NAVMAN DIESEL 3200 - Brandstofmeter

DIESEL 3200 - Brandstofmeter NAVMAN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis DIESEL 3200 NAVMAN in PDF-formaat.

📄 77 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag
Notice NAVMAN DIESEL 3200 - page 29
Bekijk de handleiding : Français FR Deutsch DE Nederlands NL
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.

Gebruikersvragen over DIESEL 3200 NAVMAN

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Brandstofmeter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding DIESEL 3200 - NAVMAN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. DIESEL 3200 van het merk NAVMAN.

GEBRUIKSAANWIJZING DIESEL 3200 NAVMAN

1-1 Kenmerkende installations 30
1-2 Hoe de flow-sensoren werken 31
1-3 Schoonmaak en onderhoud 31
1-4 Kalibratie 31

2 Bediening 31

2-1 In- en uitschakelen 31
2-2 De toetsen 31
2-4 Bovenste helft beeldschem. 32
2-5 Onderste helft beeldscherm 32
2-3 Achtergrundlicht instellen 32
2-6 Brandstof-en accualarmen 33
2-7 Brandstofmeter. 33
2-8 Eenheden veranderen 33
2-9 Simulatiestand 33
2-10 Toetsenoverzicht 34

3 De instellungenmenu's. 35

3-1 Instelling data 35
3-2 Eerste instelling 35
3-3 Instellingsmenu en -gegevens 36
3-4 Brandstofkalibratie (CAL.F) 38
3-5 Brandstof-flow-demping (dAmP.F) 38
3-6 Snelheidsinput (InPUt) 38
3-7 Snelheidsdemping (dAmP.S) 39
3-8 Snelheidskalibratie door log (CAL.L) 39
3-9 Snelheidskalibratie bij bootsnelheid (CAL.S). 39

4 Installatie 40

4-1Tanken motoropties 40
4-2 Het beeldschemm 41
4-3 Debrandstof-flow-sensor(en) 41
4-4 De snelheidssensor (optioneel). 41
4-5 Stroom-/datalabelBedrading. 42
4-6 Systemen van meerdere instrumenten 43
4-7 Testen van de installment 44
4-8 Resettenaar fabriekinstelling 44

5 Brandstof toevoegen of verwijdenen 45
6 Problemen oplossen 46
Appendix A Specificities 48
Appendix B Hardware 49
Appendix C-Snelheid door het water en over de grond 51

Eenheden

Dit instrument is standard ingesteld op US gallons, knopen en nautischeIRRien.

We verwijzenaarsectie3-3omdeeenhedenteveranderen.

Belangrijk

Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker om dit instrument en de sensoren zo te installereren en gebruiken dat er geen ontgelukken, personelijk letsef schade aan eigendommen worden verroorzaakt. De gebruiker van dit product is persoonlijk verantwoordelijk voor goed zeemanschap.

Brandstofype: Navman benzine-flow-sensoren (kunststof) en FUEL 3100 instrumenten zijn special ontwikkeld voor gebruik in de scheepvaart met benzine binnen- en buitenboordmotoren en zich Niet gegarandeerd voor andere toepasseningen. Deze sensoren en instrumenten dienen NIET gebruikt te worden met benzine EFI-motoren met een returnlijn waar de tank of met dieselmotoren.

Navman diesel-flow-sensoren (metaal) en DIESEL 3200-instrumenten zijn special ontwikkeld voor de scheepvaart met dieselmotoren en zich nicht goergeanderd voor andere toepasseningen. Deze sensoren en instrumenten dienen NIET met benzinemotoren gebruikt te worden.

Brandstofsamenstelling: De fabrikant heeft er alles aan gedaan om er zeker van teল dat de gebruike materiaalen in de Navman brandstof-flow-sensoren goed functioneren met verschillende brandstofmixen. De fabrikant en de distributeurs dragen darüber geen verantwoordelijkheid voor brandstofsamenstelling of het effect dat dit mogelijkderwijs heeft op de werkung en duurzaamheid van de brandstof-flow-sensor(en).

Tegendruk: Een brandstof-flow-sensor creëert extra tegendruk in een brandstofsysteme:

In een benzinesystem (FUEL 3100): 1/2 inch (1,27cm) kwikdruk bij 75 liter /uur (19,8 US Gallons) en 1 inch (2,54cm) kwikdruk bij 150 liter/uur (39,5 US gallons).
In een dieselsystem (DIESEL 3200): 0,3 inch (0,76 cm) kwikdruk bij 100 liter /uur (25 US Gallons) en 1,5 inch (3,81 cm) kwikdruk bij 300 liter/uur (80 US gallons).

Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar de brandstof-flow-sensoren zo te installeren dat geen brandstofgebrek on staat die tot matige motorprestaties kan leiden.

Brandstofcomputer: Brandstofverbruik kan dramatisch veränderen afhankelijk van de lading van de boot en de zeecondities. De brandstofcomputer dientARAOMNIE DE INGE BRON VAN INFORMATIE te juices m.b.t. beschikbare brandstof aan boord en de elektronische informatie dient aangevuld te worden met visuele of andere controles van de brandstoflading. Dit is moodzakelijk als geolg van gebruikersfouten zoals het vergeten van het resetten van de verbruike brandstof wanner de tank wordt opgevuld, het gebruiken van de motor terwijl de brandstofcomputer net ingeschakeld is en andere fouitieve gebruikersacties. Verzekert u zich er alttijd van dat er voldoende brandstof voor de geplande trip aan boord is plus een reserve voor onvooriende omstandigheden.

Specifiekrechtlijnen: de brandstofinstallatie op uw boot kan onderworpen zijn aan bepaalde voorwaarden (zoals USCG, NMMA en ABYC rechtlijnen of locale wetgeving), in het bijzonder indien de boot een licentefeit haen geinspecteerd is door overheden. Het is de verantwoordelijkheid van de eigenaar om het instrument en de sensor(en) zo te installereren en gebruiken dat het in overstemming is met dieze richtlijnen.

NAVMAN NZ LIMITED STELT ZICH NIET AANSPRAKELIJK VOOR GEBRUK VAN DIT PRODUCT WAARBIJ ONGELUKKEN OF SCHADE WORDEN VEROORZAAKT OF DIE IN STRIJD ZIJN MET DE WET.

Bepalende taal: Deze beping, alle handleidingen, gebruikersgidsen an andere informatie met betrekking tot het product (Documentatie) kan worden vertaald maar of is vertaalduit een andere taal (Vertaling). Indien er een conflict istussen een Vertaling van de Documentatie dan is de Engelse versie van de Documentatie de officiele versie.

Deze handleiding geeft de FUEL 3100 en de DIESEL 3200 waar tenijdie van druk. Navman NZ Limited bevoudt zich hetrecht voor om veranderingen aan specifiekdoord te voeren zonder Voorafgaande berichtgeving.

Copyright (c) 2004 Navman NZ Limited, Nieuw Zeeland. Alle rechten voorbehonden. Navman is een geregestreerd handelsmerk van Navman NZ limited.

1 Introductie

Deze handleiding beschrijft twee verschillende Navman brandstofinstrumenten voor de scheepvaart:

  • De FUEL 3100, die is voorzien van een aparte benzine-flow-sensorkit en benzineverbruik meet.
  • De DIESEL 3200, die is voorzien van een aparte diesel-flow-sensorkit en dieselverbruik meet.

Deze handleiding beschrijft hoe deze instrumenten geinstalleerd, ingesteld en gebruikt dieren te worden. Voor meer informatie verwijzen we uaar de Flow-sensor installmentehandleiding (voor de FUEL 3100 en benzinesystemen) en Diesel-flow-sensor installatie en bedieningshandleiding (voor de DIESEL 3200 en dieselsystemen); deze handleiding为自己it Gebreide information over het optimaliseren van het functioneren van uw brandstofverbruik.

De FUEL 3100 of de DIESEL 3200 meten en geven de brandstof-floweer in real time voor een boot met een of twinmotoren. Het kan de hoeveelheid verbruekte brandstof, resterende brandstof en de brandstof-flow-ratio berekenen.

Indien een optionele snelheidssensor of een snelheidsinstrument is aangesloten dan

kan het instrument ook brandstofverbruik, vaarsnelheid, triplog en totale logs berekenen. Indien u zich bewust bent van het brandstofverbruik kunt u de optimale brandstoffoevoer vaststellen en maximale brandstoffbesparingen bereiken. Voor boten met twinmotoren is het mogelijk de flow-ratio's van de twee motoren te vergelijkden om zoemaxale synchronisatie te bereiken.

Het is heel belangrijk om de brandstofweergave van de FUEL 3100 of de DIESEL 3200 na gedeelrijk of geheel opvullen of verwijderen van brandstof van/uit de tank te updaten om accurate aflezingen te handhaven.

De FUEL 3100 en de DIESEL 3200 make nondereelukt van de Navman familie van bootinstrumenten. Deze familie omvat instrumenten voor snugheid, diepte, wind en repeaters. De instrumenten kannen met elkaar verbonden worden door gebruik van NavBus of NMEA om een geintegreerd datasystem voor de boot te vormen.

Informatie in deze handleiding is van toepassing op zowel de FUEL 3100 als de DIESEL 3200 tenzij anders weergegeven. Het is belangrijk dit document en de installment- en bedieningshandleiding van het Navman-instrument te lezen voordat u deze kit installeert en gebruikt.

NAVMAN DIESEL 3200 - Introductie - 1
1-1 Kenmerkende installations

NAVMAN DIESEL 3200 - Introductie - 2

1-2 Hoe de flow-sensoren werken

Benzine-flow-sensor (FUEL 3100): de benzineflow-sensor word in de benzineleiding:tussen de brandstoftank en de motor geplaatst. Eenkleine turbine in de brandstof-flow-sensormeet de ratio van brandstof-flowaar binnen.Deze informatie worden door de brandstof-flow-sensorkabel doorgegeven en elektronisch op het beeldschemr weergegeven.

Diesel-flow-sensor (DIESEL 3200):

EenDieselsensor is een positieve vloeistofverplaatsende flow-meter met een bewegend intern onderdeel, gemaakt van wrijvings- en brandstof vast kunststof. Er zijn geen puntige assen of kogellagers die door de trilling van een pulserende dieselmotor versletten raken.

Elke motor is voorzien van twee brandstofsenoren om de brandstofvoorziening en de detourstroom te meten. Het systeem berekent de motorconsumptie en het compenseert voor de trilling van membraan brandstofpompen,

verschillende brandstoffemperaturen in de voorzieningen- en retourleidingen en de flow-karakteristieken van deSENSoren.

1-3 Schoonmaak en onderhoud

Maak het beeldschemm en kunststof sensoren schoon met een vochtige doek of een mild schoonmaakmiddel. Vermijd schuurmiddelen, benzine of andere oplosmiddelen.

Plaats de beschermkap over hetbeeldschemm als deze Niet worden gebruikt

1-4 Kalibratie

FUEL 3100: Het is essentieel dat de brandstof-flow-sensoren worden gekalibbreerd na installmente en nogmaals na 100 motoruren, zodate bewegende deeltjes ingesleten zijn (zie sectie 4-2).

DIESEL 3200: De sensoren zich in de fabriek gekalibreerd en zich erg precies. U kunt ze nogmaals kalibreren maar dit zich Niet nodig dienen te zich.

2 Bediening

2-1 In- en uitschakelen

Het beeldschem haeft geen eigien aan/uitschakelaar, maar indien möglichk zou het zo aangesloten moeten worden dat het ingeschakeld worden als de motor worden ingeschakeld, zodate motorurenteller waar behoren werkct. (Zie sectie 4-4).

2-2 De toetsen

Het instrument hierft vier toetsen; ESC, ENT, V en A.

Indeze handleiding:

  • Betekent drukken dat u de toets minder dan een seconde ingedrukt houdt.
  • Betekent ingedrukt houden dat u de toets ingedrukt houdt totdat het beeldschem verandert.

Algemeen:

Druk op A om de informatie die in de bovenste helft van het scherm worden weerdegeven te veranderen.

In een instellingsmenu indrukken of ingedrukt honden om deinstelling te verhogen.

Schakel het instrument aan en uit met het contactslot aan board. Het beeldschem hepft geen eigenaan/uit-schakelaar. Wanner het instrument wordt uitgeschakeld, blijven uw instellingen behouden.

Indien SIM flikkert linksonder in beeld dan staat het instrument op de simulatiestand (zie sectie 2-9).

NAVMAN DIESEL 3200 - 2-2 De toetsen - 1

  • Druk op V om de informatatie die in het onderste deel van het beeldschem wirdt weergegeven te veranderen.

In een instellingsmenu V indrukken of ingedrukt houden om de instelling te verlagen.

Het beeldscherm en de toetsen zich verlicht voor eenvoudiger aflezen bij weinig Licht. Om dit achtergrundlicht te wijzigver verandert u LAmP in het LAmP menu (zie sectie 41).

NAVMAN DIESEL 3200 - 2-2 De toetsen - 2

2-4 Bovenste helft beeldscherm

Druk een of meerdere keren op om te veranderen wat worden weergegeven (bijv. indien het beeldscherm USED weergeeft, drukt u op om het beeldscherm maar FLOW te veranderen):

  • REMAINING: Resterende brandstof. U dient deze te updaten indien u brandstof toevoegt of verwijderen (zie sectie 3).
  • USED: De gebruikte brandstof sinde laatste reset.

Om verbruike brandstof te resetten drukt u een of Meerdere keren op totdat gebrukt wordt weergegeven. Houdt dan ENT en samen ingedrukt totdat de aflezing maar nul geseret is.

:Geeft voedingsvoltageaar het hoofdinstrumenteer.
- FLOW: Brandstof-flow-ratio.
ECONOMY: Afgelegde afstand per eenheid gebruekte brandstof (hiervoor is een optionele snelheidsinput benodigd, zie sectie 4-5).
RPM: Motor RPM (alleen voor DIESEL 3200).

PORT RPM: RPM voor bakboordmotor (op bovenste helft beeldschem weergegeven)

STBD RPM: RPM voor stuurboordmotor (op onderste helft beeldschemm weergegeven)

Opmerking:

  • Indien de boot twee motoren heeftClient u, wonneer FLOW wordt weergeveen, een of meerdere keren op ENT te drukken om PORT, STBD of TOTAL flow wee te geven.
  • Indien de boot beschikt over twee brandstoffanks, dient u wanner

REMAINING of USED weergegeven worden een of meerdere keren op ENT te drukken om PORT, STBD of TOTAL flow wee ter geven.

2-5 Onderste helft beeldschemr

Druk een of meerdere keren op om teveranderen wat weergegeven worden:

LOG: Trip afstand; de afstand die is afgelegd sinds log is geset.
Om log te resetten drukt u een of meerdere keren op totdat log worden weergegeven. Vervolgens houdt u ENT en SAMEN ingedrukt totdat de weergave maar nul is gereset.
TOTAL LOG: Totale afstand; de totale afgelegde afstand sinds totaal log geset werd.
Om totaal log te resetten drukt u een of meerdere keren op V totdat log worden weergegeven. Vervolgens houdt u ENT en V samen ingedrukt totdat de weergave maar nul ist geseret.
hours: Uren die de motor heeft gelopen sinds uren geset werd.
Om uren te resetten drukt u een of meerdere keren op V totdat uren wordt weergegeven. Vervolgens houdt u ENT en V samen ingedrukt totdat de weergave maar nul is geseset.
RANGE:Geschatte afstand die afgelegd kan worden met de resterende brandstof bij het huidig verbruik.
SPEED: Vaarsnelheid.

Opmerking:

LOG, TOTAL LOG, RANGE en SPEED haben optionele snelheidsinput nodig (zie sectie 4-5).

Het instrument heeft twee alarmen:

  • Weinig brandstof: Alarm klinkt wanneer de restenderende brandstof in de tank minder is dan de alarmreactiewaarde.
    Accu bijna leeg: dit alarm klinkt wanner het accuvoltage minder worden dan de alarmreactiwarede.

Om de alarmen aan en uit te schakelen en om de alarmwaarden in te stellen, zie sectie 3-3. Indien een alarm klinkt, za het symbol flikkeren, de interne buzzer klinken en eventuelle externe buzzers en lichten in werkung treden. Bij een weinig-brandstof-alarm flikkert de brandstofmeter.

Druk op ESC om het alarm UIT te schakelen.

NAVMAN DIESEL 3200 - Opmerking: - 1

2-7 Brandstofmeter

Geeft resterende brandstof in de tank(s) wee.
Indien de boot twinmotoren heeft LAST de meter beiden tanks zien; de linkerkant is de bakboard-tank en de rechterkant is de stuurboordtank:

NAVMAN DIESEL 3200 - 2-7 Brandstofmeter - 1

2-8 Eenheden veranderen

1 Druk op totdat REMAINING, USED, FLOW of ECONOMY worden weergegeven.
2 Houd een of meerdere keren ingedrukt om de brandstofeenheden te veranderen.

Opmerking:

Wanner 'gal'wortd weergegeven kennedit US gallons of IMP gallons zijn. Controleer dit in het eenhedenmenu en verander indien nodig (zie FUEL UnItS in het UnItS menu, sectie 3-3).

Afstand- en snuglheidseeheden veranderen

1 Druk op V totdat LOG, TOTAL LOG, RANGE of SPEED worden weergegeven.
2 Druk V een of meertere keren in om de afstands- en smelheidseenheden te veranderen.

2-9 Simulatiestand

De simulatiestand stelt de gebruiker in staat om zonder te varen de FUEL 3100 te leren kennen. In de Simulatiestand genereert de FUEL 3100 data intern en wordt data van de sensor genedeerd. Het woord SIM flikkert links onder aan het scherm.

Om de simulatiestand in- of uit te schakelen:

1 Draait u het contact UIT.
2 Houdt u ESC ingedrukt verwijl u het contact weer inschakelt.

2-10 Toetsenoverzicht

NAVMAN DIESEL 3200 - 2-10 Toetsenoverzicht - 1

3 Deinstellingsmenu's

3-1 Instelling data

Maak gelebruik van de instellingsmenu's op de volgende paginga's om uw instrument aan te passen aan uw boot en uw voorkeuren. Om instellingsdataeer te geven of te veranderen:

1 Druk vanuit het hoofdmenu tegelijkertijd op ESC en ENT om de instellingsstand te starten.
2 Druk een of meerdere keren op V of om de instellingsmenu's wee te gehen.
3 Druk op ENT om een instellingsmenu te kiezen.
4 Druk een of meerere keren op of A om de instellingsdata voor het instellingsmenueer te gehen.
5 Indien de boot twinmotor of twee tanks heeft druk op ENT. Druk een of meerdere keren op V om de bak-en staurboard instellingsdata wee ter vegeten.
6 Om de data te veranderen:

i Druk op ENT; de data za kal knipperen.
ii Druk op V of A of houd deze ingedrukt om de waarde te veranderen.
iii Druk op ENT om de neue waarde te accepteren of druk op ESC om uw veranderingen te negeren.

7 Om andere instellingsdata waar te Geven of te veranderen voor dit instellingsmenu, herhaal stappen 4, 5 en 6 en druk dan op ESC te drukken.
8 Om installingsdata voor andere instellingsmenu's wee te geven of te wijzigen herhaalt u steeds stap 2 tot 6. Druk tot slot op ESC om terug ESC om terug te keren maar het hoofdmenu.

3-2 Eersteinstelling

1 Stel het aantal tanks in in het FUEL-menu.

i Selecteer dual en dan Off (1 tank) of On (2 tanks).
ii Selecteer verwolgens het aantal motoren motor (1 of 2).

2 Selecteer in het dSL SEn-Menu demotoren als volgt:

i Reset naar enkele motor-installatie.
ii Selecteer een motor (bakboard of stuurboard), en verwijdervervolgens de stroom van de diesel-flow-sensor van de andere motor door de witgekleurde stekker uit het contact te nemen.
iii Druk op ENT en houd 2 sec vast om de motor te configureren. Een piep klintk indien gereed. Herhaal ii en iii voor de andere motor.

3 Identificier de snelheidsinput in het SPEEDed-menu. None, GPS of Sen.
4 Om alle gevevens maar de fabrieksinstelling te resetten, zie sectie 4-8
5 Voor enkele motor / enkele tank dieselinstallaties zal de fabrieksinstelling werkken.

Druk in het hoofdmenu tegelijktijd op ENT + ESC om het instellingsmenu te starten.

Druk op V of A om instellingsmenu te selecteren

NAVMAN DIESEL 3200 - 3-2 Eersteinstelling - 1

NAVMAN DIESEL 3200 - 3-2 Eersteinstelling - 2
Druk op ∧ of on installing data te selecteren

Volgorde voor toetsaanslagen:

Start instellingsstand druk

ENT + ESC tegelijkkertijd

Beweegaarhetgewenste menu

door gebruik van A of V

Kies het menu door te drukken op ENT

Beweeg waar de gewenste pagina

door te drukken op A or V

Selecteer de pagingadruk op ENT

Verander de gegevens druk op of A

Accepteer de verandering, druk op ENT

Verlaat de pagina druk op ESC

Terugkeren naar het

hoofdschem, druk op ESC

3-4 Brandstofkalibratie (CAL.F)

Om een brandstof-flow-sensor te kalibreren kiest u CAL.F in het FUEL- menu. Kalibreren de sensoren indien u twijfelt over hun werkung.

FUEL 3100: het is belangrijk om de brandstof flow-sensoren na installmentte te kalibreren en nogmaals na 100 motoruren, zodat bewegende deeltjes ingesleten zijn.

DIESEL 3200: de sensoren zich in de fabriek gekalibreer en zicheer nauwkeurig. Ze kunjnen gekalibreerd worden maar dit zou nicht nodig要去en zich.

Voor kalibratie van de brandstof-flow-sensor is heel nauwkeurige meting van het brandstofverbruik nodig. U kunt dit het beste doen met gebruik van een draagbare tank. Gebruik tenminste 15 liter (4 gallons) brandstof voor een nauwkeurige kalibratie. Des te meer brandstof u gebruikt, des te nauwkeuriger za de kalibratie zich.

Bij boten met twinmotoren dieren beiden motoren gekalibreerd te worden. U kunt ze tegelijkkertijd doeon m.b.v. twee draagbare tanks, of op verschlende tjden m.b.v. een draagbare tank.

Om de brandstof-flow-sensor van de motor te kalibreren:

1 Verbind u de draagbare tank aan de motor door de brandstof-flow-sensor.
2 Reset USED: (gebruikt)

i Druk een of meerdere keren op A totdat USED wordt weergegeven.
ii Indien uw boot twee tanks heeft drukt u een of meerdere keren op ENT om PORT of STBD (bakboard of stuurboard) wee te给他们.
iii Houdt ENT en samen ingedrukt totdat het instrument maar nul is geset.

3 Laat de motor op normale kruissnelheid lopen totdat een bekende hoeveelheid brandstof, tenminste 15 liter (4 gallons), per motor is verbruikt.
4 Selecteer het FUEL (brandstof)-instellingsmenu en selecteer dan CAL.F; indien uw boot twinmotoren heeft selecteert uw de PORT of STBD (bakboard of sturboord) motor die gekalibreerd dient te worden (zie sectie 4-1).

5 Indien de waarde van CAL.F Niet overeenkomt met de kBekende hoeveelheid verbrukke brandstof, druk dan op ENT enervoigens op Aen V om CAL.F te veranderen tot het wel overeenkomt. Drukervoigens op ENT om de correcte waarde te bewaren (drukt anders op ESC om de kalibratie te negeren).

3-5 Brandstof-flow-demping (dAmP.F)

Golven en het schommelen van de bootveroorzaken een schommeling in de brandstoff-flow. Voor een stabiele aflezing calculeert het instrument de flow door meerdere metingen te verrichten over een bepaalde tijd en hiervan het gemiddelde te nemen. Dit heet damping.

Stel dAmP.F (demping) inussen 1 en 99
seconden. Eenkleine waarde geefteer
precieze aflezingen, maar ook grotere
schommelingen. Grotere waarden given
stabielerle aflezingen maar negeren een aantal
werkelijk aanwezige schommelingen.

3-6 Snelheidsinput (INPUT)

Selecteer de optionele snelheidsinput:

No: Geen snugheidsinput beschikbaar.

GPS: Gebruik via NMEA ontvangen GPS-snelheid. Dit is snelheid over de grond.

SEn: De optionele logwielsensor kan direct op het instrument worden aangesloten, of door het navbus-systeme. Dit is snelheid door het water.

Opmerking:

Een spelneidsinput is nodig voor de weergave van LOG, TOTAL LOG, RANGE en SPEED (zie 2-5).

Snelheid over de grond en door het water kuren verschillende waarden geen voor een aantal van de weergegeven data (zie appendix C)

3-7 Snelheidsdemping (dAmP.S)

(Alleen beschikbaar indien een optionele logwielsensor is verbonden aan het instrument en InPUt = Sen). Golven en het schommelen van de bootverozaken een lichte schommeling in de slelheid. Voor een stabile aflezing berekent het instrument de slelheid door meerdere metingen te verrichten over een bepaalde tjid en hiervan het gemiddelde te nemen. Dit heet damping.

Stel dAmP. S in op 1 (6 sec), 2 (12 sec), 3 (18 sec), 4 (24 sec) of 5 (30 sec). Een kleine waarde geefteer precieze aflezingen, maar ook grotere schommelingen. Grotere waarden geenstabiliere aflezingen maar negeren een aantelwerkelijk aanwezige schommelingen.

3-8 Snelheidskalibratie door log (CAL.L)

(Alleen beschikbaar indien een optionele logwielsensor is verbonden aan het instrument en InPUT = SEn.). Selecteer CAL.L om de logwielsnelheidssensor m.b.v. het triplog te calibreren.

1 Druk op V totdat LOG in het onderste deel van het scherm worden veergeveen. Druk op ENT + V om LOG maar 0 te resetten.
2 Vaar een bekende afstand in een rechte lijn met een snugheid tussen de 5 en 20 knopen. De beste resultaten worden bereikt onder kalme condities met een minimale stroming (bij voorkeur hoog of laag tij). Effecten van de getijden konnen worden verminderert door de trip een keer in beide richtingen, parallel aan de stroming te varen, om het gemiddelde van de afstand te verkrijgen.
3 Kies het SPEED (snelheid)instelleningenmenu en kies dan CAL.L, de afgelegde afstand.
4 Indien de Waarde van CAL. I. Niet overeenkomt met de bekende afstand, druk dan op ENT en vegolgens op A of V en verander de waarde tot deze wel overeenkomt. Druk vegolgens op ENT om de correcte Waarde te bewaren (druk anders op ESC om de kalibratie te negeren).

3-9 Snelheidskalibratie bij bootsnelheid (CAL.S)

(Alleen beschikbaar indien een optionele logwielsensor aan het instrument is verbonden en InPUt = SEn.) Selecteer CAL, S om de logwielsnelheidsensor m.b.v. de bootsnelheid te kalibreren. Voor een precieze bootsnelheid kut u gebruik maken van een andere boot met een gekalibreerde logwielsensor of een GPS-ontvanger.

Dient de snelheid van een andere logwielsensor zich:tussen de 5 en 20 knopen te bevinden.
- Dienen condities kalm teijken met een lichte stroming (bij voorkeur hoog of laag tij)).

Voor een precieze kalibratie:

1 Vaar op een constante, bekende snugheid.
2 Kies het SPEED (snelheid) instellungenmenu, en kies dan CAL.S, de bootsnelheid.
3 Indien de waarde van CAL.S Niet overeenkomt met de bekende afstand, druk dan op ENT enervolgens op of en verander de waarde tot het wel overeenkomt. Drukervolgens op ENT om de correcte waarde te bewaren (druk anders op ESC om de kalibratie te negeren).

Opmerking:

Nadat u op ENT, heeft gedrukt maakt het Niet更是uiit of de vaarsnelheid verandert.

4 Installatie

Correcte installment is crucial voor de werking van het instrument. Het is van vitaal belang dat u de hele installmentsectie van deze handleiding en van de documentationatie die bij optionele onderden wordt geleverd doorleest voordat u met de installment begint.

Voor meer informatie verwijzen we u waar de installmenteinstrukties die bij de sensor worden geleverd of een uw Navman-levancier.

NAVMAN DIESEL 3200 - Installatie - 1
Een brandstoftank, een motor

Brandstof-verbruik-meting

NAVMAN DIESEL 3200 - Installatie - 2
Een brandstoftank, twinmotoren (hiervoor is een twinmotorkit nodig)

NAVMAN DIESEL 3200 - Installatie - 3
Dubbele brandstoftank, twinmotoren (hiervoor is een twinmotorkit nodig)

Er zich drie opties voor de FUEL 3100 en de DIESEL 3200.

Een FUEL 3100 gebruikt een sensor om brandstofverbruik te meten.

De DIESEL 3200 geleuikt twee sensoren om brandstofverbruik te meten; een sensor in de aanvoerleiding en een sensor in de retourleiding (zie sectie 1-1).

Om het instrument voor verschlende tank- enmotoropties te configuuren stel dUAL enmotor in het FUEL-menu in en identificer

voortwinmoterendeverschillende motoren in het dSL SeN-menu door achtereenvolgens de stroom van de flowsensoren te verwijdenen, zoals in deze sectie worden beschrenve.

Opmerking:

Twin brandstoffanks verbonden door een open verbindingspijp dienen geconfigureerd te worden als een enkele brandstoffank.

4-2 Het beeldscherm

1 Kies een locatie voor het beeldschemm waar het:

  • goed zichtaar is en nicht gemakkelijk beschadigd worden
  • tenminste 100mm van een kompas en tenminste 500mm van radio-of radarantenne verwijderd is
    verwijder is van motoren, TL-verlichting, stroomomvormer en radio- of radarzenders
    toegankelijk is van deijkenkant; hiervoor is een minimum ruimte van 50~mm benodigd (zie bevestigingsdiagram)
    aan de achechterkant beschermd worden voor vocht en water.

2 Het instrument dient op een vlak paneel bevestigd te worden dat minder dan 20mm dik is. Plak de bevestigingsmal op de juiste plaat. Boor een bevestigingsgat van 50~mm door het middelste gat in de mal. De mal的那一 ruihte rond het instrument voor de beschemkap.
3 Verwijder de bevestigingsmoer van de awhilekant van het beeldschem. Steek de bout aan de awhilezijde van het beeldschem door het bevestigingsgat. Draai de moer met de hand aan.

Waarschuwingen

  1. Het beeldschem is waterdicht aan de voorkant. Bescherm de acheerkant gegen water, anders zou water het luchtgat aan de acheerkant binnen kuren komen en het beeldschem kannen beschadigen. De garantie is Niet geldig voor schade die voorzaakt is door water dat aan de acheerkant het instrument is binnen gekomen.
  2. Verzekert u zich ervan dat gaten voor de installmentie de constructie van de boot nicht ondermiijnen. Raadpleeg in geval van twijfel een gekwalificicerde bootbouver.

4-3 De brandstof-flow-sensor(en)

Installer de brandstof-flow-sensor(en)
volgens de instructies in de handleiding die bij de benzine de diesel-flow-sensor(en) geleverd ward. Lees de waarschuwing over brandstoffypes in appendix B.

FUEL 3100: Steek de sensorkabel in de FUEL 3100 kabel met een witte connector en draai de sluitmoer aan. Voor een twinmotor of een boot met een dubbele tank volgt u de instructies in de Brandstofsensor Installatiehandleiding.

DIESEL 3200: Verbind de witte sensorkabel aan de DIESEL 3200. Installeer voor een twinmotorinstallatie eerst de witte T-connector en verbind de sensorkabels hieraan.

4-4 De snelheidssensor (optioneel)

Indien nodig installeert u de optionele logwielsnelheidsensor gebruik makend van de instructie in de handleiding die bij de sensor worden geleverd. Steek de sensorkabel in de FUEL 3100 babel met een blauwe connector en draai de sluitmoer aan.

Indien een NavBus of NMEA snelheidsbrongebruikt worden, verbind deze dan aan destrom-/datalabel (zie volgende-page).

Zijaanzicht van bevestiging instrument

NAVMAN DIESEL 3200 - Zijaanzicht van bevestiging instrument - 1

NAVMAN DIESEL 3200 - Zijaanzicht van bevestiging instrument - 2
4-5 Stroom-/datalabel bedding

NAVMAN DIESEL 3200 - Zijaanzicht van bevestiging instrument - 3

Opmerkingen voor zowel FUEL 3100 als DIESEL 3200

Gebruik een Navman NavBus-box of een eenvoudig draad maar draad verbindingsysteme voor de bedrading van de stroom-/datakabel. Plak Niet gebruiktde draden af, bedek ze, of gebruik connectoren om zetegen water en kortsluiting te beschermen. Het instrument heeftussen 10,5en 16,5V DC stroom nodig.Om de motuurenteller maar behore to doe werden werk denClient het instrument alleen van stroom te worden voorzien als de motor is ingeschaken. Met twinmotoren is het ideaal als het instrument werktZWel met een als met twee werkende motoren.Indien voldoende stroom beschikbaar is, bedraad het instrument dan afzonderlijk aan het contact van beide motoren met gebruik van een Aan/Aan-schakelaar. Een andere mogelijkheid is bedrading viae en aparte schakelaar aan het 12V net aan board.De instrumenten dieneniet door.beidecontacteen tegeligkertijd worden gevoed.Indien geen Navman aansluitdoos wordt gebruikt,dient een 1A zeneking in de stroomaanvoer (+) -lij te worden geplaatst.

4-6 Systemen van meertere instrumenten

Meerdere Navman instrumenten+kennen op elkaar worden aangesloten zodat ze data hunnen delen, via NavBus of NMEA.

NavBus is een system dat eigendom is van Navman en die een veelheid aan data gedeel door verschillende instrumenten aankan, met een hoge slelheid.

Indien instrumenten via NavBus op elkaar+zijn aangesloten:

Is data van een sensor die aan een instrument is verbonden ook schikkaar voor andere instrumenten.
- Worden de eenheden, alarmen of kalibratie op een instrument automatisch verandernd indien dieze waarden worden veranderd voor andere instrumenten van hetzelfde type.
- Kan elk instrument worden toegewezen aan een instrumentengroep door een groepsnummer:tussen de 0 en 4 te Geven. Indien dan het achtergrundlicht voor een instrument in de groepen 1,2,3 of 4 gewijzigd worden za het automatisch veranderen voor alle instrumenten

De alarmoutput van het instrument is geaard zodat het alarm klinkt, maximaal 30V DC en 250~mA . Indien de externe alarmen更是 dan 250mA DC nodig hebden dient u een relais te installereren.

in die groep. Indien u darüber het
achtergrundlicht voor een instrument in
groep 0 heeft gewijzigd za dit Niet van
invloed zich op een ander instrument.
Om de FUEL 3100 of de DIESEL 3200 aan een
groep toe te wijzen, dient u Groupe in het
LamP-meniu in te stellen (zie sectie 3-3).

  • Kan, indien een alarm klinkt, dit uitgeschakeld worden door het alarm op een scherm dat dit alarm weergeeft uit te schaken.
    NavBus aansluitdozen vereenvoudigen bedrading.

Voor meer informatie verwijzen weaar de NavBus installment- en bedieningshandleiding.

NMEA

NMEA is een industriestandaard voor verbindingenussen scheepvaaretelektronica.De FUEL 3100 en de DIESEL 3200:

Kunnen snelheidsdata (RMC) lezen van een compatibel NMEA GPS instrument (zie sectie 4-5)
Versturen PTTKV, VHW, XDR, VLW

Om de installment te controleren:

Een kenmerkend NavBus-system

NAVMAN DIESEL 3200 - Een kenmerkend NavBus-system - 1

4-7 Testen van de installmentie

1 Start de boot en andere instrumenten aan board. Controleer of de instrumenten goed werken.
2 Stel de instellingsdata in (zie sectie 4-1).
Stel eerst dUAL, motor, en InPUT in en dan de rest van de instellingsdata.
Voor boten met twee tanks of met een twinmotorClient u indien nodig bak-en stuurboorddata afzonderlijk in te voeren.
3 Vul de brandstoftank(s) en stel de hoveeelheid in de tank in op het FUEL 3100 of DIESEL 3200 instrument (zie sectie 3a).
4 Op boten met twinmotoren dient u de installment van de bak- en stuurboordbrand stofensoren te controlen:
- DIESEL 3200: Start de bakboordmotor. Controller of de LED-lichten onder de sensoren knipperen. Dit geeft aan dat de sensoren goed werkken. Controller of inderdaad de brandstof-flow als brandstofverbruik voor de bakboordmotor worden weergegeven op het instrument. (Indien het worden weergegeven als brandstofverbruik voor de stuurboordmotor, verwisselt u dan de brandstof-flow-sensorconnectoren aan het T-verbindingsstukje.) Herhaal de contrôle voor de stuurboordmotor.

FUEL 3100: Start de bakboard motor. Controller of indeedaad de brandstoffflow als brandstofverbruik voor de bakboardmotor worden weergegeven op het instrument. (Indien het worden weergegeven als brandstofverbruik voor de stuurboedmotor, configureren dan de instelling opnieuw (zie sectie 3-3).
5 Alleen voor FUEL 3100: kalibreer de brandstofsensor(en) (zie sectie 3-4).
6 Indien een logwiel snugheidssensor is aangesloten, kalibreer deze dan (zie secties 3-8 and 3-9).
7 Maak een proefvaart en controllerer dat het instrument de juiste data weergeeft.

FUEL 3100: na de eerste 100 motoruren dient de brandstofsensor van de FUEL 3100 opnieuw gekalibreerdt te worden (zie sectie 3-4).

4-8 Resettenaar fabrieksinstelling

Om te resetten maar fabrieksinstelling:

1 Schakel de stroomuit.
2 Houdt ENT + V ingedrukt terwijde stroom weer inschakelt en voor nog tenminste 5 seconden daarna.

5 Brandstof toevoegen of verwijderen

Indien u brandstof toevoegt of verwijdertuit de tankClient u in de FUEL 3100 of dieDIESEL 3200 in te voeren hoeveel brandstof utoegevoedg of verwijdert heb. Als u dit Nietdoet voor namelijk de REMAINING- en RANGEFuncties en het weinig brandstoffalarm zonderbetekenis.Twin brandstoftanks verbondendoor een open balanspijp dienen te wordengezien als een enkele brandstoftank.

Wanneru brandstof aan de tank toevoegt of hieruit verwijderd:

a Wanner u de tank vult
1 Vuldetank.
2 Druk op A totdat REMAINING wordt weergegeven.
3 Indien de boot twee tanks heeftdrukt u op ENT totdat het beeldscherm weergeeft of u PORT of STBD heeft bijgevuld.
4 Druk ∧ en ∨ samen in.
5 Indien de boot wee't tanks heeft en u vult de andere tank ook, herhaal dan bovenstaande stappen.

Opmerking:

Het is vaak erg moeilijk om ondervloerse tanks twemaal tot hetzelfde nivee te vullen als gevolg van luchtzakken. Daarom zouden eigenaren van boten met ondervloerse tanks:

Zich ervan要去en verzekeren dat de boot zo getrimd is dat de hoek met het water hetzelfde is telkens als procedure a wordtuitgevoerd.
- Gebruik gewoonlijk procedure b als de tank word geldvul, maar onceveer elke tiende tankbeurt procedure a.

b Een tank geheel of gedeeltelijk vullen

1 Voordat u brandstof toevoegt of verwijdert dient u ESC en ENT samen en vervolgens V in te drukken totdat het FUELinstellingsmenu worden weergegeven.
2 Druk op ENT, enervoigens op V of A totdat de FUEL data wordt weergegeven.
3 Indien de boot twee tanks heeft drukt u op ENT. Druk verzolgens op V totdat het beeldschem weergeeft welke tank bevuld worden, PORT of STBD (bakboard of stuurboard).

4 Schrijf het getal dat bij FUEL worden weergegeven op. Dit is het eenal liters dat zich op dit moment in de tank befindt.
5 Voeg brandstof aan de tank toe, en schrijf op hoeveel u toevoegt.
6 Tel de tweet getallen die u opgeschreven heeft bij elkaar op om de hoeveelheid brandstof die zich op dit moment in de tank bevindt te verkrijgen. Druk op ENT. Drukvervolgens op A of houdt deze ingedrukt om de hoeveelheid brandstof die zich nu in de tank bevindt te veranderen.
7 Druk op ENT en verzolgens op ESC om maar het hoofdschem terug te keren.
8 Indien de boot twee tanks heeft en u ook brandstof aan de andere tank toevoegtClient u bovenstaande stappen te herhalen.

Opmerking:

Indien u bovenstaande procedure b bij elke tankbeurt volgt, dan za eenkleine fout steeds worden, sondern het moeilijk is precies te meten hoeveel brandstof worden toegevoed. Om dit te vermiijdenClient u ongeveer elk te iende keer de tank te vullen volgens procedure a.

c Indien u brandstof uit een tank verwijdert

Herhaal bovenstaande stappen voor procedure b, maar:

Deze keer trekt u de hoeveelheid brandstof die u hebts verwijderd af van de hoeveelheid die zich origineel in de tank bevond om te berekenen hoeveel brandstof zich nu in de tank bevindt.
ii Druk op V of houd deze ingedrukt totdat FUEL veranderd isaar de nu aanwezighe hoeveelheid brandstof in de tank.

6 Problemen oplossen

Deze gids voor het oplossen van problemen gaat ervan uit dat u deze handleiding gelezen en begrepen heeft.

Het is vaak möglich dat u problemen op kunt losesten zonder dat het instrument voor reparatie aan de fabriek worden terug gezonden. Volg eerst onderstaande raadgevingen voordat u contact opneem met u Navman-leverancier.

Er zijn geen onderdelen die door de gebruiker onderhouden dienen te worden. Er zijn gespecialiserde methoden en testapparatuur voor nodig om te controlenen of het apparaat waar juist in elkaar is gezet en waterdicht is. Reparations aan het instrument dienen alleen uitgevoerd te worden door een servicecenter dat door Navman NZ Limited is goedgekeurd. Gebruikers die zich hun instrument onderhouden make hierdoor de garantie ongeldig.

Meer informatie vindt u op once webpagina: www.navman.com

a Stroom-/datalabel is beschadigd of de verbinding is verbroken. Voer een visuèle contrôle uit.

b Zekering is gesprongen of de stroomonderbreker heeft de stroom onderbroken. Vervang de zekering of reset de stroomonderbreker.

Accuvoltage is milder than 10,5 of mere dan 16,5 V DC. Controller het voltage van de accu m.b.v. een multimeter.

a Het instrument staat op de simulatiestand (zie sectie 2-9).

a Controller de brandstofleiding en de brandstoftoevoer in de tank op lekkage.
b Brandstof sensorkabel is losgeraakt of beschadigd. Voer een visuete controleuit. DIESEL 3200: controller of het LED-licht onderaan de flow-sensor knippert als de motor brandstof aanzuigt.

c De resterende (REMAINING) brandstofaflezing klopt nicht. De brandstoftankcapaciteit (SIZE) is misschien nicht correct, of de resterende brandstof (REMAINING)-instelling is nicht ge-update na de laatste bijvulling (zie sectie 3).

d Sensoren dienen gekalibreerdt worden (zie sectie 4-2; dieselsensoren haben normala gesproken geen kalibratie nodig).

e De brandstof-flow-sensor is wellicht te dicht bij de brandstofpomp geplaatst of is onderhevig aan overmatige trillingen. We verwijzen waar de installmentie-instructies die bij de brandstofsensor geleverd worden.

f De dampingwaarde (dAmP.F) is nicht geschikt voor de motor. Controller of de waarde Niet op nul staat en probeer de waarde dan langzaam te verhogen totdat een stabiele flow-waarde worden bereikt (zie sectie 43).

4 Snelheidsaflezing is foutief of grillig:

a Voor een spelheidsaflezing is de installment en installing van een optionele spelheidssensordig (zie sectie 4-5).

b De kabel van de能力和 sensor bevind zich nicht in het contact of is beschadig. Voer een visuèle contrôle uit.

c Sneltheidskalibratie is nicht correct (zie secties 3-8 en 3-9).

d Elektrische ruis zou de metingen küssen beivnvoeden. Herzie de installmente.

5 Weinig-brandstof-alarm klinkt als er nog voldoende brandstof is:

a De resterende (REMAINING) brandstofaflezing klopt nicht. De brandstoftankcapaciteit (SIZE) is misschien nicht correct, of de resterende brandstof (REMAINING)-instelling is nicht ge-update na de LASTe bijvulling (zie sectie 3-4).

6 Het beeldscherm beslaat:

a Vochtige lucht is het luchtgat aan dechterkant het instrument binnengedrongen. U kunt de boot luchten of het instrument inschakelen met het hintergrundlicht op de felste stand.

b Water is het luchtgat binnengekomen. U dient instrument voor een service waar uw leverancier te returneren.

7. Flow geeft geen of weinig brandstof aan

a FUEL 3100: controller of de brandstofkabel connectoren in hun contacten zitten en dat de sluitmoer goed is aengedraid, zodat er een waterdichte verbinding is.
b Een brandstofsensor zou verstopt kuren zich. Als dit zo isClient u de sensor uit de brandstoflijn te verwijderen en er zichd door te blazen in de tegenovergestelde richting van de brandstof-flow. Een brandstofffilterClient, zoals in de installmentiehandleiding staat vermeld, geplaatst te worden tussen de brandstoffsensor en de brandstoftank. Het nalaten van hetplaatsen van een brandstofffilter maakt de garantie ongeldig.
c Inspector de brandstofkabel van het eenaar het andere eind op schade, zoalssneetjes of breuken en controllerer dat ergeen platgedrukte gedeeltes zich.
d Controller of het brandstofffilter schoon is.

8 Verbruike of resterende brandstof lijkt foutief:

a Als de zee ruig is kan brandstof heb en weer spoelen door de brandstoffsensor, wat in foulieve aflezingen resulteert. Probeer of de instalatie van een eenweg-klep+tussen de brandstoffsensor en de brandstoffank het probleem verhelpt.
b De hoeveelheid brandstof dient geset te worden na elke tankbeurt (zie sectie 3).
De brandstoffank kan weltlicht nicht elke\ keer tot hetzelfde niveau worden opgevuld\ als gevolg van luchtbellen. Dit is met name\ zo bij ondervloerse tanks (zie sectie 3).
d Benzinesensoren verslieten na verloop vanijd en dieren na elke 5000 liter brandstof verrangen te worden.

9 Een twinmotorinstallatie geeft slechts een flow-ratio:

a Controller of het aantal motoren op 2 staat (motor in het FUEL -menu, zi sectie 4-1).

10 Er is geen aflezing voor brandstofverbruik:

a De boot dient door het water te varen om een verbruiksaflezing te genereren.
b Indien een optionele logwielsensor is geinstalleerd, controller dan of het wielte vrijelijk kan bewegen.

  • Formaat instrument 113mm × 113mm .
    LCD-beeldschem 82 mm breed, 61 mm hoog; twisted nematic.
    LCD-cijfers 30mm hoog op de bovenste regel, 20mm hoog op de onderste regel.
    Vier bedieningstoetsen, laser-geetst.
  • Achtergrundlicht voor beeldscherm en toeeten, vier niveaus en UIT.
    Bedieningsttemperatuur 0 tot 55^ (32 tot 131^ ).
    Stroom-/datalabel 1.1 m.

Elektrisch

  • Stroomvoorziening 10,5 tot 16,5 V DC, 30 mA zonder achtergrundlicht, 80 mA met volledig achtergrundlicht.
  • Extern alarm: Output is geaard om het alarm te doen klinken, 30 V DC en 250 mA maximum.

Brandstof

  • Geeft gebruekte brandstof, resterende brandstof, brandstof-flow-ratio en brandstofverbruik wee.
  • Bereik 0 tot 9999 met een dichtheid van 0,1 eenheden voor de eerste 999 eenheden, daarna 1,0 eenheid.

Log

Geeft triplog en totaallog wee.
- Bereik 0 tot 9999 mistrjen of nautische mistrjen.

Motoruren

Geeft 0,0 tot 9999 weer.

Motor RPM (alleen voor DIESEL 3200)

Geeft 0,0 tot 9999 weer.

Snelheid

(indien optionele snelheidssensor of -input is geinstalleerd)

  • Bereik 0 tot 100 knopen (0 tot 115 mijl/p/u). Snelheidsdichtheid is 0,1 eenheid.

Aanpasbare damping voor slenheid en log geven stabiele aflezing bij alle zeeondities door de metingen te middelen.

  • Brandstofsensoren können worden gekalibreurd (diesel-flow-sensoren hoeven gewoonlijk nicht te worden gekalibreurd). Snelheid kan worden gekalibreurd indien de optionele snelheidssensor geinstalleerd is.

Interfaces

NavBus aansluiting op andere Navman instrumenten.
NMEA 0183: Input: RMC.

Output: PTTKV, VHW, XDR, VLW

Overeenkomstig met standarden

Overeenkomstig met EMC USA (FCC): Onderdeel 15 Klasse B.

Europa (CE): EN50081-1,EN50082-1, EN55024, EN55022, ISO7637-1.

Nieuw Zeeland en Australie (C Tick): AS-NZS 3548.

  • Milieu: IP66 aan de voorkant wanner deze correct op het tussenschot is gemonteerd.

Stroom-/datalabel

Draad Signaal

Rood positieve stroom, 12V DC, maximaal 100mA

Zwart aarde, schild (NMEA common)

Groen Extern alarm, geaard en maximaal 30VDC250mA

Oranje NavBus ^+

Blauw NavBus-

Wit NMEA (output, alleen voor FUEL 3100)

Geel NMEA (input)

Appendix B Hardware

B-1 FUEL 3100

Water bij uw FUEL 3100 geleverd worden

NAVMAN DIESEL 3200 - B-1 FUEL 3100 - 1
FUEL 3100 beeldscherm

NAVMAN DIESEL 3200 - B-1 FUEL 3100 - 2
Beschemkap

NAVMAN DIESEL 3200 - B-1 FUEL 3100 - 3
Brandstof-flow-sensor en kabel, 8m

NAVMAN DIESEL 3200 - B-1 FUEL 3100 - 4
Twee RVS slangklemmen

En verdier: een garantiekaart, een bevestigingsmal, deze handleiding en de Brandstofsensor Installatiehandleiding.

FUEL 3100 opties:

Extra FUEL 3100 beeldschermen om de data te herhalen. Hiervoor zijn geen flow-sensoren nodig.
FUEL 3100 twinmotor upgrade kit.

B-2 DIESEL 3200

Water bij uw DIESEL 3200 geleverd worden

NAVMAN DIESEL 3200 - B-2 DIESEL 3200 - 1
DIESEL 3200 beeldscherm

NAVMAN DIESEL 3200 - B-2 DIESEL 3200 - 2
Beschemkap

En verdier: een garantiekaart, een bevestigingsmal en deze handleiding.

DIESEL 3200 opties:

Extra DIESEL 3200 beeldschemmen om de data te herhalen. Hiervoor zijn geen flow-sensoren nodig.
- Een tweede diesel-flow-sensorkit, voor twee motoren.

NAVMAN DIESEL 3200 - DIESEL 3200 opties: - 1

Diesel-flow-sensorkit, met twee brandstofsensoren, tachometer pick-up, kabels, twee rechte pijpen, garantiekaart, Diesel brandstoff-flow-sensor Installatieen bedieningshandleiding.

Bedrading, 1 A zekering, aansluitdoos. Gebruik een Navman NavBus aansluitdoos om de bedrading te vereenvoudigen, met name wanner u verschillende instrumenten op elkaar aansluit. (Zie de aparte NavBus Installatie-en bedieningshandleiding).
- Externe alarmbuzzers en/of lichten (zie sectie 6-4).
- Logwiel slenheidssensoren (zie sectie 4-5). Snelheidsdata kan ook word verkreten via de meeste andere Navman producten die slenheidsinfo given, via NavBus of NMEA of van de meeste andere compatibile instrumenten via NMEA (zie secties 4-5 en 6-5).
- Logwiel snelheidssensor verlangkabel, 4 m lang.

Opmerking:

Voor informatatie over opties en accessoires, zie www.navman.com of uw Navman-leverancier.

NAVMAN DIESEL 3200 - Opmerking: - 1
NavBus aansluitdoos

NAVMAN DIESEL 3200 - Navman logwiel snelheidssensoren - 1
Spiegelbevestiging

NAVMAN DIESEL 3200 - Navman logwiel snelheidssensoren - 2
'Through-hull' (door-de-huid) kunststof

NAVMAN DIESEL 3200 - Navman logwiel snelheidssensoren - 3

Waarschuwing voor brandstoypes

Navman benzine-flow-sensoren (kunststof) en FUEL 3100 instrumenten zijn special ontwikkeld voor gebruik in de scheepvaart met benzine (gasoline) binnen- en buiteenboardmotoren en zich Niet gegarandeerd voor andere toepasseningen. Deze sensoren en instrumenten dienen NIET gebruikt te worden met benzine EFI-motoren met een retourleiding maar de tank of met dieselmotoren.

Navman diesel-flow-sensoren en DIESEL 3200-instrumenten zijn special

ontwikkeld voor de scheepvaart met
dieselmotoren en zijn nicht gegarandeerd
voordere toepassingen. Deze sensoren
en instrumenten dieren NIET met benzine
(gasoline) motoren gebruikt te worden.
De dieselsensoren kuren in 12 of 24
V-systemen worden gebruikt. Sommige
beeldschemeren, zoals de DIESEL 3200
hebben 12 V DC nodig. Voordat u meer dan
12 V op het beeldschem aansluit dient
u te controlleren of het instrument het
voorgenomen voltage aankan.

Appendix C - Snelheid door het water en over de grond

Verschillende instrumenten meten
verschillende bootnelheden. Een
logwielsensor meet de bootnelheid door het water (STW). Een GPS meet de bootnelheid over de grond, dus over de bodem van het water (SOG). Als er sprake is van stroming dan

zullen deze snelheden, zoals onderstand beschreiben, van elkaar afwijken. Aflezing voor snelheid, log, triplog, verbruik en bereik is er waarom afhankelijk van of de snelheidsinput STW of SOG is en of de stroming constant is.

NAVMAN DIESEL 3200 - Appendix C - Snelheid door het water en over de grond - 1
Als de stroming van voren komt, dan is de snelheid over de grond lager dan de snelheid door het water

NAVMAN DIESEL 3200 - Appendix C - Snelheid door het water en over de grond - 2

Voor dit voorbeeld::

Indien de boot een uur vaart gebruikt ze 3 gallons brandstof en hierf ze nog 50 gallons over

SnelheidLogVerbruikBereik
M.b.v. STW:10 knopen10 nm3,3 nm / gal165 nm
M.b.v. SOG:6 knopen6 nm2,0 nm / gal100 nm

NAVMAN DIESEL 3200 - Appendix C - Snelheid door het water en over de grond - 3
Indien de stroming van achefteren komt is de snugheid over de grond groter dan de snugheid door het water

NAVMAN DIESEL 3200 - Appendix C - Snelheid door het water en over de grond - 4

Voor dit voorbeeld:

Indien de boot een uur vaart gebruikt ze 3 gallons brandstof en heeft ze nog 50 gallons over:

SnelheidLogVerbruikBereik
M.b.v. STW:10 knopen10 nm3,3 nm / gal165 nm
M.b.v. SOG:14 knopen14 nm4,7 nm / gal235 nm

Inhalt

1 Einführung 55

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : NAVMAN

Model : DIESEL 3200

Categorie : Brandstofmeter