METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Externe flitser

MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Externe flitser METZ - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis MECABLITZ 44 AF-4I NIKON METZ in PDF-formaat.

📄 142 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - page 47
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE English EN Español ES Italiano IT Nederlands NL
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Producttype Externe flitser
Merk METZ
Model MECABLITZ 44 AF-4I NIKON
Maximaal gidsgetal (ISO 100, zoom 105 mm) 44 m (144 voet)
Flitsduur 1/200 s (vol vermogen) tot 1/20.000 s (TTL)
Kleurtemperatuur 5600 K
Filmgevoeligheid ISO 6 tot 6400
Synchronisatie Ontsteking met zeer lage spanning
Aantal flitsen (vol vermogen) 85 flitsen (NiCd 600 mAh) / 205 (NiMH 1600 mAh) / 240 (alkaline batterijen)
Oplaadtijd (vol vermogen) 4 s (NiCd/NiMH) / 5 s (alkaline batterijen)
Zoomkop oriëntatie Naar boven: 60°, 75°, 90°; naar beneden: -7°
Afmetingen (L x H x D) 75 x 125 x 108 mm
Gewicht (met batterijen) Ongeveer 400 g
Voeding 4 AA-batterijen of oplaadbare batterijen (NiCd, NiMH, alkaline of lithium 1,5 V)
Flitsmodi TTL, D-TTL, i-TTL, handmatig M (vol vermogen), handmatig MLo (gedeeltelijk vermogen)
Belangrijkste functies Automatische zoomkop, AF-hulplicht, voorflitsen tegen rode ogen, synchronisatie 1e/2e gordijn (REAR), langzame synchronisatie, TTL-belichtingscorrectie, afstandsweergave, verlichting display
Onderhoud Reinigen met een droge of siliconen doek; indien langer dan 3 maanden niet gebruikt, 10 minuten inschakelen om de 3 maanden
Veiligheid Niet flitsen in de buurt van ogen of brandbare materialen; niet demonteren; aanbevolen batterijen gebruiken
Optionele accessoires Groothoekdiffusor 20 mm, kleurenfilterset 44-32, Mecabounce 44-90, reflectiescherm 54-23

Veelgestelde vragen - MECABLITZ 44 AF-4I NIKON METZ

Hoe monteer ik de flitser op mijn Nikon camera?
Zet de camera en flitser uit. Draai de kartelmoer helemaal naar de flitser, plaats de voet in de flitsschoen en draai de moer vast tegen de body om te vergrendelen. Om te verwijderen, keer de stappen om.
Welke soorten batterijen kan ik gebruiken?
U kunt 4 AA-batterijen of oplaadbare batterijen gebruiken: NiCd (1,2 V), NiMH (1,2 V), alkaline (1,5 V) of lithium (1,5 V). Let op de polariteit en vervang altijd door een set van hetzelfde type en capaciteit.
Waarom flitst mijn flitser niet?
Controleer of de flitser is ingeschakeld en het gereedheidslampje (rood) brandt. Zorg dat de batterijen opgeladen zijn. Als de flitser in AUTO-FLASH modus staat en het omgevingslicht voldoende is, kan de flits worden onderdrukt. Raadpleeg de instellingen van uw camera.
Hoe stel ik de flitser in op TTL-modus?
Monteer de flitser, schakel hem in en druk meerdere keren op de 'Mode'-knop tot 'TTL' op het display knippert. De instelling wordt na 5 seconden automatisch opgeslagen. De flitser regelt dan automatisch de belichting.
Wat betekent het 'o.k.'-lampje op het display?
Het 'o.k.'-lampje gaat branden na een opname als de flitsbelichting correct was in TTL-modus. Als het niet brandt, was de foto onderbelicht: open het diafragma, ga dichterbij of gebruik indirecte verlichting.
Hoe gebruik ik het AF-hulplicht?
Het AF-hulplicht wordt automatisch ingeschakeld bij weinig licht. Stel de lens in op autofocus 'Single-AF (S)'. Gebruik bij voorkeur de centrale AF-sensor. Het bereik is ongeveer 6 tot 9 m met een standaard 50 mm f/1,7 lens.
Hoe verminder ik het rode-ogeneffect?
Activeer de functie voor rode-ogenvermindering op uw camera. De flitser zal meerdere voorflitsen geven voor de hoofdlits om de pupil te vernauwen. Deze functie is niet compatibel met synchronisatie op het 2e gordijn (REAR).
Hoe schakel ik naar handmatige flitsmodus (M)?
Druk meerdere keren op de 'Mode'-knop tot 'M' knippert. In modus M flitst de flitser op vol vermogen. U kunt ook 'MLo' kiezen voor gedeeltelijk vermogen. Stel het diafragma op de camera in om de belichting aan te passen.
Wat te doen bij storing of afwijkende weergave?
Schakel de flitser gedurende ongeveer 10 seconden uit met de hoofdschakelaar. Controleer de camera-instellingen en of de flitser goed in de schoen zit. Als het probleem aanhoudt, neem contact op met uw dealer.
Hoe reinig en onderhoud ik de flitser?
Reinig met een zachte, droge of siliconen doek. Gebruik geen schoonmaakmiddelen. Als de flitser langer dan 3 maanden niet wordt gebruikt, schakel hem dan elke 3 maanden ongeveer 10 minuten in om degradatie van de condensator te voorkomen.

Gebruikersvragen over MECABLITZ 44 AF-4I NIKON METZ

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Externe flitser in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - METZ en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. MECABLITZ 44 AF-4I NIKON van het merk METZ.

GEBRUIKSAANWIJZING MECABLITZ 44 AF-4I NIKON METZ

  1. Veiligheidsaanwijzingen....47 Tabel 1....48

  2. Voorbereiden van de flitser....49

2.1 Aanbrengen van de flitser 49

2.1.1 Zet de flitser op de camera 49

2.1.2 Flitser van de camera afnemen 49

2.2 Stroomvoorziening 49

2.2.1 Het kiezen van batterijen of accu's 49

2.2.2 Batterijen vervangen 49

2.3 In- en uitschakelen van de flitser....49

2.4 Automatische uitschakeling / Auto - OFF 50

  1. Geprogrammeerd automatisch flitsen (flits-volautomatiek) ..... 50

  2. Functies van de flitser....51

4.1 TTL-flitsfunctie....51

4.1.1 Automatisch TTL-invulflitsen bij daglicht 51

4.1.2 Matrixgestuurde TTL-invulflitsregeling ..... 51

4.1.3 3D-Multisensor-invulflitsfunctie....52

4.2 D-TTL flitsfunctie 53

4.2.1 D-TTL-3D-flitsfunctie 53

4.3 i-TTL-flitsfunctie....53

4.3.1 i-TTL-BL-flitsfunctie....54

4.4 Met de hand in te stellen correctie op de TTL-flitsbelichting ..... 54

4.5 Aanduiding van de belichtingscontrole in de TTL-flitsfunctie ..... 55

4.6 Aanduiding van te krappe in de TTL-flitsfunctie ..... 55

4.7 Flitsen met handinstelling (manual) 56

4.7.1 Manual flitsfunctie M met vol vermogen 56

4.7.2 Flitsen met handinstelling MLo met deelvermogen ..... 56

4.8 Flitstechnieken 56

4.8.1 Indirect flitsen....56

4.8.2 Dichtbijopnamen / macro-opnamen 57

4.9 Flitssynchronisatie....57

4.9.1 Normale synchronisatie....57

4.9.2 Synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter (REAR-functie) . . . 57

4.9.3 Synchronisatie bij lange belichtingstijden / SLOW ..... 58

  1. Flitser- en camerafuncties....58

5.1 Aanduiding dat de flitser opgeladen is....58

5.2 Automatische omschakeling naar de flitssynchronisatietijd ..... 58

5.3 Aanduidingen in de zoeker van de camera 59

5.4 Aanduidingen in het LC-display 59

5.4.1 Aanduiding van de reikwijdte in de TTL-flitsfunctie. . . . . . . . . . . 59

5.4.2 Aanduiding van de reikwijdte bij manual M, c.q. MLo 59

5.4.3 Overschrijden van het aanduidingbereik 59

5.4.4 Als de aanduiding van de reikwijdte verdwijnt ..... 59

5.4.5 Foutaanduiding 'FEE' in het LC-display van de flitser ..... 60

5.4.6 Aanduiding van het richtgetal bij objectieven zonder CPU ..... 60

5.4.7 Meter - Feet - omschakeling (m - ft) 60

5.5 Bepalen van de reikwijdte met behulp van de richtgetallentabel . . 60

5.6 LC-displayverlichting....61

5.7 Motor-zoomreflector 61

5.7.1 'Auto-Zoom'....61

5.7.2 Manual zoomfunctie 'M. Zoom' 61

5.7.3 Manual zoomfunctie in plaats van 'Auto-Zoom' 61

5.7.4 Extended-zoomfunctie....62

5.8 Autofocus-meetflits 62

5.9 Flitsen vooraf tegen het 'rode-ogen-effect' (Red-Eye-Reduction) ..... 63

5.10 Automatisch flitsen / Ontsteeksturing (AUTO-FLASH)....63

5.11 Terug naar de basisinstellingen 63

  1. Speciale camera-aanwijzingen....64

6.1 Bij het flitsen niet ondersteunde, bijzondere functies. . . . . . . . . . 64

6.1.1 Programverschuiving / Programm-Shift 64

  1. Bijzondere accessoires ....64

  2. Troubleshooting 65

  3. Onderhoud en verzorging 65

  4. Technische gegevens 66

Tabel 2. 134

Voorwoord

Hartelijk dank voor uw beslissing een Metz product aan te schaffen. Wij verheugen ons u als klant te mogen begroeten.

Natuurlijk kunt u nauwelijks wachten de flitser in gebruik te nemen. Het is echter lonend de gebruiksaanwijzing te lezen want alleen dan leert u om zonder problemen met het apparaat om te gaan.

Deze flitser is geschikt voor Nikon-camera's met TTL-, D-TTL en i-TTL flitsregelingen (i-TTL alleen met de 44 AF-4i N). Op camera's van andere fabrikanten kan de flitser niet worden gebruikt!

Voor camera's van andere fabrikanten is deze flitser niet geschikt!

1. Veiligheidsaanwijzingen

  • De flitser is alleen bedoeld en toegelaten voor gebruik bij fotografische toepassingen!
  • In de omgeving van ontvlambare gassen of vloeistoffen (benzine, oplosmiddelen enz.) mag in geen geval een flits worden ontstoken! GEVAAR VOOR EXPLOSIE!
  • Auto-, bus- en treinbestuurders, berijders van fiets of motorfiets e.d. nooit tijdens het rijden met flits fotograferen. Door de verblinding zou deze een ongeval kunnen veroorzaken!
  • Ontsteek ook nooit een flits vlak bij de ogen! Een flits vlak bij de ogen van personen of dieren zou beschadiging van het netvlies tot gevolg kunnen hebben en ernstige storingen bij het kijken kunnen veroorzaken, tot blindheid toe!
  • Gebruik alleen de in de gebruiksaanwijzing aangegeven en toegelaten stroombronnen!
  • Stel batterijen en accu's niet bloot aan overmatige warmte zoals van zonneschijn, vuur en dergelijke!
  • Gooi verbruikte batterijen / accu's niet in open vuur!

  • Uit verbruikte batterijen kan loog lekken, dat tot beschadiging van de contacten leidt. Verbruikte batterijen daarom altijd uit het apparaat nemen.

  • Batterijen kunnen niet worden opgeladen.
  • Stel de flitser en het oplaadapparaat niet bloot aan drup- of spatwater (bijv. regen)!
  • Bescherm uw apparaat tegen grote hitte en hoge luchtvochtigheid! Bewaar de flitser niet in het handschoenvak van uw auto!
  • Bij het ontsteken van een flits mag er zich geen licht-nietdoorlatend materiaal op of vlak voor het venster van de reflector bevinden. Het venster van de reflector mag niet vuil zijn. Door de hoge energie van het flitslicht zou het materiaal of het venster van de reflector kunnen verbranden.
  • Raak, na meervoudig flitsen het venster van de reflector niet aan. Gevaar voor verbranding!
  • Neem de flitser niet uit elkaar! HOOGSPANNING! In het binnenst van de flitser bevinden zich geen onderdelen die door een leek zouden kunnen worden gerepareerd.
  • Bij serieopnamen met vol vermogen en de korte flitsvolgtijden van de accufunctie moet u er op letten, dat u telkens na 15 flitsen een pauze van minstens 10 minuten aanhoudt, om overbelasting van het apparaat te vermijden.
  • De flitser mag alleen dan samen met de in een camera ingebouwde flitser worden gebruikt, als deze laatste geheel kan worden opengeklapt!
  • Bij snelle temperatuurwisseling kan het apparaat beslaan. Laat de flitser dan eerst acclimatiseren!
  • Gebruik geen beschadigde batterijen of accu's!

Dedicated-flitsfuncties

De dedicated-flitsfuncties zijn speciaal op het camerasysteem afgestemde flitsfuncties. Afhankelijk van het type camera worden daarbij verschillende flitsfuncties ondersteund.

De volgende dedicated-flitsfuncties worden door de flitser ondersteund:

  • Flitser-klaar aanduiding in de zoeker van de camera / in het cameradisplay
  • Aanduiding van de belichtingscontrole in de zoeker van de camera / in het cameradisplay
  • Aanduiding voor onderbelichting in het LC-display van de flitser
  • Automatische omschakeling naar de flitssynchronisatietijd (standaard-TTL zonder meetflits vooraf)
  • Automatische sturing voor invulflitsen
    • Matrixgestuurd TTL invulflitsen
    • 3D-Multisensor-invulflitsen
    • D-TTL-flitsfunctie en D-TTL-3D-flitsfunctie
  • i-TTL-flitsfunctie en i-TTL-BL-flitsfunctie (i-TTL alleen met de 44 AF-4i N)
  • Met de hand te corrigeren TTL-flitsbelichting
  • Synchronisatie bij het open- of dichtgaan van de sluiter (REAR)
  • Automatische, motorische sturing van de verlichtingshoek (reflectorinstelling)
  • Automatische sturing van een AF-meetflits
  • Aanduiding van de reikwijdte van het flitslicht
    • Geprogrammeerd automatisch flitsen
  • Flits-vooraf ter vermindering van het 'rode ogen'-effect
  • Ontsteeksturing / Auto-Flash
  • Wake-upfunctie voor de flitser

In het kader van deze gebruiksaanwijzing is het niet mogelijk om alle cameratypes met hun eigen flitsfuncties gedetailleerd te beschrijven. Lees daarom voor de aanwijzingen betreffende het gebruik van externe flitsers de gebruiksaanwijzing van uw camera om te zien welke flitsfuncties door uw type camera worden ondersteund, c.q. op de camera zelf moeten worden ingesteld!

De Nikon-camera's kunnen met betrekking tot de dedicated-flitsfuncties in de volgende groepen worden ingedeeld:

Camera’s uit groep Acamera’s zonder digitale gegevensoverdracht naar de flitser bijv. Nikon F601, F601M, F60, F50, FM-3A en de digitale compactcamera’s ‘Nikon - Coolpix’
Camera’s uit groep Bcamera’s met digitale gegevensoverdracht naar de flitser bijv. Nikon F4, F4s, F801, F801s, Pronea 600i, 6
Camera’s uit groep Ccamera’s met digitale gegevensoverdracht naar de flitser en 3D-Multisensor-invulflitsfregeling bijv. Nikon F5, F100, F90X, F90, F80, F70
Camera’s uit groep DDigitale Nikon-spiegelreflexcamera’s met D-TTL-flitsfunctie bijv. D1, D1x, D1H en D100
Camera’s uit groep EDigitale Nikon-spiegelreflexcamera’s met i-TTL-flitsfunctie bijv. de D70 De i-TTL flitsfunctie wordt alleen door de 44 AF-4i N ondersteund!

Tabel 1

2. Voorbereiden van de flitser

2.1 Aanbrengen van de flitser

2.1.1 Zet de flitser op de camera

Schakel camera en flitser vóór het aanbrengen of afnemen, beide uit!

  • Draai de kartelmoer tot de aanslag tegen de flitser. De borgpen in de voet is nu geheel in het flitserhuis verzonken.
  • Schuif de flitser met de aansluitvoet tot de aanslag in de accessoireschoen van de camera.
  • Draai de kartelmoer tot de aanslag tegen het camerahuis en klem zo de flitser vast. Bij camera's die geen veiligheidsgat hebben, blijft de borgpen in het flitserhuis verzonken, zodat het oppervlak van de accessoireschoen niet wordt beschadigd.

2.1.2 Flitser van de camera afnemen

Schakel camera en flitser vóór het aanbrengen of afnemen, beide uit!

  • Draai de kartelmoer tot de aanslag tegen het flitserhuis.
  • Schuif de flitser uit de accessoireschoen van de camera.

2.2 Stroomvoorziening

2.2.1 Het kiezen van batterijen of accu's

De flitser kan naar keuze worden gevoed uit:

  • 4 Nikkelcadmium-accu's 1,2 V, type IEC KR 15/51 (KR6 / AA / Mignon), deze bieden zeer korte flitsvolgtijden en zijn spaarzaam in het gebruik omdat ze oplaadbaar zijn.
  • 4 Nikkelmetaalhydride accu's 1,2 V, type IEC HR6 (AA / Mignon), duidelijk grotere capaciteit dan NiCd-accu's en minder milieubelastend omdat ze geen cadmium bevatten.
  • 4 Alkalimangaanbatterijen 1,5 V, type IEC LR6 (AA / Mignon), onderhoudsvrije stroombron voor gematigde prestaties.

  • 4 Lithiumbatterijen 1,5 V, type IEC FR6 L91 (AA / Mignon), onderhoudsvrije stroombron met grote capaciteit en geringe zelfontlading.
    Als u denkt, de flitser langere tijd niet te gebruiken, haal dan s.v.p. de batterijen uit het apparaat.

2.2.2 Batterijen vervangen (Afb. 1)

De accu's / batterijen zijn leeg, , c.q. verbruikt, als de flitsvolgtijd (tijd die verloopt tussen het ontsteken van een flits met vol vermogen, bijv. bij M, tot het opnieuw oplichten van het 'flitser-klaar' lampje) langer dan 60 seconden duurt.

  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar uit.
  • Schuif het deksel van het batterijvak in de richting van de pijl en klap het op.
  • Batterijen of accu's in de lengte, in overeenstemming met de aangegeven batterijsymbolen inzetten en het deksel van het batterijvak weer sluiten.

Let bij het inzetten van de batterijen, c.q. accu's op de juiste polariteit in overeenstemming met de symbolen in het batterijvak. Verkeerd inzetten kan er de oorzaak van zijn, dat de flitser kapot gaat! Vervang altijd alle batterijen door gelijke batterijen van een zelfde fabrikant en met dezelfde capaciteit! Verbruikte batterijen, c.q. accu's horen niet in het huisvuil! Lever uw bijdrage aan het milieu en lever lege batterijen, c.q. accu's in op de daarvoor bestemde plaatsen!

2.3 In- en uitschakelen van de flitser

De flitser wordt via zijn hoofdschakelaar op het deksel van het batterijvak, ingeschakeld. In de bovenste stand 'ON' is de flitser ingeschakeld.

Schuif voor het uitschakelen van de flitser de hoofdschakelaar naar de onderste stand.

Als u denkt de flitser gedurende langere tijd niet te gebruiken, bevelen wij aan om de flitser dan via zijn hoofdschakelaar uit te schakelen en de stroombronnen (batterijen, accu's) uit het apparaat te halen.

2.4 Automatische uitschakeling / Auto - OFF (Afb. 2)

In de fabriek is de flitser zo ingesteld, dat deze zich ong. 3 minuten –

  • na het inschakelen,
  • na het ontsteken van een flits,
  • na het aantippen van de ontspanknop op de camera,
  • na het uitschakelen van het belichtingsmeetsysteem in de camera ... ... in de standby-functie schakelt (Auto-OFF) om energie te sparen en de stroombronnen tegen voortijdig ontladen te beschermen. Het 'flitser-klaar' lampje dooft en aanduidingen in het LC-display verdwijnen.

De het laatst gebruikt instelling blijft na het automatisch uitschakelen behouden en staat onmiddellijk na het weer inschakelen ter beschikking. De flitser wordt door op de toetsen 'Mode' of 'Zoom', c.q. door het aantippen van de ontspanknop op de camera (Wake-upfunctie) weer ingeschakeld.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Automatische uitschakeling / Auto - OFF (Afb. 2) - 1

Als u de flitser gedurende een langere tijd niet gebruikt, schakel hem dan in principe altijd via de hoofdschakelaar uit!

Indien gewenst, kan de automatische uitschakeling uitgezet worden:

Uitschakelen van de automatische uitschakeling

  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar in.
  • Druk zo vaak op de toetscombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display '3 m' (voor 3 minuten) wordt aangegeven.
  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom', dat in het LC-display 'OFF' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display naar de normale weergave terug.

Inschakelen van de automatische uitschakeling:

  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar in.
  • Druk zo vaak op de toetscombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display '3 m' (voor 3 minuten) wordt aangegeven.
  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom', dat in het LC-display 'On' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display naar de normale weergave terug.

3. Geprogrammeerd automatisch flitsen (flits-volautomatiek)

Bij het geprogrammeerd automatisch flitsen stuurt de camera diafragma, belichtingstijd en de flitser automatisch zodanig dat in de meeste gevallen, ook bij het invulflitsen, samen met het flitslicht een optimaal opnameresultaat wordt verkregen.

Instellingen op de camera

Zet uw camera in de functie Program 'P', of een Vari-, c.q. onderwerpsprogramma (landschap, portret, sport enz.). Kies op de camera de autofocus-functie 'Single-AF (S)'. Bij sommige Nikon-camera's (bijv. F5, F65, F80 en F100) moet op het objectief steeds het hoogste diafragmagetal worden ingesteld (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Instellingen op de camera - 1

Bij een camera uit groep A (zie Tabel 1), c.q. bij het gebruik van een objectief zonder CPU (dus zonder elektronische gegevensoverdracht) de zoomstand van de flitsreflector met de hand instellen op de brand-puntsafstand van het objectief (zie 5.7.2)!

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Instellingen op de camera - 2

Gebruik bij het 'nachtopnameprogramma' een statief, om het gevaar van camerabeweging bij het opnamen te vermijden om het gevaar van camerabeweging tijdens het opnemen met de dan gebruikelijke lange belichtingen te vermijden!

Instellingen op de flitser

Flitsen met camera's uit de groepen A, B en C (zie Tabel 1):

Stel op de flitser de functie 'TTL' in (zie hoofdstuk 4.1).

Bij de camera's uit groep B kan indien nodig bovendien de matrixgestuurde invulflitsfunctie op de flitser worden ingesteld (zie 4.1.2).

Bij camera's uit groep C kan indien nodige bovendien de 3D-Multisensor-invulflitsfunctie op de flitser worden ingesteld (zie 4.1.3).

Flitsen met camera's uit groep D (zie Tabel 1):

Stel op de flitser de functie D-TTL, c.q. D-TTL-3D in (zie 4.2).

Flitsen met camera's uit groep E (zie Tabel 1):

Stel op de flitser de functie i-TTL, c.q. i-TTL-BL in (zie 4.3).

De i-TTL flitsfunctie wordt alleen door de 44 AF-4i N ondersteund!

Als u bovenstaande instellingen hebt uitgevoerd, kunt u met uw flitsopnamen beginnen zodra de flitser aangeeft dat hij flitsklaar is (zie 5.1)!

4. Functies van de flitser

4.1 TTL-flitsfunctie (Afb. 3)

In de TTL-flitsfunctie krijgt u op een eenvoudige manier zeer goede flitsfoto's. In deze flits wordt de belichtingsmeting door een sensor in de camera uitgevoerd. Deze meet in de camera de hoeveelheid door het objectief (TTL = 'Through The Lens') binnenvallende licht. Bals de voor een goede belichting vereiste hoeveelheid licht is bereikt, zendt de elektronica in de camera een stopsignaal naar de flitser en deze onderbreekt onmiddellijk het uitzenden van flitslicht. Het voordeel van deze flitsfunctie liegt in het feit, dat alle factoren die de belichting kunnen beïnvloeden (opnamefilters, verandering van diafragmawaarde en brandpuntsafstand bij zoomobjectieven, uittrekverlenging voor dichtbijopnamen enz.), automatisch bij de regeling van het flitslicht in acht worden genomen. U hoeft zich niet te bekommeren om de instelling van de flitser, de elektronica in de camera zorgt automatisch voor de juiste dosering van het flitslicht. Voor de reikwijdte van het flitslicht kijkt u op het LC-display van de flitser (zie 5.4), c.q. de aanwijzingen in hoofdstuk 5.5. Bij een correct belichte flitsopname verschijnt gedurende ong. 3 s. in het LC-display van de flitser de 'o.k.'-aanduiding (zie 4.5).

De TTL-flitsfunctie wordt in alle camerafuncties (bijv. Program 'P', tijdautomatiek 'A', diafragma-automatiek 'S', Vari-, c.q. onderwerpsprogramma's, Manual 'M' enz.) ondersteund.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - TTL-flitsfunctie (Afb. 3) - 1

Voor het testen van de TTL-functie moet zich bij analoge camera's een film in de camera bevinden! Let er, of er voor uw camera wellicht een beperking ten aanzien van de filmgevoeligheid, c.q. ISO-getal (bijv. maximaal ISO 1000) voor de TTL-flitsfunctie bestaat (zie de gebruiksaanwijzing van de camera)!

Sommige digitale SLR-camera's ondersteunen de normale standaard TTL-flitsfunctie van analoge camera's niet! Bij de flitsfunctie met camera's uit groep D (zie Tabel 1) moet op de flitser de D-TTL, c.q. de D-TTL-3D-flitsfunctie worden ingesteld (zie hoofdstuk 4.2). Bij de flits-

functie met camera's uit groep E (zie Tabel 1) moet op de flitser de titel, c.q. i-TTL-BL-flitsfunctie (i-TTL alleen met de 44 AF-4i N) worden ingesteld (zie hoofdstuk 4.3)!

Het instellen van de TTL-flitsfunctie

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Druk zo vaak op de toets 'Mode', dat in het LC-display 'TTL' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display naar de normale weergave terug.

Bij sterke helderheidverschillen, bijv. donker onderwerp in de sneeuw, kan een correctie op de flitsbelichting noodzakelijk blijken (zie 4.4).

4.1.1 Automatisch TTL-invulflitsen bij daglicht (Afb. 5 en 6)

Bij de meeste cameratypes wordt in de Programautomatiek P, en de Vari-, c.q. onderwerpsprogramma's bij daglicht de automatische invulflitsfunctie geactiveerd (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

Met het invulflitsen kunt u lastige schaduwen wegwerken en bij tegenlichtopnamen een meer uitgebalanceerde belichting tussen onderwerp en achtergrond bereiken. Een computergestuurd meetsysteem in de camera zorgt voor een geschikte combinatie van belichtingstijd, werkdiafragma en flitsvermogen.

Let er op, dat de bron van het tegenlicht niet rechtstreeks in het objectief schijnt. Het TTL-meetsysteem van de camera zou erdoor kunnen worden misleid!

Een instelling of aanduiding voor de automatische TTL-invulflitsfunctie verschijnt niet op de flitser en hoeft er niet op te worden ingesteld.

4.1.2 Matrixgestuurde TTL-invulflitsregeling

In deze flitsfunctie worden onderwerp- en achtergrondbelichting automatisch op elkaar afgestemd, zonder dat het onderwerp zelf overbelicht wordt. De belichtingsinstelling voor het omgevingslicht wordt door de camera via de matrixmeting bepaald.

Verschillende Nikon-camera's ondersteunen de matrixgestuurde TTL-invulflitsfunctie (zie de gebruiksaanwijzing van de camera en Tabel 1).

Bij enkele camera's (bijv. F4 en F4s) wordt de matrixgestuurde TTL-in-vulflitsfunctie bij SPOT-belichtingsmeting niet ondersteund! Deze flitsfunctie wordt bij die camera's automatisch uitgeschakeld, c.q. is niet te activeren. Daar wordt dan de normale TTL-flitsfunctie uitgevoerd.

Met camera's uit groep A (zie Tabel 1) vindt de instelling van de matrixgestuurde TTL-invulflitsfunctie op de camera, c.q. wordt deze door de camera automatisch geactiveerd (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Op de flitser hoeft in dit geval niets te worden ingesteld.

Bij het gebruik met camera's uit groep B (zie Tabel 1) vindt instelling en aanduiding van de matrixgestuurde TTL-invulflitsfunctie plaats op de flitser:

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een uitwisseling van gegevens tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk zo vaak op de toets 'Mode', dat in het LC-display 'TTL 📄' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Uitschakelen van de 'matrixgestuurde TTL-invulflitsfunctie'

  • Druk zo vaak op de toets 'Mode' van de flitser, dat in het LC-display 'TTL' zonder het symbool knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

4.1.3 3D-Multisensor-invulflitsfunctie

Deze flitsfunctie optimaliseert de uitgebalanceerde belichting tussen onderwerp en achtergrond. Bij een opname wordt, voorafgaand aan de eigenlijke belichting, een serie bijna onzichtbare meetflitsen door de flitser afgegeven. Deze wordt door de TTL-multisensor en de microcontroller van de camera geëvalueerd. De camera past daarop de TTL-flitsbelichting optimaal aan de opnamesituatie aan ('multi-sensor-invulflitsen). Bij gebruik van 'D-AF-Nikkor-objectieven' telt bovendien de afstand tot het onderwerp in de bepaling van het optimale flitsvermogen mee ('3D-multisensor-invulflitsen').

Sommige camera's uit groep C van de Tabel 1 ondersteunen de '3D-multi-sensor-invulflitsfunctie'.

Bij enkele camera's (bijv. F5, F80 en F100) wordt de 3D-Multisensor-invulflitsfunctie bij SPOT-belichtingsmeting niet ondersteund! Deze flitsfunctie wordt daar automatisch gewist, c.q. laat zich niet activeren. Daar wordt dan de normale TTL-flitsfunctie uitgevoerd.

Het instellen van de '3Dmultisensor-invulflitsfunctie' op de flitser

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk zo vaak op de toets 'Mode', dat in het LC-display 'TTL ■' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Bij gebruik van een objectief zonder CPU wordt bij enige camera's alleen de matrixgestuurde invulflitsfunctie, c.q. alleen de standaard-TTL-flitsfunctie ondersteund. De 3D-multisensor-invulflitsfunctie laat zich dan niet instellen. De betreffende aanduiding voor de actuele flitsfunctie verschijnt dan in het LC-display van de flitser.

Uitschakelen van de functie '3D-multisensor-invulflitsen'

  • Druk op de flitser de toets 'Mode' zo vaak, dat in het LC-display 'TTL' zonder het symbool knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

4.2 D-TTL-flitsfunctie

Deze flitsfunctie staat alleen samen met de digitale Nikon SLR-camera's uit groep D (zie Tabel 1) ter beschikking! De standaard TTL-flitsfunctie van analoge camera's wordt door de digitale SLR-camera's niet ondersteund!

De D-TTL-flitsfunctie is een doorontwikkelde variant op de standaard-TTL-flitsfunctie van analoge camera's. Voorafgaand aan de eigenlijke belichting van de opname wordt een serie nagenoeg onzichtbare meetflitsen door de flitser afgegeven. De hoeveelheid gereflecteerd licht wordt door de camera geëvalueerd. In overeenstemming met de verwerking wordt de erna volgende flitsbelichting optimaal door de camera aan opnamesituatie aangepast (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

Het instellen

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk zo vaak op de toets 'Mode', dat in het LC-display 'D TTL' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale aanduiding terug.

4.2.1 D-TTL-3D-flitsfunctie

Bij deze functie worden in de D-TTL-flitsfunctie (zie boven) door de camera bovendien gegevens met betrekking tot de afstand tot het onderwerp in acht genomen.

Deze flitsfunctie staat alleen bij gebruik van 'D-AF-Nikkor-objektieven' ter beschikking! Bij sommige camera's wordt de D-TTL-3D-flitsfunctie bij SPOT-belichtingsmeting niet ondersteund! Deze flitsfunctie wordt dan automatisch gewist, c.q. laat zich niet activeren. Daar wordt dan de normale D-TTL-flitsfunctie uitgevoerd.

Voor het instellen van de D-TTL-3D-flitsfunctie moet de reflector van de flitser zich in de normale stand bevinden, c.q. mag niet uitgezwenkt zijn! Voor de D-TTL-3D-flitsfunctie moeten camera en objectief de evaluatie van afstandsgegevens ondersteunen (zie de gebruiksaanwijzing van de camera en de technische gegevens van het objectief)!

Het instellen

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk op de flitser zo vaak op de toets 'MODE', dat in het LC-display 'D TTL' en het symbool knipperen.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking en wordt na 5 s. automatisch opgeslagen.

4.3 i-TTL-flitsfunctie

Deze flitsregeling is alleen beschikbaar met de digitale Nikon SLR-camera's uit groep E (zie tabel 1) en de 44AF-4i N flitser. De standaard TTL-flitsfunctie van analoge camera's wordt door de digitale SLR-camera's niet ondersteund!

De i-TTL-flitsfunctie is een doorontwikkelde variant op de standaard TTL-flitsfunctie van analoge camera's. Voorafgaand aan de eigenlijke belichting worden bij de opname meerdere, vrijwel onzichtbare meetflitsen door de flitser afgegeven. De hoeveelheid gereflecteerd licht wordt door de camera geëvalueerd. In overeenstemming met de verwerking wordt de erna volgende flitsbelichting door de camera optimaal aangepast aan de opnamesituatie (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

Het instellen

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.

  • Druk zo vaak op de toets 'MODE' van de flitser, dat in het display 'TTL' knippert. Bij het gebruik van camera's uit groep E wordt op de flitser automatisch de i-TTL-flitsfunctie geactiveerd. Het symbool 'i' wordt daarbij niet aangegeven.

  • De instelling treedt onmiddellijk in werking en wordt na 5 s. automatisch opgeslagen.

4.3.1 i-TTL-BL-flitsfunctie

Deze flitsregeling is alleen beschikbaar met de digitale Nikon SLR-camera's uit groep E (zie tabel 1) en de 44AF-4i N flitser.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - i-TTL-BL-flitsfunctie - 1

Deze flitsfunctie staat alleen bij gebruik van 'D-AF-Nikkor-objectieven ter beschikking! Bij sommige camera's wordt de i-TTL-BL-flitsfunctie bij SPOT-belichtingsmeting niet ondersteund! Deze flitsfunctie wordt dan automatisch gewist, c.q. laat zich niet activeren. Daar wordt dan de normale i-TTL-flitsfunctie uitgevoerd.

Voor de i-TTL-BL-flitsfunctie moeten camera en objectief de evaluatie van afstandgegevens ondersteunen (zie de gebruiksaanwijzing van de camera en de technische gegevens van het objectief)!

Bij SPOT-belichtingsmeting wordt met sommige camera's alleen de i-TTL-flitsfunctie ondersteund. De i-TTL-BL-flitsfunctie kan dan niet worden geactiveerd!

Het instellen

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk zo vaak op de toets 'MODE' van de flitser, dat in het display 'TTL' en het symbool knipperen. Het symbool 'i' wordt daarbij niet aangegeven.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking en wordt na 5 s. automatisch opgeslagen.

4.4 Met de hand in te stellen correctie op de TTL-flitsbelichting

De TTL-flitsbelichtigsautomatiek van de meeste camera's is er op afgestemd dat een te flitsen onderwerp een reflectie heeft van 25 % (gemiddelde reflectiegraad van flitsonderwerpen). Een donkere achtergrond die veel licht absorbeert, of een lichte achtergrond die veel licht reflecteert kunnen over, c.q. onderbelichting van het onderwerp zelf, veroorzaken.

Om bovengenoemd effect te compenseren, kan bij sommige camera's de TTL-flitsbelichting (c.q. D-TTL-flitsbelichting / i-TTL-flitsbelichting bij digitale SLR-camera's) met de hand met een correctiewaarde worden aangepast aan de opnamesituatie. De hoogte van de correctiewaarde hangt af van het helderheidverschil tussen onderwerp en achtergrond!

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Met de hand in te stellen correctie op de TTL-flitsbelichting - 1

Donker onderwerp voor een lichte achtergrond: positieve correctiewaarde. Licht onderwerp tegen een donkere achtergrond: negatieve correctiewaarde. Bij het instellen van een correctiewaarde kan de aanduiding voor de flitsreikwijdte in het LC-display van de flitser veranderen en aangepast worden aan de ingevoerde correctiewaarde (afhankelijk van het type camera)!

Een correctie op de flitsbelichting door het veranderen van de diafragma-waarde is niet mogelijk, omdat de belichtingsautomatiek van de camera die veranderde diafragmawaarde weer 'ziet' als normaal werkdiafragma.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Met de hand in te stellen correctie op de TTL-flitsbelichting - 2

Vergeet niet de correctie op de TTL-flitsbelichting na de opname weer op de camera terug te zetten!

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Met de hand in te stellen correctie op de TTL-flitsbelichting - 3

Afhankelijk van het type camera moet de instelling van een correctie-waarde op de TTL-flitsbelichting met de hand op de camera of op de flitser worden uitgevoerd. Let op de betreffende aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de camera!

Bij camera's uit groep A (zie Tabel 1) moet de instelling in principe op de camera plaatsvinden! Op de flitser is de instelling dan niet mogelijk!

Instellen op de flitser

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk zo vaak op de toetscombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display EV (Exposure Value = belichtingswaarde) wordt aangegeven. Naast EV wordt de ingestelde correctiewaarde knipperend aangegeven.
  • Zolang de aanduiding voor de correctiewaarde knippert, kunt u met de toets 'Zoom' een positieve, c.q. met de toets 'Mode' een negatieve correctiewaarde invoeren.

Het instelbereik voor de correctiewaarde loopt van -3 tot +1 diafragma-waarde in derden van diafragmawaarden.

De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Wanneer de camera met een CPU-objectief wordt gebruikt, knippert in het LC-display van de flitser EV naast het diafragmasymbool als aanwijzing dat u met de hand een correctiewaarde voor de flitsbelichting hebt ingevoerd.

Wanneer de camera met een objectief zonder CPU wordt gebruikt, dan wordt in het LC-display van de flitser in plaats van het diafragmasymbool en belichtingswaarde EV de met de hand ingestelde correctiewaarde voor de flitsbelichting aangegeven. In plaats van de reikwijdte wordt het actuele richtgetal van de flitser aangegeven. Als aangegeven in hoofdstuk 5.4.6 kan dan de reikwijdte van de flitser worden berekend.

Sommige camera's bieden de mogelijkheid voor het met de hand instellen van een correctiewaarde op de camera zelf. Wij bevelen aan bij deze camera's het instellen van een correctiewaarde op de camera of op de flitser uit te voeren.

Het wissen van een met de hand ingestelde correctiewaarde op de TTL-flitsbelichting op de flitser

  • Druk zo vaak op de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display EV wordt aangegeven.
  • Naast EV wordt de ingestelde correctiewaarde knipperend aangegeven.
  • Zolang de correctiewaarde knippert, kunt u met de toets 'Zoom', c.q. met de toets 'Mode' de correctiewaarde op 0.0 instellen en daarmee wissen.
    De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

4.5 Aanduiding van de belichtingscontrole in de TTL-flitsfunctie (Afb. 4)

De aanduiding van de belichtingscontrole 'o.k.' verschijnt alleen in het LC-display van de flitser als de opname in de TTL-flitsfunctie, c.q. de moderne varianten van de TTL-flitsfunctie (bijv. 3D-TTL, D-TTL, D-TTL-3D, i-TTL, i-TTL-BL enz.) goed werd belicht!

Verschijnt er geen aanduiding van de belichtingscontrole 'o.k.' na de opname, dan werd deze te krap belicht en moet u het eerstvolgend lagere diafragmagetal instellen (bijv. in plaats van diafragma 11 diafragma 8) of de afstand tot het onderwerp, c.q. het reflecterend vlak (bijv. bij indirect flitsen) verkleinen en de opname herhalen. Let op de aanduiding van de reikwijdte in het LC-display van de flitser (zie 5.4.1), c.q. de aanwijzingen in hoofdstuk 5.5.

Zie voor aanduiding van de belichtingscontrole in de zoeker van de camera ook 5.3!

4.6 Aanduiding van te krappe belichting in de TTL-flitsfunctie

Enkele Nikon-camera's uit groep C, D en E (zie Tabel 1) waarschuwen in verschillende camerafuncties (bijv. bij 'P' en 'A') bij een te krap belichte flitsopname met een aanduiding in het LC-display van de flitser, die de mate van onderbelichting in diafragmastops aangeeft (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

Licht na een gedane flitsopname de aanduiding van de belichtingscontrole 'OK' op de flitser niet op, c.q. knippert het flitssymbool in de zoeker van de

camera, dan wordt in het LC-display van de flitser korte tijd de mate van onderbelichting in diafragmastops van - 0,3 tot - 3,0 in stappen van een derde stop aangegeven.

In het grensgeval, als de flitser geen OK-aanduiding toont, c.q. als het flits-symbool in de zoeker van de camera knippert, de belichting echter nog correct is, verschijnt er geen aanduiding in het LC-display van de flitser!

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Aanduiding van te krappe belichting in de TTL-flitsfunctie - 1

Om een aanduiding van te krappe belichting te krijgen, moet op de flitser de functie TTL, c.q. een moderne variant op de TTL-flitsfunctie (bijv. 3D-TTL, D-TTL, D-TTL-3D, i-TTL, i-TTL-BL enz.) ingesteld staan.

4.7 Flitsen met handinstelling (manual)

De camera moet in de functie tijdautomatiek 'A', c.q. in de manual functie 'M' of 'X' gezet worden. Diafragma en belichtingstijd (bij 'M') moeten op de camera, in overeenstemming met de betreffende opnamesituatie worden gekozen (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

4.7.1 Manual flitsfunctie M met vol vermogen

In deze functie wordt door de flitser steeds een niet-geregelde flits met vol vermogen afgegeven. De aanpassing aan de opnamesituatie vindt plaats door het instellen van een diafragmawaarde op de camera. Met camera's uit groep C, D en E wordt in het LC-display van de flitser de afstand van flitser tot onderwerp aangegeven, die voor een correcte flitsbelichting moet worden aangehouden (zie ook 5.4.2).

Het instellen van de manual flitsfunctie M

  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar in.
  • Druk zo vaak op de toets 'Mode', dat in het LC-display 'M' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

4.7.2 Flitsen met handinstelling MLo met deelvermogen

In deze functie geeft de flitser steeds een niet-geregelde flits af met 1/8 (Low) van zijn volle vermogen. De aanpassing aan de opnamesituatie moet, bijv. door het instellen van de diafragmawaarde op de camera, worden gekozen. In het LC-display van de flitser wordt de afstand van flitser tot onderwerp aangegeven zoals die voor een correcte belichting moet worden aangehouden (zie ook 5.4.2).

Het instellen van flitsen met handinstelling MLo

  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar in.
  • Druk zo vaak op de 'Mode'-toets, dat in het LC-display 'MLo' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display terug naar de normale weergave.

4.8 Flitstechnieken

4.8.1 Indirect flitsen

Rechtstreeks geflitste foto's zijn vaak aan hun typisch harde en nadrukkelijke schaduwen te herkennen. Vaak werkt ook de natuurkundig bepaalde lichtafval van voor- naar achtergrond storend. Door indirect te flitsen kunt u deze verschijnselen een heel eind onderdrukken, omdat onderwerp en achtergrond met verstrooid licht zacht en gelijkmatig kunnen worden verlicht. De reflector wordt hierbij zo omhoog gezwenkt dat hij een geschikt reflectievlak (bijv. plafond of wand van de ruimte) verlicht.

De reflector van de flitser kan tot 90° verticaal worden gezwenkt. Voor het zwenken van de reflector naar beneden de ontgrendelknop indrukken.

Bij het verticaal zwenken van de reflector moet u er op letten dat hij voldoende vér wordt gezwenkt, zodat er geen rechtstreeks licht uit de reflector meer op het onderwerp meer kan vallen. Daarom tot minstens de 60° klikstand zwenken. In het LC-display verdwijnen de afstandsopgaven. De afstand van de flitser, via het reflecterende vlak tot het onderwerp is nu immers een onbekende grootheid.

Het door het reflecterende vlak gereflecteerde licht geeft een zachte verlichting van het onderwerp. Het reflecterend vlak moet neutraal van kleur, c.q. wit zijn en mag liefst niet gestructureerd zijn (bijvoorbeeld houten balken tegen het plafond), die schaduwvorming kunnen geven. Voor kleureffecten kunt u een reflecterend vlak in de betreffende kleur kiezen.

Let er op, dat de reikwijdte van het flitslicht bij indirect flitsen sterk afneemt. Voor normale kamerhoogte kan men zich voor het bepalen van de maximale reikwijdte met de volgende vuistregel behelpen:

$$ \text { Reikwijdte } = \frac {\text { richtgetal }}{\text { verlichtingsafstand } \times 2} $$

4.8.2 Dichtbijopnamen / macro-opnamen

Om parallaxfouten op te heffen kan de flitsreflector in een hoek van -7^ naar beneden worden gezwenkt. Druk daarvoor op de ontgrendelknop en zwenk de reflector naar beneden.

Bij opnamen in het dichtbijbereik moet u er op letten, dat u een bepaalde minimumafstand moet aanhouden om overbelichting te vermijden.

De minimale flitsafstand bedraagt ong. 10 procent van de in het LC-display aangegeven maximale reikwijdte. Dar er bij naar beneden gezwenkte reflector in het LC-display geen reikwijdte wordt aangegeven, moet u zich oriënteren aan de reikwijdte die de flitser aangeeft, als de reflector zich in de normale stand bevindt.

4.9 Flitssynchronisatie

4.9.1 Normale synchronisatie (Afb. 7)

Bij de normale synchronisatie wordt de flits aan het begin van de belichting ontstoken (synchronisatie bij het opengaan van de sluiter). De normale synchronisatie is de standaardfunctie en wordt door alle camera's uitgevoerd. Hij is voor de meeste flitsopnamen geschikt. De camera wordt, afhankelijk van de erop ingestelde functie, naar de flitssynchronisatietijd omgeschakeld. Gebruikelijke zijn belichtingstijden tussen 1/30 s. en 1/125 s. (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Op de flitser hoeft niets te worden ingesteld, er verschijnt voor deze functie geen aanduiding in het LC-display.

4.9.2 Synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter (REAR-functie) (Afb. 8)

Enkele camera's bieden de mogelijkheid van synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter (REAR-functie). Daarbij wordt de flits pas aan het einde van de belichting ontstoken. Dit is vooral bij lange belichtingstijden (langer dan bijv. 1/30 seconde) en bewegende onderwerpen met een eigen lichtbron een voordeel, omdat de bewegende lichtbronnen een lichtstaart achter zich trekken, in plaats van deze, zoals bij synchronisatie bij het opengaan van de sluiter, voor zich opbouwen. Met het synchroniseren bij het dichtgaan van de sluiter wordt daardoor bij bewegende onderwerpen een 'natuurlijker' weergave van de opnamesituatie verkregen! Afhankelijk van de erop ingestelde functie stelt de camera langere belichtingstijden dan zijn flitssynchronisatie tijd in.

Bij enkele camera's is in bepaalde functies (bijv. bepaalde Vari-, c.q. onderwerpsprogramma's of bij het verminderen van het rode ogen-effect, zie 5.9) de REAR-functie niet mogelijk. De REAR-functie kan dan niet worden gekozen, c.q. de REAR-functie wordt automatisch gewist of wordt niet uitgevoerd. Zie daarvoor ook de gebruiksaanwijzing van de camera.

Afhankelijk van het type camera moet de instelling voor de synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter (REAR) of op de camera of op de flitser worden ingesteld (camera's van groepen A, C, D en E; zie Tabel 1; + Pronea 600i) of op de flitser (camera's van de groep B) plaatsvinden. Let hiervoor op de aanwijzingen in de gebruiksaanwijzing van de camera! De REAR-functie wordt alleen dan op de flitser aangegeven als de instelling op de flitser zelf is gedaan.

Inschakelen van de REAR-functie op de flitser bij flitsen met camera's uit groep B

  • Breng de flitser aan op de camera.
    • Schakel flitser en camera in.
  • Tip de ontspanknop op de camera aan, zodat er een gegevensuitwisseling tussen camera en flitser kan plaatsvinden.
  • Druk zo vaak op de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display 'REAR' verschijnt.
  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom', dat in het LC-display 'ON' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Het symbool 'REAR' voor de synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter blijft na de instelling in het LC-display van de flitser aangegeven!

Gebruik bij langere belichtingstijden een statief om bewegen van de camera tijdens het opnamen te voorkomen. Schakel deze functie na de opname weer uit, daar anders ook voor de 'normale' flitsopnamen ongewenst lange belichtingstijden kunnen ontstaan.

Uitschakelen van de REAR-functie op de flitser

  • Druk zo vaak op de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display 'REAR' verschijnt.
  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom', dat in het LC-display 'OFF' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Het symbool 'REAR' voor de synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter wordt niet meer in de display van de flitser aangegeven! De flitser wordt dan weer gesynchroniseerd bij het opengaan van de sluiter (normale synchronisatie).

4.9.3 Synchronisatie bij lange belichtingstijden / SLOW

Een aantal camera's biedt in bepaalde functies de mogelijkheid om in combinatie met een lange belichtingstijd 'SLOW' te flitsen. In deze functie kunt u bij een lage omgevingshelderheid de achtergrond op een foto beter uit laten komen. Dit wordt bereikt door belichtingstijden die aan die achtergrond zijn aangepast. Hierbij worden door de camera automatisch belichtingstijden die langer zijn dan de flitssynchronisatietijd zijn (bijv. belichtingstijden tot 30 seconden), ingesteld. Bij sommige camera's wordt de synchronisatietijd bij lange belichtingstijden in bepaalde cameraprogramma's (bijv. nachtopnameprogram enz.) automatisch geactiveerd, c.q. kan op de camera ingesteld worden (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Op de flitser hoeft niets te worden ingesteld en vindt er voor deze functie ook geen aanduiding plaats.

Gebruik bij lange belichtingstijden een statief om onscherpte door camerabeweging tijdens het opnemen te voorkomen!

5. Flitser- en camerafuncties

5.1 Aanduiding dat de flitser opgeladen is

Zodra de flitscondensator is opgeladen licht op de flitser de daarvoor bestemde aanduiding ♦ op en geeft daarmee aan, dat de flitser gereed is om te flitsen. Dat betekent dat bij de eerstvolgende opname flitslicht kan worden gebruikt. Het signaal wordt ook naar de camera overgebracht en zorgt er in de zoeker van de camera voor dat ook daarin de betreffende aanduiding verschijnt (zie 5.3).

Wordt een opname gemaakt, voordat in de zoeker van de camera de aanduiding is verschenen, dan wordt er geen flits ontstoken en kan de opname onder bepaalde omstandigheden te krap worden belicht als de camera wel al naar de flitssynchronisatietijd (zie 5.2) is omgeschakeld.

5.2 Automatische omschakeling naar de flitssynchronisatietijd

Afhankelijk van het type camera en de daarop ingestelde functie wordt, als de flitscondensator opgeladen is, de ingestelde belichtingstijd omgeschakeld naar de flitssynchronisatietijd (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Kortere belichtingstijden dan de flitssynchronisatietijd kunnen niet ingesteld worden, c.q. worden naar de flitssynchronisatietijd omgeschakeld. Sommige camera's hebben een bereik aan flitssynchronisatietijden, bijv. 1/30 s. tot 1/125 s. (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Welke synchronisatietijd de camera dan kiest, is dan afhankelijk van de camerafunctie, de helderheid van de omgeving en de brandpuntsafstand van het gebruikte objectief. Langere belichtingstijden dan de flitssynchronisatietijd kunnen, afhankelijk van de camerafunctie en gekozen flitssynchronisatie (zie ook 4.9.2 en 4.9.3) worden gebruikt.

Bij verschillende digitale camera's vindt geen omschakeling van de belichtingstijd plaats. Deze camera's werken met een centraalsluiter. Daardoor kan er bij elke belichtingstijd worden geflitst. Als u denkt, het volle flitsvermogen nodig te hebben, kies dan een belichtingstijd van 1/125 s. of langer.

5.3 Aanduidingen in de zoeker van de camera

Groen flitssymbool ↘ licht op

Gebruik de flitser, c.q. schakel hem in.

Rood flitssymbool ↩ licht op

Flitser is opgeladen.

Rood flitssymbool ↩ blijft na de opname oplichten, c.q. dooft voor korte tijd

De opname werd correct belicht.

Rood pijlsymbool ↓ knippert na de opname

De opname werd te krap belicht.

Zoek, voor de aanduidingen in de zoeker, in de gebruiksaanwijzing van de camera wat voor uw type camera geldend is.

5.4 Aanduidingen in het LC-display

De Nikon-camera's uit de groepen B, C, D en E (zie Tabel 1) geven de waarden van ISO, de brandpuntsafstand van het objectief (mm) en diafragma aan de flitser door. Deze past zijn vereiste instellingen automatisch aan. Hij berekent uit de waarden en zijn richtgetal de maximale reikwijdte van het flitslicht. Flitsfunctie, reikwijdte, diafragma en stand van de zoomreflector worden in het LC-display van de flitser aangegeven.

Als de flitser wordt gebruikt, zonder dat hij gegevens van de camera heeft ontvangen (bijv. als de camera uitgeschakeld is, of de camera is er een uit groep A), dan wordt alleen de gekozen flitsfunctie, de stand van de zoomreflector en 'M.Zoom' aangegeven. De aanduiding voor diafragma en reikwijdte worden pas gegeven als de flitser de vereiste gegevens van de camera heeft ontvangen.

De aanduidingen voor Auto Zoom, diafragma en reikwijdte komen alleen op de flitser bij camera's uit de groepen B, C, D en E (zie Tabel 1) als deze met een AF-objectief, c.q. objectief met CPU worden gebruikt!

5.4.1 Aanduiding van de reikwijdte in de TTL-flitsfunctie

In het LC-display van de flitser worst de waarde van de maximale reikwijdte van het flitslicht aangegeven. De aangegeven waarde heeft betrekking op een reflectiegraad van 25 % van het onderwerp, die voor de meeste opnamesituaties geldt. Sterke afwijkingen van de reflectiegraad, bijv bij zeer sterk of zeer zwak reflecterende onderwerpen kunnen de reikwijdte van het flitslicht beïnvloeden.

Let bij de opname op de aanduiding van de reikwijdte in het LC-display van de flitser. Het onderwerp moet zich het liefst in een bereik van ongeveer 40 % tot 70 % van de aangegeven waarde bevinden. De elektronica heeft dan voldoende speelruimte voor het instellen. De minimale flitsafstand mag niet korter zijn dan 10 % van de aangegeven waarde om overbelichting te vermijden! De aanpassing aan de actuele opnamesituatie kan door veranderen van het diafragma van het objectief worden verkregen.

5.4.2 Aanduiding van de reikwijdte bij manual flitsen M, c.q. MLo

In het LC-display van de flitser wordt de afstand aangegeven, die u, voor een correct belichte flitsopname van het onderwerp, aan moet houden. De aanpassing aan de actuele opnamesituatie kan door veranderen van de diafragmawaarde op het objectief en door het veranderen van de keuze tussen volle energie M of deelenergie MLo worden bereikt (zie 4.7).

5.4.3 Overschrijden van het aanduidingbereik

De flitser kan reikwijdten tot maximaal 199 m, c.q. 199 ft aangeven. Bij hogen ISO-waarden (bijv. ISO 6400) en grote diafragmaopeningen kan het aanduidingbereik worden overschreden. Dit wordt door een pijl, c.q. driehoekje achter de afstandswaarde aangegeven.

5.4.4 Als de aanduiding van de reikwijdte verdwijnt

Wordt de kop van de reflector vanuit zijn normale stand naar boven, c.q. naar beneden gezwenkt, vindt er in het LC-display van de flitser geen aanduiding van de reikwijdte meer plaats!

5.4.5 Foutaanduiding 'FEE' in het LC-display van de flitser

Bij sommige camera's, c.q. camerafuncties (bijv. program P, de Vairprogramma's en diafragma-automatiek S) is het noodzakelijk de diafragmaring van het objectief op het hoogste diafragmagetal in te stellen. Bevindt de diafragmaring zich niet in de stand van het maximale diafragmagetal, dan verschijnt in het LC-display van de flitser, c.q. van de camera een foutaanduiding 'FEE'! Controleer in dat geval de instellingen op camera of objectief (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

5.4.6 Aanduiding van het richtgetal bij objectieven zonder CPU

Objectieven zonder CPU (ofwel zonder elektronische overdracht van gegevens) zenden geen elektrische informaties betreffende de brandpuntsafstand en diafragma-instelling naar de camera's. Als een dergelijk objectief op een camera uit groep B, C, D en E wordt gebruikt, krijgt de flitser alleen de gegevens van ISO van de camera. De stand van de zoomreflector moet dan met de hand worden ingesteld (zie 5.7.2).

Met verschillende camera's wordt in het LC-display van de flitser in dat geval in plaats van de afstandswaarde, het richtgetal voor de actuele instelling aangegeven. De maximale flitsreikwijdte is dan te berekenen met de formule:

$$ \text { Reikwijdte } = \frac {\text { richtgetal }}{\text { diafragmawaarde }} $$

Let op de aanwijzingen met betrekking tot de flitsafstand in 5.5! Bij gezwenkte flitsreflector vindt er geen opgave van het richtgetal plaats!

5.4.7 Meter - Feet - omschakeling (m - ft)

De aanduiding van de reikwijdte in het LC-display van de flitser kan naar keuze in meters (m) of in feet (ft) plaatsvinden. Voor het wisselen van de aanduiding gaat u als volgt te werk:

  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar uit.
  • Houd de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom') ingedrukt.
  • Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar in.

  • Laat de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom') los.

  • De aanduiding van de afstand is nu gewisseld van m naar ft, c.q. van ft naar m.

5.5 Bepalen van de reikwijdte met behulp van de richtgetallentabel

Camera's uit groep A geven geen gegevens over ISO, diafragma en brandpuntsafstand naar de flitser door. In het LC-display van de flitser verschijnen dientengevolge geen gegevens betreffende de diafragmawaarde en de reikwijdte van het flitslicht. In dat geval kunt u de reikwijdte van het flitslicht met behulp van Tabel 2 in het aanhangsel (zie hoofdstuk 10) berekenen.

Dat gaat volgens volgende formule:

$$ \text { Reikwijdte } = \frac {\text { richtgetal }}{\text { diafragmawaarde }} $$

Dit geldt niet voor indirect flitsen, bijv. bij gezwenkte reflector!

Voorbeeld:

U gebruikt ISO 100 en de brandpuntsafstand van het objectief bedraagt 50 mm. In Tabel 2 in het aanhangsel vindt u het voor deze combinatie geldende richtgetal 34. Op de camera, c.q. het objectief kiest u bijv. diafragma 4. Met bovenstaande formule bepaalt u nu de reikwijdte van de flits:

$$ \text { Reikwijdte } = \frac {\text { richtgetal 34 }}{\text { diafragmawaarde 4 }} = 8, 5 \mathrm{m} $$

Voor flitsen met handinstelling M en vol vermogen betekent dat, dat het onderwerp zich op 8,5 m afstand moet bevinden om een correcte belichting te krijgen.

Voor de TTL-flitsfunctie betekent dat, dat het onderwerp zich maximaal op 8,5 m afstand mag bevinden. Om de elektronica in de camera echter voldoende speelruimte te geven moet het onderwerp zich op een afstand van tussen 40 % en 60 % van de berekende reikwijdte bevinden. In bovenstaand voorbeeld komt dat overeen met een afstand van 3,4 m tot 5,1 m tot het onderwerp. Voor dichtbijopnamen moet u er op letten, minstens een afstand

van 10 % van de berekende reikwijdte aan te houden. In het bovenstaande voorbeeld dus een minimale flitsafstand van 10 % van 8,5 m = 0,85 m.

Let er ook op, dat de reikwijdte geldt voor onderwerpen met een reflectiegraad van 25 %, die voor de meeste flitsopnamen geldend is. Sterke afwijkingen van de reflectiegraad, bijv. bij zeer sterk of zeer zwak reflecterende onderwerpen kunnen de reikwijdte van het flitslicht beïnvloeden.

5.6 LC-displayverlichting

Bij het drukken op de toets 'Mode', c.q. de toets 'Zoom' wordt voor ong. 10 s. de verlichting van het LC-display van de flitser geactiveerd. Bij het ontsteken van een flits wordt de displayverlichting weer uitgeschakeld.

Bij het de eerste keer bedienen van deze toetsen worden de instellingen op de flitser niet veranderd!

Werd in de TTL-flitsfunctie de opname correct belicht, dan wordt ook, zolang de 'o.k.'-aanduiding (zie 4.5) in het LC-display staat, de verlichting van het LC-display geactiveerd.

5.7 Motor-zoomreflector

De reflector van de flitser kan brandpuntsafstanden vanaf 24 mm uitlichten.

5.7.1 'Auto-Zoom'

Als de flitser met een camera uit groep B, C, D of E en een objectief met CPU wordt gebruikt, past de stand van de zoomreflector zich automatisch aan de brandpuntsafstand van het objectief aan. Na het inschakelen van de flitser wordt in zijn LC-display 'Auto Zoom' en de actuele reflectorstand aangegeven. De automatische aanpassing van de reflectorstand vindt bij objectieven met een brandpuntsafstand vanaf 24 mm plaats. Wordt een brandpuntsafstand van minder dan 24 mm gebruikt, knippert in het LC-display de aanduiding '24' mm als waarschuwing dat het onderwerp aan de randen niet geheel door de flitser kan worden verlicht.

Voor objectieven met brandpuntsafstanden vanaf 20 mm kan een groothoekdiffusor (optioneel accessoire, zie hoofdstuk 7) worden gebruikt. De reflector van de flitser moet zich dan in de stand 24 mm bevinden.

5.7.2 Manual zoomfunctie 'M. Zoom'

Bij camera's uit groep A of bij gebruik van een objectief zonder CPU (bijv. een met de hand scherp te stellen objectief), moet de zoomstand van de flits-reflector met de hand aan de brandpuntsafstand van het objectief worden aangepast. De Auto-Zoomfunctie is in dat geval niet werkzaam! In het LC-display van de flitser wordt 'M.Zoom' (voor zoominstelling met de hand) en de actuele zoomstand (mm) aangegeven.

Door herhaald op de toets 'Zoom' op de flitser te drukken kunnen na elkaar de volgende reflectorstanden worden gekozen:

24 mm - 28 mm - 35 mm - 50 mm - 70 mm - 85 mm - 105 mm.

Bij verkeerd instellen van de stand van de zoomreflector verschijnt er geen waarschuwing!

Als u niet altijd het volle richtgetal en reikwijdte van de flitser nodig heeft, kunt u de stand van de zoomreflector op de aanvangsbrandpuntsafstand van het zoomobjectief laten staan. Daarmee is gegarandeerd, dat de randen van het onderwerp altijd geheel worden verlicht. U spaart daarmee het steeds weer aanpassen van de reflectorstand aan de brandpuntsafstand van het objectief.

Voorbeeld:

U gebruikt een 35 – 105 mm zoomobjectief. In dat geval stelt u de stand van de flitsreflector in op 35 mm.

5.7.3 Manual zoomfunctie in plaats van 'Auto-Zoom'

Indien gewenst kan bij camera's uit groep B, C, D en E en objectieven met CPU de stand van de zoomreflector met de hand worden versteld om bepaalde verlichtingseffecten te krijgen (bijv. hot-spot enz.): door herhaald op de flitser op de toets 'Zoom' te drukken kunnen na elkaar de volgende reflectorstanden worden gekozen:

24 mm - 28 mm - 35 mm - 50 mm - 70 mm - 85 mm - 105 mm.

In het LC-display van de flitser wordt 'M.Zoom' (voor reflectorinstelling met de hand) en de actuele zoomstand (mm) aangegeven. De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Leidt het met de hand instellen van de reflectorstand er toe dat de foto niet tot aan de randen correct kan worden belicht, knippert in het LC-display van de flitser als waarschuwing de aanduiding van de reflectorstand.

Voorbeeld:

  • Het objectief waarmee U werkt heeft een brandpuntsafstand van 50 mm.
  • Op de flitser is met de hand de reflectorstand van 70 mm ingesteld (aanduiding 'M.Zoom').
  • In het LC-display van de flitser knippert de aanduiding '70' mm voor de zoomstand, omdat de randen van de foto niet volledig kunnen worden belicht.

Terugzetten naar 'Auto-Zoom'

Voor het terugzetten naar 'Auto Zoom' zijn er verschillende mogelijkheden:

  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom' op de flitser, dat in het LC-display 'Auto Zoom' wordt aangegeven. De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug. Of:

- Schakel de flitser via zijn hoofdschakelaar even uit. Na d het weer inschakelen wordt in het display van de flitser 'Auto Zoom' aangegeven.

5.7.4 Extended-zoomfunctie

Bij de extended-zoomfunctie (Ex) wordt de stand van de zoomreflector van de flitser ten opzichte van de gebruikte brandpuntsafstand van het objectief één stap lage gezet! De daaruit resulterende, ruimer verlichting zorgt in ruimten voor wat extra strooilicht (reflecties) en daarmee voor een zachtere flitsverlichting.

Voorbeeld voor de Extended-zoomfunctie:

De brandpuntsafstand van het objectief op de camera bedraagt 35 mm. In de extended-zoomfunctie stelt de flitser in op de reflectorstand van 28 mm. In het LC-display wordt echter ook nu 35 mm aangegeven!

De extended-zoomfunctie is alleen in de stand 'Auto Zoom' met camera's uit groep B, C, D en E van Tabel 1 en CPU-objectieven met brandpuntsafstanden vanaf 28 mm mogelijk. Daar de aanvangsstand van de zoomreflector 24 mm is, wordt bij objectieven met een kleinere brandpuntsafstand dan 28 mm in het LC-display '24' mm knipperend aangegeven. Dit is de waarschuwing dat de voor de extended-zoomfunctie vereiste reflectorstand niet kan worden bereikt.

Opnamen met objectieven die een brandpuntsafstand van 24 mm hebben worden ook in de extended-zoomfuctie correct uitgelicht!

Inschakelen van de extended-zoomfunctie

  • Druk zo vaak op de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display 'Ex' verschijnt.
  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom', dat in het LC-display 'On' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Het symbool 'Ex' voor de extended-zoomfunctie blijft na de instelling in het LC-display van de flitser aangegeven!

Let er op, dat door de bredere verlichting in de extended-zoomfunctie, de reikwijdte van de flits kleiner wordt!

Uitschakelen van de extended-zoomfunctie

  • Druk zo vaak op de toetsencombinatie 'Select' (= toets 'Mode' + toets 'Zoom'), dat in het LC-display 'Ex' verschijnt.
  • Druk zo vaak op de toets 'Zoom', dat in het LC-display 'Off' knippert.
  • De instelling treedt onmiddellijk in werking. Na ong. 5 s. schakelt het LC-display weer naar de normale weergave terug.

Het symbool 'Ex' voor de extended-zoomfunctie wordt dan niet meer in het LC-display van de flitser aangegeven!

5.8 Autofocus-meetflits

Zodra er voor automatische scherpstelling te weinig licht is wordt door de elektronica in de camera de autofocus-meetflits geactiveerd. De autofocus-schijnwerper zendt daarbij een streeppatroon dato p het onderwerp wordt geprojecteerd. Op dat streeppatroon kan de camera dan automatisch

scherpstellen. De reikwijdte van AF-meetflits bedraagt ong. 6 m ... 9 m (bij standaardobjectief 1,7/50 mm). Vanwege de parallax tussen objectief en de AF-schijnwerper bedraagt de dichtbijgrens van de AF-meetflits ong. 0,7 m tot 1 m.

Om de AF-meetflits door de camera te laten activeren, moet op de camera de AF-functie 'Single-AF (S)' ingesteld zijn (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Zoomobjectieven met een lage lichtsterkte kunnen de reikwijdte van de AF-meetflits behoorlijk beperken! Het streeppatroon van de AF-meetflits ondersteunt alleen de centrale AF-meetsensor van de camera. Bij camera's met meerdere AF-sensoren bevelen wij aan alleen het middelste AF-meetveld in de camera te activeren (zie de gebruiksaanwijzing van de camera). Als de fotograaf met de hand of de camera zelfstandig een gedecentreerde AF-sensor uitkiest, wordt de schijnwerper van de flitser voor de AF-meetflits van de flitser niet geactiveerd. Een enkele camera gebruikt in dat geval de in de camera ingebouw-de schijnwerper voor de AF-meetflits (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

5.9 Flitsen vooraf tegen het 'rode ogen-effect' (Red-Eye-Reduction) Bij het 'rode ogen-effect' gaat het in principe om een fysiek effect. Dit effect treedt altijd op als de te fotograferen persoon meer of minder recht de camera inkijkt, er relatief weinig omgevingslicht is en de flitser zich op of vlak bij de camera bevindt. De flitser verlicht dan de achtergrond in de ogen. He met bloed gevulde netvlies wordt door de pupil heen zichtbaar en door de camera als een rode vlek geregistreerd.

De functie ter vermindering van dit 'rode ogen-effect (Red-Eye-Reduction) brengt hier een duidelijke verbetering. Bij gebruik van deze functie zendt de flitser voorafgaand aan de eigenlijke flitsbelichting drie zichtbaar zwakke flitsen, gevolgd door de hoofdflits uit. Deze flitsen vooraf leiden ertoe, dat de pupillen van de persoon wat meer sluiten waarmee het effect van de rode ogen wordt verminderd.

De functie van het vooraf flitsen wordt op de camera ingesteld. De geactiveerde functie van vooraf flitsen wordt in het LC-display van de camera met een overeenkomstig symbool aangegeven (zie de gebruiksaanwijzing van de camera)! Op de flitser hoeft geen instelling te worden gedaan en verschijnt er ook geen aanduiding.

De functie van het flitsen vooraf ter vermindering van het 'rode ogen-effect' is alleen mogelijk met camera's die deze functie ondersteunen (zie de gebruiksaanwijzing van de camera)!

Bij sommige camera's ondersteunt de Red-Eye-Reduction alleen de in de camera ingebouwde flitser, c.q. een extra schijnwerper in het camerahuis (zie de gebruiksaanwijzing van de camera)!

Bij gebruik van de functie van vooraf flitsen is synchronisatie bij het dichtgaan van de sluiter (REAR) niet mogelijk!

5.10 Automatisch flitsen / Ontsteeksturing (AUTO FLASH)

Als er voor een belichting in de 'normale' modus voldoende omgevingslicht is, verhindert een aantal camera's het ontsteken van een flits. Bij het bedienen van de ontspanknop op de camera wordt er dan geen flitslicht afgegeven. Deze ontsteeksturing werkt bij verschillende camera's alleen in de functie 'geheel geprogrammeerd' of programma 'P', c.q. moet op de camera worden geactiveerd (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

5.11 Terug naar de basisinstellingen

De flitser kan door gedurende minstens drie seconden lang op de toets 'Mode' te drukken in zijn basisinstellingen worden teruggezet.

De volgende instellingen worden teruggezet:

  • De flitsfunctie 'TTL'.
  • De automatische zoomfunctie 'Auto-Zoom'.
  • De extended-zoonfunctie 'Ex' wordt gewist.
  • Een correctiewaarde op de flitsbelichting wordt gewist.
  • De REAR-instelling op de flitser wordt gewist.

- De automatische uitschakeling van het apparaat 'Auto-Off' wordt geactiveerd (3 m On).

6. Speciale camera-aanwijzingen

Vanwege de vele cameratypes en hun eigenschappen is het binnen het kader van deze gebruiksaanwijzing niet mogelijk gedetailleerd op alle cameraspecifieke mogelijkheden, instellingen enz. in te gaan. Informaties en aanwijzingen voor het gebruik van een externe flitser vindt u in de betreffende hoofdstukken van de gebruiksaanwijzing van uw camera!

6.1 Bij het flitsen niet ondersteunde, bijzondere functies

6.1.1 Programverschuiving / Programm-Shift

Met ingeschakelde flitser is bij verschillende camera's de programshift (verstellen van het diafragma-belichtingstijdpaar) in de bij geprogrammeerd opnemen P niet uitvoerbaar (zie de gebruiksaanwijzing van de camera).

7. Bijzondere accessoires

Voor verkeerd functioneren en schade aan de flitser, veroorzaakt door het gebruik van accessoires van andere fabrikanten geven wij geen garantie!

• Groothoekdiffusor 44-21

(Bestelnr. 000044217)

Voor het volledig uitlichten van onderwerpen, opgenomen met een brand-puntsafstand vanaf 20 mm. De reikwijdtegrens wordt wegens het verlies aan licht met een factor 1,4 verkort.

- Set kleurenfilters 44-32

Omvat 4 kleurenfilters voor verlichtingseffecten en een helder filter voor het opnemen van foliefilters in een willekeurige kleur.

- Mecabounce 44-90

(Bestelnr. 000044900)

Met deze diffusor bereikt u op de eenvoudigste manier een zachte verlichting. De werking is reusachtig, omdat de foto's een soft effect krijgen. De gezichtskleur van personen wordt natuurlijker weergegeven. De reikwijdtegrenzen worden wegens het lichtverlies tot ongeveer de helft verkort.

• Reflectiescherm 54-23

(Bestelnr. 000054236)

Verzacht door zijn milde licht harde slagschaduwen.

8. Troubleshooting

Zou het ooit eens voorkomen, dat bijv. in het LC-display van de flitser onzinnige aanduidingen verschijnen of de flitser functioneert niet zoals op grond van de instellingen er op zou mogen worden verwacht, schakel de flitser dan voor ong. 10 seconden via zijn hoofdschakelaar. Controleer of de flitser correct in de accessoireschoen van de camera is aangebracht, evenals de instellingen op de camera.

De flitser zou nu na het weer inschakelen weer 'normaal' moeten functioneren. Is dat niet het geval, ga er dan s.v.p. mee naar uw fotohandelaar.

9. Onderhoud en verzorging

Verwijder stof en vuil met een zachte, droge of met siliconen behandelde doek. Gebruik geen oplosmiddelen: de kunststof onderdelen zouden kunnen worden beschadigd.

Formeren van de flitscondensator

De in de flitser ingebouwde flitscondensator ondergaat een natuurkundige verandering als het apparaat gedurende een langere tijd niet wordt ingeschakeld. Op basis daarvan is het noodzakelijk het apparaat elk kwartaal gedurende ong. 10 min. In te schakelen (let hiervoor op 2.4!). De batterijen, c.q. accu's moeten hierbij zoveel energie leveren, dat de flitser uiterlijk binnen 1 minuut opgeladen is.

Maximaal richtgetal bij ISO 100 / 21°; zoom 105 mm:

In meters: 44

In feet: 144

Flitsduur:

Ong. 1/200 ... 1/20.000 seconde (in de TTL-functie)

In de M-functie ong. 1/200 seconde bij vol vermogen

In de MLo-functie ong. 1/5000 seconde

Kleurtemperatuur:

Ong. 5600 K

Filmgevoeligheid:

ISO 6 tot ISO 6400

Synchronisatie:

Laagspanningsontsteking

Aantallen flitsen:

ong. 85 met NiCd-accu (600 mAh)

ong. 205 met NiMH-accu (1200 mAh)

ong. 240 met super alkalimangaanbatterijen

(telkens met vol vermogen)

Flitsvolgtijd:

ong. 4 s. met NiCd-accu

ong. 4 s. met NiMH-accu

ong. 5 s. met super alkalimangaanbatterijen

(telkens met vol vermogen)

Zwenkbereiken en klikstanden van de reflectorkop:

Naar boven / beneden: 60°, 75°, 90° / -7°

Afmetingen in mm (ong.):

75 × 125 × 108 (B x H x D)

Gewicht:

Flitser met stroombronnen: ong. 400 gram

Levering omvat:

flitser, gebruiksaanwijzing

Afvoeren van de batterijen

Batterijen horen niet bij het huisvuil.

S.v.p. de batterijen bij een daarvoor bestemd inzamelpunt afgeven.

S.v.p. alleen ontladen batterijen / accu's afgeven.

Batterijen / accu's zijn in de regel ontladen wanneer het daarvoor gebruikte apparaat

- uitschakelt en aangeeft 'batterijen leeg'

- de batterijen na langer gebruik niet meer goed functioneren.

Om kortsluiting te voorkomen, moeten de batterijpolen met plakband worden afgeplakt.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Afvoeren van de batterijen - 1

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Afvoeren van de batterijen - 2

GB

Richtgetallentabel voor TTL en vol vermogen M in het metersysteem Richtgetal (ft) = Richtgetal (m) x 3,3

In het kader de CE-markering werd bij de EMV-test de correcte be-lichting bepaald.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - GB - 1

Contacten niet aanraken !

In uitzonderlijke gevallen kan aanra- ken leiden.

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Contacten niet aanraken ! - 1

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Contacten niet aanraken ! - 2

Avvertenza:

METZ MECABLITZ 44 AF-4I NIKON - Avvertenza: - 1

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : METZ

Model : MECABLITZ 44 AF-4I NIKON

Categorie : Externe flitser