD uitwerpen
- Manucel afstemmen
CD muziek zoeken voorwaarts/
achterwaarts
- Afstemmen
CD volgende/vorige track - CD opening

Codekaarten
Alle toestellen worden geleverd met twee kaarten waarop de correcte code van het toestel staat vermeld. Bewaar deze kaarten niet in de auto.
Antidiefstalcode
De radio is voorzien van een antidiefstalcircuit. Als het toestel uit de auto wordt gehaald of de accuvoeding wordt onderbroken, moet een speciale code worden ingevoerd om het toestel te kunnen gebruiken. Zie het radiokaartje dat bij uw voertuig werd geleverd of viaag uw leverancier de correcte code.
Wanneer de motor wordt uitgeschakeld en de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd, gaat de antidiefstal-indicator knipperen.
Gebruik van de code
- Controleer of de radio correct is aangesloten.
- Schakel het toestel aan. Het display geeft "CODE" weer.
- Voer de code van vier cijfers in met de voorkeuzeknoppen 1-6.
- Als de ingevoerde code niet correct is, wordt "CODE" opnieuw weergegeven. Herhaal punt 3.
OPMERKING: Er zijn drie pogingen tot invoer van de code toegelaten. Daarna wordt het toestel 2 uur lang geblokkerd. Gedurende deze wachttijd van 2 uur moet het toestel aangesloten blijven. Voer de code opnieuw in na deze periode.

A - Aan/uit-schakelaar
Druk op de toets om de radio aan/uit te schakelen.
B - Volumeregeling
Draai de knop naar rechts om het geluidsvolume te verhogen. De volumeregelaar is elektronisch en heeft geen cindstand.
C - Keuzetoets golflengte
U kiest de gewenste golflengte door op de "RADIO"-toets te drukken. De zender en de golflengte verschijnen op het display. OPMERKING: Er zijn drie FM-golflengtes en één AM-golflengte. Hierdoor kunt u 3 x 6 FM-zenders en 6 AM-zenders in het geheugen opslaan.
D - Manueel afstemmen
Druk op de linkerkant van de afstemtoets om op lagere frequenties af te stemmen en op de rechterkant om op hogere frequenties af te stemmen. De frequentie waarop u heeft afgestemd, verschijnt op het display.
De letters ST verschijnen op het display als de FM-zender stereo wordt ontvangen.

A - Voorkeuzen instellen
- Kies de gewenste golflengte.
- Druk een voorkeuzeknop in. Het geluid valt weg.
- Houd de knop ingedrukt tot het geluid weer opkomt (ong. 2 seconden).
- De frequentie is nu opgeslagen en kan opnieuw worden opgeroepen door de betrokken voorkeuzeknop in te drukken. Het gekozen voorkeuzenummer wordt afgebeeld.
Deze functie werkt in alle golflengten!
- Druk de "AUTO" knop in tot "AUTO MEMo" wordt afgebeeld. Maximaal 8 zenders in de gekozen golflengte zijn nu automatisch opgeslagen in het Autostore gebeugen.
Als u de knop niet lang genoeg indrukt of als er geen zenders zijn met een voldoende sterk signaal in de gekozen golflengte, verschijnt
"NO STN" op de display.
2. Druk de "AUTO"-knöp nogmaals in gedurende minder dan 0,9 seconde om te luisteren naar een andere automatisch opgeslagen zender:
ledere keer dat u "AUTO" indrukt wordt op een nieuwe zender afgestemd.
Radio CT-906

A - Balans links/rechts
Druk de knop in en draai links- of rechtsom om de balansregeling tussen de luidsprekers links en rechts te regelen.
B - Balansregeling voor/achter
Trek de knop een positie verder uit en draai links of rechtsom om de balansregeling tussen de luidsprekers voor en achter te regelen. Druk de knop na het regelen terug in de oorspronkelijke positie.
C - Regeling lage tonen
Druk de knop in. De knop is geveerd. Draai links- of rechtsom om de lage tonen te regelen. Breng de knop na het regelen terug in de oor-spronkelijke positie.
D - Regeling hoge tonen
Druk de knop in en trek hem dan zo ver mogelijk uit. Draai links of rechtsom om de hoge tonen te regelen. Druk de knop na het regelen terug in de oorspronkelijke positie.
AF-zoekfunctie (automatisch herafstemmen) CT-906

AF-zoekfunctie (automatisch herafstemmen)
Als u afstemt op een zender met RDS-code, wordt eerst de frequentie weergegeven en daarna de naam van de zender in letters. Deze AF-zoekfunctie zorgt ervoor dat het toestel automatisch afstemt op de krachtigste zender van het gekozen programma.
Als u wilt blijven luisteren naar een zwakke RDS-zender gaat u als volgt te werk: Druk de RADIO-knop in gedurende meer dan 0,9 seconde. "AF OFF" wordt afgebeeld gedurende 1 seconde. Als u de AF-zockfunctie weer wilt inschakelen, herhaalt u deze bewerking. "AF OFF" wordt afgebeeld gedurende 1 seconde.
"AF ON" Automatische zenderopsporing is actief.
"AF OFF" Automatische zenderopsporing is inactief.
Verkeersprogramma CT-906

Verkeersprogramma (TP)
Als u de "TP" toets (Traffic Programme) korter dan 0,9 seconde indrukt, vangt het apparaat de RDS zenders op die verkeersinformatie uitzenden. Als deze functie is ingeschakeld, verschijnt de vermelding "TP" op het display. Als het apparaat op CD mode staat, stemt de radio op de achtergrond automatisch af op een sterke FM zender die de verkeersinformatie uitzendt. Als u een CD afspeelt op het moment dat er verkeersinformatie wordt uitgezonden, wordt de CD speler onderbroken en ontvangt u de informatie op het geluidsniveau dat u van tevoren voor het beluisteren van verkeersinformatie heeft ingesteld.
Zelfs als u het geluid helemaal heeft uitgedra- aid, ontvangt u het bericht op het ingestelde geluidsniveau. Als het bericht is afgelopen, schakelt het apparaat automatisch over op het voorgaande geluidsvolume. De CD speler wordt weer ingeschakeld.
- De verkeersinformatie onderbreekt alleen wanneer zowel TP als TP afgebeeld worden.
- Zolang alleen TP wordt afgebeeld, zendt de huidige zender geen verkeersinformatie uit.
-
Als u prioritair wilt laten zoeken naar zenders die verkeersinformatie uitzenden, moet u de TP-knop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde. "TP S-ON" wordt afgebeeld.
-
Als u wilt blijven luisteren naar een zwakke zender die geen verkeersinformatie uitzendt, moet u de TP-knop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde. "TP S OFF" wordt afgebeeld.
- Als u een verkeersaankondiging niet wilt beluisteren, moet u de TP-knop indrukken gedurende minder dan 0,9 seconde.
- Druk langer dan 0,9 seconde op de CHGR-toets als u wilt overschakelen van TP la naar TP lokaal
TA = Verkeersinformatie
TA LA = op lange afstand
TA lokaal = lokale verkeersinformatie

Programmatype
De "PTY"-functie maakt het mogelijk om een bepaald programmatype te kiezen. Om een bepaald programmatype te kiezen gaat u als volgt te werk:
-
Druk de "PTY"-knop in gedurende minder dan 0,9 seconde. Het afgestemde programma wordt afgebeeld.
-
Door de afstemknop telkens gedurende minder dan 0,9 seconde in te drukken schuift u door de verschillende programmatypes.
-
Wanneer u het gewenste programmatype hebt gevonden, drukt u de "PTY"-knop in gedurende meer dan 0,9 seconde om het zoeken naar een programma van het gekozen type te starten. Een asterisk in het display bevestigt uw keuze. Tijdens het zoeken wordt "WAIT" weergegeven.
-
Zodra het gewenste programmatype gevonden is, wordt de naam gedurende 5 seconden afgebeeld. Als er geen zender van het gewenste type gevonden is, wordt "NO PTY" afgebeeld gedurende 5 seconden en keert de radio terug tot de vorige zender.
-
Wanneer u door de verschillende programmatypes schuift, komt u ook kiezen tussen "SPRAAK" en "MUZIEK", "SPRAAK" omvat types 1-9, "MUZIEK" omvat types 10-15.
-
Als u altijd snel toegang wenst tot een bepaald programmatype: Druk "PTY" korter dan 0,9 seconde in. Kies het programmatype. U kunt dit dan opslaan onder een van de voorkeuzeknoppen door deze knop langer dan 0,9 seconde in te drukken.
Wanneer u deze functie wilt gebruiken:
Druk "PTY" korter dan 0,9 seconde in. Druk de voorkeuzeknop in. Het programmatype wordt nu afgebeeld. Druk "PTY" opnieuw korter dan 0,9 seconde in. Een sterretje in het display bevestigt uw keuze.
Programmatypes CT-906

Om de display taal te veranderen
Om de taal op het display te veranderen, zet u de radio uit. Druk voorkeuzetoets 5 in en houd hem ingedrukt terwijl u de radio weer aanzet. U kunt een andere taal kiezen door een van de voorkeuzetoetsen 1, 2, 3 of 4 in te drukken. De nieuwe instelling van de taal wordt na 5 seconden automatisch in het gehengen opgeslagen, maar kan ook worden opgeslagen door voorkeuzetoets 5 in te drukken.
Programmatypes
- Actualiteiten
- Informatie
- Sport
- Opvoeding
- Toneel
- Cultuur
- Wetenschap
- Gevarieerd
- Popmuziek
- Rockmuziek
- Lichte muziek
- Licht klassiek
- Ernstig klassiek
- Andere muziek

A - Nieuws aan/uit
Druk op "NEWS" om de nieuwsfunctie in te schakelen. Er verschijnt een korte tekst met "NEWS" op het display. Druk opnieuw op "NEWS" om de functie uit te schakelen.
Zodra er een nieuwsbericht wordt uitgezonden, worden alle andere functies van het apparaat onderbroken, met inbegrip van de CD speler en de CD wisselaar, zodat u naar het nieuwsbericht kunt luisteren.
Als u de "NEWS"-toets indrukt terwijl er een nieuwsbericht wordt uitgezonden, wordt het programma onderbroken. De nieuwsfunctie blijft echter ingeschakeld en de radio zal het volgende nieuwsbericht afwachten.
Druk korter dan 0,9 seconde op de "NEWS"-toets als u de NEWS-functie wilt negeren wanneer er een nieuwsbericht wordt uitgezonden.
B - Regionale programma's - Aan/uit
Druk de RND-toets in als u naar een regional programma luistert en naar dat specifieke programma wilt blijven luisteren, ook als u in een regio komt waar een ander regional programma wordt uitgezonden. De vermelding "REG ON" verschijnt op het display. Druk dezelfde toets opnieuw in als u niet naar een specifiek regional programma wilt luisteren. Op het display verschijnt de vermelding "REG OFF".
Prioritaire programmatypes CT-906

Programmatypes - prioriteiten
- Als u de "PTY"-knop gedurende meer dan 0,9 seconde indrukt, wordt de Prioritaire mode geselecteerd. In het klein wordt "PTY PRI" afge-beeld.
- "PTY PRIO" wordt afgebeeld gedurende 2 seconden, waarna het huidige programmatype gedurende 2 seconden wordt afgebeeld. Hierna wordt het vorige gekozen programmatype weergegeven gedurende 3 seconden.
- Druk de afstemknop in gedurende meer dan 0,9 seconde om te zoeken naar het gewenste programmatype.
-
Zodra u een programmatype hebt gevonden dat u prioriteit wilt verlenen, moet u de afstemknop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde. Een sterretje in het display bevestigt uw keuze.
-
Tijdens het opslaan wordt "PTY SET" weergegeven gedurende 2 seconden, waarna de geselecteerde programmatypes elk gedurende 1 seconde worden afgebeeld.
- De radio keert nu terug tot de vorige mode en zoekt een programma van het geselecteerde type via de RDS-informatie. Zodra het geselecteerde programmatype gevonden is, schakelt de radio over op de betrokken zender. Een kleine "P" wordt afgebeeld in de kanaalindicator.
- Als u altijd snel toegang wenst tot een bepaald programmatype: Druk "PTY" minder dan 0,9 seconde in. Kies het programmatype. U kunt dit dan opslaan onder een van de voorkeuzeknoppen door deze knop langer dan 0,9 seconde in te drukken.
Wanncer u deze functie wilt gebruiken: Druk "PTY" langer dan 0,9 seconde in. Druk de voorkeuzeknop in. Het programmatype wordt nu afgebeeld. Druk "PTY" opnieuw minder dan 0,9 seconde in. Een sterretje in het display bevestigt uw keuze.
Prioritaire programmatypes CT-906

Programmatypes - prioriteiten
- Net zoals TP mode onderbreekt ook de Prioritaire mode CD's. Als u bijvoorbeeld prioriteit hebt verleend aan Nieuws, zal de CD worden onderbroken om het nieuws te kunnen beluisteren.
- Als u een geselecteerd programma niet wilt beluisteren op het moment van de onderbreking, moet u de "PTY"-knop indrukken gedurende meer dan 0,9 seconde.
CD-speler CT-906

A - CD-opening
Steck een CD in de opening met de bedrukte kant naar boven terwijl het audiosysteem aamstaat. Als u de CD in de speler steekt, wordt de radio uitgeschakeld en begint de CD-speler de CD automatisch af te spelen. Ook als het apparaat is uitgeschakeld, kunt u er een CD insteken of uithalen.
Als er een CD in de speler zit, is het "DISC IN"-lampje altijd AAN, zelfs als de radio, de CD-wisselaar in gebruik zijn.
B - Keuzetoets CD-mode
Druk op "CD" om de CD-mode in te schakelen. De track die het laatst werd beluisterd, wordt verder afgespeeld. Als de CD-speler leeg is, verschijnt de aanduiding "NO CD" op het display.
C - CD uitwerpen
Als de toets wordt ingedrukt, stopt de CD-speler en wordt de CD uit de speler geworpen. De radio wordt automatisch ingeschakeld. De radio of de CD-wisselaar beginnen automatisch te spelen (afhankelijk van welke mode er was ingeschakeld voordat de CD werd afgespeeld).
OPMERKING: Als de CD niet wordt weggehaald binnen 12 seconden nadat de CD-uitwerptoets is ingedrukt, trekt de speler de CD weer in.

A - Muziek zoeken
Druk op de "←" of de "→" toets om te zoeken binnen dezelfde track. Zolang u de toets indrukt, verschijnt de speelduur van de desbetreffende track op het display.
B - Een andere track selecteren
Druk op "→|" om de volgende track te selecteren en op "|←" om de vorige track te selecteren. Het nummer van de gekozen track verschijnen op het display.
C - Weergave speelduur
Als u op de "CD"-toets drukt, verschijnt de speelduur van de track die wordt afgespeeld gedurende 5 seconden op het display.
CD-wisselaar CT-906

A - Willekeurige volgorde
Druk op "RND" om de mode voor afspelen in een willekeurige volgorde in te schakelen. De tracks van de CD worden in willekeurige volgorde afgespeeld.
Als deze functie is ingeschakekl, verschijmt de vermelding "RND" op het display.
B - Pauze
Als u op de "volume"-knop drukt, stopt de CD-speler, het geluid valt weg en het woord "PAUSE" verschijnt op het display. Druk opnieuw op de knop om de CD-speler verder te laten spelen.
C - Terug naar radiomode
Druk op de "RADIO"-toets.
D - Terug naar CD-mode
Als de CD-functie is uitgeschakeld en er nog een CD in de speler zit, kunt u naar de CD-mode teruggaan door op de "CD"-toets te drukken.
E - Terug naar CD- wisselaarmode
Als de CD-wisselaarfunctie is uitgeschakeld, kunt u naar de CD-wisselaarmode teruggaan door op de "CHGR"-toets te drukken.

A - Keuzetoets CD-wisselaarmode
Druk op de "CHGR"-toets om de CD-wisselaarmode in te schakelen. De CD/track waarnaar u het laatst hebt geluisterd, wordt verder afgespeeld. Als de cassette* van de CD-wisselaar leeg is, verschijnt "CD - - - ." op het display. Als u een CD-plaats selecteert die leeg is, worden het nummer van de CD en "CD 5 - 00" op het display vermeld en selecteert het apparaat automatisch de volgende CD.
B - Keuzetoets CD-nummer
Druk een van de voorkeuzetoetsen (1-6) in om het gewenste CD-nummer te selecteren. De nummers van de geselecteerde CD en de gekozen track verschijnen op het display.
C - Muziek zoeken
Druk op de "←" of de "→" toets om te zoeken binnen een track. Zolang u de toets indrukt, wordt de speelduur van de track op het display aangegeven.
CD-wisselaar CT-906

A - Een andere track selecteren
Druk op "→|" om de volgende track te selecteren en op " |←" om de vorige track te selecteren. De nummers van de geselecteerde CD en de gekozen track verschijnen op het display.
B - Weergave speelduur
Als u op de "CHGR"-toets drukt, verschijnt de speelduur van de track die wordt afgespeeld gedurende 5 seconden op het display.

A - Willekeurige volgorde
Druk op "RND" om de mode voor afspelen in een willekeurige volgorde in te schakelen. Van een willekeurig gekozen CD worden 4 tracks afgespeeld (ook willekeurig gekozen). Vervolgens wordt op dezelfde manier een andere CD afgespeeld. Als deze functie is ingeschakeld, verschijnt de vermelding "RND" op het display.
B - Pauze
Als u op de "volume"-knop drukt, stopt de CD-speler, valt het geluid weg en verschijnt het woord "PAUSE" op het display. Druk opnieuw op de knop om de CD-speler verder te laten spelen.
C - Terug naar radiomode
Druk op de "RADIO"-toets.
D - Terug naar CD-mode
Als de CD-functie is uitgeschakeld en er nog een CD in de speler zit, kunt u naar de CD-mode teruggaan door op de "CD"-toets te drukken.
E - Terug naar CD- wisselaarmode
Als de CD-wisselaarfunctie is uitgeschakeld, kunt u naar de CD-wisselaarmode teruggaan door op de "CHGR"-toets te drukken.
CD-speler, CD-wisselaar

CD-speler, CD-wisselaar
De CD-wisselaar, die verkrijgbaar is als extra uitrusting, wordt geladen met een cassette die 6 CD's bevat. Bij uw Volvo-dealer zijn extra cassettes verkrijgbaar.
Schuif de CD's in de cassette met de labelkant naar boven. Breng de cassette in de wisselaar en sluit het deksel. Werp de cassette uit door de Eject-knop in te drukken. Verwijder de CD's door de grendelpallen in te drukken.
De cassette kan ook worden ingeschoven of uitgeworpen wanneer het toestel uitgeschakeld is.
Gebruiksaanwijzingen
Voor u een nieuwe CD voor het eerst gebruikt moet u eventuele bramen in het midden en aan de rand verwijderen, bijv. met de schacht van een pen of iets dergelijks.
Gebruik alleen kwaliteits-CD's.
Houd de CD's schoon, Reinig ze met een zachte, schone, pluisvrije doek, waarbij u vanuit het midden naar de rand wrijft.
Bevochtig de dock indien nodig met een neutrale zeepoplossing. Droog grondig alvorens te gebruiken.
Gebruik in geen geval een reinigingsspray of een anti-statische oplossing. Gebruik alleen een reinigingsmiddel dat speciaal voor CD's is bedoeld.
Gebruik alleen CD's van het juiste formaat (plaats geen 3"-CD's in de CD-wisselaar). Breng geen kleefband of labels aan op de CD zelf.
In koude winteromstandigheden kan zich condensatie afzetten op de CD's of het optisch systeem. De CD kan worden gedroogd met een schone, pluisvrije doek. Het kan echter tot een uur duren voor het optisch systeem in de CD-wisselaar droog is.
Probeer nooit om een CD af te spelen die op welke manier ook beschadigd is.
Wanneer ze niet gebruikt worden, moeten de CD's worden bewaard in hun hoezen. Bewaar ze niet in te grote hitte, direct zonlicht of stoffige omgevingen.
Algemene informatie


De M- en L(AM)-radiogolven volgen de ronding van de aarde en worden in de atmosfeer weerkaatst. Hierdoor hebben deze radiogolven een grote draagwijdte.
FM-radiogolven (U-golven) kunnen de ronding van de aarde niet volgen en worden niet teruggekaatst in de atmosfeer. Hierdoor is de draagwijdte van FM-golven beperkt.
Zwakke ontvangst (fading)
Door de beperkte draagwijdte van de FM-zenders en gevoeligheid van FM-golven voor weerkaatsing kan het voorkomen, dat de FM-ontvangst in bepaalde gebieden zwak is. Als de golven worden geblokkeerd door bergen of gebouwen kan bovendien storing optreden.
Storing
De reden waarom FM-golven wel en L/M-golven niet kunnen worden ontvangen in parkeergarages, onder bruggen e.d. is dat FM-golven worden weerkaatst door grote objecten zoals gebouwen. Omdat de FM-golven zo gemakkelijk worden weerkaatst, kan multipath-storing optreden. Deze storing ontstaat wanneer een weerkaatst signaal en een direct signaal de radio-antenne vlak na elkaar bereiken. Dat veroorzaakt vervolgens totale opheffing van a lle signalen. Dit probleem doet zich voornamelijk voor in een dichtbebouwde omgeving.
Interferentie, FM(U)-oorzaken van storing AM(M/L)-oorzaken van storing

Interferentie van zenders treedt op wanneer u naar een zwakke zender luistert terwijl er een sterkere zender in de buurt is. Beide zenders worden tegelijk ontvangen en zo kan vervorming van het signaal optreden.

FM (U) - Oorzaken van storing
FM-golven kunnen worden gestoord door de elektrische systemen van andere voertuigen, in het bijzonder als deze niet zijn voorzien van een ontstoringssysteem. De storing wordt versterkt wanneer de zender zwak is of niet goed is afgestemd. FM-ontvangst is in dit opzicht minder gevoelig voor elektrische storing dan AM (M/L).

AM (M/L) - Oorzaken van storing
M/L-ontvangst is gevoelig voor elektrische storingsbronnen zoals hoogspanningsleidingen, bliksem e.d.
Stereo-ontvangst (FM)
Stereo-ontvangst stelt zeer hoge cisen aan de kwaliteit van het radiosignaal. Dit betekent dat de hiervoor beschreven storingen bij stereo-ontvangst nog sneller zullen optreden. Voor goede stereo-ontvangst is een sterker signaal vereist. Dit beperkt echter tevens de draag-wijdte van de zender.
Wij hopen, dat deze informatie zal bijdragen tot een beter begrip van de problemen die kunnen optreden bij radio-ontvangst in auto's. De omstandigheden voor goede ontvangst zijn niet altijd optimaal en liggen helaas buiten onze macht. Echter, de kwaliteit van de Volvo-audiosystemen is zodanig dat u onder alle om-standigheden verzekerd bent van de best mogelijke ontvangst.
Radioantenne
N. B! Schuif de antenne altijd volledig in als u gebruik maakt van een autowasinstallatie of wanneer u een garage binnenrijdt. De antenne dient elke 8000 km (of vaker indien nodig) te worden schoongemaakt. Gebruik biervoor WD40 of 5.56.
Spuit de antenne in met WD40 of 5.56, veeg deze schoon en droog met een doek. Spuit de antenne nogmaals in. Schuif de antenne in en uit, veeg deze weer schoon en droog. Herhaal dit 4 tot 6 maal. Zorg ervoor dat de antenne altijd vrij is van vuil en/of reinigingsmiddel.
Radioantenne, 5-deurs model (sommige landen)
De radioantenne bevindt zich bij het linkerraam van de bagageruimte. Als uw auto in de fabriek is uitgerust met een audio-systeem is deze antenne voorzien van een antenneversterker. N.B! De antenne werkt niet zonder de versterker.
Zorg ervoor dat de antennedraden aan de binnenkant van het raam niet kunnen worden beschadigd door de vervoerde voorwerpen. Zorg er ook voor dat u bij het reinigen van de ramen de draden niet beschadigt, bijv. met ringen. Als ze beschadigd raken zal de radio-ontvangst achteruit gaan.
Cassettes
Bewaar cassettes altijd in hun doosje of in het speciale Volvo-cassettevak, dat als Volvo-accessoire verkrijgbaar is. Raak het bandoppervlak niet aan. Cassettes nooit blootstellen aan direct zonlicht of extreme temperaturen. Vermijd contact van cassettes met olie, vet of andere verontreinigingen. Het gebruik van C-120-cassettes wordt afgeraden. Voordat u de cassette gebruikt, eventuele speling van een te los opgewonden band opheffen door de band met een pen of potlood strak te trekken.
Reinigingscassette
Voor het reinigen van de weergavekoppen bevelen wij de Volvo-reinigingscassette aan. Deze is verkrijgbaar als origincel Volvo-accessoire. Regelmatig gebruik van de reinigingscassette verbetert de weergave, reinigt de vitale onderlelen en voorkomt vastlopen van de band.
Technische specificaties
CR-906
Het audiosysteem CR-906 van Volvo is een microprocessorgestuurde radio met PLL (Phase Lock Loop), ontworpen voor het Radio Data System (RDS). De radio is uitgerust met een interne 4 x 20 W versterker voor de portierluidsprekers. De dashboardluidsprekers zijn via een interne filter aangesloten op de versterker van de voorportierluidsprekers.
Opmerking: Gebruik alleen de hoge-tonenluidsprekers van Volvo voor het dashboard.
Radio
| Uitgangsvermogen: | 4 x 20 W (10 % vervorming) |
| Uitgangsimpedantic: | 4 Ohm |
| Spanning: | 12 V, negatieve massa |
| Zekering: | 10 A |
| Frequentiebereik: | U (FM) 87,5 - 108 MHzM (MG) 522 - 1611 kHzL (LG) 153 - 281 kHz |
Gevoeligheid:
U (FM) 1.5 μV
M (MG) 6.5 μV
L (LG) 30.0 μV
Cassettedeck
| Bandsnelheid: | 4,76 cm/sec |
| Pinch-off: | |
| Kanaalscheiding: | 40 dB |
| Frequentiebereik: | 30 - 15.0000 Hz |
| S/R-verhoudinng (120μs): | 50 dB |
| Wow en flutter: | <0.08% |
Alarm
"Alarm" wordt afgebeeld wanneer een Alarm-bericht wordt uitgezonden. Deze functie maakt de bestuurders attent op ernstige ongevallen of rampen, zoals een ongeval in een kerncentrale, een neergestorte brug e.d.
Dolby ruisonderdrukking geproduceerd onder licentie van Dolby Laboratories Licensing Corporation. Dolby en het dubbel D symbool zijn handelsmerken van Dolby Laboratories Licensing Corporation.
Technische specificaties
CT-906
Het audiosysteem CT-906 van Volvo is een microprocessorgestuurde radio met PLL (Phase Lock Loop), ontworpen voor het Radio Data Systeem (RDS). De radio is uitgerust met een interne 4 x 25 W versterker voor de portierluidsprekers. De dashboardluidsprekers zijn via een interne filter aangesloten op de versterker van de voorportierluidsprekers.
Opmerking: Gebruik alleen de hoge-tonenluidsprekers van Volvo voor het dashboard.
Radio
| Uitgangsvermogen: | 4 x 25 W (10 % vervorming) |
| Impedantie: | 4 Ohm |
| Spanning: | 12 V, negatieve massa |
| Zekering: | 10 A |
| Frequentiebereik: | U (FM) 87,5 - 108 MHzM (MG) 522 - 1611 kHzL (AM) 153 - 279 kHz |
| Gevoeligheid: | U (FM) 1,1 μVM (MG) 20 μVL (AM) 35 μV |
| S/N | 50 dB |
Alarm
"Alarm" wordt afgebeeld wanneer een Alarm-bericht wordt uitgezonden. Deze functie maakt de bestuurders attent op ernstige ongevallen of rampen, zoals een ongeval in een kerncentrale, een neergestorte brug e.d.
Alfabetische trefwoordenlijst
| Aandrijfriem | 7:11 |
| Aanhanger, rijden met | 3:15 |
| Aanslepen | 3:11 |
| ABS-systeem | 3:14 |
| Accu | 7:3, 7:11 |
| Achterasolie | 8:4 |
| Achterbank, op-/neerklappen | 2:18 |
| Achterklep | 2:3 |
| Achterlicht, gloeilamp vervangen | 5:11 |
| Achterruit, elektrische verwarming | 1:9 |
| Achterruitwisser/-sprocier, gebruik wisserblad vervangen | 1:97:13 |
| Achteruitkijkspiegels | 2:10 |
| Achteruitrijlichten, gloeilampen vervangen | 5:11 |
| Achteruitvergrendeling | 3:5 |
| Aftapkraan koelyloeistof | 7:10 |
| Aftapplug motorolie | 7:6 |
| Afwateringsgaten | 6:6 |
| Airbag(SRS-systeem) | 2:26 |
| Airconditioning | 1:16 |
| Alarm | 2:6 |
| Als er iets gebeurt | 5:1 |
| Anti-vries | 7:10 |
| Anti-verblindingshendel | 1:6 |
| Armleuning | 2:10 |
| Asbakjes | 1:1 |
| Auto omhoogbrengen | 7:3 |
| Autogordels | 2:20 |
| Automatisch wassen | 6:7 |
| Automatische versnellingsbak, rijden met | 3:6 |
| olie controleren/verversen | 7:5 |
| Bagage, imperiaal | 3:17 |
| Bagageruimte | 2:14 |
| Bagageruimteverlichting,gloeilamp vervangen | 2:145:14 |
| Banden | 4:1 |
| Bandenslijtage | 4:2 |
| Bandenspanning | 4:3 |
| Bedrijfsstoringen | 5:2 |
| Bekleding reinigen | 6:8 |
| Bestuurdersstoel | 2:8 |
| Binnenspiegel | 2:10 |
| Binnenverlichting, gebruikgloeilamp vervangen | 2:115:15 |
| Blaasmonden | 1:1 |
| Blokkeerinrichting,keuzehendel (ZF, AW) | 3:7 |
| Bougies | 8:7 |
| Brandstof (loodvrij) tanken | 3:2 |
| Brandstof, zuinig zijn met | 3:3 |
| Brandstofmeter | 1:2 |
| Brandstofspecificaties | 8:4 |
| Brandstofverdampingssysteem | 9:3 |
| Brandstofverbruik en kooldioxide (CO2)-uitstoot | 9:4 |
| Buitenspiegels | 2:10 |
| Caravan, rijden met | 3:15 |
| Carrosserie-onderhoud | 6:1 |
| Carrosseriesmering | 7:9 |
| Carterventilatie | 9:3 |
| Centrale vergrendeling | 2:2 |
| Chassisnummer | 8:2 |
| Controlelampjes | 1:3 |
| Dagteller | 1:2 |
| Defroster | 1:14 |
| Draaicirkel | 8:3 |
| Dynamo | 8:6 |
| Elektrisch bediende raammechanismen | 1:12 |
| Elektrisch verstelbare voorstoel | 2:8 |
| Elektrisch verwarmde achterruit | 1:9 |
| Elektrisch verwarmde stoelen | 1:10 |
| Elektrische installatie, gegevens | 8:6 |
| Elektronische startondebreker | 2:2, 3:4, 5:2 |
| Elektrolyt accu | 8:6 |
| Expansietank koelsysteem | 7:10 |
| Frisse -luchtinlaat | 1:1 |
| Garagekrik | 7:3 |
| Garantie | 7:2 |
| Garantie-inspectie | 7:2 |
| Gegevens, technische | 8:1 |
| Gereedschap | 2:14 |
| Gewichten | 8:3 |
| Gloeilampen, overzicht | 8:6 |
| vervangen | 5:8 |
| Glycol | 7:10 |
| Gordelspanners, mechanische | 2:17 |
| Grootlichtsignaal, knipperen | 1:6 |
| Handrem | 1:11 |
| Hoeklicht, gloeilamp vervangen | 5:9 |
| Hoogteverstelling voorstoelen | 2:8 |
| Houder voor parkeerbiljetten | 2:8 |
| Hulpstartaccu | 3:12 |
| Identificatie, type-plaatjes | 8:2 |
| Imperiaal | 3:17 |
| In de was zetten | 6:7 |
| Inhoudsgegevens | 8:3 |
Inrijden 3:2
Installatie van accessoires 7:14
Instrumenten 1:2
Instrumenten en bediciening 1:1
Instrumentenpanel 1:2
Instrumentenverlichting 1:8
Interieuronderdelen 2:1
Katalysator 9:2
Kentekenplaatverlichting, gloeilamp vervangen 5:15
Keuzehendel automaat 3:6
Kick-down 3:7
Kilometerteller 1:2
Kinderen, veiligheid 2:22
Kinderen in de auto 2:22
Kinderveiligheidssloten 2:3
Kinderzitje 2:22
Klepspeling 8:7
Klokje 1:2
Knipperlichten, gebruik 1:6 gloeilamp vervangen 5:9
Koelsysteem 7:10
Koelyloeistof 7:10
Koelvloeistofpeil controleren 7:10
Koelvloeistoftemperatuur 1:2
Kofferdeksel 2:3
Kogeldruk, rijden met caravan 3:15
Koplampen, gloeilamp vervangen 5:8 schakelaar 1:6
Koplampwissers/-sproeiers, gebruik 1:7 wisserblad vervangen 7:13
Koppeling 8:5
Krik, gebruik 5:7
Kriksteunen 7:3
Laadruimte 5-deurs model 8:3
Laden 8:3
Lading verankeren 2:32
Lakklcurcode 6:4
Lak bijwerken 6:4
Lambda-sonde 9:2
Lampen, gegevens 8:6 vervangen 5:8
Lange lading 2:15
Lange reizen, voorzorgsmaatregelen 3:19
Leeslampjes, gebruik 2:11 gloeilamp vervangen 5:15
Lekke band 5:6
Lendesteun voorstoelen 2:8
Lengteverstelling voorstoelen 2:8
Lichtbediening 1:6
Lichtsignaal 1:6
Lokaliseren van storingen 5:2
Maten en gewichten 8:3
Matten reinigen 6:8
Maximumbelasting 8:3
Mistachterlamp(en), gebruik 1:8
Mistlampen 1:8
Motor, gegevens 8:7 oliepeil controleren 7:6
Motorkap openen 2:13
Motornummer 8:2
Motorolie, controleren/verversen 7:6
Motorruimte 7:4
Nummerplaatje sleutels 2:2
Octaangetal 8:4
Olie verversen motor 7:6
Oliedruk 1:3
Oliefilter 7:6
Oliën en vlocistoffen 8:4
Oliepeil controleren, automatische versnellingsbak 7:5 motor 7:6
Omhoogbrengen auto 7:3
Onbalans in wielen 4:2
Onderhoud 7:1
Onderstelbehandeling 6:3
Opbergplaatsen 2:12
Opkrikken auto 7:3
Overbrengingsverhouding, achteras 8:5 versnellingsbak 8:5
Parkeerlichten, gebruik 1:6 gloeilamp vervangen 5:11
Parkeerrem 1:11
Peilstok motorolie 7:6
Plafondverlichting, glocilamp vervangen 5:15
Poetsen 6:7
Portier waarschuwingslamp. 2:11 gloeilamp vervangen 5:12
Portieren 2:2
Portierschakelaar 2:11
| Raammechanismen, elektrisch bediend | 1:12 |
| Reinigen | 6:6 |
| Remlicht, gloeilamp vervangen | 5:11 |
| Remmen | 3:13 |
| Remvloeistof | 7:8 |
| Reservewiel, beschrijving gebruik | 2:174:4 |
| Richtingaanwijzers, gebruik gloeilamp vervangen | 1:65:9 |
| Rijden met aanhanger/caravan imperiaal | 3:15 |
| 3:17 | |
| Rij-eigenschappen | 3:9 |
| Rij-instructies | 3:1 |
| Roestwerende behandeling | 6:2 |
| Rolgordels | 2:20 |
| Rugleuning verstellen | 2:8 |
| Ruitewisserblad vervangen | 7:13 |
| Ruitewissers/-sproeiers | 1:7 |
| Ruitesproeiers afstellen | 7:12 |
| Samenstelling uitlaatgassen | 9:3 |
| Schakelen, autom. versn. bak handschakeling | 3:63:5 |
| Schuifdak | 1:9 |
| Sigareaansteker | 1:11 |
| Sleepogen | 3:11 |
| Slepen | 3:11 |
| Sleutels | 2:2 |
| Sloten | 2:2, 2:16 |
| Slijtageprofiel | 4:2 |
| Smeermiddelen | 8:4 |
| Smering carrosserie | 7:9 |
| Sneeuwkettingen | 4:2 |
| Snelheidsmeter | 1:2 |
| 10:48 |
| Speciale velgen | 4:2 |
| Specificaties | 8:1 |
| Spiegels | 2:6 |
| Spijkerbanden | 4:2 |
| Sproeikoppen afstellen | 7:12 |
| Sproeivlocistofreservoir | 7:12 |
| Starten en reijden | 3:1 |
| Starten met hulpstartaccu/kabels | 3:12 |
| Starten | 3:4 |
| Startsleutel | 1:7 |
| Steenslag plekken | 6:4 |
| Stoelen | 1:10 |
| Stuurbekrachtigingsvlocistof | 7:8 |
| Stuureigenschappen | 3:9 |
| Stuurinrichting, gegevens | 8:5 |
| Stuurslot | 1:7 |
| Tankdop | 3:2 |
| Technische gegevens | 8:1 |
| Temperatuurmeter | 1:2 |
| Toerenteller | 1:2 |
| Transmissie, gegevens | 8:5 |
| Trekhaak | 3:15 |
| Type-aanduidingen | 8:2 |
| Uitschakelen 4e versn. (AW) | 3:7 |
| Veiligheidsgordels | 2:20 |
| Veiligheidsvergrendeling, achterklep | 2:3 |
| Ventilatorriemen | 7:11 |
| Verlichting, gebruik | 1:8 |
| Versnellingsbak handgeschakeld, standen | 3:5 |
| Versnellingsbak, gegevens | 8:5 |
| Versnellingsbakolie | 8:4 |
| Versnellingshendel handschakeling | 3:5 |
| Verwarming en ventilatie | 1:13 |
| Vlekken verwijderen | 6:8 |
| Voetrem | 3:13 |
| Voorstoelen | 1:10 |
| Voorwieluitlijning | 8:5 |
| Voorzorgsmaatregelen | 3:17 |
| Waarschuwingsknipperlichten,gebruik | 1:6 |
| gloeilamp vervangen | 5:9 |
| Waarschuwingslamp portier,gloeilamp vervangen | 5:12 |
| Waarschuwingslampje defect remeircuil | 1:4 |
| Waarschuwingslampjes | 1:3 |
| Waarschuwingsprofielbandenslijtage | 4:2 |
| Wasautomaat | 6:7 |
| Wassen | 6:6 |
| Wiel verwisselen | 4:4 |
| Wielbalans | 4:2 |
| Wielen en bunden | 4:1 |
| Winterbanden | 4:2 |
| Wintertijd, voorzorgsmaatregelen | 3:14 |
| Wisselstroomdynamo | 8:6 |
| Wisserblad vervangen | 7:13 |
| Zekering vervangen | 5:3 |
| Zekering | 5:4 |
| Zelf werken aan de auto | 7:3 |
| Zijknipperlicht,gloeilamp vervangen | 5:12 |
| Zitting verwijderen | 2:19 |
| Zittingen | 2:8 |
| Zuivering uitlaatgassen | 9:2 |
| Zuinig rijden | 3:3 |
Reinigings- en oplosmiddelen
Gebruik als reinigings- of oplosmiddel geen benzine die lood of benzeen bevat. Lood of benzeen kunnen in bepaalde gevallen hoofdpijn, een gevoel van onwelzijn, e.d. veroorzaken. Bij hoge concentraties kunnen deze stoffen ook de bloedvormende organen van het lichaam beschadigen.
Installatie van accessoires
Het verkeerd aansluiten of installeren van accessoires, zoals autotelefoons b.v., kan storingen in de elektronische installaties van de auto veroorzaken.
Necm, voordat u accessoires installeert, eerst contact met uw Volvo-dealer op voor adviezen over de juiste manier van installeren.
Denk eraan, dat het gebruik van draaghare mobilofoons in de auto ook invloed op de elektronika van de auto kan hebben.
Het volgende dient u regelmatig te controleren:
Het vloeistofreservoir voor de ruite- en koplampsproeiers moet altijd goed gevuld zijn (in de winter met water en anti-vrics).
Het koelvlocistofpeil moet tussen MAX en MIN op de expansietank liggen.

Het oliepeil moet tussen de streepjes op de peilstok liggen. Veeg vóór elke oliepeilcontrole de peilstok af. De afstand tussen de merkstreepjes komt met ca 1 liter olie overcen.
Controleer zonder de dop te verwijderen of het remvloeistofpeil (en koppelingsvloeistofpeil bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak) boven het MIN-merkteken staat. Vul, indien nodig, remvloeistof DOT 4+ bij.
VOLVO
Volvo Car Corporation
Göteborg, Sweden
Bandenspanning, koude banden, in kPa (psi)

4-deurs 190 (28) 190 (28) 5-deurs 190 (28) 210 (30)

4-deurs 210 (30) 260 (38) 5-deurs 210 (30) 280 (41)
Gloeilampen