WSP 1210 F - Klimaatregeling AEG - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis WSP 1210 F AEG in PDF-formaat.
Veelgestelde vragen - WSP 1210 F AEG
Download de handleiding voor uw Klimaatregeling in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding WSP 1210 F - AEG en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. WSP 1210 F van het merk AEG.
GEBRUIKSAANWIJZING WSP 1210 F AEG
1. Gebruiksaanwijzing
1.1 Beschrijving van het apparaat _______ 55
1.2 Bediening _______________________ 55
1.3 Veiligheidsvoorschriften ____________ 56
1.4 Verzorging en onderhoud ___________ 56
1.5 Belangrijke aanwijzing _____________ 57
Wat te doen wanneer . . . ? __________ 57
2.2 Beschrijving van het apparaat _______ 60
2.6 Eerste inbedrijfstelling _____________ 67
2.7 Reparatie, ombouwen van het apparaat 67
Deutsch English Français Nederlands
1. Gebruiksaanwijzing
1.1 Omschrijving van het apparaat
Met warmteaccumulatoren wordt tijdens de laag tarief periode (afhankelijk van het nutsbedrijf, meestal nachtstroom) elektrisch opgewekte warmte opgeslagen. Deze wordt overeenkomstig de gewenste kamertemperatuur via een ventilator als warme lucht, en voor een gering deel ook als uitstralingswarmte van het oppervlak van het apparaat, afgegeven.
De bediening van het apparaat gebeurt op het bedieningspaneel (1) op de rechter zijwand (afb. 1).
1.2.1 Warmteaccumulatie
Met de keuzeschakelaar (afb. 17) wordt accumulatiegraad (opladen) bepaalt. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen de werking van de warmteaccumulator met of zonder centrale, weersafhankelijke oplaadbesturing (zit in de onderverdeling). Wanneer geen centrale, weersafhankelijke oplaadbesturing beschikbaar is (handmatige werking, afb. 18), moet de keuzeschakelaar als volgt worden ingesteld:
- = Er wordt niet opgeladen 1 = Overgangstijd (voorjaar/herfst) – komt overeen met ca. 1/3 van de volledige lading 2 = Milde winterdagen – komt overeen met ca. 2/3 van de volledige lading 3 = Komt overeen met de volledige lading Na een korte gewenningsperiode zult u de nodige ervaring hebben opgedaan om de op dat moment juiste instelling te vinden. Wanneer een centrale, weersafhankelijke oplaadbesturing beschikbaar is (automatische werking), moet de keuzeschakelaar op stand 3 staan. Het weersafhankelijke opladen zorgt er dan voor dat de warmteaccumulator op de juiste wijze wordt opgeladen. Ook bij een beschikbare oplaadbesturing kan de op te laden hoeveelheid van de afzonderlijke warmteaccumulatoren handmatig met de keuzeschakelaar worden aangepast. Hierbij rekening houden met de gebruiks- en montagehandleiding van de oplaadbesturing of het groepsbesturingsapparaat.
De warmteafgifte (ontladen) wordt met een aan de wand gemonteerde of in het apparaat geïintegreerde AEG-thermostaat (speciaal accessoire) geregeld. De gewenste temperatuur in de ruimte kan daarbij op de thermostaat worden ingesteld, die dan automatisch de warmteafgifte via de ventilator regelt, zodat de ruimte op een constante temperatuur kan worden gehouden. Op zeer koude dagen wordt het aanbevolen de thermostaat bij afwezigheid van meerdere dagen ingeschakeld te laten, om de temperatuur in de ruimte op bijv. ca. 10 °C te houden, zodat het gebouw c.q. de ruimte niet afkoelt (bescherming tegen bevriezing). Voor de gebruiker56
1.3 Veiligheidsvoorschriften
Het apparaat mag niet – in ruimten worden gebruikt die brand- of explosiegevaarlijk zijn door de aanwezigheid van chemicaliën, stof, gassen of dampen; – in de onmiddellijke nabijheid van leidingen of reservoirs worden gebruikt, die brandbare of explosieve stoffen bevatten; – worden gebruikt wanneer de minimale afstand tot aangrenzende objecten niet in acht kan worden genomen;
- Montage (elektrische installatie) alsmede de eerste inbedrijfstelling en het onderhoud van dit apparaat mogen alleen door een daartoe bevoegde vakman en overeenkomstig deze aanwijzingen worden uitgevoerd.
- In geen geval mag het apparaat worden gebruikt wanneer in de opstellingsruimte werkzaamheden zoals verleggen, slijpen, verzegelen, reinigen met benzine en onderhoud (spray, vloerwas) van vloeren en dergelijke worden uitgevoerd. Bovendien moet de ruimte het opladen in voldoende mate worden geventileerd.
- Het oppervlak van de behuizing van het apparaat en het luchtafvoerrooster kunnen tot een temperatuur van meer dan 80 °C worden verwarmd. Daarom mogen op het apparaat of in de onmiddellijke nabijheid daarvan geen brandbare, ontvlambare of warmte-isolerende stoffen, zoals wasgoed, dekens, tijdschriften, reservoirs met boenwas of benzine, spuitdozen en dergelijke worden geplaatst. Ook mag geen wasgoed over het apparaat worden gehangen om dit te drogen. Gevaar voor brand!
- Voor alle soorten voorwerpen, zoals meubels, gordijnen, vitrage en textiel of ander brandbaar of niet brandbaar materiaal, moet t.o.v. het apparaat (afb. 2) en met name t.o.v. de luchtafvoerroosters een minimumafstand worden aangehouden van: t.o.v. luchtafvoerrooster ⇒ 500 mm t.o.v. de rechter zijwand (voor montageruimte) ⇒ 100 mm t.o.v. linker zijwand ⇒ 70 mm t.o.v. linker zijwand bij 2 warmteaccumulatoren naast elkaar ⇒ 100 mm t.o.v. deksel (bijv. vensterbank) ⇒ 40 mm t.o.v. deksel (vitrage, gordijnen, brandbaar materiaal) ⇒ 100 mm De warme lucht moet ongehinderd uit het apparaat kunnen stromen (afb. 19)!
- De bij deze gebruiks- en montagehandleiding meegeleverde verwijzingsstickers „Geen voorwerpen op of tegen het apparaat zetten” moeten in zakelijk gebruikte ruimten, zoals bijv. in hotels, vakantiehuisjes, scholen enz., goed zichtbaar op het deksel van het apparaat worden geplakt.
1.4 Verzorging en onderhoud
Wanneer op de behuizing van het apparaat lichte bruine verkleuringen optreden, moeten deze waar mogelijk onmiddellijk met een vochtige doek worden verwijderd. Het apparaat moet in koude toestand met de gebruikelijke onderhoudsmiddelen worden schoongemaakt. Het gebruik van schurende en bijtende onderhoudsmiddelen moet worden vermeden. Geen reinigingsspray in de ventilatiegleuven spuiten. Het ventilatiekanaal achter het luchtafvoerrooster (5) moet iedere twee jaar door een vakman worden gecontroleerd. Hier kan in lichte mate vuilafzetting voorkomen. Geadviseerd wordt om tijdens regelmatig onderhoud ook de controle- en regelorganen te laten controleren. Uiterlijk 10 jaar na de eerste ingebruikstelling moeten veiligheids-, controle- en regelorganen alsmede het gehele op- en ontlaadsysteem door een vakman worden gecontroleerd.
1.4.1 Reiniging van het pluizenfilter (afb. 3)
Het in het luchttoevoerrooster (6) aangebrachte pluizenfilter (7) moet regelmatig worden schoongemaakt, zodat het storingsvrije ontladen van de warmteaccumulator is gewaarborgd. Bij een dichtgeslibd pluizenfilter worden de ventilatoren uitgeschakeld. Het pluizenfilter als volgt schoonmaken: – Het luchttoevoerrooster (6) aan beide kanten zachtjes naar beneden drukken, aan de bovenkant naar voren kantelen en verwijderen; – Het pluizenfilter met bijv. een schroevendraaier uit het rooster drukken en met borstel, stofzuiger of vergelijkbare hulpmiddelen schoonmaken; Het pluizenfilter weer in het rooster plaatsen en over de noppen vast laten klikken; – Het luchttoevoerrooster aan de onderkant schuin op de noppen op de bodem van het apparaat zetten en met lichte druk onder het luchtafvoerrooster vastklikken (afb. 16). Voor de gebruiker57 Nederlands
1.5 Belangrijke aanwijzing
Deze aanwijzing zorgvuldig bewaren, bij eventuele verkoop van het apparaat aan de nieuwe eigenaar overhandigen. Tijdens eventuele reparatiewerkzaamheden ter inzage aan de vakman geven. Voor de gebruiker en de installateur Wat te doen wanneer . . . ? Voor de gebruiker controleer of . . . . . . de keuzeschakelaar op stand 3 staat. . . . in uw zekeringenkast de bijbehorende zekeringen defect zijn of de aardlek- schakelaar is geactiveerd. Oorzaak verhelpen! Wanneer de warmteaccumulator op de daaropvolgende dag nog niet is opgewarmd moet u contact opnemen met een vakman. Voor de vakman controleer of . . . . . . de aansturing van de verwarmingselementbeveiliging in orde is. . . . spanning op de klemmen L1/L2/L3 staat. . . . of de veiligheidstemperatuur- begrenzer (F1) is geactiveerd.
- de warmte- accumulator niet warm wordt
- de warmte- accumulator ook bij milde weersom- standigheden een buitengewoon hoge behuizingstemperatuur laat zien. CLICK LH L
L-SH controleer of . . . . . . de ventilator met de thermostaat kan worden ingeschakeld. Wanneer dit niet het geval contact opnemen met de vakman. . . . het pluizenfilter in het lucht- toevoerrooster verstopt is. De oorzaak overeenkomst punt 1.4.1 verhelpen! controleer of . . . . . . de thermostaat is ingeschakeld en er spanning op de klem LE staat. . . . of de ventilatoren draaien. . . . de veiligheidstemperatuur- regelaar (N5, zie pagina 3, afb. 1) in de luchtafvoer is uitgeschakeld. . . . het besturingssignaal Z1 van de oplaadbesturing op klem A1/Z1 in de warmteaccumulator is ingeschakeld. "CLIC"58
Het plaatsen en de elektrische aansluiting moeten, met in acht neming van de montage- handleiding, door een vakman worden uitgevoerd. Voor de installateur
EntladungLadung Montage bij wanden zonder voldoende draagkracht Montage bij wanden met voldoende draagkracht Vloeropstelling Montage bij wanden zonder draagkracht60
2.2 Beschrijving van het apparaat (pagina 3, afb. 1)
1 Bedieningspaneel 2 Deksel 3 Zijwand rechts 4 Voorwand 5 Luchtafvoerrooster 6 Luchttoevoerrooster 7 Pluizenfilter 8 Binnenste voorwand 9 Accumulatorstenen 10 Afdekplaat 11 Warmte-isolatie 12 Vloerwarmte-isolatie 13 Mengluchtklep 14 Luchtkanaal 15 Kabeldoorvoer 16 Luchtgeleidingscomponent 17 Verwarmingselement 18 Ventilator 19 Veiligheidstemperatuurregelaar voor ontladen (N5) 20 Veiligheidstemperatuurregelaar voor opladen (N4) 21 Veiligheidstemperatuurbegrenzer (F1) 26 Wandhouder A1 Elektronische oplaadregelaar (pagina 12) V4 Bedrijfs- en storingsmelding X16 Besturingsignaalaanpassing 4-traps X17 Gereduceerde oplaadgraad met 4 standen
De accumulatorstenen worden middels de tussen de rijen accumulatorstenen liggende verwarmingselementen verwarmd. Met de oplaadregelaar (keuzeschakelaar afb. 17) wordt het opladen traploos ingesteld. Begin en duur van het opladen worden bepaald door de verantwoorde- lijke energieleverancier (nutsbedrijf) bepaalt. Twee ingebouwde veiligheidstemperatuurregelaars (19, 20) alsmede een veiligheidstemperatuurbegrenzer (21) voorkomen dat het apparaat oververhit raakt. Terwijl de veiligheidstemperatuurregelaars automatisch opnieuw inschakelen, moet de veiligheidstemperatuurbegrenzer door de vakman, door het indrukken van de in het midden van de begrenzer aangebrachte knop, na het verhelpen van de storing opnieuw worden ingeschakeld. De op deze manier opgeslagen warmte wordt dan met behulp van een ventilator, deels ook via het oppervlak van het apparaat, afgegeven. Hierbij wordt de lucht in de ruimte door de ventilator (18) door het luchttoevoerrooster (6) aangezogen en door de luchtkanalen van de accumulatorstenen (9) geblazen, waarbij de lucht wordt verwarmd. Voordat de aldus verwarmde lucht via het luchtafvoerrooster (5) de ruimte instroomt, wordt deze via twee mengluchtkleppen met koude lucht uit de ruimte gemengd, zodat de lucht die de ruimte instroomt de toegestane maximum temperatuur niet overschrijdt. De stand van de menglucht- kleppen en dus de mengverhouding van de lucht, wordt met een bimetaalregelaar geregeld.
2.2.2 Aansluitvermogen reduceren
Door het omleggen c.q. verwijderen van bruggen op de aansluitklemmen kan het aansluit- vermogen, dat af fabriek op 100 % is ingesteld, in combinatie met een oplaadgraadreductie op de oplaadregelaar met 3 vermogenstrappen (zie pagina 12) worden gereduceerd. De afmetingen van de leidingdiameters en de beveiliging moeten overeenkomstig het maximaal mogelijke vermogen van het apparaat worden uitgevoerd. Een 1-fase aansluiting mag overeenkomstig de ”Technische aansluitvoorwaarden” van de EVU slechts tot 2 kW (WSP 1810) worden uitgevoerd. Oplaadgraad reduceren Op de elektronische oplaadregelaar (A1) zit een stekkerbrug X17, waarmee voor de oplaadgraad van het accumulatorgedeelte in combinatie met het veranderbare aansluitvermogen uit 4 standen (positie I, II, III of IV) kan worden gekozen. Aanpassing van oplaadgraad met 4 standen (100 / 90 / 80 / 70 %). Af fabriek is een oplaadgraad van 100 % (positie I) ingesteld. Wanneer een stekkerbrug op een andere rij stiften wordt gestoken, verandert de oplaadgraad gerealiseerd (de uitschakel- temperatuur van de elektronische oplaadregelaar wordt verlaagd). Voor de installateur61 Nederlands
Storingsgedrag De oplaadregelaar in het apparaat is af fabriek op een „positief storingsgedrag (80 % PS)“ ingesteld, d.w.z. dat het apparaat bij een defecte oplaadbesturing (bijv. uitvallen van het besturingssignaal) wordt opgeladen. Er kan op „negatief storingsgedrag„ (de warmteaccumulator wordt niet opgeladen) worden omgeschakeld door de stekkerbrug X16 op positie „80 % NS„ te steken, wanneer het apparaat op een digitale oplaadbesturing is aangesloten. Werking met oplaadbesturing Hierbij moet rekening worden gehouden met de desbetreffende aanwijzingen in de gebruiks- en montagehandleiding van de oplaadbesturing. Besturingssignaal De elektronische oplaadregelaar kan op verschillende besturingssignalen (ED) van besturingen worden aangesloten en kan zodoende ook in bestaande installaties worden geïntegreerd. Af fabriek is een AC-besturingssignaal (wisselspanningssignaal op de klemmen A1/A2) met 80 % ED ingesteld. Door de stekkerbrug X16 anders te steken kunnen andere ED-signalen (68/72 %, 37/40 %) worden gekozen. Dit is noodzakelijk wanneer het apparaat in een reeds aanwezige installatie wordt geïntegreerd, die met de genoemde ED-signalen het opladen aanstuurt. Aansluiting op DC-besturingssignaal (X3) (zie schakelschema pagina 19) Wanneer in de installatie een oplaadbesturing met DC-besturingssignaal (gelijkspanning 0,91 V-1,43 V) is geïnstalleerd, moet het besturingssignaal op af fabriek afgedekte besturings- klemmen „DC +„ (pluspool) en „DC -„ (minpool) worden geklemd (let op de polariteit!). Op de klemmen „DC +„ en „DC -„ mag geen 230 V AC-besturingssignaal worden aangesloten. Anders wordt de oplaadregelaar onherstelbaar beschadigd. Aansluitvarianten
⇒ Geen storing, de oplaadregelaar werkt zonder problemen. LED brandt „rood“
⇒ Storing a) De keuzeschakelaar voor opladen (R1) en/of de kernvoeler (B1) is defect of niet aangesloten. b) De stekkerbrug X17 voor de oplaadgraadreductie ontbreekt. Er wordt niet opgeladen. LED brandt „oranje”
⇒ Storing (alleen bij ingebouwde ontlaadregelaar) a) De interne ontlaadregelaar (A2) is defect. b) De thermostaat (B2) is defect of niet aangesloten. Er wordt niet ontladen. c) De keuzeschakelaar (R2) is defect of niet aangesloten. De temperatuur wordt op ca. 22 °C gehouden.
2.3 Voorschriften en bepalingen
- Let op de bijverpakte onderdelen in de verpakking van het apparaat!
- De bouwvoorschriften van het desbetreffende land moeten in acht worden genomen.
- De plaats waar het apparaat wordt geplaatst moet voldoende draagkracht hebben. In geval van twijfel moet een bouwdeskundige om advies worden gevraagd (zie de „Technische gegevens„ voor het gewicht van de accumulatoren).
- De minimale afstand tot aangrenzende objecten moet worden aangehouden (afb. 2 en 2a).
- Alle elektrische aansluit- en installatiewerkzaamheden dienen te worden uitgevoerd conform de VDE-bepalingen 0100, de voorschriften van de verantwoordelijke elektriciteitsbedrijven en de betreffende nationale en regionale voorschriften.
- Het apparaat moet met een aanvullende voorziening met een scheidingstraject van minimaal 3 mm over alle polen van het net kunnen worden gescheiden. Hiervoor kunnen beveiligingen, zekeringen en dergelijke worden geïnstalleerd.
- Een latere verhoging van het aansluitvermogen moet door de verantwoordelijke energieleverancier worden goedgekeurd. Wanneer de latere verhoging van het vermogen niet aan de energieleverancier wordt gemeld, betekent het dat u contractbreuk pleegt.
- De bedrijfsmiddelen moeten geconstrueerd zijn voor het nominale verbruik van het apparaat.
- De gegevens op het typeplaatje van het apparaat moeten in acht worden genomen! De aangegeven spanning moet overeenstemmen met de netspanning.
- Het apparaat moet worden vastgezet om te kunnen voldoen aan de VDE-eis ten aanzien van de standveiligheid.
Om de standveiligheid overeenkomstig VDE te kunnen garanderen moet de warmteaccumulator met een wand- of vloerbevestiging (afb. 8) worden beveiligd. Voor de wandbevestiging is in de achterwand van het apparaat in de buurt van de schakelruimte een gat aangebracht, waardoor het apparaat met een geschikte schroef aan de wand kan worden bevestigd. Als alternatief kan de warmteaccumulator middels de vier gaten (∅ 9 mm) in de pootjes van het apparaat in de vloer worden vastgezet of, wanneer met vloerbeugels wordt gewerkt, aan de beugels worden vastgezet. (De luchtafvoer- en luchttoevoerroosters alsmede het luchtgeleidings- component van tevoren uitbouwen).
Het apparaat mag niet – in ruimten worden gebruikt die brand- of explosiegevaarlijk zijn door de aanwezigheid van chemicaliën, stof, gassen of dampen; – in de onmiddellijke nabijheid van leidingen of reservoirs worden gebruikt, die brandbare of explosieve stoffen bevatten; – worden gebruikt wanneer de minimale afstand tot aangrenzende objecten niet in acht wordt genomen. In ruimten waarin uitlaatgassen, olie- en benzine enz. voorkomen, kunnen langdurige stank en eventueel verontreinigingen ontstaan. Voor de installateur63 Nederlands Voor de installateur Vloer De vloer waarop het apparaat wordt geplaatst moet vlak zijn en voldoende draagkracht hebben, zodat de behuizing niet krom trekt. De temperatuurbestendigheid van de bevestigingswand moet minimaal 85°C bedragen, die van de vloer minimaal 80°C. De warmteaccumulatoren kunnen op iedere gewone vloer worden neergezet, maar bij de onderstukken kunnen bij PVC- en parketvloeren en ook bij tapijten met lange pool door de druk en de inwerking van de warmte veranderingen optreden. In deze gevallen moeten warmte- bestendige onderplaten worden gebruikt (ter plaatse aan te schaffen).
2.4.2 Met wandbeugels los van de vloer bevestigen van de apparaten
Voor de bevestiging van het apparaat moeten 2 wandhouders (26) aan de bevestigingswand worden geschroefd (veiligheidsafstand in acht nemen) (zie voor de maten “Technische gegevens” op pagina 9). Tijdens deze montagewijze het onderstaande in acht nemen: Wanneer een voldoende sterke wand beschikbaar is kan het apparaat met de meegeleverde wandhouders aan de wand worden bevestigd. Daarbij geldt: WSP 1210 F tot WSP 3610 F = Bodemvrijheid alleen mogelijk met gebruik wandhouder; WSP 4210 F en WSP 4810 F = Bodemvrijheid alleen in combinatie van wandhouder en steunbeugel mogelijk. Let op: Hierbij moet eerst worden gecontroleerd of de bevestigingswand en de meegeleverde schroeven en pluggen geschikt zijn om het gewicht van het apparaat helemaal te kunnen dragen. Wanneer de wand slechts ten dele sterk genoeg is, is een bepaalde bodemvrijheid voor de apparaten WSP 1210 F tot WSP 3610 F alleen maar mogelijk in combinatie met wandhouder en beugel (speciale accessoires).
2.4.3 Plaatsing met vloerbeugels
Wanneer geen geschikte bevestigingswand beschikbaar is, moet het apparaat met de vloerbeugels (speciaal accessoire) op de vloer worden bevestigd (het apparaat aan de beugels en de beugels aan de vloer vastschroeven).
2.5 Montage van het apparaat (afb. 3-14)
Voordat het apparaat wordt bevestigd moet erop worden gelet dat de toegestane minimale afstand tot aangrenzende objecten wordt aangehouden. Op de achterwand van het apparaat zijn twee wandhouders bevestigd, die moeten worden verwijderd voordat met de montage wordt begonnen.
2.5.1 Plaatsing van het apparaat (afb. 3-6)
- Het luchtafvoerrooster (5) losschroeven en incl. luchttoevoerrooster verwijderen;
- De voorwand (4) op de onderste rand losschroeven, naar voren zwenken en door iets op te tillen aan de bovenste rand uithangen;
- De inwendige voorwand (8) op de verbindingsstukken aan de zijkant losdraaien, het bovenste uiteinde naar voren zwenken en naar boven toe verwijderen;
- De rechter zijwand (3) iets optillen en verwijderen;
- Netaansluitleidingen alsmede aansluitleidingen voor op- en ontlaadregelaar door de opening in de achterwand van het apparaat (15) in het apparaat steken en, met inachtneming van punt
2.5.2 aansluiten (aansluitleiding ca. 210 mm invoeren en naar behoefte inkorten, zodat deze niet
in de buurt van de luchtgleuven in de zijwand kan komen te liggen);
- Het apparaat overeenkomstig punt 2.4 monteren;
- Afdekplaat (10), karton en bedieningsknop en bijgepakte materialen (schroeven en pluggen) uit het interieur verwijderen. (afb. 9). Het interieur moet volledig ontdaan zijn van vreemde voorwerpen zoals verpakkingsresten e.d. Warmte-isolatie op transportbeschadigingen controleren, eventueel vervangen.64 Accumulatorstenen plaatsen (afb. 10 en 11) De accumulatorstenen worden afzonderlijk verpakt geleverd. Accumulatorstenen met lichte transportbeschadigingen mogen worden gebruikt. De werking van het apparaat wordt daardoor niet beïnvloed. Voor het plaatsen van de accumulatorstenen (9) moeten de verwarmingselementen (17) een klein stukje worden opgetild (afb. 10). De eerste accumulatorstenen met de kom voor het verwarmingselement naar boven toe op enige afstand tot de rechter warmte-isolatie onder het verwarmingselement plaatsen en tegen zowel de rechter als de achterste warmte-isolatie schuiven. De slobgaten vormen de verwarmingskanalen. Er tijdens het optillen van de verwarmingselementen op letten dat de doorlopende gaten in de warmte-isolatie aan de zijkant niet groter worden. Als afsluiting de uit het interieur verwijderde afdekplaat (10) over de bovenste accumulatorstenen schuiven (afb. 12).
2.5.2 Elektrische aansluiting
De verwarmingselementen worden met 3/N/PE ~ 50 Hz 400 V of bij de apparaten WSP 1210 F en WSP 1810 F ook met 1/N/PE ~ 50 Hz 230 V aangesloten. Een rechtstreekse aansluiting met NYM is ook mogelijk. Het aantal voedingsleidingen en leiding- aders alsmede de leidingdiameters zijn afhankelijk van de aansluitwaarde van het apparaat en de wijze waarop het apparaat op het net is aangesloten, alsmede van de bijzondere voorschriften van de energieleverancier. Hierbij de bijbehorende schakelschema’s in acht nemen. Bij het aansluiten van het apparaat op een automatische oplaadbesturing kan er ook spanning op de klemmen A1/Z1 - A2/Z1 staan wanneer de zekeringen zijn verwijderd! Aansluiting Bij de elektrische aansluitleidingen eventueel zorgen voor een trekontlasting en overeenkomstig het schakelschema in het apparaat (op de binnenkant van de rechter zijwand) of het aansluit- schema aansluiten. Wanneer de in de schakelruimte geplaatste beugel voor het bevestigen van de netaansluitklemmen slecht toegankelijk is doordat aan de zijkant te weinig ruimte is overgelaten, dan kan de beugel – nadat de schroef in de achterwand is losgedraaid (niet helemaal uitdraaien) – tijdens de aansluit- werkzaamheden naar voren worden gezwenkt. Tijdens het opladen moet op de klem „L” van de klemmenstrip X2 spanning staan (230 V). Wanneer hiervoor geen afzonderlijke voedingspanning beschikbaar is, kunnen klem „L1” en klem „L” met elkaar worden verbonden. In dit geval moet ook de klem „N” van de klemmenstrip X2 met klem „N” van de klemmenstrip X1 worden verbonden (alleen mogelijk bij wandgemonteerde thermostaten). De aansluiting van de aardleider moet zonder meer goed zijn! De leiding naar de aansluiting van een DC-besturingssignaal moet voor de aansluiting binnenin het apparaat vanaf de trekontlasting tot de aansluitklem met een isoleerslang worden overtrokken! Aansturing zonder verwarmingsbeveiliging Wanneer geen verwarmingsbeveiliging wordt geïnstalleerd (door de energieleverancier gepland), kan het af fabriek in de warmteaccumulator ingebouwde thermorelais worden gebruikt. Daarvoor moeten hetzij de EVU-signalen „LF” en „N” of de signalen „SH” en „N” van de afzonder- lijke oplaadbesturing rechtstreeks op de klemmen „L-SH” en „N” van de warmte accumulator worden aangesloten. De in het aansluitschema met
- gemarkeerde aanwijzingen moeten hierbij in acht worden genomen. Voor de installateur
Bij aansturing zonderverwarmingsveiligheid de bruggen(L) - (L-SH) en (N) - (N) verwijderen De verwarmingselementen in het apparaat worden pas ingeschakeld wanneer de LF-vrijgave van de EVU heeft plaatsgevonden en de elektronische oplaadregelaar het opladen vrij geeft. Voor de werking met „enkeldraadsbesturing” ** moet een brug tussen „N” en „A2/Z2” worden aangebracht.65 Nederlands
3/N/PE ~ 50 Hz 400 V L2L312383,3 % PNennL2L3N 8 h 9 h 10 h Voor de installateur Aanpassing van het vermogen overeenkomstig de nominale oplaadduur Door het omleggen c.q. verwijderen van bruggen op de aansluitklemmen kan het aansluitvermogen op de door de EVU bepaalde nominale oplaadduur worden aangepast. Typeplaatje van het apparaat De markering op het typeplaatje en het schakelschema in acht nemen! Na de elektrische aansluiting moet het bij het aansluitvermogen en de nominale oplaadduur van het apparaat horende vakje met een waterbestendige ballpoint worden gemarkeerd.
2.5.3 Apparaat bedrijfsklaar
Het apparaat schoonmaken (afb. 13 en 14) Het open apparaat moet na het opstellen en het plaatsen van de accumulatorstenen worden schoongemaakt. Hiervoor moeten de ventilatoren en het luchtgeleidingscomponent worden gedemonteerd.
- Het luchtgeleidingscomponent (16) losschroeven en naar buiten trekken.
- De ventilator (18) na het losdraaien (niet volledig uitdraaien) van de voor op de bevestigingsbeugels zittende schroeven optillen en uittrekken (let op de kabels!). Bij sommige apparaten moet hiervoor de temperatuurregelaar – ontlading (19) inclusief de bevestigingsplaat worden losgeschroefd. Bij het neerleggen van de gedemonteerde onderdelen moet erop worden gelet dat de draden niet beschadigd worden.
- Bodemplaat en ventilator schoonmaken (de lamellen niet beschadigen!). Daarna de ventilator, eventueel de temperatuurbegrenzer alsmede het luchtgeleidingscomponent weer monteren (let erop dat de kabels correct verlegd worden!). Het apparaat sluiten (afb. 15 en 16)
- De binnenste voorwand inclusief warmte-isolatie met de zijrand naar onder op de bevestigingsstukken zetten, boven tegen het apparaat drukken en met schroeven vastzetten (bij WSP 4210 F en WSP 4810 F moet nog een extra schroef in het midden worden vastgedraaid);
- De rechter zijwand aan de onderkant inhangen en naar boven kantelen, aan de bovenkant inhangen en met een schroef bevestigen; (zie voor omgekeerde volgorde 2.5.1 – Demontage rechter zijwand afb. 6)
- De voorwand aan de bovenkant inhangen, onder tegen het apparaat zwenken en met 12 schroeven bevestigen (hierbij steeds de inwendige schroefdraadgaten gebruiken) (afb. 15);
- Het luchtafvoerrooster bevestigen, daarbij de schroeven handvast vastdraaien en weer ca. 1 omwenteling terugdraaien (afb. 16);
- Het luchttoevoerrooster aan de onderkant schuin op de noppen op de bodem van het apparaat zetten, aan de bovenkant omzwenken en achter het luchtafvoerrooster vastklikken (afb. 16). Uitvoering van de warmteaccumulator Nominale oplaadduur Aansluitvarianten (kW) Model WSP 1210 F WSP 1810 F WSP 2410 F WSP 3010 F WSP 3610 F WSP 4210 F WSP 4810 F
. . . bij geïntegreerde thermostaten RTi 102 E/RTi 103 EP Aansluitschema . . . . . . bij wandgemonteerde thermostaten . . . bij enkelfasige aansluiting (max. 2 kW) . . . bij warmteaccumulator-vervanging „oud-nieuw” met wandgemonteerde thermostaat en ontbrekende dagstroomvoeding
Bruggen (L) - (L-SH) en (N) - (N) bij aansturing zonder verwarmings- beveiliging verwijderen
oplaadbesturing lage spanningssysteem Hierbij moet erop worden gelet dat de afzonderlijke thermostaat en de beschikbare weersafhankelijke oplaadbesturing op dezelfde manier flankgesloten zijn als het lastdeel. Wanneer er meerdere aardlekschakelaars beschikbaar zijn, moet de N van het thermorelais K1 op de N van het lastdeel alsmede draad 3 van de stekkerverbinding X10 van L naar L1 worden gelegd (zie schakelschema pagina 19)
Bruggen (L) - (L-SH) en (N) - (N) bij aansturing zonder verwarmings- beveiliging verwijderen67 Nederlands Voor de installateur
2.6 Eerste inbedrijfstelling
Kortsluitgevaar oplaadregelaar Wanneer de spanning op de thermorelaiscontacten de spanning wordt gemeten, wordt de oplaadregelaar bij massasluiting – wegglijden van de meetvoelers – onherstelbaar beschadigd. Het controlelampje brandt dan weliswaar nog steeds “groen”!
2.6.1 Werkingscontrole
De werking van de ventilator voor het accumulatordeel door het inschakelen van de thermostaat controleren.
De apparaten kunnen na een succesvolle werkingscontrole direct in gebruik worden genomen. Het opladen gebeurt hetzij met de hand met de insteller van de elektronische oplaadregelaar of automatisch met de beschikbare Elfamatic-oplaadbesturing. Tijdens het voor de eerste keer opladen moet het opladen in kWh worden vastgesteld en worden vergeleken met de in de “Technische gegevens” aangegeven maximaal toelaatbare waarde in koude toestand. Deze vastgestelde waarde mag de maximaal toelaatbare waarden van het opladen in koude toestand niet overschrijden. Tijdens de eerste keer opladen kan een vreemde geur optreden. Daarom moet de ruimte in voldoende mate worden geventileerd (1,5-voudige luchtverversing, bijv. met geopende ramen). Het voor de eerste keer opladen mag in een slaapkamer niet ‘s nachts worden uitgevoerd.
2.7 Reparatie, ombouwen van het apparaat
Bij de ingebruikname na een reparatie waarbij het apparaat werd gemonteerd, of wanneer het eerst op een andere plaats werd gebruikt, moet net als bij de eerste inbedrijfstelling en overeenkomstig deze montagehandleiding te werk worden gegaan. Daarbij moet met name worden gelet op het volgende: delen van de warmte-isolatie, die bescha- digd of gewijzigd zijn, en die van invloed zijn op de veiligheid, moeten door nieuwe worden vervangen. Voor de inbedrijfstelling moet de isolatie worden gecontroleerd en het nominale verbruik worden gemeten.
2.1.1 Ombouwen van het apparaat
Voor ombouw-, aanbouw- en inbouwwerkzaamheden is de met het desbetreffende component meegeleverde handleiding maatgevend.
Leg de gebruiker de functies van het apparaat uit. Maak hem of haar in het bijzonder attent op de veiligheidsvoorschriften. Overhandig de gebruiker de gebruiks- en montagehandleiding. Symbolen op het typeplaatje (voorbeeld WSP 4810 F) Totaal gewicht Opladen Ontladen Aanvullende verwarming Ventilator WSP 4810 F
E-nr. F-nr. Voorbeeld68 Voor de installateur Schakelschema WSP 1210 - 4810 F A1: Elektronische oplaadregelaar B1: Kerntemperatuurvoeler - opladen E1 - E6: Verwarmingselement (accumulator) F1: Veiligheidstemperatuurbegrenzer F2: zekering (250V 2A traag) K1: Thermorelais M1 - M3: Ventilator ontladen N4: Temperatuurbegrenzer - opladen N5: Temperatuurbegrenzer - ontladen R1: Regelaar – opladen (keuzeschakelaar) V4: Controlelampje werking noodwerking X1: Netaansluitklemmen X2: Aansluitklemmen X3: DC-aansluitklem 0,91 - 1,43 V X16: Besturingsignaalaanpassing 4-traps X17: Vermogensreductievoorziening 4-traps Speciale accessoire worden niet meegeleverd, bij inbouw de desbetreffende accessoires aankruisen Geïntegr. thermostaat 2-punts Geïntegr. thermostaat proportioneel A2: Elektronische ontlaadregelaar B2: Temperatuurvoeler ontladen R2: Regelaar – ontladen (keuzeschakelaar) S2: AAN/UIT-schakelaar thermostaat Aanvullende verwarming E8: Aanvullende verwarming N2: Temperatuurregelaar – aanvullende verwarming N3: Temperatuurregelaar – aanvullende verwarming S1: AAN/UIT-schakelaar – aanvullende verwarming Tijdens het inbouwen van de aanvullende verwarming (E8) het toegestane schakelvermogen van de thermostaat in acht nemen!
AC-signaal 230 VBesturingssignaal opladenDC-signaaloplaadbesturingssignaalElektron. oplaadregelaarElektron.ontlaadregelaarBesturingscircuit1/N/PE AC 50 Hz 230 V bij aansluiting van een externe RT3/N/PE AC 50 Hz 400 V Serieschakeling 100 % P nom. 75 % P nom. 83,3 % P nom. 91,6 % P nom. 100 % P nom. 3/N/PE AC 50 Hz 400 V 3/N/PE AC 50 Hz 400 V 3/N/PE AC 50 Hz 400 V 3/PE AC 50 Hz 400 V 1/N/PE AC 50 Hz 230 V69 Nederlands Attentie! Bij 3/PE AC 50 Hz 230 V netvoeding Het is noodzakelijk dat de originele bedrading van de accumulator wordt omgezet! Elektrisch schema voor 3/PE AC 50 Hz 230 V Het is noodzakelijk dat de originele bedrading wordt omgezet! Voor de installateur Bruggen moeten ter plaatse worden gemaaktE1 - E6:VerwarmingselementF1: VeiligheidstemperatuurbegrenzerN1: Temperatuurbegrenzer - verwarmingX1: Aansluitklem netvoedingN4: Temperatuurbegrenzer - verwarmingxxx Draad vi van E2 lostrekken en op E6 aansluitenxx Draad br van E6 lostrekken en op E4 aansluitenx Draad ws van E4 lostrekken en op E2 aansluiten70 Milieu en recycling
Notice-Facile