BW 50N (2006) - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis BW 50N (2006) YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Scooter |
| Merk | Yamaha |
| Model | BW 50N |
| Bouwjaar | 2006 |
| Motortype | 2-takt, luchtgekoeld |
| Cilinderinhoud | 49 cc |
| Vermogen | 3,4 kW (4,6 pk) bij 6.500 tpm |
| Transmissie | Automatische V-snaar |
| Startmethode | Elektrisch en kickstart |
| Brandstof | Benzine mengsmering (1:50) |
| Inhoud brandstoftank | 5,5 liter |
| Voorband | 120/90-10 |
| Band achter | 130/90-10 |
| Remmen voor | Schijfrem |
| Remmen achter | Trommelrem |
| Gewicht | 78 kg (droog) |
| Zithoogte | 795 mm |
| Batterij | 12V 4Ah |
| Verlichting | Halogeen koplamp, LED-achterlicht |
| Onderhoud interval | Elke 3.000 km of jaarlijks |
| Kleur | Zwart, wit, blauw (afhankelijk van uitvoering) |
Veelgestelde vragen - BW 50N (2006) YAMAHA
Gebruikersvragen over BW 50N (2006) YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding BW 50N (2006) - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. BW 50N (2006) van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING BW 50N (2006) YAMAHA
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de CW50/CW50L/CW50N profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw CW50/CW50L/CW50N. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de scooter, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10150
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer de instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de bestuurder, omstanders of degene die de scooter inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP geeft aan dat er speciale voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen om schade aan de scooter te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze scooter en moet altijd bij de scooter blijven, ook als deze later wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA10030
WAARSCHUWING
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE SCOOTER GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUM1010
CW50/CW50L/CW50N
HANDLEIDING
©2004 door MBK INDUSTRIE
1e Uitgave, februari 2004
Alle rechten voorbehouden
Elke vorm van herdruk of onbevoegd ge-
bruik
zonder schriftelijke toestemming van
MBK INDUSTRIE
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Frankrijk.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
Andere aandachtspunten voor veilig motorrijden 1-4
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN ....3-1
Contactslot/stuurslot 3-1
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-2
Snelheidsmeterunit (CW50/CW50L)....3-3
Snelheidsmeterunit (CW50N)......3-4
Brandstofniveaumeter (CW50/CW50L)....3-4
Stuurschakelaars ....3-4
Voorremhendel 3-5
Achterremhendel 3-5
Tankdop en dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering ....3-6
Brandstof 3-6
Uitlaatkatalysator 3-7
2-takt injectiesmering ....3-8
Kickstarter 3-8
Bevestigingssteun 3-8
Zadel 3-9
Slotcompartiment 3-9
Bagagehaak 3-10
Afstellen van de schokdemperunit (alleen model CW50L) ......3-10
CONTROLES VOOR HET
STARTEN 4-1
Controlelijst voor gebruik 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van een koude motor ..... 5-1
Wegrijden 5-2
Sneller en langzamer rijden 5-2
Remmen 5-2
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-3
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES 6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema 6-2
Verwijderen en aanbrengen van de stroomlijn- en framepanelen ..... 6-5
Controleren van de bougie ......6-6
Versnellingsbakolie 6-7
Reinigen van het luchtfilterelement 6-8
Vrije slag van voorremhendel afstellen 6-12
Vrije slag van achterremhendel afstellen 6-12
Controleren van voorremblokken en achterremschoenen ...... 6-13
Controleren van remvloeistofniveau 6-14
Verversen van remvloeistof ..... 6-15
Controleren en smeren van kabels 6-15
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-15
Smeren van voor- en achterremhendels 6-16
Controleren en smeren van de middenbok.... 6-16
Voorvork controleren 6-16
Controle van stuursysteem ...... 6-17
Controleren van wiellagers ..... 6-17
Accu 6-18
Zekering vervangen 6-19
Koplampgloeilamp vervangen ..... 6-20
Gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen 6-20
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen 6-21
INHOUDSOPGAVE
Problemen oplossen 6-21
Storingzoekschema 6-22
VERZORGING EN STALLING VAN
DE SCOOTER 7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIONS 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE......9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10260
SCOOTERS ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS-TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DESKUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE SCOOTER TE GAAN RIJDEN.
HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN SCOOTERRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN HET INSTRUCTIEBOEKJE VOOR DE EI-GENAAR.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILIGE EN CORRECTE RIJTECHNIEKEN.
●GEBRUIK MAKEN VAN PROFES- SIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN HET IN- STRUCTIEBOEKJE EN/OF WAN- NEER DE MECHANISCHE CONDITIES DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto/scooter ongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
Dus:
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw machine alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bedie- ning.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinleggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd word genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de voetplaat, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De scooter is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. De rijwind in uw niet-afgeschermde ogen kan het zicht verslechteren, zodat u gevaren te laat zou opmerken.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze scooter onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw scooter ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de scooter of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtlimiet van 185 kg (408 lb) niet overschrijden. Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:

VEILIGHEIDSINFORMATIE
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk nabij de scooter. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk aan beide zijden van de scooter wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze scooter. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
- Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode-
lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
- Zet de motor altijd uit voordat u de scooter onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de scooter gaat parkeren:
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, dus parkeer de scooter op een plek waar voetgangers of kinderen hiervan geen hinder hebben.
- Parkeer de scooter niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de scooter niet nabij een brandend toestel(bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen is terecht gekomen. Morst u benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
DAU10370
Andere aandachtspunten voor veilig motorrijden
- Geef duidelijk richting aan wanneer u een bocht neemt.
- Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen. Bedien de remmen rustig wanneer u op een nat wegdek wilt stoppen.
●Minder snelheid bij het naderen van een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen.
- Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto's. Een bestuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rijrichting.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
- De remvoeringen kunnen nat worden bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de scooter, voordat u gaat rijden.
●Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend bij de enkel/omslag, om flapperen te voorkomen), en een felgekleurd jack.
●Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

-
Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (alleen model CW50L) (pagina 3-10)
-
Achterremhendel (pagina 3-5)
- Snelheidsmeterunit (pagina 3-3)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-4)
- Kickstarter (pagina 3-8)
- Luchtfilterelement (pagina 6-8)
- Vulplug versnellingsbakolie (pagina 6-7)
- Aftapplug versnellingsbakolie (pagina 6-7)
- Middenbok (pagina 6-16)
- Accu/Zekering (pagina 6-18/6-19)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Handgreep (pagina 5-2)
- Oliereservoirdop (pagina 3-6)
- Tankdop (pagina 3-6)
- Gasgreep (pagina 6-9)
- Schakelaar rechterstuurzijde (pagina 3-4)
- Voorremhendel (pagina 3-5)
- Bagagehaak (pagina 3-8)
- Slotcompartiment (pagina 3-9)
- Bevestigingssteun (pagina 3-8)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
DAU10460
DAU10660
OFF "
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10670
CONTROLE "
Het waarschuwingslampje 2-takt injectiesmering moet gaan branden. (Zie pagina 3-2.)
DAU10680
LOCK "i"
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
ON "○"
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
DAU10640
OPMERKING:
De koplamp, de instrumentenverlichting en het achterlicht gaan automatisch branden wanneer de motor wordt gestart.
Om het stuur te vergrendelen
- Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "☒" -stand in en draai hem dan naar de "☒" -stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "⊗" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar “ ^✉ of naar “ ^✉ terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar “ ^✉ of naar “ ^✉ draait.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11001
Controle- en
waarschuwingslampjes
CW50/CW50L

- Controlelampje linker richtingaanwijzers "◀"
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers "→"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
CW50N

- Controlelampje brandstofniveau "☐"
- Controlelampje grootlicht "≡O"
- Waarschuwingslampje olieniveau "☐."
- Controlelampje richtingaanwijzers " ⇌ ⇌"
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers "←" em> " (CW50/CW50L)
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11020
Controlelampje richtingaanwijzers “◀◀” (CW50N)
Dit controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "≡D"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11180
Waarschuwingslampje olieniveau "☐" Dit waarschuwingslampje brandt als de sleutel in de "☐" -stand staat of als het olieniveau in het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering bij draaiende motor te laag staat. Als het waarschuwingslampje bij draaiende motor gaat branden, stop dan direct en vul het oliereservoir met Yamalube 2 of gelijkwaardige 2-takt injectiesmering met ofwel JASO klasse "FC" of met de ISO klassen "EG-C" of "EG-D". Het waarschuwingslampje moet doven nadat het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering is bijgevuld.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren als het waarschuwingslampje niet gaat branden als de sleutel in de "●" -stand staat of niet dooft nadat de olie in het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering is bijgevuld.
DCA10010
LET OP:
Gebruik de machine alleen als u weet dat het motorolieniveau voldoende hoog is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Waarschuwingslampje "☐" brandstofniveau (CW50N)
DAUM1570

Dit waarschuwingslampje gaat branden en de laatste twee segmenten van de brandstofniveaumeter beginnen te knipperen wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 0.6 L (0.17 US gal) (0.14 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
OPMERKING:
●Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
- Het elektrisch circuit van het waarschuwingslampje controleert u als volgt.
Draai de sleutel naar "○" . Als het waar-2. Kilometerteller schuwingslampje niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
DAU11620
Snelheidsmeterunit (CW50/CW50L)

- Snelheidsmeter
- Kilometerteller
Alleen voor Verenigd Koninkrijk

- Snelheidsmeter
De snelheidsmeterunit is voorzien van een snelheidsmeter en een kilometerteller. De snelheidsmeter toont de actuele rjsnelheid. De kilometerteller toont de totale afgelegde afstand.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUM1590
Snelheidsmeterunit (CW50N)

2410523
- Snelheidsmeter
- Kilometerteller
- Brandstofniveaumeter
De snelheidsmeterunit is voorzien van een snelheidsmeter, een kilometerteller en een brandstofniveaumeter. De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid. De kilometerteller toont de totale afgelegde afstand. De brandstofniveaumeter geeft aan hoe veel brandstof in de tank aanwezig is. (Zie pagina 3-2 voor uitleg over de werking van het waarschuwingslampje brandstofniveau.)
Brandstofniveaumeter (CW50/CW50L)

De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De naald beweegt naar "E" (Empty) naarmate het brandstofniveau daalt. Wanneer de aanwijsnaald bij "E" staat, is er nog ca. 1.2 L (0.32 US gal) (0.26 Imp.gal) brandstof in de tank aanwezig. Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
OPMERKING:
Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
DAU12110
Stuurschakelaars
Links

- Claxonschakelaar "▶"
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Dimlichtschakelaar "D"
Rechts

Dimlichtschakelaar "ID" Zet deze schakelaar op "ID" en op "ID" voor dimlicht.
Voorremhendel
Richtingaanwijzerschakelaar “←” → Druk deze schakelaar naar “→” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “←” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.

Claxonschakelaar "Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAUM1130
Startknop “(€)” Druk op deze knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de startmotor. DCA10050
LET OP:
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13200
Tankdop en dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering
De tankdop en de dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering bevinden zich onder het zadel. (Zie pagina 3-9.)
Tankdop

- Tankdop
- Oliereservoirdop
Om de tankdop te verwijderen wordt deze linksom gedraaid en dan losgenomen.
Om de tankdop aan te brengen wordt deze rechtsom gedraaid.
Dop oliereservoir voor 2-takt injectiesmering
De dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering wordt los getrokken om te verwijderen.
Om de dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering aan te brengen wordt deze vast gedrukt in de reservoiropening.
DWA10140
WAARSCHUWING
Controleer alvorens te gaan rijden of de tankdop en de dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering correct zijn aangebracht.
DAU13210
Brandstof

7.14000
- Vulpijp brandstoftank
- Brandstofniveau
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Vul de brandstoftank tot onderaan de vulpijp zoals getoond.
DWA10880
WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10070
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13270
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOOD-VRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
5.3 L (1.40 US gal) (1.17 Imp.gal)
Brandstofreserve:
CW50 1.2 L (0.32 US gal) (0.26 Imp.gal)
CW50L 1.2 L (0.32 US gal) (0.26 Imp.gal)
CW50N 0.6 L (0.17 US gal) (0.14 Imp.gal)
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of gebruik loodvrije superbenzine. Door lood-
vrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13440
Uitlaatkatalysator
Deze machine heeft een uitlaatkatalysator die gemonteerd is in de uitlaatdemper.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
- Gebruik uitsluitend loodvrije benzi- ne. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaat- katalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13460
2-takt injectiesmering
Controleer of voldoende olie aanwezig is in het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering. Vul indien nodig de voorgeschreven 2-takt injectiesmering bij.
OPMERKING:
Controleer of de dop op het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering correct is aangebracht.
Aanbevolen olie:
Yamalube 2 of gelijkwaardige 2-takt injectiesmeerolie (JASO grade "FC" of ISO grades "EG-C" of "EG-D")
Oliehoeveelheid:
1.1 L (1.25 US qt) (1.04 Imp.qt)
DAUS1050
Kickstarter

- Kickstarter
Trap om de motor te starten het kickstartpedaal licht omlaag totdat de tandwielen aangrijpen en trap het pedaal dan soepel maar krachtig omlaag.
DAUT1040
Bevestigingssteun

Om diefstal te voorkomen kan de scooter via de bevestigingssteun aan een vaststaand object zoals een lantaarnpaal of hek worden vastgemaakt.
Als u de scooter met een ketting- of kabelslot wilt vastzetten, zet u de scooter op de middenbok, haalt u de ketting of kabel door de bevestigingssteun en om het vaststaande object heen, en doet u de ketting of kabel op slot.
DWAT1020
WAARSCHUWING
Let erop dat u het ketting- of kabelslot verwijdert voordat u gaat rijden, want anders kan de scooter omslaan en schade of letsel veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13930
Zadel
Openen van het zadel
- Zet de scooter op de middenbok.
- Steek de sleutel in het contactslot en draai hem dan linksom.

Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
- Klap het zadel omhoog.

- Klap het zadel omhoog.
Sluiten van het zadel
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit het contactslot als de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
OPMERKING:
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
DAUM1580
Slotcompartiment

- Slotcompartment
Het slotcompartiment, dat zich onder het zadel bevindt, is ontworpen voor kabelsloten met een maximale lengte van 1 meter. (Zie pagina 3-9 voor het openen en sluiten van het zadel.)
OPMERKING:
Sommige kabelsloten passen niet in het slotcompartiment vanwege hun grootte of vorm.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUT1070
DAU14830
Bagagehaak

- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 3 kg (6.6 lb) voor de bagagehaak niet.
- Overschrijd het maximumlaadge-wicht van 185 kg (408 lb) voor de machine niet.
Afstellen van de
schokdemperunit (alleen model
CW50L)

- Stelring veervoorspanning
- Positie-indicator
Deze schokdemper is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
Stel de veervoorspanning als volgt af. Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring in de richting (b).
OPMERKING:
Zet de gewenste inkeping in de stelring te- genover de positie-indicator op de schok- demper.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
(b)
Standaard:
Minimum instelling (zacht)
Maximum (hard):
(a)

- Gascilinder schokdemper
DWA10220
WAARSCHUWING
Deze schokdemper is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees en begrijp de volgende informatie alvorens de schokdemper te gebruiken. De fabrikant
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan eigendommen of voor persoonlijk letsel als dit voortvloeit uit verkeerd gebruik.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemper niet bloot aan open vuur of aan andere hittebronnen, anders kan deze door de oplopende druk exploderen.
●Vervorm of beschadig de gascilinder op geen enkele wijze, de dempende werking zal dan achteruitgaan.
●Laat onderhoud aan de schokdemper altijd uitvoeren door een Yamaha dealer.
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
CONTROLES VOOR HET STARTEN
Controlelijst voor gebruik
DAU15601
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-6 |
| 2-takt injectiesmering | Controleer het olieniveau in het oliereservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 3-8 |
| Versnellingsbakolie | Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | 6-7 |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-13, 6-14 |
| Achterrem | Controleer de werking.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij. | 6-13 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-9, 6-15 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-10, 6-12 |
| Remhendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-16 |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLE$ PAGINA | ||
| Middenbok | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 6-16 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Accu | Controleer het voeistofniveau.Vul indien nodig bij met gedistilleerd water. | 6-18 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15980
DWA10870
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inade- men ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do- delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Start de motor om veiligheidsredenen te allen tijde met de middenbok naar beneden.
DAU16560
Starten van een koude motor
DCA10250
LET OP:
Zie pagina 5-3 voor instructies over het inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt genomen.
- Draai de sleutel naar “ Ⓞ” en draai naar “○” zodra het waarschuwingslampje olieniveau gaat branden.

Als het waarschuwingslampje voor olieniveau niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
-
Sluit de gasklep volledig.
-
Start de motor door de startknop in te drukken of het kickstarterpedaal omlaag te trappen terwijl tegelijkertijd de voor- of achterrem is bekrachtigd.

Als de motor na indrukken van de startknop niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. Iedere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 5 seconden aaaneen draaien. Probeer de kickstarter als de motor niet via de startmotor wil aanslaan.
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16760
Wegrijden
OPMERKING:
Laat de motor warmdraaien voordat u wegrijdt.
- Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de rechterhandgreep vast en duw de scooter van de middenbok af.

- Ga schrijlings op het zadel zitten en stel de achteruitkijkspiegels af.
- Zet de richtingaanwijzer aan.
- Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
- Schakel de richtingaanwijzer uit.
DAU16780
Sneller en langzamer rijden

De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om langzamer te gaan rijden.
DAU16791
Remmen
- Sluit de gasklep volledig.
- Knijp de voor- en achterremmen gelijk- tijdig in en oefen geleidelijk meer druk uit.

●Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
- Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
●Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
DAU16820
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
- Voer het motortoerental tijdens acce- lereren niet te hoog op.
- Voer het toerental niet te hoog op terwijl de motor onbelast draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
DAU16830
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1000 km (600 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit gedurende de eerste 1000 km (600 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17150
0–150 km (0–90 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij 1/3 opengedraaid.
Zet de motor steeds af nadat hij een uur heeft gedraaid en laat hem dan vijf tot tien minuten lang afkoelen.
Varieer van tijd tot tijd het motortoerental. Laat de motor niet steeds in één vaste stand van de gasgreep draaien.
150–500 km (90–300 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij halverwege opengedraaid.
Gebruik de motor in alle versnellingen, maar draai het gas nooit helemaal open.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
500–1000 km (300–600 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij 3/4 opengedraaid.
DCA10370
LET OP:
Nadat de eerste 1000 km (600 mi) is afgelegd, moet de versnellingsbakolie worden ververst.
1000 km (600 mi) en verder
Laat de motor niet langdurig volgas draaien.
Varieer het toerental zo nu en dan.
DCA10270
LET OP:
Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU17211
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17290
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
DWA10320
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17710
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 30000 km, beginnend vanaf 6000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1612 | 1824 | |||||||
| 1* | Brandstofleiding | • Controleer de brandstof- en onderdrukslangen op scheur-tjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 2 | Bougie • Vervangen. √ | √ √ √ √ | ||||||
| 3 | Luchtfilterelement | • Reinigen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. | √ | √ | ||||||
| 4* | Accu | • Controleer het vloeistofniveau en de soortelijke massa.• Controleer of de ontluchtingsslang correct is geplaatst. | √ | √ | √ | √ | ||
| 5* | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
| 6* | Achterrem | • Controleer de werking en stel de speling van de remhen-del af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remschoenen. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
| 7* | Remslang | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Vervangen. | Elke 4 jaar | |||||||
| 8 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 6 | 12 | 18 | 24 | |||||
| 9 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 10 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. Elke 24000 km | |||||||||
| 12 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | ||
| 13 | Middenbok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 14 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 15 | * | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 16 | * | Carburateur | • Controleer de werking van de choke.• Stel het stationair toerental af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 17 | * | Autolube pomp | • Controleer de werking.• Ontlucht indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 18 | Versnellingsbakolie | • Controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | ||||
| • Verversen. | √ | √ | √ | ||||||
| 19 | * | V-snaar | • Vervangen. | Elke 10000 km | |||||
| 20 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 21 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 16121824 | ||||||||
| 22 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | |
| 23 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ |
DAU18660
OPMERKING:
-
Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
●Hydraulisch remsysteem -
Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Ververs de remvloeistof elke twee jaar.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18720
Verwijderen en aanbrengen van de stroomlijn- en framepanelen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de hierboven afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.
DAU18790
Stroomlijnpaneel A
Verwijderen van stroomlijnpaneel
Verwijder de schroeven en neem het stroomlijnpaneel los.

- Stroomlijnpaneel A
- Schroef
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspron- kelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAU19272
Paneel A
Verwijderen van het paneel
Verwijder de schroef en trek de afgebeelde gedeelten naar buiten.

- Paneel A
- Schroef
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroef aan.
DAU19210
Paneel B
Verwijderen van het paneel
OPMERKING:
Verwijder paneel A voordat u paneel B gaat verwijderen.
Verwijder de schroeven en haal het paneel los.

- Schroef
- Paneel B
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU19820
Controleren van de bougie
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat periodiek moet worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moet de bougie worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor worden afgelezen.
De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden). De motor is misschien defect als de bougie een duidelijk andere kleur heeft. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw scooter nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang de bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige kool-aanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voorgeschreven bougie: NGK / BR8HS
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.
verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.

- Elektrodenafstand
Elektrodenafstand:
Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment:
Bougie:
20 Nm (2.0 m·kgf, 14.5 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU20060
Versnellingsbakolie
Vóór elke rit moet het eindoverbrengings-huis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de scooter door een Yamaha dealer te laten nakijken en te laten repareren. Bovendien dient de versnellingsbakolie als volgt te worden ververst op de aangegeven tijdstippen in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
- Start de motor, warm deze op door een paar minuten te gaan rijden en zet dan de motor af.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Plaats een olieopvangbak onder het eindoverbrengingshuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftapplug om de olie uit het eindoverbren-gingshuis af te tappen.

- Aftapplug versnellingsbakolie
- Vulplug versnellingsbakolie
- Breng de olieaftapplug van de versnel- lingsbakolie aan en zet hem vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug versnellingsbakolie: 17 Nm (1.7 m·kgf, 12.3 ft·lbf)
- Voeg de benodigde hoeveelheid aan- bevolen versnellingsbakolie toe, breng de olievuldop aan en draai deze vast.
Aanbevolen versnellingsbakolie:
Zie pagina 8-1
Oliehoeveelheid:
0.11 L (0.12 US qt) (0.10 Imp.qt)
DWA11310
WAARSCHUWING
-
Zorg dat er geen verontreinigingen het cardanhuis kunnen binnendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt. -
Controleer de versnellingsbak op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1640
Reinigen van het luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.

-
Luchtfilterdeksel
-
Trek het luchtfilterelement naar buiten, reinig het in oplosmiddel en wring dan het achtergebleven oplosmiddel uit.

ZALM0316
DWA10430
- Luchtfilterelement
WAARSCHUWING
Gebruik uitsluitend een oplosmiddel dat speciaal geschikt is voor het reinigen van onderdelen. Voorkom brand- en explosiegevaar door geen benzine of oplosmiddelen te gebruiken met een lage ontvlamtemperatuur.
DCA10510
LET OP:
Hanteer het schuimrubber materiaal voorzichtig en verwring het niet om beschadigingen te voorkomen.
- Breng olie van de aanbevolen soort aan op het hele oppervlak van het element en wring dan de overtollige olie uit.
1

2

3

4

OPMERKING:
Het luchtfilterelement moet nat zijn maar mag niet druipen.
Aanbevolen olie: Motorolie
- Steek het filterelement in het luchtfilterhuis.
DCA10480
LET OP:
- Controleer of het luchtfilterelement correct in het luchtfilterhuis is geplaatst.
●Laat de motor nooit draaien zonder dat het luchtfilterelement aanwezig is, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s).
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
DAU21300
De carburateur vormt een belangrijk onderdeel van de motor en moet zeer precies worden afgesteld. Laat daarom alle carburateurafstellingen over aan een Yamaha dealer die over de benodigde vakkennis en ervaring beschikt.
DAU21380
Speling van de gaskabel afstellen

ZAUMC061
- Vrije slag gaskabel
De vrije slag van de gaskabel dient 1.5–3.0 mm (0.06–0.12 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21870
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw scooter.
Bandenspanning

De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500
WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
150 kPa (22 psi) (1.50 kgf/cm²)
Achter:
150 kPa (22 psi) (1.50 kgf/cm²)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA10450
WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rij-eigenschappen en de veiligheid van uw machine. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MACHINE NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen machine kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg ervoor dat het totale gewicht van de motorrijder, lading en accessoires de maximaal toegestane belasting van de machine niet overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven. - Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de machine en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht. - Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Inspectie van banden

ZAUM064
- Bandprofieldiepte
- Wang van band
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Deze scooter is uitgerust met tubeless banden.
Voorband:
Maat:
CW50 120/90-10 57L
CW50L 120/70-12 51J
CW50N 120/90-10 57L
Fabrikant/model:
CW50 PIRELLI / SL90
CW50L PIRELLI / SL26
CW50N PIRELLI / SL90
Achterband:
Maat:
CW50 150/80-10 65L
CW50L 130/70-12 56L
CW50N 150/80-10 65L
Fabrikant/model:
CW50 PIRELLI / SL90
CW50L PIRELLI / SL26
CW50N PIRELLI / SL90
DWA10470
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21960
DAU22100
DAU22170
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw scooter.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haar-scheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Vrije slag van voorremhendel afstellen

ZALINDOF
1. Vrije slag voorremhendel
De vrije slag van de remhendel dient 10.0–20.0 mm (0.39–0.79 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de remhendel regelmatig en laat deze indien nodig door een Yamaha dealer afstellen.
DWA10640
WAARSCHUWING
Als de vrije slag van de remhendel niet normaal is, wijst dat op een serieus defect in het remsysteem. Laat het remsysteem vóór gebruik van de scooter nakijken of repareren door een Yamaha dealer.
Vrije slag van achterremhendel afstellen

De vrije slag van de remhendel dient 10.0–20.0 mm (0.39–0.79 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de remhendel regelmatig en stel deze indien nodig als volgt af.
Draai de stelmoer op de remankerplaat richting (a) voor meer vrije slag van de remhendel. Draai de stelmoer richting (b) voor minder vrije slag van de remhendel.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

DWA10650
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer de afstelling te doen als de juiste afstelling niet haalbaar is volgens de beschreven werkwijze.
DAU22380
Controleren van voorremblokken en achterremschoenen
De voorremblokken en achterremschoenen moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22400
Remblokken voorrem

Controleer elk voorremblok op schade en meet de remvoeringdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringdikte minder is dan 2 mm (0.08 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22540
Remschoenen achterrem

De achterrem heeft een slijtage-indicator zodat de remschoenslijtage kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remschoenslijtage te controleren. Wanneer een remschoen zover is afgesleten dat de slijtage-indicator bij de slijtagelimiet komt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU32341
Controleren van remvloeistofniveau
Voorrem (CW50/CW50L)

Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Zorg bij het controleren van het remvloeistofniveau dat de bovenzijde van de hoofdremcilinder horizontaal is door het stuur te draaien.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 3 of 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water de hoofdremcilinder kan binnendringen. Water zal het kookpunt
van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1360
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de remslang eens in de vier jaar vervangen, of zodra deze lek is of beschadigd blijkt.
DAU23100
Controleren en smeren van kabels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23110
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer of vervang ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23170
Smeren van voor- en achterremhendels

De schamierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23190
Controleren en smeren van de middenbok

De werking van de middenbok moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA11300
WAARSCHUWING
Als de middenbok niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de scooter veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de scooter veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1400
Accu

-
Accu
-
Zekering
Een slecht onderhouden accu zal gaan corroderen en verliest zijn lading snel. Het elektrolytniveau, de aansluitpolen voor de accukabels en de ligging van de ontluchtingsslang moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeeren onderhoudsschema.
Om het elektrolytniveau te controleren
- Zet de scooter op een vlakke ondergrond en houd hem rechtop.
OPMERKING:
Zorg dat de scooter rechtop staat bij het controleren van het elektrolytniveau.
- Verwijder het paneel B. (Zie pagina 6-5.)
- Controleer het elektrolytniveau in de accu.
OPMERKING:
Het elektrolytniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum en maximum niveau staan.

- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de elektrolyt bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan gedistilleerd water bij tot de merkstreep voor maximumniveau.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroor-
zaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
DCA10610
LET OP:
Gebruik uitsluitend gedistilleerd water, leidingwater bevat minerale stoffen die schade kunnen toebrengen aan de accu.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Controleer de aansluitingen van de accukabels, zet ze indien nodig vast en corrigeer de ligging van de ontluchtingsslang.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als de scooter langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt opgeborgen, moet het soortelijk gewicht van de elektrolyt minstens eens per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen en kijk of de ontluchtingsslang de juiste ligging heeft, in goede conditie verkeert en niet verstopt of afgekneld is.
DCA10600
LET OP:
Als de ligging van de ontluchtingsslang zodanig is dat het frame wordt blootgesteld aan elektrolyt of aan accugassen, kan het frame structurele en uitwendige schade ondergaan.
DAU23500
Zekering vervangen

- Accu
- Zekering
De hoofdzekeringhouder bevindt zich achter paneel B. (Zie pagina 6-5.)
Vervang de zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de sleutel naar "☒" en schakel alle elektrische circuits uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekering: 7.5 A
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de sleutel in “ ” en schakel alle elektrische circuits in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1410
Koplampgloeilamp vervangen
Vervang een koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-5.)
- Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

- Haak de gloeilamphouder los.
- Neem de gloeilamphouder eruit.
- Gloeilamphouder

- Druk de gloeilamp in en draai deze linksom.
- Verwijder de gloeilamp.
- Koplampgloeilamp
DWA10790
WAARSCHUWING
Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU24131
Gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen
- Verwijder de lamplens van het remlicht/achterlicht door de schroeven los te draaien.

-
Schroef
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Verwijder de lamplens voor het achterlicht/remlicht.
- Gloeilamp remlicht/achterlicht
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen.
DCA10680
LET OP:
Zet de schroeven niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
DAU24201
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

-
Schroef
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen.
DCA11190
LET OP:
Zet de schroef niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
DAU25860
Problemen oplossen
Yamaha scooters ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekings-systemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In het volgende storingzoekschema is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema
DAU25962
WAARSCHUWING
DWA10840
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof

flowchart
graph TD
A["Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank."] --> B["Er is voldoende brandstof aanwezig."]
A --> C["Er is geen brandstof aanwezig."]
B --> D["Controleer de compressie."]
C --> E["Vul brandstof bij."]
E --> F["De motor start niet.<br>Controleer de compressie."]
2. Compressie

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["Er is compressie."]
A --> C["Er is geen compressie."]
B --> D["Controleer de ontsteking."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
3. Ontsteking

flowchart
graph TD
A["Verwijder de bougie en controleer de elektroden."] --> B["Nat"]
A --> C["Droog"]
B --> D["elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
D --> F["en bedien de elektrische startknop."]
E --> G["De motor start niet. Controleer de accu."]
4. Accu

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["De motor draait snel rond."]
A --> C["De motor draait langzaam rond."]
B --> D["De accu is in orde."]
C --> E["Controleer de accuvloeistof, vul bij, controleer de aansluitingen."]
D --> F["De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
E --> F
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26090
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een scooter is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10780
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij scooters met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee we- gen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekel- de wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Breng met een spuitbus een corrosie-werend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo cor- rosie te voorkomen.
Na reiniging
- Droog de scooter met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de scooter volledig drogen alvo- rens te stallen of af te dekken.
DWA10940
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10800
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26300
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10820
LET OP:
- Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Leeg de vlotterkamer in de carburateur door de aftapplug los te draaien; u voorkomt zo dat neerslag uit de brandstof achterblijft. Giet de afgetapte brandstof terug in de brandstoftank.
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie.
b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan.
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mo- gelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-18 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
OPMERKING:
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
Afmetingen:
Totale lengte:
1685 mm (66.3 in)
Totale breedte:
754 mm (29.7 in)
Totale hoogte:
Kleinste draaicirkel:
1773 mm (69.8 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
82.0 kg (181 lb)
Motor:
Type motor:
Luchtgekoeld, 2-takt
Cilinderopstelling:
1-cilinder, verticaal
Slagvolume:
49.2 cm³ (3.00 cu.in)
Boring × slag:
40.0×39.2 mm (1.57×1.54 in)
Compressieverhouding:
7.22:1
Startsysteem:
Elektrische startmotor en kickstarter
Smeersysteem:
Gescheiden smering (Yamaha autolube)
Motorolie:
Type:
YAMALUBE 2-takt motorolie of 2-takt
Hoeveelheid motorolie:
Hoeveelheid:
1.1 L (1.25 US qt) (1.04 Imp.qt)
Eindoverbrengingsolie:
Type
SAE10W30 type SE motorolie
Hoeveelheid:
0.11 L (0.12 US qt) (0.10 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Nat element
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
5.3 L (1.40 US gal) (1.17 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
CW50 1.2 L (0.32 US gal) (0.26 Imp.gal)
CW50L 1.2 L (0.32 US gal) (0.26 Imp.gal)
CW50N 0.6 L (0.17 US gal) (0.14 Imp.gal)
Carburateur:
Fabrikant:
GURTNER
Model × aantal:
PY-12 x 1
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK / BR8HS
Elektrodenafstand:
Primair reductiesysteem:
Schroeftandwiel
Primaire reductieverhouding:
52 × 13 (4.000)
Secundair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Secundaire reductieverhouding:
42 × 13 (3.230)
Type versnellingbak:
Automatisch, V-snaar
Bediening:
Automatisch centrifugaal
Chassis:
Type frame:
Stalen onderdraagbuis
Spoorhoek:
27.0°
Naspoor:
90.0 mm (3.54 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
CW50 120/90-10 57L
CW50L 120/70-12 51J
CW50N 120/90-10 57L
Fabrikant/model:
CW50 PIRELLI / SL90
CW50L PIRELLI / SL26
CW50N PIRELLI / SL90
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
CW50 150/80-10 65L
CW50L 130/70-12 56L
CW50N 150/80-10 65L
Fabrikant/model:
CW50 PIRELLI / SL90
CW50L PIRELLI / SL26
CW50N PIRELLI / SL90
Belading:
Maximale belasting:
185 kg (408 lb)
(Totaal gewicht van motorrijder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
150 kPa (22 psi) (1.50 kgf/cm²)
Achter:
150 kPa (22 psi) (1.50 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 3 of 4
Achterrem:
Type:
Trommelrem
Bediening:
Bediening met linkerhand
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
70.0 mm (2.76 in)
Achterwielophanging:
Type:
Unit swing
Veer/schokdempertype:
CW50 Schroefveer/oliedemper
CW50L Schroefveer/gas-oliedemper
CW50N Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
70.0 mm (2.76 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
CDI
Laadsysteem:
Vliegwielmagneet
Accu:
Model:
CB4-LB, YB4L-B
Voltage, capaciteit:
12 V, 4.0 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Gloeiing
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 25 W/25.0 W × 2
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
SPECIFICATIES
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Instrumentenverlichting:
CW50 12 V, 1.2 W x 3
CW50L 12 V, 1.2 W x 3
CW50N LED
Waarschuwingslampje olieniveau:
CW50 12 V, 2.0 W x 1
CW50L 12 V, 2.0 W x 1
CW50N LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
CW50 12 V, 2.0 W x 2
CW50L 12 V, 2.0 W x 2
CW50N LED
Controlelampje brandstofniveau:
CW50N LED
Zekering:
Zekering:
7.5 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen.
SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26381
DAU26410
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw scooter en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
GEBRUIKERSINFORMATIE
Modelinformatiesticker
DAU26490

De modelinformatiesticker is bevestigd aan de onderzijde van het zadel. (Zie pagina 3-9.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
A
Aandachtspunten voor veilig motorrijden 1-4
Accu.... 6-18
Achterremhendel, afstellen van vrije slag.... 6-12
B
Bagagehaak 3-10
Banden 6-10
Bevestigingssteun 3-8
Bougie, controlleren 6-6
Brandstof 3-6
Brandstofniveaumeter (CW50/CW50L) 3-4
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.... 5-3
C
Carburateur,afstellen 6-9
Claxonschakelaar.... 3-5
Contactslot/stuurslot 3-1
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-2
Controlelampje grootlicht.... 3-2
Controlelampje richtingaanwijzers (CW50N) 3-2
Controlelampjes richtingaanwijzers (CW50/CW50L) 3-2
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen 6-21
|
Identificatienummers .....9-1 Inrijperiode .....5-3
K
Kabels, controleren en smeren ....6-15 Kickstarter ....3-8 Koplampgloeilamp, vervangen....6-20
L
Locaties van onderdelen ....2-1 Luchtfilterelement, reinigen ....6-8
M
Middenbok, controlleren en smeren....6-16 Modelinformatiesticker ....9-2
P
Parkeren....5-4 Periodiek smeer- en onderhoudsschema....6-2 Problemen oplossen....6-21
R
Remblokken en remschoenen controleren....6-13 Remhendel, achterrem....3-5 Remhendels, smeren....6-16 Remmen....5-2 Remvloeistofniveau, controleren....6-14 Remvloeistof, verversen....6-15 Richtingaanwijzerschakelaar....3-5
s
Schokdemperunit, afstellen (alleen model CW50L)....3-10 Sleutelnummer....9-1 Slotcompartiment....3-9
Snelheidsmeterunit (CW50/CW50L)...... 3-3
Snelheidsmeterunit (CW50N) 3-4
Sneller en langzamer rijden 5-2
Specifications.... 8-1
Stalling 7-3
Starten van een koude motor 5-1
Startknop 3-5
Storingzoekschema 6-22
Stroomlijnpanelen en framepaneel, verwijderen en aanbrengen 6-5
Stuurschakelaars 3-4 Stuursysteem, controleren 6-17
T
Tankdop en dop van het oliereservoir voor 2-takt injectiesmering.... 3-6 Twee-takt injectiesmering .... 3-8
U
Uitlaatkatalysator 3-7
V
Veiligheidsinformatie.... 1-1 Versnellingsbakolie.... 6-7 Verzorging.... 7-1 Voertuigidentificatienummer.... 9-1 Voorremhendel.... 3-5 Voorremhendel, afstellen van vrije slag.... 6-12 Voorvork, controleren.... 6-16 Vrije slag gaskabel, afstellen.... 6-9
W
Waarschuwingslampje brandstofniveau (CW50N).... 3-3 Waarschuwingslampje olieniveau.... 3-2 Wegrijden.... 5-2 Wielen.... 6-12
INDEX
Wiellagers controleren 6-17
Z
Zadel 3-9
Zekering, vervangen 6-19

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN FRANCE
2004.02 (D)