Tracker 5380 - Browser NAVMAN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Tracker 5380 NAVMAN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Tracker 5380 NAVMAN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Browser in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Tracker 5380 - NAVMAN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Tracker 5380 van het merk NAVMAN.
GEBRUIKSAANWIJZING Tracker 5380 NAVMAN
Installatie- en bedieningshandleiding

NAVMAN
FCC Verklaring
Opmerking: Deze apparatuur is getest en voldoet aan de richtlijnen voor een klasse B digitaal instrument, conform onderdeel 15 van de FCC-reglementen. Deze richtlijnen zijn ontworpen om redelijke bescherming te bieden tegen schadelijke storingen in een normale installatie. Deze instrumenten produceren, gebruiken en kunnen radiofrequentie-energie uitstralen en indien ze niet geïnstalleerd zijn in overeenkomst met de instructies, dan kunnen ze schadelijke storing m.b.t. radiocommunicatie veroorzaken. Er is echter geen garantie dat er in bepaalde installaties geen storing zal plaatsvinden. Indien deze instrumenten schadelijke storingen veroorzaken bij radio- en televisieontvangst, wat kan worden bepaald door de instrumenten in en uit te schakelen, wordt de gebruiker aanbevolen een van de volgende maatregelen te nemen om de storing te verhelpen:
• Heroriënteer of verplaats de ontvangstantenne.
• Vergroot de afstand tussen het instrument en de ontvanger.
- Sluit het instrument aan op een output van een andere stroomkring dan die waarop de ontvanger is aangesloten.
• Raadpleeg de leverancier of een ervaren technicus.
- Een afgeschermde kabel dient te worden gebruikt wanneer perifere apparatuur op de seriële poorten wordt aangesloten.
Industrie Canada
Gebruik dient te voldoen aan de volgende twee condities: (1) dit instrument mag geen storing veroorzaken, en (2) dit instrument moet storing accepteren, inclusief storing veroorzaakt door ongewenst gebruik van het instrument.
Inhoud
1 Introductie ....7
1-1 Overzicht....7
1-2 Schoonmaak en onderhoud 7
1-3 Insteekkaarten 7
1-4 Verwijderen en herplaatsen van het beeldscherm 8
2 Normaal Gebruik....9
2-1 Gebruik van de toetsen....9
2-2 Gebruik van de menu's 10
2-3 Auto power in- en uitschakelen.... 11
2-4 Achtergrondlicht en nachtstand.... 11
2-5 Man overboord (MOB)....11
2-6 Alarmen....12
2-7 Simulatiestand 12
2-8 De belangrijkste beeldschermen 13
3 Navigatie: Landkaart 17
3-1 Navigatie-overzicht....17
3-2 Kaartbeeldscherm....20
3-3 Afstands- en peilingcalculator....22
3-4 Geprojecteerde koers 23
3-5 Trajecten en traceren....23
4 Navigatie: Snelwegscherm....24
5 Navigatie: Waypoints....24
5-1 Waypoints-beeldscherm 25
5-2 Beheren van waypoints. 25
6 Navigatie: Routes 27
6-1 Routesbeeldscherm 28
6-2 Routes beheren 28
7 Satellieten 30
7-1 Satellietbeeldscherm....31
8 Meterbeeldscherm....32
9 Databeeldscherm 33
10 Brandstofffuncties en -beeldscherm 33
10-1 Brandstof toevoegen of verwijderen 33
10-2 Brandstofbeeldscherm 35
10-3 Brandstofverbruikcurves 35
10-3-2 Brandstofverbruikcurve beheren 37
11 Getijdenbeeldscherm 38
12 Gebruikerskaartbeeldscherm 39
13 Informatiebeeldscherm 40
14 Instelling van de TRACKER 41
14-1 Instelling > Systeem 41
14-2 Instelling > Landkaart .....44
14-3 Instelling > GPS....47
14-4 Instelling > Brandstof 48
14-5 Instelling > Traject. 49
14-6 Instelling > Log ....50
14-7 Instelling > Alarmen....51
14-8 Instelling > Eenheden 52
14-9 Instelling > Communicatie 52
14-10 Instelling > Kalibratie....53
14-11 Instelling > Tijd....53
14-12 Instelling > Simulatie 53
15 Installatie .... 54
15-1 Installatie: Wat er bij de TRACKER geleverd wordt ....54
15-2 Installatie: Opties en accessoires....55
15-3 Installatie: Het beeldscherm....57
15-4 Installatie: Stroom-/Datakabel....58
15-5 Installatie: GPS-antenne 59
15-6 Installatie: NAVMAN benzinesensors ....59
15-7 Installatie: SmartCraft 60
15-8 Installatie: Andere NavBus-instrumenten....60
15-9 Installatie: Andere NMEA-instrumenten 61
15-10 Installatie: Instelling en test....61
Appendix A - Specificaties 62
Appendix B - Problemen oplossen 64
Appendix C - Woordenlijst en navigatiedata 67
Snelle referentie
| Functie Type Zie Benodigd | |||
| Algemeen Gebruik van de toetsen en de beeldschermen 2 | |||
| Problemen oplossen Appendix B | |||
| Simulatiestand 2-6 | |||
| Woordenlijst met speciale namen Appendix C | |||
| Specifi caties Appendix A | |||
| MOB Man overboord-toets 2-4 | |||
| Navigatie | Overzicht navigatiefuncties | 3-1 | GPS-positie (fix) |
| Het vinden van de boots positie op de landkaart | 3-2 | ||
| Navigatie naar een punt of naar een waypoint | 3-1 | ||
| Navigatie over een route | 3-1 | ||
| Geprojecteerde koers: Een schatting van gemaakte vordering | 3-4 | ||
| Trajecten: Registratie van waar de boot geweest is | 3-5 | ||
| GPS-ontvangerstatus | 7 | ||
| Opslaan van, en gegevens laden met een gebruikerskaart | 12 | Gebruikerskaart | |
| Landkaartdata | Landkaartfuncties (ingebouwde wereldkaart) | 3-2 | |
| Landkaartdetails | 3-2-4 & 5 | C-MAPTM landkaart | |
| Getijden in een haven | 11 | C-MAPTM landkaart | |
| Alarmen | Ingebouwde alarmen | 2-5 | |
| SmartCraft motoralarmen | 1-1 | SmartCraft | |
| Bootdata | Data bovenaan de hoofdbeeldschermen | 2-7-2 | |
| Kompas bovenaan de hoofdbeeldschermen | 2-7-3 | ||
| Speciaal databeeldscherm | 9 | ||
| Brandstof | Brandstofcomputer, benzinemotor | 10 | Brandstofsensors |
| Brandstofcomputer, SmartCraft motoren | 10 | SmartCraft | |
| Brandstof toevoegen of verwijderen | 10-1 | ||
Belangrijk
Het is de persoonlijke verantwoordelijkheid van de eigenaar om dit instrument op zodanige wijze te installeren en gebruiken dat geen ongelukken, persoonlijk letsel of zaakschade ontstaan. De gebruiker van dit product is persoonlijk verantwoordelijk voor het in acht nemen van de regels voor goed zeemanschap.
Global Positioning Systeem: Het global positioning systeem (GPS) wordt onderhouden door de VS-regering, welke verantwoordelijk is voor functioneren, precisie en onderhoud. Het GPS-systeem is onderhevig aan veranderingen welke de precisie en het functioneren van alle GPS-apparatuur ter wereld zou kunnen beïnvloeden, inclusief de TRACKER. Hoewel de Navman TRACKER een precisie navigatie-instrument is, kan het verkeerd gebruikt of begrepen worden, wat onveilige situaties kan veroorzaken. Om het risico van verkeerd gebruik of verkeerd begrijpen te verkleinen dient de gebruiker deze Installatie- en bedieningshandleiding in zijn geheel te lezen en begrijpen. Wij raden de gebruiker ook aan alle handelingen te oefenen met de ingebouwde simulator voordat de TRACKER op zee wordt gebruikt.
Elektronische landkaart: De elektronische landkaart die bij de TRACKER wordt gebruikt is een navigatiehulp ter aanvulling en niet ter vervanging van de officiële nautische kaarten. Alleen officiële nautische kaarten die worden aangevuld met notities voor zeevarenden bevatten de informatie die nodig is voor veilige en zorgvuldige navigatie. Vul de door de TRACKER geleverde informatie altijd aan met informatie van andere bronnen, zoals observaties, dieptepeilingen, radar en handkompaspeilingen. Indien de informatie niet overeenkomt, dan dient het verschil te worden opgelost voordat u verder gaat.
Brandstofcomputer: Brandstofverbruik kan drastisch veranderen, afhankelijk van de lading van de boot en de condities op het water. De brandstofcomputer dient nooit de enige informatiebron aan boord te zijn m.b.t. beschikbare brandstof aan boord en de elektronische informatie dient te worden aangevuld met visuele of andere controles van de brandstofvoorraad. Dit is nodig i.v.m. mogelijke bedieningsfouten zoals het vergeten te resetten van de verbruikte brandstof wanneer de tank wordt gevuld, het draaien van de motor terwijl de brandstofcomputer niet ingeschakeld is en andere bedieningsfouten die de precisie van het instrument ondermijnen. U dient er altijd zeker van te zijn dat er voldoende brandstof aan boord is voor de voorgenomen tocht, plus een reserve voor onvoorziene omstandigheden.
NAVMAN NZ LIMITED WIJST ALLE AANSPRAKELIJKHEID AF VOOR ENIG GEBRUIK VAN DIT PRODUCT OP EEN WIJZE DIE ONGELUKKEN OF SCHADE ZOU KUNNEN VEROORZAKEN, OF DIE IN STRIJD IS MET DE WET.
Bepalende taal: Deze verklaring, instructiehandleidingen, gebruikersgidsen en andere informatie m.b.t. het product (Documentatie) kan worden vertaald naar, of is vertaald uit een andere taal (Vertaling). Als er strijdigheden zijn tussen enige Vertaling van de Documentatie dan is de Engelstalige versie van de Documentatie de officiële versie van de Documentatie. Deze handleiding geeft de TRACKER ten tijde van print weer. Navman NZ Limited behoudt zich het recht voor om veranderingen aan de specificaties door te voeren zonder voorafgaande mededeling. Copyright © 2005 Navman NZ Limited, Nieuw Zeeland, alle rechten voorbehouden. Navman is een geregistreerd handelsmerk van Navman NZ Limited.
De TRACKER is standaard ingesteld op voet, °F (Fahrenheit), VS gallons en knopen als eenheden. Om de eenheden te veranderen, zie paragraaf 14-8.
1 Introductie
1-1 Overzicht
De NAVMAN TRACKER 5380 is een compacte, stevige, zeer geïntegreerde maritieme kaartplotter. Het is handig in gebruik en heeft een kleurenbeeldscherm. Complexe functies kunnen worden uitgevoerd met een paar tikken op de toetsen, zodat navigeren een stuk eenvoudiger wordt.
Deze handleiding beschrijft:
TRACKER 5380
Kleurenscherm, externe GPS-antenne.
TRACKER 5380i
Kleurenscherm, interne GPS-antenne. De beschikbare functies, beeldschermen en instellingsmenu's zijn afhankelijk van de optionele sensoren en geïnstalleerde instrumenten.
- Voor brandstofffuncties dienen een of meer benzinesensoren geïnstalleerd te zijn.
- Voor SmartCraft motorfuncties dient een SmartCraft systeem geïnstalleerd te zijn. Voor informatie over het gebruik van SmartCraft, zie de SmartCraft Gateway Installatie- en bedieningshandleiding.
- De TRACKER kan data naar andere instrumenten sturen, zoals een automatische piloot, en data ontvangen van andere instrumenten.
Voor informatie over installatieopties, zie paragraaf 15-2.
Deze handleiding beschrijft hoe de TRACKER geïnstalleerd en gebruikt dient te worden. Speciale termen worden in Appendix C uitgelegd. Om maximaal profijt van uw TRACKER te hebben raden we u aan deze handleiding voor installatie en gebruik aandachtig door te lezen. Voor meer informatie over dit instrument en andere Navman-producten verwijzen we naar onze website, www.navman.com.
1-2 Schoonmaak en onderhoud
Het TRACKER-scherm is bedekt met een gedeponeerde anti-reflectielaag. Om schade te voorkomen dient het scherm, als het vies is, of bedekt met zeezout, alleen met een vochtige doek en een mild afwasmiddel te worden schoongemaakt. Gebruik geen schuurmiddelen, benzine of andere oplosmiddelen. Indien een insteekkaart nat
1-3 Insteekkaarten
De TRACKER kan twee verschillende soorten insteekkaarten gebruiken:
• C-MAP™ landkaartkaarten hebben landkaartdetails die nodig zijn voor navigatie in een bepaalde regio. Indien een landkaartkaart in gebruik is verschijnen de extra details automatisch op het TRACKER-kaartbeeldscherm.
De TRACKER kan NT, NT+ en NT-MAX-kaarten gebruiken.
of vies wordt, maak deze dan schoon met een vochtige doek of een mild afwasmiddel.
Voor optimaal functioneren dient niet over de kabels gelopen te worden en dienen de kabels en connectors niet bekneld te raken.
Plaats de stofkap over het beeldscherm als de TRACKER is uitgeschakeld.
- C-MAP™ gebruikerskaarten worden gebruikt om navigatiegegevens te bewaren. Elke gebruikerskaart is een uitbreiding van het TRACKER-geheugen en maakt het eenvoudig om data van de ene naar de andere TRACKER over te dragen (zie paragraaf 14).
Opmerking: De oude 5 Volt-kaarten worden niet ondersteund.
Wisselen van de insteekkaart
⚠ Waarschuwing: Wees voorzichtig met insteekkaarten. Bewaar ze in hun beschermhoezen wanneer ze niet in de TRACKER worden gebruikt.
⚠️ Houdt de kaarthouder te allen tijde op zijn plaats in de TRACKER om te voorkomen dat het kaartcompartiment nat wordt van binnen.
Gouden contacten hieronder

Schakel de TRACKER uit (zie paragraaf 2-3).
Verwijder de kaarthouder uit de TRACKER en neem de kaart uit de houder.
Plaats de kaart in de hoes.
Druk een nieuwe kaart in de houder. Verzeker uzelf ervan dat de gouden contactjes aan de buitenkant onderaan zitten (zie bovenstaand).
Bewaar de kaarthoes.
Druk de kaarthouder volledig in de TRACKER.
1-4 Verwijderen en herplaatsen van het beeldscherm
Als het beeldscherm op een beugel is bevestigd, dan kan deze gemakkelijk verwijderd worden voor veiligheid en bescherming.
Verwijderen van het beeldscherm:
1 Schakel het beeldscherm uit (zie paragraaf 2-3) en plaats de stofkapjes erover.
2 Maak de knop van de bevestigingsbeugel los en neem het instrument van de beugel.
3 Neem de connectors uit het beeldscherm door de sluitmoeren tegen de klok in te draaien. Druk de stofhoezen die aan de connectors zitten erover.
4 Bewaar het beeldscherm op een schone droge plaats, zoals de optionele Navman draagtas.
Herplaatsen van het beeldscherm
1 Verwijder de stofkapjes van de connectors. Steek de connectors achterin het beeldscherm:
• Zorg dat de connectorkleur en de contactkleur met elkaar overeen komen.

- Steek alle connectors in hun contact en draai de sluitmoer met de klok mee totdat deze redelijk stevig is aangedraaid. Er zal niets beschadigd worden als een kabel per ongeluk in het verkeerde contact wordt gestoken.
2 Houd het beeldscherm op zijn plaats op de bevestigingsbeugel. Pas de kanteling van het beeldscherm aan voor beste zichtbaarheid en draai dan de knop van de bevestigingsbeugel met de hand stevig vast. Verwijder de stofhoes.
2 Normaal Gebruik
Toetsenoverzicht

2-1 Gebruik van de toetsen
In deze handleiding betekent:
Drukken dat voor minder dan een seconde op een toets wordt gedrukt.
Vasthouden dat de toets ingedrukt blijft.
De interne pieper piept wanneer een toets wordt ingedrukt (om de piep in of uit te schakelen, zie paragraaf 14-1).
2-2 Gebruik van de menu's
Bedien de TRACKER door items van de menu's te selecteren. Items kunnen submenus, commando's of data zijn.
Selectie van een submenu
Een ▶ na een menu geeft een submenu weer, bijv. een Landkaart ▶. Druk op ▲ of ▼ om de highlight naar het submenu te verplaatsen en druk dan op ENT.
Beginnen van een commando
Druk op of om de highlight naar het commando te verplaatsen, bijv. Ga naar cursor en druk dan op ENT.
Verandering van data
Druk eerst op ⚠ of ⚡ om de highlight te verplaatsen naar de te veranderen data en vervolgens:
a) Om een aanvinkvakje te veranderen

betekent Aan of Ja
Druk op of om het aanvinkvakje te veranderen.
b) Om een optie te selecteren
1 Druk op om de menu-opties weer te geven.
2 Druk of om de highlight te verplaatsen naar de gewenste optie en druk vervolgens op ENT.
| Pallet | Normaal |
| Normaal | |
| Zonlicht | |
| Nacht |
c) Om een naam of nummer te veranderen:
1 Druk op om een naam of nummer weer te geven:

2 Druk op of om een letter of cijfer die/dat verandert moet worden te selecteren. Druk op of om een letter of cijfer te veranderen.
Herhaal dit om andere letters of cijfers te veranderen.
3 Druk op ENT om de nieuwe waarde te accepteren. Of druk op ESC om de veranderingen te negeren.
d) Om een glijdende waarde te veranderen
Druk op < om de waarde te verlagen of om de waarde te verhogen.

Handmatig inschakelen
Druk indien de TRACKER niet voorzien is van auto power-bedrading op Ⓔ om het instrument in te schakelen. Indien nodig kan het beeldscherm worden aangepast zodat het goed leesbaar is (zie paragraaf 2-4).
Opmerking: Indien de TRACKER niet voorzien is van auto power-bedrading registreert de TRACKER geen motoruren en misschien ook geen brandstofverbruik (zie paragraaf 15-4).
Handmatig uitschakelen
Indien de TRACKER niet voorzien is van auto power-bedrading of als de contactschakelaar uit staat, houdt dan ingedrukt totdat het beeldscherm inschakelt.
Auto-power
Indien de TRACKER voorzien is van auto power-bedrading (zie paragraaf 15-4), dan:
- Zal de TRACKER automatisch inschakelen als het contact van de boot ingeschakeld wordt.
- Kan de TRACKER niet worden uitgeschakeld als het contact nog aan is.
- Indien Auto power uit (zie paragraaf 14-1) is, dan zal de TRACKER automatisch uitschakelen wanneer het contact van de boot uitgeschakeld wordt.
- Indien Auto power uit (zie paragraaf 14-1) is, dan blijft de TRACKER aan wanneer de boots contactschakelaar uitgeschakeld wordt. De TRACKER kan nu handmatig worden uitgeschakeld.
Druk om naar het achtergrondlichtscherm te gaan kort op ①. Druk wanneer u klaar bent op ENT
Achtergrondverlichting
Het beeldscherm en de toetsen zijn verlicht. Selecteer om het achtergrondlichtniveau te veranderen Achtergrondlicht, druk dan op om te dimmen of op voor feller licht.
Tip: Druk twee keer op voor het felste licht, met maximaal achtergrondlicht en de nachtstand uitgeschakeld.
Nachtstand
In de nachtstand wordt het palet voor alle beeldschermen ingesteld.
Normaal palet, voor overdag
Een palet dat is geoptimaliseerd voor 's nachts.
Selecteer Nachtstand om de stand te veranderen en druk dan op Om alleen het landkaartpalet te veranderen, zie paragraaf 14-2.
2-5 Man overboord (MOB)
De MOB-functie bewaard de positie van de boot en navigeert vervolgens terug naar dit punt.
⚠ Waarschuwing: MOB functioneert niet indien de TRACKER geen GPS-positie heeft.
1 Druk op.
De TRACKER bewaart de positie van de boot als een waypoint, MOB genaamd.
2 De TRACKER wisselt naar het landkaartbeeldscherm, met het MOBwaypoint in het midden van de kaart.
De landkaart zoomt in voor accurate navigatie. Indien de landkaart de benodigde kleine schaal niet weer kan geven, wisselt de TRACKER naar de plotterstand (een wit beeldscherm met kruisarcering zonder kaartdetails, zie paragraaf 14-2).
3 De TRACKER stelt het MOB-waypoint in als de bestemming waar naar toe genavigeerd moet worden.
Indien de NMEA-output (automatische piloot) is uitgeschakeld (zie paragraaf 14-9) gebruik de TRACKER dan om handmatig naar het bestemmings MOB-waypoint (zie paragrafen 3-1-1 en 3-1-2) te navigeren.
Indien de NMEA-output (automatische piloot) is ingeschakeld, dan vraagt de TRACKER of de automatische piloot actief is. Selecteer:
Nee : Gebruik de TRACKER om handmatig naar het bestemmings MOB-waypoint (zie paragrafen 3-1-1 en 3-1-2) te navigeren.
Ja: De TRACKER vraagt of de boot naar het MOB-waypoint dient te varen.
Selecteer:
Ja: om onmiddellijk te naar het MOBwaypoint te gaan navigeren.
⚠ Waarschuwing: Dit kan resulteren in een plotselinge en gevaarlijke draai.
Nee: schakel de automatische piloot uit en gebruik de TRACKER om handmatig naar het MOB-waypoint te varen (zie paragrafen 3-1-1 en 3-1-2).
Om de MOB te annuleren of een andere MOB in te stellen
1 Druk nogmaals te geven.

om een menu weer
2 Selecteer een optie van het menu.
Tip: Het MOB-waypoint blijft op de landkaart nadat de MOB is geannuleerd. Om het MOB-waypoint te wissen, zie paragraaf 5-2-5.
2-6 Alarmen
Als de TRACKER een alarmconditie waarneemt geeft het een waarschuwingsboodschap weer op het scherm, de interne pieper gaat af en externe piepers en lichten treden in werking.
Druk op om het alarm uit te schakelen. Het alarm zal weer afgaan als de alarmconditie zich opnieuw voordoet.
De TRACKER heeft door de gebruiker in te stellen alarmen plus een alarm voor verlies van GPS-positie (zie paragraaf 14-7).
2-7 Simulatiestand
In de simulatiestand negeert de TRACKER data van de GPS-antenne en andere transducers en sensors en de TRACKER genereert deze data zelf. Voor de rest functioneert de TRACKER normaal.
Er zijn twee simulatiestanden:
- Normaal: Stelt de gebruiker in staat om op de wal aan de TRACKER te wennen.
• Demo : Simuleert een boot die zich over een route beweegt en geeft automatisch verschillende TRACKER functies weer.
Om de Simulatiestand te beginnen en te eindigen en voor meer informatie, zie paragraaf 14-12. In de simulatiestand flikkeren de woorden, Simulatie of Demo onder in beeld.
⚠ Waarschuwing: Gebruik de Simulatiestand nooit als de TRACKER op het water aan het navigeren is.
2-8 De belangrijkste beeldschermen
Om naar een beeldscherm te gaan, druk op DISP, druk op of om het weer te geven beeldschermtype te selecteren, druk op of om het beeldscherm van een lijst te selecteren en druk vervolgens op ENT
De beschikbare beeldschermen zijn afhankelijk van de optionele sensoren en instrumenten die zijn geïnstalleerd (zie paragraaf 1-1).
Landkaartmenu en -beeldschermen

SmartCraft-menu en -beeldschermen
Voor SmartCraft beeldschermfuncties dient een SmartCraft- systeem geïnstalleerd te zijn. Voor informatie over het gebruik van SmartCraft, zie de SmartCraft Gateway Installatie- en bedieningshandleiding.
Andere menu's en beeldschermen


Opmerking: Druk op om van een ander beeldscherm terug te keren naar uw laatste landkaartbeeldscherm.
2-8-1 Dubbele beeldschermen
De TRACKER kan twee schermen tegelijkertijd weergeven, bijv. landkaart + meter. Een van de beeldschermen, het actieve beeldscherm genaamd, heeft een gele rand en is in gebruik.. Om van actief beeldscherm te wisselen, druk twee keer op DISP . Bijvoorbeeld:
- Indien Landkaart het actieve beeldscherm is: druk op MENU om de opties voor Landkaart weer te geven; druk twee keer op om het Meterbeeldscherm actief te maken.
- Indien Meter het actieve beeldscherm is: druk op MENU om de opties voor Meter weer te geven; druk twee keer op DISP om het Landkaartbeeldscherm actief te maken.

2-8-2 Data-titel
De landkaart- en snelwegbeeldschermen kunnen data bovenaan het scherm weergeven.

De datatitel kan anders zijn voor elk beeldscherm. Om de datatitel voor een beeldscherm te veranderen:
1 Ga naar het beeldscherm, druk op en selecteer Datatitel.

2 Om de datatitel uit of in te schakelen:
i Selecteer Data.
ii Selecteer of .
3 Om het formaat van de nummers te selecteren:
i Selecteer Formaat.
ii Selectee Klein, Medium of Groot.
4 Om de weergegeven data te veranderen:
ii Verander een dataveld:
a Druk op de cursortoetsen om een veld te markeren.
b Druk op ENT om een menu van data-items weer te geven.
c selecteer een data-item dat beschikbaar is op het systeem of selecteer Geen om het veld blank te laten.
iii Herhaal bovenstaande stap om andere datavelden in te stellen. Druk op ESC.
Tip: Indien minder dan het maximale aantal datalijnen wordt gebruikt, zal de data minder dan het weergavegebied in beslag nemen.
5 Druk op ESC om naar het beeldscherm terug te keren.
2-8-3 Kompas
De landkaart- en snelwegbeeldschermen kunnen bovenaan het scherm een kompas weergeven.
Het kompas laat altijd de boots koers over grond (COG) zien, een rood symbool in het midden. Wanneer de boot naar een punt navigeert geeft het kompas ook de peiling van de bestemming (BRG) weer, een zwart symbool.
In dit voorbeeld is BRG [300]° en COG is [320]°.
Om het kompas in of uit te schakelen
1 Druk opMENU en selecteer Data- titel
2 Stel kompas in op of .

3 Navigatie: Landkaart
Het kaartbeeldscherm geeft de landkaart, de positiekoers van de boot en navigatiedata weer.
3-1 Navigatie-overzicht
De TRACKER kan op twee manieren navigeren: rechtstreeks naar een punt of via een route.
3-1-1 Naar een punt navigeren
Wanneer de TRACKER naar een punt navigeert geven de landkaart- en snelwegbeeldschermen navigatiedata weer:
A De positie van de boot.
B Het punt van bestemming wordt met een cirkel gemarkeerd.
C De boots geplotte koers naar de bestemming.
D twee CDI-lijnen, parallel aan de boots geplotte koers, die de maximaal verwachte koersafwijking van de geplotte koers weergeven.
Zie appendix C voor meer informatie.
Indien de TRACKER op een automatische piloot is aangesloten, dan stuurt de TRACKER data naar deze automatische piloot om de boot naar de bestemming te sturen. Start de automatische piloot voordat de navigatie naar het punt begint.
Indien de TRACKER geen automatische piloot heeft dient de boot handmatig gestuurd te worden:

a gebruik de boots positie en bestemming op het landkaart- of snelwegscherm
b of gebruik de navigatiedata die op de data-titel wordt weergegeven (zie paragraaf 2-8-2)
c of gebruik COG en BRG op het kompas (zie paragraaf 2-8-3).
Opmerking:
1 Indien het XTE-alarm is ingeschakeld, dan zal een alarm afgaan wanneer de boot te veel afwijkt van haar voorgenomen koers (zie paragraaf 14-7).
2 Indien het aankomstradiusalarm is ingeschakeld, dan zal het alarm afgaan om weer te geven dat de boot haar bestemming heeft bereikt (zie paragraaf 14-7).
3-1-2 Naar een waypoint of een punt op de landkaart gaan
Een waypoint is een positie die ingesteld kan worden op de TRACKER-kaart, bijv. een visplek of een punt op een route (zie paragraaf 5).
Naar een waypoint gaan vanuit het landkaartbeeldscherm
1 Ga naar het landkaartbeeldscherm.
2 Beweeg de cursor naar het waypoint: gebruik de cursortoetsen of de zoekfunctie (zie paragraaf 3-2-5).
3 Druk op MENU en selecteer Ganaar.
Naar een waypoint gaan vanuit het waypoint-beeldscherm
1 Ga naar het waypoint-beeldscherm.
2 Druk op of om het waypoint waar u naar toe wilt te markeren.
3 Druk op MENU en selecteer Ganaar.
Naar een punt op de landkaart gaan
1 Verander naar het landkaartbeeldscherm.
2 Beweeg de cursor naar het punt van bestemming: gebruik de cursortoetsen of de zoekfunctie (zie paragraaf 3-2-5).
3 Druk op MENU en selecteer Ganaar cursor.
⚠ Waarschuwing: Verzeker uzelf ervan dat de koers niet over land of door gevaarlijk water gaat.
Navigeren
De TRACKER navigeert naar het punt zoals beschreven in paragraaf 3-1-1.
Navigatie annuleren
Ga naar een landkaartbeeldscherm, druk op MENU en selecteer Ganaar annuleren.
Tip: Creëer voordat u begint waypoints bij punten van belang. Creëer een waypoint aan het begin van de tocht waarnaar terug genavigeerd kan worden (zie paragraaf 5-2-1).
3-1-3 Een route volgen
Voorbereiding
Een route is een lijst met waypoints die de boot kan volgen (zie paragraaf 6).
* Om waypoints aan te maken voordat een route wordt gecreëerd, zie paragraaf 5-2-1.
* Om een route te creëren, zie paragraaf 6-2-1.
Een route starten vanuit het landkaartbeeldscherm:
1 Ga naar het landkaartbeeldscherm.
2. Druk op MENU en selecteer Start Route.
3. Druk of om de te volgen route te markeren. Druk op ENT.
4. De TRACKER vraagt in welke richting de route gevolgd dient te worden.
Selecteer Vooruit (de volgorde waarin de route gecreëerd werd) of Achteruit.
5. De TRACKER geeft de landkaart weer met de route gemarkeerd en begint te navigeren vanaf het begin van de route.
Een route starten vanuit het routesbeeldscherm:
1 Ga naar het routesbeeldscherm.
2 Druk op of om de te volgen route te markeren. Druk op en selecteer Start.
3 De TRACKER vraagt in welke richting de route gevolgd dient te worden.
Selecteer Vooruit (de volgorde waarin de route gecreëerd werd) of Achteruit.
4 De TRACKER geeft een landkaart weer, waarop de route is gemarkeerd en begint te navigeren vanaf het begin van de route.
Navigeren
De TRACKER navigeert achtereenvolgens naar elk waypoint op de route zoals beschreven in paragraaf 3-1-1.
De TRACKER stopt navigatie naar het waypoint aan het eind van de huidige etappe en begint de volgende etappe van de route:
a wanneer de boot binnen een straal van 0,025 nm van het waypoint komt
b of wanneer de boot het waypoint passeert
c of wanneer het waypoint wordt overgeslagen.
Een waypoint overslaan
Om een waypoint over te slaan, ga naar kaartbeeldscherm, druk op MENU en selecteer Overslaan. De TRACKER begint rechtstreeks naar het volgende waypoint op de route te navigeren.
⚠ Waarschuwing: Het overslaan van een waypoint met de automatische piloot kan resulteren in een plotselinge koersverandering.
Een route annuleren
Wanneer de boot het laatste waypoint heeft bereikt, of om de route die de boot volgt te stoppen, dient de route geannuleerd te worden. Ga naar een landkaartbeeldscherm, druk op MENU en selecteer route annuleren.
3-2 Kaartbeeldscherm
Om naar het landkaartscherm te gaan, druk op DISP, selecteer Kaart, en selecteer vervolgens Landkaart.
Een normaal kaartscherm geeft weer:

| A D | Data-titel. Om de data uit of in te schakelen of om te veranderen welke data wordt weergegeven, zie paragraaf 2-8-2 |
| B Kompas (zie paragraaf 2-8-3) | |
| C Landkaartschaal (zie paragraaf 3-2-3) | |
| D Boots positie (zie paragraaf 3-2-1) | |
| E Bot traject (zie paragraaf 3-5) | |
| F Kopers van de boot en CDI-lijnen (zie appendix C, CDI). De boot gaat naar een waypoint, FISH06 genaamd | |
| G Afstand en peiling van cursor vanaf de boot | |
| H L a n d | |
| I Zee | |
| J De cursor (zie paragraaf 3-2-1) | |
| K Een standaard waypoint (zie paragraaf 5) | |
| Opmerking: Om de op de landkaart weergegeven informatietypes te veranderen, zie paragraaf 14-2. | |
3-2-1 Landkaartstanden
De landkaart heeft twee standen:
Boot in het midden-stand
Om naar de Boot in het midden-stand te wisselen op de landkaart, druk op

De boot is in het midden van de landkaart. Wanneer de boot door het water beweegt, scrollt de landkaart automatisch om de boot in het midden van de kaart te houden. De cursor (zie onderstaand) is uitgeschakeld.
Cursorstand
De toetsen

worden
cursortoetsen genoemd. Houd om op het landkaartbeeldscherm naar de cursorstand te wisselen een cursortoets ingedrukt. De cursor + verschijnt en beweegt zich bij de boot vandaan.
- Druk op de toets die in de richting wijst waarin de cursor zal bewegen; druk bijv. op om de cursor naar beneden te bewegen.
- Druk midden tussen twee van de cursortoetsen om de cursor diagonaal te bewegen.
• Houd een cursortoets ingedrukt om de cursor over het beeldscherm te blijven bewegen.
In de cursorstand:
- Worden afstand ( +DST) en richting ( BRG) van de cursor vanaf de boot weergegeven in de linker benedenhoek van het beeldscherm.
- Scrollt de landkaart niet als de boot beweegt.
Zal de landkaart scrollen als de cursor de rand van het beeldscherm bereikt.
Bijv.: Houdingedrukt om de cursor naar de rechterkant van het beeldscherm te bewegen en de kaart zal naar links scrollen.
Latitude en longitude kunnen worden weergegeven in de data-titel. De weergave is in graden en minuten tot drie getallen achter de komma, een resolutie van ongeveer 2 m. Normaal gesproken is de positie de positie van de boot en de latitude en longitude zijn voorzien van een bootsymbool om dit aan te geven:
36° 29,637' N of Z Latitude
175^09,165' O of W Longitude
Als de cursor in de laatste 10 seconden bewogen heeft, dan is de positie de cursorpositie, en de latitude en longitude zijn voorzien van een cursorsymbool om dit aan te geven:
+ 36° 29,637' N of Z Latitude
+ 175° 09,165' O of W Longitude
⚠ Waarschuwing: Verzeker uzelf ervan dat wanneer een bootpositie geregistreerd wordt deze positie niet de cursorpositie is.
3-2-3 Landkaartschaal
Druk op om in te zoomen en een kleiner gebied op de kaart in meer detail weer te geven. Druk op om uit te zoomen en een groter gebied op de kaart in minder detail weer te geven.
De landkaartschaal wordt weergegeven in de linker bovenhoek van de kaart:

3-2-4 Landkaartsymbolen en informatie
De landkaart geeft symbolen weer, zoals waypoints en landkaartsymbolen (bijv. boeien, bakens, wrakken en jachthavens). Indien de cursor ten minste twee seconden boven
een symbool wordt geplaatst, verschijnt een gegevensvenster in de linker benedenhoek van het beeldscherm, met informatie over het symbool.
Om beschikbare informatie over een punt op de landkaart te zien, (bijv. een kaartsymbool):
1 Beweeg de cursor naar dat punt op de landkaart.
2 Druk op MENU en selecteer landkaart info.
3 Een menu met objecten wordt weergegeven:
3-2-5 Plaatsen vinden
Om plaatsen in de buurt van de boot te zien, druk op om naar de bootstand te wisselen.
Beweeg, om plaatsen dichtbij een ander punt te zien, de cursor naar dat punt op de kaart.
Om plaatsen van belang te vinden en weer te geven:
1 Druk op MENU en selecteer Zoeken.
2 Selecteer het soort plaats: waypoints, routes, havens, havenvoorzieningen of getijdenstations.
3 Voor een havenvoorziening dient u het soort voorziening dat gezocht wordt te selecteren.
3-3 Afstands- en peilingcalculator
De afstands- en peilingcalculator kan een koers van een of meerdere etappes plotten en de peiling en lengte van elke etappe laten zien alsook de totale lengte van de koers. De afgelegde koers kan worden veranderd in een route.
Om een afstands- en peilingcalculator te gebruiken:
1 Druk op totdat het kaartbeeldscherm wordt weergegeven. Druk op en selecteer Afstand.
2 Beweeg de cursor naar het begin van de eerste etappe. Het maakt niet uit of dit punt een waypoint is of niet. Druk op ENT.
3 Beweeg, om een etappe aan een koers toe te voegen, de cursor naar het eind van het etappe. Het maakt niet uit of dit punt een waypoint is of niet. Het beeldscherm geeft de peiling en lengte van het etappe en ook de totale lengte van de koers.
Druk op ENT.
i Selecteer het weer te geven object.
ii Druk op FSC om naar het menu terug te keren. Selecteer andere objecten.
iii Druk tot slot op ESC om terug te keren naar het kaartbeeldscherm.
4 Een lijst met plaatsen wordt weergegeven. Indien er meer plaatsen zijn dan op het scherm passen druk op + of om een pagina op of neer te scrollen.
5 Selecteer de plaats en druk op ENT. Het kaartbeeldscherm verandert om de geselecteerde plaats in het midden van het scherm weer te geven.
6 Om de opgeslagen informatie over de geselecteerde plaats te zien, druk op MENU en selecteer Landkaartinfo (zie paragraaf 3-2-4). Om een getijdenlandkaart voor een geselecteerd getijdenstation weer te geven, selecteer Getijhoogte van de kaartinfo.
4 Om het laatste etappe van een koers te verwijderen, druk op MENU en selecteer Verwijderen.
5 Herhaal de bovenstaande twee stappen om een complete koers in te voeren.
6 Om de nieuwe koers als route te bewaren, druk op MENU en selecteer Bewaren. Hierdoor worden ook nieuwe punten op de koers bewaard als nieuwe waypoints met standaardnamen. Indien nodig kan de route worden aangepast (zie paragraaf 6-2-2) en ook waypoints kunnen later worden aangepast (zie paragraaf 5-2-3).
7 Druk tot slot op ESC om terug te keren naar het kaartbeeldscherm.
3-4 Geprojecteerde koers
Indien geprojecteerde koers wordt ingeschakeld, dan zal de TRACKER de geprojecteerde positie weergeven, gebaseerd op de koers over grond (COG), snelheid en een gespecificeerde tijd. Om de Geprojecteerde koers-functie in en uit te schakelen en om de tijd in te stellen, zie paragraaf 14-2.
A Geprojecteerde positie
B Boots geprojecteerde koers
C Boots positie

3-5 Trajecten en traceren
Traceren houdt met regelmatige tussenpozen de positie van de boot bij. Deze intervallen kunnen zijn:
• Tijdsintervallen
• Of afstandsintervallen.
Het traject waar de boot langs is gevaren kan worden weergegeven op de landkaart. De TRACKER kan een traject weergeven terwijl een andere wordt opgeslagen.
Om met trajecten te werken, zie paragraaf 14-5.
De TRACKER kan vijf trajecten bewaren:
- Traject 1 kan maximaal 2000 punten bewaren en is bedoeld om de normale voortgang van de boot bij te houden.
- Trajecten 2, 3, 4 en 5 kunnen elk maximaal 500 punten bewaren en zijn bedoeld om onderdelen van een reis bij te houden, om later precies zo gevaren te kunnen worden, bijvoorbeeld het binnenvaren van een riviermonding.
Tip: Bewaar de trajecten als de condities goed zijn.
Als een traject wordt opgeslagen en het traject is vol, dan gaat het opslaan door en de oudste punten op het traject worden gewist.
De maximale lengte van een traject hangt af van de gekozen interval: een kortere interval geeft een korter, meer gedetailleerd traject en een lange interval geeft een langer, minder gedetailleerd traject, zoals weergegeven in de volgende voorbeelden:
| Tijdsintervallen | ||
| Interval Traject | 1 Traject 2, 3, | 4 of 5 |
| 1 sec 33 minuten | 8 minuten | |
| 10 sec 5,5 uur | 1,4 uur | |
| 1 min 33 uur | 8 uur | |
| Afstandsintervallen | ||
| Interval Traject | 1 Traject 2, 3, | 4 of 5 |
| 0,01 20 | 5 | |
| 1 | 2.000 | 500 |
| 10 | 20.000 | 5.000 |
De trajectlengte wordt in de huidige afstandseenheid weergegeven, bijv. nm.
4 Navigatie: Snelwegscherm

Het snelwegscherm geeft een globaal overzicht van de boots koers naar de bestemming. Druk op om naar het snelwegscherm te gaan, selecteer Ander en vervolgens Snelweg.
Het snelwegscherm geeft weer:
A Optionele datatitel (zie paragraaf 2-8-3)
B Optioneel kompas (zie paragraaf 2-8-4)
C Bestemmings-waypoint
D Boots geplotte koers tot bestemming
E CDI-lijnen, parallel aan de boots geplotte koers (zie Appendix C, CDI). De CDI-lijnen zijn als een snelweg over het water waarover de boot zich zal bewegen.
F CDI-schaal
G De positie van de boot is midden onderin het beeld.
⚠ Waarschuwing: Het snelwegscherm geeft geen land, gevaarlijk water of kaartsymbolen weer.
5 Navigatie: Waypoints
Een waypoint is een positie die ingesteld kan worden op de TRACKER-landkaart, bijv. een visplek of een punt op een route (zie paragraaf 5). De TRACKER kan maximaal 3000 waypoints bevatten. Een waypoint kan gecreëerd, veranderd of verwijderd worden. Een waypoint heeft:
- Een naam (maximaal acht letters/cijfers).
- Een icon dat aangeeft wat voor soort waypoint het is. Beschikbare iconen zijn:

- Een positie.
- Een kleur voor het waypoint-symbool en de naam op de landkaart.
- Een type:
Normaal: Een normaal waypoint waar naar toe kan worden genavigeerd, of die in een route kan worden opgenomen.
Gevaar: Een gevaar-waypoint dient te worden vermeden. Indien de boot binnen een gevaarlijke radius van een gevaar-waypoint komt kan het instrument een alarm doen klinken (zie paragraaf 14-7).
• Een beeldschermoptie:
Beheerst hoe een waypoint wordt weergegeven wanneer de Waypoints- instelling op Geselecteerd staat (zie paragraaf 14-2):
Uit: Het waypoint wordt niet weergegeven.
Icoon: Het waypoint icoon wordt weergegeven.
I+N (Icoon en Naam): Het waypoint-icon en -naam worden weergegeven.
Indien er veel waypoints zijn, gebruik deze functie dan om te selecteren welke waypoints op de landkaart worden weergegeven.
Opmerking: De andere opties voor Waypoints zijn Verberg allemaal en Geef allemaal weer (zie paragraaf 14-2).
5-1 Waypoints-beeldscherm
Om naar het waypoint-beeldscherm te gaan, druk op
DISP, selecteer Ander en dan Waypoints. Het waypoints-scherm geeft een lijst van ingevoerde waypoints, elk met een symbool, naam, latitude en longitude, afstand en peiling van de boot, type en beeldschermoptie.
Indien er meer waypoints zijn dan op het scherm passen, druk dan op + of om een pagina op of neer te scrollen.
| Navigatiepunten | |||
| ▼Naam | Breedtegraad | DST(nm) | Gewr |
| Lengtegraad | BRG(°M) | Vrgv | |
| × AKL0 | 36°50 338'S | 10.5 | Nee |
| 174°46 495'E | 193 | +N | |
| × AKL1 | 36°49 945'S | 9.21 | Nee |
| 174°49 021'E | 184 | +N | |
| × AKL2 | 36°49 079'S | 8.20 | Nee |
| 174°49 695'E | 183 | +N | |
| × AKL3 | 36°47 849'S | 7.26 | Nee |
| 174°49 200'E | 190 | +N | |
| × AKL4 | 36°46 974'S | 6.57 | Nee |
| 174°49 061'E | 194 | +N | |
| × AMS0 | 53°19 180'N | 10332 | Nee |
| 007°18 545'E | 282 | +N | |
| × AMS1 | 53°19 762'N | 10335 | Nee |
| 007°14 141'E | 282 | +N | |
| × AMS2 | 53°19 927'N | 10330 | Nee |
| 007°10 720'E | 282 | +N | |
| × AMS3 | 53°19 927'N | 10340 | Nee |
| 007°07 868'E | 282 | +N | |
| + - page up/down | |||
5-2 Beheren van waypoints
5-2-1 Een nieuw waypoint creëren Een nieuw waypoint creëren en bewerken op het landkaartbeeldscherm
1 Druk om een nieuw waypoint te creëren op de boots positie op ESC om te wisselen naar de boot in het midden-stand.
Of beweeg, om op een ander punt een waypoint te creëren, de cursor naar dat punt op de kaart.
2 Druk opENT.
3 Een nieuw waypoint, met een standaard naam en data wordt gecreëerd.
4 Verander de waypointdata indien nodig (zie paragraaf 5-2-7). Selecteer Bewaren.
Een nieuw waypoint creëren op het waypointsbeeldscherm
1 Druk in het waypointsbeeldscherm op MENU en selecteer Creëren.
2 Een nieuw waypoint, met een standaard naam en data is gecreëerd op de boots positie.
3 Verander de waypointdata indien nodig (zie paragraaf 5-2-7). Selecteer Bewaren.
Opmerking Waypoints kunnen ook worden gecreëerd als een route wordt gecreëerd (zie paragraaf 6-2-1).
⚠ Waarschuwing: Creëer geen navigatie- waypoint op de wal of in gevaarlijk water.
5-2-2 Een waypoint verplaatsen
Een waypoint verplaatsen in het landkaartbeeldscherm
1 Beweeg de cursor in het landkaartbeeldscherm naar het te verplaatsen waypoint.
2 Druk op MENU en selecteer Verplaatsen.
3 Beweeg de cursor naar de nieuwe positie en druk op ENT.
Een waypoint verplaatsen in het waypointsbeeldscherm
Bewerk het waypoint om een waypoint in het waypointsbeeldscherm te verplaatsen, (zie paragraaf 5-2-3) en verander de latitude en longitude.
5-2-3 Een waypoint bewerken
Een waypoint bewerken in het landkaartbeeldscherm
1 Beweeg de cursor in het landkaartbeeldscherm naar het te bewerken waypoint.
2 Druk op MENU en selecteer Bewerken.
3 Verander de waypoint data (zie paragraaf 5-2-7). Selecteer Bewaren.
Een waypoint bewerken in het waypointsbeeldscherm
1 Druk in het waypointsscherm op om het aan te passen waypoint te markeren. Druk op en selecteer Bewerken.
2 Verander de waypoint data (zie paragraaf 5-2-7). Selecteer Bewaren.
5-2-4 Een waypoint weergeven op de landkaart
Om naar het landkaartbeeldscherm te gaan en het geselecteerde waypoint in het midden van het scherm weer te gevenOm naar het landkaartbeeldscherm te gaan en het geselecteerde waypoint in het midden van het scherm weer te geven:
1 Druk in het waypointsscherm op om het weer te geven waypoint te markeren. Druk op en selecteer Weergeven.
Of druk op in het landkaartscherm, selecteer Zoeken, en selecteer vervolgens Waypoints. Selecteer een waypoint van de lijst.
2 De TRACKER wisselt naar het landkaartbeeldscherm, met het geselecteerde waypoint in het midden van de kaart.
5-2-5 Een waypoint verwijderen
Een waypoint kan niet verwijderd worden als de boot er naar toe navigeert of indien het waypoint in meer dan een route is gebruikt..
⚠ Waarschuwing: Zodra een waypoint is gewist uit een route, dient gecontroleerd te worden of de route nu niet over land of door gevaarlijk water gaat.
Een waypoint wissen van het landkaartbeeldscherm
1 Beweeg de cursor in het landkaartbeeldscherm naar het te wissen waypoint.
2 Druk op MENU en selecteer Wissen.
3 Selecteer Ja om te bevestigen.
Een waypoint verwijderen in het waypointsbeeldscherm
1 Druk in het waypointsscherm op om het te wissen waypoint te markeren. Druk op MENU en selecteer Wissen.
2 Selecteer Ja om te bevestigen.
5-2-6 Alle waypoints wissen
1 Druk in het waypointsbeeldscherm op en selecteer Wis alles.
2 Selecteer Ja om te bevestigen.
5-2-7 De data van een waypoint veranderen
Om de waypointdata te veranderen die in een venster worden weergegeven:
1 Selecteer de te veranderen data.
Druk

Gebruik de cursortoetsen om de data te veranderen.
Druk

2 Herhaal indien nodig te bovenstaande stap om andere data te veranderen.
3 Selecteer Bewaren.
Om te veranderen hoe een waypointslijst wordt weergegeven:
1 Druk op MENU en selecteer Sorteren op
2 Selecteer hoe de lijst moet worden weergegeven:
Naam: In alfabetische volgorde, op naam.
Icoon: Gegroepeerd per icoontype.
Afstand: In volgorde van afstand tot de boot.
Een pijl bovenaan de kolom geeft aan hoe de waypoints worden gerangschikt.
5-2-9 Navigatie naar een waypoint
Zie paragraaf 3-1-2.
6 Navigatie: Routes
Een route is een lijst met waypoints waarover de boot kan navigeren. Routes kunnen gecreëerd, veranderd of verwijderd worden.
De TRACKER kan maximaal 25 waypoints bevatten. Elke route heeft maximaal 50 waypoints.
Een route kan:
- Beginnen en eindigen op hetzelfde waypoint.
- Hetzelfde waypoint meer dan een keer bevatten.
De TRACKER kan in beide richtingen over een route navigeren. Waypoints op de route kunnen worden overgeslagen.
Routes zijn een krachtige functie wanneer de TRACKER is aangesloten op een automatische piloot; ze maken het mogelijk dat het vaartuig automatisch over een route wordt gevoerd.

Waarschuwing: Controleer dat routes niet er land of door gevaarlijk water gaan.
Het routesbeeldscherm geeft een lijst van ingevoerde routes weer, elk met een routenaam, begin-waypoint, eind-waypoint, aantal etappes en de totale afstand.
Om naar het routesbeeldscherm te gaan, druk op DISP, selecteer Ander, en selecteer dan Routes.
Indien er meer routes zijn dan op het scherm passen druk dan op + of om een pagina op of neer te scrollen.

6-2 Routes beheren
⚠ Waarschuwing: Geef, nadat een route gecreëerd of veranderd is, de route weer op de landkaart en controleer dat de route niet over land of door gevaarlijk water gaat.
6-2-1 Een nieuwe route creëren
A. Een nieuwe route creëren vanuit het kaartbeeldscherm
Wanneer een route wordt gecreëerd:
• Druk op of om het bereik te veranderen; scroll de landkaart door de cursor naar de rand van de landkaart te bewegen.
- Een data-venster links bovenaan geeft de routenaam en de totale afstand weer. Indien de cursor zich in de nabijheid van een etappe bevindt, dan zal het ook de lengte en de peiling van die etappe weergeven.
- De etappes van een route dienen op waypoints te beginnen en eindigen. Indien een etappe niet begint of eindigt op een bestaand waypoint, dan zal automatisch een nieuw waypoint worden aangemaakt (om naar waypointdata te veranderen, zie paragraaf 5-2-7).
- Een gevaar-waypoint kan niet worden gebruikt in een route.
1 Druk op in het landkaartbeeldscherm en selecteer Nieuwe route.
2 De route krijgt een standaard naam: i Verander de naam indien gewenst. ii Selecteer OK.
3 Om de eerste etappe van de route in te voeren:
i Beweeg de cursor naar de start van de route en druk op ENT.
ii Beweeg de cursor naar het eind van de eerste etappe en druk op ENT.
4 Om een waypoint toe te voegen aan het eind van de route:
i Druk op ENT.
ii Beweeg de cursor naar de plaats waar het nieuwe waypoint moet komen.
iii Druk op ENT.
5 Om een waypoint in een route in te voeren:
i Beweeg de cursor naar de bewuste
etappe en voer het waypoint in.
ii Druk op ENT en selecteer
Invoegen.
iii Beweeg de cursor naar de plaats waar het nieuwe waypoint moet komen.
iv Druk op ENT.
6 Om een waypoint in de route te verplaatsen:
i Beweeg de cursor naar het te verplaatsen waypoint.
ii Druk op MENU en selecteer Beweeg.
iii Beweeg de cursor naar de plaats waar het waypoint moet komen.
iv Druk opENT.
7 Om een waypoint uit een route te verwijderen:
i Beweeg de cursor naar het te verwijderen waypoint.
ii Druk op MENU en selecteer Verwijderen. Het waypoint is verwijderd van de route, maar het waypoint is niet gewist.
8 Herhaal dit proces totdat de route klaar is. Bekijk de route en controleer dat de route niet over land of door gevaarlijk water gaat.
Druk vervolgens op

Of om de route die gecreëerd werd te wissen:
i Druk op MENU en selecteer Wissen.
ii Selecteer Ja om te bevestigen.
Tip: De afstands- en peilingcalculator kan ook worden gebruikt om een koers in te voeren en deze als route te bewaren (zie paragraaf 3-3).
B. Een nieuwe route creëren vanuit het routebeeldscherm
1 Druk in het routebeeldscherm op en selecteer Creëren.

2 Er wordt een nieuwe route weergegeven, met een standaard naam en zonder waypoints.
3 Om de naam van de route te veranderen: i Selecteer de routenaam bovenaan het beeldscherm en druk op ENT.
ii Verander de naam indien gewenst.
iii Druk op ENT.
4 Om een waypoint in een route in te voeren:
i Selecteer waar het waypoint dient te komen:
- Om een eerste waypoint in een nieuwe route in te voegen, selecteer Etappe 1.
- Selecteer, om een waypoint aan het eind van een route in te voegen, de ongebruikte etappe onderaan de lijst met waypoints.
- Selecteer anders het waypoint waar het nieuwe waypoint vóór geplaatst moet worden.
ii Druk op. Een lijst met waypoints wordt weergegeven. Selecteer het waypoint dat gebruikt gaat worden.
Als een waypoint wordt ingevoerd, worden automatisch de afstand en peiling van elke etappe weergegeven. Indien de route meer waypoints heeft dan op het scherm passen, druk dan op of om ze te zien.
5 Om een waypoint uit een route te verwijderen:
i Selecteer het te verwijderen waypoint.
ii Druk op MENU en selecteer Verwijderen.
6 Herhaal dit proces totdat de route klaar is.
7 Druk op ESC .
8 Geef de route weer op de landkaart (zie paragraaf 6-2-3) en controleer dat de route niet over land of door gevaarlijk water gaat.
Zie paragraaf 3-1-3.
6-2-2 Een route bewerken
Een route van landkaart A bewerken
1 Selecteer in het routesbeeldscherm de te bewerken route. Druk op MENU en selecteer Bewerken op landkaart.
2 De geselecteerde route wordt weergegeven op landkaart met een cirkel om het eerste waypoint.
3 Bewerk de route zoals beschreven in paragraaf 6-2-1 A, te beginnen bij stap 4.
Een route bewerken vanuit het routesbeeldscherm:
1 Druk in het routesscherm op of om de te bewerken route te markeren. Druk op MENU en selecteer Bewerken.
2 De geselecteerde route wordt weergegeven: de routenaam en een lijst met waypoints.
3 Bewerk de route zoals beschreven in paragraaf 6-2-1 A, te beginnen bij stap 4.
6-2-3 Een route weergeven op de landkaart
Om de geselecteerde route in het midden van het beeldscherm weer te geven:
1 Druk in het routesscherm op of om de weer te geven route te markeren. Druk op MENU en selecteer Weergeven. Of druk op in het landkaartscherm, selecteer Zoeken, en selecteer vervolgens Route. Selecteer een route van de lijst.
2 De TRACKER geeft de geselecteerde route weer op de landkaart.
6-2-4 Een route wissen
1 Druk in het routesscherm op selecteer Wissen.
2 Selecteer Ja om te bevestigen.
of om de te wissen route te markeren. Druk op en MENU
6-2-5 Alle routes wissen
1 Druk in het routesbeeldscherm op en selecteer Wissen.
2 Selecteer Ja om te bevestigen.
6-2-6 Een route navigeren
Zie paragraaf 3-1-3.
7 Satellieten
GPS wereldwijde navigatie
De regering van de VS beheert het GPS-systeem. Vierentwintig satellieten draaien in een baan om de aarde en zenden positie- en tijdsignalen uit. De posities van deze satellieten veranderen constant. De GPS-ontvanger analyseert de signalen van de dichtst bijzijnde satellieten en berekent waar op aarde het zich bevindt. Dit heet de GPS-positie.
De precisie van de GPS-positie is normaalgesproken (95%) beter dan 10 m (33 vt). Een GPS-antenne kan bijna overal ter wereld signalen van GPS-satellieten ontvangen.
DGPS
Een DGPS-systeem gebruikt correctiesignalen om een aantal fouten in de GPS-positie te verwijderen. Er zijn twee DGPS-systemen die de TRACKER kan gebruiken:
• WAAS en EGNOS DGPS
WAAS en EGNOS zijn twee satelliet-DGPS- systemen. De correctiesignalen worden uitgezonden door satellieten en worden ontvangen door de standaard TRACKER GPS-antenne. De precisie van de gecorrigeerde GPS-positie is normaalgesproken (95%) beter dan 5 m (15 vt).
WAAS bestrijkt de gehele VS en het grootste veel van Canada. EGNOS zal het grootste deel van West Europa bestrijken als het actief wordt.
• Differentiaalbaken DGPS
Differentiaalbakens zijn zenders op de wal die correctiesignalen versturen die kunnen worden ontvangen door een speciale ontvanger aan boord. Differentiaalbakens bevinden zich gewoonlijk in de nabijheid van havens en belangrijke waterwegen en elk baken heeft een beperkt bereik. De precisie van een gecorrigeerde GPS-positie is gewoonlijk beter dan 2 tot 5 m (6 tot 16 vt)
7-1 Satellietbeeldscherm
Het satellietscherm geeft informatie over de GPS-satellieten en de GPS-positie.
Om naar het satellietbeeldscherm te gaan, druk op DISP, selecteer Ander, en dan Satelliet.

bar
| Category | Gebr. in ontv. | Niet gebruikt | Ocen signal | | :--- | :--- | :--- | :--- | | A | 0 | 0 | 0 | | B | 0 | 0 | 0 | | C | 0 | 0 | 0 | | D | 42 | 48 | 50 | | E | 43 | 46 | 49 | Satelliet Simuleren 11:48:05 01/Jan/05 HDOP 1.25 36°41.248'S 174°53.593'EGPS-ontvanger
Navman GPS-instrumenten hebben een gevoelige ontvanger met 12-kanalen, die signalen van alle boven de horizon zichtbare GPS-satellieten traceert en die metingen van alle satellieten die zich meer dan 5° boven de horizon bevinden gebruikt om een positie te berekenen.
Nadat een GPS-ontvanger wordt ingeschakeld duurt het normaalgesproken ongeveer 50 seconden, voordat het de eerste positie weergeeft. Onder bepaalde omstandigheden kan het twee minuten of langer duren.
Het satellietscherm geeft het volgende weer:
A Status van de GPS-antenne, bijv.
Verwerving, GPS-positiebepaling,
Geen GPS. Indien het instrument op de
simulatiestand staat geeft het Simuleren
weer (zie paragraaf 2-7)
B Tijd en datum van GPS-satellieten. Tijd is lokale tijd (UTC [GMT] plus lokale afwijking, zie paragraaf 14-11)
C HDOP: De fout in de GPS-positie veroorzaakt door satellietgeometrie. Een lage waarde geeft aan dat de positie preciezer is, een hoge waarde staat voor een minder precieze positie.
D Signaalsterkte van maximaal twaalf zichtbare GPS-satellieten. Hoe hoger de balk, des te sterker het signaal
E Bootpositie
F Posities van zichtbare GPS-satellieten:
• Buitenste cirkel is de horizon
• Binnenste cirkel is 45° hoogte
- Midden is direct boven
• Noord is bovenaan het scherm
G Indien de boot beweegt dan is COG een lijn uit het midden
8 Meterbeeldscherm
Het meterbeeldscherm geeft bootdata, zoals watersnelheid weer op analoge of digitale meters.
Om naar het meterscherm te gaan, druk op DISP en selecteer Landkaart en vervolgens Landkaart+meters.
Druk indien nodig tweemaal op DISP om naar het Metersscherm te wisselen (zie paragraaf 2-8-1).
Voordat het Metersbeeldscherm wordt gebruikt dienen Snelheidsbereik en Max brandstofdebiet te worden ingesteld (zie paragraaf 17-11).
Kaart

Meters
Het Metersbeeldscherm veranderen.
1 Ga naar het Metersbeeldscherm en druk op MENU.
2 Om het metertype te selecteren:
i Selecteer Metertype.
ii Selecteer Analoog (rond) of Digitaal (cijfers).
3 Om het metertype te selecteren:
i Selecteer Meterformaat.
ii Selecteer Klein, Medium of Groot.
4 Om de weergegeven data te veranderen:
ii Een meter veranderen:
a) Druk op de cursortoetsen om een meter te markeren.
b) Druk op ENT om een menu van data-items weer te geven.
c) Selecteer een data-item dat op uw systeem beschikbaar is.
iii Herhaal bovenstaande stap om andere meters in te stellen. Druk op ESC .
5 Druk op ESC om naar het beeldscherm terug te keren.
9 Databeeldscherm
| Data | |
| GPS-snelheid kn | Koers °M |
![]() | ![]() |
| Tijd volgende | Afst. volg. nm |
![]() | ![]() |
![]() | |
![]() | |
![]() | |
![]() | |
Het databeeldscherm heeft grote numerieke data-velden. Druk op om naar het datascherm te gaan, selecteer Ander en vervolgens Data
Om te selecteren wat wordt weergegeven:
1 Druk op MENU en selecteer Data-instelling.
2 Verander een dataveld:
i Druk op de cursortoetsen om het veld te markeren.
ii Druk op ENT om een menu van data-items weer te geven.
iii selecteer een data-item dat beschikbaar is op het systeem of selecteer Geen om het veld blank te laten.
3 Herhaal bovenstaande stap om andere datavelden in te stellen.
4 Druk op ESC.
10 Brandstofffuncties en -beeldscherm
Voor de brandstoffuncties dient een optionele brandstofsensor geïnstalleerd te worden.
10-1 Brandstof toevoegen of verwijderen
Wanneer brandstof wordt toegevoegd of verwijderd in een boot zonder SmartCraft-brandstoftank-niveausensors, dan dient dit aan de TRACKER te worden doorgegeven, omdat anders de RESTEREND, BEREIK-functie en het weinig brandstof-alarm geen betekenis zouden hebben.
A Volledig vullen van de tank
1 Vul de tank.
2 Druk een of meerdere keren op MENU, totdat het Instellingsmenu wordt weergegeven en selecteer vervolgens Brandstof.
Opmerking: Het is vaak moeilijk om ondervloerse tanks twee keer tot precies hetzelfde niveau te vullen als gevolg van luchtbellen. Voor ondervloerse tanks:
• Dient de boot steeds wanneer procedure A wordt gevolgd tot dezelfde hoek in het water worden getrimd.
- Gebruik gewoonlijk procedure B wanneer brandstof wordt toegevoegd, maar vul de tank helemaal en volg procedure A ongeveer elke tiende tankbeurt.
B Als de tank ten dele wordt gevuld
1 Ga, voordat brandstof wordt toegevoegd naar het brandstofscherm en noteer de waarde voor Resterend. Deze waarde is de huidige hoeveelheid brandstof in de tank.
2 Voeg brandstof toe en schrijf op hoeveel wordt toegevoegd.
3 De som van de twee opgeschreven waarden is de hoeveelheid brandstof die zich nu in de tank bevindt.
4 Druk een of meerdere keren op, MENU totdat het Instellingsmenu wordt weergegeven en selecteer vervolgens Brandstof.
5 Stel Resterend in op de hoeveelheid brandstof die zich naar uw berekening nu in de tank bevindt.
Opmerking: Indien procedure B altijd gevolgd wordt als brandstof wordt toegevoegd, dan zou een kleine fout steeds groter worden omdat het moeilijk te meten is hoeveel brandstof wordt toegevoegd. Om dit te voorkomen dient de tank volledig te worden gevuld en dient procedure A elke tiende tankbeurt worden gevolgd.
C Brandstof verwijderen
Herhaal procedure B, maar trek de verwijderde hoeveelheid brandstof af van de hoeveelheid brandstof die zich oorspronkelijk in te tank bevond om de huidige hoeveelheid brandstof in de tank te berekenen.
Brandstofbeeldscherm zonder RPM motor

bar
Brandstof | Brand | Value | | :--- | :--- | | Verbruikt G | 0.0 | | Resterend G | 12.0 | | Debiet G Poort | 8.68 | | Stuurboord | 4.32 | | Verbruik nm/G | 1.27 | | GPS-snelheid kn | 11.0 | | Bereik nm | 15 |Brandstofbeeldscherm met RPM motor

line
Brandstof | Metric | Value | | :--- | :--- | | Verbruikt G | 1.0 | | Resterend G | 3.0 | | Debiet ba.. G/h | 6.84 | | Debiet st.. G/h | 7.73 | | RPM bakboo.. | 1046 | | RPM stuurbo.. | 1182 | Snelheid kn: 26, Verbruik G/nm: 3.7 RPM: 0-3150 Snelheid kn: 0-13 Snelheid kn: 13-1.810-3 Brandstofverbruikcurves
Om naar het Brandstofscherm te gaan, druk op DISP, selecteer Ander en selecteer dan Brandstof. Het beeldscherm ziet er anders uit indien RPM voor de motor beschikbaar is (hiervoor dient SmartCraft geïnstalleerd te zijn):
Het Brandstofscherm geeft weer: Verbruikt
Het totaal verbruikte brandstof sinds dit gereset werd met het Gebruikt opschonen-commando.
Resterend
De resterende hoeveelheid in de tank.
Debiet
De brandstofconsumptie per uur. Voor twin-motorinstallaties wordt het brandstofdebiet per motor weergegeven. Dit is handig om te controleren of de lading voor beide motoren hetzelfde is.
Snelheid
Indien de TRACKER zowel GPS- als logwielsnelheid ter beschikking heeft dan kunt u kiezen welke gebruikt dient te worden. De keuze is van invloed op het berekende Bereik en Verbruik (zie paragraaf 17-5 Snelheidsbron).
Indien de TRACKER een logwielsensor gebruikt om snelheid te meten, dan dient de snelheid accuraat te worden gekalibreerd.
Verbruik
De afgelegde afstand per eenheid verbruikte brandstof. Hoe groter deze waarde, hoe zuiniger het brandstofverbruik. Pas de hoeveelheid gas en trim aan om het beste verbruik te bereiken.
Bereik
Het geschatte bereik van de boot bij het huidige brandstofdebiet.
Een brandstofverbruikcurve is een krachtige functie voor het evalueren van het functioneren van uw boot onder verschillende condities en om te helpen om de meest economische snelheid voor die condities te vinden. Voor brandstofverbruikcurves is RPM van de motor nodig, waarvoor SmartCraft geïnstalleerd dient te zijn.
10-3-1 Een brandstofverbruikcurve maken
Voor het maken van een
brandstofverbruikcurve is het nodig dat de boot in een rechte lijn door het volle bereik van de motors RPM loopt in ongeveer 15 minuten.
Kies voor uw eerste curve een kalme dag met weinig wind en weinig stroming; een normale lading en een schone romp. Daarna kunt u brandstofcurves maken voor verschillende boten, weer- en zeecondities. Vergelijk deze met de eerste curve om te zien hoe het functioneren van uw boot verandert als de condities veranderen.
Een curve maken
1 Begin de boot in een rechte lijn te laten varen.
2 Druk een of meerdere keren op MENU totdat het Instellingsmenu wordt weergegeven en selecteer vervolgens Brandstof.
3 Selecteer brandstofverbruikcurve, en selecteer dan Nieuw.

4 Voer een comfortabele maximum RPM in die u voor de motor gemeten heeft. Gebruik de maximum RPM van de fabrikant niet.
5 De TRACKER vraagt om de minimum RPM in te stellen. Stel het gas in voor minimum RPM; voor een twinmotorboot dient u beide motoren naar ongeveer dezelfde minimum RPM in te stellen.
Verander de motorsnelheid nu niet. Wacht ongeveer 60 seconden totdat de boot zich heeft gestabiliseerd en druk dan op ENT. Wacht terwijl de TRACKER de data registreert.
6 De TRACKER vraagt dan om het gas zo in te stellen dat een doel-RPM wordt bereikt. Voor een twinmotorboot stelt u beide motoren ongeveer in naar de doel-RPM. Wanneer de RPM van de motoren correct is, zal het Doel-RPM venster groen worden.

radar
| Metric | Value | |--------|-------| | Stroef RPM | 2.6 | | Minimum Water-snelheid (kn) | 4.38 | | Consumption (L/nm) | 4.38 | | RPM | 319 | | Verbruik G/nm | 307 | | Green data | 5.3 |Verander nu de motorsnelheid niet. Wacht ongeveer 60 seconden totdat de boot zich heeft gestabiliseerd en verzeker uzelf ervan dat het doel-RPM-venster groen blijft. Druk vervolgens op . Wacht tot de TRACKER de data registreert.
7 De TRACKER herhaalt de bovenstaande stap om data tot de maximale RPM te registreren.
Dan vraagt de TRACKER of u de curve wil bewaren. Selecteer Ja. De TRACKER vraagt naar een naam voor de curve. Verander indien gewenst de standaard naam en druk vervolgens op ENT. De nieuwe curve wordt bewaard.
Opmerking: Om het maken van de curve op een willekeurig tijdstip te onderbreken, druk op ESC
10-3-2 Brandstofverbruikcurve beheren
Meerdere curves registreren voor verschillende condities.
Een curve een andere naam geven
1 Druk een of meerdere keren op
, totdat het Instellingsmenu wordt
weergegeven en selecteer vervolgens
Brandstof.
2 Selecteer Brandstofconsumptiecu rve. Selecteer Naam, druk op ENT en selecteer de naam van de curve die een nieuwe naam krijgt.
3 Selecteer Nieuwe naam en druk op ENT
Verander de naam en druk op ENT.
Een curve verwijderen
1 Druk een of meerdere keren op totdat het Instellingsmenu wordt weergegeven en selecteer vervolgens Brandstof.
2 Selecteer Brandstofconsumptiecurve. Selecteer Naam, druk op en selecteer de naam van de te verwijderen curve.
3 Selecteer Verwijderen en druk op


10-3-3 Gebruik van de brandstofverbruikcurve
Een brandstofverbruikcurve wordt op het brandstofbeeldscherm weergegeven:
a Voor een twinmotorboot dient de RPM van beide motoren ongeveer gelijk gehouden te worden terwijl de curve wordt gebruikt.
b Voor meer info over brandstofverbruikcurve verwijzen we naar Navman's
Dieseldebietsensoren Installatie- en bedieningshandleiding
Een curve weergeven
1 Om naar het Brandstofscherm te gaan, druk op DISP, selecteer Ander, en selecteer dan Brandstof.
2 Druk op, druk op en selecteer de naam van de weer te geven curve op het brandstofscherm.
Een curve gebruiken
Vergelijk het functioneren van uw boot nu, bij de huidige RPM, met het functioneren van de boot terwijl u de curve maakte. Het functioneren van uw boot kan nu vergeleken worden met een curve die onder ideale condities werd gemaakt, of met een curve gemaakt onder ongeveer dezelfde condities.
Informatie in een curve
A Huidige RPM van de boot. Voor een boot met twinmotoren is de RPM het gemiddelde van de twee RPMs.

line
| RPM | Snelheid kn | Verbruik L/nm | |-------|-------------|---------------| | 1920 | 16 | 7.1 |B Rode curve: bootsnelheid bij verschillende RPMs die werden geregistreerd toen u deze brandstofverbruikcurve maakte.
C Rode marker: huidige bootsnelheid. Deze marker bevindt zich onder de rode curve en laat zien dat de bootsnelheid nu, bij deze RPM, lager is dan toen de curve werd geregistreerd.
D Blauwe curve: Brandstofconsumptie bij verschillende geregistreerde RPMs toen de brandstofverbruikcurve werd gemaakt.
E Blauwe marker: huidige brandstofconsumptie. Deze marker bevindt zich onder de blauwe curve en laat zien dat het brandstofverbruik bij deze RPM beter is dan tijdens de registratie van de curve.
F Indien de blauwe curve een dal vertoont, dan bereikt de boot op deze RPM de beste snelheid voor het laagste brandstofverbruik.
11 Getijdenbeeldscherm
Het getijdenbeeldscherm is beschikbaar op C-MAP landkaarten. Het getijdenbeeldscherm geeft getijdeninformatie op een getijdenstation voor de geselecteerde datum.
Opmerking: Voor het getijdenbeeldscherm is het nodig dat de lokale tijdsaanpassing correct is ingesteld (zie paragraaf 14-11)
Om het getijdenbeeldscherm weer te geven voor het getijdenstation dat zich het dichtstbij de boot bevindt, druk op DISP, selecteer Ander, en selecteer dan Getijden.
Ga naar het getijdenbeeldscherm voor een willekeurig getijdenstation:
1 Druk op MENU op het landkaartmenu en selecteer Zoek.
2 Selecteer Getijdenstations.
3 Een lijst met getijdenstations wordt weergegeven. Selecteer het weer te geven getijdenstation. De landkaart wordt opnieuw getekend met het getijdenstation in het midden.
4 Druk op MENU en selecteer landkaart info.
5 Selecteer Getijhoogte.
Kies de datum van de getijdenkaart.
1 Druk op MENU.
2 Selecteer Vand aag, Volg d ag, of Vorige dag.
Om een andere datum dan deze te kiezen, selecteer Datum instellen, pas de datum aan, en druk op ENT.
Het getijdenbeeldscherm geeft data weer voor de gekozen datum

area
Getijden | Time | Value | | :--- | :--- | | 0 | 2.5 | | 3 | 4.1 | | 6 | 5.7 | | 9 | 7.2 | | 12 | 8.8 | | 15 | 5.7 | | 18 | 4.1 | | 21 | 7.2 | | 24 | 8.8 | | Label | Date | Value (vt) | | :--- | :--- | :--- | | D | 05:06 | 8.81 | | E | 05:06 | 8.81 | | F | 19:42 | 8.81 | | G | 09:45 | 8.81 | | L | 5.65 | 8.81 | | M | - | - | | K | - | - | | I | - | - | | J | - | - | | Maan op | 23:14 | - | | Hoogwater (max.) | 8.81 vt | - | | Laagwater (min.) | 2.53 vt | - | Maan onder 09:45 Zon onder 19:42 Maan onder 09:45 Maan stand 68%A Getijdenstationnaam en afstand van de boot
B Huidige tijd en gekozen datum voor weergave
C Getijdenkaart
D Nacht
E Zonsopgang
F Dag
G Zonsondergang
H Getijdehoogte
I Tijdcursor, een verticale stippellijn. Druk op of om de cursor zijwaarts te bewegen
J Tijd van cursor en getijhoogte op die tijd
K Data voor de gekozen datum
L Getijhoogte cursor, een horizontale stippellijn. Druk op of om de cursor naar boven of beneden te bewegen.
M Hoogte van de cursor op de getijdenkaart
N Maanfase voor de maan op de huidige tijd op de gekozen datum.
12 Gebruikerskaartbeeldscherm
Een C-MAP™ gebruikerskaart is een optionele insteekkaart die gegevens kan bewaren (zie paragraaf 1-4). Er zijn drie soorten folders: waypoints, routes of een traject.
Om naar het gebruikerskaartbeeldscherm te gaan, druk op DISP, selecteer Ander en vervolgens Gebruikerskaart.
Opmerking:
1 Voordat een gebruikerskaart wordt gebruikt dienen alle andere landkaartkaarten verwijderd te worden en dient de gebruikerskaart ingevoerd te worden. Verwijder, wanneer u klaar bent met de gebruikerskaart, deze kaart en vervang deze met de landkaart (zie paragraaf 1-3).
2 De oude 5 Volt-kaarten worden niet ondersteund
Het gebruikerskaartbeeldscherm heeft:
Een folderlijst
Een lijst met de folders van alle gebruikerskaarten in de TRACKER. Indien er meer folders zijn dan op het scherm passen druk dan op of om met een pagina tegelijk op of neer te scrollen.
Waypts, Routes
Het huidige aantal waypoints en routes in de TRACKER.
Traject 1 tot Traject 5
Het huidige aantal points op trajecten 1 tot 5 in de TRACKER.
Opmerking:
1 Gebruik om de TRACKER-data op een gebruikerskaart te bewaren, het Bewaar-commando (zie onderstaand).
2 Data die op een gebruikerskaart wordt bewaard en die wordt weergegeven op de folderlijst is niet voor gebruik op de TRACKER beschikbaar, totdat deze met een LAAD-commando op de TRACKER wordt geladen (zie onderstaand).
Data naar de gebruikerskaart bewaren
Hierdoor worden alle TRACKER-waypoints, alle TRACKER- routes of een van de TRACKERtrajecten bewaard naar een folder op de gebruikerskaart.
1 Druk op MENU en selecteer Zoeken.
2 Selecteer Waypts, Routes of Trajecten.
3 Selecteer voortrajecten, het te bewaren trajectnummer.
4 De nieuwe folder is aangemaakt. Verander indien gewenst de naam. De nieuwe folder verschijnt in de folderlijst
Data laden van de gebruikerskaart naar de
| Gebruikerskaart | |||
| ▼ Naam | Type | Datum | Tijd |
| Medium niet geformatteerd | |||
| In geheugen | Traject 2: 0 | ||
| Waypts: | 52 | Traject 3: 0 | |
| Routes: | 10 | Traject 4: 0 | |
| Traject 1: | 989 | Traject 5: 0 | |
TRACKER
Hierdoor wordt een folder van de gebruikerskaart naar de TRACKER geladen:
- Een waypoints-folder: De nieuwe waypoints zijn toegevoegd aan de bestaande waypoints in de TRACKER. Indien een nieuw waypoint dezelfde naam heeft als een bestaand waypoint, maar andere gegevens, dan zal de TRACKER beide waypoints weergeven. Selecteer:
Overslaan: Laad het nieuwe waypoint niet.
Vervang: Laad het nieuwe waypoint en vervang het bestaande.
Alles overslaan: Laad geen enkel nieuw waypoint die dezelfde naam heeft als een bestaand waypoint.
Alles vervangen: Laad alle nieuwe waypoints die dezelfde naam hebben als bestaande waypoint; de nieuwe waypoints vervangen de bestaande waypoints.
- Een routes-folder: De nieuwe routes zijn toegevoegd aan de bestaande routes in de TRACKER. Indien een nieuwe route dezelfde naam heeft als een bestaande route, maar andere gegevens, dan zal de TRACKER vragen welke route bewaard dient te worden.
- Een traject-folder: Het nieuwe traject zal het bestaande traject in de TRACKER vervangen.
Om een folder naar de TRACKER te laden:
1 Selecteer de te laden folder.
2 Druk op MENU en selecteer Laden.
Een folder van de gebruikerskaart wissen
1 Selecteer de te wissen folder.
2 Druk op MENU en selecteer Wissen.
3 Selecteer Ja om te bevestigen.
Lezen van de folderinformatie
De foldernamen van de gebruikerskaart worden gelezen en weergegeven. Door ze te lezen worden de folders niet naar de TRACKER geladen.
1 Druk op MENU en selecteer Kaart.
2 Selecteer Lezen.
De gebruikerskaart formatteren
Formatteren bereidt een gebruikerskaart voor op gebruik. Formatteer de kaart indien een foutmelding weergeeft dat de kaart niet geformatteerd is. Alle folders met gegevens op de kaart worden hierdoor gewist.
1 Druk op MENU en selecteer Kaart.
2 Selecteer Formatteren.
3 Selecteer Ja om te bevestigen.
De foldernamen rangschikken
Hierdoor worden de weergegeven foldernamen gerangschikt.
1 Druk op MENU en selecteer Rangschikken.
2 Selecteer rangschikken op Naam, Type of Tijd.
13 Informatiebeeldscherm

Druk om het informatiebeeldscherm weer te geven op DISP, selecteer Ander, en vervolgens Informatie.
Het informatiescherm geeft weer:
• De software-versie en datum.
• De wereldkaartversie.
• Welke kaarten zijn geïnstalleerd.
- Het aantal waypoints, routes en trajecten in de TRACKER.
- Bedradingsinformatie voor de TRACKER-connectors.
In het onwaarschijnlijke geval dat u contact op moet nemen voor service met een NAVMAN dealer dient u het software-versienummer en de datum te noemen.
14 Instelling van de TRACKER
De TRACKER heeft een aantal geavanceerde functies die ingesteld kunnen worden via het instellingsmenu. We raden aan bekend te raken met de bediening van het instrument voordat de standaard instellingen van de gegevens in deze menu's veranderd wordt.
Druk om naar een instellingsoptiemenu te gaan een of meerdere keren op , om het instellingsmenu weer te geven en selecteer een optie.
Opmerking:
1 De opties van het Instellingsmenu worden in de volgende paragrafen uitgelegd.
2 Sectie 2-1 beschrijft hoe gegevens in de instellingsmenus kunnen worden ingevoerd of veranderd.
3 De beschikbare instellingsgegevens zijn afhankelijk van de optionele sensoren en geïnstalleerde instrumenten.

14-1 Instelling > Systeem
Druk een of meerdere keren op , MENU totdat het Instellings-menu wordt weergegeven en kies vervolgens Systeem:

Taal
Selecteer de taal voor de beeldschermen. De opties zijn: Engels, Italiaans, Frans, Duits, Spaans, Nederlands, Zweeds, Portugees, Fins en Grieks.
Tip: Indien u de huidige taal niet kunt lezen, dan kunt u de taalinstelling bovenaan het systeemmenu vinden.
Achtergrondverlichting
Selecteer het achtergrondverlichtingsniveau voor de toetsen en het beeldscherm (zie ook paragraaf 2-4)
Nachtstand
In nachtstand wordt het palet voor alle beeldschermen ingesteld.
Normaal palet, voor overdag
Alle beeldschermen hebben een geoptimaliseerd palet voor 's nachts.
Zie ook paragraaf 2-4. Om alleen het landkaartpalet te veranderen, zie paragraaf 17-2.
Toetstoon
Schakelt de pieptoon in of uit die klinkt als een toets wordt ingedrukt.
Auto-power uit
Zie paragraaf 2-3.
Onmiddellijke schermwijziging
Beheert hoe het beeldscherm verandert wanneer op de DISP -toets wordt gedrukt en gebruikt het beeldschermmenu om een nieuw beeldscherm te kiezen (zie paragraaf 2-8). De opties zijn:
Het beeldscherm verandert wanneer op ENT wordt gedrukt om een beeldscherm te kiezen.
Het beeldscherm verandert steeds wanneer een ander beeldscherm wordt gemarkeerd in het beeldschermmenu.
Instellingsoptiesmenus
Standaard fabrieksinstellingen worden weergegeven. De beschikbare instellingsgegevens zijn afhankelijk van de optionele sensoren en geïnstalleerde instrumenten.





GPS
(zie 14-3)

Brandstof
(zie 14-4)

SmartCraft

Traject
(zie 14-5)

Log
(zie 14-6)

Alarmen
(zie 14-7)

Eenheden
(zie 14-8)

Communicatie
(zie 14-9)

Kalibreren
(zie 14-10)

Tijd
(zie 14-11)

Simuleren
(zie 14-12)

Fabriekinstelling reset
M.b.v. deze functie worden alle TRACKER-instellingen, (behalve de taal, waypoints en routes) gereset naar de standaard fabrieksinstelling, weergegeven in de instellingsmenu's.
SmartCraft
Er is geen SmartCraft gateway geïnstalleerd. SmartCraft-functies uitschakelen.
Normaal gebruik van SmartCraft
Zie paragraaf 15-7.
14-2 Instelling > Landkaart
Druk een of meerdere keren op MENU totdat het Instellingsmenu wordt weergegeven en kies vervolgens Landkaart:




Rotatie
De mogelijkheden voor landkaartrotatie zijn:
Noord boven: Noord is altijd bovenaan het kaartbeeldscherm.
Traject boven: De landkaart wordt zo gedraaid dat de bootrichting naar de bovenkant van het beeldscherm is. Deze optie is handig voor het navigeren in smalle havens en op smalle rivieren. De TRACKER vraagt naar een koersafwijking; dit bepaald hoeveel de richting van de boot dient te veranderen voordat de landkaart opnieuw wordt getekend.
Tip: Indien de landkaart te vaak opnieuw getekend moet worden, dient de instelling van de koersafwijking worden aangepast.
Koers boven: Deze optie is allen beschikbaar indien de boot naar een bestemming navigeert. De landkaart wordt gedraaid zodat de geplotte koers naar de bestemming verticaal is.
Palet
Selecteer het kleurenschema voor het LCD-beeldscherm. De opties zijn:
Normaal
Zonlicht: Fellere kleuren, beter zichtbaar in zonlicht.
Nacht: Omgekeerde kleuren voor 's nachts, om nachtvisie te waarborgen.
Kaartdatum
TRACKER GPS-posities zijn gebaseerd op een wereldwijde referentie (datum) die bekendstaat als WGS 84. De meeste papieren landkaarten zijn gebaseerd op WGS 84. Sommige papieren landkaarten zijn echter gebaseerd op andere datums. In dit geval zullen de lengte- en breedtegraden van de objecten op het TRACKER kaartbeeldscherm verschillen van de lengte- en breedtegraden van deze objecten op de papieren landkaart. Dit is van toepassing op alle objecten, zoals boten, waypoints, trajecten, breedte- en lengtegraadlijnen en cartografische kenmerken, zoals land, rotsen, boeien en dieptecontouren.
Gebruik Kaartdatum om te selecteren dat de TRACKER kaartdatum overeenkomt met de datum van de papieren landkaart. Dan zullen de lengte- en breedtegraadcoördinaten van de op de TRACKER weergegeven objecten veranderen, zodat ze overeen komen met de corresponderende coördinaten op de papieren landkaart.
Instelling van de kaartdatum
1 In het Kaartinstellingsmenu, selecteer Kaartdatum.
2 Selecteer de kaartdatum voor de papieren landkaart die u gebruikt.
3 Indien een andere datum dan WGS 84 wordt geselecteerd, dan zal de TRACKER vragen of u de NMEA datumafwijking wilt aanpassen (zie onderstaand).
⚠ Waarschuwing: Wanneer veranderd wordt naar een landkaart met een andere datum, verander dan ook de TRACKER kaartdatum weer.
NMEA datum off set
Indien een kaartdatum anders dan WGS 84, wordt geselecteerd, dan kan de kaartdatum aanpassing worden toegepast op de lengte- en breedtegraadcoördinaten die via de TRACKER NMEA-output worden verstuurd:
Lengte- en breedtegraadcoördinaten weergegeven op een willekeurige NMEA-repeater komen niet overeen met de coördinaten op de TRACKER. Lengte- en breedtegraadcoördinaten verstuurd door een willekeurige NMEA VHF-zender zullen overeenkomen met de coördinaten op een WGS 84-kaart.
Lengte- en breedtegraadcoördinaten weergegeven op een willekeurige NMEA-repeater komen overeen met de coördinaten op de TRACKER. Lengte- en breedtegraadcoördinaten verstuurd door een willekeurig NMEA VHF-zender zullen echter een beetje verschillen van de coördinaten op een WGS 84-landkaart.
Kaartverschuiving
⚠ Waarschuwing: Kaartverschuiving is bedoeld om kleine aanpassingsverschillen te verwijderen. Deze functie dient niet te worden gebruikt indien de correcte datum beschikbaar is. Wees voorzichtig met het gebruik van kaartverschuiving: verkeerd gebruik van deze applicatie veroorzaakt incorrecte bootposities.
Sommige landkaarten hebben consistente positiefouten. Om dit te corrigeren kan een kaartverschuiving worden toegepast. Na een kaartverschuiving:
- Zijn de posities van cartografische kenmerken (zoals land, rotsen, boeien en dieptecontouren) op het TRACKER-kaartbeeldscherm verplaatst naar waar ze behoren te zijn.
- De posities van de boot, waypoints, trajecten en lengte- of breedtelijnen op het TRACKER-kaartbeeldscherm blijven onveranderd.
Toepassing van een kaartverschuiving
1 Vaar de boot naar een bekend punt op de landkaart, bijv. een ligplaats in de haven.
2 Selecteer in het Kaartinstellingsmenu
Kaartverschuiving.
3 Beweeg de cursor naar de positie op de landkaart waar de boot zich echt bevindt.
4 Druk op MENU en selecteer Instellen.
5 Druk op ESC om de nieuwe kaartverschuiving in te stellen. De boot zal nu op zijn ware positie worden weergegeven.
Opschonen van de kaartverschuiving
Het opschonen van de kaartverschuiving verwijderd alle kaartverschuivingen van cartografische kenmerken van het TRACKER kaartbeeldscherm.
1 Selecteer in het Kaartinstellingsmenu
Kaartverschuiving.
2 Druk op MENU en selecteer Opschonen.
3 Druk op ESC.
| Algemeen submenu | |
| Plotterstand | Normaal: alleen schalen die beschikbaar zijn op de landkaartkaart kunnen worden weergegeven.Indien gedrukt wordt op of om een landkaartschaal te selecteren die niet beschikbaar is, dan zal het landkaartscherm wel veranderen naar deze schaal maar alleen de positie en het traject van de boot weergeven (indien ingeschakeld). De rest van het beeldscherm is wit met zwarte kruisarcering en er wordt geen landkaartinformatie weergegeven. Dit is een handige zoom naar een kleine schall om kleine bootbewegingen te traceren of indien geen gedetailleerde landkaart voor dit gebied beschikbaar is. |
| Opruimen | verbergt een aantal minder belangrijke namen en iconen zodat de kaart overzichtelijke wordt. |
| Geprojecteerde koers | De TRACKER kan de koers na een gegeven tijd schatten, gebaseerd op de huidige snelheid en richting (zie paragraaf 3-4). De opties zijn 2 minuten, 10 minuten, 30 minuten, 1 uur, 2 uur of Uit. |
| CDI-schaal | Zie appendix C. De opties zijn 0,05, 0,1, 0,2, 0,5, 1,0, 2,0, 4,0 en 10,0 afstandseenheden. |
| Coördinatenlijnen | geeft latitude en longitude lijnen weer. |
| Kaartgrens | Geeft grenzen weer rond gebieden waar meer gedetailleerd kaartbestrijking beschikbaar is: Auto geeft de volgenden vier detailniveaus weer; Aan laat ze allemaal zien. |
| Tekst/icoon-formaat | Selecteert het formaat van landkaarttekst en iconen. |
| Water-submenu | |
| Zeekaartkenmerken | Geeft mariene sedimentlabels (bijv.: M geeft modderige gebieden weer) en getijdenstation iconen |
| Dieptelijnen | Geeft dieptecontouren onder water weer tussen diepte & sndgs min en max. |
| Puntpeilingen | Geeft dieptecontouren onder water weer tussen diepte & sndgs min en max. |
| Diepte & peilings min | De minimale diepte voor Dieptelijnen en puntpeilingen. |
| Diepte & peiligings max | De maximale diepte voor Dieptelijnen en puntpeilingen. |
| Getijdenstroming | geeft dynamische getijdenstroming weer: pijlen op een kaart geven de huidige getijdenstroom en richting weer (Hiervoor is een GPS-positie en een NT-MAX-kaart benodigd). |
| Ander submenu | |
| Waypoints | Geeft waypoints weer: Verberg alle geeft alleen waypoints weer op een geselecteerde route; Geselecteerd geeft waypoints weer met hun weergave-optie ingesteld op Icoon of I+N (Icoon en Naam) (zie paragraaf 5). |
| Namen | Geeft plaatsnamen weer. |
| Lichten | Geeft vuurtorens weer: Geen sector verbergt alle lichtsectoren; Aan geeft alle data weer. |
| Nav-hulp | Geeft signalen weer (mist, radar, radio stations en boeien. Int en US selecteren het icoonformaat; Simpl tekent eenvoudiger iconen. |
| Aandachtsgebieden | Geeft de grenzen van aandachtsgebieden en informatie-iconen weer vaandachtsgebieden zijn belangrijke gebieden, zoals ankerplaatsen en ondiepten. |
| Landkaartkenmerken | Geeft landkenmerken weer, zoals regio's, rivieren, wegen, spoorwegen en luchthavens. |
14-3 Instelling > GPS
Druk een of meerdere keren op, totdat het Instellings-menu wordt weergegeven en selecteer GPS:

GPS-bron
- Intern: Gebruik de interne GPS-antenne (TRACKER 5380i) of de bijgeleverde externe GPS-antenne (TRACKER 5380) (zie paragraaf 15-5).
• NMEA : Gebruik een externe GPS- of DGPS-bron, aangesloten via NMEA (zie paragraaf 15-9). - NavBus: Gebruik een externe GPS- of DGPS-bron, aangesloten via NavBus (zie paragraaf 15-8).
DGPS-bron
Schakelt de DGPS-correctie via satelliet in of uit (zie paragraaf 7). De opties zijn Geen of WAAS/EGNOS. Schakel WAAS/EGNOS niet in buiten hun bestrijkingsgebied om de precisie van de positie niet te ondermijnen.
WAAS bestrijkt de gehele VS en het grootste veel van Canada. Om WAAS te gebruiken dient de GPS-antenne duidelijk zicht op de hemel richting de evenaar te hebben. EGNOS zal het grootste deel van West Europa bestrijken als het actief wordt.
Herstart GPS
Herstart de interne GPS-ontvanger voor een onderhoudsbeurt of het oplossen van problemen. Het duurt maximaal drie minuten om de GPS-ontvanger te herstarten. Het satellietbeeldscherm geeft de status van de GPS-ontvanger weer (zie paragraaf 7). Herstart de GPS indien de ontvanger al enige tijd niet gebruikt is en het lang duurt om een GPS-positie te ontvangen.
Statische navigatie
Wanneer de boot stopt of heel langzaam vaart worden de GPS-snelheid en -koers grillig. Statische navigatie is een nummer en de opties zijn:
- 0,01 tot 99,9: Indien de snelheid van de boot lager is, dan wordt de snelheid als nul weergegeven en zal de koers onveranderd blijven.
- 0 (Uit) : De berekende snelheid en koers worden altijd gebruikt.
Snelheid- en koersfilter
Golven en wind zorgen ervoor dat de snelheid en de koers van de boot enigszins fluctueren. Voor stabiele aflezingen zal de TRACKER deze waarden berekenen door verschillende metingen te doen en hiervan het gemiddelde te nemen.
- Een lagere waarde neemt het gemiddelde van een kortere periode. Dit geeft de meest precieze waarden maar ook de grootste schommelingen.
- Een hogere waarde neemt het gemiddelde van een langere periode. Dit geeft de meest stabiele waarde maar een aantal ware snelheidsveranderingen worden niet weergegeven.
Stel de snelheids- en koersfilters in op de laagste waarden die nog een stabiele aflezing geven. Het bereik van elk filter is van 1 tot 60 seconden of Uit (0).
14-4 Instelling > Brandstof
Voor de brandstofinstelling dienen optionele benzine- of Smartcraft-sensoren geïnstalleerd te zijn. Stel eerst Aantal motoren in om de brandstofffuncties in te schakelen.
Druk een of meerdere keren op MENU, totdat het Instellings-menu wordt weergegeven en selecteer dan Brandstof:

Waarschuwing: brandstofverbruik kan drastisch veranderen, afhankelijk van de lading van de boot en de condities op het water. Neem altijd voldoende brandstof voor de reis, plus een reserve mee.
Tank vol
Informeer de TRACKER dat uw brandstof tank gevuld is (zie paragraaf 10-1).
Restant instellen
Verteld de TRACKER dat brandstof toegevoegd of verwijdered is (zie paragraaf 10-1).
Verbruikt opschonen
Selecteer Verbruikt opschonen om Verbruikt (de hoeveelheid gebruikte brandstof) op nul te zetten. Gebruik deze functie om de hoeveelheid brandstof die over een bepaalde tijd of afstand gebruikt wordt te meten.
Tankafmeting
Voer het formaat van de brandstoftank in. Navman raad aan het tankformaat op te meten door de brandstoftank leeg te laten lopen, de tank helemaal te vullen en de hoeveelheid af te lezen op de meter van de benzinepomp. Pas op voor luchtbellen, in het bijzonder in ondervloerse tanks.
Aantal motoren
Stel het aantal motoren in op 0, 1 of 2. De brandstofffunctie is uitgeschakeld indien 0 wordt geselecteerd.
Kalibreren
SmartCraft brandstofsensoren zijn in de fabriek gekalibreerd en dienen niet opnieuw te worden gekalibreerd. Kalibratie van Navman benzinesensoren geeft preciezere brandstofwaarden.
Bij twinmotorinstallaties dienen beide brandstoftransducers gekalibreerd te worden. Dit kan tegelijkertijd worden gedaan door gebruik van twee draagbare tanks, of op een verschillend tijdstip met gebruik van een draagbare tank.
Voor kalibratie van de brandstoftransducer(s) dient het brandstofverbruik nauwkeurig te worden bijgehouden. Dit kan het best door gebruik van een kleine draagbare tank. Voor een accurate kalibratie dienen ten minste 15 liters (4 gallons) te worden gebruikt.
Het is vaak moeilijk om ondervloerse tanks twee keer tot precies hetzelfde niveau te vullen als gevolg van luchtbellen, dus als er meer brandstof wordt gebruikt, zal de kalibratie preciezer zijn.
Voer om de brandstoftransducer(s) te kalibreren de volgende stappen uit:
- Noteer het brandstofniveau in de tank(s).
-
Verbind de draagbare tank(s) aan de motor via de brandstoftransducer(s).
-
Laat de motor op kruissnelheid lopen totdat ten minste 15 liter (4 gallons) benzine is verbruikt per motor.
- Controleer de eigenlijke hoeveelheid verbruikte benzine per motor door de draagbare tanks tot het oorspronkelijk niveau te vullen en de meter van de brandstofpomp af te lezen en de waarde te noteren.
- Selecteer Brandstof. Gebruik de cursortoetsen om de verbruikswaarde van beide motoren zo te veranderen dat ze overeenkomen met de waarde op de meter van de benzinepomp.
- Druk op ENTER wanneer de waarde klopt.
Opmerking: Indien de brandstofkalibratie opties na verloop van tijd grillige waarden weergeven, controleer dan eerst of de brandstofsensor correct is geïnstalleerd volgens de installatie-instructies die erbij werden geleverd en zie vervolgens appendix B - Problemen oplossen.
Debietfilter
De meeste motoren ontrekken geen constante hoeveelheid brandstof aan de tank. Voor een stabiele brandstofdebietwaarde berekent de TRACKER de debietwaarde door verschillende metingen te doen en hier het gemiddelde van te nemen. Gebruik het Debietfilter om de periode waarover het gemiddelde wordt genomen in te stellen.
Het debietfilter kan worden ingesteld van 0 tot 30 seconden. Gebruik de laagste waarde die een stabiel debiet geeft. Een waarde van 5 tot 10 seconden geeft normaalgesproken een goed resultaat voor tweetakt carburateurmotoren. Voor injectie- en viertaktmotoren kan een hogere waarde nodig zijn.
Deze instelling is van invloed op de Branstofdebiet- en Brandstofverbruik-waarden op het brandstofscherm, maar niet op de Verbruikte brandstof-waarde.
Brandstofverbruikscurve
Zie paragraaf 10-3.
Snelheidsbron
Indien zowel logwielsensor- als GPS-snelheden beschikbaar zijn, selecteer dan de bron voor snelheidswaarden voor brandstofberekeningen. Indien er (getijde)stroming is, dan zullen deze snelheden en de brandstofberekeningen anders zijn.
Watersnelheid: Gebruik de logwielsnelheid (boots snelheid door het water). Dit geeft een preciezere waarde voor Verbruik.
GPS : Gebruik GPS-snelheid (boots snelheid t.o.v. land). Dit geeft een preciezere waarde voor Bereik.
14-5 Instelling > Traject
Druk een of meerdere keren op, totdat het Instellingsmenu wordt weergegeven en selecteer dan Trajecten:

Traceren registreert de koers van de boot op de kaart en geeft deze weer op de kaart (zie paragraaf 3-5). Vijf verschillende trajecten kunnen worden geregistreerd: traject 1 heeft maximaal 2000 punten en trajecten 2, 3, 4 en 5 hebben elk maximaal 500 punten.
Registreren
Uit: De TRACKER stopt de registratie van een traject.
1 tot 5 (selecteer een trajectnummer): De TRACKER begint de koers van de boot te registreren op het geselecteerde traject.
Weergave
Uit: Er wordt geen traject weergegeven op de landkaart.
1 tot 5 (selecteer een trajectnummer): Het geselecteerde traject wordt weergegeven op de landkaart.
Plotinterval
De opties zijn Afstand of Tijd.
Afstand
Selecteer de afstandsplottinginterval: 0,01, 0,05, 0,1, 0,5, 1,0, 2,0, 5,0 of 10,0 afstandseenheden.
Tijd
Selecteer de tijdsplottinginterval: 1, 5, 10 of 30 seconden of 1 minuut.
Druk een of meerdere keren op MENU totdat het Instellings-menu wordt weergegeven en selecteer dan Log:
| Logboeken | |
| Reisafstand resetten | |
| Totale afstand res. | |
| Motoruren resetten | |
| Reisafstand | 24.1 nm |
| Totale afst. | 24.1 nm |
| Motoruren | 2.9 uur |
Gebruikt geheugen
Het percentage van het geheugen dat wordt gebruikt voor registratie van dit traject.
Tip: Gebruik het gebruikerskaartbeeldsch erm om te controleren hoeveel punten op elk traject worden geregistreerd (zie paragraaf 14).
Traject verzenden
Deze optie is inbegrepen voor compatibiliteit met oudere instrumenten. Neem voor informatie contact op met uw NAVMAN-leverancier.
Traject verwijderen.
De data van het traject dat geselecteerd was voor registratie (zie bovenstaand) wordt verwijderd.
De waarden kunnen onafhankelijk van elkaar worden verandert. Deze logwaarden worden bewaard wanneer het instrument wordt uitgeschakeld.
Reisafstand resetten
Dit reset de tochtafstand tot nul.
Totale afst resetten
Deze optie reset de totale afstand tot nul.
Motoruren resetten
Gebruik deze optie om motoruren te resetten tot nul. Dit kan handig zijn na een motorservice of om de motoruren tussen servicebeurten bij te houden.
Druk een of meerdere keren op MENU totdat het Instellings-menu wordt weergegeven en selecteer dan Alarmen:

Alle alarmen, behalve Verlies van GPS-positie kunnen in- of uitgeschakeld worden.
Voor de XTE- en verlies van DGPS-positie-alarmen, selecteer om het alarm in te schakelen of om het alarm uit te schakelen. Voor de andere alarmen dient een alarmreactiewaarde te worden ingevoerd om het alarm in te schakelen. Het alarm zal klinken telkens als de alarmwaarde wordt bereikt. Bijv.: Het Gevaaralarm zal afgaan indien de boot dichter bij een gevaar-waypoint komt dan de alarmreactiewaarde en het Ankeralarm zal afgaan wanneer de boot met meer dan de alarmreactiewaarde beweegt. Voer om deze alarmen uit te schakelen een alarmreactiewaarde in van 0 (nul).
Iconen voor alarmen die aan staan kunnen in de datatitel worden weergegeven (zie paragraaf 2-8-2). Een alarmicoon is normaalgesproken zwart en wordt rood wanneer een alarm afgaat.
Symbool Alarm Alarm gaat af als het is ingeschakeld en :
Aankomst boot is dichter bij bestemming of een waypoint radius dan de alarm reactie waarde
Ankeralarm boot beweegt meer dan de alarmreactiewaarde
XTE boot beweegt verder dan de CDI-schaal van koers.
(zie paragraaf 14-2)
Gevaar boot komt dichter bij een gevaar- waypoint dan de alarmreactiewaarde
Wemig brandstof resterende brandstof is gelijk aan de alarmreactiewaarde
Verlies van TRACKER ontvangt geen DGPS-signaal DGPS-positie (baken, WAAS of EGNOS)
Verlies van TRACKER ontvangt geen GPS-signaal GPS-positie (dit alarm staat altijd aan)
Druk een of meerdere keren op MENU totdat het Instellings- menu wordt weergegeven en selecteer dan Eenheden:

De standaard eenheden worden bovenstaand weergegeven.
Afstand
nm (nautische mijlen), mi (mijlen) of km (kilometers)
Snelheid
kn (knopen), mpu (mijlen per uur) of kpu (kilometers per uur)
14-9 Instelling > Communicatie
Gebruik deze functie wanneer de TRACKER is aangesloten op andere NAVMAN-instrumenten via NavBus of een ander compatible NMEA-instrument.
Druk een of meerdere keren op MENU, totdat het Instellings menu wordt weergegeven en kies vervolgens Comms:

NMEA uit
NMEA wordt over het algemeen gebruikt met instrumenten van andere dan Navman-makelij (zie paragraaf 15-9). Selecteer deze optie voor
Diepte
vt (voet), m (meters) of va (vadems)
Brandstof
Liters, USGal (VS gallons) of ImpGal (Imperische gallons)
Kompas
^ T (ware noorden) of ^ M (Magnetische noorden)
Temperatuur
°F (Fahrenheit) of °C (Celsius)
Wind (optioneel)
Hiervoor is een windinstrument nodig: Waar of Schb (Schijnbaar)
Opmerking: de eenheden voor windsnelheid zijn de snelheidseenheden.
Druk
Hiervoor is SmartCraft benodigd: kPa of psi
Baro (Barometrische druk)
Hiervoor is een Navman VHF-ontvanger nodig die via NavBus is aangesloten: InHg of mB.
het versturen van NMEA-zinnen, bijv. naar een automatische piloot.
NMEA-gegevens
Gebruik dit om te specificeren welke NMEA-zinnen verzonden zullen worden (zie paragraaf 15-9 en Appendix A).
Decimalen lengte/breedte
Selecteer het aantal gebruikte decimalen voor latitude en longitude verzonden in NMEA-zinnen.
NavBus
NavBus is de voorkeursmethode voor aansluiting van de TRACKER op andere NAVMAN-instrumenten. Selecteer deze optie indien instrumenten d.m.v. NavBus op elkaar zijn aangesloten.
NavBus Groep
Gebruik deze optie indien NAVMAN- instrumenten op elkaar zijn aangesloten d.m.v. NavBus, om een groep instrumenten te specificeren voor achtergrondlicht,
indien gewenst. Indien de instelling voor de achtergrondverlichting dan aangepast wordt voor een instrument in de groep, dan worden de andere instrumenten ook automatisch verandert. Als alternatief, selecteer 0. Zie paragraaf 15-8.
14-10 Instelling > Kalibratie
Druk een of meerdere keren op ,MENU totdat het Instellings- menu wordt weergegeven en selecteer dan Kalibreren:
| Kalibreren | |
| Brandstof | |
| Snelheidsbereik | Laag |
| Max. brandstofdebiet | 26 G |

Brandstof
Zie paragraaf 14-4.
Snelheidsbereik
De maximale aflezing weer te geven op een analoge bootsnelheidsmeter (zie paragraaf 10). Kies een voor de boot passend bereik.
Max. brandstofdebiet
Het maximale brandstofdebiet van de brandstoftank.
14-11 Instelling > Tijd
Druk een of meerdere keren op MENU totdat het Instellings- menu wordt weergegeven en selecteer dan Tijd:
| Tijd | |
| Lokale offset | +00:00 |
| Tijdformaat | 24 uur |
| Datumformaat | dd/MMM/jj |

Lokale offset.
Het verschil tussen de lokale tijd en de UTC (GMT). Verander lokale afwijking wanneer zomertijd begint en eindigt. Het bereik is 0 tot ± 13 uren, in stappen van 30 minuten.
Tijdnotatie
De opties zijn 24 uur of 12 uur.
Datumnotatie
De opties zijn dd/MMM/yy, MMM/dd/yy, dd/MM/yy of MM/dd/yy.
14-12 Instelling > Simulatie
De Simulatiestand is een manier om aan de TRACKER gewend te raken (zie paragraaf 2-7).
Druk een of meerdere keren op MENU, totdat het Instellings menu wordt weergegeven en selecteer dan Simuleren :

Simulatie
Schakel simulatiestand uit
Schakel simulatiestand aan
⚠ Waarschuwing: De simulatiestand dient nooit aan te staan wanneer de TRACKER navigeert op het water.
Standen
Er zijn twee mogelijkheden voor Stand:
1 Normaal
Simuleert dat de boot beweegt van een gekozen beginpunt met een gegeven snelheid en richting. De opties die nodig zijn voor Normaal zijn:
Snelheid: De gesimuleerde te gebruiken bootsnelheid.
Koers: De gesimuleerde peiling die de boot dient te volgen.
Opmerking: Ga om het beginpunt te selecteren naar het kaartbeeldscherm voordat de simulatie begint. Vervolgens:
- Druk om de simulatie te starten vanuit de boot positie, op ESC, om naar de 'boot in het midden'-stand te wisselen.
- Beweeg, om de simulatie vanuit een ander punt te starten, de cursor naar dat punt op de landkaart.
Tip: Gebruik de cursor om de koers te berekenen (zie paragraaf 3-3).
Tip: Verander de koers terwijl de boot vaart om te simuleren dat de boot van koers raakt.
2 Demo
Simuleert een boot die zich over een route beweegt en laat automatisch verschillende TRACKER-functies zien.
De opties die nodig zijn voor Demo zijn:
Snelheid: De gesimuleerde te gebruiken bootsnelheid.
Route: De te volgen route.
15 Installatie
Correcte installatie is cruciaal voor een goede werking van het instrument. Het is van vitaal belang dat u het complete hoofdstuk over installatie in deze handleiding en documentatie die bij de antenne en eventuele andere onderdelen geleverd wordt doorleest voordat u begint met de installatie.
15-1 Installatie: Wat er bij de TRACKER geleverd wordt
• TRACKER-beeldscherm
• Stofkap voor beeldscherm
• Afsluitkapje voor ongebruikte connectors
- Stroomkabel
- Bevestigingsbeugel (incl. schroeven)
• Vlakke bevestigingskit
- NAVMAN 1330 GPS-antenne, voor de TRACKER 5380; de TRACKER 5380i heeft een ingebouwde GPS-antenne.
• Garantieregistratiekaart
- Deze handleiding

15-2 Installatie: Opties en accessoires
• C-MAP™ NT-MAX, NT+ of NT-landkaartkaarten.
- C-MAP™ gebruikerskaarten (3 V) voor het opslaan van data. (De oude 5Volt-kaarten worden niet ondersteund.)
• NAVMAN draagtas.
- NAVMAN NavBus aansluitdozen vereenvoudigen bedrading, in het bijzonder wanneer meerdere instrumenten worden aangesloten. Voor meer informatie, zie de NavBus Installatiehandleiding.
Optionele sensors en instrumenten
Externe alarmen: Lichten of piepers aan boord om alarmen te doen klinken (zie paragraaf 15-4).
GPS of DGPS-antenne: voor GPS-navigatie, zie paragraaf 15-5.
Brandstofsensors: Voor brandstofffuncties. De TRACKER kan deze optionele brandstofdebietsensors gebruiken, geplaatst op een of twee motoren.
• Navman benzinesensors (zie paragraaf 15-6)
• SmartCraft brandstofsensors (zie paragraaf 18-11)
SmartCraft: Met een of twee Mercury-motoren die geschikt zijn voor SmartCraft, kan de TRACKER motor- en trimdata weergeven en sleeplijnsnelheid beheersen (zie paragraaf 18-10).
Andere instrumenten: De TRACKER kan ook data ontvangen en versturen van/naar andere instrumenten via NavBus of NMEA (zie paragrafen 15-12 en 15-13).
Vraag uw NAVMAN-leverancier om meer informatie.

flowchart
graph TD
A["Aansluitingen"] --> B["Beeldscherm 15-3"]
B --> C["Zwart"]
C --> D["WP"]
D --> E["Benzinesensors (15-6), NMEA in (15-9)"]
B --> F["GPS-antenne (TRACKER 5380, 15-5)"]
B --> G["Sroom (15-4)"]
B --> H["Externe alarmen (15-4)"]
B --> I["NavBus-instrumenten (15-8)"]
B --> J["NMEA out naar instrumenten (15-9)"]
Stroom-/datakabel
Pin Draad Functie
1 Zwart Aarde: - stroom in, NMEA aarde. (De kabel heeft twee zwarte draden die binnenin de kabel samengevoegd zijn, zodat het niet uitmaakt welke zwarte d r a a d g e b r u i k t w o r d t
2 Bruin Stroom uit, 9 V DC (niet gebruikt)
3 Wit NMEA uit
4 Blauw NavBus-
5 Rood + stroom in, 10 tot 16 V DC
6 Oranje NavBus+
15-3 Installatie: Het beeldscherm
Kies een positie waar het beeldscherm:
- Ten minste (100 mm) verwijderd is van het kompas, ten minste 300 mm van een radiozender en ten minste 1,2 m van een antenne.
- Eenvoudig te lezen en gebruiken is. Indien mogelijk recht voor of rechts van de navigator bevestigd is omdat het LCD-beeldscherm van daaruit het best te lezen is.
- Niet blootgesteld is aan de directe zon of water en beschermd tegen fysieke schade tijdens ruige zeereizen.
- Gemakkelijke toegang biedt tot de 12 V DC stroomvoorziening en waar het eenvoudig is om transducerkabels te leggen.
Er zijn twee bevestigingsmogelijkheden:
1 Vlakke bevestiging
Voor een vlakke bevestiging heeft u een massief paneel nodig met toegang tot de achterkant voor bedrading en bevestigingsschroeven. Na een vlakke bevestiging kan het beeldscherm niet meer gekanteld of gedraaid worden om ongewenste reflectie en schittering te voorkomen. Kies de positie met de beste zichtbaarheid voor de installatie. Dit is normaalgesproken op een schaduwplek.
1 Maak m.b.v. de vlakke bevestigingsmal een gat in het tussenpaneel voor het beeldscherm.
2 Boor vier gaten voor de bevestigingsbouten m.b.v. de vlakke bevestigingsmal.
3 Schroef de vier bouten in de koperen gaten aan de achterkant van het beeldscherm.
4 Plaats het beeldscherm en draai de ringetjes en moeren op de bouten.

Voor de TRACKER 5380i met de interne GPS-antenne:
- Dient het beeldscherm goed zicht op de lucht en de horizon te hebben. Dient het zicht niet geblokkeerd te zijn door grote onderdelen van de bovenbouw.
- Kan het instrument onder glas, perspex, glasvezel of textiel, maar nooit onder metaal of hout geplaatst worden.
- Bevestig het instrument niet binnen 3 m van de antenne van een radio-ontvanger of binnen een halve meter van de straal van een radarantenne.
2 Beugelbevestiging
Hiervoor is een paneel waaraan de beugel bevestigd kan worden nodig. Verzeker uzelf ervan dat het paneel niet vervormt of onderhevig is aan te veel vibratie. De beugel kan gekanteld en gedraaid worden. Het beeldscherm kan verwijdered worden als het niet in gebruik is.
1 Houd de beugel op de juiste plaats en markeer de schroefgaten.
2 Boor de schroefgaten en schroef de beugel op zijn plaats. Draai de schroeven niet te stijf aan omdat het beeldscherminstrument anders misschien niet draait.
3 Houd het beeldscherm op zijn plaats op de bevestigingsbeugelstang. Draai de knop met de hand stevig aan de bevestigingsbeugel.

15-4 Installatie: Stroom-/Datakabel
De stroom-/datakabel heeft een zwarte sluitmoer en aangesloten kabels.
1 Sluit de TRACKER aan op auto power, zodat deze ingeschakeld wordt met de contactschakelaar van de boot, of om de motoruren te registreren of als de TRACKER de totaal verbruikte benzine bijhoudt (als bijv. Navman benzinesensoren zijn geïnstalleerd of indien SmartCraft is geïnstalleerd zonder niveausensoren in de brandstoftank). Gebruik anders gewone stroom (zie voor meer informatie paragraaf 2-2).
Gewone stroom
![Sroom-/datakabel Rood Geel Zwart Zekering 2A Hoofdschakelaar 12 V DC]](/content/2026/06/1154947/images/132ac1097c51d0a9144f589eaa8b11d55813c73b03f78606af5b4c443d64ba38.jpg)
Auto-power
Tijdens instelling dient Auto power uit te staan (zie paragrafen 2-3 en 14-1)
![Sroom-/datakabel Geel Rood Zwart Zekeringen 2A Contact Contactschakelaar Hoofdschakelaar 12 V DC]](/content/2026/06/1154947/images/74aa66ee9d7470bec86365eca7e7f0832f955219672bb0869208a2532a65cb6d.jpg)
2 Sluit externe alarmpieper en -lichten aan. De alarm-output is geaard om het alarm af te doen gaan. Indien de spanning groter is dan 200 mA, dient een relais geplaatst te worden.
3 Verbind de stroom-/datakabel aan de zwarte beeldscherm-connector: draai de sluitmoer aan.

15-5 Installatie: GPS-antenne
Een antenne selecteren
Installeer een van de volgende GPS-antennes:
- Gebruik normaalgesproken de interne GPS-antenne (TRACKER5380i) of de bijgeleverde GPS-antenne (TRACKER 5380).
- Een optioneel differentiaal baken DGPS-antenne voor betere precisie binnen het bereik van differentiaal bakens op de wal in gebieden waar WAAS of EGNOS niet beschikbaar zijn. Zo'n DGPS-antenne heeft zowel een GPS- als een bakenontvanger en het past de bakencorrectie voor de GPS-positie automatisch toe.
- Een compatible GPS- of DGPS-instrument of -antenne aangesloten via NavBus (zie paragraaf 15-8) of NMEA (zie paragraaf 15-9). In dit geval heeft de TRACKER geen eigen antenne nodig.
Opmerking:
- De TRACKER kan de WAAS en EGNOS DGPS correcties op elke GPS-antenne toepassen.
- Om de TRACKER voor verschillende antenne-opties te configureren, zie paragraaf 14-3.
Neem contact op met uw Navman-leverancier voor meer informatie.
15-6 Installatie: NAVMAN benzinesensors
Installeer de optionele benzine-brandstofkit met de bij de kit geleverde instructies.
Opmerking:
- SmartCraft motoren zijn voorzien van brandstofdebietsensors. Daarnaast zijn geen Navman brandstofsensoren benodigd.
• Installeer twee kits voor twinmotoren. - Leg autopower bedrading aan voor de TRACKER (zie paragraaf 15-4).
Gedurende instelling
a Zet Auto power uit (zie paragrafen 2-3 en 14-1)
b Voer de brandstofgegevens in (zie paragraaf 14-4)
Een antenne installeren
Indien een externe antenne benodigd is, installeer de antenne dan en bevestig de antennekabel terug aan het instrument. Volg de instructies in de handleiding die bij de antenne werd geleverd. Installeer indien nodig een optionele Navman verlengkabel.
Sluit de externe antenne van de TRACKER 5380 aan op de gouden TRACKER-connector:

Configureer de TRACKER tijdens de installatie voor de gekozen antenne, zie paragraaf 15-5.

15-7 Installatie: SmartCraft
Indien de boot een of twee Mercury SmartCraft benzinemotoren heeft, sluit de TRACKER dan op de SmartCraft motoren aan met een optionele SmartCraft Gateway. Het beeldscherm kan motordata en -trim weergeven en sleeplijnsnelheid beheren.
Opmerking:
- Gebruik een enkele gateway voor enkele motoren en een dubbele gateway voor dubbele motoren.
- SmartCraft motoren zijn voorzien van brandstofdebietsensors. Daarnaast zijn geen Navman brandstofsensoren benodigd.
- Indien de brandstoftank geen SmartCraft niveausensors heeft, zorg dan voor auto power-bedrading (zie paragraaf 15-4).
Voer, gedurende instelling, de SmartCraft instellingsdata in. Zie voor informatie over installatie, instelling en gebruik van SmartCraft, de SmartCraft Gateway Installatie- en Bedieningshandleiding.

15-8 Installatie: Andere NavBus-instrumenten
NavBus is Navmans systeem voor het op elkaar aansluiten van instrumenten om data uit te wisselen en transducers te delen. Wanneer instrumenten via NavBus zijn aangesloten:
- Als de eenheden, alarmen of kalibratie voor een van de instrumenten verandert zullen deze waarden automatisch veranderen voor andere instrumenten van hetzelfde type.
- Elk instrument kan worden aangesloten op een groep van instrumenten. Als het achtergrondlicht verandert in groep 1, 2, 3 of 4 dan zal deze automatisch meeveranderen voor de andere instrumenten in dezelfde groep.
Als u dit doet voor instrumenten uit groep 0, dan gebeurt er niets met de andere instrumenten.
- Als een alarm afgaat kunt u dit uitschakelen op een van de instrumenten die dat alarm weer kunnen geven.
NavBus en de TRACKER
De TRACKER kan:
- Windsnelheid en -richting weergeven met behulp van een optioneel Navman Windinstrument.
• Diepte-informatie ontvangen en weergeven met behulp van een optioneel Navman diepte-instrument. - Bootsnelheid en watertemperatuur ontvangen en weergeven van een logwielsensor op een optioneel snelheidsinstrument.
- Barometrische druk ontvangen van een optionele Navman VHF-radio. De TRACKER kan:
Baro: barometrische druk weergeven
Baro verleden: barometerverleden weergeven
Weer: een voorspelling, gebaseerd op veranderingen in barometrische druk weergeven
Visvoorspeller: een voorspelling doen gebaseerd op veranderingen in barometrische druk
- Gegevens ontvangen van een optionele GPS of GPS/DGPS-bron.
- Data versturen naar optionele NAVMAN-instrumenten, bijv. naar een repeater.
Gedurende de instelling van NavBus- instrumenten, zet NavBus op ▼ en wijs het instrument toe aan een NavBus groep nummer (zie paragraaf 14-9)

15-9 Installatie: Andere NMEA-instrumenten
NMEA is een industriestandaard voor het op elkaar aansluiten van instrumenten. Het is niet zo flexibel of eenvoudig aan te sluiten als NavBus. De TRACKER kan:
- Windsnelheid- en richting ontvangen en weergeven van een optioneel compatible windinstrument.
• Diepte, logwiel bootsnelheid en watertemperatuur ontvangen en weergeven van een optioneel compatible instrument. - Gegevens ontvangen van een optionele GPS- of GPS/DGPS-bron.
• GPS-positie en andere navigatiedata naar een automatische piloot of ander instrument versturen. Een automatische piloot heeft APB, APA en VTG-zinnen nodig (zie paragraaf 14-9).
Neem voor informatie over het versturen van NMEA-data naar de TRACKER, contact op met uw Navman-leverancier.

Schakel gedurende instelling m.b.t. het zenden van NMEA data naar andere instrumenten NMEA out naar en specificeer de te versturen NMEA data (zie paragraaf 14-9).
15-10 Installatie: Instelling en test
Instelling en test
1 Plaats een kapje over ongebruikte connectoren aan de achterkant van het beeldscherm. Verzeker uzelf ervan dat alle connectoren in een contact zitten en dat het beeldscherm op zijn plaats zit.
2 Indien het beeldscherm op een beugel bevestigd is, draai en kantel het instrument dan zodat het goed zichtbaar is en draai de knop met de hand vast.
3 Plaats de gewenste C-MAP-landkaart in de houder (zie paragraaf 1-3).
4 Schakel het instrument in (zie paragraaf 2-3). Wanneer de TRACKER voor de eerste
keer wordt ingeschakeld wordt een installatiemenu weergegeven:
i Selecteer de te gebruiken taal.
ii Verander de data indien nodig (zie paragraaf 2-1)
iii Wanneer de data-instelling correct is, druk op ESC.
Deze data kan later veranderd worden (zie paragraaf 14).
5 Voer instellingsdata in voor uw persoonlijk gebruik van de TRACKER en voer de instelling van optionele sensoren of instrumenten uit (zie paragraaf 14).
6 Controleer op het satellietenscherm dat GPS-satellieten worden opgepikt. Wacht totdat de GPS-ontvanger is opgestart en het fix-type is verandert van 'Verwerving' tot 'GPS-positie'. Dit zou minder dan twee minuten moeten duren (zie paragraaf 7).
7 Maak een testvaart om te controleren dat de navigatie-instrumenten naar behoren werken, met name wanneer een radiozender of een radar worden gebruikt.
Appendix A - Specificities
ALGEMEEN
Formaat: 126 mm H x 126 mm B x 65 mm D
Beeldscherm: 9 cm diagonaal, TFT-kleur, 240 x 320 pixels
Achtergrondlicht: Beeldscherm en toetsen
Stroomvoorziening
10 tot 16 V DC.
Stroomspanning: bij 13,8 V
120 mA min - geen achtergrondlicht
Externe pieper of licht output: Geaard om het alarm te doen klinken, maximaal 30 V DC, 200 mA.
Bedieningstemperatuur
0^ tot 50^ (32° tot 122°F)
ALARMEN:
- Ingesteld door gebruiker: Aankomstradius, anker, XTE, gevaar, weinig brandstof (optioneel), verlies van DGPS-positiebepaling (fix)
* Fixed: Verlies van GPS-fix
GPS-NAVIGATIE
Landkaartkaart: C-MAP™ NT-MAX, NT+ of NT
Gebruikerskaart: 3.3 V C-MAP™
Waypoints: Max. 3000, met standaard of gebruiker gedefinieerde alfanumerieke namen van max. 8 cijfers en/of letters.
Routes: 25 routes, met elk max. 50 punten
Trajecten: Per tijd of afstand, een traject met max. 2000 punten en vier met max. 500 punten.
Kaartdatums
• 121 kaartdatums (zie volgende bladzijde)
- Een gebruiker gedefinieerde landkaartverschuiving
Landkaartschaal: 0,05 tot 4096 nm voor landkaart (afhankelijk van landkaart) tot 0,01 nm in de plotterstand.
BRANDSTOFCOMPUTER
(Optionele brandstofsensor(en) benodigd)
Motortypes:
- Buitenboord tweetakt carburateur- en EFI- benzinemotoren: 50 tot 300 pk.
- Buitenboord viertakt benzinemotoren: 90 tot 300 pk.
• Binnenboord benzinemotoren: 70 tot 400 pk.
Debietsnelheid:
• Minimum: 5 liter per uur (1,3 U.S. gallons per uur).
* Maximum: 130 liter per uur (34 U.S. gallons per uur).
COMMUNICATIES
NavBus
Aansluiting op andere NAVMAN-instrumenten.
NMEA
• NMEA 0183 ver 2 4800 baud
- Inputs van compatible instrumenten: DBT, DPT (bij voorkeur), GGA, GLL, GSA, GSV, MTW, MWV, RMC, VHW, VTG
- Inputs van compatible instrumenten: APA, APB (bij voorkeur), BWR, GGA, GLL, GSA, GSV, RMB, RMC, VTG, XTE
TEGEMOETKOMING AAN RICHTLIJNEN
EMC:
• USA: FCC onderdeel 15 Klasse B.
• Europa (CE) EN64000-6-1 en EN64000-6-3
• Nieuw Zeeland en Australië (C-Vink): AS-NZS 3548.
Omgeving: IPx6/IPx7/CFR46 (met kaarthouder en verbindingen geplaatst)

De handleiding voor het oplossen van problemen gaat ervan uit dat de gebruiker de relevante paragrafen in deze handleiding gelezen en begrepen heeft.
Het is vaak mogelijk om moeilijkheden op te lossen zonder dat het apparaat voor reparatie naar de fabriek wordt gezonden. Wij verzoeken u vriendelijk om deze sectie door te lezen voordat u contact opneemt met uw NAVMAN dealer.
Er zijn geen onderdelen die door de gebruiker onderhouden dienen te worden. Om waterdichtheid en het correct in elkaar zetten
te controleren zijn specifieke methods en testinstrumenten nodig. Gebruikers die hun TRACKER zelf onderhouden maken de garantie ongeldig.
Reparaties dienen alleen uitgevoerd te worden door servicecenters die door NAVMAN NZ Limited zijn goedgekeurd. Indien het product teruggezonden wordt naar een service center voor reparatie, dan is het essentieel dat de transducer(s) tegelijkertijd worden teruggestuurd.
Meer informatie kunt u vinden op onze Website: www.navman.com.
B-1 Algemene problemen
1-1 De TRACKER wil niet inschakelen:
a De TRACKER is ontworpen voor gebruik met een 12 volt accu-systeem, waar het voltage mag variëren van 10 tot 16 volt. Indien het voltage te hoog wordt, slaat een zekering door, waardoor het beeldscherm wordt uitgeschakeld. Controleer de zekering.
b Controleer dat de connector voor de stroomkabel aan de achterkant van het beeldscherm er stevig ingestoken is en dat de sluitmoer goed is aangedraaid. De sluitmoer dient stevig te zijn aangedraaid voor een waterdichte verbinding.
c Meet het accu-voltage terwijl er een lading op de accu is - doe wat lampen, een radio of andere elektrische apparatuur aangesloten op de accu, aan. Indien het voltage minder dan 10 volt bedraagt:
- zijn de accu-contactklemmen of bedrading aan de contactklemmen wellicht gecorrodeerd.
- wordt de accu wellicht niet goed opgeladen of is aan vervanging toe.
d Inspecteer de stroomkabel van het ene tot het andere eind op schade, zoals inkepingen, breuken, geplette of vastzittende stukken.
e De rode draad dient aan de positieve accuklem en de zwarte draad aan de
negatieve accuklem verbonden te zijn Indien bedrading is aangelegd voor Auto Power, controleer dan of de gele draad is aangesloten op het contactstroomcircuit. Controleer ook het hoofdschakelaarcircuit aan boord (zie paragraaf 15-4).
f Controleer op corrosie aan de stroomkabel en maak deze schoon of vervang indien nodig.
g Controleer zekeringen die in lijn met de stroomkabel zijn geplaatst. Een zekering die er goed uitziet kan toch gesprongen of verroest zijn. Test de zekering of vervang deze met een zekering die zeker goed is.
1-2 De TRACKER kan niet uitgeschakeld worden:
De bedrading van de TRACKER kan voor Auto power zijn. In dit geval kan de TRACKER niet worden uitgeschakeld terwijl het contact nog is ingeschakeld (zie paragraaf 2-3).
1-3 Indien de TRACKER piept wanneer ingeschakeld wordt, maar niets wordt weergegeven:
De TRACKER zou kunnen functioneren, maar de achtergrondlichtinstelling kan te laag zijn (zie paragraaf 2-4).
1-4 De verkeerde taal wordt weergegeven:
Zie paragraaf 14-1.
2-1 Geen GPS-positie of de eerste fix duurt lang na het opstarten:
a Kan soms gebeuren als de antenne geen duidelijk zicht op de lucht heeft. Satellietposities veranderen voortdurend.
b Antennekabel is niet op het beeldscherm aangesloten.
c Herstart de GPS (zie paragraaf 14-3).
2-2 TRACKER GPS-positie verschilt meer dan 10 m (33 vt) van de ware positie:
a TRACKER staat in de simulatiestand.
Schakel de simulatiestand uit (zie paragraaf 14-12).
b De normale fout in GPS-positie is in 5% van de gevallen groter dan 10 m (33 vt).
c Onder speciale omstandigheden is het mogelijk dat het Ministerie van Defensie van de VS doelbewust een veranderende fout in GPS-posities tot 300 m (1000 vt) aanbrengt.
2-3 TRACKER-positie verschilt van zelfde positie op lokale landkaarten:
a TRACKER staat in de simulatiestand.
Schakel de simulatiestand uit (zie paragraaf 14-12).
b Incorrecte kaartdatum. Selecteer de correcte kaartdatum (zie paragraaf 14-2).
c Kaartverschuiving is incorrect toegepast.
Kaartverschuiving opschonen en indien nodig nogmaals uitvoeren (zie paragraaf 14-2).
2-4 Kan geen boot zien op de landkaart:
• Druk op, om naar boot in het midden te wisselen (zie paragraaf 3-2-1).
2-5 De tijd of datum op het satellietbeeldscherm klopt niet:
a Geen GPS-positie.
b In simulatiestand. Schakel de simulatiestand uit (zie paragraaf 14-12).
c Lokale tijdsaanpassing klopt niet (zie paragraaf 14-11). De lokale tijdsaanpassing dient veranderd te worden wanneer zomertijd begint of eindigt.
2-6 Automatische piloot reageert niet op TRACKER; geen NMEA-output:
a NMEA-output is uitgeschakeld of de gewenste NMEA-zinnen zijn niet ingeschakeld. Controleer NMEA-instellingen (zie paragraaf 14-9).
b Controleer of het instrument correct is aangesloten.
2-7 Geen DGPS-positie of verlies van DGPS-positie:
a Om een DGPS-positie te ontvangen dient WAAS/EGNOS ingeschakeld, of een optionele DGPS-antenne geïnstalleerd te zijn (zie paragraaf 7).
b Met WAAS/EGNOS: boot bevindt zich buiten het bestrijkingsgebied (zie paragraaf 7).
c Met WAAS: GPS-antenne heeft geen duidelijk zicht op de horizon in de richting van de evenaar.
b Met baken-DGPS: boot buiten het bereik van DGPS-baken.
Opmerking: voor het meten van brandstofverbruik door de TRACKER dient de optionele brandstofdebietkit geïnstalleerd te zijn.
3-1 Brandstofverbruik of resterende brandstof lijkt onjuist:
a TRACKER is niet op auto power aangesloten (zie paragraaf 15-4).
b Brandstof golft heen en weer door transducer in hoge zee. Dit resulteert in incorrecte waarden. Probeer dit probleem door de installatie van een eenweg-klep tussen de brandstoftransducer en de brandstoftank te verhelpen.
c Brandstof restant instellen dient na elke tankbeurt te worden aangepast (zie paragraaf 10-1).
d Luchtbellen kunnen voorkomen dat de tank volledig gevuld werd. Dit is zeker waar voor ondervloerse tanks.
e Brandstoftransducers verslijten na verloop van tijd en dienen na elke 5000 liters vervangen te worden.
3-2 Debiet geeft geen of weinig brandstof weer:
a Controleer dat het aantal motoren is ingesteld op 1 (zie paragraaf 14-4).
b Controleer of de brandstofkabelconnectors stevig in hun contact zitten en of de sluitmoer is aangedraaid. De moer dient stevig aangedraaid te worden voor een waterdichte verbinding.
c Een brandstoftransducer kan verstopt zijn. Verwijder indien dit het geval is de transducer uit de brandstofleiding en blaas er voorzichtig door in tegenovergestelde richting van de brandstofstroom.
Installeer een brandstofffilter tussen de brandstoftransducer en de brandstoftank, zie ook brandstofinstallatiehandleiding. Verzuimen dit te doen maakt de garantie ongeldig.
d Inspecteer de brandstofkabel van het ene tot het andere eind op schade, zoals inkepingen, breuken, beknelde of vastzittende stukken.
e Controleer of het brandstofffilter schoon is.
3-3 Een twinmotorinstallatie geeft maar een debiettempo weer:
a Controleer dat het aantal motoren is ingesteld op 2 (zie paragraaf 14-4).
3-4 Grillige brandstofdebietwaarden:
a De brandstoftransducer is misschien te dicht bij de brandstofpomp geplaatst en lijdt daarom onder te sterke trillingen. We verwijzen naar de installatie-instructie die bij de brandstoftransducer werd geleverd.
b Controleer op lekkage in de brandstofslangen en het aanzuigsysteem van brandstof in de tank(s).
c De debietfilter waarde past niet bij de motor. Controleer of de waarde niet op nul is ingesteld en probeer de waarde te verhogen totdat een stabiele debietwaarde wordt weergegeven (zie paragraaf 14-4).
3-5 Er wordt geen waarde gegeven voor brandstofverbruik:
a De boot dient door het water te varen voor een Verbruik- waarde.
b Controleer dat het logwieltje aan de transducer vrij kan ronddraaien en dat de twee magneten nog aan het logwiel bevestigd zijn.
Appendix C - Woordenlijst en navigatiedata
Woordenlijst
Aandachtsgebied - Een belangrijk gebied op de landkaart, zoals een beperkte ankerplaats of een ondiep gebied (zie paragraaf 14-2).
Dieptelijn - Een dieptecontourlijn op de landkaart.
Landkaartkaart - Een insteekkaart waarop data voor een bepaald gebied staat (zie paragraaf 1-3).
C-MAP™ landkaartkaart - Zie landkaartkaart
C-MAP™ gebruikerskaart - Zie gebruikerskaart.
Cursor - Een +-symbool op het beeldscherm (zie paragraaf 3-2).
DGPS - Differential Global Positioning Systeem. Navigatiegereedschap, gebaseerd op GPS waarvoor een aantal fouten worden gecorrigeerd (zie paragraaf 7).
Ganaar - Een eenvoudige manier om simpelweg rechtstreeks naar een waypoint of naar de cursorpositie te navigeren (zie paragraaf 3-1).
GPS - Differential Global Positionings Systeem. Satelliet-gebaseerd navigatiegereedschap (zie paragraaf 7).
Etappe - de rechte segmenten van een route tussen waypoints. Een route met vier waypoints heeft drie etappes.
MOB - Man overboord.
MOB-functie - Start navigatie terug naar de plaats waar iemand overboord is gevallen (zie paragraaf 2-5).
NavBus - Een manier om NAVMAN-instrumenten met elkaar te verbinden zodat ze data kunnen delen (zie paragraaf 15-8).
NMEA 0183 - Een richtlijn voor het interfacen van scheepvaartelektronica (zie paragraaf 15-9).
Route: Twee of meer waypoints die op volgorde worden gelinkt zodat ze een koers voor de boot vormen (zie paragraaf 6).
Gebruikerskaart - een insteekkaart die waypoints, routes en trajecten bewaart (zie paragraaf 1-2).
UTC - Universal Time Coordinated of gecoördineerde universele tijd. Dit is een standaard wereldtijd, voorheen Greenwich Mean Time (GMT) genaamd.
Waypoint - Een positie die ingesteld kan worden op de TRACKER-landkaart, bijv. een visplek of een punt op een route (zie paragraaf 5).
De boot vaart van de start naar de bestemming en heeft zich van het begin tot de bestemming van de geplotte koers begeven.
BRG Peiling tot bestemming: Peiling tot de bestemming van de boot.
BRG Peiling tot cursor: Peiling tot cursor van boot (cursorstand, zie paragraaf 3-2)
CDI Koersafwijkingsindicator: Wanneer de boot naar een punt navigeert, dan geven de landkaart en snelwegschermen een parallelle lijn aan beide kanten van de geplotte koers. Deze twee lijnen worden de koersafwijkingslijnen (CDI)-lijnen genoemd.
De afstand van de geplotte koers naar een CDI-lijn heet de CDI-schaal.
Stel de CDI-schaal in (zie paragraaf 14-2) op de maximale afstand die de boot mag afwijken van de geplotte koers. De landkaart- en snelwegschermen geven de CDI-lijnen weer, deze zijn als een snelweg over het water, waarover de boot zich begeeft.
Het beeldscherm geeft weer hoe ver de boot is afgeweken van de geplotte koers en of de boot een CDI-lijn nadert. Indien het XTE-alarm is ingeschakeld (zie paragraaf 14-7), dan zal een alarm klinken indien de boot een CDI-lijn bereikt.
COG Koers Over Grond: Richting waarin boot zich beweegt over de grond.
CTS Te sturen koers: Optimale te sturen koers om op de geplotte koers terug te keren.
DTG Af te leggen afstand: afstand van de boot tot aan de bestemming.
ETA Verwachte aankomsttijd: Op de bestemming, ervan uitgaande dat SOG en COG constant blijven.
+RNG Bereik tot cursor: Afstand van boot tot cursor (cursorstand, zie paragraaf 3-2)
SOG Snelheid Over Grond: Huidige bootsnelheid over de grond. Dit is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als de bootsnelheid door het water, noch als de snelheid waarmee de bestemming genaderd wordt.
STR Steering: Het verschil tussen de COG en CTS.
TTG Tijd Te Gaan: De geschatte tijd nodig om de bestemming te bereiken.
XTE Cross Track Error: De afstand van de boot tot het dichtst bijzijnde punt op de geplotte koers.
XTE Kan voorzien zijn van een letter: R betekent naar rechts terug sturen naar de geplotte koers, L betekent naar links sturen.
VMG Velocity Made Good: De snelheid waarmee de boot de bestemming nadert.


flowchart
graph TD
A["Start"] --> B["CDI-schaal (afstand)"]
B --> C["CDI-lijn"]
C --> D["XTE (afstand)"]
D --> E["Boot positie"]
E --> F["Geplotte koers"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#cff,stroke:#333
style F fill:#ffc,stroke:#333







