SEZ-KD71VAL - Airconditioner MITSUBISHI - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis SEZ-KD71VAL MITSUBISHI in PDF-formaat.
Download de handleiding voor uw Airconditioner in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding SEZ-KD71VAL - MITSUBISHI en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. SEZ-KD71VAL van het merk MITSUBISHI.
GEBRUIKSAANWIJZING SEZ-KD71VAL MITSUBISHI
Voor een veilig en juist gebruik moet u deze installatiehandleiding grondig doorlezen voordat u de airconditioner installeert. INSTALLATIONSMANUAL Español
Deze installatiehandleiding beschrijft alleen de installatie van de binnenunit en de verbonden buitenunit van de SUZ-serie. Wanneer een buitenunit is aangesloten die tot de MXZ-serie behoort, moet u de installatiehandleiding voor de MXZ-serie raadplegen.
1. Veiligheidsvoorschriften
Stel de aanleverende instantie op de hoogte of vraag om toestemming voordat u het systeem aansluit op het elektriciteitsnet.
- Lees “Aandachtspunten voor de veiligheid” voordat u de airconditioner installeert.
- Zorg dat u de waarschuwingen in acht neemt, omdat deze belangrijke informatie over de veiligheid bevatten.
- De symbolen hebben de volgende betekenis. Waarschuwing: Kan leiden tot de dood, ernstig letsel, enzovoort. Voorzichtig: Kan in een bepaalde omgeving bij onjuist gebruik leiden tot ernstig letsel.
- Bewaar deze handleiding na het lezen, samen met de bedieningshandleiding, op een handige plaats bij de klant. Symbolen die vermeld staan op het apparaat : Geeft een handeling aan die u beslist niet moet uitvoeren. : Geeft aan dat er belangrijke instructies opgevolgd moeten worden. : Geeft een onderdeel aan dat geaard moet worden. : Betekent dat u voorzichtig moet zijn met draaiende onderdelen. : Geeft aan dat het apparaat moet worden uitgezet voor onderhoud. : Geeft aan dat er een risico van elektrische schokken bestaat. : Geeft aan dat u op dient te passen voor hete oppervlakken. Waarschuwing: Lees de stickers die op het apparaat zitten zorgvuldig. Waarschuwing:
- De installatie moet door een vakman worden uitgevoerd. Onvolledige installatie kan leiden tot letsel als gevolg van brand, een elektrische schok, het vallen van de unit of waterlekkage. Raadpleeg de dealer bij wie u de unit hebt aangeschaft of een gespecialiseerde installateur.
- Installeer de unit degelijk op een plaats die berekend is op het gewicht van de unit. Als de unit op een te zwakke plaats wordt bevestigd, kan hij vallen en letsel veroorzaken.
- Gebruik de aangegeven kabels om de binnen- en buitenunits met elkaar te verbinden. Sluit de draden stevig aan op de aansluitpunten van het klembord, zodat de spanning op de draden niet wordt overgebracht op deze onderdelen. Onvolledige verbinding of aansluiting kan brand veroorzaken.
- Gebruik geen tussenkabel of verlengsnoer bij het aanleggen van de elektriciteit. Sluit niet meer dan één apparaat aan per stopcontact. Dit kan leiden tot brand of een elektrische schok als gevolg van een ondeugdelijk contact, ondeugdelijke isolatie, overschrijding van de toegestane belasting, enzovoort.
- Controleer of er geen koelgas lekt nadat de unit is geïnstalleerd.
- Voer de installatie veilig uit aan de hand van de installatiehandleiding. Onvolledige installatie kan leiden tot lichamelijk letsel als gevolg van brand, elektrische schokken, het vallen van de unit of waterlekkage.
- Voer de elektrische installatie uit volgens de aanwijzingen in de installatiehandleiding en gebruik een aparte stroomkring. Als het vermogen van de stroomkring niet toereikend is of de elektrische installatie niet volledig is afgewerkt, kan dit leiden tot brand of een elektrische schok.
- Bevestig de beschermkap van de schakeldoos stevig aan de binnenunit. Bevestig het onderhoudspaneel stevig aan de buitenunit. Als de beschermkap van de schakeldoos aan de binnenunit en/of het onderhoudspaneel aan de buitenunit niet goed zijn bevestigd, kan dit leiden tot brand, veroorzaakt door stof, water enzovoort.
- Zorg dat u bij de installatie de meegeleverde of aangegeven onderdelen gebruikt. Het gebruik van ondeugdelijke onderdelen kan leiden tot letsel of waterlekkage als gevolg van brand, een elektrische schok, het vallen van de unit, enzovoort.
- Ventileer de kamer als er koelstof lekt wanneer de unit in werking is. Als de koelstof met vuur in contact komt, komen er giftige gassen vrij. Voorzichtig:
- Aard de unit. Verbind de aarddraad niet met een gasleiding, waterleidingafsluiter of een aarddraad voor een telefoonaansluiting. Ondeugdelijke aarding kan leiden tot een elektrische schok.
- Installeer de unit niet in een ruimte waar een brandbaar gas lekt. Als er gas lekt en dit zich in de ruimte rond de unit ophoopt, kan dit tot een explosie leiden.
- Installeer een aardlekschakelaar als de unit wordt geïnstalleerd in een vochtige ruimte. Als er geen aardlekschakelaar is geïnstalleerd, kan dit leiden tot een elektrische schok.
- Voer de werkzaamheden aan het afvoer- en leidingstelsel zorgvuldig uit volgens de installatiehandleiding. Als er een defect optreedt in het afvoer- en leidingstelsel, kan dit leiden tot waterlekkage uit de unit en waterschade aan meubilair en dergelijke.
- Draai een optrompmoer aan met een momentsleutel zoals aangegeven in deze handleiding. Wanneer u een optrompmoer te stevig aandraait, kan deze na verloop van tijd breken en koelstoflekkage veroorzaken.
2. De installatieplaats kiezen
- Waar u het luchtfilter gemakkelijk kan verwijderen en vervangen.
Waar de luchtstroom niet wordt geblokkeerd. Waar koele lucht over de gehele ruimte wordt verspreid. Waar de unit niet wordt blootgesteld aan direct zonlicht. Op ten minste 1 m afstand van uw televisie en radio. De unit kan storen op het beeld of geluid van uw televisie of radio.
- Zo ver mogelijk verwijderd van tl-buizen of gloeilampen, zodat de infrarode afstandsbediening normaal kan worden gebruikt. Waarschuwing: Installeer de binnenunit aan een plafond dat berekend is op het gewicht van de unit. 2.2. Buitenunit
Voorzichtig: Vermijd de volgende plaatsen, omdat daar mogelijk problemen met de airconditioner zullen optreden.
- Ruimten met veel machineolie.
- Een zoute omgeving, zoals aan zee.
- De omgeving van warme bronnen.
- Plaatsen met zwavelgassen.
- Andere plaatsen met een bijzondere luchtgesteldheid. Waar deze niet wordt blootgesteld aan harde wind. Waar de luchtstroom voldoende en stofvrij is. Waar de unit niet wordt blootgesteld aan regen en direct zonlicht. Waar de buren geen last hebben van het geluid of de warme lucht van de unit. Aan een stevige muur of houder, zodat het werken van de unit geen extra geluid of trillingen veroorzaakt.
- Waar geen gevaar bestaat dat brandbare gassen gaan lekken.
- Bevestig de pootjes van de unit wanneer u de unit hoog installeert.
- Op ten minste 3 m afstand van een antenne voor radio of televisie. (De unit kan storen op het beeld of geluid van uw televisie of radio.)
3. De installatieplaats kiezen en accessoires
- Kies een plaats waar de constructie sterk genoeg is om het gewicht van het apparaat te kunnen dragen.
- Voordat u het apparaat monteert moet u bepalen hoe u het apparaat naar de plaats waar u het wilt monteren krijgt.
- Kies een plaats waar het apparaat geen hinder heeft van binnenkomende lucht.
- Kies een plaats waar de inkomende en uitgaande luchtstroom niet geblokkeerd wordt.
- Kies een plaats waar vandaan de koelleiding makkelijk naar buiten geleid kan worden.
- Kies een plaats waar de uitgeblazen lucht volledig door de kamer gedistribueerd kan worden.
- Monteer het apparaat niet op een plaats met veel oliespatten of stoom.
- Monteer het apparaat niet op een plaats waar brandbare gassen zich kunnen ontwikkelen, naar binnen kunnen komen of kunnen blijven hangen, of waar zich gaslekken kunnen voordoen.
- Monteer het apparaat niet op een plaats waar zich machines bevinden die radiogolven met een hoge frequentie ontwikkelen (zoals bijvoorbeeld een lasapparaat met een hoge frequentie).
- Monteer het apparaat niet op een plaats waar zich een brandmelder bevindt aan de kant waar de lucht uitgeblazen wordt. (De brandmelder kan afgaan als er hete lucht uitgeblazen wordt als het apparaat op verwarmen staat.)
- Als de mogelijkheid bestaat dat er zich speciale chemische producten in de lucht verspreiden zoals in chemische fabrieken en ziekenhuizen, dan moet er eerst een volledig onderzoek gedaan worden voordat u het apparaat monteert. (De plastic componenten kunnen schade oplopen afhankelijk van welk chemisch product het betreft.)
- Als het apparaat langdurig moet werken terwijl de lucht boven het plafond een hoge temperatuur/vochtigheidsgraad heeft (condensatiepunt boven 26 °C), kan er vocht uit de lucht in het binnenapparaat condenseren. Als de apparaten toch onder dergelijke omstandigheden moeten werken, dient u een laag isolatiemateriaal (10 - 20 mm dik) aan te brengen over het gehele oppervlak van het binnenapparaat, om condensatie tegen te gaan. Waarschuwing: Het apparaat moet veilig worden geïnstalleerd op een structuur die het gewicht van het apparaat kan dragen. Als het apparaat op een structuur wordt geïnstalleerd die niet sterk genoeg is, kan het vallen en verwondingen veroorzaken. 3.2. Montage- en onderhoudsruimte vrijlaten
- Kies de optimale blaasrichting in overeenstemming met de configuratie van de kamer en de montagepositie.
- Omdat het leidingwerk en de bedrading aan de onderkant en zijkant van het apparaat worden aangesloten, en ook het onderhoud aan die kanten uitgevoerd wordt, moet u daar voldoende ruimte voor vrijlaten. Om het montagewerk zo efficiënt en veilig mogelijk te laten verlopen, moet u zoveel mogelijk ruimte vrijlaten. 3.3. Buitenunit Ruimte voor ventilatie en ruimte ■ SUZ-KA25VA [Fig. 3-2] (P.2)
100 mm of meer 350 mm of meer Houd aan de voor- en zijkanten van de unit ten minste 100 mm vrij zonder belemmering. 200 mm of meer (Houd twee van de zijden aan de zijkant of achterkant vrij.) Wanneer de leidingen aan een muur worden bevestigd die een metalen afdekking of rooster bevat, moet u een geïmpregneerde houten lat met een dikte van minimaal 20 mm tussen de muur en de leidingen plaatsen of ten minste 7 of 8 lagen vinyl isolatietape om de leiding wikkelen. De units moeten door een gekwalificeerd vakman worden geïnstalleerd, in overeenstemming met plaatselijke regelgeving. 3.4. Onderdelen van het binnenapparaat Het apparaat wordt geleverd met de volgende onderdelen: 3.1. Monteer het binnenapparaat aan een plafond dat sterk genoeg is om het gewicht van het apparaat te kunnen dragen [Fig. 3-1] (P.2)
Toegangsluik B Kastje voor elektrische delen Luchtinlaat D Luchtuitlaat Plafondoppervlak Ruimte voor onderhoud (gezien vanaf de zijkant) Ruimte voor onderhoud (gezien vanaf de richting van de pijl) 600 mm of meer 2 100 mm of meer 10 mm of meer 4 300 mm of meer Nr.
Naam Pijpafdekking (voor het verbindingsstuk van de koelpijpen) kleine diameter Pijpafdekking (voor het verbindingsstuk van de koelpijpen) grote diameter Banden voor het tijdelijk vastmaken van de pijpafdekking en de afvoerslang Onderdelen afstandsbediening Signaalontvangeenheid Kabel signaalontvangeenheid Vulplaatje Afvoerleiding Pijpafdekking (voor afvoerslang) kort Aantal
- Als het optionele filter met extra lange levensduur is geïnstalleerd, wordt de airconditioner iets groter. Inlaat achter: de diepte wordt vergroot met 30 mm (*1) Inlaat onder: de hoogte wordt vergroot met 30 mm (*2)
- Indien nodig kunt u naast de ophangbouten nog een stel steunbalken aanbrengen, ter beveiliging tegen aardbevingen e.d.
- Gebruik M10 ophangbouten, ook voor de anti-aardbevingssteunbalken (deze zult u zelf moeten aanschaffen). [Fig. 4-1] (P.2) A Zwaartepunt (Zorg ervoor dat de plek waar u het apparaat bevestigt een sterke structuur heeft.) Ophangconstructie
- Plafond: De plafondconstructie varieert van het ene gebouw tot het andere. Voor gedetailleerde informatie moet u contact opnemen met uw aannemersbedrijf. 1 Het plafond verstevigen door meer balken te gebruiken (randbalken, enz.) kan nodig zijn om het plafond vlak te houden en om trillingen in het plafond te voorkomen. 2 Zaag de plafondbalken af en verwijder ze. 3 Verstevig de plafondbalken en zet er meer balken in om de plafondplaten vast te zetten. Zwaartepunt en gewicht product Modelnaam SEZ-KD25 SEZ-KD35 SEZ-KD50 SEZ-KD60 SEZ-KD71
5. Het apparaat monteren
5.1. Het apparaat ophangen s Breng het binnenapparaat naar de plaats van montage voordat u het uitpakt. s Om het binnenapparaat op te hangen moet u het apparaat ophijsen met een hefwerktuig en het ophangen door het door de ophangbouten te voeren. [Fig. 5-1] (P.2) A Apparaat B Hefwerktuig [Fig. 5-2] (P.2) C Moeren (Deze moet u zelf kopen) D Vulplaatjes (bijgeleverd) E M10 ophangbout (Deze moet u zelf kopen) 5.2. De juiste positie van het apparaat controleren en de ophangbouten vastzetten s Gebruik het patroon dat met het paneel is meegeleverd om te controleren dat het apparaat en de ophangbouten op de juiste plaats zitten. Als zij niet op de correcte plaats zitten, kan dit resulteren in dauwdruppels door windlekken. Zorg ervoor dat u de relatieve posities controleert. s Gebruik een waterpas om te controleren dat het oppervlak aangegeven door A vlak is. Zorg ervoor dat de moeren van de ophangbouten goed vastgedraaid zijn om de ophangbouten vast te zetten. s Om ervoor te zorgen dat de afvoer leeg kan lopen, moet u zich er met een waterpas van verzekeren dat het apparaat horizontaal hangt. [Fig. 5-3] (P.2) A Bodemoppervlak van het binnenapparaat Voorzichtig: Zorg ervoor dat u het apparaat horizontaal ophangt.
6.2.2. Bramen verwijderen
Zie de gebruiksaanwijzing behorende bij het buitenapparaat voor het toegestane hoogteverschil tussen de apparaten en voor de hoeveelheid aanvullend koelmiddel. Vermijd de volgende plaatsen, omdat daar mogelijkerwijs problemen met de airconditioner zullen optreden.
- Ruimten met veel olie, bijvoorbeeld machineolie of bakolie.
- Een zoute omgeving, zoals aan zee.
- De omgeving van warme bronnen.
- Plaatsen met zwavelgassen.
- Andere plaatsen met een bijzondere luchtgesteldheid.
- Deze eenheid heeft getrompte verbindingen aan zowel de binnenunit als de buitenunit. (Fig. 6-1)
- Koelstofleidingen verbinden de binnenunit en buitenunit, zoals in onderstaande afbeelding wordt weergegeven.
- Isoleer zowel de koelstof- als de afvoerleiding volledig om condensvorming te voorkomen. Braam Koperen buis/leiding Opruimer Pijpsnijder
- Verwijder zorgvuldig alle bramen uit de doorsnede van de buis/leiding.
- Houd het uiteinde van de buis/leiding naar beneden om te voorkomen dat kopervijlsel in de leiding vallen.
- Verwijder de optrompmoeren die aan de binnen- en buitenunit zijn bevestigd en bevestig deze aan de buis/leiding nadat de bramen zijn verwijderd. (Het is niet mogelijk deze na het optrompen te bevestigen.)
- Koelstofleidingen van 3, 5, 7, 10 en 15 m kunnen desgewenst worden gebruikt. (1) Onderstaande tabel geeft de specificaties voor leidingen die in de handel verkrijgbaar zijn. Model Leiding Buitenste diameter inch Minimale muurdikte Dikte van isolatie 1/4 0,8 mm 8 mm SEZKD25 Voor vloeistof Voor gas 6,35 9,52 3/8 0,8 mm 8 mm SEZKD35 Voor vloeistof Voor gas 6,35 1/4 0,8 mm 8 mm 9,52 3/8 0,8 mm 8 mm SEZKD50 Voor vloeistof Voor gas 6,35 1/4 0,8 mm 8 mm 12,7 1/2 0,8 mm 8 mm SEZKD60 Voor vloeistof Voor gas 6,35 1/4 0,8 mm 8 mm 15,88 5/8 1,0 mm 8 mm SEZKD71 Voor vloeistof Voor gas 9,52 3/8 0,8 mm 8 mm 15,88 5/8 1,0 mm 8 mm Isolatiemateriaal Heat resisting foam plastic 0,045 specific gravity
Trompgereedschap Matrijs Koperen leiding Optrompmoer Span
- Gebruik optrompgereedschap voor het optrompen (zie hieronder). Afmetingen Leidingdiameter A (mm) (mm) Bij het gebruik van het gereedschap voor R410A Type koppeling 6,35 0 – 0,5 9,52 0 – 0,5 12,7 0 – 0,5 15,88 0 – 0,5 B +0 -0,4 (mm) 9,1 13,2 16,6 19,7 Houd de koperen leiding stevig vast in de matrijs met de maat uit bovenstaande tabel.
[Fig. 6-7] (P.3) (2) Controleer of de 2 koelleidingen goed geïsoleerd zijn zodat condensvorming wordt voorkomen. (3) De buigzaamheidsradius van de koelleiding moet 10 cm of meer zijn. Voorzichtig: Gebruik isolatie van de juiste dikte. Te dikke isolatie veroorzaakt plaatsgebrek achter de binnenunit en te dunne isolatie kan leiden tot condensvorming. 6.2. Optrompen
- De belangrijkste oorzaak van gaslekken is een fout bij het optrompen. Voer het optrompen op de volgende manier correct uit.
6.2.1. Leidingen snijden
Koperen leidingen Goed Niet goed Scheef Ongelijk Bramen
Rondom glad Binnenkant glimt overal, zonder krassen. Rondom even lang Te veel Scheef 6.3. Leidingen aansluiten [Fig. 6-8] (P.3)
- Breng een dun laagje koelolie aan op het verbindingsvlak van de leiding.
- Voor de aansluiting moet u eerst het midden uitlijnen. Vervolgens draait u de optrompmoer 3 tot 4 slagen aan.
- Gebruik de onderstaande tabel met aandraaimomenten als richtlijn voor het verbindingspunt op de aansluitzijde van de binnenunit en draai de aansluiting vast met twee sleutels. Wanneer u een optrompmoer te stevig aandraait, kan dit het getrompte deel beschadigen.
Kras op het opgetrompte vlak Gebarsten Ongelijk Voorbeelden van ondeugdelijk optrompen
- Vergelijk de opgetrompte leiding met de afbeelding rechts.
- Snijd het opgetrompte stuk af en tromp de leiding opnieuw op wanneer deze ondeugdelijk is opgetrompt.
- Snijd dme koperen leiding recht af met een pijpsnijder. KB79H173H01_nl.p65
Aanhaalmoment (N·m) 14 – 18 34 – 42 49 – 61 68 – 82 Waarschuwing: De optrompmoer kan er afvliegen! (door interne druk) Verwijder de optrompmoer als volgt:
1. Draai de moer los totdat een sissend geluid hoorbaar is.
2. Verwijder de moer niet voordat het gas geheel is vrijgekomen (het sissende
3. Controleer of het gas geheel is vrijgekomen en verwijder vervolgens de moer.
De buitenunit aansluiten -0,101 MPa Compounddrukmeter Stopklep (-760 mmHg) (R410A) *Sluiten Zeshoekige sleutel *4 tot 5 slagen Drukmeter (R410A) Inlaatklep drukmeter (R410A) Hendel Ho Hendel Aanvoerslang (R410A) Stopklep Vakuüm(of de Onderhoudsinpomp vacuümpomp met Venstertje gang terugstroomAdapter ter Aanvoerslang voorkoming van preventie) (R410A) terugstromen Stopklep *Openen Verwijder de meter spruitstukklep snel van de onderhoudsopening van de stopklep. Sluit de leidingen aan op de leidingverbinding van de afsluitkraan van de buitenunit, op dezelfde manier als bij de binnenunit.
- Gebruik een momentsleutel of een moersleutel en gebruik hetzelfde aandraaimoment als bij de binnenunit. De koelstofleidingen isoleren Nadat de koelleidingen zijn aangesloten en ontlucht, opent u alle afsluitkranen en vloeistofleidingen. Als de unit wordt gebruikt zonder dat de openingen geheel zijn geopend, kan dit de werking verminderen en storingen veroorzaken.
- Nadat de koelstofleidingen zijn aangesloten, moeten de verbindingen (knelkoppelingen) worden geïsoleerd met een thermische isolatiemof, zoals hieronder aangegeven. Leidinglengte: maximaal 7 m. U hoeft geen gas bij te vullen. [Fig. 6-9] (P.3) A Pijpafdekking (klein) (bijgeleverd) B Voorzichtig: Trek de thermische isolatie aan het uiteinde van de koelstofleiding terug, steek het uiteinde in de bout van de knelkoppeling en schuif vervolgens het isolatiemateriaal weer terug. Let op dat er geen condensatie optreedt op het stuk koperen leiding dat niet is geïsoleerd. C Koelstofleiding voor vloeistof D Koelstofleiding voor gas E Koelstofleiding buiten apparaat F Hoofdapparaat G Pijpafdekking (groot) (bijgeleverd) H Thermisch isolatiemateriaal (zelf aan te schaffen) I Trekken J Flensmoer K Terugschuiven naar oorspronkelijke positie L Zorg dat er hier geen ruimte tussen blijft M Plaat op het hoofdapparaat N Band (bijgeleverd) O Zorg dat er hier geen ruimte tussen blijft. Plaats de verbinding omhoog. 1.Verwijder de rubber stop uit het uiteinde van de leiding van het apparaat. 2.Tromp het uiteinde van de koelpijp op de locatie op. 3.Trek de warmte-isolatie uit de koelpijp op de locatie en breng de isolatie weer op zijn oorspronkelijke plaats aan. Pas op bij koelleidingen s Gebruik niet-oxyderend soldeersel bij het hardsolderen om er zeker van te zijn dat er geen vreemde stoffen of vocht de pijp kunnen binnendringen. s Zorg ervoor dat u koelmachine-olie op het zittingsoppervlak van de “flare”aansluiting doet en dat u de leidingen stevig vastdraait met gebruik van een dubbele steeksleutel. s Gebruik een metalen beugel om de koelleiding te ondersteunen zodat er geen gewicht op de einde van de leiding aan het binnenapparaat komt te staan. Monteer deze steunbeugel op 50 cm afstand van de “flare”-aansluiting van het binnenapparaat. 6.4. Ontluchtingsprocedures en de lektest ONTLUCHTINGSPROCEDURES Sluit de koelleidingen (zowel de vloeistof- als gasleidingen) tussen de binnen- en buitenunit aan. Verwijder de onderhoudsopeningdop van de stopklep aan de zijde van de gasleiding van de buitenunit. (De stopklep werkt niet in de originele stand, zoals bij het verlaten van de fabriek ingesteld (geheel gesloten met dop aangebracht).) Sluit de meter spruitstukklep en de vacuümpomp op de onderhoudsopening van de stopklep aan de zijde met de vloeistofleiding aan de buitenunit aan. Start de vacuümpomp. (Trek vacuüm gedurende meer dan 15 minuten.) Controleer het vacuüm met de meter spruitstukklep. Sluit vervolgens de meter spruitstukklep en stop de vacuümpomp. Wacht één of twee minuten. Controleer of de wijzer van de meter spruitstukklep in dezelfde stand blijft. Controleer of de drukmeter -0,101 MPa (-760 mmHg) toont. Leidinglengte meer dan 7 m. Extra gas zoals vermeld vereist. Draai de dop van de onderhoudsopening weer vast tot de originele stand. Draai de dop weer vast. Test op lekken. 6.5. Afvoerleidingwerk
- Zorg ervoor dat de afvoerleiding naar beneden loopt (met een helling van tenminste 1/100), naar buiten (lozing). Monteer geen stankafsluiter of andere onregelmatigheid in de leiding. (1)
- Zorg ervoor dat kruiselings gemonteerde afvoerleiding niet langer is dan 20 m (het hoogteverschil niet meegerekend). Voor lange afvoerleidingen moet u een steunbeugel monteren om zakken van de leidingen te voorkomen. Monteer nooit een ontluchtingspijp, omdat anders het afvalwater eruit kan komen.
- Gebruik een harde PVC-pijp Buitendiameter ø32 voor de afvoerleidingen.
- Zorg ervoor dat verzamelleidingen 10 cm lager dan de afvoeruitlaat van het apparaat gemonteerd zijn, zoals in 2 wordt weergegeven.
- Monteer geen stankafsluiter op de afvoeruitlaatopening.
- Zorg ervoor dat u de uitlaat van de afvoerleiding zo monteert dat deze geen stank veroorzaakt.
- Doe het uiteinde van de afvoerleiding niet in een afvoer waar zich ionische gassen ontwikkelen. [Fig. 6-10] (P.3)
Naar beneden lopende helling van 1/100 of groter Verbindingsdiameter R1 buitendraad Binnenapparaat Verzamelleiding Vergroot deze lengte tot ongeveer 10 cm 1.Steek de afvoerleiding (accessoire) in de afvoeruitlaat. (De afvoerleiding mag niet meer dan 45° worden verbogen om breken of verstopping te voorkomen.) Het verbindingsstuk tussen het binnenapparaat en de afwateringsslang kan bij het onderhoud worden losgemaakt. Maak het onderdeel vast met het bijgeleverde stuk band, niet plakkend. 2.Bevestig de afvoerleiding (buitendiameter PVC-LEIDING Buitendiameter ø32, zelf aan te schaffen). (Bevestig de buis met lijm in het geval van een harde PVC-buis, en zet deze vast met het band (klein, accessoire).) 3.Breng isolatiemateriaal aan op de afvoerleiding (buitendiameter PVC-LEIDING Buitendiameter ø32) en op de bus (inclusief kniestuk). [Fig. 6-11] (P.3)
Binnenapparaat Pijpafdekking (kort) (bijgeleverd) Klemband (accessoire) Band voor vastmaken van onderdelen Insteekmarge Afvoerleiding (accessoire) Afvoerleiding (buitendiameter PVC-LEIDING Buitendiameter ø32, zelf aan te schaffen) Isolatiemateriaal (zelf aan te schaffen) Max. 145 ± 5 mm
7. Aanleg van kanalen
- Wanneer u een kanaal op de kast van de airconditioner wilt aansluiten, moet u hiertussen een canvas kanaal bevestigen.
- Gebruik brandbestendige materialen voor de onderdelen voor het kanaal.
Voorzichtig: Als u de luchtinlaat A direct aan de onderzijde van de kast bevestigt, zal dit leiden tot een aanzienlijk hoger geluidsniveau. De afstand tussen inlaat A en de kast moet daarom zo groot mogelijk zijn. Wanneer u gebruik wilt maken van de inlaat aan de onderzijde, is extra voorzichtigheid geboden. Gebruik voldoende thermisch isolatiemateriaal om condensvorming op de kanaalflenzen en kanalen voor de uitlaat te voorkomen. Verbind de kast van de airconditioner met het kanaal, zodat hiertussen geen statische ladingen kunnen ontstaan.
De afstand tussen het rooster van de luchtinlaat en de ventilator moet minimaal 850 mm bedragen. Als het niet mogelijk is om minimaal 850 mm vrij te laten, moet u een veiligheidsrooster of -net installeren om te zorgen dat de ventilator niet per ongeluk kan worden aangeraakt. [Fig. 7-1] (P.4)
Luchtinlaat Luchtuitlaat Toegangsklep Plafond Canvas kanaal Luchtfilter Rooster van luchtinlaat
8. Elektrische aansluitingen
8.1. Stroomtoevoer Elektrische specificaties Stroomtoevoer (1 fase ~/N, 230 V, 50Hz) [Fig. 8-2-4] (P.4) Ingangscapaciteit hoofdschakelaar/-zekering (A)
SEZ-KD25 SEZ-KD35 SEZ-KD50 SEZ-KD60 SEZ-KD71
- De compressor werkt niet tenzij de de fasen voor de stroomvoorziening op de juiste wijze zijn aangesloten.
- D wordt meestal geaard met een niet op zekering gebaseerde onderbreker (aardlekschakelaar [ALS]).
- De verbinding tussen de binnen- en buitenapparaten kan verlengd worden tot een maximum van 50 meter, en de totale maximale verlenging inclusief kruisverbindingen tussen kamers is 80 m. Met de airconditioner zal een schakelaar met ten minste 3 mm contactscheiding tussen de polen worden meegeleverd.
- Label iedere onderbreker, afhankelijk van zijn functie (verwarming, eenheid etc). J Aansluitblok voor stroomvoorziening en binnenshuissignaal K Naar de 1-fase voedingsbron L Aansluiten van de signaalontvangeenheid Sluit de signaalontvangeenheid aan op de CN90 (Aansluiten op het regelpaneel voor de draadloze afstandsbediening) van het binnenapparaat met behulp van het bijgeleverde afstandsbedieningssnoer. Sluit de signaalontvangeenheden aan op alle binnenapparaten.
- Leg de bedrading aan zoals aangegeven in het diagram links onderaan. (Schaf de kabel ter plaatse aan.) Zorg dat er alleen kabels van de juiste polariteit worden gebruikt. [Fig. 8-3] (P.5)
Binnenapparaat Buitenapparaat Signaalontvangeenheid Draadloze afstandsbediening Hoofdschakelaar/zekering Aarding
8.2. Binnenbedrading aansluiten Werkprocedure 1.Verwijder 2 schroeven om de kap van de schakeldoos te verwijderen. 2.Leg elke kabel via de bedradingsinlaat aan naar de schakeldoos. (Schaf de voedingskabel en de verbindingskabel tussen binnenunit en buitenunit apart aan en gebruik het meegeleverde snoer voor de afstandsbediening.) 3.Sluit de voedingskabel, de verbindingskabel tussen binnenunit en buitenunit en de kabel van de afstandsbediening stevig aan op de aansluitblokken. 4.Zet de kabels vast met klemmen in de schakeldoos. 5.Plaats de kap van de schakeldoos terug.
- Sluit de voedingskabel en de verbindingskabel tussen binnenunit en buitenunit aan op de schakeldoos met bufferringen voor spankracht. (PG-aansluiting of gelijkwaardig.) Waarschuwing:
- Zet de kap van de schakeldoos stevig vast. Als deze niet goed is bevestigd, kan dit leiden tot brand of een elektrische schok, veroorzaakt door stof, water enzovoort.
- Gebruik de aangegeven verbindingskabel tussen binnenunit en buitenunit voor de aansluiting van de binnenunit en buitenunit en bevestig de kabel stevig aan het aansluitblok zodat er geen kracht wordt uitgeoefend op het aansluitgedeelte van het aansluitblok. Onvolledige aansluiting of bevestiging van de kabel kan brand veroorzaken. [Fig. 8-2-1] (P.4) A Bevestigingsschroeven voor deksel (2 stuks) B Deksel [Fig. 8-2-2] (P.4) A Aansluitingenkast B Uitdrukbare opening C Verwijderen [Fig. 8-2-3] (P.4) E Gebruik een PG bus om het gewicht van de kabel te dragen, zodat er van buitenaf geen druk op de voedingsstekker wordt uitgeoefend. Gebruik een kabelbinder om de kabel vast te zetten. F Stroomvoorzieningssnoer G Trekkracht H Gebruik een gewone aansluitbus I Bedrading signaalontvangeenheid Aansluitingenblok binnenapparaat Aardingsdraad (groen/geel) Aansluitsnoer binnen/buitenapparaat 3-aderig 1,5 mm2 of meer Aansluitingenblok buitenapparaat Stroomvoorzieningssnoer: 2,0 mm2 of meer Regelpaneel binnenapparaat Aansluitkabel Kabel, 3-aderig, 1,5 mm2, volgens ontwerp 245 IEC 57. Aansluitblok voor binnenunit Aansluitblok voor buitenunit Sluit altijd een aardingsdraad aan (1-aderig, 1,5 mm2) die langer is dan de andere kabels. Signaalontvangeenheidkabel (bijgeleverd) (draadlengte : 5 m) Signaalontvangeenheid Voedingskabel Kabel, 3-aderig, 2,0 mm2, volgens ontwerp 245 IEC 57.
- Sluit de aansluitblokken aan zoals aangegeven in het diagram hieronder. Voorzichtig:
- Zorg dat de kabels goed worden aangesloten.
- Draai de aansluitblokschroeven stevig vast om te voorkomen dat deze lostrillen.
- Trek na het aandraaien van de schroeven zachtjes aan de kabels om zeker te zijn dat deze niet kunnen schuiven. 8.3. Afstandsbediening
8.3.1. Voor de draadloze afstandsbediening
(1) Kies een plaats waar u de afstandsbediening wilt monteren. De temperatuursensors bevinden zich zowel op de afstandsbediening als op het binnenapparaat. s Koop de volgende onderdelen zelf: Schakelkastje voor 2 delen Dunne koperen geleidingsbuis Borgmoeren en doorvoerbussen (2) Dicht de opening voor de afstandsbedieningskabel af met stopverf om te voorkomen dat er dauwdruppels, water, kakkerlakken of wormen inkomen. [Fig. 8-4] (P.5) A Voor installatie in het schakelkastje: B Voor directe montage op de muur kies dan voor één van de volgende methoden:
- Boor een gat door de muur om de afstandsbedieningskabel door heen te halen (om de afstandsbedieningskabel vanaf de achterkant te leiden) en dicht daarna het gat af met stopverf.
- Leid de afstandsbedieningskabel door het eruit gehaalde bovenste gedeelte en dicht daarna de eruit gehaalde uitsparing af met stopverf, net zoals hierboven is beschreven. C Muur G Schakelkastje D Geleidingsbuis H Afstandsbedieningskabel E Borgmoer I Dicht met stopverf af F Doorvoerbus B-1. Om de afstandsbedieningskabel vanaf de achterkant van de afstandsbediening te laten lopen: B-2. Om de afstandsbedieningskabel door het bovenste gedeelte te laten lopen: (3) Voor montage direct op de muur
8. Elektrische aansluitingen
8.3.2. Signaalontvangeenheid
1) Voorbeeld systeemaansluiting
[Fig. 8-5] (P.5) Alleen de bedrading van de signaalontvangeenheid en tussen de afstandsbedieningseenheden wordt getoond in Fig. 8-5. De bedrading kan afwijken afhankelijk van de eenheid die wordt aangesloten of van het systeem dat wordt gebruikt. Raadpleeg de installatiehandleiding of het servicehandboek bij de eenheid voor informatie over restricties.
1. Aansluiten op Mr. SLIM airconditioner
(1) Standaard 1:1 1 De signaalontvangsteenheid aansluiten Sluit de signaalontvangsteenheid aan op de CN90 (verbinden met de printplaat van de draadloze afstandsbediening) op het binnenapparaat met behulp van de bijgeleverde afstandsbedieningsdraad. Sluit de signaalontvangsteenheden aan op alle binnenapparaten.
2) Instellen van de paarnummerschakelaar
1. Instellingsmethode
Wijs aan de draadloze afstandsbediening hetzelfde paarnummer toe als dat van het binnenapparaat. Wanneer u dat niet doet, kan de afstandsbediening niet worden gebruikt. Raadpleeg de installatiehandleiding bij de draadloze afstandsbediening voor informatie over het instellen van paarnummers voor draadloze afstandsbedieningen. Positie van in serie geschakelde draad op de printplaat van het binnenapparaat. Voor het instellen van paarnummers zijn de volgende 4 patronen (A-D) beschikbaar. Patroon voor het instellen van paarnummers Paarnummer aan zijde van afstandsbediening
2. Voorbeeld voor het instellen
(1) Als u de eenheden in dezelfde ruimte wilt gebruiken [Fig. 8-7] (P.5) 1 Afzonderlijke instelling Wijs aan elk binnenapparaat een ander paarnummer toe om elk binnenapparaat met zijn eigen draadloze afstandsbediening te bedienen. [Fig. 8-8] (P.5) 2 Gemeenschappelijke instelling Wijs aan elk binnenapparaat hetzelfde paarnummer toe om alle binnenapparaten met één draadloze afstandsbediening te bedienen. [Fig. 8-9] (P.5) (2) Als u de eenheden in verschillende ruimten wilt gebruiken Wijs aan de draadloze afstandsbediening hetzelfde paarnummer toe als dat van het binnenapparaat. (Laat de instelling hetzelfde als ten tijde van de aanschaf.)
3) Installatiemethode
[Fig. 8-10] (P.6) tot [Fig. 8-19] (P.7)
1. Gemeenschappelijke stappen voor “Installatie tegen het plafond” en
“Installatie op de schakeldoos of aan de muur” [Fig. 8-10] (P.6)
Signaalontvangeenheid extern Midden van de schakelkast Schakelkast Installatiehoek 6,5 mm (1/4 inch) 70 mm (2 - 3/4 inch) 83,5 ± 0,4 mm (3 - 9/32 inch) Uitstekend deel (pilaar e.d.) [Fig. 8-11] (P.6) A Afstandsbedieningsdraad B Opening (boor een gat in het plafond om de afstandsbedieningsdraad door te leiden.) C Signaalontvangeenheid (1) Selecteer de installatielocatie. Houd rekening met de volgende punten. 1 Sluit de signaalontvangsteenheid aan op het binnenapparaat met behulp van de bijgeleverde afstandsbedieningsdraad. De lengte van de afstandsbedieningsdraad is 5 m (16 ft). Installeer de afstandsbediening binnen het bereik van de afstandsbedieningsdraad. 2 Bij het installeren aan de schakelkast of aan de wand, dient u voldoende ruimte rondom de signaalontvangeenheid te laten, zoals getoond in [Fig. 810]. 3 Wanneer de signaalontvangsteenheid op de schakeldoos wordt geïnstalleerd, komt de signaalontvangsteenheid 6,5 mm (1/4 inch) lager te zitten, zoals rechts wordt geïllustreerd. 4 Onderdelen die op de installatielocatie benodigd zijn. Schakeldoos voor één eenheid Elektriciteitsbuis voor dunne koperdraden Borgmoer en kabeldoorvoer 5 De dikte van het plafond waartegen de afstandsbediening wordt geïnstalleerd moet tussen 9 mm (3/8 inch) en 25 mm (1 inch) bedragen. 6 Installeer de eenheid tegen het plafond of tegen de muur op een plek waar het signaal van de draadloze afstandsbediening kan worden ontvangen. Het signaal van de draadloze afstandsbediening kan worden ontvangen tot een hoek van 45 graden en een afstand van 7 m (22 ft) gemeten vanaf de voorkant van de signaalontvangsteenheid. 7 Installeer de signaalontvangeenheid in de stand die past bij uw model binnenapparaat. 8 Sluit de afstandsbedieningsdraad stevig aan op de dienstlijn. Om de afstandsbedieningsdraad door de huls te leiden, volgt u de aanwijzingen getoond in Fig. 8-12. Zijde van printplaat binnenapparaat Punt waar de in serie geschakelde draad wordt losgekoppeld Niet losgekoppeld J41 losgekoppeld J42 losgekoppeld J41 en J42 losgekoppeld [Fig. 8-12] (P.6) A Stevig vastmaken met plakband. B Afstandsbedieningsdraad C Dienstlijn Opmerking:
- Het punt waar de afstandsbedieningsdraad wordt aangesloten, verschilt per binnenapparaatmodel. Houd er bij het kiezen van de installatielocatie rekening mee dat de afstandsbedieningsdraad niet kan worden verlengd.
- Als de signaalontvangsteenheid in de buurt van een tl-lamp met omvormer wordt geïnstalleerd, kan de ontvangst van het signaal storing ondervinden. Ga zorgvuldig te werk wanneer u de signaalontvangsteenheid installeert of de lamp vervangt.
2. Installatie op de schakeldoos of aan de muur
(1) Gebruik de afstandsbedieningsdraad om de eenheid aan te sluiten op de aansluiting (CN90) op de printplaat van het binnenapparaat. Zie onder 2) Instellen van de paarnummerschakelaar voor nadere details over het regelcircuitpaneel op het binnenapparaat. (2) Dicht de inlaatopening voor het snoer van de signaalontvangsteenheid af met stopverf om te voorkomen dat er dauw, waterdruppels, kakkerlakken of andere insecten in kunnen komen. [Fig. 8-15] (P.6)
150 mm (5 -15/16 inch) Afstandsbedieningsdraad (bijgeleverd) Bedradingsbuis Borgmoer Hulsring Schakelkast Hier rondom met stopverf afdichten
- Bij het installeren aan de schakelkast dient u de verbindingen tussen de schakelkast en de bedradingsbuis af te dichten met stopverf. [Fig. 8-15] (P.6) H Hier rondom met stopverf afdichten I Afstandsbedieningsdraad J Hier rondom met stopverf afdichten
- Bij het boren van een opening voor de draad van de signaalontvangeenheid (of bij het uitleiden van een draad aan de achterkant van de signaalontvangeenheid) dient u de betreffende opening af te dichten met stopverf.
- Bij het leiden van een draad door een opening die is uitgesneden in de bovenkant van de behuizing, dient u ook die opening af te dichten met stopverf. (3)Installeer de afstandsbedieningsdraad op het aansluitblok. (Fig. 8-16) (4)Maak een opening wanneer de signaalontvangsteenheid rechtstreeks op de muur wordt geïnstalleerd. (Fig. 8-17)
- Snij het dunwandige gedeelte van de onderkast (schuine deel) uit met een mes of een draadschaar.
- Voer de aangesloten afstandsbedieningsdraad via deze ruimte door naar het aansluitblok. (5) Installeer de onderkast op de schakeldoos of rechtstreeks op de wand. (Fig. 8-18) Het deksel monteren (Fig. 8-19) Voorzichtig:
- Het deksel zit pas goed vast wanneer u een klikgeluid hoort. Als het deksel niet goed vast zit, kan het omlaag vallen.
8. Elektrische aansluitingen
8.5.2. Functie-instelling op het apparaat (Keuze van de werkingsfuncties) [Fig. 8-22] (P.8)
8.4. Buitenunit [Fig. 8-20] (P.7)
- Sluit de kabel van binnenunit goed aan op het aansluitblok.
- Gebruik hetzelfde aansluitblok en dezelfde polariteit als die van de binnenunit.
- Zorg dat de verbindingskabel wat langer is voor later onderhoud.
- Beide uiteinden van de verbindingskabel (verlengsnoer) moeten worden gestript. Zorg dat de voedingskabel net zo lang is als aangegeven in de afbeelding door deze tot de juiste lengte te strippen.
- Zorg dat de verbindingskabel niet in contact komt met de leidingen. [Fig. 8-21] (P.7) A Draai de aansluitblokschroef los B Aansluitblok C Stroomdraad Voorzichtig:
- Zorg dat de kabels goed worden aangesloten. (Fig. 8-21)
- Draai de aansluitblokschroeven stevig vast om te voorkomen dat deze lostrillen.
- Trek na het aandraaien van de schroeven zachtjes aan de kabels om zeker te zijn dat deze niet kunnen schuiven. Waarschuwing:
- Zorg dat het onderhoudspaneel van de buitenunit stevig is bevestigd. Als dit niet goed is bevestigd, kan dit leiden tot brand of een elektrische schok, veroorzaakt door stof, water enzovoort.
- Draai de aansluitblokschroeven stevig vast.
- Zorg bij het aanleggen van de bedrading dat er geen spanning wordt uitgeoefend op de stroomkabels. Anders kan er hitte worden gegenereerd of brand ontstaan. 8.5. Functie-instellingen
8.5.1 Instelling van de functies op het apparaat (de functies van het
apparaat selecteren)
1) FUNCTIE AUTO RESTART
Alleen voor de draadloze afstandsbediening [Fig. 8-22] (P.8) Dit model is uitgerust met de functie AUTO RESTART (automatisch opnieuw starten). De werkingsmodus, ingestelde temperatuur en de ventilatorsnelheid worden opgeslagen op de besturingskaart van binnenunit als de binnenunit wordt bediend met de afstandsbediening. De functie Auto Restart wordt ingeschakeld zodra de stroomtoevoer na een stroomstoring is hersteld. De unit start dan automatisch opnieuw op. Omschakelen van de voedingsspanning
- Zorg vooral dat de voedingsspanning juist staat ingesteld op de plaatselijke netspanning. 1 Ga naar de functiekeuzestand Druk tweemaal achtereen op de CHECK controletoets F. (Verricht deze handelingen wanneer het scherm van de afstandsbediening is gedoofd.) De aanduiding CHECK licht op en “00”gaat knipperen. Druk eenmaal op de TEMP toets C om in te stellen op “50”. Richt de draadloze afstandsbediening op de ontvanger van het binnenapparaat en druk op de Urentoets A. 2 Instellen van het apparaatnummer Druk op de TEMP toets C en D om het apparaatnummer in te stellen op “00”. Richt de draadloze afstandsbediening op de ontvanger van het binnenapparaat en druk op de Minutentoets B. 3 Keuze van de juiste stand Voer 04 in om de voedingsspanning om te schakelen met behulp van toetsen C en D. Richt de draadloze afstandsbediening op de ontvanger van het binnenapparaat en druk op de Urentoets A. Huidig ingesteld nummer: 1 = 1 piepje (een seconde) 2 = 2 piepjes (elk een seconde) 3 = 3 piepjes (elk een seconde) 4 Keuze van het instelnummer Gebruik de C en D toetsen om de voedingsspanning om te schakelen naar 01 (240 V). Richt de draadloze afstandsbediening op de ontvanger van het binnenapparaat en druk op de Urentoets A. 5 Doorlopend kieze van meerdere functies achtereen Herhaal de stappen 3 en 4 om meerdere functies achtereen in te stellen. 6 Afronden van de functiekeuze Richt de draadloze afstandsbediening op de ontvanger van het binnenapparaat en druk op de AAN/UIT toets E. Opmerking:
- Telkens wanneer u wijzigingen maakt in de functie-instellingen na installatie of onderhoud, dient u die te noteren met een vinke in de “Instellingen” kolom van de functietabel.
8.5.3 Functie-instelling op de afstandsbediening
Zie de bedieningshandleiding van het binnenapparaat. Functietabel Selecteer eenheidnummer 00 Modus Automatisch herstel van stroomuitval *1 (functie Auto Restart) Binnentemperatuurdetectie LOSSNAY-verbinding Automatisch Instellingen Modusnummer Instellingsnummer Begininstelling Instelling Niet beschikbaar (*1) Beschikbaar Binnenapparaat gemiddelde werking Instellen met afstandsbediening van binnenapparaat
Interne sensor van afstandsbediening Niet ondersteund
Ondersteund (binnenapparaat is niet voorzien van buitenluchttoevoer) Ondersteund (binnenapparaat is voorzien van buitenluchttoevoer) De energiebesparingscyclus wordt automatisch ingeschakeld
De energiebesparingscyclus wordt automatisch uitgeschakeld Selecteer eenheidnummers 01 tot en met 03 of alle nummers (AL [afstandsbediening met snoer]/07 [draadloze afstandsbediening]) Instellingen 100 uur 2500 uur Geen filtertekenindicator 15 Pa Externe statische druk 35 Pa 50 Pa Gekij aan de instelling voor modus nr. 08. 5 Pa (stel de contactmodus voor nummer 08 tot 1) *1 Als de voeding terugkeert, zal de airconditioning 3 minuten later beginnen. Modus Filterteken Modusnummer Instellingsnummer Begininstelling Instelling
9.1. Voordat u gaat proefdraaien s Controleer nadat u de binnen-en buitenapparaten, inclusief pijpen en bedrading, volledig heeft geïnstalleerd het geheel op lekken van koelstof, losse elektrische contacten in voeding of besturingsbedrading en polariteit en controleer of er geen verbreking van een fase in de voeding is. s Controleer met behulp van een megohmmeter van 500 volt of de weerstand tussen de netspanningsaansluitpunten en de aarde minimaal 1,0 MΩ bedraagt. s Voer deze test niet uit op de aansluitpunten van de besturingsbedrading (laagspanningscircuit). Waarschuwing: U mag de airconditioner niet gebruiken als de isolatieweerstand minder dan 1,0 MΩ bedraagt. Isolatieweerstand Na de installatie of nadat de voeding van het apparaat langere tijd is uitgeschakeld, daalt de isolatieweerstand tot onder 1 MΩ door de ophoping van koelstof in de compressor. Dit is geen storing. Volg de onderstaande procedures.
1. Haal de bedrading van de compressor los en meet vervolgens de isolatieweerstand
2. Als de isolatieweerstand lager is dan 1 MΩ, is de compressor defect of is de
weerstand gedaald door de ophoping van koelstof in de compressor.
3. Sluit de bedrading van de compressor weer aan en schakel de voeding in. De
compressor zal nu beginnen met warmdraaien. Meet de isolatieweerstand opnieuw nadat de voeding gedurende de hieronder aangegeven periode is ingeschakeld.
- De isolatieweerstand daalt door de ophoping van koelstof in de compressor. De weerstand stijgt tot boven 1 MΩ nadat de compressor twee tot drie uur heeft warmgedraaid. (De tijd die de compressor nodig heeft om warm te draaien varieert afhankelijk van de atmosferische omstandigheden en de ophoping van koelstof.)
- Bij ophoping van koelstof in de compressor moet deze voor gebruik ten minste 12 uur warmdraaien om storingen te voorkomen.
4. Als de isolatieweerstand stijgt tot boven 1 MΩ, is de compressor niet defect.
- De compressor werkt uitsluitend als de fase-aansluiting van de netspanning correct is.
- Zet de netspanningschakelaar ruim 12 uur voordat u de airconditioner gaat gebruiken aan. - Als u het apparaat meteen nadat u de netschakelaar heeft omgedraaid aanzet, kunnen de interne onderdelen ernstig beschadigd worden. Gedurende het seizoen waarin u het apparaat gebruikt, moet u de netschakelaar altijd aan laten staan. 9.2. Proefdraaien
9.2.1. Met de draadloze afstandsbediening
[Fig. 9-1] (P.8) 1 De stroomvoorziening van het apparaat moet tenminste 12 uur voor het eerste proefdraaien zijn ingeschakeld. 2 Druk tweemaal achtereen op de TEST RUN proefdraaitoets A. (Verricht deze handelingen wanneer het scherm van de afstandsbediening is gedoofd.) De aanduiding TEST RUN en de huidige bedieningsstand worden aangegeven. 3 Druk op de MODE toets B om de COOL koelingsstand in te schakelen en controleer dan of het apparaat daadwerkelijk koele lucht uitblaast. 4 Druk op de MODE toets B om de HEAT verwarmingsstand in te schakelen en controleer dan of het apparaat daadwerkelijk warme lucht uitblaast. 5 Druk op de FAN toets C en controleer of de ventilatorsnelheid verandert. 6 Druk op de VANE toets D en controleer of de automatische jaloezie goed werkt. 7 Druk op de ON/OFF toets om het proefdraaien te stoppen. Opmerking:
- Richt de afstandsbediening op de ontvanger van het binnenapparaat voor de volgende stappen 2 tot 7.
- Het gebruik hiervan is niet mogelijk bij de FAN, DRY of AUTO functies. [Uitvoerpatroon A] Fouten gesignaleerd door het binnenapparaat Draadloze afstandsbediening Afstandsbediening met snoer Een pieptoon klinkt/het OPERATION INDICATOR lampje knippert (een aantal malen) Controlecode
Geen geluid Symptoom
Opmerking Inlaatsensorfout Pijp (vloeistof- of 2-fasen pijp) sensorfout Communicatiefout binnen/buitenapparaat Afvoersensorfout Afvoerpompfout Beveiliging tegen bevriezen/oververhitting Communicatiefout tussen het binnen- en het buitenapparaat Pijptemperatuurfout Signaalontvangstfout afstandsbediening
Systeemfout binnenapparaatregeling (geheugenfout, enz.) Geen betekenis [Uitvoerpatroon B] Fouten gesignaleerd door een andere eenheid dan het binnenapparaat (buitenapparaat enz.) Draadloze afstandsbediening Een pieptoon klinkt/het OPERATION INDICATOR lampje knippert (een aantal malen) Symptoom
Communicatiefout binnen/buitenapparaat (Verzendingsfout) (Buitenapparaat) Onderbreking vanwege overstroom compressor Onderbreking/kortsluiting in thermistors buitenapparaat Onderbreking vanwege overstroom compressor (met compressor geblokkeerd) Abnormaal hoge uitstroomtemperatuur/ 49C gewerkt/ onvoldoende koelmiddel Abnormaal hoge druk (63H gewerkt)/ Beveiliging tegen oververhitting Abnormale temperatuur van de koelvinnen Ter beveiliging ventilator buitenapparaat gestopt Onderbreking vanwege overstroom compressor/ Abnormale voedingstoestand Abnormale oververhitting door te lage uitstroomtemperatuur Abnormaal verschijnsel zoals te hoge spanning of abnormaal synchroon signaal naar hoofdcircuit/ Stroomsensorfout
Andere fouten (Zie de technische handleiding voor het buitenapparaat) Opmerking Voor nadere details controleert u de LED aanduidingen op het buitenapparaat-regelpaneel. *1 Als er na de eerste twee pieptonen om de ontvangst van het zelfcontrole-startsignaal te bevestigen niet nogmaals een pieptoon klinkt en als het OPERATION INDICATOR lampje niet oplicht, zijn er geen foutmeldingen. *2 Als er na de eerste twee pieptonen om de ontvangst van het zelfcontrole-startsignaal te bevestigen nog driemaal achtereen een korte pieptoon klinkt, “piep, piep, piep” (0,4 + 0,4 + 0,4 sec.), is het gekozen koelingsadres niet juist.
- Over de draadloze afstandsbediening Er klinkt een aanhoudende zoemer van het ontvangstgedeelte van het binnenapparaat. Knipperen van het werkingslampje
- Over de draadloze afstandsbediening Contolecode aangegeven op het LCD-scherm.
- Als het apparaat niet naar behoren werkt nadat het hierboven beschreven proefdraaien is uitgevoerd, volgt u de aanwijzingen in de volgende tabel om het probleem te verhelpen. Symptoom Oorzaak Afstandsbediening met snoer LED 1, 2 (Circuitpaneel in buitenapparaat)
- Na inschakelen zal het apparaat ongeveer 2 minuten lang Ongeveer 2 minuten Nadat LED 1, 2 oplichtten is LED 2 EVEN GEDULD A.U.B. nog niet op de afstandsbediening reageren, omdat het lang na het inschakelen gedoofd en blijft alleen LED 1 branden. bezig is met de systeemstart. (Juiste werking) (Juiste werking)
- De aansluiting voor beveiliging van het buitenapparaat is niet aangesloten. EVEN GEDULD A.U.B. → FoutAlleen LED 1 brandt. → LED 1, 2
- Omgekeerde fase of open-fase bedrading in het stroomcode Wanneer er na het in- knipperen. voorzieningsaansluitblok (L1, L2, L3) van het buitenapparaat. schakelen ongeveer 2 Er verschijnen geen aanduidingen wanneer de hoofdschakelaar AAN wordt gezet (en het werkingslampje licht niet op). minuten zijn verstreken Alleen LED 1 brandt. → LED 1, 2 knipperen tweemaal en LED 2 knippert eenmaal.
- Onjuiste aansluitingen tussen het binnenapparaat en het buitenapparaat (onjuiste polariteit van S1, S2, S3)
- Kortsluiting in de afstandsbedieningsdraad Onder de bovengenoemde omstandigheden zal de draadloze afstandsbediening het volgende te zien geven.
- Geen enkel signaal van de afstandsbediening heeft enig effect.
- Het OPE werkingslampje knippert.
- De zoemer maakt een kort ping-geluid. Opmerking: Bediening zal niet mogelijk gedurende ongeveer 30 seconden na het annuleren van de functiekeuze. (Juiste werking) Een beschrijving van de LED-lampjes (LED1, 2, 3) op de regeleenheid van het binnenapparaat vindt u in de volgende tabel. LED 1 (voeding voor de microcomputer) Geeft aan of er stroom voor de bediening wordt geleverd. Let op dat dit LED-lampje altijd brandt. LED 2 (voeding voor de afstandsbediening) Geeft aan of er stroom aan de afstandsbediening wordt geleverd. Dit LED-lampje licht enkel op wanneer het binnenapparaat is verbonden het het koelingsadres “0” voor het buitenapparaat. LED 3 (communicatie tussen het binnen- en het buitenapparaat) Geeft aan hoe de communicatie tussen het binnen- en het buitenapparaat verloopt. Let op dat dit LED-lampje altijd brandt.
9.3. FUNCTIE AUTO RESTART
Bedieningskaart van binnenunit Dit model is uitgerust met de functie AUTO RESTART (automatisch opnieuw starten). De werkingsmodus, ingestelde temperatuur en de ventilatorsnelheid worden opgeslagen op de besturingskaart van binnenunit als de binnenunit wordt bediend met de afstandsbediening. De functie Auto Restart wordt ingeschakeld zodra de stroomtoevoer na een stroomstoring is hersteld. De unit start dan automatisch opnieuw op. Stel de functie AUTO RESTART (automatisch opnieuw starten) in met de draadloze afstandsbediening. (Functie nr.1). 10.Onderhoud 10.1. Gas bijvullen Opmerking: Wanneer u koelvloeistof bijvult, dient u zich te houden aan de hoeveelheid die voor het specifieke koelcircuit is opgegeven. [Fig. 10-1] (P.8)
Binnenunit Koppelstuk Vloeistofleiding Gasleiding Stopklep Buitenunit Koelstofgascilinder bedieningsklep Koelstofgascilinder voor R410A, met siphon Koelstof (vloeibaar) Elektronische weegschaal voor bijvullen koelstof Laadslang (R410A) Meter van spruitstukafsluiter (R410A) Onderhoudsopening
1. Sluit de gascilinder aan op de dienstopening van de afsluitkraan (3
2. Ontlucht de leiding (of slang) van de gascilinder met koelstof.
3. Vul de aangegeven hoeveelheid koelstof bij terwijl de airconditioner in de
koelmodus is ingeschakeld. Voorzichtig:
- Laat geen koelgas in de ruimte ontsnappen. Zorg ervoor dat er tijdens installatie, demontage of reparaties aan het koelcircuit geen koelgas in de ruimte ontsnapt.
- Maak voor het bijvullen van koelstof gebruik van een gascilinder met vloeibare koelstof. Indien de koelstof als gas wordt bijgevuld, kan er een wijziging optreden in de samenstelling van de koelstof binnen de cilinder en het buitenapparaat. In dit geval neemt het koelvermogen van het apparaat af of de normale werking wordt onmogelijk. Echter, alle vloeibare koelstof in één keer bijvullen kan ervoor zorgen dat de compressor blokkeert. Vul de koelstof daarom langzaam bij. Voor het behouden van een hoge druk van de cilinders, dient u deze bij koude omstandigheden met warm water (onder 40 °C) te verwarmen. Gebruik echter nooit vuur of stoom.
Notice-Facile