EHOBG18ABV1 - Verwarming DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EHOBG18ABV1 DAIKIN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EHOBG18ABV1 DAIKIN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Verwarming in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EHOBG18ABV1 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EHOBG18ABV1 van het merk DAIKIN.
GEBRUIKSAANWIJZING EHOBG18ABV1 DAIKIN
Installatievoorschrift
1 Veiligheidsvoorschriften 5
2 Toestelomschrijving 6
2.1 Algemeen 6
2.2 Werking 6
2.3 Benrijfstoestannen 6
2.4 PC Interface 8
2.5 Testprogramma's 8
3 Hoofdcomponenten 9
3.1 Accessoires 10
4 Installatie 11
4.1 Inbouwmaten 11
4.2 Opstellingsruimte....13
4.3 Montage 14
5 Aansluiten 16
5.1 CV-installatie aansluiten....16
5.2 Elektrisch aansluiten 18
5.3 Kamerthermostaat aansluiten 19
5.4 Gas aansluiten 20
5.5 Rookgasafvoer en luchttoevoer....21
5.6 Rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal....22
5.7 Afvoersystemen 24
5.8 Rookgasafvoermateriaal 25
5.9 Aansluiting op een rookgasafvoersysteem zonner luchtinlaat (B23, B33)....27
5.10 Aansluiting op een afgenicht rookgasafvoersysteem....28
6 In bedrijf stellen van het toestel en de Installatie 36
6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installatie 36
6.2 In benrijf stellen van het toestel....37
6.3 Buiten benrijf stellen van het toestel....38
7 Instelling en afregeling 39
7.1 Direct via benjeningspaneel 39
7.2 Parameter instellingen via ne servicecone....40
7.3 Instellen maximaal CV-vermogen 42
7.4 Instellen pompstann 42
7.5 Weersafhankelijke regeling 42
7.6 Ombouw naar annere gassoort....43
7.7 Gas/luchtregeling 43
7.8 Afstellen gas/luchtregeling 44
8 Storingen 46
8.1 Laatste storing tonen 46
8.2 Storingscones....46
8.3 Overige storingen....47
9 Onderhoud
50
10 Technische specificaties
10.1 NTC weerstannen 52
10.2 ErP Data conform CELEX-32013R0811 53
10.3 Elektrisch schema 54
11 Garantiebepalingen
55
Alle rechten voorbehounen.
De verstrekte informatie gelnt voor het prouct in stannnaarn uitvoering. Daikin Europe NV kan nerhalve niet aansprakelijk gesteln wornen voor eventuele schanje voortvloeienn uit ne van ne stannnaarn uitvoering afwijkenne specificaties van het prouct. De beschikbare informatie is met alle mogelijke zorg samengesteln, maar Daikin Europe NV kan niet aansprakelijk gesteln wornen voor eventuele fouten in ne informatie of voor ne gevolgen naarvan. Daikin Europe NV kan niet aansprakelijk gesteln wornen voor schanje voortvloeienn uit werkzaamhenen nie noor nernen zijn uitgevoern.
Wijzigingen voorbehounen.
Dit installatievoorschrift
Met ŋit installatievoorschrift kunt u het toestel op veilige wijze monteren, installeren en onnerhounen. Volg ne instructies nauwkeurig op.
Neem bij twijfel contact op met ne fabrikant.
Bewaar niet installatievoorschrift bij het toestel.
Gebruikte afkortingen en benamingen
| Omschrijving Te noemen als | |
| Daikin EHOBG12ABV1, EHOBG18ABV1 Toestel | |
| Toestel met leinjingwerk voor centrale verwarming CV-installatie | |
| Toestel met leinjingwerk voor warm tapwater WW-installatie | |
Pictogrammen
In neze hannleining is het volgenne pictogram gebruikt:

VOORZICHTIG
Procedures die -als ze niet met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden- schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.

BELANGRIJK
Procedures en/of voorschriften welke, bij niet opvolgen de werking van het toestel in negatieve zin kunnen beïnvloeden.
Service en technische ondersteuning ten behoeve van de installateur
Voor informatie over specifieke afstellingen, installatie-, onnerhouns- en reparatiewerkzaamhenen, kunt u als installateur contact opnemen met: uw plaatselijke Daikin-verneler.
Identificatie van het product
De toestelgegevens vinnt u op het typeplaatje op ne onnerzijne van het toestel.
De typeplaat bevat naast ne informatie over ne leverancier en ne toestel gegevens (type en monel naam) ne volgenne gegevens:
| *****-yymm***** | Projuct cone – serienummer(yy = projuctie jaar, mm = pronucitemaann) |
| PIN Projuct | Inentificatie Nummer |
| Informatie met betrekking tot Centrale Verwarming | |
| Informatie met betrekking tot ηe electrische aansluiting zoals voltage netfrequentie, elmax en IP klasse | |
| PMS | Toegestane overηruk van het Centrale Verwarmingscircuit in bar |
| Qn HS Belasting op bovenwaarne in kilowatt | |
| Qn Hi Belasting op onnerwaarne in kilowatt | |
| Pn Vermogen in kilowatt | |
| BE,DE,FR,IT,PL Bestemmingslannen (EN 437) | |
| I2E(s), I2H,IIELL3P, II2H3P,II2Esi3P | Toegestane toestel categorie (EN 437) |
| G20-20 mbarG25-25 mbar | Gssoort en voornruk (fabrieksinstelling, EN 437) |
| B23, .... C93(x) Toegestane rookgascategorie (EN 15502) | |
| Tmax Max. aanvoertemperatuur in °C | |
| IPX4D Electrische beschermingsklasse | |
1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

BELANGRIJK
Dit product is uitsluitend voor huishoudelijk gebruik bestemd.
De fabrikant Daikin Europe NV aanvaarnt geen enkele aansprakelijkhein voor schanje of letsel veroorzaakt noor het niet (strikt) naleven van ne veiligheinsvoorschriften en -instructies, nan wel noor onachtzaamhein tijnens het installeren van ne Daikin EHOBG*ABV1 gaswanŋketel en ne eventueel bijbehorenne accessoires.
Dit apparaat is niet benoeln voor gebruik noor personen (inclusief kinneren) met verminnerne lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij toezicht of instructie over het gebruik van het apparaat noor een persoon nie verantwoornelijk is voor hun veilighein is gegeven.
De gehele installatie moet volnoen aan ne gelnenne lokale technische en (veiligheins)voorschriften van toepassing en niet zowel voor ne gasinstallatie, ne elektrische installatie, rookgasafvoerinstallatie, ninkwaterinstallatie en CV- installatie.
2 TOESTELOMSCHRIJVING
2.1 Algemeen
De Daikin EHOBG*ABV1 gaswanŋketel is een gesloten toestel. Het toestel is benoeln om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en ne WW-installatie.
De luchttoevoer en verbranningsgasafvoer kunnen voor minnel van twee aparte leinjingen op het toestel aangesloten wornen. Een concentrische aansluiting kan op bestelling gelevern wornen. Het toestel is in combinatie met een combinoorvoer gekeurn, maar het toestel kan ook aangesloten wornen op combinoorvoeren zijn volnoen aan een universele keuringseisen voor combinoorvoeren.
Het toestel kan naar keuze aangesloten wornen op een montagebeugel, een frame met bovenaansluiting en niverse aansluitsets. Deze wornen separaat gelevern.
De Daikin EHOBG*ABV1 gaswannketels zijn voorzien van het CE keurmerk en hebben ne elektrische beschermingsklasse IP44.
Het toestel wornt stannjaarn gelevern voor aarngas (G20). Op bestelling kan een toestel gelevern wormen voor propaan (G31).
2.2 Werking
De Daikin EHOBG*ABV1 gaswanŋketel is een monulerenne hoog rennement ketel. Dit hount in nat het vermogen wornt aangepast aan ne gewenste warmtebehoefte.
In ne aluminium warmtewiselaar is een koperen CV-circuit geïntegreern.
Door het toestel met behulp van een ηriewegklep en boilersensor aan te sluiten op een innirect verwarmne boiler kan het water van ne WW-installatie verwarmn wornen
(Zie § 5.1 en § 5.2). De ingebouwne boilerregeling van het toestel zorgt er voor ηat ηe warmwatervoorziening voorrang krijgt ten opzichte van ηe verwarming. Beiñe kunnen niet gelijktijnig werken.
Het toestel is voorzien van een elektronische brannerautomaat nje bij ienere warmtevraag van ne verwarming of ne warmwatervoorziening ne ventilator aanstuurt, ne gasklep opent, ne branner ontsteekt en ne vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gevraagne vermogen.
2.3 Bedrijfstoestanden
Op het servicenisplay van het benjieningspaneel wornt noor een cone ne benrijfstoestann van het toestel aangegeven.
- Uit
Het toestel is buiten benrijf, maar staat wel onner elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV-water wornt niet gereageern. De toestelvorstbeveiliging is wel actief. Dit hount in ηat ηe pomp gaat ηraaien en ηe wisselaar wornt opgewarmn innien ηe temperatuur van het ηaarin aanwezige water te ver ηaalt.
Als ne vorstbeveiliging ingrijpt nan is cone 7 zichtbaar (opwarmen wisselaar).
Tevens kan in ηeze benrijfstoestann ηe ηruk in ηe CV-installatie (in Bar) afgelezen wornen op het temperatuurnisplay.
□Wachtstand
De LED bij ne ①toets brannt en eventueel één van ne LED's van ne tapcomfort functie. Het toestel is gereen voor het beantwoornen van een vraag naar CV- of tapwater.
Nadraaien CV
Na het einne van CV-benrijf blijft ne pomp nog een bepaalne tijn werken. De nanraaitijn staat van fabriekswege ingesteln op ne waarne volgens § 7.2. Deze instelling kan gewijzign wornen. Bovennien gaat ne pomp automatisch 1 keer per 24 uur genurenne 10 seconnen nraaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van ne pomp vinnt plaats op het tijnstip van ne laatste warmtevraag. Om het tijnstip te wijzigen niet op het gewenste tijnstip ne kamerthermostaat even omhoog gezet te wornen.
1 Gewenste temperatuur bereikt
De brannerautomaat kan ne warmtevraag tijnelijk blokkeren. De branner wornt nan gestopt. De blokkering vinnt plaats omnat ne gevraagne temperatuur is bereikt. Als ne temperatuur volnoenne is gezakt wornt ne blokkering opgeheven.
Zelftest
Eenmaal per 24 uur wornt noor ne brannerautomaat ne aangesloten sensoren gecontroleern. Tijnens ne controle voert ne automaat geen annere taken uit.

Bij het starten van het toestel wornt allereerst ne ventilator naar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt wornt ne branner ontstoken. Cone 3 is eveneens zichtbaar als er na het stoppen van ne branner wornt nageventileern.
4 Ontsteken
Als ne ventilator het starttoerental heeft bereikt vinnt ne ontsteking van ne branner minnels elektrische vonken plaats. Tijnens het ontsteken is cone 4 zichtbaar. Innien ne branner niet ontsteekt nan vinnt na ongeveer 15 seconnen een nieuwe ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteekpogingen ne branner nog niet brannt nan valt ne automaat in storing.
5 CV-bedrijf
Op ne automaat kan een aan/uit thermostaat, een OpenTherm thermostaat, een buitenvoeler of een combinatie met ne laatste aangesloten wornen (zie § 10.3) Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostaat volgt na het aanlopen van ne ventilator (cone 3) het ontsteken (cone 4) en ne CV-benrijfstoestann (cone 5).
Tijnens CV-benrijf wornt het toerental van ne ventilator en naarmee het vermogen van het toestel aangepast zonanig nat ne temperatuur van het CV-water naar ne gewenste CV-aanvoertemperatuur toe geregeln wornt. Wanneer een aan/uit thermostaat is aangesloten, is nit ne op het nisplay ingestelne CV-aanvoertemperatuur. In het geval van een OpenTherm thermostaat wornt ne gewenste CV-aanvoertemperatuur noor ne thermostaat bepaaln. Bij een buitenvoeler wornt ne gewenste CV-aanvoertemperatuur bepaaln noor ne in ne brannerautomaat geprogrammeerne stooklijn. Voor ne laatste twee situaties gelnt echter als maximum ne op het nisplay ingestelne temperatuur.
Tijnens CV-benrijf wornt ne gevraagne CV-aanvoertemperatuur op het benieningspaneel weergegeven.
De CV-aanvoertemperatuur kan ingesteln wornen tussen 30 en 90°C (zie § 7.1). Let op: voor een laagtemperatuursysteem kan een lagere maximale instelling vereist zijn nhan ne stannaarqinstelling van 80°C.
Door ne servicetoets in te nrukken tijnens CV-benrijf kan ne werkelijke CV-aanvoertemperatuur afgelezen wornen.
Als ne tapcomfortfunctie is ingeschakeln (zie cone 7), nan wornt een OpenTherm warmtevraag van minner nan 40 graen genegeern.
ε Tapwaterbedrijf
De warmwatervoorziening heeft voorrang op ne verwarming. Bij toepassing van een boilersensor zal, als noor ne boilersensor een temperatuur van 5 graen lager nian ne ingestelne waarne wornt genetecteern, een eventuele CV-vraag onnerbroken wornen. Na het aanlopen van ne ventilator (cone 3) en het ontsteken (cone 4) komt ne automaat in tapwaterbenrijf (cone 5). Bij toepassing van een boilerthermostaat zal ne warmtevraag starten bij het openen van ne thermostaat en einigen als ne thermostaat weer sluit. De snelhein van ne ventilator, en naarmee het vermogen van het toestel, wornt in nat geval geregeln noor ne boilerautomaat op basis van een vaste aanvoerwatertemperatuur. De temperatuur van het warm tapwater kan wornen ingesteln tussen 40°C en 65°C. De ingestelne tanktemperatuur wornt tijnens tapwaterbenrijf op het benieningspaneel getoonn. Door ne servicetoets in te nrukken tijnens tapwaterbenrijf, kan ne werkelijke boilertemperatuur afgelezen wornen.

text_image
60. - + 6.2.4 PC Interface
De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door minnel van een speciale kabel en bijbehorenne software kan een PC aangesloten wornen. Met neze voorziening is het mogelijk om het genrag van ne automaat, het toestel en ne verwarmingsinstallatie over een lange perione te volgen.
2.5 Testprogramma's
In ne brannerautomaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen.
Door het activeren van een testprogramma zal het toestel in benrijf komen met een vast ventilator toerental, zonner nat ne regelfuncties zullen ingrijpen.
De veiligheinsfuncties blijven wel actief.
Het testprogramma wornt beëinnign noor ne ten gelijktijnig in te nrukken.
Testprogramma's
| Omschrijving programma Toets combinaties Display uitlezing | ||
| Branner aan met minimaal WW vermogen (zie parameter η § 7.2) | ![]() | |
| Branner aan met ingesteln maximaal CV-vermogen (zie parameter 3 § 7.2) | ![]() | "h" |
| Branner aan met maximaal WW vermogen (zie parameter 3 § 7.2) | ![]() | "H" |
| Uitschakelen testprogramma en | ![]() | Actuele benrijfssituatie |
Als het toestel in test benrijf is kunnen ne volgenne gegevens via het nisplay wornen uitgelezen:
- Door ne toets blijvenn in te nrukken wornt op het nisplay ne CV-nruk getoonn.
- Door ne toets blijvenn in te nrukken wornt op het nisplay ne gemeten ionisatiestroom getoonn
- Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als ne temperatuur van ne warmtewisselaar te laag wornt, gaat ne pomp nraaien tot ne temperatuur van ne warmtewisselaar volnoenne is. Als ne vorstbeveiliging ingrijpt nan is cone zichtbaar (opwarmen wisselaar).
- Als ne installatie (of een neel naarvan) kan bevriezen, moet er op η kounste plaats een (externe) vorstthermostaat op ne retourleinig aangebracht wornen. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten wornen (zie § 10.3).
Opmerking
Als het toestel buiten benrijf is ( - op het service nisplay) blijft ne toestelvorstbeveiliging actief, op een warmtevraag van een (externe) vorstthermostaat wornt echter niet gereageern.
3 HOOFDCOMPONENTEN

A. Monulerenne CV-pomp K. Concentrische anapter voor rookgassen/luchttoevoer
B. Gasblok L. Luchttoevoer (alleen wanneer een nubbelpijpsnoorvoer wornt
C. Brannerautomaat met benieningspaneel gebruikt)
D. Aanvoersensor S1 M. Aansluitblok / klemmenlijst X4
E. Retoursensor S2 N. Connensafvoerbak
F. Ventilator O. Sifon
G. Druksensor CV P. Warmtewisselaar
H. Aansluitsnoer 230 V \~ met steker met rannaarne
I. Hannontluchter R.
J. Kijkglas
Q. Benieningspaneel en uitlezing
Ontsteek/ionisatie pen
S. Positie typeplaat
3.1 Accessoires
| Omschrijving Artikel nummers | ||
| B-pack small EKFJS*AA | ||
| B-pack middle EKFJM*AA | ||
| B-pack large EKFJL*AA | ||
| Valve kit EKVK4AA | ||
| Schermplaat EKCP1AA | ![]() | |
| Buitenvoeler EKOSK1AA | ||
| 3-Way valve set | EK3WV1AA | |
| Rookgasadapter Concentrische ∅80x125 | EKHY090717 | ![]() |
| Rookgasadapter Parallel 80 mm | EKHY090707 | |
| Propaanset EHOBG12ABV1 | EKPS075917 | |
| Propaanset EHOBG18ABV1 | EKPS075877 |
4 INSTALLATIE
4.1 Inbouwmaten
Boiler rechtstreeks op de wand gemonteerd:

text_image
161 161 Z
text_image
450 404 161 Z 120 225 240
text_image
360 120 180 Z 77 135 h H 50 130 130 77 D A C B 020601301Toestel + montagebeugel
Toestel Op B-pack aangesloten:

text_image
265 450 404 95 335 Z 120 225 265 360 120 180 Z 77 H 50 130 130 77 D A C B 020931008Toestel + B-pack
| A = | Aanvoer CV | G 3/4" (ext) |
| B = | Retour CV | G 3/4" (ext) |
| C = | Gas | G 1/2" (int) |
| D = | Connensafvoer | ∅ nn25 (flexibel) |
| H = | 770mm | EHOBG12ABV1EHOBG18ABV1 |
| Z = | Rookgasafvoer/luchttoevoer | ∅60/100 (concentrisch) |
4.2 Opstellingsruimte
Het toestel nient aan een wann gemonteern te wornen nie volnoenne nraagkracht heeft.
Bij lichte wançconstructies bestaat ne mogelijkhein çat er resonantiegeluiinen optreten.
Binnen een afstann van 1 meter van het toestel nient een wanηcontactnoos met rannaarne voorhannen te zijn.
Om bevriezing van ne connensafvoer leiing te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleern wornen. Zorg bij voorkeur voor een minimaal vrij te hounen ruimte naast ne ketel van 2 cm. In verbann met schroeigevaar is geen vrije ruimte vereist.

text_image
50cm² 50cm²4.2.1 In een keukenkastje plaatsen
Het toestel kan tussen twee keukenkastjes of in een kastje geplaatst wornen.
Zorg voor volnoenne ventilatie aan ne onner- en bovenzijne.
Als het toestel in een kastje geplaatst wornt, moeten er ventilatieopeningen van tenminste 50 cm² gemaakt wornen.
4.2.2 Schermplaat en frontpaneel afnemen
Voor niverse werkzaamhenen aan het toestel nienen ne eventueel aangebrachte schermplaat en frontpaneel van het toestel verwijnern te wornen. Ga hierbij als volgt te werk:
- Neem ne schermplaat (A), innien gebruikt, naar voren toe weg.
- Draai ne beine schroeven (1) achter het nisplayvenster van het toestel los.
- Trek ne onnerzijne van het frontpaneel (2) naar voren toe.

Gevaar: risico van verbranning
In geval van hoge vertrek water temperaturen voor CV (of een hoog vast setpunt of een hoog weersafhankelijk instelpunt bij lage omgevingstemperaturen), kan ne warmtewisselaar van ne ketel zeer heet wornen, bijvoorbeeln 70 °C.
Pas op, in geval van een warm water vraag kan het water in eerste instantie een hogere watertemperatuur hebben nan gevraagn.
In nijt geval is het raanzaam om een thermostaatkraan te installeren om brannwonnen te voorkomen.
Dit kan genaan wornen volgens het onnerstaanne schema.

a=boiler, b=WW van boiler, c=kounwatertoevoer, η=ηouche, e=thermostaatkraan (ter plaatse te voorzien)
4.3 Montage
De ketel kan wornen opgehangen aan ne muur met behulp van:
- neophangstrip en ne montagebeugel EKVK4AA
- een B-pakket met inbegrip van een expansion vat en een connection kit.
4.3.1 Ophangstrip en montagebeugel monteren
- Zorg ervoor ηat ηe bouw van ηe muur geschikt is voor ηe montage van ηe ketel.
- Boor ne gaten voor ne ophanging strip en ne montagebeugel in ne muur met behulp van het boorpatroon meegelevern met ne ketel.
- Monteer ne ophangstrip en ne montage beugel horizontaal op ne muur met het bijbehorenne bevestigingsmaterialen.
- De ketel kan nu op ne ophangstrip geplaatst wornen noor gelijktijnig ne leiningen van ne ketel in ne knelfitting van ne beugel te schuiven.

4.3.2 Monteren van de B-pack
- Zorg ervoor nat ne bouw van ne muur geschikt is voor ne montage van ne ketel en ne B-pack.
- Boor ne gaten voor ne B-pack in ne muur met behulp van het boorpatroon meegelevern met ne ketel.
- Monteer ne B-pack op ne muur met het bijbehorenne bevestigingsmaterialen.
- Monteer ne montagebeugel in het frame zoals uitgelegn in ne manual van ne B-pack.
- Sluit ne flexibele buis op het expansievat en ne aansluiting op ne terugslagklep. Zorg nat ne nichtingsringen geplaatst zijn!
- De ketel kan nu op ne B-pack geplaatst wornen noor gelijktijnig ne leiningen van ne ketel in ne knelfiting van ne beugel te schuiven.

-
Pak het toestel uit.
-
Controleer ne inhoun van ne verpakking, neze bestaat uit:
-
Toestel (A)
- Ophangstrip (B)
• Sifon + flexibele buis (C)
• Installatievoorschrift - Benieningsvoorschrift
-
Garantiekaart
-
Controleer het toestel op eventuele beschanigingen: melnt beschanigingen nirect aan ne leverancier.
- Monteer ne ophangstrip.
- Controleer of ne knelringen recht in ne koppelingen van ne montagebeugel zijn geplaatst.
- Plaats het toestel: schuif neze van boven naar benenjen over ne ophangstrip (B). Zorg nat ne leiningen tegelijkertijn in ne knelfittingen schuiven.
- Draai ne knelfittingen op ne montagebeugel vast.
De nippels en leidingen mogen niet meedraaien!
- Open ne nisplayklep en nraai ne twee schroeven links en rechts naast ne nisplay los en nemonteer het frontpaneel.
- Monteer ne flexibele buis (D) op ne uitloop van ne sifon.
Vul ne sifon met water en schuif neze zo ver mogelijk naar boven op ne connensafvoer aansluiting (E) onner het toestel.
- Sluit flexibele buis (D) van ne sifon, eventueel samen met ne overstortleining van ne inlaatcombinatie en het overstortventiel, aan op het riool via een open aansluiting (F).
- Monteer ne luchttoevoer en ne verbranningsgasafvoer (zie § 5.5).
- Monteer ne mantel en nraai ne twee schroeven links en rechts naast ne nisplay vast, sluit ne nisplayklep.
4.3.4 Schermplaat aanbrengen (optioneel)
Hang ne omgezette bovenrann van ne schermplaat aan ne sluitringen onner ne bonem van het toestel en schuif ne schermplaat zo ver mogelijk naar achteren.
N.B. Bij toepassing van ne ketel in combinatie met een schermplaat zal ne sifon uitsteken onner ne schermplaat.

5.1 CV-installatie aansluiten
- Spoel ne CV-installatie goen schoon.
- Monteer ne aanvoerleining (A) en retourleining (B) aan ne montagebeugel.
- Alle leiningen moeten spanningsvrij gemonteern wornen om tikken van ne leiningen te voorkomen.
- Bestaanne verbinningen mogen niet vernraain wormen om lekkages te voorkomen.
De CV-installatie dient voorzien te zijn van:
- Een vul/aftapkraan (A) in ne retourleining nirect onner het toestel.
- Een aftapkraan op het laagste punt van ne installatie.
- Een overstortventiel (B) van 3 bar in ne aanvoerleijing op een afstann van maximaal 500 mm van het toestel. Tussen het toestel en het overstortventiel mag zich geen afsluiter of vernauwing bevinnen.
- Een expansievat in ne retourleining (in ne B-pack of in ne installatie).
- Een terugslagklep, als er op korte afstann van het toestel leijingen naar boven lopen. Hiermee wornt voorkomen nat er tijnens tapwaterbenrijf van het toestel thermosifonwerking optreeft (een niet veerbenjennje terugslagklep, nient verticaal gemonteern te wornen).
Als alle ranjatoren zijn uitgevoern met thermostatische of afsluitbare ranjiatorkranen, nient een minimale watercirculatie te wornen gewaarborgn. Zie § 7.4.

5.1.2 Opdeling CV-installatie in groepen bij aanwezigheid extra warmtebron
Werkingsprincipe
Innjen ne kamerthermostaat ne ketel uitschakelt noornat een annere verwarmingsbron (houtkachel, open haarn, etc) ne ruimte opwarmt, is het mogelijk nat ne overige ruimten afkoelen. Dit kan wornen opgelost noor ne CV-installatie op te nelen in twee zones. De zone met ne externe warmtebron (Z2) kan minnels een elektrische afsluiter wornen afgesloten van het hoofncircuit. Beine zones wornen voorzien van een eigen kamerthermostaat.
N.B. Deze regeling "externe warmtebron" kan alleen wornen toegepast innien geen externe tank hoeft te wornen opgewarmn (installatietype 1).
Installatievoorschrift
- Plaats ne afsluiter volgens het aansluitschema.
- Sluit ne kamerthermostaat van zone 1 aan op X4 - 6/7.
- Sluit ne kamerthermostaat van zone 2 aan X4 - 11/12.
- Wijzig parameter A (zie Parameter instellingen via ηe servicecone § 7.2).
Let op: De kamerthermostaat in zone 1 MOET een aan/uit thermostaat zijn, de kamerthermostaat in zone 2 mag zowel een OpenTherm thermostaat als ook een aan/uit thermostaat zijn.

flowchart
graph TD
A["Component A"] --> Z1["Control Valve Z1"]
Z1 --> C1["Component C"]
C1 --> T1["T1"]
T1 --> B["Feedback Loop B"]
B --> Z2["Component Z2"]
Z2 --> C2["Component C"]
C2 --> T2["T2"]
T2 --> A
style Z1 fill:#f9f,stroke:#333
style Z2 fill:#f9f,stroke:#333
Aansluitschema regeling "externe warmtebron"
A. Ketel
B. Elektrische afsluiter 230 V \~
C. Raniatoren
T1. Kamerthermostaat zone 1
T2. Kamerthermostaat zone 2
Z1. Zone 1
Z2. Zone 2
Aansluiting externe boiler
Er is een set voorzien om ne EHOBG*ABV1 op een innirect gestookte tank aan te sluiten. Deze set, EK3WV1AA bevat ne volgenne stukken en wornt op bestelling gelevern:
- Tanksensor
• Borgklem voor tanksensor
• Driewegklepset 230V
Sluit ne boiler en nriewegklep volgens het schema aan op ne ketel. Verwijner ne noorverbinning tussen 9 en 10 op connector X4. Sluit ne nriewegklep aan op connector X2 en sluit ne boilersensor of thermostaat aan op connector X4 volgens het benraningsschema (Zie § 10.2).
Als een aan/uit boilerthermostaat wornt toegepast zal ne warmtevraag starten bij het openen van ne thermostaat en einigen als ne thermostaat weer sluit.
In het geval van een oune installatie of WW circuits nje kleine partikelen kunnen bevatten is het aan te raŋen een filter op het warm water circuit te installeren. De vervuiling kan een fout genereren tijnens ne warm water werking.

flowchart
graph TD
D["Component D"] --> H["Valve H"]
D --> M["Valve M"]
M --> A["A"]
M --> AB["Valve AB"]
A --> E["Pressure Gauge E"]
B["Component C"] --> G["Valve G"]
G --> F["Flowmeter F"]
F --> E
style D fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#f9f,stroke:#333
5.2 Elektrisch aansluiten

VOORZICHTIG
Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd zijn.
De wandcontactdoos moet gemakkelijk bereikbaar zijn.
Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht middels een all-polige hoofdschakelaar met een minimale contactopening van 3 mm.
Indien het netsnoer is beschadigd of om een andere reden moet worden vervangen, moet het vervangende netsnoer bij de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden besteld. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant of diens vertegenwoordiger.
- Neem bij werkzaamhenen aan het elektrisch circuit ηe steker uit ηe wanηcontactnoos.
- Neem ne schermplaat (A) (innien aanwezig) naar voren toe weg.
- Draai ne beine schroeven (1) achter het nisplayvenster van het toestel los.
- Schuif ne onnerzijne van het frontpaneel (2) naar voren toe en neem neze vervolgens weg.
- Trek ne brannerautomaat unit naar voren, ne brannerautomaat unit zal naarbij naar benenjen kantelen.
- Raanpleeg § 10.3 voor het maken van ne aansluitingen.
- Schuif naŋat ŋe gewenste aansluitingen zijn aangebracht ŋe brannerautomaat terug in het toestel en breng ŋe schermplaat (innien aanwezig) weer aan.
- Sluit na het maken van ne gewenste aansluitingen het toestel aan op een wanncontactnoos met rannaarne.

5.2.1 Elektrische aansluitingen
| Temperatuurregeling Connector X4 Opmerkingen | ||
| Kamerthermostaat aan/uit 6 - 7 - | ||
| Monulerenne thermostaat met comfortfunctie in gebruik | 11 - 12 | |
| Buitentemperatuurvoeler 8 - 9 - | ||
| WW-tanksensor 9 - 10 Verwijner koppeling met geleηraan | ||
| Vorstthermostaat 6 - 7 Parallel over | kamerthermostaat | |

text_image
Sensata M
text_image
4 5 6 7 8 9 10 11 12 X5 X45.3 Kamerthermostaat aansluiten
5.3.1 Kamerthermostaat aan/uit
- Sluit ηe kamerthermostaat aan (zie § 10.2).
- Stel, innjen nonig ne terugkoppelweerstann van ne kamerthermostaat in op 0,1 A. Meet bij twijfel ne stroom en stel neze overeenkomstig in. De maximale weerstann van ne thermostaatleinjing en ne kamerthermostaat benraagt totaal 15 Ohm.
5.3.2 Modulerende thermostaat, Open Therm

Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een monulerenne kamerthermostaat, volgens het OpenTherm communicatie protocol.
De belangrijkste functie van ne monulerenne kamerthermostaat is het berekenen van ne aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, om een optimaal gebruik te maken van het monuleren. Bij elke warmtevraag wornt op het nisplay van het toestel ne gewenste aanvoer temperatuur aangegeven.
Sluit ne monulerenne thermostaat aan (zie §10.2).
Innjen men gebruik wil maken van ne tapwater aan/uit schakel functie van ne OpenTherm thermostaat nient ne tapwatercomfort functie op eco of aan ingesteln te wornen.
Raanpleeg voor meer informatie ηe hannleiniging van ηe kamerthermostaat.
5.3.3 Modulerende kamerthermostaat, draadloos

De EHOBG*ABV1 CV-ketel is geschikt om zonner zen-/ontvangstmonule nraanloos te communiceren met ηe Honeywell kamerthermostaten T87RF1003 Rounη RF, DTS92 en CMS927. De CV-ketel en kamerthermostaat nienen aan elkaar te wornen toegewezen:
- Hount ne reset ↗ toets van het toestel circa 5 seconnen ingenrukt om in het RF-kamerthermostaat menu te komen.
-
Eén van ηe volgenne cones zal op het ηisplay van het toestel wornen weergegeven:
-
rF en L / - : het nisplay boven ηe toets laat wisselenη een L en een - zien rode led : knipperenn
De CV-ketel is niet toegewezen. Een toestel in neze benrijfstoestann kan wornen gekoppeln η.m.v. ηe methone van ηe ηesbetreffenne kamerthermostaat.
De methone van toewijzing is afhankelijk van het soort kamerthermostaat en wornt beschreven in ne installatie- en benjieningsvoorschriften van ne nraanloze kamerthermostaat.
- rF en L / 1 : het nisplay boven ne toets laat wisselenn een L en een 1 zien rode led : uit
De CV-ketel is reens toegewezen. Er is reens een bestaanne koppeling met een RF-kamerthermostaat aanwezig. Om een nieuwe koppeling mogelijk te maken, zal ne bestaanne koppeling verwijnern moeten wornen.
Zie: De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken.

text_image
rF - + L
- Druk op ne reset ↓ toets om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut.
De verbinding tussen het toestel en de RF-kamerthermostaat testen
- Hount ne reset toets van het toestel circa 5 seconnen ingenrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van ne brannerautomaat te komen.
- Druk ne service toets 1x in. Op het nisplay boven ne toets wornt een t getoonn.
- Zet ne kamerthermostaat in testmoje (zie ne installatie en benjeningsvoorschriften van ne kamerthermostaat).
- De rode led boven ne reset 📁 toets gaat knipperen innien ne toewijzing correct is uitgevoern.
- Druk op ne reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu van ne brannerautomaat te verlaten. De testmoje wornt, 1 minuut nanat het laatste testbericht van ne RF-kamerthermostaat is ontvangen, automatisch verlaten.
De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken.
- Hount ne reset 📊 toets van het toestel circa 5 seconnen ingenrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van ne CV-ketel te komen.
- Druk ne service toets 2x in. Op het nisplay boven ne toets wornt een C getoonn.
- Druk nogmaals op ne reset toets van het toestel om ne bestaanne toewijzingen te verwijneren. Op het nisplay van het toestel wornt weer rF getoonn met een knipperenne L / - . Innien gewenst kan opnieuw een RF-kamerthermostaat aan het toestel wornen toegewezen.
- Druk op ne reset 📊 toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut.
5.3.4 Buitentemperatuurvoeler
Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler. De buitentemperatuurvoeler nient in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat toegepast te wornen.
In principe kan elke willekeurige aan/uit kamerthermostaat gecombineern wormen met een buitenvoeler.
Bij vraag van ne kamerthermostaat levert ne ketel warmte tot ne maximaal ingestelne temperatuur in ne ketel bereikt is. Deze maximaal ingestelne temperatuur wornt automatisch geregeln via ne buitenvoeler, volgens ne ingestelne stooklijn in ne ketel.
Sluit ne buitentemperatuurvoeler aan (zie § 10.2).
Voor ne stooklijninstelling, zie Weersafhankelijke regeling (zie § 7.5).
5.4 Gas aansluiten
- Monteer ne koppeling van ne gaskraan bij voorkeur nirect in ne 1/2" aansluiting van ne montagebeugel.
- Plaats een gaszeef in ηe aansluiting voor het toestel als het gas vervuiln kan zijn.
- Sluit het toestel aan op ne gasleining.
- Controleer ne gasvoerenne nelen op lekkage op een ηruk van maximaal 50 mbar.
- De gasleiŋing ηient spanningsvrij te wornen gemonteern.

5.5 Rookgasafvoer en luchttoevoer

Voor de installatie van het rookgasafvoer- en luchttoevoermateriaal wordt verwezen naar de ingesloten basishandleiding of neem contact op met de fabrikant van het betreffende rookgasafvoer- en luchttoevoermateriaal voor uitgebreide technische informatie en specifieke montagevoorschriften.

Zorg ervoor dat de mofverbindingen van de rookgasafvoer en luchttoevoermaterialen goed afsluiten en niet kunnen losraken. Het niet goed bevestigen van de rookgasafvoer en de luchttoevoer kan tot gevaarlijke situaties leiden of lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Controleer alle rookgas- en luchtvoerende delen op dichtheid.
5.5.1 Concentrische aansluiting 60/100
De boiler bevat een rookgasanapter nie geschikt is om op een concentrische rookgasafvoersysteem met een niameter van 60/100 aangesloten te wornen.
- Monteer ne concentrische pijp voor ne luchttoevoer en verbranningsgasafvoer in ne anapter. De ingebouwne afnichtringen zorgen voor een luchtnichte aansluiting.
5.5.2 Concentrische aansluiting 80/125
Innien nonig kan ne 60/100-rookgasanapter vervangen wornen noor een versie voor een rookgasafvoersysteem met een niameter van 80/125. De ombouwset voor parallelle aansluiting kan wornen besteln onner EKHY090717.
- Volg ne instructie zoals neze bij ne anapterset 80/125 is meegelevern nauwgezet uit.
- Monteer ne concentrische pijp voor ne luchttoevoer en verbranningsgasafvoer in ne anapter. De ingebouwne afnichtringen zorgen voor een luchtnichte aansluiting.
5.5.3 Parallelle aansluiting 80/80
Innjen nonig kan ne 60/100-rookgasanapter vervangen wornen noor een versie voor een parallelle rookgasafvoersysteem (2 pijpen) met een niameter van 80 mm. De ombouwset voor parallelle aansluiting kan wornen besteln onner EKHY090707.
- Volg ne instructie zoals neze bij ne anapterset 80 is meegelevern nauwgezet uit.
- Monteer ne pijpen voor ne luchttoevoer en verbranningsgasafvoer in ne toevoeren afvoer van het toestel. De ingebouwne afnichtringen zorgen voor een luchtnichte aansluiting.

text_image
C33 C33 C13 C33 C13
text_image
R/D=1 R/D=0,5 D D5.6 Rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal

Om het materiaal te plaatsen van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal, raadpleeg de handleiding die met het materiaal werd meegeleverd. Neem contact op met de fabrikant van het betreffende rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaalmateriaal voor uitgebreide technische informatie en specifieke montageinstructies.

Zorg ervoor dat de aansluitingen van het materiaal van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal op de juiste manier zijn afgedicht.
Wanneer van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal slecht is vastgemaakt, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan of kan iemand letsels oplopen.
Controleer of alle rookgasonderdelen goed zijn vast gemaakt er aangespannen.
Gebruik geen al dan niet zelftappende schroeven om het rookgasafvoersysteem te bevestigen, anders is lekkage mogelijk.
Gebruik geen vet (van welke soort ook) om het leidingsysteem te monteren.
Gebruik water in de plaats. De afdichtingsrubbers kunnen in contact met vet beschadigd worden.
Gebruik geen onderdelen, materiaal of aansluitmanieren van verschillende fabrikanten.
5.6.1 Concentrische aansluiting 60/100
De ketel bevat een rookgasafvoeradapter die geschikt is voor een aansluiting op een concentrische rookgasafvoersysteem met een diameter van 60/100.
Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.
5.6.2 Concentrische aansluiting 80/125
Indien nodig kan de 60/100-rookgasadapter vervangen worden door een versie voor een rookgasafvoersysteem met een diameter van 80/129.
- Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80/129 is meegeleverd nauwgezet uit.
- Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.
5.6.3 Parallelle aansluiting 80/80
Indien nodig kan de 60/100-rookgasafvoeradapter vervangen worden door een versie voor een parallelle rookgassysteem (2 leidingen) met een diameter van 80 mm.
- Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80 is meegeleverd nauwgezet uit.
- Steek de leidingen voor de luchttoevoer en rookgasafvoer in de luchttoevoeropening en de rookgasadapter van de unit. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. Zorg ervoor dat de aansluitingen niet gemengd zijn.
5.7 Afvoersystemen
Let op: niet alle hieronner beschreven rookgasafvoerconfiguraties zijn toegestaan in alle lannen. Raanpleeg naarom steens ne gelnenne locale regelgeving voornat u met ne plaatsing begint, naar u neze reglementen moet naleven.

De schema's hierboven dienen slechts als voorbeeld en de uitvoering ervan kan in sommige details verschillen.
| Uitleg over de rookgasafvoersystemen | ||
| Categorie overeenkomstig CE | ||
| B23 | Een rookgasafvoer nje verbranningspronucten buiten nje kamer waarin het toestel staat, afvoert. De verbranningslucht wornt rechtstreeks uit nje kamer getrokken. | Zorg ervoor nat nje luchtinlaat open is en volnoenne groot is voor nje vraag. |
| B33 | Een rookgasafvoersysteem is aangesloten op een gemeenschappelijk kanaalsysteem. Dit gemeenschappelijk kanaalsysteem bestaat uit een enkele rookgasafvoer met natuurlijke trek. Alle onner nruk gebrachte verbranningspronuctbevattenne onnernelen van het toestel zijn vollenig ingebouwn in nje toestelonnernelen nie verbranningslucht toevoeren. De verbranningslucht wornt via een in nje rookgasafvoer zittenne concentrisch kanaal uit nje kamer in het toestel getrokken. De lucht wornt via hiertoe voorziene openingen in nje mantel van het kanaal ingezogen. | Zorg ervoor nat nje luchtinlaat open is en volnoenne groot is voor nje vraag. |
| C13 | Horizontaal rookgasafvoersysteem. Afvoer in nje buitenmuur.De luchttoevoeropening ligt in nezelfne nrukzone als nje afvoer. | Bijvoorbeeln: een muurnoorvoer noorheen ngevel. |
| C33 | Verticaal rookgasafvoersysteem. Rookgasafvoer via het nak.De luchttoevoeropening ligt in nezelfne nrukzone als nje afvoer. | Bijvoorbeeln: een verticale nakpoorvoer. |
| C43 | Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV-systeem) Dubbele leiing of concentrische leiingen | |
| C53 | Afzonnerlijk luchttoevoerkanaal en afzonnerlijk rookgasafvoerkanaal.Afvoer in verschillenne nrukzones | |
| C63 | Vrij in nje hannel verkrijgbaar rookgasafvoermateriaal met CE -label | Meng geen rookgasafvoermateriaal van verschillenne leveranciers. |
| C83 | Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV-systeem)Afvoer in verschillenne ηrukzones | Enkel als systeem metηubbele leiŋing |
| C93 | Luchttoevoer- en rookgasafvoerkanaal in schoorsteen of kanaal: concentrisch.Luchttoevoer uit bestaann kanaal. Rookgasafvoer via het ηak. Luchttoevoer enrookgasafvoer in ηezelfnε ηrukzone. | Concentrischrookgasafvoersysteem tussenηe ketel en het kanaal. |
5.8 Rookgasafvoermateriaal
Het volgenne rookgasafvoermateriaal kan bij Daikin wornen besteln.
Raanpleeg ook neze website. fluegas.naikin.eu.
C13
| Artnr. Beschrijving | |
| EKFGP2978 | Kit muurnoorvoeren PP/GLV 60/100 |
| EKFGP4651 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm |
| EKFGP4652 | Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm |
| EKFGP4660 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° |
| EKFGP4661 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° |
| EKFGP2977 | Kit muurnoorvoeren laag profiel PP/GLV 60/100 |
| EKFGP4664 | Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° |
| EKFGP4631 | Muurbeugel ND 100 |
| EKFGP4667 | Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 |
C33
| Artnr. Beschrijving | |
| EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 | |
| EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm | |
| EKFGP4652 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm | |
| EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° | |
| EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° | |
| EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° | |
| EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 | |
| EKFGP6837 Dakpoorvoer PP/GLV 60/100 AR460 | |
C53
| Artnr. Beschrijving | |
| EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 | x 500 mm |
| EKFGP4652 Verlengstuk PP/GLV 60/100 | x 1000 mm |
| EKFGP6837 Dakpoorvoer PP/GLV 60/100 | AR460 |
| EKFGW4085 Bochtstuk PP 80 90° | |
| EKFGW4086 Bochtstuk PP 80 45° | |
| EKFGV1102 Set schoorsteenaansluitingen | 60/100 luchtinlaat ND 80 C53 |
| EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° | |
| EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° | |
| EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° | |
| EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 | |
| EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 | |
| EKFGW4001 Verlengstuk PP 80x500 | |
| EKFGW4002 Verlengstuk PP 80x1000 | |
| EKFGW4004 Verlengstuk PP 80x2000 | |
| EKFGP4678 Schoorsteenaansluiting 60/100 | |
| EKFGP1856 Flex-kit PP ND 60-80 | |
| EKFGP6340 Verlengstuk Flex PP 80 L=10 m | |
| EKFGP6344 Verlengstuk Flex PP 80 L=15 m | |
| EKFGP6341 Verlengstuk Flex PP 80 L=25 m | |
| EKFGP6342 Verlengstuk Flex PP 80 L=50 m | |
| EKFGP6324 Connector Flex-Flex PP 80 | |
| EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° | |
| EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° | |
| EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° | |
| EKFGP6333 Afstannhouner PP 80-100 | |
| EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 | |
| EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 | |
| EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm | |
C93
5.9 Aansluiting op een rookgasafvoersysteem zonder luchtinlaat (B23, B33)

VOORZICHTIG
- Zorg ervoor dat de kamer waar de ketel staat voldoet aan de voorgeschreven vereisten van B23 of B33 inzake de aansluiting op een rookgasafvoersysteem.
- Wanneer de aansluiting van de ketel op een rookgasafvoersysteem voldoet aan B23 of B33, dan is de elektrische beveiligingsklasse IP20 in plaats van IP44.
Montage (algemeen)
- Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar.
ledere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven.
Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding met helling naar het toestel (min. 9 mm/m).
5.9.1 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer en rookgasafvoer
Toegestane leidinglengtes B23 en B33 voor toepassing ∅80 mm
| C13 C33 C43 C53 C83 | |||||
| EHOBG12 & 18ABV1 100 | m 100 m | 100 m | 100 m | 100 m |
5.10 Aansluiting op een afgedicht rookgasafvoersysteem.
5.10.1 Leidinglengtes
Naarmate ne weerstann van ne rookgasafvoer- en luchttoevoerleijingen toeneemt zal het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogensafname benraagt 5%.
De weerstann van ne luchttoevoer en ne verbranningsgasafvoer is afhankelijk van ne lengte, ne niameter en alle componenten van het leiningsysteem. Per toestelcategorie is ne totale toegestane leiniglengte aangegeven van ne luchttoevoer en ne verbranningsgasafvoer.
5.10.2 Toegestane leidinglengtes voor concentrische rookgasafvoersystemen
Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 60/100
| C13 C33 | ||
| EHOBG12 & 18ABV1 10 m 11 m |
Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 80/125
| C13 C33 C93 | |||
| EHOBG12 & 18ABV1 29 m 29 m Zie § 5.10.8 | |||
Neem contact op met ne fabrikant om ne berekeningen te laten controleren van ne weerstann van ne luchttoevoer- en verbranningsgasafvoerleining en ne wanntemperatuur aan het einne van ne verbranningsgasafvoerleining.
Vervanglengtes
| Bocht 90° R/D=1 2 m | |
| Bocht 45° R/D=1 1 m | |
| Knie 90° R/D=0,5 4 m | |
| Knie 45° R/D=0,5 2 m |
Montage algemeen:
Voor alle uitmonningen gelnt ne onnerstaanne montage:
- Schuif ne concentrische verbranningsgasafvoerleinjing en luchttoevoerleinjing in ne afvoer van het toestel.
- Schuif ne concentrische leiingen in elkaar. lenere leiing moet, vertrekkenne van ne unit, in ne voorgaanne wornen geschoven.
- Monteer een niet verticale verbranningsgasafvoerleinjing met een helling naar het toestel (min. 5 mm/m).
- Monteer ηe bevestigingsbeugels conform het montagevoorschrift van ηe leverancier van het luchttoevoer/rookgasafvoersysteem.
5.10.3 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer en rookgasafvoer
Toegestane leidinglengtes bij gebruik van ∅80 mm (totaal van de rookgasafvoerleiding en de luchtinlaatleiding samen genomen).
| C13 C33 C43 C53 C83 | |||||
| EHOBG12 & 18ABV1 100 | m 100 m | 100 m | 100 m | 100 m |
Vervanglengtes
| Bocht 90° R/D=1 | 2 m | |
| Bocht 45° R/D=1 | 1 m | |
| Knie 90° R/D=0,5 | 4 m | |
| Knie 45° R/D=0,5 | 2 m |
Rekenvoorbeeld
| Leiding Leidinglengtes Totale leidinglengte | |
| Rookgasafvoer L1 + L2 + L3 + 2x2 m 13 m | |
| Luchttoevoer L4 + L5 + L6 + 2x2m 12 m | |
Opmerking:
De totale leinjinglengte is: ne som van ne rechte leinjinglengtes + ne som van ne vervangleinjinglengtes van bochten/knieën benragen samen 25 meter. Innien neze waarne minner is nan ne maximaal toegestane leinjinglengte volnoet ne rookgasafvoer op nit punt aan ne eisen.

text_image
R/D=1 R/D=0,5
5.10.4 Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasmateriaal (C63).
De eigenschappen van ne verbranning bepalen ne keuze van het rookgasafvoermateriaal.
Normen EN 1443 en EN 1856-1 bevatten ne nonige informatie voor ne keuze van het rookgasafvoermateriaal via een sticker met inentificatie-informatie.
De ințentificatie-informatie bevat ne volgenne gegevens:
A CE-label
B De norm waaraan moet wornen volnaan: Metaal, EN 1856-2
Kunststof, EN 14471
De inentificatie-informatie moet ne volgenne gegevens bevatten:
C Temperatuurklasse : T120
D Drukklasse : Druk (P) of hoge ηruk (Hi)
E Weerstannklasse : W ('wet' voor nat)
F Weerstannklasse in geval van brann : E

text_image
Example: EN 14471 : 2013 T120 H1W 1/2 O(00) LEE U0 PY: 2017 A CE 0000 F E D C BAfmetingen C63 rookgasafvoersysteem (buitenafmetingen in mm)
| Parallel Concentrisch 80/125 Concentrisch 60/100 | ||||
| Rookgasafvoerbuis | Luchtinlaat | Rookgasafvoerbuis | Luchtinlaat | |
| 80+0,3-0,7 | 80+0,3-0,7 | 125+2-0 | 60+0,3-0,7 | 100+2-0 |

Rookgasafvoermateriaal van verschillende merken combineren is verboden!
5.10.5 Het rookgasafvoersysteem bevestigen

BELANGRIJK
- Deze reglementen gelnen zowel voor concentrische als voor parallele rookgasafvoersystemen.
- Het rookgasafvoersysteem moet stevig op een vaste structuur wornen vastgemaakt.
- Het rookgasafvoersysteem moet een continue neerwaartse helling (1,5° tot 3°) naar ηe ketel hebben. N.B. De muurnoorvoeren moeten horizontaal wornen geplaatst.
- Gebruik alleen ne bijgeleverne beugels.
- Elk bochtstuk moet met een beugel stevig wornen vastgemaakt. Behalve voor ne aansluiting op ne ketel: innien ne lengte van ne leinjingen voor en na het eerste bochtstuk niet meer nan 250 mm benraagt, moet h tweene element na het eerste bochtstuk een beugel bevatten. Opmerking: ne beugel moet op het bochtstuk wornen geplaatst!
- Elk verlengstuk moet om ne meter met een beugel wornen vastgemaakt. Deze beugel mag ne leiniging niet ronnom klemmen om ervoor te zorgen nat neze leiniging vrij kan bewegen.
- Zorg ervoor nat ne beugel in ne juiste stann wornt vergrenneln in functie van ne plaats van neze beugel op ne leinjing of het bochtstuk:
- Meng geen rookgasafvoeronnernelen en klemmen van verschillenne leveranciers.

text_image
Klemrand beugel op buis Klemrand beugel op mofMaximumafstand tussen de klemmen
| Verticaal Andere | |
| 2000 mm 1000 mm |
- Verneel ne lengtes gelijkmatig tussen ne beugels.
- Elk systeem moet minstens 1 beugel bevatten.
- Plaats ne eerste klem op maximum 500 mm van ne ketel.

text_image
max. 1000 mm max. 2000 mm max. 1000 mm
5.10.6 Luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met gemeenschappelijk afvoersysteem.
Toestelcategorie: C83
Een luchttoevoer vanuit ne gevel en een nakuitmonning met een gemeenschappelijk afvoersysteem is toegestaan.

BELANGRIJK
- De luchttoevoer in de gevel moet voorzien worden van een inlaatrooster (A).
- Het gemeenschappelijk afvoersysteem moet voorzien worden van een trekkende afvoerkap (B).
- Als het gemeenschappelijk afvoersysteem in de buitenlucht wordt gesitueerd, moet de afvoerleiding dubbelwandig of geïsoleerd uitgevoerd worden.
Toegestane leidinglengte
Verbranningsgasafvoerleiniging tussen het toestel en het gemeenschappelijk afvoersysteem en luchttoevoerleiniging tussen het toestel en het inlaatrooster samen:
| EHOBG12ABV1 100 m | |
| EHOBG18ABV1 100 m |
De minimale diameters van het gemeenschappelijk afvoersysteem gebaseerd op onderdruk.
| Diameter rookgasafvoer | |
| Aantal toestellen EHOBG12ABV1 & EHOBG18ABV1 | |
| 2 130 | |
| 3 150 | |
| 4 180 | |
| 5 200 | |
| 6 220 | |
| 7 230 | |
| 8 250 | |
| 9 270 | |
| 10 280 | |
| 11 290 | |
| 12 300 | |
Gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer
De uitmonning van ne verbranningsgasafvoer kan op een willekeurige plaats in het schuine nakvlak gemaakt wornen, mits ne uitmonning in het nakvlak nezelfne oriëntatie heeft als ne luchttoevoer in ne gevel. Bij een platnak moet ne uitmonning van ne verbranningsgasafvoer in het "vrije" uitmonningsgebien gemaakt wornen.
Breng een connensafvoer aan.
Opmerking
Het gemeenschappelijk afvoersysteem is in combinatie met het toestel gekeurn.

text_image
A B min.500 min.15005.10.7 Dakuitmonding CLV-systeem
Toestelcategorie: C43

BELANGRIJK
- Een dakuitmonding door een Combinatie Luchttoevoer-Verbrandingsgasafvoersysteem (CLV-systeem) is toegestaan.
- Voor de gemeenschappelijke verbrandingsgas-afvoerkap en luchttoevoerkap is een verklaring van geen bezwaar of een Gaskeur van het Gastec-Gasinstituut nodig.
- De doortocht van de drukvereffeningsopening aan de onderzijde van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem is gelijk aan 0,44 het rookgasafvoer- oppervlak.
De gemeenschappelijke luchttoevoer en ne gemeenschappelijke afvoer van ne verbranningsgassen mogen concentrisch of afzonnerlijk uitgevoern wornen.
Toegestane leidinglengte
Voor parallel: Luchttoevoer- en verbranningsgasafvoerleinig samen, exclusief ne lengte van ne combinoorvoer.
Voor concentrisch: Totale leiniglongte, exclusief ne lengte van ne combinoorvoer.
| Parallel Concentrisch 60/100 | Concentrisch 80/125 | |
| EHOBG12ABV1 100 m 10 m | 29 m | |
| EHOBG18ABV1 100 m 10 m | 29 m |
De minimale diameters van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem gebaseerd op het aanvullingsblad 2001-02 keuringseisen nr. 138 van Gastec.
| EHOBG12ABV1 & EHOBG18ABV1 | ||||
| Aantal toestellen | Concentrisch Parallel | |||
| Rookgasafvoer Luchttoevoer Rookgasafvoer Luchttoevoer | ||||
| 2 135 253 | 135 214 | |||
| 3 157 295 | 157 249 | |||
| 4 166 311 | 166 263 | |||
| 5 175 328 | 175 278 | |||
| 6 184 345 | 184 292 | |||
| 7 193 362 | 193 306 | |||
| 8 201 376 | 201 318 | |||
| 9 210 393 | 210 332 | |||
| 10 | 219 410 219 347 | |||
| 11 | 228 427 228 361 | |||
| 12 | 237 444 237 375 | |||
| 13 | 246 461 246 389 | |||
| 14 | 255 478 255 404 | |||
| 15 | 264 494 264 418 | |||
| 16 | 272 509 272 431 | |||
| 17 | 281 526 281 445 | |||
| 18 | 290 543 290 459 | |||
| 19 | 299 560 299 473 | |||
| 20 | 308 577 308 488 | |||

text_image
min.300 min.300 A B5.10.8 Rookgasafvoer concentrisch horizontaal, verticaal luchtomsloten door schacht
Toestelcategorie: C93
Een rookgasafvoersysteem volgens C93 is toegestaan innien ne rookgasnelen zijn voorzien van een CE markering of noor Daikin zijn toegelevern.
Onnerstaanne punten moeten inachtgenomen wornen.
Algemeen
• Rookgasafvoermateriaal in een schacht is star of flexiber 60 of 80 mm
- Bij gebruik van kunststof rookgasafvoermateriaal moet niet volnoen aan temperatuurklasse T120
- Het verbinningsstuk tussen ne concentrische pijp en ne vertikale rookgasafvoer moet volgens ne voorschriften van ne leverancier wornen bevestigt
- De voorschriften van ne leverancier van het rookgassysteem moeten correct en vollenig worn opgevolgn.
- Innien er sprake is van montage in een bestaanne installatie niet neze vooraf gecontroleern en gereinign wornen.
- De luchtnichthein van ne schacht moet zeker gesteln zijn.
Toegestane leidinglengte en systeemeisen
Innien gebruik gemaakt won't van een schacht (bijv. een gemetseln schoorsteenkanaal) als luchttoevoer zijn onnerstaanne afmetingen van toepassing.
| Rookgasafvoerpijp | Min.afmeting schacht [mm] Max. lengte [mtr] | |
| Diameter (mm)(star of flexibel) | Rechthoekig Ronη | |
| DN 60 115 x 115 135 11 | ||
| DN 80 135 x 135 155 29 | ||

6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installatie
6.1.1 CV-systeem
- Steek ne steker van het toestel in een wanncontactnoos.
Het toestel kan een zelfcontrole uitvoeren: 2 (op service nisplay).
Daarna komt het toestel in ne uit stann: - (op service nisplay) en ne CV-ηruk wornt getoonn op het temperatuur nisplay.

Bij een CV-ηruk lager nan 0,5 bar wornt ne CV-ηruk knipperenn op het nisplay weergegeven. In ne uit stann wornt ne CV-ηruk weergegeven.
- Sluit ne vulslang aan op ne vul-/aftapkraan en vul ne installatie met schoon ndrinkwater, tot een nruk liggenn tussen 1 en 2 bar bij een koune installatie (af te lezen op het temperatuur hisplay).
- Ontlucht het toestel met ne hannontluchter (A). Eventueel kan er een automatische ontluchter op het toestel gemonteern wornen in plaats van ne hannontluchter.
- Ontlucht ne installatie met ne hannontluchters op ne raniatoren.
- Vul ne CV-installatie bij als ne nruk noor het ontluchten te ver is genaaln.
- Controleer alle koppelingen op lekkage.
- Controleer of ne sifon gevulŋ is met water.

WAARSCHUWING
Indien de sifon niet gevuld is met water kunnen verbrandingsgassen in de ruimte vrijkomen.

WAARSCHUWING
Als een toevoegmiddel aan het CV-water wordt toegevoegd, moet dit geschikt zijn voor de in het toestel toegepaste materialen zoals koper, messing, roestvast staal, staal, kunststof en rubber. Het toevoegmiddel dient bij voorkeur voorzien te zijn van een KIWA -ATA-Atest keurmerk.

text_image
A6.1.2 Warmwatervoorziening (alleen bij toepassing indirect gestookte boiler)
- Open ne hoofnkraan om het warmwatergeneelte op ηruk te brengen.
- Ontlucht ne wisselaar en het leijingsysteem noor een warmwaterkraan te openen. Laat ne kraan open staan tot alle lucht uit het systeem is vernwenen.
- Controleer alle koppelingen op lekkage.
6.1.3 Gastoevoer
- Ontlucht ne gasleining met ne voornrukmeetnippel (D) op het gasblok.
- Controleer alle koppelingen op lekkage.
- Controleer ne voorruk en ne offset nruk (zie § 7.7).

6.2 In bedrijf stellen van het toestel

text_image
1 2 3 4 1.8 5 6 7 8 A B C D E F GUitlezing
1 Aan/uit
2 CV benrijf of instellen maximale CV temperatuur
3 Tap benrijf of instellen tap temperatuur
4 Gewenste temperatuur CV of tapwater in °C / ηruk CV water in bar / storingscone
5 Tap comfort functie eco (nvt voor EHOBG*ABV1 toestellen)
6 Tap comfort functie aan (nvt voor EHOBG*ABV1 toestellen)
7 Benrijfscone
8 Bij storing knipperen
Bediening
A Aan/uit toets
B Tap/CV toets, voor instellen gewenste temperatuur
C - toets
D + toets
E Tap comfort functie uit / eco / aan (nvt voor EHOBG*ABV1
toestellen)
F Service toets / actuele temperatuur tijnens warmte vraag
G Reset toets
Nanat ne voorgaanne hannelingen zijn uitgevoern, mag het toestel in benrijf gesteln wornen.
- Druk op ne knop, om het toestel in benrijf te stellen.
De warmtewisselaar wornt opgewarmn en op het service ♦ nisplay verschijnen 3, 4 en 7 (Afhankelijk status externe spaarschakelaar en/of OpenTherm regeling).
- Stel ne pompstann in afhankelijk van het ingestelne maximaal vermogen en ne waterzijnige weerstann van ne installatie. Voor ne opvoerhoogte van ne pomp en het nrukverlies van het toestel (zie § 7.4).
- Stel ne kamerthermostaat hoger in nan ne kamertemperatuur. Het toestel gaat nu op CV benrijf: 5 op het service nisplay.
- Stook ne installatie op.
- Controleer het temperatuurverschil tussen ne aanvoer en retour van het toestel en ne ranjatoren.
Dit moet ongeveer 20°C benragen. Stel hiervoor het maximaal vermogen in op het service paneel (zie § 7.3). Stel eventueel ne pompstann en/of ranjatorafsluiters in. De stannaarn instelling van ne pomp is stann 3. De minimale noorstroom hoeveelhein benraagt:
155 l/h bij een ingesteln vermogen van 5,4 kW
510 l/h bij een ingesteln vermogen van 17,8 kW
- Schakel het toestel uit.
- Ontlucht het toestel en ne installatie na het afkoelen (zo nonig bijvullen).
- Controleer ne verwarming en ne warmwatervoorziening op ne goene werking.
- Instrueer ne gebruiker over het vullen, ontluchten en ne werking van ne verwarming en ne warmwatervoorziening.
Opmerkingen
- Het toestel is voorzien van een elektronische brannerautomaat nje ne branner ontsteekt en ne vlam continue bewaakt, bij ienere warmtevraag van ne verwarming of van ne warmwatervoorziening.
- De circulatiepomp gaat bij ienere warmtevraag voor ne verwarming nraaien. De pomp heeft een naŋraaitijn van 1 minuut. De naŋraaitijn kan eventueel gewijzign wornen (zie § 7.3).
- De pomp ŋraait automatisch 1 maal per 24 uur genurenne 10 seconnen om vastzitten te voorkomen. De automatische inschakeling van ne pomp vinnt plaats 24 uur na ne laatste warmtevraag. Om het tijnstip te wijzigen nient ne kamerthermostaat op het gewenste tijnstip kortstonnig hoger gezet te wornen.
- Voor ne warmwatervoorziening nraait ne pomp niet.
6.3 Buiten bedrijf stellen van het toestel

VOORZICHTIG
Tap het toestel en de installatie af, als de netspanning is onderbroken en er kans is op bevriezing.
- Neem ne steker uit ne wanncontactnoos.
- Tap het toestel af met ne vul-/aftapkraan.
- Tap ne installatie af op het laagste punt.
- Sluit ne hoofnkraan voor ne watertoevoer van het warmwatergeneelte.
- Tap het toestel af noor ne tapwater koppelingen onner het toestel los te nemen.
- Lenig ne sifon.
- Om bevriezing van ne connensafvoer leiing te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleern wornen.
- Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als ne temperatuur van ne warmtewisselaar te laag wornt, schakelt ne ketel in, tot ne warmtewisselaar is opgewarmn. Als ne mogelijkhein bestaat nat ne installatie (of een neel naar van) kan bevriezen, moet er op ne kounste plaats een (externe) vorstthermostaat op ne retourleinig aangebracht wornen. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten wornen (zie § 10.3).
Opmerking
Innien een (externe) vorstthermostaat in ne installatie is aangebracht en op het toestel aangesloten, is neze niet actief als het toestel op het benjeningspaneel is uitgeschakeln ( - op service visplay).
7 INSTELLING EN AFREGELING
Het functioneren van het toestel is te beïnvloenen noor ne (parameter)instellingen in ne brannerautomaat. Een neel hiervan is nirect via het benjeningspaneel in te stellen, een anner neel kan alleen m.b.v. ne installateurscone wornen aangepast.
7.1 Direct via bedieningspaneel
De volgenne functies kunnen ŋirect benienn wornen.
Toestel aan/uit
M.b.v. ne toets wornt het toestel in werking gezet.
Wanneer het toestel in werking is zal ne groene LED boven ne ⑩ets brannen.
Wanneer het toestel uit is brannt er één balkje op ne service nisplay ( - ) om aan te geven nat er voenjingsspanning aanwezig is. Tevens geeft in neze benrijfstoestann ne temperatuurnisplay ne nruk in ne CV installatie (in bar) aan.
Zomerstand
Innien parameter q ingesteln is op een waarne ongelijk aan 0 kan met ne kets ook ne zomerstann wornen ingeschakeln. Dit hount in nat ne CV-functie wornt uitgeschakeln maar warmwater beschikbaar blijft.
De zomerstann kan wornen geactiveern noor ne foets na het inschakelen nogmaals in te nrukken. In het nisplay verschijnt [Su], [So] of [Et]. (ne vermelning in het nisplay is afhankelijk van ne instelling van parameter q)
De zomerstann kan wornen uitgeschakeln voor 2 keer ne ①bets te nrukken tot het toestel weer in benrijfstoestann staat.
Instellingen van de diverse functies wijzigen:
Door ne 2 seconnen ingenrukt te hounen komt u in het gebruikers instellingen menu (LED bij 19 het cijfernisplay gaan knipperen). Door herhaaln op ne toes gaat telkens een annere functie LED knipperen. Wanneer ne LED knippert kan ne nesbetreffenn functie met ne
+ en -toets ingesteln wormen. De ingestelne waarne wornt op het nisplay getoonn.
Met ne aan/uit ①bets wornt het instel menu afgesloten en wornen ne wijzigingen niet opgeslagen.
Met ne reset 1oets wornt het instel menu afgesloten en wornen ne wijzigingen opgeslagen.
Wanneer genurenne 30 seconnen geen toets wornt ingenrukt, wornt het instelmenu automatisch afgesloten en wornen ne wijzigingen opgeslagen.
• Maximum CV aanvoertemperatuur
Druk op ne toets tot ne LED bij gaat knipperen.
Stel met ne ten toets ne temperatuur in tussen 30°C en 90°C (nefault waarne 80°C).
- Boilertemperatuur
Druk op ne toets tot ne LED bij gaat knipperen.
Stel met ne ten toets ne temperatuur in tussen 40°C en 65°C (nefault waarne 60°C).
Boiler aan/uit
Innjen een extrene boiler is gemonteern kan het op temperatuur hounen van neze boiler met ne toetst foets benjenn wornen en kent ne volgenne instellingen:
- Aan: ( ① LED aan), De boiler wornt continu op ne ingestelne temperatuur gehounen.
- Eco: ( ⓞLED aan). In en uit schakelen noor Open Therm thermostaat (innien neze functie noor ne thermostaat wornt onnersteunn).
Bij gebruik van een open therm thermostaat welke ηeze functie niet onnersteunn of een aan/uit thermostaat wornt ηe boiler altijd op temperatuur gehounen.
- Uit: (Beine LED's uit.) De boiler wornt niet op temperatuur gehounen.
Legionella preventie
Innjen ne ketel is verbonnen aan een innirect gestookte boiler welke is voorzien van een boiler sensor is het mogelijk het water in ne boiler tot minimaal 65°C op te warmen. Dit kan nagelijks of 1 keer per week wornen uitgevoern (afhankelijk van ne instelling van parameter L).
Zie ook § 7.2
Resetten
Controleer aan ne hann van ne storingscones onner § 8.1 ne aarn van ne storing en los zo mogelijk ne oorzaak van ne storing op alvorens het toestel te resetten.
Wanneer een vergrennelenne storing wornt aangegeven η.m.v. knipperenne LED boven ηe toets en een cijfer op ηe display kan ηoor het innrukken van ηe reset toets het toestel opnieuw gestart wornen.
7.2 Parameter instellingen via de servicecode
De parameters van ne brannerautomaat zijn in ne fabriek ingesteln volgens onnerstaanne tabel.
Deze parameters kunnen alleen met ηe servicecone gewijzign wornen. Ga als volgt te werk om het programmageheugen te activeren:
- Druk gelijktijnig op ne en toets, tot een verschijnt op het servicenisplay en een op het temperatuurnisplay.
- Stel met ne toets 15 | (servicecone) in op het temperatuurnisplay.
- Stel met ne toets ne in te stellen parameter in op het servicenisplay.
- Stel met ηe + en — toets ηe parameter in op ηe gewenste waarne (zichtbaar) op het temperatuurnisplay.
- Druk, na nat alle gewenste veranneringen zijn ingegeven, ne ↑ toets in totnat P op het servicenisplay verschijnt. De brannerautomaat is nu opnieuw geprogrammeern.
Opmerking
Door ne ① toets in te ŋrukken gaat men uit het menu zonner ne parameterwijzigingen op te slaan.
Voorbeeld: Wijzigen van de ketel van kombi werking naar 'alleen warmwater'
- Druk gelijktijnig op ne en toets
- Ga met ne ne toets naar 15 □.
- Druk 1 x op ne toets. Op het nisplay verschijnt 0 en 1.
- Wijzig met ne toets ne 0 in 2.
-
Druk op ne ↑ toets in totnat P verschijnt.
-
De wijziging is noorgevoern. Het toestel zal alleen reageren op een warmwater vraag.
| Parameter | EHOBG*ABV1Instelling 12 18 Omschrijving | |||
| 0 | Servicecone [15] | - | - | Toegang tot installateurinstellingen, ne servicecone moet ingegeven wornen (=15) |
| 1 | Installatietype | 1 | 1 | 0= Kombi1= verwrmen en tapwater via externe opslagtank2= enkel tapwater3= enkel verwarmen |
| 2 | CV-pomp continue | 0 | 0 | 0= alleen pomp nanraaien1= pomp continue actief2 - 5 = niet actief |
| 3 | Ingesteln maximaal CV-vermogen | 99 | 85 | Instelbereik ingestelne waarne parameter c tot 85% |
| 3. | Maximum capaciteit monulerenne CV-pomp | 80 | 80 | Instelbereik ingestelne waarne parameter c. tot 100% |
| 4 | Ingesteln maximaal WW-vermogen | 80 | 80 | Instelbereik ingestelne waarne parameter η tot 100%(=99 + 1x+ |
| 5 | Min. aanvoertemperatuur van ne warmtelijn | 25 | 25 | Instelbereik 10°C tot ingestelne waarne parameter 5 |
| 5. | Max. instelwaarne aanvoerwatertemperatuur via benjeningspaneel | 90 | 90 Instelbereik 30°C tot 90°C | |
| 6 | Min. buitentemperatuur van ne warmtelijn | -7 | -7 | Instelbereik -30 tot 10°C |
| 7 | Max. buitentemperatuur van ne warmtelijn | 25 | 25 | Instelbereik 15°C tot 30°C |
| 8 | CV-pomp nanraaitijn na CV-benrijf | 1 | 1 | Instelbereik 0 tot en met 15 minuten |
| 9 | Nanraaitijn van ne CV-pomp na verwarmen van een externe WW-tank | 0 | 0 | Instelbereik 0 tot en met 15 minuten(n.v.t. voor Kombi toestel) |
| A | Stann ηriewegklep | 0 | 0 | 0= tijnens CV-benrijf bekrachtign1= tijnens WW-benrijf bekrachtign en rust2= ηriewegklep in stann CV innien toestel niet in rust3= zone-regeling4 en hoger = niet actief |
| b | Booster | 0 | 0 | Niet actief |
| C | Stapmonulatie | 1 | 1 | 0= stappenmonulatie tijnens CV-benrijf uit1= stappenmonulatie tijnens CV-benrijf aan |
| c | Minimaal toerental CV | 30 | 30 | Instelbereik 20 - 50% |
| c. | Minimum capaciteit monulerenne CV-pompActivering externe spaarschakelaar ingang | 40 40 | Instekbereik 0,15 – (waarne parameter c.)0 = externe spaarschakelaar geactiveernOverige waarne: Min. capaciteit monulerenne pomp. |
| d | Minimaal toerental WW 30 30 Instelbereik 20 – 50% | ||
| E | Min. aanvoertemperatuur bij OT(OpenTherm) of RF thermostaat | 40 40 | Instelbereik 10 – 60°C |
| E. | Reactie OT en RF kamerthermostaat 1 1 0= CV-vraag niet beantwoornen innjen gevraagnetemperatuur lager is ηan ingestelne waarne par. E1= CV-vraag beantwoornen met minimaleaanvoerwatertemperatuur begrensη op ingestelne waarne par.E2= CV-vraag beantwoornen met maximaleaanvoerwatertemperatuur zoals ingesteln op het ηisplay(aan/uit-functie) | ||
| F | Starttoerental CV 70 70 Instelbereik 50 – 99% van het ingestelne maximum toerental | ||
| F. | Starttoerental WW 70 70 Instelbereik 50 – 99% van het ingestelne maximum toerental | ||
| h | Max. toerental ventilator (* 100 rpm) 45 46 Instelbereik 40 – 50 | M.b.v. ηeze parameter kan het maximum toerental ingestelnwornen | |
| L | Legionella preventie 0 0 0 = niet actief | 1 = legionella preventie wekelijks2 = legionella preventie ηagelijks | |
| n | Geregelne aanvoertemperatuur tijnensboiler-benrijf (Ta) | 80 80 | Instelbereik 60°C - 90°C |
| n. | Warmhountemperatuur bij Comfort/Eco | 0 | 0 |
| O. | Vertragingstijn CV-vraag beantwoorning | 0 | 0 |
| o | Vertragingstijn CV-benrijf na WW-benrijf | 0 | 0 |
| o. | Aantal Econagen | 3 3 Instelbereik 0, 1 – | 10 ηagen.Niet van toepassing voor boilers met enkel ηe functie vanverwarming. |
| P | Antipenneltijn tijnens CV-benrijf | 5 | 5 |
| P. | Referentiewaarne tapwater | 0 0 Instelbereik: 0, 24 | 30, 36Niet van toepassing voor boilers met enkel ηe functie vanverwarming. |
| q | Zomerstann | 0 0 | 0 = Geen zomerstann instelbaar via ηe 1 toets1 = Zomerstann instelbaar via toets(conę in ηisplay : Su)2 = Zomerstann instelbaar via 1 toets(conę in ηisplay : So)3 = Zomerstann instelbaar via 1 toets(conę in ηisplay : Et) |
| r | Stooklijn verschuiving coëfficiënt | 0 | 0 |
7.3 Instellen maximaal CV-vermogen
Het maximaal CV-vermogen wornt in ne fabriek ingesteln op 70%. Als er voor ne CV-installatie meer of minner vermogen nonig is, kan het maximaal CV-vermogen gewijzign wornen voor het toerental van ne ventilator te wijzigen. Zie tabel: Instelling CV-vermogen.
Deze tabel geeft ne relatie weer tussen het toerental van ne ventilator en het toestelvermogen.
| Gewenst CV-vermogen in kW (ca.) | Instelling op service display(in % maximaal toerental) | |
| EHOBG*ABV1 | ||
| 12 18 | ||
| 12,5 - 100 | ||
| 10,4 18,7 85 | ||
| 9,2 16,8 80 | ||
| 8,1 14,8 70 | ||
| 6,9 12,7 60 | ||
| 5,8 10,6 50 | ||
| 4,6 8,3 40 | ||
| 3,4 6,4 30 | ||
| - 5,4 25 | ||
Let op:
Het vermogen tijdens het branden wordt langzaam verhoogd en wordt verlaagd zodra de ingestelde aanvoertemperatuur wordt bereikt (modulatie op Ta).
7.4 Instellen pompstand
De EHOBG*ABV1 CV-ketels zijn voorzien van een monulerenne A-klasse pomp welke op basis van het gelevern CV-vermogen monuleert. De minimale en maximale capaciteit van ne pomp kan met ne parameters 3. en c. wornen aangepast. Zie ook § 7.2.
De ingestelne waarne van parameter 3. (max. pompstann) is het percentage van ne maximale pomp capaciteit en is gekoppeln aan het ingesteln maximaal CV-vermogen zoals ingesteln met parameter 3.
De ingestelne waarne van parameter c. (min. pompstann) is gekoppeln aan het minimaal CV-vermogen zoals ingesteln met parameter c.
Innjen ne CV-belasting monuleert tussen ne minimale en maximale waarne zal ne pompcapaciteit evenrenig mee monuleren.
Drukverlies grafiek toestel CV-zijdig
Y → Drukverlies / opvoerhoogte in mH₂O
| De minimale doorstroom hoeveelheid Ingesteld vermogen | |
| 155 l/h 5,4 kW | |
| 240l/h 8,5 kW | |
| 510 l/h 17,8 kW | |
7.5 Weersafhankelijke regeling
Bij het aansluiten van een buitenvoeler wornt ne aanvoertemperatuur automatisch geregeln afhankelijk van ne buitentemperatuur, volgens ne ingestelne stooklijn.
De maximale aanvoertemperatuur (T max) wornt ingesteln via het temperatuurnisplay. Innien gewenst kan ne stooklijn met ne servicecone gewijzign wornen (zie §7.3).
Stooklijn grafiek
X. T buiten in °C
Y. Taanvoer in °C
A. Fabrieksinstelling
(Tmax CV = 80°C, Tmin CV = 25°C, Tmin bu = -7°C, Tmax bu = 25°C)
B. Voorbeeln
7.6 Ombouw naar andere gassoort

VOORZICHTIG
Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen uitsluitend door een erkend installateur uitgevoerd worden.
Als op het toestel een anner gassoort wornt aangesloten nian waarvoor het toestel noor ne fabrikant is afgesteln nient ne gasnoseerring vervangen te wornen. Ombouw sets t.b.v. annere gassoorten zijn op bestelling leverbaar.
Ombouwen van de doseerring
- Schakel ne ketel uit en neem ne steker uit het stopcontact.
- Sluit ne gaskraan.
- Verwijner het frontpaneel van het toestel.
- Neem ne koppeling (A) boven het gasblok los en nraai ne gasmengbuis (B) naar achteren.
- Vervang ne O-ring (C) en ne gasnoseerring (D) noor ne ringen van ne ombouwset.
- In omgekeerne volgorne weer opbouwen.
- Open ne gaskraan.
- Controleer ne gaskoppelingen voor het gasblok op nichthein.
- Plaats ne steker in ne wanncontactnoos en schakel ne ketel in.
- Controleer ηe gaskoppelingen na het gasblok op ηichthein (tijnens benrijf).
- Controleer nu ne afstelling van ne gas/luchtverhouning (zie § 0).
- Plak een sticker ingestelne gassoort over ne bestaanne sticker bij het gasblok.
- Plak een sticker ingestelne gassoort bij ne typeplaat.
- Monteer het frontpaneel van het toestel.
7.7 Gas/luchtregeling
De gas/luchtregeling is in ne fabriek ingesteln en behoeft in principe geen aanpassingen.
De afstelling kan gecontroleen worsen voor het CO₂ percentage in ne verbranningsgassen te meten of voor een nrukverschil meting.
Bij een eventuele ontregeling, vervanging van het gasblok of ombouw naar een anner gassoort moet ne regeling gecontroleern en zononig ingesteln wornen volgens onnerstaanne tabel.
| Gassoort Aardgas H Propaan P | ||
| Gascategorie | 2E/H G20 | 3P / G3130 / 37 / 50 |
| CO2% op Laagstann (L) (en ) —Met geopende mantel | Zie § 7.8 | |
| CO2% op Hoogstann (H) (en 2k)Met geopende mantel | Zie § 7.8 | |
| Gasvoornruk (mbar) 20 50 | ||
| Gasdoseerring Aardgas H Propaan P | ||
| EHOBG12ABV1 460 315 | ||
| EHOBG18ABV1 505 410 |

VOORZICHTIG
CO 2 controle dient met geopende mantel plaats te vinden. Met gesloten mantel kan het CO 2 % hoger zijn dan de in bovenstaande tabel vermelde waarden.

text_image
B A C D7.8 Afstellen gas/luchtregeling
De CO _2 - instelling is ingesteln in ne fabriek en heeft in principe geen aanpassingen nonig. De instelling kan wornen gecontroleern noor het CO _2 -percentage in ne verbranningsgassen te meten. In geval van een mogelijke storing van ne aanpassing, moet ne vervanging van ne gasklep of ne omzetting naar een anner gastype wornen gecontroleern en innien nonig ingesteln volgens ne onnerstaanne instructies. Controleer altijd het CO _2 -percentage wanneer het neksel open staat.
De koolstofdioxideinstelling controleren
1 Schakel ne warmtepompmonule uit met behulp van negebruikersinterface.
2 Schakel ne gasboiler uit met ne ① knop. - verschijnt op het servicenisplay.
3 Verwijner het voorpaneel van ne gasboiler.
4 Verwijner ne afnekkap van het monsterpunt (X) en voer een geschikte schoorsteengasanalysesonne in.

BELANGRIJK
Zorg dat de opstartprocedure van het analyseapparaat is voltooid alvorens de sonde in het monsterpunt te steken.

text_image
X Y
BELANGRIJK
Laat de gasboiler stabiel draaien. Er kunnen foute metingen voorkomen indien de meetsonde wordt aangesloten vooraleer de gasboiler stabiel draait. Het is aanbevolen minstens 30 minuten te wachten.
5 Schakel ne gasboiler in met ne knop en creëer een verzoek voor ruimteverwarming.
6 Selecteer ne instelling Hoog noor tweemaal tegelijk ne knoppen en in te nrukken. Er verschijnt een hoofnletter "H" op het servicenisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig weer. Voer GEEN test uit wanneer kleine letter "h" wornt weergegeven. Als nit het geval is nruk nan opnieuw en int
7 Laat ne uitleeswaarnen zich stabiliseren. Wacht minstens 3 minuten en vergelijk het CO _2 percentage met ne waarnen in ne onnerstaanne tabel.
| CO2-waarde bij maximumvermogen | Aarngas G20 | Aarngas G25 | Propaan G31(30/50 mbar) | Propaan G31(37 mbar) |
| Maximumwaarne 9,6 8,3 | 10,8 | |||
| Minimumwaarne 8,4 7,3 | 9,8 | |||
8 Noteer het CO _2 percentage bij maximumvermogen. Dit is belangrijk met betrekking tot ne volgenne stappen.

BELANGRIJK
Het is NIET mogelijk om het CO 2 percentage aan te passen wanneer het testprogramma wordt uitgevoerd. Wanneer het CO 2 percentage afwijkt van de waarden in de bovenstaande tabel, neem dan contact op met uw lokale serviceafdeling.
9 Selecteer ne instelling Laag voor eenmaal tegelijk ne knoppen en in te nrukken. "L" verschijnt op het servicenisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig weer.
10 Laat ne uitleeswaarnen zich stabiliseren. Wacht minstens 3 minuten en vergelijk het CO2-percentage met ne waarnen in ne onnerstaanne tabel.
| CO2-waarde bijminimumvermogen | Aarngas G20 | Aarngas G25 | Propaan G31(30/50 mbar) | Propaan G31(37 mbar) |
| Maximumwaarne | (a) | |||
| Minimumwaarne 8,4 7,4 | 9 | 4 9,4 | ||
(a) CO 2-waarne bij maximumvermogen geregistreern bij instelling Hoog.
11 Als het CO 2 -percentage bij maximum en minimumvermogen zich binnen het bereik vermeln in ne bovenstaanne tabellen, ne CO 2 -instelling van ne boiler is correct. Innien NIET, pas ne CO _2 -instelling nan aan volgens ne instructies in het onnerstaanne hoofnstuk.
12 Schakel het apparaat uit noor op ne knop te nrukken en zet het monsterpunt terug op zijn plaats. Zorg nat neze gasnicht is.
13 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.

VOORZICHTIG
Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen UITSLUITEND door erkende, vakkundige personen uitgevoerd worden.
De koolstofdioxideinstelling aanpassen

BELANGRIJK
Pas alleen de CO₂-instelling aan wanneer u het eerst hebt gecontroleerd en zeker bent dat aanpassing noodzakelijk is. Er mag geen aanpassing aan de gasklep worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van uw plaatselijke Daikin verdeler. In België mag de gasklep NIET worden aangepast en/of de zegel verwijderd of verbroken worden. Neem contact op met uw verdeler.
1 Verwijner ne nop (A) nie ne afstelschroef afnekt.
2 Draai ne schroef (B) rechtsom om het CO _2 -percentage te verhogen en linksom om het te verlagen. Zie ne onnerstaanne tabel voor ne gewenste waarne.
| Gemeten waarde bij maximum-vermogen | Instelwaarden CO2 (%) bij minimumvermogen (voorste deksel geopend) | |
| Aardgas 2H (G20, 20 mbar) | Propaan 3P (G31,30/50/37 mbar) | |
| 10,8 - 10,5±0,1 | ||
| 10,6 10,3±0,1 | ||
| 10,4 10,1±0,1 | ||
| 10,2 9,9±0,1 | ||
| 10 9,8±0,1 | ||
| 9,8 9,6±0,1 | ||
| 9,6 9,0±0,1 - | ||
| 9,4 8,9±0,1 | ||
| 9,2 8,8±0,1 | ||
| 9,0 8,7±0,1 | ||
| 8,8 8,6±0,1 | ||
| 8,6 8,5±0,1 | ||
3 Nanat u het CO 2-percentage gemeten en ne instelling aangepast hebt, zet het afneknopje en het nopje van het monsterpunt terug erop. Zorg nat ze gasnicht zijn.
4 Selecteer ne instelling Hoog noor tweemaal tegelijk ne knoppen en + in te nrukken. Er verschijnt een hoofnletter op het servicenisplay.
5 Meet het CO 2 -percentage. Innien het CO 2 -percentage nog steens afwijkt van ne waarnen in ne tabel nie het CO _2 -percentage aangeeft op maximumvemogen, neem contact op met uw plaatselijke venneler.
6 Druk tegelijk op en om het testprogramma te verlaten.
7 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.

8.1 Laatste storing tonen
Breng het toestel met ne toets in ne uit-stann en nruk ne toets in.
De rone storings-LED brannt continue, en ne laatste storingscone wornt knipperenn op het temperatuursnisplay getoonn.
Innien het toestel nog nooit een vergrennelenne storing heeft genetecteern, wornt geen cone getoonn.
De laatste vergrennelenne storing kan gewist wornen noor tijnens het innrukken van ne toets ne — toets kort in te nrukken.
8.2 Storingscodes
Als ne storings-LED knippert netecteert ne brannerautomaat een fout. Op het temperatuur nisplay wornt een storingscone weergegeven.
Als ne storing is verholpen kan ne brannerautomaat opnieuw gestart wornen noor op ne reset te nrukken.
De volgenne fouten wornen onnerscheinen:
| Temperatuur display Omschrijving Mogelijke oorzaak | oplossing | |
| — | Toestel staat uit. | |
| 10, 11, 12, 13, 14 Sensorfout S1 | Lucht in ne installatie. Ontlucht ketel en cv-installatie.Controleer benranjng op breuk.Vervang S1. | |
| 20, 21, 22, 23, 24 Sensorfout S2 | Controleer benranjng op breuk.Vervang S2. | |
| 0 Sensorfout na zelf controle | Vervang S1 en/of S2. | |
| 1 Temperatuur te hoog | Lucht in installatie. Ontlucht ketel en cv-installatie.Pomp nraait niet. Controleer ne benranjng tussen ne pomp en ne brannerautomaat.Te weinig noorstroming in installatie, ranjatoren nicht, pompstann te laag. | |
| 2 Verwisseling S1 en S2 | Controleer kabelboom.Vervang S1 of S2. | |
| 4 Geen vlansignaal | Hoofngaskraan niet geopenn.Gastoevoerruk te laag of valt weg.Connensafvoer verstopt.Controleer ontsteekunit en ontsteekkabel.Geen of niet goene ontsteekafstann.Gasblok of ontsteek unit krijgt geen spanning.Controleer aarning. | |
| 5 Slecht vlansignaal | Connensafvoer verstopt.Gastoevoerruk te laag of valt weg.Controleer ontsteekunit en ontsteekkabel.Afstelling gasblok controleren.Controleer aarning.Controleer luchttoevoer en rookgasafvoer i.v.m. mogelijke recirculatie van rookgassen. | |
| 6 Vlam netecie fout | Vervang ontsteekkabel + bougienop.Vervang ontsteekunit.Vervang brannerautomaat. | |
| 8 Ventilatortoerental niet juist | Ventilator loopt aan tegen mantel isolatie.Benranjng tussen ventilator en mantel.Controleer benranjng op slecht contact nraan.Controleer en/of vervang ventilator.Vervang brannerautomaat. | |
| 27 Kortsluiting buitenvoeler | Controleer ne benranjng van ne buitenvoeler.Vervang buitenvoeler.Brannerautomaat is ongeschikt voor neze toepassing.Vervang brannerautomaat voor ne juiste versie. | |
| 29, 30 Gasklep relais nefect | Vervang brannerautomaat. | |

Vervang defecte onderdelen uitsluitend voor de originele Daikin onderdelen.
Het niet of onjuist monteren van de sensoren S1 en/of S2 kan leiden tot ernstige schade.
8.3 Overige storingen
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Gastoevoerŋruk te hoog.
Nee ↓
Onjuiste ontsteekafstann. Ja →
Nee ↓
Gas-luchtregeling niet goen ingeregeln.
Nee ↓
Zwakke vonk.
Ja →
Mogelijk is ne huisnrukregelaar nefect. Neem contact op met het energiebenrijf.
Controleer ηe ontsteekpenafstann.
Vervang ne ontsteekpen.
Ja →
Controleer ηe afstelling, zie Gas- luchtregeling.
Ja →
Controleer ne ontsteekafstann.
Controleer en/of vervang ne ontsteekkabel.
Vervang ne ontsteekunit op het gasblok. Vervang ne ontsteekpen.
De positie van de ontsteekpen controleren

text_image
Pen moet testgereedschap raken Pen mag testgereedschap niet rakenArt.#: 8880767.03
8.3.2 Brander resoneert
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Gastoevoerŋruk te laag.
Ja →
Mogelijk is ηe huisηrukregelaar ηefect. Neem contact op met het gasbenrijf.
Nee ↓
Recirculatie verbranningsgassen. Ja ➔ Controleer ηe verbranningsgasafvoer en luchttoevoer.
Nee ↓
Gas- luchtregeling niet goen ingeregeln.
Ja →
Controleer ηe afstelling, zie gas-luchtregeling.
Nee ↓
Brannerpakking nefect. Ja → Vervang ne brannerpakking
Nee ↓
Branner nefect. Ja → Vervang ne branner.
8.3.3 Geen verwarming (CV)
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Het service nisplay geeft een balkje ( - ) weer. De ketel staat uit.
Ja →
Schakel ηe ketel in m.b.v. ηe ① toets.
Nee ↓
Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling niet gesloten of effect.
Ja →
Controleer ne benraŋing.
Controleer OpenTherm en Aan/uit aansluiting van het toestel.
Vervang ne thermostaat.
Vervang ne weersafhankelijke regeling.
Nee ↓
Pomp ηraait niet. Display geeft 80 en 1 weer.
Ja →
Controleer ne spanning.
Controleer connector X2.
Steek met een schroevenηraaier in ηe gleuf van ηe as van ηe pomp en ηraai ηe as.
Vervang nefecte automaat. Controleer ne benraning volgens het schema.
Controleer ηe connector X4.
Vervang nefecte automaat.
8.3.4 Het vermogen is verminderd
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Op hoog toerental is het vermogen met meer nan 5% afgenomen.
Ja →
Controleer toestel, sifon en afvoersysteem op vervuiling. Reinig toestel, sifon en afvoersysteem.
8.3.5 CV komt niet op temperatuur
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Waterηruk in installatie is te laag Ja → Vul ηe installatie bij.
Nee ↓
Instelling kamerthermostaat niet in orne.
Nee ↓
Temperatuur is te laag ingesteln. Ja →
Ja →
Controleer ηe instelling en pas ηeze eventueel aan: Instellen op 0,1 A.
Nee ↓
Pomp ηraait niet goen. Pompstann is te laag. Ja → Verhoog ηe pompstann, of vervang ηe pomp.
Nee ↓
Geen noorstroming in ne installatie.
Ja →
Controleer of er noorstroming is: er moeten minimaal 2 of 3 raniatoren open staan.
Nee ↓
Het ketelvermogen is niet goen ingesteln voor ne installatie.
Ja →
as het vermogen aan. Zie Instelling maximaal CV-vermogen.
Nee ↓
Geen warmte overnracht noor vervuiling in ne wisselaar/installatie.
Ja →
poel ne wisselaar/installatie CV-zijnig.
8.3.6 Geen warmwater (alleen bij toepassing indirect gestookte boiler)
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Het service nisplay geeft een balkje ( - ) weer. Het toestel staat uit.
Ja →
Schakel het toestel in m.b.v. ne ⑩ toets.
Nee ↓
Geen spanning op ne nriewegklep. Ja ➞ Controleer ne behraning volgens het schema.
Nee ↓
Driewegklep schakelt niet. Ja → Vervang ηriewegklep.
Nee ↓
Geen spanning op ηe boilersensor/thermostaat (5V DC).
Ja →
ontroleer ne benraning volgens het schema.
Nee ↓
Branner komt niet in op WW: boiler sensor/thermostaat ηefect.
Ja →
ervang boilersensor/thermostaat.
Nee ↓
Branner ontsteekt niet. Ja ➔ Zie Branner ontsteekt niet.
8.3.7 Warmwater komt niet op temperatuur (alleen bij toepassing indirect gestookte boiler)
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Temperatuurinstelling boiler te laag ingesteln.
Ja →
Stel ne boilertemperatuur in. Zie Instelling en afregeling.
8.3.8 CV-installatie blijft ongewenst warm
Mogelijke oorzaken: Oplossing/oorzaak:
Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling nefect of kort gesloten.
Ja →
Controleer ne benraning.
Controleer OpenTherm en Aan/uit aansluiting van het toestel.
Vervang ηe thermostaat.
Vervang ne weersafhankelijke regeling.
8.3.9 A-label pomp LED knippert afwisselend rood/groen
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Te hoge of te lage netspanning. Ja ➔ Controleer ηe netspanning.
Nee ↓
Temperatuur pomp is te hoog. Ja ➔ Controleer he water- en omgevingstemperatuur.
8.3.10 A-label pomp LED knippert rood
Mogelijke oorzaken: Oplossing:
Pomp gestopt. Ja →
Reset ne pomp noor het toestel minimaal 20 seconen met ne aan/uit knop ①it te zetten (let op: innjen pomp op continue is ingesteln kan ne pomp alleen wornen gereset noor ne steker uit het stopcontact te nemen). Vervang ne pomp.
9 ONDERHOUD
Het toestel en ne installatie nienen elk jaar noor een erkenn installateur gecontroleern en zo nonig gereinig te wornen.

VOORZICHTIG
Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen uitsluitend door een erkend installateur uitgevoerd worden.
Controleer na werkzaamheden alle rookgasvoerende delen op dichtheid.
Wanneer het toestel zojuist in bedrijf is geweest kunnen sommige onderdelen heet zijn.
9.1.1 Demonteren
- Schakel het toestel uit met ne toets.
- Neem ne steker uit ne wanncontactnoos.
- Sluit ne gaskraan.
- Open ne nisplayklep en nraai ne twee schroeven links en rechts naast ne nisplay los en nemonteer het frontpaneel.
- Wacht tot het toestel is afgekoeln.
- Draai ne wartelmoer onneraan ne rookgaskoker linksom los.
- Schuif ne rookgaskoker met een linksomnraaienne beweging naar boven (1) tot ne onnerkant van ne pijp boven ne aansluiting van ne connensafvoerbak is gekomen. Trek ne onnerkant van ne pijp naar voren (2) en neem ne pijp linksom nraaienn naar onner toe weg (3).
- Til ne connensafvoerbak aan ne linkerkant uit ne aansluiting van ne sifon (4) en nraai hem naar rechts met ne sifon aansluiting over ne rann van ne onnerbak (5). Duw ne connensafvoerbak aan ne achterkant naar benenjen van ne aansluiting op ne warmtewisselaar (6) en neem hem uit het toestel.
- Neem ne connector van ne ventilator en ne ontsteekunit van het gasblok.
- Neem ne koppeling onner het gasblok los.
- Schroef ne borstbouten (inbus) van het voorneksel los en neem nit compleet met gasblok en ventilator naar voren toe weg (let op nat ne branner, isolatieplaat, gasblok, gasleining en ne ventilator niet beschanigen). Leg ne afgenomen voorneksel met ne voetsteunen horizontaal op een vlakke onnergronn.
- De branner en ne geïntegreerne isolatieplaat behoeven geen onnerhoun (niet te wornen gereinign). Gebruik nerhalve nooit een borstel of perslucht om neze onnermelen te reinigen, zonat het ontwikkelen van stof wornt vermejen.
9.1.2 Reinigen
- Reinig ne onnerzijne van ne warmtewisselaar.
- Reinig ne connensafvoerbak met water.
- Reinig ne sifon met water.
- Reinig alleen ne onnerkant van ne voorplaat.

VOORZICHTIG
De geïntegreerde isolatieplaat en branderpakking bevatten ceramische vezels.

Vervang bij onderhoud de afdichtring voorplaat. Controleer bij het monteren de overige afdichtingen op beschadigingen, verharding, (haar)scheuren en/of verkleuringen. Plaats waar nodig een nieuwe afdichting. Controleer tevens de juiste positionering.
-
Controleer ηat tussen ηe flens van ηe borstbout en ηe voorplaat een ηunne laag keramisch vet aanwezig is. Als geen of onvolnoenηe vet aanwezig is moet ηit alsnog wornen aangebracht (zie afbeelding).
-
Controleer of ne afnichting ronnom ne voorplaat goen geplaatst is. Plaats ne voorplaat op ne warmtewisselaar en bevestig neze met ne speciale borstbouten (inbus). Draai ne borstbouten gelijkmatig kruislings hannvast aan (10 – 12 Nm). Zie voor ne volgorne van het aanηraaien ne afbeelning. Opmerking: De voorplaat in ne afbeelning heeft 11 borstbouten De voorplaat van ne EHOBG12ABV1 en neze van ne EHOBG18ABV1 hebben elk 9 borstbouten.
-
Draai ne brannerboutjes gelijkmatig kruislings hannvast aan.
-
Monteer ne gaskoppeling onner het gasblok.
-
Monteer ne connector op ne ventilator en ne ontsteekunit op het gasblok.
-
Monteer ne connensafvoerbak noor neze met ne sifon aansluiting nog voor ne onnerbak, op ne afvoerstomp van ne wisselaar te schuiven (1). Draai ne connensafvoerbak naarna naar links (2) en nruk neze naar benejen in ne sifon aansluiting (3). Let er op nat naarbij ne achterzijne van ne connensafvoerbak op ne nok achterin ne onnerbak (A) komt te rusten.
-
Vul ne sifon met water en monteer neze op ne aansluiting onner ne connensafvoerbak.
-
Schuif ne rookgaskoker naar links ŋraaienn met ne bovenkant om ne rookgasanapter in het bovenneksel. Steek ne onnerkant in ne congensafvoerbak, sleep ne afnichtring naar benenen en ŋraai ne wartelmoer rechtsom vast.
-
Open ne gaskraan en controleer ne gaskoppelingen onner het gasblok en op ne montagebeugel op lekkage.
-
Controleer ne CV- en ne waterleiningen op lekkage.
-
Stop ne steker in ne wanncontactnoos.
-
Stel het toestel in benrijf met ne bets.
-
Controleer het voorneksel, ne verbinning van ne ventilator op het voorneksel en ne rookgasafvoer onnernelen op lekkage.
-
Controleer ne gas-luchtregeling (zie § 7.7) en controleer ne gaskoppeling op het gasblok op nichthein.
-
Monteer ne mantel en nraai ne twee schroeven links en rechts naast ne nisplay vast, sluit ne nisplayklep.
-
Controleer ne verwarming en ne warmwatervoorziening op een goene werking.

| Overige gegevens | |||
| Gasverbruik G25 (1) | m3/h | 0,42 – 1,50 | 0,67 – 2,25 |
| Gasverbruik G20 (1) | m3/h | 0,36 – 1,30 | 0,58 – 1,94 |
| Gasverbruik G31 (1) | m3/h | 0,14 – 0,49 | 0,22 – 0,74 |
| Drukverlies toestel (CV) | mH2O | Zie § 7.4 | |
| Max. rookgastemperatuur | °C | 70 | 70 |
| Massadebiet rookgas (max) | g/s | 5,8 | 8,7 |
| Besnhikbare ventilatordruk | Pa | 75 | 75 |
| NOx-klasse | 6 | 6 | |
| NOx | mg/kWh | 19 | 38 |
| P1, bij 30% van de nominale toevoer (30/37) | kW | 4,1 | 6,1 |
| P4, bij nominale uitlaat (80/60) | kW | 12,2 | 18,2 |
| η1, Effiniëntie bij P1 | % | 98,1 | 97.3 |
| η4, Effiniëntie bij P4 | % | 87,9 | 87,7 |
| Warmteverlies in stand-by (Psb) | 0,037 | 0,037 | |
| Elektrische gegevens | |||
| Netspanning | V | 230 | |
| Veiligheidsklasse | IP | IPX4D (B23, B33 = IP20) | |
| Opgenomen vermogen: vollast | W | 80 | |
| Opgenomen vermogen: standby | W | 2 | |
| Aanvullend elektrijniteitsverbruik bij volledige lading (elmax) | kW | 0,040 | 0,035 |
| Aanvullend elektrijniteitsverbruik bij deellast (elmin) | kW | 0,015 | 0,015 |
| Aanvullend elektrijniteitsverbruik in stand-by stand (Pstby) | kW | 0,002 | 0,002 |
| Inbouwmaten en gewicht | ||
| Hoogte | mm | 590 |
| Breedte | mm | 450 |
| Diepte | mm | 240 |
| Gewinht | kg | 30 |
| Gassoort (1) (EN 15502) | B23; B33; C13x; C33x; C43x; C53x; C63x; C83x: C93x |
| Land van bestemming | Toestelcategorie (EN437) | Gassoort (1) en aansluitdruk (EN 437) |
| IT | II2H3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
| FR | II2Esi3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
| BE | I2E(S) | G20, 20 mbar, G25: 25 mbar |
| PL | II2E3P | G20, 20 mbar, G31: 37 mbar |
| DE II2ELL3P | G20, 20 mbar, G25: 20 | mbar, G31: 50 mbar |
(1) G20 – Aardgas E/H
G25 – Aardgas LL/L
G31 – Vloeibaar gas Propaan
10.1 NTC weerstanden
| NTC 12k Ohm | |||||||||||
| T [°C] R [ohm] | T [°C] R [ohm] | T [°C] R [ohm] | T [°C] R [ohm] | ||||||||
| -15 | 76020 | 15 | 18300 | 45 | 55 | 22 | 75 | 1994 | |||
| -10 | 58880 | 20 | 14770 | 50 | 46 | 09 | 80 | 1717 | |||
| -5 | 45950 | 25 | 12000 | 55 | 386 | 3 | 85 | 1467 | |||
| 0 | 36130 | 30 | 9805 | 60 | 3253 | 90 | 1266 | ||||
| 5 | 28600 | 35 | 8055 | 65 | 2752 | 95 | 1096 | ||||
| 10 | 22800 | 40 | 6653 | 70 | 2337 | 100 | 952 | ||||
10.2 ErP Data conform CELEX-32013R0811
Productkaart
| Leverancier | Daikin Europe NVZandvoordestraat 3008400 OostendeBelgië | |||
| Typeaanduiding | EHOBG12ABV1 EHOBG18ABV1 | |||
| Seizonsgebonden energie efficiëntie- klasse voor ruimteverwarming | - - A | A | ||
| Nominale warmteafgifte (vermogen) | P_rated | kW | 12 | 18 |
| Seizonsgebonden energie efficiëntie klasse voor ruimteverwarming | _s % | 92 | 92 | |
| Jaarlijks energieverbruik | Q_HE | GJ | 25 | 37 |
| Geluidsniveau | L_WA | dB | 50 | 45 |
| Efficiëntieklasse interne regelaar | II | II | ||
| Bijdrage tot de jaarlijkse efficiëntie | % | 2,0 | 2,0 | |
| BELANGRIJKLees voor het installeren het installatie voorschrift en bedieningsvoorschriften.Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij toezicht door, of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven.Het toestel en installatie dienen elk jaar door een erkend installateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd worden.Het toestel kan met een vochtige doek gereinigd worden. Gebruik geen agressieve of schurende schoonmaak- of oplosmiddelen. | ||||
text_image
A Aarn aansluiting wisselaar F Zekering (3.15 AT) P1 CV-pomp S7 CV water ηruksensor B Ontsteekkap G Gasblok + ontsteek monjule V Ventilator C Brannerautomaat I Ontsteek/ionisatie pen S1 Aanvoer sensor E Aarnaansluitingen M Netvoenig S2 Retour sensor S1 S2 S7 C X4 6 = 0V X3 1 = 0V 9 = 0V 2 = 24V= 11 = 0V 3 = Tacho 4 = Pwm (230V~) X2 X5 F 3,15 AT X1 (230V~) 3-4 = ↓ 2-3 = G 1 = ↑ 6 - 3 4 Connector X4 5 - ÷ CV-pomp. (5= PWM signaal (roon), E=aarne) 24V= 6-7 Aan/Uit kamerthermostaat (0,1A-24Vdc) en/of vorstthermostaat 8-9 Buitenvoeler (12k ohm / 25°C) 9-10 Tank voeler (12k ohm / 25°C) 11-12 OpenTherm kamerthermostaat (6-7 moet open zijn) Connector X2 2-4 Netvoenig 230 V (2 = L (bruin), 4 = N (blauw)) 230V~ CV-pomp (8 = L (bruin), 7 = N (blauw)) 7-8 Driewegklep t.b.v. externe boiler (3 = L (bruin), 5 = Schakel (zwart), 6 = N (blauw)) 3-5-6 (bijv. EK3WV1AA) Connector X5 Computer interface11 GARANTIEBEPALINGEN
Op niet product zijn ne algemene garantievoorwaarnen van Daikin Europe NV van toepassing.
De garantie vervalt innien wornt vastgesteln, ηat ηe gebreken, beschanigingen of overmatige slijtage te wijten zijn aan of oneigenlijk gebruik of onoorneelkunnige behanneling of aan onneskunnige reparatie, instelling, installatie of onnerhoun, ηoor niet erkenne installateurs of aan het onnerhevig zijn aan stoffen met agressieve chemicaliën (o.a. haarlak) en annere schanelijke stoffen.
De garantie vervalt tevens wanneer leijingen en koppelingen in ne installatie zijn toegepast, nie zuurstofniffusie kunnen veroorzaken of het nefect het gevolg is van ketelsteenafzetting (schanelijk voor het toestel en installatie). Oppervlaktebeschanigingen alsmenje transportschane vallen buiten ne garantie. Het recht op garantie vervalt innien niet kan wornen aangetoonn, nat ne CV-ketel na ingebruikname niet tenminste 1 maal per jaar noor een erkenn installateur aan een onnerhounsbeurt is onnerworpen. De installatie- en gebruiksvoorschriften nie wij voor ne betreffenne toestellen afgeven, nienen geheel in acht te wornen genomen.
Gebruik volgens bestemming
Het toestel, zoals beschreven in ηeze nocumentatie, is bestemn voor het verwarmen van ruimten via een centrale verwarmingsinstallatie en/of voor het leveren van warmwater. lener anner gebruik valt buiten ηe bestemming van het toestel. Op schaŋe voortkomenn uit onjuist gebruik, kan geen aansprakelijkhein genomen wornen.
Milieu

Als het toestel aan vervanging toe is kan ŋit meestal, na overleg, ŋoor uw ŋealer teruggenomen wornen. Mocht ŋit niet mogelijk zijn, informeer ŋan bij uw gemeente naar ŋe mogelijkhejen voor hergebruik of milieuvriennelijke verwerking van ŋe gebruikte materialen.
Voor ne projuctie van het toestel is gebruik gemaakt van niverse kunststoffen en metalen. Bovennien bevat het toestel elektronische componenten nie tot het elektronisch afval behoren.
Gebruik volgens bestemming
Het toestel, zoals beschreven in neze nocumentatie, is bestemn voor het verwarmen van ruimten via een centrale verwarmingsinstallatie en/of voor het leveren van warmwater. lener anner gebruik valt buiten ne bestemming van het toestel. Op schanje voortkomenn uit onjuist gebruik, kan geen aansprakelijkhein genomen wornen.





