760 GLE TDI (1984) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 760 GLE TDI (1984) VOLVO in PDF-formaat.
| Type product | Personenauto |
| Merk | Volvo |
| Model | 760 GLE TDI |
| Bouwjaar | 1984 |
| Brandstof | Diesel (Turbodiesel) |
| Motorinhoud | 2.4 liter (2383 cc) |
| Vermogen | 85 kW (115 pk) bij 4800 tpm |
| Koppel | 220 Nm bij 2400 tpm |
| Transmissie | Handgeschakeld, 5 versnellingen |
| Aandrijving | Voorwielen |
| Lengte | 480 cm |
| Breedte | 176 cm |
| Hoogte | 141 cm |
| Wielbasis | 277 cm |
| Leeggewicht | 1350 kg |
| Maximaal gewicht | 1830 kg |
| Laadvolume | 4 personen + bagage |
| Brandstoftank | 70 liter |
| Bandenspanning voor | 2.2 bar (32 psi) |
| Bandenspanning achter | 2.4 bar (35 psi) |
| Onderhoudsinterval | Elke 10.000 km of 1 jaar |
| Oliecapaciteit | 5,5 liter (inclusief filter) |
| Koelvloeistof | 8,5 liter |
Veelgestelde vragen - 760 GLE TDI (1984) VOLVO
Gebruikersvragen over 760 GLE TDI (1984) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 760 GLE TDI (1984) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 760 GLE TDI (1984) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 760 GLE TDI (1984) VOLVO
Achter in deze handleiding is een alfabetische inhoudsopgave.
Presentatie van de auto 2
Instrumenten en bediening 4
Interieur, portieren en kofferdeksel/achterklep 25
Starten en rijden 38
Wielen en banden 53
Als er iets gebeurt 56
Carrosserie-onderhoud 71
Service en periodiek onderhoud 79
Specifications 94
Alfabetische inhoudsopgave 106
Presentatie

Deze handleiding gaat over het rijden met en het onderhouden van uw Volvo 760 GLE Turbo Diesel
Denk eraan, dat er tussen de verschillende modelvarianten en tussen verschillende landen detailverschillen kunnen bestaan. Daarom kunnen in deze handleiding componenten worden beschreven die bij bepaalde varianten tot de extra uitrusting of accessoires behoren.
Als u belangstelling voor uitvoeriger beschrijvingen van de constructie van de auto, service, afstellingen en reparaties heeft, raden wij u onze Servicehandboeken aan, dus dezelfde boeken die in de Volvo-garages worden gebruikt. U kunt deze bij uw Volvo-dealer bestellen!
Bij verhuizen naar een ander land moet u zich op de hoogte stellen v de daar geldende bepalingen voor de import en registratie van auto De wettelijke bepalingen kunnen van land tot land aanzienlijk verschlen, waardoor het duur kan worden om uw auto aan te passen.
Wij verzoeken u om deze handleiding in de auto achter te laten, als van auto verandert. Dan kan de volgende eigenaar ook over het rijd met en het onderhouden van de auto lezen.
De specificaties, constructiegegevens en illustraties die in de har leiding staan, zijn niet bindend. Wij behouden ons het recht voor zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten van de auto.

Dubbelsleutel (,,garagesleutel")
Voorportieren Start-/stuurslot
Nummerplaatje

Schrijf het nummer van de sleutels op in een notitieboekje of op een stukje papier dat u in uw portemonnee, portefeuille of handtasje kunt bewaren.
Het nummer van de sleutels staat ook op het afzonderlijke nummerplaatje dat bij de sleutels zit. Verwijder het nummerplaatje van de sleutelhanger zodat niemand het nummer kan overschrijven als u b.v. de sleutels zou verliezen en leg of kleef het vast – aan de achterkant van het nummerplaatje zit zelfklevende tape op een veilige plaats. Als u een sleutel verliest, kun u een nieuwe bestellen bij een Volvo-dealer.
Een nauwkeurige beschrijving van de werking van de centrale vergrendeling staat op pagina 32 en 33.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Instrumenten, schakelaars en bediening
Beschreven op pagina
1 Blaasmond 19
- Koplampen en parkeerlichten ..... 14
3 Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht- schakelaar en grootlichtsignaal 11
† Waarschuwingsknipperlichten ..... 11
5 Instrumentenpaneel 6-9
3 Ruitewissers/-sproeiers en koplampwissers/-sproeiers .... 12
7 Blaasmonden 19
3 Verwarming en ventilatie 19-23
3 Plaats voor radio
) Sigare-aansteker 17
| Asbakje 17
? Elektr. verwarming passagiersstoel ... 16
3 Handrem (parkeerrem) 17
1 Motorkapsluiting 35
; Elektrisch bediende raammechanismen 18 en elektrisch bediende buitenspiegels 26
; Frisse-luchtinlaat 19
' Mistachterlamp 15
} Mistlampen of verstralers 15
) Plaats voor accessoires ....
) Plaats voor accessoires ..... Blaasmond .... 19
! Start-/stuurslot 10
Beschreven op pagina
23 Elektrisch bediend schuifdak 27
24 Elektrische achterruitverwarming ..... 16
25 Claxons
26 Plaats voor accessoires ....
Op pagina 6–24 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedieningsorganen nauwkeurig beschreven.
Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrusting kunnen voorkomen.
Instrumenten

1 Brandstofmeter
2 Gelijkzetten klokje
3 Klokje
4 Snelheidsmeter
5 Dagteller
6 Nul-instellen dagteller
7 Kilometerteller
8 Toerenteller
9 Regelbare weerstand instrumentenverlichting
10 Temperatuurmeter
Instrumenten
Brandstofmeter
e inhoud van de brandstoftank is circa 82 ter. Het rode gebied komt met circa 8 liter vereen.
Klokje
et klokje werkt elektrisch en wordt door de ocu aangedreven.
oor gelijkzetten moet u de knop indrukken n draaien.
)agteller
eze wordt voor het opmeten van korte rij-
lstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft
ectometers (100 meter) aan.
ruk de knop in om de dagteller op nul te etten.
Toerenteller
Deze geeft het motortoerental in honderd omw/min aan. Bij het rijden mag u af en toe in het rood gearceerde gebied tussen 5000 en 5500 komen, zoals b.v. bij het accelereren en passerenn.
Het egaal rode gebied mag niet worden gebruikt.
Regelbare weerstand voor de instrumentenverlichting
Bij rechtsom draaien - de instrumentenver- lichting wordt sterker
Bij linksom draaien - de instrumentenver- lichting wordt zwakker
Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan.
Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvloeistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 90 en 91.
Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 45.
Controle- en waarschuwingslampjes
1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 Voorverwarmen
Het controlelampje gaat branden, als de contactsleutel in de rij-/voorgloeistand gedraaid wordt. Zie ook pagina 40.
4 Te weinig motorolie
5 Niet aangesloten
6 De kolampen of parkeer-
lichten branden
7 Te hoge laaddruk, Turbo
8 Oliedruk te laag
9 Dynamo laadt niet bij
10 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde versnellingsbak)
11 Grootlicht brandt
12 Remcircuit buiten werking
13 Handrem is aangetrokken
14 Defecte gloeilamp
15 Te weinig sproeivloeistof (als het lampje brandt, zit er nog maar 1/2-1 liter sproeivloeistof in het reservoir)
16 Niet aangesloten
17 Controlelampje auto-
gordels
18 Niet aangesloten

Waarschuwingslampje, te weinig olie in de motor
Voer deze controle elke ochtend uit, voordat u de motor start – dit vergt maar enkele seconden. De auto moet vlak staan en het liefst moet de motor koud zijn! Draai de startsleutel in de rijstand, zodat alle waarschuwingslampjes gaan branden. Het opmeten moet in de eerste twee seconden gebeuren. Het lampje blijft dan branden. Als het oliepeil te laag is, blijft het lampje branden, totdat de motor wordt gestart. Controleer dan het oliepeil met de peilstok in de motor en vul olie bij.
N.B! De controle mag alleen op deze man gebeuren. Als de startslueutel te lang gedra gehouden wordt en de motor aansle wordt het oliepeil niet aangegeven. Als motor enkele seconden heeft gelopen en controle dan herhaald wordt, is de verkreg waarde foutief, omdat heel wat olie uit de o pan in de motor opgepompt is.
Deze waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
moeten echter gaan branden, als u de startsleutel in de rijstand aait. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor is aangeslagen, beten alle lampjes met uitzondering van het waarschuwingslampje
voor de handrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de handrem heeft losgezet.
e dynamo laadt iet bij
it lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. is het lampje onder het rijden gaat branden. er een storing in de elektrische installatie of n de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie or de spanning van de ventilatorriemen pa- na 91.
B! Als de ventilatorriemen stukgaan of zoicht gespannen zijn dat de dynamo niet bijadt, gaat niet alleen dit lampje, maar ook de iarschuwingslampjes 12, 13, 14 en 15 brann. Dit komt door speciale wettelijke voorhristen in bepaalde landen en is dus heel rmaal.
e hoge laaddruk, urbo
het waarschuwingslampje onder het rijden indt, is de laaddruk te hoog. d voor controle voorzichtig met de auto naar 1 werkplaats.

Te lage oliedruk
Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 84, 85.
Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normaal, als het maar uitgaat, als het motortoerental wordt opgevoerd.

Remcircuit buiten werking
Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt en het rempedaal iets lager dan normaal pakt, is een van de circuits van de voetrem buiten werking. Rijd voorzichtig met de auto naar een garage en laat de remmen controleren.


Aangetrokken handrem
Het lampje brandt, als de handrem (parkeerrem) aangetrokken is.
Een gloeilamp brandt niet


Dit waarschuwingssysteem voor een defecte gloeilamp wordt alleen ingebouwd voor Europese landen, waar de auto's geen herkenningslicht hebben. Het dient niet alleen voor het waarschuwen in geval van een defecte gloeilamp (over remlichten, achterlichten en dimlichten geschakeld), maar ook in geval van een defect remcircuit.
Controleer de zekering en de gloeilamp.
Zie voor het vervangen van gloeilampen pagina 60–65, voor het vervangen van zekeringen pagina 65–67.
Als het waarschuwingslampje na het vervangen van een kapotte gloeilamp blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant van de auto worden vervangen.

Start-/stuurslot

Als de sleutel zwaar draait, komt dit, doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje heen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker.

0 Vergrendelingsstand
Met het stuurslot wordt het stuur vergrendeld, als u de sleutel uit het slot haalt.

Bepaalde elektrische componenten (b.v. de kachelaanjager, sigare-aansteker, koplampen) kunnen worden ingeschakeld.

II Rij-/gloeistand
Dit is de stand van de sleutel onder het rijden en bij voorgloeien, alvorens de motor te starten. De dagrijlichten, achterlichten en kentekenplaatverlichting branden.

III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld. Laat de sleutel los, als de motor is aangeslagen. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.
Richtingaanwijzers Waarschuwingsknipperlichten

chtingaanwijzers, groot-/dimlicht-schakelaar en ootlicht-„signaal”
Drukpuntsstand"
lij bochten met een geringe stuuruitslag /erwisselen van rijbaan, passeren) moet het endeltje iets omhoog- of omlaaggebracht n met de vinger vastgehouden worden. Het endeltje gaat onmiddellijk in de neutrale tand terug, als het losgelaten wordt.
lormale bochten
3 Groot-/dimlicht-schakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje naar het stuur en laat het weer los. De koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.
3 Grootlicht-„signaal" (koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur (totdat een lichte weerstand gevoeld wordt). Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje weer losgelaten wordt.
Als een gloellamp in de richtingaanwijzers stukgegaan is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.

Waarschuwingsknipperlichten
Waarschuwingsknipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten worden gebruikt, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Ruitewissers Koplampwissers

Wissen, voorruit

Sproeien, voorruit + koplampen
Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers
1 Wissen met intervallen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken ongeveer elke 6 seconden één slag.
2 „Drukpuntsstand“
Als u de wissers slechts een of een paar slagen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht worden en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand, als het hendeltje losgelaten wordt.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + koplampwissers/-sproeiers
Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en deze maken 2-3 slagen, nadath het hendeltje losgelaten is.
N.B! De koplampwissers hebben een beving tegen overbelasting en deze brandt de als de wisserbladen b.v. door sneeuw of worden geblokkeerd. (de wissers blijven: ken).
Als dit het geval is, moet de startsleute de D-stand worden gedraaid, de sneeuw of ijs worden verwijderd en ca 1 minuut wor gewacht. Dan is de beveiliging tegen over lasting afgekoeld en kan de startsleutel w in de rijstand worden gedraaid en kunner koplampwissers weer worden gebruikt.
Ruitewissers Koplampwissers

Zo moeten de sproeiers staan

ek een speld in de sproeiers en draai deze dat de stralen de voorruit raken, zoals de eelding laat zien.
Vloeistofreservoir
De ruite- en koplampwissers zijn op hetzelfde vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 3 liter. Gebruik in de winter een anti-bevriezingsmiddel, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.
Koplampen Parkeerlichten

Verlichting, schakelaar

Koplampen en parkeerlichten
0 Alle verlichting is uit.
De contactsleutel wordt in de rijstand gedraaid.
Parkeerlichten (voor en achter)
De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren, nooit onder het rijden, gebruikt worden.
D Contactsleutel in stand 0:
Alle verlichting uit.
Contactsleutel in stand I, II of III:
De koplampen (+parkeerlichten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden.
De koplampen moeten natuurlijk branden, als in het donker op slecht verlichte wegen en bij slecht zicht overdag gereden wordt.
Als de schakelaar in stand ID staat, gaat dus alle verlichting uit, als het contact in de stand 0 gedraaid wordt.
Mistachterlamp Mistlampen

Mistachterlamp, schakelaar
listachterlamp pepaalde landen)
a mistachterlamp is aanzienlijk sterker dan st gewone achterlicht en wordt bij het rijden et zeer slecht zicht gebruikt. De dimlichten oeten branden, anders kan de mistachter- mp niet branden.
enk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor et gebruik van een mistachterlamp van land t land verschillen.

Mistlampen of verstralers (bepaalde landen)
De mistlampen of verstralers kunnen niet aangezet worden, als het dimlicht brandt.
Elektrische achterruitverwarming Elektrisch verwarmde stoelen

Gebruik de elektrische achterruitverwarming om ijs en aanslag op de achterruit te verwijderen. Schakel de verwarming uit, als de ruit vrij van ijs en aanslag is om de elektrische installatie niet onnodig te belasten.
Leg geen voorwerpen zo neer, dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de ruit kunnen beschadigen. Wees bij het schoon- en droogmaken van de ruit voorzichtig om b.v. de draden niet met een ring te beschadigen.

Schakelaar, passagiersstoel
Elektrisch verwarmde passagiersstoel
De beide voorstoelen hebben een elektrisch verwarmde zitting en rugleuning. De verwarming is met een thermostaat geregeld en wordt onder ca +15°C automatisch ingeschakeld en bij ca +30°C automatisch uitgeschakeld. Schakel de verwarming van de passagiersstoel uit met de schakelaar, als niemand op de stoel zit! De verwarming van de bestuurdersstoel kan niet met de hand worden uitgeschakeld. Het in – en uitschakelen gebeurt door de thermostaat.
Handrem Sigare-aansteker Asbakjes

landrem (parkeerrem)
e hendel zit tussen de voorstoelen. De handem werkt op de achterwielen. Als de handrem angetrokken is, brandt het waarschuwingsmpje in het instrumentenpaneel. Als de andrem losgezet moet worden, moet de henel iets omhooggetrokken en de knop ingerukt worden.
ebruik bij parkeren altijd de handrem, want an blijft deze goed werken. Winters, als de ans bestaat dat de handrem vastvriest, moet deze niet gebruiken. Schakel de 1e of achter- itversnelling in en blokkeer de wielen.

Sigare-aansteker
Asbakje

Sigare-aansteker en asbakjes
Druk de aansteker in, als deze moet worden gebruikt. Als hij warm genoeg geworden is na ca 6–8 seconden, komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.
Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaaggedrukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch bediende raammechanismen (extra uitrusting)
Links achter

Rechts achter
Links vöör
Rechts voor
Elektrisch bediende raammechanismen
De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien.
Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet de contactsleutel in de „rijstand“ staan. De ramen gaan open, als op het achterste deel van de schakelaar wordt gedrukt en zij gaan dicht door op het voorste deel van de schakelaar te drukken.

Bij auto's met elektrisch bediende raammechanismen ook voor achterportieren kunnen de raammechanismen vergrendeld word met de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel van het b stuurdersportier.
ON - De ramen van de achterportieren kunnen met de schakela van het betreffende portier en met de schakelaar van het b stuurdersportier bediend worden.
OFF - De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf bestuurdersportier en dus niet met de schakelaars van achterportieren bediend worden.
Verwarming, ventilatie en airconditioning


'erwarming en ventilatie – verwarmings- en entilatiesystemen
rkomen bij de 760 GLE en 760 Turbo drie verschillende types verwarmings- en ventilatie- stemen voor, namelijk:
met niet-automatische airconditioning: deze wordt op pagina 20, 21 beschreven. zonder airconditioning: deze wordt op pagina 22 beschreven. met automatische airconditioning: deze wordt op pagina 23 beschreven.
p deze pagina's staan ook enkele adviezen be u de verwarming en ventilatie zo goed mo- elijk moet gebruiken.
Met de airconditioning kunt u in de auto een koel en behaaglijk klimaat krijgen ook al is het buiten erg warm, maar denk erom dat de ramen en het schulfdak dicht moeten zijn.
In het afdekpaneel onder de stuurstang zit een blaasmond die naar boven of beneden gericht of gesloten kan worden.
Bij auto's met een verwarmingssysteem zonder airconditioning zit er bovendien een frisseluchtinlaat aan de buitenkant bij de voeten bij de voorstoelen. De inlaten kunnen elk met een eigen handgreep open of dicht gezet worden. Naar voren = open, naar achteren = dicht.
Blaasmonden
A Open
B Dicht
C Luchtstroom naar opzij gericht
D Luchtstroom omhoog gericht
Verwarmings- en ventilatiesysteem met airconditioning
Luchtverdeling
Airconditioning ingeschakeld
MAX
geeft de snelste afkoeling – de hendel TEMP moet op COOL staan. Lucht via de blaasmonden op het dashboard. Gebruik MAX als het erg warm of vochtig is. Zet, als de temperatuur aangenaam geworden is, de hendel op NORM of B/L.
NORM
geeft een normale afkoeling. Lucht via de blaasmonden.
B/L
geeft een normale afkoeling. Lucht naar de vloer en via de blaasmon- den.

beslagen ramen verdwijnen. Lucht naar de ruiten.
Airconditioning niet ingeschakeld
VENT Lucht via de blaasmonden.
FLOOR
Lucht naar de vloer.
F/D
Lucht naar de vloer en ruiten.
Luchtaanjager
0 = staat niet aan 4 = hoogste snelheid

U kunt het in de auto warm krijgen ook al werkt de airconditioning.
Verwarmings- en ventilatiesysteem
o wordt het het warmst:

. en zo wordt het het koelst:

s de temperatuur behaaglijk geworden is, oet de bovenste hendel in de stand NORM of 'L gezel worden!
. en zo verdwijnen eslagen ruiten:

s het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw n de luchtinlaat voor het verwarmingssy- em, d.w.z. het rooster vóór de voorruit weg- gen.
Hier zijn nog enkele adviezen en inlichtingen:
- De airconditioning moet alleen ingeschakeld worden, als de temperatuur hoger dan +8°C is.
- Bij alle drie standen van de airconditioning. d.w.z. MAX, NORM en B/L. werkt de lucht-aanjager met snelheid 1, ook al staat de schakelaar in de stand 0. Daardoor wordt ijsvorming in de airconditioning voorkomen.
- Een tip: gebruik stand MAX als u b.v. achter een Diesel-vrachtwagen rijdt en enkele minuten geen uitlaatgassen ervan wilt ruiken. In de stand MAX komt namelijk maar een klein gedeelte van de lucht van buiten. Rijd echter niet langer dan circa 10–15 minuten op MAX – omdat bijna in het geheel geen frisse lucht toegevoerd wordt, bestaat er kans op onfrisse lucht in de auto. Regel de temperatuur met de TEMP-hendel.
Op het volgende dubbelblad worden nog twee verwarmingssystemen beschreven.

Verwarmings- en ventilatiesysteem
Verwarmings- en ventilatiesysteem zonder airconditioning
Luchtverdeling
MAX
Lucht via de blaasmonden in het dashboard. De lucht binnenin de auto „recirculeert“, d.w.z. dan bijna geen frisse lucht in de auto gezogen wordt. Gebruik deze stand, als u achter b.v. een Diesel-vrachtwagen rijdten enkele minuten geen uitlaatgassen ervan wilt ruiken. Rijd echter niet langer dan circa 10-15 minuten op MAX - omdat er anders kans op onfrisse lucht in de auto en beslagen ruiten bestaat.
*NORM Lucht via de blaasmonden.
B/L Lucht naar de vloer en via de blaasmonden.
*VENT Lucht via de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer.
F/D Lucht naar de vloer en de ruiten.

Lucht naar de ruiten.
NORM en VENT hebben precies dezelfde functie. De reden is, dat het verwarmingssysteem voor airconditioning voorbereid is en in dat geval heeft de stand NORM een koelende functie.
Luchtaanjager
0 = staat niet aan 4 = hoogste snelheid

Zo wordt het het warmst:

Let erop, dat de frisse-luchtinlaten bij de voe ten dicht zijn!
...en zo wordt het het koelst:

Als u bij uw voeten meer koele lucht wilt heb ben:zet de frisse-luchtinlaten open en verlaag de snelheid van de luchtaanjager!
...en zo verwijnen beslagen
ruiten:

Let erop, dat de frisse-luchtinlaten bij de voe ten dicht zijn!
Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw o de luchtlinlaat voor het verwarmingssysteen d.w.s. het rooster voor de voorruit, wegveger
Verwarmings- en ventilatiesysteem
Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische temperatuurregeling (extra uitrusting)
Temperatuurkiezer
Stel deze op de gewenste temperatuur in! De schaalverdeling is in °C of °F (Fahrenheit).
15^=18^ 75^=24^ 85^=30^

:unctiekiezer
)FF Lucht naar de vloer. Luchtaanjager- snelheidlaag. Geen koelendewerking.
ICON Automatische aanpassing van de luchtverdeling. Geen koelende werking, zodat de lucht nooit kouder dan de buitentemperatuur kan worden.

Lucht naar de ruiten. Luchtaanjagersnelheid maximaal.
*LO Luchtaanjagersnelheid laag.
*auto ● De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast.
*HI Luchtaanjagersnelheid maximaal.
* I LO, auto ●, HI De luchtverdeling wordt automatisch aangepast.
B/L Lucht naar de vloer en blaasmonden. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden dan naar de vloer.
In de stand ⚡ werkt de luchtaanjager altijd op zijn maximumsnelheid. In de andere standen gaat de luchtaanjager pas werken, als de motortemperatuur hoger dan +35°C is of als de temperatuur binnen in de auto +18°C of hoger is.
Warm of koud buiten speelt geen rol!

Zet de functiezer op auto en kies de temperatuur. Dat is voldoende!
Zo verdwijnen beslagen ruiten het snelst:

Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw op de luchtinlaat voor het verwarmingssysteem, d.w.z. het rooster vóór de voorruit, wegvegen.
Interieur, portieren, kofferdeksel, achter- klep, schuifdak
Op de twaalf volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
achteruitkijkspiegels, binnen en buiten 26
binnenverlichting, schuifdak 27
voorstoelen 28
kinderen in de auto 29
autogordels 30,31
portieren en sloten 32
kofferdeksel 33
bagageruimte 34
motorkap 35
opbergplaatsen in de auto 36
vervoer lange lading, brandstoftankklep 37
Achteruitkijkspiegels

N = anti-verblindingsstand

Schakelaars, buitenspiegels
Binnenspiegel
D normale stand
N (NIGHT) anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u last van de koplampen van auto's achter u heeft.
Buitenspiegels, elektrisch instelbaar
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal vooraan in de armsteun van het voorportier.
A zijdelings instellen
B hoogte-instelling
Stel de spiegels goed in, voordat u begint te rijden!
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat het spiegelglas kan krassen!
Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buitenspiegel.
waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een „groothoekspieg is die de „dode hoek“ elimineert.
Denk eraan, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken afstanden geeft!
Binnenverlichting Schuifdak
eslampjes voor de voorstoelen

binnenverlichting bestaat uit een plafond- up en leeslampjes voor de vier zitplaatsen de auto.
.amp is altijd aan
.lamp is altijd uit
.amp gaat branden, als een van de portieren jeopend wordt.
u de tijd te geven om o.a. in het donker het rtslot te vinden heeft de plafondlamp een ebouwde vertraging, waardoor de lamp pas seconden, nadat het bestuurdersportier ge- ten is, uitgaat.

Schakelaar, schuifdak (elektr.)
Schuifdak, handbediend of elektrisch bediend (extra uitrusting)
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak, ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand“ komt te staan.
Bediening met slinger
Druk altijd de knop in, voordat u aan de slinger draait.
Linksom = normaal schuifdak
Rechtsom = ventilatiestand
Uit veiligheidsoverwegingen moet tijdens het rijden de slinger altijd ingeklapt zijn!
Het schuifdak wordt met de schakelaar voor de handrem bediend. De startsleutel moet in de rijstand staan. Om het schuifdak te sluiten: druk op de andere kant van de schakelaar dan toen u het schuifdak openzette.
Voorstoelen
Hoogte-instelling
De voor- en achterkant van de bestuurdersstoel kunnen elk in vier verschillende hoogten ver- steld worden.
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Hendel naar voren = de voorkant kan worden versteld.
Hendel naar achteren = de achterkant kan worden versteld.
De passagiersstoel zit aan de vloer vast. Voor het verstellen van de hoogte moet gereedschap gebruikt worden.
Overigens heeft de passagiersstoel dezelfde verstelmogelijkheden als de bestuurdersstoel, d.w.z. vier verschillende standen voor de vooren voor de achterkant.
SOFT = zachter
Lendesteun
FIRM = harder

Elektrisch bediende bestuurdersst
Als extra uitrusting kan uw auto worden uitgerust me elektrisch bediende bestuurdersstoel. Met de schake aan de zijkant van de stoel kunt u dus het volgend stellen:
- De hoogte van de voorkant van de stoel
● De hoogte van de achterkant van de stoel
● Naar voren – naar achteren
● De hellingshoek van de rugleuning

De knop STOP is een knop voor een nood. Met deze knop worden de overige schake uitgescha keld, zodat de stoel niet bij ve sing van stand kan veranderen.
Bij het gereedschap zit een slinger om de mee te bedienen, als de elektrische bedie niet zou werken. Vraag uw Volvo-werkp om advies.
Lengteverstelling
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of achteren worden geschoven.
Controleer of de stoel vergrendeld is, als de stoel versteld is.
Hellingshoek van de rugleuning
ik kinderen moeten goed zitten – en veilig!
volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed be- ermd bij een botsing of een ander ongeluk.
uw kinderen dezelfde goede beschermigg te kunnen geven volgen adviezen over de plaats van kinderen in de auto.
k eraan dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, nooit „los" e auto mag zitten. En laat ook nooit een kind bij een passagierchoot zitten!
el landen is het wettelijk voorgeschreven, hoe kinderen in de auto laatst mogen worden. Informeer hiernaar in het land, waarheen u gaan.
ke bescherming het doelmatigst is, hangt af van de lichaamsgroot- in het kind:
n baby die nog zo klein is dat deze niet kan ten
kind moet in een wieg, kinderwagenbak of iets dergelijks op de terbank liggen met het hoofdje naar het midden van de auto gerd. De wieg of de bak moet zo „geborgd“ worden, dat deze bij sterk mmen niet op de vloer valt; dit kan gedaan worden met de auto-fels van de achterbank of door een Volvo kinderbank te gebruiken; de wieg of de bak hierop en zet deze met b.v. kussens of een deken zodat deze niet kan bewegen.
cinderbank is bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar.
deren vanaf de leeftijd dat zij kunnen zitten een lengte van ongeveer 117 cm (6-7 jaar)
ruik nooit een kinderstoel die aan de rugleuning van de achterbank t worden opgehangen.
nt het beste de Volvo veiligheidsstoel gebruiken die naar achteren
t. Deze veiligheidsstoel is ook bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar. De
I wordt op de passagiersstoel of de achterbank vastgezet en wijst achteren. In beide gevallen moet de stoel vastgezet worden met utogordel van de passagiersstoel, ook al wordt de stoel niet gekt, zodat de kinderstoel bij een zware botsing niet kan losschieten.

Volvo-kinderzitje, kinderstoel en kussen, bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar
Hoe u de kinderstoel moet vastzetten, blijkt uit de instructies die bij de stoel geleverd worden.
Gebruik nooit zgn. „hangzitjes“ die aan de rugleuning worden gehangen.
Kinderen langer dan 117 cm (ouder dan 6–7 jaar)
Als het kind uit de kinderstoel gegroeid is, moet het op een Volvo kinderkussen – bij de Volvo-dealer verkrijgbaar – op de achterbank zitten en de gewone rolgordel van de auto gebruiken.
Dit kussen is speciaal voor dit doel gemaakt en het zorgt ervoor dat de middelste band van de autogordel zo laag mogelijk om de heupen komt, hetgeen een goede bescherming waarborgt.
Op de volgende pagina wordt het gebruik van de autogordels uitvoerig behandeld.
Autogordels

Twee herinneringslampjes, een op het instrumentenpanel en een op de achterbank, knipperen als u met de auto rijdt zonder dat u of de voorpassagier de gordel om heeft.

Gebruik bij het rijden altijd de autogordel
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben, als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg tegen alle passagiers dat zij de autogordel moeten gebruiken! In geval van een ongeluk worden anders degene die op de achterbank zitten tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen in de auto kunnen dan letsel oplopen.
Twee herinneringslampjes, een op het dashboard en een op de achterbank, knipperen, als u met de auto rijdt zonder dat u zelf of de passagier op de voorstoel de autogordel omge- daan hebben.
De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben roigordels!
Deze moet u als volgt gebruiken: trek de autogordel heel langzaam uit en vergrendel deze door de borglip in de vergrendeling te steken. Een sterke „klik“ geeft aan dat de autogordel vergrendeld is.
Normaal is de autogordel niet vergrendeld en kunt u zich onbelemmerd bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden:
- als de gordel te snel uitgetrokken wordt
- bij afremmen en accelereren
als de auto sterk overhelt - bij het nemen van bochten.
De heupgordel zit laag. Het is voor een ma: male bescherming van belang, dat de gord goed tegen het lichaam ligt. Denk er daarc aan dat:
● de gordel niet scheef of gedraaid is
- de heupgordel laag moet zitten (dus n om de buik)
- de heupgordel strak om de heup mc worden gezet door diagonaalsgewijs a de gordel te trekken (zie de afbeelding).
Uiteraard is elke gordel slechts voor één pe soon bestemd!
Om de autogordels los te maken moet op rodevergrendelingsknop wordengedrukt. La daarna de rol de autogordel geheel oproller
Autogordels


Heupgordel afstellen
Controleer af en toe de autogordels
Controleer of de autogordel niet tegen scherperanden schuurt en of de bouten wel goed aangetrokken zijn en de autogordel overigens in goede staat is.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de autogordel te reinigen.
- Doe de gordel om en ruk er heel snel aan.
- Let op het verkeer en rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond. Haal de autogordel aan.
Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden!
middelste autogordel van de achterbank is n heupgordel. Deze moet altijd op de juisteigte afgesteld worden.
WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, schroeven en blokkeerinrichting door een nieuwe vervangen worden. Zelf al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, kan toch een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn. Vervang de autogordel ook als deze erg gesleten of beschadigd is. Verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-garage doen!

De heupgordel moet laag zitten
Aanstaande moeders
Aanstaande moeders moeten de autogordel met oplettenheid gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie de afbeelding.
Portieren en sloten

De centrale vergrendeling wordt vanaf het bestuurdersportier bediend.
WAARSCHUWING!
Laat de portieren tijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)!
Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen. Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden.
Portieren op slot en van het slot doen
De auto heeft een zogenaamde centrale vergrendeling. Dat betekent dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch geopend en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier.
Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en draai een kwart slag linksom om hen op slot te doen. Het voorste passagiersportier kan ook met de sleutel geopend worden. Dit heeft geen invloed op de centrale vergrendeling!
Om de portieren van binnenuit te kunnen openen moeten de vergrendelknopjes omhooggetrokken worden. Als dit knopje van het bestuurdersportier omhooggetrokken wordt, gaan de vergrendelknopjes van de andere portieren ook omhoog. Op dezelfde manier kunnen alle portieren op slot gedaan worden door het knopje van het bestuurdersportier omlaag te drukken.
Alle portieren zijn op slot, als de vergrendelknopjes omlaaggedrukt zijn.
Het bestuurdersportier aan de buitenkant alleen met de sleutel op slot gedaan worden!

Slot van het kofferdeksel
Het slot van het kofferdeksel reageert op centrale vergrendeling, zodat met het slot v het bestuurdersportier ook het sluiten van I kofferdeksel bediend wordt.
Maar – het kofferdeksel kan ook met de hoo sleutel (de grote sleutel) op slot en van slot gedaan worden zelfs als „werkt de o trale vergrendeling“ van de auto.
e als volgt:

in het slot doen

Vergrendelen
ek de sleutel er loodrecht uit!
vendien kan het kofferdeksel als volgt en bediening door de centrale vergrende- g „geblokkeerd“ worden:

Trek de sleutel er horizontaal uit
t kofferdeksel is nu altijd op slot. ze mogelijkheid om het kofferdeksel te okkeren" kan gebruikt worden, als de auto geleend wordt en bagage „onaangeraakt" het blijven. Geef de bi-sleutel (de kleine sleu- aan degene die de auto moet lenen. het slot weer door de centrale vergrende- g te kunnen laten bedienen moet het volgen- gedaan worden:

Trek de sleutel er
loodrecht uit!

Knop, kinderveiligheidsslot
Kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achterportieren en is bereikbaar als het portier open is
A het slot werkt normaal B het portier kan niet van binnenuit geopend worden.
Denk eraan dat als de knop in stand B staat de passagiers op de achterbank bij een eventueel ongeluk niet uit de auto kunnen komen. De achterportieren moeten dan van buitenaf geopend worden. Zie ook de tekst van de waarschuwing in het kader op de vorige pagina.

Uitdoen, porterlampen
Een tip!
De binnenverlichting en de rode waarschu- wingslampen in de achterplaten van de portie- ren gaan aan, als een portier wordt geopend. Als u de portieren een tijdje open wilt hebben en toch wilt dat deze lampen niet branden, moet u de portierschakelaar van het bestuur- dersportier indrukken en een ca 30° rechts- om draaien: de lampen gaan dan uit! Als het portier wordt dichtgedaan, komt de schakelaar in de normale stand terug.
Bagageruimte


Bagageruimteverlichting
A lamp is altijd uit
B lamp brandt, als het kofferdeksel open i
Motorkap Motorruimteverlichting

...omhoogdrukken en openen

Grondels draaien - geheel openzetten

ek aan de vergrendelingshandgreep (heleal links onder het dashboard). U kunt horen: het slot opengaat.
de motorkap een paar om op, ga er met de nd onder en druk op de hendel van de veilig- dspal. Open de motorkap.
ntroleer, of de motorkap na het dichtdoen ed vergrendeld is!
Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55° open. De motorkap kan loodrecht geopend worden, als de grendels van de scharnieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De grendels gaan automatisch in hun normale stand terug, als de motorkap dichtgedaan wordt.
Let erop dat de motorkap niet tegen het pla- fond komt, als de auto in een garage is!
Motorruimteverlichting
A lamp is altijd uit
B lamp brandt, als de motorkap open is.
Opbergplaatsen

Zak aan de achterkant van de voorstoelen
WAARSCHUWING!
Zorg ervoor dat geen „gevaarlijke“ voorwerpen, zoals b.v. camera's en verrekijkers, op de hoedenplank of op andere plaatsen liggen, waar zij bij sterk afremmen of een botsing tot gevaarlijke projectielen kunnen worden. Zet grote, zware pakketten vast met een van de autogordals!

Houder voor parkeerbiljetten
Zo klapt u de make-up spiege omhoog

Vak in de armsteun van de achterbank

Vak tussen de voorstoelen

Vak in de voorportieren

Luikje voor lange lading Brandstoftankklep

Lading altijd verankeren
WAARSCHUWING!
Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen. Bescherm scherpe randen met iets zachts.
ikje voor „lange lading”
lange voorwerpen te kunnen vervoeren is plaat achter de rugleuning van de achter- k zo gemaakt dat door een gat hierin lange ng kan worden meegenomen (zie de af- lding).
de bekleding niet vuil te maken kan een voor ski's gebruikt worden. ! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. s). Maximumlengte 2 meter en maximum-richt 15 kg.
WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel komen en deze in een of andere rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rollen.

Tankklep bij tanken
Brandstof tanken
De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik“ hoort. De Volvo-dealers hebben voor alle Volvo-modellen een afsluitbare tankdop. Brandstof: Diesel-olie. Zie voor brandstofspecificaties pag. 97. De tankinhoud is circa 82 liter.
Inrijden
Starten en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, het schakelen, het slepen, het rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
„inrijden“ 38
zuinig rijden 39
motor starten 40
schakelen 41–44
om aan te denken 45
slepen 46
starten met hulpaccu 47
denk hierom bij de remmen 48
tips over het rijden met een caravan 49
maatregelen voor de winter 50
maatregelen voor lange reizen 50
langdurig niet gebruiken 52
Een nieuwe auto moet worden „ingereden“
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat kalm aan te doen en mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet geh te gebruiken.
Overschrijd de volgende snelheden niet:
| Onder de eerste1000 km | Tussen 1000en 2000 km | |
| 1e versnelling | 30 km/uur | 35 km/uur |
| 2e versnelling | 50 km/uur | 65 km/uur |
| 3e versnelling | 80 km/uur | 100 km/uur |
| 4e versnelling | 110 km/uur | 130 km/uur |
| Overdrive | 130 km/uur | 130 km/uur |
Maar rijd ook niet te langzaam in een hoge versnelling, d.w.z. laat motor niet zwoegen.
uinig rijden wil nog niet zeggen langzaam rijden!
Jinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel den en de rijstijl en de snelheid aan de beaande situatie aanpassen.
enk hierbij aan het volgende:
Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat niet de motor stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden.
Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme en bovendien slijt de moter sneller.
Rijd liefst geen korte afstanden, omdat dan de motor nooit warm kan worden.
Rijd soepel! Vermijd snelle onnodige acceleraties en sterk afremmen. Dan kunt u veel brandstof besparen.
Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje; dit kan 30 % brandstof besparen.
Rijd niet met een onnodige zware lading in de auto.
Rijd niet langer op winterbanden, als de wegen schoon en droog geworden zijn. Dit kan een besparing van 5% geven.
Verwijder de imperiaal, als deze niet gebruikt wordt; dit bespaart u 20 % benzine.
Zet de zijramen niet onnodig open.
Van belang bij het zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
- Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 15 km/uur Schakel van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 30 km/uur. Schakel van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 40 km/uur.
- Als de auto een overdrive heeft, moet u deze bij normaal met meer dan ca 50 km/uur rijden op buitenwegen zo vaak mogelijk gebruiken.
- Als de auto een automatische versnellingsbak heeft, schakelt deze uit zichzelf de juiste versnelling in, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down".
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name nog de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het brandstofverbruik laag te houden zijn b.v.:
● Schoon luchtfilter
- Juiste klepspeling
- Juist stationair toerental
- Juiste motorolie, juiste intervallen van olie verversen en nieuw oliefilter
- Juist afgestelde brandstofinjectie
- Remmen die niet „aanlopen“
- Juiste voorwieluitlijning
- Juiste bandenspanning – kan ca 10 % besparen.
Denk eraan dat voor wat betreft het verbruik u zelf de belangrijkste factor bent en ook aan de manier, waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnellingshendel omgaat.
Motor starten
Zo moet u de motor starten:
1 Trek de handrem (parkeerrem) aan
2 Zet de versnellingshendel in de neutrale stand (stand N of P bij een automatische versnellingsbak)
3 Draal de startsleutel in de rij-/gloeistand. Tijdens het voorverwarmen mogen geen grote stroomverbruikers zijn ingeschakeld – anders wordt de accu onnodig belast.
4 Kijk naar het controlelampje voor voorverwarmen.
5 Als het lampje is utigegaan ...
...trap het koppelingspedaal in, trap het gas-
pedaal voor de helft in en draai de start-
sleutel in de „startstand“, totdat de motor
aanslaat.
Denk eraan om bij koud weer de sleutel pas los te laten, als de motor gelijkmatig en betrouwbaar loopt.
Laat de motor onmiddellijk na koud starten niet razen!
Voorgloeitijden:
Bij +20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 4 sec.
Bij 0°C motortemperatuur brandt het lampje ca 6 sec.
Bij-20°C motortemperatuur brandt het lampje ca 9 sec.
Als u, bijvoorbeeld na een mislukte startpoging weer wilt voorgloeien, moet de startsleutel eerst naar de „middenstand“ worden teruggedraaid en daarna weer in de „rij-/gloeistand“ om de gloeibougies weer in te schakelen.
Zo moet u de motor afzetten:
Als u de startsleutel van de rij-/gloeistand draait, slaat de motor af, omdat de brandstoftoevoer naar de motor door een magneetklep wordt afgesloten.
Als de motor niet afslaat: zie onder lokaliseren van storingen" op pag. 69.
Laat de motor zo snel mogeli warm worden!
Uit ervaring is gebleken dat motoren van aut die korte afstanden afleggen, abnormaal slijten. Dit komt, omdat de motor nooit op normale bedrijfstemperatuur kan komen.
Als de motor aangeslagen is, moet u de modus zo snel mogelijk op de-normale bedrij temperatuur laten komen.
Begin met een geringe motorbelasting te rijc en laat de motor niet onnodig stationair lope
Controlelampje voor voorgloeien
Als de startsleutel in de rij-/gloeistand wordt gedraaid en dit lampje gaat branden, wijst dit erop, dat de gloeibougies (één in elke cilinder) zijn ingeschakeld.
Als het lampje is uitgegaan, kan de motor worden gestart.
De gloeitijd wordt door de motortemperatuur bepaald. Hoe kouder de motor, des te langer moet worden voorgegloeid. Als de motor warm is, gaat het lampje maar een paar secon- den of in het geheel niet branden.
WAARSCHUWING TURBO
Speciaal van belang voor auto's met Turbo-motoren
Bij koud starten: Laat de motor niet onmiddellijk na koud starten razen, want dan is de olie nog dikvloeibaar en komt niet onmiddellijk bij alle smeerplaatsen.
Vóór het afzetten: Laat de motor altijd eerst stationair lopen, alvorens deze af te zetten. Na snel rijden moet de motor een paar minuten stationair lopen, voordat deze wordt afgezet. Als de turbo een hoog toerental heeft en de motor onmiddellijk wordt afgezet, is er grote kans op schade door oververhitting of slijtage als gevolg van onvoldoende smering.
Handgeschakelde versnellingsbak met overdrive

R = achteruit

Overdrive, schakelaar en controlelampje
shakelstanden, hand- schakelde versnellingsbak
p telkens bij het schakelen het koppelingslaal helemaal in.
il tussen het schakelen uw voet van het pelingspedaal!
: overdrive bespaart nzine
overdrive kan in de 4e versnelling inge- akeld worden.
overdrive wordt ingeschakeld, als u op de p in de versnellingshendel drukt. Als de
knop nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De overdrive wordt automatisch uitgeschakeld bij terugschakelen uit de 4e versnelling, maar maaker desondanks een gewoonte van om de overdrive altijd met de hand uit te schakelen, als u naar de 3e versnelling terugschakelt!
De overdrive kan soepeler in- en uitgeschakeld worden, als u ook licht op het koppelingspedaal trapt.
Om zo zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal met meer dan ca 70 km/uur op buitenwegen rijden de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken.
Het groene controlelampje met de tekst „OD“ brandt, als de overdrive ingeschakeld is.

Til de ring tegen de knop van de versnellings-hendel met de vingers op en schakel de achteruit in. De ring werkt op de achteruitvergren-deling en maakt dat u de achteruit niet per ongeluk kan inschakelen.
Automatische versnellingsbak

Keuzehendel
Schakelstanden van de keuzehendel
P parkeren
R achteruitrijden
N neutrale stand
D rijstand
3
2 lage versnellingen
1
P Parkeren
Kies deze stand, als u de auto met lopende of afgezette motor parkeert.
Laat de auto nooit met lopende motor achter! Als iemand per ongeluk de keuzehendel uit de stand P brengt, kan de auto namelijk gaan rollen.
De auto moet stilstaan, als u stand P kiest! In de stand P is de versnellingsbak mechanisch vergrendeld. Trek toch de handrem aan bij parkeren op een helling!
R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u stand R kiest!
N Neutrale stand
De stand N is de neutrale stand, d.w.z. dat geen versnelling ingeschakeld is. Trek de handrem aan, als de auto met de keuzehendel in stand N stilstaat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Het op- en ten schakelen tussen alle versnellingen van de v snellingsbak geschiedt automatisch, afhan lijk van het gasgeven en de snelheid.
„Lock-up“
De versnellingsbak heeft een zogenaan „lock-up“-functie. Daardoor daalt het mot toerental en vermindert het brandstofverbriets. „Lock-up“ betekent in het kort, dat met keuzehendel in de stand D de koppelomy mer van de versnellingsbak bij snelhec boven ca 85 km/uur uitgeschakeld wordt voelt deze „lock-up“ als een extra versnelli als u accelereert.
„Lock-up“ heeft alleen maar plaats bij versnellingsbaktemperatuur boven ca +20 Daarom moet u bij koud weer een paar k meter rijden, voordat u de „lock-up“ voelt.
3 Rijstand
Het op- en terugschakelen tussen de 1e, 2e 3e versnelling gebeurt automatisch.
Opschakelen naar D vindt niet plaats.
Stand 3 kunt u gebruiken...
• bij passeren
- bij relatief langzaam rijden op buitenwe
• bij rijden in steden.
135 km/uur is de toegestane maximums
heid, als u stand 3 wilt kiezen!
Automatische versnellingsbak
Lage versnelling
t op- en terugschakelen tussen de 1e en 2e snelling gaat automatisch. Het opschakelen ar de 3e versnelling gaat niet automatisch. ind 2 kunt u gebruiken... om sterker op de motor af te remmen.
Lage versnelling
u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt de versnelling ingeschakeld. Pas als de sneld tot ca 50 km/uur afgenomen is, wordt de versnelling ingeschakeld. 3! Opschakelen uit de 1e versnelling ge-urt niet! s stand 1, als u in de 1e versnelling wilt rij-1 en niet wilt dat opschakelen plaats heeft, bij het rijden in de bergen, omdat in stand et beste op de motor wordt afgeremd.

Vergrendelingsdruktoets, standen
Blokkeerinrichting keuzehendel
De keuzehendel kan altijd vrij tussen de standen D en 3 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de druktoets op de knop van de keuzehendel bediend kan worden. Door met de handpalm licht op de druktoets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D, 3 en 2 gezet worden. Als de druktoets geheel ingedrukt wordt, kunnen bovendien de standen R, P en 1 ingeschakeld worden. Dit is ook nodig om de hendel uit de stand P te brengen.
Als de druktoets geheel ingedrukt is, kan de keuzehendel dus moeiteloos in alle standen van de versnellingsbak gezet worden.
Automatische versnellingsbak
Starten en stilstaan met een automatische versnellingsbak
1 Zet de keuzehendel in stand P of N. De motor mag in geen andere stand gestart worden.
2 Start de motor op normale wijze met de contactsleutel.
3 Trek de handrem aan of druk licht op het rempedaal, anders gaat de auto langzaam rijden, als u de keuzehendel in een van de rijstanden zet.
4 Zet de keuzehendel ind e gewenste rijstand.
5 Laat het rempedaal los en geef gas.
De auto wordt op de eenvoudigste manier stilgezet: laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal af.
Kies stand N bij even staan met lopende motor. Dan voorkomt u dat de versnellingsbakolie onnodig warm wordt.
„Kick-down“
Als u het gaspedaal helemaal intrapt, wordt onmiddellijk naar een lagere versnelling teruggeschakeld (zgn. „kick-down“-terugschakeling). Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling bereikt of als u het gaspedaal iets uit de „kick-down“-stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken, als u maximaal wilt acceleren, zoals b.v. bij inhalen. Ca 115 km/uur is de hoogste snelheid om met „kick-down“ te kunnen terugschakelen.
Denk aan het volgende!
- De auto moet stilstaan, als u stand P of R kiest!
- Als de auto stilstaat en u stand D, 3, 2, 1 of R wilt kiezen, moet de motor stationair lopen!
e lading en de plaats ervan eïnvloeden de rij-eigen- chappen
auto heeft bij het opgegeven rijklaargecht de neiging tot onderstuur. Daarom moet bij het nemen van een bocht steeds meer uruitslag geven, als de snelheid verhoogd rdt. Hierdoor blijft de auto stabiel in de recht en wordt de kans op uitbreken van de interwielen kleiner. Denk erom, dat deze einschappen kunnen veranderen, als de auto ders belast wordt. Hoe zwaarder de lading emaal achter in de bagageruimte is, des te ander is de auto onderstuurd.
ij-eigenschappen en banden
banden zijn van groot belang voor de rijenschappen van de auto. Het bandentype diaalbanden – de maat en bandenspanning van belang voor het gedrag van de auto. Bij vervangen van banden moet u erop letten u hetzelfde type en dezelfde maat en liefst hetzelfde merk krijgt als al op alle vierilen van de auto zat en volg de aanbevolen bandenspanning op (zie pag. 55.).
jd niet met een open offerdeksel!
het rijden met een open kofferdeksel kan nelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ( het giftige koolmonoxyde via de bagage-nte in de auto gezogen worden. Als u echter toch gedwongen bent om een stukje met open kofferdeksel te rijden, moet u het volgende doen:
- Draai alle ramen dicht.
- Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op F/D of B/L, afhankelijk van het type verwarmingssysteem van de auto en zet de aanjager op de hoogste snelheid 4.
Vermijd oververhitting van het koelsysteem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op overhitting van het koelsysteem.
Dit geldt met name op warme dagen als... ...u lang met volgas en een hoog motortoe- rental tegen steile hellingen oprijdt met een aanhanger.
...de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
...de motor onmiddellijk afgezet wordt, als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken“ genoemd).
Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen:
- Verminder de snelheid, als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
- Laat de motor niet onnodig stationair lopen.
- Zet de motor niet onmiddellijk af, als u snel gereden heeft. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen!
Als u een imperiaal gebruikt
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn.
- Mag u tenhoogste 100 kg op de imperiaal laden.
- Moet de lading gelijkmatig over de imperiaal verdeeld worden. Laad niet scheef!
- Moet u de zwaarste lading onder leggen.
- Moet u erom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen, als de auto zwaar geladen wordt.
- Moet u erom denken dat de auto meer wind vangt en dus het brandstofverbruik toe-neemt, naarmate de lading groter is.
- Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten!
- Moet u soepel rijden! Vermijd sterk accele- reren, sterk afremmen en het nemen van scherpe bochten.
- Moet u de imperiaal verwijderen, als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
Slepen

Als u moet worden gesleept, moet u aan het volgende denken!
- Zet het stuurslot los, want dan kan gestuurd worden!
- Denk aan de wettelijk voorgeschreven maximumsnelheid.
- Denk erom dat de voetrem en de stuurbekrachtiging niet werken, als de motor stilstaat! U moet dan ongeveer vier maal zo hard op het rempedaal trappen en het sturen gaat aanzienlijk zwaarder dan normaal.
- Riid soepel! Houd de sleepkabel gespannen om onnodige rukken te voorkomen.
Speciaal voor een automatische versnellingsbak
- De keuzehendel moet in stand N staan, de versnellingsbak moet goed afgesteld zijn en het oliepeil moet juist zijn (zie pag. 87).
- De maximaal toegestane snelheid is 20 km/uur. De langste toegestane af te leggen afstand is 30 km.
- De motor mag niet door aanslepen gestart worden! Zie voor hulpstarten de volgende pagina.
Motor door aanslepen starte
Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig. Draai de startsleutel in de rij-/gloeistand wacht, tot dat het controlelampje voor vo gloeien uitgaat.
Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat koppelingspedaal voorzichtig opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in, als motor loopt!
Auto's met een handgeschakelde versringsbak
Draai de contactsleutel in de rij-/voorglo stand en wacht tot het controlelampje v voorverwarmen uitgegaan is.
Start de trekkende auto en rijd gelijkmatig. Schakel de 3e of 4e versnelling in en laat koppelingspedaal voorzichtig opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in, als motor loopt!

WAARSCHUWING!
Denk eraan dat accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan, is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiële schade toe te brengen.
De elektrolyt van de accu bevat het zeer agressieve zwavelzuur! Als dit op uw huid of kleren spat, moet u onmiddellijk rijkelijk met water afspoelen. Ga naar een arts, als u spatten in uw ogen gekregen heeft!
o moet u met startkabels starten
s de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang krijgen stroom „lenen“ van een losse accu of van de accu van een dere auto. Controleer altijd of de klemmen goed vastzitten, zodat er j de startpogingen geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te orkomen adviseren wij u het onderstaande nauwkeurig op te volgen:
Controleer of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft.
Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet raken.
Sluit het andere uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (2) van de ontladen accu.
Sluit het ene uiteinde van de zwarte kabel aan op de minpool (3) van de hulpaccu (met blauw, N of – gemerkt).
Sluit de rode kabel aan tussen de pluspolen van de beide accu's: deze zijn met rood. P of + gemerkt (1 en 2 in de afbeelding).
Zet de ene klem van de zwarte kabel op de minpool van de hulpaccu; deze is met blauw, N of – gemerkt (3).
- Zet de andere klem van de zwarte kabel op uw auto op een plaats – massa – die op een afstand van de accu ligt, b.v. op een van de hijsogen van de motor; dit is in de afbeelding met nr 4 aangegeven.
- Start de motor van de „hulpauto“. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen.
- Start de motor van de auto met de ontladen accu. N.B! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen!
- Maak de kabels in de omgekeerde volgorde als bij het aansluiten weer los.
Om bij de remmen aan te denken
Als een remcircuit defect raakt,

gaat het waarschuwingslampje branden.
Het rempedaal pakt iets lager en voelt wat zachter dan normaal aan.
Merk echter op dat u niet merkbaar harder op het rempedaal moet trappen om de normale remwerking te krijgen!
Een defect remcircuit blijkt dus niet uit een verhoogde pedaaldruk.
Als het waarschuwingslampje gaat branden, moet u naar een garage rijden en het rem- systeem laten controleren.
Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden.
Trap af en toe licht op het rempedaal, als u in regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen, als de auto gewassen is en na wegrijden in zeer vochtig weer.
Als de remmen zeer zwaar belast worden
Bij het rijden in bergterrein of op andere weg met dergelijke hoogteverschillen worden remmen zeer zwaar belast, ook al trapt u n bijzonder hard op het rempedaal. Omdat te vendien vaak de snelheid laag is, worden 10 remmen niet zo effectief gekoeld als bij 1 rijden op vlakke wegen.
Om de remmen niet onnodig zwaar te belast moet u in plaats van alleen maar de voetrem gebruiken terugschakelen en dezelfde v snelling gebruiken als bij het klimmen.
Denk erom dat de remmen nog zwaarder wi den belast, als u met een caravan/aanhang rijdt.
De rembekrachtiger werkt alleen, als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor roll of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.
Het rempedaal voelt stug en hard aan.
Een Diesel-motor heeft een aparte vacuümpomp om in de rembekrachtiger voldoende onderdruk te krijgen. Bij stationair lopen zijn 5-10 seconden nodig om voor een goede rembekrachtiging voldoende vacuum op te bouwen. Als de rembekrachtiger geheel leeg is geweest, bijvoorbeeld, doordat een aantal malen op het rempedaal is getrapt bij afgezette motor, moet u een paar seconden wachten om na het aanslaan van de motor weer te gaan rijden. Ondertussen moet u het rempedaal niet aanraken.
Rijden met caravan (aanhanger)
it moeten caravaneigenaars lezen!
De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn! Uw Volvo-dealer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstruerde trekhaken zijn voor uw auto op maat ge- maakt en een Volvo-garage kan deze aanbrengen. Denk erom dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
Uw auto heeft een "Nivomat", d.w.z. een automatische niveauregeling van de achtervering, zodat onder het rijden de achterasophanging, ongeacht de belasting, atijd de juiste hoogte heeft. De "Nivomat" werkt, als de auto rijdt. Bij een stilstaande auto met een zware lading in de bagageruimte of met een aangekoppelde caravan, gaat de achterasophanging als gevolg van de belasting omlaag, maar zodra u gaat rijden pompt de "Nivomat" de achterasophanging weer tot de juiste hoogte omhoog.
Deze aanhangergewichten kunnen maximaal worden toegestaan: Maximaal 1500 kg in het algemeen.
Maximaal 1600 kg, als de trekhaak dit toelaat en met ten hoogste 70 km/uur wordt gereden. Zie ook de inspectie-instrumenten van de auto.
Denk erom dat de stroomvoorziening voor de aanhanger niet overal op de elektrische installatie van de auto kan worden aangesloten. Dit komt, omdat het waarschuwingslampje voor een defecte gloeilamp op een speciale manier geschakeld is.
Als een Volvo inklapbare trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren. Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de trekhaak bij aanhanggewichten onder 1200 kg ca 50 kg en boven 1200 kg ca 70 kg is.
Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden.
Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
Rijd niet met een zware aanhanger, als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee, tot de auto tenminste 1000 km heeft gelopen.
- Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
- Op grotere hoogten is de luchtdruk lager, waardoor het motorvermogen lager en dus ook het trekvermogen slechter dan normaal is.
- Omdat de motor van de auto zwaarder dan normaal wordt belast, moet de olie vaker worden ververst: zie pagina 85.
Speciale wenken voor eigenaars van een auto met een automatische versnellingsbak
- Kies stand 1 van de versnellingsbak, als u op steile hellingen of langzaam rijdt. Op deze manier verhindert u dat de versnellingsbak op schakelt en wordt de versnellingsbakolie kouder. Op bergwegen met lange maar niet zo steile hellingen kan stand 2 gekozen worden.
- Bij het afdelen van lange, steile hellingen moet stand 1 gekozen worden (of stand 2 bij het afdalen van minder steile hellingen). Zo wordt de beste afremming op de motor verkregen.
- Houd de auto op een helling niet met het gaspedaal stil, maar gebruik hiervoor de rem. Dan wordt voorkomen dat de versnellingsbakolie onnodig heet wordt.
- Blokkeer, D d.w.z. zet de keuzehendel in stand 3. De versnellingsbak schakelt dan niet de hoogste versnelling in, zodat de versnellingsbakolie wat afkoelt.
Wintertijd
Als het koud begint te worden
Als u zelf uw auto wilt makijken om onnodige moeilijkheden in het koude jaargetijde te voorkomen, moet u aan het volgende denken:
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glycolgehalte ca 50% is overeenkomende met ca 5 liter Volvo anti-vries type C (blauwgroen). Zie voor het verversen van koelvloeistof pag. 90.
- Om geen condenswater in de brandstoftank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden.
Gebruik's winters speciale winterbrandstof. Zie voor brandstof pag. 92, 93. - Gebruik de juiste motorolie om startmoeilijkheden te voorkomen. Zie de aanbevolen oliën op pag. 84, 85.
- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accupolen met een roestwerend middel.
- Parkeer de auto niet met aangetrokken handrem, als het vriest. Schakel dan de 1e of achteruitversnelling in – stand P bij auto's met automatische versnellingsbak – en blokkeer liefst de wielen.
- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruite-/koplampwissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden. Dit is van belang, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de vooruit en koplampen
komt, waardoor de sproeiers en wissers vaak gebruikt moeten wo den. Met Volvo sproeiervloeistof moeten de volgende mengverhdingen gebruikt worden:
Tot-10°C: 1 deel sproeiervloeistof/4 delen water
Tot-14°C: 1 deel sproeiervloeistof/3 delen water
Tot -18°C: 1 deel sprociervloeistof/2 delen water
Tot -28°C: 1 deel sproeiervloeistof/1 deel water
- Om bevroren sloten (van portieren en kofferdeksel) te voorkom moet u de sloten tijdig met een vorstbestendig middel „smeren”

oorzorgsmaatregelen voor lange reizen
s u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een olvo-garage helemaal laten controleren.
it is altijd goed om tijdig vóór de reis een set van de meest noodza- lijke service-onderdelen gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisser- aden aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo-dealer speciale sets. I hem kunt u ook het boekje „Met Volvo in Europa“ krijgen, waarin wat waar de Volvo-dealers en Volvo-garages zijn. Nuttig om te weten i er iets gebeurt.

Als u zelf de auto wilt nakijken, adviseren wij het volgende te doen:
- Controleer of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal is.
- Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelvloeistof of brandstof.
- Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versleten V-riemen vervangen.
- Controleer de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden.
- Laat de remmen, de wieluitlijning en de stuurinrichting controleren.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- In veel landen is een gevarendriehoek vereist. Controleer of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannie of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
Langdurig niet gebruiken
Hier zijn adviezen, als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijdje niet gebruikt zal worden, b.v. in verband met een buitenlandse reis of als u de auto 's winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvoudige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen, als u de de auto weer wilt gaan gebruiken.
- Vul de brandstoftank helemaal, zodat er geen kans op condenswater in de tank is.
- Was de auto heel goed en zet deze in goede autowas. Bescherm verchroomde onderdelen met een daarvoor bestemd middel.
- Zet de auto in een garage die droog en goed geventileerd is.
- Laat de handrem los.
- Controleer of er geen stroomverbruikers aanstaan, b.v. de verlichting, de radio, de binnenverlichting, de motorruimte- en bagageruimteverlichting. Natuurlijk blijft het klokje lopen, maar dit vraagt zo weinig stroom dat dit te verwaarlozen is. Eventueel kan de zeker-ing voor het klokje (zekering nr 5) verwijderd worden (zie pag. 66).
- Klap de ruitewissers en koplampwissers naar voren om te voorkomen dat de rubber wisserbladen op de voorruit en de koplampen gaan vastzitten.
- Zet een raam wat open om de auto te ventileren.
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35^ vorst bestand is. De antivries van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toevoegingen die de motor en de radiator beschermen.
- Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af.
- Controleer af en toe de bandenspanning.
- Controleer ongeveer elke zeven weken de ladingstoestand van de accu.

Vielen en banden – belangrijk voor de ij-eigenschappen an de auto!
es daarom de volgende pagina's nauw-
eurig door. De goede rij-eigenschappen van
auto kunnen opvallend veranderen, als u
v. slordig bent met de bandenspanning.
algemeen 53
slijtagewaarschuwing 54
speciale velgen 54
oorbeelden van bandenslijtage 55
bandenspanning 55
Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is auto met 8×15" velgen en 185/65 R 86 S banden uitgerust. De bandencodering betekent het volgende:
185 is de sectiebreedte in mm
65 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent. R betekent radiaalband en
- is de binnendiameter van de band in inch.
86 is een coderingscijfer voor de maximaal toegestane bandenbelasting; in dit geval 530 kg
S vermeldt dat de band voor snelheden tot 180 km/uur gemaakt is Deze banden hebben een goede greep op de weg en geven de auto uiterst veilige rij-eigenschappen op droge en natte wegdekken – ook bij hoge snelheid. De banden zijn echter in de eerste plaats ontwik- keld om deze goede eigenschappen op grond zonder wegdek te geven, zodat de bandenfabrikanten gedwongen zijn om de eisen te verlagen die aan de wrijvingseigenschappen op sneeuw en ijs gesteld worden. Daarom adviseren wij u om 's winters Volvo-winterwielen te gebruiken, omdat deze bij winterse wegen met sneeuw en ijs optimale rij-eigenschappen geven.
U moet er bij het vervangen van banden goed op letten dat u op alle vier wielen hetzelfde type (radiaalband), dezelfde maat (codering) en liefst ook hetzelfde merk krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
Wielen en banden
De banden hebben een „slijtage-waarschuwing”
De slijtagewaarschuwing bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die een 1 ^1/2 mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is dat nog maar 1 ^1/2 mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u zo snel mogelijk nieuwe banden opzetten. Denk erom dat banden met zo weinig profieidiepte bij regen en sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.
Denk erom dat volgens de wet .te profieldiepte over het gehele loopvlak tenminste 1 mm moet zijn!
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
- Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd „wegscheuren“, snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan dat snel rijden.de banden sterk doet slijten.
- Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning.
Balanceer de wielen zo nodig. - Pas op de banden, als u de auto bij een trottoirrand parkeert.
„Ochtendzool“
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde „ochtendzool“, kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschillende bandentypen vertonen deze ochtendzool in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de ochtendzool verdwijnt.
Winterbanden, spijkerbanden, sneeuwkettingen
's Winters adviseren wij om winterbanden 185/65R15 (op alle wielen) of 175/70R15 (op alle vier wielen) te gebruiken. Deze band kunnen op de originele velgen van de auto of op stalen 15" velgen v de 760 GLE en 760 Turbo worden gemonteerd.
Velgen van andere Volvo-modellen kunnen niet worden gebruikt!
Spijkerbanden moeten 500–1000 km voorzichtig en rustig „ingered worden, zodat de spijkers zich goed in de banden kunnen zetten. Da door wordt de levensduur van de banden en met name van de spijk verlengd. Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in deze richting draaien. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen dezelfde kant als daarvoor laten zitten.
Sneeuwkettingen kunnen, als zij fijne schakels hebben en niet zov ten opzichte van de band uitsteken dat zij tegen de remklauwer andere onderdelen kunnen aanlopen, op de achterwielen van de a aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben goedgekeurde en d Volvo geconstrueerde sneeuwkettingen.
N.B! Met sneeuwkettingen mag nooit sneller dan 60 km/uur gere worden!
Rijd nooit onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de snee kettingen en banden dan zeer snel slijten.
Gebruikt nooit snel te monteren kettingen met losse schakels om de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen daarvoor te klein is
WAARSCHUWING!
Speciale velgen
De enige goedgekeurde „speciale wielen“ voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmetalen velgen die door Volvo-dealers verkocht worden.
Bandenspanning Bandenslijtage
De bandenspanning is belangrijk!
Controleer telkens bij het tanken de bandenspanning! De juiste spanning staat in de tabel hiernaast.
3ij het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rij- ligenschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de banden meer. Denk eraan dat de waarden van de tabel voor koude banden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden varm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het controleren van warme banden geen lucht laten entsnappen. De bandenspanning moet wel verhoogd worden, als deze te laag is.
/oor warme banden gelden, afhankelijk van de temperatuur, 10-30 kPa (1.5-4 psi) hogere waarden.
Bandenspanning, koude banden kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden pounds/square inch (psi).
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | ||
| Voor | Achter | Voor | Achter | |
| 185/65 R 15 | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| Reserveband „Special Spare” | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) |
Als lang en snel gereden wordt (langer dan een uur boven 120 km/uur) en bij het rijden met winterbanden moet de bandenspanning met 30 kPa verhoogd worden. N.B! Dit geldt niet voor de reserveband „Special Spare“. Deze band moet altijd een spanning van 350 kPa hebben.
/oorbeelden van verschillende soorten bandenslijtage

e lage spanning

Te hoge spanning

Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u met de auto iets krijgt dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz.
In dit hoofdstuk worden behandeld:
wielen verwisselen 57
gloeilampen vervangen 60–65
zekeringen vervangen 65–67
lokaliseren van storingen 68, 69
wisserbladen vervangen 70

enk bij het wielen verwisselen aan het ølgende!
3 u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op banden aantekenen, waar het wiel zat, b.v. LV = links vóór, enz. eng ook recht tegenover elkaar verfstippen aan, een op het wiel en n op de naaf, zodat u precies weet hoe het wiel op de naaf zat. Als deze moeite neemt, behoeft u de wielen niet meer te balanceren, als ten weer monteert.
Reservewiel „Special Spare“
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die „Special Spare“ genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
De band heeft de codering 155R15. Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen.
De spanning van deze band moet 350 kPa (3,5 kg/cm²) zijn, ongeacht de lading in de auto en waar het wiel op de auto zit.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reserve-wiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om dat deze band, tezamen met de normale andere banden, de rij-eigenschappen iets kan veranderen.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een „Special Spare“ reservewiel gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen de maximumsnelheid van de auto bestand.
Wiel verwisselen
Gevarendriehoek Gereedschapsdoos

Reservewiel
Krik met krikslinger

Wieldop verwijderen met schroevedraaier

Wielmoeren losdraaien
Wiel verwisselen
Het reservewiel ligt onder de mat op de vloer van de bagageruimte. De krik met de slinger zit tegen de achterwand van de bagageruimte en de gereedschapsdoos zit tegen de wand rechts in de bagageruimte.
Verwijder het wiel als volgt:
- Trek de handrem aan en schakel de 1e versnelling of de achteruit in bij een auto met een handgeschakelde versnellingsbak. Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant.
- Verwijder de wieldop met de schroevedraaier uit de gereedschapdoos.
- Draai de wielmoeren met de pijpsleutel een 1/2-1 slag los. De mooren moeten door linksom te draaien losgedraaid worden: zie de a beelding.

Zo moet de krik zitten

Bij elk wiel zit een kriksteun.
Hang de krik aan de pen in de kriksteun, zoals de afbeelding toont, en draai de krikvoet zo dat deze vlak op de grond drukt.
Controleer opnieuw, of de krik volgens de afbeelding in de kriksteun zit.
Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel vrijkomt.
Verwijder de wielmoeren en neem het wiel af. Pas op en beschadig de schroefdraad van de wielmoeren niet.
WAARSCHUWING!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan.
- Kruip nogit onder de auto, als deze op de krik staat.
- Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden.
- Trek de handrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling of de achteruit in - stand P bij een automatische versnellingsbak.
- Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor stevige houtblokken of grote stenen.
- De bout en het tandsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd zijn.
Wielen aanbrengen
● Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon.
- Breng het wiel aan. Draai de wielmoeren vast. N.B! De conische kant van de wielmoeren moet naar het wiel gekeerd worden; zie de rechter afbeelding op pag. 58.
- Laat de auto zakken en haal de moeren kruiselings aan. Aanhaal-moment 85 Nm (8,5 kgm). Dit is het geval, als u met de copsleutel en steel uit de gereedschapsdoos aanhaalt.
- Breng de wieldop aan.
Gloeilampen vervangen


Gloeilamp in een koplamp vervangen
De gloeilampen van beide koplampen moeten vanuit de motorruimte vervangen worden.
N.B! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beet. Vet en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zetten zich op de reflector af waardoor deze snel slecht wordt.
Doe het volgendes
● Schakel de verlichting uit en draai de contactsleutel in de stand 0.
- Open de motorkap.
- Buig de klemveer, waarmee het plastic deksel vastzit opzij, dit kan zwaar gaan. Verwijder het deksel.
- Trek de connector los; deze kan stevig vastzitten.
Druk de verende ring in en draai deze iets linksom.
- Verwijder de gloeilamp.
- Breng de nieuwe gloeilamp aan volgens de tekening zonder het g met de vingers aan te raken. De gloeilamp heeft drie pasnokken en deze zijn asymmetrisch a gebracht, waardoor de gloeilamp maar op een manier goed zit.

Gloeilamp in een hoeklicht vóór vervangen
Je gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen wor- en.
- Schakel de verlichting uit en draai de contactsleutel in de stand 0.
Laat de connector met draden aan de fitting zitten.
Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp. - Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het hoeklicht. N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de andere is en in de breedste uitsparing in het gat moet passen!
Draai de fitting rechtsom vast en controleer of de gloeilamp licht geeft.

Paspennen op verschillende hoogte
Denk erom dat er in bepaalde landen twee verschillende types gloeilampen voorkomen, 1-polige en 2-polige.
Bij de 2-polige lamp zitten de paspennen op verschillende hoogte. De lamp kan maar op een manier in de fitting aangebracht worden. Por-beer maar! Breng de lamp aan, druk deze naar binnen en draai deze voorzichtig een paar millimeter. Als draaien niet gaat, moet de lamp verwijderd, een 1/2 slag gedraaid en weer aangebracht worden. Als de gloeilamp juist aangebracht is, moet deze vastgedraaid kunnen worden zonder kracht te gebruiken.
Gloeilampen vervangen

Lampen, plaatsing linker kant

Gloeilamp in een achterlicht vervangen
| Gloeilampen (linker kant) | Vermogen | Fitting |
| 1 Reflector | - | - |
| 2 Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 Remlicht* | 21 W | BA 15s |
| 5 Achterlicht | 5 W | BA 15s |
| 6 Achterlicht/remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
* In bepaalde landen mistachterlamp.
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagag ruimte vervangen worden.
Doe het volgende:
● Schakel de verlichting uit en draai de contactsleutel in de stand
● Schroef de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaa De afdekkap zit aan de onderkant vast.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom en ma: deze los. De gloeilamp zit in de fitting vast.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken een paar mm linksom te draaion.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer het achterlicht aan.
N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets bred dan de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor fitting passen.
Draai de fitting rechtsom vast.
Controleer of de gloeilamp licht geeft. Schroef de afdekkap vast.
Gloeilampen vervangen

Naar achteren/beneden trekken
entekenplaatverlichting
chakel de verlichting uit en draai de contact-eutel in de stand 0. Trek de lamphouder xlgens de pijl naar achteren, totdat deze aan a voorkant loslaat.
ervang de gloeilamp.
ontroleer of de pakking goed ligt en pas de mphouder in de voorkant van het gat en druk at achterste deel met de hand omhoog zodat t weer vastzit.

Schroevedraaier insteken en draaien
Motorruimteverlichting
Schakel de verlichting uit.
Steek de schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.

Schroevedraaier naar binnen drukken
Bagageruimte
Schakel de verlichting uit.
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Gloeilampen vervangen

Plafondverlichting en leeslampjes
Schakel de verlichting uit.
Pak het voorste deel van het lamphuis vast (zie de afbeelding) en trek het recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng het lamphuis weer aan.
Gloeilamp
Plafondverlichting Leeslampjes
Vermogen
10 W 5 W
Fitting
S8.5
W2.1×9.5d
Lamphouder
Rubber hoes

Licht
Zijknipperlicht (bepaalde landen)
De gloeilamp moet van buitenaf worden ve vangen. Schuif de lamp naar voren en trek achterkant eruit. Daarna kan de gehele lam verwijderd worden. Laat de draden in de lamp houder zitten en trek de lamphouder eru Trek de kapotte gloeilamp er recht uit.
Als u de gloeilamp heeft vervangen en de larn weer wilt aanbrengen, moet u erop letten d de gehele rubber pakking in het gat in het spa bord komt.
Gloeilampen, zekeringen vervangen

listlamp of verstraler
raai de twee kruiskopschroeven los.
erwijder de schroeven en de „hoekstukken“ en trek de reflector naar oren/buiten. Breng de veren die de gloeilamp vasthouden uit elkaar a buig deze omhoog.
rek de connector van de draad naar de gloeilamp los en breng een ieuwe gloeilamp aan.
reng alle onderdelen in de omgekeerde volgorde als bij het verwij- en aan. Denk om de tekst TOP op het lampeglas! Deze moet aan de ovenkant zitten.
.B! Pak de gloeilamp nooit met de vingers aan het glas beet et en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en etten zich op de reflector af; deze wordt dan snel slecht.

Zekering vervangen
Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos voor het asbakie in de tunnelconsole.
Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen:
- Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag en licht het asbakje uit.
- Druk de druktoest met de tekst „electrical fuses – press” van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en verwijder de houder.
U ziet nu de 22 zekeringen in twee series zitten. Misschien zien de zekeringen er voor u niet gewoon uit: die komt, omdat zij van een nieuw, beter en nauwkeuriger type dan vroeger zijn.
Zekeringen
De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zij doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst hiernaast kijken om te weten welke zekeringen gecontroleerd moet worden.
Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de gebogen draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met dezelfde kleur en ampère-aanduiding als de oude aan – het cijfer staat op de zekering! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zekeringenkastje, een 15 (blauwe), een 25 (lichtgele) en een 30 (groene) ampère zekering.
Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er iets met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor controle naar een Volvo-garage.
Als u in het volledige bedradingsschema met o.a. de werking en plaatsing van de relais geïnteresseerd bent, raden wij u ons Servicehandboek aan. Dit kunt u bij uw Volvo-dealer bestellen.

Nr
Ampér
1 Reserve 2
2 Centrale vergrendeling, waarschu-
wingsknipperlichten, grootlichtsignaal 2
3 Verstralers, mistlampen 1
4 Remlichten 1
5 Handschoenenkastjeverlichting, klokje, radio, motorruimteverlichting, binnenverlichting, bagageruimteverlichting, motor-bediende antenne, waarschuwingslampen in portieren
6 Elektrisch verwarmde voorstoelen 2
7 Elektrisch bediende raam-
mechanismen 3
8 Waarschuwingslampje defecte gloeilamp 1
9 Elektrische achterruitverwarming, airconditioning, elektrisch bediend schuifdak 3
10 Instrumenten, achteruitrijlampen,
cruise control, waarschuwingslampje
oliepeil
11 Richtingaanwijzers, overdrive, brand-stofklep, voorverwarmingsautomaat 1
12 Sigare-aansteker, elektrisch bediende buitenspiegels, radio, elektrisch bediende bestuurdersstoel
Zekeringen
lr
Ampéres
3 Claxons, ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers 25
4 Luchtaanjager, airconditioning 30
5 Reserve 15
6 Mistachterlampen, automatische regeling koplampen 15
7 Linker grootlicht 15
8. Rechter grootlicht, extra koplamp 15
9 Linker dimlicht 15
0. Rechter dimlicht 15
1 Achterlichten, kentekenplaatverlichting 15 Linker parkeerlicht, vóór en achter Verlichting van:
asbakje, kachelbediening, schakelaar schuifdak en achterruitverwarming Bij auto's met stuur links bovendien verlichting van instrumenten en schakelaars links van het stuur,
2 Verlichting snelsluiting autogordels, rechter parkeerlicht vóór en achter, verlichting opbergvak tussen voor-stoelen, extra koplamp
Bij auto's met stuur rechts bovendien verlichting van instrumenten en schakelaars rechts van het stuur Reservezekeringen
Voor degene die vinden dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn, is een „targetje“ gemaakt dat rechts aan de zijkant van de zekeringenruimte aangebracht is.

1 Druk het tangetje op de zekering.
2 Trek de zekering rechtomhoog los met het tangetje.

3 Trek de zekering uit het tangetje en schuif er een nieuwe in.
4 Druk de nieuwe zekering met het tangetje op zijn plaats.
5 Trek het tangetje eraf.

Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat niet aan (de startmotor draait de motor niet met normaal toerental rond of de startmotor werkt helemaal niet)
De accu is slecht geladen of geheel ontladen.
Slecht contact bij de aansluitingen van de accu of de startmotor.
Defect in de startmotor.
Defect in het startslot.
Laat de accu opladen of plaats een nieuwe accu.
Eventueel kan de auto door slepen of met een hulpaccu gestart
worden.
Zoek de oorzaak voor het ontladen van de accu op.
Maak de poolschoenen en alle aansluitingen goed schoon en zet hen goed vast.
Breng de auto voor reparatie naar een Volvo-garage.
De motor slaat niet aan (ook al draait de startmotor de motor met normaal toerental rond)
Er komt geen brandstof.
De zekering voor de magneetklep van de inspuitpomp is stuk.
Er zit water of vuil in de brandstof.
Wasafscheiding in het brandstofffilter (bij koud weer).
Defect in het injectiesysteem.
Controleer of er brandstof in de tank zit en tot bij de motor komt.
Controleer en vervang eventueel zekering nr 11 in het zekeringenkastje (zie pag. 66, 67).
Tap via de bodemplug water uit het brandstofffilter af.
Zet de auto in een warme ruimte, vervang het brandstofffilter en vul met winterbrandstof (zie pag. 92, 93).
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor trekt niet goed
/erstopt luchtfilter.
/erstopt brandstofffilter.
Controleer het luchtfilter.
Tap via de bodemplug water uit het brandstofffilter af of vervang het filter en zorg ervoor om bij koud weer winterbrandstof te gebruiken.
De motor wil niet afslaan
le systeemdrukregelaar blijft hangen.
loodstophefboom p de inspuitpump
Vooruit

Laat de motor razen en draai de startsleutel weer uit of schakel de 3e of 4e versnelling in, trap op de rem en laat het koppelingspedal opkomen.
Bij auto's met automatische versnellingsbak: Gebruik de noodstophefboom op de inspuitpomp (zie afbeelding).
N.B. Deze hefboom is alleen op auto's met automatische versnellingsbak aanwezig.
Ruitewissers/koplampwissers, wisserblad vervangen

Klap de wisserarm om en houd het wisserblad haaks op de wisserarm. Druk de borgveer aan de achterkant wan de wisserarm naar binnen.

Trek het gehele wisserblad naar beneden, zo- dat het „oog” van de arm helemaal door het gat in de bevestiging van het wisserblad komt.

Breng het nieuwe wisserblad in de tegengestelde volgorde aan en controleer, of het goed vastzit!
Voor uw eigen veiligheid en die van andere verkeersdeelnemers moeten de ruitewisserbladen vervangen worden, als deze strepen op de ruit achterlaten en deze dus niet meer goed schoon wissen.

Lang. Naar het midden van de auto
Koplampwisser vervangen
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisse blad naar buiten los. Druk het nieuwe wisse blad met het langste uiteinde naar het midd van de auto vast.
Controleer, of het wisserblad goed vastzit!
Carrosserie-onderhoud - niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
roestwerende behandeling, controleren en bijwerken 72, 73
lakbeschadigingen, controleren en bijwerken 74, 75
auto wassen 76,77
Roestwerende behandeling – controleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een zeer nauwkeurige en volle dige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderste en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en geslotes secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof.
Wat kunt u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende be handeling in goede staat te houden?
Wel, er zijn vooral twee zeer effectieve methods:
- Houd de auto schoon! Spoel het onderstel, de wielkuipen en dispatschermranden onder hoge druk schoon.
- Laat de roestwerende behandeling regelmatig controleren en waa nodig bijwerken.
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling in balken, holle ruimter en gesloten secties moet voor de eerste maal na tenhoogste drie jaar en daarna tenminste om het jaar vernieuwd worden.
Denk eraan dat deze plaatsen voor het verkrijgen van een perfec resultaat moeten worden ingespoten in een bedrijf met een goed vernevelapparatuur en de juiste sproelers. Vraag uw Volvo-garage or advies.
Roestwerende behandeling
De „zichtbare“ roestwerende behandeling
De „zichtbare“ roestwerende behandeling moet regelmatig gecontro- eerd en zo nodig bijgewerkt worden, tenminste een maal per jaar. Als de roestwerende behandeling ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddellijk laten doen om te voorkomen dat vocht onder de roestverende laag komt.
De bij te werken plaats moet echter schoon en droog zijn! De auto moet dus goed afgespoeld, gewassen en drooggemaakt worden. Gebruik een roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwastje op. Een gewone drukoliekan met een lange en liefst bulgzame tuit is uitstekend geschikt om bij nauwe plaatsen te kunnen komen.
Er zijn drie verschillende types roestwerend middel:
1) een dun (type ML) voor balken, holle ruimten en gesloten secties
2) een dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen
) een dik voor slijtplekken van het onderstel en van de wielkuipen.
/ermoedelijke plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn 2.v.:
Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype b)
▶ Onderstel en wielkuipen (vloeistoftype c)
Gefelste randen van de motorkap (vloeistoftype b)
▶ Portierscharnieren (vloeistoftype b).
Motorkapscharnieren en -slot (vloeistoftype b).
Als de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel net een lap die met terpentine bevochtigd is, verwijderd worden.
Motorkapscharnieren en -slot

Portierscharnieren
Onderstel en
wielkuipen

Drukoliekan met buigzame tuit
Lakbeschadigingen bijwerken
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk worden behandeld om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn:
- Kleine steenslagplekken en krassen.
- Afbladderende spatschermranden en drempels b.v.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.
Lakkleurcode
Let erop dat u de juiste lakkleur heeft. Controleer dit met het codenummer voor de lakkleur dat op het typeplaatje op het rechter binnenscherm in de motorruimte staat.

Lakkleurcode
Kleine steenslagplekken en krassen
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
- Grondlak – bus.
Lak – bus of zogenaamde lakpen - Pennemesje of iets dergelijks.
Pensel.
Als de steenslagplek niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan de lak direct opgebracht worden, als vuil weggeschraapt is.
Als de steenslagplek tot de plaat doorge- drongen is, moet u het volgende doen:
- Schraap het beschadigde oppervlak tot op de plaat schoon en schuin de lakranden met b.v. een pennemesje af (zie afbeelding 1).

Tot op de plaat schoonschrapen
- Breng het roestverwijderingsmiddel – den om ogen en huid – met een penseel op wacht een paar minuten en spoel dan goe met water af.
- Roer de grondlak (de primer) goed om een breng deze met een fijn penseeltje of me een lucifer op (afbeelding 2).

- Als de grondlak goed droog is, kan de einc lak met een penseel opgebracht worder Roer de lak goed om en breng deze daarn enkele malen dun op en laat de lak daar tussen goed drogen.
Lakbeschadigingen bijwerken
Bij krassen doet u, zoals hierboven beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak af te plakken (zie afbeelding 3).

Wacht een paar dagen met de nabehandeling. Gebruik een zachte doek en wees zuinig met de polijstpasta.
Bijwerken van afbladderende spatschermranden en drempels
Materialen:
- Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) – tube of bus.
- Grondlak – spuitbus
Lak spuitbus
- Polijstpapier (korrelfijnheid 150–300).
● Thinner
Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is.
- Verwijder loszittende bladders.
● Schuur het beschadigde vlak schoon en reinning het met thinner.
- Breng het roestverwijderingsmiddel – denk om ogen en huid – met een penseel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af.
Maak het vlak goed droog!
Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten moet u de spuitbus met gelijkmatige snelheid op een afstand van 20-30 cm van het vlak heen en weer bewegen; zie de afbeelding. Bescherm de omringende vlakken met karton.

Spuitbus zo houden
- Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit een paar maal en laat de lak daartussen een paar minuten drogen.
Wassen
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto, zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, omdat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroorzaken.
Op de volgende manier kunt u de auto wassen:
- Spoel het vuil aan de onderkant van de auto (wielkuipen, spatschermranden, enz.) zorgvuldig af.
- Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is.
- Was de auto met een spons (met of zonder wasmiddel) en veel water. Gebruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een spoelputje gebeuren.
- Spoel daarna de auto met schoon water goed na, met name als een koud-ontvettingsmiddel gebruikt is.
- Droog de auto af met een schone zachte zeem.
- Motor-bediende antenne (extra uitrusting); moet worden afgedroogd en met een met olie bevochtigd doekje licht worden ingesmeerd.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 50–100 cm³ gewoon vloeibaar afwasmiddel op 10 liter water.
Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden. Gebruik nooit polijstpasta of staalwol. Roestvrijstalen onderdelen kunnen met een chroompoetsmiddel gereinigd worden.
Denk eraan...
Om vogelvuil altijd zo snel mogelijk van de lak te verwijderen. Het bevat namelijk chemische stoffen die de lak heel snel aantasten en doen verkleuren. De verkleuring kan niet weggepoetst worden.
WAARSCHUWING!
Als onmiddellijk na het wassen met de auto gereden wordt, moet eerst voorzichtig geremd worden, zodat vocht van de remvoeringen kan verdwijnen!
N.B! Bij het wassen moet u de afwateringsgaten in de portieren en d drempels telkens goed schoonmaken om te voorkomen dat deze doc modder en vuil verstopt raken.

Automatische wasinrichting – snel en eenvoudig, maar...
Met een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig schoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat een automatische wasinrichting de auto niet zo effectief en voorzichtig wast als u zelf net de hand met spons en water doet. Het onderstel van de auto wordt veel wasautomaten niet afgespoeld, terwijl dit met name in de winter van groot belang is.
et erop, dat eventuele extra uitrusting – extra koplampen, buitenspiejels, antennes – goed vastzitten, want anders bestaat er kans dat de borstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Schroef v. liefst de antenne los, als dit eenvoudig te doen is, (eventueel aan- vezige motor-bediende antenne ingetrokken).
Bij het wassen in een automatische wasinrichting met borstels moet u le armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de oplampen leggen.
To wordt verhinderd dat de borstels de armen pakken en het wissernechanisme beschadigen.
1.B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale tand te brengen, als het wassen klaar is.
Vas uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels! Vas uw auto de eerste zes maanden liefst niet in een automatische vasinrichting – omdat de lak dan nog niet hard genoeg is –.
Jenk eraan, dat wassen in een automatische wasinrichting wassen net de hand nooit kan vervangen!
U moet de auto cleanen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en als u de lak een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak voor de winter.
Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gecleaned te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat cleanen en/of in de was zeiten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Moeilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak ("rubbing") verwijderd worden.
Polijst eerst met polish en behandel de auto daarna met vloeibare of vaste was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was.
Tegenwoordig zijn er veel verschillende merken zogenaamde poly- mere wassen in de handel die voor autolak bestemd zijn.
Het is gemakkelijk werken met de polymere wassen en zij geven een zeer hard en glanzend opperviak dat de lak tegen oxydatie, vuil en verbleken beschermt.
Bekleding reinigen
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt.
Vermijd schuren en schrobben met een harde borstel.
Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zij ingedroogd zijn.
De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of weggeschuurd worden.
Ontvlekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90%-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammoniak-zeep-oplossing: bovenstaande ammoniakoplossing wordt med 1 di zeepwater gemengd. Zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen.
Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoeveelheden perchloorethyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Perchloorethyleen-benzine moet niet voor vochtige materialen gebruikt worden. Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden.
Spiritus
Terpentine
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat perchloorethyleendampen erg giftig zijn. Let erop dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden.
Denk er ook om dat wasbenzine, spiritus en terpentine brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlekken zo snel mogelijk.
Verwijder het grootste deel van de vlek met een bot mes of iets derg liiks.
Zuig van de vlek zo veel mogelijk met schone witte doeken op. Stofzu rondom de vlekken, zodat omringend vuil niet oplost.
Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolge het oplosmiddel en de vlekken met een droge wattenprop op. Herha de behandeling tot de vlekken verdwenen zijn.
Denk aan het volgende:
- Bij verfvlekken, b.v. inkt, balpuntpennen, lippestift, moet heel voor zichtig gewerkt worden met het ontvlekkingsmiddel, omdat kleurstof in de vlek opgelost kan worden en de vlek daardoor grot wordt.
- Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel k het schuimplastic in de zitting beschadigen.
- Werk altijd van buiten naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Vlekken op leer en vinylbekleding behandele
Krab of wrijf nooit op een vlek.
Gebruik nooit sterke ontvlekkingsmiddelen.
Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpentine iets dergeliiks gebruiken.
Reinig daarna met een zwakke zeepoplossing en lauw water.
Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft Volvo-garage gaarne alle inlichtingen.
Regelmatig onderhoud – dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op, omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze langer meegaat. En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daarom over:
Volvo Service 80
om aan te denken! 81
de motorruimte 83
motorolie, controleren en verversen 84, 85
versnellingsbakolie, achterasolie, peil controleren 86, 87
stuurbekrachtiging, remmen, vloeistofpeil controleren 88
carrosseriesmering 89
koelvloeistof
controleren en vervangen 90
V-riemen, controleren 91
brandstofsysteem 92
brandstofffilter 93
Volvo Service
Deze inspectie moet uw auto krijgen
Voordat u uw auto in ontvangst nam, heeft deze twee inspecties gehad. De eerste werd in de fabriek uitgevoerd en de tweede was de afleveringsinspectie die door uw Volvo-dealer volgens de instructies van de Volvo-fabrieken werd uitgevoerd.
De garantie-inspectie moet de auto na 1000–2000 km krijgen. Breng de auto liefst naar de dealer die de auto geleverd heeft. Bij de garantie-inspectie worden veel controles uitgevoerd, terwijl ook de olie in de motor, de versnellingsbak en de achterasoverbrenging ververst wordt.
Preventief onderhoud
De verzorging van uw auto door Volvo eindigt niet met de garantie-inspectie. Volvo heeft een serviceprogramma ontwikkeld met regelmatige controle- en onderhoudsmaatregelen die nodig zijn om tussen de inspectiebeurten de verkeers- en bedrijfszekerheid van de auto te behouden.
Het serviceprogramma van Volvo is flexibel en houdt rekening met milieu- en klimaatomstandigheden, wettelijke bepalingen, enz. Dit betekent ook dat van land tot land bepaalde variaties kunnen voorkomen met betrekking tot de inhoud en de intervallen van de inspecties. Alle inspectie-intervallen zijn op normaal autogebruik berekend. Als u van mening bent dat uw rijstijl meer dan normaal van de auto vergt, moet u passende service-intervallen met uw dealer bespreken. Dan kunt u ook aan de weet komen welke maatregelen tot het programma behoren.
BELANGRIJK!
Voor de geldigheid van onze garantievoorwaarden stellen wij als absolute eis dat genoemde garantie-inspectiebeurt wordt uitgevoerd bij ongeveer de juiste kilometerstand en dat de auto overeenkomstig de instructies van deze handleiding is onderhouden, dat b.v. de voorge-schreven olieverversingen en de 1000 km inspectiebeurten bij de juiste kilometerstand worden uitgevoerd en ook dat reparaties en inspectie-beurten bij een erkende Volvo-garage worden uitgevoerd.
Servicehandboeken – voor u met uw technische belangstelling
Als u meer over de constructie wilt weten dan in deze handleiding verteld kan worden en als u nauwkeurige informatie over afstellingen en reparaties wilt hebben, moet u Volvo Servicehandboeken hebben. Dit zijn dezelfde boeken als in Volvo-garages gebruikt worden en u kunt deze via uw Volvo-dealer of rechtstreeks van Volvo betrekken.
Denk eraan dat...
- onderhoud nodig is om de auto in een verkeers- en bedrijfszekere toestand te houden.
- uitgesteld onderhoud de kans op een grotere uitstoot van milieugevaarlijke uitlaatgassen meebrengt.
- onderhoud het eenvoudigst en best bij een Volvo-garage uitgevoerd kan worden. Deze heeft voor het merk gespecialiseerd personeel met speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur.
- elke onderhoudsbeurt wordt afgesloten met een stempel in het garantie/serviceboekje. Een „goed-gestempeld“ garantie/serviceboekje verhoogt de tweedehandswaarde van de auto.
Denk aan het volgende, voordat u aan uw auto gaat werken:
Uw auto heeft een wisselstroomdynamo!
Bij werkzaamheden aan de elektrische installatie moet u aan het volgende denken, omdat u anders kostbare en tijdrovende reparaties aan de dynamo krijgt.
- Overtuig u ervan dat de accukabels goed aangesloten zijn en stevig vastzitten.
Als bij het starten een hulpaccu gebruikt wordt, moet de +pool aan de +pool en de -pool aan de massa aangesloten worden.
Maak nooit een accukabel los bij draaiende motor (b.v. bij het vervangen van een accu).
Maak bij elektrisch lassen eerst de massakabel van de accu en daarna alle kabels naar de dynamo los. - Bij gebruik van een snellader moeten de accukabels losgemaakt zijn. Snelladers mogen als hulp bij het starten gebruikt worden, maar zij moeten uitgeschakeld zijn, als de kabels aangebracht en verwijderd worden.
Injectiesysteem van de motor
Pas bij alle werkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem ervoor op dat geen vuil in het systeem komt.
Nerkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem moet u overlaten aan een Volvo-garage die de juiste apparatuur heeft.
Auto opkrikken
Als de auto met een garagekrik omhooggebracht wordt, moeten de dier kriksteunen (twee aan elke kant) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel speciaal versterkt.
Een garagekrik kan ook onder het gegoten achterashuis of onder de vooras midden tussen de voorwielen aangebracht worden.
3eschadig de afschermplaat onder de motor niet.
.et erop dat de krik goed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de krik afglijdt.
Gebruik altijd bokken of iets dergelijks.
Als de auto met een hefbrug met twee kolommen wordt opgekrikt, moeten de voorste hefarmen onder de steunen van de draagarmstangen (zie de afbeelding) worden aangebracht en niet onder de kriksteunen! Anders wordt de auto van voren te zwaar, zodat bij werkzaamheden aan de achteras en de achtervoren het achterste deel van de auto los kan komen van de achterste hefarmen.
De achterste hofarmen moeten onder de achterste kriksteunen worden aangebracht.
De originele autokrik moet bij wielen verwisselen worden gebruikt. Zie hiervoor pagina 56 en 58.

Steunen van draagarmstangen

1 Typeplaatje
2 Expansietank, koel-
systeem
3 Turbo-compressor
4 Bijvullen, motorolie
5 Insputpomp
3 Oliepeilstok, motor
7 Remvloeistofreservoir
3 Vloeistofreservoir, ruite-/koplampsproeiers
3 Luchtfilter
) Brandstofffilter
1 Oliereservoir,
stuurbekrachtiging
2 Accu
3 Kilometerteller (alleen Zweden)

Motorolie
Oliepeil altijd bij het tanken controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut, nadat de motor afgezet is. Veeg vóór de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het kader van de peilstok liggen. De afstand tussen het merkteken MAX en MIN van de peilstok is ca 1 liter.
Eventueel olie bijvullen
Gebruik dezelfde oliesoort als in de motor zit. Zie de volgende pagina Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt – ca 7 liter als u tegelijker tijd ook het filter vervangt, anders 6,2 liter – komt he oliepeil ongeveer in het midden van het kader van de peilstok te ligger d.w.z. midden tussen de merktekens MAX en MIN hetgeen geheel nor
maal is. Vul niet met teveel olie dan wordt het olieverbruik hoger

De aftapschroef zit helemaal achter in de oliepan van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is.
WAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!
Een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen
Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg.
)liekwaliteit:
olgens API Service tenminste CD*.
oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD voldoen aan deze normen. synthetische of halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden, als eze aan bovenstaande API-normen voldoen.
'iscositeit (bij constante luchttemperatuur)

bar
| Temperature (°C) | Value | |---|---| | -30 | -22 | | -20 | -4 | | -10 | 14 | | 0 | 32 | | 10 | 50 | | 20 | 68 | | 30 | 86 | | 40 | 104 | Legend: SAE 5W/30, SAE 10W/30, SAE 15W/40, SAE 20W/40, SAE 30, SAE 40.j extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olictemperatuur een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelagen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden. Denkichter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: zonder oliefilter 6,2 liter met oliefilter 7,0 liter
Controleer altijd bij het tanken het oliepell.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000-2000 km. Daarna moet het volgens onderstaande tabel gebeuren.
| Rij-omstandigheden | Interval olie verversen en oliefilter vervangen |
| Ongunstige omstandigheden zoals bij...langdurig rijden in stoffige/zanderige omgevinglangdurig rijden met caravan/aanhangerlangdurig rijden in bergterreinlangdurig rijden met hoge snelheidlangdurig stationair lopen of rijden met lage snelheidlage temperaturen (onder 0°C) met voor-namelijk korte afstanden (korter dan 10 km) | Om de 7500 km of om de 3 maanden, afhankelijk van hetgeen het eerst het geval is en een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen. |
| Normale rij-omstandigheden, d.w.z. rij-omstandigheden die hierboven niet zijn genoemd. | Om de 7500 km of om de 6 maanden, afhankelijk van hetgeen het eerst het geval is en een maal oliefilter vervangen op twee maal olie verversen. |
Versnellingsbakolie Achterasolie

Versnellingsbak
Het oliepeil moet tot aan de rand van het vulgat staan. De versnellingsbak en de overdrive worden met dezelfde olie gesmeerd.
Indien nodig, moet via het peil/vulgat olie bijgevuld worden. Wacht, totdat u ziet dat de olie naar de overdrive kan overlopen.
Oliekwaliteit: ATF-olie type F of G bij alle temperaturen.
In een klimaat, waarin de temperatuur zelden onder -10^ (14°F) komt, kan ook motorolie SAE 10 W/40 gebruikt worden.
N.B! ATF-olie en motorolie mogen niet met elkaar gemengd worden! Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt.
Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 1000-2000 km.

Achterasoverbrenging
De olie moet tot aan de rand van het vulgat staan. Indien nodig, m via het peil-/vulgat olie bijgevuld worden.
Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C). SAE 90 of SAE 80 W/9 Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt.
Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie na 100 2000 km.
Versnellingsbakolie (automatische versnellingsbak)

Peilstok met geel handvat

A Koude versnellingsbakolie - olietemperatuur +40°C. Deze temperatuur wordt na ca 10 minuten stationair lopen in de garage of werkplaats bereikt. Bij een olietemperatuur onder +40°C kan het peil onder het MIN-streepje liggen. B Warme versnellingsbakolie - olietemperatuur +90°C. Deze temperatuur wordt in ca 30 minuten bij snel rijden op buitenwegen bereikt. Bij een olietemperatuur boven +90°C kan het peil boven het MAX-streepje liggen.
N.B! Bij oliepeilcontroles moet de motor stationair lopen!
utomatische versnellingsbak
| het controleren van het ollepeil moet u het lgende doen:
t de auto horizontaal en laat de motor statio- lr lopen. Breng de keuzehendel via alle ver- ellingen in stand P. Wacht twee minuten en ntroleer het oliepeil. Op bovenstaande cening is zichtbaar dat de peilstok een pude" en een „warme" kant heeft. Het olie- ll moet tussen de streepjes MAX en MIN gen. Veeg de peilstok af met een nylonlap, pier of zeemleer of met een lap die geen sten op de peilstok achterlaat. N.B! De olie n erg heet zijn!
Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de streepjes MAX en MIN is ca 0,4 liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie eruit gooien. Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet als deze nog koud is.
Oliekwallitelt: ATF-olie type Dexron II D bij alle temperaturen.
Oliepeil controleren: bij elke inspectiebeurt, maar tenminste elk half jaar.
Olie verversen: elke 40 000 km.
WAARSCHUWING!
Mors nooit olie op de hete uitlaatpijpen! Brandgevaar!
Stuurbekrachtigingsvloeistof Remvloeistof

Peilstok stuurbekrachtigingsreservoir

Remvloeistofreservoir
Plaatsing reservoir stuurbekrachtigings- en remvloeistof
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Het oliepeil mag niet boven de merkstrepen op de peilstok liggen; de peilstok zit vast onder het deksel en heeft verschillende merkstrepen voor warme en voor koude olie. Na het rijden mag het oliepeil niet boven de merkstreep HOT en bij het controleren niet boven COLD liggen. Vul olie bij, als het peil bij ADD ligt.
Oliekwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: 0,7 liter
Oliepell controleren: bij elke onderhoudsbeurt
Olie verversen: is niet nodig.
Remvloeistof
Het vloeistofpeil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. Vloeistoftype: remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703).
Vloeistofpeil controleren: altijd bij het tanken. Vloeistof verversen: om de 2 jaar
N.B! Bij auto's, waarmee zo gereden wordt dat de remmen vaak e zwaar gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen, moet o vloeistof elk jaar ververst worden. Dit verversen behoort niet tot een inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een in spectiebeurt bij een Volvo-garage te laten doen.


1 Portieruitsteller - zit bij het onderste portierscharnier
| r Smeerplaats (aantal) | Smeer-middel | Nr | Smeerplaats (aantal) | Smeer-middel | Smeer de carrosserie een of meer malen per jaar; dan voorkomt u piepen en onnodige slij-tage. |
| Motorkapslot (1) | Paraffine | 7 | Raammechanismen (4) | Olie, vet | |
| Motorkapscharnieren (2) | Olie | Sluitingen (binnenkant portieren) (4) | Siliconen-vet | N.B! | |
| Portieruitstellers (4) | Olie | In de wintermaanden moeten ook de sloten van de portieren en het kofferdeksel behandeld worden met een middel dat vastvriezen voor-komt (slotenolie). | |||
| Windscherm, schuifdak (1) | Olie | 8 | Rails (4) en blokkeer-inrichtingen (2) | Olie | |
| Portiersloten, buitenste glijvlakken (4) | Paraffine | 9 | Sleutelgaten (2) | Slotenolie | |
| Slotje kofferdeksel (1) | Olie | 10 | Sluitplaten (4) | Paraffine | |
| Sleutelgat (1) | Slotenolie |

Koelvloeistof
Samenstelling van de koelvloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebruik het gehele jaar een mengsel van 50 % Volvo anti-vries, type C (blauwgroen) en 50 % water. Verschillende koelvloeistoffen mogen niet met elkaar gemengd worden!
Door de anti-vries wordt in de zomer corrosie en in de winter ook bevriezen voorkomen. Als de auto nieuw is, is het koelsysteem gevuld met koelvloeistof die tegen -35°C kan.
Inhoud van het koelsysteem: ca 9,7 liter. Koelvloeistofpeil controleren: altijd bij het tanken.
Koelvloeistof verversen: om de 3 jaar in de herfst, als het koelsysteem voor 50 % met Volvo anti-vries, type C en voor 50 % met water gevuld is.
Als het koelsysteem met een andere anti-vries gevuld is, moet deze vaker ververst worden, b.v. in de herfst elk jaar of om het jaar.
Koelvloeistof altijd bij het tanken controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vloeistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Schroef, als bijgevuld moet worden en de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ont-snappen.
Koelvloeistof om de 3 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Zet de kachelbediening op het instrumentenpaneel op WARM.
2. Verwijder de dop van de expansietank.
3 Draai de aftapkraan open.
4 Maak de onderste radiatorslang los bij de radiator.
Vullen
5 Schroef de onderste radiatorslang vast.
6 Draai de aftapkraan dicht.
7 Maak de bovenste slang voor de koudstartinrichting los en zet een lekbak onder de slang.
8 Vul de expansietank tot het Max-streep of nog iets hoger.
9 Laat de motor circa 5 minuten warr draaien en controleer het koelsystee op lekkage en vul ondertussen koelvlost of bij.
10 Breng de slang op de koud-startinrichtir aan en vul de expansietank geheel - t boven het Max-streepje.
Draai de dop op de expansietank.
N.B!
De motor mag alleen lopen met een goed g vuld koelsysteem. Als dit niet goed gevuld kunnen plaatselijk hoge temperaturen optr den met kans op beschadiging (barsten) v de cilinderkop.


Ventilatorriemen en V-riemen voor de airconditioning stuurbekrachtiging, ventilator en dynamo
Laat een Volvo-garage de riemen afstellen en vervangen
Door de plaats van de riemen kan het erg lastig zijn om zelf een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit daarom aan een Volvo-garage over.

De riemen moeten met normale kracht in het midden 5–10 mm ingedrukt kunnen worden. Als de riemen kortgeleden vervangen zijn, moet de spanning na 1000–2000 km gecontroleerd en eventueel afgesteld worden.
Toestand van de riemen controleren
Controleer regelmatig of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vuile riemen kunnen de oorzaak zijn van een slechte koeling en een laag dynamovermogen en ook van een slecht werkende stuurbekrachtiging en airconditioning.
Brandstofsysteem

Brandstofsysteem
Denk er aan, dat u altijd de grootst mogelijke reinheid in acht neemt, wanneer u aan het brandstofsysteem van een Dieselmotor werkt. Gebruik altijd dieselolie die door de bekende oliemaatschappijen wordt verkocht. Gebruik nooit dieselolie van onbekende kwaliteit. Gedurende de winter met zijn lage temperaturen behoort men de speciale winterbrandstof te gebruiken die door de grote oliemaatschappijen verkocht wordt. De winterbrandstof is vluchtiger en daardoor wordt het risico van wasafscheiding in het brandstofsysteem verminderd. Als het niet mogelijk is winterbrandstof krijgen, kunt u zelf 25–40 % (zuivere) petroleum bijmengen, zie blz. 97 Zorg ervoor, dat de tank zo vol mogelijk is, dan wordt het ontstaan van condenswater vermeden.
Wanneer u brandstof bijvult bij een servicestation, zorg er dan altijd voor dat alles rond het vulgat en de vuldop schoon is. Vult u zelf uit een vat brandstof bij, filtreer deze dan en zorg ervoor, dat alle gebruikt vaten schoon zijn.
N.B.
De verzegeling, die op de inspuitpomp zit, mag nooit door een onbevoegde monteur verwijderd worden. Indien dit toch gebeurt, vervalt alle garantie. De inspuitpomp moet volgens de wettelijke voorschriften verzegeld zijn.
Wanneer u geen brandstof meer heeft
Wanneer u geen brandstof meer in de tank heeft, hoeft u geen specia maatregelen te nemen, nadat u nieuwe brandstof heeft bijgevuld. H z.g. „ontluchten“ van het brandstofsysteem, dat noodzakelijk was I vele oudere Diesel-auto's, is n.l. niet langer nodig, omdat de inspu pomp van uw Volvo Diesel „zelf-onluchtend“ werkt. Wanneer de tar geheel leeg was, is het heel normaal, dat u de startmotor eventij moet laten draaien, voordat het hele brandstofsysteem met nieuw brandstof is gevuld en de motor aanslaat.
Water aftappen uit het brandstofffilter
n het brandstofffilter van de motor wordt geleidelijk condenswater uit je brandstoftank afgescheiden.
Als dit water via de inspuitpomp in de motor komt, kunnen storingen optreden. Daarom moet het water in het brandstofffilter om de 7500 km worden afgetapt; dit kan het beste in verband met olie verversen gebeuren.
let aftappen is heel eenvoudig en gaat als volgt:
Zet onder de aftapschroef onder in het filter een opvangbak.
Draai met een schroevedraaier de ontluchtingsschroef een paar slagen los.
Draai de aftapschroef met de hand los.
Tap af, totdat zuivere brandstof naar buiten komt.
Draai de aftapschroef vast.
Draai met de schroevedraaier de ontluchtingsschroef vast.
▶ Verwijder de opvangbak.
Ontluchtingsschroef

Specificaties en technische gegevens
Nieuwe eenheden
In het onderstaande hoofdstuk van de handleiding worden voor de specificaties de nieuwe SI-eenheden gebruikt. De oude eenheden zijn tussen haakjes vermeld. De in de handleiding gebruikte nieuwe eenheden zijn:
kW - kilowatt als eenheid van vermogen
oude eenheid pk (paardekracht)
100 kW = ca 136 pk
Nm - newtonmeter als eenheid van koppel
oude eenheid kgm (kilogrammeter)
100 Nm = ca 10 kgm
r/s - omwentelingen per seconde
oude eenheid t/min (omwentelingen per minuut)
100 r/s = 6000 t/min
kPa - kilopascal
(druk van vloeistoffen, gassen)
oude eenheid kg/cm²
100 kPa = ca 1 kg/cm²
Maten en gewichten
Lengte 479 cm
Breedte 176 cm
Hoogte 141 cm
Wielbasis 277 cm
Spoorbreedte, vóór 146 cm
Spoorbredte, achter 146 cm
Draaicirkel 9,9 m
Toegestane belasting
( behalve de bestuurder)* 415-460 kg
Totaalgewicht 1900 ^1 kg
Maximumasdruk, vóór 950 ^2 kg
Maximumasdruk, achter 950 kg
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumaanhanggewicht 1500 kg
(1600 kg bij rijden met maximal 70 km/uur
* De toegestane asdruk mag nooit overschreden worden!
1) België: 1870 kg
2) Belgie: 940 kg
Type-aanduidingen
Bij alle contacten met uw Volvo-dealer over de auto en bij het bestellen van service-onderdelen en accessoires kan het gemakkelijk zijn, als u de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto kent.
1 Type- en modeljaaraanduiding en chassis-nummer
Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op de achterwand van de bagageruimte.
2 Type-aanduiding, toegestane maximum-gewichten en codenummers voor lakkleur en bekleding
Plaatje op het rechter binnenscherm.
3 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer van de motor Aan de linker kant van de motor, onder de vacuumpomp.
4 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricage-nummer van de versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak: aan de onderkant. Automatische versnellingsbak: aan de linker kant.
5 Overbrengingsverhouding, onderdeel- en fabricagenummer van de achteras Sticker op het linker deel van de achteras.
6 Serviceplaatje Plaatje in de bagageruimte op de afdekplaat onder de achterruit, aan de rechter kant.

Smeermiddelen
Motor
Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste CD*
' oliën met de aanduiding SE/CD en SF/CD voldoen aan deze normen.
Synthetische en halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden als zij aan bovenstaande API-normen voldoen.
Olie-inhoud: excl. oliefilter 6,2 liter incl. oliefilter 7,0 liter
Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olie-temperatuur en een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in bergterrein met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden.
Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

| Versnellingsbak | Oliekwaliteit: ATF-olie, type F of G (handgeschakeld),zie ook pagina 86. ATF-olie, type Dexron II D (automaat) | Olie-inhoud: | Handgeschakeld met overdrive 2,3 liter Automaat 7,7 liter |
| Achteras | Oliekwaliteit: API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C) SAE 90 of 80 W/90 | Olie-inhoud: | 1,3 liter |
| Stuurbekrachtiging | Oliekwaliteit: ATF-olie | Olie-inhoud: | 0,7 liter |
| Remsysteem | Vloeistoftype: Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703) | Vloeistofinhoud: ca 0,4 liter | |
| 96 | |||
Specifications
Motor D 24 T (Turbo)
6 Cilinder in lijn, watergekoelde Diesel-motor.
Het motorblok is van gietijzer.
De cilinderwanden zijn direct in het motorblok geboord.
De cilinderkop is van lichtmetaal en heeft wervelkamers.
Enkelvoudige bovenliggende nokkenas
Smeersysteem met door de krukas aangedreven tandwielpomp. Oliefilter van het full-flow type.
Insputpomp, bestaande uit toevoerpomp, regelaar, inspuitschakelaar en hogedrukpomp.
De inspuitpomp wordt met een getande riem door de nokkenas aan- gedreven.
De koud-startinrichting regelt automatisch het inspuittijdstip, afnankelijk van de motortemperatuur.
Het koelsysteem is een gesloten overdruksysteem met expansietank.
Vermogen DIN
80 kW bij 80 r/s
Koppel, DIN
(109 pk bij 4800 omw/min)
Cilinderaantal
205 Nm bij 40 r/s
Cilinderdiameter
(20,9 kgm bij 2400 omw/min)
Slaglengte
6
Cilinderinhoud
76.5 mm
Compressieverhouding
86.4 mm
Ontstekingsvolgorde
2,383 dm³ (liter)
Laag stationair toerental
23.0:1
Hoog (versneld) stationair
1-5-3-6-2-4
loerental
12.5 r/s (750 omw/min)
Klepspeling, mm
87 r/s (5200 omw/min)
niaatklep, warme motor
Controleren Afstellen
koude motor
0.20-0.30 0.25
Jitlaatklep, warme motor
0.15-0.25 0.20
0.40-0.50 0.45
0.35-0.45 0.40
Brandstofsysteem
Inspuitpomp
Bosch VE 6/10 F 2400 L 116-4
Verstuivers, mondstuk
Bosch DNO SD 293
openingsdruk
15.5–16.3 MPa (155–163 kg/cm²)
Brandstof (Diesel-olie)
Norm
DIN 51 601, CEC-ERF-DI of
Om wasafscheiding tegen te gaan en bij strenge kou goed starten te waarborgen hebben de meeste oliemaatschappijen speciale winterbrandstof. Deze moet u gebruiken. Als u om de een of andere reden deze brandstof niet kunt krijgen, kunt u zelf 25%–40% petroleum (lichtpetroleum) bijmengen. Meer mag u niet bijmengen, omdat dan het smerende vermogen van de Dieselolie achteruitgaat, zodat kans op beschadiging van het inspuitsysteem bestaat.
Het is in bepaalde landen volgens de wet verboden om petroleum aan de brandstof toe te voegen. Gebruik dan een ander geschikt toevoegmiddel dat door de overheidsinstanties is goedgekeurd.
Specifications
Koelsysteem
| Type | Gesloten, overdruk |
| Inhoud | ca 9,7 liter |
| Thermostaat | |
| gaat open bij | 87°C |
| is geheel open bij | 102°C |
Transmissie
Enkelvoudige hydraulisch werkende droge-plaat koppeling. Handgeschakelde, geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak met overdrive.
In bepaalde landen als alternatief; Volautomatische versnellingsbak, bestaande uit een hydraulische koppelomvormer met planetaire versnellingsbak.
Achteras van het hypoïde-type.
Koppeling
Koppelvork, vrije slag 1–3 mm.
Versnellingsbak
| Type-aanduiding | Handschakeling M46 | Automaat ZF 4HP-22 |
| Overbrengingsverhouding | ||
| 1e versnelling | 4,03:1 | 2,73:1 |
| 2e versnelling | 2,16:1 | 1,56:1 |
| 3e versnelling | 1,37:1 | 1:1 |
| 4e versnelling | 1:1 | 0,73:1 |
| overdrive | 0,79:1 | |
| achteruit | 3,68:1 | 2,09:1 |
Achteras
| )verbrengingsverhouding | 3,54:1 (handschakeling) |
| 3,73:1 (automaat) |
Snelheid in km/uur bij 17 r/s (1000 omw/min)
| ersnellingsbak | M46 |
| chterasoverbrenging | 3.54:1 |
| e versnelling | 8 |
| e versnelling | 15 |
| e versnelling | 23 |
| e versnelling | 32 |
| verdrive | 40 |
| chteruit | 9 |
enk erom dat deze waarden afgerond zijn. Zij kunnen in de praktijk its afwijken als gevolg van de bandenmaat, -spanning en -slijtage.
vanbevolen minimum- en maximumsnel- deden, km/uur
| ersnellingsbak | 1e | 2e | 3e | 4e |
| 146 | 0-35 | 15-65 | 25-105 | 35* |
Cirka 50 km/uur met ingeschakelde overdrive.
Elektrische installatie
12-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Eénpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders worden gebruikt. De minpool is op het chassis aangesloten.
Spanning 12 volt
Accu. capaciteit 88 Ah
elektrolyt, s.g. 1.28
moet worden geladen bij s.g. 1,21
Dynamo, maximumvermogen 770 W
maximumstroomsterkte 55 A
Startmotor, vermogen 2,0 kW (2,7 pk)
Specifications
Gloeilampen 12 V.

Zo zien de gloeilampen er uit
| Gloeilampen, 12 V | Vermogen | Fitting | Nr |
| Koplampen | 60/55 W | H4 | 1 |
| Verstralers of mistlampen | 55 W | H3 | 3 |
| Parkeerlichten, vóór | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Richtingaanwijzers, vóór | 21 W | BA 15 s | 4 |
| achter | 21 W | BA 15 s | 4 |
| opzij | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Achterlichten | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Remlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Remlichten/achterlichten (bepaalde landen) | 21/5 W | BAY 15 d | 3 |
| Achteruitrijlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Mistachterlamp(en) | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Kentekenplaatverlichting | 5 W | BA 9 s | 9 |
| Waarschuwingslamp, portieren | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Plafondverlichting | 10 W | SV8,5 | 6 |
| Gloeilampen, 12 V | Vermogen | Fitting | Nr |
| Leeslampjes, voor | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| achter | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Motorruimteverlichting | 10 W | SV8.5 | 6 |
| Bagageruimteverlichting | 10 W | SV8.5 | 6 |
| Handschoenenkastje, verlichting | 2 W | BA 9 s | 9 |
| Make-upspiegelverlichting | 3 W | SV7 | 7 |
| Instrumentenverlichting | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Verlichting, | |||
| bedieningspaneel | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| automatische versnellingsbak | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| asbakje achter | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| autogordelsluiting | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| Waarschuwingslampje, | |||
| laadstroom | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| oliedruk | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| handrem | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| defect remcircuit | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| defecte gloeilamp | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| Controielampje, | |||
| voorgloeien | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| autogordels, achterbank | 2 W | BA 9 s | 9 |
| richtingaanwijzers | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| grootlicht | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| overdrive | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| motoroliepeil | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| sproeivloeistof | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| autogordels, voor | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| turbo laden | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
Specifications
Voortrein
/oorwielophanging van het type MacPherson.
Je schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd.
Stuurinrichting met tandheugel.
Je stuurkolomas is van het veiligheidstype.
Je afstelwaarden gelden voor een onbelaste auto, incl. brandstof, oelvloeistof en reservewiel.
"oespoor (Toe)in), bij de velg opgemeten 2±0,5 mm
bij de zijkant band opgemeten 2,5±1 mm
Banden
3andenspanning in kPa (kilopascal)
100 kPa (kilopascal) = 1 kg/cm²
*ussen haakjes staan de waarden in Engelse eenheden: rounds square inch (psi).
| Banden | 1-3 personen | Vollast | ||
| Vóór | Achter | Vóór | Achter | |
| 185/65 R 15 | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| Reserveband „Special Spare" | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) | 350 (50) |
3ij langdurig zeer snel rijden (langer dan een uur boven 120 km/uur) in bij rijden met winterbanden moet de bandenspanning met 30 kPa 4 psi) verhoogd worden.
V.B! Dit geldt niet voor banden met een maximumbandenspanning 'an 350 kPa. Voor deze band moet de spanning altijd 350 kPa zijn.
Inhoudsgegevens
| Brandstoftank | ca 82 liter |
| Koelsysteem | ca 9,7 liter |
| Motorolie, incl. oliefilter | 7,0 liter |
| excl. oliefilter | 6,2 liter |
| Versnellingsbakolie,4-bak met overdrive | 2,3 liter |
| automaat totaal | ca 7,7 liter |
| Achterasolie | 1,3 liter |
| Stuurbekrachtiging | 0,7 liter |
| Sproeivloeistof reservoir | 3,0 liter |
Aantekeningen
Aantekeningen
Aantekeningen
Alfabetische inhoudsopgave
Accu 99
Achteras, olie 86
Achterklep 33
Achterlichten, gloeilamp vervangen .... 62
Achterruit, elektrische verwarming ..... 16
Achteruitkijkspiegels 26
Achteruitrijlichten 62,97
Achteruitvergrendeling 41
Aftapkraan, koelvloeistof 90
Aftapschroef, achterasolie 86
motorolie 84
versnellingsbakolie 86
Afwateringsgaten 76
Airconditioning 20-23
Als iets gebeurt 56-70
Anti-vries 90
Anti-verblindingshendel 11
Armleuning 36
Asbakjes 17
Auto, opkrikken 81
Autogordels 30.31
Automatisch wassen 77
Automatische versnellingsbak,
rijden met 42–44
olie 87
Bagage, imperiaal 45
Bagageruimte 34
Bagageruimteverlichting, gebruik 34 gloeilamp vervangen 63
Banden 53
Bandenspanning 55
Bediening, verlichting 14
Bediening, verwarming en ventilatie .... 19
Bedrijfsstoringen 68
Bekleding, reinigen 78
Benzine, tanken 37
Bestuurdersplaats 4 gloeilamp vervangen 61,62
Bevroren sloten 50
Binnenverlichting, gebruik 27
Blaasmonden 19
Bougies 98
Brandstof, tanken 37
Brandstof, zuinig zijn met 39
Brandstofmeter 6,7
Brandstofsysteem 97
Brandstof specificaties 98
Buitenlandse reizen, voorzorgs-
maatregelen 51
Caravan/aanhanger, rijden met 49
Carburateurvloeistof 50
Carterventilatie 105
Carrosserie-onderhoud 71-78
Carrosseriesmering 89
Centrale vergrendeling 32
Chassisnummer 95
Claxons 4
Cleanen 77
Contactsleutel 10
Contact- en stuurslot 10
Controlelampies 8
Dagrijlichten, gebruik 14
gloeilamp vervangen ..... 61
Dagteller 6
Defroster 19-23
Draaicirkel 94
Dynamo 99
riemspanning 91
Elektrisch bediende raammechanismen 18
Elektrisch verwarmde achterruit 16
Elektrisch verwarmde stoel 16
Elektrische installatie, gegevens ..... 99
Elektrolyt, accu 99
Expansietank, koelsysteem 90
Frisse-luchtinlaat 19
Garagekrik 81
Garantie 80
Garantie-inspectie 80
Gegevens, technische 9:
Gereedschap 34
Gevarendriehoek 34
Gewichten 94
Gloellampen, gegevens 100
vervangen 60-6!
Glycol 60
Grootichtsignaal, knipperen 1
Handrem 1
Hoogteverstelling, voorstoelen 28
Houder voor parkeerbiljetten 36
Hulpstartaccu 47
Identificatie, type-plaatjes 95
Imperiaal 45
In de was zetten 71
Inhoudsgegevens 10
Inrijden 34
Instrumenten 6.
Instrumenten en bediening
Instrumentenpaneel 6,7
Instrumentenverlichting
Interieuronderdelen 25-37
Intervalstand, ruitewissers 12
Kentekenplaatverlichting
gloeilamp vervangen 6:
Keuzehendel, autom. versn.bak 4;
Kick-down 4
Kilometerteller
Kinderen in de auto 29
Kinderstoel 29
Kinderveiligheid 2!
Kinderveiligheidssloten 3:
Klepspeling 9
Alfabetische inhoudsopgave
Slokje 6
(knipperlichten, gebruik 11 gloeilamp vervangen . 61, 62
Coelsysteem 90-91
Coelvíoeistof 90
Coelvloeistofpeil, controleren 90
Kofferdeksel 33
kogeldruk, rijden met caravan 49
Soplampen, gloeilamp vervangen ..... 60
schakelaar 14
-ampen, gegevens 100
gloeilamp vervangen 61,62
_angdurig niet gebruiken 52
ange lading 37
ange reizen, voorzorgsmaatregelen ... 51
_eeslampjes, gebruik 27
gloeilamp vervangen ..... 64
_eqe band 58,59
_endesteun, voorstoelen 28
_enateverstelling, voorstoelen 28
-ichtbediening 14
ichtsigneal 11
„okaliseren van storingen 68
Maten en gewichten 94
Maximumbelasting 94
Mistachterlampen, gebruik 15
gloeilamp vervangen 62
Mistlampen, gebruik 15
gloeilamp vervangen ..... 65
Motor, gegevens 97
olie verversen 84
oliepeil controleren 84
Motorkap, openen 35
Motorkapsluiting 35
Motornummer 95
Motorolie, controleren/verversen ..... 84
Motorruimte 82-83
Octaangetal 37
Olie verversen, motor 84
Oliedruk 8,9
Oliefilter 84
Oliën en vloeistoffen 96
Oliepeil controleren,
achteras 86
automatische versnellingsbak ..... 87
handgeschakelde versnellingsbak .. 86
motor 84
Oliepeilstok,
automatische versnellingsbak ..... 87
motor 84
Omhoogbrengen auto 81
Onbalans in wielen 54
Onderhoud, service 79-91
Onderstelbehandeling 72
Ontsteking 98
Opbergplaatsen 36
Opkrikken, auto 81
Overbrengingsverhouding.
achteras 99
versnellingsbak 98
Overdrive.
automatische versnellingsbak ..... 43
handgeschakelde versnellingsbak .. 41
Parkeerlichten, gebruik 14
gloeilamp vervangen . 61, 62
Parkeerrem 17
Peilstok, motorolie 84
Portieren 32
Portier, waarschuwingslamp 33
Presentatie 2
Profieldiepte, banden 54
Raammechanismen, elektrisch bediende. 18
Reinigen 78
Remlichten, gloeilamp vervangen ..... 62
Remmen 48
Remvloeistof 88
Reservewiel, beschrijving 56
gebruik 58
Richtingaanwijzers, gebruik 11
gloeilamp vervangen 61,62
Rijden met aanhanger/caravan 49
imperiaal 45
Rij-eigenschappen 45
Rij-instructies 38-52
Roestwerende behandeling 72
Rolgordels 30.31
Rugleuning, verstellen 28
Ruitewisserblad, vervangen 70
Ruitewissers/-spoeiers 12
Ruitesproeiers, afstellen 13
Schakelen, autom.versn.bak 42-44
handschakeling 41
Schuifdak 27
Service 80
Serviceboekje 80
Sigare-aansteker 17
Sleepogen 46
Slepen 46
Sleutels 3
Sloten 32
Slijtageprofiel 54
Smeermiddelen 96
Smering, carrosserie 89
Sneeuwkettingen 54
Dit moet u altijd bij tanken controleren:

Brandstof: Diesel Specificatie op blz. 97.
Controleer zonder de dop te verwijderen of het rem vloelstofpell boven het MIN-merkteken staat. Vul, ir dien nodig, remvloeistof DOT 4 bij.
Het koelvloeistofpeil moet tussen MAX en MIN op d expansietank liggen. Vul, indien nodig, bij met ee mengsel van 50 % anti-vries en 50 % water. Zie pag. 91
Het oliepeil moet tussen de streepjes op de peilsto liggen. Veeg vóór elke oliepeilcontrole de peilstok a De afstand tussen de merkstreepjes komt met ca 1 lit olie overeen. Vul, indien nodig, olie bij van hetzelfd type als al in de motor zit.
Het vloeistofreservoir voor de ruite- en koplam; sproelers moet altijd goed gevuld zijn (in de winter mi water en anti-vries).
De accu vraagt "geen onderhoud" en de elektrol behoeft alleen maar bij een inspectiebeurt gecontral leerd te worden.
In de handleiding staat een beschrijving van
...wielen verwisselen op pag. 57–59. ...een gloeilamp vervangen op pag. 60–65. ...een zekering vervangen op pag. 65–67.
VOLVO
Volvo Car Corporation
Göteborg, Sweden
TP 2442/1 (Dutch) 1250. 8.83 30246 Skandia-Tryckeriet, Göteborg
Anabelische Innoudsopgave
Snelheidsmeter 6
Speciale velgen 54 Specificaties 93–101
Spiegels 26 Spijkerbanden 54
Sproeikoppen, afstellen 13 Sproeivloeistofreservoir 13
Starten met hulpstartaccu/startkabels .. 47 Starten, motor .... 40 beschrijving .... 57
Steenslag 74 Stoelen 28
Stuurbekrachtiging 88 Stuureigenschappen 45
Stuurinrichting, gegevens 101 Stuurslot 10
Temperatuurmeter 6 Toerenteller 6
Transmissie, gegevens 98 Trekhaak 49
Type-aanduidingen 95 Typeplaaties 95
Veiligheidsgordels 30, 31
Veiligheidsvergrendeling. achterportieren 32
Ventilatorriemen, spanning 91 Verlichting, gebruik 14, 15
Versnellingsbak, handgeschakeld, olie .... 86 standen .... 41
Versnellingshendel, handschakeling .... 41
Vervangen, gloeilampen 60–65 koelvloeistof 90
wielen 58,59 wisserbladen 70
zekeringen 65-67
Verwarming en ventilatie 19-23
Vlekken verwijderen 78 Vloermatten, reinigen 78
Voetrem 48 Voorstoelen 28
Voorwieluitijning 101 Voorzorgsmaatregelen,
elektrische installatie 81 lange reizen 51 wintertijd 51
V-riemen 91
Waarschuwingsdriehoek 34
Waarschuwingsknipperlichten, gebruik 11 gloeilamp vervangen 61, 62
Waarschuwingslampjes 8
Waarschuwingslampjes, defect remo circuit 8,9 gloeilamp vervangen 62
Waarschuwingsprofiel, bandenslijtage 54, 55
Wasautomaat 77
Wassen 76 Wiel verwisselen 57–59
Wielbalans 54, 55 Wielen en banden 53–55
Winterbanden 54
Wintertijd, voorzorgsmaatregelen 50 Wisserstroomdynamo 81
Wisserblad, vervangen 70
Zekeringen 65-67
Zijknipperlichten, gloeilamp vervangen 64
Zittingen 28
Zuinig rijden 39
Reinigings- en oplosmiddelen
Gebruik niet als reinigings- of oplosmiddel motorbenzine die lood of benzeen bevat. Lood of benzeen kan in bepaalde gevallen hoofdpijn, een gevoel van onwelzijn, e.d. veroorzaken. Bij hoge concentraties kunnen deze stoffen ook de bloedvormende organen van het lichaam beschadigen.