EC-03 - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis EC-03 YAMAHA in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over EC-03 YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding EC-03 - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. EC-03 van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING EC-03 YAMAHA
Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
OB
EC-03
1CB-F8199-D0
DAU46090
⚠ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de machine te blijven als deze wordt verkocht.
DAU10113
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de EC-03 profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw EC-03. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de scooter, en beschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente product-informatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA12411

WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze scooter gaat gebruiken.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10132
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Dit is het Safety Alert-symbol. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico's op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen. | |
| Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resul- teren in ernstig letsel of overlijden. | |
| LET OP | De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om schade aan de machine of andere eigendommen te voorkomen. |
| OPMERKING | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
EC-03
HANDLEIDING
©2010 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, September 2010
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE 1-1
Andere aandachtspunten voor veilig rijden 1-4
Accu veilig opladen 1-5
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde.... 2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten...... 2-3
FUNCTIES VAN DE EC-03 3-1
Kenmerken 3-1
Standaardmodus/powermodus ..... 3-1
Afgelegde afstand 3-2
Effectief gebruik van de accu ..... 3-3
Accuniveau 3-4
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 4-1
Zoemer 4-1
Contactslot/stuurslot 4-1
Multifunctioneel display 4-2
Veiligheidsslot gebruiken 4-7
Stuurschakelaars 4-10
Voorremhendel 4-11
Achterremhendel 4-11
Zadel 4-11
Helmbevestiging 4-12
Bagagehaak 4-13
Handgreep 4-13
VOOR UW VEILIGHEID –
CONTROLES VOOR HET RIJDEN ... 5-1
Oplaadlocatie voor accu 6-1
Laadprocedure 6-3
Laadtijd 6-8
Display met voortgang van laden 6-9
Accu 6-9
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 7-1
Voorbereidingen voordat u wegrijdt 7-1
Wegrijden 7-3
Sneller en langzamer rijden 7-4
Remmen 7-5
Parkeren 7-5
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN 8-1
Algemeen smeer- en onderhoudsschema 8-2
Controleren op afwijkende motorgeluiden 8-4
Snelheidsregelaar controleren ..... 8-4
Banden 8-5
Gietwielen 8-6
Vrije slag van voor- en achterremhendel afstellen .... 8-6
Controleren van voor- en achterremschoenen 8-7
Kabels controleren en smeren ..... 8-8
Voor- en achterremhendel smeren 8-8
Middenbok controleren en smeren 8-9
Voorvork controleren 8-9
Stuursysteem controleren 8-10
Controleren van wiellagers 8-10
Koplampgloeilamp vervangen ..... 8-11
Gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen 8-12
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen 8-13
Laadkabel en laadstekker controleren 8-13
Problemen oplossen 8-14
VERZORGING EN STALLING VAN
DE SCOOTER 9-1
Matkleur, let op 9-1
Verzorging 9-1
Stalling 9-3
SPECIFICATIES 10-1
GEBRUIKERSINFORMATIE.... 11-1
Identificatienummers ...... 11-1
DAU50653
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Scooters zijn tweewielige voertuigen.
Voor een veilig gebruik zijn de toepassing van de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze scooter te gaan rijden.
Hij of zij moet:
- Door een competente informatiebron grondig zijn ingelicht over alle aspecten van scooterrijden.
- Zich houden aan de waarschuwingen en onderhoudseisen zoals vermeld in deze Gebruikershandleiding.
- Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
- Gebruikmaken van professionele technische service, zoals aangegeven in deze Gebruikershandleiding en/of wanneer de mechanische condities dit vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie pagina 5-1 voor een lijst met controles voor het rijden.
- Deze scooter is ontworpen om uitsluitend de bestuurder te vervoeren. Passagiers zijn niet toegestaan.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/scooterongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
• Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade-
ren en passeren van kruisingen,
daar doen ongelukken met scooters
zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij
een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw scooter alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bedie- ning.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rij-snelheid aan of gaan onvoldoende schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
- Neem altijd de maximumsnelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder is be-

VEILIGHEIDSINFORMATIE
langrijk voor een goede besturing. De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- Plaats geen magneten of voorwerpen met een krachtig magnetisch veld in de buurt van de snelheidsregelaar. Plaats bovendien geen voorwerpen die gevoelig zijn voor magnetische velden (zoals creditcards, horloges, enzovoort) in de buurt van de snelheidsregelaar.
- Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road- gebruik.
Vermijd ondergelopen wegen
Rijd niet over overstroomde wegen. Water kan tot storingen aan de aandrijving, elektrische lekkage en/of kortsluiting leiden.
Beschermende uitrusting
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
- Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
- Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet zijn en brandwonden veroorzaken.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw scooter:
Het totale gewicht van bestuurder, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting:
87 kg (192 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag en zo dicht mogelijk bij de scooter liggen. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of instabiliteit te minimaliseren.
- Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Pas de vering aan de te vervoeren
bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uw banden.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
- Deze machine is niet ontworpen voor het trekken van een aanhanger of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te be- seffen dat sommige in de handel verkrijgbare accessoires of aanpassings- sets niet geschikt zijn vanwege mogelijke veiligheidsrisico's voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare pro- ducten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden van uzelf of ander- ren vergroten. U bent verantwoordelijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te waarborgen dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en geen lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires dwingen de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van

VEILIGHEIDSINFORMATIE
het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en vel- gen
De banden en velgen die bij uw scooter werden geleverd zijn ontworpen om de mogelijkheden van de machine te ondersteunen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 8-5 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
De scooter vervoeren
Volg de onderstaande instructies als u de motorfiets in een ander voertuig wilt vervoeren.
- Verwijder alle loszittende voorwerpen van de motorfiets.
- Zorg dat het voorwiel recht naar voren wijst op de aanhanger of de laadvloer en zet het wiel vast in een goot om beweging te voorkomen.
- Zet de motorfiets vast met spanbanden of andere geschikte banden aan stevige delen van de motorfiets, zoals het frame of de bovenste voorvork-
klem (en niet aan, bijvoorbeeld, het stuur, de richtingaanwijzers of onder- delen die kunnen afbreken). Kies de plaats voor de spanbanden zorgvuldig om te voorkomen dat deze tijdens het transport schuurplekken op de lak ver- oorzaken.
- Zorg indien mogelijk dat de vering iets door de spanbanden wordt ingedrukt, zodat de motorfiets tijdens het transport niet overmatig kan stuiteren.
DAUT2030
Andere aandachtspunten voor veilig rijden
- Geef duidelijk richting aan wanneer u een bocht neemt.
- Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen. Bedien de remmen rustig wanneer u op een nat wegdek wilt stoppen.
- Minder snelheid bij het naderen van een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen.
- Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto's. Een bestuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rijrichting.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
- De remvoering kan nat worden bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de scooter, voordat u gaat rijden.
- Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend
bij de enkel/omslag, om flapperen te voorkomen), en een felgekleurd jack.
- Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel.
DAU50823
Accu veilig opladen
- Zorg dat u de accu niet oplaadt op locaties die mogelijk blootstaan aan regen of water. Dit kan een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.
- Zorg dat u de laadstekker alleen rechtstreeks in een geaard stopcontact met aardlekschakelaar steekt om de accu op te laden. Als het stopcontact niet goed is geaard, kan dit een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.

- Als de machine is beschadigd vanwege kantelen of een ongeval, moet u de laadstekker niet in een stopcontact steken. Dit kan een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken. Laat de machine zo snel mogelijk controleren door een Yamaha-dealer.
- Als de laadkabel of laadstekker is beschadigd, moet u deze niet in een
stopcontact steken. Dit kan een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken. Laat de machine zo snel mogelijk controleren door een Yamaha-dealer.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Laadkabel (pagina 6-4)
- Zadel (pagina 4-11)
- Bagagehaak (pagina 4-13)
- Voetsteun
- Middenbok (pagina 8-9)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Achterremhendel (pagina 4-11)
- Stuurschakelaars (pagina 4-10)
- Multifunctioneel display (pagina 4-2)
- Voorremhendel (pagina 4-11)
- Snelheidsregelaar (pagina 8-4)
DAU50470
DAU50322
Kenmerken
De EC-03 heeft de volgende kenmerken:
- De voedingsbron is alleen elektrisch en er hoeft geen brandstof worden bijgevuld of motorolie worden ververst.
- Hoogpresterende motor met sterk ge-reduceerd geluidsniveau en minder trillingen zorgt voor een plezierige rit.
- Het opladen van de machine vindt plaats via een geaard stopcontact met aardlekschakelaar.
Standaardmodus/powermodus
U kunt het rijvermogen van de motor selecteren afhankelijk van rijomstandigheden, wegomstandigheden, enzovoort.
De standaardmodus is geschikt voor normal rijden, terwijl de powermodus meer comfort biedt bij het bergopwaarts rijden.
Modus wijzigen
Druk op knop 1 "POWER" om te schakelen tussen de standaardmodus en de powermodus.

POWER

- Powermodusindicator "POWER"
Wanneer de powermodusindicator "POWER" wordt weergegeven, staat de machine in de powermodus. Wanneer de powermodusindicator "POWER" niet wordt weergegeven, staat de machine in de standaardmodus.
OPMERKING
De modus die momenteel is ingeschakeld, wordt opgeslagen in het geheugen, ook als u de sleutel naar "OFF" draait.
Modus kiezen
Raadpleeg de onderstaande tabel en kies de modus afhankelijk van de rijomstandigheden. In de standaardmodus wordt minder accuvermogen verbruikt zodat u een grote afstand kunt afleggen op een enkele lading.
| Modus Power* | Standaard | ||
| Omstandig-heden | Wegrijden | ○ | ○ |
| Vlakke weg | ○ | ○ | |
| Bergopwaarts | ○ | △ | |
| Bergafwaarts | ○ | ○ | |
○ : aanbevolen modus voor effectieve werking
△: minder effectieve werking dan power-modus
* : afgelegde afstand is korter dan standaardmodus
DAU50332
Afgelegde afstand
OPMERKING
De afstand die u kunt afleggen op een enkele lading hangt af van de rij- en wegomstandigheden.
Deze omstandigheden bestaan uit het aantal keer starten en stoppen, de belasting van de machine, steilte van hellingen, wegomstandigheden, windrichting en -snelheid, omgevingstemperatuur, laadstatus, afgenomen accuprestaties en lage bandenspanning.
Afgelegde afstand op een enkele lading De gegevens in het volgende diagram zijn gemeten bij Yamaha Motor Co., Ltd. met machines met een nieuwe accu, bij een omgevingstemperatuur en belasting van de machine (totaal gewicht van rijder en bagage) zoals vermeld, op een droog wegdek zonder wind.

Standaardmodus
Powermodus
| Rijomstandigheden | Afgelegde afstand (km) | |||
| 10 | 20 | 30 | ||
| Rijden op vlakke weg bij constante snelheid van 30 km/u(55 kg belasting en 25°C) | ||||
| Stoppen en starten op vlakke weg(75 kg belasting en 25°C) | ||||
| Helling Continu bergop-waarts met helling van 3.5%(2 graden)(75 kg belasting en 25°C) | ||||
| Stoppen en starten op vlakke weg(75 kg belasting en 0°C) | ||||
OPMERKING
De maximale steilte waar de machine op kan rijden, is een helling van circa 16% (ongeveer 9 graden).
- De afstand die u kunt afleggen, wordt
korter wanneer u continu in de powermodus rijdt, in vergelijking met de standaardmodus.
- Door de aard van de accu kan de rijafstand afnemen, afhankelijk van de omgevingstemperatuur door wijzigingen in de accutemperatuur.
- De afstand die u kunt afleggen, wordt 5–10% korter wanneer de belasting van de machine met 10 kg toeneemt.
DAU50342
Effectief gebruik van de accu
Als de accu bijna volledig is opgeladen (ac-cuniveau-indicator toont 4–5 segmenten) en langdurig wordt blootgesteld aan een hoge temperatuur, raakt deze snel uitgeput. U kunt de levensduur van de accu als volgt verlengen:
- Kies een koele locatie zonder direct zonlicht wanneer u de accu oplaadt.
- Sla de accu niet langdurig op wanneer deze voor minder dan 20% is opgeladen (minder dan het laatste segment van de accuniveau-indicator).
- Kies een koele en goed geventileerde locatie zonder direct zonlicht voor opslag van de machine.
- Wanneer u de accu lang tijd niet zult gebruiken, laadt u de accu op totdat de accuniveau-indicator 2–3 segmenten toont en slaat u de machine op een koele locatie op (optimale temperatuur 15–25 °C). Controleer het accuniveau tijdens de opslag van de machine. Als het accuniveau daalt tot minder dan het laatste segment, laadt u de accu opnieuw op totdat de accuniveau-indicator 2–3 segmenten toont.
DCA17071
LET OP
Als de accu wordt ontladen totdat deze
is uitgeput, kunt u de accu niet meer opladen en is de accu niet meer bruikbaar.
Afbeelding capaciteitsafname accu

line
| Gebruiksduur | Gebruik bij normale temperatuur (%) | Gebruik bij hoge temperatuur (%) | | ------------ | ---------------------------------- | ------------------------------- | | 0 | 100 | 100 | | >0 | ~95 | ~85 |FUNCTIES VAN DE EC-03
DAU50351
Accuniveau
OPMERKING
Controleer het accuniveau voor elke rit.
Accuniveau controleren
Controleer het aantal segmenten dat in de accuniveau-indicator wordt weergegeven.
OPMERKING
Tijdens het opladen van de accu geeft de indicator de voortgang van het laden weer. Dit verschilt van de weergave van de resterende lading wanneer de machine in gebruik is. Zie pagina 6-9.
Accuniveau-indicator
Wanneer u de sleutel naar "ON" draait, worden alle segmenten van de accuniveau-indicator gedurende enkele seconden weergegeven en wordt vervolgens een algemene indicatie weergegeven van de resterende acculading, overeenkomend met de hoeveelheid elektrisch uitgangsvermogen.

- Accuniveau-indicator
Referentietabel accuniveau
Brandt Knippert
| Accuniveau(%) | Accuniveau-indicatorin het display | Wat te doen |
| 80-100 | ![]() | OK. U kunt rijden. |
| 60-80 | ![]() | |
| 60 | ![]() | OK. U kunt rijden.Het 4e segment knippert om aan te geven dat de resterende acculading nu boven de helft is. |
| 40-60 | ![]() | OK. U kunt rijden. |
| 20-40 | ![]() | |
| 10-20 | ![]() | Verminderd vermogen bergopwaarts.Laad de accu op. |
| 0-10 | ![]() | Het laatste segment knippert en de zoemer klinkt om aan te geven dat de resterende acculading nu circa 10 % is.Stop onmiddellijk met rijden en laad de accu op. |
| 0 | ※ | Er is geen acculading meer en het is niet mogelijk om te rijdenLaad de accu onmiddellijk op.※ Dit symbool wordt mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van de conditie van de accu . |
![]() |
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU49982
Zoemer
Met de zoemer wordt u door de EC-03 geïnformeerd over de volgende handelingen en statuswaarden van het voertuig.
- Sleutel in stand "ON"
● Stand-bymodus (Zie pagina 7-1.)
● Regelknop ingedrukt - Veiligheidsslot ontgrendeld
- Veiligheidsslot ontgrendelen mislukt
● Machine gaat naar rijmodus (Zie pagina 4-6.) - Richtingaanwijzers in gebruik
- Accuniveau is ongeveer 10% (Zie pagina 3-5.)
- Opladen accu gestart
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
DAU10460
DAU50000
ON
Alle elektrische systemen worden van stroom voorzien en de koplamp, instrumentenverlichting en achterlicht gaan branden. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING
De EC-03 is uitgevoerd met een automatische uitschakelfunctie om de accu te beschermen. De voeding wordt automatisch uitgeschakeld als de machine langer dan vijf minuten stilstaat. Als u de automatische uitschakelfunctie wilt annuleren, draait u de
sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON".
DAU10661
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DWA10061

WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar "OFF" of "LOCK" terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10683
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te vergrendelen

- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai deze dan naar "LOCK". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in en draai deze dan naar "OFF". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
DAU50023
Multifunctioneel display
DWA12312
WAARSCHUWING
Zet de machine stil voordat u wijzigingen aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Powermodusindicator "POWER"
- Waarschuwingssymbool " "
- Snelheidswaarschuwingsindicator "SPEED"
- Ritteller/kilometerteller/temperatuurwaarschuwing "Trip"/"Odo"/"HEAT"
- Regelknoppen
- Waarschuwingslampje
- Accuniveau-indicator
- Bedrijfsstatusindicator "RUN"
- Veiligheidsslotindicator "LOCK"
10.Snelheidsmeter
De EC-03 is uitgerust met een zelfdia-
gnosesysteem voor de accu en regeleenheid. Wanneer u de sleutel naar "ON" draait, start het zelfdiagnosesysteem automatisch en worden alle displaysegmenten van de multifunctionele meter weergegeven. Wanneer het zelfdiagnosesysteem is voltooid, schakelt het display automatisch naar de stand-bymodus. In de stand-bymodus gaat "PUSH" knipperen.

Druk op een van de volgende knoppen om naar de rijmodus te gaan.

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["POWER"]
C["2"] --> D["SET"]
E["3"] --> F["SELECT"]
B --> G["2"]
D --> H["3"]
- Knop 1 "POWER"
- Knop 2 "SET"
- Knop 3 "SELECT"
Wanneer de machine in de rijmodus staat, worden de bedrijfsstatusindicator "RUN" en de gereed-indicatoren weergegeven.

- Bedrijfsstatusindicator "RUN"
- Gereed-indicatoren
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
Wanneer de machine in de rijmodus staat, klinkt de zoemer. De zoemer stopt wanneer u de remhendel bedient of met de machine gaat rijden.
Regelknoppen
Knop 1 "POWER"
Knop 2 "SET"
Knop 3 "SELECT"
Met deze knoppen kunt u de volgende handelingen en instellingen uitvoeren.
- Vanuit de stand-bymodus naar de rijmodus gaan
- Schakelen tussen de standaardmodus en de powermodus
- Schakelen tussen de kilometerteller en de ritteller
● Ritteller terugstellen op nul - Veiligheidsnummer registreren en wijzigen
- Veiligheidsslot vergrendelen en ont-grendelen
Snelheidsmeter
De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
Ritteller "Trip"
De rittellers tonen de afstand afgelegd sinds
de tellers het laatst werden teruggesteld op nul. Als u de ritteller op nul wilt terugstellen, houdt u knop 3 "SELECT" enkele seconden ingedrukt totdat "0.0" wordt weergegeven.
Kilometerteller "Odo"
Houd knop 3 "SELECT" minstens een seconde lang ingedrukt om het display te schakelen naar de kilometerteller.
De kilometerteller toont de totale afgelegde afstand. Gebruik de kilometerteller als referentie voor de intervalperioden voor het uitvoeren van periodiek onderhoud.
Houd knop 3 minstens een seconde lang ingedrukt om het display te schakelen naar de ritteller.
Temperatuurwaarschuwing "HEAT"/"COOL"
De EC-03 is uitgerust met een temperatuurbeveiligingsfunctie om de accu en regeleenheid te beschermen.
Als een probleem wordt gedetecteerd, wordt het display met de ritteller/kilometer-teller geannuleerd en gaat "COOL" of "HEAT" knipperen.
- Wanneer de temperatuur van de accu of regeleenheid een bepaalde temperatuur overschrijdt, gaat "HEAT" knipperen.
● Wanneer de temperatuur van de accu
onder een bepaalde temperatuur komt, gaat "COOL" knipperen.
OPMERKING
- Wanneer de temperatuur van de accu een bepaalde temperatuur overschrijdt, gaat "HEAT" knipperen en wordt het rijvermogen beperkt om het elektrisch uitgangsvermogen van de accu te begrenzen. Dit is normaal.
- Wanneer de temperatuur van de accu onder een bepaalde temperatuur komt, gaat "COOL" knipperen en wordt het rijvermogen beperkt om het elektrisch uitgangsvermogen van de accu te begrenzen. Dit is normaal.
- Als u gedurende lange tijd in hoge temperaturen met de machine rijdt, kan "HEAT" gaan knipperen en kan de rijsnelheid worden beperkt.
- Als u met de machine gaat rijden nadat deze op een warme locatie of in direct zonlicht heeft gestaan, kan "HEAT" gaan knipperen en kan de rijsnelheid worden beperkt.
- Als u met de machine gaat rijden nadat deze op een zeer koude locatie (lager dan 0 °C) heeft gestaan, kan "COOL" gaan knipperen en kan de rijsnelheid worden beperkt.
- Wanneer de accuniveau-indicator minder dan twee segmenten toont en
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
de machine wordt blootgesteld aan hoge temperaturen, kan "COOL" gaan knipperen en kan de rijsnelheid worden beperkt.
- Wanneer u lange tijd bergopwaarts rijdt, kan "HEAT" gaan knipperen en kan de rijsnelheid worden beperkt.
- Wanneer u lange tijd bergopwaarts rijdt, kan de temperatuur van de regeleenheid stijgen en kan "HEAT" gaan knipperen. Als u voortdurend blijft rijden, gaat de bedrijfsstatusindicator "RUN" uit om de regeleenheid te beschermen en is verder rijden misschien niet meer mogelijk. Dit is echter geen storing.
U kunt met de machine rijden wanneer de bedrijfsstatusindicator "RUN" in het display wordt weergegeven. De rijsnelheid kan echter worden beperkt om het elektrisch uitgangsvermogen van de accu te begrenzen vanwege de hoge accutemperatuur.

- Bedrijfsstatusindicator "RUN"
- Temperatuurindicator "HEAT"
Wanneer de accuniveau-indicator minder dan twee segmenten toont of het elektrisch uitgangsvermogen van de accu is begrensd vanwege de accutemperatuur, wordt het rijvermogen sterk beperkt. Dit is echter geen storing.
Wanneer de accu en regeleenheid weer de normale bedrijfstemperatuur hebben bereikt en de bedrijfsstatusindicator "RUN" wordt weergegeven, keert het display met de temperatuurwaarschuwing automatisch terug naar het display met de ritteller/kilometerteller.
Als de bedrijfsstatusindicator "RUN" niet wordt weergegeven, kunt u niet met de machine rijden.

Draai de sleutel naar "OFF" en laat de accu en regeleenheid afkoelen voordat u weer gaat rijden.
OPMERKING
Wanneer de bedrijfsstatusindicator "RUN" verdwijnt en u kunt niet verder rijden, kunt u de temperatuurwaarschuwing annuleren door de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON" te draaien nadat de accu en regeleenheid zijn afgekoeld.
DWA15630
WAARSCHUWING
Draai de sleutel naar "OFF" voordat u de EC-03 gaat duwen of verplaatsen. De machine kan plotseling gaan rijden als u de snelheidsregelaar opendraait wanneer de sleutel naar "ON" is gedraaid.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Snelheidswaarschuwingsindicator "SPEED"
Als de snelheid van de machine hoger is dan 45 km/u, wordt de snelheidswaarschuwingsindicator weergegeven en knippert het waarschuwingslampje.
Bedrijfsstatusindicator "RUN"
Deze indicator wordt weergegeven wanneer u met de machine kunt rijden.
Accuniveau-indicator
Deze indicator geeft de resterende acculading aan.
Wanneer nog slechts één segment van de accuniveau-indicator wordt weergegeven, moet u de accu zo snel mogelijk opladen. (Zie pagina 3-4 voor meer informatie over het accuniveau.)

- Accuniveau-indicator
OPMERKING
Controleer of de accu voldoende is opgeladen voordat u gaat rijden.
Als bij de zelfdiagnose een probleem met de accu wordt gedetecteerd, brandt het waarschuwingslampje, wordt het waarschuwingssymbool "Tweergegeven en knipperen alle segmenten van de accuni-veau-indicator. Mogelijk wordt ook het elektrisch uitgangsvermogen van de accu beperkt.

- Accuniveau-indicator
- Waarschuwingslampje
- Waarschuwingssymbool " "
U kunt wel met de machine rijden, maar u moet deze zo snel mogelijk laten controle-ren door een Yamaha-dealer.
Powermodusindicator "POWER"
Deze indicator wordt weergegeven wanneer de machine in de powermodus staat. (Zie "Modus wijzigen" op pagina 3-1 voor het schakelen van het display tussen de standaardmodus en de powermodus.)
Waarschuwingslampje
Dit waarschuwingslampje gaat branden of knipperen onder de volgende omstandigheden:
Snelheidswaarschuwingsindicator
Het waarschuwingslampje knippert als de snelheid van de machine hoger is dan 45 km/u. Tegelijkertijd wordt de snelheids-waarschuwingsindicator "SPEED" weerge-geven.
Foutmeldingen
Als een probleem wordt gedetecteerd, gaat het waarschuwingslampje branden. Controleer in dat geval het waarschuwingssymbol "⚠️ Als dit symbool ook wordt weergegeven, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
Waarschuwingssymbool " "
Dit symbool knippert als een probleem is gedetecteerd. Als het waarschuwingssymbool blijft knipperen nadat u de sleutel naar
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
"OFF" en vervolgens terug naar "ON" hebt gedraaid, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
OPMERKING
Nadat u de sleutel naar "ON" hebt gedraaid, wordt het waarschuwingssymbool weergegeven. Als het waarschuwingssymbool na enkele seconden uitgaat, is er geen storing. U kunt rijden.
DAU50033
Veiligheidsslot gebruiken
De EC-03 is uitgerust met een veiligheids-slot dat u kunt gebruiken door een veiligheidsnummer te registreren. Wanneer het veiligheidsnummer is ingesteld, kunt u pas met de machine rijden nadat het juiste veiligheidsnummer is ingevoerd. Dit geldt ook als u de sleutel naar "ON" draait.
Veiligheidsnummer registreren en wijzigen
DWA15610
! WAARSCHUWING
Zorg dat de machine stilstaat voordat u het veiligheidsnummer gaat registreren of wijzigen. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.
OPMERKING
Als de registratieprocedure niet binnen één minuut wordt voltooid, wordt de registratie-/wijzigingsmodus voor het veiligheidsnummer geannuleerd. Als de modus wordt geannuleerd, herhaalt u de procedure.
- Draai de sleutel naar "ON".
Gedurende enkele seconden worden alle displaysegmenten weergegeven. Vervolgens gaat de machine naar de stand-bymodus en knippert "PUSH".

- Veiligheidsslotindicator "LOCK"
OPMERKING
Wanneer het veiligheidsslot is vergrendeld, wordt de veiligheidsslotindicator "HOCK" weergegeven wanneer de machine in de stand-bymodus staat.
- Druk op een van de knoppen om naar de rijmodus te gaan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["POWER"]
C["2"] --> D["SET"]
E["3"] --> F["SELECT"]
B --> C
D --> E
F --> E
- Knop 1 "POWER"
- Knop 2 "SET"
- Knop 3 "SELECT"
Het display toont dat de machine in de rijmodus staat.

OPMERKING
- Wanneer het veiligheidsslot is vergrendeld, gaat u naar de rijmodus en voert u het veiligheidsnummer in om
het veiligheidsslot te ontgrendelen. (Zie pagina 7-1 voor meer informatie over het ontgrendelen van het veiligheidsslot.)
- Wanneer de machine naar de rijmodus gaat, klinkt de zoemer. De zoemer stopt wanneer u de remhendel bedient of met de machine gaat rijden.
- Druk tegelijkertijd op knop 2 en 3. Het display verandert in de registratie- modus voor het veiligheidsslot.
Veiligheidsnummer voor de eerste keer registreren
Ga door naar stap 5.
Veiligheidsnummer wijzigen
"OLD" en "----" worden weergegeven.

- Indicator ingevoerd nummer “----”
- Indicator geregistreerd nummer "OLD"
- Voer het geregistreerde veiligheidsnummer in met de knoppen.

Ga door naar stap 5 als het juiste veiligheidsnummer is ingevoerd.
Als een onjuist nummer is ingevoerd, klinkt de zoemer, knippert "NG" gedurende enkele seconden en keert de
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
machine terug naar de rijmodus. Herhaal de procedure vanaf stap 3.

- Indicator onjuist nummer "NG"
- "NEW" en "----" worden weergegeven.

- Indicator ingevoerd nummer “----”
- Indicator nieuw nummer "NEW"
Voer een nieuw veiligheidsnummer in. Het veiligheidsnummer bestaat uit een viercijferig nummer. Voer een nummer in met de knoppen.

OPMERKING
Het nummer "1111" kunt u niet gebruiken als veiligheidsnummer.
Wanneer een viercijferig veiligheidsnummer is ingevoerd, wordt "OK or NG" weergegeven.

- Druk op knop 3 "SELECT" om "OK" weer te geven.

- Indicator nummerbevestiging "OK"
- Druk op knop 2 "SET". Het veiligheidsnummer knippert gedurende enkele seconden en vervolgens gaat de machine naar de rijmodus.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

OPMERKING
- Zorg dat u het veiligheidsnummer noteert en op een veilige plaats bewaart.
- Als u op knop 3 "SELECT" drukt, wordt het display geschakeld tussen "OK" en "NG".
- Als u het geregistreerde veiligheidsnummer wilt wijzigen, schakelt u het display naar "NG" door op knop 3 "SELECT" en vervolgens op knop 2 "SET" te drukken. Herhaal de procedure vanaf stap 5.
Veiligheidsslot vergrendelen en ont-grendelen
Veiligheidsslot vergrendelen
Houd knop 2 "SET" gedurende enkele seconden ingedrukt. Wanneer het veiligheidsslot is vergrendeld, wordt de
veiligheidsslotindicator " ▲OCK" weergegeven.

- Veiligheidsslotindicator "LOCK"
OPMERKING
Vergrendel het veiligheidsslot niet wanneer reparatie of onderhoud aan de machine wordt uitgevoerd door een Yamaha-dealer.
Veiligheidsslot ontgrendelen
Druk op een van de knoppen om naar de stand-bymodus te gaan en voer vervolgens het veiligheidsnummer in. (Zie "Voorbereidingen voordat u wegrijdt" op pagina 7-1.)
DAU12348
Stuurschakelaars
Links

-
Richtingaanwijzerschakelaar " /"
-
Claxonschakelaar "
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar “◀” Druk deze schakelaar naar “▶om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “◀om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12900
DAU12950
DAUT3170
Voorremhendel

De voorremhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
Achterremhendel

De achterremhendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
Zadel
Openen van het zadel
- Zet de machine op de middenbok.
- Steek de sleutel in het slot en draai rechtsom.

- Ontgrendelen.
- Klap het zadel omhoog.

Sluiten van het zadel
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit.
OPMERKING
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
DAU50060
Helmbevestiging
De helmbevestiging bevindt zich onder het zadel. Onder het zadel bevindt zich een helmborgkabel waarmee een helm aan de helmbevestiging kan worden bevestigd.
Om een helm aan de helmbevestiging te bevestigen
- Open het zadel. (Zie pagina 4-11.)
- Haal zoals afgebeeld de helmborgkabel door de gesp aan de helmriem en haak dan het uiteinde van de helmborgkabel over de helmbevestiging.
kan raken met mogelijk verlies van de controle over de machine en een ongeval tot gevolg.[DWA10161]
Om een helm los te maken van de helm- bevestiging
Open het zadel, haal de helmborgkabel los van de helmbevestiging en de helm en sluit het zadel weer.

- Helmborgkabel
- Helmbevestiging
- Sluit het zadel stevig af. WAARSCHU-WING! Ga nooit rijden met een helm vastgemaakt aan de helmbevestiging, aangezien de helm objecten
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Bagagehaak
DAUT1072
DAU29910
WAARSCHUWING
DWAT1031
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 1 kg (2 lb) voor de bagagehaak niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 87 kg (192 lb) voor het voertuig niet.
Handgreep
Houd met uw rechterhand de handgreep vast om de machine op de middenbok te zetten.

Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema's en procedures voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Voorrem | Controleer de werking.Smeer indien nodig de kabel.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij. | 8-6, 8-7 |
| Achterrem | Controleer de werking.Smeer indien nodig de kabel.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij. | 8-6, 8-7 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 8-8 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 8-5, 8-6 |
| Remhendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 8-8 |
| Middenbok | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 8-9 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
DAU50560
ten controleren door een Yamaha-dealer.
DWA15760
WAARSCHUWING
- Als de machine is beschadigd vanwege kantelen of een ongeval, moet u de laadstekker niet in het stopcontact steken. Anders kan dit een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken. Laat de laadstekker controleren door een Yamaha-dealer voordat u de accu oplaadt.
- Zorg dat u de machine oplaadt op een locatie waar geen regen kan binnendringen, aangezien dit een elektrische schok of kortsluiting kan veroorzaken.
- Zorg dat u de laadstekker in een geaard stopcontact met aardlekschakelaar steekt om de accu op te laden. Als het stopcontact niet goed is geaard, kan dit een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.
- Verwijder niet de plastic afdekking onder het zadel om de accu of ingebouwde acculader te controleren, aangezien hierdoor de kans op een elektrische schok of kortsluiting wordt vergroot. Als u een probleem constateert, moet u de machine la-

Oplaadlocatie voor accu
DWA15872
WAARSCHUWING
Het onjuist opladen van de accu kan brand of een elektrische schok veroorzaken. Het niet volgen van de onderstaande instructies kan leiden tot ernstig letsel of overlijden:
- Lees alle instructies en labels voordat u de accu oplaadt.
- Kies een droge locatie met een vlakke, stabiele ondergrond die is beschermd tegen regen en spatwater. De omgeving moet goed zijn geventileerd en vrij zijn van ontvlambare objecten of warmtebronnen.
- Zorg dat de machine, laadkabel en laadstekker niet wordt ontregeld door kinderen of andere omstanders, of door dieren.
- Sluit de laadstekker alleen rechtstreeks aan op een geaard stopcontact met aardlekschakelaar. Gebruik geen ongeaarde verlengkabel of een verdeelstekker met de laadkabel.
- Als de machine is beschadigd vanwege kantelen of een ongeval, moet u de laadstekker niet in een stopcontact steken. Laat de machine zo
ACCU OPLADEN
snel mogelijk controleren door een Yamaha-dealer.

Door onjuist opladen kunnen de accu en de ingebouwde acculader beschadigd raken.
- Zorg dat u de accu niet oplaadt op locaties met direct zonlicht of in de buurt van een verwarming.
- Laad de accu niet op wanneer er kans op onweersbuien of bliksem is. Elektrische pieken kunnen schade veroorzaken.
- Gebruik niet de AC-aansluiting van een auto of dynamo om de accu op te laden aangezien dit tot een storing kan leiden.
Parkeer de machine op een vlakke, stabiele ondergrond in de buurt van een geaard stopcontact met aardlekschakelaar. De omgeving moet droog zijn en, indien nodig, beschut om machine, laadkabel en stopcontact te beschermen tegen regenwater of ander vocht.
De omgeving beïnvloedt de duur van het opladen. Voor optimale laadomstandigheden plaatst u de accu op een locatie zonder direct zonlicht en een omgevingstemperatuur van 15–25 °C.
OPMERKING
Hoewel het opladen bij een temperatuur van 15–25 °C de beste resultaten biedt, kunt u de accu ook opladen bij een omgevingstemperatuur van -5–50 °C. U kunt een uitgeputte accu niet opladen als de omgevingstemperatuur lager is dan 0 °C.
Voorbeelden van aanbevolen oplaadlocaties
Koele en goed geventileerde locaties.

Locaties waar de temperatuur 's nachts niet lager dan -5 °C is.

Voorbeelden van ongeschikte oplaadlocaties
Locaties met direct zonlicht of in de buurt van een verwarming.

Koude locaties, zoals in een schuur, buiten of in de winter.

- Raak de laadstekker niet met natte handen aan. U kunt een elektrische schok oplopen.
- Laad de accu niet op als u schade, corrosie, roest of speling vaststelt bij de laadstekker, de laadkabel of het geaarde stopcontact. Dit kan brand, een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.
- Als een ongewone geur of rook uit de machine komt tijdens het opladen, moet u onmiddellijk stoppen met opladen en contact opnemen met uw Yamaha-dealer.
- Elektromagnetische golven van de acculader kunnen interfereren met de functie van hartapparaten of andere elektrische medische apparatuur en letsel veroorzaken. Als u een geïmplanteerde pacemaker of defibrillator gebruikt, of andere elektrische medische apparatuur, moet u uw arts of de fabrikant raadplegen om te controleren of de acculader gevaar oplevert voor het apparaat.

Gebruik de laadkabel of laadstekker niet wanneer deze is beschadigd (dat wil zeggen: gebroken of met blootliggende draden). Dit kan brand of een elektrische schok veroorzaken. Als u dergelijke beschadigingen aantreft bij de laadkabel, moet u onmiddellijk stoppen met het gebruik ervan en moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer. Neem het volgende in acht om zorgvuldig om te gaan met de laadkabel:
- Zorg dat u de laadkabel niet draait, in een kleine lus windt of scherp buigt.
- Zorg dat de laadkabel niet bekneld kan raken door een deur of raam.
- Oefen niet te veel kracht uit op de laadkabel.
- Laat de laadkabel of laadstekker
ACCU OPLADEN
niet vallen en stel deze niet bloot aan sterke schokken.
- Zorg dat u de laadkabel of laadstekker niet opbergt op locaties met scherpe voorwerpen zoals spijkers.
- Ga niet op de laadkabel of laadstekker staan en plaats er geen voorwerpen op.
- Laat de laadkabel of laadstekker niet achter in de buurt van een verwarming of andere warmtebron.
- Breng geen wijzigingen aan in de laadkabel of laadstekker.
- Parkeer de machine zorgvuldig zo- dat de laadkabel niet per ongeluk bekneld kan raken, iemand op de laadkabel kan gaan staan of aan de laadkabel kan worden getrokken. Zorg ook dat de machine niet kan worden omgegooid waardoor de laadkabel of laadstekker wordt uit- gerekt of beschadigd raakt.
- Trek niet aan de laadkabel om de laadstekker uit het stopcontact te halen. Trek alleen aan de laadstekker.

- Zet de machine op de middenbok.
- Draai de sleutel naar "OFF".
- Open het zadel. (Zie pagina 4-11 voor meer informatie.)

- Laadstekker
- Laadkabel
- Plaats de laadkabel in een van de groeven. LET OP: De laadkabel kan beschadigd raken als u deze niet in de groef plaatst voordat u het zadel sluit.[DCA17460]

-
Groef
-
Sluit het zadel en duw het aan de ach-
terzijde omlaag om het te vergrendelen.
OPMERKING
Controleer of zich niets onder het zadel bevindt voordat u het zadel sluit.
- Neem de sleutel uit. Vergrendel het stuur en verwijder de sleutel als u de accu oplaadt, om diefstal te voorkomen.
- Controleer de laadstekker op beschadigingen. Verwijder stof, vuil, olie en water zo nodig met een droge doek. Steek de laadstekker in een geaard stopcontact met aardlekschakelaar.


Ter voorkoming van ernstig letsel of overlijden door elektrische schok of brand:
- Gebruik de laadstekker niet wanneer deze een beschadigde of losse contactpen heeft. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
- Controleer de laadstekker op vreemde materialen zoals stof, vuil, olie of water voordat u gaat opla- den. Veeg de laadstekker zo nodig schoon met een droge doek.
- Gebruik geen ongeaarde verlengkabel of een verdeelstekker tussen de laadkabel en het stopcontact.
- Gebruik het stopcontact niet tege-
lijk voor andere elektrische apparatuur. Hierdoor kan het amperage van het stopcontact worden overschreden waardoor het stopcontact oververhit kan raken.
- Zorg dat u de stekker stevig in het stopcontact steekt.

- Wanneer u de laadstekker in een stopcontact steekt, wordt het opladen automatisch gestart. De
ACCU OPLADEN
accuniveau-indicator wordt weergegeven in het display en de zoemer klinkt. Alle segmenten van de indicator worden gedurende enkele seconden weergegeven en de voortgang van het laden wordt weergegeven.

- Direct na het rijden is de temperatuur van de accu mogelijk hoger dan de maximale laadtemperatuur van 50 °C. In dat geval wordt naar de wachtmodus geschakeld en knippert "HEAT" totdat de accu en acculader de opgegeven temperatuur bereiken. Het opladen wordt vervolgens automatisch gestart.

- Temperatuurindicator "HEAT"
- Als de omgevingstemperatuur lager is dan -5 °C, knippert "COOL" en wordt naar de wachtmodus geschakeld totdat de accu en acculader de opgegeven temperatuur bereiken. Het opladen wordt vervolgens automatisch gestart.

-
Temperatuurindicator "COOL"
-
Als de accu al volledig is opgeladen wanneer u de laadstekker in een stopcontact steekt, toont het display gedurende enkele minuten de volledig opgeladen status en gaat dan uit. De acculader laadt de accu niet verder op.
- U kunt de laadstatus controleren in het display. (Zie pagina 6-9 voor meer informatie over de weergave van de laadstatus.)
- U kunt het opladen stoppen of opnieuw starten door de laadstekker respectievelijk uit het stopcontact te nemen of in het stopcontact te steken.
OPMERKING
- Tijdens het opladen wordt alleen de accuniveau-indicator weergegeven in het display. Het display gaat uit als de
laadstekker tijdens het opladen uit het stopcontact wordt genomen.
- Tijdens het opladen gaat de machine niet naar de stand-bymodus wanneer u de sleutel naar "ON" draait.
Opladen voltooien
Wanneer de accu volledig is opgeladen, gaat het display na enkele minuten automatisch uit.
- Pak de laadstekker vast en neem deze uit het stopcontact. LET OP: Trek niet aan de laadkabel om de laadstekker uit het stopcontact te halen. Hierdoor kan de laadkabel beschadigd raken.[DCA17470]

-
Laadstekker
-
Open het zadel. (Zie pagina 4-11 voor meer informatie.)

- Houd de laadstekker vast en wind de laadkabel rechtsom in de groef zoals aangegeven. LET OP: Als de laadkabel niet correct is gewonden, kan de machine, laadkabel of laadstekker beschadigd raken als u het zadel sluit.[DCA17480]

- Laadstekker
- Groef
-
Laadkabel
-
Zet de laadkabel vast door deze in de houder te plaatsen zoals aangegeven.

-
Houder
-
Sluit het zadel en duw het aan de achterzijde omlaag om het te vergrendelen.
OPMERKING
- Controleer of zich niets onder het za-del bevindt voordat u het zadel sluit.
-
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld voordat u gaat rijden.
-
Neem de sleutel uit.
DWA15900
! WAARSCHUWING
Laat de laadstekker niet achter in een stopcontact wanneer u deze niet gebruikt. Stof of vreemde materialen zouden zich kunnen verzamelen en brand veroorzaken. Neem de laadstekker na
gebruik uit het stopcontact.
DAU50402
Laadtijd
Normaal opladen
De laadtijd hangt af van de rijomstandigheden vóór opladen, het resterende accuniveau en de omgevingstemperatuur. Het duurt ongeveer zeven uur om de accu volledig op te laden vanuit een niveau van 0% bij een optimale omgevingstemperatuur van 15–25 °C.

line
| Laadtijd (uur) | Accuni-veau (%) | | -------------- | ---------------- | | 0 | 0 | | 2.0 | 50 | | 4.0 | 75 | | 7.0 | 90 | | 8.5 | 100 |OPMERKING
Wanneer het laadproces is voltooid, wordt de voeding van de ingebouwde acculader automatisch afgesloten.
Wachtmodus voor opladen
De machine gaat in de volgende gevallen naar de wachtmodus als de temperatuur niet geschikt is om op te laden:
- Direct na het rijden is de temperatuur van de accu mogelijk hoger dan de maximale 50 °C. In dat geval wordt naar de wachtmodus geschakeld en knippert "HEAT" totdat de accu en acculader de opgegeven temperatuur bereiken.
- Als de omgevingstemperatuur lager is dan -5 ^ , knippert "COOL" totdat de accu en acculader de opgegeven temperatuur bereiken.
Wanneer de temperatuur geschikt is om op te laden, wordt het opladen automatisch ge- start.
DAU50411
Display met voortgang van laden
Het oplaadproces wordt weergegeven door de accuniveau-indicator.
| Laadvoortgang(%) | Laadvoortgangin display |
| 0—20 | ![]() |
| 20—40 | ![]() |
| 40—60 | ![]() |
| 60—80 | ![]() |
| 80—99 | ![]() |
| 100 | Niet weergegeven |

DAU50425
Accu
Lithium-ion-accu (Li-ion-accu)
De Li-ion-accu in de EC-03 beschikt over een hoge energiedichtheid en een hoog voltage (ongeveer driemaal zoveel als nikkel-cadmiumaccu's (NiCd) en nikkel-metaalhydrideaccu's (NiMH)), waardoor de accu compact en licht kan worden gehouden.
Nikkel-cadmium- en nikkel-metaalhydride-accu's hebben een geheugeneffect waarbij het elektrisch uitgangsvermogen afneemt als gevolg van herhaaldelijk gedeeltelijk ontladen en opladen, zodat deze accu's van tijd tot tijd volledig moeten worden ontladen. Li-ion-accu's kunnen herhaaldelijk gedeeltelijk worden opgeladen zonder dat ze volledig moeten worden ontladen.
OPMERKING
- Het is niet noodzakelijk de accu volledig te ontladen voordat u deze oplaadt.
- Het elektrisch uitgangsvermogen neemt af in de loop van de tijd en het gebruik, maar de snelheid waarmee de accu uitgeput raakt, hangt af van de gebruiksomstandigheden.
- Het ontladen van de accu hangt af van de omgevingstemperatuur. Bij lage temperaturen is de rijafstand op een
enkele lading korter in vergelijking met normale temperaturen en duurt het opladen ook langer. Bij lage temperaturen neemt het elektrisch uitgangsvermogen af in vergelijking met normale temperaturen en is de rijafstand op een enkele lading korter. Dit is echter normaal.
- Bij opslag van de machine op een zeer warme of koude locatie kan het elektrisch uitgangsvermogen afnemen.
- Zelfs wanneer u de accu niet gebruikt, wordt de accu geleidelijk ontladen.
Accu recyclen
Li-ion-accu's kunnen worden gerecycled. Als het elektrisch uitgangsvermogen sterk afneemt als gevolg van uitputting, moet u de accu laten vervangen door een Yamaha-dealer. Volg altijd de plaatselijke voorschriften voor het verwijderen van accu's.

Het elektrisch uitgangsvermogen van de Li-ion-accu in de EC-03 neemt geleidelijk af in de loop van het gebruik. Hoewel de mate van uitputting afhangt van de gebruiksomstandigheden, neemt het elektrisch uitgangsvermogen doorgaans af tot 70% van een nieuwe accu nadat gedurende twee jaar 8000–10000 km is afgelegd. Dit staat gelijk aan ongeveer 500 keer opladen wanneer 16–20 km wordt afgelegd op een enkele lading.
Automatische uitschakelfunctie voor elektrisch uitgangsvermogen van accu
De accu is voorzien van een functie waarmee verder gebruik van de accu wordt voorkomen wanneer deze sterk is uitgeput. Wanneer acht jaar zijn verstreken nadat de accu voor het eerst is opgeladen of wan-
neer de opgetelde laadhoeveelheid 14000 Ah heeft bereikt, is de accu niet langer bruikbaar.
OPMERKING
- Wanneer de accu is vervangen door een nieuw exemplaar, moet u de accu eenmaal volledig opladen voordat u deze gaat gebruiken. Als de accu niet volledig wordt opgeladen, geeft de accuniveau-indicator niet het exacte accuniveau aan.
- Bij lage temperaturen zoals 0 °C neemt het elektrisch uitgangsvermögen af met ongeveer 20% in vergelijking met normale temperaturen.
- Als u een uitgeputte accu gebruikt bij lage temperaturen, neemt het elektrisch uitgangsvermogen af met ongeveer 20% in vergelijking met normale temperaturen.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
! WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een ongeval of letsel tot gevolg.
DAU50092
Voorbereidingen voordat u wegrijdt
OPMERKING
Controleer voordat u wegrijdt of de snelheidsregelaar is dichtgedraaid. Als de snelheidsregelaar open is gedraaid, kan een fout optreden.
- Ga aan de linkerkant van de machine staan.

- Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de handgreep vast en duw de machine van de middenbok af. DWA15660
WAARSCHUWING
Draai de sleutel naar "OFF" voordat u de machine op of van de middenbok duwt of op het zadel gaat zitten. Anders kan de machine plotseling gaan rijden als u
de snelheidsregelaar per ongeluk opendraait.
- Zet uw rechtervoet op de voetsteun en ga op het zadel zitten. Ondersteun de machine tegelijkertijd met uw linkervoet zodat de machine niet omvalt.

- Druk met uw linkerhand de achterremhendel in zodat de machine niet weg kan rijden.

- Draai de sleutel naar "ON".
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE

Nadat gedurende enkele seconden alle displaysegmenten zijn weergegeven, gaat de machine naar de stand-bymodus.

- Veiligheidsslotindicator "LOCK"
OPMERKING
- Wanneer het veiligheidsslot is vergrendeld, wordt de veiligheidsslotindi-
cator "☐CK" weergegeven.
- Als u de snelheidsregelaar opendraait terwijl de machine in de stand-bymodus staat, klinkt de zoemer.
- Annuleer de stand-bymodus door op een van de knoppen te drukken.

flowchart
graph TD
A["1"] --> B["POWER"]
C["2"] --> D["SET"]
E["3"] --> F["SELECT"]
- Knop 1 "POWER"
- Knop 2 "SET"
- Knop 3 "SELECT"
De machine gaat naar de ontgrendelmodus voor het veiligheidsslot. "----" wordt weergegeven.

- Indicator ingevoerd nummer “----”
OPMERKING
Wanneer het veiligheidsslot niet is vergrendeld, gaat de machine naar de rijmodus nadat de stand-bymodus is geannuleerd. Wanneer de machine in de rijmodus staat, klinkt de zoemer. De zoemer stopt wanneer u de remhendel bedient of met de machine gaat rijden. Ga door naar stap 8.
- Voer het veiligheidsnummer in met de knoppen.
Wanneer u het juiste nummer invoert, wordt het veiligheidsslot ontgrendeld en gaat de machine naar de rijmodus.
OPMERKING
Wanneer de machine naar de rijmodus gaat, klinkt de zoemer. De zoemer stopt
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
wanneer u de remhendel bedient of met de machine gaat rijden.
Als een onjuist veiligheidsnummer is ingevoerd, klinkt de zoemer, knippert "NG" gedurende enkele seconden en keert de machine terug naar de stand-bymodus.

- Indicator onjuist nummer "NG"
Herhaal in dat geval de procedure van- af stap 6.
OPMERKING
Als u driemaal achter elkaar een onjuist veiligheidsnummer invoert, kan het veiligheidsslot niet worden ontgrendeld, ook niet als u hierna wel het juiste veiligheidsnummer invoert. Herhaal de procedure nadat u eerst de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON" hebt gedraaid.
- Controleer de accuniveau-indicator om er zeker van te zijn dat het resterende accuniveau voldoende is. (Zie pagina 3-4 voor meer informatie over het accuniveau.)

- Accuniveau-indicator
DAU50103
Wegrijden
- Controleer of de bedrijfsstatusindicator "RUN" wordt weergegeven en of de machine in de rijmodus staat.

- Bedrijfsstatusindicator "RUN"
- Powermodusindicator "POWER"
OPMERKING
Wanneer de machine in de powermodus staat, wordt de powermodusindicator "POWER" weergegeven. (Zie pagina 3-1 voor meer informatie over het schakelen van het display tussen de standaardmodus en de powermodus.)
- Zet de richtingaanwijzer aan.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE

De zoemer klinkt wanneer de richtingaan-wijzerschakelaar aanstaat.
- Kijk voor en achter de machine om te controleren of het veilig is om weg te rijden.
- Laat de achterremhendel los.
- Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de snelheidsregelaar om weg te rijden.

- Druk de richtingaanwijzerschakelaar in om de richtingaanwijzers uit te zetten.
OPMERKING
De EC-03 is uitgevoerd met een automatische uitschakelfunctie om de accu te beschermen. De voeding wordt automatisch uitgeschakeld als de machine langer dan vijf minuten stilstaat. Als u de machine opnieuw wilt starten nadat deze langer dan vijf minuten heeft stilgestaan, draait u de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON".
DAU50111
Sneller en langzamer rijden

U kunt de rijsnelheid regelen door de snelheidsregelaar open of dicht te draaien. Draai de snelheidsregelaar richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de snelheidsregelaar in richting (b) om langzamer te gaan rijden.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
Remmen
DAU50961
DWA10300
WAARSCHUWING
- Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
- Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
-
Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
-
Sluit de snelheidsregelaar volledig.
- Bekrachtig de voor- en achterrem gelijktijdig en oefen daarbij geleidelijk meer druk uit.
Voor

Vergrendel het stuur en verwijder de sleutel als u parkeert, om diefstal te voorkomen. U wordt aanbevolen bovendien een kettingslot of ander type motorslot te gebruiken.
DWA15580
! WAARSCHUWING
Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond; de machine zou dan kunnen omvallen.
OPMERKING
- Als u de machine parkeert op een zeer warme of koude locatie, wordt de temperatuurbeveiligingsfunctie mogelijk geactiveerd wanneer u de sleutel naar "ON" draait. Als dit het geval is, knippert "HEAT" of "COOL" in het display met de ritteller/kilometerteller. (Zie pagina 4-4 "Temperatuurwaarschuwing" voor meer informatie over de temperatuurbeveiligingsfunctie.)
- U wordt aanbevolen het veiligheidsslot te vergrendelen bij het parkeren. (Zie pagina 4-10 voor meer informatie over het vergrendelen van het veiligheids-slot.)
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU50130
Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, af- stellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in de periodieke onderhoudsschema's moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk van het weer, het terrein, de geografische locatie en individueel gebruik.
DWA10321
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de machine. Als u niet bekend bent met voertuigonderhoud, laat het onderhoud dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
DWA15840
WAARSCHUWING
Draai de sleutel naar "OFF" wanneer u
onderhoud uitvoert, tenzij anders aangegeven. Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of brand kunnen veroorzaken.
DWA15830
WAARSCHUWING
Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen.
DWA15460
WAARSCHUWING
Remschijven, -klauwen, -trommels en -voeringen kunnen tijdens het gebruik zeer heet worden. Laat onderdelen van het remsysteem afkoelen alvorens deze aan te raken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU50610
OPMERKING
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
- Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 30000 km, beginnend vanaf 6000 km.
- Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
DAU50620
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJKSE CONTROLE | |||||
| 1000 km 6000 km 12000 km 18000 km 24000 km | |||||||||
| 1 | * | Voorrem | • Controleer de werking en stel de speling van de remhendel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remschoenen. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 2 | * | Achterrem | • Controleer de werking en stel de speling van de remhendel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remschoenen. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 3 | * | Wielen | • Controleer de speling en contro-leer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 4 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 5 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 6 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. Elke 24000 km | |||||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJKSE CONTROLE | |||||
| 1000 km 6000 km 12000 km 18000 km 24000 km | |||||||||
| 7 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bou- ten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 8 | Scharnieras van voorremhendel | • Smeren met lithiumvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 9 | Scharnieras van achterremhendel | • Smeren met lithiumvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 10 | Middenbok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * Voorvork | • Controleer op een correcte wer- king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
| 12 | * Schokdemperunit | • Controleer op een correcte wer- king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
| 13 | * | Voor- en achterrem- schakelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 14 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| 15 | * Snelheidsregelaar | • Controleer de werking.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 16 | * | Lampen, richtin- gaanwijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 17 | * | Lawaai van de motor | • Controleer op ongewone gelui- den die afkomstig zijn van de motor.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 18 | * | Oplaadkabel en stekker | • Controleer de toestand en ga na of er sprake van beschadiging is.• Vervang indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU50143
Controleren op afwijkende motorgeluiden
Controleer de motor op afwijkende geluiden.
OPMERKING
Wanneer de machine op de middenbok staat, kunt u de motor niet boven een bepaalde snelheid laten lopen door de snelheidsregelaar te draaien.
DAU50154
Snelheidsregelaar controleren
Controleer de volgende punten voordat u de snelheidsregelaar controleert.
- Controleer of de sleutel in de stand "OFF" staat. Draai langzaam aan de snelheidsregelaar en controleer of deze soepel beweegt en weer terugkeert wanneer u deze loslaat.
- Controleer op mogelijke sporen van slijtage of schade rond de snelheidsregelaar. Controleer ook of de bevestigingsbouten van de snelheidsregelaarhouder goed zijn aangedraaid.
- Zorg dat u bij wassen van de machine geen water sproeit in de buurt van de snelheidsregelaar. Als het gedeelte rond de snelheidsregelaar erg vuil is, gebruikt u een goed uitgewrongen vochtige doek om dit te reinigen.

Rijd niet met de machine als u een probleem ondervindt met de werking van de snelheidsregelaar. Laat de machine nakijken door een Yamaha-dealer. Als u de machine bij problemen blijft gebruiken, wordt het risico op een ongeval of schade aan apparatuur vergroot.
- Druk de achterremhendel in met uw linkerhand.
- Draai de sleutel naar "ON".
- Annuleer de stand-bymodus door op een van de regelknoppen te drukken. (Zie pagina 4-3.)
- Controleer of de bedrijfsstatusindicator "RUN" wordt weergegeven en of de machine in de rijmodus staat. (Zie pagina 7-1 voor meer informatie over "Voorbereidingen voordat u wegrijdt" en "Wegrijden".)
- Controleer of de snelheidsregelaar en motor soepel werken tijdens versnel- len door geleidelijk aan de snelheids- regelaar te draaien terwijl u met de machine rijdt. Als er een probleem is, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU50673
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
Bandenspanning
De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
Voor:
200 kPa (2.00 kgf/cm², 29 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Maximale belasting\*:
87 kg (192 lb)
* Totaal gewicht van bestuurder, bagage en accessoires
Inspectie van banden

- Bandprofieldiepte
- Wang van band
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem al-
tijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Dit voertuig is uitgerust met gietwielen en binnenbanden.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat:
60/100-12 36J
Fabrikant/model:
INOUE RUBBER/MB80
Achterband:
Maat:
60/100-12 36J
Fabrikant/model:
INOUE RUBBER/MB80
DWA10471
WAARSCHUWING
- Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief ban-
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
den, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt om dit te doen.
- Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingerden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
DAU22002
Gietwielen
DWA10610
WAARSCHUWING
De wielen van dit model zijn niet ontworpen voor gebruik met tubeless banden. Gebruik geen tubeless banden voor dit model.
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
- Voor elke rit moeten de velgranden worden gecontroleerd op scheurtjes, verbuiging, kromheid of andere schade. Laat in geval van schade het wiel door een Yamaha-dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
- Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
ntwor-
and
anden.
oor dit
Vrije slag van voor- en achterremhendel afstellen
De vrije slag van de voor- en achterremhendel moet op de aangegeven posities worden gemeten.
Voor

Vrije slag voorremhendel:
Controleer de vrije slag van de voor- en achterremhendel regelmatig en stel indien nodig als volgt af.
Draai de stelmoer op de remankerplaat richting (a) voor meer vrije slag van de remhendel. Draai de stelmoer richting (b) voor minder vrije slag van de remhendel.
Voor

- Stelmoer vrije slag voorremhendel
Achter

- Stelmoer vrije slag achterremhendel
DWA10650
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer de afstelling te doen als de juiste afstelling niet haalbaar is volgens de beschreven werkwijze.
DAU22361
Controleren van voor- en achterremschoenen
Voor

De voor- en achterremschoenen moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Elke rem heeft een eigen slijtage-indicator zodat de remschoenslijtage kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remschoenslijtage te controleren. Wanneer een remschoen zover is afgesleten dat de slijtage-indicator bij de slijtagelimiet komt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU23095
Kabels controleren en smeren
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt. WAARSCHUWING! Schade aan de buitenbehuizing van kabels kan leiden tot interne roestvorming en storing veroorzaken met de beweging van kabels. Vervang beschadigde kabels zo snel mogelijk om onveilige omstandigheden te voorkomen.[DWA10711]
Aanbevolen smeermiddel:
Voor- en achterremhendel smeren
Voorremhendel

De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
DAU23192
Middenbok controleren en smeren

De werking van de middenbok moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA11301
WAARSCHUWING
Als de middenbok niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren. Een slecht functionerende middenbok kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet
DAU42081
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen en beschadigingen.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.[DWA10751]
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU45511
Stuursysteem controleren
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
-
Zet de machine op de middenbok. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.[DWA10751]
-
Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling wordt gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.

Controleren van wiellagers

De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23797
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10650
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
- Koplampgloeilamp Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
- Koplamplens Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens. Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.

- Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
- Verwijder de koplampunit door de schroeven los te halen.

- Schroef
- Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.

- Koplampstekker
- Gloeilampkap
- Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

-
Gloeilamphouder
-
Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
- Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de koplampstekker aan.
- Monteer de koplampunit door de schroeven aan te brengen.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU24133
Gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen
- Verwijder de lamplens van het remlicht/achterlicht door de schroeven los te draaien.

- Lamplens achterlicht/remlicht
- Schroef
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.

-
Gloeilamp remlicht/achterlicht
-
Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen. LET OP: Draai de schroeven niet te vast, hierdoor kan de lens breken.[DCA10681]
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU24204
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

- Lamplens richtingaanwijzer
- Schroef
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.

-
Gloeilamp richtingaanwijzer
-
Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen. LET OP: Draai de schroef niet te vast, hierdoor kan de lens breken.[DCA11191]
DAU50572
Laadkabel en laadstekker controleren
- Controleer of de laadkabel of laadstekker beschadigd zijn. Als u een probleem bemerkt, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
- Controleer of de laadkabel of laadstekker geen vuil of vreemde materialen bevatten. Veeg vuil af met een droge doek.

- Scheur
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Barst
- Vervang de laadkabel of laadstekker wanneer deze beschadigd is. Anders kan dit brand, een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.
DCA17101
LET OP
Zorg dat de corrosieremmers, oplosmiddelen en olie niet in contact komen met de laadkabel of laadstekker wanneer u de machine controleert.

- Voer nooit controles of reparaties aan de machine uit wanneer de laadstekker in het stopcontact zit. Dit kan een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.
Problemen oplossen
Als een probleem optreedt, controleert u het volgende voordat u de machine naar een Yamaha-dealer brengt. Als er echter geen stroomtoevoer is (er wordt niet weergegeven in het display), moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
De machine gaat niet naar de stand-by-modus wanneer u de sleutel naar "ON" draait
Controleer het volgende:
- Wordt de machine momenteel opgeladen? Tijdens het opladen gaat de machine niet naar de stand-bymodus wanneer u de sleutel naar "ON" draait.
- Werd de sleutel naar "ON" gedraaid terwijl de snelheidsregelaar was geopend?
De machine gaat niet naar de stand-bymodus wanneer u de sleutel naar "ON" draait terwijl de snelheidsregelaar is geopend. Draai de snelheidsregelaar dicht en draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON".
Als de machine nog steeds niet naar de stand-bymodus gaat, moet u de machine la- ten controleren door een Yamaha-dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
De machine rijdt niet weg
Staat de machine in de rijmodus? (Wordt de bedrijfsstatusindicator "RUN" weergegeven in het display?)
U kunt alleen met de machine rijden als deze in de rijmodus staat.
Nadat u het bovenstaande hebt gecontroleerd, probeert u opnieuw weg te rijden aan de hand van de procedures op pagina 7-1 "Voorbereidingen voordat u wegrijdt" en pagina 7-3 "Wegrijden" om de machine opnieuw te starten.
Als de machine nog steeds niet wegrijdt, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
Het waarschuwingssymbool " " wordt weergegeven
Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON". Als het waarschuwings symbool "nog steeds wordt weerge- geven, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
OPMERKING
Hoewel het waarschuwingssymbool wordt weergegeven, kunt u toch met de machine rijden als de bedrijfsstatusindicator "RUN" wordt weergegeven en de machine in de rijmodus staat.
Er gaat geen lampje branden
Controleer het volgende:
- Wordt de machine momenteel opgeladen? Lampjes branden niet als de machine wordt opgeladen.
- Is de sleutel naar "ON" gedraaid? (Wordt er iets weergegeven in het display?)
Als er niets wordt weergegeven in het display, is de automatische uitschakelfunctie mogelijk geactiveerd. Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON".
- Werken alle schakelaars goed?
Als u het bovenstaande hebt gecontroleerd en er nog steeds geen lampje brandt, gaat u verder met het volgende.
- Als de koplamp niet brandt, is de gloeilamp mogelijk doorgebrand. Zie pagina 8-11 voor vervangingsprocedures.
- Als een achterlicht/remlicht of richtingaanwijzer niet brandt, is de gloeilamp mogelijk doorgebrand. Zie pagina 8-12 of 8-13 voor vervangingsprocedures.
Als er nog steeds geen lampje brandt, is er mogelijk een zekering doorgebrand. Vraag een Yamaha dealer de machine te controle- ren.
DCA11981
LET OP
Gebruik geen lamp met een ander watta-
ge dan is opgegeven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te voorkomen.
De motor stopt tijdens het rijden
Controleer het volgende:
-
Is de accu voldoende opgeladen?
Controleer de accuniveau-indicator. Als de resterende acculading onvoldoende is, vervangt u de accu voordat u verder rijdt. -
Knippert "HEAT" en is "RUN" uitgegaan?

- Temperatuurindicator "HEAT"
De temperatuurbeveiligingsfunctie is geactiveerd. Draai de sleutel naar "OFF" en laat de machine afkoelen voordat u verder rijdt.
Als u het bovenstaande hebt gecontroleerd
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
en de motor nog steeds niet loopt, moet u de machine laten controleren door een Yamaha-dealer.
DWA15630
WAARSCHUWING
Draai de sleutel naar "OFF" voordat u de EC-03 gaat duwen of verplaatsen. De machine kan plotseling gaan rijden als u de snelheidsregelaar opendraait wanneer de sleutel naar "ON" is gedraaid.
Het display en de koplamp gaan uit wanneer u de sleutel naar "ON" draait Controleer het volgende:
- Heeft de machine langer dan vijf minuten stilgestaan?
De EC-03 is uitgevoerd met een automatische uitschakelfunctie om de accu te beschermen. Als de machine langer dan vijf minuten stilstaat, wordt de voeding afgesloten om de acculading te besparen.
- Is de accu voldoende opgeladen?
Als de resterende acculading onvoldoende is, vervangt u de accu voordat u verder rijdt.
Als u het bovenstaande hebt gecontroleerd, draait u de sleutel weer naar "ON". Als het display en de koplamp nog steeds niet branden, moet u de machine laten controle-ren door een Yamaha-dealer.
DWA15630
WAARSCHUWING
Draai de sleutel naar "OFF" voordat u de EC-03 gaat duwen of verplaatsen. De machine kan plotseling gaan rijden als u de snelheidsregelaar opendraait wanneer de sleutel naar "ON" is gedraaid.
Het veiligheidsslot kan niet worden ont-grendeld
Als u driemaal achter elkaar een onjuist veiligheidsnummer invoert, kan het veiligheidsslot niet worden ontgrendeld, ook niet als u hierna wel het juiste veiligheidsnummer invoert.
Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON". Probeer vervolgens opnieuw het juiste veiligheidsnummer in te voeren.
Het waarschuwingslampje brandt, en "CHG" en het waarschuwingssymbool " ! knipperen tijdens het opladen

-
Waarschuwingslampje
-
Indicator accuconditie "CHG"
-
Waarschuwingssymbool " "
Als een probleem optreedt tijdens het opladen, wordt het opladen automatisch gestopt. Het waarschuwingslampje gaat branden en "CHG" en het waarschuwingssymbool "gaan knipperen.
OPMERKING
Als dit gedurende vijf minuten aanhoudt, gaat het waarschuwingslampje uit, evenals alle indicatoren in het display.
Neem de laadstekker uit het stopcontact om het opladen te stoppen en ga na enkele minuten verder met opladen. Als het opladen
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
opnieuw automatisch wordt gestopt, is er mogelijk een storing in de machine. Stop met opladen en laat de machine controleren door een Yamaha-dealer.
Wanneer u de sleutel naar "ON" draait, gaat het waarschuwingslampje branden en knipperen "CHG" en het waarschuwingssymbool "in het display

- Waarschuwingslampje
- Indicator accuconditie "CHG"
- Waarschuwingssymbool " "
De accu is niet goed opgeladen.
Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens terug naar "ON" om het opladen te resetten.
Draai de sleutel naar "OFF" en laad de accu vervolgens opnieuw op.
Als het bovenstaande nog steeds optreedt
nadat de accu is opgeladen, is er mogelijk een storing in de machine. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
"----" knippert in het display tijdens het opladen

Als de accuspanning zich onder het opgegeven niveau bevindt, wordt deze indicator weergegeven op het display. Ga door met opladen.
Als het waarschuwingslampje brandt en "CHG" en "in het display knipperen nadat u de accu gedurende een uur hebt opgeladen, is er mogelijk een storing in de machine. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.

- Waarschuwingslampje
- Indicator accuconditie "CHG"
- Waarschuwingssymbool “ ”
"HEAT" knippert in het display tijdens het opladen

- Temperatuurindicator "HEAT"
Dit is geen storing.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Het laadproces bevindt zich in de stand-by-modus omdat de accutemperatuur hoger is dan 50 °C. Laat de accu afkoelen.
Wanneer de accutemperatuur de opgegeven temperatuur bereikt, gaat "HEAT" uit en wordt het opladen automatisch gestart. (Zie pagina 6-1 voor meer informatie over "Oplaadlocatie voor accu".)
"COOL" knippert in het display tijdens het opladen

- Temperatuurindicator "COOL"
Dit is geen storing.
Het laadproces bevindt zich in de stand-by-modus omdat de accutemperatuur lager is dan -5 °C.
Ga in dat geval verder met opladen op een warme locatie.
Wanneer de accutemperatuur de opgegeven temperatuur bereikt, gaat "COOL" uit en wordt het opladen automatisch gestart. (Zie pagina 6-1 voor meer informatie over "Oplaadlocatie voor accu".)
Wanneer u de sleutel naar "ON" draait, klinkt de zoemer en gebeurt het volgen-de
- Het waarschuwingslampje knippert
- Het waarschuwingssymbool "!" wordt weergegeven
- De segmenten van de accuniveau-indicator gaan heen en weer
- De indicatoren "PUSH" en "OLD" worden beurtelings weergegeven

- Accuniveau-indicator
- Waarschuwingslampje
- Indicator accuconditie "PUSH"/"OLD"
- Waarschuwingssymbool “ ”!
De accu is bijna aan het einde van de levensduur.
Druk op een van de regelknoppen (zie pagina 4-3) om de zoemer uit te schakelen. Hiermee gaat de machine naar de stand-bymodus.

Annuleer de stand-bymodus door opnieuw op een regelknop te drukken.
Hoewel u nog steeds met de machine kunt rijden als de bedrijfsstatusindicator "RUN" wordt weergegeven, is de accu bijna aan het einde van de levensduur. Neem zo snel mogelijk contact op met een Yamaha-dealer om een vervangende accu te bestellen.
OPMERKING
Als u op een regelknop drukt, stopt de zoemer en schakelt het display naar de stand-bymodus. Als u niet binnen vijf minuten op een regelknop drukt, wordt de automatische uitschakelfunctie geactiveerd en wordt alle voeding afgesloten om de accu te
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
beschermen.
Wanneer het opladen wordt gestart, klinkt de zoemer en geeft het volgende aan dat de accu aan het einde van de levensduur is
- Het waarschuwingslampje knippert
- Het waarschuwingssymbool "!" wordt weergegeven
- De indicatoren "PUSH" en "OLD" worden beurtelings weergegeven in het display

- Waarschuwingslampje
- Indicator accuconditie "PUSH"/"OLD"
- Waarschuwingssymbool " "
De accu is aan het einde van de levensduur.
Laat de accu vervangen door een Yamaha-dealer. Druk op een van de regel-
knoppen (zie pagina 4-3) om de zoemer uit te schakelen.
Het display schakelt naar het volgende om aan te geven dat de accu aan het einde van de levensduur is.

- Waarschuwingslampje
- Indicator einde van acculevensduur "End"
Neem de laadstekker uit het stopcontact, waarna alle indicatoren in het display uit-gaan.
OPMERKING
- Totdat u op een van de knoppen drukt, blijft de zoemer klinken en wordt "End" weergegeven om het einde van de acculevensduur aan te geven.
- De EC-03 is uitgevoerd met een automatische uitschakelfunctie om de accu te beschermen. Nadat vijf minuten zijn verstreken, gaat de voeding uit, stopt
de zoemer en gaat het display uit.
De accu kan niet worden opgeladen (de accuniveau-indicator blijft laag na het opladen)
Is de laadstekker correct aangesloten op een stopcontact?
Laad de accu opnieuw op aan de hand van de procedures die worden beschreven in "Laadprocedure" op pagina 6-3 als u dit hebt gecontroleerd.
Als u het bovenstaande hebt gecontroleerd en de accu nog steeds niet kan worden opgeladen, is er mogelijk een storing in de acculader. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
Er komt een ongewone geur of rook uit de acculader
Neem de laadstekker onmiddellijk uit het stopcontact. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De rijafstand op een enkele lading is sterk afgenomen
De accu is aan het einde van de levensduur.
Laat de accu vervangen door een Yamaha-dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
De accu kan niet worden opgeladen om- dat de aardlekschakelaar is geactiveerd
Stop met opladen en laat de machine controleren door een Yamaha-dealer.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU37833
Matkleur, let op
DCA15192
LET OP
Sommige modellen zijn uitgerust met matkleurige onderdelen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor advies over wat voor producten gebruikt moeten worden om het voertuig te reinigen. Het gebruik van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het oppervlak bekrassen of beschadigen. Ook was moet niet worden aangebracht op een van de matkleurige onderdelen.
DAU50831
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan roestvorming en corrosie optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Controleer of het zadel goed is gesloten voordat u de machine gaat reinigen.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DWA15810
WAARSCHUWING
- Was de machine niet terwijl u de
accu oplaadt. Dit kan brand of een elektrische schok veroorzaken.
- Controleer of het zadel goed is gesloten voordat u de machine gaat wassen. Als het zadel niet goed is gesloten, kan water op de accu of de ingebouwde acculader terechtkomen. Dit kan een elektrische schok of kortsluiting veroorzaken.
- Was de laadkabel en laadstekker nooit. Veeg deze schoon met een droge doek.
DCA17121
LET OP
- Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
- Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen, framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting enz.) en de uitlaatdempers beschadigd raken.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met water om kunststof delen te reinigen. Als de kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd, kan een mild reinigingsmiddel met water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kunnen beschadigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, benzine, roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, snelheidsregelaar, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ont-
luchtingsslangen.
- Bij scooters met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of flessenborstel voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnek- kig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvo- rens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee wegen in de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik geen warm water, dit versnelt de corrosieve werking van het zout.[DCA10791]
- Breng met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo cor- rosie te voorkomen.
Na reiniging
- Droog de scooter met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te laten glanzen.
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen door steenslag e.d. bij.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de scooter volledig drogen alvo- rens te stallen of af te dekken.
DWA15820
WAARSCHUWING
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
- Controleer of er geen olie of was op de remmen of banden zit. Was de banden indien nodig met warm water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voordat u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10800
LET OP
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op
rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
- Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING
- Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
- Door wassen, regenachtig weer of een vochtig klimaat kan de koplamplens beslagen raken. Inschakelen van de koplamp gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.
DAU50842
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes. Zorg dat de motor is afgekoeld voordat u de scooter bedekt.
DCA17130
LET OP
- Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zullen water en vocht kunnen binnendringen en leiden tot roestvorming, storing in de voeding, elektrische lekkage of kortsluiting.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
DCA17142
LET OP
- Laad de accu op als het accuniveau daalt tot minder dan het laatste seg-
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
ment. Om de levensduur van de accu te verlengen, wordt u aanbevolen de accu op te laden totdat de accuniveau-indicator of 2-3 segmenten toont. Een lagere of hogere lading wordt niet aanbevolen.
- Zorg dat de resterende acculading niet minder dan 20% wordt (minder dan het laatste segment van de accuniveau-indicator). Als de accu langdurig wordt opgeslagen in deze toestand, kan de accu beschadigd raken en moet deze mogelijk worden vervangen afhankelijk van de resterende capaciteit.
- Wanneer de accu eenmaal volledig is uitgeput, kunt u deze niet meer opladen.
- Na langdurige opslag moet u de accu opnieuw opladen voordat u de machine gaat gebruiken. (Het opladen kan langer duren dan gewoonlijk.)
geer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
OPMERKING
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
- Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en van de middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri-
SPECIFICATIES
Afmetingen:
Totale lengte:
1565 mm (61.6 in)
Totale breedte:
600 mm (23.6 in)
Totale hoogte:
990 mm (39.0 in)
Zadelhoogte:
745 mm (29.3 in)
Wielbasis:
1080 mm (42.5 in)
Grondspeling:
110 mm (4.33 in)
Kleinste draaicirkel:
1700 mm (66.9 in)
Gewicht:
Rijklaar gewicht:
56 kg (123 lb)
Chassis:
Type frame:
Backbone
Spoorhoek:
25.00 graad
Naspoor:
75 mm (3.0 in)
Voorband:
Type:
Met binnenband
Maat:
60/100-12 36J
Fabrikant/model:
INOUE RUBBER/MB80
Achterband:
Type:
Met binnenband
Maat:
60/100-12 36J
Fabrikant/model:
INOUE RUBBER/MB80
Maximale belasting:
87 kg (192 lb)
* (Totaalgewicht van bestuurder, bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude banden):
Voor:
200 kPa (2.00 kgf/cm², 29 psi)
Achter:
250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)
Voorwiel:
Velgmaat:
12 × 1.50
Achterwiel:
Velgmaat:
12 x 1.50
Voorrem:
Type:
Trommelrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Achterrem:
Type:
Trommelrem
Bediening:
Bediening met linkerhand
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer
Veerweg:
50.0 mm (1.97 in)
Achterwielophanging:
Type:
Unit swing
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
55.0 mm (2.17 in)
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 35 W/35 W × 1
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Identificatienummers
Noteer het voertuigidentificatienummer en de gegevens op de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze gegevens heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:

Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26540
Modelinformatiesticker

- Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is onder het za- del bevestigd aan het frame. (Zie pagina 4-11.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INDEX
A
Aandachtspunten voor veilig rijden ....1-4
Accu, effectief gebruik van....3-3
Afgelegde afstand 3-2
B
Bagagehaak....4-13
Banden....8-5
C
Claxonschakelaar 4-10
Contactslot/stuurslot 4-1
G
Gloeilamp remlicht/achterlicht, vervangen....8-12
Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen....8-13
H
Handgreep 4-13
Helmbevestiging 4-12
|
Identificatienummers....11-1
K
Kabels, controleren en smeren ....8-8
Kenmerken....3-1
Koplampgloeilamp, vervangen....8-11
L
Laaddisplay, voortgang....6-9
Laadkabel en laadstekker controleren .....8-13
M
Matkleur, let op 9-1
Middenbok, controleren en smeren 8-9
Modelinformatiesticker.... 11-1
Motor controleren op afwijkende geluiden.... 8-4
Multifunctioneel display 4-2
P
Parkeren 7-5
Plaats van de onderdelen.... 2-1
Problemen oplossen.... 8-14
R
Remhendel, achterrem 4-11
Richtingaanwijzerschakelaar 4-10
s
Smering en onderhoud, periodiek ....8-2
Snelheidsregelaar controleren.... 8-4
Sneller en langzamer rijden.... 7-4
Specificaties 10-1
Stalling....9-3
Standaardmodus/powermodus.... 3-1
Stuurschakelaars.... 4-10
Stuursysteem, controlleren.... 8-10
V
Veiligheidsinformatie 1-1
Veiligheidsslot gebruiken.... 4-7
Verzorging 9-1
Voertuigidentificatienummer 11-1
Voor- en achterremhendel, afstellen van vrije slag.... 8-6
Voorremhendel 4-11
Voorvork, controlleren.... 8-9
W
Wegrijden 7-3
Wegrijden, voorbereidingen 7-1
Wielen 8-6
Wiellagers controleren 8-10
z
Zadel 4-11
Zoemer 4-1

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2010.10







※




