Estate 2398 HW - Tractor STIGA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Estate 2398 HW STIGA in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Tractor in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Estate 2398 HW - STIGA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Estate 2398 HW van het merk STIGA.
GEBRUIKSAANWIJZING Estate 2398 HW STIGA
Grasmaaier met zittende bediener - GEBRUIKERSHANDLEIDING LET OP: vooraleer de machine te gebruiken, dient men deze handleiding aandachtig te lezen.
NEDERLANDS - Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing
[14] Hydrostatische aandrijving (Indicatieve) voortbewegingssnelheid bij 3000 min
[15] Snelheidslimiet met sneeuwkettingen (indien dit toebehoren voorzien is) [16] Afmetingen [17] Lengte [18] Lengte met zak (lengte zonder zak) [19] Breedte [20] Breedte met zijdelingse aaatdeector(Breedte zonder zijdelingse aaatdeector) [21] Hoogte [22] Code snij-inrichting [23] Vermogen van het brandstofreservoir [24] Belastingslimiet voor trekinrichting (maximale verticale kracht) [25] Belastingslimiet voor trekinrichting (maximaal gewicht dat getrokken kan worden) [26] Maximaal toegestane helling [27] Niveau geluidsdruk [28] Meetonzekerheid [29] Gemeten akoestisch vermogen [30] Gewaarborgd akoestisch vermogen [31] Niveau trillingen op de bestuurder- splaats [32] Niveau trillingen aan het stuur [33] Tabel voor de juiste combinatie van accessoires [33.A] Accessoires achterzijde [33.B] Accessoires voorzijde [42] Optionele accessoires [42.A1, 42.A2] Kit voor “mulching” [42.B] Batterij-oplader voor behoud [42.C] Kit tractie [42.D] Afdekzeil [42.E] Kit achterste aaatbeveiliging (alleen voor MP-serie) [42.F] Sneeuwkettingen (18”) [42.G] Modderwielen/sneeuwwielen (18”) [42.H] Aanhangwagen [42.I] Verspreider [42.J] Grasrol [42.K] Sneeuwschuiver [42.L] Opvanger voor bladeren en gras (alleen voor SD-serie)
- Voor het speciek gegeven, verwijst men naar wat aangegeven is op het identicatielabel van de machine.
3.1 Beschrijving machine en beoogd gebruik
3.4 Belangrijkste onderdelen ...................... 6
4. MONTAGE .................................................... 7
4.1 Onderdelen voor de montage ............... 7
4.2 Montage van het stuurwiel .................... 8
4.3 Montage van de stoel ............................ 8
4.4 Accu monteren en aansluiten ................ 8
4.5 Montage van de voorbumper ................ 8
4.6 Montage van de zijdelingse
aaatdeector (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) .................................. 8
4.7 Montage van de zijdelingse
versterkingen van de snijgroep (enkel voor modellen met zijdelingse aaat, indien voorzien). .................................... 9
4.8 Montage en vervollediging van de
achterste plaat (enkel voor modellen met opvang achteraan). ............................... 9
5.7 Aandrijfpedaal (hydrostatische
de hydrostatische aandrijving (hydrostatische transmissie) ............... 11
5.9 Commando voor het inschakelen en
stoppen van de snij-inrichtingen ......... 11
5.10 Toets toelating snijden bij
5.12 Controlelampje en akoestische
signalering (enkel voor modellen met opvang achteraan). ............................. 11
5.13 Hendel kanteling opvangzak (indien
voorzien, enkel voor modellen met opvang achteraan) .............................. 11
6. GEBRUIK VAN DE MACHINE .................... 12
6.1 Voorafgaande werkzaamheden ........... 12
6.7 Na het gebruik ..................................... 17
7.2 Brandstof bijvullen / lediging
brandstofreservoir ............................... 17
7.3 Controle, bijvullen, aaten motorolie ... 18
7.7 Moeren en schroeven voor bevestiging 20
8.3 Vervanging van de voorste / achterste
8.5 Een zekering vervangen ...................... 22
15.1 Kit voor "mulching" .............................. 27
15.2 Batterij-oplader voor behoud ............... 27
15.10 Rol voor gras ................................ 28
15.11 Sneeuwruimer met sneeuwschuif . 28
15.12 Opvanger voor bladeren en gras .. 28NL - 2
In de tekst van de handleiding worden enkele paragrafen, die gegevens van bijzonder belang bevatten met betrekking tot de veiligheid of de werking, gekenmerkt door diverse symbolen die de volgende betekenis hebben: OPMERKING of BELANGRIJK verstrekt nadere gegevens of andere elementen ter aanvulling op hetgeen daarvoor vermeld is, om te voorkomen dat de machine beschadigd wordt of dat er schade veroorzaakt wordt. Het symbool wijst op een gevaar. Veronachtzaming van de waarschuwing leidt tot mogelijke persoonlijke letsels of letsels aan anderen en/of schade. De paragrafen die aangegeven zijn met een grijze stippen-boord wijzen op optionele kenmerken die niet aanwezig zijn op alle modellen die in deze handleiding beschreven zijn. Controleer of het kenmerk aanwezig is op het model in kwestie. De aanwijzingen "voor", "achter", "rechts" en "links" hebben betrekking op de werkpositie van de bediener.
De afbeeldingen in deze gebruiksaanwijzingen zijn genummerd 1, 2, 3 enz. De onderdelen die op de afbeeldingen zijn aangegeven, zijn gekentekend met de letters A, B, C enz. Een verwijzing naar het onderdeel C in afbeelding 2 wordt aangegeven met de tekst: "Zie afbeelding 2.C" of eenvoudigweg "(Afb. 2.C)". De afbeeldingen zijn indicatief. De eectieve delen kunnen wijzigen ten opzichte van wat aangegeven is.
De handleiding is onderverdeeld in hoofdstukken en paragrafen. De titel van de paragraaf "2.1 Training" is een ondertitel van "2. Veiligheidsvoorschriften". De verwijzingen naar titels of paragrafen zijn aangegeven met de afkorting hfdst. of par. en het desbetreend nummer. Voorbeeld: "hfdst. 2" of "par. 2.1"
Zorg dat u vertrouwd raakt met de bedieningsknoppen en in staat bent de machine op de juiste wijze te gebruiken. Leer de motor snel af te zetten. Het niet in acht nemen van de voorschriften en instructies kan brand en/of ernstige letsels veroorzaken.
- Laat nooit toe dat de machine gebruikt wordt door kinderen of door personen die niet vertrouwd zijn met deze aanwijzingen. De minimale leeftijd van de gebruiker kan landelijk gereglementeerd zijn.
- Gebruik de machine nooit indien de gebruiker vermoeid of onwel is, of indien hij geneesmiddelen, drugs, alcohol of andere stoen ingenomen heeft die een negatieve invloed kunnen hebben op zijn reactievermogen en aandacht.
- Vervoer geen kinderen of andere passagiers.
- Denk eraan dat de persoon die de machine bedient of de gebruiker aansprakelijk is voor ongevallen en onvoorziene gebeurtenissen die personen of hun eigendommen kunnen overkomen. Het valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker om de risico’s, die het terrein waarop hij moet werken met zich mee kan brengen, te beoordelen en om alle nodige voorzorgsmaatregelen te treen met het oog op zijn eigen veiligheid en die van anderen, met name op hellingen, hobbelige, gladde of instabiele terreinen.
- Indien men de machine aan derden wil geven of lenen, moet men zich ervan verzekeren dat de gebruiker de gebruiksaanwijzingen in dit handboek doorneemt.
2.2 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN
Persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM)
- Draag geschikte kledij, stevige werkschoenen met antislipzolen en een lange broek. Bedien de machine niet met blote voeten of met open sandalen. Draag gehoorsbeschermingen.
- Draag geen sjaal, hemd, halsketting, armbanden, kledij met losse delen, of met bandjes of dassen of andere hangende of wijde accessoires die vastgegrepen kunnen worden door de machine of voorwerpen en materiaal aanwezig op de werkplaats.
- Lang haar wordt zorgvuldig bijeengebonden. Werkzone / Machine
- Controleer grondig de hele werkzone en verwijder alles wat van door de machineNL - 3 weg zou kunnen uitgestoten worden of de snij-inrichting/draaiende organen zou kunnen beschadigen worden (keien, takken, ijzerdraad, beenderen, enz.).. Benzinemotoren: brandstof GEVAAR! De brandstof is zeer ontvlambaar.
- Bewaar de brandstof in speciale houders die daarvoor gehomologeerd zijn, op een veilige plaats, uit de buurt van warmtebronnen of naakte vlammen.
- Laat de houders en de opslagzone van de benzine vrij van resten van gras, bladeren of te grote hoeveelheden vet.
- De recipiënten moeten buiten het bereik van kinderen bewaard worden.
- Rook niet tijdens het tanken of het bijvullen van brandstof of elke keer wanneer men met de brandstof werkt.
- Gebruik een trechter om brandstof bij te vullen, en doe dit enkel in de open lucht.
- Vermijd inademing van de dampen van de brandstof.
- Als de motor aanstaat of warm is mag u geen brandstof toevoegen of de dop van de benzinetank afdraaien.
- Open de dop van het reservoir langzaam om de interne druk geleidelijk aan af te laten.
- Breng geen vlammen nabij de opening van het reservoir om de inhoud ervan te controleren.
- Als u brandstof gemorst hebt, mag u de motor niet starten maar dient u de machine uit de buurt van de plek waar u de brandstof gemorst hebt te brengen en voorkomen dat er brand ontstaat. U dient te wachten totdat de brandstof verdampt is en de dampen opgelost zijn.
- Reinig onmiddellijk elk spoor van brandstof dat op de machine of op de grond gelekt is.
- Draai de dop altijd weer goed op het brandstofreservoir en op de houder van de brandstof.
- Start de machine nooit op de plaats waar de brandstof bijgevuld werd; de motor moet steeds gestart worden op een afstand van minstens 3 meter van de plaats waar de brandstof bijgevuld werd.
- Zorg ervoor dat de brandstof niet in aanraking komt met de kledij en trek in ieder geval steeds nieuwe kleren aan vooraleer de motor op te starten.
- Schakel de motor niet aan in gesloten ruimtes, waar er zich gevaarlijke koolstofmonoxidedampen kunnen vormen. De machine dient altijd in de open lucht of in een goed geventileerde ruimte gestart te worden! Denk er altijd aan dat de uitlaatgassen giftig zijn!
- Richt, tijdens het opstarten van de machine, de geluidsdemper en dus de uitlaatgassen nooit naar ontvlambare materialen.
- Gebruik de machine niet in omgevingen met gevaar op ontplong, in aanwezigheid van ontvlambare vloeistoen, gas of stof. Elektrische contacten of mechanische wrijvingen kunnen vonken veroorzaken die het stof of de dampen kunnen doen ontbranden.
- Enkel bij daglicht of met goed kunstmatig licht en bij goede zichtbaarheid reinigen.
- Verwijder personen, kinderen en dieren uit de werkzone. De kinderen moeten onder toezicht van een andere volwassene staan.
- Werk niet op nat gras, bij regen of bij risico op onweer, in het bijzonder wanneer er kans op bliksem bestaat.
- Let bijzonder goed op de onregelmatigheden van het terrein (drempels, geulen), op de hellingen, op verborgen gevaren en op de aanwezigheid van eventuele hindernissen die de zichtbaarheid zouden kunnen beperken.
- Wees zeer voorzichtig nabij ravijnen, grachten of dijken. De machine kan omkantelen indien een wiel over de rand gaat of indien de rand inzakt.
- Let op in geval van hellende terreinen, waar bijzondere aandacht vereist is om omkantelen of verlies van controle over de machine te vermijden. De voornaamste oorzaken waardoor de macht over het stuur kwijt geraakt kan worden zijn: – Onvoldoende grip van de wielen – Overdreven snelheid – Niet passende remming – De machine is niet geschikt voor het doel waarvoor zij gebruikt wordt – Gebrek aan kennis van de gevolgen die de toestand waarin het terrein zich bevindt kan hebben; – Onjuist gebruik als trekvoertuig. Gedrag
- Laat u tijdens het rijden niet aeiden, behoud de nodige concentratie.
- Let op wanneer u achteruit of achterwaarts rijdt. Kijk achteruit voor en tijdens het achteruit rijden om u ervan te verzekeren dat er geen hindernissen zijn.
- Let op wanneer u lasten trekt of zware uitrustingen gebruikt; – Gebruik voor de trekstangen alleen de goedgekeurde bevestigingspunten; – Neem geen scherpe bochten. Let op bij het achteruit rijden;NL - 4 – Gebruik tegengewichten of gewichten op de wielen wanneer dit wordt aangeraden in de gebruiksaanwijzing.
- Let op bij het gebruik van opvangzakken en toebehoren die de stabiliteit van de machine kan wijzigen, in het bijzonder op hellingen.
- Houd altijd de handen en voeten ver van de snij-inrichting, zowel wanneer de motor gestart wordt als tijdens het gebruik van de machine.
- Let op: het snij-element blijft gedurende enkele seconden na zijn afkoppeling of na uitschakeling van de motor draaien.
- Let goed op de snijgroep met meerdere snij-inrichtingen, aangezien een draaiende snij-inrichting ook de andere zou kunnen doen draaien.
- Blijf steeds op afstand van de aaatopening.
- Raak de delen van de motor die zich tijdens het gebruik opwarmen, nooit aan. Risico op brandwonden.
- Laat de machine niet stilstaand in hoog gras met de motor draaiend, om risico op brand te vermijden. In geval van breuken of ongevallen tijdens het werk, dient men de motor onmiddellijk stil te zetten en de machine te verwijderen om geen verdere schade te berokkenen; in geval van ongevallen met persoonlijke letsels of letsels aan derden, dient men onmiddellijk de meest geschikte eerste-hulp-procedures te volgen voor de situatie en zich tot een gezondheidsstructuur te richten voor de nodige zorgen. Verwijder zorgvuldig eventuele resten die schade of letsels aan personen of dieren kunnen veroorzaken indien ze onopgemerkt blijven. Beperkingen voor het gebruik
- Gebruik de machine nooit wanneer de beveiligingen beschadigd zijn, ontbreken of niet correct geplaatst zijn (opvangzakken, zijdelingse aaatbescherming, achterste aaatbescherming).
- Gebruik de machine niet indien de toebehoren/werktuigen niet op de voorziene plaatsen geïnstalleerd zijn.
- De aanwezige veiligheidsinrichtingen/ microschakelaars niet uitschakelen, afschakelen, verwijderen of schenden.
- Overbelast de machine niet en gebruik geen kleine machine om zware werken te verrichten; het gebruik van een machine met aangepaste afmetingen zal de risico’s beperken en de kwaliteit van het werk verbeteren.
- De machine is niet goedgekeurd om op de openbare weg te rijden. Ze mag (volgens het Wegverkeersregelement) uitsluitend gebruikt worden op privé- terrein dat voor verkeer gesloten is.
2.4 ONDERHOUD, STALLING
Regelmatig onderhoud en een correcte stalling garanderen de veiligheid van de machine en het niveau van de performance. Onderhoud
- Gebruik de machine nooit als er onderdelen versleten of beschadigd zijn. De defecte of beschadigde onderdelen moeten vervangen en niet gerepareerd worden.
- Om het risico op brand te verminderen, moet men regelmatig controleren of er geen lekken van olie en/of brandstof zijn.
- Tijdens de afstellingen van de machine, moet men erop letten dat de vingers niet tussen de bewegende snij-inrichting en de vaste delen van de machine geklemd geraken. Het niveau van het geluid en van de trillingen dat aangegeven is in deze handleiding, zijn de maximale waarden voor het gebruik van de machine. Het gebruik van een niet gebalanceerd maai-element, een overdreven snelheid van de beweging en gebrekkig onderhoud hebben een negatieve invloed op het geluidsniveau en op de trillingen. Bijgevolg is het noodzakelijk preventieve maatregelen te treen om mogelijke schade ten gevolge van een hoog geluidsniveau en stress van trillingen te vermijden; zorg voor het onderhoud van de machine, draag gehoorbescherming, maak pauzes tijdens het werk. Stalling
- Zet de machine niet met brandstof in de tank in een ruimte waar de brandstofdampen met vlammen, vonken of een warmtebron in aanraking zouden kunnen komen.
- Laat geen houders met restmateriaal in een gesloten ruimte, om het risico op brand te voorkomen.
2.5 BESCHERMING VAN DE OMGEVING
De milieubescherming moet een belangrijk en prioritair aspect vormen voor het gebruik van de machine, ten gunste van de civiele samenleving en de omgeving waarin we leven.
- Wees geen storend element voor uw buren. Gebruik de machine enkel op redelijke uren (niet 's ochtends vroeg of 's avonds laat wanneer dit andere personen zou kunnen storen).
- Volg nauwgezet de plaatselijke normen voor het verwerken van de verpakking,NL - 5 olie, brandstof, lters, versleten delen of eender welk element met een sterke invloed op de omgeving; dit afval mag niet met de huisafval weggeworpen worden, maar moet gescheiden worden en aan speciale verzamelcentra toevertrouwd worden, die de recyclage van de materialen zullen verzorgen.
- Volg nauwkeurig de lokale normen op voor de afdanking van het afval.
- Bij het buiten bedrijf stellen van de machine, mag deze nooit in het milieu achtergelaten worden maar moet ze naar een opvangcentrum gebracht worden, volgens de geldende plaatselijke normen.
Dit is een grasmaaier met zittende bestuurder. De machine is voorzien van een motor, die de snij-inrichting inschakelt, beschermd door een carter, en een aandrijvingsgroep die de beweging aan de machine doorgeeft. De machine is voorzien van achterwielaandrijving. De achteras kan voorzien zijn van: – mechanische transmissie met 5 versnellingen vooruit en 1 achteruit. – hydrostatische transmissie met oneindig veranderlijke versnellingen vooruit en achteruit ("Hydro"). De bediener kan de machine bedienen en de hoofdcommando’s inschakelen terwijl hij steeds op zijn plaats blijft zitten. De veiligheidsinrichtingen op de machine doen de motor en de snij-inrichting na enkele secon- den stilvallen (par. 6.2.2).
3.1.1 Voorzien gebruik
Deze machine is ontworpen en gebouwd voor het maaien van gras. Deze machine kan, in het algemeen:
- MP 84 / MP 98 Series kan:
1. het gras maaien en in de
2. het gras maaien en achteraan
3. het gras maaien, jnmalen en op het
4. het gras maaien en zijdelings aaten
5. het gras maaien, jnmalen en op het
gazon achterlaten (eect "mulching"). Het gebruik van bijzonder toebehoren, voorzien door de Fabrikant als oorspronkelijke uitrusting of afzonderlijk aan te kopen, staat toe dit werk uit te voeren volgens de verschillende werkwijzen die in deze handleiding of in de instructies die met het toebehoren geleverd worden, beschreven zijn. Tegelijkertijd kan de mogelijkheid bijkomend toebehoren te gebruiken (indien voorzien door de Fabrikant) het gebruik ervan uitbreiden naar andere functies, volgens de limieten en condities die beschreven zijn in de instructies die het toebehoren zelf vergezellen.
3.1.2 Onjuist gebruik
- Eender welk ander gebruik, dat afwijkt van wat hierboven beschreven is, kan gevaarlijk zijn en schade berokkenen aan personen en/of zaken. De volgende situaties behoren tot het onjuist gebruik (bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend): – op de machine of op een aanhangwagen andere personen, kinderen of dieren vervoeren, aangezien deze zouden kunnen vallen en ernstige letsels zouden kunnen opdoen of de veiligheid van de rit in het gedrang zouden kunnen brengen; – ladingen trekken of duwen zonder het gebruik van het daarvoor bestemde toebehoren voor het slepen; – gebruik van de machine op onstabiele, gladde, bevroren, stenige of oneen terreinen, in geval van plassen of moerassen die niet toestaan de consistentie van het terrein in te schatten; – de snij-inrichting aanschakelen op zones zonder gras; – gebruik van de machine voor het verzamelen van bladeren of afval. BELANGRIJK Het onjuist gebruik brengt verval van zowel de garantie als de aansprakelijkheid van de fabrikant teweeg waardoor de gebruiker zelf verantwoordelijk is voor schade of letsel die hijzelf of anderen oplopen.
3.1.3 Type gebruiker
Deze machine is bestemd voor gebruik door consumenten, d.w.z. door niet professionele bedieners. Ze is bestemd voor een amateuriëel gebruik.NL - 6 BELANGRIJK De machine mag steeds slechts door een enkele bediener gebruikt worden.
3.2 VEILIGHEIDSSIGNALEN
Er zijn verschillende symbolen op de machine aanwezig(afb. 2 ). Hun taak is de bediener te herinneren aan het gedrag dat hij moet aanhouden om de machine met de nodige aandacht en voorzichtigheid te gebruiken. Betekenis van de symbolen: Let op: Lees de aanwijzingen alvorens de machine te ge- bruiken. Let op: Haal de sleutel uit het contact en lees de instructies alvorens elke willekeurige onderhouds- of reparatie- ingreep uit te voeren. Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Niet werken zonder de achterste aaatbe- veiliging of de opvangzak erop bevestigd te hebben. (enkel voor modellen met opvang achteraan) Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Niet werken zon- der de zijdelingse aaatdeec- tor bevestigd te hebben. (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) Gevaar! Wegschietende voorwerpen: Houd personen op een afstand Gevaar! Omkantelen van de machine: Gebruik deze machine niet op hellingen van meer dan 10° Gevaar! Verminking: Zorg ervoor dat kinderen op een afstand van de machine blijven als de motor aanstaat Gevaar voor snijwon- den. Bewegende snij-inrich- tingen. Steek uw handen of voeten niet in de holte van de snij-inrichtingen. Let op! Houd u op afstand van de hete oppervlakken. max xxx N (xx kg) max xxx N (xxx kg) Bij gebruik van de sleepkit, mag het laadvermogen, dat op de sticker staat vermeld, niet worden overschreden en die- nen de veiligheidsvoorschriften in acht genomen te worden. Let op! Gebruik nooit dru- klansen om de aandrijving te reinigen. BELANGRIJK De beschadigde of onleesbaar geworden labels moeten vervangen worden. Vraag nieuwe labels aan uw eigen geautoriseerd Dienstcentrum.
3.3 IDENTIFICATIELABEL
Het identicatielabel geeft de volgende gegevens aan (afb. 1 ):
4. Vermogen en bedrijfstoerental van de motor
9. Naam en adres van de fabrikant
10. Type aandrijving
Schrijf de identicatiegegevens van de machine in de vakjes op het label aan de achterkant van de omslag. BELANGRIJK Gebruik de identicatiegegevens die aangegeven zijn op het identicatielabel van het product bij ieder contact met de geautoriseerde werkplaats. BELANGRIJK Het voorbeeld van de verklaring van overeenstemming bevindt zich op de laatste pagina’s van de handleiding.
3.4 BELANGRIJKSTE ONDERDELEN
De machine is samengesteld uit de volgende hoofdonderdelen, met de volgende functie (afb. 1 ): A. Snijgroep: dit is het geheel bestaande uit de carter, waarin zich de draaiende snij-inrichtingen bevinden, en de snij-inrichtingen zelf. B. Snij-inrichtingen: dit zijn de elementen die ervoor dienen om het gras te maaien;NL - 7 de windvleugels die aan de uiteinden zitten bevorderen de afvoer van het gemaaid gras naar het uitwerpkanaal. C. Zijdelingse aaatdeector: dit is een beveiliging die voorkomt dat eventuele voorwerpen, die door de snij-inrichtingen meegenomen worden, ver van de machine weg kunnen schieten (enkel voor modellen met zijdelingse aaat). D. Uitwerpkanaal: dit is het verbindingselement tussen de snijgroep en de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan). E. Opvangzak: dient niet alleen om het gemaaide op te vangen, maar vormt bovendien een veiligheidselement, daar het voorkomt dat eventuele voorwerpen, die door de snij-inrichtingen meegenomen worden, ver van de machine weg kunnen schieten (enkel voor modellen met opvang achteraan). F. Achterste aaatbeveiliging (beschikbaar op aanvraag): wanneer deze op de plaats van de opvangzak gemonteerd is, verhindert ze dat eventuele voorwerpen die door de snij-inrichting opgevangen werden, ver weg van de machine geschoten worden.(enkel voor modellen met opvang achteraan). G. Bestuurdersplaats:dit is de werkplaats van de bestuurder, uitgerust met een sensor die de aanwezigheid van de bestuurder waarneemt met het oog op de werking van de beveiligingssystemen. H. Batterij: levert de energie om de motor te kunnen starten; de kenmerken en gebruiksvoorschriften staan in een specieke handleiding aangegeven.
I. Motor: brengt de beweging naar
zowel de snij-inrichtingen als de wielaandrijving over; de kenmerken en gebruiksvoorschriften van de motor staan in een specieke handleiding aangegeven. J. Buer vooraan: biedt bescherming aan de voorkant van de machine. K. Stuur: hiermee kunnen de voorwielen bestuurd worden.
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Om vervoers- en opslagredenen worden sommige onderdelen van machine niet direct in de fabriek gemonteerd. Zij dienen na het uitpakken gemonteerd te worden aan de hand van de volgende instructies. Het uitpakken en de vervollediging van de montage moeten uitgevoerd worden op een vlakke en stevige ondergrond, met voldoende ruimte voor de verplaatsing van de machine en de verpakkingen, en steeds met behulp van de geschikte instrumenten. Gebruik de machine niet vooraleer de aanwijzingen van de sectie "MONTAGE" teneinde gebracht te hebben.
4.1 ONDERDELEN VOOR DE MONTAGE
De verpakking bevat de onderdelen voor de montage die in de volgende tabel vermeld zijn: Beschrijving 1 Stuur 2 Deksel van het instrumentenpaneel en van de onderdelen voor montage van het stuur 3 Bestuurdersstoel 4 Accu 5 Buer vooraan 6 Antiscalp wieltjes 7 Zak met bijhorende schroeven voor montage en desbetreende aanwijzingen (enkel voor modellen met opvang achteraan) 8 Onderste deel van de plaat achteraan, de steunen van de zak en bijhorende toebehoren voor vervollediging en mon- tage (enkel voor modellen met opvang achteraan) 9 Zijdelingse aaatdeector (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) 10 Zijdelingse versterkingen van de snijgroep (enkel voor modellen met zijdelingse aaat, indien voorzien). 11 Enveloppe met: - de verschillende gebruikershandleidin- gen en de documenten, - schroeven voor montage van de stoel - kit voor montage van de zijdelingse aaatdeector (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) - de schroeven en moeren voor de aan- sluiting van de accukabels - 2 contactsleutels - 1 reservezekering van 10 A
1. Open de verpakking voorzichtig, let
erop geen onderdelen te verliezen.
2. Raadpleeg de documentatie in de doos,
inclusief deze gebruiksaanwijzingen.
3. Haal alle onderdelen die niet
gemonteerd zijn uit de doos.NL - 8
4. Haal de machine uit de verpakking, met
de volgende voorzorgsmaatregelen: – breng de snijgroep op de maximale hoogte (par. 5.10) om deze niet te beschadigen wanneer de machine van het basispallet gehaald wordt; – Haal de machine van het basispallet. Voor de modellen met hydrostatische aandrijving: breng de ontgrendelhendel van de transmissie achteraan naar de ontgrendelde stand (par. 5.13).
4.2 MONTAGE VAN HET STUURWIEL
1. Plaats de machine op een vlakke
ondergrond en zorg er voor dat de voorwielen uitgelijnd zijn.
2. Monteer de naaf (afb. 3.A) op de as (afb. 3.B),
met de stift (afb. 3.C) goed in de naaf.
3. Plaats de bedekking van het dashboard
(afb. 3.D) door de zeven haakjes in hun plaats te laten klikken.
4. Monteer het stuurwiel (afb. 3.E)
op de naaf (afb. 3.A) met de spaken naar de stoel gericht. 5a. Enkel voor stuur type "I" - Plaats de afstandhouder (afb. 3.F) en bevestig het stuur met de meegeleverde schroeven (afb. 3.G), in de aangegeven volgorde. 5b. Enkel voor stuur type "II" - Bevestig het stuur met de meegeleverde schroeven (afb. 3.F, 3.G), in de aangegeven volgorde.
6. Plaats het deksel van het stuur
(afb. 3.H) door het in de daarvoor voorziene huizing vast te klikken.
4.3 MONTAGE VAN DE STOEL
Monteer de stoel (afb. 4.A) op de plaat (afb. 4.B) met behulp van de schroeven (afb. 4.C).
4.4 ACCU MONTEREN EN AANSLUITEN
De accu (afb. 5.A) bevindt zich onder de stoel, en zit vast met een veer (afb. 5.B).
1. Sluit eerst de rode draad (afb. 5.C) aan op de
positieve klem (+) en da de zwarte draad (afb. 5.D) op de negatieve klem (–) met behulp van de bijgeleverde schroeven, zoals aangeduid.
2. Besmeer de klemmen met siliconevet
en let op de correcte positie van de beschermdop van de rode draad (afb. 5.E). BELANGRIJK Zorg er altijd voor de accu volledig op te laden en volg hierbij de aanwijzingen die in het instructieboekje van de accu staan aangegeven. BELANGRIJK Om te voorkomen dat het beveiligingssysteem van de elektronische kaart in werking treedt, dient het starten van de motor absoluut vermeden te worden alvorens de accu volledig opgeladen is!
1a. Enkel voor buer type "I" - Monteer de buer vooraan (afb. 6.A) op het onderste deel van het frame (afb. 6.B) met de vier schroeven (afb. 6.C). 1b. Alleen voor buer type "II"
1. Monteer de twee steunen (afb. 6.A)
en (afb. 6.B) op het onderste deel van het frame (afb. 6.C) in de richting voor montage aangegeven op de afbeelding: R= rechts; L= links.
2. draai de schroeven (afb. 6.D) stevig vast.
3. Bevestig de voorste buer (afb. 6.E)
aan de steunen (afb. 6.A) en (afb. 6.B) met behulp van de schroeven (afb. 6.F) en van de moeren (afb. 6.G).
1. Monteer de veer (afb. 7.B) aan de binnenkant
van de zijdelingse aaatdeector (afb. 7.A), door het uiteinde (afb. 7.B.1) in de opening te voeren en te draaien zodat zowel de veer (afb. 7.B) als het uiteinde (afb. 7.B.2) goed in hun respectieve zittingen rusten.
2. Positioneer de zijdelingse aaatdeector
(afb. 7.A) tegenover de houders (afb. 7.C) van de snijgroep en draai, met behulp van een schroevendraaier, het tweede uiteinde (afb. 2.B.2) van de veer (afb. 7.B) tot deze buiten de deector komt te staan.
3. Steek de pin (afb. 7.D) in de gaten van de
houders (afb. 7.C) en van de zijdelingse aaatdeector, doorheen de windingen van de veer (afb. 7.B) tot het open uiteinde ervan helemaal uit de meest interne houder komt.
4. Steek de stift (afb. 7.E) in de opening(afb.
D.1) van de pin (afb. 7.D) en verdraai de pin zodat de twee uiteinden (afb. 7.E.1) van de stift (met behulp van een tang), geplooid worden, zodat de stift niet los kan komen en zo de pin kan doen vrijkomen (afb. 7.D). Waak erover dat de veer op correcte wijze werkt en de zijdelingse aflaatdeflector stabiel op zijn plaats houdt in de lage stand, en zorg ervoor dat de pin goed geplaatst is en niet per ongeluk naar buiten kan steken.NL - 9
Voor de modellen met mogelijkheid tot zijdelingse aaat: controleer dat de bescherming van de zijdelingse aaat (afb. 13.A) laag is gesteld en wordt geblokkeerd door de veiligheidshendel (afb. 13.B). Voordat de demontage of het onderhoud van de deector wordt uitgevoerd, moet de veiligheidshendel (g. 14.B) geduwd worden en moet de bescherming van de zijdelingse aaat (g. 14.A) hoog gesteld worden om de demontage ervan toe te staan. OPMERKING Voor de demontage van de deector moeten de handelingen van de montage in de omgekeerde volgorde uitgevoerd worden.
Vervolledig de montage van de snijgroep door de zijdelingse versterkingen op het proel van de snijgroep te monteren met de desbetreende schroeven (afb. 8).
en (afb. 9.B), volgens de montagerichting die aangegeven is op de afbeelding en bevestig ze met de schroeven (afb. 9.C) en de moeren (afb. 9.D) en draai deze stevig vast.
2. Verwijder de twee schroeven (afb. 9.H) die
nadien opnieuw gebruikt zullen worden.
3. Monteer het onderste deel (afb. 9.E) van
de achterste plaat en bevestig het aan de onderste staven met de schroeven (afb. 9.F) en de moeren (afb. 9.G), zonder deze volledig vast te draaien.
4. Vervolledig de bevestiging van het
onderste deel (afb. 9.E) van de achterste plaat door de twee centrale schroeven (afb. 9.H) die voordien verwijderd werden, en de vier bovenste schroeven (afb. 9.I) stevig vast te schroeven.
5. Klem de twee onderste moeren
(afb. 9.G) stevig vast.
6. Plaats de hendel (afb. 9.J) van de
signaalgever voor volle opvangzak in de zitting (afb. 9.K) en duw deze omlaag totdat u een klik hoort.
7. Monteer de twee onderste steunen van de
opvangzak (afb. 9.L) en (afb. 9.M), volgens de montagerichting die aangegeven is op de afbeelding en bevestig ze met de schroeven (afb. 9.N) en de elastische rondsels (afb. 9.O) en draai deze stevig vast.
De sleutel schakelt de machine en de koplampen (indien voorzien) aan/uit. De sleutel heeft vier standen(afb. 10.A):
1. Stand Stop De machine wordt
Na de motor gestart te hebben, gaan de lichten aan (indien aanwezig) door de sleutel in deze stand te zetten. Om ze uit te schakelen, brengt men de sleutel terug naar de stand Draaien.
3. Stand Draaien Alle
bedieningselementen worden in werking gesteld.
4. Stand Start Schakelt de
startmotor in en de machine wordt opgestart. Zodra de sleutel, vanuit de stand opstarten, losgelaten wordt, komt deze vanzelf weer in de stand Draaien terug.
5.2 VERSNELLINGSCOMMANDO
Stelt het aantal toeren van de motor af. Al naargelang het type motor, kunnen er twee types versnellingscommando's zijn:
opstarten Dit wordt gebruikt om de motor koud op te starten. De stand "CHOKE" zorgt voor een verrijking van de mengeling en mag enkel gedurende de strikt benodigde tijd gebruikt worden.NL - 10
1. Hoogste toerental van de
motor. Dit dient steeds gebruikt te worden voor het opstarten van de motor, tijdens de werking en tijdens het maaien van het gras.
2. Laagste toerental van de motor. Te
gebruiken wanneer de motor warm genoeg is tijdens de parkeerfasen. OPMERKING Tijdens het rijden dient er een stand tussen «schildpad» en «haas" gekozen te worden.
De handrem voorkomt dat de machine gaat rijden na het parkeren. De hendel heeft twee standen (afb. 10.D):
1. Rem uitgeschakeld. Om de
handrem uit te schakelen, drukt men op het pedaal (afb. 10.I). De hendel keert terug naar de stand voor uitgeschakelde handrem.
2. Rem ingeschakeld. Om de handrem
uit te schakelen, duwt men het pedaal stevig in (afb. 10.I) en zet de hendel in de stand voor "rem ingeschakeld"; wanneer het pedaal losgelaten wordt, blijft het pedaal omlaag.
5.4 PEDAAL KOPPELING / REM
(MECHANISCHE TRANSMISSIE) Dit pedaal heeft een dubbele functie (afb. 10.I):
1. in het eerste deel van de loop, werkt
het als koppeling, om de aandrijving aan de wielen in of uit te schakelen.
2. in het tweede deel, gedraagt
het zich als rem, en werkt het op de achterste wielen. BELANGRIJK U moet bijzonder goed opletten dat u tijdens de koppelingsfase niet te lang aarzelt om oververhitting en, als gevolg daarvan, beschadiging van de transmissieriem te vermijden. OPMERKING Tijdens het rijden is het verstandig uw voet niet op dit pedaal te laten rusten.
SNELHEIDSVERANDERING (MECHANISCHE TRANSMISSIE) Deze hendel heeft zeven standen (afb. 10.K):
1. Vijf versnellingen vooruit
Het inschakelen van de versnelling dient uitgevoerd te worden bij stilstaande machine.
3. Achteruitversnelling «R»
Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden bij stilstaande machine. Om over te schakelen naar een andere versnelling, moet men het pedaal tot halverwege indrukken (Afb. 10.I) en de hendel verplaatsen zoals aangegeven op het label
5.6 REMPEDAAL (HYDROSTATISCHE
TRANSMISSIE) Dit pedaal stelt de rem van de achter- wielen in werking (afb. 10.I)
(HYDROSTATISCHE TRANSMISSIE) Dit pedaal stelt het aandrijfsysteem voor de wielen in werking en regelt de snelheid van de machine, zowel bij het voor- als bij het achteruit rijden (afb. 10.J):
1. Voorwaartse versnelling Om
de voorwaartse versnelling in te schakelen, drukt men met de punt van de voet op het voorste pedaal. Door de druk op het pedaal te verhogen, neemt de snelheid van de machine geleidelijk toe.
2. Achteruitversnelling De
achteruitversnelling wordt ingeschakeld door met de hiel op het achterste pedaal te drukken. Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.NL - 11
wordt losgelaten komt het automatisch weer in
OPMERKING Als het koppelingspedaal zowel bij het voor– als het achteruitrijden bediend wordt met een ingeschakelde handrem (afb. 10.D), slaat de motor af.
Deze hendel heeft twee standen, aangegeven op een plaatje (afb. 10.L):
1. Aandrijving ingeschakeld:
voor alle gebruikscondities, in bedrijf en tijdens het maaien..
2. Aandrijving uitgeschakeld:
Aandrijving uitgeschakeld: de vereiste inspanning voor de handmatige verplaatsing van de machine met uitgeschakelde motor wordt zo danig verminderd. Teneinde te voorkomen dat de aandrijfgroep beschadigd wordt, mag deze operatie alleen worden uitgevoerd met een stilstaande motor, met het pedaal (10) in de vrije stand.
De drukknop dient om de snij- inrichtingen in te schakelen door een elektromagnetische koppeling (afb. 10.B):
Drukknop opgetrokken.
uitgeschakeld. Drukknop ingedrukt.
- Het ontkoppelen van de snij-inrichtingen brengt een rem in werking die na enkele seconden het draaien van de inrichtingen stopt. OPMERKING Het inschakelen van de messen zonder het in acht nemen van de voorgeschreven veiligheidsmaatregelen veroorzaakt het afslaan van de motor die niet meer kan worden aangezet (zie par. 6.2.2)
ACHTERUITVERSNELLING Houd de toets (afb. 10.F) ingedrukt om achteruit te rijden met de snij-inrichtingen ingeschakeld, zonder dat de motor stopt.
Met deze hendel wordt de snijgroep omhoog en omlaag gebracht; hij kan op 7 verschillende maaihoogtes ingesteld worden (afb. 10.G). De zeven standen,zijn aangegeven van «1» t/m «7» op het desbetreende plaatje, en stemmen overeen met dezelfde aantal maaihoogtes tussen 3 en 8 cm. Om van de ene positie naar de andere over te gaan, moet u de hendel zijdelings verplaatsen en hem in een van de stopstanden zetten.
- Dit controlelampje (afb. 10.C) gaat branden wanneer de sleutel (afb. 10.A) zich in de stand "DRAAIEN" bevindt en blijft branden tijdens de werking.
- Wanneer dit lampje knippert betekent dit dat er een toestemming ontbreekt om de motor te starten (zie par. 6.2.2).
- Het akoestisch signaal meldt dat de opvangzak vol is (zie par. 6.5.5).
Met deze krachtbesparende, uittrekbare hendel is het mogelijk de opvangzak voor het legen om te kiepen (afb. 10.H).NL - 12
6. GEBRUIK VAN DE MACHINE
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen.
6.1 VOORAFGAANDE WERKZAAMHEDEN
Alvorens te beginnen met werken dienen er enkele controles en handelingen uitgevoerd te worden om er zeker van te zijn dat het werk op de meest nuttige en veilige manier zal verlopen.
6.1.1 Olie en benzine bijvullen
BELANGRIJK De machine wordt zonder motorolie en brandstof geleverd. Vooraleer de machine te gebruiken, moet men de aanwezigheid van brandstof en het oliepeil controleren (par. 7.2, par. 7.3). Voor de werkwijzen en de voorzorgsmaatregelen voor het bijvullenent van brandstof en olie (zie par. 7.2, par. 7.3) en het instructieboekje van de motor.
6.1.2 Verstelling van de stoel
Om de positie van de stoel af te stellen schroeft u de vier stelschroeven (afb. 11.A) wat los en laat u de stoel langs de steungaten schuiven. Wanneer de stoel op de juiste hoogte staat, zet u de vier stelschroeven (afb. 11.A) stevig aan.
6.1.3 Druk van de banden
Een juiste bandenspanning is noodzakelijk om de snijgroep geheel evenredig boven het grasoppervlakte te krijgen, zodat u een mooi maaibeeld krijgt.
1. Draai de beschermende dopjes los.
2. Sluit de kleppen aan op een persluchttoevoer
voorzien van een drukmeter (afb. 12)
3. Regel de druk op de waarden aangegeven
in de tabel "Technische Gegevens".
6.1.4 Voorbereiding van de
machine voor het werk OPMERKING Met deze machine kan men het gras op verschillende wijzen maaien; vooraleer het werk aan te vangen, raadt men aan de machine af te stellen al naargelang de wijze waarop men het gras wil maaien. a. Voorbereiding voor het maaien en de zijdelingse aaat van het gras op de grond (enkel voor modellen met zijdelingse opvang) – Controleer altijd dat de interne veer van de deector (afb. 13.A) en de veiligheidshendel (afb. 13.B, 14.B) correct werken, door ze stabiel in de lage stand te houden. b. Voorbereiding voor het maaien en opvangen van het gras in de opvangzak (enkel voor modellen met opvang achteraan) – Bevestig de opvangzak (afb. 15.A) aan de steunen (afb. 15.B) en centreer deze op de bovenste plaat. Centreer het geheel door de rechtersteun te gebruiken als lateraal steunpunt. – Zorg dat de onderste pijp van de opvangzakmonding zich vast haakt aan de daarvoor bestemde veerhaak (afb. 15.C). c. Voorbereiding voor het maaien en de aaat van het gras achteraan op de grond (enkel voor modellen met opvang achteraan) – Indien men wenst te werken zonder de opvangzak, is er, op aanvraag, een kit voor de achterste aaatbeveiliging (afb. 16; hfdst. 15.5) leverbaar die, zoals aangegeven in de bijbehorende instructies, op de achterplaat bevestigd dient te worden. d. Voorbereiding voor het maaien en jnmalen van het gras – Indien men het gras wil maaien, zeer jn hakken en op het gazon laten liggen, is er, op aanvraag, een kit voor "mulching" (hfdst. 15.1) beschikbaar die bevestigd moet worden zoals aangegeven is in de desbetreende instructies.
6.1.5 Herpositionering van de
antiscalp wielen De functie van de antiscalp wielen is het risico op scheuren in het gazon te vermijden, die veroorzaakt zouden kunnen worden doordat de rand van de snijgroep op onregelmatige grond sleept. Plaats de wielen zoals aangegeven (par. 7.4).
6.2 VEILIGHEIDSCONTROLES
Voer de volgende veiligheidscontroles uit en controleer of de resultaten overeenstemmen met wat aangegeven is in de tabellen. Voer steeds de veiligheidscontroles uit vooraleer de machine te gebruiken.NL - 13
6.2.1 Algemene veiligheidscontrole
Object Resultaat Accu Geen schade aan het omhulsel, aan het deksel of aan de klemmen. Achterste aaatbescherming, zuigrooster Ongeschonden. Geen schade. Correct gemonteerd. Zijdelingse aaatbescherming, zuigrooster Ongeschonden Geen schade. Correct gemonteerd. Brandstofsysteem en verbindingen Geen lekken Elektrische kabels Isolatie volledig intact Geen mechanische schade. Oliecircuit Geen lekken Geen schade. Schakel de machine aan in voorwaartse en achterwaartse versnelling en schakel de vrije stand in/laat het aandrijfpedaal los (par. 5.5; par. 5.7) De machine vertraagt en stopt. Schakel het rempedaal in (par. 5.4; par. 5.6) De machine stopt. Rijtest Geen abnormale trillingen. Geen abnormaal geluid Veiligheidsinrichtingen Deze werken zoals beschreven in par. 6.2.2
6.2.2 Controle van de
veiligheidsinrichtingen De veiligheidsmechanismen hebben twee functies: A. ze voorkomen de start van de motor als de veiligheidsmaatregelen niet in acht zijn genomen; B. ze stoppen de motor als er ook maar een enkel veiligheidsconditie wegvalt. Actie Resultaat
3. de gebruiker zit op
de machine; De motor start de bediener de stoel verlaat De motor stopt de opvangzak wordt opgetild of de achterste aaatbeveiliging wordt verwijderd terwijl de snij- inrichtingen ingeschakeld zijn (enkel voor modellen met opvang achteraan) De motor stopt Actie Resultaat de handrem wordt ingeschakeld zonder de snij-inrichtingen te hebben uitgeschakeld. De motor stopt men schakelt de versnellingshendel in ofwel het pedaal met de handrem ingeschakeld De motor stopt men schakelt de achterwaartse versnelling in, met de snij-inrichtingen ingeschakeld, zonder de toets voor toelating ingedrukt te houden (pag. 5.9) De motor stopt Indien eender welke van deze resultaten verschilt van wat aangegeven is in de tabellen, mag de machine niet gebruikt worden! Richt u tot een dienstcentrum voor de nodige controles en herstelling. BELANGRIJK Denk er altijd aan dat de beveiligingssystemen het starten van de motor beletten wanneer de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen. Nadat in de bovenstaande gevallen het belet tot starten is hersteld, dient de sleutel (afb. 10.A) in de stopstand gedraaid te worden voordat de motor opnieuw gestart kan worden.
6.3 GEBRUIK OP HELLEND TERREIN
Neem de limieten van de Tabel "Technische Gegevens" en van "afb. 19" in acht, onafgezien van de looprichting. Denk eraan dat er geen "veilige" hellingen bestaan. Werken op bij hellingen vereist bijzondere aandacht. Om omkantelen of verlies van controle over de machine te vermijden, raadt men aan:
- Het gazon in geen geval te maaien in de dwarsrichting ten opzichte van de helling. Maai een hellend gazon altijd van boven naar beneden en nooit in de dwarsrichting. Pas erg goed op bij het veranderen van richting en let erop niet op obstakels te stuiten (bijv. stenen, takken, wortels, enz.). Deze obstakels kunnen het zijwaarts glijden en het omkiepen van de machine veroorzaken of de macht over het stuur doen verliezen.
- Niet plotseling te stoppen of weg te rijden bij het op– of afrijden van een helling;
- Schakel de aandrijving zacht en uiterst voorzichtig in om te vermijden dat de machine zou steigeren.
- Verminder de snelheid: – vooraleer van richting te veranderen en in smalle bochtenNL - 14 – vooraleer een hellend terrein op te rijden, vooral benedenwaarts
- Gebruik de achteruitversnelling nooit om snelheid te minderen; dit kan de macht over het stuur doen verliezen, vooral op gladde terreinen.
- Schakel altijd de handrem in voordat u de machine stilstaand en onbeheerd achterlaat.
- Enkel voor modellen met mechanische aandrijving: Rijd nooit een helling af met de versnelling of de koppeling in de vrije stand! Schakel altijd een lage versnelling in voordat u de machine onbeheerd achterlaat.
- Enkel voor modellen met hydrostatische aandrijving: Het afdalen van een helling kan uitgevoerd worden zonder het koppelingspedaal te bedienen om zoveel mogelijk gebruik te maken van het remeect van de hydrostatische aandrijving als de koppeling niet is ingeschakeld.
(afb. 20.A) (indien voorzien).
2. Op de bestuurdersstoel gaan zitten.
3. De aandrijving in de vrije stand
(«N») zetten (par. 5.5; par. 5.7).
4. De snij-inrichtingen uitschakelen (par. 5.8).
5. Trek de handrem aan (par. 5.3).
6. Plaats het versnellingscommando in de stand
voor maximaal toerental "haas" (par. 5.2).
7. Bij koud opstarten: het commando
choke inschakelen (par. 5.2 / par. 5.2.1)
8. Steek de sleutelschakelaar in het
contactslot en draai deze in de «draaien» stand om het elektrische circuit in werking te stellen, draai de sleutel daarna in de «start» stand om de motor te starten;
motor normaal draait: 10a. Het commando choke uitschakelen (par. 5.2, type "II"), door het versnellingscommando naar de stand voor maximaal toerental "haas" te brengen. 10b. Het commando choke uitschakelen (par. 5.2, type "I"). OPMERKING Het gebruik van het commando choke bij reeds warme motor kan de bougie vervuilen en een onregelmatige werking van de motor veroorzaken.
11. Als de motor eenmaal draait, breng de
gashendel terug in de «schildpad» stand; OPMERKING Als er moeilijkheden zijn bij het starten, blijf dan niet te lang aanhouden om de accu niet uit te putten en de motor niet te verzuipen. Draai de sleutel weer in de «stop» stand, wacht enkele seconden en probeer opnieuw te starten. Indien het probleem voortduurt, raadpleeg dan hoofdstuk «14» van deze handleiding en de handleiding van de motor.
6.5.1 Vooruit rijden en verplaatsingen
Tijdens het vervoer:
- de snij-inrichtingen uitschakelen (par. 5.8);
- de snijgroep in de hoogste stand (stand «7») zetten;
- breng het versnellingscommando naar een tussenpositie, tussen het minimale toerental «schildpad» en het maximale toerental «haas».
- Enkel voor modellen met mechanische aandrijving:
1. Duw het pedaal helemaal in (par. 5.4) en
breng de hendel van de koppeling naar de stand van de 1ª versnelling (par. 5.5).
2. Houd het pedaal ingedrukt (afb. 10.I),
en schakel de handrem uit (par. 5.3).
3. Laat het pedaal geleidelijk aan los,
zodat dit van de functie «rem» overgaat naar de functie «koppeling» , en de achterste wielen inschakelt (par. 5.4). U dient het pedaal geleidelijk op te laten komen om te beletten dat de machine, door een te bruuske start, begint te steigeren en u de macht over het stuur kwijtraakt.
4. Zorg dat u geleidelijk de gewenste
snelheid bereikt door de gashendel en de versnellingspook te bedienen; om van de ene versnelling naar de andere over te gaan dient u de koppeling te bedienen door het pedaal half in te trappen (par. 5.4; par. 5.5). BELANGRIJK Het inschakelen van de versnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat.NL - 15
- Enkel voor modellen met hydrostatische aandrijving:
1. Schakel de handrem uit, door het
rempedaal los te laten (par. 5.6).
2. Duw het pedaal van de aandrijving in (par.
5.7) in de richting "voorwaartse werking" totdat de gewenste snelheid bereikt is door een lichte druk op het pedaal uit te voeren en de gashendel te bedienen. De aandrijving moet volgens de beschreven werkwijze ingeschakeld worden (par. 5.7) om te beletten dat de machine, door een te bruuske start, begint te steigeren en u de macht over het stuur kwijtraakt, in het bijzonder op hellingen.
Laat de snelheid van de machine eerst dalen door het toerental van de motor te verminderen, duw vervolgens het rempedaal in (par. 5.4; par. 5.6) om de snelheid verder te verminderen, tot de machine stilvalt. Enkel voor modellen met hydrostatische aandrijving: Een waarneembare vermindering van de snelheid kan reeds worden verkregen door het koppelingspedaal los te laten (par. 5.7)
6.5.3 Achteruitversnelling
BELANGRIJK Het inschakelen van de achteruitversnelling dient uitgevoerd te worden als de machine stilstaat. Enkel voor modellen met mechanische aandrijving:
1. Schakel het pedaal in (par. 5.4)
koppeling naar de stand van de achteruitversnelling "R" (par. 5.5).
3. Laat het pedaal geleidelijk opkomen
om de koppeling in te schakelen en begin met de achteruitrijdmanoeuvre. Enkel voor modellen met hydrostatische aandrijving:
1. Schakel het pedaal in (par. 5.6)
tot de machine stil staat;
2. schakel de achteruitversnelling in door
op het koppelingspedaal in de richting "achteruitversnelling" te duwen (par. 5.7).
6.5.4 Het gras maaien
Doe als volgt om met de machine te werken:
1. breng de versnellingshendel naar de
stand van het maximaal toerental ("haas"); tijdens het gebruik van de machine moet deze stand steeds gebruikt worden;
2. zet de snijgroep in de hoogste stand;
3. de snij-inrichtingen inschakelen (par.
5.8), enkel op het grasveld, vermijd de snij-inrichtingen in te schakelen op grond met grind of te hoog gras;
4. regel de snelheid en de maaihoogte
(par. 5.10) in functie van de condities van het gazon (hoogte, dichtheid en vochtigheid van het gras);
5. begin heel langzaam en voorzichtig
te rijden op de grasgrond, zoals reeds eerder beschreven is; BELANGRIJK Om achteruit te kunnen rijden met de snij-inrichtingen ingeschakeld, moet men de toets voor toelating ingedrukt houden (par. 5.9) om te vermijden dat de motor stilvalt. Elke keer als een afname in het aantal toeren van de motor wordt waargenomen, moet men de snelheid te vertragen, denk eraan dat er nooit een mooi maaibeeld verkregen wordt als de rijsnelheid te hoog is ten opzichte van de hoeveelheid gras. Schakel de snij-inrichtingen uit en breng de snijgroep naar de hoogste stand. – Tijdens verplaatsingen tussen werkzones – Bij het oversteken van oppervlaktes zonder gras. – Elke keer wanneer men een hindernis moet overkomen.
6.5.5 Tips om altijd een mooi
1. Voor een mooi, groen en zacht gazon is het
nodig dat het gras regelmatig gemaaid wordt. Het gazon kan van verschillende soorten gras zijn. Bij regelmatige maaibeurten, groeit het gras sneller, waardoor meer wortelgroei ontstaat en een mooi dicht gazon bekomen wordt; indien minder vaak gemaaid wordt, wordt ook de groei van hoog en wild gras bevorderd (klaver, margrieten, enz.)
2. Het is beter het gras te maaien
als het gazon goed droog is.
3. De snij-inrichtingen dienen geen gebreken
te vertonen en goed scherp te zijn, zodat het gras op de juiste manier wordt afgesneden zonder uitgerukt te worden. Dit kan namelijk tot vergeling van de punten leiden.NL - 16
4. De motor dient op volle toeren te draaien
om zowel het gras op de juiste manier af te snijden als een goede afvoer van het gras naar het uitwerpkanaal te verkrijgen.
5. De maaifrequentie wordt bepaald
aan de hand van de groei van het gras, waarbij vermeden moet worden dat het gras te hoog wordt.
6. In de warmste en droogste tijden van het
jaar is het beter om het gras iets hoger te laten worden zodat het gazon niet uitdroogt.
7. De optimale hoogte van het gras van een
goed verzorgd gazon bedraagt ongeveer 4-5 cm en met een enkele maaibeurt wordt het best niet meer dan een derde van de volledig lengte gemaaid. Als het gras erg hoog is, raden wij aan om het gazon, met tussenpoos van één dag, in twee keer te maaien, de eerste keer met de snij-inrichtingen in de hoogste stand en smallere grasstroken tegelijk maaiend en de tweede keer met de snij- inrichtingen in de gewenste stand (afb. 21).
8. Het gazon zal er mooier uitzien als het
maaien afwisselend, in de lengte– en in de dwarsrichting uitgevoerd wordt (afb. 22).
9. Als het uitwerpkanaal telkens met gras
verstopt, is het beter om de snelheid te vertragen zodat het maaien niet te snel gebeurt ten opzichte van de toestand van het gazon; mocht het probleem aanhouden dan kan het ook zijn dat de snij- inrichtingen niet goed geslepen zijn of dat het proel van de vleugels vervormd is.
10. Pas erg goed op bij het maaien langs
struiken en boorden. Deze kunnen de stand van de snijgroep ontregelen en de zijkant van de snijgroep en de snij-inrichtingen beschadigen.
6.5.6 Lediging van de opvangzak (indien
voorzien, enkel voor modellen met opvang achteraan) OPMERKING Het legen van de opvangzak kan alléén worden uitgevoerd als de messen uitgeschakeld zijn; is dit niet het geval dan slaat de motor af.
- Zorg dat de opvangzak niet te vol raakt om verstopping van het uitwerpkanaal te voorkomen.
- Een geluidssignaal geeft aan dat de opvangzak vol is:
1. de snij-inrichtingen uitschakelen
(par. 5.8) en het signaal stopt;
2. plaats het versnellingscommando in de
stand voor minimaal toerental "schildpad";
5. schakel de motor uit;
6. de hendel (afb. 23.A - indien aanwezig)
naar buiten trekken of de achterste handgreep (afb. 23.A1) vastpakken en de opvangzak omkiepen voor het legen;
7. de opvangzak weer sluiten op zo’n
manier zodat deze zich vastkoppelt aan de veerhaak (afb. 23.B).
6.5.7 Reiniging van het uitwerpkanaal
(enkel voor modellen met opvang achteraan)
- In geval van hoog en nat gras gecombineerd met een te hoge snelheid kan er zich een verstopping van het uitwerpkanaal voordoen. In geval van verstopping, dient men in acht te nemen wat beschreven is in hoofdstuk 7.4.2.
6.5.8 Einde van het maaien
1. de snij-inrichtingen uitschakelen;
2. het aantal toeren van de motor verminderen
3. de terugweg aeggen met de
snijgroep in de hoogste stand.
1. plaats het versnellingscommando in de
stand voor minimaal toerental "schildpad"; Om een ontplong in de knalpot te vermijden dient u de gashendel, 20 seconden voordat u de motor afzet, in de stand «schildpad» te laten.
2. de motor uitschakelen door de
sleutel in de stop-stand te zetten;
3. wanneer de motor uitgeschakeld
is, de brandstofkraan (afb. 24.A) openen (indien voorzien);
4. de sleutel verwijderen
BELANGRIJK Om de lading van de accu in stand te houden, wordt de sleutel niet in de stand «draaien» of «koplampen aan» gelaten wanneer de motor niet aanstaat. De motor kan onmiddellijk na het uitschakelen zeer warm zijn. Raak de knalpot of de delen ernaast niet aan. Gevaar op brandwonden.NL - 17
1. Laat de motor eerst afkoelen vóór
de machine in elke willekeurige ruimte op te bergen.
in vrije stand en schakel de handrem in, stop de motor en verwijder de sleutel, (verzeker u ervan dat alle bewegende delen volledig stil staan): – elke keer wanneer men de machine onbewaakt laat, de bestuurdersplaats verlaat: of de machine parkeert.
De veiligheidsnormen die in acht genomen moeten worden, zijn beschreven in hfdst. 2. Neem deze aanwijzingen strikt in acht om geen ernstige risico's of gevaren te lopen. Vooraleer eender welke controle, reiniging of ingreep voor onderhoud/ afstelling op de machine uit te voeren:
- schakel de snij-inrichting uit;
- schakel de motor uit;
- verwijder de sleutel, (laat de sleutel nooit op de machine zitten, of laat deze niet binnen het bereik van kinderen of niet geschikte personen);
- verzeker U ervan dat alle bewegende delen volledig stilstaan;
- lees de desbetreende instructies;
- Draag geschikte kledij, werkhandschoenen en een beschermende bril.
- De frequenties en de soorten ingrepen zijn samengevat in de "Tabel Onderhoud". Het doel van de tabel is om uw machine een optimale conditie te laten behouden. Hierin staan de voornaamste ingrepen en de tijden waarop ze uitgevoerd moeten worden. Voer de desbetreende handeling uit in functie van de eerstkomende vervaldatum.
- Het gebruik van niet originele of niet correct gemonteerde wisselstukken en toebehoren kan negatieve gevolgen hebben op de werking en de veiligheid van de machine. De fabrikant wijst alle aansprakelijkheid af in geval van schade, letsels of ongevallen veroorzaakt door die producten.
- De originele wisselstukken worden geleverd door de geautoriseerde dienstcentra en wederverkopers.
7.2 BRANDSTOF BIJVULLEN / LEDIGING
BRANDSTOFRESERVOIR OPMERKING Het type van brandstof dat gebruikt moet worden is aangegeven in de handleiding van de motor. BELANGRIJK De machine wordt aan de gebruiker geleverd zonder brandstof. Volg alle aanwijzingen die in de handleiding van de motor staan aangegeven.
Om brandstof bij te vullen:
1. Draai de dop van het reservoir los
en verwijder hem (afb. 25).
2. Plaats de trechter (afb. 25).
3. Vul brandstof bij zonder het
reservoir volledig te vullen.
4. Verwijder de trechter.
5. Schroef de dop van het brandstofreservoir
na het bijvullen goed dicht en reinig eventuele lekken. BELANGRIJK Vermijd benzine op de plastic gedeelten te gieten zodanig dat ze niet beschadigd worden; bij toevallige lekken onmiddellijk spoelen met water. De garantie dekt geen schade aan de plastic onderdelen van de carrosserie of de motor, veroorzaakt door benzine.
7.2.2 Lediging reservoir
OPMERKING Benzine is onderhevig aan bederf en mag niet langer dan 30 dagen in het reservoir blijven. Alvorens de machine gedurende een lange periode te stallen (hfdstk. 9), dient men het reservoir van de brandstof te ledigen. Laat de motor afkoelen alvorens het reservoir van de brandstof te ledigen.
1. Plaats de machine op een vlakke
oppervlakte, in de open lucht.
2. Plaats een opvanghouder ter
hoogte van de pijp (afb. 27.A).
3. Ontkoppel de buis (afb. 27.A) aan de ingang
van de lter van de benzine (afb. 27.B).
4. Open de brandstofkraan (indien voorzien).NL - 18
5. Vang de brandstof op in een
let er hierbij op de slangklem (afb. 27.C) goed aan te brengen.
7. Sluit de brandstofkraan (indien voorzien).
Controleer, voordat er opnieuw met de machine gewerkt wordt, of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur geen benzine lekt.
7.3 CONTROLE, BIJVULLEN,
AFLATEN MOTOROLIE OPMERKING Het type van olie dat gebruikt moet worden is aangegeven in de handleiding van de motor. BELANGRIJK De machine wordt aan de gebruiker geleverd zonder motorolie. BELANGRIJK Volg alle aanwijzingen die in de handleiding van de motor staan aangegeven.
7.3.1 Controle / bijvullen
Controleer het oliepeil vòòr ieder gebruik.
- Controleer het oliepeil van de motor: volgens de precieze werkwijzen aangegeven in de handleiding van de motor, moet dit tussen de kentekens MIN en MAX van het staafje zijn (Afb. 26). Vul niet teveel olie bij, dit zou kunnen leiden tot oververhitting van de motor. Indien het peil over het niveau "MAX" komt, moet men het juiste peil herstellen.
De motorolie kan zeer heet zijn indien ze onmiddellijk na het uitschakelen van de motor verwijderd wordt. Laat daarom de motor enkele minuten afkoelen alvorens de olie te verwijderen. Vervang de motorolie volgens de frequenties aangegeven in de handleiding van de motor. Ga als volgt te werk:
1. Plaats de machine op een
2. Plaats een opvanghouder ter hoogte
van de verlengpijp (afb. 28.A).
3. Houd de verlengpijp goed vast (afb. 28.A)
en draai de aaatdop open (afb. 28.B).
4. Vang de olie op in de houder.
5. Hermonteer de aaatdop (afb. 28 B)
en let erop dat de interne dichting goed geplaatst is (afb. 28.C).
6. Klem de dop goed aan, terwijl u de
1. Verwijder de aaatdop (afb. 28.J).
2. Monteer het buisje (afb. 28.B) op de spuit
(afb. 28.C) en voeg deze diep in de opening.
3. Zuig alle olie van de motor op met het
spuitje (afb. 28.C), houd er rekening mee dat het, voor deze werkzaamheid meerdere keren herhaald moet worden voor een volledige lediging.
1. Plaats de machine op een
2. Een opvangbak onder de
verlengpijp zetten (afb. 28.A).
3. Op de splitpen drukken (afb. 28.B);
4. De verlengpijp loshaken van de
steun en omlaag brengen;
5. De verlengpijp verbuigen en de olie
in een geschikte bak laten lopen;
6. De verlengpijp (afb. 28.A) weer
vasthaken aan de steun (afb. 28.C) voordat u de olie weer bijvult.
7. Reinig eventuele olielekken.
BELANGRIJK Dien de olie in voor verwerking volgens de plaatselijke normen.
7.4 ANTISCALP WIELTJES
Door de verschillende montageposities van de wielen wordt er een veiligheidsafstand "H" gehouden tussen de rand van de snijgroep en de grond (afb. 17.A; afb. 18.A).. Regel de positie van de antiscalp wielen naar gelang de oneenheid van de grond. Deze werkzaamheid moet steeds op beide wieltjes uitgevoerd worden, die op dezelfde hoogte geplaatst moeten worden, BIJ UITGESCHAKELDE MOTOR EN SNIJ-INRICHTINGEN. a. enkel voor modellen met zijdelingse aaat Om de positie te veranderen:
1. draai de schroef los en
verwijder ze (afb.17.B)
2. herplaats het wieltje (afb. 17.A) met de
afstandhouder (afb. 17.C) in de opening ter hoogte van de gewenste afstandNL - 19
3. klem de schroef (afb. 17.B) stevig
vast in de moer (afb. 17.D). b. enkel voor modellen met opvang achteraan Om de positie te veranderen:
1. draai de moer (afb.18.B) los en
verwijder de pin (afb.18.C).
2. herplaats het wieltje (afb. 18.A)
op de gewenste positie
3. hermonteer de pin (afb.18.C), en let erop
dat de kop van de pin (afb.18.C) naar de binnenkant van de machine gericht is
Reinig de machine na ieder gebruik volgens de volgende aanwijzingen.
7.5.1 Reiniging van de machine
- Reinig de buitenkant van de machine door met een vochtige spons en schoonmaakmiddel over de delen in kunststof van de machine te gaan. Let er op dat de motor, de elektrische onderdelen en de elektronische kaart onder het dashboard niet nat worden.
- Om brandgevaar zoveel mogelijk te beperken dienen de motor, de geluiddemper van de uitlaat en de accubak vrij gehouden te worden van gras, bladeren of teveel vet. BELANGRIJK Gebruik in geen geval hogedrukreinigers of bijtende middelen voor het reinigen van de carrosserie en de motor! BELANGRIJK -Reinig de aandrijving niet als ze warm is. Gebruik nooit druklansen om de aandrijving te reinigen.
7.5.2 Reiniging van het uitwerpkanaal
(enkel voor modellen met opvang achteraan) Als de uitwerpkanaal verstopt is, als volgt te werk gaan:
1. de opvangzak of de achterste
aaatbeveiliging verwijderen ;
2. het opgehoopte gras bij de uitmonding
van het uitwerpkanaal verwijderen .
7.5.3 Reiniging van de zak (enkel voor
modellen met opvang achteraan)
1. De opvangzak ledigen
2. De zak schudden om hem schoon te
maken van grasresten en aarde.
3. De zak opnieuw monteren en de
binnenkant van de snijgroep reinigen (par.
7.4.4-a); vervolgens moet men de zak
verwijderen, ledigen, spoelen en zodanig ophangen dat hij snel kan drogen.
7.5.4 Reiniging van de snijgroep
Maak de snijgroep zorgvuldig schoon om alle grasresten en afval te verwijderen. Verwijder tijdens het schoonmaken van de snijgroep mensen en dieren uit het omliggende gebied. a. Reiniging van de binnenkant Het reinigen van de binnenkant van de snijgroep en het uitwerpkanaal dient, onder de volgende condities, op een harde ondergrond te gebeuren: – wanneer de opvangzak of de achterste aaatbescherming gemonteerd zijn (enkel voor modellen met opvang achteraan); – zijdelingse aaatdeector gemonteerd (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) – de gebruiker zit op de machine; – zet de snijgroep in stand «1»; – de motor draait – de koppeling staat in de vrije stand – de snij-inrichtingen zijn ingeschakeld
- Sluit een waterslang eerst op de ene speciale tting (afb. 29.A; afb. 30.A) aan en daarna op de andere en laat voor enkele minuten in elke tting water lopen terwijl de snij-inrichtingen draaien. BELANGRIJK Om de goede werking van de elektromagnetische koppeling niet te compromitteren, dient men: - te vermijden dat de koppeling in aanraking komt met olie; - geen hogedruk-waterstralen direct op de groep van de koppeling richten; - de koppeling nooit met benzine te reinigen. b. Reiniging van de buitenkant Op de bovenkant van de snijgroep mogen zich geen afval en droge grasresten ophopen om de doeltreendheid en de veiligheid van de machine op maximaal niveau te houden. Voor de reiniging van de bovenkant van de snijgroep:
- de snijgroep helemaal omlaag zetten (stand «1»);NL - 20
- met een straal perslucht door de openingen van de beschermingen rechts en links blazen (afb. 29; afb. 30).
Het is fundamenteel om de accu zorgvuldig te onderhouden voor een duurzaam bestaan. De accu van uw machine dient steeds te worden opgeladen:
- bij het eerste gebruik na de aankoop van de machine;
- alvorens elke langdurige periode van inactiviteit (meer dan 30 dagen) (par. 9);
- vóór de machine na een lange periode van stilstand opnieuw in gebruik te nemen. Lees met aandacht de oplaadprocedures die in de handleiding van de accu staan en volg ze op. Als deze procedures niet in acht worden genomen of als de accu niet wordt opgeladen, kan er zich onherstelbare schade voordoen aan de elementen van de accu. Een lege accu moet zo snel mogelijk opgeladen te worden. Het opladen dient uitgevoerd te worden met gelijkspanning apparatuur. Andere oplaadsystemen kunnen de accu op een onherstelbare manier beschadigen.
- De machine is uitgerust met een connector (afb. 31.A) voor het opladen, die aangesloten moet worden op de overeenstemmende connector van de speciale acculader van behoud in dotatie (indien voorzien) of beschikbaar op aanvraag (par. 15.2). Deze connector mag uitsluitend gebruikt worden voor de aansluiting op de acculader van behoud die voorzien is door de Fabrikant. Voor zijn gebruik: – de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in de desbetreende gebruiksinstructies; – de aanwijzingen volgen die aangegeven zijn in het instructieboekje van de accu;
- Houd de schroeven en moeren goed vastgedraaid, om er zeker van te zijn dat de machine altijd veilig werkt
Men dient onmiddellijk de Verkoper of een gespecialiseerd Centrum te contacteren indien men onregelmatigheden aantreft in de werking: - van de rem - bij het inschakelen en stoppen van de snij-inrichtingen - van de inschakeling van de aandrijving vooruit of achteruit.
Een correcte afstelling van de snijgroep is belangrijk om een mooi gelijkmatig gemaaid gazon te verkrijgen (afb. 32). Als het gras onregelmatig gemaaid wordt, de bandenspanning nakijken (par. 6.1.3). Indien dat niet voldoende is voor een eenvormig gazon, neem dan contact op met uw verkoper voor de afstelling van de uitlijning van de snijgroep.
Een botte snij-inrichting rukt het gras uit een veroorzaakt de vergeling van het gazon. Alle handelingen die betrekking hebben op de snij-inrichtingen (demontage, slijpen, in balans brengen, herstelling, hermontage en/of vervanging) vergen een specieke vaardigheid en het gebruik van geschikt gereedschap; uit veiligheidsoverwegingen moeten deze handelingen daarom steeds uitgevoerd worden in een Gespecialiseerd centrum. Laat de beschadigde, geplooide of versleten snij-inrichtingen steeds als geheel vervangen, samen met de schroeven, om de balans te behouden. Het is raadzaam dat de messen per koppel vervangen worden, vooral in geval van duidelijke verschillen in de slijtage. Gebruik steeds originele snij-inrichtingen, met de code aangegeven in de tabel "Technische Gegevens".NL - 21 Gezien de ontwikkeling van het product, kunnen de snij-inrichtingen aangegeven in de "Technische Gegevens" in de loop van de tijd vervangen worden door andere, met soortgelijke eigenschappen voor wat betreft verwisselbaarheid en functionele veiligheid.
8.3.1 Voorafgaande werkzaamheden
BELANGRIJK Gebruik een geschikt hefmiddel, bijvoorbeeld een schaarkrik. Vooraleer de wielen te vervangen, moet men de volgende werkzaamheden uitvoeren:
- Verwijder alle toebehoren.
- Plaats de machine op een stevige en vlakke oppervlakte, die de stabiliteit van de machine garandeert.
- Trek de handrem aan.
- Schakel de motor uit.
- De sleutel verwijderen ;
- Plaats de krik op het hefpunt nabij het wiel dat vervangen moet worden (par. 8.3.2; par. 8.3.3).
- Controleer of de krik perfect loodrecht op het terrein staat.
8.3.2 Keuze en plaatsing van de
krik op de achterwielen Plaats houten keggen (afb. 33.A) aan de basis van de wielen (afb. 33.B), aan de kant van het wiel dat vervangen moet worden (afb. 33.C). Voor modellen met opvang achteraan:
- De maximale hoogte van de gesloten krik is 110mm. (afb. 32).
- Plaats de krik onder het achterste plaatje (afb. 33.A), op 180 mm. van de zijdelingse boord. Voor modellen met zijdelingse aaat:
- De maximale hoogte van de gesloten krik is 110mm. (afb. 34).
- Plaats de krik onder de achterste as, op het op de afbeelding aangegeven punt (afb. 35.A) OPMERKING Wanneer de krik geplaatst is zoals beschreven in deze paragraaf, is het mogelijk enkel het wiel dat moet vervangen worden, op te tillen.
8.3.3 Keuze en plaatsing van de
krik op de voorwielen
1. Plaats houten keggen (afb. 37.A) aan de
basis van de wielen (afb. 37.B), achter het wiel dat vervangen moet worden (afb. 37.C).
2. De maximale hoogte van de
gesloten krik is 110mm.
3. Plaats op de krik (g. 38.A) een vierkanten
houten dikte (afb. 38.B) met een doorsnede van ongeveer 10 x 10 cm. OPMERKING De dikte van het hout vermijdt beschadiging aan de voorste as.
4. Hef de krik op zodat de dikte tegen het frame
en de structurele delen steunt (afb. 38.C). OPMERKING Tijdens deze fase, moet men de dikte in evenwicht houden op de krik, met behulp van een hand. OPMERKING Wanneer de krik zo geplaatst is, is het mogelijk de hele vooras op te tillen.
8.3.4 Vervanging van het wiel
BELANGRIJK Verzeker u ervan dat de machine stabiel en stil blijft staan tijdens het optillen. Indien men iets vreemds merkt, moet men de krik onmiddellijk omlaag brengen, controleren en eventuele problemen oplossen en vervolgens de krik opnieuw optillen.
1. Verwijder het deksel (afb. 39.A).
2. Til de krik voldoende op om het wiel
gemakkelijk te kunnen verwijderen.
3. Verwijder, met behulp van een
schroevendraaier, de veerring (afb. 39.B) en de drukring (afb. 39.C.).
4. Verwijder het wiel dat
vervangen moet worden.
5. Smeer de as (afb. 39.D) in met vet.
6. Monteer het nieuwe wiel.
7. Plaats de drukring en de veerring
zorgvuldig weer op hun plaats. BELANGRIJK Controleer of de achterste wielen op dezelfde hoogte staan (afb. 40.A) en of het verschil tussen de externe diameters tussen de twee wielen (afb. 40.B) niet meer is dan 8-10 mm. Indien dit wel zo is, moet men, om een onregelmatig maaien te voorkomen, de uitlijning van de snijgroep bij een geautoriseerd dienstcentrum laten afstellen.NL - 22
8.3.5 De banden repareren of vervangen
De banden zijn "Tubeless" en iedere vervanging of reparatie als gevolg van een lek dient dan ook door een vakman uitgevoerd te worden volgens de, voor dit type banden, geldende voorschriften.
8.4 ELEKTRONISCHE KAART
De elektronische kaart is een onderdeel dat zich onder het dashboard bevindt en dat alle beveiligingen van de machine beheert.
8.4.1 Beschermingsinrichting van
de kaart (enkel voor modellen met opvang achteraan)
- De elektronische kaart bevindt zich onder het dashboard en is voorzien van een zelfherstellende beveiliging waardoor het circuit verbroken wordt in geval van afwijkingen in de elektrische installatie (hfdstk. 14).
8.4.2 Beschermingszekering van
de che(enkel voor modellen met zijdelingse aaat)
- De elektronische kaart bevindt zich onder het dashboard en is voorzien van een zekering waardoor het circuit verbroken wordt in geval van afwijkingen of kortsluiting in de elektrische installatie (hfdstk. 14).
8.5 EEN ZEKERING VERVANGEN
De machine is uitgerust met een aantal zekeringen (afb. 40.A) met verschillend vermogen en met de volgende functies en kenmerken: – Zekering van 10 A = bescherming van de algemene stroomcircuits en het vermogen van de elektronische kaart; het in werking treden van deze zekering veroorzaakt de stilstand van de machine. Enkel bij de modellen met aaat achteraan, gaan tevens alle lampjes uit op het dashboard (par. 5.11) – Zekering van 25 A = bescherming van het laadcircuit; wanneer deze zekering in werking treedt, verliest de accu geleidelijk aan zijn lading en ontstaan er problemen bij het starten. Het vermogen van de zekering is aangegeven op de zekering zelf. BELANGRIJK Een doorgebrande zekering dient altijd vervangen te worden door eenzelfde type met hetzelfde vermogen. Als de oorzaak van het in werking treden niet gevonden kan worden dient er contact opgenomen te worden met uw Verkoper.
- De koplampen (18W) zijn door middel van een bajonettting in de lamphouder gedraaid. De lamphouder kan verwijderd worden door deze met behulp van een tang tegen de klok in te draaien (afb. 42)
8.6.2 Type "I" - LED-lampen
- Draai de ringmoer (afb. 42.A) los en verwijder de connector (afb. 42.B). Demonteer de LED-verlichting (afb. 42.C) die met de schroeven bevestigd (afb. 42.D) is.
- Deze bestaan uit een verzegelde eenheid en vragen geen onderhoud.; de eenheid is voorzien van een permanente smering die geen vervanging of aanvulling behoeft.
Wanneer de machine gedurende meer dan 30 dagen opgeborgen moet worden:
1. Laat de motor afkoelen
2. Maak de kabels van de accu los en bewaar
de accu op een frisse en droge plek.
3. Ledig de brandstoftank (par. 7.2.2) en volg de
instructies van de handleiding van de motor.
4. Reinig de machine zorgvuldig.
5. Controleer of de machine geen schade
vertoont. Contacteer, indien nodig, het geautoriseerde dienstcentrum.
6. De machine opbergen:
– met de snijgroep omlaag – in een droge ruimte – beschermd tegen slechte weersomstandigheden – indien mogelijk bedekt met een doek (par. 15.4) – buiten bereik van kinderen. – na zich ervan verzekerd te hebben de sleutels of werktuigen die voor het onderhoud gebruikt werden, verwijderd te hebben.NL - 23 Wanneer de machine weer in werking gezet wordt:
- controleer of er uit de slang, de benzinekraan en de carburateur geen benzine lekt.
- bereid de machine voor zoals aangegeven in hoofdstuk "6. Gebruik van de machine".
10. HANTERING EN TRANSPORT
- Wanneer men de machine hanteert, moet men: – de snij-inrichting uitschakelen; – de snijgroep in de hoogste stand zetten; – de motor uitschakelen;
- Wanneer men de machine met een wagen of aanhangwagen vervoert, moet men: – opritten gebruiken met geschikte weerstand, breedte en lengte; – de machine laden met de motor uitgeschakeld, met de contactsleutel uit het stopcontact van de machine, zonder bediener, duwend, en met een geschikt aantal personen; – de brandstofkraan sluiten (indien voorzien). – de snijgroep omlaag brengen; – de handrem aantrekken; – de machine zo plaatsen dat ze geen gevaar veroorzaakt; – ze stevig aan het vervoersmiddel bevestigen met koorden of kettingen om te vermijden dat ze kantelt en zo eventueel beschadigd kan worden of dat er brandstof zou kunnen lekken.
11. ASSISTENTIE EN HERSTELLINGEN
Deze handleiding verstrekt alle gegevens die u nodig hebt om de machine te kunnen gebruiken en om er op de juiste manier eenvoudige onderhoudswerkzaamheden aan te kunnen verrichten, die de gebruiker zelf kan uitvoeren. Alle afstellingen en onderhoudshandelingen die niet beschreven zijn in deze handleiding moeten uitgevoerd worden door uw Verkoper of in een gespecialiseerd Centrum dat beschikt over de nodige kennis en uitrustingen om de werken correct uit te voeren, met respect voor het oorspronkelijk niveau van veiligheid van de machine. Handelingen die in niet geschikte structuren of door onbekwame personen uitgevoerd werden, doen elke vorm van garantie en alle verplichtingen of aansprakelijkheid van de Fabrikant vervallen.
- Enkel de geautoriseerde dienstcentra mogen de herstellingen en onderhoudsingrepen in garantie uitvoeren.
- De geautoriseerde dienstcentra gebruiken enkel originele wisselstukken. De originele wisselstukken en toebehoren werden speciaal voor de machines ontwikkeld.
- Niet originele wisselstukken en toebehoren zijn niet goedgekeurd; het gebruik van niet originele wisselstukken en toebehoren brengt de veiligheid van de machine in gevaar en ontheft de Fabrikant van alle verplichtingen en aansprakelijkheden.
- Men raadt aan de machine eens per jaar aan een geautoriseerd dienstcentrum toe te vertrouwen voor het onderhoud, assistentie en controle van de veiligheidsinrichtingen.
De garantie dekt alle defecten van het materiaal en van de fabricatie. De gebruiker moet aandachtig de aanwijzingen volgen die in de bijgevoegde documentatie verschaft is. De garantie geldt niet voor schade te wijten aan:
- Onvoldoende kennis van de vergezellende documentatie.
- Onjuist of niet toegestaan gebruik en montage
- Gebruik van niet originele wisselstukken.
- Gebruik van toebehoren dat niet door de fabrikant verschaft of goedgekeurd werd. Deze garantie geldt bovendien niet voor:
- De normale slijtage van verbruiksmateriaal zoals transmissieriemen, koplampen, wielen, veiligheidsbouten en draden.
- Motoren. Deze zijn gedekt door de garantie van de fabrikant van de motor volgens de aangegeven termijnen en condities. De aankoper is beschermd door de nationale wetten van zijn eigen land. De rechten van de koper die voorzien zijn in de nationale wetten van zijn eigen land zijn op geen enkele wijze beperkt door deze garantie.NL - 24
In de vakjes ernaast kunt u de datum of het aantal werkuren noteren wanneer de ingreep is uitgevoerd. Ingreep Frequentie (uren) Uitvoering (Datum of Uren) Nota's MACHINE Veiligheidscontroles / Controle van de commando's Voor eender welk gebruik par. 6.2 Controle bandendruk Voor eender welk gebruik par. 6.1.3 Montage/Controle van de beschermingen aan de uitgang Voor eender welk gebruik par. 6.1.4 Algemene reiniging en controle Aan het einde van ieder gebruik par. 7.4 Controle van eventuele schade aan de machine. Contacteer, indien nodig, het geautoriseerde dienstcentrum. Aan het einde van ieder gebruik
MOTOR Controle/bijvullen brandstof Voor eender welk gebruik par 7.2 Controle / bijvullen motorolie Voor eender welk gebruik par 7.3 Vervanging motorolie ... * Controle en schoonmaken luchtlter ... * Vervanging luchtlter ... *
- Raadpleeg de handleiding van de motor voor de complete lijst en de tussenpozen ** Neem contact op met uw verkoper zodra u storingen vermoedt *** Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum moet uitgevoerd worden *** De algemene smering van alle bewegende onderdelen moet bovendien, elke keer er verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden.NL - 25 Ingreep Frequentie (uren) Uitvoering (Datum of Uren) Nota's Controle benzinelter ... * Vervanging benzinelter ... * Controle en schoonmaken contactpuntjes ... * Vervanging bougie ... *
- Raadpleeg de handleiding van de motor voor de complete lijst en de tussenpozen ** Neem contact op met uw verkoper zodra u storingen vermoedt *** Handeling die door uw Verkoper of door een gespecialiseerd Centrum moet uitgevoerd worden *** De algemene smering van alle bewegende onderdelen moet bovendien, elke keer er verwacht wordt de machine voor geruime tijd niet te gebruiken, uitgevoerd worden.
1. Met de sleutel op
«DRAAIEN», blijft het controlelampje uit (enkel voor modellen met opvang achteraan) De bescherming van de elektronische kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: de accu is niet goed aangesloten controleer de verbindingen (par. 4.4) de polen van de accu zijn omgewisseld controleer de verbindingen (par. 4.4). de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) de zekering is doorgebrand vervang de zekering (10.A) (par. 8.5). de kaart nat is drogen met lauwe lucht
2. De sleutel staat in
de stand «START», het lampje knippert en de startmotor draait niet (enkel voor modellen met opvang achteraan) er is geen toestemming tot starten is gegeven controleer of de toelatingsvoorwaarden worden gerespecteerd (par. 6.2.2)
3. De sleutel staat in
de stand «START», het lampje gaat aan, maar de startmotor draait niet (enkel voor modellen met opvang achteraan) de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) storing van het startrelais contacteer uw Verkoper
4. De sleutel staat in de
stand «START», de startmotor draait niet (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) Zet de sleutel op stand «STOP» en zoek de oorzaken van het defect: er is geen toestemming tot starten gegeven controleer of de toelatingsvoorwaarden worden gerespecteerd (par. 6.2.2) de accu is niet goed aangesloten controleer de verbindingen (par. 4.4) de polen van de accu zijn omgewisseld controleer de verbindingen (par. 4.4) de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) de zekering is doorgebrand vervang de zekering (10.A) (par. 8.5). de kaart is nat drogen met lauwe lucht storing van het startrelais contacteer uw Verkoper Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 26
PROBLEMEN MOGELIJKE OORZAAK OPLOSSING
5. De sleutel staat in de
«START» stand, de startmotor draait maar de motor slaat niet aan de accu is niet goed opgeladen laad de accu weer op (par. 7.5) te weinig benzineaanvoer controleer het peil in het reservoir (par. 7.2.1) open de kraan (indien voorzien) (par. 6.4) controleer de benzinelter er een defect in de ontsteking is opgetreden controleer of de bougiekap juist bevestigd is controleer of de elektroden niet vuil zijn en of hun onderlinge afstand juist is
6. Een moeilijke start of
een onregelmatige werking van de motor er brandstofproblemen zijn reinig of vervang luchtlter leeg de benzinetank en vul met nieuwe benzine controleer en vervang eventueel de benzinelter
7. Tijdens het maaien is
er een krachtverlies van de motor de rijsnelheid is te hoog ten opzicht van de snijhoogte neem in snelheid af en/of zet het maaidek in een hogere stand (par. 6.5.4)
tijdens het werk ingreep van de veiligheidsinrichting controleer of de toelatingsvoorwaarden gerespecteerd worden (par. 6.2.2) zekering verbrand wegens kortsluiting of afwijking in de elektrische installatie (enkel voor modellen met zijdelingse aaat) Spoor de oorzaken van het defect op en herstel het om te vermijden dat de onderbrekingen zich herhalen. Vervang de zekering (10 A) (par. 8.5). Indien deze onderbrekingen aanhouden, dient u Uw wederverkoper te contacteren.
tijdens het werk en het controlelampje gaat uit (enkel voor modellen met opvang achteraan) De bescherming van de elektronische kaart is in werking getreden doordat: Zet de sleutel op stand «STOP», wacht enkele seconden zodat het circuit automatisch weer ingeschakeld wordt en: de polen van de accu zijn omgewisseld controleer de verbindingen (par. 4.4) afwijkingen in de werking van de regelaar van de lading van de accu controleer de aansluitingen van de batterij (par. 4.4) controleer de aanwezigheid van de accu kortsluiting contacteer uw Verkoper
10. De snij-inrichtingen
schakelen zich niet in of stoppen niet onmiddellijk wanneer ze uitgeschakeld worden. problemen bij de inschakeling contacteer uw Verkoper
11. Onregelmatig maaien
en onvoldoende opvang (enkel voor modellen met opvang achteraan) de snijgroep staat niet evenwijdig ten opzichte van het terrein controleer de druk van de banden (par. 6.1.3) herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (par. 8.2.1) onwerkzaamheid van de snij-inrichtingen contacteer uw Verkoper de rijsnelheid is te hoog ten opzichte van de hoogte van het gras neem in snelheid af en/of zet de snijgroep in een hogere stand (par. 6.5.4) wacht tot het gras droog is het kanaal is verstopt verwijder de opvangzak en ledig het kanaal (par. 7.4.2)
12. Onregelmatig maaien
(enkel voor modellen met zijdelingse aaat) de snijgroep staat niet evenwijdig ten opzichte van het terrein controleer de druk van de banden (par. 6.1.3) herstel de uitlijning van de snijgroep ten opzichte van het terrein (par. 8.2.1) onwerkzaamheid van de snij-inrichtingen contacteer uw Verkoper Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.NL - 27
tijdens het werk de snijgroep zit vol met gras reinig de snijgroep (par. 7.4.4) de snij-inrichtingen zijn uit balans of losgekomen contacteer uw Verkoper de bevestigingen zijn losgeraakt controleer en draai de bevestigingsschroeven van de motor en het chassis goed vast
14. Onzekere of niet
werkzame remming niet correct afgestelde rem contacteer uw Verkoper
beweging, weinig tractie bij stijging of neiging van de machine om op te trekken problemen aan de riem of aan het inschakelsysteem contacteer uw Verkoper
16. Als het aandrijfpedaal
bediend wordt met een draaiende motor, verplaatst de machine zich niet (modellen met hydrostatische aandrijving) ontgrendelingshendel in stand voor transmissie ontgrendeld breng de hendel weer naar de stand voor transmissie ingeschakeld (par. 5.13)
17. De machine begint
op abnormale wijze te trillen en/of heeft tegen een vreemd voorwerp gestoten beschadiging of losgekomen delen stop de machine en haal de contactsleutel weg controleer eventuele beschadigingen controleer of er delen losgekomen zijn en schroef ze weer vast voer de controles, vervangingen of herstellingen uit bij een Gespecialiseerd Centrum Mochten de problemen aanhouden na het toepassing van de bovengenoemde remedies, dan dient er contact te worden opgenomen met uw Verkoper.
Versnippert het gemaaide gras en laat het achter op het terrein (afb. 43.A1; afb. 43.A2).
15.2 BATTERIJ-OPLADER VOOR BEHOUD
Laat toe de accu eciënt te houden tijdens de periodes van inactiviteit van de machine, waarbij een optimaal laadniveau en een langere duurzaamheid van de accu gegarandeerd wordt (afb. 43.B).
Om een kleine aanhangwagen te trekken (afb. 43.C)
Beschermt de machine van stof als deze niet gebruikt wordt (afb. 43.D)
AFLAATBEVEILIGING Kan in plaats van de opvangzak gebruikt worden als het gras niet opgevangen wordt (afb. 43.E). (enkel voor modellen met aaat achteraan)
15.6 SNEEUWKETTINGEN 18"
Verbeteren de wegvastheid van de achterste wielen op besneeuwde wegen en staan het gebruik van sneeuwruimende werktuigen toe (afb. 43.F).NL - 28
SNEEUWWIELEN 18" Deze verbeteren de performances van de aandrijving op sneeuw en modder.
Voor het transport van werktuigen of andere voorwerpen, binnen de limieten van de toegestane ladingen (afb. 43.H).
Om het terrein aan te duwen na het zaaien of platdrukken van het gras (afb. 43.J).
15.11 SNEEUWRUIMER MET
SNEEUWSCHUIF Voor het wegschuiven van de sneeuw en het zijdelings ophopen ervan (afb. 43.K).
Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing)
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)
2. Verklaart onder zijn eigen
verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor
3. Voldoet aan de specificaties van de
richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type
4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen
g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen
n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum
Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing)
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)
2. Verklaart onder zijn eigen
verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor
3. Voldoet aan de specificaties van de
richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type
4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen
g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen
n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum
Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing)
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)
2. Verklaart onder zijn eigen
verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor
3. Voldoet aan de specificaties van de
richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type
4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen
g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen
n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum
Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing)
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A)
2. Verklaart onder zijn eigen
verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor
3. Voldoet aan de specificaties van de
richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type
4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen
g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen
n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum
Vertaling van de oorspronkelijke gebruiksaanwijzing)
EG-verklaring van overeenstemming (Richtlijn Machines 2006/42/CE, Bijlage II, deel A) 1. Het bedrijf 2. Verklaart onder zijn eigen verantwoordelijkheid dat de machine: Grasmaaier met zittende bediener / grasmaaier a) Type / Basismodel b) Maand / Bouwjaar c) Serienummer d) Motor: benzinemotor 3. Voldoet aan de specificaties van de richtlijnen: e) Certificatie-instituut f) EG-onderzoek van het Type 4. Verwijzing naar de Geharmoniseerde normen g) Gemeten niveau van geluidsvermogen h) Gegarandeerd niveau van geluidsvermogen i) Snijbreedte n) Bevoegd persoon voor het opstellen van het Technisch Dossier o) Plaats en Datum
Notice-Facile