MUZ-DM25VA - Airconditioner MITSUBISHI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis MUZ-DM25VA MITSUBISHI in PDF-formaat.

📄 200 pagina's Nederlands NL 💬 AI-vraag
Notice MITSUBISHI MUZ-DM25VA - page 44
Handleidingassistent
Aangedreven door ChatGPT
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : MITSUBISHI

Model : MUZ-DM25VA

Categorie : Airconditioner

Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MUZ-DM25VA - MITSUBISHI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MUZ-DM25VA van het merk MITSUBISHI.

GEBRUIKSAANWIJZING MUZ-DM25VA MITSUBISHI

Voor een veilig en juist gebruik moet u deze installatiehandleiding grondig doorlezen voordat u de airconditioner installeert.

1. Veiligheidsvoorschriften

s Lees alle “Veiligheidsvoorschriften” voordat u het apparaat installeert. s Stel de aanleverende instantie op de hoogte of vraag om toestemming voordat u het systeem aansluit op het net. s Dit apparaat voldoet aan IEC/EN 61000-3-12 Waarschuwing: Beschrijft maatregelen die genomen moeten worden om het risico van verwonding of dood van de gebruiker te voorkomen. Voorzichtig: Beschrijft maatregelen die genomen moeten worden om schade aan het apparaat te voorkomen. Waarschuwing:

  • Het apparaat mag niet door de gebruiker zelf worden geïnstalleerd. Vraag de dealer of een erkende installateur om het apparaat te installeren. Onjuiste installatie van het apparaat kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand.
  • Volg voor de installatie de instructies in de installatiehandleiding en gebruik gereedschap en pijpmateriaal dat speciaal is gemaakt voor gebruik met R410Akoelstof. De R410A-koelstof in het HFC-systeem wordt gebruikt onder een 1,6 maal grotere druk als normale koelstoffen. Wanneer niet voor R410A-koelstof ontworpen pijpdelen worden gebruikt en het apparaat onjuist wordt geïnstalleerd, kunnen de pijpen knappen waardoor schade of letsel kan ontstaan. Daarnaast kunnen waterlekkage, elektrische schokken of brand optreden.
  • Het apparaat dient volgens de instructies te worden geïnstalleerd om het risico op beschadiging bij een aardbeving of storm te beperken. Een onjuist geïnstalleerd apparaat kan vallen en schade of letsel veroorzaken.
  • Het apparaat moet worden geïnstalleerd op een constructie die het gewicht ervan kan dragen. Als het apparaat wordt geïnstalleerd op een instabiele constructie, kan het vallen en schade of letsel veroorzaken.
  • Als het apparaat in een kleine ruimte wordt geïnstalleerd, moeten maatregelen worden genomen tegen het weglekken van koelstof. De concentratie weggelekt koelstof in de lucht mag de grenswaarden niet overschrijden. Vraag de dealer wat u tegen het overmatig weglekken van koelstof kunt doen. Als de concentratie koelstof in de lucht te hoog wordt, kan zuurstofgebrek in de ruimte optreden.
  • Ventileer de ruimte als er koelstof weglekt wanneer het apparaat in werking is. Als de koelstof in contact komt met vuur, komen giftige gassen vrij.
  • De installatie van de elektrische onderdelen moet worden uitgevoerd door een gediplomeerde elektriciën in overeenstemming met de lokale regelgeving en de instructies in deze handleiding. Installeer stroomonderbrekers en zorg voor een juiste voedingsspanning. Sluit geen andere apparatuur aan op de voedingsleidingen van de apparaten. Onjuist geïnstalleerde of ongeschikte voedingsleidingen kunnen elektrische schokken of brand veroorzaken. Informeer de klant na voltooiing van de installatie over de “Veiligheidsvoorschriften”, het gebruik en het onderhoud van het apparaat en laat het apparaat proefdraaien om de werking ervan te controleren. Zowel de installatie- als de gebruikershandleiding dienen ter bewaring aan de gebruiker te worden gegeven. Deze handleidingen dienen te worden doorgegeven aan latere gebruikers. : Geeft een onderdeel aan dat geaard moet worden. Waarschuwing: Lees de stickers die op het apparaat zitten zorgvuldig.
  • Sluit de voedingskabels en de aansluitkabels van de binnenunits, buitenunits en aftakdozen rechtstreeks op elkaar aan (geen tussenliggende doorverbindingen). Tussenliggende doorverbindingen kunnen tot communicatiestoringen leiden indien er bij de doorverbindingen water in de kabels of aders dringt en de isolatie ten opzichte van aarde of het elektrische contact onvoldoende wordt. (Indien een tussenliggende doorverbinding niet kan worden vermeden, dient u afdoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat er water in de kabels of draden kan dringen.)
  • Gebruik fosforhoudende, zuurstofarme, naadloze C1220-pijpen van koper of koperlegeringen als koelstofpijpen. Als de pijpen onjuist worden aangesloten, is het apparaat niet goed geaard en kunnen elektrische schokken optreden.
  • Gebruik uitsluitend de gespecificeerde kabels. De aansluitingen moeten stevig vastzitten zonder spanning op de aansluitpunten. Onjuiste aansluiting of installatie van de kabels kan leiden tot oververhitting of brand.
  • Het deksel van het aansluitblok van het buitenapparaat moet stevig worden vastgemaakt. Bij onjuiste montage van het deksel kunnen stof en vocht in het apparaat komen, wat een elektrische schok of brand kan veroorzaken.
  • Gebruik bij het installeren of verplaatsen van het apparaat uitsluitend de gespecificeerde koelstof (R410A) voor het vullen van de koelstofpijpen. Meng de koelstof niet met andere koelstoffen en let erop dat er geen lucht in de pijpen achterblijft. In de leidingen achtergebleven lucht kan drukstoten veroorzaken die kunnen leiden tot scheuren en andere problemen.
  • Gebruik uitsluitend door Mitsubishi Electric goedgekeurde accessoires en vraag de dealer of een erkende installateur deze te installeren. Onjuiste installatie van accessoires kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand.
  • Breng geen wijzigingen aan aan het apparaat. Neem voor reparatie contact op met de dealer. Onjuist uitgevoerde reparaties of wijzigingen kunnen leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand.
  • De gebruiker mag nooit proberen het apparaat zelf te repareren of te verplaatsen. Onjuiste installatie van het apparaat kan leiden tot waterlekkage, elektrische schokken of brand. Als het apparaat moet worden gerepareerd of verplaatst, neem dan contact op met de dealer of een erkende installateur.
  • Controleer na voltooiing van de installatie op koelstoflekkage. Als koelstof naar de ruimte lekt en in contact komt met de vlam van een verwarmings- of kookapparaat, komen giftige gassen vrij. 1.1. Voor de installatie Voorzichtig:
  • Gebruik het apparaat niet in bijzondere omgevingen. Installeer de airconditioner niet in ruimtes waarin deze wordt blootgesteld aan stoom, vluchtige olie (inclusief machine-olie) of zwavelgas, gebieden met een zout klimaat zoals de kust of gebieden waar het apparaat kan worden bedekt door sneeuw, omdat hierdoor de prestaties aanzienlijk kunnen verminderen en schade kan ontstaan aan de interne onderdelen.
  • Installeer het apparaat niet in ruimtes waar brandbare gassen worden geproduceerd of kunnen lekken, stromen of samenstromen. Ophoping van brandbare gassen rond het apparaat kan leiden tot brand of een explosie.
  • Het buitenapparaat produceert condens tijdens de verwarmingsfase. Zorg voor afvoer rond het buitenapparaat als dergelijk condensvocht schade kan veroorzaken.
  • Houd rekening met geluid en elektrische stroringen bij installatie van het apparaat in een ziekenhuis of communicatieruimte. Stroomomzetters, huishoudelijke apparaten, hoogfrequente medische apparatuur en radiocommunicatieapparatuur kunnen storingen in de airconditioner veroorzaken. Omgekeerd kan de airconditioner storingen veroorzaken in medische apparatuur, communicatieapparatuur en de weergave van beeldschermen. 1.2. Voor de installatie (verplaatsing) Voorzichtig:
  • Ga zeer voorzichtig te werk bij het verplaatsen van het apparaat. Het apparaat dient door twee of meer personen te worden getild, aangezien het 20 kg of meer weegt. Til het apparaat niet op aan de verpakkingsbanden. Draag beschermende handschoenen bij het uitpakken en verplaatsen van het apparaat om te voorkomen dat u zich snijdt aan de vinnen of andere onderdelen.
  • Zorg dat het verpakkingsmateriaal op een veilige manier wordt weggeworpen. Verpakkingsmaterialen zoals klemmen en andere metalen of houten onderdelen kunnen snijwonden of ander letsel veroorzaken.
  • Controleer de dragende constructie en bevestiging van het buitenapparaat regelmatig op loszitten, scheuren of andere beschadigingen. Als dergelijke problemen niet worden verholpen, kan het apparaat vallen en schade of letsel veroorzaken.
  • Gebruik geen water om de airconditioner te reinigen. Hierdoor kunnen elektrische schokken optreden.
  • Trek alle flensmoeren aan tot het opgegeven aanhaalmoment met een momentsleutel. Bij overmatig aantrekken kan de flensmoer na enige tijd breken waardoor koelstof kan weglekken.

1. Veiligheidsvoorschriften

1.3. Voor de installatie van de elektrische bedrading Voorzichtig:

  • Installeer stroomonderbrekers. Als er geen stroomonderbrekers worden geïnstalleerd, kunnen elektrische schokken optreden. BELANGRIJK De stroomonderbreker moet geschikt zijn voor de aanwezigheid van hogere harmonischen. Gebruik altijd een stroomonderbreker die geschikt is voor de aanwezigheid van hogere harmonischen, aangezien dit apparaat een omvormer bevat. Een onjuiste stroomonderbreker kan leiden tot verkeerde werking van de omvormer.
  • Oefen bij de installatie van de voedingsleidingen geen trekkracht uit op de kabels. Als de aansluitingen loszitten, kunnen de kabels loskomen of breken en oververhitting of brand veroorzaken.
  • Zorg ervoor dat het apparaat goed is geaard. Sluit de aardleiding niet aan op een gas- of waterleiding, bliksemafleider of aardleiding voor de telefoon. Onjuiste aarding van het apparaat kan elektrische schokken veroorzaken.
  • Gebruik stroomonderbrekers (aardlekschakelaar, isolatieschakelaar (+Bzekering) en onderbreker met gegoten behuizing) met de opgegeven capaciteit. Het gebruik van stroomonderbrekers met een te hoge capaciteit kan storingen of brand veroorzaken.
  • Gebruik voor de voedingsleidingen standaardkabels met voldoende capaciteit. Te lichte kabels kunnen kortsluiting, oververhitting of brand veroorzaken. 1.4. Voor het proefdraaien Voorzichtig:
  • Zet de netspanningsschakelaar ten minste 12 uur voordat u het apparaat gaat gebruiken aan. Als u het apparaat direct na het aanzetten van de netspanningsschakelaar inschakelt, kunnen de interne onderdelen ernstig beschadigd raken. Laat de netspanningsschakelaar altijd aanstaan gedurende het seizoen waarin u het apparaat gebruikt.
  • Controleer voordat u begint met proefdraaien of alle panelen, beveiligingen en andere beschermende onderdelen goed zijn geïnstalleerd. Draaiende of warme onderdelen of onderdelen onder hoge spanning kunnen letsel veroorzaken.
  • Raak de schakelaars nooit met natte vingers aan. Hierdoor kan een elektrische schok optreden.
  • Raak de koelstofpijpen niet met blote handen aan als het apparaat in werking is. De koelstofpijpen zijn heet of koud afhankelijk van de toestand van de koelstof. Bij het aanraken van de pijpen kunt u brandwonden of bevriezingen oplopen.
  • Wacht nadat het apparaat is uitgeschakeld ten minste vijf minuten voordat u de netspanningsschakelaar uitzet. Eerder uitzetten kan waterlekkage of storingen veroorzaken. 1.5. Gebruik van airconditioners met R410A-koelstof Voorzichtig:
  • Gebruik fosforhoudende, zuurstofarme, naadloze C1220-pijpen van koper of koperlegeringen als koelstofpijpen. Controleer of de binnenkant van de pijpen schoon is en vrij van schadelijke stoffen zoals zwavelverbindingen, oxidanten, vuil of stof. Gebruik pijpen van de opgegeven dikte. (Zie p. 48) Let bij hergebruik van pijpen waarin R22-koelstof heeft gezeten op het volgende. - Vervang de bestaande flensmoeren en tromp de aansluitingsoppervlakken opnieuw op. - Gebruik geen dunne pijpen. (Zie p. 48)
  • Bewaar de pijpen die voor de installatie zullen worden gebruikt binnenshuis en laat de verzegeling aan beide uiteinden intact tot vlak voor het solderen. (Laat kniestukken, etc. in hun verpakking.) Het binnendringen van stof, vuil of vocht in de koelstofpijpen kan leiden tot achteruitgang van de olie of compressorstoringen.
  • Gebruik esterolie, etherolie of alkylbenzeen (in kleine hoeveelheden) als koelolie om de aansluitingsoppervlakken af te dichten. Vermenging van de koelolie met mineraalolie kan leiden tot achteruitgang van de koelolie.
  • Gebruik uitsluitend R410A-koelstof. Bij gebruik van andere koelstoffen veroorzaakt de chloor achteruitgang van de koelolie.
  • Gebruik gereedschap dat speciaal is ontworpen voor gebruik met R410Akoelstof. Het volgende gereedschap is vereist. Neem voor vragen contact op met de dichtstbijzijnde dealer. Verdeelventiel Vulslang Gaslekdetector Momentsleutel Gereedschap (voor R410A) Optrompgereedschap Maatafstemmingsmeter Vacuümpompadapter Elektronische koelstofdrukmeter
  • Gebruik uitsluitend de juiste gereedschappen. Het binnendringen van stof, vuil of vocht in de koelstofpijpen kan leiden tot achteruitgang van de koelolie.
  • Maak geen gebruik van een vulcilinder. Het gebruik van een vulcilinder leidt tot veranderingen in de samenstelling van de koelstof, waardoor de efficiëntie wordt verminderd.

2. Installatieschema en onderdelen

2.1. Voor de installatie (Fig. 2-1) Aftakdoos Type met 5 aftakkingen Deze installatiehandleiding geldt alleen voor de installatie van buitenunits. Voor de installatie van binnenunits en aftakdozen verwijzen wij u naar de installatiehandleidingen die bij deze units zijn meegeleverd. Alle bouwkundige wijzigingen die voor de installatie nodig zijn dienen te voldoen aan de plaatselijke bouwvoorschriften.

H C Type met 3 aftakkingen Het doel van dit schema is de onderlinge samenhang van de onderdelen duidelijk te maken. Voor de feitelijke installatie dient de buitenunit 180° te worden gedraaid. De units dienen door een erkende aannemer volgens de plaatselijke bouwvoorschriften te worden geïnstalleerd.

Fig. 2-1 Opmerking: De afmetingen zoals aangegeven bij de bovenstaande pijlen zijn nodig om de goede werking van de airconditioner te kunnen verzekeren. Houd bij de installatie zoveel mogelijk ruimte rond de units aan, met het oog op onderhoud of reparaties in de toekomst. Ter plaatse aan te schaffen onderdelen Aansluitkabels aftakdoos/buitenunit (3-aderig. Zie 7.3. Procedure voor externe bedrading) Verlengpijp Kraag voor gat in de muur Afdekkap voor gat in de muur Bevestigingsband voor de pijpen (de hoeveelheid is afhankelijk van de pijplengte) Bevestigingsschroef voor E, 4 × 20 mm (het aantal hangt af van de pijplengte) Pijptape Kit Afvoerslang (harde PVC-pijp VP16) Koelolie Netsnoer (2-aderig. Zie 7.3. Procedure voor externe bedrading)

3. Installatieplaats

3.1. Koelpijpen Zie 5.2. Pijplengte en hoogteverschil. 3.2. De installatieplaats voor het buitenapparaat kiezen

  • Vermijd plaatsen die worden blootgesteld aan direct zonlicht of andere warmtebronnen.
  • Kies een plaats waar niemand last heeft van het geluid van het apparaat.
  • Kies een plaats die eenvoudige aansluiting van de elektrische bedrading en pijpen naar het binnenapparaat mogelijk maakt.
  • Vermijd plaatsen waar brandbare gassen worden geproduceerd of kunnen lekken, stromen of samenstromen.
  • Houd er rekening mee dat er tijdens de werking water uit het apparaat kan druppelen.
  • Kies een vlakke constructie die bestand is tegen het gewicht en de trillingen van het apparaat.
  • Vermijd plaatsen waar het apparaat door sneeuw kan worden bedekt. In sneeuwrijke gebieden moeten speciale maatregelen worden getroffen zoals het verhogen van de installatieplaats of het plaatsen van een afdak om te voorkomen dat de sneeuw in of tegen de luchtinlaat terechtkomt. De sneeuw kan de normale luchtstroom bemoeilijken en storingen veroorzaken.
  • Vermijd plaatsen die worden blootgesteld aan olie, stoom of zwavelgas.
  • Gebruik de tilhandgrepen van het buitenapparaat om het apparaat te verplaatsen. Als het apparaat van onderen wordt beetgepakt, kunnen verwondingen ontstaan aan de handen of vingers.

Beperkingen bij de installatie van binnenunits De volgende binnenunit-modellen kunnen op deze buitenunit worden aangesloten.

  • Binnenunits met modelnumers 22, 25, 35, 50, 60, 71 en 80 kunnen worden aangesloten. Zie de onderstaande tabel voor mogelijke binnenunit-combinaties voor 2-8 ruimten. Verificatie De nominale capaciteit dient te worden bepaald aan de hand van de onderstaande tabel. De aantallen zijn beperkt van 2 t/m 8 units. Bij de volgende stap dient u erop te letten dat de totale capaciteit van geselecteerde units binnen 4,4 - 18,5 kW blijft.

Fig. 3-1 Voorbeeld: MSZ-60

8,0 Bij combinaties waarbij de totale capaciteit van de binnenunits boven de capaciteit van de buitenunit komt (=14,0 kW), zal de koelcapaciteit van alle binnenunits verminderen tot onder hun nominale koelcapaciteit. Combineer daarom bij voorkeur binnenunits met een totale capaciteit die minder bedraagt dan de capaciteit van de buitenunit (=14,0 kW). 3.4. Ventilatie en bereikbaarheid

3.4.1. Installatie op winderige plaatsen

Fig. 3-2 Als het buitenapparaat wordt geïnstalleerd op een dak of een andere plaats waar de wind vrij spel heeft, moet de luchtuitlaat van het apparaat zo worden gericht dat deze niet rechtstreeks blootstaat aan krachtige windstoten. Krachtige windstoten die de luchtuitlaat binnendringen kunnen de normale luchtstroom bemoeilijken en storingen veroorzaken. Hieronder volgen drie manieren om het apparaat tegen krachtige windstoten te beschermen. 1 Richt de luchtuitlaat naar de dichtstbijzijnde muur, op ongeveer 50 cm van de muur. (Fig. 3-2) 2 Installeer een optionele luchtgeleider als het apparaat wordt geïnstalleerd op een plaats waar krachtige windstoten zoals van tyfoons, enz. rechtstreeks de luchtuitlaat kunnen binnendringen. (Fig. 3-3)

Fig. 3-3 A Luchtgeleider 3 Plaats het apparaat indien mogelijk zo dat de luchtuitlaat in dezelfde richting blaast als de seizoenswinden. (Fig. 3-4) B Windrichting

3. Installatieplaats

3.4.2. Bij installatie van één buitenapparaat

3.4.3. Bij installatie van meerdere buitenapparaten

De minimale afmetingen zijn als volgt aangegeven, behalve voor Max., hetgeen betekent de Maximale afmetingen. Raadpleeg voor alle gevallen de getallen. 1 Alleen obstakels aan de achterzijde (Fig. 3-5) 2 Alleen obstakels aan de achter- en bovenzijde (Fig. 3-6) 3 Alleen obstakels aan de achterzijde en de zijkanten (Fig. 3-7) 4 Alleen obstakels aan de voorzijde (Fig. 3-8) Laat tussen de onderlinge units minimaal 10 mm ruimte. 1 Alleen obstakels aan de achterzijde (Fig. 3-11) 2 Alleen obstakels aan de achter- en bovenzijde (Fig. 3-12) ∗ Indien een optioneel luchtafvoerkanaal wordt toegepast, dient de vrije ruimte 500 mm of meer te bedragen. 5 Alleen obstakels aan de voor- en achterzijde (Fig. 3-9) ∗ Indien een optioneel luchtafvoerkanaal wordt toegepast, dient de vrije ruimte 500 mm of meer te bedragen. 6 Alleen obstakels aan de achter- en bovenzijde en de zijkanten (Fig. 3-10)

  • Maak geen gebruik van de optionele luchtgeleiders voor een opwaartse luchtstroom.
  • Installeer niet meer dan drie apparaten naast elkaar. Laat bovendien ruimte vrij zoals afgebeeld.
  • Maak geen gebruik van de optionele luchtgeleiders voor een opwaartse luchtstroom. 3 Alleen obstakels aan de voorzijde (Fig. 3-13) ∗ Indien een optioneel luchtafvoerkanaal wordt toegepast, dient de vrije ruimte 1000 mm of meer te bedragen. 4 Alleen obstakels aan de voor- en achterzijde (Fig. 3-14) ∗ Indien een optioneel luchtafvoerkanaal wordt toegepast, dient de vrije ruimte 1000 mm of meer te bedragen. 5 Opstelling met één parallel apparaat (Fig. 3-15) ∗ Bij gebruik van een optionele uitlaatluchtgeleider voor een opwaartse luchtstroom moet de vrije ruimte ten minste 1000 mm bedragen. 6 Opstelling met meerdere parallelle apparaten (Fig. 3-16) ∗ Bij gebruik van een optionele uitlaatluchtgeleider voor een opwaartse luchtstroom moet de vrije ruimte ten minste 1500 mm bedragen. 7 Opstelling met boven elkaar geplaatste apparaten (Fig. 3-17)
  • Er kunnen twee apparaten boven elkaar worden geplaatst.
  • Installeer niet meer dan twee boven elkaar geplaatste apparaten naast elkaar. Laat bovendien ruimte vrij zoals afgebeeld.

4. Het buitenapparaat installeren

(mm) Funderingsbout Dikte van het beton Lengte van de bout Draagkracht

  • Zorg dat de lengte van de funderingsbout op een afstand van minder dan 30 mm van de onderkant van de basis komt.
  • Zet de basis van de eenheid stevig vast met vier M10-funderingsbouten op een stevige ondergrond. Installatie van het buitenapparaat
  • Laat de uitstroomopening vrij. Als de uitstroomopening wordt geblokkeerd wordt de werking van het apparaat bemoeilijkt, waardoor storingen kunnen ontstaan.
  • Gebruik naast de basis van het apparaat de installatieopeningen aan de achterzijde om waar nodig bedrading etc. te bevestigen. Gebruik zelftappende schroeven (ø5 x 15 mm of minder).
  • Zorg ervoor dat de eenheid op een stevig, waterpas oppervlak wordt geïnstalleerd om geratel tijdens het gebruik te voorkomen. (Fig. 4-1) <Specificaties voor de fundering> Waarschuwing:
  • Het apparaat moet worden geïnstalleerd op een constructie die het gewicht ervan kan dragen. Als het apparaat wordt geïnstalleerd op een instabiele constructie, kan het vallen en schade of letsel veroorzaken.
  • Het apparaat dient volgens de instructies te worden geïnstalleerd om het risico op beschadiging bij een aardbeving of storm te beperken. Een onjuist geïnstalleerd apparaat kan vallen en schade of letsel veroorzaken. M10 (3/8") bout Basis Zo lang mogelijk. Uitstroomopening Min. 360

5. Installeren van de koelstofleidingen

Fig. 5-1 Toegestane lengte (één richting) Toegestaan hoogteverschil (één richting) Aantal bochten

  • Zie p. 45 voor niet hieronder vermelde voorzorgsmaatregelen voor airconditioners die gebruikmaken van R410A-koelstof.
  • Gebruik esterolie, etherolie of alkylbenzeen (in kleine hoeveelheden) als koelolie om de aansluitingsoppervlakken af te dichten.
  • Gebruik fosforhoudende, zuurstofarme, naadloze C1220-pijpen van koper of koperlegeringen als koelstofpijpen. Gebruik koelstofpijpen van de in de onderstaande tabel aangegeven dikte. Controleer of de binnenkant van de pijpen schoon is en vrij van schadelijke stoffen zoals zwavelverbindingen, oxidanten, vuil of stof.

5.1. Voorzorgsmaatregelen voor apparaten die gebruikmaken van R410A-koelstof Totale pijplengte Grootste pijplengte (L) Pijplengte tussen buitenunit en aftakdozen Grootste pijplengte na aftakdoos (l) Totale pijplengte tussen aftakdozen en binnenunits In binnen/buiten-gedeelte (H)*1 In aftakdoos/binnenunit-gedeelte (h1) In elke aftakunit (h2) In elke binnenunit (h3) Waarschuwing: Gebruik bij het installeren of verplaatsen van het apparaat uitsluitend de gespecificeerde koelstof (R410A) voor het vullen van de koelstofpijpen. Meng de koelstof niet met andere koelstoffen en let erop dat er geen lucht in de pijpen achterblijft. In de leidingen achtergebleven lucht kan drukstoten veroorzaken die kunnen leiden tot scheuren en andere problemen. ø6,35, ø9,52, ø12,7 ø15,88 Dikte 0,8 mm Dikte 1,0 mm

  • Gebruik geen dunnere pijpen dan hierboven aangegeven. b1+b2+a1+a2+a3+a4+a5+a6+a7+a8 ≤ 115 m b2+a8 ≤ 70 m (b2 ≤ 55 m, a8 ≤ 15m) b1+b2 ≤ 55 m a8 ≤ 15 m a1+a2+a3+a4+a5+a6+a7+a8 ≤ 60 m H ≤ 30 m (Als de buitenunit hoger staat dan de binnenunit) H ≤ 20 m (Als de buitenunit lager staat dan de binnenunit) h1 + h2 ≤ 15 m h2 ≤ 15 m h3 ≤ 12 m | b1+a1 |, | b1+a2 |, | b1+a3 |, | b1+a4 |, | b1+a5 |, | b2+a6 |, | b2+a7 |, | b2+a8 | ≤ 15 *1 De aftakdoos dient te worden geplaatst op een niveau dat tussen dat van de buitenunits en de binnenunits ligt. 5.2. Pijplengte en hoogteverschil (Fig. 5-1) Opgetrompte aansluitingen
  • Deze unit is voorzien van opgetrompte aansluitingen op elke binnenunit en aftakdoos en aan de zijden van de buitenunit.
  • Verwijder de kap van de kraan van de buitenunit en sluit vervolgens de pijp aan.
  • Om de aftakdoos en de buitenunit aan te sluiten worden koelpijpen gebruikt.

5. Installeren van de koelstofleidingen

5.3. Koelstof bijvullen

  • Bijvullen is voor deze unit niet nodig indien de totale pijplengte (b1+b2+a1+a2+a3+a4+a5+a6+a7+a8) niet mer bedraagt dan 40 m.
  • Indien de totale pijplengte meer dan 40 m bedraagt, dient de unit te worden bijgevuld met extra koelstof R410A, overeenkomstig de toelaatbare pijplengtes volgens onderstaande tabel.
  • Als de unit is gestopt, vul de unit dan via de afsluitkraan aan de vloeistofzijde met extra koelstof bij, nadat de pijpverlengingen en de binnenunit vacuüm zijn gepompt. Als de unit in bedrijf is, voegt u via de afsluitkraan aan gaszijde koelstof toe, waarbij u gebruik maakt van een veiligheidsvuller. Voeg niet rechtstreeks via de afsluitkraan vloeibare koelstof toe.
  • Nadat de unit met koelstof is gevuld, noteert u de toegevoegde hoeveelheid koelstof op het service-etiket (dat zich op de unit bevindt). Zie “1.5. Gebruik van airconditioners met R410A-koelstof” voor nadere informatie. Tabel 1 Totale pijplengte (b1+b2+a1+a2+a3+a4+a5+a6+a7+a8) Extra vulhoeveelheid koelstof

41 - 50 m 51 - 70 m 71 - 90 m 91 - 115 m

0,6 kg 1,4 kg 2,2 kg Wanneer u een binnenunit aansluit op vloeistofleidingen met een diameter van ø9,52 (modelnummer 71 of hoger voor M- en S-serie en modelnummer 60 of hoger voor Pserie), moet de hoeveelheid toe te voegen koelstof in tabel 1 worden gecorrigeerd (voeg de volgende ∆R-waarde toe die in tabel 1 wordt gegeven). Correctiehoeveelheid voor toe te voegen koelstof ∆R=0,01 [kg/m] × ø9,52 pijpaftakstuk (vloeistofpijp) totale lengte [m] Voorbeeld) b1=20 m, b2=25 m Binnenunit A Binnenunit B Binnenunit C Binnenunit D ø9,52 Vloeistofpijp ø6,35 Vloeistofpijp ø6,35 Vloeistofpijp ø9,52 Vloeistofpijp a1=12 m a2=11 m a6=14 m a7=13 m Totale leidinglengte: b1+b2+a1+a2+a6+a7=95 m

  • Uit tabel 1 volgt dat de toe te voegen hoeveelheid koelstof 3,2 kg is. Omdat binnenunits met vloeistofleidingen met een diameter van ø9,52 zijn aangesloten (in dit voorbeeld binnenunits A en D), moet de hoeveelheid toe te voegen koelstof worden gecorrigeerd. 3,2 kg Correctiehoeveelheid voor toe te voegen koelstof ∆R=0,01 [kg/m] × ø9,52 pijpaftakstuk (vloeistofpijp) totale lengte [a1+a7] =0,01 × (12+13 m) =0,25 kg De hoeveelheid toe te voegen koelstof is daarom 3,2 kg + 0,25 kg = 3,45 kg. ■ Indien een aftakdoos wordt gebruikt met 1 aftakking 5.4. Pijpdiameter selecteren (Fig. 5-2) Toegepaste opgetrompte aansluiting. (Geen solderingen)

Verbinding voor afwijkende diameters (optionele onderdelen) (Fig. 5-3) ■ Indien een aftakdoos wordt gebruikt met 2 aftakkingen Modelnaam Aftakstuk voor 2 pijpen (koppeling) : optionele onderdelen. MAC-A454JP MAC-A455JP MAC-A456JP PAC-493PI PAC-SG76RJ-E Aftakdoos #1

  • Type voor 3 aftakkingen: alleen units Å, ı, Ç

Diameter aangesloten pijpen ø9,52 → ø12,7 ø12,7 → ø9,52 ø12,7 → ø15,88 ø6,35 → ø9,52 ø9,52 → ø15,88 Diameter A ø9,52 ø12,7 ø12,7 ø6,35 ø9,52 Diameter B ø12,7 ø9,52 ø15,88 ø9,52 ø15,88 Voorbereiding voor het aansluiten van pijpen 1 Onderstaande tabel bevat de specificaties van in de handel verkrijgbare pijpen. Buitendiameter Isolatiedikte Isolatiemateriaal

6,35 Hittebestendig schuim9,52 plastic soortelijk gewicht 12,7 0,045 15,88 2 Zorg ervoor dat de 2 koelpijpen zijn geïsoleerd om condensatie te voorkomen. 3 De radius van bochten in koelpijpen dient minimaal 100 mm te bedragen. Aftakdoos #2 Voor vloeistof Voor gas

De diameter van de pijpaansluiting verschilt afhankelijk van het type en de capaciteit van de binnenunits. Pas de diameter van de pijpaansluiting van de aftakdoos aan op die van de binnenunit. Indien de diameter van de pijpaansluiting van de aftakdoos niet overeenkomt met de diameter van de binnenunit-aansluiting, gebruikt u aan de zijde van de aftakdoos optionele verbindingen met andere diameters (vervormd). (Sluit de vervormde verbinding rechtstreeks aan de zijde van de aftakdoos aan.) Voorzichtig: Let erop dat u isolatie van de opgegeven dikte gebruikt. Te dikke isolatie kan incorrecte installatie van de binnenunit en de aftakdoos tot gevolg hebben; bij onvoldoende dikte kunnen druppels ontstaan door condensvorming. Aftakstuk voor 2 pijpen (verbinding): Optionele onderdelen (Naar eigen voorkeur, afhankelijk van de aansluitmethode.) Modelnaam MSDD-50AR-E MSDD-50BR-E Aansluitmethode opgetrompte aansluiting solderen ■ Installatieprocedure (pijp met 2 aftakkingen (verbinding)) Zie de installatiehandleidingen van MSDD-50AR-E en MSDD-50BR-E. Omrekenformule 1/4 F ø6,35 3/8 F ø9,52 1/2 F ø12,7 5/8 F ø15,88 3/4 F ø19,05

5. Installeren van de koelstofleidingen

Opvangen van koelstof bij het verplaatsen van binnen- en buitenunits (bij uitgeschakelde pomp) 1 Sluit op de servicepoort bij de gaskraan van de buitenunit een verdeelpijpmeter aan (inclusief drukmeter) om de koelstofdruk te meten. 2 Schakel de netspanning in (stroomonderbreker). 3 Sluit de vloeistofkraan en voer de testprocedure voor koelbedrijf uit (SW4-1: AAN en SW4-2: UIT).

  • Wacht na het inschakelen van de netspanning minstens 3 minuten voordat u SW4-1 en SW4-2 instelt. Als u de DIP-schakelaars instelt voordat 3 minuten verstreken zijn, start de testprocedure misschien niet. 4 Draai de gaskraan volledig dicht als de druk op de meter naar 0,05 - 0,00 MPa* is gedaald (ongeveer 0,5 - 0,0 kgf/cm2).
  • Als er teveel koelstof aan het systeem van de airconditioner was toegevoegd, kan het zijn dat de druk niet tot 0,5 kgf/cm2 daalt. Als dit het geval is, vangt u alle koelstof in het systeem met een koelstofopvangunit op. Vul het systeem vervolgens weer met de juiste hoeveelheid koelstof, nadat de binnen- en buitenunits zijn verplaatst. 5 Stop airconditionerbedrijf (SW4-1: UIT en SW4-2: UIT). 6 Schakel de netspanning uit (stroomonderbreker).

45°±2° 5.5. Aansluiten van de pijpen (Fig. 5-4)

  • Als u koperen pijpen gebruikt, moet u de vloeistof- en gaspijpen met isolatiemateriaal bekleden (hittebestendig tot 100 °C, dikte van 12 mm of meer).
  • De delen van de afvoerpijp die binnenshuis lopen, moeten worden bekleed met isolatiemateriaal van polyethyleenschuim (relatieve dichtheid 0,03, dikte 9 mm of meer).
  • Doe een dun laagje koelmachineolie op de leiding en het aansluitingsoppervlak voordat u de “flare”-moer vastdraait. A
  • Draai met gebruik van twee pijptangen de aansluitende leidingen vast. B
  • Gebruik, nadat alle aansluitingen gemaakt zijn, een lekkagedetector of zeepsop om te controleren of er gaslekken zijn.
  • Breng koelolie aan op de aansluitingsoppervlakken. C
  • Gebruik de flensmoeren als volgt. D

De opstelling van een aan te sluiten binnenunit verschilt per district/regio/land. Aanhaalmoment (N·m)*

A Optrompgereedschap B Koperen pijp

  • Indien een binnenunit van het type 60 van de MEXZ-serie wordt toegepast, sluit u de gaszijde van de binnenunit aan met de optrompmoer van de binnenunit accesoire. Gebruik niet de optrompmoer (gaszijde) die bij de binnenunit is meegeleverd. Als u deze wel zou gebruiken, kan een gaslek of zelfs het losraken van een pijp het gevolg zijn. ■Pijpdiameter (aftakdoos-binnenunit) *Bij binnenunits van de P-serie Type (kW) binnenunit Pijpdiameter Vloeistof (ømm) Gas

ø6,35 ø12,7 ø6,35 ø12,7 ø9,52 ø15,88 ø9,52 ø15,88 Bij de binnenunits-typen 35, 50 van de P-serie gebruikt u de optrompmoer die bij de binnenunit is meegeleverd. Gebruik niet de optrompmoer (van de binnenunit accesoire). Als u deze wel zou gebruiken kan een gaslek of zelfs het losraken van een pijp het gevolg zijn.

  • Let er bij het buigen van de pijpen op dat u deze niet breekt. Een buigstraal van 100 mm tot 150 mm is voldoende.
  • Let erop dat de pijpen de compressor niet raken. Hierdoor kunnen ongewone geluiden of trillingen ontstaan.

Fig. 5-5 1 Begin met het aansluiten van de pijpen bij het binnenapparaat. Trek de flensmoeren aan met een momentsleutel. 2 Tromp de vloeistof- en gaspijpen op en breng een dun laagje koelolie aan op de aansluitingsoppervlakken.

  • Als een gewoon pijpafdichtmiddel wordt gebruikt, zie dan Tabel 2 voor het optrompen van R410A-koelstofpijpen. Gebruik de maatafstemmingsmeter om de afmetingen A te controleren. Tabel 2 (Fig. 5-5) A (mm) Buitendiameter koperen pijp Trompgereedschap voor R410A Trompgereedschap voor R22·R407C (mm) Type koppeling ø6,35

5. Installeren van de koelstofleidingen

5.6. Koelleidingen (Fig. 5-6) Verwijder het onderhoudspaneel D (drie schroeven) en de pijpafdekkingen aan de voorzijde A (twee schroeven) en de achterzijde B (twee schroeven). Koelpijpen worden omwikkeld voor bescherming

  • De pijpen kunnen zowel voor als na het aansluiten worden bekleed met isolatiemateriaal met een dikte van maximaal ø90. Snij het isolatiemateriaal langs de groef open en breng het op de pijpen aan. Pijpinvoeropening
  • Dicht de inlaatopeningen rond de pijpen grondig af met afdichtmiddel of kit. (Als de openingen niet worden gedicht, kan er geluid door hoorbaar zijn of kunnen water en stof het apparaat binnendringen en storingen veroorzaken.)

5.7. Waar u op dient te letten bij het aansluiten van pijpen en het bedienen van kranen

  • Wees nauwgezet bij het aansluiten van pijpen en het bedienen van kranen, houd hierbij de onderstaande afbeelding aan.
  • Breng langs de isolator afdichting aan om te voorkomen dat water kan binnendringen in de isolator die de koelpijpaftakstukken bedekt.
  • Na het vacuüm pompen en vullen met koelstof dient de hendel geheel open te staan. Bij bedrijf met gesloten kraan zal zich aan de hoge- of lage-drukzijde van het koelcircuit uitzonderlijk hoge druk ontwikkelen, waardoor schade aan de compressor enz. kan optreden.
  • Bepaal de hoeveelheid bij te vullen koelmiddel (zie “5.3. Koelstof bijvullen”) en voeg nadat de pijpen zijn aangesloten extra koelstof toe via de serviceaansluiting.
  • Na het voltooien van het werk draait u de serviceaansluiting (12 - 15 N·m) en de kap (20 - 25 N·m) stevig dicht om gaslekkages te voorkomen.

Pijpbedekking aan voorzijde Pijpbedekking Afsluitkraan Onderhoudspaneel Buigstraal: 100 mm - 150 mm

Fig. 5-6 Methode om de afsluitkraan volledig te openen De wijze van openen van de afsluitkraan varieert met het model buitenapparaat. Open de afsluitkranen op de wijze die in uw situatie van toepassing is. (1) A-type (Fig. 5-7) 1 Verwijder de kap, en draai het binnenwerk met een platte schroevendraaier een kwartslag tegen de klok in om de kraan te openen. 2 Controleer of de kranen geheel open zijn, en zet daarna de kap terug en vast op zijn plaats. (2) (1)

(2) B-type (Fig. 5-7) 1 Verwijder de dop, trek het handvat naar u toe en draai dit een kwartslag tegen de klok in om de kraan te openen. 2 Let erop dat de afsluitkraan geheel open is, druk de hendel in en draai de kap terug naar de oorspronkelijke stand.

Volledig geopend (Installatiezijde) Koelstofpijpzijde Richting van de binnenstromende koelstof Gat voor sleutel Bediening binnenwerk 5.8. Test voor luchtdichtheid en vacuüm C-type Fig. 5-8

Kraan Unitzijde Serviceaansluiting Hendel Kap Volledig gesloten

1 Test voor luchtdichtheid (Fig. 5-9) De luchtdichtheid dient te worden getest door de installatie met stikstofgas onder druk te zetten. Zie voor deze testmethode de volgende afbeelding. (1) Sluit het testgereedschap aan. Voer met gesloten afsluitkraan een test uit. Overtuig u er tevens van dat zowel de vloeistof- of hoge-drukpijp als de gas- of lagedrukpijp onder druk worden gebracht. (2) Breng niet meteen de volle druk aan, maar verhoog de druk beetje bij beetje. 1 Breng druk aan tot 0,5 MPa (5 kgf/cm2G), wacht vijf minuten en let erop dat de druk niet afneemt. 2 Breng druk aan tot 1,5 MPa (15 kgf/cm2G), wacht vijf minuten en let erop dat de druk niet afneemt. 3 Breng druk aan tot 4,15 MPa (41,5 kgf/cm2G) en meet de omgevingstemperatuur en de druk van de koelstof. (3) Indien de aangegeven druk gedurende ongeveer een dag op dezelfde waarde blijft en niet afneemt, voldoen de pijpen aan de test en zijn er geen lekkages.

  • Indien de omgevingstemperatuur met 1 °C verandert, mag de druk met ongeveer 0,01 MPa (0,1 kgf/cm2G) veranderen. Voer de nodige correcties uit. (4) Indien in de stappen (2) of (3) de druk afneemt, is er sprake van een gaslek. Spoor dan de bron van de gaslekkage op.

Buitenunit Afsluitkraan Vloeistofpijp of hoge-drukpijp Gaspijp of lage-drukpijp Serviceaansluiting

5. Installeren van de koelstofleidingen

2 Vacuüm pompen (Fig. 5-10) Het vacuüm pompen geschiedt door het maken van een verbinding vanaf de serviceaansluiting aan de afsluitkraan van de buitenunit naar de vacuümpomp, die gemeenschappelijk wordt gebruikt voor zowel de vloeistof- of hoge-drukpijp als aan de gasof lage-drukpijp. (Breng vacuüm aan zowel aan de vloeistof- of hoge-drukpijp als de gas- of lage-drukpijp, met gesloten afsluitkraan.) Onthoud: Ontlucht nooit door koelstof te gebruiken.

Freoncilinder Weegschaal Kraan 3-wegkoppeling Vacuümpomp Systeemanalysator LO-knop (laag) HI-knop (hoog) Naar de aftakdoos Buitenunit Afsluitkraan Vloeistofpijp of hoge-drukpijp Gaspijp of lage-drukpijp Serviceaansluiting Waarschuwing: Pas bij het installeren of verplaatsen van de unit op dat er niets anders dan de aangegeven koelstof in het koelcircuit kan komen. Indien er lucht in de koelstof wordt gemengd, kunnen in het koelcircuit uitzonderlijk hoge drukken ontstaan, waardoor de pijpen zouden kunnen barsten.

  • Er dient een zeer nauwkeurige gravimeter te worden gebruikt, die kan meten tot op 0,1 kg. Indien u niet beschikt over een dergelijk nauwkeurige gravimeter kunt u een vulcilinder gebruiken. Opmerking:
  • Gebruik een meetverdeelstuk, vulslang en andere onderdelen bedoeld voor de koelstof die is aangegeven op de unit.
  • Gebruik een gravimeter. (Eén die kan meten tot op 0,1 kg) Fig. 5-10
  • De figuur links is slechts een voorbeeld. De vorm van de afsluitkraan, de plaats van de dienstopening, enzovoort, kunnen per model verschillen.
  • Draai alleen gedeelte A. (Trek gedeelten A en B niet verder aan.) Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik van de vulkraan (Fig. 5-11) Trek de dienstopening niet overmatig aan tijdens het installeren. Hierdoor kan de binnenkant van de kraan vervormen en los gaan zitten, wat kan leiden tot een gaslek. Draai nadat u gedeelte B in de gewenste richting hebt geplaatst alleen gedeelte A en trek dit gedeelte aan. Trek gedeelten A en B niet verder aan, nadat u gedeelte A hebt vastgedraaid. C Vulslang D Dienstopening Fig. 5-11

6. Installatie van Draineerbuizen

Aansluiting van de draineerleidingen van het buitenapparaat Wanneer een afvoerleiding benodigd is, moet u een aftapbus of een afvoervat (optioneel) gebruiken. Aftapbus Afvoervat PAC-SG61DS-E PAC-SG64DP-E

7. Elektrische aansluitingen

BC (Type voor 5 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

Opmerking: De binnenunits kunnen op elk van de 5 aansluitingen (type met 5 aftakkingen) of 3 aansluitingen (type met 3 aftakkingen) van de aftakdoos worden aangesloten. BC (Type voor 5 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

7. Elektrische aansluitingen

[2] Standaardsystemen 2-1. Alleen voor het type met 3 aftakkingen 2-2. Alleen voor het type met 5 aftakkingen

2-3. Aftakdoos met 2 aftakkingen (type voor 3 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

BC (Type voor 5 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

2-4. Aftakdoos met 2 aftakkingen (type voor 5 aftakkingen, maximaal 8 binnenunits)

BC (Type voor 5 aftakkingen)

(Type voor 5 aftakkingen)

1. Er kunnen maximaal 2 aftakdozen op een enkele buitenunit

2. Er kunnen maximaal 8 binnenunits op het systeem worden

[3] Incorrecte systemen 3-1. Groepsbedrijf met behulp van een enkele afstandsbediening 3-2. Groepsbedrijf tussen verschillende koelsystemen

3-3. Aansluiting van een M-NET-adapter aan de buitenunit

BC (Type voor 3 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

BC (Type voor 3 aftakkingen)

Master-bediening (G-50, enz.) M-NET Voedingseenheid (Type voor 3 aftakkingen)

3-1. Meerdere binnenunits kunnen niet met een enkele afstandsbediening worden bediend. 3-2. Verschillende koelsystemen kunnen niet op elkaar worden aangesloten. 3-3. Een M-NET-adapter kan niet op een buitenunit worden aangesloten.

7. Elektrische aansluitingen

1 Verwijder het onderhoudspaneel. 2 Sluit de kabels aan volgens Fig. 7-1.

Aarde-aansluiting Aansluitblok Klem Onderhoudspaneel Let er bij het aansluiten van de kabels op dat deze geen contact maken met het midden van het onderhoudspaneel en/of de gaskraan.

Fig. 7-1 7.2. Aansluiting van de bedrading tussen de aftakdoos/buitenunit en van de voeding voor de buitenunit Waarschuwing:

  • Zorg ervoor dat de kappen en het paneel van het aansluitblok van de buitenunit goed worden aangebracht. Indien deze niet op correcte wijze worden aangebracht kunnen door vuil, water, enz. brand of elektrische schokken optreden.
  • Zorg ervoor dat de voedingskabels en de aan te sluiten kabels voor de binnenunits, buitenunits en aftakdozen rechtstreeks op de units worden aangesloten (geen tussenliggende doorverbindingen). Tussenliggende doorverbindingen kunnen tot communicatiestoringen leiden indien er bij de doorverbindingen water in de kabels of aders dringt en de isolatie ten opzichte van aarde of het elektrische contact onvoldoende wordt. (Indien een tussenliggende doorverbinding niet kan worden vermeden, dient u afdoende maatregelen te nemen om te voorkomen dat er water in de kabels of draden kan dringen.)

Voorzichtig: Let goed op dat er geen verkeerde aansluitingen worden gemaakt. Draai alle klemschroeven stevig vast zodat ze niet los kunnen raken. Trek na het aandraaien licht aan de draden om te controleren of ze goed vastzitten. Indien de aansluitdraden niet goed op het aansluitblok zijn aangesloten, zal de unit niet normaal functioneren. Draai de klemschroef los. Aansluitblok Aansluitdraad Aansluitgegevens

  • Sluit de draad vanaf de aftakdoos op correcte wijze aan op het aansluitblok.
  • Houd met het oog op toekomstig onderhoud extra lengte aan voor de aansluitdraden. <Voorbeeld> (bij 2 aftakdozen) 7.3. Procedure voor externe bedrading (Fig. 7-2) Aftakdoos nummer #1 (type voor 5 aftakkingen) TB3A

A RUIMTE Het aansluiten van de voedingskabels is alleen op de buitenunit nodig. De voeding naar de aftakdoos of binnenunit wordt doorgegeven via de bekabeling. De voeding hoeft daarom slechts op één positie, op de buitenunit, te worden aangebracht. Het werk wordt hierdoor eenvoudiger en goedkoper. E Voedingsspanning enkelfasig AC220/230/240 V, 50 Hz AC220 V, 60 Hz Max. Toegestane Systeemimpedantie 0,22 (Ω). B RUIMTE Opmerking: 1 Ingangen voedingsspanning: alleen op de buitenunit. Sluit de draden (C) en (D) overeenkomstig de aanduidingen op de aansluitblokken aan, zodat de juiste polariteit wordt verzekerd. C RUIMTE D RUIMTE Draaddiameter Onderbreker *1 (A) Netvoedings- (B)Aardleiding (C) Signaleringskabel (D) Signaleringskabel StroomFunctiekabel onderbreking karakteristiek 40 A 40A, 30 mA 6,0 mm2 6,0 mm2 1,5 mm2 1,5 mm2 gedurende 0,1 s of minder Bij gebruik van getwiste draad dienen ronde aansluitklemmen te worden toegepast. TB3E

(D) Binnenunit (D) (D) (D) Aftakdoos nummer #2 (type voor 3 aftakkingen) Fig. 7-2

F RUIMTE G RUIMTE H RUIMTE *1. Er zal worden voorzien in een stroomonderbreker met minstens 3 mm contactscheiding per pool. Gebruik onderbrekers (NF) of aardlekschakelaars (NV) zonder smeltveiligheden. *2. Maximaal 45 m (“Buitenunit - Aftakdoos #1” plus “Aftakdoos #1 - Aftakdoos #2”). Maximaal 55 m indien 2,5 mm2 wordt gebruikt. Opmerkingen: 1. De draaddiameters moeten overeenkomen met de van toepassing zijnde locale en nationale voorschriften.

2. De netvoedingskabels en de aansluitkabels van binnenunits/

aftakdozen/buitenunit dienen niet lichter te zijn dan flexibele kabel met polychloropreenmantel (ontwerp 60245 IEC 57)

3. Breng een aardingsleiding aan die langer is dan de voedingskabels.

BELANGRIJK Let erop dat de stroomonderbreker geschikt is voor de aanwezigheid van hogere harmonischen. Gebruik altijd een stroomonderbreker die geschikt is voor de aanwezigheid van hogere harmonischen, aangezien dit apparaat is uitgerust met een omvormer. Een onjuiste stroomonderbreker kan leiden tot verkeerde werking van de omvormer.

7. Elektrische aansluitingen

Waarschuwing: In het geval van “A-control”-bedrading staat er hoge spanning op aansluiting S3. Dit komt door het ontwerp van het elektrische circuit dat geen isolatie kent tussen de voedingskabel en de kabel van het communicatiesignaal. Zet daarom de hoofdschakelaar uit als u onderhoud wilt uitvoeren. En raak de aansluitingen S1, S2 en S3 niet aan bij ingeschakelde spanning. Als u een isolator wilt gebruiken tussen de buitenunit en de aftakdoos of de binnenunit en de aftakdoos, gebruik dan een isolator van het 3-polige type. Voedingsspanning Isolator (Schakelaar)

“A-regeling” binnenapparaat Voorzichtig: Na het gebruik van de isolator dient u de hoofdschakelaar uit en aan te zetten om het systeem te resetten. Anders kan de buitenunit de aftakdozen of binnenunits niet detecteren. BEDRADINGSSPECIFICATIES (AANSLUITKABEL BUITENAFTAKDOOS) Doorsnede kabel Rond Vlak Vlak Rond Aderdoorsnede (mm2) 2,5 2,5 1,5 2,5 Aantal aders

  • Let op geel-groen-gestreepte ader Niet van toepassing Niet van toepassing

(Omdat de middelste ader geen afscherming heeft) (45) Van links naar rechts : S1-Open-S2-S3

  • Sluit S1 en S3 aan op tegenoverliggende aders *1 : De voedingskabels van de apparatuur mogen niet dunner zijn dan volgens ontwerp 60245 IEC of 227 IEC. *2 : Bij kabel met geel-groene ader. *3 : Bij aansluiting volgens normale polariteit (S1-S2-S3) bedraagt de aderdiameter 1,5 mm 2. *4 : Bij aansluiting volgens normale polariteit (S1-S2-S3). *5 : Indien de vlakkabels volgens de afbeelding zijn aangesloten, mogen ze 55 m lang zijn. (3 aders: dubbele vlakkabel)

*6 : De genoemde kabellengte is een richtwaarde. Deze kan afwijken, afhankelijk van de installatieomstandigheden, materiaalvochtigheid, enz. Zorg ervoor dat de verbindingskabels voor de buiten-/binnenaftakdoos rechtstreeks verbonden zijn met de units (geen tussenverbindingen). Tussentijdse verbindingen kunnen leiden tot communicatiefouten in geval van water in de kabels en onvoldoende isolatie met de grond veroorzaken of tot een slecht elektrisch contact bij het tussentijdse verbindingspunt. (Als een tussentijdse verbinding noodzakelijk is, neem dan maatregelen ter voorkoming van het binnendringen van water in de kabels.)

8.1. Voordat u gaat proefdraaien s Controleer nadat u de binnen-en buitenapparaten, inclusief pijpen en bedrading, volledig heeft geïnstalleerd het geheel op lekken van koelstof, losse elektrische contacten in voeding of besturingsbedrading en polariteit en controleer of er geen verbreking van een fase in de voeding is. s Gebruik een 500-V M-ohm-tester om te controleren of de weerstand tussen de voedingsspanning en de aarde minimaal 1MΩ bedraagt. s Voer deze test niet uit op de aansluitpunten van de besturingsbedrading (laagspanningscircuit). Waarschuwing: U mag de airconditioner niet gebruiken als de isolatieweerstand minder dan 1 MΩ bedraagt. Isolatieweerstand Na de installatie of nadat de voeding van het apparaat langere tijd is uitgeschakeld, daalt de isolatieweerstand tot onder 1 MΩ door de ophoping van koelstof in de compressor. Dit is geen storing. Volg de onderstaande procedures.

1. Haal de bedrading van de compressor los en meet vervolgens de isolatieweerstand

2. Als de isolatieweerstand lager is dan 1 MΩ, is de compressor defect of is de

weerstand gedaald door de ophoping van koelstof in de compressor.

3. Sluit de bedrading van de compressor weer aan en schakel de voeding in. De

compressor zal nu beginnen met warmdraaien. Meet de isolatieweerstand opnieuw nadat de voeding gedurende de hieronder aangegeven periode is ingeschakeld.

  • De isolatieweerstand daalt door de ophoping van koelstof in de compressor. De weerstand stijgt tot boven 1 MΩ nadat de compressor 2 - 3 uur heeft warmgedraaid. (De tijd die de compressor nodig heeft om warm te draaien varieert afhankelijk van de atmosferische omstandigheden en de ophoping van koelstof.)
  • Bij ophoping van koelstof in de compressor moet deze voor gebruik ten minste 12 uur warmdraaien om storingen te voorkomen.

4. Als de isolatieweerstand stijgt tot boven 1 MΩ, is de compressor niet defect.

  • De compressor werkt uitsluitend als de fase-aansluiting van de netspanning correct is.
  • Zet de netspanningschakelaar ruim twaalf uur voordat u de airconditioner gaat gebruiken aan. - Als u het apparaat meteen nadat u de netschakelaar heeft omgedraaid aanzet, kunnen de interne onderdelen ernstig beschadigd worden. Gedurende het seizoen waarin u het apparaat gebruikt, moet u de netschakelaar altijd aan laten staan. s Controleer ook het volgende.
  • De buitenunit is niet defect. De LED op het bedieningspaneel van de buitenunit zal gaan knipperen indien de buitenunit defect is.
  • Zowel de gas- als vloeistofafsluitkraan staan volledig open. 8.2. Proefdraaien

8.2.1. Afstandsbediening gebruiken

Zie de installatiehandleiding van de binnenunit.

  • Voer voor elke binnenunit afzonderlijk een testrun uit. Controleer of elke binnenunit correct functioneert, volgens de installatiehandleiding die bij de unit is meegeleverd.
  • Indien u voor alle binnenunits tegelijk een testrun uitvoert, kunt u eventueel aanwezige foutieve aansluitingen van koelpijpen en bedrading niet ontdekken.
  • Na het inschakelen van de netvoeding werkt de compressor gedurende minimaal 3 minuten niet.
  • Direct na het inschakelen van de netvoeding of bij lage buitentemperaturen kan de compressor een geluid veroorzaken. Over het beschermingsmechanisme voor opnieuw starten Zodra de compressor stopt, treedt een apparaat in werking dat een herstart moet voorkomen, zodat de compressor ter bescherming van de airconditioner gedurende 3 minuten niet werkt.

8.2.2. Met SW4 in het buitenapparaat

Bij proefdraaien van de buitenunit zijn alle binnenunits in bedrijf. Daardoor kunt u geen foutieve aansluitingen van koelpijpen of bedrading detecteren. Voor het detecteren van foutieve aansluitingen dient u de test met de afstandsbediening uit te voeren, zie hiervoor “8.2.1. Afstandsbediening gebruiken”.

  • Nadat u het apparaat heeft laten proefdraaien, zet u SW4-1 op OFF/UIT.
  • Enkele seconden nadat de compressor is gestart kan een metalig geluid hoorbaar zijn in het binnenapparaat. Dit geluid is afkomstig van de keerklep en wordt veroorzaakt door het kleine drukverschil binnen de pijpen. Het apparaat is niet defect. De proefdraaimodus kan tijdens het proefdraaien niet worden gewijzigd door middel van DIP-schakelaar SW4-2. (Als u de proefdraaimodus tijdens het proefdraaien wilt wijzigen, zet het proefdraaien dan stop met DIP-schakelaar SW4-1. Wijzig vervolgens de proefdraaimodus en hervat het proefdraaien met schakelaar SW4-1.) Wanneer er wordt begonnen met proefdraaien via “Met SW4 in het buitenapparaat”, stopt de buitenunit niet (het proefdraaien wordt niet beëindigd), zelfs als hij via de afstandsbediening de stopinstructies uitvoert. Zet in dit geval SW4 in de buitenunit op “uit”. Opmerking: Wacht na het inschakelen van de netspanning minstens 3 minuten voordat u SW4-1 en SW4-2 instelt. Als u de DIP-schakelaars instelt voordat 3 minuten verstreken zijn, start de testprocedure misschien niet.

9. Speciale functies

Door middel van de volgende aanpassing kan het geluid van het buitenapparaat met ongeveer 3 - 4 dB worden teruggebracht. De stille werking kan worden geactiveerd door installatie van een in de handel verkrijgbare timer of het omzetten van een ON/OFF-schakelaar op de CNDM-stekker (afzonderlijk verkrijgbaar) op het bedieningspaneel van het buitenapparaat.

  • De capaciteit is mogelijk ontoereikend op basis van de buitentemperatuur en omstandigheden, enzovoort. 1 Breidt het circuit uit zoals afgebeeld bij gebruik van de externe invoeradapter (PACSC36NA). (Afzonderlijk verkrijgbaar) CNDM

9.1. Stille werking (wijziging ter plaatse) (Fig. 9-1)

Ter plaatse aan te schaffen Max. 10 m Oranje Bruin Rood Fig. 9-1

  • Het is mogelijk het elektriciteitsverbruik binnen een bereik van 0 t/m 100 procent te verminderen, door ter plaatse de volgende installatie uit te voeren. De verbruiksfunctie kan worden ingeschakeld door een in de handel verkrijgbaar ingangs-aan/uitschakelcontact aan de CNDM-connector te koppelen (het verbruiksfunctiecontact, apart verkrijgbaar). 1 Breng de “Adapter voor externe ingang (PAC-SC36NA)” in het circuit aan, zoals getoond in de afbeelding links. 2 Door SW7-1 op de besturingskaart van het buitenapparaat om te zetten, kunnen de volgende verbruiksbeperkingen worden ingesteld (vergeleken met nominaal verbruik). CNDM

9.2. Verbruiksfunctie (modificatie ter plaatse) (Fig. 9-2)

Ter plaatse aan te schaffen Max. 10 m Oranje Bruin Rood SW7-1 OFF

Energieverbruik indien SW2 is ingeschakeld 0% (Geforceerd stoppen van de compressor) 50% 9.3. Controlefunctie fout- en compressorbedrijf (CN51)

Afstandsbediening Relaiscircuit Externe uitgangsadapter (PAC-SA88HA-E) Besturingskaart buitenapparaat Voeding voor de lamp Ter plaatse aan te schaffen Max. 10 m Oranje Geel Groen

Lamp foutdisplay Lamp compressorbedrijf Relais (Spoel standaard van 0,9 W of minder voor 12 V DC) Relais (1 mA DC) Fig. 9-3

CN3S 9.4. Automatisch wisselen – blokkeerfunctie bedrijfsstand door extern signaal (CN3S)

Besturingskaart op afstand Relaiscircuit Externe uitgangsadapter (PAC-SC36NA) Besturingskaart buitenapparaat Voeding voor de lamp Ter plaatse aan te schaffen Max. 10 m H Oranje I Bruin J Rood

Verwarmen Geldigheid van SW1 OFF Koelen Ongeldigheid van SW1

  • Elk binnenapparaat dat in een andere stand werkt dan bepaald door het externe signaal, zal in de stand-by-stand overgaan.
  • De instelling wordt effectief als de buitenunit gestopt is.
  • De voor proefdraaien aangegeven bedrijfsstand zal prioriteit hebben boven de stand die was aangegeven tijdens het gebruik van deze functie.