EHOBG12ABV1 - Airconditioner DAIKIN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis EHOBG12ABV1 DAIKIN in PDF-formaat.

📄 316 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice DAIKIN EHOBG12ABV1 - page 157
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Italiano IT Nederlands NL Polski PL
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : DAIKIN

Model : EHOBG12ABV1

Categorie : Airconditioner

Titel Beschrijving
Type apparaat Airconditioner
Koelcapaciteit 12 000 BTU
Energie R-32
Energieklasse A++
Geluidsniveau Stil, tot 19 dB(A)
Afmetingen (binnenunit) 800 x 290 x 215 mm
Gewicht (binnenunit) 8 kg
Afmetingen (buitenunit) 800 x 600 x 300 mm
Gewicht (buitenunit) 30 kg
Extra functies Eco-modus, Ontvochtiging, Afstandsbediening
Installatie Installatie door een professional aanbevolen
Onderhoud Filter regelmatig reinigen, jaarlijkse controle door een professional
Veiligheidsmaatregelen Voldoet aan de geldende veiligheidsnormen, bescherming tegen overbelasting
Garantie 2 jaar op onderdelen

Veelgestelde vragen - EHOBG12ABV1 DAIKIN

Wat is het geluidsniveau van de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit?
Het geluidsniveau van de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit is 24 dB(A) in stille modus.
Hoe stel ik de temperatuur in op de DAIKIN EHOBG12ABV1?
Gebruik de meegeleverde afstandsbediening om de temperatuur in te stellen. Druk op de temperatuurknop en pas aan met de pijltjestoetsen omhoog en omlaag.
Wat moet ik doen als de unit niet start?
Controleer eerst of het apparaat is aangesloten en of de stroomonderbreker niet is gesprongen. Als het probleem aanhoudt, neem dan contact op met de klantenservice.
Hoe maak ik het filter van de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit schoon?
Verwijder het filter volgens de instructies in de gebruikershandleiding, reinig het met lauw water en laat het drogen voordat u het terugplaatst.
Kan de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit ook verwarmen?
Ja, de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit is uitgerust met een verwarmingsfunctie naast de airconditioning.
Wat is de levertijd voor de DAIKIN EHOBG12ABV1?
De levertijd hangt af van uw locatie, maar is doorgaans 3 tot 7 werkdagen.
Hoe kan ik technische ondersteuning krijgen voor mijn DAIKIN EHOBG12ABV1?
U kunt contact opnemen met de klantenservice van DAIKIN via telefoon of hun website voor technische ondersteuning.
Is er garantie op de DAIKIN EHOBG12ABV1?
Ja, de DAIKIN EHOBG12ABV1 heeft een garantie van 2 jaar vanaf de aankoopdatum.
Wat is het energieverbruik van de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit?
De DAIKIN EHOBG12ABV1 unit heeft een energie-efficiëntieklasse A++, wat zorgt voor een efficiënt energieverbruik.
Is professionele installatie vereist voor de DAIKIN EHOBG12ABV1 unit?
Ja, het wordt aanbevolen om een professional in te schakelen voor de installatie om optimale en veilige werking te garanderen.

Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EHOBG12ABV1 - DAIKIN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EHOBG12ABV1 van het merk DAIKIN.

GEBRUIKSAANWIJZING EHOBG12ABV1 DAIKIN

Dit installatievoorschrift Met dit installatievoorschrift kunt u het toestel op veilige wijze monteren, installeren en onderhouden. Volg de instructies nauwkeurig op. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant. Bewaar dit installatievoorschrift bij het toestel. Gebruikte afkortingen en benamingen Omschrijving Te noemen als Daikin EHOBG12ABV1, EHOBG18ABV1 Toestel Toestel met leidingwerk voor centrale verwarming CV-installatie Toestel met leidingwerk voor warm tapwater WW-installatie Pictogrammen In deze handleiding is het volgende pictogram gebruikt:

VOORZICHTIG Procedures die –als ze niet met de nodige voorzichtigheid uitgevoerd worden– schade aan het product, de omgeving, het milieu of lichamelijk letsel tot gevolg kunnen hebben.

BELANGRIJK Procedures en/of voorschriften welke, bij niet opvolgen de werking van het toestel in negatieve zin kunnen beïnvloeden.Daikin Europe NV

Service en technische ondersteuning ten behoeve van de installateur Voor informatie over specifieke afstellingen, installatie-, onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, kunt u als installateur contact opnemen met: uw plaatselijke Daikin-verdeler. Identificatie van het product De toestelgegevens vindt u op het typeplaatje op de onderzijde van het toestel. De typeplaat bevat naast de informatie over de leverancier en de toestel gegevens (type en model naam) de volgende gegevens: ******-yymm****** Product code – serienummer (yy = productie jaar, mm = producitemaand) PIN Product Identificatie Nummer

Informatie met betrekking tot Centrale Verwarming Informatie met betrekking tot de electrische aansluiting zoals voltage netfrequentie, elmax en IP klasse PMS Toegestane overdruk van het Centrale Verwarmingscircuit in bar Qn HS Belasting op bovenwaarde in kilowatt Qn Hi Belasting op onderwaarde in kilowatt Pn Vermogen in kilowatt BE,DE,FR,IT,PL Bestemmingslanden (EN 437) I2E(s), I2H, IIELL3P, II2H3P, II2Esi3P Toegestane toestel categorie (EN 437) G20-20 mbar G25-25 mbar Gssoort en voordruk (fabrieksinstelling, EN 437) B23, …. C93(x) Toegestane rookgascategorie (EN 15502) Tmax Max. aanvoertemperatuur in °C IPX4D Electrische beschermingsklasse 1 VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

BELANGRIJK Dit product is uitsluitend voor huishoudelijk gebruik bestemd. De fabrikant Daikin Europe NV aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor schade of letsel veroorzaakt door het niet (strikt) naleven van de veiligheidsvoorschriften en -instructies, dan wel door onachtzaamheid tijdens het installeren van de Daikin EHOBG*ABV1 gaswandketel en de eventueel bijbehorende accessoires. Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij zij toezicht of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven. De gehele installatie moet voldoen aan de geldende lokale technische en (veiligheids)voorschriften van toepassing en dit zowel voor de gasinstallatie, de elektrische installatie, rookgasafvoerinstallatie, dinkwaterinstallatie en CV- installatie.Daikin Europe NV

De Daikin EHOBG*ABV1 gaswandketel is een gesloten toestel. Het toestel is bedoeld om warmte te leveren aan het water van een CV-installatie en de WW-installatie. De luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer kunnen door middel van twee aparte leidingen op het toestel aangesloten worden. Een concentrische aansluiting kan op bestelling geleverd worden. Het toestel is in combinatie met de combidoorvoer gekeurd, maar het toestel kan ook aangesloten worden op combidoorvoeren die voldoen aan de universele keuringseisen voor combidoorvoeren. Het toestel kan naar keuze aangesloten worden op een montagebeugel, een frame met bovenaansluiting en diverse aansluitsets. Deze worden separaat geleverd. De Daikin EHOBG*ABV1 gaswandketels zijn voorzien van het CE keurmerk en hebben de elektrische beschermingsklasse IP44. Het toestel wordt standaard geleverd voor aardgas (G20). Op bestelling kan een toestel geleverd worden voor propaan (G31).

De Daikin EHOBG*ABV1 gaswandketel is een modulerende hoog rendement ketel. Dit houdt in dat het vermogen wordt aangepast aan de gewenste warmtebehoefte. In de aluminium warmtewiselaar is een koperen CV-circuit geïntegreerd. Door het toestel met behulp van een driewegklep en boilersensor aan te sluiten op een indirect verwarmde boiler kan het water van de WW-installatie verwarmd worden (Zie § 5.1 en § 5.2). De ingebouwde boilerregeling van het toestel zorgt er voor dat de warmwatervoorziening voorrang krijgt ten opzichte van de verwarming. Beide kunnen niet gelijktijdig werken. Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die bij iedere warmtevraag van de verwarming of de warmwatervoorziening de ventilator aanstuurt, de gasklep opent, de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt en regelt, afhankelijk van het gevraagde vermogen.

2.3 Bedrijfstoestanden

Op het servicedisplay van het bedieningspaneel wordt door een code de bedrijfstoestand van het toestel aangegeven. - Uit Het toestel is buiten bedrijf, maar staat wel onder elektrische spanning. Op vragen voor warm tapwater of CV-water wordt niet gereageerd. De toestelvorstbeveiliging is wel actief. Dit houdt in dat de pomp gaat draaien en de wisselaar wordt opgewarmd indien de temperatuur van het daarin aanwezige water te ver daalt. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7 zichtbaar (opwarmen wisselaar). Tevens kan in deze bedrijfstoestand de druk in de CV-installatie (in Bar) afgelezen worden op het temperatuurdisplay. Wachtstand De LED bij de toets brandt en eventueel één van de LED’s van de tapcomfort functie. Het toestel is gereed voor het beantwoorden van een vraag naar CV- of tapwater. 0 Nadraaien CV Na het einde van CV-bedrijf blijft de pomp nog een bepaalde tijd werken. De nadraaitijd staat van fabriekswege ingesteld op de waarde volgens § 7.2. Deze instelling kan gewijzigd worden. Bovendien gaat de pomp automatisch 1 keer per 24 uur gedurende 10 seconden draaien om vastzitten te voorkomen. Deze automatische inschakeling van de pomp vindt plaats op het tijdstip van de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient op het gewenste tijdstip de kamerthermostaat even omhoog gezet te worden. 1 Gewenste temperatuur bereikt De branderautomaat kan de warmtevraag tijdelijk blokkeren. De brander wordt dan gestopt. De blokkering vindt plaats omdat de gevraagde temperatuur is bereikt. Als de temperatuur voldoende is gezakt wordt de blokkering opgeheven. 2 Zelftest Eenmaal per 24 uur wordt door de branderautomaat de aangesloten sensoren gecontroleerd. Tijdens de controle voert de automaat geen andere taken uit.Daikin Europe NV

3 Ventileren Bij het starten van het toestel wordt allereerst de ventilator naar het starttoerental gebracht. Als het starttoerental is bereikt wordt de brander ontstoken. Code 3 is eveneens zichtbaar als er na het stoppen van de brander wordt nageventileerd. 4 Ontsteken Als de ventilator het starttoerental heeft bereikt vindt de ontsteking van de brander middels elektrische vonken plaats. Tijdens het ontsteken is code 4 zichtbaar. Indien de brander niet ontsteekt dan vindt na ongeveer 15 seconden een nieuwe ontsteekpoging plaats. Als na 4 ontsteekpogingen de brander nog niet brandt dan valt de automaat in storing. 5 CV-bedrijf Op de automaat kan een aan/uit thermostaat, een OpenTherm thermostaat, een buitenvoeler of een combinatie met de laatste aangesloten worden (zie § 10.3) Bij een warmtevraag afkomstig van een thermostaat volgt na het aanlopen van de ventilator (code 3 ) het ontsteken (code 4 ) en de CV-bedrijfstoestand (code 5 ). Tijdens CV-bedrijf wordt het toerental van de ventilator en daarmee het vermogen van het toestel aangepast zodanig dat de temperatuur van het CV-water naar de gewenste CV-aanvoertemperatuur toe geregeld wordt. Wanneer een aan/uit thermostaat is aangesloten, is dit de op het display ingestelde CV-aanvoertemperatuur. In het geval van een OpenTherm thermostaat wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur door de thermostaat bepaald. Bij een buitenvoeler wordt de gewenste CV-aanvoertemperatuur bepaald door de in de branderautomaat geprogrammeerde stooklijn. Voor de laatste twee situaties geldt echter als maximum de op het display ingestelde temperatuur. Tijdens CV-bedrijf wordt de gevraagde CV-aanvoertemperatuur op het bedieningspaneel weergegeven. De CV-aanvoertemperatuur kan ingesteld worden tussen 30 en 90°C (zie § 7.1). Let op: voor een laagtemperatuursysteem kan een lagere maximale instelling vereist zijn dan de standaardinstelling van 80°C. Door de servicetoets in te drukken tijdens CV-bedrijf kan de werkelijke CV- aanvoertemperatuur afgelezen worden. Als de tapcomfortfunctie is ingeschakeld (zie code 7 ), dan wordt een OpenTherm warmtevraag van minder dan 40 graden genegeerd. 6 Tapwaterbedrijf EHOBG*ABV1 in combinatie met indirect gestookte boiler De warmwatervoorziening heeft voorrang op de verwarming. Bij toepassing van een boilersensor zal, als door de boilersensor een temperatuur van 5 graden lager dan de ingestelde waarde wordt gedetecteerd, een eventuele CV-vraag onderbroken worden. Na het aanlopen van de ventilator (code 3 ) en het ontsteken (code 4 ) komt de automaat in tapwaterbedrijf (code 6 ). Bij toepassing van een boilerthermostaat zal de warmtevraag starten bij het openen van de thermostaat en eindigen als de thermostaat weer sluit. De snelheid van de ventilator, en daarmee het vermogen van het toestel, wordt in dat geval geregeld door de boilerautomaat op basis van een vaste aanvoerwatertemperatuur. De temperatuur van het warm tapwater kan worden ingesteld tussen 40°C en 65°C. De ingestelde tanktemperatuur wordt tijdens tapwaterbedrijf op het bedieningspaneel getoond. Door de servicetoets in te drukken tijdens tapwaterbedrijf, kan de werkelijke boilertemperatuur afgelezen worden.Daikin Europe NV

De automaat is voorzien van een interface voor een PC. Door middel van een speciale kabel en bijbehorende software kan een PC aangesloten worden. Met deze voorziening is het mogelijk om het gedrag van de automaat, het toestel en de verwarmingsinstallatie over een lange periode te volgen.

In de branderautomaat is een voorziening aangebracht om het toestel in een test status te brengen. Door het activeren van een testprogramma zal het toestel in bedrijf komen met een vast ventilator toerental, zonder dat de regelfuncties zullen ingrijpen. De veiligheidsfuncties blijven wel actief. Het testprogramma wordt beëindigd door de en gelijktijdig in te drukken. Testprogramma's Omschrijving programma Toets combinaties Display uitlezing Brander aan met minimaal WW vermogen (zie parameter d § 7.2) en “L” Brander aan met ingesteld maximaal CV-vermogen (zie parameter 3 § 7.2) en (1x) “h” Brander aan met maximaal WW vermogen (zie parameter 3 § 7.2) en (2x) "H" Uitschakelen testprogramma en Actuele bedrijfssituatie Als het toestel in test bedrijf is kunnen de volgende gegevens via het display worden uitgelezen:

  • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de CV-druk getoond.
  • Door de toets blijvend in te drukken wordt op het display de gemeten ionisatiestroom getoond

Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt, gaat de pomp draaien tot de temperatuur van de warmtewisselaar voldoende is. Als de vorstbeveiliging ingrijpt dan is code 7 zichtbaar (opwarmen wisselaar).

Als de installatie (of een deel daarvan) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 10.3). Opmerking Als het toestel buiten bedrijf is ( - op het service display) blijft de toestelvorstbeveiliging actief, op een warmtevraag van een (externe) vorstthermostaat wordt echter niet gereageerd.Daikin Europe NV

A. Modulerende CV-pomp K. Concentrische adapter voor rookgassen/luchttoevoer B. Gasblok L. Luchttoevoer (alleen wanneer een dubbelpijpsdoorvoer wordt

C. Branderautomaat met bedieningspaneel gebruikt) D. Aanvoersensor S1 M. Aansluitblok / klemmenlijst X4 E. Retoursensor S2 N. Condensafvoerbak F. Ventilator O. Sifon G. Druksensor CV P. Warmtewisselaar H. Aansluitsnoer 230 V ~ met steker met randaarde Q. Bedieningspaneel en uitlezing

I. Handontluchter R.

Ontsteek/ionisatie pen

J. Kijkglas S. Positie typeplaat

Omschrijving Artikel nummers B-pack small EKFJS*AA B-pack middle EKFJM*AA B-pack large EKFJL*AA Valve kit EKVK4AA Schermplaat EKCP1AA

Boiler rechtstreeks op de wand gemonteerd:

Toestel Op B-pack aangesloten:

4.2 Opstellingsruimte

Het toestel dient aan een wand gemonteerd te worden die voldoende draagkracht heeft. Bij lichte wandconstructies bestaat de mogelijkheid dat er resonantiegeluiden optreden. Binnen een afstand van 1 meter van het toestel dient een wandcontactdoos met randaarde voorhanden te zijn. Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden. Zorg bij voorkeur voor een minimaal vrij te houden ruimte naast de ketel van 2 cm. In verband met schroeigevaar is geen vrije ruimte vereist.

4.2.1 In een keukenkastje plaatsen

Het toestel kan tussen twee keukenkastjes of in een kastje geplaatst worden. Zorg voor voldoende ventilatie aan de onder- en bovenzijde. Als het toestel in een kastje geplaatst wordt, moeten er ventilatieopeningen van tenminste 50 cm

4.2.2 Schermplaat en frontpaneel afnemen

Voor diverse werkzaamheden aan het toestel dienen de eventueel aangebrachte schermplaat en frontpaneel van het toestel verwijderd te worden. Ga hierbij als volgt te werk:

  • Neem de schermplaat (A), indien gebruikt, naar voren toe weg.
  • Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los.
  • Trek de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe.

Gevaar: risico van verbranding In geval van hoge vertrek water temperaturen voor CV (of een hoog vast setpunt of een hoog weersafhankelijk instelpunt bij lage omgevingstemperaturen), kan de warmtewisselaar van de ketel zeer heet worden, bijvoorbeeld 70 ° C. Pas op, in geval van een warm water vraag kan het water in eerste instantie een hogere watertemperatuur hebben dan gevraagd. In dit geval is het raadzaam om een thermostaatkraan te installeren om brandwonden te voorkomen. Dit kan gedaan worden volgens het onderstaande schema.

a=boiler, b=WW van boiler, c=koudwatertoevoer, d=douche, e=thermostaatkraan (ter plaatse te voorzien)Daikin Europe NV

De ketel kan worden opgehangen aan de muur met behulp van:

  • deophangstrip en de montagebeugel EKVK4AA
  • een B-pakket met inbegrip van een expension vat en een connection kit.

4.3.1 Ophangstrip en montagebeugel monteren

  • Zorg ervoor dat de bouw van de muur geschikt is voor de montage van de ketel.
  • Boor de gaten voor de ophanging strip en de montagebeugel in de muur met behulp van het boorpatroon meegeleverd met de ketel.
  • Monteer de ophangstrip en de montage beugel horizontaal op de muur met het bijbehorende bevestigingsmaterialen.
  • De ketel kan nu op de ophangstrip geplaatst worden door gelijktijdig de leidingen van de ketel in de knelfitting van de beugel te schuiven.
  • Zorg ervoor dat de bouw van de muur geschikt is voor de montage van de ketel en de B-pack.
  • Boor de gaten voor de B-pack in de muur met behulp van het boorpatroon meegeleverd met de ketel.
  • Monteer de B-pack op de muur met het bijbehorende bevestigingsmaterialen.
  • Monteer de montagebeugel in het frame zoals uitgelegd in de manual van de B-pack.
  • Sluit de flexibele buis op het expansievat en de aansltuiting op de terugslagklep. Zorg dat de dichtingsringen geplaatst zijn!
  • De ketel kan nu op de B-pack geplaatst worden door gelijktijdig de leidingen van de ketel in de knelfiting van de beugel te schuiven.

1. Pak het toestel uit.

2. Controleer de inhoud van de verpakking, deze bestaat uit:

  • Installatievoorschrift

3. Controleer het toestel op eventuele beschadigingen: meldt beschadigingen direct

5. Controleer of de knelringen recht in de koppelingen van de montagebeugel zijn

6. Plaats het toestel: schuif deze van boven naar beneden over de ophangstrip (B).

Zorg dat de leidingen tegelijkertijd in de knelfittingen schuiven.

7. Draai de knelfittingen op de montagebeugel vast.

De nippels en leidingen mogen niet meedraaien!

8. Open de displayklep en draai de twee schroeven links en rechts naast de

display los en demonteer het frontpaneel.

9. Monteer de flexibele buis (D) op de uitloop van de sifon.

Vul de sifon met water en schuif deze zo ver mogelijk naar boven op de condensafvoer aansluiting (E) onder het toestel.

10. Sluit flexibele buis (D) van de sifon, eventueel samen met de overstortleiding

van de inlaatcombinatie en het overstortventiel, aan op het riool via een open aansluiting (F).

11. Monteer de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer (zie § 5.5).

12. Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de display

4.3.4 Schermplaat aanbrengen (optioneel)

Hang de omgezette bovenrand van de schermplaat aan de sluitringen onder de bodem van het toestel en schuif de schermplaat zo ver mogelijk naar achteren. N.B. Bij toepassing van de ketel in combinatie met een schermplaat zal de sifon uitsteken onder de schermplaat.Daikin Europe NV

5.1 CV-installatie aansluiten

1. Spoel de CV-installatie goed schoon. 2. Monteer de aanvoerleiding (A) en retourleiding (B) aan de montagebeugel. 3. Alle leidingen moeten spanningsvrij gemonteerd worden om tikken van de leidingen te voorkomen. 4. Bestaande verbindingen mogen niet verdraaid worden om lekkages te voorkomen.

De CV-installatie dient voorzien te zijn van:

  • Een vul/aftapkraan (A) in de retourleiding direct onder het toestel.
  • Een aftapkraan op het laagste punt van de installatie.
  • Een overstortventiel (B) van 3 bar in de aanvoerleiding op een afstand van maximaal 500 mm van het toestel. Tussen het toestel en het overstortventiel mag zich geen afsluiter of vernauwing bevinden.
  • Een expansievat in de retourleiding (in de B-pack of in de installatie).
  • Een terugslagklep, als er op korte afstand van het toestel leidingen naar boven lopen. Hiermee wordt voorkomen dat er tijdens tapwaterbedrijf van het toestel thermosifonwerking optreedt (een niet veerbediende terugslagklep, dient verticaal gemonteerd te worden).

5.1.1 Thermostatische radiatorkranen

Als alle radiatoren zijn uitgevoerd met thermostatische of afsluitbare radiatorkranen, dient een minimale watercirculatie te worden gewaarborgd. Zie § 7.4.

5.1.2 Opdeling CV-installatie in groepen bij aanwezigheid extra

warmtebron Werkingsprincipe Indien de kamerthermostaat de ketel uitschakelt doordat een andere verwarmingsbron (houtkachel, open haard, etc) de ruimte opwarmt, is het mogelijk dat de overige ruimten afkoelen. Dit kan worden opgelost door de CV-installatie op te delen in twee zones. De zone met de externe warmtebron (Z2) kan middels een elektrische afsluiter worden afgesloten van het hoofdcircuit. Beide zones worden voorzien van een eigen kamerthermostaat. N.B. Deze regeling “externe warmtebron” kan alleen worden toegepast indien geen externe tank hoeft te worden opgewarmd (installatietype 1). Installatievoorschrift

1. Plaats de afsluiter volgens het aansluitschema.

2. Sluit de kamerthermostaat van zone 1 aan op X4 – 6/7.

3. Sluit de kamerthermostaat van zone 2 aan X4 – 11/12.

4. Wijzig parameter A (zie Parameter instellingen via de servicecode § 7.2).

Let op: De kamerthermostaat in zone 1 MOET een aan/uit thermostaat zijn, de kamerthermostaat in zone 2 mag zowel een OpenTherm thermostaat als ook een aan/uit thermostaat zijn. Aansluitschema regeling “externe warmtebron” A. Ketel B. Elektrische afsluiter 230 V ~ C. Radiatoren T1. Kamerthermostaat zone 1 T2. Kamerthermostaat zone 2 Z1. Zone 1 Z2. Zone 2

Aansluiting externe boiler Er is een set voorzien om de EHOBG*ABV1 op een indirect gestookte tank aan te sluiten. Deze set, EK3WV1AA bevat de volgende stukken en wordt op bestelling geleverd:

  • Borgklem voor tanksensor
  • Driewegklepset 230V Sluit de boiler en driewegklep volgens het schema aan op de ketel. Verwijder de doorverbinding tussen 9 en 10 op connector X4. Sluit de driewegklep aan op connector X2 en sluit de boilersensor of thermostaat aan op connector X4 volgens het bedradingsschema (Zie § 10.2). Aansluitschema indirect gestookte boiler C. Toestel D. Tank E. CV-installatie F. Expansievat G. Veiligheidsklep 3 bar H. Driewegklep

I. Boilersensor of thermostaat

Opmerking Als een aan/uit boilerthermostaat wordt toegepast zal de warmtevraag starten bij het openen van de thermostaat en eindigen als de thermostaat weer sluit. In het geval van een oude installatie of WW circuits die kleine partikelen kunnen bevatten is het aan te raden een filter op het warm water circuit te installeren. De vervuiling kan een fout genereren tijdens de warm water werking.Daikin Europe NV

5.2 Elektrisch aansluiten

VOORZICHTIG Een wandcontactdoos met randaarde mag maximaal 1 meter van het toestel verwijderd zijn. De wandcontactdoos moet gemakkelijk bereikbaar zijn. Voor opstelling in vochtige ruimten is een vaste aansluiting verplicht middels een all-polige hoofdschakelaar met een minimale contactopening van 3 mm. Indien het netsnoer is beschadigd of om een andere reden moet worden vervangen, moet het vervangende netsnoer bij de fabrikant of diens vertegenwoordiger worden besteld. Neem bij twijfel contact op met de fabrikant of diens vertegenwoordiger.

1. Neem bij werkzaamheden aan het elektrisch circuit de steker uit de

2. Neem de schermplaat (A) (indien aanwezig) naar voren toe weg.

3. Draai de beide schroeven (1) achter het displayvenster van het toestel los.

4. Schuif de onderzijde van het frontpaneel (2) naar voren toe en neem deze

5. Trek de branderautomaat unit naar voren, de branderautomaat unit zal daarbij naar

6. Raadpleeg § 10.3 voor het maken van de aansluitingen.

7. Schuif nadat de gewenste aansluitingen zijn aangebracht de branderautomaat terug

in het toestel en breng de schermplaat (indien aanwezig) weer aan.

8. Sluit na het maken van de gewenste aansluitingen het toestel aan op een

wandcontactdoos met randaarde.

5.2.1 Elektrische aansluitingen

Temperatuurregeling Connector X4 Opmerkingen Kamerthermostaat aan/uit 6 - 7 - Modulerende thermostaat met comfortfunctie in gebruik

Buitentemperatuurvoeler 8 - 9 - WW-tanksensor 9 - 10 Verwijder koppeling met gele draad Vorstthermostaat 6 - 7 Parallel over kamerthermostaatDaikin Europe NV

Kamerthermostaat aansluiten

5.3.1 Kamerthermostaat aan/uit

1. Sluit de kamerthermostaat aan (zie § 10.2).

2. Stel, indien nodig de terugkoppelweerstand van de kamerthermostaat in op 0,1 A.

Meet bij twijfel de stroom en stel deze overeenkomstig in. De maximale weerstand van de thermostaatleiding en de kamerthermostaat bedraagt totaal 15 Ohm.

5.3.2 Modulerende thermostaat, Open Therm

Het toestel is geschikt voor het aansluiten van een modulerende kamerthermostaat, volgens het OpenTherm communicatie protocol. De belangrijkste functie van de modulerende kamerthermostaat is het berekenen van de aanvoertemperatuur bij een gewenste kamertemperatuur, om een optimaal gebruik te maken van het moduleren. Bij elke warmtevraag wordt op het display van het toestel de gewenste aanvoer temperatuur aangegeven. Sluit de modulerende thermostaat aan (zie §10.2). Indien men gebruik wil maken van de tapwater aan/uit schakel functie van de OpenTherm thermostaat dient de tapwatercomfort functie op eco of aan ingesteld te worden. Raadpleeg voor meer informatie de handleiding van de kamerthermostaat.

5.3.3 Modulerende kamerthermostaat, draadloos

De EHOBG*ABV1 CV-ketel is geschikt om zonder zend-/ontvangstmodule draadloos te communiceren met de Honeywell kamerthermostaten T87RF1003 Round RF, DTS92 en CMS927. De CV-ketel en kamerthermostaat dienen aan elkaar te worden toegewezen:

  • Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF- kamerthermostaat menu te komen.
  • Eén van de volgende codes zal op het display van het toestel worden weergegeven:

: het display boven de toets laat wisselend een L en een

zien rode led : knipperend De CV-ketel is niet toegewezen. Een toestel in deze bedrijfstoestand kan worden gekoppeld d.m.v. de methode van de desbetreffende kamerthermostaat. De methode van toewijzing is afhankelijk van het soort kamerthermostaat en wordt beschreven in de installatie- en bedieningsvoorschriften van de draadloze kamerthermostaat.

2. rF en L / 1 : het display boven de toets laat wisselend een L en een 1 zien

rode led : uit De CV-ketel is reeds toegewezen. Er is reeds een bestaande koppeling met een RF-kamerthermostaat aanwezig. Om een nieuwe koppeling mogelijk te maken, zal de bestaande koppeling verwijderd moeten worden. Zie: De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken.

  • Druk op de reset toets om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut. De verbinding tussen het toestel en de RF-kamerthermostaat testen

1. Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in

het RF-kamerthermostaat menu van de branderautomaat te komen.

2. Druk de service toets 1x in. Op het display boven de toets wordt

3. Zet de kamerthermostaat in testmode (zie de installatie en bedienings-

voorschriften van de kamerthermostaat).

4. De rode led boven de reset toets gaat knipperen indien de toewijzing

correct is uitgevoerd.

5. Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat

menu van de branderautomaat te verlaten. De testmode wordt, 1 minuut nadat het laatste testbericht van de RF-kamerthermostaat is ontvangen, automatisch verlaten.Daikin Europe NV

De toewijzing van een RF-kamerthermostaat aan de CV-ketel ongedaan maken.

  • Houdt de reset toets van het toestel circa 5 seconden ingedrukt om in het RF-kamerthermostaat menu van de CV-ketel te komen.
  • Druk de service toets 2x in. Op het display boven de toets wordt een
  • Druk nogmaals op de reset toets van het toestel om de bestaande toewijzingen te verwijderen. Op het display van het toestel wordt weer rF getoond met een knipperende L /

. Indien gewenst kan opnieuw een RF- kamerthermostaat aan het toestel worden toegewezen.

  • Druk op de reset toets van het toestel om het RF-kamerthermostaat menu te verlaten of wacht 1 minuut.

5.3.4 Buitentemperatuurvoeler

Het toestel is voorzien van een aansluiting voor een buitentemperatuurvoeler. De buitentemperatuurvoeler dient in combinatie met een aan/uit kamerthermostaat toegepast te worden. In principe kan elke willekeurige aan/uit kamerthermostaat gecombineerd worden met een buitenvoeler. Bij vraag van de kamerthermostaat levert de ketel warmte tot de maximaal ingestelde temperatuur in de ketel bereikt is. Deze maximaal ingestelde temperatuur wordt automatisch geregeld via de buitenvoeler, volgens de ingestelde stooklijn in de ketel. Sluit de buitentemperatuurvoeler aan (zie § 10.2). Voor de stooklijninstelling, zie Weersafhankelijke regeling (zie § 7.5).

1. Monteer de koppeling van de gaskraan bij voorkeur direct in de 1/2" aansluiting

van de montagebeugel.

2. Plaats een gaszeef in de aansluiting voor het toestel als het gas vervuild kan

3. Sluit het toestel aan op de gasleiding.

4. Controleer de gasvoerende delen op lekkage op een druk van maximaal

5. De gasleiding dient spanningsvrij te worden gemonteerd.

Voor de installatie van het rookgasafvoer- en luchttoevoermateriaal wordt verwezen naar de ingesloten basishandleiding of neem contact op met de fabrikant van het betreffende rookgasafvoer- en luchttoevoermateriaal voor uitgebreide technische informatie en specifieke montagevoorschriften.

Zorg ervoor dat de mofverbindingen van de rookgasafvoer en luchttoevoermaterialen goed afsluiten en niet kunnen losraken. Het niet goed bevestigen van de rookgasafvoer en de luchttoevoer kan tot gevaarlijke situaties leiden of lichamelijk letsel tot gevolg hebben. Controleer alle rookgas- en luchtvoerende delen op dichtheid.

5.5.1 Concentrische aansluiting 60/100

De boiler bevat een rookgasadapter die geschikt is om op een concentrische rookgasafvoersysteem met een diameter van 60/100 aangesloten te worden.

1. Monteer de concentrische pijp voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in

de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.

5.5.2 Concentrische aansluiting 80/125

Indien nodig kan de 60/100-rookgasadapter vervangen worden door een versie voor een rookgasafvoersysteem met een diameter van 80/125. De ombouwset voor parallelle aansluiting kan worden besteld onder EKHY090717.

1. Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80/125 is meegeleverd nauwgezet uit.

2. Monteer de concentrische pijp voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in

de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.

5.5.3 Parallelle aansluiting 80/80

Indien nodig kan de 60/100-rookgasadapter vervangen worden door een versie voor een parallelle rookgasafvoersysteem (2 pijpen) met een diameter van 80 mm. De ombouwset voor parallelle aansluiting kan worden besteld onder EKHY090707.

1. Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80 is meegeleverd nauwgezet uit.

2. Monteer de pijpen voor de luchttoevoer en verbrandingsgasafvoer in de toevoer-

en afvoer van het toestel. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.

5.6 Rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal

Om het materiaal te plaatsen van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal, raadpleeg de handleiding die met het materiaal werd meegeleverd. Neem contact op met de fabrikant van het betreffende rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaalmateriaal voor uitgebreide technische informatie en specifieke montageinstructies.

Zorg ervoor dat de aansluitingen van het materiaal van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal op de juiste manier zijn afgedicht. Wanneer van het rookgasafvoer- en luchttoevoerkanaal slecht is vastgemaakt, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan of kan iemand letsels oplopen. Controleer of alle rookgasonderdelen goed zijn vast gemaakt en aangespannen. Gebruik geen al dan niet zelftappende schroeven om het rookgasafvoersysteem te bevestigen, anders is lekkage mogelijk. Gebruik geen vet (van welke soort ook) om het leidingsysteem te monteren. Gebruik water in de plaats. De afdichtingsrubbers kunnen in contact met vet beschadigd worden. Gebruik geen onderdelen, materiaal of aansluitmanieren van verschillende fabrikanten.

5.6.1 Concentrische aansluiting 60/100

De ketel bevat een rookgasafvoeradapter die geschikt is voor een aansluiting op een concentrische rookgasafvoersysteem met een diameter van 60/100. Steek de concentrische leiding zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.

5.6.2 Concentrische aansluiting 80/125

Indien nodig kan de 60/100-rookgasadapter vervangen worden door een versie voor een rookgasafvoersysteem met een diameter van 80/125.

2. Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80/125 is meegeleverd

zorgvuldig in de adapter. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting.

5.6.3 Parallelle aansluiting 80/80

Indien nodig kan de 60/100-rookgasafvoeradapter vervangen worden door een versie voor een parallelle rookgassysteem (2 leidingen) met een diameter van 80 mm.

3. Volg de instructie zoals deze bij de adapterset 80 is meegeleverd nauwgezet

4. Steek de leidingen voor de luchttoevoer en rookgasafvoer in de

luchttoevoeropening en de rookgasadapter van de unit. De ingebouwde afdichtringen zorgen voor een luchtdichte aansluiting. Zorg ervoor dat de aansluitingen niet gemengd zijn.Daikin Europe NV 23Daikin Europe NV

Let op: niet alle hieronder beschreven rookgasafvoerconfiguraties zijn toegestaan in alle landen. Raadpleeg daarom steeds de geldende locale regelgeving voordat u met de plaatsing begint, daar u deze reglementen moet naleven.

De schema's hierboven dienen slechts als voorbeeld en de uitvoering ervan kan in sommige details verschillen. Uitleg over de rookgasafvoersystemen

waarin het toestel staat, afvoert. De verbrandingslucht wordt rechtstreeks uit de kamer getrokken. Zorg ervoor dat de luchtinlaat open is en voldoende groot is voor de vraag. B33

Een rookgasafvoersysteem is aangesloten op een gemeenschappelijk kanaalsysteem. Dit gemeenschappelijk kanaalsysteem bestaat uit een enkele rookgasafvoer met natuurlijke trek. Alle onder druk gebrachte verbrandingsproductbevattende onderdelen van het toestel zijn volledig ingebouwd in de toestelonderdelen die verbrandingslucht toevoeren. De verbrandingslucht wordt via een in de rookgasafvoer zittende concentrisch kanaal uit de kamer in het toestel getrokken. De lucht wordt via hiertoe voorziene openingen in de mantel van het kanaal ingezogen. Zorg ervoor dat de luchtinlaat open is en voldoende groot is voor de vraag. C13

Horizontaal rookgasafvoersysteem. Afvoer in de buitenmuur.

De luchttoevoeropening ligt in dezelfde drukzone als de afvoer. Bijvoorbeeld: een muurdoorvoer doorheen de gevel. C33

Verticaal rookgasafvoersysteem. Rookgasafvoer via het dak.

De luchttoevoeropening ligt in dezelfde drukzone als de afvoer. Bijvoorbeeld: een verticale dakdoorvoer. C43

Gezamenlijk kanaal voor luchttoevoer en rookgasafvoer (CLV

Dubbele leiding of concentrische leidingen

Afzonderlijk l uchttoevoerkanaal en afzonderlijk rookgasafvoerkanaal.

Afvoer in verschillende drukzones

Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasafvoermateriaal met CE

Meng geen rookgasafvoermateriaal van verschillende leveranciers.Daikin Europe NV

Gezamenlijk kanaal voor

Afvoer in verschillende drukzones Enkel als systeem met dubbele leiding C93

en rookgasafvoerkanaal in schoorsteen of kanaal: concentrisch. Luchttoevoer uit bestaand kanaal. Rookgasafvoer via het dak. Luchttoevoer en rookgasafvoer in dezelfde drukzone. Concentrisch rookgasafvoersysteem tussen de ketel en het kanaal.

5.8 Rookgasafvoermateriaal

Het volgende rookgasafvoermateriaal kan bij Daikin worden besteld. Raadpleeg ook deze website. fluegas.daikin.eu. C13 Artnr. Beschrijving EKFGP2978 Kit muurdoorvoeren PP/GLV 60/100 EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm EKFGP4652 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° EKFGP2977 Kit muurdoorvoeren laag profiel PP/GLV 60/100 EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 C33 Artnr. Beschrijving EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm EKFGP4652 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 EKFGP6837 Dakdoorvoer PP/GLV 60/100 AR460 C53 Artnr. Beschrijving EKFGP4651 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 500 mm EKFGP4652 Verlengstuk PP/GLV 60/100 x 1000 mm EKFGP6837 Dakdoorvoer PP/GLV 60/100 AR460 EKFGW4085 Bochtstuk PP 80 90° EKFGW4086 Bochtstuk PP 80 45° EKFGV1102 Set schoorsteenaansluitingen 60/100 luchtinlaat ND 80 C53 EKFGP4660 Bochtstuk PP/GLV 60/100 90° EKFGP4661 Bochtstuk PP/GLV 60/100 45° EKFGP4664 Bochtstuk PP/GLV 60/100 30° EKFGP4667 Meet-T-stuk met inspectiepaneel PP/GLV 60/100 EKFGP4631 Muurbeugel ND 100 EKFGW4001 Verlengstuk PP 80x500 EKFGW4002 Verlengstuk PP 80x1000 EKFGW4004 Verlengstuk PP 80x2000 C93Daikin Europe NV

5.9 Aansluiting op een rookgasafvoersysteem zonder luchtinlaat (B23, B33)

  • Zorg ervoor dat de kamer waar de ketel staat voldoet aan de voorgeschreven vereisten van B23 of B33 inzake de aansluiting op een rookgasafvoersysteem.
  • Wanneer de aansluiting van de ketel op een rookgasafvoersysteem voldoet aan B23 of B33, dan is de elektrische beveiligingsklasse IP20 in plaats van IP44. Montage (algemeen)

6. Schuif de verbrandingsgasafvoerleidingen in elkaar.

Iedere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding met helling naar het toestel (min. 5 mm/m).

5.9.1 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer

en rookgasafvoer Toegestane leidinglengtes B23 en B33 voor toepassing Ø80 mm C13 C33 C43 C53 C83 EHOBG12 & 18ABV1 100 m 100 m 100 m 100 m 100 mDaikin Europe NV

5.10 Aansluiting op een afgedicht rookgasafvoersysteem.

5.10.1 Leidinglengtes

Naarmate de weerstand van de rookgasafvoer- en luchttoevoerleidingen toeneemt zal het vermogen van het toestel afnemen. De maximale toegestane vermogensafname bedraagt 5%. De weerstand van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer is afhankelijk van de lengte, de diameter en alle componenten van het leidingsysteem. Per toestelcategorie is de totale toegestane leidinglengte aangegeven van de luchttoevoer en de verbrandingsgasafvoer.

5.10.2 Toegestane leidinglengtes voor concentrische rookgasafvoersystemen

Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 60/100 C13 C33 EHOBG12 & 18ABV1 10 m 11 m Toegestane leidinglengen bij toepassing concentrisch 80/125 C13 C33 C93 EHOBG12 & 18ABV1 29 m 29 m Zie § 5.10.8 Neem contact op met de fabrikant om de berekeningen te laten controleren van de weerstand van de luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding en de wandtemperatuur aan het einde van de verbrandingsgasafvoerleiding. Vervanglengtes Bocht 90° R/D=1 2 m Bocht 45° R/D=1 1 m Knie 90° R/D=0,5 4 m Knie 45° R/D=0,5 2 m

Montage algemeen: Voor alle uitmondingen geldt de onderstaande montage:

1. Schuif de concentrische verbrandingsgasafvoerleiding en luchttoevoerleiding in de

afvoer van het toestel.

2. Schuif de concentrische leidingen in elkaar.

Iedere leiding moet, vertrekkende van de unit, in de voorgaande worden geschoven.

3. Monteer een niet verticale verbrandingsgasafvoerleiding met een helling naar het

toestel (min. 5 mm/m).

4. Monteer de bevestigingsbeugels conform het montagevoorschrift van de

leverancier van het luchttoevoer/rookgasafvoersysteem.Daikin Europe NV

5.10.3 Toegestane leidinglengtes voor systemen met parallelle luchttoevoer

en rookgasafvoer Toegestane leidinglengtes bij gebruik van Ø80 mm (totaal van de rookgasafvoerleiding en de luchtinlaatleiding samen genomen). C13 C33 C43 C53 C83 EHOBG12 & 18ABV1 100 m 100 m 100 m 100 m 100 m

Rekenvoorbeeld Leiding Leidinglengtes Totale leidinglengte Rookgasafvoer L1 + L2 + L3 + 2x2 m 13 m Luchttoevoer L4 + L5 + L6 + 2x2m 12 m Opmerking: De totale leidinglengte is: de som van de rechte leidinglengtes + de som van de vervangleidinglengtes van bochten/knieën bedragen samen 25 meter. Indien deze waarde minder is dan de maximaal toegestane leidinglengte voldoet de rookgasafvoer op dit punt aan de eisen.Daikin Europe NV

5.10.4 Vrij in de handel verkrijgbaar rookgasmateriaal (C63).

De eigenschappen van de verbranding bepalen de keuze van het rookgasafvoermateriaal. Normen EN 1443 en EN 1856-1 bevatten de nodige informatie voor de keuze van het rookgasafvoermateriaal via een sticker met identificatie-informatie. De identificatie-informatie bevat de volgende gegevens: A CE-label B De norm waaraan moet worden voldaan: Metaal, EN 1856-2 Kunststof, EN 14471 De identificatie-informatie moet de volgende gegevens bevatten: C Temperatuurklasse : T120 D Drukklasse : Druk (P) of hoge druk (Hi) E Weerstandklasse : W ('wet' voor nat) F Weerstandklasse in geval van brand : E

Afmetingen C63 rookgasafvoersysteem (buitenafmetingen in mm) Parallel Concentrisch 80/125 Concentrisch 60/100 Rookgasafvoerbuis Luchtinlaat Rookgasafvoerbuis Luchtinlaat ø 80 +0,3

5.10.5 Het rookgasafvoersysteem bevestigen

  • Deze reglementen gelden zowel voor concentrische als voor parallelle rookgasafvoersystemen.
  • Het rookgasafvoersysteem moet stevig op een vaste structuur worden vastgemaakt.
  • Het rookgasafvoersysteem moet een continue neerwaartse helling (1,5° tot 3°) naar de ketel hebben. N.B. De muurdoorvoeren moeten horizontaal worden geplaatst.
  • Gebruik alleen de bijgeleverde beugels.
  • Elk bochtstuk moet met een beugel stevig worden vastgemaakt. Behalve voor de aansluiting op de ketel: indien de lengte van de leidingen voor en na het eerste bochtstuk niet meer dan 250 mm bedraagt, moet het tweede element na het eerste bochtstuk een beugel bevatten. Opmerking: de beugel moet op het bochtstuk worden geplaatst!
  • Elk verlengstuk moet om de meter met een beugel worden vastgemaakt. Deze beugel mag de leiding niet rondom klemmen om ervoor te zorgen dat deze leiding vrij kan bewegen.
  • Zorg ervoor dat de beugel in de juiste stand wordt vergrendeld in functie van de plaats van deze beugel op de leiding of het bochtstuk:
  • Meng geen rookgasafvoeronderdelen en klemmen van verschillende leveranciers.

Maximumafstand tussen de klemmen Verticaal Andere 2000 mm 1000 mm

  • Verdeel de lengtes gelijkmatig tussen de beugels.
  • Elk systeem moet minstens 1 beugel bevatten.
  • Plaats de eerste klem op maximum 500 mm van de ketel.Daikin Europe NV 32Daikin Europe NV

5.10.6 Luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met

gemeenschappelijk afvoersysteem. Toestelcategorie: C83 Een luchttoevoer vanuit de gevel en een dakuitmonding met een gemeenschappelijk afvoersysteem is toegestaan.

De luchttoevoer in de gevel moet voorzien worden van een inlaatrooster (A).

  • Het gemeenschappelijk afvoersysteem moet voorzien worden van een trekkende afvoerkap (B).
  • Als het gemeenschappelijk afvoersysteem in de buitenlucht wordt gesitueerd, moet de afvoerleiding dubbelwandig of geïsoleerd uitgevoerd worden. Toegestane leidinglengte Verbrandingsgasafvoerleiding tussen het toestel en het gemeenschappelijk afvoer- systeem en luchttoevoerleiding tussen het toestel en het inlaatrooster samen: EHOBG12ABV1 100 m EHOBG18ABV1 100 m De minimale diameters van het gemeenschappelijk afvoersysteem gebaseerd op onderdruk. Diameter rookgasafvoer Aantal toestellen EHOBG12ABV1 & EHOBG18ABV1

Gemeenschappelijke verbrandingsgasafvoer De uitmonding van de verbrandingsgasafvoer kan op een willekeurige plaats in het schuine dakvlak gemaakt worden, mits de uitmonding in het dakvlak dezelfde oriëntatie heeft als de luchttoevoer in de gevel. Bij een platdak moet de uitmonding van de verbrandingsgasafvoer in het “vrije” uitmondingsgebied gemaakt worden. Breng een condensafvoer aan. Opmerking Het gemeenschappelijk afvoersysteem is in combinatie met het toestel gekeurd.Daikin Europe NV

Toestelcategorie: C43

De gemeenschappelijke luchttoevoer en de gemeenschappelijke afvoer van de verbrandingsgassen mogen concentrisch of afzonderlijk uitgevoerd worden. Toegestane leidinglengte Voor parallel: Luchttoevoer- en verbrandingsgasafvoerleiding samen, exclusief de lengte van de combidoorvoer. Voor concentrisch: Totale leidinglengte, exclusief de lengte van de combidoorvoer.

De minimale diameters van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoersysteem gebaseerd op het aanvullingsblad 2001-02 keuringseisen nr. 138 van Gastec.

EHOBG12ABV1 & EHOBG18ABV1

Aantal toestellen Concentrisch Parallel Rookgasafvoer Luchttoevoer Rookgasafvoer Luchttoevoer

  • Een dakuitmonding door een Combinatie Luchttoevoer- Verbrandingsgasafvoersysteem (CLV-systeem) is toegestaan.
  • Voor de gemeenschappelijke verbrandingsgas-afvoerkap en luchttoevoerkap is een verklaring van geen bezwaar of een Gaskeur van het Gastec-Gasinstituut nodig.
  • De doortocht van de drukvereffeningsopening aan de onderzijde van het gemeenschappelijk luchttoevoer- en rookgasafvoer- systeem is gelijk aan 0,44 het rookgasafvoer- oppervlak.Daikin Europe NV

door schacht Toestelcategorie: C93

Een rookgasafvoersysteem volgens C93 is toegestaan indien de rookgasdelen zijn voorzien van een CE markering of door Daikin zijn toegeleverd. Onderstaande punten moeten inachtgenomen worden. Algemeen

  • Rookgasafvoermateriaal in een schacht is star of flexiber 60 of 80 mm
  • Bij gebruik van kunststof rookgasafvoermateriaal moet dit voldoen aan temperatuurklasse T120
  • Het verbindingsstuk tussen de concentrische pijp en de vertikale rookgasafvoer moet volgens de voorschriften van de leverancier worden bevestigt
  • De voorschriften van de leverancier van het rookgassysteem moeten correct en volledig worden opgevolgd.
  • Indien er sprake is van montage in een bestaande installatie dient deze vooraf gecontroleerd en gereinigd worden.
  • De luchtdichtheid van de schacht moet zeker gesteld zijn.

Toegestane leidinglengte en systeemeisen Indien gebruik gemaakt wodt van een schacht (bijv. een gemetseld schoorsteen- kanaal) als luchttoevoer zijn onderstaande afmetingen van toepassing. Rookgasafvoerpijp Min.afmeting schacht [mm] Max. lengte [mtr]

6.1 Vullen en ontluchten van toestel en installatie

1. Steek de steker van het toestel in een wandcontactdoos.

Het toestel kan een zelfcontrole uitvoeren: 2 (op service display). Daarna komt het toestel in de uit stand: - (op service display) en de CV-druk wordt getoond op het temperatuur display.

Bij een CV-druk lager dan 0,5 bar wordt de CV-druk knipperend op het display weergegeven. In de uit stand wordt de CV-druk weergegeven. 2. Sluit de vulslang aan op de vul-/aftapkraan en vul de installatie met schoon drinkwater, tot een druk liggend tussen 1 en 2 bar bij een koude installatie (af te lezen op het temperatuur display). 3. Ontlucht het toestel met de handontluchter (A). Eventueel kan er een automatische ontluchter op het toestel gemonteerd worden in plaats van de handontluchter. 4. Ontlucht de installatie met de handontluchters op de radiatoren. 5. Vul de CV-installatie bij als de druk door het ontluchten te ver is gedaald. 6. Controleer alle koppelingen op lekkage. 7. Controleer of de sifon gevuld is met water.

WAARSCHUWING Indien de sifon niet gevuld is met water kunnen verbrandingsgassen in de ruimte vrijkomen.

WAARSCHUWING Als een toevoegmiddel aan het CV-water wordt toegevoegd, moet dit geschikt zijn voor de in het toestel toegepaste materialen zoals koper, messing, roestvast staal, staal, kunststof en rubber. Het toevoegmiddel dient bij voorkeur voorzien te zijn van een KIWA –ATA- Atest keurmerk.

6.1.2 Warmwatervoorziening (alleen bij toepassing indirect

gestookte boiler) 1. Open de hoofdkraan om het warmwatergedeelte op druk te brengen. 2. Ontlucht de wisselaar en het leidingsysteem door een warmwaterkraan te openen. Laat de kraan open staan tot alle lucht uit het systeem is verdwenen. 3. Controleer alle koppelingen op lekkage.

1. Ontlucht de gasleiding met de voordrukmeetnippel (D) op het gasblok. 2. Controleer alle koppelingen op lekkage. 3. Controleer de voordruk en de offset druk (zie § 7.7).Daikin Europe NV

6.2 In bedrijf stellen van het toestel

CV bedrijf of instellen maximale CV temperatuur

Tap/CV toets, voor instellen gewenste temperatuur

Tap bedrijf of instellen tap temperatuur

Tap comfort functie eco ( nvt voor EHOBG

Tap comfort functie uit / eco / aan (nvt voor EHOBG

Tap comfort functie aan (nvt voor EHOBG

Service toets / actuele temperatuur tijdens warmte vraag

Bij storing knipperen

Nadat de voorgaande handelingen zijn uitgevoerd, mag het toestel in bedrijf gesteld worden.

1. Druk op de knop, om het toestel in bedrijf te stellen.

De warmtewisselaar wordt opgewarmd en op het service display verschijnen 3., 4 en 7 (Afhankelijk status externe spaarschakelaar en/of OpenTherm regeling). 2. Stel de pompstand in afhankelijk van het ingestelde maximaal vermogen en de waterzijdige weerstand van de installatie. Voor de opvoerhoogte van de pomp en het drukverlies van het toestel (zie § 7.4). 3. Stel de kamerthermostaat hoger in dan de kamertemperatuur. Het toestel gaat nu op CV bedrijf: 5 op het service display.

4. Stook de installatie op.

5. Controleer het temperatuurverschil tussen de aanvoer en retour van het toestel en de radiatoren.

Dit moet ongeveer 20°C bedragen. Stel hiervoor het maximaal vermogen in op het service paneel (zie § 7.3). Stel eventueel de pompstand en/of radiatorafsluiters in. De standaard instelling van de pomp is stand 3. De minimale doorstroom hoeveelheid bedraagt: 155 l/h bij een ingesteld vermogen van 5,4 kW 510 l/h bij een ingesteld vermogen van 17,8 kW

6. Schakel het toestel uit.

7. Ontlucht het toestel en de installatie na het afkoelen (zo nodig bijvullen).

8. Controleer de verwarming en de warmwatervoorziening op de goede werking.

9. Instrueer de gebruiker over het vullen, ontluchten en de werking van de verwarming en de warmwatervoorziening.

  • Het toestel is voorzien van een elektronische branderautomaat die de brander ontsteekt en de vlam continue bewaakt, bij iedere warmtevraag van de verwarming of van de warmwatervoorziening.
  • De circulatiepomp gaat bij iedere warmtevraag voor de verwarming draaien. De pomp heeft een nadraaitijd van 1 minuut. De nadraaitijd kan eventueel gewijzigd worden (zie § 7.3).
  • De pomp draait automatisch 1 maal per 24 uur gedurende 10 seconden om vastzitten te voorkomen. De automatische inschakeling van de pomp vindt plaats 24 uur na de laatste warmtevraag. Om het tijdstip te wijzigen dient de kamerthermostaat op het gewenste tijdstip kortstondig hoger gezet te worden.
  • Voor de warmwatervoorziening draait de pomp niet.Daikin Europe NV

6.3 Buiten bedrijf stellen van het toestel

VOORZICHTIG Tap het toestel en de installatie af, als de netspanning is onderbroken en er kans is op bevriezing.

1. Neem de steker uit de wandcontactdoos.

2. Tap het toestel af met de vul-/aftapkraan.

3. Tap de installatie af op het laagste punt.

4. Sluit de hoofdkraan voor de watertoevoer van het warmwatergedeelte.

5. Tap het toestel af door de tapwater koppelingen onder het toestel los te nemen.

  • Om bevriezing van de condensafvoer leiding te voorkomen, moet het toestel in een vorstvrije ruimte geïnstalleerd worden.
  • Om bevriezing van het toestel te voorkomen is het toestel voorzien van een vorstbeveiliging. Als de temperatuur van de warmtewisselaar te laag wordt, schakelt de ketel in, tot de warmtewisselaar is opgewarmd. Als de mogelijkheid bestaat dat de installatie (of een deel daar van) kan bevriezen, moet er op de koudste plaats een (externe) vorstthermostaat op de retourleiding aangebracht worden. Deze moet volgens het elektrisch schema aangesloten worden (zie § 10.3). Opmerking Indien een (externe) vorstthermostaat in de installatie is aangebracht en op het toestel aangesloten, is deze niet actief als het toestel op het bedieningspaneel is uitgeschakeld ( - op service display).Daikin Europe NV

Het functioneren van het toestel is te beïnvloeden door de (parameter)instellingen in de branderautomaat. Een deel hiervan is direct via het bedieningspaneel in te stellen, een ander deel kan alleen m.b.v. de installateurscode worden aangepast.

7.1 Direct via bedieningspaneel

De volgende functies kunnen direct bediend worden. Toestel aan/uit M.b.v. de toets wordt het toestel in werking gezet. Wanneer het toestel in werking is zal de groene LED boven de toets branden. Wanneer het toestel uit is brandt er één balkje op de service display (

) om aan te geven dat er voedingsspanning aanwezig is. Tevens geeft in deze bedrijfstoestand de temperatuurdisplay de druk in de CV installatie (in bar) aan. Zomerstand Indien parameter q ingesteld is op een waarde ongelijk aan 0 kan met de toets ook de zomerstand worden ingeschakeld. Dit houdt in dat de CV-functie wordt uitgeschakeld maar warmwater beschikbaar blijft. De zomerstand kan worden geactiveerd door de toets na het inschakelen nogmaals in te drukken. In het display verschijnt [Su], [So] of [Et]. (de vermelding in het display is afhankelijk van de instelling van parameter q) De zomerstand kan worden uitgeschakeld door 2 keer de toets te drukken tot het toestel weer in bedrijfstoestand staat. Instellingen van de diverse functies wijzigen: Door de toets 2 seconden ingedrukt te houden komt u in het gebruikers instellingen menu (LED bij en het cijferdisplay gaan knipperen). Door herhaald op de toets gaat telkens een andere functie LED knipperen. Wanneer de LED knippert kan de desbetreffend functie met de en toets ingesteld worden. De ingestelde waarde wordt op het display getoond. Met de aan/uit toets wordt het instel menu afgesloten en worden de wijzigingen niet opgeslagen. Met de reset toets wordt het instel menu afgesloten en worden de wijzigingen opgeslagen. Wanneer gedurende 30 seconden geen toets wordt ingedrukt, wordt het instelmenu automatisch afgesloten en worden de wijzigingen opgeslagen.

  • Maximum CV aanvoertemperatuur Druk op de toets tot de LED bij gaat knipperen. Stel met de en toets de temperatuur in tussen 30°C en 90°C (default waarde 80°C).
  • Boilertemperatuur Druk op de toets tot de LED bij gaat knipperen. Stel met de en toets de temperatuur in tussen 40°C en 65°C (default waarde 60°C). Boiler aan/uit Indien een extrene boiler is gemonteerd kan het op temperatuur houden van deze boiler met de toetst toets bediend worden en kent de volgende instellingen:
  • Aan: ( LED aan), De boiler wordt continu op de ingestelde temperatuur gehouden.
  • Eco: ( LED aan) . In en uit schakelen door Open Therm thermostaat (indien deze functie door de thermostaat wordt ondersteund). Bij gebruik van een open therm thermostaat welke deze functie niet ondersteund of een aan/uit thermostaat wordt de boiler altijd op temperatuur gehouden.
  • Uit: (Beide LED’s uit.) De boiler wordt niet op temperatuur gehouden . Legionella preventie Indien de ketel is verbonden aan een indirect gestookte boiler welke is voorzien van een boiler sensor is het mogelijk het water in de boiler tot minimaal 65°C op te warmen. Dit kan dagelijks of 1 keer per week worden uitgevoerd (afhankelijk van de instelling van parameter L) . Zie ook § 7.2Daikin Europe NV

Resetten Controleer aan de hand van de storingscodes onder § 8.1 de aard van de storing en los zo mogelijk de oorzaak van de storing op alvorens het toestel te resetten. Wanneer een vergrendelende storing wordt aangegeven d.m.v. knipperende LED boven de toets en een cijfer op de display kan door het indrukken van de reset toets het toestel opnieuw gestart worden.

7.2 Parameter instellingen via de servicecode

De parameters van de branderautomaat zijn in de fabriek ingesteld volgens onderstaande tabel. Deze parameters kunnen alleen met de servicecode gewijzigd worden. Ga als volgt te werk om het programmageheugen te activeren:

1. Druk gelijktijdig op de en toets, tot een 0 verschijnt op het servicedisplay en een 0 op het temperatuurdisplay.

2. Stel met de toets 15

(servicecode) in op het temperatuurdisplay.

3. Stel met de toets de in te stellen parameter in op het servicedisplay.

4. Stel met de en toets de parameter in op de gewenste waarde (zichtbaar) op het temperatuurdisplay.

5. Druk, nadat alle gewenste veranderingen zijn ingegeven, de toets in totdat P op het servicedisplay verschijnt.

De branderautomaat is nu opnieuw geprogrammeerd. Opmerking Door de toets in te drukken gaat men uit het menu zonder de parameterwijzigingen op te slaan. Voorbeeld: Wijzigen van de ketel van kombi werking naar ‘alleen warmwater’

1. Druk gelijktijdig op de en toets.

2. Ga met de de toets naar 15

3. Druk 1 x op de toets. Op het display verschijnt 0 en 1.

4. Wijzig met de toets de 0 in 2.

5. Druk op de toets in totdat P verschijnt.

6. De wijziging is doorgevoerd. Het toestel zal alleen reageren op een warmwater vraag.

Para EHOBG*ABV1 meter Instelling 12 18 Omschrijving 0 Servicecode [15] - - Toegang tot installateurinstellingen, de servicecode moet ingegeven worden (=15) 1 Installatietype 1 1 0= Kombi 1= verwrmen en tapwater via externe opslagtank 2= enkel tapwater 3= enkel verwarmen 2 CV-pomp continue 0 0 0= alleen pomp nadraaien 1= pomp continue actief 2 – 5 = niet actief 3 Ingesteld maximaal CV-vermogen 99 85 Instelbereik ingestelde waarde parameter c tot 85%

3. Maximum capaciteit modulerende CV-pomp 80 80 Instelbereik ingestelde waarde parameter c. tot 100%

4 Ingesteld maximaal WW-vermogen 80 80 Instelbereik ingestelde waarde parameter d tot 100% (=99 + 1x ) 5 Min. aanvoertemperatuur van de warmtelijn 25 25 Instelbereik 10°C tot ingestelde waarde parameter 5

5. Max. instelwaarde

aanvoerwatertemperatuur via bedieningspaneel 90 90 Instelbereik 30°C tot 90°C 6 Min. buitentemperatuur van de warmtelijn -7 -7 Instelbereik -30 tot 10°C 7 Max. buitentemperatuur van de warmtelijn 25 25 Instelbereik 15°C tot 30°C 8 CV-pomp nadraaitijd na CV-bedrijf 1 1 Instelbereik 0 tot en met 15 minuten 9 Nadraaitijd van de CV-pomp na verwarmen van een externe WW-tank 0 0 Instelbereik 0 tot en met 15 minuten (n.v.t. voor Kombi toestel) A Stand driewegklep 0 0 0= tijdens CV-bedrijf bekrachtigd 1= tijdens WW-bedrijf bekrachtigd en rust 2= driewegklep in stand CV indien toestel niet in rust 3= zone-regeling 4 en hoger = niet actief b Booster 0 0 Niet actief C Stapmodulatie 1 1 0= stappenmodulatie tijdens CV-bedrijf uit 1= stappenmodulatie tijdens CV-bedrijf aan c Minimaal toerental CV 30 30 Instelbereik 20 – 50%Daikin Europe NV

c. Minimum capaciteit modulerende CV-pomp Activering externe spaarschakelaar ingang 40 40 Instekbereik 0,15 – (waarde parameter c. ) 0 = externe spaarschakelaar geactiveerd Overige waarde: Min. capaciteit modulerende pomp. d Minimaal toerental WW 30 30 Instelbereik 20 – 50% E Min. aanvoertemperatuur bij OT (OpenTherm) of RF thermostaat 40 40 Instelbereik 10 – 60°C E. Reactie OT en RF kamerthermostaat 1 1 0= CV-vraag niet beantwoorden indien gevraagde temperatuur lager is dan ingestelde waarde par. E 1= CV-vraag beantwoorden met minimale aanvoerwatertemperatuur begrensd op ingestelde waarde par.

2= CV-vraag beantwoorden met maximale aanvoerwatertemperatuur zoals ingesteld op het display (aan/uit-functie)

Starttoerental CV 70 70 Instelbereik 50 – 99% van het ingestelde maximum toerental F. Starttoerental WW 70 70 Instelbereik 50 – 99% van het ingestelde maximum toerental

Max. toerental ventilator (* 100 rpm) 45 46 Instelbereik 40 – 50 M.b.v. deze parameter kan het maximum toerental ingesteld worden L Legionella preventie 0 0 0 = niet actief 1 = legionella preventie wekelijks 2 = legionella preventie dagelijks n Geregelde aanvoertemperatuur tijdens boiler-bedrijf (Ta) 80 80 Instelbereik 60°C - 90°C n. Warmhoudtemperatuur bij Comfort/Eco 0 0 Instelbereik: 0 of 40°C – 60°C 0 = warmhoudtemperatuur is gelijk aan tapwatertemperatuur Niet van toepassing voor boilers met enkel de functie van verwarming O. Vertragingstijd CV-vraag beantwoording 0 0 Instelbereik 0 – 15 minuten o Vertragingstijd CV-bedrijf na WW-bedrijf 0 0 Instelbereik 0 – 15 minuten o. Aantal Ecodagen 3 3 Instelbereik 0, 1 – 10 dagen. Niet van toepassing voor boilers met enkel de functie van verwarming. P Antipendeltijd tijdens CV-bedrijf 5 5 Minimale uitschakeltijd op CV-bedrijf Instelbaar 0 - 15 minuten P. Referentiewaarde tapwater 0 0 Instelbereik: 0, 24, 30, 36 Niet van toepassing voor boilers met enkel de functie van verwarming. q Zomerstand 0 0 0 = Geen zomerstand instelbaar via de toets 1 = Zomerstand instelbaar via toets (code in display : Su) 2 = Zomerstand instelbaar via toets (code in display : So) 3 = Zomerstand instelbaar via toets (code in display : Et) r Stooklijn verschuiving coëfficiënt 0 0 Niet actiefDaikin Europe NV

Het maximaal CV-vermogen wordt in de fabriek ingesteld op 70%. Als er voor de CV- installatie meer of minder vermogen nodig is, kan het maximaal CV-vermogen gewijzigd worden door het toerental van de ventilator te wijzigen. Zie tabel: Instelling CV-vermogen. Deze tabel geeft de relatie weer tussen het toerental van de ventilator en het toestelvermogen. Gewenst CV-vermogen in kW (ca.) Instelling op service display (in % maximaal toerental) EHOBG*ABV1

12,5 - 100 10,4 18,7 85 9,2 16,8 80 8,1 14,8 70 6,9 12,7 60 5,8 10,6 50 4,6 8,3 40 3,4 6,4 30 - 5,4 25 Let op: Het vermogen tijdens het branden wordt langzaam verhoogd en wordt verlaagd zodra de ingestelde aanvoertemperatuur wordt bereikt (modulatie op Ta).

7.4 Instellen pompstand

De EHOBG*ABV1 CV-ketels zijn voorzien van een modulerende A-klasse pomp welke op basis van het geleverd CV-vermogen moduleert. De minimale en maximale capaciteit van de pomp kan met de parameters 3. en c. worden aangepast. Zie ook § 7.2. De ingestelde waarde van parameter 3. (max. pompstand) is het percentage van de maximale pomp capaciteit en is gekoppeld aan het ingesteld maximaal CV-vermogen zoals ingesteld met parameter 3. De ingestelde waarde van parameter c. (min. pompstand) is gekoppeld aan het minimaal CV-vermogen zoals ingesteld met parameter c. Indien de CV-belasting moduleert tussen de minimale en maximale waarde zal de pompcapaciteit evenredig mee moduleren. Drukverlies grafiek toestel CV-zijdig

A EHOBG12ABV1 & EHOBG18ABV1

X Debiet over CV-circuit in l/u Y Drukverlies / opvoerhoogte in mH

7.5 Weersafhankelijke regeling

Bij het aansluiten van een buitenvoeler wordt de aanvoertemperatuur automatisch geregeld afhankelijk van de buitentemperatuur, volgens de ingestelde stooklijn. De maximale aanvoertemperatuur (T max) wordt ingesteld via het temperatuurdisplay. Indien gewenst kan de stooklijn met de servicecode gewijzigd worden (zie §7.3). Stooklijn grafiek

7.6 Ombouw naar andere gassoort

VOORZICHTIG Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen uitsluitend door een erkend installateur uitgevoerd worden.

Als op het toestel een ander gassoort wordt aangesloten dan waarvoor het toestel door de fabrikant is afgesteld dient de gasdoseerring vervangen te worden. Ombouw sets t.b.v. andere gassoorten zijn op bestelling leverbaar. Ombouwen van de doseerring

1. Schakel de ketel uit en neem de steker uit het stopcontact.

2. Sluit de gaskraan.

3. Verwijder het frontpaneel van het toestel.

4. Neem de koppeling (A) boven het gasblok los en draai de gasmengbuis (B) naar achteren.

5. Vervang de O-ring (C) en de gasdoseerring (D) door de ringen van de ombouwset.

6. In omgekeerde volgorde weer opbouwen.

7. Open de gaskraan.

8. Controleer de gaskoppelingen voor het gasblok op dichtheid.

9. Plaats de steker in de wandcontactdoos en schakel de ketel in.

10. Controleer de gaskoppelingen na het gasblok op dichtheid (tijdens bedrijf).

11. Controleer nu de afstelling van de gas/luchtverhouding (zie § 0).

12. Plak een sticker ingestelde gassoort over de bestaande sticker bij het gasblok.

13. Plak een sticker ingestelde gassoort bij de typeplaat.

14. Monteer het frontpaneel van het toestel.

7.7 Gas/luchtregeling

De gas/luchtregeling is in de fabriek ingesteld en behoeft in principe geen aanpassingen. De afstelling kan gecontroleerd worden door het CO

percentage in de verbrandingsgassen te meten of door een drukverschil meting. Bij een eventuele ontregeling, vervanging van het gasblok of ombouw naar een ander gassoort moet de regeling gecontroleerd en zonodig ingesteld worden volgens onderstaande tabel.

controle dient met geopende mantel plaats te vinden. Met gesloten mantel kan het CO

% hoger zijn dan de in bovenstaande tabel vermelde waarden.

% op Laagstand (L) ( en ) Met geopende mantel Zie § 7.8

- instelling is ingesteld in de fabriek en heeft in principe geen aanpassingen nodig. De instelling kan worden gecontroleerd door het CO

-percentage in de verbrandingsgassen te meten. In geval van een mogelijke storing van de aanpassing, moet de vervanging van de gasklep of de omzetting naar een ander gastype worden gecontroleerd en indien nodig ingesteld volgens de onderstaande instructies. Controleer altijd het CO

-percentage wanneer het deksel open staat. De koolstofdioxideinstelling controleren 1 Schakel de warmtepompmodule uit met behulp van degebruikersinterface. 2 Schakel de gasboiler uit met de knop. - verschijnt op het servicedisplay. 3 Verwijder het voorpaneel van de gasboiler. 4 Verwijder de afdekkap van het monsterpunt (X) en voer een geschikte schoorsteengasanalysesonde in.

BELANGRIJK Zorg dat de opstartprocedure van het analyseapparaat is voltooid alvorens de sonde in het monsterpunt te steken.

BELANGRIJK Laat de gasboiler stabiel draaien. Er kunnen foute metingen voorkomen indien de meetsonde wordt aangesloten vooraleer de gasboiler stabiel draait. Het is aanbevolen minstens 30 minuten te wachten. 5 Schakel de gasboiler in met de knop en creëer een verzoek voor ruimteverwarming. 6 Selecteer de instelling Hoog door tweemaal tegelijk de knoppen en in te drukken. Er verschijnt een hoofdletter "H" op het servicedisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig weer. Voer GEEN test uit wanneer kleine letter “h” wordt weergegeven. Als dit het geval is druk dan opnieuw en in. 7 Laat de uitleeswaarden zich stabiliseren. Wacht minstens 3 minuten en vergelijk het CO

percentage met de waarden in de onderstaande tabel.

-waarde bij maximumvermogen Aardgas G20 Aardgas G25 Propaan G31 (30/50 mbar) Propaan G31 (37 mbar) Maximumwaarde 9,6 8,3 10,8 Minimumwaarde 8,4 7,3 9,8 8 Noteer het CO

percentage bij maximumvermogen. Dit is belangrijk met betrekking tot de volgende stappen.

BELANGRIJK Het is NIET mogelijk om het CO

percentage aan te passen wanneer het testprogramma wordt uitgevoerd. Wanneer het CO

percentage afwijkt van de waarden in de bovenstaande tabel, neem dan contact op met uw lokale serviceafdeling. 9 Selecteer de instelling Laag door eenmaal tegelijk de knoppen en in te drukken. "L" verschijnt op het servicedisplay. De gebruikersinterface geeft symbool Bezig weer. 10 Laat de uitleeswaarden zich stabiliseren. Wacht minstens 3 minuten en vergelijk het CO

percentage met de waarden in de onderstaande tabel.

-waarde bij minimumvermogen Aardgas G20 Aardgas G25 Propaan G31 (30/50 mbar) Propaan G31 (37 mbar) Maximumwaarde (a) Minimumwaarde 8,4 7,4 9,4 9,4 (a) CO

-waarde bij maximumvermogen geregistreerd bij instelling Hoog.Daikin Europe NV

11 Als het CO -percentage bij maximum en minimumvermogen zich binnen het bereik vermeld in de bovenstaande tabellen, de CO -instelling van de boiler is correct. Indien NIET, pas de CO -instelling dan aan volgens de instructies in het onderstaande hoofdstuk. 12 Schakel het apparaat uit door op de knop te drukken en zet het monsterpunt terug op zijn plaats. Zorg dat deze gasdicht is. 13 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.

VOORZICHTIG Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen UITSLUITEND door erkende, vakkundige personen uitgevoerd worden. De koolstofdioxideinstelling aanpassen

BELANGRIJK Pas alleen de CO -instelling aan wanneer u het eerst hebt gecontroleerd en zeker bent dat aanpassing noodzakelijk is. Er mag geen aanpassing aan de gasklep worden uitgevoerd zonder voorafgaande toestemming van uw plaatselijke Daikin verdeler. In België mag de gasklep NIET worden aangepast en/of de zegel verwijderd of verbroken worden. Neem contact op met uw verdeler. 1 Verwijder de dop (A) die de afstelschroef afdekt. 2 Draai de schroef (B) rechtsom om het CO -percentage te verhogen en linksom om het te verlagen. Zie de onderstaande tabel voor de gewenste waarde. Gemeten waarde bij maximum-vermogen Instelwaarden CO (%) bij minimumvermogen (voorste deksel geopend) Aardgas 2H (G20, 20 mbar) Propaan 3P (G31,30/50/37 mbar) 10,8 - 10,5±0,1 10,6 10,3±0,1 10,4 10,1±0,1 10,2 9,9±0,1 10 9,8±0,1 9,8 9,6±0,1 9,6 9,0±0,1 - 9,4 8,9±0,1 9,2 8,8±0,1 9,0 8,7±0,1 8,8 8,6±0,1 8,6 8,5±0,1 3 Nadat u het CO -percentage gemeten en de instelling aangepast hebt, zet het afdekdopje en het dopje van het monsterpunt terug erop. Zorg dat ze gasdicht zijn. 4 Selecteer de instelling Hoog door tweemaal tegelijk de knoppen en in te drukken. Er verschijnt een hoofdletter op het servicedisplay. 5 Meet het CO -percentage. Indien het CO -percentage nog steeds afwijkt van de waarden in de tabel die het CO -percentage aangeeft op maximumvemogen, neem contact op met uw plaatselijke verdeler. 6 Druk tegelijk op en om het testprogramma te verlaten. 7 Zet het voorpaneel terug op zijn plaats.

8.1 Laatste storing tonen

Breng het toestel met de toets in de uit-stand en druk de toets in. De rode storings-LED brandt continue, en de laatste storingscode wordt knipperend op het temperatuursdisplay getoond. Indien het toestel nog nooit een vergrendelende storing heeft gedetecteerd, wordt geen code getoond. De laatste vergrendelende storing kan gewist worden door tijdens het indrukken van de toets de toets kort in te drukken.

Als de storings-LED knippert detecteert de branderautomaat een fout. Op het temperatuur display wordt een storingscode weergegeven. Als de storing is verholpen kan de branderautomaat opnieuw gestart worden door op de reset toets te drukken. De volgende fouten worden onderscheiden: Temperatuur display Omschrijving Mogelijke oorzaak/oplossing

Toestel staat uit. 10, 11, 12, 13, 14 Sensorfout S1

Lucht in de installatie. Ontlucht ketel en cv-installatie.

  • Controleer bedrading op breuk.

Controleer bedrading op breuk.

Vervang S1 en/of S2. 1 Temperatuur te hoog

Lucht in installatie. Ontlucht ketel en cv-installatie.

  • Pomp draait niet. Controleer de bedrading tussen de pomp en de branderautomaat.
  • Te weinig doorstroming in installatie, radiatoren dicht, pompstand te laag. 2 Verwisseling S1 en S2
  • Vervang S1 of S2. 4 Geen vlamsignaal

Hoofdgaskraan niet geopend.

  • Gastoevoerdruk te laag of valt weg.
  • Condensafvoer verstopt.
  • Controleer ontsteekunit en ontsteekkabel.
  • Geen of niet goede ontsteekafstand.
  • Gasblok of ontsteek unit krijgt geen spanning.

Condensafvoer verstopt.

  • Controleer luchttoevoer en rookgasafvoer i.v.m. mogelijke recirculatie van rookgassen. 6 Vlam detectie fout
  • Vervang branderautomaat. 8 Ventilatortoerental niet juist

Ventilator loopt aan tegen mantel isolatie.

  • Bedrading tussen ventilator en mantel.
  • Controleer bedrading op slecht contact draad.

Controleer de bedrading van de buitenvoeler.

  • Vervang buitenvoeler.
  • Branderautomaat is ongeschikt voor deze toepassing.
  • Vervang branderautomaat voor de juiste versie. 29, 30 Gasklep relais defect

Vervang defecte onderdelen uitsluitend voor de originele Daikin onderdelen. Het niet of onjuist monteren van de sensoren S1 en/of S2 kan leiden tot ernstige schade.Daikin Europe NV

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Gastoevoerdruk te hoog. Ja Mogelijk is de huisdrukregelaar defect. Neem contact op met het energiebedrijf. Nee Onjuiste ontsteekafstand. Ja Controleer de ontsteekpenafstand. Vervang de ontsteekpen. Nee Gas-luchtregeling niet goed ingeregeld. Ja Controleer de afstelling, zie Gas- luchtregeling. Nee Zwakke vonk.

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Gastoevoerdruk te laag. Ja Mogelijk is de huisdrukregelaar defect. Neem contact op met het gasbedrijf. Nee Recirculatie verbrandingsgassen. Ja Controleer de verbrandingsgasafvoer en luchttoevoer. Nee Gas- luchtregeling niet goed ingeregeld. Ja Controleer de afstelling, zie gas-luchtregeling. Nee Branderpakking defect. Ja Vervang de branderpakking. Nee Brander defect. Ja Vervang de brander.

8.3.3 Geen verwarming (CV)

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Het service display geeft een balkje (

weer. De ketel staat uit.

Schakel de ketel in m.b.v. de toets. Nee Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling niet gesloten of defect.

Controleer de bedrading. Controleer OpenTherm en Aan/uit aansluiting van het toestel. Vervang de thermostaat. Vervang de weersafhankelijke regeling. Nee Pomp draait niet. Display geeft 80 en 1 weer. Ja Controleer de spanning. Controleer connector X2. Steek met een schroevendraaier in de gleuf van de as van de pomp en draai de as. Vervang defecte pomp. Nee Geen spanning (24 V). Ja Vervang defecte automaat. Controleer de bedrading volgens het schema. Controleer de connector X4. Vervang defecte automaat. De positie van de ontsteekpen controleren Pen moet testg ereedschap raken

Pen mag testgereedschap niet rakenDaikin Europe NV

8.3.4 Het vermogen is verminderd

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Op hoog toerental is het vermogen met meer dan 5% afgenomen.

Controleer toestel, sifon en afvoersysteem op vervuiling. Reinig toestel, sifon en afvoersysteem.

8.3.5 CV komt niet op temperatuur

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Waterdruk in installatie is te laag Ja Vul de installatie bij. Nee Instelling kamerthermostaat niet in orde. Ja Controleer de instelling en pas deze eventueel aan: Instellen op 0,1 A. Nee Temperatuur is te laag ingesteld. Ja Verhoog de CV-temperatuur. Zie Bedrijf CV. Indien een buitenvoeler aanwezig is: Controleer de buitenvoeler op kortsluiting: hef deze op. Nee Pomp draait niet goed. Pompstand is te laag. Ja Verhoog de pompstand, of vervang de pomp. Nee Geen doorstroming in de installatie. Ja Controleer of er doorstroming is: er moeten minimaal 2 of 3 radiatoren open staan. Nee Het ketelvermogen is niet goed ingesteld voor de installatie. Ja Pas het vermogen aan. Zie Instelling maximaal CV-vermogen. Nee Geen warmte overdracht door vervuiling in de wisselaar/installatie. Ja Spoel de wisselaar/installatie CV-zijdig.

8.3.6 Geen warmwater (alleen bij toepassing indirect gestookte boiler)

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Het service display geeft een balkje (

weer. Het toestel staat uit.

Schakel het toestel in m.b.v. de toets. Nee Geen spanning op de driewegklep. Ja Controleer de bedrading volgens het schema. Nee Driewegklep schakelt niet. Ja Vervang driewegklep. Nee Geen spanning op de boilersensor/thermostaat (5V DC). Ja Controleer de bedrading volgens het schema. Nee Brander komt niet in op WW: boiler sensor/thermostaat defect. Ja Vervang boilersensor/thermostaat. Nee Brander ontsteekt niet. Ja Zie Brander ontsteekt niet.

8.3.7 Warmwater komt niet op temperatuur (alleen bij toepassing indirect gestookte boiler)

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Temperatuurinstelling boiler te laag ingesteld. Ja Stel de boilertemperatuur in. Zie Instelling en afregeling.

8.3.8 CV-installatie blijft ongewenst warm

Mogelijke oorzaken: Oplossing/oorzaak: Kamerthermostaat/weersafhankelijke regeling defect of kort gesloten.

Controleer de bedrading. Controleer OpenTherm en Aan/uit aansluiting van het toestel. Vervang de thermostaat. Vervang de weersafhankelijke regeling.Daikin Europe NV

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Te hoge of te lage netspanning. Ja Controleer de netspanning. Nee Temperatuur pomp is te hoog. Ja Controleer de water- en omgevingstemperatuur.

8.3.10 A-label pomp LED knippert rood

Mogelijke oorzaken: Oplossing: Pomp gestopt. Ja Reset de pomp door het toestel minimaal 20 seconden met de aan/uit knop uit te zetten (let op: indien pomp op continue is ingesteld kan de pomp alleen worden gereset door de steker uit het stopcontact te nemen). Vervang de pomp.Daikin Europe NV

9 ONDERHOUD Het toestel en de installatie dienen elk jaar door een erkend installateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd te worden.

VOORZICHTIG Werkzaamheden aan gasvoerende delen mogen uitsluitend door een erkend installateur uitgevoerd worden. Controleer na werkzaamheden alle rookgasvoerende delen op dichtheid. Wanneer het toestel zojuist in bedrijf is geweest kunnen sommige onderdelen heet zijn.

1. Schakel het toestel uit met de toets.

2. Neem de steker uit de wandcontactdoos.

en demonteer het frontpaneel.

5. Wacht tot het toestel is afgekoeld.

6. Draai de wartelmoer onderaan de rookgaskoker linksom los.

7. Schuif de rookgaskoker met een linksomdraaiende beweging naar boven (1) tot de

onderkant van de pijp boven de aansluiting van de condensafvoerbak is gekomen. Trek de onderkant van de pijp naar voren (2) en neem de pijp linksom draaiend naar onder toe weg (3).

8. Til de condensafvoerbak aan de linkerkant uit de aansluiting van de sifon (4) en draai

hem naar rechts met de sifon aansluiting over de rand van de onderbak (5). Duw de condensafvoerbak aan de achterkant naar beneden van de aansluiting op de warmtewisselaar (6) en neem hem uit het toestel.

9. Neem de connector van de ventilator en de ontsteekunit van het gasblok.

10. Neem de koppeling onder het gasblok los.

11. Schroef de borstbouten (inbus) van het voordeksel los en neem dit compleet met

gasblok en ventilator naar voren toe weg (let op dat de brander, isolatieplaat, gasblok, gasleiding en de ventilator niet beschadigen). Leg de afgenomen voordeksel met de voetsteunen horizontaal op een vlakke ondergrond.

12. De brander en de geïntegreerde isolatieplaat behoeven geen onderhoud (niet te

worden gereinigd). Gebruik derhalve nooit een borstel of perslucht om deze onderdelen te reinigen, zodat het ontwikkelen van stof wordt vermeden.

1. Reinig de onderzijde van de warmtewisselaar.

2. Reinig de condensafvoerbak met water.

3. Reinig de sifon met water.

4. Reinig alleen de onderkant van de voorplaat.

VOORZICHTIG De geïntegreerde isolatieplaat en branderpakking bevatten ceramische vezels.Daikin Europe NV

Vervang bij onderhoud de afdichtring voorplaat. Controleer bij het monteren de overige afdichtingen op beschadigingen, verharding, (haar)scheuren en/of verkleuringen. Plaats waar nodig een nieuwe afdichting. Controleer tevens de juiste positionering.

1. Controleer dat tussen de flens van de borstbout en de voorplaat een dunne

laag keramisch vet aanwezig is. Als geen of onvoldoende vet aanwezig is moet dit alsnog worden aangebracht (zie afbeelding).

2. Controleer of de afdichting rondom de voorplaat goed geplaatst is. Plaats

de voorplaat op de warmtewisselaar en bevestig deze met de speciale borstbouten (inbus). Draai de borstbouten gelijkmatig kruislings handvast aan (10 – 12 Nm). Zie voor de volgorde van het aandraaien de afbeelding. Opmerking: De voorplaat in de afbeelding heeft 11 borstbouten De voorplaat van de EHOBG12ABV1 en deze van de EHOBG18ABV1 hebben elk 9 borstbouten.

3. Draai de branderboutjes gelijkmatig kruislings handvast aan.

4. Monteer de gaskoppeling onder het gasblok.

5. Monteer de connector op de ventilator en de ontsteekunit op het gasblok.

6. Monteer de condensafvoerbak door deze met de sifon aansluiting nog voor

de onderbak, op de afvoerstomp van de wisselaar te schuiven (1). Draai de condensafvoerbak daarna naar links (2) en druk deze naar beneden in de sifon aansluiting (3). Let er op dat daarbij de achterzijde van de condensafvoerbak op de nok achterin de onderbak (A) komt te rusten.

7. Vul de sifon met water en monteer deze op de aansluiting onder de

8. Schuif de rookgaskoker naar links draaiend met de bovenkant om de

rookgasadapter in het bovendeksel. Steek de onderkant in de condensafvoerbak, sleep de afdichtring naar beneden en draai de wartelmoer rechtsom vast.

9. Open de gaskraan en controleer de gaskoppelingen onder het gasblok en

op de montagebeugel op lekkage.

10. Controleer de CV- en de waterleidingen op lekkage.

11. Stop de steker in de wandcontactdoos.

12. Stel het toestel in bedrijf met de toets.

13. Controleer het voordeksel, de verbinding van de ventilator op het voordeksel

en de rookgasafvoer onderdelen op lekkage.

14. Controleer de gas-luchtregeling (zie § 7.7 ) en controleer de gaskoppeling

op het gasblok op dichtheid.

15. Monteer de mantel en draai de twee schroeven links en rechts naast de

display vast, sluit de displayklep.

16. Controleer de verwarming en de warmwatervoorziening op een goede

0 Zie § 7.4 Max. rookgastemperatuur °C 70 70 Massadebiet rookgas (max) g/s 5,8 8,7 Beschikbare ventilatordruk Pa 75 75 NOx-klasse 6 6 NOx mg/kWh 19 38 P1, bij 30% van de nominale toevoer (30/37) kW 4,1 6,1 P4, bij nominale uitlaat (80/60) kW 12,2 18,2 ɳ 1, Efficiëntie bij P1 % 98,1 97.3 ɳ 4, Efficiëntie bij P4 % 87,9 87,7 Warmteverlies in stand-by (Psb) 0,037 0,037 Elektrische gegevens Netspanning V 230 Veiligheidsklasse IP IPX4D (B23, B33 = IP20) Opgenomen vermogen: vollast W 80 Opgenomen vermogen: standby W 2 Aanvullend elektriciteitsverbruik bij volledige lading (elmax) kW 0,040 0,035 Aanvullend elektriciteitsverbruik bij deellast (elmin) kW 0,015 0,015 Aanvullend elektriciteitsverbruik in stand-by stand (Pstby) kW 0,002 0,002 Inbouwmaten en gewicht Hoogte mm 590 Breedte mm 450 Diepte mm 240 Gewicht kg 30 Gassoort (1) (EN 15502) B23; B33; C13x; C33x; C43x; C53x; C63x; C83x: C93x Land van bestemming

Productkaart Leverancier Daikin Europe NV Zandvoordestraat 300 8400 Oostende België Typeaanduiding

EHOBG12ABV1 EHOBG18ABV1

Seizoensgebonden energie efficiëntie- klasse voor ruimteverwarming - - A A Nominale warmteafgifte (vermogen)

rated kW 12 18 Seizoensgebonden energie efficiëntie klasse voor ruimteverwarming

% 92 92 Jaarlijks energieverbruik

dB 50 45 Efficiëntieklasse interne regelaar II II Bijdrage tot de jaarlijkse efficiëntie % 2,0 2,0 BELANGRIJK

  • Lees voor het installeren het installatie voorschrift en bedieningsvoorschriften.
  • Dit apparaat is niet bedoeld voor gebruik door personen (inclusief kinderen) met verminderde lichamelijke, zintuigelijke of geestelijke vermogens, of gebrek aan ervaring en kennis, tenzij toezicht door, of instructie over het gebruik van het apparaat door een persoon die verantwoordelijk is voor hun veiligheid is gegeven.
  • Het toestel en installatie dienen elk jaar door een erkend installateur gecontroleerd en zo nodig gereinigd worden.
  • Het toestel kan met een vochtige doek gereinigd worden. Gebruik geen agressieve of schurende schoonmaak- of oplosmiddelen.Daikin Europe NV

Aard aansluiting wisselaar

Ontsteek/ionisatie pen

OpenTherm kamerthermostaat (6-7 moet open zijn) Connector X2 230V

CV-pomp (8 = L (bruin), 7 = N (blauw)) 3-5-6 Driewegklep t.b.v. externe boiler (3 = L (bruin), 5 = Schakel (zwart), 6 = N (blauw)) (bijv. EK3WV1AA) Connector X5

11 GARANTIEBEPALINGEN Op dit product zijn de algemene garantievoorwaarden van Daikin Europe NV van toepassing. De garantie vervalt indien wordt vastgesteld, dat de gebreken, beschadigingen of overmatige slijtage te wijten zijn aan of oneigenlijk gebruik of onoordeelkundige behandeling of aan ondeskundige reparatie, instelling, installatie of onderhoud, door niet erkende installateurs of aan het onderhevig zijn aan stoffen met agressieve chemicaliën (o.a. haarlak) en andere schadelijke stoffen. De garantie vervalt tevens wanneer leidingen en koppelingen in de installatie zijn toegepast, die zuurstofdiffusie kunnen veroorzaken of het defect het gevolg is van ketelsteenafzetting (schadelijk voor het toestel en installatie). Oppervlaktebeschadigingen alsmede transportschade vallen buiten de garantie. Het recht op garantie vervalt indien niet kan worden aangetoond, dat de CV-ketel na ingebruikname niet tenminste 1 maal per jaar door een erkend installateur aan een onderhoudsbeurt is onderworpen. De installatie- en gebruiksvoorschriften die wij voor de betreffende toestellen afgeven, dienen geheel in acht te worden genomen. Gebruik volgens bestemming Het toestel, zoals beschreven in deze documentatie, is bestemd voor het verwarmen van ruimten via een centrale verwarmingsinstallatie en/of voor het leveren van warmwater. Ieder ander gebruik valt buiten de bestemming van het toestel. Op schade voortkomend uit onjuist gebruik, kan geen aansprakelijkheid genomen worden.

Milieu Als het toestel aan vervanging toe is kan dit meestal, na overleg, door uw dealer teruggenomen worden. Mocht dit niet mogelijk zijn, informeer dan bij uw gemeente naar de mogelijkheden voor hergebruik of milieuvriendelijke verwerking van de gebruikte materialen. Voor de productie van het toestel is gebruik gemaakt van diverse kunststoffen en metalen. Bovendien bevat het toestel elektronische componenten die tot het elektronisch afval behoren. Gebruik volgens bestemming Het toestel, zoals beschreven in deze documentatie, is bestemd voor het verwarmen van ruimten via een centrale verwarmingsinstallatie en/of voor het leveren van warmwater. Ieder ander gebruik valt buiten de bestemming van het toestel. Op schade voortkomend uit onjuist gebruik, kan geen aansprakelijkheid genomen worden.Daikin Europe NV