760 GLE (1984) - Auto VOLVO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis 760 GLE (1984) VOLVO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over 760 GLE (1984) VOLVO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding 760 GLE (1984) - VOLVO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. 760 GLE (1984) van het merk VOLVO.
GEBRUIKSAANWIJZING 760 GLE (1984) VOLVO
Een uitgebreide inhoudsopgave staat achter in dit bo
Presentatie van de auto
Instrumenten en bediening
Interieur, portieren en kofferdeksel
Starten en rijden
Wielen en banden
Als er iets gebeurt
Carrosserie-onderhoud
Service en periodiek onderhoud
Specifications
Alfabetische inhoudsopgave
Presentatie

Deze handleiding gaat over het rijden met en het onderhouden van uw Volvo 740 GLE
Denk eraan, dat er tussen de verschillende modelvarianten voor de verschillende landen detailverschillen kunnen bestaan. Daarom kunnen in dit boekje componenten beschreven worden die bij bepaalde varianten tot de extra uitrusting of accessoires behoren. Als u belangstelling voor uitvoeriger beschrijvingen van de constructie van de auto en voor afstellingen en reparaties heeft, raden wij u onze Servicehandboeken aan d.w.z. dezelfde boeken die in Volvo-werkplaatsen gebruikt worden. U kunt deze bij een Volvo-dealer bestellen.
Wij verzoeken u om dit boekje in de auto achter te laten, als u van auto verandert. Dan kan de volgende eigenaar ook over het rijden met en het onderhouden van de auto lezen.
Bij verhuizen naar een ander land moet u zich op de hoogte stell van de daar geldende bepalingen voor de import en registratie van auto's. De wettelijke bepalingen kunnen van land tot land aanzienlijk verschillen, waardoor het duur kan worden om uw auto aan te passen.
De specificaties, constructiegegevens en illustratics in dit boekje zijn niet bindend. Wij bchouden ons het recht voor om zonder voorafgaande mededeling wijzigingen aan te brengen.
Sleutels
Hoofdsleutel
Deze sleutel past op alle sloten van de auto.

Dubbelsleutel ("garagesleutel")
Voorportieren Start-/stuurslot
Nummerplaatje

Schrijf het nummer van de sleutels op in een notitieboekje of op een stukje papier dat u in uw portemonnee, portefeuille of handtasje kunt bewaren.
Het nummer van de sleutels staat ook op het afzonderlijke nummerplaatje dat bij de sleutels zit. Verwijder het nummerplaatje van de sleutelhanger, zodat niemand het nummer kan overschrijven, als u b.v. de sleutels zou verliezen en leg of kleef het vast — aan de achterkant van het nummerplaatje zit zelfklevende tape — op een veilige plaats. Als u een sleutel verliest, kun u een nieuwe bestellen bij een Volvo-dealer.
Een nauwkeurige beschrijving van de werking van de portiersloten staat op pagina 32 en 33.
Instrumenten, schakelaars en bediening

Beschreven op pagina
1 Blaasmond 19
2Koplampen en parkeerlichten 14
3 Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-
schakelaar en grootlichtsignaal 11
4 Waarschuwingsknipperlichten 11
5 Instrumentenpaneel 6-9
6 Ruitewissers/-sproeiers en
koplampwissers/-sproeiers (bepaalde landen) ..... 12
7 Blaasmonden 19
8 Verwarming en ventilatie 19-24
9 Plaats voor radio ....
10 Sigare-aansteker 17
11 Asbakje 17
12 Elektr. verwarming passagiersstoel 16
13 Handrem (parkeerrem) 17
14 Motorkapsluiting 35
15 Elektrisch bediende raammechanismen .... 18 en elektrisch bediende buitenspiegels (accessoire) .... 26
16 Frisse-luchtinlaat 19
17 Mistachterlamp 15
18 Plaats voor accessoires .....
Plaats voor accessoires ....
20 Plaats voor accessoires ....
21 Blaasmond 19
22 Start-/stuurslot 10
23 Elektrisch bediend schuifdak (accessoire) 27
24 Elektrisch achterruitverwarming 16
25 Claxons
26 Plaats voor accessoires ....
Op pagina 6–24 zijn alle instrumenten, schakelaars en bedieningsorganen nauwkeurig beschreven.
Denk eraan, dat er voor bepaalde landen als gevolg van o.a. verschillende wettelijke bepalingen verschillen in de uitrusting kunnen voorkomen.
Instrumenten

1 Brandstofmeter
2 Gelijkzetknop klokje
3 Klokje
4 Snelheidsmeter
5 Dagteller
6 Nul-instellen dagteller
7 Kilometerteller
8 Toerenteller
9 Regelbare weerstand instrumentenverlichting
10 Temperatuurmeter
Instrumenten
Brandstofmeter
De inhoud van de brandstoftank is circa 60 liter. Het rode gebied komt met circa 8 liter overeen.
Klokje
Het klokje werkt elektrisch en wordt door de accu aangedreven.
Voor gelijkzetten moet u de knop indrukken en draaien.
Dagteller
Deze wordt voor het opmeten van korte rij-afstanden gebruikt. Het rechter cijfer geeft hectometers (100 meter) aan.
Druk de knop in om de dagteller op nul te zetten.
Toerenteller
Deze geeft het motortoerental in honderd omw/min aan. Bij het rijden mag u af en toe in het rood gearceerde gebied komen, zoals b.v. bij het accelereren en passeren.
Het egaal rode gebied mag niet gebruikt worden.
Regelbare weerstand voor de instrumentenverlichting
Bij rechtsom draaien — de instrumentenverlichting wordt sterker.
Bij linksom draaien — de instrumenten-verlichting wordt zwakker.
Temperatuurmeter
Deze geeft de temperatuur in het koelsysteem van de motor aan.
Als de wijzer telkens in het rode gebied komt of erin blijft staan, moet u onmiddellijk het koelvlocistofpeil en de V-riemen controleren; zie pagina 90 en 91.
Zie voor nog meer tips over het koelsysteem pagina 45.
Controle- en waarschuwingslampjes
1 Linker richtingaanwijzer
2 Rechter richtingaanwijzer
3 Niet aangesloten
4 Niet aangesloten
5 Niet aangesloten
6 De koplampen of parkeer-
lichten branden
7 Niet aangesloten
8 Oliedruk te laag
9 Dynamo laadt niet bij
10 Overdrive ingeschakeld (handgeschakelde versnellingsbak)
11 Grootlicht brandt
12 Remcircuit buiten werking
13 Handrem is aangetrokken
14 Defecte gloeilamp
15 Te weinig sproeivloeistof
(als het lampje brandt, zit er nog maar
1/2-1 liter sproeivloeistof in het
reservoir)
16 Niet aangesloten
17 Controlelampje autogordels
18 Niet aangesloten

Deze waarschuwingslampjes mogen tijdens het rijden nooit branden!
Zij moeten echter gaan branden, als u vóór het starten het contact aanzet. Dan ziet u, dat de lampjes werken. Als de motor aangeslagen is, moeten alle lampjes met uitzondering van het waar-
schuwingslampje voor de handrem uitgaan. Dit gaat uiteraard niet uit, voordat u de handrem losgezet heeft.
De dynamo laadt niet bij
Het lampje brandt, als de dynamo niet bijlaadt. Als het lampje onder het rijden gaat branden, zit er een storing in de elektrische installatie of zijn de ventilatorriemen slecht gespannen. Zie voor de spanning van de ventilatorriemen pagina 92.
N.B! Als de ventilatorriemen stukgaan of zo slecht gespannen zijn dat de dynamo niet bijlaadt, gaat niet alleen dit lampje, maar ook de waarschuwingslampjes 12, 13, 14 en 15 branden. Dit komt door speciale wettelijke voorschriften in bepaalde landen en is dus heel normaal.

56726/1
Te lage oliedruk
Als het lampje onder het rijden brandt, is de oliedruk van de motor te laag. Zet de motor onmiddellijk af en controleer het oliepeil in de motor; zie pagina 84, 85.
Na zeer snel rijden kan het lampje gaan branden, als de motor weer stationair loopt. Dit is heel normaal, als het maar uitgaat, als het motortoerental opgevoerd wordt.

56726/3
Remcircuit buiten werking
Als het waarschuwingslampje onder het rijden brandt en het rempedaal iets lager dan normaal pakt, is een van de circuits van de voetrem buiten werking. Rijd voorzichtig met de auto naar een garage en laat de remmen controleren.

567254
Aangetrokken handrem
Het lampje brandt, als de handrem (parkeerrem) aangetrokken is.

56726/2
Een gloeilamp brandt niet

56726/5
Dit waarschuwingssysteem voor een defecte gloeilamp wordt alleen ingebouwd voor Europese landen, waar de auto's geen herkenningslicht hebben. Het dient niet alleen voor het waarschuwen in geval van een defecte gloeilamp (over remlichten, achterlichten en dimlichten geschakeld), maar ook in geval van een defect remcircuit.
Nadat de motor aangeslagen is en het laadsysteem in werking is, gaan alle controle- en waarschuwingslampjes uit, met uitzondering van dat voor een defecte gloeilamp. Dit gaat pas uit, als het rempedaal kort ingetrapt is en de remlichten zijn gaan branden.
Als het blijft branden, heeft de bedrading van de remlichtschakelaar naar de remlichten geen spanning, zodat de remlichten niet werken.
Vervangen van gloeilampen: zie pagina 60–65.
Vervangen van zekeringen: zie pagina 65–67.
Als na het vervangen van een kapotte gloeilamp het waarschuwingslampje blijft branden, moet ook de overeenkomstige lamp aan de andere kant vervangen worden.
Contact- en stuurslot

Contact-, stuurslot
Als de sleutel zwaar draait, komt dit doordat de voorwielen zo staan dat het stuurslot onder spanning staat. Draai het stuur een beetje hoen en weer, terwijl aan de sleutel wordt gedraaid, dan gaat het makkelijker.

0 Vergrendelingsstand
Het stuur wordt met het stuurslot vergrendeld, als u de sleutel uit het slot haalt.

I Tussenstand — „radiostand“
Bepaalde elektrische componenten (b.v. de kachelaanjager, sigare-aansteker, koplampen) kunnen ingeschakeld worden.

II Ri|stand
Dit is de stand van de sleutel onder het rijden. De gehele elektrische installatie van de auto is ingeschakeld. Achterlichten, kentekenplaatverlichting branden.

53972
III Startstand
De startmotor wordt ingeschakeld.
Laat de sleutel los, als de motor aangeslagen is. De sleutel veert dan automatisch in de rijstand terug.
Richtingaanwijzers, groot-/dimlicht-schakelaar en „grootlicht-signaal“

Richtingaanwijzers

Bij bochten met een geringe stuuruitslag (verwisselen van rijbaan, passeren) moet het hendeltje iets omhoog- of omlaaggebracht en met de vinger vastgehouden worden. Het hendeltje gaat onmiddellijk in de neutrale stand terug, als het losgelaten wordt.
2 Normale bochten
3 Groot-/dimlicht-schakelaar (koplampen branden)
Trek het hendeltje naar het stuur en laat het weer los. De koplampen gaan van grootlicht op dimlicht en omgekeerd over.
3 „Grootlicht-signaal" (koplampen branden niet)
Trek het hendeltje voorzichtig naar het stuur (toldat een lichte weerstand gevoeld wordt). Het grootlicht brandt, totdat het hendeltje weer losgelaten wordt.
Als een gloeilamp in de richtingaanwijzers stukgegaan is, is dit merkbaar aan het controlelampje, omdat dit veel sneller dan normaal knippert.
Waarschuwings-knipperlichten

Waarschuwingsknipperlichten
De knipperlichten (alle vier richtingaanwijzers knipperen) moeten gebruikt worden, als men gedwongen is om de auto zo stil te zetten of te parkeren dat het verkeer daardoor in gevaar gebracht of gehinderd wordt.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van waarschuwingsknipperlichten van land tot land verschillen.
Ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers (bepaalde landen)

Wissen, voorruit

Sproeien, voorruit + koplampen
1 Wissen met intervallen
Dit wordt gebruikt bij het rijden in b.v. nevel of mist. De wissers maken ongeveer elke 6 seconden een slag.
2 „Drukpuntsstand“
Als u de wissers slechts een slag of een paar slagen wilt laten maken (b.v. bij motregen), moet het hendeltje in de drukpuntsstand gebracht worden en met de vinger in deze stand gehouden worden. De wissers blijven in de ruststand, als het hendeltje losgelaten wordt.
3 Ruitewissers, normale snelheid
4 Ruitewissers, hoge snelheid
5 Ruitesproeiers + koplampwissers/-sproeiers
Als het hendeltje in deze stand staat, worden ook de ruitewissers aangezet en maken deze 2-3 slagen, nadat het hendeltje losgelaten is.
N.B! De koplampwissers hebben een beveiliging tegen overbelasting en deze brandt door, als de wisserbladen b.v. door snee of ijs geblokkeerd worden, (de wissers blijven steken).
Als dit het geval is, moet de contactsleutel in de 0-stand gedraaid, de sneeuw of het ijs verwijderd en ca 1 minunt gewacht worden. Dan is de beveiliging tegen overbelas afgekoeld en kan het contact weer aangezet worden en kunnen de koplampwissers weer gebruikt worden.
Sproeiers afstellen

Zo moeten de sproeiers staan
Steek een speld in de sproeiers en draai deze zo dat de stralen de voorruit raken, zoals de 'beelding laat zien.
Vloeistofreservoir

De ruite- en koplampwissers zijn op hetzelf- de vloeistofreservoir aangesloten. Dit zit onder de motorkap en heeft een inhoud van ca 3 liter.
Gebruik in de winter een middel tegen bevriezen, zodat de vloeistof in het reservoir en de slangen niet bevriest.
Koplampen en parkeerlichten

Schakelaar, verlichting

Schakelaar, symbolen
Koplampen en parkeerlichten
0 Contactsleutel in stand 0: Alle verlichting is uit.
206: Parkeerlichten (vóór en achter) De parkeerlichten mogen alleen bij parkeren, nooit onder het rijden, ge- bruikt worden.
D Contactsleutel in stand 0: Alle verlichting is uit. Contactsleutel in stand I of II: De koplampen (+ parkeerlichten vóór en achter, kentekenplaatverlichting en instrumentenverlichting) branden.
De koplampen moeten natuurlijk branden, als in het donker op slecht verlichte wegen en bij slecht zicht overdag gereden wordt.
Als de schakelaar in stand 3D staat, gaat dus alle verlichting uit, als de contactsleutel in de stand 0 gedraaid wordt.
Mistachterlamp

Schakelaar, mistachterlamp
De mistachterlamp is aanzienlijk sterker dan het gewone achterlicht en wordt bij het den met zeer slecht zicht gebruikt. De bewichten moeten branden, anders kan de mistachterlamp niet branden.
Denk eraan dat: de wettelijke bepalingen voor het gebruik van een mistachterlamp van land tot land verschillen.
Elektrische achterruit- verwarming

Schakelaar, achterruitverwarming
Gebruik de elektrische achterruitverwarming om ijs en aanslag op de achterruit te verwijderen. Schakel, als de ruit vrij van ijs en aanslag is, de verwarming uit, om de elektrische installatie niet onnodig te belasten.
Leg geen voorwerpen zo neer, dat de verwarmingsdraden aan de binnenkant van de ruit kunnen beschadigen. Wees bij het schoon- en droogmaken van de ruit voorzichtig om de draden niet met b.v. een ring te beschadigen.
Elektrisch verwarmde passagiersstoel

Schakelaar, passagiersstoel
De beide voorstocien hebben een elektrisch verwarmde zitting en rugleuning. De verwarming is met een thermostaat geregeld en wordt onder ca +15°C automatisch ingeschakeld en bij ca +30°C automatisch uitgeschakeld. Schakel de verwarming van de passagiersstocel met de schakelaar uit als niemand op de stoel zit!
De verwarming van de bestuurdersstoel kan niet met de hand uitgeschakeld worden. Het in- en uitschakelen gebeurt door de thermostaat.
Handrem (parkeerrem)

De hendel zit tussen de voorstoelen. De handrem werkt op de achterwielen. Als de handrem aangetrokken is, brandt het waar- buwingslampje in het instrumentenpaneel. Als de handrem losgezet moet worden, moet de hendel iets omhooggetrokken en de knop ingedrukt worden.
Gebruik bij parkeren altijd de handrem, want dan blijft deze goed werken. 's Win-, als de kans bestaat dat de handrem vastvriest, moet u deze niet gebruiken. Schakel de 1e of achteruitversnelling in (stand P bij een automatische versnellingsbak) en blokkeer de wielen.
Sigare-aansteker en asbakjes

Sigare-aansteker
Asbakje
Druk de aansteker in, als deze gebruikt moet worden. Als hij warm genoeg geworden is, na ca 6–8 seconden, komt hij automatisch met een „klik” naar buiten.

Als een asbakje geleegd moet worden, moet het helemaal uitgetrokken, de lip omlaaggedrukt en het asbakje verwijderd worden.
Elektrisch bediende raammechanismen (accessoire)

De elektrisch bediende raammechanismen worden met de schakelaars in de armsteunen van de portieren bediend. De afbeelding hierboven laat de armsteun van het bestuurdersportier zien. Om de raammechanismen te kunnen bedienen moet de contact-sleutel in de „rijstand“ staan. De ramen gaan open, als op het achterste deel van de schakelaar gedrukt wordt en zij gaan dicht door op het voorste deel van de schakelaar te drukken.

Bij auto's met elektrisch bediende raammechanismen ook voor de achterportieren kunnen de raammechanismen vergrendeld worden met de schakelaar in het midden van het schakelaarpaneel zich het bestuurdersportier.
De ramen van de achterportieren kunnen met de schakelaar van het betreffende portier en met de schakelaar van het bestuurdersportier bediend worden.
De ramen van de achterportieren kunnen alleen vanaf het besturrdersportier en dus niet met de schakelaars van achterportieren bediend worden.
Verwarming en ventilatie — verwarmings- en ventilatiesystemen

Er komen bij de 740 GLE verschillende types verwarmings- en ventilatiesystemen voor, melijk:
„Standaardsysteem“ zonder airconditioning. Dit wordt beschreven op pagina 20.
- "Combined unit" zonder airconditioning. Dit wordt beschreven op pagina 21.
- "Combined unit" met airconditioning. Dit wordt beschreven op pagina 22, 23.
- Automatisch verwarmings- en ventilatie-sysleem. Dit wordt beschreven op pagina 24.
Op deze pagina's staan ook enkele adviezen hoe u de verwarming en ventilatie zo goed mogelijk moet gebruiken.
Met de airconditioning kunt u in de auto een koel en behaaglijk klimaat krijgen ook al is het buiten erg warm, maar denk erom dat de ramen en het schuïfdak dicht moeten zijn. In het afdekpaneel onder de stuurstang zit een blaasmond die naar boven of beneden gericht of gesloten kan worden.
Bij auto's met een verwarmingssysteem zonder airconditioning zit er bovendien een frisse-luchtinlaat aan de buitenkant bij de voeten bij de voorstoelen. De inlaten kunnen elk met een eigen handgreep open- of dichtgezet worden.
Naar voren = open, naar achteren = dicht.
Blaasmonden

Openzetten — dichtzetten — richten
A Open
B Dicht
C Luchtstroom naar opzij gericht
D Luchtstroom omhoog gericht
Zo wordt het het warmst:

Zet de frisse-luchtinlaten bij de voeten en de twee middelste blaasmonden dicht!
... en zo wordt het het koudst:

Als u meer koele lucht bij uw voeten wilt hebben, moet u de frisse-luchtinlaten open-zetten en de snelheid van de luchtaanjager verlagen!
... en zo verdwijnen beslagen ruite

Zet de frisse-luchtinlaten bij de voeten en de twee middelste blaasmonden dicht. Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw afvegen van het rooster vóór de voorruit!
Verwarmings- en ventilatiesysteem, type „Standaard“, zonder airconditioning
Luchtverdelingshendel

Als u dit doet, kunt u de lucht geleidelijk tussen en ook de vloer en de ruiten verdelen, als u de luchtverdelingshendel tussen en zet.
* Zet de blaasmonden van het dashboard dicht.
Zet de twee buitenste blaasmonden open als de ruiten weer beslaan.
Denk eraan, dat er altijd wat lucht door de blaasmonden van het dashboard komt, zo- lang als de blaasmonden openstaan! Dit gebeurt ook al staat de luchtverdelingshen- del in de stand ♦ of Ⓦ. Voor een maximale luchtstroom naar de vloer of de ruiten moet u de blaasmonden dichtzetten.
Verwarmings- en ventilatiesysteem, type „Combined unit“, zonder airconditioning (accessoire)
Luchtverdeling
MAX
Lucht via de blaasmonden in het dashboard. De lucht binnenin de auto „recirculeert“, d.w.z. dat bijna geen frisse lucht in de auto gezogen wordt. Gebruik deze stand, als u enkele minuten geen uitlaatgassen van een voorligger wilt ruiken. Rijd echter niet langer dan circa 10–15 minuten op MAX — omdat er anders kans op onfrisse lucht in de auto en op beslagen ruiten bestaat.
*NORM Lucht via de blaasmonden.
B/L Lucht naar de vloer en via de blaasmonden.
*VENT Lucht via de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer.
F/D Lucht naar de vloer en de ruiten.
Lucht naar de ruiten.
* NORM en VENT hebben precies dezelfde functie. De reden is, dat het verwarmings- systeem voor airconditioning voorbereid is en in dat geval heeft de stand NORM een koelende functie.

Zo wordt het het warmst:

Let erop, dat de frisse-luchtinlaten bij de voeten dicht zijn!
... en zo wordt het het koudst:

Als u bij uw voeten meer koele lucht wilt hebben moet u de frisse-luchtinlaten open en de luchtaanjager zetten!
...en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Let erop, dat de frisse-luchtinlaten bij de voeten dicht zijn!
Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw afvegen van het rooster vóór de voorruit.
Verwarmings- en ventilatiesysteem, type „Combined unit“, met airconditioning (accessoire)
Luchtverdeling
Airconditioning ingeschakeld
MAX
geeft de snelste afkoeling — de hendel TEMP moet op COOL staan. Lucht via de blaasmonden in het dashboard. Gebruik MAX als het erg warm of vochtig is. Zet, als de temperatuur aangenaam geworden is, de hendel op NORM of B/L.
NORM geeft een normale afkoeling. Lucht via de blaasmonden.
B/L geeft een normale afkoeling. Lucht naar de vloer en via de blaasmonden.
beslagen ramen verdwijnen. Lucht naar de ruiten.
Airconditioning niet ingeschakeld
VENT Lucht via de blaasmonden.
FLOOR Lucht naar de vloer.
F/D Lucht naar de vloer en ruiten.
Luchtaanjager
0 = afgezet
4 = hoogste snelheid

U kunt het in de auto warm krijgen, ook al werkt de airconditioning.
Zo wordt het het warmst:

... en zo wordt het het koudst:

Als de temperatuur behaaglijk geworden is, moet de bovenste hendel in de stand NORM of B/L gezet worden!
. en zo verdwijnen beslagen ruiten:

Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw afvegen van het rooster voor de voorruit.
Hier zijn nog enkele adviezen en inlichtingen:
- De airconditioning moet alleen ingeschakeld worden, als de temperatuur hoger dan +8°C is.
- Bij alle standen van de airconditioning werkt de luchtaanjager met snelheid 1, ook al staat de schakelaar in de stand 0. Daardoor wordt ijsvorming in de airconditioning voorkomen.
- Een tip: gebruik stand MAX als u enkele minuten geen uitlaatgassen van een voorligger wilt ruiken. In de stand MAX komt namelijk maar een klein gedeelte van de lucht van buiten. Rijd echter niet langer dan circa 10–15 minuten op MAX — omdat bijna in het geheel geen frisse lucht toegevoerd wordt, bestaat er kans op onfrisse lucht in de auto. Regel de temperatuur met de TEMP-hendel.
Verwarmings- en ventilatiesysteem met automatische temperatuurregeling (extra uitrusting)
In de stand ⬤ werkt de luchtaanjager altijd op zijn maximumsnelheid. In de andere standen gaat de luchtaanjager pas werken, als de motortemperatuur hoger dan +35°C is of als de temperatuur binnen in de auto +18°C of hoger is.
Temperatuurkiezer
Stel deze op de gewenste temperatuur in! De schaalverdeling is in °C of °F (Fahrenheit).
Warm of koud buiten speelt geen rol!

Functiekiezer
*LO Luchtaanjagersnelheid laag.
*auto ● De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast.
*HI Luchtaanjagersnelheid maximaal.
* In LO, auto ●, HI wordt de luchtverdeling automatisch aangepast.
Lucht naar de vloer. Luchtaanjagersnelheid laag. Geen koelende werking.
Luchtaanjagersnelheid laag.
De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast.
Luchtaanjagersnelheid maximaal.
auto ●, HI wordt de luchtverdeling
sch aangepast.
.LO
Automatische aanpassing van de luchtverdeling. Geen koclende werking, zodat de lucht nooit kouder dan de buitentemperatuur kan worden.
ECON
B/L
Lucht naar de vloer en blaasmon-
den. De luchtaanjagersnelheid
wordt automatisch aangepast. Jets
koudere lucht via de blaasmonden
dan naar de vloer.
Lucht naar de vloer en blaasmon-
den. De luchtaanjagersnelheid
wordt automatisch aangepast. Jets
koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon-
den. De luchtaanjagersnelheid
wordt automatisch aangepast. Jets
koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon-
den. De luchtaanjagersnelheid
wordt automatisch aangepast. Jets
koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Jets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon- den. De luchtaanjagersnelheid wordt automatisch aangepast. Iets koudere lucht via de blaasmonden
Lucht naar de vloer en blaasmon-
den. De luchtaanjagersnelheid
wordt automatisch aangepast. Iets
koudere lucht via de blaasmonden
dan naar de vloer.
Lucht naar de vloer en blaasmon-
den. De luchtaanjagersnelheid
wordt automatisch aangepast. Iets
koudere lucht via de blaasmonden
dan naar de vloer.
B/L
B/L
B/L
B/L
B/L
B/L
B/L
B/L
B/L
B/L
ch

Als het gesneeuwd heeft, moet u de sneeuw afvegen van het rooster voor de voorruit.

.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
01.
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
.LO
Interieur, portieren, kofferdeksel, schuifdak
Op de twaalf volgende pagina's worden b.v. stoelen, autogordels, portieren behandeld:
achteruitkijkspiegels, binnen en buiten 26
binnenverlichting, schuifdak 27
voorstoelen 28
kinderen in de auto 29
autogordels 30,31
portieren en sloten, kofferdeksel 32
kinderveiligheidsslot, portierschakelaar 33
bagageruimte 34
motorkap 35
opbergplaatsen in de auto 36
vervoer lange lading, benzinetankklep 37
Binnenspiegel

N = anti-verblindingsstand
D normale stand
N anti-verblindingsstand. Gebruik deze stand, als u last van de koplampen van auto's achter u heeft.
Buitenspiegels, met de hand instelbaar

De buitenspiegel kan van binnenuit met de hendel ingesteld worden.
Buitenspiegels, elektrisch instelbaar (accessoire)

Schakelaars, buitenspiegels
De schakelaars voor het instellen van de twee buitenspiegels zitten helemaal voor aan in de armsteun van het voorportier
A zijdelings instellen
B hoogte-instelling
Gebruik geen stalen schraper om ijs van de spiegels te verwijderen, omdat het spiegelglas kan krassen!
Bepaalde modellen hebben aan de bestuurderskant een buiten-
spiegel, waarvan de buitenste helft van het spiegelglas een "groothoekspiegel" is die de "dode hoek" elimineert. Denk er 1, dat de spiegel een verkeerd beeld van hoeken en afstanden geeft!
Stel de spiegels goed in, voordat u beginl te rijden!
Binnenverlichting
Leeslampjes voor de voorstoelen

Plafondlamp
De binnenverlichting bestaat uit een plafondlamp en leeslampjes voor de zitplaatsen de auto.
1 De lamp is altijd aan
2 De lamp is altijd uit
3 De lamp gaat branden, als een van de portieren geopend wordt.
Schuifdak, handbediend of elektrisch bediend (accessoire)

Schakelaar, schuifdak (elektr.)
Het schuifdak werkt op twee manieren: ten eerste als een gewoon schuifdak, ten tweede kan het achterste deel omhooggebracht worden, waardoor het in een „ventilatiestand“ komt te staan.
Bediening met slinger (accessoire)
Druk altijd de knop in, voordat u aan de slinger draait.
Linksom = normaal schuifdak Rechtsom = ventilatiestand
Uit veiligheidsoverwegingen moet tijdens het rijden de slinger altijd ingeklapt zijn!
De startsleutel moet in de rijstand staan. Om het schuifdak te sluiten: druk op de andere kant van de schakelaar dan toen u het schuifdak openzette.
Voorstoelen
Hoogte-instelling
De voor- en achterkant van de bestuurders- stoel kunnen elk in vier verschillende hoog- ten versteld worden.
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden. Hendel naar links = de voorkant kan ver- steld worden.
Hendel naar rechts = de achterkant kan versteld worden.
Verstel de hoogte, terwijl u buiten de auto staat.
De passagiersstoel zit aan de vloer vast. Voor het verstellen van de hoogte moet gereedschap gebruikt worden.
Overigens heeft de passagiersstoel dezelfde verstelmogelijkheden als de bestuurdersstoel, d.w.z. vier verschillende standen voor
de voor- en achterkant.

Lengteverstelling
Verstel de stoel, voordat u gaat rijden.
Als de beugel omhooggebracht is, kan de stoel naar voren of naar achteren geschoven
worden.
Controleer na het verstellen, of de stoel vergrendeld is.
Hellingshoek van de rugleuning
Kinderen in de auto
Ook kinderen moeten goed zitten — en veilig!
Een volwassene met de autogordel om is in een Volvo zeer goed beschermd bij een botsing of een ander ongeluk.
Om uw kinderen dezelfde goede bescherming te kunnen geven volgen hier enkele adviezen over de plaats van kinderen in de auto. Denk eraan dat een kind, ongeacht de leeftijd en grootte, nooit „los” in de auto mag zitten. En laat ook nooit een kind bij een passagier op schoot zitten!
In veel landen is het wettelijk voorgeschreven, hoe kinderen in de auto geplaatst moeten worden. Informeer hiernaar in het land, waarheen u wilt gaan.
Welke bescherming het doelmatigst is, hangt als volgt af van de lichaamsgrootte van het kind:
Een baby die nog zo klein is dat deze niet kan zitten
Het kind moet in een wieg, kinderwagenbak of iets dergelijks op de achterbank liggen met het hoofdje naar het midden van de auto gekeerd. De wieg of de bak moet zo „geborgd” worden, dat deze bij sterk afremmen niet op de vloer valt; dit kan gedaan worden met de autogordels van de achterbank of door een Volvo kinderzitje te gebruiken; zet de wieg of de bak hierop en zet deze met b.v. kussens of een deken vast, zodat deze niet kan bewegen.
A kinderzitje is bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar.
Kinderen vanaf de leeftijd dat zij kunnen zitten tot een lengte van ongeveer 117 cm (6-7 jaar)
^5 kunt het beste de Volvo stoel gebruiken die bij uw Volvo-dealer krijgbaar is. De stoel wordt op de passagiersstoel of de achterbank vastgezet en wijst naar achteren. In beide gevallen moet de stoel vastgezet worden met de autogordel van de passagiersstoel, ook al wordt de stoel niet gebruikt, zodat de kinderstoel bij een zware belasting niet kan losschieten.

Volvo-kinderzitje, kinderstoel en kussen, bij uw Volvo-dealer verkrijgbaar
Hoe u de kinderstoel moet vastzetten, blijkt uit de instructies die bij de stoel geleverd worden.
Gebruik nooit zgn. „hangzitjes“ die aan de rugleuning van de achterbank gehangen worden.
Kinderen langer dan 117 cm (ouder dan 6–7 jaar)
Als het kind uit de kinderstoel gegroeid is, moet het op een Volvo kinderkussen — bij de Volvo-dealer verkrijgbaar — op de achterbank zitten en de gewone rolgordel van de auto gebruiken.
Dit kussen is speciaal voor dit doel gemaakt en het zorgt ervoor dat de middelste band van de autogordel zo laag mogelijk om de heupen komt, hetgeen een goede bescherming waarborgt.
Op de volgende pagina wordt het gebruik van de autogordels uitvoerig behandeld.
Gebruik bij het rijden altijd de autogordel

Twee herinneringslampjes, een op het dashboard en een op de achterbank, knipperen als u met de auto rijdt zonder dat u of de voorpassagier de gordel om heeft.
Zelfs sterk afremmen kan ernstige gevolgen hebben, als de autogordel niet gebruikt wordt! Zeg alle passagiers de autogordel te gebruiken! Anders worden bij een ongeluk personen op de achterbank tegen de rugleuning van de voorstoelen geslingerd. Daardoor worden de autogordels van de voorstoelen zwaarder belast dan waarvoor zij bestemd zijn. Alle personen kunnen dan letsel oplopen.
De voorstoelen en de twee buitenste plaatsen op de achterbank hebben rolgordels! Gebruik deze als volgt: trek de autogordel heel langzaam uit en vergrendel deze door de borglip in de vergrendeling te steken.

Een sterke „klik“ geeft aan dat de autogordel vergrendeld is.
Normaal is de autogordel niet vergrendeld en kunt u zich onbelemmerd bewegen.
De autogordel wordt vergrendeld en kan dus niet uitgetrokken worden:
● als de gordel te snel uitgetrokken wordt
- bij het afremmen en accelereren
● als de auto sterk overhelt
bij het nemen van bochten
Heupgordel strakker zetten

De heupgordel moet laag zitten
Het is voor een maximale bescherming van belang, dat de gordel goed tegen het lichaam ligt. Denk er daarom aan dat:
● de gordel niet scheef of gedraaid is
- de heupgordel laag moet zitten (dus niet om de buik)
- de heupgordel strak om de heup moet worden gezet door diagonaalsgewijs aan de gordel te trekken (zie de afbeelding). Uiteraard is elke gordel slechts voor a persoon bestemd!
Om de autogordels los te maken moet op de rode vergrendelingsknop gedrukt worden. Laat daarna de rol de autogordel geheel oprollen.
Middelste gordel achterbank

De middeiste autogordel van de achterbank is een heupgordel. Deze moet altijd op de 1eiste lengte afgesteld worden.
Controleer af en toe de autogordels
Controleer, of de autogordel niet tegen scherpe randen schuurt, of de bouten wel goed aangetrokken zijn en of de autogordel overigens in goede staat is.
Gebruik water en een synthetisch wasmiddel om de autogordel te reinigen.
De werking van de vergrendeling van de rolgordels moet u als volgt controleren:
- Doe de gordel om en ruk er heel snel aan.
- Let op het verkeer en rem de auto van ca 50 km/uur sterk af of rijd in een kleine cirkel rond. Trek aan de autogordel.
Bij deze proeven moet de autogordel geblokkeerd zijn en moet niet uitgetrokken kunnen worden!
WAARSCHUWING!
Als de autogordel zwaar belast geweest is, zoals b.v. bij een botsing, moet de gehele autogordel, d.w.z. compleet met rol, bevestigingen, schroeven en blokkeerinrichting,
'oor een nieuwe vervangen worden. Zelfs al lijkt de gordel niet beschadigd te zijn, toch kan een deel van de beveiligende eigenschappen ervan verloren gegaan zijn. Vervang de autogordel ook, als deze erg gesleten of beschadigd is.
Verander of repareer de autogordel nooit zelf, maar laat dit door een Volvo-garage doen!
Aanstaande moeders

De heupgordel moet laag zitten
Aanstaande moeders moeten er heel goed om denken om de autogordel te gebruiken. Denk er altijd om de autogordel zo aan te brengen dat geen druk op de baarmoeder uitgeoefend wordt. De heupband van de driepuntsgordel moet laag zitten; zie de afbeelding.
Slot van het kofferdeksel

Kofferdeksel grote sleutel
A en B tonen de sleutelspleet bij auto's zonder centrale vergrendeling. Bij auto's met centrale vergrendeling geert het slot van het kofferdeksel op de centrale vergrendeling, zodat met het slot van het bestuurdersportier ook het op slot doen van het kofferdeksel bediend wordt. Maar — het kofferdeksel kan ook met de hoofdsleutel (de grote sleutel) op slot er in het slot gedaan worden zelfs al is de auto „centraal vergrendeld“.
WAARSCHUWING!
Laat de portieren tijdens het rijden niet op slot zijn (d.w.z. de vergrendelknopjes moeten omhooggetrokken zijn)! Bij een eventueel ongeluk kunnen de redders snel in de auto komen. Denk eraan dat als het kinderveiligheidsslot van de achterportieren vergrendeld is, deze alleen van buiten geopend kunnen worden.
Om de portieren van binnenuit te kunnen openen moeten de knopjes omhooggetrokken worden. Als het knopje van het bestuurdersportier omhooggetrokken wordt, gaan de knopjes van de andere portieren ook omhoog. Zo kunnen ook alle portieren op slot gedaan worden door het knopje van het bestuurdersportier omlaag te drukken. Alle portieren zijn op slot, als de knopjes omlaaggedrukt zijn. Het bestuurdersportier kan aan de buitenkant alleen met de sleutel op slot gedaan worden!

De centrale vergrendeling wordt vanaf het bestuurdersportier bediend.
De auto kan met een „centrale vergrendeling" uitgerust zijn. Dat betekent dat alle portieren en het kofferdeksel automatisch van het slot en op slot gedaan worden met het slot van het bestuurdersportier. Draai de sleutel een kwart slag rechtsom om alle portieren van het slot te doen en linksom om hen op slot te doen. Draai de sleutel niet te snel om: de centrale vergrendeling heeft wat tijd nodig! Het voorste passagiersportier kan ook met de sleutel van het slot gedaan worden. Dit heeft geen invloed op de centrale vergrendeling!
Doe als volgt, als u centrale vergren- deling heeft:

Van het slot doen

Op slot doen
Trek de sleutel er loodrecht uit!
Bovendien kan het kofferdeksel als volgt tegen bediening door de centrale vergrendeling „geblokkeerd“ worden:

56710/3
Trek de sleutel er horizontaal uit
Het kofferdeksel is nu altijd op slot.
Deze mogelijkheid om het kofferdeksel te „blokkeren“ kan gebruikt worden, als de auto uitgeleend wordt en bagage „onaange-raakt“ moet blijven. Geel de bi-sleutel (de boine sleutel) aan degene die de auto moet blijven.
Om het slot weer door de centrale vergrendeling te kunnen laten bedienen moet u het volgende doen:

56710/4
Trek de sleutel er
loodrecht uit!
Ho, B 5
Kinderveiligheidsslot

Knop kinderveiligheidsslot
De knop zit helemaal achteraan in de achterportieren en is bereikbaar als het portier open is.
A het slot werkt normaal
B het portier kan niet van binnenuit geopend worden.
Denk eraan dat, als de knop in stand B staat, de passagiers op de achterbank bij een eventueel ongeluk niet uit de auto kunnen komen. De achterportieren moeten dan van buitenaf geopend worden. Zie ook de tekst van de waarschuwing in het kader op de vorige pagina.
Portierschakelaar

Uitdoen portierlampen
De binnenverlichting en de rode waarschu- wingslampen in de achterplaten van de portieren gaan aan, als een portier geopend wordt.
Als u de portieren een tijdje open wilt hebben, maar wilt dat deze lampen niet branden, moet u de portierschakelaar van het bestuurdersportier indrukken en iets rechtsom draaien: de lampen gaan dan uit! Als het portier dichtgedaan wordt, komt de schakelaar in de normale stand terug.
Bagageruimte


Bagageruimteverlichting

A De lamp is altijd uit
B De lamp brandt, als het kofferdeksel open is.
Motorkap openen

... omhoogdrukken en openen
Trek aan de vergrendelingshandgreep (helemaal links onder het dashboard). U kunt horen dat het slot opengaat.
- De motorkap een paar cm op, ga er met de hand onder en druk op de hendel van de veiligheidspal. Open de motorkap.
Controleer na het dichtdoen, of de motorkap goed vergrendeld is!

Grendels draaien — geheel openzetten
Normaal gaat de motorkap onder een hoek van ca 55 ^2 open. De motorkap kan loodrecht geopend worden, als de grendels van de scharnieren in de stand volgens de afbeeldingen gedraaid worden. De grendels gaan automatisch in hun normale stand terug, als de motorkap dichtgedaan wordt.
Let erop dat de motorkap niet tegen het plafond komt, als de auto in een garage is!
Motorruimteverlichting

A De lamp is altijd uit
B De lamp brandt, als de motorkap open is.
Opbergplaatsen

Vak tussen de voorstoelen
Luikje voor „lange lading"

Lading altijd verankeren
Om lange voorwerpen te kunnen vervoceren is de plaat achter de rugleuning van de vichterbank zo gemaakt dat door een gat van lange lading meegenomen kan worden (zie de afbeelding).
Om de bekleding niet vuil te maken kan een zak voor ski's gebruikt worden.
N.B! Het luikje is alleen voor lichte lading (b.v. ski's). Maximumlengte 2 meter en limumgewicht 15 kg.
WAARSCHUWING!
Veranker de lading b.v. met de midden-gordel om de neergeklapte armsteun; zie de afbeelding. Bij sterk afremmen kan anders de lading gaan schuiven en personen in de auto letsel toebrengen.
Bescherm scherpe randen met iets zachts.
WAARSCHUWING!
Zet de motor af en trek de handrem aan bij het laden of lossen van lange voorwerpen! In ongunstige gevallen kan de lading tegen de versnellingshendel of de keuzehendel komen en deze in een rijstand zetten, waardoor de auto kan gaan rollen.
Brandstof tanken

De tankdop zit achter de klep in het linker achterspatscherm. Hang bij het tanken de dop in de houder aan de binnenkant van de klep.
Bij hoge buitentemperaturen kan in de tank overdruk ontstaan. Draai de tankdop voorzichtig los.
Breng na het tanken de tankdop weer aan en draai deze tot u een „klik" hoort.
De tank heeft een inhoud van ca 60 liter.
Benzin, octaangetal: 98 (DOT)
Start en rijden
In dit hoofdstuk wordt hetgeen met rijden te maken heeft behandeld, zoals b.v. het starten van de motor, het schakelen, het slepen, het rijden met een caravan, enz.; zie hiervoor de pagina's:
„inrijden“ 38
zuinig rijden 39
motor starten 40
schakelen 41-44
om aan te denken 45
slepen 46
starten met een hulpaccu 47
denk hierom bij de remmen 48
tips over het rijden met een caravan 49
maatregelen voor de winter 50
maatregelen voor lange reizen 50
langdurig niet gebruiken 52
Een nieuwe auto moet „ingereden“ worden!
Als uw auto nieuw is, adviseren wij u om wat kalm aan te doen en de mogelijkheden van de auto gedurende de eerste 2000 km niet geheel te gebruiken.
Overschrijd de volgende snelheden niet:
Tijdens de eerste Tussen 1000
1000 km en 2000 km
1e versnelling 30 km/uur 40 km/uur
2c versnelling 50 km/uur 70 km/uur
3e versnelling 80 km/uur 100 km/uur
4e versnelling 110 km/uur 130 km/uur
Overdrive 130 km/uur 150 km/uur
Maar rijd ook niet te langzaam in een hoge versnelling, d.w.z. laat de motor niet zwoegen en gebruik de eerste 2000 km niet de „kickdown”, als u een automatische versnellingsbak heeft.
Zuinig rijden
Zuinig rijden wil nog niet zeggen langzaam rijden!
Zuinig rijden wil zeggen anticiperend en soepel rijden en de rijstijl en de snelheid aan de bestaande situatie aanpassen.
Denk hierbij aan het volgende:
- Laat de motor zo snel mogelijk warm worden! Dat wil zeggen: laat niet de motor stationair lopen, maar begin zo snel mogelijk met geringe belasting te rijden.
Een koude motor verbruikt veel meer brandstof dan een warme en bovendien slijt de motor sneller. - Rijd liefst geen korte afstanden, omdat dan de motor nooit warm kan worden.
- Rijd soepel! Vermijd snelle onnodige acceleraties en sterk afremmen. Dan kunt u veel brandstof besparen.
- Verlaag bij het rijden op buitenwegen en autosnelwegen de snelheid een beetje.
- Rijd niet onnodig met een zware lading in de auto.
Rijd niet meer op winterbanden, als de wegen schoon en droog geworden zijn.
- Verwijder de imperiaal, als deze niet gebruikt wordt.
- Zet de zijramen niet onnodig open.
Van belang voor zuinig rijden is een juist gebruik van de versnellingsbak. Kies de juiste versnelling!
- Schakel van de 1e naar de 2e versnelling bij ca 20 km/uur van de 2e naar de 3e versnelling bij ca 35 km/uur van de 3e naar de 4e versnelling bij ca 50 km/uur.
- Als uw auto een overdrive heeft, moet u deze bij normaal rijden op buitenwegen met meer dan ca 70 km/uur zo vaak mogelijk gebruiken.
- Als uw auto een automatische versnellingsbak heeft, schakelt deze uit zichzelf de juiste versnelling in, maar vermijd een onnodig gebruik van de „kick-down".
Bovendien moet u natuurlijk de auto en dan met name de motor in goede staat houden. Factoren die kunnen helpen om het brandstofverbruik laag te houden zijn b.v.:
- Goede bougies
- Juist ontstekingstijdstip
● Schoon luchtfilter - Juiste klepspeeling
● Werkende luchtvoorverwarming
● Juist stationair toerental - Juiste motorolie, juiste intervallen van olie verversen en nieuw oliefilter
- Juist afgestelde brandstofinjectie
- Remmen die niet „aanlopen“
- Juiste voorwieluitlijning
- Juiste bandenspanning
Denk eraan dat voor wat betreft het brandstofverbruik u zelf de belangrijkste factor bent en ook de manier, waarop u met het gaspedaal, het rempedaal en de versnelingshendel omgaat.
Zo moet u de motor starten:
Laat de motor zo snel mogelijk warm
worden!
Uit ervaring is gebleken, dat motoren van
auto's die korte afstanden afleggen, abnor-
maal snel slijten. Dit komt, omdat de motor
nooit op de normale bedrijstemperatuur
kan komen.
Als de motor aangeslagen is, moet u deze
dus zo snel mogelijk op de normale bedrijts-
temperatuur laten komen.
Begin met een geringe motorbelasting te
rijden en laat de motor niet onnodig statio-
nair lopen.
- Trek de handrem (parkeerrem) aan.
- Zet de versnellingshendel in de neutrale stand — stand N of P bij een automatische versnellingsbak.
- Trap het koppelingspedaal in.
● Raak het gaspedaal niet aan! - Draai de contactsleutel in de startstand.
Laat de sleutel los, als de motor aange-
slagen is!
Als de motor niet onmiddellijk aanslaat,
moet u het gaspedaal voor de helft intrappen
en in die stand houden, totdat de motor
loopt.
Vermijd herhaalde korte startpogingen!
Telkens als de startmotor ingeschakeld
wordt, wordt er namelijk wat benzine in de
motor gespoten.
Laat in plaats daarvan bij elke startpoging
de startmotor wat langer — maar tenhoogste
15–20 seconden werken.
Laat de motor onmiddellijk na koud starten
niel razen!
Zet de garagedeuren altijd helemaal open, als u de auto in de garage start!
De uitlaatgassen bevatten namelijk koolmonoxyde dat onzichtbaar en reukloos, maar wel dodelijk vergiftig is.
Handgeschakelde versnellingsbak met overdrive

R=achteruit

Schakelaar en controlelampje overdrive
Schakelstanden, handgeschakelde versnellingsbak
sp telkens bij het schakelen het koppe- hagspedaal helemaal in.
Haal tussen het schakelen uw voet van het koppelingspedaal!

overdrive bespaart brandstof
De overdrive kan in de 4e versnelling ingeschakeld worden.
De overdrive wordt ingeschakeld, als u op de knop in de versnellingshendel drukt. Als de knop nog een keer ingedrukt wordt, wordt de overdrive uitgeschakeld. De
overdrive wordt automatisch uitgeschakeld bij terugschakelen uit de 4e versnelling, maar maak er desondanks een gewoonte van om de overdrive altijd met de hand uit te schakelen, als u terugschakelt! De overdrive kan soepeler in- en uitgeschakeld worden, als u ook licht op het koppelingspedaal trapt.
Om zo zuinig mogelijk met brandstof om te gaan moet u bij het normaal op buitenwegen rijden met meer dan ca 70 km/uur de overdrive zo vaak mogelijk gebruiken.
Het groene controlelampje „5" brandt, als de overdrive ingeschakeld is.
Achteruitvergrendeling

Til met de vingers de ring tegen de knop van de versnellingshendel op en schakel de achteruit in. De ring werkt op de achteruitvergrendeling en maakt dat u de achteruit niet per ongeluk kan inschakelen.
Keuzehendel, automatische versnellingsbak
P R N D 3 2 1

P parkeren
R achteruitrijden
N neutrale stand
D rijstand
3
2 } lage versnellingen
1
P Parkeren
Kieze deze stand, als u de auto met lopende of afgezette motor parkeert.
Laat de auto nooit met lopende motor achter! Als iemand per ongeluk de keuzehendel uit de stand P brengt, kan de auto namelijk gaan rollen.
De auto moet stilstaan, als u stand P kiest! In de stand P is de versnellingsbak mechanisch vergrendeld. Trek toch de handrem aan bij parkeren op een helling!
R Achteruitrijden
De auto moet stil staan, als u stand R kiestl
N Neutrale stand
De stand N is de neutrale stand, d.w.z. dat geen versnelling ingeschakeld is. Trek de handrem aan, als de auto met de keuzchendel in stand N stilstaat.
D Rijstand
D is de normale rijstand. Het op- en terug- schakelen tussen alle versnellingen van de versnellingsbak geschiedt automatisch, af- hankelijk van het gasgeven en de snelheid.
„Lock-up“
De versnellingsbak heeft een zogenaamde „lock-up“-functie. Daardoor daalt het motortoerental en vermindert het brandstofverbruik. „Lock-up“ betekent in het kort, dat met de keuzehendel in de stand D de koppelomvormer van de versnellingsbak bij snelheden boven ca 95 km/uur uitgeschakeld wordt. U voelt deze „lock-up“ als een extra versnelling, als u accelereert.
"Lock-up" heeft alleen maar plaats bij een versnellingsbaktemperatuur boven ca +20°C.
Daarom moet u bij koud weer misschien een paar kilometer rijden, voordat u de "lock-up" voelt.
3 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e, 2e en 3e versnelling gebeurt automatisch.
Opschakelen naar D vindt niet plaats.
Stand 3 kunt u gebruiken...
• bij passeren
- bij relatief langzaam rijden op buitenwegen
- bij rijden in steden.
135 km/uur is de toegestane maximumsnel-
heid, als u stand 3 wilt kiezen!
2 Lage versnelling
Het op- en terugschakelen tussen de 1e en 2e versnelling gaat automatisch. Opschakelen naar de 3e versnelling vindt niet plaats. Stand 2 kunt u gebruiken...
- bij het rijden in de bergen
- om sterker op de motor af te remmen.
1 Lage versnelling
Als u bij hoge snelheid stand 1 kiest, wordt de 2e versnelling ingeschakeld. Pas als de snelheid tot ca 50 km/uur gedaald is, wordt de 1e versnelling ingeschakeld.
N.B! Opschakelen uit de 1e versnelling gebeurt niet!
Kies stand 1, als u in de 1e versnelling wilt rijden en niet wilt dat opschakelen plaats heeft, b.v. bij het rijden in de bergen, omdat in stand 1 het beste op de motor wordt afgeremd.
Blokkeerinrichting
keuzehendel

Standen, vergrendelingsdruktoets
De keuzehendel kan altijd vrij tussen de standen D en 3 bewogen worden, terwijl de overige standen een blokkeerinrichting hebben die met de druktoets op de knop van de keuzehendel bediend wordt.
Door met de handpalm licht op de druktoets te drukken kan de hendel moeiteloos in de standen N, D, 3 en 2 gezet worden.
Als de druktoets geheel ingedrukt wordt, kunnen bovendien de standen R, P en 1 ingeschakeld worden. Dit is ook nodig om de hendel uit de stand P te brengen.
| Speciale wenken voor caravaneigenaars |
| Kies stand 1 van de versnellingsbak, als u op steile hellingen of langzaam rijdt. Op deze manier verhindert u dat de versnellingsbak opschakelt en wordt de versnellingsbakolie kouder. Op bergwegen met lange maar niet zo steile hellingen kan stand 2 gekozen worden.Bij het afdalen van lange, steile hellingen moet stand 1 gekozen worden (of stand 2 bij het afdalen van minder steile hellingen). Zo wordt het beste op de motor afgeremd.Laat de auto op een helling niet op het gaspedaal stilstaan, maar gebruik hiervoor de rem. Dan wordt voorkomen, dat de versnellingsbakolie onnodig heet wordt.Blokkeer D d.w.z. zet de keuzehendel in stand 3. De versnellingsbak schakelt dan niet de hoogste versnelling in, zodat de versnellingsbakolie wat afkoelt. |
Denk aan het volgende!
- De auto moet stilstaan, als u stand P of R kiest!
- Als de auto stilstaat en u stand D, 3, 2, 1 of R wilt kiezen, moet de motor stationair lopen! - 125 km/uur is de maximaal toegestane snelheid om onder het rijden stand 3, 2 of 1 te kiezen!
Starten en stilstaan met een
automatische versnellingsbak
1 Zet de keuzehendel in stand P of N. De motor mag in geen andere stand gestart worden.
2 Start de motor op normale wijze met de contactsleutel.
3 Trek de handrem aan of druk licht op het rempedaal, anders gaat de auto langzaam
rijden, als u de keuzehendel in een van de rijstanden zet.
4 Zet de keuzehendel in de gewenste rijstand - de versnelling schakelt nu met
enige vertraging in; dit geldt vooral voor de achteruit R. Dit is duidelijk merkbaar –
de auto begint te trekken. De motor moet dan stationair lopen!
Geef nooit gas, voordat u het inschakelen gevoeld heeft!
Als u na het kiezen van een rijstand te snel gas geeft, wordt bruusk ingescha-
keld en slijt de versnellingsbak onnodig. 5 Laat het rempedaal los en geef gas. De auto wordt en de servandigste manier
De auto wordt op de eenvoudigste mailer stilgezet: laat het gaspedaal los en rem met het rempedaal.
Kies stand N bij even staan met lopende motor. Dan voorkomt u dat de versnellings-hokelie opendige veratuit.
bakolle onnodig warm wordt!
„Kick-down“
Als u het gaspedaal helemaal intrapt, wordt automatisch naar een lagere versnelling teruggeschakeld (zgn. „kick-down“-terugschakeling). Als u de maximumsnelheid voor deze versnelling bereikt of als u het gaspedaal iets uit de „kick-down“-stand loslaat, wordt automatisch opgeschakeld. De „kick-down“ moet u gebruiken, als u maximaal wilt accelereren, zoals b.v. bij inhalen. Ca 115 km/uur is de hoogste snelheid om met „kick-down“ te kunnen trugschakelen.
Een paar goede wenken!
De lading en de plaats ervan be- invloeden de rij-eigenschappen
Uw auto heeft bij het opgegeven rijklaargewicht de neiging tot onderstuur. Daarom moet u bij het nemen van een bocht steeds meer stuuruitslag geven, als u de snelheid verhoogt. Hierdoor blijft de auto stabiel in de bocht en wordt de kans op uitbreken van de achterwielen kleiner. Denk erom, dat deze eigenschappen kunnen veranderen, als de auto anders belast wordt. Hoe zwaarder de lading helemaal achter in de bagageruimte is, des te minder raakt de auto onderstuurd.
Rij-eigenschappen en banden
De banden zijn van groot belang voor de rij-eigenschappen van de auto. Het banden-type — radiaalbanden — de maat en de bandenspanning zijn van belang voor het gedrag van de auto. Bij het vervangen van banden moet u crop letten dat u hetzelfde type en dezelfde maat en liefst ook hetzelfde erk krijgt als al op alle vier wielen van de auto zaten en volg de aanbevolen bandenspanning op (zie pag. 55).
Rijd niet met een open kofferdeksel!
het rijden met een open kofferdeksel kan namelijk een deel van de uitlaatgassen en dus ook het gifige koolmonoxyde via de bagageruimte in de auto gezogen worden. Als u echter toch gedwongen bent om een stukje met open kofferdeksel te rijden, moet u het volgende doen:
- Draai alle ramen dicht.
- Zet de bediening van de verwarmingsinstallatie op F/D of B/L, afhankelijk van het type verwarmingssysteem van de auto en zet de aanjager op de hoogste snelheid, 4.
Vermijd oververhitting van het koel- systeem
In ongunstige gevallen bestaat er kans op overhitting van het koelsysteem.
Dit geldt met name op warme dagen als... ... u met een aanhanger lang met volgas en een hoog motortoerental tegen steile hei- lingen oprijdt.
... de auto lang stationair loopt en de airconditioning ingeschakeld is.
... de motor onmiddellijk afgezet wordt, als u lang snel gereden heeft (dit wordt wel „nakoken" genoemd).
Oververhitting kan worden vermeden door het volgende in acht te nemen:
- Verminder de snelheid en gebruik een lagere versnelling, als u met een aanhanger lange en steile hellingen oprijdt. Zet de airconditioning eventjes af.
- Laat de motor niet onnodig stationair lopen.
- Zet de motor niet onmiddellijk af, als u na hardrijden stilstaat. Laat de motor nog eerst ca 2 minuten stationair lopen!
Als u een imperiaal gebruikt
- Moet u een stevige imperiaal gebruiken die goed op de auto vastgezet kan worden. Volvo-dealers hebben imperiaals die door de Volvo-fabriek ontwikkeld zijn.
- Mag u tenhoogste 100 kg op de imperiaal laden.
- Moet de lading gelijkmatig over de imperiaal verdeeld worden. Laad niet scheef!
- Moet u de zwaarste lading onder leggen.
- Moet u erom denken dat het zwaartepunt en de rij-eigenschappen van de auto veranderen, als de auto zwaar geladen wordt.
- Moet u erom denken dat de auto meer wind vangt en dus meer brandstof verbruikt naarmate de lading groter is.
- Moet u de lading met een sterk touw goed vastzetten!
- Moet u soepel rijden! Vermijd sterk acce- lereren, sterk afremmen en het nemen van scherpe bochten.
- Moet u de imperiaal verwijderen, als u deze niet meer nodig heeft; daardoor vermindert de luchtweerstand en dus ook het brandstofverbruik.
Als u gesleept moet worden

- Zet het stuurslot los, zodat de auto bestuurbaar is!
- Bedenk, dat de bekrachtiging van de voctrem en de stuurinrichting niet werkt, als de motor stilstaat! U moet dan 3 tot 4 maal sterker op het rempedaal drukken en het sturen gaat veel zwaarder dan normaal.
- Rijd soepel. Houd de sleepkabel strak: zo voorkomt u onnodig rukken!
Speciaal voor auto's met automatische versnellingsbak:
- De keuzehendel moet in stand N staan, de versnellingsbak moet goed afgesteld zijn en het oliepeil moet goed zijn (zie pagina 87).
- Toegestane maximumsnelheid: 20 km/u! Langste afstand, waarover gesleept mag worden: 30 km!
- De motor mag niet aangesleept worden; zie voor hulpstarten de volgende pagina.
Motor door aanslepen starten
N.B. Dit mag niet bij een auto met automatische versnellingsbak.
Als de accu ontladen is, kunnen startkabels gebruikt worden (zie de volgende pagina).
Auto's met handgeschakelde versnelingsbak
Draai de contactsleutel in de rijstand (II). Start de trekkende auto en rijd deze met gelijkmatige snelheid.
Zet uw auto in de 3e of 4e versnelling en laat het koppelingspedaal soepel opkomen.
Trap het koppelingspedaal weer in, zodra de motor aanslaat.
Zo moet u met een hulpaccu starten

Als de accu van uw auto ontladen is, kunt u om de motor aan de gang te krijgen stroom „lenen" van een losse accu of van de accu "en een andere auto. Controleer altijd of de klemmen goed stzitten, zodat er bij de startpogingen geen vonken ontstaan. Om explosiegevaar te voorkomen adviseren wij u het onderstaande nauwkeurig op te volgen:
- Controleer, of de hulpaccu een spanning van 12 volt heeft.
- Als de hulpaccu in een andere auto zit, moet de motor hiervan afgezet worden en gecontroleerd worden of de auto's elkaar niet taken.
Sluit het andere uiteinde van de rode kabel aan op de pluspool (2) van de ontladen accu. - Sluit de rode kabel aan tussen de pluspolen van de beide accu's: deze zijn met rood, P of + gemerkt (1 en 2 in de afbeelding).
- Zet de ene klem van de zwarte kabel op de minpool van de hulpaccu; deze is met blauw, N of - gemerkt (3).
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat de accu's, met name de hulpaccu, knalgas bevatten dat zeer explosief is. Een vonk die bij het verkeerd aansluiten van de startkabels kan ontstaan, is al voldoende om de accu te laten exploderen en persoonlijk letsel en materiële schade toe te brengen.
De elektrolyt van de accu bevat het zeer agressieve zwavelzuur! Als dit op uw huid of kleren spat, moet u onmiddellijk rijkelijk met water afspoelen. Ga naar een arts, als u spatten in uw ogen gekregen heeft!
- Zet de andere klem van de zwarte kabel op uw auto op een plaats — massa — die op een afstand van de accu ligt, b.v. op een van de hijsogen van de motor; dit is in de afbeelding met nr 4 aangegeven.
- Start de motor van de „hulpauto“. Laat de motor een paar minuten met een hoger toerental dan normaal, 1500 omw/min, lopen.
- Start de motor van de auto met de ontladen accu.
N.B! Raak tijdens de startpogingen de aansluitingen niet aan (kans op vonkvorming) en sta niet over een van de accu's gebogen! - Maak de kabels in de omgekeerde volgorde als bij het aansluiten weer los.
Om bij de remmen aan te denken
Door vocht op remschijven en remvoeringen veranderen de
remeigenschappen!
Als u met de auto in zware regen of door grote plassen rijdt en als de auto gewassen wordt, worden de remonderdelen vochtig. Daardoor veranderen de wrijvingseigenschappen van de remvoeringen en kan een zekere vertraging in de remwerking geconstateerd worden.
Trap af en toe lich
regen of natte sneeuw grote afstanden rijdt; daardoor worden de remvoeringen warm en verdampt het water. Dit moet u ook doen, als de auto gewassen is, en na wegrijden in zeer vochtig weer.

delectraakt 50720/4 Dan gaat het waarschuwingslampje bran-
den. Het rempedaal pakt iets lager en voelt wat zachter dan normaal aan. Merk echter op dat u niet duidelijk harder op het rempedaal moet trappen om de normale remwerking te krijgen! Een defect remcircuit blijkt dus niet uit een verhoogde pedaaldruk. Als het waarschuwingslampje gaat bran- den, moet u naar een garage rijden en het remsysteem laten controleren.
De rembekrachtiger werkt
alleen, als de motor loopt
Als de auto met afgezette motor rolt of gesleept wordt, moet u ca 4 maal zo hard op het rempedaal trappen als wanneer de motor loopt.
Het rempedaal voelt stug en hard aan.
gesiept wordt, moet d'ca-4 malu bo hard op het rempedaal trappen als wanneer de mo-
tor loopt.
belast worden, als u met een caravan/aan- hanger rijdt.
belast worden, als u met een caravan/aan- hanger rijdt.
Denk erom dat de reimmen nog zwaander belast worden, als met een carver/aan-
telkens maar eventjes gebruikt te worden.
-
Op deze manier wordt effectiever op de
-
Op deze manier wordt effectiever op de
klimmich. Dr is by auto 3 that automatische versnellingsbak stand 2 of eventueel stand
klimmich. Dr is by auto 3 that automatische versnellingsbak stand 2 of eventueel stand
dezende versheiting gebruiken als bij het klimmon. Dit is bij auto's met automatische
dezende versheiting gebruiken als bij het klimmon. Dit is bij auto's met automatische
voetrem te gebruiken terugschakelen en dengelfde vortnelling gebruiken als bij het
voetrem te gebruiken terugschakelen en dengelfde vortnelling gebruiken als bij het
belasten moet u in plaats van alleen maar de wetrem in gebruiken tovgschakelen en
belasten moet u in plaats van alleen maar de wetrem in gebruiken tovgschakelen en
Om de remmen niet onnodig zwaar te
Om de remmen niet onnodig zwaar te
als bij het rijden op vlakke wegen.
als bij het rijden op vlakke wegen.
worden de remmen niet zo effectief gekoeld
worden de remmen niet zo effectief gekoeld
Omdat bovendien vaak de snelheid laag is,
Omdat bovendien vaak de snelheid laag is,
trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal.
trapt u niet bijzonder hard op het rempedaal.
worden de remmen zeer zwaar belast, ook al
worden de remmen zeer zwaar belast, ook al
wegen met dergelijke hoogteverschillen
wegen met dergelijke hoogteverschillen
Bij het rijden in bergterrein of op andere
Bij het rijden in bergterrein of op andere
belast worden
belast worden
Als de remmen zeer zwaar
Dit moeten caravaneigenaars lezen!
- De trekhaak van de auto moet van een goedgekeurd type zijn! Uw Volvo-delaer weet welke trekhaken u kunt gebruiken. De door Volvo geconstruerde trekhaken zijn voor uw auto op maat gemaakt en een Volvo-garage kan deze aanbrengen. Denk erom dat de bumpers van de auto energie absorberen en dat u geen trekhaken kunt gebruiken die aan de bumper vastgezet moeten worden!
- Als u een auto met een automatische versnellingsbak heeft, adviseren wij u om gelijktijdig met het aanbrengen van de trekhaak ook een "extra oliekoeler" te laten aanbrengen, d.w.z. een extra oliekoeler voor de versnellingsbakolie. Daarmee wordt de temperatuur van de versnellingsbakolie normaal gehouden, ook al rijdt u met een zware aanhanger in heuvelachtig terrein.
N.B! Onderstaande maximumgewichten en snelheidsgrenzen worden door Volvo Car Corporation toegestaan. Denk er echter om dat de snelheden en aanhangergewichten door nationale bepalingen nog verder beparkt kunnen worden!
- De maximaal toegestane aanhangergewichten zijn:
- Maximaal 1500 kg: geen beperkingen.
- Maximaal 1600 kg: als u voorzichtig rijdt - maximal 70 km/uur.
- Maximaal 1600 kg en maximaal 80 km/uur: als de auto met een originele Volvo stabilisator uitgerust is.
* Maximaal 1800 kg: onder de absolute voorwaarde dat voldaan is aan de volgende vier eisen:
1) Een speciale originele Volvo trekhaak met versterkingsset voor de auto moet aangebracht zijn.
2) Een originele Volvo stabilisator tussen de auto en de aanhanger moet gebruikt worden.
3) Een extra oliekoeler voor de automatische versnellingsbak moet aangebracht zijn.
4) Vermijd wegen met een helling van meer dan 12%. Denk erom dat 1800 kg een zeer hoog aanhangergewicht is. Rijd voorzichtig en pas uw snelheid aan aan de verkeers- en wegomstandigheden!
WAARSCHUWING!
Als aan bovenstaande eisen niet voldaan is, kan de gehele combinatie bij uitwijken en afremmen moeilijk beheersbaar worden hetgeen voor u en de medeweggebruikers gevaarlijk kan zijn.
Leg de lading in de aanhanger zo, dat de druk op de trekhaak bij aanhanggewichten onder 1200 kgs en 50 kgs en hoven 1200 kgs en
aanhanggewichten onder 1200 kg ca 50 kg en boven 1200 kg ca 70 kg is. Bij aanhanggewichten boven 1500 kg moet de bagageruimte van de auto niet voor lading gebruikt worden.
- Denk erom dat de stroomvoorziening voor de aanhanger niet overal op de elektrische installatie van de auto aangesloten kan worden. Dit komt, omdat het waarschuwingslampje voor een defecte gloeilamp (zie pagina 8) op een speciale manier geschakeld is.
- Als u een inklapbare Volvo trekhaak heeft, moet u eraan denken om de haak in uitgeklapte toestand met de borgpen te blokkeren.
- Maak de trekhaak regelmatig schoon en vet de kogel en alle bewegende delen in om onnodige slijtage te vermijden. Smeer de smeernippel voor de lagering van de inklapbare trekhaak regelmatig.
- Rijd niet met een zware aanhanger, als de auto nog helemaal nieuw is! Wacht hiermee, tot de auto tenminste 1000 km gelopen heeft.
- Bij het afdalen van lange en steile hellingen worden de remmen van de auto zwaarder dan normaal belast. Schakel dan naar een lagere versnelling terug en pas uw snelheid aan.
- Op grotere hoogten is de luchtdruk lager, waardoor het motorvermogen lager en dus ook de trekkracht slechter dan normaal is.
- Omdat de motor van de auto zwaarder dan normaal belast wordt moet de olie vaker ververst worden, zie pagina 85.
- Speciale wenken voor eigenaars van een auto met een automatische versnellingsbak, zie pagina 44.
Als het koud begint te worden
Als u zelf uw auto wilt nakijken om onnodige moeilijkheden in het koude jaargetijde te voorkomen, moet u aan het volgende denken:
- Controleer of de koelvloeistof tegen -35°C bestand is zonder te bevriezen, d.w.z. dat het glycolgehalte ca 50% Volvo anti-vries type C (blauwgroen) is. Zie voor het verversen van koelvloeistof pagina 91.
- Om geen condenswater in de brandstoftank te krijgen moet u deze zo vol mogelijk trachten te houden,
Gebruik bovendien regelmatig carburateurvloeistof die in de tank gegoten moet worden, voordat u benzine tankt. - Gebruik de juiste motorolie om startmoeilijkheden te voorkomen. Zie de aanbevolen oliën op pagina 84, 85.
- De accu wordt in de winter aanzienlijk zwaarder belast dan in de zomer, omdat de verlichting, kachelaanjager, ruitewissers, e.d. meer gebruikt worden. Bovendien daalt de accucapaciteit met de temperatuur. Een slecht geladen accu kan stukvriezen, als het erg koud wordt. Controleer de ladingstoestand van de accu regelmatig en bespuit de accupolen met een roestwerend middel om oxydatie te voorkomen.
- Parkeer de auto niet met aangetrokken handrem, als het vriest. Schakel dan de 1e versnelling of de achteruit in (stand P bij auto's met automatische versnellingsbak) en blokkeer liefst de wielen.
- Om ijsvorming in reservoir, slangen en sproeiers van de ruite-/koplampwissers te voorkomen moet het reservoir met een vorstbestendige vloeistof gevuld worden.
Dit is belangrijk, omdat er bij het rijden in de winter veel water en vuil op de voorruit en de koplampen komen en de wissers en sproeiers dus vaak gebruikt moelen worden.
Met Volvo sproeivloeistof moeten de volgende mengverhoudingen gebruikt worden:
Tot -10°C: 1 deel sproeivloeistof/4 delen water. Tot -14°C: 1 deel sproeivloeistof/3 delen water.
Tot -18°C: 1 deel sproeivloeistof/2 delen water. Tot -28°C: 1 deel sproeivloeistof/1 deel water.
- Om bevroren sloten (van portieren en kofferdeksel) te voorkomen moet u de sloten tijdig met een vorstbestendig middel „smeren".

Voorzorgsmaatregelen voor lange reizen
Als u met de auto een lange reis wilt maken, moet u de auto in een Volvo-garage helemaal laten controleren.
Het is altijd goed om tijdig vóór de reis een stel van de meest noodzakelijke service-onderdelen (gloeilampen, zekeringen, V-riemen, wisserbladen) aan te schaffen. Hiervoor heeft een Volvo dealer speciale sets. Bij hem kunt u ook het boekje „Volvo in Europa" krijgen, waarin staat waar Volvo-dealers en Volvo-garages zijn. Nuttig om te weten als er iets gebeurt.

Als u zelf de auto wilt nakijken, adviseren wij het volgende te doen:
- Controleer, of de motor goed loopt en het brandstofverbruik normaal is.
- Controleer de motor, de versnellingsbak en de achteras op lekkage van olie, koelvloeistof of brandstof.
- Controleer de toestand van de V-riemen. Laat versleten V-riemen vervangen.
- Controleer de ladingstoestand van de accu.
- Controleer de banden nauwkeurig, ook de reserveband. Vervang onbetrouwbare banden.
- Laat de remmen, wieluitlijning en stuurinrichting controleren.
- Controleer de verlichting.
- Controleer het gereedschap.
- In veel landen b.v. is een gevarendriehoek vereist. Controleer, of deze aanwezig is.
- Bij reizen naar Groot-Brittannië of andere landen met links verkeer moet u het deel van het koplampglas dat asymmetrisch dimlicht geeft, met zwarte tape afplakken. Anders wordt het tegemoetkomende verkeer verblind.
- Bij reizen naar landen, waar benzine met het juiste octaangetal moeilijk te krijgen is, kan de motor enigszins aangepast worden. Bespreek dit met de Volvo-garage.
Volvo 121, 1957

Hier zijn adviezen, als de auto een tilde niet gebruikt zal worden
Als de auto een tijde niet gebrukt zak worden, b.v. als u de auto s winters niet wilt gebruiken, moet u enkele eenvouldige adviezen opvolgen. Dan heeft u geen problemen, als u de de auto weer wil gan gebruiken.
- Vul de brandstofrank helemaal, zodet er geen kans op conders- water in de lank komt.
- Was de auto heel goed en zet deze in goede autovas, Beschern - Zet de auto in een garage die droog en goed gevenilleerd is. - Laat de parkecerrem los.
Controller, of er geen stoomverbruikers aantsan, b.v. verlich- ting, radio, binnenverlichung, motorminte- en bagavermente- verlicching. Naturlijk bright het koke lopen, maar dit vergez zo werting stroom dat dit te verwarenzen is. Eventuelt kan de zekerung voor het koke (zekerung nr 5) verwideld worden (zie
(99 5ed
- Klay de rulewissers en koplampwassers naar worden om te voor- komen dat de rubber wisserbladen op de voontuit en de koplampen geen vastizen.
Zet een team wat open om de auto le ventilieren. Contoloeer, of de koelvoestof legen – 35°C worst bestand is. De anuites van Volvo bevat namelijk ook corrosie voorkomende toveogenje die de motor en de radiator beschermen. Haal voor dieven interessante voorwerpen uit de auto en sluit deze af.
• Controller at en toe de bandenspanning. • Controller ontgeer elke zeven waken de langingsstand van de accu.
Wielen en banden — belangrijk voor de rij-eigenschappen van de auto!
Lees daarom de volgende pagina's nauwkeurig door. De goede rij-eigenschappen van de auto kunnen opvallend veranderen, als u b.v. slordig bent met de bandenspanning.
algemeen 53
slijtagewaarschuwing 54
speciale velgen 54
voorbeelden van bandenslijtage 55
bandenspanning 55
Wielen en banden, algemeen
Van fabriekswege is auto met 185/70R 14 88 T banden uitgerust. Wat betekent de codering op de zijkant van de band, b.v. 185/70R 14 88 T? Wel, deze betekent het volgende:
185 is de sectiebreedte in mm
70 is de verhouding tussen de sectiehoogte en -breedte in procent.
R betekent radiaalband en
14 is de velgdiameter van de band in inch.
88 (evtl. 86) is een coderingscijfer voor de maximaal toegestane bandenbelasting; in dit geval 560 (evtl. 530) kg
T vermeldt dat de band voor snelheden tot 190 km/uur gemaakt is
Deze banden hebben een goede greep op de weg en geven de auto uiterst veilige rij-eigenschappen op droge en natte wegdekken — ook bij hoge snelheid. De banden zijn echter in de eerste plaats ontwikkeld om deze goede eigenschappen op een normaal wegdek te geven, zodat de bandenfabrikanten gedwongen zijn om de eisen te verlagen die aan de wrijvingseigenschappen op sneeuw en ijs gesteld worden. Daarom adviseren wij u om 's winters Volvo-winterwielen te gebruiken, omdat deze bij winterse wegen met sneeuw en ijs optimale rij-eigenschappen geven.
U moet er bij het vervangen van banden goed op letten dat u op alle vier wielen hetzelfde type (radiaalband), dezelfde maat (codering) en liefst ook hetzelfde merk krijgt, omdat anders de rij-eigenschappen van de auto kunnen veranderen.
De banden hebben een "slijtagewaarschuwing"
De slijtagewaarschuwing bestaat uit een aantal smalle strepen dwars op het loopvlak die en 1½ mm minder diep profiel dan de rest van de band hebben. Als de band zover versleten is dat nog maar 1½ mm over is, zijn deze strepen duidelijk zichtbaar en moet u snel nieuwe banden monteren. Denk crom dat banden met zo weinig profieldiepte bij regen en sneeuw een zeer slechte greep op het wegdek hebben.
Denk erom dat de profieldiepte over het gehele loopvlak volgens de wet tenminste 1 mm moet zijn!
Zo kunt u onnodige bandenslijtage vermijden
● Zorg voor de juiste bandenspanning.
- Rijd soepel. Vermijd "wegscheuren", snel bochten nemen en sterk afremmen.
- Denk eraan dat snel rijden de banden sterk doet slijten.
- Verwissel de wielen niet onderling.
- Rijd niet met een verkeerde voorwieluitlijning.
- Balanceer de wielen zo nodig.
- Pas op de banden, als u de auto bij een trottoirrand parkeert.
"Ochtendzool"
Alle banden worden tijdens het rijden warm. Als daarna bij het parkeren de banden afkoelen, vervormen de banden door het contact met de grond, d.w.z. dat de banden iets platter worden. Deze vervorming, de zogenaamde "ochtendzool", kan op onbalans gelijkende trillingen veroorzaken en verdwijnt pas, als de band weer warm wordt. Verschillende bandentypen vertonen deze ochtendzool in verschillende mate als gevolg van verschillende typen koordmateriaal in het bandenkarkas. Bij koud weer duurt het langer, voordat de banden warm worden en de ochtendzool verdwijnt.
Winterbanden, spijkerbanden, sneeuwkettingen
's Winters adviseren wij om winterbanden 175R14, 185/70R14 als de auto 14"-wielen heeft en 185/65R15 of 175/70R15, als de auto 15"-wielen heeft, te gebruiken.
Gebruik altijd op alle vier wielen winterbanden!
N.B! Slechts bepaalde velgen van de overige Volvo-modellen kunnen gebruikt worden. Uw Volvo-dealer weet welke.
In winterbanden moet de bandenspanning achter 30 kPa (4 psi) hoger dan in zomerbanden zijn.
Spijkerbanden moeten 500–1000 km voorzichtig en rustig "ingereden" worden, zodat de spijkers zich goed in de banden kunnen zetten. Daardoor wordt de levensduur van de banden en met name van de spijkers verlengd. Laat de banden tijdens hun gehele levensduur in dezelfde richting draaien. Als u de wielen wilt verwisselen, moet u de wielen aan dezelfde kant als daarvoor laten zitten.
Sneeuwkettingen kunnen, als zij fijne schakels hebben en niet zover ten opzichte van de band uitsteken dat zij tegen de remklauwen of andere onderdelen kunnen aanlopen, op de achterwielen van de auto aangebracht worden. De Volvo-dealers hebben goedgekeurde door Volvo geconstrucerde sneeuwket- tingen.
N.B! Met sneeuwkettingen mag nooit sneller dan 60 km/uur gereden worden! Rijd nooit onnodig op een sneeuwvrije ondergrond, omdat de sneeuwkettingen en banden dan zeer snel slijten. Gebruikt nooit snel te monteren kettingen met losse schakeln, omdat de ruimte tussen de schijfremmen en de wielen daarvoor: a klein is.
WAARSCHUWING!
Speciale velgen
De enige goedgekeurde "speciale wielen" voor uw Volvo zijn de door Volvo beproefde lichtmetalen velgen die door Volvo-dealers verkocht worden.
De bandenspanning is belangrijk!
Controleer telkens bij het tanken de bandenspanning! De juiste spanning staat in de tabel hiernaast.
Bij het rijden met een verkeerde bandenspanning kunnen de goede rij-eigenschappen van de auto slechter worden en bovendien slijten de banden meer.
Denk eraan dat de waarden van de tabel voor koude banden gelden. Al na een paar kilometer rijden worden de banden warm en loopt de bandenspanning op. Dit is normaal en u moet bij het controlleren van warme banden geen lucht laten ontsnappen. De bandenspanning moet wel verhoogd worden, als deze te laag is.
Voor warme banden gelden 10–30 kPa (1,5–4 psi) hogere warden, afhankelijk van de temperatuur.
Bandenspanning, koude banden kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in de Englese eenheid pounds/square inch (psi).
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | ||
| Voor | Achter | Voor | Achter | |
| 185/70 R 14195/60 R 15 | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| Reserveband 15""Special Spare" 14" | 350 (50)280 (40) | 350 (50)280 (40) | 350 (50)280 (40) | 350 (50)280 (40) |
Als lang en snel gereden wordt (langer dan een uur boven 120 km/uur) moet de bandenspanning met 30 kPa verhoogd worden. N.B! Dit geldt niet voor de reserveband "Special Spare". Deze band moet altijd een spanning volgens de tabel hebben.
Voorbeelden van verschillende soorten bandenslijtage

Als er iets gebeurt...
Ook al verzorgt u uw auto voorbeeldig, toch kan het gebeuren dat u met de auto iets krijgt dat u zelf moet verhelpen om verder te kunnen rijden, zoals b.v. een lege band, een kapotte gloeilamp, enz. In dit hoofdstuk worden behandeld:
wielen verwisselen 57
gloeilampen vervangen 60–65
zekeringen vervangen 65–67
lokaliseren van storingen 68, 69
wisserbladen vervangen 70
Denk bij het wielen verwisselen aan het volgende!
Als u van zomerwielen op winterwielen overgaat, moet u met krijt op de banden aantekenen, waar het wiel zat, b.v. LV = links vóór, enz.
Breng ook recht tegenover elkaar verfstippen aan, een op het wiel en een op de naaf, zodat u precies weet hoe het wiel op de naaf zat. Als u deze moeite neemt, behoeft u de wielen niet meer te balanceren, als u hen weer monteert.
In de velgen van de auto zit een „extra“ gat. Dit gat moet passen over de paspen die achter op de remschijven zit.
Door deze paspen komen de wielen na verwisselen in verband met een lage band of bij het overgaan van winterbanden op zomerbanden altijd in precies dezelfde stand als daarvoor te zitten zodat de wielen weer goed gebalanceerd zijn. Denk er echter aan om het wiel te merken waar het zit, voordat u het wiel afneemt!

Paspen in het extra gal van de velg
Reservewiel "Special Spare" (bepaalde landen)

Reservewiel Special Spare op stalen velg
Het reservewiel van uw auto heeft een speciale band die "Special Spare" genoemd wordt (Engels voor speciaal reservewiel).
Als de band stukgaat, kunt u een nieuwe band met deze codering bij uw Volvo-dealer kopen.
Volgens bestaande wetten is het slechts toegestaan om het reservewiel eventjes te gebruiken, als een band beschadigd, e.d. is. Een gemonteerd wiel van dit type moet dus zo snel mogelijk door een normaal wiel vervangen worden.
Denk er ook om dat deze band, tezamen met de normale andere banden, de rij-eigenschappen iets kan veranderen.
De aanbevolen maximumsnelheid, als een reservewiel "Special Spare" gemonteerd is, is daarom 100 km/uur, ook al is de band tegen de maximumsnelheid van de auto bestand.
Wielen verwisselen

Het reservewiel ligt onder de mat op de vloer van de bagageruimte. De krik met de slinger en de gereedschapstas zitten tegen de achterwand van de bagageruimte. Denk eraan om de gevarendriehock neer te zetten volgens de instructies op de doos ervan.
- Trek de handrem aan en schakel bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak de 1e versnelling in - stand P bij auto's met automatische versnellingsbak. Plaats een blok vóór en achter de wielen die op de grond blijven staan.

- Auto's met stalen velgen hebben wieldoppen in twee delen. Verwijder deze als volgt. Wip eerst het "dopje" in de wieldop met een schroevedraaier los en neem dan de wieldop er met de hand af.

- Draai de wielmoeren ½–1 slag los met de pijpsleutel. De moeren worden losgedraaid door hen linksom te draaien.

Zo moet de krik zitten

- Bij elk wiel zit een kriksteun.
Hang de krik aan de pen in de kriksteun, zoals de afbeelding toont, en draai de krikvoet zo dat deze vlak op de grond drukt. Controleer opnieuw, of de krik volgens de afbeelding in de kriksteun zit. - Breng de auto zo ver omhoog dat het wiel vrijkomt.
- Verwijder de wielmoeren en neem het wiel af. Pas op en beschadig de schroefdraad van de wielmoeren niet.

WAARSCHUWING!
- De krik moet stevig op een horizontale ondergrond staan.
- Kruip nooit onder de auto, als deze op de krik staat.
- Bij het wielen verwisselen moet de originele krik van de auto gebruikt worden. Bij alle andere werkzaamheden aan de auto moet een garagekrik gebruikt worden en moeten onder het gedeelte van de auto dat omhooggebracht is, bokken gezet worden.
- Trek de handrem aan, schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak de 1e vernselling of de achteruit in -stand P bij een automatische versnellingsbak.
- Blokkeer de wielen die nog op de grond staan aan de voor- en achterkant. Gebruik hiervoor stevige houtblokken of grote stenen.
- De bout en het tandsegment van de krik moeten altijd goed gesmeerd zijn.
Wielen aanbrengen
● Maak de aanlegvlakken van het wiel en de naaf schoon.
- Breng het wiel aan. Op de remschijven van de achterwielen zit een paspen die in het "extra" gat in de velg moet zitten. Draai de wielmoeren vast. N.B! De conische kant van de wielmoeren moet naar het wiel gekeerd worden; zie de rechter afbeelding op pag. 58.
- Laat de auto zakken en haal de moeren kruiselings aan. Aanhaalmoment circa 85 Nm (8,5 kgm). Dit is het geval, als u hen met de dopsleutel en steel uit de gereedschapstas stevig aanhaalt.
- Breng de wieldop aan.
Bij auto's met stalen velg: houd de wieldop met de hand vast en zorg ervoor, dat het dopje goed komt te zitten en de wieldop sterig borgt.
Gloeilamp in een koplamp vervangen

- Breng de nieuwe gloeilamp aan volgens de tekening zonder het glas met de vingers aan te raken. De gloeilamp heeft drie pasnokken en deze zijn asymn trisch aangebracht, waardoor de gloeilamp maar op een man, goed zit. - Breng alles weer aan in een volgorde tegengesteld aan die bij het verwijderen.
O
- Open de motorkap.
- Buig de klemveer, waarmee het plastic deksel vastzit opzij; dit
kan zwaar gaan. Verwijder het deksel.
- Trek de connector los; deze kan stevig vastzitten.
● Druk de verende ring in en draai deze iets linksom.
- Verwijder de gloeilamp.

Gloeilamp in een hoeklicht vóór vervangen

De gloeilampen moeten van binnenuit de motorruimte vervangen worden.
Schakel de verlichting uit en draai de contactsleutel in de stand 0.
- Laat de connector met draden aan de fitting zitten.
Draai de fitting een paar mm linksom en verwijder de fitting met de gloeilamp.
- Verwijder de gloeilamp uit de fitting door de lamp in te drukken en linksom de draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet de fitting weer in het hoeklicht.
N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting iets breder dan de andere is en in breedste uitsparing in het gat moet passen!
Draai de fitting rechtsom vast en controleer, of de gloeilamp licht geeft.
Denk erom dat er in bepaalde landen twee verschillende types gloeilampen voorkomen, 1-polige en 2-polige.
Bij de 2-polige lamp zitten de paspennen op verschillende hoogten. De lamp kan maar op één manier in de fitting aangebracht worden. Probeer maar! Breng de lamp aan, druk deze naar binnen en draai deze voorzichtig een paar millimeter. Als draaien niet gaat, moet de lamp verwijderd, een 1/2 slag gedraaid en weer aangebracht worden. Als de gloeilamp juist aangebracht is, moet deze vastgedraaid kunnen worden zonder kracht te gebruiken.
Gloeilamp in een achterlicht vervangen

Lampen, plaatsing linker kant

Gloeilampen (linker kant)
| 1 | Reflector | — | — |
| 2 | Achteruitrijlicht | 21 W | BA 15s |
| 3 | Richtingaanwijzer | 21 W | BA 15s |
| 4 | Remlicht* | 21 W | BA 15s |
| 5 | Achterlicht | 5 W | BA 15s |
| 6 | Achterlicht/remlicht | 5/21 W | BAY 15d |
* In bepaalde landen mistachterlamp.
Alle gloeilampen in een achterlicht moeten van binnenuit de bagageruimte vervangen worden.
Doe het volgende.
- Schakel de verlichting uit en draai de contactsleutel in de stand 0.
● Schroef de afdekkap van het achterlicht los en buig deze omlaag. De afdekkap zit aan de onderkant vast.
- Draai de fitting van de kapotte gloeilamp ca 1 cm linksom maak deze los. De gloeilamp zit in de fitting vast.
- Verwijder de gloeilampuit de fitting door de lamp in te drukken en een paar imm linksom te draaien.
- Zet een nieuwe gloeilamp in de fitting en breng de fitting weer in het achterlicht aan..
N.B! Merk op dat een van de pasnokken van de fitting jees breder dan de beide andere is.
Deze pasnok moet in de breedste uitsparing in het gat voor de fitting passen.
Draai de fitting rechtsom vast.
Controleer, of de gloeilamp licht geeft. Draai de afdekkap vast.
Kentekenplaatverlichting

Noar achteren/beneden trekken
Schakel de verlichting uit en draai de contactsleutel in de stand 0. Trek de lamphou- volgens de pijl naar achteren, totdat taste aan de voorkant loslaat.
Vervang de gloeilamp.
Controleer, of de pakking goed ligt en pas de lamphouder in de voorkant van het gat en druk het achterste deel met de hand omhoog dat dit weer vastzit.
Motorruimteverlichting

Schroevedraaier insteken en draaien
Schakel de verlichting uit.
Steek de schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en draai voorzichtig, dan laat het glas los. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Bagageruimteverlichting

Schroevedraaier naar binnen drukken
Schakel de verlichting uit.
Druk de pasnok van het glas met een schroevedraaier naar binnen (zie de afbeelding) en verwijder het glas. Vervang de gloeilamp en breng het glas weer aan.
Zijknipperlicht
(bepaalde landen)

De gloeilamp moet van buitenaf vervangen worden. Schuif de lamp naar voren en trek de achterkant eruit. Daarna kan de gehele lamp verwijderd worden. Laat de draden uit de lamphouder zitten en trek de lamphouder eruit. Trek de kapotte gloeilamp er recht uit. Als u de gloeilamp heeft vervangen en de lamp weer wilt aanbrengen, moet u erop letten dat de gehele rubber pakking in Lg gat in het spatbord komt.


Schakel de verlichting uit. Pak het voorste deel van het lamphuis vast (zie de afbeelding) en trek het recht naar beneden los. Vervang de kapotte gloeilamp. Controleer of deze licht geeft. Breng het lamphuis weer aan.
Plafondverlichting en leeslampjes
Mistlampen of verstralers (accessoire)

- Draai de twee kruiskopschroeven los.
- Verwijder de schroeven en de "hoekstukken" en trek de reflector naar voren/buiten.
- Breng de veren die de gloeilamp vasthouden uit elkaar en buig deze omhoog.
- Trek de connector van de draad naar de gloeilamp los en breng een nieuwe gloeilamp aan.
- Breng alle onderdelen in de omgekeerde volgorde als bij het verwijderen aan. Denk om de tekst TOP op het lampeglas! Deze noel aan de bovenkant zitten.
N.B! Pak de gloeilamp noolt met de vingers aan het glas beet! Vet en olie van de vingers verdampen namelijk door de warmte en zetten zich op de reflector af; deze wordt dan snel slecht.
Zekering vervangen

Als een elektrische component niet werkt, kan dit komen door een zekering die door een korte overbelasting doorgebrand is. De zekeringen en relais van de auto zitten in de centrale verdeeldoos vóór het asbakje in de tunnelconsole.
Zo kunt u bij de centrale verdeeldoos komen:
- Verwijder het asbakje. Trek dit helemaal uit, druk de lip met de duim omlaag en licht het asbakje uit.
- Druk de druktoest met de tekst "electrical fuses — press ♦" van de asbakhouder omhoog, trek de onderkant naar achteren en verwijder de houder.
U ziet nu de 22 zekeringen in twee series zitten. Misschien zien de zekeringen er voor u niet gewoon uit: die komt, omdat zij van een nieuw, beter en nauwkeuriger type dan vroeger zijn.
De zekeringen moeten verwijderd worden om te kunnen zien of zijn doorgebrand zijn. Daarom moet u eerst op de zekeringenlijst hiernaast kijken om te weten welke zekeringen gecontroleerd moet worden.
Trek de zekering recht omhoog los en kijk aan de zijkant of de gebogen draad doorgebrand is. Breng in dit geval een nieuwe zekering met dezelfde kleur en ampère-aanduiding als de oude aan — het cijfer staat op de zekering! Reservezekeringen zitten aan elke kant van het zekeringenkastje, een 15 (blauwe), een 25 (lichtgele) en een 30 (groene) ampère zekering.
Als op een bepaalde plaats de zekeringen steeds doorbranden, is er iets met de elektrische installatie niet in orde en moet de auto voor controle naar een Volvo-garage.

Nummering van de zekeringen in het zekeringenkastje
Nr
Ampères
1 Brandstofpomp, Brandstofinspuiting 25
2 Centrale vergrendeling, waarschuwings-knipperlichten, grootlichtsignaal 25
3 Verstralers, mistlampen 15
4 Remlichten 15
5 Handschoenenkastjeverlichting, klokje, radio, motorruimteverlichting, binnenverlichting, bagageruimteverlichting, motor-bediende antenne, waarschuwingslampen in portieren 15
6 Elektrische ventilator, elektrisch verwarmde voorstoelen 25
7 Elektrisch bediende raammechanismen 30
8 Reserve
9 Elektrische achterruitverwarming, airconditioning, elektrisch bediend schuifdak 30
10 Instrumenten, achteruitrijlampen, cruise control, ontstekingstijdstip, waarschuwingslampje autogordels 15
11 Richtingaanwijzers, overdrive, automatische regeling stationair toerental 15
12 Sigare-aansteker, elektrisch bediende buitenspiegels, radio, elektrisch bediende bestuurderstoel 15
13 Claxons, ruitewissers en -sproeiers, koplampwissers en -sproeiers 25
Nr
Ampères
14 Luchtaanjager, airconditioning 30
15 Brandstofpomp in de brandstoftank 15
16 Mistachterlamp, automatische regeling koplampen 15
17 Linker grootlicht 15
18 Rechter grootlicht, extra koplamp 15
19 Linker dimlicht 15
20 Rechter dimlicht 15
21 Achterlichten, kentekenplaat-verlichting, linker parkeerlicht, vóór en achter 15
Verlichting van: asbakje, kachelbediening, schakelaar schuifdak en achterruitverwarming Bij auto's met stuur links bovendien verlichting van instrumenten en schakelaars links van het stuur.
2 Verlichting snelsluiting autogordels, rechter parkeerlicht vóór en achter, verlichting opbergvak tussen voorstoelen, extra koplamp 15
Bij auto's met stuur rechts bovendien verlichting van instrumenten en schakelaars rechts van het stuur
R Reservezekeringen
Voor degene die vinden dat bepaalde zekeringen moeilijk toegankelijk zijn, is een "tangetje" gemaakt dat rechts aan de zijkant van de zekeringenruimte aangebracht is.

1 Druk het tangetje op de zekering.
2 Trek de zekering met het tangetje rechtomhoog los.


3 Trek de zekering uit het tangetje en schuif er een nieuwe in.
4 Druk de nieuwe zekering met het tangetje op zijn plaats.
5 Trek het tangetje eraf.


Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat niet aan (de startmotor draait de motor niet met normaal toerental rond of de startmotor werkt helemaal niet)
De accu is slecht geladen of geheel ontladen.
Laat de accu opladen of plaats een nieuwe accu. Eventueel kan de auto door slepen of met een hulpaccu gestart
worden.
Zoek de oorzaak voor het omladen van de accu op.
Slecht contact bij de aansluitingen van de accu of de startmotor.
Defect in de startmotor. Defect in het contactslot.
Maak de poolschoenen en alle aansluitingen goed schoon en zet hen goed vast.
Breng de auto voor reparatie naar een Volvo-garage.
De motor slaat niet aan (ook al draait de startmotor de motor met normaal toerental rond)
Er komt geen benzine.
Controleer, of er benzine in de tank zit en er benzine tot bij de motor
komt. Controleer, of de zekeringen nr 1 en 15 heel zijn (zie pag. 66, 67). Deze zekeringen beveiligen de componenten van de brandstof-
insputung.
Laat de benzine aftappen en de benzinetank schoonmaken.
Controleer de bougies (elektrode-afstand, barstjes, e.d.). Controleer de stroomverdelerkap op barstjes en andere beschadi-
gingen. Controleer van alle kabels van de ontsteking, of deze goed aangesloten en schoon zijn. Controleer de bobine.
Laat dit in een Volvo-garage verhelpen.
Defect in het injectiesysteem.
Lokaliseren van storingen
Vermoedelijke storing
Maatregel
De motor slaat over en loopt bij alle toerentallen onregelmatig
| Defect in de ontsteking | Controleer de bougies op hun uiterlijk en toestand. |
| Controleer de stroomverdelerkap. | |
| Controleer de kabels van de ontsteking. | |
| Controleer de bobine. | |
| Defect in het injectiesysteem. | Laat dit in een Volvo-garage verhelpen. |
De motor slaat bij hoge toerentallen over
| Defect in de bougies. | Controleer de bougies. |
| Defect in het injectiesysteem. | Laat dit in een Volvo-garage verhelpen. |
De motor trekt niet goed
| Verstopt luchtfilter. | Controleer het luchtfilter. |
| Verstopt brandstofffilter. | Vervang het brandstofffilter. |
| Inuitief afgesteld ontstekingstijdstip. | Stel de ontsteking goed af. |
Hoog brandstofverbruik
| Brandstofsysteem lekt. | Dicht eventuele lekken. |
| Slechte bougies. | Controleer de bougies en vervang deze zo nodig. |
| Foutief afgesteld ontstekingstijdstip. | Stel de ontsteking goed af. |
| Verstopt luchtfilter. | Controleer het luchtfilter en vervang dit zo nodig. |
| Defect in het injectiesysteem. | Laat dit in een Volvo-garage verhelpen. |
Ruitewisserblad vervangen

Klap de wisserarm om en houd het wisserblad haaks op de wisser. Druk de borgveer aan de achterkant van de wisserarm naar binnen.

Trek het gehele wisserblad naar beneden, zodat het "oog" van de arm helemaal door het gat in de wisserbladbevestiging steekt.

Breng het nieuwe wisserblad in de tegengestelde volgorde aan en controleer, of het goed vast zit.
N.B. Voor uw eigen veiligheid en die van medeweggebruikers moeten de ruitewisserbladen vervangen worden, zodra deze strepen op de voorruit achterlaten en niet meer schoonwissen.
Koplampwisser vervangen

Lang. Naar het midden van de auto
Klap de wisserarm naar voren. Trek het wisserblad naar buiten los. Druk het nieuwe wisserblad vast met het langste uiteind naar het midden van de auto gericht. Controleer, of het wisserblad goed vastzit!
Carrosserie-onderhoud — niet alleen voor het aanzicht!
De carrosserie wordt natuurlijk onderhouden om de auto van buiten en van binnen schoon en mooi te houden. Maar er is nog veel meer: het moet ook gebeuren uit het oogpunt van roestwering, om de roestwerende behandeling regelmatig te controleren en bij te werken en om de lak op beschadigingen te controleren en deze bij te werken.
roestwerende behandeling, controleren en bijwerken 72, 73
lakbeschadigingen, controleren en bijwerken 74, 75
auto wassen 76,77
Roestwerende behandeling — controleren en bijwerken
Uw Volvo kreeg al van fabriekswege een nauwkeurige en volledige roestwerende behandeling. Aan de buitenkant, op het onderstel en in de wielkuipen werd een dik, slijtvast roestwerend middel gespoten en aan de binnenkant van de balken, holle ruimten en gesloten secties een dunnere, penetrerende roestwerende vloeistof. Wat kunt u, als eigenaar van de auto, doen om deze roestwerende behandeling in goede staat te houden? Wel, er zijn vooral twee zeer effectieve methodes: ● Houd de auto schoon! Spoel het onderstel, de wielkuipen en de spalschermranden onder hoge druk schoon. ● Laat de roestwerende behandeling regelmatig controleren en waar nodig bijwerken.
De „onzichtbare“ roestwerende behandeling
De „onzichtbare" roestwerende behandeling (in balken, holle ruimten en gesloten secties) moet voor de eerste maal na tenhoogste drie jaar en daarna tenminste om het jaar vernieuwd worden. Denk eraan dat deze plaatsen voor het verkrijgen van een perfect resultaat moeten worden ingespoten in een bedrijf met een goede vernevelapparatuur en de juiste sproeiers. Vraag uw Volvo-garage om advies.
De "zichtbare" roestwerende behandeling
De "zichtbare" roestwerende behandeling moet regelmatig gecontroleerd en zo nodig bijgewerkt worden, tenminste één maal per jaar. Als de roestwerende behandeling ergens bijgewerkt moet worden, moet u dit onmiddellijk laten doen om te voorkomen dat vocht onder de roestwerende laag komt.
De bij te werken plaats moet echter schoon en droog zijn! De auto moet dus goed afgespoeld, gewassen en drooggemaakt worden. Gebruik een roestwerend middel in een spuitbus of breng het met een kwastje op. Een gewone drukoliekan met een lange en liefst buigzame tuit is uitstekend geschikt om bij nauwe plaatsen te kunnen komen.
Er zijn drie verschillende types roestwerend middel:
a) een dun (type ML) voor balken, holle ruimten en gesloten secties
b) een dun (kleurloos) voor zichtbare plaatsen
c) een dik voor slijtplekken van het onderstel en van de wielkuipen. Denkbare plaatsen om met deze hulpmiddelen bij te werken zijn b.v.:
● Zichtbare lasnaden en puntlasnaden (vloeistoftype b)
- Onderstel en wielkuipen (vloeistoftype c)
- Gefelste randen van de motorkap (vloeistoftype b)
● Portierscharnieren (vloeistoftype b)
- Motorkapscharmieren en -slot (vloeistoftype b).
Als de behandeling klaar is, kan het overtollige roestwerende middel verwijderd worden met een lap die met terpentine bevoch- fied is.


Drukoliekan met buigzame tuit
De lak is een belangrijk onderdeel van de roestbescherming van de auto en moet dus regelmatig gecontroleerd worden. Lakbeschadigingen moeten onmiddellijk behandeld worden om roestvorming te voorkomen. De meest voorkomende lakbeschadigingen, d.w.z. de beschadigingen die u ook zelf kunt bijwerken, zijn:
- Kleine steenslagplekken en krassen.
- Afbladderende spatschermranden en drempels b.v.
Bij het bijwerken moet de auto goed gewassen en droog zijn en een temperatuur boven +15°C hebben.
Lakkleurcode
Let crop dat u de juiste lakkleur heeft. Controleer dit met het codenummer voor de lakkleur dat op het typeplaatje op het rechter binnenscherm in de motorruimte staat.

Kleine steenslagplekken en krassen
Materialen:
Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) — tube of bus.
- Grondlak — bus.
● Lak — bus of zogenaamde lakpen.
- Pennemesje of iets dergelijks.
- Penseel.
Als de steenslagplek niet tot op de plaat is doorgedrongen en er nog een onbeschadigde laklaag over is, kan de lak direct opgebracht worden, als vuil weggeschraapt is.
Als de steenslagplek tot de plaat doorge- drongen is, moet u het volgende doen:
- Schraup het beschadigde oppervlak tot op de plaat schoon en schuin de lakranden met b.v. een pennemesje af (zie afbeelding 1).

Tot de plaat schoonschrapen
- Breng het roestverwijderingsmiddel (denk om ogen en huid) met een penseel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af. Maak de plek goed droog!
- Roer de grondlak (de primer) goed om en breng deze met een fijn penseeltje of met een lucifer op (afbeelding 2).

- Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak met een penseel opgebracht worden. Roer de lak goed om en breng deze daarna enkele malen dun op en laat de lak daartussen goed drogen.
- Bij krassen doet u, zoals hierboven beschreven is, maar het kan gewenst zijn om onbeschadigde lak door afplakken te beschermen (zie afbeelding 3).

Eventueel atplakken
- Wacht een paar dagen met de nabehandeling. Gebruik een zachte doek en wees uinig met polish.
Bijwerken van afbladderende spatschermranden en drempels
Materialen:
Roestverwijderingsmiddel (koudfosfateringsmiddel) — tube of bus
● Grondlak — spuitbus
Lak — spuitbus
● Schuurpapier korrelfijnheid 150–300
● Thinner
Bij het lakken van grote oppervlakken moet u de omgeving eerst maskeren met tape en papier. Verwijder de tape onmiddellijk na de laatste maal spuiten en voordat de lak gedroogd is.
1 Verwijder loszittende bladders.
2 Schuur de beschadigde plek schoon en reinig deze met thinner,
3 Breng het roestverwijderingsmiddel (denk om ogen en huid) met een penseel op, wacht een paar minuten en spoel dan goed met water af.
Maak de plek goed droog!
4 Schud de spuitbus tenminste 1 minuut. Spuit de grondlak op. Bij het opspuiten moet u de spuitbus met gelijkmalige snelheid op een afstand van 20-30 cm van de plek heen en weer bewegen; zie de afbeelding. Bescherm de omringende vlakken met karton.

Spuitbus zo houden
5 Als de grondlak goed droog is, kan de eindlak op dezelfde manier opgespoten worden. Spuit deze een paar maal op en laat de lak daartussen een paar minuten drogen.
De auto moet vaak gewassen worden!
Was de auto zodra deze vuil geworden is, met name in de winter, omdat wegenzout en vocht gemakkelijk corrosie kunnen veroor-
zaken.
Op de volgende manier kunt u de auto wassen. ● Spoel het vuil zorgvuldig af van de onderkant van de auto
(wielkuipen, spatschermranden, enz.)
- Spoel de gehele auto af, totdat het vuil week geworden is.
- Was de auto met een spons met of zonder wasmiddel en veel
water. Gehruik hierbij liefst lauw, maar geen heet water.
- Als het vuil erg vastzit, kunt u de auto met een koud-ontvettings-
- Als het voor erg vasten/kam de van middel wassen, maar dat moet dan op een spoelplaats met een
spoelputje gebeuren.
- Spoel daarna de auto met schoon water goed na, met name als
een koud-ontvettingsmiddel gebruikt is.
- Droog de auto af met een schone zachte zeem.
- Een motor-bediende antenne (accessoire) moet afgedroogd en
met een lapje met olie ingevet vorden.
Geschikte wasmiddelen:
Autowasmiddelen (autoshampoo) of 50–100 cm ^3 gewoon vloebaar
afwasmiddel op 10 liter water.
Vlekken op aluminium lijsten rondom ramen, spatschermen en
portieren kunnen met autopolish weggepoetst worden. Gebruik
pooit poliistpasta of staalwol. Roestvrijstalen onderdelen kunnen
met een chroompoetsmiddel gereinigd worden.

Denk hieraan... Verwijder vogelvuil altijd zo snel mogelijk van de lak. Het bevat namelijk chemische stoffen die de lak snel doen verkleuren. Dit kan niet meer weggepolijst worden.
Automatische wasinrichting — snel en eenvoudig, maar...
Met een automatische wasinrichting kan de auto snel en eenvoudig schoongemaakt worden. Denk er echter aan, dat een automatische wasinrichting de auto niet zo effectief en voorzichtig wast als u zelf met de hand met spons en water doet. Het onderstel van de auto wordt niet in alle wasautomaten afgespoeld, terwijl dit met name in de winter van groot belang is.
Let erop, dat eventuele extra accessoires (extra koplampen, buitenspiegels, antennes) goed vastzitten, want anders bestaat er kans dat de borstels van de wasautomaat dergelijke onderdelen losrukken. Draai b.v. liefst de antenne los als dit eenvoudig te doen is. Bij het wassen in een automatische wasinrichting met borstels moet u de armen van de koplampwissers onder de aanslagen onder aan de koplampen leggen om te verhinderen, dat de borstels de armen pakken en het wissermechanisme beschadigen.
N.B! Vergeet daarna niet om de wisserarmen weer in hun normale stand te brengen als het wassen klaar is.
Was uw auto alleen in wasautomaten met schone borstels! Was uw auto de eerste zes maanden liefst niet in een automatische wasinrichting, omdat de lak dan nog niet hard genoeg is.
Denk eraan, dat het wassen in een automatische wasinrichting het wassen met de hand nooit kan vervangen!
U moet de auto cleanen en in de was zetten, als u vindt dat de lak mat is en u deze een extra bescherming wilt geven, b.v. vlak vóór de winter.
Normaal behoeft de auto niet eerder dan na een jaar gecleaned te worden. In de was zetten kan eerder gebeuren.
U moet de auto goed wassen en droogmaken, voordat u gaat cleanen en/of in de was zetten. Verwijder asfalt- en teerspatten met terpentine. Mocilijker te verwijderen vlekken kunnen met een poetsmiddel voor autolak ("rubbing") verwijderd worden.
Poets eerst met polish en zet de auto daarna met vloeibare of vaste was in de was. Volg de instructies op de verpakkingen nauwkeurig op. Veel preparaten bevatten zowel polish als was.
Er zijn momenteel veel verschillende merken zogenaamde poly- meerwassen voor autolak in de handel.
Deze wassen zijn gemakkelijk te verwerken en geven een zeer hard en glad oppervlak, waardoor de lak tegen oxydatie, vuilworden en verbleken beschermd is.
Bekleding reinigen
Vuilgeworden bekleding kan het eenvoudigst en best gereinigd worden met een modern schuimend wasmiddel dat het vuil losmaakt.
Vermijd schuren en schrobben met een harde borsten. Vlekken kunnen altijd het gemakkelijkst direct verwijderd worden, voordat zijn ingedroogd zijn.
De vlekken moeten opgelost en niet weggewreven of -geschuurd worden.
Ontylekkingsmiddelen
Ammoniakoplossing: 1 theelepel ammoniak (ca 90%-ig) wordt met 3 dl water gemengd.
Ammoniak-zeep-oplossing: bovenstaande immomiakoplossing wordt met 1 dl zeepwater gemengd. Zeepwater kan gemaakt worden door b.v. geraspte ongekleurde toiletzeep in lauw water op te lossen.
Perchloorethyleen-benzine: Meng gelijke hoeveelheden perchloorethyleen en wasbenzine (chemisch zuivere benzine). Bij gebruik van perchloorethyleen-benzine moet deze oplossing eerst verdampen, voordat de vlek met water nabehandeld kan worden.
Spiritus
Terpentine
WAARSCHUWING!
Denk eraan dat perchloorethyleendampen erg gifig zijn. Let erop dat de auto goed geventileerd is, als deze preparaten gebruikt worden.
Denk er ook om dat wasbenzine, spiritus en terpendite brandgevaarlijke vloeistoffen zijn!
Vlekken in stoffen, vloermatten behandelen
Behandel de vlek zo snel mogelijk.
Verwijder het grootste deel van het vuil met een bot ines of leis dergeliiks.
Zuig van de vlek zo veel mogelijk op met schone witte doekem. Stotzuig rondom de vlek, zodat omringend vuil niet oplost.
Bevochtig een schone witte lap met het oplosmiddel. Zuig vervolgens het oplosmiddel met een droge wattenprop uit de vlek op.
Herhaal de behandeling tot de vlek verdwenen is.
Denk aan het volgende:
- Bij verflekken, b.v. inkt, balpuntpennen, lippestuit, moet heeft voorzichtig gewerkt worden met het ontvlekkingsmiddel, omdat de kleurstof in de vlek opgelost kan worden en de vlek daardoor groter wordt.
- Gebruik zo weinig mogelijk oplosmiddel. Te veel oplosmiddel kan het schuimplastic in de zitting beschadigen.
- Werk altijd van buiten naar binnen naar het midden van de vlek toe.
Autogordels reinigen
Gebruik hiervoor water met een synthetisch wasmiddel.
Vlekken op leer en vinylbekleding behandelen
Krab of wrijf nooit op een vlek.
Gehruik nooit sterke ontvlekkingsmiddelen.
Bij moeilijk te verwijderen vlekken kan men voorzichtig terpenunc of iets dergelijks gebruiken.
Reinig daarna met een zwakke zeepoplossing en lauw water. Als u meer over het reinigen van de bekleding wilt weten, geeft uw Volvo-garage gaarne alle inlichtingen.
Regelmatig onderhoud — dat is investeren!
Deze investering brengt zijn geld op omdat u op uw auto kunt vertrouwen en omdat deze dan langer meegaat.
En ook als u uw auto door een nieuwere wilt vervangen. Lees daaroom over:
Volvo Service 80
om aan te denken! 81
motorruimte 83
motorolie: controleren en verversen 84
versnellingsbakolie: peil controleren 86, 87
achterasolie: peil controleren 86
stuurbekrachtiging, koppeling, remmen: vloeistofpeil controleren 88
carrosseriesmering 89
koelvloeistof: controleren en vervangen 90
V-riemen: controleren 92
BELANGRIJK
Voor de geldigheid van onze garantievoorwaarden stellen wij als absolute eis dat de genoemde garantie-inspectiebeurt uitgevoerd wordt bij ongeveer de juiste kilometerstand en dat de auto overeenkomstig de instructies van deze handleiding onderhouden is; dat b.v. de voorgeschreven olieverversingen en de 1 000 km inspectiebeurten bij de juiste kilometerstand uitgevoerd worden en ook dat reparaties en inspectiebeurten bij een erkende Volvogarage uitgevoerd worden.
Servicehandboeken — voor degenen met technische belangstelling
Voor degene die van de constructie van de auto meer wil weten dan in deze handleiding besproken kan worden, en die over het uitvoeren van afstellingen en reparaties nauwkcurig geïnformeerd wil worden, zijn er Volvo Servicchandboeken. Dit zijn dezelfde boeken als in Volvo-werkplaatsen gebruikt worden en u kunt deze via uw eigen Volvo-dealer of direct bij Volvo kopen.
Denk eraan dat...
- servicebeurten nodig zijn om uw auto bedrijfszeker en verkeersveilig te houden. - het overslaan van een servicebeurt meer uitlaatgassen, aan gevolg kan hebben, die schadelijk voor het milieu zijn. - een servicebeurt het beste wordt uitgevoerd door een Volvo garage. Daar is uw auto in de hekwame handen van geschoolde monteurs, die beschikken over speciaal gereedschap en betrouwbare serviceliteratuur. - iedere servicebeurt gehonoreerd wordt met een stempel in het servicebockje. Een "goed gestempeld" boekje duidt op een caro die goed onderhouden is en zal de inruilwaarde van de auto aanzienlijk verhogen.
Service
Voordat de auto aan u werd afgeleverd, zijn twee inspectiebeurten uitgevoerd. De eerste werd door de Volvo fabrick verricht en de tweede, de afleverings-inspectiebeurt, door de dealer, geheel overeenkomstig de voorschriften van de Volvo-fabrick.
Garantie-inspectiebeurt.
Wanneer u 1 000–2 000 km gereden hebt, moet u uw auto naar uw eigen dealer brengen voor de garantie-inspectiebeurt, waarbij de olie van de motor, versnellingsbak en achteras ververst wordt.
Preventief onderhoud
De verzorging van uw auto door Volvo eindigt niet met de garantie-inspectie. Volvo heeft een soviceprogramma ontwikkeld met regelmatige controle- en onderhoudsmaatregelen die nodig zijn om tussen de inspectiebeurten de verkeers- en bedrijfszekerheid van de auto te behouden. Het serviceprogramma van Volvo is flexibel en houdt rekening met milieu- en klimaatomstandigheden, wettelijke bepalingen, enz. Dit betekent ook dat van land tot land bepaalde variaties kunnen voorkomen met betrekking tot de inhoud en de intervallen van de inspecties. Alle inspectie-intervallen zijn op normaal autogebruik berekend. Als u van mening bent dat uw rijstijl meer dan normaal van de auto vergt, moet u passende service-intervallen met uw dealer bespreken. Daar kunt u ook aan de weet komen welke maatregelen tot het programma behoren. Een overzicht van hetgeen tot een onderhoudsinspectie hoort, staat in het garantie-/serviceboekje.
Denk aan het volgende, voordat u aan uw auto gaat werken:
WAARSCHUWING!

De ontsteking van de auto werkt met een zeer hoge spanning die levensgevaarlijk is!
Het contact moet afgezet zijn of de accu moet losgekoppeld zijn bij de volgende werkzaamheden:
- Aansluiting van motortestapparatuur, ontstekingstestlamp, contacthoek/toerentalmeter, ontstekingsoscilloscoop, enz.
- Vervanging van onderdelen van de ontsteking, zoals bougies, bobine, stroomverdeler, bobine- en bougiekabels.
Injectiesysteem van de motor
Pas bij alle werkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem ervoor op dat geen vuil in het systeem komt.
Werkzaamheden aan het brandstofinjectiesysteem moet u overla-
en aan een Volvo-garage die de juiste apparatuur heeft.
Auto opkrikken
Als de auto met een garagekrik omhooggebracht wordt, moeten de vier kriksteunen (twee aan elke kant) gebruikt worden. Deze zijn voor dit doel speciaal versterkt.
In a garagekrik kan ook onder het gegoten achterashuis of onder de vlas midden tussen de voorwielen aangebracht worden.
Beschadig de afschermplaat onder de motor niet.
Let erop dat de krik goed wordt geplaatst, zodat de auto niet van de krik afglijdt.
Gebruik altijd bokken of iets dergelijks.
Als de auto met een hefbrug met twee kolommen opgekrikt wordt, moeten de voorste hefarmen onder de steunen van de draagarmstangen (zie de afbeelding) aangebracht worden en niet onder de kriksteunen! Anders wordt de auto van voren te zwaar, zodat bij werkzaamheden aan de achteras en de achterveren het achterste deel van de auto los kan komen van de achterste hefarmen.
- De achterste hefarmen moeten onder de achterste kriksteunen aangebracht worden.
De originele autokrik moet bij wielen verwisselen gebruikt worden. Zie hiervoor pagina 58 en 59.

Steunen van de draagarmstangen
Motorruimte
1 Typeplaatje
2 Expansietank koelsysteem
3 Bijvullen motorolie
4 Oliepeilstok motor
5 Remvloeistofreservoir
6 Brandstofffilter
7 Accu
8 Radiator
9 Oliereservoir stuurbekrachtiging
10 Luchtfilter
11 Vloeistofreservoir ruite-/kop-lampsproeiers

Olie bij het tanken altijd controleren
Zet de auto op een horizontale ondergrond en wacht ongeveer 1 minuut, nadat de motor afgezet is. Veeg vóór de controle de peilstok af. Het peil moet binnen het "gearceerde" gebied van de peilstok liggen. De afstand tussen het merkteken MAX en MIN van de peilstok is ca 1 liter.
Eventueel olie bijvullen
Gebruik hetzelde olietype als in de motor zit. Zie de volgende pagina. Trck de olievuldop recht omhoog. Als u bij het olie verversen de juiste hoeveelheid toevoegt komt het olicpel ongeveer in het midden van het "gearceerde" gebied van de peilstok te liggen, d.w.z. midden tussen de merktekens MAX en MIN; dit is geheel normaal is. Vul niet met teveel olie; dan wordt het olieverbruik hoger.


Motorolie aftappen
U kunt bij de aftapschroef komen via een gat in de voorste afschermplaat van de motor. Tap de olie af, als deze nog warm is. WAARSCHUWING! De olie kan erg heet zijn!
Oliefilter moet vervangen worden bij olie ververser Verwijder het oude oliefilter en gooi dit weg. Breng een nieuw aan volgens de instructies op het filter.
Oliekwaliteit:
Volgens API Service tenminste SF*
* Oliën met de aanduiding SF/CC en SF/CD voldoen aan deze norm.
Synthetische of halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden, als deze aan bovenstaande API-norm voldoen.
Viscositeit (bij constante luchttemperatuur)

Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur of een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in de bergen met veel afremmen op de motor en bij zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden. Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Olie-inhoud: 3,85 liter (3,35 liter excl. oliefilter)
Oliepeil controleren: altijd bij het tanken.
Olie verversen en oliefilter vervangen
Dit gebeurt voor de 1e maal bij de garantie-inspectie na 1000-2000 km.
Daarna volgens onderstaande tabel. Interval naar kilometerstand of tijd, al naar gelang het eerste het geval is.
| Rij-omstandigheden | Interval olie verversen en oliefilter vervangen |
| Ongunstige omstandigheden: zie hieronder | Om de 5000 km of 6 maanden |
| Normale rij-omstandigheden | Om de 10 000 km of 12 maanden |
Ongunstige rij-omstandigheden
- langdurig rijden in stoffige/zanderige omgeving
- langdurig rijden met caravan/aanhanger
- langdurig rijden in bergterrein
- langdurig rijden met zeer hoge snelheid
- langdurig stationair lopen of rijden met lage snelheid
- lage temperaturen (onder 0°C) met voornamelijk korte afstanden (korter dan 10 km)
Handgeschakelde versnellingsbak

De olie moet tot aan de peil-/vulopening staan.
Het bijvullen geschiedt, indien nodig, door de peil-/vulopening.
Het deksel voor de oliezeef van de overdrive moet verwijderd en de oliezeef moet gereinigd worden.
De versnellingsbak en overdrive worden met dezelde one gesmeerd.
Zorg er bij het vullen voor, dat de olie naar de overdrive overstroomt.
Oliekwaliteit: ATF-olie, type G (of F) bij alle temperaturen.
In een klimaat waarin de temperatuur zelden onder -10°C (14°F) komt, kan ook SAE 10W/40 of SAE 10W/30 motorolie gebruikt worden.
N.B! ATF-olie en motorolie mogen niet met elkaar gemengd worden!
Oliepeil controleren: bij elke inspectie.
Olie verversen: alleen bij de garantie-inspectie.
Achterasreductie

De olie moet tot aan de rand van het peil-/vulgat staan. Indien nodig, moet via het peil-/vulgat olie bijgevuld worden.
Oliekwaliteit: API-CL-5 (MIL-L-2105 B of Cl.SAE 90 of SA/80W/90.
Oliepeil controleren: bij elke inspectie.
Olie verversen: alleen in verband met de garantie-inspectie.
Automatische versnellingsbak

Peilstok met geel handvat

A Koude versnellingsbakolie — olietemperatuur +40°C. Deze temperatuur wordt na ca 10 minuten stationair lopen in de garage of werkplaats bereikt. Bij een olietemperatuur onder +40°C kan het peil onder het MIN-streepje liggen.
B Warme versnellingsbakolie — olietemperatuur +90°C. Deze temperatuur wordt in ca 30 minuten bij snel rijden op buitenwegen bereikt. Bij een olietemperatuur boven +90°C kan het peil boven het MAX-streepje liggen.
N.B! Bij oliepeilcontroles moet de motor stationair lopen!
Bij het controleren van het oliepeil moet u het volgende doen:
De auto horizontaal en laat de motor stationair lopen. Breng de keuzehendel via alle versnellingen in stand P. Wacht twee minuten en controleer het oliepeil. Op bovenstaande tekening is zichtbaar dat de peilstok een "koude" en een "warme" kant heeft. Het oliepeil moet tussen de streepjes A-X en MIN liggen. Veeg de peilstok af met een nylonlap, papier of zeemleer of met een lap die geen resten op de peilstok achterlaat. N.BI De olie kan erg heet zijn!
Het bijvullen gebeurt via de pijp waarin de peilstok zit. De hoeveelheid tussen de strepen MAX en MIN is ca 0,4 liter. Vul nooit met te veel olie. Dan kan de versnellingsbak de olie "eruit gooien". Door te weinig olie kan de versnellingsbak niet goed werken, vooral niet als deze nog koud is.
Oliekwaliteit: ATF-olie type Dexron II D bij alle temperaturen.
Oliepeil controleren: bij elke inspectie-beurt, maar tenminste elk half jaar.
Olie verversen: elke 40 000 km.
Stuurbekrachtigings-, rem- en koppelingsvloeistof

Peilstok reservoir
stuurbekrachtigingsvloeistot
Reservoir rem- en koppelingsvloeistof
Plaatsing reservoir stuurbekrachtigings-, rem- en koppelingsvloeistof
Remvloeistof, koppelingsvloeistof
De rem- en koppelingsvloeistof hebben samen een reservoir. Het vloeistofpeil moet tussen de streepjes MAX en MIN liggen. Vloeistoftype: remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703). Vloeistoipeil controleren: altijd bij het tanken. Vloeistofi verversen: om de 2 jaar
N.B! Bij auto's waarmee zo gereden wordt dat de remmen vaak en sterk gebruikt worden, zoals b.v. bij het rijden in de bergen, moet de vloeistof elk jaar ververst worden. Dit verversen behoort niet tot inspectiebeurt, maar het is doelmatig om dit gelijktijdig met een inspectiebeurt bij een Volvo-garage te laten doen.
Stuurbekrachtigingsvloeistof
Het olicpeil mag niet boven de merkstrepen op de peilstok liggen; de peilstok zit onderaan het deksel vast en heeft verschillende merkstrepen voor warme en voor koude olic. Na het rijden mag het olicpeil niet boven de merkstreep HOT en bij het controleren niet boven COLD liggen. Vul olie bij, als het peil bij ADD ligt.
Olickwaliteit: ATF-olie
Olie-inhoud: 0,7 liter
Oliepell controleren: bij elke onderhoudsbeurt
Olie verversen: is niet nodig.
Carrosseriesmering

3 Portieruitsteller— zit bij het onderste portierscharnier

Nr Smeerplaats (aantal)
1 Motorkapslot (1)
2 Motorkapscharnieren (2)
Portieruitstellers (4)
4 Windscherm, schuifdak (1)
5 Portiersloten, buitenste glijvlakken (4)
Smeer- middel
Paraffine
Olie
Olie
Olie
Paraffine
Nr Smeerplaats (aantal)
6 Slotje kofferdeksel(1)
Sleutelgat (1)
7 Raammechanismen(4) Sluitingen (binnenkant portieren ) (4)
8 Rails (4) en blokkeringen (2) voorstoelen
9 Sleutelgaten(2)
10 Sluitplaten(4)
Smeer- middel
Olie
Slotenolie
Olie, vet
Smeer de carrosserie een of meer malen per jaar; dan voorkomt u piepen en onnodige slijtage.
N.B!
In de wintermaanden moeten ook de sloten van de portieren en het kofferdeksel behandeld worden met een middel dat vastvriezen voorkomt (slotenolie).
Olie
Slotenolie
Paraffine
Koelvloeistof
Samenstelling van de koelvloeistof
Vul nooit met alleen schoon water bij! Gebruik het gehele jaar een mengsel van 50% Volvo anti-vries, type C (blauwgroen) en 50% water.
N.B! De motor is van een aluminiumlegere- ring gemaakt, zodat het belangrijk is om Volvo antivrics te gebruiken. Deze heeft een bijzonder goede corrosiewerende werking! Verschillende koelvloeistoffen mogen niet met elkaar gemengd worden!
Door de anti-vries wordt in de zomer corrosie en in de winter ook bevriezen voorkomen. Als de auto nieuw is, is het koelsysteem gevuld met koelvloeistof die tegen circa -30°C kan.
Inhoud van het koelsysteem: ca 8,5 liter.
Koelvloeistofpeil controleren: altijd bij het tanken.
Koelvloeistoi verversen: om de 3 jaar in de herfst, als het koelsysteem voor 50% met Volvo anti-vries, type C en voor 50% met water gevuld is.
Als het koelsysteem met een andere antivries gevuld is, moet deze vaker ververst worden, b.v. in de herfst elk jaar of om het jaar.
Koelvloeistof bij het tanken altijd controleren
Het peil moet tussen de streepjes MIN en MAX op de expansietank liggen. Vul de vlocistof bij, als het peil onder het MIN-streepje gekomen is.
Draai als bijgevuld moet worden en als de motor warm is, de dop van de expansietank voorzichtig los om de overdruk te laten ontsnappen.

Expansietank met MIN- en MAX- merkstrepen
Expansietank

Koelvloeistof om de 3 jaar in de herfst verversen
Aftappen
1 Zet de kachelbediening op het instrumentenpaneel op warm.
2 Verwijder de dop van de expansietank.
3 Draai de aftapkraan open.
4 Maak de onderste radiatorslang los bij de radiator.
7 Vul de expansietank tot het MAX-streepje of iets hoger.
8 Laat de motor circa 5 minuten warmdraaien, controleer het koelsysteem op lekkage en vul ondertussen koeivloeistof bij.
9 Draai de dop op de expansietank.
N.B!
De motor mag alleen lopen met een goed gevuld koelsysteem. Als dit niet goed gevuld is, kunnen plaatselijk hoge temperaturen optreden met kans op beschadiging (barsten) van de cilinderkop.
Vullen
5 Draai de onderste radiatorslang vast.
6 Draai de aftapkraan dicht.

Aandrijfriemen (ventilatorriemen) voor de airconditioning, stuurbekrachtiging en dynamo

Riemspanning controleren
Bij normale spanning moeten de riemen in het midden 5-10 mm ingedrukt kunnen worden. Als er een riem vernieuwd is, moet de riemspanning na 1000-2000 km gecontroleerd en zo nodig afgesteld worden.
Riemen controleren
Controleer regelmatig, of de riemen heel en schoon zijn. Versleten of vervuilde riemen kunnen leiden tot een slechte koeling, een slecht laadvermogen van de dynamo en bovendien de werking van de stuurbekringing en airconditioning ongunstig beinvloeden.

ventilator, dynamo en waterpomp
stuurbekrachtiging of airconditioning
stuurbekrachtiging
Riem 1 en 2
Riem 3
Riem 4
Laat een Volvo-werkplaats de aandrijfriemen afstellen en vervangen Het kan als gevolg van de plaats van de riemen voor u moeilijk zijn om een riem af te stellen of te vervangen. Laat dit daarom aan uw Volvo-werkplaats over. Riem 1 en 2 moeten altijd als stel vervangen worden!
Specificaties en technische gegevens
Nieuwe eenheden
In het onderstaande hoofdstuk van de handleiding worden voor de specificaties de SI-eenheden gebruikt. De oude eenheden zijn tussen haakjes vermeld. De in de handeling gebruikte eenheden zijn:
kW - kilowatt als eenheid van vermogen
oude eenheid pk (paardekracht)
100 kW = ca 136 pk
Nm - newtonmeter als eenheid van koppel
oude eenheid kgm (kilogrammeter)
100 Nm = ca 10 kgm
r/s - omwentelingen per seconde
oude eenheid omw/min (omwentelingen per minuut)
100 r/s = 6000 omw/min
kPa - kilopascal (druk van vloeistoffen, gassen)
oude eenheid kg/cm²
100 kPa = ca 1 kg/cm²
Maten en gewichten
Lengte 479 cm
Breedte 176 cm
Hoogte 141 cm
Wielbasis 277 cm
Spoorbreedte, voor 146 cm
Spoorbreedte, achter 146 cm
Draaicirkel 9,9 m
Rijklaargewicht (afhankelijk van de uitvoering) 1365–1380 kg
Toegestane belasting' (afhankelijk van de uitvoering) 400-415 kg
Totaalgewicht 1780kg
Maximumasdruk, vóór 880 kg
Maximumasdruk, achter 920 kg
Maximumdakbelasting 100 kg
Maximumaanhangergewicht 1500 kg (zie ook pagina 49)
* De toegestane maximumasdruk mag nooit overschreden worden!
Inhoudsgegevens in liter
ndstoftank ca 60
Koelsysteem ca 8,5
Motorolie, incl. oliefilter 3,85
excl. oliefilter 3,35
Versnellingsbakolie, 4-bak met overdrive 2,3
automat 7.7
Chterasolie 1,6
Staurbekrachtiging 0,7
Sproeivloeistofreservoir 3,2
Type-aanduidingen
Bij alle contacten met uw Volvo-dealer over de auto en bij het bestellen van service-onderdelen en accessoires kan het gemakkelijk zijn, als u de type-aanduiding, het chassisnummer en het motornummer van de auto kent.
1 Type- en modeljaaraanduiding en chassisnummer
Deze zijn in de middelste portierstijl rechts ingeslagen en staan ook op een plaatje op de achterwand van de bagageruimte.
2 Type-aanduiding, toegeslane maximumgewichten en codenummers voor lakkleur en bekleding
Op een plaatje op het rechter binnenscherm.
3 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricagenummer van de motor
Aan de linker kant van de motor.
4 Type-aanduiding, onderdeel- en fabricagenummer van de versnellingsbak
Handgeschakelde versnellingsbak:
aan de onderkant.
Automatische versnellingsbak: aan de linker kant.
5 Overbrengingsverhouding, onderdeelen fabricagenummer van de achteras
Op een sticker op het linker deel van de achteras.
6 Serviceplaatje
Op een plaatje in de bagageruimte op de afdekplaat onder de achterruit, aan de rechter kant.

Smeermiddelen
Motor
Oliekwaliteit: Volgens API Service tenminste SF*
* Oliën met de aanduiding SF/CC en SF/CD voldoen aan deze norm.
Synthetische en halfsynthetische oliën mogen gebruikt worden als zij aan bovenstaande API-norm voldoen.
Olie-inhoud: 3,85 liter (excl.oliefilter 3,35 liter)
Bij extreme rij-omstandigheden die een abnormaal hoge olietemperatuur en een abnormaal hoog olieverbruik geven, zoals b.v. bij het rijden in de bergen met veel afremmen op de motor en bij het zeer snel rijden op autosnelwegen, wordt SAE 15 W/40 of SAE 20 W/40 motorolie aangeraden.
Denk echter aan de onderste temperatuurgrens voor deze oliën!
Viscositeit(bij constante luchttemperatuur)

| Versnellingsbak | Oliekwaliteit: | ATF-olie, type F of G (handgeschakeld),zie ook pagina 86ATF-olie, type Dexron II D (automaat) | Olie-inhoud: | Handgeschakeldmet overdrive 2,3 literAutomaat 7,7 liter |
| Achteras | Oliekwaliteit: | API-GL-5 (MIL-L-2105 B of C)SAE 90 of 80W/90 | Olie-inhoud: | 1,6 liter |
| Stuurbekrachtiging | Oliekwaliteit: | ATF-olie | Olie-inhoud: | 0,7 liter |
| Remvloeistof koppelingsvloeistof | Vloeistoltype: | Remvloeistof DOT 4 (of SAE J 1703) | Vloeistofinhoud: | ca 0,4 liter |
Specifications
MOTOR
4-cilinder, watergekoelde benzinemotor.
Het motorblok is vervaardigd van gietijzer.
De cilinders zijn direct in het blok geboord.
De cilinderkop is van lichtmetaal en heeft tegenover eikuar
liggende inlaat- en uitlaatkanalen.
Eén bovenliggende nokkenas.
Smeersysteem met tandwielpomp, aangedreven door de krukas.
Oliefilter van het doorstroomtype.
Brandstofsysteem met brandstofinspuiting.
Het kocsysteem is een gesloten overdruksysteem.
Type-aanduiding
Vermogen, DIN
Koppel, DIN
Aantal cilinders
Boring
Slaglengte
Cilinderinhoud
Compressieverhouding
Klepspeling warme motor,
inlaat-, uitlaatkleppen
bij afstellen
bij controleren
Ontstekingsvolgorde
Onstekingstijdstip
afstelling met stroboscoop
Bougies
elektrode-afstand
aanhaalmoment
Stroomverdeler, draairichting
Brandstofsysteem
Carburateur/Injectie
Brandstof
Koelsysteem
Type
Thermostaat, gaat open bij
Inhoud (incl. verwarming)
^1 of dienovereenkomstig
B 23 E
96 kW bij 88 r/s
(131 pk bij 5400 omw/min)
190 Nm bij 60 r/s
(19,4 kgm bij 3600 omw/min)
4
96 mm
80 mm
2,32 dm³ (2,32 liter)
10:1
0,40-0,45 mm
0.35-0.45 mm
1-3-4-2
10° v6ór B.D.P. bij 12-13 r/s
(700-800 omw/min)
Volvo O/N 273596-6
Enkelvoudige hydraulisch werkende droge-plaat koppeling. Geheel gesynchroniseerde 4-versnellingsbak met vloerpook. Overdrive bij bepaalde modellen.
Als alternatief volautomatische versnellingsbak, bestaande uit een hydraulische koppelomvormer met planetaire versnellingsbak.
Achteras van het hypoïde-type.
Koppeling
Koppelvork, vrije slag 1–3 mm.
Versnellingsbak
| Type-aanduiding | Handschakeling M46 | Automaat ZF 4HP-22 |
| Overbrengingsverhouding | ||
| 1e versnelling | 4,03:1 | 2,73:1 |
| 2e versnelling | 2,16:1 | 1,56:1 |
| 3e versnelling | 1,37:1 | 1:1 |
| 4e versnelling | 1:1 | 0,73:1 |
| overdrive | 0,79:1 | — |
| chteruit | 3,68:1 | 2,09:1 |
Achteras
Overbrengingsverhouding 3,54:1 (handschakeling)
3,73:1 (automaat)
Snelheid in km/uur bij 17 r/s (1000 omw/min)
| Achterasoverbrenging | 3,54:1 | 3,73:1 |
| 1e versnelling | 8 | 8 |
| 2e versnelling | 16 | 15 |
| 3e versnelling | 24 | 23 |
| 4e versnelling | 34 | 32 |
| overdrive | 42 | 40 |
| achteruit | 9 | 9 |
Denk erom dat deze waarden afgerond zijn. Zij kunnen in de praktijk iets afwijken als gevolg van de bandenmaat, -spanning en -slijtage.
Aanbevolen minimum- en maximumsnelheden, km/uur
| Automodel | 1e | 2e | 3e | 4e |
| 740 GLE | 0-50 | 20-80 | 35-130 | 45^* |
• Cirka 70 km/uur met ingeschakelde overdrive.
Specifications
Banden
Bandenspanning koude banden, kPa (100 kPa = 1 kg/cm²)
Tussen haakjes staan de waarden in Engelese cenheden: pounds/square inch (psi).
| Bandenmaat | 1-3 personen | Vollast | ||
| Vóór | Achter | Vóór | Achter | |
| 185/70R14195/60R15 | 190 (28) | 190 (28) | 210 (31) | 230 (33) |
| Reserveband 15""Special Spare" 14" | 350 (50)280 (40) | 350 (50)280 (40) | 350 (50)280 (40) | 350 (50)280 (40) |
Bij langdurig zeer snel rijden (langer dan een uur boven 120 km/uur) en bij rijden met winterbanden moet de bandenspanning met 30 kPa (4 psi) verhoogd worden.
N.B! Dit geldt niet voor banden van het type "Special Spare". Voor deze band moet de spanning altijd volgens de tabel zijn.
Voortrein
Veerpoot van het type MacPherson.
De schokdempers zijn in de veerpoten ingebouwd.
Stuurinrichting met tandheugel. Stuurbekrachtiging.
De stuurkolomas is van het veiligheidstype.
De afstelwaarden gelden voor een onbelaste auto, incl.
brandstof, koelyloeistof en reservewiel.
Toespoor (Toe-in), bij de velg opgemeten 2±0,5 mm
bij de zijkant band opgemeten 2,5±1 mm
Elektrische installatie
12-Volt systeem met wisselstroomdynamo en spanningsregeling. Eénpolig systeem waarbij het chassis en het motorblok als geleiders gebruikt worden. De minpool is op het chassis aangesloten.
| Spanning | 12 volt |
| Accu, capaciteit | 55 Ah |
| elektrolyt, s.g. | 1,28 |
| moet worden geladen bij s.g. | 1,21 |
| Dynamo, maximumvermogen | 980 W |
| maximumstroomsterkte | 70 A |
| Startmotor, vermogen | 1,4 kW |
Specifications
Gloeilampen, 12 V. Zo zien zij eruit.


eilampen
| Koplampen | 60/55 W | H 4 | 1 |
| Mistlampen (accessoire) | 55 W | H 3 | 2 |
| Parkeerlichten, vóór | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Richtingaanwijzers, vóór | 21 W | BA 15 s | 4 |
| achter opzij | 21 W | BA 15 s | 4 |
| 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 | |
| Achterlichten | 5 W | BA 15 s | 5 |
| Remlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Remlichten/Achterlichten (bepaalde landen) | 21/5 W | BAY 15 d | 3 |
| Achteruitrijlichten | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Mistachterlamp(en) | 21 W | BA 15 s | 4 |
| Gloeilampen | Vermogen | Fitting | Nr |
| Kentekenplaatverlichting | 5 W | BA 9 s | 9 |
| Waarschuwingslamp, portieren | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Plafondverlichtung | 10 W | SV 8,5 | 6 |
| Leeslampjes, vóór | 5 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Motorruimteverlichting | 10 W | SV 8,5 | 6 |
| Bagageruimteverlichting | 10 W | SV 8,5 | 6 |
| Handschoenenkastje, verlichting | 2 W | BA 9 s | 9 |
| Make-upspiegel, verlichting | 3 W | SV 7 | 7 |
| Instrumentenverlichting | 3 W | W 2,1×9,5 d | 8 |
| Verlichting, bedieningspaneel automatische versnellingsbak | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 | |
| asbakje achter autogordelsluiting | 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 |
| 1,2 W | W 2×4,6 d | 11 | |
| Waarschuwingslampje, laadstroom | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| oliedruk | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| handrem | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| defect remcircuit | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| defecte gloeilamp | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| Controlelampje, autogordels, achterbank | 2 W | BA 9 s | 9 |
| richtingaanwijzers | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| grootlicht | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| overdrive | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| spoeivloeistof | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
| autogordels, vóór | 1,2 W | Volvo O/N 966326 | 10 |
Aantekeningen
Alfabetische inhoudsopgave
Accu 98
Achteras, olie 86
Achterlichten, gloeilamp vervangen ..... 62
Achterruit, elektrische verwarming ..... 16
Achteruitkijkspiegels 26
Achteruitrijlichten, gloeilamp vervangen 62,99
Achteruitvergrendeling 41
Aftapkraan, koelvloeistof 91
Aftapschroef, achterasolie .... 86 motorolie .... 84 versnellingsbakolie .... 86
Afwateringsgaten 76
Airconditioning 20-24
Als iets gebeurt 56-70
Anti-vries 90
Anti-verblindingshendel 11
Armleuning 36
Asbakjes 17
Auto, opkrikken 81
Autogordels 30, 31
Automatische versnellingsbak. rijden met 42-44 olie 87
Bagage, imperiaal 45
Bagageruimte 34
Bagageruimteverlichting, gebruik 34 gloeilamp vervangen 63
Banden 53
Bandenspanning 55
Bedrijfsstoringen 68
Bekleding, reinigen 78
Bestuurdersplaats 4
Bestuurdersstoel 28
Bevroren sloten 50
Binnenverlichting, gebruik 27
glocilamp vervangen 64
Blaasmonden 19
Brandstof, tanken 37
Brandstof, zuinig zijn met 39
Brandstofmeter 6,7
Brandstofsysteem 96
Brandstofspecificatie 96
Buitenlandse reizen, voorzorgsmaatregelen 51
Caravan/aanhanger, rijden met 49
Carburateurvloeistof 50
Carrosserie-onderhoud 71-78
Caroseriesmering 89
Centrale vergrendeling 32
Chassisnummer 94
Claxons 4
Cleanen 77
Contactsleutel 10
Contact- en stuurslot 10
Controlelampjes 8
Daqrijlichten, gebruik 14
gloeilamp vervangen ..... 61
Dagteller 6
Defroster 19-24
Draaicirkel 93
Dynamo 98
riemspanning 92
Elektrisch bediende raammechanismen 18
Elektrisch verwarmde achterruit 16
Elektrisch verwarmde stoel 16
Elektrische installie, gegevens 98
Elektrolyt, accu 98
Expansietank, koelsysteem 90
Frisse-luchtinlaat 19
Garagekrik 81
Garantie 80
Garantie-inspectie 80
Gloeilampen, gegevens 99
vervangen 60
Glycol 90
Grootichtsignaal knipperen 11
Handrem 17
Hoogteverstelling, voorstoelen 28
Houder voor parkeerbiljetten ....
Hulpstartaccu
Identificatie, type-plaatjes 94
Imperiaal 45
In de was zetten
Inhoudsgegevens ....
Inrijden
Instrumenten 0, r
Instrumenten en bediening 4
Instrumentenpanel 6,7
Instrumentenverlichting 6
Interieuronderdelen 25-27
Intervalstand, ruitewissers 12
Kentekenplaatverlichting,
gloeilamp vervangen 63
Keuzehendel, autom. versn.bak 42
Kick-down 44
Kilometerteller 6
Kinderen in de auto 29
Kinderstoel 29
Kinderen, veiligheid 29
Kinderveiligheidssloten 33
Klepspeling 96
Klokje 6
Knipperlichten.
gebruik 11
gloeilamp vervangen 61, 62
Koelsysteem 90-91
Koelvloeistof 90
Koelvloeistofpeil, controleren 90
Kofferdeksel 33
Kogeldruk, rijden met caravan 49
Koplampen, gloeilamp vervangen .... 60
schakelaar .... 14
Koplampwissers,
rebruik 12
isserblad vervangen 70
Koppeling 97
Koppelingsvloeistof 88
Krik 59
Kriksteunen 81
L. s cleurcode 74
Lak, bijwerken 74–75
Lampen, gegevens 99
vervangen 60–65
Langdurig niet gebruiken 52
Lange lading 37
Lange reizen, voorzorgsmaatregelen ..... 51
Leeslampjes, gebruik 27
glocilamp vervangen 64
Lege band 58,59
Lendesteun, voorstoelen 28
Lengteverstelling, voorstoelen 28
Lichtbediening 14
Lichtsignaal 11
Lokaliseren van storingen 68
Maten en gewichten 93
Maximumbelasting 93
Mistachterlamp(en),
gebruik 15
gloeilamp vervangen 62
Motor.gegevens 96
olie verversen 84
oliepeil controleren 84
Motorkap, openen 35
Motorkapsluiting 35
Motornummer 94
Motorolie, controleren/verversen 84
Motorruimte 83
Octaangetal 37
Olie verversen, motor 84
Oliedruk 8.9
Oliefilter 84
Oliën en vloeistoffen 95
Oliepeil controleren,
achteras 86
automatische versnellingsbak 87
handgeschakelde versnellingsbak ..... 86
motor 84
Oliepeilstok,
automatische versnellingsbak 87
motor 84
Omhoogbrengen auto 81
Onbalans in wielen 54
Onderhoud 79-92
Onderstelbehandeling 72
Ontsteking 96
Opbergplaatsen 36
Opkrikken, auto 81
Overbrengingsverhouding,
achteras 97
versnellingsbak 97
Overdrive,
automatische versnellingsbak 43
handgeschalkelde versnellingsbak .... 41
Parkeerlichten,
gebruik 14
gloeilamp vervangen 61, 62
Parkeerrem 17
Peilstok, motorolie 84
Portieren 32
Portier, waarschuwingslamp 33
Presentatie 2
Profieldiepte, banden 54
Raammechanismen,
elektrisch bediend 18
Reinigen 78
Remlichten, gloeilamp vervangen ...... 62
Remmen 48
Remvloeistof 88
Reservewiel, beschrijving 57
gebruik 58
Richtingaanwijzers,
gebruik 11
gloeilamp vervangen 61, 62
Reinigings- en oplosmiddelen
Gebruik als reinigings- of oplosmiddel geen motorbenzine die lood of benzeen bevat. Lood of benzeen kan in bepaalde gevallen hoofpijn, een gevoel van onwelzijn, e.d. veroorzaken. Bij hoge concentraties kunnen deze stoffen ook de bloedvormende organen van het lichaam beschadigen.
Dit moet u bij het tanken altijd controleren:

Controleer zonder de dop te verwijderen of het remvloeistofpell boven het MIN-merkteken staat. Vul, indien nodig, remvloeistof DOT 4 bij.
Het oliepeil moet binnen het "gearceerde" gebied op de peilstok liggen. Veeg vóór elke oliepeilcontrole de peilstok af. Het gearceerde gebied komt overeen met ca 1 liter olic. Vul, indien nodig, olic bij van hetzelfde type als al in de motor zit.
Het koelvloeistofpell moet tussen MAX en MIN op de expansietank liggen. Vul, indien nodig, bij met een mengsel van 50% anti-vries en 50% water. Zie pag. 90.
Het vloeistofreservoir voor de ruite- en koplampsproeiers moet altijd goed gevuld zijn (in de winter met water en een middel tegen bevriezen).
De accu vraagt geen onderhoud en de elektrolyt behoeft alleen maar bij een inspectiebeurt gecontroleerd te worden.
In de handleiding staat een beschrijving van wielen verwisselen op pag. 58–59.
...een gloeilamp vervangen op pag. 60-65.
...een zekering vervangen op pag. 65-67.
VOLVO
Volvo Car Corporation
Göteborg, Sweden
TP 2482'1 (Dutch), 2500.2.84. ELANDERS BOKTRYCKERI AB, KUNGSBACKA 1984
Rijden met aanhanger/caravan 49 imperiaal 45
Rij-eigenschappen 45
Rij-instructies 38-52
Roestwerende behandeling 72
Rolgordels 30,31
Rugleuning, verstellen 28
Ruitewisserblad, vervangen 70
Ruitewissers/-spoelers 12
Ruitesprociers, afstellen 13
Schakelen, autom. versn.bak 42–44 handschakeling 41
Schuifdak 27
Service 80
Serviceboekje 80
Sigare-aansteker 17
Sleepogen 46
Slepen 46
Sleutels 3
Sloten 32
Slijtageprofiel 54
Smeermiddelen 95
Smering cartosserie 89
Sneeuwkettingen 54
Snelheidsmeter 6
Speciale velgen 54
Specifications 93-99
Steenslag 74
Stoelen 28
Stuurbekrachtiging 88
Stuureigenschappen 45
Stuurinrichting, gegevens 98
Stuurslot 10
Tankdop 37
Transmissie,gegevens 97
Trekhaak 49
Type-aanduidingen 94
Typeplaatjes 94
Veiligheidsgordels 30
Veiligheidsvergrendeling, achterportieren 32
Ventilatorriemen 92
Verlichting, gebruik 14, 15
Versnellingsbak handgeschakeld, olie 86
standen 41
Versnellingshendel, handschakeling .... 41
Vervangen, gloeilampen 60-65
koelyloeistof 91
wielen 58.59
Voorstoelen 28
Voorwieluitlijning 98
Voorzorgsmaatregelen,
elektrische installatie 81
lange reizen 51
wintertijd 50
V-riemen 92
Waarschuwingknipperlichten,
gebruik 11
gloeilamp vervangen 61, 62
Waarschuwingslampjes 8
Waarschuwingslampjes, defect remcircuit 8,9
Waarschuwingsprofiel, bandenslijtage 54, 55
Wasautomaat 77
Wassen 76
Wiel verwisselen 57-59
Wielbalans 54, 55
Wielen en banden 53-55
Winterbanden 54
Wintertijd, voorzorgsmaatregelen ....
Wisselstroomdynamo
Wisserblad, vervangen 70
Zekeringen 65-67
Zijknipperlichten,
Vul deze gegevens in, dan heeft u deze bij de hand!
Auto, type-aanduiding ....
Chassisnummer
Motor, type-aanduiding ....
Motornummer
Kleurcode
Kenteken
Banden-type/maat
Brandstof
Maximumbelasting
De maximumbelasting vindt u in het kentekenbewijs.
Type-aanduidingen, chassisnummer, motornummer en kleurcode: zie pag. 94.
Banden-type/maat: zie pag. 53.
Brandstof: zie pag. 96.
Als u service nodig heeft: de erkende Volvo-werkplaatsen onderhouden en

originele Volvo-onderdelen.