B 300 R I LPG - Industriële veegmachine Kärcher - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis B 300 R I LPG Kärcher in PDF-formaat.
| Producttype | Gecombineerde industriële veger (nat reinigen en vegen) |
| Merk | Kärcher |
| Model | B 300 R I LPG |
| Afmetingen (L x B x H) | 2490 x 1570 x 1860 mm |
| Leeggewicht | 1775 kg |
| Maximaal toelaatbaar gewicht | 2635 kg |
| Motor | Kubota WG1605-L-E3 (LPG), 4 cilinders, 36 kW / 48 pk bij 2550 tpm |
| Brandstof | LPG (propaan/butaan, propaangehalte ≥ 90%), fles 11 kg |
| Inhoud schoonwatertank | 271 liter |
| Inhoud vuilwatertank | 270 liter |
| Inhoud stofbak | 180 liter |
| Werkbreedte (zonder zijaccessoire) | 1045 mm |
| Werkbreedte (met zijaccessoire) | 1350 mm (1400 mm met zijborstel) |
| Max. werksnelheid | 10,7 km/u |
| Max. snelheid (vooruit) | 12 km/u |
| Max. snelheid (achteruit) | 5 km/u |
| Max. helling (rijrichting) | 12 % |
| Draaicirkel | 3150 mm |
| Accu | 12 V, 80 Ah |
| Geluidsdrukniveau (LpA) | 87 dB(A) |
| Geluidsvermogen (LWA) | 104 dB(A) |
| Veiligheid | Parkeerrem, veiligheidscontact stoel, kantelbeveiliging, noodstop |
| Onderhoud | Dagelijkse lediging stofbak, reinigen filters, controleren niveaus, smeren |
| Accessoires | Borstels, zijborstels, zuigmonden, filters, laadklep |
Veelgestelde vragen - B 300 R I LPG Kärcher
Gebruikersvragen over B 300 R I LPG Kärcher
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Industriële veegmachine in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding B 300 R I LPG - Kärcher en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. B 300 R I LPG van het merk Kärcher.
GEBRUIKSAANWIJZING B 300 R I LPG Kärcher
2 Informatie over het voertuig NL 2
2.1 Reglementair gebruik NL 2
2.2 Algemene aanwijzingen NL 3
3 Veiligheidsinstructies NL 4
3.1 Instructies voor het uitladen/uit-pakken NL 4
3.2 Algemene veiligheidsinstruc-
ties NL 4
3.3 Werkkleding NL 4
3.4 Veiligheidsinstructies voor de bediening NL 4
3.5 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus NL 4
3.6 Veiligheidstechnische richtlijnen voor motorvoertuigen op vloeibaar gas (enkel gasmotor) NL 4
3.7 Veiligheidsinstructies voor de NL 6 verbrandingsmotor
3.8 Veiligheidsinstructies over het transport van het voertuig NL 6
3.9 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud NL 6
3.10 Veiligheidsinrichtingen NL 6
4 Overzicht apparaat NL 7
4.1 Bedieningselementen NL 8
4.2 Waarschuwings- en controle-weergaven NL 8
4.3 Bedieningshendel NL 9
4.4 Functieschakelaar NL 9
5 Ingebruikneming NL 9
5.1 Apparaat uitpakken en uitladen NL 9
5.2 Apparaat schuiven/slepen NL
(zonder zelfaandrijving bewegen) 10
5.3 Algemene aanwijzingen NL 10
5.4 Gasfles monteren/vervangen NL 11
5.5 Dagelijks voor het bedrijfsbegin NL 12
5.6 Chauffeursstoel instellen NL 12
5.7 Stuurwielstand instellen NL 13
5.8 Tanken (dieselmotor) NL 13
6 Werking NL 13
6.1 Rijfunctie NL 14
6.2 Natte reiniging NL 15
6.3 Vegen NL 19
6.4 Apparaat uitzetten NL 20
7 Transport NL 21
7.1 Voertuig beladen voor transport NL 21
7.2 Voertuig wegslepen NL 22
8 Opslag/stillegging NL 22
9 Onderhoud NL 22
9.1 Algemene aanwijzingen NL 22
9.2 Bekledingen NL 22
9.3 Accu NL 23
9.4 Onderhoudsintervallen NL 24
9.5 Controle- en onderhoudswerkzaamheden NL 25
9.6 Borstels vervangen NL 29
9.7 Zijbezems vervangen NL 30
9.8 Reiniging NL 30
9.9 Vervangingswerken NL 34
9.10 Accessoires NL 35
10 Hulp bij storingen NL 35
10.1 Storingen met weergave NL 35
10.2 Storingen zonder indicatie NL 36
12 EU-conformiteitsverklaring NL 39

Lees vóór het eerste gebruik van uw voertuig deze originele gebruiksaanwijzing, ga nave- nant te werk en bewaar ze voor later gebruik of nieuwe eigenaars.

In deze gebruiksaanwijzing worden de begrippen apparaat, voertuig en machine in dezelfde betekenis gebruikt.
2 Informatie over het voertuig
Indien u bij de overdracht van het voertuig gebreken en transportschade vaststelt, meldt u dat best onmiddellijk aan uw handelaar c.q. distributeur.
De op het apparaat aangebrachte waarschuwings- en aanwijzingsborden geven aanwijzingen voor gebruik zonder gevaar.
De B 300 RI is een gecombineerd apparaat voor het nat reinigen en vegen zonder ombouw.
Dit apparaat is geschikt voor bedrijfsmatig en industrieel gebruik, zoals bijvoorbeeld in hotels, scholen, ziekenhuizen, fabrieken, winkels, kantoorgebouwen en verhuurkan- toren.
Afhankelijk van de reinigingsopdracht kunnen verschillende borstels worden gebruikt. Bovendien kan er tussen zijbezemmodule en zijdelingse schrobmodule worden gekozen.
Deze gebruiksaanwijzing beschrijft de maximale aanbouwapparaten en de motorvarianten diesel en gas. Uw apparaat kan hiervan evt. afwijken.
Bij voldoende ventilatie kan de gasvariant (LPG) binnen (hallen en industriële gebouwen) worden gebruikt.
Lees vóór het gebruik van het voertuig de gebruiksaanwijzing zorgvuldig en maak u vertrouwd met de bedieningsinrichtingen en de overige uitrusting.
Het voertuig mag uitsluitend gebruikt worden volgens de voorschriften, zoals dat in deze gebruiksaanwijzing weergegeven en beschreven wordt.
Tot het reglementair gebruik behoort ook de naleving van het voorgeschreven onderhoud.
Het voertuig en de aanbouwapparaten mogen enkel gebruikt, onderhouden en gerepareerd worden door personen, die ermee vertrouwd zijn en geïnformeerd werden over de gevaren die ermee samenhangen.
De algemene, wettelijke voorschriften inzake veiligheid en ongevallenpreventie moeten gerespecteerd worden. Overige geldende veiligheidstechnische en bedrijfsgeneeskundige regels en de wet op het wegverkeer moeten nageleefd worden.
Het bedieningspersoneel moet:
- lichamelijk en mentaal geschikt zijn;
- ingewerkt zijn in de omgang met het voertuig;
- voor het werkbegin de gebruiksaanwijzing gelezen en begrepen hebben;
- de geschiktheid voor het besturen van het voertuig tegenover de exploitant bewezen hebben;
- door de exploitant voor het besturen van het voertuig aangeduid zijn.
Voor het bedrijf op de openbare weg moet het voertuig beantwoorden aan de nationaal geldende richtijnen.
Het apparaat is alleen geschikt voor het/de in de gebruiksaanwijzing genoemde wegdek/ondergrond.
2.1.1 Geschikte bodem voor de reiniging als apparaat voor natte reiniging
■ Industrievloer
■ Estrik
■ Beton
Naast de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzingen moeten de algemene veiligheidsvoorschriften en voorschriften ter vermijding van ongevallen van de wetgever in acht genomen worden.
2.1.2 Geschikte ondergronden voor de reiniging als veegzuigmachine
Asfalt
■ Industrievloer
■ Estrik
■ Beton
■ Klinkers
2.1.3 Werking
- Natte reiniging
Het apparaat wordt gebruikt voor de natte reiniging van vlakke vloeren. Door het instellen van het reinigingsprogramma en de hoeveelheid water kan het apparaat eenvoudig aan de betreffende reinigingsopdracht aangepast worden.
De zijdelingse schrobmodule brengt het veeggoed naar het midden waar het door tegengestelde borstels wordt opgenomen.
De zuigturbine creëert onderdruk en zuigt het vuil in het vuilwaterreservoir.
- Vegen
Als het apparaat voornamelijk voor het vegen wordt gebruikt, is het aan te raden om een speciale veegwals te laten inbouwen en het apparaat met de zijdelingse bezemmodule te laten uitrusten.
Opmerking: Laat de zijdelingse bezemmodule door de klantenservice van Kärcher installeren, aangezien er parameters in de besturing moeten worden veranderd.
De zijdelingse bezemmodule brengt het veeggoed naar het midden. De beide tegengestelde borstels voeren het keergoed naar het vuilreservoir. De zuigturbine vermijdt dat er stof vrijkomt.
Als het vuilreservoir vol is, kan het vanuit de bestuurdersstoel hydraulisch leeggemaakt worden.
2.1.4 Voorzienbaar verkeerd gebruik
Elk niet-reglementair gebruik is verboden. De gebruiker is zelf aansprakelijk voor gevaren die ontstaan door niet-geautoriseerd gebruik.
Het gebruik voor andere dan in deze gebruiksaanwijzing beschreven doeleinden is verboden.
Het vervoeren van personen op het apparaat is niet toegestaan.
U mag geen veranderingen aan het apparaat aanbrengen. Het apparaat niet boven 2000 m hoogte gebruiken.
- Nooit explosieve vloeistoffen, brandbare gassen of onverdunde zuren en oplosmiddelen opvegen/opzuigen! Daartoe behoren benzine, verfverdunner of stookolie die door verwerveling met de zuiglucht explosieve dampen of mengsels kunnen vormen, verder aceton, onverdunde zuren en oplosmiddelen omdat zij op het apparaat gebruikte materialen aantasten.
- Nooit reactieve metaalstoffen (bijv. aluminium, magnesium, zink) opvegen/opzuigen, ze vormen in verbinding met sterk alkalische of zure reinigingsmiddelen explosieve gassen.
- Geen brandbare of glimmende voorwerpen opvegen/opzuigen.
- Het verblijf in de gevarenzone is verboden. Niet gebruiken in ruimtes met ontploffingsgevaar.
2.2 Algemene aanwijzingen
2.2.1 Toebehoren en reserveonderdelen
Gebruik alleen origineel toebehoren en originele reserve-onderdelen. Deze garanderen dat het apparaat veilig en zonder storingen functioneert.
Informatie over het toebehoren en de reserveonderdelen vindt u op www.kaercher.com.
Om risico 's te vermijden, mogen reparaties en het vervangen van onderdelen aan het apparaat alleen worden uitgevoerd door een erkende klantendienst.
2.2.2 Milieubescherming, REACH en afdanking van het oude voertuig
2.2.2.1 Milieubescherming

Het verpakkingsmateriaal is herbruikbaar. De- poneer het verpakkingsmateriaal niet bij het huishoudelijk afval, maar bied het aan voor her- gebruik.

Batterijen, olie, brandstof en gelijkardige stoffen mogen niet in het milieu terechtkomen. Die stoffen moeten via geschikte inzamelsystemen afgevoerd worden.
2.2.2.2 Stoffen (REACH)
Actuele informatie over stoffen vindt u onder:
2.2.2.3 Afdanking van het oude voertuig
Oude voertuigen bevatten waardevolle recyclebare materialen die moeten worden hergebruikt. Wij adviseren om bij de afdanking van uw voertuig samen te werken met een gespecialiseerd afvalverwerkingsbedrijf.
2.2.3 Garantie
In elk land gelden de door onze bevoegde distributieven- nootschap opgestelde garantiebepalingen. Storingen en defecten aan uw voertuig verhelpen wij binnen de garanti- eperiode kostenlos, voor zover deze door een materi- aal- of productiefout werden veroorzaakt. Gelieve u daarvoot te wenden tot uw Kärcher-handelaar of een Kär- cher-distributeur.
2.2.4 Symbolen in de gebruiksaanwijzing
⚠ GEVAAR
Waarschuwt voor een direct dreigend gevaar, dat tot ernstige lichamelijke letsels of de dood leidt.
⚠ WAARSCHUWING
Waarschuwt voor een mogelijk gevaarlijke situatie, die tot ernstige lichamelijke letsels of de dood zou kunnen leiden.
⚠VOORZICHTIG
Verwijzing naar een mogelijk gevaarlijke situatie, die tot lichte letsels of materiële schades kan leiden.
- Rijden met opgeheven vuilreservoir (hopper) is verboden.
- Gebruik het apparaat niet zonder bescherming tegen vallende voorwerpen in bereiken waar de mogelijkheid bestaat dat de bediener wordt geraakt door vallende voorwerpen.
- Niet reinigen zonder geplaatste borstels, afdichtlippen of zuiglippen.
LET OP
Verwijzing naar een mogelijke gevaarlijke situatie die tot materiele schade kan leiden.
2.2.5 Symbolen op het voertuig

Draag gehoorbescherming.

Werkzaamheden aan het apparaat altijd met geschikte handschoenen uitvoeren.

Knelgevaar door vastklemmen tussen bewe- gende voertuigonderdelen

Verwondingsgevaar door bewegende onder- delen. Niet erin grijpen.

Verbrandingsgevaar door hete oppervlakken! Laat de uitlaatinstallatie voldoende afkoelen voordat u aan het apparaat begint te werken.

Brandgevaar! Geen brandende of glimmen- de voorwerpen opzuigen.

Vergiftigingsgevaar! Uitlaatgassen niet in- ademen.

Er mogen enkel hellingen en dalingen in rijrichting tot 12% bereden worden.

Maximale helling van de ondergrond bij ritten met opgetild veeggoedreservoir.

Vastsjorpunt

Opnamepunt voor krik / heftafels
3 Veiligheidsinstructies
3.1 Instructies voor het uitladen/uitpakken
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar, beschadigingsgevaar!
→ Het voertuig is niet toegelaten voor kraanbelading.
→ Gebruik geen vorkheftruck voor het laden/lossen van het voertuig.
→ Het verpakkingsmateriaal (plastiekzakjes, polystyrol, enz.) is een potentiële bron van gevaar en mag niet in de handen van kinderen terechtkomen.
→ Apparaat voorzichtig uitpakken en hiervoor geen gereedschap gebruiken dat het apparaat kan beschadigen. Na het uitpakken controleren of het apparaat volledig is en werkt. Indien dat niet het geval is, de klantenservice contacteren.
3.2 Algemene veiligheidsinstructies
- Het voertuig met de werkvoorzieningen moet voor gebruik gecontroleerd worden op reglementaire toestand en bedrijfsveiligheid. Als het voertuig zich niet in een perfecte toestand bevindt, mag het niet gebruikt worden.
- Bij het gebruik van het voertuig in gevaarlijke bereiken (bv. tankstations) moeten de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften in acht genomen worden. Het is verboden om het voertuig in explosiegevaarlijke ruimten te gebruiken.
- Zet ter beveiliging tegen onbedoelde inbedrijfstelling de sleutelschakelaar op „0“ en verwijder de sleutel.
- De contactsleutel van het voertuig mag alleen beschikbaar zijn voor geïnstrueerd bedienings-, reinigings- of onderhoudspersoneel.
3.3 Werkkleding
– Draag bij het uitvoeren van werkzaamheden aan het voertuig altijd geschikte handschoenen.
- Let op nauw aansluitende kledij van het bedieningspersoneel, draag veiligheidsschoenen.
- Draag geschikte hoofdbedekking zodat staarten of lange haren niet kunnen worden gegrepen door roterende onderdelen.
– Draag tijdens het werk geen juwelen, ringen e.d.
3.4 Veiligheidsinstructies voor de bediening
- De bediener moet het voertuig op reglementaire wijze gebruiken. Hij moet rekening houden met de plaatselijke omstandigheden en tijdens de werkzaamheden op derden, in het bijzonder kinderen.
- Laat het voertuig nooit zonder toezicht achter zolang de motor draait. De bediener mag het voertuig pas verla- ten als de motor uitgezet is en het voertuig tegen onbe- doelde bewegingen beveiligd is. Bedien indien nodig de parkeerrem en verwijder de contactsleutel.
- Sluit de gaskleppen na elk gebruik.
- Het voertuig mag enkel gebruikt worden door personen die ingewerkt zijn in de hantering, hun capaciteiten voor het bedienen hebben bewezen en uitdrukkelijk met het gebruik zijn belast.
- Het voertuig mag niet door kinderen of niet-ingewerkte personen gebruikt worden.
- Dit apparaat is niet ervoor gedacht, door personen (inclusieve kinderen) met beperkte fysieke, sensorische
of geestelijke mogelijkheden of door gebrek aan ervaring en/of door gebrek aan kennis te worden benut.
- Kinderen moeten onder toezicht staan om te garanderen dat ze niet met het voertuig spelen.
- Open de kap of zijbekledingen niet bij een draaiende motor.
3.5 Veiligheidsinstructies voor de rijmodus
⚠ GEVAAR
Kantelgevaar!
→ Er mogen enkel hellingen en dalingen in rijrichting tot 12% bereden worden.
→ In bochten langzaam rijden.
→ Kantelgevaar bij onstabiele ondergrond.
→ Kantelgevaar bij de zijwaartse hellingen.
→ Slipgevaar bij natte bodems.
- De voor motorrijtuigen voorgeschreven maatregelen, regels en verordeningen dienen altijd te worden opgevolgd.
- Het voertuig mag niet door kinderen of jongeren gebruikt worden.
- Om een onbevoegd gebruik van het voertuig te verhinderen, moet de contactsleutel verwijderd worden.
- Voor elk gebruik moet de veiligheidscontrole in het hoofdstuk „Inbedrijfstelling“ uitgevoerd worden.
- Alle bedieningshendels en schakelaars moeten voor het starten van de motor in de neutrale stand staan. De bestuurder moet bij het starten op de bestuurdersstoel zitten. Het rijpedaal mag tijdens de startprocedure niet gebruikt worden.
- Het voertuig mag enkel vanop de bestuurdersstoel in beweging gezet worden.
– Niet reinigen zonder geplaatste borstels, afdichtlippen of zuiglippen.
- Bij storingen in het remsysteem, voertuig uitzetten en klantenservice contacteren.
3.6 Veiligheidstechnische richtlijnen voor motorvoertuigen op vloeibaar gas (enkel gasmotor)
Hauptverband der gewerblichen Berufsgenossenschaften e.V. (HVBG, Hoofdverbond van de industriële beroepsgenootschappen, zorgt voor werknemersbescherming). Vloeibare gassen (drijfgassen) zijn butaan en propaan of butaan/propaan-mengsels. Ze worden in speciale flessen geleverd. De bedrijfsdruk van deze gassen is afhankelijk van de buitentemperatuur.
⚠ GEVAAR
Explosiegevaar!
Behandel vloeibaar gas niet zoals benzine. Benzine ver- dampt langzaam, vloeibaar gas wordt onmiddellijk gasvormig. Het gevaar van vergassing en ontsteking van de ruimte is dus bij vloeibaar gas groter dan bij benzine.
VOORZICHTIG
Alleen lpg-gasflessen gebruiken die met aandrijfgas zijn gevuld conform de kwaliteitseisen van DIN 51622.
Het gebruik van huishoudgas en campinggas is principieel verboden.
De vloeistofmengsels kunnen naargelang van de gasmotor verschillen. De goedgekeurde vloeistofmengsels zijn terug te vinden in de technische gegevens.
3.6.1 Verplichtingen van de bedrijfsleiding en de werknemers
- Alle personen die vloeibaar gas hanteren, zijn verplicht kennis te nemen van de informatie over de eigenschappen van vloeibare gassen, om een veilige bedrijfsvoering te kunnen garanderen. Deze publicatie dient steeds aanwezig te zijn.
3.6.2 Onderhoud door vakkundige personen
- Drijfgasinstallaties dienen regelmatig, tenminste één keer per jaar, door een vakkundig persoon op werking en dichtheid gecontroleerd te worden (volgens BGG 936).
- De controle dient schriftelijk te worden vastgelegd. Aan de controle liggen de § 33 en § 37 UVV "Verwendung von Flüssiggas" (gebruik van vloeibaar gas, BGV D34) ten grondslag.
- Als algemene voorschriften gelden de richtlijnen van de Duitse Verkeersminister voor de controle van voertui-gen waarvan de motoren op vloeibare gassen lopen.
3.6.3 Inbedrijfstelling/gebruik
- Het gas mag steeds maar uit één fles tegelijk worden getapt. Wordt het gas uit meerdere flessen tegelijk gehaald, kan het gebeuren dat het vloeibare gas uit een fles in een andere loopt. Daardoor zou de overvulde fles na het sluiten van het ventiel (zie B. 1 van deze richtlijnen) blootstaan aan een ontoelaatbare drukstijging.
- Bij het inbouwen van de volle fles bevindt zich de mar- kering voor de juiste positie van de fles "onder" (aan- sluit-schroefdraad wijst loodrecht naar beneden).
Het wisselen van gasfles dient zorgvuldig te geschieden. Bij het in- en uitbouwen moet de gasuitgangsnippel van het flesventiel door een met een sleutel vast aangedraaide afsluitmoer zijn afgedicht.
- Ondichte gasflessen mogen niet meer worden gebruikt. Ze dienen met inachtneming van alle voorzorgsmaatregelen direct in de open lucht door afblazen te worden leeggemaakt en dan als ondicht te worden gekenmerkt. Bij het afleveren of ophalen van beschadigde flessen dient de uitlener of diens representant (tankbediende bijv.) direct schriftelijk van de bewuste schade op de hoogte te worden gebracht.
- Voordat de gasfles wordt aangesloten, dient de aan-sluitnippel op deugdelijkheid gecontroleerd te worden.
- Na het aansluiten van de fles moet deze met schuimvormende middelen op dichtheid gecontroleerd worden.
- De ventielen dienen langzaam te worden geopend. Het openen en sluiten mag niet met behulp van slagge-reedschap plaatsvinden.
– Bij een brand met vloeibaar gas uitsluitend met droog koolzuur of met koolzuurgas blussen.
- De gehele vloeibaar-gas-installatie dient voortdurend op bedrijfsveiligheid en in het bijzonder op dichtheid gecontroleerd te worden. Het gebruik van het voertuig met een ondichte gasinstallatie is verboden.
- Voor het losmaken van de buis- c.q. slangverbinding dient het flesventiel te worden gesloten. De aansluitmoer aan de fles komt langzaam en eerst maar weinig los, omdat anders het gas dat zich nog in de leiding bevindt en onder druk staat spontaan zou uittreden.
- Als het gas uit een grote container wordt getankt, dan dienen de eenduidige voorschriften bij de betreffende groothandel in vloeibaar gas te worden opgevraagd.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
- Vloeibaar gas in vloeibare vorm geeft wonden door bevriezing op de blote huid.
- Na de demontage moet de sluitmoer vast op de aan-sluit-schroefdraad van de fles worden geschroefd.
- Om de dichtheid te controleren dienen zeepwater, Nekal-oplossing of een ander schuimend middel te worden gebruikt. Het aflichten van de vloeibaar-gasin-stallatie met een open vlam is verboden.
- Bij het wisselen van losse installatie-onderdelen dienen de inbouw-voorschriften van de fabrikant in acht te worden genomen. Daarbij dienen fles- en hoofdafsluitventielen te worden gesloten.
- Er dient voortdurend toezicht te worden gehouden op de toestand van de elektrische installatie van de vloeibaar-gasvoertuigen. Vonken kunnen bij lekkages van de gasvoerende installatie-onderdelen explosies veroorzaken.
- Wanneer een vloeibaar-gasvoertuig langere tijd heeft stilgestaan, dient de garage voor de inbedrijfstelling van het voertuig of van de bijbehorende elektrische installatie grondig geventileerd te worden.
- Ongevallen in verband met gasflessen of met de vloeibaargas-installatie dienen direct aan de „Berufsgenossenschaft“ (arbo-dienst) of het bevoegde „Gewerbeaufsichtsamt“ (branche-inspectie) te worden gemeld. Beschadigde onderdelen dienen tot aan het einde van het onderzoek te worden bewaard.
3.6.4 In de garages en opslagruimtes en de reparatie-werkplaatsen
- De opslag van drijfgas- c.q. vloeibaargasflessen dient volgens de Vorschriften TRF 1996 (Technische regels vloeibaargas, zie DA bij de BGV D34, Bijlage 4) te worden uitgevoerd.
- Gasflessen dienen staand te worden bewaard. Open vuur en roken zijn bij de opslag van containers en tijdens de reparatie niet toegestaan. In de open lucht opgeslagen flessen dienen tegen onbevoegde toegang te zijn beveiligd. Lege flessen dienen te allen tijde zijn dichtgedraaid.
- De fles- en hoofdafsluitventielen dienen direct na het in de garage zetten van het motorrijtuig te worden dichtgedraaid.
- Voor de ligging en uitvoering van de garages voor vloeibaargas-voertuigen gelden de bepalingen van de Reichsgaragenordnung (rijksgarageverordening) en de betreffende Landes-Bauordnung (provinciale bouwverordening).
- De gasflessen dienen in speciale, van de garages gescheiden ruimtes te worden opgeslagen (zie DA bij de BGV D34, bijlage 2).
- De in de ruimtes gebruikte elektrische looplampen dienen van een gesloten, afgedichte overstolp en van een sterke veiligheidskooi te zijn voorzien.
- Bij werkzaamheden reparatiewerkplaatsen dienen de fles- en hoofdafsluitventielen te worden gesloten en de drijfgasflessen tegen overmatige warmte te worden afgeschermd.
- Voor werkpauzes en voor beëindiging van de werkzaamheden dient een verantwoordelijke te controleren of alle ventielen, en vooral flesventielen, zijn gesloten. Werkzaamheden met vuur, in het bijzonder las- en snijwerkzaamheden, mogen niet in de buurt van drijfgasflessen worden uitgevoerd. Drijfgasflessen mogen niet in de werkplaatsen worden opgeslagen, ook niet wanneer ze leeg zijn.
- De garages, opslagruimtes en werkplaatsen dienen goed geventileerd te zijn. Let er hierbij op, dat vloeibare gassen zwaarder zijn dan lucht. Ze concentreren zich op de vloer, in werkputten en andere verlaagde plaatsen in de vloer en kunnen hier voor explosieve gas-lucht-mengsels zorgen.
3.7 Veiligheidsinstructies voor de verbrandingsmotor
→ Voor de inbedrijfstelling de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant lezen en in het bijzonder de veiligheids-instructies in acht nemen.
GEVAAR
Brand- en explosiegevaar!
→ Gebruik enkel de in de gebruiksaanwijzing vermelde brandstof. Bij gebruik van ongeschikte brandstoffen bestaat explosiegevaar (zie hoofdstuk „Technische gegevens“).
→ Let er bij het tanken op dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt.
GEVAAR
Vergiftigingsgevaar!
→ B 300 RI LPG (gasmotor)
Het voertuig mag alleen binnen worden gebruikt als er voldoende ventilatie is en als de uitlaatgassen worden afgevoerd.
→ B 300 RI D (dieselmotor)
Het is verboden het voertuig binnen te gebruiken.
→ Uitlaatgassen zijn schadelijk voor de gezondheid, ze mogen niet worden ingeademd.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ De uitlaatopening van de verbrandingsmotor mag niet afgesloten worden.
→ De motor heeft ca. 3 seconden naloop nodig na het uitzetten. Tijdens deze periode absoluut uit de buurt blijven van het aandrijfbereik.
→ Verwondingsgevaar door onbeschermd ventilatorwiel
⚠ GEVAAR
Verbrandingsgevaar!
→ Raak een hete verbrandingsmotor niet aan!
→ Laat het voertuig afkoelen vooraleer de bekledingen worden weggenomen.
→ Buig niet over / grijp niet in de uitlaatopening.
⚠ GEVAAR
Verbrandingsgevaar!
→ Open nooit het deksel van de koeler op bedrijfstemperatuur. Het vat staat onder druk.
3.8 Veiligheidsinstructies over het transport van het voertuig
→ Bij het transport van het voertuig moet de motor uitgezet en het voertuig veilig op de vastzetpunten bevestigd worden. Hiervoor wordt verwezen naar het hoofdstuk „Transport“.
3.9 Veiligheidsinstructies over verzorging en onderhoud
- Voor de reiniging en het onderhoud van het voertuig, de vervanging van onderdelen of de omschakeling naar een andere functie moet het apparaat uitgeschakeld en de sleutel eventueel verwijderd worden.
- Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerkplaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betreffende veiligheidsvoorschriften vertrouwd zijn.
- Neem de veiligheidscontrole volgens de lokaal geldende voorschriften voor mobiele, industrieel gebruikte voertuigen in acht.
- Koellamellen, hydraulische slangen en kleppen, dichtingen, elektrische en elektronische onderdelen mogen niet met de hogedrukreiniger gereinigd worden.
3.10 Veiligheidsinrichtingen
⚠ GEVAAR
Veiligheidsinrichtingen dienen ter bescherming van de gebruiker en mogen niet veranderd of omzeild worden. Dit voertuig is met verschillende veiligheidssystemen uitgerust.
- Parkeerrem
- Contactschakelaar in de bestuurdersstoel
4 Overzicht apparaat

text_image
KARCHER 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 KARCHER1 Linker motorafdekking
2 Motorkap
3 Schoonwaterreservoir
4 Afdekking, elektronica
5 Zwaailicht
6 Bekleding
7 Hoogleging
8 Zuigturbine,vegen
9 Stoffilters, vegen
10 Stootrand
11 Kwielen
12 Vuilreservoir (van buiten niet zichtbaar)
13 Zuigbalk
14 Stootrand
15 Schraaplip
16 Achterwiel
17 Afdichtlijst natte reiniging
18 Aftapslang schoon water
1 Bestuurdersstoel
2 Stuurwiel
3 Achteruitkijkspiegel
4 Schijnwerper
5 Stootrand
6 Sleepoog
7 Voorwielaandrijving
8 Zijdelingse bezemmodule
9 Transportbeveiliging, zijdelingse bezemmodule
10 Gaspedaal
11 Afdichtlijst natte reiniging
12 Gasvariant: Vak voor accu en gasfles
Dieselvariant: Vak voor accu en brandstoftank
13 Achterwiel
14 Aftapslang vuil water
15 Afdekking, vlak harmonicafilter en zuigturbine vor natzuigen
4.1 Bedieningselementen

6 Waarschuwings- en controleweergaven
7 Bedieningshendel
8 Parkeerrem
9 Hendel motortoerental (dieselvariant) Potentiometer motortoerental (gasvariant)*
10 Indicatielampje (klep vuilreservoir)
11 Waterdosering, zijdelingse schrobmodule
12 Waterdosering, borstelwals
Tip
Alle bedieningselementen worden later nog nader beschreven.
4.2 Waarschuwings- en controleweergaven

text_image
9 10 11 12 8 7 6 5 4 3 8:00' 8:00' 8:00' 8:00' 13 14 15 16 17 18 2 1 22 21 20 19Tip
Bij het inschakelen van het contact branden kortstondig alle waarschuwings- en controlelampjes. Dit dient als controle van de indicatoren.
1 Waarschuwingslampje brandstofreserve minimum (alleen dieselmotor)
2 Controlelampje vuilreservoir leegmaken
3 Controlelampje knipperlicht links
4 Waarschuwingslampje motorproblemen
5 Waarschuwingslampje motortemperatuur
6 Vulpeil brandstofreserve (alleen dieselmotor)
7 Controlelampje zuigturbine aan
8 Controlelampje voorgloeien (alleen dieselmotor)
9 Waarschuwingslampje motoroliedruk
10 Positielicht (alleen bij toelating op openbare wegen)
11 Controlelampje dimlicht
12 Waarschuwingslampje laadcontrole batterij
13 Koelwatertemperatuur motor
14 Waarschuwingslampje dynamo/motorstoring
15 Controlelampje parkeerrem
16 Controlelampje vegen
17 Controlelampje knipperlicht rechts
18 Controlelampje vuilwaterreservoir gevuld
19 Toerental motor
20 Controlelampje vulpeil verswaterreservoir minimum
21 Bedrijfsurenteller
22 Controlelampje vulling gasflessen minimum (alleen gasmotor)
4.3 Bedieningshendel

1 Borstelaandrukkracht
2 Hefboom stuurwielverstelling
3 Borstels in-/uitschakelen
4 Zijdelingse bezemmodule optillen/neerlaten
5 Hoge afvoer van het vuilreservoir optillen/neerlaten
6 Klep van het vuilreservoir openen/sluiten
4.4 Functieschakelaar

text_image
1 2 3 4 5 6 7 8 91 Stuurwiel
2 Multifunctionele hendel
voor verlichting, knipperlichten en claxon
3 Niet bezet
4 Niet bezet
5 Filterreiniging voor stoffilter
6 Niet bezet
7 Niet bezet
8 Schakelaar waterpomp
9 Schakelaar voor reinigingstype: Vegen of schrobben Stand voor: reinigingstype schrobben, de zuigbalk daalt en de zuigturbine wordt ingeschakeld.
Stand achter: Reinigingstype vegen, de veegblazer wordt ingeschakeld. De zuigbalk blijft bovenaan.
Stand midden: uitgeschakeld
5 Ingebruikneming
5.1 Apparaat uitpakken en uitladen
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar, beschadigingsgevaar!
→ Het voertuig is niet toegelaten voor kraanbelading.
→ Gebruik geen vorkheftruck voor het laden/lossen van het voertuig.
→ Het verpakkingsmateriaal (plastiekzakjes, polystyrol, enz.) is een potentiële bron van gevaar en mag niet in de handen van kinderen terechtkomen.
→ Apparaat voorzichtig uitpakken en hiervoor geen gereedschap gebruiken dat het apparaat kan beschadigen. Na het uitpakken controleren of het apparaat volledig is en werkt. Indien dat niet het geval is, de klantenservice contacteren.
→ Zie voor instructies voor het verschuiven/slepen van het apparaat een later hoofdstuk.
→ Neem bij het laden het gewicht van het voertuig in acht!
5.2 Apparaat schuiven/slepen (zonder zelfaandrijving bewegen)

text_image
close open 1 2
Voor het schuiven/slepen van het apparaat moet eerst de vrijloop (bypass) van de hydraulische pomp worden geopend.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ Beveilig het apparaat voor het openen van de vrijloop tegen wegrollen.
Tip
Rijaandrijving is buiten werking.
Remwerking is niet meer voorhanden.
⚠VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar van de hydrostatische asaandrijving!
→ Apparaat zonder eigen aandrijving niet over lange afstanden en niet sneller dan 5 km/h bewegen.
1 Hydraulische pomp
2 Schroef voor vrijloop (bypass)
→ Motorafdekking openen.
→ Schroef voor vrijloop minstens 1/2 omdraaiing openen (tegen de klok in).
→ Na het verschuiven/slepen van het apparaat de schroef voor de vrijloop opnieuw tot aan de aanslag terugdraaien (met de klok mee).
1 Sleepoog
→ Voor het slepen het sleepoog vooraan op het apparaat aanbrengen.
5.3 Algemene aanwijzingen
→ Voor de inbedrijfstelling de gebruiksaanwijzing van de motorfabrikant lezen en in het bijzonder de veiligheids-instructies in acht nemen.
→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Contactsleutel uitnemen.
→ Parkeerrem vastzetten.
5.4 Gasfles monteren/vervangen

text_image
KARCHER Professional 1 2 3 4 5 6
text_image
UN 1960 Propan 1 2 3 4GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ Veiligheidstechnische richtlijnen voor vloeibaar gasmotorvoertuigen in acht nemen.
→ IJsvorming en schuimend-gele afzettingen op de gasfles duiden op een lek.
→ De flessen mogen alleen door hierin geenstrueerde personen worden uitgevoerd.
→ Drijfgasflessen mogen niet in garages en niet in ruimtes onder de aarde worden gewisseld.
→ Bij het wisselen van de flessen niet roken en geen open verlichting gebruiken.
→ Bij het wisselen van de fles het afsluitventiel van de vloeibaargasfles stevig dichtdraaien en afschermkap direct op de lege fles plaatsen.
⚠ WAARSCHUWING
Er dienen alleen goedgekeurde ruilflessen van 11 kg inhoud te worden gebruikt.
VOORZICHTIG
Het gebruik van huishoudgas en campinggas is principieel verboden.
Vloeistofmengsels van propaan en butaan zijn toegestaan. Het propaangehalte moet ten minste 90% zijn.
LET OP
Gas-aftapventiel pas openen voor het starten van het apparaat (zie hoofdstuk "Werking | rijmodus").
Gas-aftapventiel openen door tegen de wijzers van de klok te draaien.
Gasfles leeg - gasfles vervangen
1 Bekleding
2 Sluiting
naar onderen drukken om te openen
3 Beugelsluiting
4 Gasfles
5 S t e u n
6 Deksel met bestuurdersstoel
→ Deksel naar boven klappen en met steun borgen.
→ Sluiting openen en bekleding naar buiten zwenken.
→ Gas-aftapventiel sluiten door met de wijzers van de klok mee te draaien.
→ Gasslang losdraaien (sleutelwijdte 30 mm).
→ Beschermkap op aansluitventiel van de gasfles schroeven.
→ Beugelsluiting openen.
→ Neem de lege gasfles weg.
Gasfles vervangen
1 Gas-aftapventiel
2 Beschermkap
3 Gasslang met wartelmoer
4 Opname van de gasfles
→ Gasfles in de opname plaatsen.
Tip
Inbouwpositie van de gasfles in acht nemen! Aansluiting c.q. ringopening moet naar beneden wijzen.
→ Beugelsluiting dichtmaken.
→ Beschermkap van het aansluitventiel van de gasfles schroeven.
→ Gasfles op het aansluitventiel van de gasfles schroeven (sleutelwijdte 30 mm)
5.5 Dagelijks voor het bedrijfsbegin
→ Vloeistofpeil van de brandstoftank controleren.
→ Motoroliepeil controleren.
→ Koelwaterpeil in het expansievat controleren.
→ Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren.
→ Luchtfilter van de verbrandingsmotor controleren / reinigen
→ Veeggoedcontainer legen.
→ Vuilwatertank leegmaken.
→ Indien nodig verswaterreservoir vullen.
→ Borstels controleren op slijtage en beschadiging.
→ Zuiglippen van de zuigbalk controleren op slijtage en beschadiging.
→ Water- en zuigsysteem controleren / reinigen.
→ Werking van alle bedieningsonderdelen controleren.
→ Apparaat op beschadigingen controleren.
→ Stoffilter met de toets Filterreiniging reinigen.
Instructie: Beschrijving zie hoofdstuk Reparaties en onderhoud.
→ Bij kans op vorst controleren of er voldoende antivries-middel in het koelwater zit.
→ Dieselmotor
Onder een buitentemperatuur van 6 °C mag alleen winterdiesel gebruikt worden, omdat anders door vlokvorming van de dieselcomponenten problemen ontstaan bij de inbedrijfneming.
5.6 Chauffeursstoel instellen

text_image
1 2 3 4⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar!
→ Stel de bestuurderstoel niet in tijdens het rijden.
1 Stoelverstelling lengterichting.
2 Deksel met bestuurdersstoel
3 Verstelling rugleuning
4 Demping / instelling bestuurdersgewicht
5.7 Stuurwielstand instellen

text_image
1→ Stel de stuurwielpositie niet in tijdens het rijden.
1 Hendel, stuurwiel hellingsverstelling
→ Hendel van de stuurwielverstelling openen.
→ Stuurwiel op gewenste positie zetten.
→ Hendel van de stuurwielverstelling sluiten.
⚠ GEVAAR
Explosiegevaar!
→ Niet in gesloten ruimtes tanken.
→ Roken en open vuur is verboden.
→ Let erop dat er geen brandstof op hete oppervlakken komt.
1 Deksel met bestuurdersstoel
2 S t e u n
3 Tanksluiting
4 Brandstoftank
→ Motor uitzetten.
→ Deksel naar boven klappen en met steun borgen.
→ Tankdop openen.
→ Diesel tanken.
→ Pistool van brandstofvulslang zo ver mogelijk in de vulpijp stoppen. Zodra het volgens voorschrift gebruikte pistool van de brandstofvulslang voor de eerste keer afslaat, dan niet meer verder tanken.
→ Overgelopen brandstof wegvegen en vuldop van brandstoftank sluiten.
5.8.1 Tanken met jerrycan
- Hoeveelheid brandstof van te voren schatten, om over- lopen te verhinderen.
6 W e r k i n g
⚠ GEVAAR
Verbrandingsgevaar, knelgevaar!
→ Gebruik het voertuig enkel wanneer alle bekledingen aangebracht zijn.
⚠ WAARSCHUWING
Beschadigingsgevaar door oververhitte hydraulische olie of motor!
Zet bij een te hoge hydraulische-olietemperatuur of een te hoge koelwatertemperatuur het motortoerental op nul (zet de motor niet uit) en voer de maatregelen uit het hoofdstuk „Storingen“ uit.
Beschadigingsgevaar door ontbrekende smering!
→ Schakel de motor onmiddellijk uit wanneer tijdens het bedrijf het waarschuwingslampje Oliedruk oplicht en los de storing op.
⚠ GEVAAR
Langere gebruiksduur van het apparaat kan door de trillingen leiden tot doorbloedingsstoornissen in de handen.
Een algemeen geldende duur voor het gebruik kan niet vastgelegd worden aangezien die afhangt van verschillende factoren:
- persoonlijke neiging tot slechte doorbloeding (vaak koude vingers, kriebelen van de vingers).
– Lage omgevingstemperatuur. Warme handschoenen dragen ter bescherming van de handen. - Stevig vasthouden hindert de doorbloeding.
- Ononderbroken werking is slechter dan een werking met pauzen.
Bij een regelmatig, langdurig gebruik van het apparaat en bij herhaaldelijk optreden van die symptomen (bijvoorbeeld kriebelen van de vingers, koude vingers) bevelen wij een medisch onderzoek aan.
6.1 Rijfunctie

6 Waarschuwings- en controleweergaven
7 Bedieningshendel
8 Parkeerrem
9 Hendel motortoerental (dieselvariant)
Potentiometer motortoerental (gasvariant)*
10 Indicatielampje (klep vuilreservoir)
11 Waterdosering, zijdelingse schrobmodule
12 Waterdosering, borstelwals
6.1.1 Rijpedaal
Met het gaspedaal kan voorwaarts en achterwaarts worden gereden.
Als het gaspedaal wordt losgelaten, vertraagt c.q. stopt de hydrostatische aandrijving het voertuig.
6.1.2 Parkeerrem
De parkeerrem stopt de achterwielen en werkt via een bowdenkabel. Als de remwerking slechter wordt, kan ze op de hendel met een instelschroef worden afgesteld. De remschoenen mogen alleen door de klantenservice van Kärcher worden vervangen.
6.1.3 Rempedaal
Het rempedaal activeert het remsysteem van de achterwielen. De remmen worden automatisch correct ingesteld. Hiervoor zijn geen instelwerkzaamheden vereist.
6.1.4 Gastoevoer openen (gasmotor)

Gaspedaal altijd voorzichtig en langzaam induwen. Niet schokkend van achteruit- naar vooruitrijden omschakelen en omgekeerd.
LET OP
Van tijd tot tijd moet de remwerking van de parkeerrem worden gecontroleerd. De remwerking is in orde als het voertuig op een helling van 16° tot stilstand wordt gebracht.
De bediening verloopt hydraulisch, daarom moet er steeds worden voor gezorgd dat er genoeg remvloeistof in het oliereservoir is.
1 Gas-aftapventiel
→ Gas-aftapventiel openen door tegen de wijzers van de klok te draaien.
6.1.5 Motor starten
LET OP
→ Controleer of de borstels zijn opgetild.
→ Alle 4 bedieningshendels moeten in het midden staan.
→ Gaspedaal tijdens het starten niet indrukken!
→ Op de chauffeursstoel plaatsnemen.
→ Parkeerrem bedienen.
→ Motortoerental instellen op ca. 75% van het maximale toerental.
→ Contactsleutel in het contactslot steken.
→ Draai de contactsleutel op Ontsteking in (stand I).
Tip
Dieselmotor: Het controlelampje voorgloeien brandt.
→ Als het controlelampje voorgloeien dooft, de contactsleutel op Motor starten (positie II) draaien en vasthouden tot de motor gestart is (max. 10 seconden).
→ Laat de contactsleutel los. De contactsleutel gaat naar positie I.
→ Bij omgevingstemperaturen onder 0°C: Voordat met de werkzaamheden wordt gestart, de motor met een laag motortoerental warmdraaien.
Tip
Herhaal het startproces als de motor niet start.
6.1.6 Rijden
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar, verwondingsgevaar!
→ Als tijdens het bedrijf de zijbezem draait, moet het zwaailicht worden ingeschakeld.
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar!
→ Rijden met opgetild vuilreservoir is verboden!
⚠VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
→ Laat de motor voor het vertrekken of belasten van het voertuig voldoende warmdraaien.
→ Gaspedaal altijd voorzichtig en langzaam induwen. Niet schokkend van achteruit- naar vooruitrijden omschakelen en omgekeerd.
→ Parkeerrem losmaken.
→ Langzaam op het gaspedaal drukken.
→ Rijrichting met het stuurwiel regelen.
6.1.6.1 Vooruit rijden
→ Gaspedaal "vooruit" langzaam indrukken.
6.1.6.2 Achteruit rijden
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ Bij het achteruitrijden mag geen gevaar voor derden bestaan, eventueel laten inwerken.
→ Gaspedaal "achteruit" langzaam indrukken.
6.1.6.3 Rijgedrag
- De rijsnelheid wordt met het gaspedaal traploos gere- geld.
- Vermijd schokkende bewegingen met het pedaal aangezien de hydraulische installatie beschadigd kan raken.
6.1.6.4 Remmen / stoppen
→ Laat het gaspedaal los, het apparaat remt zelfstandig en blijft staan.
→ Bedien het rempedaal voor een sterkere remwerking of in geval van nood.
6.1.6.5 Over hindernissen heen rijden
LET OP
Er mag niet over voorwerpen of vrijstaande hindernissen gereden worden; deze mogen ook niet verschoven worden.
→ Vaste hindernissen mogen alleen met een geschikt platform bereden worden.
6.2 Natte reiniging
⚠VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
→ De geplaatste borstel moet geschikt zijn voor de reiniging van de bodem.
→ Borstels niet stilstaand gebruiken.
LET OP
Om een optimaal reinigingsresultaat te krijgen, moet de rij-snelheid aan de omstandigheden aangepast worden.
Natte reiniging is heel eenvoudig. Voor deze reinigingsopdracht moeten de walsborstel en zijdelingse schrobmodule worden gebruikt (geen zijdelingse bezemmodule of veegwals).
Er zijn twee soorten natte reiniging.
- Basisreiniging
– Onderhoudsreiniging
■ Basisreiniging
De basisreiniging bestaat uit twee werkfases en wordt bij sterk vervuiling of hardnekkig vuil gebruikt.
→ In de eerste werkfase wordt het vuil verwijderd met de tegengestelde reinigingsborstels en het toevoegen van reinigingsoplossing. De reinigingsoplossing blijft steeds op de bodem en kan op het vuil inwerken.
Tip
De zuigturbine wordt uitgeschakeld en de zuigbalk blijft opgetild. De klep van de vuilreservoir blijft gesloten.
→ In de tweede en volgende werkfase wordt de onderhoudsreiniging toegepast.
■ Onderhoudsreiniging
De onderhoudsreiniging wordt voor de dagelijkse reiniging gebruikt.
→ Hierbij wordt in een werkfase gereinigd met reinigingsborstel, neergelaten zuigbalk en ingeschakelde veegblazer. Dit reinigingstype laat een droge vloer achter waarop meteen kan worden gelopen.
Tip
De klep van de vuilreservoir blijft gesloten.
6.2.1 Schoonwaterreservoir vullen

6.2.2 Aanbevolen reinigingsmiddelen
⚠ WAARSCHUWING
Beschadigingsgevaar!
→ Alleen de door de fabrikant aanbevolen reinigingsmiddelen gebruiken, en de gebruiks-, afvoer- en waarschuwingsinstructies van de reinigingsmiddelfabrikant in acht nemen.
Meer informatie over het reinigingsmiddel vindt u in het gegevensblad (verkrijgbaar bij Kärcher) of raadpleeg de instructies op het reinigingsmiddelreservoir.
→ Gebruik enkel reinigingsmiddelen die vrij zijn van oplosmiddelen, zout- en fluorzuut.
LET OP
Gebruik geen sterk schuimende reinigingsmiddelen.
1 Schoonwaterreservoir
2 Deksel schoonwatertank
3 Aanduiding vulstand
→ Deksel van het schoonwaterreservoir openen.
→ Het verswaterreservoir met vers water (max. 50 ?) vullen.
→ Reinigingsmiddel toevoegen. Instructies betreffende de dosering in acht nemen.
→ Deksel van het schoonwaterreservoir sluiten.
| Gebruik Reinigings- | middel |
| Onderhoudsreiniging van alle waterbestendige vloeren | RM 745 |
| RM 746 | |
| Onderhoudsreiniging van blinkende oppervlakken (bijv. Granit) | RM 755 ES |
| Onderhoudsreiniging en basisreiniging van industriële vloeren | RM 69 ASF |
| Onderhoudsreiniging en basisreiniging van fijne stenen tegels | RM 753 |
| Onderhoudsreiniging van stenen in de sanitaire sector | RM 751 |
| Reiniging van alle alkalibestendige vloeren (bijv. PVC) | RM 752 |
6.2.3 Klep van het vuilreservoir openen/sluiten

Bij het vegen is het aanbevolen om de klep van het vuilreservoir te openen.
Bij de natte reiniging is het aanbevolen om de klep van het vuilreservoir te sluiten.
1 Indicatielampje (klep vuilreservoir)
2 Klep van het vuilreservoir openen/sluiten
Tip
Als het indicatielampje brandt, is de klep gesloten.
→ Als het indicatielampje brandt, de hendel bedienen en de klep openen.
6.2.4 Natte reiniging starten

6.2.5 Natte reiniging beëindigen
→ Apparaat stopzetten.
→ Borstels uitschakelen.
Tip
De borstels worden opgetild.
→ Zijdelingse schrobmodule optillen.
→ Schakel de waterpomp uit.
→ Zuigturbine uitschakelen.
LET OP
Ongevalgevaar, verwondingsgevaar!
→ Ongeautoriseerde personen uit het reinigingsbereik houden.
→ Een gepast waarschuwingsbord plaatsen.
1 Borstels in-/uitschakelen
2 Zijdelingse schrobmodule optillen/neerlaten
3 Schakelaar voor reinigingstype: Vegen of schrobben
4 Schakelaar waterpomp
5 Instelling toerental motor
6 Parkeerrem
7 Waterdosering, borstelwals
8 Waterdosering, zijdelingse schrobmodule
→ Motortoerental op max. zetten.
→ Klep vuilreservoir sluiten
→ Hendel bedienen en borstels inschakelen. De borstels worden neergelaten.
→ Indien nodig de borstelaandrukkracht instellen, zie hoofdstuk "Borstelaandrukkracht instellen".
→ Hendel bedienen en zijdelingse schrobmodule neerlaten.
→ Waterpomp inschakelen.
→ Waterdosering voor zijdelingse schrobmodule en borstels selecteren.
→ Schakelaar op het reinigingstype schrobben plaatsen (naar voren).
Tip
De zuigbalk daalt en de zuigturbine wordt gestart.
→ Parkeerrem losmaken.
→ De natte reiniging starten.
Tip
Het opgenomen vuil wordt in het vuilwaterreservoir en evt. in het vuilreservoir verzameld.
6.2.4.1 Borstelaandrukkracht instellen
1 Borstelaandrukkracht (draaipotentiometer)
→ Borstelaandrukkracht verhogen - potentiometer met de klok mee draaien
→ Borstelaandrukkracht verkleinen - potentiometer tegen de klok in draaien
Tip
De zuigbalk wordt opgetild.
■ Na het reinigen
→ Tank met vuil water ledigen.
→ Veeggoedcontainer legen.
(zie hoofdstuk "Vegen | Vuilreservoir leegmaken").
→ Apparaat, vuilwaterreservoir, verswaterreservoir, zuigbalk en sproeiers reinigen.
(zie hoofdstuk "Reiniging").
6.2.6 Vuilwatertank leegmaken

Verwondings- en beschadigingsgevaar!
→ Bij een opgeheven kantelinrichting altijd de veiligheidssteun gebruiken en borgen.
⚠VOORZICHTIG
Lokale voorschriften inzake de behandeling van afvalwater in acht nemen.
Bij een vol vuilwaterreservoir schakelt de zuigturbine uit en brandt het controlelampje "Vuilwaterreservoir vol".
1 Zekeringssteun
2 Vuilwaterreservoir
3 Aftapslang vuil water
4 Reinigingsklep
Afhankelijk van de vervuilingsgraad moet de reinigings-klep regelmatig worden geopend en het reservoir worden geleegd.
→ Veeggoedcontainer legen.
(zie hoofdstuk "Vegen | Vuilreservoir leegmaken").
→ Vuilreservoir daarna met de borgsteunen borgen.
De aftapslang van het vuilwaterreservoir bevindt zich aan de rechterzijde van het apparaat.
1 Afsluitdeksel
2 Houder
3 Doseerapparaat
4 Aftapslang vuil water
5 Opname aftapslang
→ Aftapslang uit de houder nemen.
→ Sluiting van de aftapslang schroeven.
→ De waterstroom kan door samendrukken van de do-seerinrichting verminderd worden.
→ Sluiting na het legen in de houder hangen en vervolgens in de opname drukken.
De aftapslang van het verswaterreservoir bevindt zich aan de linkerzijde van het apparaat.
1 Afsluitdeksel
2 Houder
3 Doseerapparaat
4 Opname aftapslang
5 Aftapslang schoon water
→ Aftapslang uit de houder nemen.
→ Sluiting van de aftapslang schroeven.
→ De waterstroom kan door samendrukken van de do-seerinrichting verminderd worden.
→ Sluiting na het legen in de houder hangen en vervolgens in de opname drukken.
6.3 Vegen
⚠️ VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
→ Geen pakbanden, draad of dergelijke opvegen, dit kan tot verstopping van het zuigkanaal leiden.
→ Borstels niet stilstaand gebruiken.
LET OP
Om een optimaal reinigingsresultaat te krijgen, moet de rij-snelheid aan de omstandigheden aangepast worden.
Tijdens het bedrijf moet het veeggoedreservoir op gezette tijden geledigd worden.
6.3.1 Veegbedrijf

Controleren of de klep van het vuilreservoir open is.
→ Klep van het vuilreservoir openen, zie hoofdstuk "Klep van het vuilreservoir openen/sluiten".
1 Borstels in-/uitschakelen
2 Zijdelingse bezemmodule optillen/neerlaten
3 Schakelaar voor reinigingstype: Vegen of schrobben
4 Schakelaar voor filterreiniging
5 Instelling toerental motor
6 Parkeerrem
→ Motortoerental op max. zetten.
→ Hendel bedienen en borstels inschakelen. De borstels worden neergelaten.
→ Indien nodig de borstelaandrukkracht instellen, zie hoofdstuk "Borstelaandrukkracht instellen".
→ Zijbezems laten zakken.
→ Schakelaar op het reinigingstype vegen plaatsen (naar achteren).
→ Parkeerrem losmaken.
→ Het vegen starten.
→ Tussendoor: Stoffilters reinigen.
6.3.1.1 Stoffilter reinigen
Stoffilters dagelijks reinigen. Bij werkzaamheden in sterk vervuilde bereiken ook meermaals dagelijks.
LET OP
Beschadigingsgevaar!
→ Schakelaar van de filterreiniging nooit op continubedrijf stellen.
→ Zuigturbine voor de reiniging uitschakelen.
→ Voor de reiniging schakelaar filterreiniging 4 - 5 keer ca. 5 seconden lang bedienen (geen continu gebruik!).
6.3.2 Vegen beëindigen
→ Apparaat stopzetten.
→ Borstels uitschakelen.
Tip
De borstels worden opgetild.
→ Zijbezems opheffen.
→ Zuigturbine uitschakelen.
→ De stoffilters met de schakelaar filterreiniging reinigen (zie hoofdstuk "Reiniging | Stoffilters reinigen").
→ Veeggoedcontainer legen.
(zie hoofdstuk "Vegen | Vuilreservoir leegmaken").
→ Apparaat en vuilreservoir dagelijks na de werkzaamheden reinigen.
(zie hoofdstuk "Reiniging").
6.3.3 Veeggoedcontainer leegmaken

→ Tijdens het volledige ledigingsproces erop letten dat er zich geen personen en dieren in de buurt bevinden (vuilreservoir zwenkt uit).
GEVAAR
Knelgevaar!
→ Nooit in het hefboomstelsel van het legingsmechanisme grijpen. Ga niet onder het opgetilde reservoir staan.
GEVAAR
Kantelgevaar!
→ Zet het apparaat tijdens het ledigingsproces op een effen oppervlak neer.
⚠ GEVAAR
Kantelgevaar!
→ Niet langdurig met opgetild vuilreservoir rijden, langzaam rijden!
OPMERKING
Het leegkiepen van de container kan pas naar het berei- ken van een bepaalde minimumhoogte gebeuren. De hoge afvoer van het apparaat maakt het mogelijk om het vuil in het vuilreservoir direct in een afvalcontainer af te voeren (maximale afvoerhoogte zie hoofdstuk „Technische gegevens“).
1 Veeggoedcontainer
2 Klep vuilreservoir
3 Zekeringssteun alleen gebruiken bij reinigings- en onderhoudwerk- zaamheden
4 Hoge afvoer van het vuilreservoir optillen/neerlaten
5 Klep van het vuilreservoir openen/sluiten
→ Tijdens het volledige ledigingsproces erop letten dat er zich geen personen en dieren in de buurt bevinden (vuilreservoir zwenkt uit).
→ Apparaat voor de verzamelbak positioneren.
→ Klep van het vuilreservoir sluiten (indicatielampje moet branden).
→ Hendel bedienen en vuilreservoir optillen.
→ Met opgetild vuilreservoir langzaam over de verzamelbak rijden.
→ Klep openen en vuilreservoir leegmaken.
LET OP
Tijdens het volledige ledigingsproces rustig blijven zitten (niet vanaf de bestuurdersstoel rechtstaan), anders be- staat het gevaar dat de zitcontactschakelaar het apparaat tijdens het legen uitschakelt.
6.4 Apparaat uitzetten
→ Apparaat op een egaal oppervlak neerzetten.
→ Apparaat op een beschutte en droge plaats neerzetten.
→ Contactsleutel op '0' draaien en sleutel uittrekken.
Bij LPG-apparaten kan het een paar seconden duren voordat het apparaat uitschakelt.
→ Parkeerrem bedienen.
→ Gasmotor: Gastoevoer sluiten.
→ Meer instructies voor het uitschakelen van het apparaat vindt u in het hoofdstuk "Opslag / stillegging".
Tip
7 Transport
7.1 Voertuig beladen voor transport
GEVAAR
Beschadigingsgevaar!
→ Het apparaat mag niet met een kraan verladen worden.
→ Gebruik geen vorkheftruck, het apparaat zou beschadigd kunnen worden.
⚠ GEVAAR
Ongevalgevaar, verwondingsgevaar!
→ Bij het beladen van het apparaat moeten de rij-aandrijving en de parkeerrem bedrijfsklaar zijn. Het apparaat moet bij stijgingen en dalingen altijd met de eigen aan-drijving bewogen worden.
⚠ WAARSCHUWING
Verwondings- en beschadigingsgevaar!
→ Gewicht van het apparaat bij het verladen in acht ne- men!
→ Rijd het voertuig met een lage snelheid op het transportvoertuig.
→ Neem het hoofdstuk „Slepen“ in acht als het voertuig niet rijklaar is.
7.1.1 Voertuig beveiligen
⚠ WAARSCHUWING
Ongevalgevaar!
→ Het voertuig moet bij het transport tegen verschuiven beveiligd zijn.
→ Apparaat uitzetten.
→ Gasmotor: Gastoevoer sluiten.

1 Zijdelingse bezemmodule
2 B outen voor het borgen van de zijbezemmodule
→ Zijdelingse bezemmodule naar binnen drukken en vastmaken met bouten.

→ Apparaat aan de wielen met spieën vastzetten.
→ Apparaat met spankabels of koorden vastzetten.
Instructie: Markeringen voor bevestigingsplaatsen op het basisframe in acht nemen (kettingsymbolen). Los- sen van het apparaat enkel op een effen vlak.
→ Bij het transport in voertuigen moet het apparaat conform de geldige richtlijnen beveiligd worden tegen verschuiven en kantelen.
7.2 Voertuig wegslepen

→ Het voertuig mag niet weggesleept worden met een snelheid die de stapsnelheid overschrijdt.
→ Duw of trek het voertuig langzaam.
1 Sleepoog
→ Om het voertuig weg te slepen moet de vrijloop van de hydraulische aandrijving worden geopend (zie hoofdstuk "Inbedrijfstelling | Apparaat zonder zelfaandrijving bewegen".
→ Het slepen van het voertuig gebeurt vooraan aan het sleepoog. Het sleepoog is geen vast onderdeel van het onderstel maar moet voor het gebruik worden aangebracht.
8 Opslag/stillegging
⚠ GEVAAR
Verwondings- en beschadigingsgevaar!
→ Neem bij de opslag het gewicht van het apparaat in acht.
→ Apparaat wegzetten op een effen oppervlak in een droge, vorstvrije omgeving. Bescherm tegen stof met afdekmateriaal.
→ De borstels optillen zodat deze niet beschadigd raken.
→ Verswaterreservoir, vuilwaterreservoir en vuilreservoir leegmaken en reinigen.
→ Contactsleutel op '0' draaien en sleutel uittrekken.
→ Parkeerrem bedienen.
→ Apparaat tegen het wegrollen beveiligen.
→ Gasmotor
Sluit de gastoevoer.
Opgelet
Machines moeten veilig worden uitgeschakeld!
De machine moet regelmatig door een gekwalificeerd persoon, vooral het reservoir met vloeibaar gas en de verbindingen ervan, worden geïnspecteerd volgens de regionale of nationale richtlijnen voor een veilig bedrijf.
Als het voertuig lange tijd niet worden gebruikt, neem dan volgende punten in acht:
→ Reinig het voertuig aan de binnen- en buitenkant.
→ Motorolie verversen.
→ Gasmotor
Gasslang met wartelmoer losdraaien (sleutelwijdte 30 mm).
Gasfles met afschermkap afsluiten en in een geschikte ruimte rechtop bewaren (zie hoofdstuk „Veiligheidsin-structies“).
→ Min-pool van de batterij afklemmen als het apparaat langer dan 4 weken niet gebruikt wordt.
→ Accu elke 2 maanden opladen.
→ Dek de batterij af en bescherm ze tegen kortsluiting.
9 Onderhoud
9.1 Algemene aanwijzingen
→ Voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden van het apparaat, het vervangen van onderdelen of het ombouwen voor een andere functie dient het apparaat te worden uitgeschakeld en eventueel de contactsleutel te worden verwijderd.
→ Voor werkzaamheden aan de elektrische installatie moet de batterij afgeklemd worden.
9.2 Bekledingen
→ Gasmotor: Gastoevoer sluiten.
→ Reparaties mogen uitsluitend door goedgekeurde klantenservicewerkplaatsen of door vaklui voor dit gebied worden uitgevoerd die met de betreffende veiligheidsvoorschriften vertrouwd zijn.
⚠ WAARSCHUWING
Verbrandingsgevaar!
→ Laat het voertuig voldoende afkoelen vooraleer de be- kledingen worden weggenomen.
→ Voor het uitvoeren van verschillende onderhoudswerkzaamheden moeten de bekledingen worden weggenomen of geopend.
Om de schroeven (bajonet) te openen, hebt u een sleutel met SW13 nodig.
9.3 Accu
LET OP
Het gebruik van niet-herlaadbare accu's is verboden. Gebruik alleen accu's en reinigings- of onderhoudsmidde- len die door de fabrikant zijn aanbevolen.
Batterijen enkel vervangen door batterijen van hetzelfde type.
Voor de afvoer van het voertuig moeten de accu's worden verwijderd en vervolgens worden afgevoerd conform de plaatselijke voorschriften.
9.3.1 Veiligheidsvoorschriften accu's
LET OP
Rekening houden met de voorschriften voor het voorkomen van ongevallen zoals DIN VDE 0510, VDE 0105 T.1. Let bij de omgang met accu's absoluut op de volgende waarschuwingstip:
![]() | Neem instructies in de gebruiksaanwijzing van de batterij en op de batterij en uit deze gebruiks-aanwijzing in acht! | ![]() | Gevaar van brandwonden! | |
| Veiligheidsbril dragen! | ![]() | Eerste hulp! | ||
| Kinderen uit de buurt houden van zuren en accu's! | ![]() | Waarschuwingstekst! | ||
| Explosiegevaar! Verwij | ![]() | |||
| Vuur, vonken, open licht en roken verbo-den! | ![]() | Accu niet in vuil-nisbak gooien! |
GEVAAR
Brand- en explosiegevaar!
→ Geen werktuig e.d. op de batterij leggen. Gevaar van kortsluiting en explosie.
→ Roken en open vuur is verboden.
→ Ruimtes waarin accu's opgeladen worden, dienen goed geventileerd te zijn, omdat bij het opladen zeer explosief gas ontstaat.
Gevaar van brandwonden!
→ Pas bij ondichte accu's op voor lekkend zwavelzuur. Verwondingsgevaar!
→ Breng wonden nooit in contact met lood. Reinig na werkzaamheden aan batterijen altijd uw handen.
9.3.2 Maatregelen voor onbedoeld vrijkomen van zwavelzuur.
Bij reglementair gebruik en wanneer de gebruiksaanwijzing wordt opgevolgd vormen loodaccu's geen gevaar. Er moet toch op worden gelet dat loodaccu's zwavelzuur bevatten die ernstige brandwonden kunnen veroorzaken.
→ Gemorst zwavelzuur of zwavelzuur dat uit een lekke accu treedt met absorptiemiddel opvangen, bijv. zand. Niet in de riolering, in bodem of grondwater terecht laten komen.
→ Zuur neutraliseren met kalk/natriumcarbonaat en volgens de plaatselijke voorschriften afvoeren.
→ Contacteer een afvalverwerkingsbedrijf voor de afvoer van defecte accu's.
→ Zuurspetters in het oog of op de huid met veel schoon water uit- resp. afspoelen.
→ Daarna direct een dokter raadplegen.
→ Verontreinigde kleding met water uitwassen.
→ Andere kledij aantrekken.
9.3.3 Accu in apparaat plaatsen en aansluiten

De accu mag alleen door een gekwalificeerde exploitant worden gemonteerd en gedemonteerd.
1 S t e u n
2 Hoekklem
3 Accu
4 Stoelcontactschakelaar
5 Deksel met bestuurdersstoel
→ Deksel naar boven klappen en met steun borgen.
→ Accu in de accuklemmen plaatsen.
→ Batterij met hoekklem bevestigen.
→ Poolklem (rode kabel) op de pluspool (+) aansluiten.
→ Sluit de poolklem (zwarte kabel) aan op de negatieve pool (-).
LET OP
Bij de uitbouw van de batterij moet erop gelet worden dat eerst de leiding van de negatieve pool afgeklemd wordt.
Controleer de batterijpolen en de poolklemmen op voldoende bescherming door poolbeschermingsvet.
9.3.4 Accu laden
⚠ Gevaar
Gevaar voor verwonding! Houd u aan de veiligheidsvoorschriften bij het omgaan met accu's. De gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het laadapparaat opvolgen.
⚠ Gevaar
Accu alleen met het geschikte laadapparaat opladen.
LET OP
De accu mag alleen door een gekwalificeerde exploitant worden geladen.
LET OP
Scheid het oplaadapparaat eerst van het net en dan van de batterij als de batterij opgeladen is.
→ Aansluitkabel aan de pluspool van de accu afklemmen.
→ Sluit het oplaadapparaat op de batterij aan.
→ Stekker in het stopcontact steken en laadtoestel inschakelen.
→ Batterij met de kleinst mogelijke laadstroom laden.
9.4 Onderhoudsintervallen
Inspectiechecklijst in acht nemen!
De bedrijfsurenteller geeft het tijdstip van de onderhouds-intervallen aan.
9.4.1 Onderhoud door de klant
Instructie: Alle service- en onderhoudswerken bij onderhoud door de klant, dienen door een gekwalificeerde vakman uitgevoerd te worden. Indien nodig kan altijd een Kärcher-specialist geraadpleegd worden.
Instructie: Beschrijving zie hoofdstuk Onderhoudswerkzaamheden.
9.4.1.1 Dagelijks voor het bedrijfsbegin
→ Vloeistofpeil van de brandstoftank controleren.
→ Motoroliepeil controleren.
→ Koelvloeistofstand controleren.
→ Luchtfilter van de verbrandingsmotor controleren / reinigen
→ Veeggoedcontainer legen.
→ Tank met vuil water ledigen.
→ Indien nodig verswaterreservoir vullen.
→ Borstels controleren op slijtage en beschadiging.
→ Zuiglippen van de zuigbalk controleren op slijtage en beschadiging.
→ Water- en zuigsysteem controleren / reinigen.
→ Werking van alle bedieningsonderdelen controleren.
→ Apparaat op beschadigingen controleren.
→ Stoffilter met de toets Filterreiniging reinigen.
9.4.1.2 Wekelijks
→ Brandstof- of gasleidingsysteem op lekkages controle-ren.
→ Vloeistofpeil van de accu controleren. (enkel bij onderhoudsarme batterij)
→ Radiateur reinigen.
→ Hydraulische-oliekoeler reinigen.
→ Hydraulisch systeem controleren.
→ Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren.
→ Remvloeistofpeil controleren.
→ Pakkingranden op slijtage controleren, indien nodig vervangen
→ Reservoirklep controleren en smeren.
→ Smeernippels op de zuigbalk met de vetpers smeren.
9.4.1.3 Om de 150 bedrijfsuren
→ Smeernippels op het vuilreservoir met de vetpers smeren.
→ Smeernippels op borstelkop met de vetpers smeren.
→ Smeernippels op lager van de rijmotor met de vetpers smeren.
→ Controleren of de schroeven in het bereik wielophanging, wielen, stuurinrichting en verbrandingsmotor loszitten, evt. vastdraaien.
9.4.1.4 Alle 200 bedrijfsuren
→ Motorolie + motoroliefilter wisselen
→ Hydraulische aansluitingen controleren op lekkage, evt. vastdraaien.
9.4.1.5 Alle 1500 bedrijfsuren
→ Stoffilter vervangen.
9.4.1.6 Na slijtage
→ Afdichtlijsten vervangen.
→ Borstels vervangen.
9.4.2 Onderhoud door de klantenservice
Instructie: Om aanspraken op garantie te behouden, moeten tijdens de garantietijd alle service- en onderhoudswerken door de geautoriseerde Kärcher-klantendienst overeenkomstig het onderhoudsboekje gedaan worden.
→ Bij onderhoud door de klantenservice moeten alle service- en onderhoudswerkzaamheden door de geautoriseerde Kärcher-klantenservice worden uitgevoerd volgens de inspectiechecklijst (ICL).
→ Indien nodig hydraulische aansluitingen aanhalen.
9.5 Controle- en onderhoudswerkzaamheden
9.5.1 Algemene veiligheidsinstructies
GEVAAR
Levensgevaar!
→ Voor reparatiewerkzaamheden het voertuig uit de gevarenzone van het verkeer duwen, waarschuwingskleding dragen.
⚠ WAARSCHUWING
Verwondings- en beschadigingsgevaar!
→ Gevaar voor verwonding door nadieselen van motor! Na het afzetten van de motor 5 seconden wachten. In deze tijd absoluut wegblijven van het werkgebied.
→ Opgelet bij de reiniging met hogedrukreiniger!
Koellamellen, hydraulische slangen en kleppen, dichtingen en elektrische en elektronische onderdelen mo-gen niet met de hogedrukreiniger gereinigd worden.
→ Verwondingsgevaar door onverwacht startend voertuig! Verwijder voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden aan het voertuig de contactsleutel en klem de batterij af.
9.5.2 Opgetild vuilreservoir borgen

text_image
1 2 2 29.5.3 Motoroliepeil controleren en olie bijvullen

→ Instandhoudingswerkzaamheden aan het hydraulisch systeem mogen enkel uitgevoerd worden door speciaal geschoold personeel.
⚠ WAARSCHUWING
Verwondings- en beschadigingsgevaar!
→ Bij een opgeheven kantelinrichting altijd de veiligheidssteun gebruiken en borgen.
⚠VOORZICHTIG
Verbrandingsgevaar!
→ Laat het voertuig voor alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden voldoende afkoelen.
→ Raak heten onderdelen van de hydrauliek, de hydrostatische aandrijfmotor, de verbrandingsmotor en de uitlaatinstallatie niet aan.
LET OP
Zorg ervoor dat vloeistoffen zoals motorolie, hydraulische olie, remvloeistof, diesel of koelmiddel niet in de boden terechtkomen. Bescherm het milieu en verwijder de vloeistoffen op milieuvriendelijke wijze.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ Breng de veiligheidsstang bij een opgetild vuilreservoir altijd aan.
→ Voer de beveiliging enkel uit buiten de gevarenzone.
1 Veeggoedcontainer
2 Veiligheidsstang
→ Vuilreservoir optillen en met cilindersteun borgen.
→ Na de onderhoudswerkzaamheden, cilindersteunen opnieuw eruit trekken en boven in de opname klappen.
1 Oliepeilstok
2 Olievuldeksel
→ Zet het voertuig op een effen oppervlak weg.
→ Oliepeilstok uittrekken.
→ Oliepeilstok afvegen en inschuiven.
→ Oliepeilstok uittrekken.
9.5.3.1 Motoroliepeil controleren
→ Oliepeil controleren.
→ Oliepeilstok weer erin doen.
- Het oliepeil moet zich tussen de "MIN"- en „MAX"-markering bevinden.
- Bevindt zich het oliepeil onder de „MIN"-markering, motorolie bijvullen.
9.5.3.2 Motorolie navullen
LET OP
Een te hoog oliepeil leidt tot de beschadiging van de motor door oververhitting. Wanneer het oliepeil de „MAX“-markering overschrijdt, moet olie afgelaten worden tot het correcte oliepeil is bereikt.
→ Neem het olievuldeksel weg.
→ Motorolie erin doen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
→ Motor niet boven „MAX"-markering bijvullen.
→ Olievuldeksel afsluiten.
→ Minstens 5 minuten wachten.
→ Motoroliepeil controleren.
9.5.4 Motorolie en motoroliefilter wisselen

→ Laat het voertuig voor het vervangen van motorolie en motoroliefilter afkoelen tot geen verbrandingsgevaar meer bestaat.
1 Olievuldeksel
2 Oliepeilstok
3 Motoroliefilter
Tip
Een warme motor vergemakkelijkt het aflaten van de motorolie.
→ Zet een opvangbak voor minstens 10 liter olie klaar.
→ Motor uitzetten.
→ Olieaftapschroef uitschroeven.
→ Olievuldeksel afschroeven.
→ Olie aftappen.
→ Oliefilter afschroeven.
→ Bevestigingspunt en afdichtvlakken reinigen.
→ Afdichting van het nieuwe oliefilter voor het inbouwen met olie insmeren.
→ Nieuw oliefilter inbouwen en handvast aanhalen.
→ Olieaftapplug met nieuwe afdichting erin schroeven.
Aanhaalmoment: ...Nm
→ Motorolie erin doen.
Oliesoort en vulhoeveelheid zie Technische gegevens.
→ Olievuldeksel afsluiten.
→ Motor ca. 30 seconden laten lopen.
→ Minstens 5 minuten wachten.
→ Motoroliepeil controleren.
→ Controleer op dichtheid.
→ Afgewerkte olie naar de betreffende inzamelcentra brengen.
9.5.5 Remvloeistofpeil controleren

1 Hefboom stuurwielverstelling
2 Remvloeistofreservoir
3 Vul pe i l
→ Vul indien nodig in de handel verkrijgbare DOT-rem-vloeistof na.
→ Laat de remvloeistof conform inspectiechecklijst (ICL) door de klantenservice vervangen.
9.5.6 Oliepeil hydraulisch systeem controleren en olie bijvullen

9.5.7 Filter voor hydraulische olie vervangen

Om bedrijfsstoringen te vermijden is uiterste reinheid bij alle controle- en onderhoudswerken belangrijk.
Al de fijnste verontreinigingen in het hydraulisch systeem kunnen tot ernstige storingen leiden, daarom is de installatie met een oliefilter voor het hydraulisch systeem uitge-rust.
1 Hydraulische-olietank
2 Kijkglas hydraulische olie
→ Peil van de hydraulische olie controleren en indien nodig bijvullen.
Oliesoort: zie hoofdstuk "technische gegevens".
→ Het oliepeil moet zich binnen het kijkglas bevinden.
⚠ WAARSCHUWING
Verbrandingsgevaar!
→ Voor de werkzaamheden het hydraulische systeem laten afkoelen.
LET OP
Beschadigingsgevaar!
→ Werkzaamheden aan de hydraulische installatie door de geautoriseerde klantenservice laten uitvoeren.
Laat het filter voor hydraulische olie conform inspectie-checklijst (ICL) door de klantenservice vervangen.
1 Afsluitkraan
2 Hydraulische-oliefilter
→ Afsluitkraan sluiten.
→ Filter voor hydraulische olie met geschikt gereedschap eraf schroeven.
→ Afdichting van het nieuwe oliefilter voor het inbouwen met olie insmeren.
→ Nieuw oliefilter inbouwen en handvast aanhalen.
→ Afsluitkraan openen.
→ Peil van de hydraulische olie controleren en indien nodig bijvullen.
9.5.8 Koelmiddelniveau controleren en koelmiddel navullen
⚠ WAARSCHUWING
Verbrandingsgevaar!
→ Open de koeler of onderdelen van het koelsysteem niet bij een hete motor en raak ze niet aan.
⚠VOORZICHTIG
→ Vul koelmiddel enkel na bij een koude motor.
→ Om na te vullen, moet een mengsel van water en anti-vriesmiddel gebruikt worden.
→ Koelmiddel zie hoofdstuk „Technische gegevens“.
→ Geen verschillende antivriesmiddelen mengen.
→ Enkel onthard water voor het mengsel gebruiken.

→ Controleer het vulniveau bij een koude motor.
→ Controleer het vulniveau in het koelmiddel-compensatievat.
Tip
Het juiste koelmiddelpeil ligt in het midden van het expansievat.
9.5.8.1 Koelmiddel in het compensatievat navullen
→ Controleer het vulniveau bij een koude motor.
→ Schroef het deksel eraf.
→ Vul het compensatievat.
Tip
Het juiste koelmiddelpeil ligt in het midden van het expansievat.
→ Deksel van het expansievat sluiten.
→ Motor starten en laten warmdraaien.
→ Controleer het vulniveau in het koelmiddel-compensatievat.
→ Zet bij een te laag koelmiddelpeil de motor uit en laat hem afkoelen. Giet de ontbrekende hoeveelheid koelmiddel in het koelmiddel-compensatievat.
Tip
Het juiste koelmiddelpeil ligt in het midden van het expansievat.
9.5.9 Luchtfilter reinigen en vervangen

text_image
1 2 1 4 31 Vergrendeling
2 Luchtfilterbehuizing
3 Filterpatroon
4 Reservepatroon
→ Vergrendeling openen.
→ Luchtfilterbehuizing wegnemen.
→ Filterpatroon eraf nemen.
→ Binnenkant van de luchtfilterbehuizing reinigen.
→ Reservepatroon alleen wegnemen als deze wordt vervangen.
→ Filterelement reinigen: Stof op een hard oppervlak eruit kloppen, met max. 30 psi (2 bar) van binnen naar buiten met perslucht uitblazen.
→ Afdichtvlak en filterelement moeten voor de inbouw proper en onbeschadigd zijn.
→ Gereinigd filterelement inzetten.
Belangrijk: Een erg vervuild of beschadigd filterelement moet vervangen worden.
→ Als het filterelement wordt vervangen, moet ook het re-servepatroon worden vervangen.
Belangrijk: Bij het vervangen van het filterelement en reservepatroon mag in geen geval stof in de aanzuig-opening terecht komen.
9.5.10 Voertuig smeren
LET OP
Gevaar voor functionele storingen. V-riem niet met vet in contact laten komen.
→ Smeer de smeernippel volgens de onderhoudsintervalen met de vetpers.
→ Hoogwaardig vet dat voor meerdere doeleinden geschikt is gebruiken en met de vetspuit invetten.
9.6 Borstels vervangen
In het apparaat zijn 2 borstels ingebouwd. Deze moeten worden vervangen als ze zijn versleten.
→ Een borstel wordt langs de linkerkant vervangen, de tweede langs de rechterkant. De procedure is steeds dezelfde.
→ Voor het inleggen van de nieuwe borstels, de borstelwalshouders reinigen.
→ De borstels worden in omgekeerde volgorde geplaatst.

→ Het veegspoor moet tussen 5-6 cm liggen.
De instelling van het veegspoor (borstelaandrukkracht) wordt ingesteld met de draaipotentiometer in het bedieningsveld.
→ Potentiometer zo lang naar rechts draaien tot de dalende borstels het juiste veegspoor (borstelaandrukkeracht) hebben.
→ Potentiometer terug draaien als het veegspoor te groot is.
9.7 Zijbezems vervangen

→ 4 schroeven losmaken en zijbezem wegnemen.
→ Nieuwe zijbezem plaatsen en met 4 schroeven bevestigen.
9.7.1 zijdelingse module ombouwen
→ De zijdelingse schrobmodule of zijbezemmodule moet door de klantenservice worden omgebouwd. Na de ombouw moeten het veegspoor en de reinigingsparameters opnieuw worden ingesteld.
9.8 Reiniging
GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ Verwijder voor reinigings- en onderhoudswerkzaamheden de contactsleutel!
→ Zet het voertuig op een effen oppervlak weg.
→ Contactsleutel in de stand „STOP“ draaien en contactsleutel verwijderen.
→ Parkeerrem bedienen.
9.8.1 Stoffilterpatronen reinigen / vervangen
⚠VOORZICHTIG
Gezondheidsgevaar!
→ Bij werkzaamheden aan de filterinstallatie stofmasker dragen. Veiligheidsvoorschriften over de omgang met fijne stoffen in acht nemen.
→ Veiligheidsbril dragen!
LET OP
Geen harde voorwerpen gebruiken voor de reiniging! De stoffilterpatronen filteren tijdens het vegen het door de zuigturbine opgezogen stof en houden dit tegen.
- Reinig tijdens en na de reiniging de stoffilters dagelijks met de schakelaar filterreiniging reinigen (zie hoofdstuk "Reiniging | Stoffilters reinigen").
- Af en toe de stoffilters demonteren en reinigen.
- Om de 1500 bedrijfsuren volledig vervangen!

1 Deksel zuigturbine
2 G r e e p
3 Schroef
→ Schroef openen en het deksel van de zuigturbine naar achteren kantelen.

→ 4 moeren losschroeven.
→ Rail filterreiniging verwijderen.
→ 5 stoffilters en 5 afdichtringen verwijderen.
→ Stoffilters met perslucht van buiten naar binnen reinigen.
→ Let bij de montage erop dat alle afdichtringen correct in de geleidingen zijn geplaatst.
LET OP
Geen harde voorwerpen gebruiken voor de reiniging! Het vlakke harmonicafilter beschermt de zuigturbine van de natte reiniging.
- Indien nodig vlak harmonicafilter eruit nemen en reinigen.
- Alle 100 Bedrijfsuren vervangen!
1 Sluiting
2 Afsluitband
3 Afdekking zuigturbine
4 Vlak harmonicafilter
→ Sluiting en afsluitband openen.
→ Neem de afdekking weg.
→ Vlakvouwfilter eruitnemen.
→ Met een zachte borstel onder stromend water reinigen. Voor het monteren eerst laten drogen.
→ Let bij de montage erop dat het vlakke harmonicafilter correct in de geleiding is geplaatst.
Reinig het voertuig na het werk.
⚠ GEVAAR
Verwondingsgevaar!
→ Draag een stofmasker en een veiligheidsbril.
⚠VOORZICHTIG
Beschadigingsgevaar!
→ Opgelet bij de reiniging met hogedrukreiniger!
Koellamellen, hydraulische slangen en kleppen, dichtingen, elektrische en elektronische onderdelen mogen niet met de hogedrukreiniger gereinigd worden.
→ Bij het reinigen van het voertuig met een hogedrukreiniger moeten de overeenkomstige veiligheidsvoorschriften in acht genomen worden.
→ Geen agressieve reinigingsmiddelen gebruiken.
→ Was het voertuig ter bescherming van de luchtfilter enkel bij een uitgeschakelde motor.
→ Apparaat met een vochtige, in een mild zeepsopje gedrenkte doek reinigen.
→ Controleer de motor op verontreiniging en reinig hem indien nodig met een borstel, perslucht of geringe waterdruk.
9.8.4 Vuilwaterreservoir reinigen

text_image
1 2 3 4 4 5
Schakelt de zuigturbine uit wanneer het vuilwaterreservoir vol is.
4 Sluiting
5 Deksel reservoir vuil water
→ Vuilwaterreservoir na de werkzaamheden reinigen.
→ Voor de reiniging het vuilwaterreservoir leegmaken, zie hoofdstuk "Natte reiniging | Vuilwaterreservoir leegma- ken".
1 Zekeringssteun
2 Vuilwaterreservoir
3 Aftapslang vuil water
4 Reinigingsklep
voor het reinigen openen
→ Reinigingsklep openen voor de grondige reiniging.
→ De binnenkant van het vuilwaterreservoir uitspuiten met een waterslang.
→ Controleer na de reiniging of de sensor werkt.
9.8.5 Verswatertank reinigen

9.8.6 Afdichtlippen, zuigbalk en sproeiers reinigen.

→ Verswaterreservoir na de werkzaamheden met zuiver water uitspoelen.
→ Resterend water met aftapslang leegmaken.
1 Zuigbalk
2 Zuigslang
3 Afdichtingslijst
→ Zuigbalk en zuigslang reinigen.
→ Zijdelingse afdichtlijsten reinigen.
→ Sproeiers van zijdelingse schrobmodule en borstelwals reinigen.
9.8.7 Vuilreservoir reinigen

9.8.9 Oliekoeler van het hydraulisch systeem en motiorkoeler reinigen

Verwondings- en beschadigingsgevaar!
→ Bij een opgeheven kantelinrichting altijd de veiligheidssteun gebruiken en borgen.
→ Geen hogedrukreiniger of waterstraal gebruiken voor de reiniging (stofffilterpatronen)!
LET OP
Nat geworden stoffilterpatronen laten drogen voordat er verder wordt gewerkt!
1 Veeggoedcontainer
2 Klep vuilreservoir
3 Zekeringssteun
→ Vuilreservoir aan de binnenkant met perslucht en borstel reinigen.
→ Bij hardnekkige vervuiling: Vuilreservoir aan de binnenkant met water en borstel reinigen, vuilreservoir open laten drogen.
1 Waterfilter
2 Behuizing van het waterfilter
3 Afsluitkraan (positie open)
→ Afsluitkraan sluiten.
→ Waterfilterbehuizing losschroeven.
→ Waterfilterelement verwijderen en reinigen of vervangen.
→ Na de montage de afsluitkraan opnieuw openen.
1 Radiateur
2 Hydraulische-oliekoeler
Een vervuilde koeler leidt gemakkelijk tot oververhitting, daarom dagelijks:
→ Radiateur en radiateurgrille op vervuiling controlleren.
→ Reinig verontreinigingen met een zachte borstel, perslucht (max. 5 bar) of geringe waterdruk.
9.9 Vervangingswerken
9.9.1 Zekeringen

De gebruikelijke zekeringen bevinden zich rechts onder het stuurwiel.
1 Deksel zekeringskast
2 Sluiting deksel zekeringskast
3 Zekeringskast
4 Zekeringen
→ Zekeringen controleren, eventueel door nieuwe zekering van gelijke waarde vervangen.
| A | Zekeringskast 1 | |
| 1 S | sensor tachometer + diagnose 5 A | |
| 2 | R e m l i c h t 7 . 5 | A |
| 3 Z | waailicht 10 A | |
| 4 Instrumenten, schakelaar 3 A | ||
| 5 Verwarming 10 A | ||
| 6 DimlichtTimer optillen borstelwals | 15 A | |
| 7 Optioneel 15 A | ||
| 8 Motorstop 15 A | ||
| B | Zekeringskast 2 | |
| 1 | Parkeerlicht | 3 A |
| 2 | Dimlicht | 3 A |
| 3 | Noodknipperlichtinstallatie | 15 A |
| 4 | Noodknipperlichtinstallatie | 10 A |
| 5 | Noodknipperlichtinstallatie Claxon | 7.5 A |
| 6 | Noodknipperlichtinstallatie | 10 A |
| 7 | Magneetventiel vuilreservoir | 5 A |
| 8 | Instrumenten, schakelaar 10 A |
9.10 Accessoires
Reserveonderdelen en toebehoren zijn verkrijgbaar bij uw handelaar of uw KÄRCHER-filiaal.
| Benaming Bestel-nr. Opmerking | ||
| Walsborstel, standaard | 6.680-368.0 | Voor de algemene reiniging (inbegrepen in de levering van het apparaat) |
| Walsborstels, hard | 6.680-369.0 | Voor hardnekkige verontreinigingen en basisreiniging (alleen voor harde oppervlakken) |
| Borstel zijdelingse schrobmodule | 6.680-338.0 Voor de algemene reiniging | |
| Borstel zijdelingse schrobmodule, hard | 6.680-339.0 | Voor hardnekkige verontreinigingen en basisreiniging (alleen voor harde oppervlakken) |
| Zijbezem 6.680-335.0 Voor de algemene reiniging | ||
| Harde zijbezem | 6.680-336.0 | Voor hardnekkige verontreinigingen en basisreiniging (alleen voor harde oppervlakken) |
| Schraaplip zuigbalk, rubber | 6.680-372.0 | Voor de algemene reiniging (inbegrepen in de levering van het apparaat) |
| Schraaplip zuigbalk, polyurethaan | 6.680-373.0 Oliebestendig | |
| Wiel 6.680-410.0 Standaardtoebehoren | ||
| Wiel, super tractie 6.680-377.0 Voor gladde oppervlakken en steile hellingen | ||
| Spatbescherming zijdelingse schrobmodule | 6.680-371.0 | |
| Rubber voor stof, hoofdborstel achter | 6.680-362.0 | |
| Spatbescherming rubber, hoofdborstel | 6.680-220.0 Standaardtoebehoren | |
| Spatbescherming polyurethaan, hoofdborstel | 6.680-370.0 Oliebestendig | |
| Spatbescherming rubber zijdelings | 6.680-278.0 | |
| Spatbescherming afdichting zijdelings | 6.680-276.0 | |
| Spatbescherming rubber zijdelings | 6.680-361.0 | |
| Stofffilterpatroon, polyurethaan | 6.680-374.0 Apparaat heeft 5 stuks nodig | |
| Vlakke harmonicafilter, polyurethaan | 6.680-534.0 Voor vuilwaterreservoir | |
10 Hulp bij storingen
10.1 Storingen met weergave
| Weergave | Oorzaak | Oplossing | Door wie |
| Waarschuwingslampje motortemperatuur brandt | Motor oververhit | Motortoerental op nullast zetten. | Bediener |
| Reinig de koeler (zie het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“). | |||
| Peil van de koelvloeistof in de motor controle-ren. | |||
| Waarschuwingslampje Temperatuur hydraulische olie brandt | Te hoge hydraulische-olietemperatuur. | Motor stationair laten draaien tot het waar-schuwingslampje dooft. | Bediener |
| Reinig de koeler (zie het hoofdstuk „Verzorging en onderhoud“). | |||
| Oliepeil van het hydraulisch systeem controle-ren. | |||
| Waarschuwingslampje Batterij brandt | Batterij wordt niet geladen | Klantendienst raadplegen. | Bediener |
10.2 Storingen zonder indicatie
| Storing Oplossing | |
| Voertuig kan niet gestart worden. | Neem plaats op de bestuurdersstoel. |
| Accu opladen of vervangen | |
| Dieselmotor: Brandstof tanken, brandstofsysteem ontluchtenGasmotor: Afsluitkraan van de gasfles openen; lege gasfles vervangen | |
| Defecte zekering vervangen | |
| Dieselmotor: Brandstoffilter reinigen of vervangenGasmotor: Inbouwpositie van de gasfles controleren; aansluiting moet naar onderen wijzen. | |
| Brandstofleidingsysteem op dichtheid controleren. | |
| Bevoegde klantendienst informeren | |
| Motor loop onregelmatig Luchtf | filter reinigen of vervangen |
| Vulpeil van de brandstoftank controleren | |
| Dieselmotor: Brandstoffilter reinigen of vervangenGasmotor: Inbouwpositie van de gasfles controleren; aansluiting moet naar onderen wijzen. | |
| Brandstofleidingsysteem, aansluitingen en verbindingen controleren en zo nodig repa- reren | |
| Bevoegde klantendienst informeren | |
| Motor start maar voertuig rijdt slechts langzaam of helemaal niet. | Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren. |
| Parkeerrem ontgrendelen | |
| Schroef voor vrijloop (hydraulische pomp) sluiten | |
| Motortoerental verhogen | |
| Afsluitkraan op het hydraulische filter openen of verstopt hydraulisch filter vervangen. | |
| Bevoegde klantendienst informeren | |
| Voertuig beweegt verder, hoe-wel het gaspedaal in de neutra-le stand staat | Laat de instelling van het gaspedaal controleren door de klantenservice. |
| Veeggoedreservoir gaat niet omhoog of omlaag | Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren. |
| Controleren of de klep van de vuilreservoir gesloten is. | |
| Afsluitkraan op het hydraulische filter openen of verstopt hydraulisch filter vervangen. | |
| Motortoerental verhogen | |
| Vuilreservoir te vol/zwaar | |
| Bevoegde klantendienst informeren | |
| Hoge slijtage van de borstels B | Borstelaandrukkracht verlagen. |
| He te reinigen oppervlak is te abrasief, evt. andere borstels gebruiken. | |
| Borstels draaien niet of lang-zaam | Oliepeil van het hydraulisch systeem controleren. |
| Afsluitkraan op het hydraulische filter openen of verstopt hydraulisch filter vervangen. | |
| Motortoerental verhogen | |
| Touwtjes en banden verwijderen | |
| Bevoegde klantendienst informeren | |
| Natte reiniging: Reinigingsre-sultaat onvoldoende | Motortoerental correct instellen |
| Borstelaandrukkracht verhogen. | |
| Werksnelheid verlagen. | |
| Zuigturbine inschakelen. | |
| Schoonwaterreservoir vullen. | |
| Waterdosering controleren. | |
| Touwtjes en banden verwijderen | |
| Borstels versleten, vervangen | |
| Schraaplip reinigen/vervangen | |
| Zuigkanaal reinigen | |
| Natte reiniging: reinigingsvloeistof op het te reinigen oppervlak | Versleten afdichtingen van de zuigbalk vervangen |
| Zuigturbine inschakelen. | |
| Vuilwaterreservoir leegmaken, zuigturbine werd door sensor uitgeschakeld | |
| Zuigbalk reinigen | |
| Schraaplip reinigen/vervangen | |
| Zuigkanaal reinigen | |
| Vervuild vlak filter reinigen/vervangen | |
| Zuigbalk correct instellen | |
| Natte reiniging: geen reini-gingsvloeistof | Leidingen en sproeiers reinigen |
| Schoonwaterreservoir vullen. | |
| Waterpomp inschakelen | |
| Waterdoseringen openen | |
| Waterfilter reinigen | |
| Vegen: reinigingsresultaat on-voldoende | Motortoerental verhogen |
| Borstelaandrukkracht verhogen. | |
| Vol vuilreservoir leegmaken | |
| Klep vuilreservoir openen | |
| Werksnelheid verlagen. | |
| Borstels versleten, vervangen | |
| Vervuilde stoffilters reinigen met filterreiniging. | |
| Stoffilters vervuild of defect; reinigen of vervangen | |
| Touwtjes en banden verwijderen | |
| Schraaplip reinigen/vervangen | |
| Bevoegde klantendienst informeren | |
| Vegen: er komt stof en vuil uit het vuilreservoir | Vol vuilreservoir leegmaken |
| Zuigturbine inschakelen. | |
| Klep vuilreservoir sluiten | |
| Defecte afdichting aan klep van het vuilreservoir vervangen | |
| Borstel of zuigbalk wordt niet meer neergelaten/opgetild | Bevoegde klantendienst informeren |
| B 300 RID: dieselmotor | B 300 RILPG: gasmotor | ||
| Apparaatgegevens | |||
| Lengte x breedte x hoogte mm 2490 x 1570 x 1860 2490 x | 1570 x 1860 | ||
| Hoogte van met beschermdak bestuurder klein mm 2020 2020 | |||
| Hoogte van met beschermdak bestuurder groot mm 2120 2120 | |||
| Leeggewicht (transportgewicht) kg 1750 1775 | |||
| Toelaatbaar totaalgewicht kg 2635 2635 | |||
| Rijsnelheid, vooruit km/h max. 12 max. 12 | |||
| Rijsnelheid, achteruit | km/h | max. 5 | max. 5 |
| Maximale werksnelheid | km/h | 10,7 | 10,7 |
| Duur inzetten bij volle tank | h | 5 | 5 |
| Klimvermogen (max.) | % | 12 | 12 |
| Draaicirkel | mm 3150 | 3150 | |
| Theoretische oppervlaktecapaciteit | mm | 16.550 | 16.550 |
| Werkbreedte zonder zijdelingse module mm | 1045 1045 | ||
| Werkbreedte met zijdelingse module | mm | 1350 (1400) | 1350 (1400) |
| Werkbreedte met 2 zijdelingse modules (optioneel) | mm | 1655 (1755) | 1655 (1755) |
| Werkbreedte zuigbalk | mm 1440 | 1440 | |
| Volume vuilwaterreservoir | l | 270 | 270 |
| Volume schoonwaterreservoir | l | 271 | 271 |
| Volume keergoedreservoir | l | 180 | 180 |
| Max. ontladhoogte | mm 1560 | 1560 | |
| Borstels (natte reiniging) | |||
| Diameter borstelwals | mm | 300 | 300 |
| Breedte borstelwals | mm 1045 | 1045 | |
| Diameter zijborstel | mm | 410 | 410 |
| Borstels (vegen) | |||
| Diameter veegwals | mm | 300 | 300 |
| Breedte veegwals | mm 1045 | 1045 | |
| Zijbezem-diameter | mm | 600 | 600 |
| Motor | |||
| Type | -- | KubotaV1505 (E4B) | KubotaWG1605-L-E3 |
| Type | -- | 4-cilinder-viertakt-diesel-motor | 4-cilinder-viertakt-gas-motor |
| CO2Emissie volgens de meetprocedure van EU-verorde-ning 2016/1628 (niveau V) | g/kWh | 1018,0 | 1030,6 |
| Koelwijze | -- | Waterkoeling | Waterkoeling |
| Slagvolume | cm3 | 1498 1537 | |
| Motorrendement | kW/PK | 18,5/24,82300 1/min | 36/482550 1/min |
| Elektrische installatie | |||
| Accu | V, Ah | 12, 80 Ah | 12, 80 Ah |
| Bedrijfsstoffen | |||
| Soort brandstof | Diesel | LPGVloeistofmengsels van propaan en butaan zijn toegestaan. Het pro-paangehalte moet ten minste 90% zijn. | |
| Inhoud brandstoftank | l | 30 | --- |
| Gasfles | --- 11 kg c.q. | 20 liter (ruil-fles) | |
| Type motorolie >25 °C SAE30, SAE10W-30, | SAE15W-40 | SAE30, SAE10W-30, SAE15W-40 | |
| 0 - 25 °C SAE20, SAE10W-30 SAE20, SAE10W-30 | |||
| < 0 °C SAE10, SAE10W-30 SAE10, SAE10W-30 | |||
| Hoeveelheid motorolie I 6 6 | |||
| Koelmiddel (SAE J814C) -- Stilmoil Antifrost Stilmoil Antifrost | |||
| Hydraulische olie conform DIN 51524, deel 3 | Agip Rotra ATF | Agip Rotra ATF | |
| Hoeveelheid hydraulische olie | I | 30 | 30 |
| Smeervetten | |||
| Voor manueel in te vetten smeerplekken | -- | Vet voor meerdere doel-einden geschikt | Vet voor meerdere doeleinden geschikt |
| Bandenuitrusting | |||
| Voorwiel | 1x ø 452 mm (marangoni) ø 452 mm (marangoni) | ||
| Achterwielen | 2x | ø 457 mm (marangoni) | ø 457 mm (marangoni) |
| GeluidsemissieBepaalde waarden conform EN ISO 3744 | |||
| Geluidsdrukniveau L_pA | dB(A) | 92 | 87 |
| Onzekerheid K_pA | dB(A) | 2 2 | |
| Geluidsvermogensniveau L_WA | dB(A) | 103 | 104 |
| Onveiligheid K_WA | dB(A) | 3 3 | |
| ApparaattrillingenBepaalde waarden conform EN 60335-2-72 | |||
| Hand-arm vibratiewaarde | m/s^2 | 0,43 | 0,91 |
| Onzekerheid K (trillingen hand/arm) | m/s^2 | 0,06 | 0,13 |
| Trillingswaarde lichaam | m/s^2 | 0,97 | 1,2 |
| Onzekerheid K (trillingen lichaam) | m/s^2 | 0,11 | 0,13 |
| Trillingswaarde benen | m/s^2 | 0,84 | 1,1 |
| Onzekerheid K (trillingen benen) | m/s^2 | 0,09 | 0,12 |
12 EU-conformiteitsverklaring
Hierbij verklaren wij dat de hierna vermelde machine door haar ontwerp en bouwwijze en in de door ons in de handel gebrachte uitvoering voldoet aan de betreffende fundamentele veiligheids- en gezondheidseisen, zoals vermeld in de desbetreffende EU-richtlijnen. Deze verklaring verliest haar geldigheid wanneer zonder overleg met ons veranderingen aan de machine worden aangebracht.
Product: Schuurzuigmachine
Type: 2.004-xxx
Van toepassing zijnde EU-richtlijnen
2006/42/EG (+2009/127/EG)
2014/30/EU
2000/14/EG
2014/53/EU (TCU)
Toegepaste geharmoniseerde normen
EN 60335-1
EN 60335-2-72
EN 62233: 2008
EN 55012: 2007 + A1: 2009
EN 61000-6-2: 2005
EN 50581
(TCU)
EN 300 328 V2.1.1
EN 300 440 V2.1.1
EN 301 511 V12.5.1
EN 60950-1
Geluidsvermogensniveau dB(A)
B 300 R I LPG
Gemeten: 104
Gegarandeerd: 107
B 300 R I Diesel
Gemeten: 103
Gegarandeerd: 106
De ondergetekenden handelen in opdracht en met volmacht van de directie.


Documentatieverantwoordelijke:
S. Reiser
Alfred Kärcher SE & Co. KG





