Robolinho 822 W - Robotmaaier SOLO - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Robolinho 822 W SOLO in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Robolinho 822 W SOLO
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Robotmaaier in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Robolinho 822 W - SOLO en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Robolinho 822 W van het merk SOLO.
GEBRUIKSAANWIJZING Robolinho 822 W SOLO
1 Over deze gebruiksaanwijzing 57
1.1 Symbolen op de titelpagina ...... 57
1.2 Verklaring van pictogrammen en sig-
naalwoorden 57
2 Productomschrijving.... 57
2.1 Leveringsomvang (01)...... 57
2.2 Robot-grasmaaier (02).... 58
2.3 Symbolen op het apparaat.... 58
2.4 Bedieningspaneel (03).... 58
2.5 Display.... 59
2.6 Menustructuur.... 59
2.7 Basisstation (04).... 60
2.8 Accu....60
2.9 Beschrijving van de werking 61
2.10 Wifimodule en AL-KO inTOUCH
Smart Garden app ...... 61
3 Veiligheid.... 62
3.1 Beoogd gebruik.... 62
3.2 Mogelijk foutief gebruik.... 62
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen.... 62
3.3.1 PIN- en PUK-invoer.... 62
3.3.2 Sensoren.... 62
3.4 Veiligheidsinstructies 63
3.4.1 Gebruiker.... 63
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmid-
delen.... 63
3.4.3 Veiligheid van personen en die-
ren 63
3.4.4 Veiligheid van het apparaat...... 63
3.4.5 Elektrische veiligheid.... 63
4 Montage 63
4.1 Apparaat uitpakken.... 63
4.2 Maaigebieden plannen (05)...... 64
4.3 Maaigebieden voorbereiden 64
4.4 Basisstation opbouwen (07/a, 17) ..... 64
4.5.1 Begrenzingskabel op het basis-
station aansluiten (07/b).... 64
4.5.2 Begrenzingskabel leggen (05) ..... 65
4.5.3 Obstakels afzetten 65
4.5.4 Doorgangen afzetten (05/h)...... 66
4.5.5 Hellingen afzetten (15)...... 66
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (11)..... 66
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (06) 66
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (08).... 66
4.7 Verbindingen aan het basisstation
controleren (08).... 66
4.8 Quick Homing Kit installeren 66
5 Inbedrijfstelling.... 67
5.1 Accu opladen (12) 67
5.2 Basisinstellingen uitvoeren.... 67
5.3 Maaihoogte instellen (14)...... 67
5.4 Automatische kalibratierit uitvoeren ... 67
5.5 Startpunten instellen 68
6 Bediening.... 68
6.1 Apparaat met de hand starten.... 68
6.2 Maaiwerking staken 68
6.3 Nevenoppervlak maaien (05/NF) ..... 69
7 Instellingen 69
7.1 Instelling oproepen - Algemeen ...... 69
7.2 Geluidssignaal knopbediening active-ren/deactiveren 69
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren..... 69
7.4 Regensensor instellen.... 69
7.5 Maaiprogramma instellen.... 70
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Alge- meen.... 70
7.5.2 Maaitijden instellen 70
7.5.3 Passagemodus 70
7.6 inTOUCH.... 71
7.7 Randen maaien bij handmatige start . 71
7.8 Maaien van nevenoppervlakken in-
stellen 71
7.9 Displaycontrast instellen.... 71
7.10 Instellingsbescherming 71
7.11 Opnieuw kalibreren.... 71
7.12 Terugzetten op fabrieksinstellingen... 71
8 Informatie weergeven.... 71
9 Onderhoud en verzorging 72
9.1 Reiniging....72
9.2 Regelmatige controle.... 72
9.3 Messen vervangen 73
10 Hulp bij storingen 73
10.1 Apparaat- en bedieningsfouten ver-
helpen.... 73
10.2 Foutcodes en -oplossing.... 75
11 Transport....78
12 Opslag.... 78
12.1 Robot-grasmaaier opbergen.... 78
12.2 Laadpaal demonteren en opbergen (18, 19) 78
12.3 Begrenzingskabel overwinteren..... 78
13 Verwijderen 78
14 Klantenservice/service centre 79
15 Informatie bij de conformiteitsverklaring... 79
16 Garantie 79
1 OVER DEZE GEBRUIKSAANWIJZING
De Duitse versie is de originele gebruiksaanwijzing. Alle andere taalversies zijn vertalingen van de originele gebruiksaanwijzing.
Bewaar deze gebruiksaanwijzing goed zodat u erin het antwoord op uw vragen kunt terugvinden wanneer u informatie over de machine nodig heeft.
Draag de machine alleen samen met deze gebruiksaanwijzing aan andere personen over.
■ Lees en neem de veiligheids- en waarschu-wingsinstructies in deze gebruiksaanwijzing in acht.
1.1 Symbolen op de titelpagina
Symbool Betekenis

Lees voor de ingebruikname deze gebruiksaanwijzing absoluut zorgvuldig door. Dit is de voorwaarde voor veilig werken en een storingsvrij gebruik.

Gebruiksaanwijzing

Ga voorzichtig met Li-Ion accu's om! Neem met name de aanwijzingen voor transport, opslag en afvalverwijdering in acht!
1.2 Verklaring van pictogrammen en signaalwoorden
⚠ GEVAAR! Wijst op een direct gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot de dood of tot een ernstig letsel leidt.
⚠ WAARSCHUWING! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet verme- den wordt, tot de dood of tot een zwaar letsel kan leiden.
⚠️ VOORZICHTIG! Wijst op een potentieel gevaarlijke situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot een licht of middelzwaar letsel kan leiden.
LET OP! Wijst op een situatie, die, wanneer ze niet vermeden wordt, tot materiële schade kan leiden.
H OPMERKING Speciale aanwijzingen voor meer duidelijkheid en een beter gebruik.
Deze documentatie beschrijft een volautomatische, met een accu gevoede robot-grasmaaier die zich op een gazon vrij beweegt. De snijhoogte kan versteld worden.
2.1 Leveringsomvang (01)
Bij de leveringsomvang horen de hier vermelde posities. Controleer of alle posities aanwezig zijn:
Nr. Onderdeel
1 Robot-grasmaaier
Nr. Onderdeel
| 2 Beknopte handleiding |
| 3 Gebruiksaanwijzing |
| 4 Gazonpennen * |
| 5 Voeding |
| 6 Basisstation incl. aardschroeven(5 stuks) |
| 7 Begrenzingskabel * |
| 8 Winterafdekking * |
* afhankelijk van het model (zie technische gegevens).
2.2 Robot-grasmaaier (02)
| Nr. Component |
| 1 Bedieningsveld met display (inwendig) |
| 2 STOP-toets (stopt het apparaat meteen en de snijmessen binnen de 2 s) |
| 3 Aansluitcontacten voor opladen |
| 4 Hoogteverstelknop (verzonken) |
| 5 Voorste wielen (stuurbaar) |
| 6 Maaidek |
| 7 Aandrijfwiel |
| 8 Messenschijf |
| 9 Bevestigingsbout |
| 10 Wegruimmes |
| 11 Snijblad |
| 12 Accuschacht |
2.3 Symbolen op het apparaat
| Symbool | Betekenis |
| Gevaar voor letsel en materiële schade door uitgeslingerde voor-werpen! | |
| Wees bijzonder voorzichtig bij de hantering! | |
| Blijf met uw handen en voeten bij het maaiwerk vandaan! |
Symbool Betekenis
![]() | Houd voldoende veiligheidsafstand! |
![]() | Lees vóór ingebruikname de gebruiksaanwijzing! |
![]() | Voer voor het starten van het apparaat het PIN in! |
![]() | Rijd niet op het apparaat mee! |
2.4 Bedieningspaneel (03)
| Nr. Component | |
| 1 | (Home-toets): Maaiwerking staken, het apparaat rijdt terug naar het basisstation. Het start de volgende dag weer automatisch op de ingestelde maaitijd. |
| 2 | Regensensor: Stelt vast of het regent (zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 69). |
| 3 | Display: Toont de huidige bedrijfsstatus van het apparaat, de naam van het geselecteerde menu, de menupunten en de functies die geselecteerd kunnen worden (zie Hoofdstuk 2.5 "Display", pagina 59). |
| 4 | (pijltjestoetsen): Selecteer de menupunten, verhoog en verlaag de getalwaarden en kies tussen de instellingen. |
| 5 | (Start/pauze-toets):1 keer indrukken: Maaiwerking met de hand starten en onderbreken.2 keer indrukken: Maaiwerking na bediening van de home-toets meteen weer hervatten. |
| 6 | (functietoetsen): De functie oproepen die zojuist boven de toets op het display wordt weergegeven. |
| 7 | (On/Off-toets): Apparaat in- en uit-schakelen. |
| 8 | (Menutoets): Hoofdmenu oproepen. |
2.5 Display

text_image
Hoofdmenu *Instellingen Informatie Terug Bevestigen| Nr. Indicatie |
| 1 Naam van het geselecteerde menu (hier: Hoofdmenu) |
| 2 Menupunten in het menu: Er worden telkens slechts twee menupunten weergegeven (hier: Instellingen en Informatie). Met ▲ kunnen er verdere menupunten worden weergegeven. |
| 3 Functies voor het geselecteerde menupunt (hier: Instellingen). Met ▼ en ▲ kunnen de functies worden opgeroepen. |
| 4 Sterretje voor de markering van het geselecteerde menupunt (hier: Instellingen) |
2.6 Menustructuur
Hoofdmenu
Programma
weekprogramma zie Hoofdstuk 7.5 "Maaiprogramma instellen", pagina 70
Startpunten zie Hoofdstuk 5.5 "Startpunten instellen", pagina 68
Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 71
Instellingen
Tijdstip zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 67
Datum zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 67
Taa1 zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 67
PIN code zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 67
Geluidssignaal knopbediening zie Hoofdstuk 7.2 "Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren", pagina 69
EcoMode zie Hoofdstuk 7.3 "Eco-modus activeren/deactiveren", pagina 69
Quick Homing Kit zie Hoofdstuk 4.8 "Quick Homing Kit installeren", pagina 66
Regensensor zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 69
Regensensor vertrag. zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 69
Regengevoelig zie Hoofdstuk 7.4 "Regensensor instellen", pagina 69
inTOUCH zie Hoofdstuk 7.6 "inTOUCH", pagina 71
Randen maaien zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 71
Nevenoppervlak actief/inactief zie Hoofdstuk 7.8 "Maaien van nevenoppervlakken instellen", pagina 71
Displaycontrast zie Hoofdstuk 7.9 "Displaycontrast instellen", pagina 71
Instellingsbescherming zie Hoofdstuk 7.10 "Instellingsbescherming", pagina 71
Opnieuw kalibreren zie Hoofdstuk 7.11 "Opnieuw kalibreren", pagina 71
Fabrieksinstellingen zie Hoofdstuk 7.12 "Terugzetten op fabrieksinstellingen", pagina 71
Informatie
Messenservice zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 71
Hardware zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 71
Software zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 71
Programma-info zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 71
Storingen zie Hoofdstuk 8 "Informatie weergeven", pagina 71
2.7 Basisstation (04)
Nr. Onderdeel
| 1 Bodemplaat |
| 2 Led voor statusweergave |
| 3 Laadcontact |
| 4 Home-toets [IMAGE] |
| 5 Laadpaal |
| 6 Kabelschacht |
| 7 Wielkuip |
| 8 Boring voor aardschroeven (9) |
| 9 Aardschroeven |
* afhankelijk van het model (zie technische gegevens).
2.8 Accu
De accu kan door de gebruiker worden vervangen.
i OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
De accu is bij oplevering gedeeltelijk opgeladen. Bij normaal gebruik wordt de accu regelmatig opgeladen. Het apparaat rijdt hiervoor terug naar het basisstation.
De geïntegreerde bewakingselectronica beeindigt het opladen automatisch als er een oplaadstatus van 100 % is bereikt.
■ Het opladen werkt alleen bij een onberispelijk contact van de laadcontanten van het basisstation met de contactoppervlakken van het apparaat.
Bij een temperatuur hoger dan 45 °C blokkeert de ingebouwde beveiliging het opladen van de accu. Op deze wijze wordt een accustoring voorkomen.
Als de bedrijfsduur ondanks volledige oplad ing aanzienlijk korter wordt, moet de accu zelf worden vervangen.
Als de accu door veroudering of een te lange opslagduur ontladen raakt tot beneden de door de fabrikant vastgelegde drempelwaarde, kan hij niet meer worden opgeladen. Laat de accu en de controle-elektronica controle-ren door uw AL-KO dealer, technicus of servicepartner.
De laadconditie van de accu wordt getoond op het display. De accustatus na ca. 3 maanden opslag controleren. Schakel hiervoor het apparaat in en lees de accustatus af. Als de accu slechts nog maar voor ca. 30 % of minder is geladen moet het apparaat in het basisstation geplaatst en ingeschakeld worden
zodat de accu wordt opgeladen. Als de laadzuil voor het opbergen van het basisstation werd verwijderd (zie Hoofdstuk 12.2 "Laadpaal demonteren en opbergen (18, 19)", pagina 78), moet die eerst weer in omgekeerde volgorde gemonteerd en het basisstation weer op het stroomnet aangesloten worden.
Als er elektrolyt uit het accuvak is vrijgekomen: Apparaat door een AL-KO servicepunt laten repareren!
- Indien de accu uit het apparaat werd verwijderd: Als er ogen of handen met het vrijgekomen elektrolyt in aanraking zijn gekomen moeten die onmiddellijk met water worden gespoeld. Daarna onmiddellijk een arts raadplegen!
2.9 Beschrijving van de werking
Bewegen op het gazon
Het apparaat beweegt zich vrij op een door een begrenzingskabel afgezet gebied. De oriëntatie van het apparaat gebeurt via sensoren die het elektromagnetische veld van de begrenzingskabel herkennen.
Als het apparaat tegen een obstakel stoot blijft het staan en beweegt verder in een andere richting. Als het apparaat in een situatie komt waarin er geen werking mogelijk is, wordt dit met en melding op het display aangegeven.
Als het apparaat bij een ingeschakelde regensen- sor vocht herkent, gaat het automatisch terug naar het basisstation.
Maaiwerking en laadwerking
De maafasen worden afgewisseld door laadfasen. Als de lading van de accu bij het maaien tot een bepaalde waarde (weergave: 0 %) is gedaald, gaat het apparaat langs de begrenzings-kabel terug naar het basisstation.
Maaiprogramma's zijn vooraf ingesteld en kunnen op het apparaat of in de app aangepast worden.
Bij elke start van de maaimotor wordt zijn draai-richting omgekeerd, waardoor de levensduur van de maaimessen wordt verdubbeld.
2.10 Wifimodule en AL-KO inTOUCH Smart Garden app
De robot-grasmaaier is uitgevoerd met een wifi-module. Dit maakt een comfortabele bediening, instelling en bewaking via een app vanaf een mobiel apparaat (smartphone, tablet) mogelijk.
i OPMERKING Het gebruikte mobiele apparaat heeft een internetverbinding nodig voor gebruik van de AL-KO inTOUCH Smart Garden app.
i OPMERKING Om de robot-grasmaaier up-to-date te houden, moet hij via een wifinetwerk met het internet verbonden zijn. De AL-KO in-TOUCH Smart Garden app geeft informatie als er nieuwe software updates voor de robot-grasmaaier zijn. Die worden automatisch gedown-load.
AL-KO inTOUCH Smart Garden app
De AL-KO inTOUCH Smart Garden app is voor Android-gebaseerde apparaten verkrijgbaar in de Google Play Store en voor iOS-gebaseerde apparaten in de Apple App Store:

Scan deze QR-code om te weten te komen hoe u de AL-KO inTOUCH Smart Garden app op uw smartphone installeert en om verdere informatie over uw apparaat te verkrijgen. U kunt daarmee uw smart-connected apparaat ook met internet verbinden.
i OPMERKING De robot-grasmaaier maakt uitsluitend verbinding met een 2,4 GHz wifi. 5GHz wifinetwerken worden niet ondersteund.
Om een verbinding van uw wifi-vaardige robot-grasmaaier met de AL-KO inTOUCH Smart Garden app te maken moeten de robot-grasmaaier en de smartphone zich binnen het bereik van een router met voldoende signaalsterkte (aanbeveling: min. 50%) bevinden.
- AL-KO in TOUCH Smart Garden app starten.
- Eén keer een gebruikersaccount aanmaken:
■ Op "Login / Registratie" > "Registreren" drukken.
■ E-mail adres en wachtwoord invoeren.
■ Het vakje "Gelezen en mee eens..." aanvinken.
■ Op de knop "Registreren" drukken.
- Aanmelden met het tevoren aangemaakte gebruikersaccount.
- Verbindingsassistent starten door op "Nieuw apparaat toevoegen" te drukken.
5. Volg de verdere instructies.
iOPMERKING Als de robot-grasmaaier zich in een gedeelte van de tuin met een slecht of zonder wifiontvangst bevindt, worden de instellingen van de AL-KO inTOUCH Smart Garden app pas uitgevoerd als de robot-grasmaaier binnen een gedeelte met een goed signaal terugkomt. Als het wifisignaal van de router in de hele tuin niet sterk genoeg is, kan het bereik met een gebruikelijke repeater worden uitgebreid.
Bij functiestoringen kan een dealer u met de ge-installeerde AL-KO inTOUCH Smart Garden app behulpzaam zijn. De robot-grasmaaier moet via de AL-KO inTOUCH Smart Garden app voor de dealer vrijgegeven worden.
Naast de toegang op afstand tot geïntegreerde robot-grasmaaiers biedt de AL-KO inTOUCH Smart Garden app nog andere functies zoals het koppelen met andere AL-KO-apparaten, pushberichten in geval van een storing.
3 VEILIGHEID
3.1 Beoogd gebruik
Dit apparaat is uitsluitend bedoeld voor particulier gebruik. Ieder ander gebruik alsmede niet-toege- stane verbouwingen of uitbreidingen worden voor misbruik aangezien en hebben de uitsluiting van de garantie en het verlies van de conformiteit en de weigering van iedere verantwoordelijkheid voor schade van de gebruiker of van derden van de fabrikant tot gevolg.
De toepassingsgrenzen van het apparaat zijn: zie technische gegevens.
3.2 Mogelijk foutief gebruik
Dit apparaat is niet geschikt voor gebruik in een openbare omgeving, parken, op sportterreinen of in de land- en bosbouw.
3.3 Veiligheids- en beveiligingsvoorzieningen
⚠ WAARSCHUWING! Gevaar voor letsel.
Defecte en buiten werking gestelde veiligheids- en beschermingsapparatuur kunnen ernstig letsel veroorzaken.
■ Laat defecte veiligheids- en beschermingsapparatuur repareren.
■ De veiligheids- en beschermingsuitrusting nooit buiten werking stellen.
3.3.1 PIN- en PUK-invoer
Het apparaat kan alleen door invoeren van een PIN (personal Identification Number) worden gestart. Daardoor wordt het inschakelen door onbevoegde personen voorkomen. De PIN-code is in de fabriek ingesteld op 0000. De PIN-code kan worden gewijzigd, zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 67.
Als de pincode 3 keer verkeerd wordt ingevoerd, is de invoer van de PUK (Personal Unlocking Key) noodzakelijk. Als die ook verkeerd wordt ingevoerd moet er 24 uur voor de volgende invoer worden gewacht.
■ Bewaar de PIN- en PUK-code ontoegankelijk voor onbevoegde personen.
3.3.2 Sensoren
Het apparaat heeft meerdere veiligheidssensoren. Hij schakelt na het uitschakelen door een veiligheidssensor niet automatisch weer in. De foutmelding wordt op het display weergegeven en moet bevestigd worden. De reden voor de activering van de sensor moet worden verholpen.
Hefsensor
Als het apparaat tijdens de werking aan het huis wordt opgetild, wordt de rijaandrijving uitgeschakeld en de snijmessen worden gestopt.
Stootsensoren voor obstakelherkenning
Het apparaat is uitgevoerd met sensoren die er bij contact met een obstakel voor zorgen dat de rijrichting wordt aangepast. Wanneer het apparaat tegen een obstakel aanstoot, verschuift het bovendeel van de behuizing iets en de stootsensor wordt geactiveerd.
Hellingsensor in rijrichting/zijkant
Als er in rijrichting een stijging of daling of een zijwaartse helling wordt bereikt die groter is dan ingesteld voor het model, keert het apparaat om of verandert van rijrichting.
Regensensor
Het apparaat is afhankelijk van het model uitgevoerd met een regensensor die in geactiveerde hoedanigheid bij regen de maaibeurt onderbreekt en ervoor zorgt dat het apparaat terugrijdt naar het basisstation (zie technische gegevens).
Vorstsensor
Het apparaat is met een vorstsensor uitgevoerd die bij lage temperaturen een melding naar het apparaat of een pushmelding naar de AL-KO in-TOUCH Smart Garden app stuurt (zie technische
gegevens). De temperatuur voor de melding kan ingesteld worden.
Elektromagnetische emissies

Het apparaat kan betrouwbaar in de buurt van andere robot-grasmaaiers gebruikt worden (afstandsmaat 0,5 m). Het in de begrenzingskabel gebruikte signaal voldoet aan de door EGMF (European Garden Machinery Federation) vastgelegde standaards wat betreft de elektromagnetische emissies.
3.4 Veiligheidsinstructies
3.4.1 Gebruiker
- Jongeren van jonger dan 16 jaar, personen met lichamelijke, sensorische of geestelijke beperkingen of met onvoldoende ervaring en kennis en personen die de gebruiksaanwijzing niet kennen, mogen het apparaat niet gebruiken. Neem eventueel van toepassing zijnde nationale veiligheidsvoorschriften omtrent de minimum leeftijd van de gebruiker in acht.
Bedien het apparaat niet als u onder invloed bent van alcohol, drugs of geneesmiddelen.
3.4.2 Persoonlijke beschermingsmiddelen
- Om letsel te voorkomen moet er doelmatige kleding en moeten er persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen.
■ De persoonlijke beschermingsmiddelen bestaan uit: - lange broek en stevige schoenen.
bij onderhoud en verzorging: Veiligheidshandschoenen.
3.4.3 Veiligheid van personen en dieren
Op openbaar toegankelijke terreinen moeten rondom het maalgebied waarschuwingsborden met het volgende opschrift aangebracht worden:

LET OP! Automatische grasmaaier in
werking! Kom niet in de buurt van het apparaat! Houd kinderen en dieren in de gaten!
Zorg er tijdens de werking voor dat er geen personen en vooral geen kinderen of dieren in de buurt van het apparaat komen of zijn en dat ze niet met het apparaat spelen.
■ Het is verboden om op het apparaat te gaan zitten of om in de snijmessen te grijpen!
Blijf met lichaam en kleding uit de buurt van het maaimechanisme.
- Gebruik ter bescherming van nachtactieve dieren als bijv. egels uw Robolinho niet als het donker is.
3.4.4 Veiligheid van het apparaat
Zorg er voor het begin van de werkzaamheden voor dat er geen voorwerpen (takken, glazen of metalen voorwerpen, kledingstukken, stenen, tuinmeubelen, tuingerei of speelgoed) in het werkgedeelte van het apparaat liggen. Die kunnen de snijmessen van het apparaat beschadigen of door het apparaat beschadigd worden.
- Gebruik het apparaat alleen onder de volgende voorwaarden:
■ Het apparaat is niet vervuild.
- Het apparaat vertoont geen beschadigingen of slijtage.
Alle bedieningselementen werken.
Basisstation en voeding en de elektrische voedingskabels zijn niet beschadigd en werken.
■ Vervang defecte onderdelen altijd door originele reserve-onderdelen van de fabrikant.
■ Laat het apparaat repareren wanneer het beschadigd raakte.
De gebruiker van het apparaat is verantwoordelijk voor letsel bij derden of voor materiële schade.
3.4.5 Elektrische veiligheid
- Gebruik het apparaat nooit als er tegelijkertijd een tuinsproeier in het maaigebied in bedrijf is.
■ Spuit het apparaat niet met water af.
■ Open het apparaat niet.
4 MONTAGE
4.1 Apparaat uitpakken
- Open de verpakking voorzichtig.
- Haal alle componenten voorzichtig uit de verpakking en controleer ze op transportschade. Opmerking: Neem bij transportschade direct contact op met uw dealer of servicepartner van AL-KO.
- Controleer de leveringsomvang, zie Hoofdstuk 2.1 "Leveringsomvang (01)", pagina 57. Indien het apparaat wordt doorverzonden moeten de originele verpakking en de meegeleverde documenten worden bewaard. Die zijn tevens bij retourzending vereist.
4.2 Maaigebieden plannen (05)
Locatie van het basisstation (05/1)
Kortste mogelijke afstand naar het grootste maagebied
■ Vlakke ondergrond
■ Tegen direct zonlicht en sterke weersinvloeden beschermd
■ Aansluitmogelijkheid voor voeding
Vrije toegankelijkheid voor de robot-grasmaaier
De begrenzingskabel moet in een doorlopende lus rechtsom worden gelegd.
Doorgangen tussen de maaigebieden (05/h)
Een doorgang is een nauwe strook op het gazon en kan ertoe dienen om twee maaigebieden te verbinden.
Hoofdoppervlak en nevenoppervlak(ken) (05)
Hoofd- en nevengebied zijn alleen door dezelfde, ononderbroken begrenzingskabel omheind.
■ Hoofdoppervlak (05/HF): Is het gazon waarop zich het basisstation bevindt en dat door het apparaat over het gehele oppervlak automatisch gemaaid kan worden.
■ Nevenoppervlak (05/NF): Is een gazon dat door het apparaat vanaf het hoofdoppervlak niet kan worden bereikt; apparaat indien nodig met de hand naar het nevenoppervlak dragen. Nevenoppervlakken kunnen met handmatige werking worden bewerkt.
Lengte van het randmaaien: Bij de werking op nevenoppervlakken kan de lengte van de begrenzingskabel worden ingevoerd. Met deze lengte wordt het randmaaien uitgevoerd. Verolgens wordt het oppervlak aan de hand van de aangegeven tijd uitgevoerd.
Positie van de startpunten (05/X0 - 05/X3)
Het apparaat beweegt op de vastgelegde maai- tijd langs de begrenzingskabel tot aan het vast- gelegde startpunt en begint daar met maaien.
Met de startpunten kan er vastgelegd worden welke gedeeltes van het maaioppervlak er meer worden gemaaid.
4.3 Maaigebieden voorbereiden
-
Controleer of het gazon groter is dan de oppervlaktecapaciteit van het apparaat. Bij een te groot gazon ontstaat er een onregelmatig gemaaaid gazon. Verklein het te maaien gebied indien nodig.
-
Voor de montage van basisstation en begrenzingskabel en voor de inbedrijfstelling van het apparaat: Het gazon met een grasmaaier op een kleine snijhoogte maaien.
-
Obstakels op het gazon verwijderen of met de begrenzingskabel afzetten (Obstakels afzetten):
Vlakke obstakels waar overheen kan worden bewogen en die de snijmessen kunnen beschadigen (bijv. vlakke stenen, overgangen van gazon naar terras of pa- den, tegels, stoepranden enz.)
■ Gaten in en verheffingen op het gazon (bijv. molshopen, woelgaten, dennenappels, gevallen fruit enz.)
■ Steile hellingen of dalingen van meer dan in de technische gegevens vermelde waarden
Water (bijv. vijvers, beken, zwembaden enz.) en de afzetting ervan t.o.v. het gazon
■ Struiken en heggen die breder kunnen worden
4.4 Basisstation opbouwen (07/a, 17)
- Basisstation (05/1) haaks t.o.v. de positie van de begrenzingskabel als volgt plaatsen.
■ Vlak op de grond (met een waterpas controleren)
■ Rechte en vlakke in- en uitrit
Niet overhellend (bij het aansluiten en indraaien van de aardschroeven mag de laadpaal niet gebogen raken of hellen)
- Basisstation (07/1) met de aardschroeven (07/2) op de grond vastzetten.
Het basisstation kan ook buiten het gazonoppervlak worden geplaatst (17). Hierbij moet de begrenzingskabel gelegt worden als op de afbeelding aangegeven.
i OPMERKING Als de afhankelijk van het model meegeleverde begrenzingskabel te kort is, kan bij de AL-KO dealer of de servicepartner een verlengkabel verkregen worden.
4.5.1 Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (07/b)
- Begrenzingskabel (07/4) uit de verpakking trekken.
-
Afdekking van de kalbelschacht (07/3) aan de aansluiting (07/A) verwijderen.
-
Isolatie van het uiteinde van de begrenzingskabel (07/6) een stuk verwijderen en in de klem (07/7) steken.
- Klem sluiten.
- Begrenzingskabel door de trekontlasting (07/5) met kabelreserve uit de kabelschacht leiden.
i OPMERKING Met de kabelreserve kunnen ook op een later tijdstip nog kleine correcties aan de kabelgeleiding uitgevoerd worden.
- Afdekking van de kabelschacht weer plaatsen.
De begrenzingskabel kan zowel op het gazon worden gelegd of kan 10 cm onder het gazonoppervlak worden ingewerkt. Het inwerken onder het gazonoppervlak kan door uw dealer uitgevoerd worden.
Beide varianten kunnen met elkaar gecombineerd worden.
LET OP! Gevaar voor beschadiging van de begrenzingskabel. Als de begrenzingskabel beschadigd of doorgesneden wordt is de overdracht van de besturingssignalen naar het apparaat niet meer mogelijk. In dat geval moet de begrenzingskabel gerepareerd of vervangen worden. Begrenzingskabels zijn verkrijgbaar bij AL-KO.
Leg de begrenzingskabel altijd direct op de grond. Bevestig hem indien nodig met een extra gazonpen.
- Bescherm de begrenzingskabel bij het leggen en tijdens de werking tegen beschadigingen.
■ Graaf en verticuteer niet in de buurt van de begrenzingskabel.
-
Bevestig de begrenzingskabel met regelmatige afstanden met gazonpennen of leg hem ondergronds (max. 10 cm diep).
-
Begrenzingskabel om obstakels heen leggen: zie Hoofdstuk 4.5.3 "Obstakels afzetten", pagina 65.
-
Doorgangen tussen de afzonderlijke maaigebieden aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.4 "Doorgangen afzetten (05/h)", pagina 66.
-
Te grote stijgingen of dalingen afzetten: zie Hoofdstuk 4.5.5 "Hellingen afzetten (15)", pagina 66.
-
Kabelreserves aanleggen: zie Hoofdstuk 4.5.6 "Kabelreserves aanleggen (11)", pagina 66.
-
Sluit de begrenzingskabel na het leggen aan op de aansluiting (07/B) van het basisstation: zie Hoofdstuk 4.5.1 "Begrenzingskabel op het basisstation aansluiten (07/b)", pagina 64.
4.5.3 Obstakels afzetten
Afhankelijk van de omgeving van het werkgedeelte moet de begrenzingskabel met verschillende afstanden t.o.v. de obstakels worden gelegd. Gebruik voor de bepaling van de juiste afstand de liniaal die van de verpakking afgehaald kan worden.
i OPMERKING Afzettingen zijn alleen noodzakelijk als ze door de stootsensoren van het apparaat niet kunnen worden herkend. Vermijd te veel of onnodige afzettingen. Niveauverschillen die kleiner zijn dan 6 cm, moeten worden uitgesloten, omdat het apparaat anders schade kan veroorzaken.
Afstand t.o.v. muren, hekken, bloembedden: min. 20 cm (05)
Het apparaat beweegt met een afstand naar buiten van 20 cm langs de begrenzingskabel. Leg daarom de begrenzingskabel met een afstand van ten minste 20 cm t.o.v. muren, hekken of bloembedden.
Afstand t.o.v. terrasranden en verharde paden (09)
Als de rand van het terras of het pad hoger is dan het gazon moet er een afstand van ten minste 20 cm aangehouden worden. Als de rand van het terras of het pad op gelijke hoogte van het gazon ligt kan de kabel precies op de rand worden gelegd.
Afstand van obstakels t.o.v. de begrenzingskabel (05)
Als de begrenzingskabels van het obstakel weg of naar het obstakel toe precies samenvallen, d.w.z. met een afstand van 0 cm, beweegt het apparaat over de begrenzingskabels heen. De begrenzingskabels hierbij niet over elkaar heen (06/c), maar evenwijdig leggen (05/e).
Leggen van de begrenzingskabel rond hoeken (05, 10)
Bij naar binnen verlopende hoeken (10/a): Begrenzingskabel diagonaal leggen om te voorkomen dat het apparaat in de hoek vast komt te zitten.
Bij buitenhoeken (05/j, 10/b): Begrenzingskabel in een punt leggen om te voorkomen dat het apparaat tegen de hoek aan botst.
4.5.4 Doorgangen afzetten (05/h)
De volgende afstanden moeten in de doorgang aangehouden worden:
■ Totale breedte: min. 60 cm
■ Afstand van de begrenzingskabel t.o.v. de rand: 20 cm
■ Afstand tussen de begrenzingskabels: min. 20 cm
4.5.5 Hellingen afzetten (15)
Dalingen die groter zijn dan vermeld in de technische gegevens moeten met de begrenzingskabel worden afgezet (45 % = 45 cm daling per 1 m horizontaal) (zie technische gegevens).
De begrenzingskabel mag niet over een helling van meer dan 20 % worden gelegd. Om problemen bij het keren te vermijden moet er een afstand van 50 cm tot 20 % helling worden nageleefd. Als de helling aan de buitenrand van het werkgedeelte op een punt meer dan 20 % is, moet de begrenzingskabel met een afstand van 20 cm op het vlakke terrein voor het begin van de helling worden gelegd.
4.5.6 Kabelreserves aanleggen (11)
Om na de inrichting van het maaibereik het basisstation nog te kunnen verplaatsen of het maaibereik te vergroten, moet er op regelmatige afstanden een reservelengte in de begrenzingskabel worden ingebouwd.
Kies het aantal kabelreservelengtes naar eigen goeddunken.
HOPMERKING Vorm bij reservelengtes geen open lussen.
- Leg de begrenzingskabel rond de actuele gazonpen (11/1) en weer terug naar de vorige gazonpen (11/3).
- Leid de begrenzingskabel dan weer terug naar de actuele gazonpen. Er ontstaat een lus. De kabels moeten bij elkaar liggen.
- Indien nodig de lus in het midden met een extra gazonpen (11/2) aan de grond bevestigen.
4.5.7 Typische fouten bij het leggen van de kabel (06)
De reserves van de begrenzingskabel worden niet in een gelijkmatige, langgerekte lus gelegd (06/a).
■ De begrenzingskabel wordt niet deskundig rond de hoeken gelegd (06/b).
De begrenzingskabel wordt gekruist of niet rechtsom gelegd (06/c).
De begrenzingskabel wordt te onnauwkeurig gelegd, zodat randgedeeltes van het gazon niet gemaaid kunnen worden (06/d).
De begrenzingskabel wordt bij het heen- en terugleiden van de rand naar een obstakel binnen het gazon niet direct naast elkaar liggend gelegd (06/e).
De startpunten worden te ver weg van het basisstation vastgelegd (06/f).
■ De begrenzingskabel wordt over de rand van het gazon heen gelegd (06/g).
Bij het leggen van de begrenzingskabel wordt de minimum afstand voor doorgangen van 20 cm onderschreden (06/h).
De begrenzingskabel wordt te dicht, d.w.z. met een afstand van minder dan 20 cm t.o.v. niet te passeren obstakels gelegd (06/i).
4.6 Basisstation op voeding aansluiten (08)
- Voeding (08/1) op een droge en tegen zon- licht beschermde plek voldoende in de buurt van het basisstation (08/2) plaatsen.
- Kabel (08/3) stevig aan de voeding vastdraaien.
- Stekker (08/4) van de voeding in een tegen regen beschermde contactdoos (08/5) steken.
i OPMERKING Wij adviseren om de voeding op het spanningsnet via een aardlekschakelaar met een nominale lektroom van < 30 mA aan te sluiten.
4.7 Verbindingen aan het basisstation controleren (08)
- Controleer of de led aan de voorkant van de laadzuil (13/1) brandt. Indien niet:
■ Trek de voedingskabel los.
■ Controleer alle stekkerverbindingen van de voeding en van de begrenzingskabel op juiste montage en beschadigingen.
Toestandsweergave van de led
Led Bedrijfstoestanden
geel
Brandt als de voeding in orde is.
4.8 Quick Homing Kit installeren
De Quick Homing Kit dient voor het snelle terugrijden van de Robolinhos naar het basisstation.

Scan deze QR-code om informatie te verkrijgen hoe de Quick Homing Kit wordt geïnstalleerd. Zie ook de montagehandleiding 443565 "Quick Homing Kit – Installatie".
5 INBEDRIJFSTELLING
Dit hoofdstuk beschrijft de handelingen en instellingen die nodig zijn om het apparaat voor de eerste keer in bedrijf te stellen. Voer beslist alle stappen voor de inbedrijfstelling na elkaar uit.
Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 69.
5.1 Accu opladen (12)
Bij normaal gebruik wordt de accu van het apparaat regelmatig opgeladen.
i OPMERKING De accu moet voor het eerste gebruik compleet worden opgeladen. De accu kan in elke willekeurige laadtoestand worden opgeladen. Het is niet slecht voor de accu als het opladen wordt onderbroken. De accu kan alleen worden opgeladen als het apparaat is ingeschakeld.
-
Apparaat (12/1) zodanig in het basisstation (12/3) plaatsen dat de contactoppervlakken van het apparaat de laadcontacten van het basisstation raken.
-
Met apparaat inschakelen.
-
Het display op het apparaat toont Accu wordt geladen. Indien niet: zie Hoofdstuk 10 "Hulp bij storingen", pagina 73.
5.2 Basisinstellingen uitvoeren
-
Afdekkap openen.
-
Met abaraat inschakelen. Firmware, code en type worden weergegeven.
-
In het menu taalkeuze met ▲ taal selecteren en met ▼ overnemen.
-
In het menu Aanmelding > PIN invoeren het vooraf ingestelde PIN 0000 invoeren. Hiervoor na elkaar met af het cijfer 0 selecteren en telkens met overne- men. Na de invoer van het PIN wordt de toegang vrijgeschakeld.
-
In het menu PIN wijzigen:
Bij Nieuwe PIN invoeren een zelf gekozen nieuw PIN van vier plaatsen invoeren. Hiervoor na elkaar met een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
Bij Nieuwe PIN herh. het nieuwe PIN opnieuw invoeren. Als beide invoeren
identiek zijn, wordt PIN met succes gewijzigd weergegeven.
- In het menu Datum invoeren de actuele datum instellen (formaat: DD-MM-20JJ).
Hiervoor na elkaar met ▲f een cijfer selecteren en telkens met ▼overnemen.
- In het menu Tijdstip invoeren > 24h-formaat de actuele tijd instellen (for-maat: HH:MM). Hiervoor na elkaar met ▲f een cijfer selecteren en telkens met - overnemen.
De basisinstellingen zijn voltooid. De status Ongekalibreerd starttoets indrukken wordt weergegeven.
5.3 Maaihoogte instellen (14)
De maaihoogte kan traploos tussen de 25 - 55 mm met de hand worden versteld.
i OPMERKING Voor de automatische kalibratierit en voor het instellen van de startpunten wordt een maaihoogte van 55 mm aanbevolen.
-
Afdekking (14/1) openen.
-
De maaihoogte instellen (de actuele maaihoogte wordt op het scherm (14/3) in millimeter aangegeven):
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verhogen: Draaiknop (14/2) rechtsom (14/+) draaien.
Maaihoogte (d.w.z. gazonhoogte) verlagen: Draaiknop (14/2) linksom (14/-) draaien.
- Afdekking sluiten.
5.4 Automatische kalibratierit uitvoeren
Zet het apparaat op de beginstand (13)
- Zet het apparaat binnen het maaigebied op de startpositie:
■ min. 1 m links en 1 m voor het basisstation
■ met de voorkant op de begrenzingskabel uitgelijnd
Kalibratierit starten
-
Controleer dat er binnen het te voorspellen bewegingsgedeelte van het apparaat geen obstakels aanwezig zijn. Het apparaat moet met beide voorwielen tegelijk over de begrenzingskabel heen kunnen rijden. Indien nodig obstakels verwijderen of kabel tijdelijk naar binnen leggen (min 35 cm noodzakelijk).
-
Met apparaat starten. Op het display wordt weergegeven:
! waarschuwing! Aandrijving start
Kalibreren, Fase [1]
Tijdens de kalibratierit
Het apparaat rijdt voor de bepaling van de signaalsterkte binnen de begrenzingskabel eerst twee keer over de begrenzingskabel heen en vervolgens naar het basisstation en blijft daar stilstaan.
■ Op het display wordt de melding Kalibra-tie voltooid gegeven.
■ De accu wordt opgeladen.
OPMERKING Het apparaat moet bij het binnenrijden in het basisstation blijven staan. Als het apparaat bij het binnenrijden in het basisstation de contacten niet raakt, rijdt het verder langs de begrenzingskabel. Als het apparaat niet door het basisstation rijdt is de kalibratieprocedure mislukt. In dat geval moet het basisstation beter uitgelijnd en de kalibatieprocedure herhaald worden.
Na de kalibratie
De vooraf ingestelde actuele maaitijd wordt aangegeven.
Voor alle andere instellingen zie Hoofdstuk 7 "Instellingen", pagina 69.
5.5 Startpunten instellen
Om voor een correcte werking te zorgen en foutmeldingen te reduceren moet de luslengte met de functie Startpunten teachen worden gemeten.
Startpunten teaches
-
Apparaat in het basisstation plaatsen.
-
Met apparaat inschakelen.
-
Met hofdmenu oproepen.
-
of* Programma
- of * \$artpunten
- of* Startpunten teachen
- of * Start teachrun voor startpunten
- of start . Het apparaat beweegt langs de begrenzingskabel.
of hier, als het apparaat het gewenste startpunt heeft bereikt. Het startpunt wordt opgeslagen.
- o▲Ste▼startpunt 1 in, als bij de teachrun geen startpunt is vastgelegd. Als er hier geen startpunt wordt vastgelegd, worden de startpunten automatisch vastgelegd.
- of Startpunt x: XXm, als het laatste startpunt is bereikt.
Startpunten met de hand vastleggen (05)
Het eerste startpunt (05/X0) is vooraf ingesteld en bevindt zich 1 m rechts naast het basisstation. Achter dit punt kunnen verdere startpunten worden gedefinieerd (zie technische gegevens).
Houd bij het vastleggen van de startpunten rekening met het volgende:
Stel de startpunten niet te ver verwijderd van het basisstation en niet te dicht bij elkaar in (06/f).
■ Gebruik slechts zoveel startpunten als nodig.
- of* Startpunten
-
of * Punt x1 bij [020m] Met af navelkaar een cijfer selecteren en telkens met overnemen.
-
of* Punt x2 bij [075m] Met af navelkaar een cijfer selecteren en telkens met -overnemen.
-
Verdere startpunten vastleggen indien nodig.
-
Met teuggaan naar het hoofdmenu.
6 BEDIENING
6.1 Apparaat met de hand starten
-
Met apparaat inschakelen. Voor randen maaien buiten de planning: zie Hoofdstuk 7.7 "Randen maaien bij handmatige start", pagina 71.
-
Met apparaat met de hand starten.
6.2 Maaiwerking staken
■ op het basisstation (12/4) of op het apparaat indrukken.
Het apparaat rijdt automatisch naar het basisstation. Het wist het maaischema van de actuele
dag en start de volgende dag weer op het ingestelde tijdstip.
■ op het apparaat indrukken.
De maaiwerking wordt gedurende een half uur onderbroken.
■ op het apparaat indrukken.
Het apparaat wordt uitgeschakeld.
i OPMERKING In gevaarlijke situaties kan het apparaat met de STOP-toets (12/2) worden gestopt.
-
Apparaat optillen en met de hand op het nevenoppervlak plaatsen.
-
Met apparaat inschakelen.
-
Met hofdmenu oproepen.
-
of* Instellingen
-
of* Nevenoppervlak maaien

-
Met of maaltijd selecteren.
-
Met apparaat met de hand starten.
Afhankelijk van de instelling: Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd en schakelt vervolgens uit of maait verder tot de accu leeg is.
Na het maaien van het nevenoppervlak het apparaat weer met de hand in het basisstation plaatsen.
7 INSTELLINGEN
7.1 Instelling oproepen - Algemeen
-
Met ofdmenu oproepen. Opmerking: Het sterretje * voor het menu- punt geeft aan dat het zojuist is geselecteerd.
-
of* Instellingen
-
Met o het gewenste menupunt selecteren en met overnemen.
-
Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
-
Met teruggaan naar het hoofdmenu.
OPMERKING Verdere menupunten: zie Hoofdstuk 5.2 "Basisinstellingen uitvoeren", pagina 67.
7.2 Geluidssignaal knopbediening activeren/deactiveren
-
of* Geluidssignaal knopbe-
diening -
Geluidssignaal knopbediening activeren/de-activeren:
of Activeren : —
toetstonen activeren.
of gedeact. : —
toetstonen deactiveren.
7.3 Eco-modus activeren/deactiveren
In de Eco-modus schakelt het apparaat om naar de energie besparende modus. Daardoor wordt het energieverbruik en de geluidsemissie gereduceerd.
OPMERKING In hoog en dicht gras evenals dichte grasmat niet aanbevolen of eventueel niet mogelijk.
-
of* EcoMode
-
Eco-Mode activeren/deactiveren:
■ Activeren —
Eco-Mode activeren.
gedeact.
Eco-Mode deactiveren.
7.4 Regensensor instellen
i OPMERKING Maaien van een droog gazon vermindert vervuiling. Door het activeren van de regensensor en het instellen van een vertragingstijd kan er worden voorkomen dat het apparaat bij een nat gazon maait.
Als de regensensor geactiveerd is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation als het begint te regenen. Daar blijft het tot de regensensor is gedroogd. Vervolgens wacht het nog de tijd af die als vertraging is ingesteld voordat het doorgaat met maaien. De gevoeligheid van de regensensor is instelbaar.
- Vertraging van de regensensor instellen:
- ▲ of ▼ Regensensor vertrag.
xx uur xx minuten Met ▲f de gewenste waarde voor de vertraging selecteren en met be- vestigen.
- Gevoeligheid van de regensensor instellen:
of Regengevoelig
■ Met ▲ of ▼ gewenste waarde voor de gevoeligheid instellen en met ▼ bevestigen.
7.5 Maaiprogramma instellen
7.5.1 Maaiprogramma instellen - Algemeen
- Met ofdmenu oproepen.
- of * Programma
-
Met o menupunt selecteren en met — overnemen.
-
Instellingen uitvoeren. Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
7.5.2 Maaitijden instellen
HOPMERKING Tussen de programmering van de maaitijden en het starten van het maaien moeten 30 minuten liggen. Indien niet start het apparaat op zijn vroegst 30 min na de laatste toetsbediening.
In het menupunt weekprogramma worden de dagen van de week en de tijdstippen ingesteld waarop het apparaat moet maaien. Pas deze instellingen indien nodig aan op de afmetingen van het gazon. Als er na ongeveer een week nog ongemaaide gebieden te zien zijn moeten de maai- tijden verlengd worden.
- of* Weekprogramma
of ▲ Elke dag [X]: Het apparaat maait iedere dag op de ingestelde tijdstippen. Als Elke dag [ ] wordt aangegeven, maait het apparaat alleen op de ingestelde weekdagen.
of Maandag [X]...* Zondag [X]: Het apparaat maait op de ingestelde weekdag op de ingestelde tijdstippen. Als bijv. Maandag [ ] wordt weerge-
geven, maait het apparaat op de betreffende dag niet.
- of Wijzigen : De betreffen-de dag activeren [X] of deactiveren [ ], tijden, manier van maaien en start-punten instellen.
- Instellingen voor alle dagen of de betreffende dag uitvoeren:
bijv. *[M] 07:00-10:00 [?]: Normaal maaien [M] van 07:00 - 10:00 uur met automatisch wisselend startpunt 0 - 9 [?].
bijv. *[R] 16:00-18:00 [1]: Het apparaat start om 16:00 uur met het maaien van randen [R] en beweegt langs de gehele begrenzingskabel. Daarna begint het maaien van het oppervlak op startpunt 1 [1]. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation.
bijv. *[P] 16:00-18:00 [3]: Het apparaat start om 16:00 uur op startpunt 3 [3] met het maaien in de passagemodus [P]. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation.
■ of wijzigen : Geselecteer-de instelling wijzigen.
- of Verder : Gewijzigde instelling bevestigen en verder naar de volgende instelling.
- ofOps van : Alle gewijzigde in-stellingen van het menupunt opslaan.
7.5.3 Passagemodus
De passagemodus zorgt bij nauwe passages voor een beter maairesultaat.
-
Startpunt in de nauwe passage instellen (zie Hoofdstuk 5.5 "Startpunten instellen", pagina 68).
-
De passagenmodus vanaf het ingestelde startpunt starten (zie Hoofdstuk 7.5 "Maaiprogramma instellen", pagina 70).
bijv. *[P] 16:00-18:00 [3]: Het apparaat start om 16:00 uur op startpunt 3 [3] met het maaien in de passagemodus [P]. Om 18:00 uur of zodra de accu leeg is, rijdt het apparaat terug naar het basisstation.
7.6 inTOUCH
Een aanwezige verbinding met een router kan verbroken worden. Daardoor staat het apparaat gedurende 30 minuten open voor een nieuwe verbindingsopbouw.
i OPMERKING Om later een verbinding op te bouwen moet de verbinding eerst opnieuw worden verbroken, ook als het apparaat vooraf niet met een router was verbonden.
- of*inOUCH
- Verbinding verbreken apparaat meldt: voltooid.
- Met bevestigen en teruggaan naar het menu.
7.7 Randen maaien bij handmatige start
Voor de handmatige start kan hier ingesteld worden dat het apparaat met het maaien van de randen begint.
Randen op de geprogrammeerde maaitijden maaien: Maaitijden instellen.
- of * Randen maaien
- of ▲* b▼j handmatige start
7.8 Maaien van nevenoppervlakken instellen
-
of* Nevenoppervlak maaien
-
Maaien van nevenoppervlakken inschakelen:
▲ of ▼nactief : — Maaien van nevenoppervlakken is uitgeschakeld.
■ of actief : — Maaien van nevenoppervlakken is ingeschakeld. Het apparaat maait tot de accu leeg is.
- Maaitijd instellen:
of Mähzeit in min : — Het apparaat maait gedurende de ingestelde tijd het nevenoppervlak. Ingesteld kan worden: 30/60/90/120 min / tot accu leeg.
-
Randmaaien van het nevenoppervlak instellen: Randen maaien
-
Luslengte van het nevenoppervlak instellen: ▲ of ▼Lus . Er kunnen luslengtes
van 10 m tot 100 m in stappen van 10 m ingesteld worden.
Het apparaat maait eerst de rand en dan het nevenoppervlak.
7.9 Displaycontrast instellen
Als het display bijv. in zonlicht slecht af te lezen valt, kan de weergave door wijziging van het displaycontrast verbeterd worden.
- of ▲* Displaycontrast
- Met ▲ het displaycontrast verhogen/verlagen en met ▼ overnemen.
7.10 Instellingsbescherming
Als de instellingsbescherming gedeactiveerd is hoeft alleen bij het bevestigen van voor de veiligheid belangrijke fouten de PIN-code ingevoerd te worden.
1. of* instellingsbescherming
- Instellingsbescherming activeren/deactive-ren:
- ▲ of ▼ Activeren : — Instellingsbescherming activeren. - ▲ of ▼ gedeact. : — Instellingsbescherming deactiveren.
7.11 Opnieuw kalibreren
Als de positie of de lengte van de begrenzingskabel werd gewijzigd of het apparaat de begrenzingskabel niet meer kan vinden, moet er opnieuw gekalibreerd worden.
-
of ▲Opn▼euw kalibreren
-
kalibratie terugzetten?
-
Kalibratierum uitvoeren: Automatische kalibratierit uitvoeren.
7.12 Terugzetten op fabrieksinstellingen
De fabrieksinstelling van het apparaat kunnen bijv. voor een doorverkoop teruggezet worden.
- of* Fabrieksinstellingen apparaat meldt: Instellingen met succes hersteld
Het menu Informatie dient voor de weergave van de apparaatgegevens. In dit menu kunnen verder geen instellingen worden gedaan.
- Met roofdmenu oproepen.
- of* Informatie
- Met ▲ menupunt selecteren en met
- overnemen.
Opmerking: De menupunten worden in de paragrafen hierna beschreven.
- Met teruggaan naar het hoofdmenu.
Messenservice
Deze serviceweergave geeft aan over hoeveel bedrijfsuren er een messenservice noodzakelijk is. De teller kan met de hand teruggezet worden. De messenservice van een AL-KO dealer, technicus of een servicepartner uit laten voeren.
Teller voor de messenservice terugzetten:
- of Bevestigen

Hardware
Geeft informatie weer over het apparaat, als bijv. type, fabricagejaar, bedrijfsuren, serienummer, aantal maaibeurten, totale maaitijd, aantal laad-cycli, totale oplaadtijd, lengte van de lus van de begrenzingskabel.
Software
Geeft de software-versie aan.
i OPMERKING Houd de software van de Robolinho maairobot altijd actueel. Controleer regelmatig de firmwareversie en actualiseer die indien nodig. De Robolinho Updater Software vindt u op internet op:
www.al-ko.com/shop/de/robolinho-autoupdater
Programma-info
Toont actuele instellingen als bijv. de totale wekelijkse maaitijd.
Storingen
Geeft de als laatste opgetreden storingsmeldingen met datum, tijd en foutcode weer.
9 ONDERHOUD EN VERZORGING
⚠️ VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
9.1 Reiniging
LET OP! Gevaar door water. Water in de robot-grasmaaier en in het basisstation leidt tot schade aan elektrische componenten.
■ Spuit de robot-grasmaaier en het basisstation niet met water af.
Robot-grasmaaier reinigen
⚠️ VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen. De snijmessen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
■ Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmessen terechtkomen.
Een keer per week uitvoeren:
- Met apparaat uitschakelen.
- Oppervlak van het huis met een stoffer, een borstel, een vochtige doek of een fijne spons afvegen.
- Onderkant, maaidek en snijmessen met een borstel afborstelen.
- Snijmessen op beschadigingen controleren. Indien nodig vervangen: zie Hoofdstuk 9.3 "Messen vervangen", pagina 73.
Basisstation reinigen
- Grasrestanten en loof of andere voorwerpen regelmatig uit het basisstation verwijderen.
- Oppervlak van het basisstation met een vochtige doek of een fijne spons afvegen.
9.2 Regelmatige controle
Algemene controle
- Controleer één keer per week de gehele installatie op beschadigingen:
Apparaat
Basisstation
Begrenzingskabel
Voeding
- Laat defecte onderdelen door originele onderdelen van de fabrikant of door een servicepunt van de fabrikant vervangen.
Wielen controleren op vrije beweging
Een keer per week uitvoeren:
- De omgeving van de rollen grondig van gras- restanten en vervuiling ontdoen. Gebruik hiervoor een stoffer en een doek.
- Controleer of de rollen soepel draaien en of ze gestuurd kunnen worden.
Opmerking: Als de rollen stroef draaien of niet gestuurd kunnen worden moeten ze door een servicepunt van de fabrikant worden vervangen.
Contactoppervlakken aan de robot-grasmaaier controleren
- Vervuiling met een doek verwijderen en dan iets met contactvet insmeren.
Laadcontacten van het basisstation controleren
- De netstekker van het apparaat uit het stopcontact halen.
- De laadcontacten richting basisstation drukken en loslaten. De laadcontacten moeten weer terugveren in de uitgangspositie.
Opmerking: Als de laadcontacten niet terugveren moeten ze door een servicepunt van de fabrikant worden vervangen.
9.3 Messen vervangen
⚠️ VOORZICHTIG! Kans op letsel door snijmessen. De snijmessen zijn erg scherp en kunnen snijwonden veroorzaken.
Draag veiligheidshandschoenen!
■ Let erop dat lichaamsdelen niet in de snijmessen terechtkomen.
LET OP! Beschadiging van het apparaat door ondeskundige reparatie. Door het rechtbuigen van verbogen gemonteerde snijmessen kan de messenschijf beschadigd raken.
■ Buig verbogen snijmessen niet recht.
■ Vervang verbogen snijmessen door originele reserveonderdelen van de fabrikant.
Versleten snijmessen of verbogen snijmessen moeten worden vervangen.
- Met apparaat uitschakelen.
- Apparaat omkeren met de messen naar boven toe.
- Bevestigingsbouten losdraaien.
-
De snijmessen uit de meszitting halen.
-
De meszitting reinigen met een zacht borsteltje. Opmerking: De snijmessen zijn over de gehele lengte geslepen en kunnen daarom 180° gedraaid gemonteerd worden, waardoor de draai- tijd verdubbeld wordt.
- Messen vervangen:
Als de snijmessen sinds de eerste montage nog niet zijn gedraaid: Snijmessen 180° draaien en met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend weer in de meszitting plaatsen en de bevestigingsbouten weer handvast aandraaien.
Als de snijmessen sinds de eerste montage al eens zijn gedraaid: Nieuwe snijmessen met de geslepen kant naar het apparaat toe wijzend in de meszitting plaatsen en nieuwe bevestigingsbouten handvast aandraaien.
Opmerking: Er mogen uitsluitend originele reserveonderdelen van de fabrikant worden gebruikt.
Als ernstige vervuiling niet met een borstel kan worden verwijderd, moet de messenschijf worden vervangen, omdat er anders onbalans kan zorgen voor meer geluid, meer slijtage en functiestoringen.
De wegruimmessen hoeven normaal gesproken niet te worden vervangen.
10 HULP BIJ STORINGEN
10.1 Apparaat- en bedieningsfouten verhelpen
⚠️ VOORZICHTIG! Gevaar voor letsel. Onderdelen met scherpe randen en draaiende onderdelen kunnen letsel veroorzaken.
Draag bij onderhouds- en reinigingswerkzaamheden altijd beschermende handschoenen!
i OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
| Storing Oorzaak Maatregel | ||
| Apparaat start niet. | ||
| Accu is leeg. Apparaat in het basisstation opladen. | ||
| Apparaat komt klem te zitten en graaft zich vast. De wielen draaien verder. | ||
| ■ Stootsensoren worden niet geactiveerd. | Ga naar een servicepunt van de fabrikant. | |
| ■ Gras is te hoog. | ■ De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte.■ Gras met een grasmaaier maaien. | |
| ■ Apparaat blijft op een oneffenheid van het gazon hangen. | Oneffenheid verwijderen. | |
| Apparaat maait op verkeerde tijdstippen. | ||
| ■ Apparaat heeft de verkeerde tijd. Tijd instellen. | ||
| ■ Maaiduur is verkeerd ingesteld. Maaitijden instellen. | ||
| ■ Apparaat verliest de tijdinstellingen. | Accu is defect. Ga naar een servicepunt van de fabrikant. | |
| Maairesultaat is ongelijkmatig. | ||
| ■ Maaitijd is te kort. Langere maaitijden programmeren. | ||
| ■ Maagebied is te groot. Maagebied verkleinen. | ||
| ■ De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. | |
| ■ Snijmessen zijn stomp. Snijmessen omkeren of indien nodig vervangen. | ||
| Het vermogen van de accu neemt duidelijk af. | ||
| ■ De maaihoogte is te laag ingesteld. | De maaihoogte hoger instellen, daarna lager instellen tot de gewenste hoogte. | |
| ■ Gras te hoog of te nat. | ■ Gras laten drogen.■ Maaihoogte hoger instellen. | |
| Apparaat trilt of het geluidsvolume is te hoog. | ||
| Onbalans in het snijmes of in de aan-drijving van het snijmes | ■ Maaidek reinigen.■ Ga naar een servicepunt van de fabrikant. | |
| Accu kan niet opgeladen worden resp. te lage accuspanning | ||
| ■ Laadcontacten van het basisstation zijn vervuild.■ Contactoppervlakken aan het apparaat zijn vervuild. | Laadcontacten en contactoppervlakken reinigen. | |
| ■ Basisstation heeft geen stroom. Basisstation op voeding aansluiten. | ||
| ■ Apparaat raakt de laadcontacten niet. | ■ Apparaat in het basisstation plaatsen en controleren of de laadcontacten contact maken.■ Ga naar een servicepunt van de fabrikant. | |
| ■ Levensduur van de accu is afgelopen. | Ga naar een servicepunt van de fabrikant. | |
| ■ Oplaadelektronica is defect. Ga naar een servicepunt van de fabrikant. | ||
Storing Oorzaak Maatregel
Weergave mislukt.
Geen goede weergave op het display 1. Stop het apparaat met de STOP-knop.
- Gebruik de aan/uit-knop het apparaat uit en weer in te schakelen.
- Erken de fout.
10.2 Foutcodes en -oplossing
i OPMERKING Neem contact op met onze klantenservice bij storingen die niet in deze tabel staan vermeld of die u niet zelf kunt oplossen.
De complete lijst foutcodes vindt u op het volgende adres: https://alko-garden.com/robolinho-error-codes/

| Foutcode Oorzaak Maatregel | ||
| CN001: Tilt sensor | Kantelsensor is geactiveerd:Max. hellingshoek over-schredenApparaat werd gedragenHelling te steil | Apparaat op een horizontale onder-grond plaatsen en de fout bevestigen. |
| CN002: Lift sensor | De hefsensor is geactiveerd:De afdekking van het ap-paraat werd door optillen of door een obstakel naar boven toe wegge-drukt. | Obstakel verwijderen. |
| CN005: Bumper de-flected | Apparaat is tegen een obsta-kel gereden en kan zich niet losmaken (bijv. botsing in de buurt van het basisstation). | Apparaat op een vrij, omheind ga-zon plaatsen.Positie van de begrenzingskabel corrigeren. |
| CN007: No loop sig-nal | Geen circuitsignaalBegrenzingskabel is de-fect.Circuitsignaal is te zwak. | Led aan het basisstation controle-ren.Voeding van het basisstation con-troleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.Begrenzingskabel op beschadigin-gen controlleren. Defecte kabel re-pareren. |
| CN008: Loop signal weak | Circuitsignaal te zwakBegrenzingskabel te diep ingegraven | Led aan het basisstation controle-ren.Voeding van het basisstation con-troleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.Begrenzingskabel tot de voorge-schreven hoogte verhogen, evt. di-rect op het gazon bevestigen. |
| Foutcode Oorzaak Maatregel | ||
| CN010: Bad position | ■ Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonoppervlak.■ Begrenzingskabel werd gekruist. | ■ Apparaat op een vrij, omheind gazon plaatsen.■ Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren.Kruising van de kabel opheffen. |
| CN011: Escaped robot | Apparaat bevindt zich buiten het omheinde gazonoppervlak. | Positie van de begrenzingskabel om bochten en obstakels corrigeren. |
| CN012: Cal: no loopCN015: Cal: outside | Storing tijdens de kalibratie:■ Apparaat kan de begrenzingskabel niet vinden. | ■ Voeding van het basisstation controleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.■ Apparaat op de voorgeschreven kalibratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen. Apparaat moet over de begrenzingskabel heen kunnen rijden. |
| CN017: Cal: signal weak | Storing tijdens de kalibratie:■ Circuitsignaal te zwak■ Geen circuitsignaal■ Begrenzingskabel is defect. | ■ Apparaat op de voorgeschreven kalibratiepositie zetten, precies haaks uitlijnen.■ Voeding van het basisstation controleren. Voeding losnemen en weer aansluiten.■ Begrenzingskabel op beschadigingen controleren. |
| CN018: Cal: Collison | Storing tijdens de kalibratie:■ Apparaat is tegen een obstakel aan gereden. | Obstakel verwijderen. |
| CN038: Battery Accu is leeg: | ||
| ■ Circuit van de begrenzingskabel is te lang, te veel eilanden. | Positie van de begrenzingskabel corrigeren. | |
| ■ Bij het opladen geen contact met de laadcontacten | ■ Laadcontacten reinigen.■ Apparaat in het basisstation plaatsen en controleren of de laadcontacten contact maken.■ Laadcontacten laten controleren door een servicepunt van de fabrikant en laten vernieuwen. | |
| ■ Obstakels in de buurt van het laadstation | Obstakels verwijderen. | |
| ■ Apparaat heeft zich vast-gereden.■ Apparaat vindt het basis-station niet. | Apparaat op een vrij, omheind gazon plaatsen.■ Begrenzingskabel op beschadigin-gen controleren.■ Begrenzingskabel door een service-punt van de fabrikant laten doorme-ten. | |
| ■ Accu is opgebruikt. Accu door een servicepunt van de fabri-kant laten vervangen. | ||
| ■ Oplaadelektronica is de-fect. | Laadelektronica door een servicepunt van de fabrikant laten vervangen. | |
| CN099: Recov escape | Automatisch verhelpen van storing niet mogelijk | ■ Storingsmelding met de hand be-vestigen.■ Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la-ten controleren. |
| CN104: Battery over heating | ■ Accu is oververhit (meer dan 60 °C). Er is geen ontlading mogelijk.■ Noodstop door controle-elektronica | ■ Apparaat uitschakelen en accu laten afkoelen.■ Apparaat niet in het basisstation plaatsen. |
| CN110: Blade motor over heating | Maaimotor is oververhit (meer dan 80 °C). | ■ Apparaat uitschakelen en laten af-koelen.■ Als dit weer optreedt: Apparaat door een servicepunt van de fabrikant la-ten controleren. |
| CN119: R-Bumper deflectedCN120: L-Bumper deflected | Apparaat is tegen een obsta-kel gereden en kan zich niet losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| CN128: Recov Impos-sible | ■ Apparaat is tegen een obstakel gereden en kan zich niet losmaken. | Obstakel verwijderen. |
| ■ Apparaat bevindt zich buiten het omheinde ga-zonoppervlak. | ■ Apparaat op een vrij, omheind ga-zon plaatsen.■ Positie van de begrenzingskabel corrigeren. | |
| CN129: Blocked WL Motor van linkerwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. | |
| CN130: Blocked WR Motor van rechterwiel is ge-blokkeerd. | Blokkering verwijderen. | |
| CN135: Battery dis-connect | Apparaat in bedrijf door accu uitgeschakeld. | Accu controleren of vervangen. |
11 TRANSPORT
Ga voor het transport van het apparaat als volgt te werk:
- Met dmet de stoptoets het apparaat stoppen.
- Met apparaat uitschakelen.
- Til het apparaat met beide handen aan het huis op:
■ De snijmessen mogen niet aangeraakt worden.
■ De snijmessen moeten altijd van het li-chaam weg wijzen.
12 OPSLAG
12.1 Robot-grasmaaier opbergen
Berg het apparaat op als het gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt.
- Accu geheel opladen.
- Apparaat grondig reinigen (zie Hoofdstuk 9.1 "Reiniging", pagina 72).
- Apparaat bewaren:
■ staand op alle wielen
■ op een droge, tegen vorst beveiligde plek
■ buiten het bereik van kinderen
- De accustatus na ca. 3 maanden opslag controleren (zie Hoofdstuk 2.8 "Accu", pagina 60).
12.2 Laadpaal demonteren en opbergen (18, 19)
Demonteer de laadpaal op als hij gedurende de winter of waarschijnlijk voor langer dan 30 dagen niet wordt gebruikt en berg hem op.
- Voeding van het net scheiden en van het basisstation losnemen.
- Laadpaal verwijderen:
■ Beide bouten (18/1) en (18/2) van de laadpaal (18/3) losdraaien.
■ Beide toetsen (18/4, 19/1) tegelijk indrukken om de laadpaal te ontgrendelen.
■ Laadpaal kantelen (19/a).
■ Stekkerverbindingen (19/2) en (19/3) losmaken.
■ Opening van de basis (19/4) afsluiten met de bijgevoegde winterafdekking (19/5), (19/b) zie technische gegevens.
- Laadpaal opbergen (zie Hoofdstuk 12.1 "Robot-grasmaaier opbergen", pagina 78).
De begrenzingskabel kan in de grond blijven zitten en hoeft niet verwijderd te worden.
13 VERWIJDEREN
Advies over de wetgeving inzake elektrische en elektronische apparaten

Oude elektrische en elektronische apparaten horen niet thuis bij het huis-houdelijke afval, maar moeten gescheiden worden aangeboden of verwijderd!
- Gebruikte batterijen of accu's, die niet vast in het apparaat ingebouwd zijn, moeten voor de verwijdering worden gedemonteerd! De recycling ervan wordt door de batterijwetgeving beheerst.
- Bezitters of gebruikers van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht.
De eindgebruiker is verantwoordelijk voor het wissen van zijn persoonlijke gegevens op het te verwijderen gebruikte apparaat!
Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat elektrische en elektronische gebruikte apparaten niet via het huisvuil mogen worden verwijderd.
Elektrische en elektronische apparaten kunnen op de volgende verzamelpunten gratis worden afgegeven:
■ Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
■ Verkooppunten van elektrische apparatuur (vast en online), voor zover handelaren tot terugname verplicht zijn of deze vrijwillig aanbieden.
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op apparaten die in landen van de Europese Unie geïnstalleerd en verkocht werden en die beantwoorden aan de Europese richtlijn 2012/19/EU. In landen buiten de Europese Unie kunnen afwijkende voorschriften gelden voor het verwijderen van afgedankte elektrische en elektronische apparaten.
Over de batterijwetgeving (in Duitsland: BattG)

- Gebruikte batterijen en accu's horen niet bij het gewone afval, maar moeten afzonderlijk worden weggedaan!
Zie de gebruiksaanwijzing om tot een veilige verwijdering van batterijen of accu's uit het elektrische apparaat over te kunnen gaan en
voor informatie over het type of het chemisch systeem.
- Eigenaars of gebruikers van batterijen en accu's zijn wettelijk tot teruggave na gebruik verplicht. De teruggave is beperkt tot de normale huishoudelijke hoeveelheden.
Gebruikte batterijen kunnen schadelijke stoffen of zware metalen bevatten, die het milieu en de gezondheid schade kunnen toebrengen. Het hergebruiken van gebruikte batterijen en het opnieuw gebruiken van de grondstoffen draagt bij tot het behoud van deze belangrijke goederen.
Het symbool van de afvalemmer met de schuine streep erdoor betekent, dat gebruikte batterijen en accu's niet via het huisvuil mogen worden verwijderd.
Wanneer ook de vermelding Hg, Cd of Pb onder de afvalemmer is aangebracht, betekent dit het volgende:
■ Hg: de batterij bevat meer dan 0,0005 % kwik
Cd: Batterij bevat meer dan 0,002 % cadmium
■ Pb: Batterij bevat meer dan 0,004 % lood
Accu's en batterijen kunnen op de volgende inza- melpunten gratis worden afgegeven:
■ Openbare recycling- en verzamelpunten (bijv. milieuparken)
■ Verkooppunten van batterijen en accu's
■ Een inzamelpunt van het gemeenschappelijke recycling systeem voor gebruikte apparaten en batterijen
■ Een inzamelpunt van de fabrikant (indien hij geen lid is van het gemeenschappelijke recycling systeem)
Deze voorschriften zijn alleen voor toepassing op accu's en batterijen die in landen van de Europese Unie verkocht werden en die voldoen aan de Europese richtlijn 2006/66/EU. In landen buiten
de Europese Unie kunnen andere bepalingen voor de recycling van accu's en batterijen gelden.
Aanwijzingen voor de verpakking
Het verpakkingsmateriaal is herbruikbaar. Doe de verpakking milieubewust weg.
Accu demonteren voordat het apparaat wordt afgedankt (16)
De geïntegreerde accu moet gedemonteerd en apart weggedaan worden voordat het apparaat wordt afgedankt.
- Bouten (16/1) losdraaien.
- Deksel van het accuvak (16/2) afnemen.
- Accu (16/3) loskoppelen en uitnemen.
- Deksel weer plaatsen en bouten weer aan-draaien.
14 KLANTENSERVICE/SERVICE CENTRE
Voor vragen over garantie, reparatie of reserve-onderdelen kunt u contact opnemen met het dichtstbijzijnde AL-KO service centre. Deze vindt u op internet op het volgende adres: www.alko-garden.com/service-contacts
Verdere informatie over reserveonderdelen vindt u op: www.alko-garden.com/spareparts
15 INFORMATIE BIJ DE CONFORMITEITSVERKLARING
We verklaren hierbij onder onze eigen verant- woordelijkheid dat dit product, zoals het op de markt wordt gebracht, voldoet aan de eisen van de geharmoniseerde EU-richtlijnen, de EU-veiligheidsnormen en de productspecifieke normen. De conformiteitsverklaring is deel van de gebruikshandleiding en wordt met de machine mee- geleverd.
16 GARANTIE
Eventueel binnen de wettelijke termijn voor aansprakelijkheid optredende materiaal- of fabricagefouten van het apparaat worden naar eigen oordeel door ons verholpen, hetzij door reparatie of door levering van een vervangend apparaat. De geldende termijn voor aansprakelijkheid hangt in elk geval af van de wetgeving in het land waarin het apparaat werd aangeschaft.
Onze garantie geldt alleen bij:
■ naleving van deze gebruikershandleiding
■ Deskundig gebruik
■ Gebruik van originele reserveonderdelen
De garantie vervalt bij:
■ Eigenhandig uitgevoerde reparatiepogingen
■ Eigenhandig aangebrachte technische wijzigingen
- Gebruik voor andere doeleinden dan het gebruiksdoel
Van de garantie zijn uitgesloten:
■ lakschade opgetreden als gevolg van normaal gebruik
■ Slijtageonderdelen die op de reserveonderdelenkaart met een kader xxxxxx (x) zijn aangeduid
De garantietermijn begint bij de aanschaf door de eerste eindgebruiker. Maatgevend is daarbij de datum op de kassabon. Ga met deze garantieverklaring en de originele kassabon naar uw dealer of naar de dichtstbijzijnde klantenservice. Deze verklaring laat het vorderingsrecht van de koper jegens de verkoper wegens defecten aan het apparaat onverlet.
TRADUCTION DE LA NOTICE D'UTILISATION ORIGINALE
Table des matières
4.5.6 Legge opp kabelreserver (11)
Merknader om emballasje
Pakningsmaterialene kan resirkuleres. Sørg for miljøvennlig avfallshåndtering av emballasjen.



