VC272 - Multimeter VOLTCRAFT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis VC272 VOLTCRAFT in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Multimeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding VC272 - VOLTCRAFT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. VC272 van het merk VOLTCRAFT.
GEBRUIKSAANWIJZING VC272 VOLTCRAFT
16 Probleemoplossing ....................................................................................187 17 Technische gegevens ................................................................................188150 2 Inleiding Beste klant, Hartelijk dank voor de aankoop van dit product. Deze gebruiksaanwijzing is een onderdeel van dit product. Deze bevat belangrijke informatie over de werking en hantering van het product. Als u dit product aan derden overhandigt, doe dan tevens deze gebruiksaan- wijzing erbij. Bewaar deze gebruiksaanwijzing voor toekomstige raadple- ging! Bij technische vragen kunt u zich wenden tot onze helpdesk. Voor meer informative kunt u kijken op www.conrad.nl of www.conrad.be 3 Leveringsomvang
2x veiligheidstestkabels met CAT III beschermdoppen
Gebruiksaanwijzing 4 Meest recente gebruiksaanwijzing Download de meest recente gebruiksaanwijzing via www.conrad.com/downloads of scan de afgebeelde QR-code. Volg de aanwijzingen op de website.151 5 Beschrijving van de symbolen Dit symbool waarschuwt voor gevaren die tot persoonlijk letsel kunnen leiden. Dit symbool waarschuwt voor gevaarlijke spanning die kan leiden tot per- soonlijk letsel door elektrische schokken. Dit symbool geeft speciale informatie en advies over het gebruik van het product aan. Dit product is getest volgens de CE-standaarden en voldoet aan de noodzakelijke Europese richtlijnen. Dit apparaat is geëvalueerd op conformiteit in het Verenigd Koninkrijk en voldoet aan de toepasselijke richtlijnen van Groot-Brittannië. Beschermingsklasse 2 (dubbele of versterkte isolatie, beschermende isolatie) CAT II Het apparaat wordt gebruikt op test- en meetcircuits die rechtstreeks zijn aangesloten op elektrische verbruikspunten (stopcontacten en soortgelij- ke punten) van de laagspanning-netinstallatie. CAT III Het is van toepassing op test- en meetcircuits die zijn aangesloten op het distributiegedeelte van de laagspanning-netinstallatie van het gebouw. CAT IV Meetcategorie IV: Voor het meten aan de basis van een laagspannings- installatie (bijv. tafelcontactdoos, ingangspunten van de stroom in het huis door het energiebedrijf) en buitenshuis (bijv. als u werkzaamheden uitvoert aan kabels onder de grond of boven het hoofd). Deze categorie bevat eveneens alle lagere categorieën. Meetactiviteiten in CAT III zijn alleen toegestaan met testsondes met een maximale vrije contactlengte van 4 mm of met afdekdoppen boven de testsondes. Aardpotentiaal Gelijkstroom Wisselstroom152 6 Beoogd gebruik
Meet gelijk- en wisselspanningen tot 600 V
Meet gelijk- en wisselstromen tot 10 A
Frequentiemeting tot 10 MHz
Meet capaciteit tot 60 mF
Meet weerstand tot 60 MΩ
Meet temperaturen van -40 tot +1000 °C.
Contactloze V/AC-spanningsdetectie (NCV) De meetmodi worden geselecteerd met de draaiknop. In veel meetbereiken wordt de selectie van het meetbereik automatisch uitgevoerd (behalve voor continuïteits- tests, diodetests en stroommeetbereiken). Effectieve (true RMS) metingen worden weergegeven als AC spanningen/stroom- sterkte met een frequentie van tot wel 400 Hz worden gemeten. Dit zorgt ervoor dat sinusvormige en niet-sinusvormige spanning/stromen nauwkeurig worden gemeten. Negatieve polariteitsmetingen worden aangegeven met het teken (-). De 10 A stroommetingsingang is voorzien van een keramische, krachtige zekering ter bescherming tegen overbelasting. De spanning in het meetcircuit mag niet hoger zijn dan 600 V. De mA/µA-meetingang is voorzien van 2x onderhoudsvrije zelfherstellende PTC-zekering en één keramische buiszekering, die kunnen worden gebruikt bij conventionele overbelastingsfouten van minder dan ongeveer 5A, de stroom wordt beperkt en de meter wordt goed beschermd. Wanneer de meter wordt gebruikt voor mA/µA-metingen, maar de meter wordt per ongeluk aangesloten op een hoog-ener- getische hoogspanningsvoeding, dan zal de keramische buiszekering in werking treden en waarschijnlijk doorbranden om de meter te beschermen. In een dergelijk153 geval moet de doorgebrande keramische buiszekering worden vervangen door een nieuwe. U kunt de lage-impedantiemodus (LoZ) gebruiken voor spanningsmetingen met verlaagde interne weerstand. Op deze manier worden fantoomspanningen onder- drukt die zouden kunnen optreden bij metingen met hoge impedantie. Metingen met verlaagde impedantie zijn alleen toegestaan in meetcircuits tot 250 V en gedurende maximaal 3 s. Gebruik alleen batterijen van het gespeciceerde type. Oplaadbare batterijen heb- ben een lagere capaciteit en dienen niet te worden gebruikt. Het apparaat gaat automatisch na 15 minuten uit als er geen knop wordt gedrukt. Dit voorkomt dat de batterij leeg raakt. Deze automatische uitschakelingsfunctie kan worden gedeactiveerd. Gebruik de multimeter niet wanneer het batterijvak open is of wanneer de klep van het batterijvak ontbreekt. Meet niet in mogelijk explosieve omgevingen, vochtige ruimtes of nadelige omge- vingsfactoren. Nadelige factoren zijn onder andere: Vocht of een hoge vochtigheid, stof en ontvlambare gassen, dampen en oplosmiddelen, onweer en sterke magne- tische velden. Gebruik om veiligheidsredenen alleen testkabels of accessoires die overeenkomen met de specicaties van de multimeter en voldoen aan de IEC/EN 61010-031-nor- men.154 7 Veiligheidsinstructies Lees de gebruiksaanwijzing aandachtig door en neem vooral de veiligheidsinformatie in acht. Indien de veiligheidsinstructies en de aanwijzingen voor een juiste bediening in deze gebruiksaanwijzing niet worden opgevolgd, aanvaarden wij geen verantwoordelijkheid voor hieruit resulterend persoonlijk letsel of materiële schade. In dergelijke gevallen vervalt de aansprakelijkheid/garantie.
Dit apparaat werd op een veilige manier verstuurd.
Wij verzoeken de gebruiker vriendelijk om alle veiligheidsinstructies en waar- schuwingen in de bijgevoegde gebruiksaanwijzing in acht te nemen, zodat deze conditie wordt gehandhaafd en een veilige werking wordt gegarandeerd.
De onbevoegde verandering en/of aanpassing van het apparaat is vanuit veilig- heidstechnisch oogpunt en vanwege goedkeuring niet toegestaan.
Raadpleeg een technicus als u niet zeker weet hoe u het apparaat moet gebrui- ken of aansluiten.
Meetinstrumenten en hun accessoires zijn geen speelgoed en moeten buiten het bereik van kinderen worden gehouden.
Houd u altijd aan de ongevallenpreventievoorschriften voor elektrische appara- tuur wanneer u het product in commerciële faciliteiten gebruikt.
In scholen, opleidingsinstituten en hobby- en DIY-workshops moeten digitale multimeters worden gebruikt onder verantwoordelijk toezicht van gekwaliceerd personeel. Hetzelfde geldt wanneer de multimeter wordt gebruikt door personen met verminderde fysieke en mentale capaciteiten.
Zorg er vóór elke meting voor dat de meter niet is ingestelde op een andere meetfunctie.
Als u meetsonden zonder beschermende doppen gebruikt, mogen de metingen tussen de multimeter en het aardingspotentieel niet groter zijn dan de CAT II meetcategorie.
Bij het uitvoeren van CAT III-metingen moeten de be- schermdoppen op de sondepunten worden geplaatst (max. lengte van de blootgestelde contacten = 4 mm) om onbedoelde kortsluiting te voorkomen. Deze zijn meegeleverd met het product.155
De meetsondes moeten van het gemeten voorwerp worden verwijderd telkens wanneer het meetbereik wordt veranderd.
De spanning tussen het aansluitpunt van de multimeter en aarding mag in CAT III nooit 600 V DC/AC overschrijden.
Wees met name voorzichtig bij het werken met spanningen hoger dan AC 30 Vr.m.s, 42,4 V piek of DC 60 V. Het aanraken van elektrische geleiders met deze spanningswaarden kan een dodelijke elektrische schok veroorzaken.
Om een elektrische schok te voorkomen, mag u de aansluitinge/meetpunten niet aanraken als u metingen uitvoert, niet direct noch indirect. Raak bij het uitvoeren van metingen geen enkel deel aan buiten de greepmarkeringen op de testsondes/testkabels.
Controleer de multimeter en testkabels op beschadigingen vóór elke meting. Voer nooit metingen uit als de beschermende isolatie is beschadigd (gescheurd, ontbrekend, etc.). De meetkabels worden geleverd met een slijtage-indicator. Als een kabel beschadigd is, wordt een tweede isolatielaag zichtbaar (de twee- de isolatielaag heeft een andere kleur). Als dit gebeurt, mag u het meetacces- soire niet meer gebruiken en dient u het te vervangen.
Gebruik de multimeter niet net vóór, tijdens of direct na onweer (elektrische schok/krachtige overspanning!). Zorg ervoor dat uw handen, schoenen, kleding, de vloer, het circuit en de circuitcomponenten droog zijn.
Vermijd het gebruik van het apparaat in de directe omgeving van: – Sterke magnetische of elektromagnetische velden – Uitzendende antennes of HF-generatoren.
Deze kunnen de metingen vertekenen.
Als u vermoedt dat veilig gebruik niet langer mogelijk is, stop dan onmiddellijk met het gebruik en zorg ervoor om onbevoegd gebruik te voorkomen. Veilig gebruik kan niet langer worden gegarandeerd als: – Er tekenen van schade zijn – Het apparaat niet naar behoren werkt – Het apparaat langdurig onder nadelige omstandigheden werd opgeborgen – Het apparaat onderhevig is geweest aan ruwe hantering tijdens het trans- port156
Schakel het apparaat nooit direct aan nadat het van een koude naar een warme ruimte is overgebracht. De condensatie die ontstaat kan het product permanent beschadigen. Laat het apparaat uitgeschakeld en laat het zich aanpassen aan de kamertemperatuur.
Laat verpakkingsmateriaal niet achteloos rondslingeren, aangezien dit voor kin- deren gevaarlijk speelgoed kan worden.
Neem de veiligheidsinformatie in elke sectie in acht.
Controleer vóór elk gebruik of de tester goed werkt door een bekende spanning te meten.
Let op de juiste polariteit bij het plaatsen van de batterijen/accu’s.
De batterijen/accu’s dienen uit het apparaat te worden verwijderd wanneer het gedurende langere tijd niet wordt gebruikt om beschadiging door lekkage te voorkomen. Lekkende of beschadigde batterijen/accu’s kunnen brandend zuur bij contact met de huid opleveren. Gebruik daarom veiligheidshandschoenen om beschadigde batterijen/accu’s aan te pakken.
Batterijen/accu’s moeten uit de buurt van kinderen worden gehouden. Laat bat- terijen/accu’s niet rondslingeren omdat het gevaar bestaat dat kinderen en/of huisdieren ze inslikken.
Alle batterijen/accu’s dienen op hetzelfde moment te worden vervangen. Het door elkaar gebruiken van oude en nieuwe batterijen/accu’s in het apparaat kan leiden tot batterijlekkage en beschadiging van het apparaat.
Batterijen/accu’s mogen niet worden ontmanteld, kortgesloten of verbrand. Laad nooit niet-oplaadbare batterijen op. Er bestaat explosiegevaar!
7.2 Aangesloten apparatuur
Neem tevens de veiligheids- en gebruiksinstructies van andere apparaten die op het product zijn aangesloten in acht.
Niet rechtstreeks in het led-licht kijken!
Niet direct of met optische instrumenten in de lichtstraal kijken!157 8 Productoverzicht
A. Contactloze spanningssensor B. Driekleurige indicatie-led C. Display D. HOLD/REL-toets E. Draaiknop voor het selecteren van de meetmodus F. mAµA-meetpoort G. 10A max-meetingang H. LoZ Lage impedantie 400 kΩ-toets om de impedantie te veranderen
J. COM-meetpoort (referentiepotentiaal, “negatief”) K. -meetpoort (“positieve potentiaal” voor ge- lijkspanningen) L. Led-licht M. Schroefdraad voor aansluiting van de steun N. Schroef van batterijvak O. Batterijvak P. F2-zekering Q. F1-zekering158 9 Productbeschrijving De multimeter (DMM) toont metingen op een digitale display. De multimeter heeft 6000 tellingen (telling = kleinste displaywaarde). De echte RMS-waarde wordt ge- bruikt bij het meten van spannings- en stroomwaarden. De juiste poorttoewijzing wordt weergegeven volgens de geselecteerde meetmodus. Een verkeerde poort- toewijzing wordt aangegeven door een waarschuwingsgeluid en een waarschu- wingsindicator. Dit verhoogt de operationele veiligheid van de multimeter voor de gebruiker. De DMM kan worden gebruikt voor het uitvoeren van metingen tot CAT III 600 V. Het is geschikt voor gebruik in zowel hobby- als professionele toepassingen. Op de haakse meetkabelstekkers kunnen beschermdoppen worden bevestigd. Ver- wijder deze alvorens de testkabels in de multimeter te steken. Het is met deze multimeter niet langer nodig om een zekering te vervangen die per ongeluk is geactiveerd in het mA/µA meetbereik. De ingebouwde PTC-beveiligings- elementen beperken de doorvoer van stroom bij overbelasting en beschermen zo de multimeter en het stroomcircuit. De PTC-beveiligingselementen resetten zich- zelf na activering en een korte afkoelperiode. Hiervoor hoeft het stroommeetcircuit slechts kort te worden onderbroken. Wanneer de meter wordt gebruikt voor mA/µA-metingen, maar de meter wordt per ongeluk aangesloten op een hoog-energetische hoogspanningsvoeding, dan zal de keramische buiszekering in werking treden en waarschijnlijk doorbranden om de meter te beschermen. In een dergelijk geval moet de doorgebrande keramische buiszekering worden vervangen door een nieuwe. Het batterij- en zekeringvak kan alleen worden geopend wanneer alle testkabels zijn verwijderd van de multimeter. Als het batterij- en zekeringvak open is, kunnen de testkabels niet in de meetpoorten worden gestoken. Dit is een ingebouwde vei- ligheidsfunctie, ontworpen om de gebruiker te beschermen.159 10 Draaiknop
Gebruik de draaiknop voor het selecte- ren van de gewenste meetmodus.
De automatische bereikselectie (“Auto- range”) is ingeschakeld en het bereik zal automatisch worden geselecteerd. Æ De meetbereiken moeten handma- tig worden geselecteerd. Æ Begin altijd met het grootste meet- bereik en schakel indien nodig over naar een kleiner bereik.
De draaiknop is voorzien van een functietoets. Æ Gebruik de SEL/ -toets om van submodus te wisselen wanneer de meetmodus meerdere functies heeft
Schakel de multimeter uit door de draaiknop naar de stand OFF te draaien. Zet de multimeter altijd uit als u deze niet gebruikt.160 11 Display-elementen en symbolen De volgende symbolen en letters verschijnen op het apparaat/display. Er kunnen andere symbolen op de display verschijnen (schermtest), maar deze hebben geen functie.
11.1 Display-elementen
Element Beschrijving TRMS Echte RMS-meting Delta-symbool voor relatieve meting (= referentiemeting)
Ohm (eenheid voor elektrische weerstand)
Hertz (eenheid van de frequentie)
Volt (eenheid van elektrische spanning)
Ampère (eenheid voor de elektrische stroom) F Farad (eenheid voor elektrische capaciteit) °C Graden Celsius (temperatuureenheid) °F Graden Fahrenheit (Amerikaanse temperatuureenheid)
Weergave van de pulsduur van de positieve halve golf in procen- ten (puls-pauze-verhouding) Automatische uitschakeling is geactiveerd161 Element Beschrijving Diodetest-symbool Akoestische continuïteitstester-symbool LoZ Lage impedantie-symbool Indicator correcte poorttoewijzing Auto Automatische selectie van het meetbereik is ingeschakeld Indicator voor vervanging van de batterij Houd-functie is ingeschakeld
Gelijkstroom-symbool ( ) Polariteitsindicator voor de stroomrichting van de stroom (nega- tieve klem) AC Wisselstroom-symbool ( ) Waarschuwingssymbool voor gevaarlijke spanning NCV Contactloze AC-spanningsdetectie
Symbool Beschrijving REL Relatieve meettoets (= referentiemeting) SELECT Wisselen tussen submodi HOLD Bevriest de huidige meting OL Overbelasting = Het meetbereik was overschreden LEAd Waarschuwing “incorrecte poort” OFF Beweeg naar deze stand om de multimeter uit te schakelen162 Symbool Beschrijving TRMS Meting echt kwadratisch gemiddelde LoZ Van impedantie wisselen in het V-meetbereik (10 MΩ tot 400 kΩ) EF Weergave voor de NCV-functie zonder spanningsdetectie Diodetest-symbool Akoestische continuïteitstester-symbool Meetbereik capaciteit-symbool Wisselstroom-symbool Gelijkstroom-symbool COM Aansluiting voor referentiepotentiaal mV Millivolt-modus (exp. -3) V Spanningsmodus (Volt = eenheid van elektrische spanning) A Stroommodus (Ampère = eenheid van elektrische stroom) mA Milliamp-modus (exp. -3) µA Microamp-modus (exp. -6) Hz Frequentiemodus (Hertz = eenheid van frequentie)
Meetfunctie voor pulsduur in procenten (puls-pauze-verhouding) Ω Weerstandsmodus (Ohm = eenheid van elektrische weerstand) °C°F Meetfunctie voor temperatuurmeting NCV Contactloze AC-spanningsdetectie163 12 Metingen uitvoeren Overschrijd nooit de maximum toegestane ingangswaarden. Raak de circuits of circuitcomponenten nooit aan als deze spanningen geleiden van groter dan AC 30 Vr.m.s, 42,4 V piek of DC 60 V! Dit kan een fatale elektrische schok tot gevolg hebben! Metingen kunnen alleen worden uitgevoerd wanneer het batterij- en zekeringvak gesloten is. Kabels kunnen niet worden aangesloten wanneer het vak is geopend. Controleer de testkabels vóór de meting op schade, zoals sneden, slijtage en knikken. Gebruik nooit beschadigde meetkabels aangezien deze een fatale elektrische schok tot gevolg kunnen hebben! Raak bij het uitvoeren van metingen geen enkel deel aan buiten de greepmarkeringen op de testsondes/testkabels. Sluit alleen de twee testkabels aan die u nodig hebt om metingen uit te voeren. Vanwege de veiligheid dient u alle onnodige testkabels te verwijderen voordat u een meting uitvoert. Metingen in circuits met een nominale waarde van AC 30 Vr.m.s, 42,4 V piek of DC 60 V mogen alleen worden uitgevoerd door bevoegd en opgeleid personeel dat bekend is met de relevante voorschriften en de bijbehorende gevaren. “OL” (overbelasting) geeft aan dat het meetbereik was overschreden. De display toont de juiste volgorde voor de aansluiting van de meetklem- men voor elke meetmodus. Volg de volgorde aangegeven op de display bij het aansluiten van de testkabels.164
12.1 De multimeter in- en uitschakelen
1. Draai de draaiknop om de gewenste modus te selecteren.
2. Gebruik de draaiknop voor het selec-
teren van de gewenste meetmodus. Æ Het optische meetbereik wordt automatisch geselecteerd (be- halve in de stroommodus). Æ Begin bij het meten van een stroom altijd met het grootste meetbereik en schakel indien no- dig over naar een kleiner bereik. Æ Koppel de testkabels altijd los van de multimeter voordat u overschakelt op een andere modus.
3. Schakel de multimeter uit door de draaiknop naar de stand OFF te draaien.
Æ Zet de multimeter altijd uit als u deze niet gebruikt.
4. Voordat u de multimeter opbergt, dient u de testkabels in de klemmen met hoge
impedantie te steken (COM en ). Dit helpt fouten bij het uitvoeren van volgende metingen te voorkomen. De batterij moet worden geïnstalleerd voordat u de multimeter kunt ge- bruiken. Zie "Reiniging en onderhoud” voor instructies voor het verande- ren/vervangen van de batterij.165
12.2 Alarm voor incorrecte bedrading
De DMM heeft een geïntegreerde controle van de meetpoorten. Als de testka- bels op de verkeerde poorten zijn aangesloten (wat gevaarlijk kan zijn voor de gebruiker en de DMM kan beschadigen), activeert de DMM een akoestisch en optisch alarm.
Zodra de testkabels in de stroommeetpoorten zijn gestoken en een andere meetmodus (behalve de stroommeting) wordt geselecteerd, laat de DMM een doordringend waarschuwingsgeluid horen. Dit gebeurt ook als de meetingang tussen de 10A-ingang en mAµA-ingang wordt omgewisseld.
Als het alarm wordt geactiveerd en “LEAd” op de display verschijnt, controleer dan of de kabels zijn aangesloten op de juiste ingangen en of u de juiste meet- modus hebt geselecteerd. De multimeter activeert het alarm wanneer de kemmen als volgt worden aange- sloten: Meetmodus V / mV / Ω / °C / °F / Hz% / / / , NCV mA/µA A Aangesloten poorten mA/µA//10A 10A mA/µA U dient de testinstelling in het geval van een alarm onmiddellijk te on- derbreken en te controleren of de juiste meetmodus/meetaansluiting is geselecteerd. De display toont ook de juiste meetpoorten die voor elk meetbereik moeten worden gebruikt.166
12.3 DC/AC-spanningsmeting
1. Draai de functiedraaiknop naar de vereiste instelling.
2. “DC” zal op de display worden
weergegeven. Æ Druk kort op de toets SEL/ om op AC te schake- len en “AC” zal op de dis- play worden weergegeven. Æ Selecteer het meetbereik mV voor lagere spannin- gen tot max. 600 mV.
3. Sluit de testkabels aan op de
aansluitklemmen: Æ Rode testkabel op aansluit- klem . Æ Zwarte testkabel op aansl- uitklem COM.
4. Houd de twee meetsondes in parallel tegen het object dat u wilt meten (bijv.
generator of circuit). Æ De gemeten waarde wordt weergegeven op de display
5. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen. Het “V/AC”-bereik heeft een ingangsweerstand van ≥10 MΩ. Dit betekent dat er vrijwel geen belasting aanwezig is op het circuit. DC-spanningsmetingen (V ): Als er een minusteken “-” vóór de waarde verschijnt, dan is de gemeten spanning negatief (of de meetkabels zijn omgewisseld). Het “V DC/AC”-spanningsbereik heeft een ingangsweerstand van >10 MOhm; het “mV DC”-bereik heeft een ingangsweerstand van >100 MOhm.167
12.4 LoZ-spanningsmodus
U kunt de LoZ-modus gebruiken om DC- en AC-spanningen te meten met een lage impedantie (ong. 400 kΩ). In deze modus verlaagt de multimeter de interne weer- stand om fantoomspanningsmetingen te voorkomen. Als resultaat wordt het circuit zwaarder belast dan bij de standaard meetmodus.
1. Om de LoZ meetmodus te gebruiken, drukt u tijdens de spanningsmeting op
de toets LoZ Lage imp.400 kΩ. De gemeten impedantie wordt verlaagd voor zolang de toets ingedrukt blijft.
2. “LoZ” zal op de display worden weergegeven.
De LoZ-meetmodus mag alleen worden gebruikt tot een maximale span- ning van 250 V. De duur van de LoZ-meting moet worden beperkt tot maximaal 3 s. Deze modus is niet beschikbaar in het mV-meetbereik. Na het gebruik van de LoZ-modus, dient u de multimeter 1 minuut te laten rusten voordat u deze weer gebruikt.168
12.5 Stroom meten (A)
Overschrijd nooit de maximum toegestane ingangswaarden. Raak de circuits of circuitcomponenten nooit aan als deze spanningen geleiden van groter dan AC 30 Vr.m.s, 42,4 V piek of DC 60 V. Dit is levensgevaarlijk! De spanning in het gemeten circuit mag niet hoger zijn dan 600 V. Metingen groter dan 6 A mogen slechts gedurende maximaal 30 seconden met intervallen van 15 minuten worden uitgevoerd. Begin stroommetingen altijd met het grootste stroombereik en schakel daarna indien nodig op een kleiner bereik. Voordat u de multimeter inschakelt en voordat u het meetbereik wijzigt, moet het circuit altijd stroomloos worden gemaakt. Alle stroommeetbereiken zijn voorzien van zekeringen en dus beschermd tegen overbelasting. Meet geen stroomwaarden hoger dan 10 A in het 10A-bereik en geen stroomwaarden hoger dan 600 mA in het mA/µA-bereik, anders zullen de zekeringen activeren. Voer de stroommeting in het mAµA-meetbereik zo snel mogelijk uit. Continue metingen moeten worden vermeden. De PTC-technologie ver- warmt de beschermende componenten in het meetcircuit met toenemen- de stroomsterkte of tijdsduur van de meting. Als een gevolg neemt de interne weerstand toe en wordt de doorvoer van stroom beperkt. Houd hier a.u.b. meer rekening wanneer u een serie metingen uitvoert. Wanneer het meetbereik wordt overschreden, wordt er een optisch en akoestisch alarm geactiveerd. Wanneer de meter wordt gebruikt voor mA/µA-metingen, maar de meter wordt per ongeluk aangesloten op een hoog-energetische hoogspan- ningsvoeding, dan zal de keramische buiszekering in werking treden en waarschijnlijk doorbranden om de meter te beschermen. In een dergelijk geval moet de doorgebrande keramische buiszekering worden vervan- gen door een nieuwe. Als de PTC-zekering is geactiveerd (gestaag afnemende meetindicator, “OL” of alarm), stop dan de meting en schakel de DMM uit (OFF). Wacht ongeveer 5 minuten. De zelfherstellende zekering zal afkoelen en vervol- gens weer functioneren.169
12.5.1 Ga als volgt te werk om DC-stroomwaarden te meten (A )
1. Schakel de DMM in en selecteer de modus “10A, mA of µA”.
2. Druk op SEL/ om op de DC-modus te schakelen. “DC” zal op de display
3. Druk nogmaals op de toets SEL/ om weer terug te schakelen op AC-mo-
4. Selecteer het gewenste meetbereik en sluit de corresponderende klemmen aan.
7. Houd de twee meetsondes (stroomloos) in serie tegen het object dat u wilt me-
ten (bijv. een accu of circuit). Het elektrisch circuit moet worden uitgeschakeld voordat u de meetsonden aansluit.
8. Sluit het circuit weer aan. De meting zal op de display worden weergegeven.
9. Na het meten koppelt u weer los van het circuit en verwijdert u de testkabels van
het gemeten voorwerp. Schakel de DMM uit.170
12.5.2 Ga als volgt te werk om AC-stroomwaarden te meten (A )
1. Schakel de DMM in en selecteer de modus “10A, mA of µA”.
2. Druk op SEL/ om de AC-modus te openen. “AC” zal op de display worden
3. Druk nogmaals op de toets SEL/ om weer terug te schakelen op DC-mo-
4. Selecteer het gewenste meetbereik en sluit de corresponderende klemmen aan.
6. Houd de twee meetsondes (stroomloos) in serie tegen het object dat u wilt me-
ten (bijv. een generator of circuit). Het elektrisch circuit moet worden uitgescha- keld voordat u de meetsonden aansluit.
7. Sluit het circuit weer aan. De meting zal op de display worden weergegeven.171
8. Na het meten koppelt u weer los van het circuit en verwijdert u de testkabels van
het gemeten voorwerp. Schakel de DMM uit.
12.6 Frequentie meten
De DMM kan worden gebruikt om de frequentie van een signaalspanning te meten (frequenties van 10 Hz tot 10 MHz worden ondersteund). De maximale ingang is 20 Vrms. Deze modus is niet geschikt voor het maken van metingen op de netspan- ning. Neem de ingangsspecicaties in de technische specicaties in acht. Ga als volgt te werk om een frequentiemeting uit te voeren:
1. Schakel de DMM in en selecteer
de modus Hz. “Hz” verschijnt op de display.
3. Houd de twee meetsondes tegen het
object dat u wilt meten (bijv. genera- tor of circuit). Æ De frequentie en de correspon- derende eenheid zullen worden weergegeven.172
4. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen.
12.7 Meting van pulsduur in %
De DMM kan worden gebruikt om de verhouding van de pulsduur van de positieve halve golf van een wisselspanningssignaal te meten als een percentage van de gehele periode. De maximale ingang is 20 Vrms. Deze modus is niet geschikt voor het maken van metingen op de netspanning. Neem de ingangsspecicaties in de technische specicaties in acht. Ga als volgt te werk om een frequentiemeting uit te voeren:
1. Schakel de DMM in en selecteer het Hz-meetbereik. “Hz” verschijnt op de dis-
2. Druk op de toets SEL/ op de
draaiknop. “%” zal op de display wor- den weergegeven.
4. Houd de twee meetsondes tegen het
object dat u wilt meten (bijv. genera- tor of circuit). Æ De pulsduur van de positieve halve golf wordt weergegeven op de display als een percenta- gewaarde.
5. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen.173
12.8 Weerstand meten
Zorg ervoor dat alle objecten die u wilt meten (inclusief circuitcomponen- ten, circuits en componentonderdelen) losgekoppeld en ontladen zijn. Ga als volgt te werk om de weerstand te meten:
iteit door de twee meetsondes tegen elkaar te houden. De multimeter dient vervolgens ongeveer 0 - 0,5 Ω weer te geven (inherente weerstand van de testkabels). Æ Voor lage-impedantiemetingen van <600 Ω houdt u de toets REL ongeveer één seconde ingedrukt wanneer de meetsondes zijn kortgesloten. Dit zorgt ervoor dat de inherente weerstand van de testkabels de weerstandsmeting niet aantast. De display dient “0 Ω” weer te geven. Het automatische bereik wordt daarbij uitgeschakeld.
4. Houd de twee testsondes tegen het te meten object. De meting zal op de display
worden weergegeven (vooropgesteld dat het object dat u meet niet erg resistief of losgekoppeld is). Wacht totdat de display stabiliseert. Dit kan enkele secon- den duren bij weerstanden die groter zijn dan 1 MΩ. Æ “OL” (overbelasting) geeft aan dat het meetbereik was overschreden of dat het circuit is gebroken.
5. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen. Als u een weerstandsmeting uitvoert, dient u ervoor te zorgen dat de punten die u met de uiteinden van de meetsondes aanraakt geen vuil, olie, soldeer of dergelijke stoffen bevatten. Deze substanties kunnen de meting vertekenen. De REL-toets werkt alleen wanneer er een meting wordt weergegeven. Deze kan niet worden gebruikt als er “OL” op de display verschijnt. R174
Zorg ervoor dat alle objecten die u wilt meten (inclusief circuitcomponen- ten, circuits en componentonderdelen) losgekoppeld en ontladen zijn.
2. Druk tweemaal op SEL/ om op
de diodetestmodus te schakelen. Het diodesymbool en “V” verschijnen op de display. Druk nogmaals op de toets om op de volgende modus te schakelen.
iteit door de twee meetsondes tegen elkaar te houden. Een waarde van ongeveer 0.000 V zou moeten verschijnen.
5. Houd de twee meetsondes nu tegen het object dat u wilt meten (diode). Sluit de
rode testkabel aan op de anode (+) en de zwarte testkabel op de kathode (-). Æ De normale voorwaartse spanning van de PN-junctie wordt weergegeven in volt (V). “OL” geeft aan dat de diode in sperrichting zit of defect is. Probeer de meting opnieuw uit te voeren met de tegenovergestelde polariteit.
6. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen.175
12.10 Continuïteitstest
Zorg ervoor dat alle objecten die u wilt meten (inclusief circuitcomponen- ten, circuits en componentonderdelen) losgekoppeld en ontladen zijn.
2. Druk eenmaal op de toets
SEL/ om op de modus te scha- kelen. Het continuïteitstestsymbool en het “Ω”-symbool zullen op de dis- play verschijnen. Druk nogmaals op de toets om op de volgende modus te schakelen.
3. Steek de rode testkabel in de
-meetingang en de zwarte testka- bel in de COM-meetingang. Æ Als de gemeten weerstand gelijk aan of lager is dan 10 Ω, laat de multimeter een piepgeluid horen om de continuïteit aan te geven. Er is geen pieptoon meer vanaf >100 Ω. De continuïteitstest meet weerstanden tot 600 Ω. Æ “OL” (overbelasting) geeft aan dat het meetbereik was overschreden of dat het circuit is gebroken.
4. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen.176
12.11 Capaciteit meten
Zorg ervoor dat alle objecten die u wilt meten (inclusief circuitcomponen- ten, circuits en componentonderdelen) losgekoppeld en ontladen zijn. Let altijd op de polariteit als u elektrolytische condensatoren gebruikt.
1. Schakel de DMM in en selecteer de modus
2. Druk driemaal op de toets SEL/ ” om van modus te veranderen. De eenheid
“nF” voor capaciteitsmeting zal op de display verschijnen. Druk nogmaals op de toets om op de volgende modus te schakelen.
3. Steek de rode kabel in de V-poort en de zwarte kabel in de COM-poort.
Wegens de gevoelige meet- ingang, kan de display zelfs met “open” testkabels een uitlezing weergeven. Druk op de toets “REL” om kleinere ca- paciteiten (<600 nF) te meten. De indicator wordt vervolgens op “0” ingesteld. Het automa- tische bereik wordt daarbij uitgeschakeld.
4. Houd de twee meetsondes (rood =
positief, zwart = negatief) tegen het object dat u wilt meten (condensator). De capaciteit wordt na een paar seconden weergegeven op de display. Wacht totdat de display stabiliseert. Dit kan enkele seconden duren bij capaciteiten die groter zijn dan 60 µF. Æ “OL” (overbelasting) geeft aan dat het meetbereik was overschreden.
5. Nadat u een meting hebt uitgevoerd, dient u de kabels van het gemeten object
te verwijderen en de DMM uit te schakelen.177
12.12 De temperatuur meten
Als u een temperatuurmeting uit wilt voeren, mag u alleen de tempera- tuursonde in contact laten komen met het oppervlak van het te meten voorwerp. De multimeter mag niet worden blootgesteld aan temperaturen onder of boven de gebruikstemperatuur, aangezien dit onjuiste metingen tot gevolg kan hebben. De temperatuursonde mag alleen worden gebruikt op spanningsvrije op- pervlakken. De multimeter heeft een draadsensor die temperaturen van -40 tot +230 °C kan meten. Om gebruik te maken van het volledige temperatuurbereik (-40 tot +1000 °C), dient u een type-K thermische sen- sor aan te schaffen. U hebt een adapterstek- ker nodig om type-K sensoren aan te sluiten met een mini-aansluiting. Alle type-K thermische sensoren kunnen wor- den gebruikt voor temperatuurmetingen. De temperatuur kan in °C of °F worden weerge- geven. Ga als volgt te werk om de temperatuur te meten:
1. Schakel de DMM in en selecteer de meet-
modus “°C”. De eenheid graden Celsius (°C) zal op de display verschijnen voor de temperatuurmeting.
2. Sluit de bijgesloten temperatuursensor aan volgens de juiste polariteit (met het
positieve contact in de V-meetingang en het negatieve contact in the COM- meetingang). Æ De temperatuur in °C zal op de display verschijnen.
3. De eenheid kan worden gewisseld tussen Celsius (°C) en Fahrenheit (°F) met
de toets SEL/ . Telkens wanneer u op de toets drukt, wordt de eenheid veranderd. Æ “OL” op de display geeft aan dat het meetbereik was overschreden of dat de sensor was losgekoppeld.
4. Verwijder de sensor nadat de meting is gemaakt en schakel de multimeter uit.178
Als er geen temperatuursensor is aangesloten, kan de omgevingstem- peratuur van de DMM worden weergegeven door een brug te gebruiken tussen de twee meetingangen (“COM” en “°C”). Aangezien de sensor binnenin de behuizing zit, reageert de display erg traag op temperatuur- schommelingen. Deze functie helpt u te controleren of de DMM na opslag de juiste bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Een externe sensor moet wor- den gebruikt voor snelle metingen.
12.13 Contactloze AC-spanningstest “NCV”
Zorg ervoor alle meetpoorten onbezet zijn. Verwijder alle meetkabels en adapters van het meetinstrument. Deze functie dient slechts als een hulpmiddel. Voordat u aan deze ka- bels begint te werken, moet u contactmetingen uitvoeren om te controleren of er geen spanning aanwezig is. Test deze functie vooraf op een bekende wissel- spanningsbron.
1. Stel de functieknop in op NCV, “EF” en “NCV” zullen op
de display worden weergegeven.
2. Richt het contactloze spanningssensorpunt op de test-
plek (max. 5 mm). Voor getwiste kabels wordt het aan- bevolen om de kabel aan te raken met het uiteinde van de contactloze spanningssensor. Æ Als er wisselstroom wordt waargenomen, begint de driekleurige indicator-led te branden en klinkt de zoemer. Æ Hoe hoger de spanning, hoe hoger de frequentie waarop de zoemer zal piepen. Æ De driekleurige indicator-led verandert van groen in geel in rood naargelang de spanning verhoogt.
3. Schakel het apparaat UIT nadat u alle metingen hebt uitgevoerd.179
13 Aanvullende functies U kunt de functieknop gebruiken om een serie verschillende functies in te schake- len. De multimeter laat een pieptoon horen telkens wanneer u op de knop drukt.
Sommige meetmodi hebben extra submodi. De subfuncties zijn grijs gemarkeerd in het draaigedeelte. Druk kort (<2 s) op de toets SEL/ om op een submodus te schakelen. Druk nogmaals op de toets SEL/ om over te schakelen naar de volgende submodus.
Druk lang op de toets “SEL/ ” om de zaklantaarn AAN/UIT te schakelen.
U kunt de REL-functie gebruiken om een referentiemeting uit te voeren en mogelijke lijnverliezen te voorkomen (bijv. tijdens weerstandsmetingen). De huidig weerge- geven waarde wordt voor dit doel ingesteld op nul. Een nieuwe referentiewaarde wordt ingesteld.
1. Schakel deze functie in door de toets REL ongeveer 2 s ingedrukt te houden.
De display zal “Δ” weergeven en de meetindicator wordt op nul ingesteld. De automatische selectie van het meetbereik wordt hierbij uitgeschakeld.
2. Schakel deze functie uit door van meetmodus te wisselen of door de toets REL
ongeveer 2 s ingedrukt te houden. De REL-functie is niet beschikbaar in de volgende modi: Frequentie, pulsduur, diodetest en continuïteitstest. De REL-toets werkt alleen wanneer er een meting wordt weergegeven. Deze kan niet worden gebruikt als er “OL” op de display verschijnt.180
Deze functie bevriest de huidige meting op de display, zodat u deze kunt noteren voor toekomstig gebruik. Als u spanningvoerende draden test, zorg er dan voor dat deze functie is uitgeschakeld voordat u begint met de meting. Er wordt anders een vals meetresultaat gesimuleerd!
1. Druk op de toets HOLD om deze functie in te schakelen en “H” zal worden
2. Schakel de houdfunctie uit door op de toets HOLD te drukken of door van meet-
13.5 Automatische uitschakelfunctie
De DMM schakelt automatisch uit nadat er 15 minuten lang geen toetsen wor- den ingedrukt. Deze functie bespaart batterijvermogen en verlengt de levens- duur van het apparaat. Het -symbool verschijnt als de automatische uitscha- kelfunctie actief is.
De DMM zal gedurende ongeveer 1 minuut verschillende pieptonen laten horen alvorens uit te schakelen. Als u gedurende deze tijd op de toets REL/HOLD of SEL/ drukt om het uitschakelen te annuleren, klinkt het volgende uit- schakelsignaal na nog eens 15 minuten. U hoort een lang piepgeluid als de multimeter wordt uitgeschakeld.
Schakel de DMM weer in door de draaiknop naar de stand “OFF” te draaien of door op de toets “REL/HOLD” of SEL/ te drukken.
De automatische uitschakelfunctie kan handmatig worden gedeactiveerd. Ga als volgt te werk om de automatische uitschakelfunctie te deactiveren:
1. Schakel de multimeter uit (OFF).
2. Houd de toets SEL/ ingedrukt en schakel de DMM in met de draaiknop.
Æ Het “ ”-symbool zal niet langer zichtbaar zijn op de display. Æ De automatische uitschakelfunctie blijft gedeactiveerd totdat de multimeter wordt uitgeschakeld met behulp van de draaiknop.181 14 Reiniging en onderhoud
14.1 Algemene informatie
De multimeter dient eens per jaar te worden gekalibreerd om ervoor te zorgen dat de metingen nauwkeurig blijven.
De multimeter vereist geen onderhoud (behalve af en toe schoonmaken en ver- vangen van batterijen/zekeringen).
Raadpleeg de volgende paragrafen voor instructies over het vervangen van de zekering en batterij. Controleer het apparaat en de testkabels regelmatig op tekenen van be- schadiging.
Neem altijd de volgende veiligheidsvoorschriften in acht voordat u het apparaat reinigt: Het openen van afdekkingen van het product of het verwijderen van on- derdelen, tenzij dit handmatig mogelijk is, kan stroomgeleidende onder- delen blootleggen. Voor het reinigen of repareren van het apparaat dient u alle kabels van de multimeter en het gemeten voorwerp te verwijderen en de multimeter uit te schakelen.
Gebruik geen schurende reinigingsmiddelen, benzine, alcohol of soortgelijke chemische middelen om het apparaat te reinigen. Deze kunnen het oppervlak van de multimeter corroderen. Bovendien zijn de dampen van deze stoffen ex- plosief en schadelijk voor uw gezondheid. Gebruik geen scherpe gereedschap- pen, schroevendraaiers of metalen borstels om het apparaat te reinigen.
Gebruik een schone, vochtige, pluisvrije en antistatische doek om de multime- ter, de display en de meetkabels te reinigen. Laat de multimeter voordat u het opnieuw gaat gebruiken, voldoende opdrogen.182
14.3 Het batterij-/zekeringvak openen
Het batterij-/zekeringvak kan niet worden geopend wan- neer de kabels zijn aangesloten op de klemmen.
Alle klemmen worden automatisch vergrendeld wanneer het batterij-/zekeringvak wordt geopend om te voorkomen dat er kabels in worden gestoken. Ga als volgt te werk om het batterij-/zekeringvak te openen:
2. Draai de schroef van het batterijvak aan de achterzijde van
3. Klap de uitklapbare steun uit en schuif het deksel van het
batterij-/zekeringvak van de onderkant van de multimeter af. Æ U dient nu toegang te hebben tot de zekeringen en batterij.
4. Herhaal de bovenstaande stappen in omgekeerde volgorde om het deksel van
het batterij-/zekeringvak terug te plaatsen en schroef deze vervolgens op zijn plek vast. Æ De multimeter is nu gereed voor gebruik.183
14.4 Batterij plaatsen/vervangen
2. Schakel de multimeter uit.
3. Verwijder het deksel van het batterij-/zekeringvak (zie “Het batterij-/zekeringvak
4. Installeer nieuwe batterijen met dezelfde specicaties.
Æ Let op de polariteitsmarkeringen in het batterijvak.
5. Plaats het deksel voorzichtig terug op het batterijvak.
Gebruik de multimeter nooit wanneer het batterij-/zekeringvak is geopend. !RISICO OP FATAAL LETSEL! Laat lege batterijen niet in het apparaat zitten. Zelfs lekvaste batterijen kunnen het apparaat aantasten en vernietigen of chemicaliën vrijgeven die schadelijk zijn voor uw gezondheid. Laat batterijen niet onbeheerd achter, aangezien deze kunnen worden ingeslikt door kinderen of huisdieren. Roep onmiddellijk medische hulp in als een batterij is ingeslikt. Als u van plan bent de multimeter langere tijd niet te gebruiken, verwijder dan de batterij om te voorkomen dat deze begint te lekken. Lekkende of beschadigde batterijen kunnen chemische brandwonden veroorzaken als deze met uw huid in contact komen. Draag altijd beschermende handschoenen als u omgaat met lekkende of beschadigde batterijen. Batterijen mogen niet worden kortgesloten of in vuur worden gegooid! Probeer niet-oplaadbare batterijen nooit op te laden of te demonteren, omdat dit een ontplofng kan veroorzaken.184
14.5 De 10 A ingangszekering vervangen
De 10 A stroommeetingang is voorzien van een keramische hoogvermogenzeke- ring. Als u geen metingen kunt uitvoeren binnen dit bereik, zult u de zekering moeten vervangen. Ga als volgt te werk om de zekering te vervangen:
1. Koppel de aangesloten testkabels los van zowel het meetcircuit als uw DMM.
2. Verwijder het deksel van het batterij-/zekeringvak (zie “Het batterij-/zekeringvak
3. Vervang de defecte zekering door een nieuwe van hetzelfde type en dezelfde
nominale spanning. Æ F1-zekering: Φ6,35×32 mm, FF 10 A, H 600 V, breekcapaciteit: 10 kA
4. Plaats het deksel voorzichtig terug op het batterijvak.
Het gebruik van gerepareerde zekeringen of het overbruggen van de ze- keringhouder is om veiligheidsredenen niet toegestaan. Dit kan leiden tot brand of ontplofng. Gebruik de multimeter nooit wanneer het batterij-/ zekeringvak is geopend. De mA/µA-ingang is voorzien van een onderhoudsvrije, resetbare PTC-zekering. U hoeft de zekering in deze ingang niet te vervangen. Wanneer de meter wordt gebruikt voor mA/µA-metingen, maar de meter wordt per ongeluk aangesloten op een hoog-energetische hoogspan- ningsvoeding, dan zal de keramische buiszekering in werking treden en waarschijnlijk doorbranden om de meter te beschermen. In een dergelijk geval moet de doorgebrande keramische buiszekering worden vervan- gen door een nieuwe.185 15 Verwijdering
Alle elektrische en elektronische apparatuur die op de Europese markt wordt gebracht, moet met dit symbool zijn gemarkeerd. Dit symbool geeft aan dat dit apparaat aan het einde van zijn levensduur gescheiden van het ongesorteerd gemeentelijk afval moet worden weggegooid. Iedere bezitter van oude apparaten is verplicht om oude apparaten ge- scheiden van het ongesorteerd gemeentelijk afval af te voeren. Eind- gebruikers zijn verplicht oude batterijen en accu’s die niet bij het oude apparaat zijn ingesloten, evenals lampen die op een niet-destructieve manier uit het oude toestel kunnen worden verwijderd, van het oude toe- stel te scheiden alvorens ze in te leveren bij een inzamelpunt. Distributeurs van elektrische en elektronische apparatuur zijn wettelijk verplicht om oude apparatuur gratis terug te nemen. Conrad geeft u de volgende gratis inlever- mogelijkheden (meer informatie op onze website):
in de door Conrad gemaakte inzamelpunten
in de inzamelpunten van de openbare afvalverwerkingsbedrijven of bij de te- rugnamesystemen die zijn ingericht door fabrikanten en distributeurs in de zin van de ElektroG Voor het verwijderen van persoonsgegevens op het te verwijderen oude apparaat is de eindgebruiker verantwoordelijk. Houd er rekening mee dat in landen buiten Duitsland andere verplichtingen kunnen gelden voor het inleveren van oude apparaten en het recyclen van oude apparaten.186
15.2 Batterijen/accu’s
Verwijder eventueel geplaatste batterijen/accu’s en gooi ze apart van het product weg. U als eindgebruiker bent wettelijk verplicht (batterijverordening) om alle ge- bruikte batterijen/accu’s in te leveren; het weggooien bij het huisvuil is verboden. Batterijen/accu’s die schadelijke stoffen bevatten, zijn gemarkeerd met nevenstaand symbool. Deze mogen niet via het huisvuil worden afge- voerd. De aanduidingen voor de zware metalen die het betreft zijn: Cd = cadmium, Hg = kwik, Pb = lood (de aanduiding staat op de batterijen/ accu’s, bijv. onder de links afgebeelde vuilnisbaksymbool). U kunt verbruikte batterijen/accu’s gratis bij de verzamelpunten van uw gemeente, onze lialen of overal waar batterijen/accu’s worden verkocht, afgeven. U voldoet daarmee aan de wettelijke verplichtingen en draagt bij aan de bescherming van het milieu. Dek blootliggende contacten van batterijen/accu’s volledig met een stukje plakband af alvorens ze weg te werpen, om kortsluiting te voorkomen. Zelfs als batterijen/ accu’s leeg zijn, kan de rest-energie die zij bevatten gevaarlijk zijn in geval van kortsluiting (barsten, sterke verhitting, brand, explosie).187 16 Probleemoplossing De multimeter is ontworpen met behulp van de nieuwste technologie en is veilig in gebruik. Problemen en storingen kunnen echter nog altijd optreden. Deze paragraaf beschrijft hoe u mogelijke problemen kunt oplossen: Neem altijd de veiligheidsinformatie in deze gebruiksaanwijzing in acht. Probleem Mogelijke oorzaak Aanbevolen oplossing De multimeter werkt niet. Is de batterij leeg? Controleer het batterijver- mogen en vervang indien nodig. De gemeten waarde ver- andert niet. Hebt u de verkeerde meetmodus (AC/DC) geselecteerd? Controleer de display (AC/ DC) en selecteer indien nodig een andere modus. Hebt u de verkeerde meetpoorten gebruikt? Controleer of de testkabels zijn aangesloten op de juiste klemmen. Is de houd-functie inge- schakeld? Schakel de houd-functie uit. De multimeter kan geen metingen uitvoeren in het 10 A-bereik. Is de zekering in de 10 A-ingang defect? Controleer de 10A F1-ze- kering. De multimeter kan geen metingen uitvoeren in het mA/µA-bereik. De PTC-zekering was geactiveerd, welke de meetstroom beperkt. Verlaag de meetstroom of schakel over op het 10 A-meetbereik. Onregelmatige meet- weergave binnen het mA/ µA-bereik. De F2-zekering is door- gebrand. Verwijder de doorgebran- de F2-zekering Alle reparaties anders dan die hierboven beschreven, moeten worden uitgevoerd door een bevoegde technicus. Mocht u vragen hebben over de multimeter, kunt u contact opnemen met onze technische helpdesk.188 17 Technische gegevens Display ...........................................................6000 tellingen (cijfers) Meetsnelheid ................................................. ong. 2 - 3 metingen/seconde AC-meetmethode ..........................................Echte RMS, AC-gekoppeld Testkabellengte ..............................................ong. 90 cm Impedantie meten ..........................................≥10MΩ (mV: ≥100MΩ) Afstand meetpoorten ..................................... 19 mm (COM-V) Indicator lage batterij ..................................... Batterijspanning <3,6 ±0,2 V “Gevaarlijke spanning”-indicator ....................≥30 V/AC-DC Alarm “bereik overschreden” .........................≥600 V/AC-DC, >10 A/AC-DC “OL”-alarm (overbelasting) ............................ ≥610 V/AC-DC, ≥10 A/AC-DC of meting >6000 tellingen Automatische uitschakeling ........................... na ongeveer15 minuten (kan handmatig worden gedeacti- veerd) Stroomverbruik (automatisch uit) ...................<50 µA Bedrijfsspanning ............................................ 3x AAA 1,5 V batterijen Bedrijfsomstandigheden ................................ 0 tot +40 °C (<75% RH) Bedrijfshoogte ................................................max. 2000 m boven zeeniveau Opslagtemperatuur ........................................-10 tot 50 ˚C Gewicht ..........................................................ong. 375 g Afmetingen (L x B x H)...................................190 x 90 x 43 mm Meetcategorie ................................................CAT III 600 V Verontreinigingsgraad ....................................2 Bedrijfsomgeving ........................................... gebruik binnenshuis Veiligheidsvoorschriften ................................EN 61010-1 en EN61010-2-033 F1-ZEKERING ............................................... Φ6,35×32 mm, FF 10 A, H 600 V, breekcapaciteit: 10 kA F2-ZEKERING ............................................... Φ5×20 mm, FF 2,5 A, H 700V, breek- capaciteit: min. 300 A189 Meettoleranties Nauwkeurigheid in ± (% van lezing + weergavefout in tellingen (= aantal klein- ste punten)). De nauwkeurigheid is geldig voor één jaar bij een temperatuur van +23 °C ± 5 °C en bij een relatieve vochtigheid van minder dan 75%, niet condense- rend. Temperatuurcoëfciënt: +0,1 x (gespeciceerde nauwkeurigheid)/1 °C buiten het gespeciceerde temperatuurbereik. De nauwkeurigheid van metingen kan worden aangetast wanneer de multimeter wordt gebruikt in een elektromagnetisch veld met hoge frequentie.
Gelijkspanning (V/DC) Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 60,00 mV* 0,01 mV ±(1,2% + 8) 600,0 mV* 0,1 mV ±(0,9% + 8) 6,000 V 0,001 V ±(0,9% + 4)60,00 V 0,01 V 600,0 V 0,1 V *Alleen beschikbaar in modus “mV” Gespeciceerd meetbereik: 5 - 100% van het meetbereik 600 V overbelastingsbeveiliging; Impedantie: 10 MΩ (mV: ≥100 MΩ) De multimeter kan ≤5 tellingen weergeven als een meetingang wordt kortgeslo- ten.
Gelijkspanning (V/DC) LoZ Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 6,000 V 0,001 V ±(1,7% + 7)60,00 V 0,01 V 600,0 V* 0,1 V190 Gespeciceerd meetbereik: 5 - 100% van het meetbereik 600 V overbelastingsbescherming; Impedantie: 400 kΩ (*max. 250 V, 3s) De multimeter kan ≤5 tellingen weergeven als een meetingang wordt kortge- sloten. Na het gebruik van de LoZ-functie dient u de multimeter 1 minuut te laten rusten voordat u deze weer gebruikt.
Wisselspanning (V/AC) Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 60,00 mV* 0,01 mV ±(1,4% + 5) 600,0 mV* 0,1 mV 6,000 V 0,001 V ±(1,3% + 4)60,00 V 0,01 V 600,0 V 0,1 V *Alleen beschikbaar in modus “mV” Gespeciceerd meetbereik: 5 - 100% van het meetbereik Frequentiebereik: 45 - 400 Hz; Overbelastingsbeveiliging: 600 V; Impedantie: 10 MΩ (mV: ≥100 M) De multimeter kan 5 tellingen weergeven als een meetingang wordt kortgesloten TrueRMS-piek (Crest Factor (CF)) ≤3 CF tot 600 V TrueRMS-piek voor non-sinusvormige signalen plus tolerantie: CF >1,0 - 2,0 + 3% CF >2,0 - 2,5 + 5% CF >2,5 - 3,0 + 7%
Wisselspanning (V/AC) LoZ Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 6,000 V 0,001 V ±(2,2% + 7)60,00 V 0,01 V 600,0 V* 0,1 V Gespeciceerd meetbereik: 5 - 100% van het meetbereik Frequentiebereik: 45 - 400 Hz; Overbelastingsbeveiliging: 600 V; Impedantie: 400 kΩ (*max. 250 V, 3s) De multimeter kan 5 tellingen weergeven als een meetingang wordt kortgesloten Na het gebruik van de LoZ functie dient u de multimeter 1 minuut te laten rusten voordat u hem weer gebruikt. TrueRMS piek (crestfactor (CF)) ≤3 CF tot 600 V TrueRMS-piek voor non-sinusvormige signalen plus tolerantie: CF >1,0 - 2,0 + 3%, CF >2,0 - 2,5 + 5% CF >2,5 - 3,0 + 7%
Wisselstroom (A/AC) Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 600,0 µA 0,1 µA ±(1,3% + 4) 6000 µA 1 µA 60,00 mA 0,01 mA 600,0 mA 0,1 mA 6,000A 0,001A ±(1,5% + 4) 10,00A 0,01A ±(1,8% + 7) Gespeciceerd meetbereik: 5 - 100% van het meetbereik Overbelastingsbescherming 600 V; frequentiebereik 45 - 400 Hz Zekeringen: µA/mA = 2x 0,55 A/240 V resetbaar, 1x F2 2,5 A/700 V keramisch, interne weerstand ong. <10 Ω 10 A = Hoogwaardige FF 10 A/600 V keramische zekering ≤ 6 A = continue meting, >6A = max. 30 s op intervallen van 15 minuten De multimeter kan 3 tellingen weergeven als een meetingang open is. TrueRMS piek (crestfactor (CF)) ≤3 CF over het gehele bereik TrueRMS-piek voor non-sinusvormige signalen plus tolerantie: CF >1,0 - 2,0 + 3% CF >2,0 - 2,5 + 5% CF >2,5 - 3,0 + 7%193
Weerstand Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 600,0 Ω* 0,1 Ω ±(1,3% + 4) 6,000 KΩ 0,001 kΩ ±(1,2% + 7)60,00 KΩ 0,01 kΩ 600,0 KΩ 0,1 KΩ 6,000 MΩ 0,001 MΩ ±(1,5% + 4) 60,00 MΩ 0,01 MΩ ±(2,7% +7) 600 V overbelastingsbescherming Meetspanning: Ong. 1,0 V, meetstroom ong. 0,7 mA *Nauwkeurigheid voor meetbereik ≤600 Ω was berekend na aftrek van de kabel- weerstand van de REL-functie
Capaciteit Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 6,000 nF* 0,001 nF ±(4,4% + 9) 60,00 nF* 0,01 nF ±(3,2% + 9) 600,0 nF* 0,1 nF ±(3,2% + 5) 6,000 µF 0,001 µF 60,00 µF 0,01 µF 600,0 µF 0,1 µF 6,000 mF 0,001 mF ±(4,4% + 5) 60,00 mF 0,01 mF ±(7,0% + 5) 600 V overbelastingsbescherming *Nauwkeurigheid voor meetbereik ≤600 nF geldt alleen bij gebruik van de REL-functie194
Pulsbreedte/pulsverhouding (bedrijfscyclus) Bereik Resolutie Nauwkeurigheid 0,1 - 99,9 % 0,1 % ±2,3% Overbelastingsbescherming: 600 V Signaalniveau (zonder gelijkspanningscomponent): ≤100 kHz: 1 mVrms - 20 Vrms Pulsbreedte frequentiebereik: ≤100 kHz
SimpelGids