XMAX - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XMAX YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Scooter |
| Merk | Yamaha |
| Model | XMAX 125 |
| Motor | Eencilinder 4-takt, vloeistofgekoeld |
| Cilinderinhoud | 125 cm³ |
| Vermogen | 11 kW (15 pk) |
| Brandstoftoevoer | Elektronische injectie |
| Versnellingsbak | Automatisch (V-snaar variomatic) |
| Afmetingen (L x B x H) | 2185 x 775 x 1415 mm |
| Drooggewicht | 165 kg |
| Brandstoftankinhoud | 13 L |
| Remmen | Voor: schijf, Achter: schijf (ABS) |
| Banden | Voor: 120/70-15, Achter: 140/70-14 |
| Verlichting | LED (voor en achter) |
| Functies | Smart key, start/stop, opbergruimte onder zadel (past integraalhelm) |
| Onderhoud | Oliepeil controleren om de 5000 km, olie verversen om de 10000 km |
| Beveiliging | ABS, antidiefstalsysteem |
| Repareerbaarheid | Onderdelen verkrijgbaar bij Yamaha dealer |
| Maximale belading | 150 kg |
Veelgestelde vragen - XMAX YAMAHA
Gebruikersvragen over XMAX YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XMAX - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XMAX van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING XMAX YAMAHA
Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
YP250R
37P-F819D-D0
DAU26945

Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1450-6, Mori, Mori-machi, Shuchi-gun, Shiruoka-ken, 437-0292 Japan
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Overzicht van wijzigingen
| Nr. | Inhofoud Datum | |
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren. | 9 juni 2005 |
| 2 | Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1 | 27 februari 2006 |
| 3 | Om bedrijfsnaam te wijzigen | 1 maart 2007 |
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer

DAU10113
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de YP250R profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw YP250R. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de scooter, en beschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA12411

WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze scooter gaat gebruiken.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
DAU10132
| Dit is het Safety Alert-symbol. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico's op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen. | |
| Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resulteren in ernstig letsel of overlijden. | |
| De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om schade aan de machine of andere eigendommen te voorkomen. | |
| De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUS1740
YP250R
HANDLEIDING
©2009 door YAMAHA MOTOR ESPAÑA S.A.
1e uitgave, Juli 2009
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
YAMAHA MOTOR ESPANA S.A.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE .....1-1
Andere aandachtspunten voor veilig rijden ....1-4
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde 2-1
Aanzicht rechterzijde ......2-1
Bedieningen en instrumenten......2-1
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN ....3-1
Startblokkeersysteem....3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-4
Controlelampjes richtingaanwijzers .3-4
Controlelampje grootlicht ....3-4
Waarschuwingslampje motorstoring ....3-4
Controlelampje startblokkering......3-4
Snelheidsmeter....3-5
Toerenteller 3-5
Multifunctioneel display....3-6
Stuurschakelaars ....3-11
Lichtsignaalschakelaar ....3-11
Dimlichtschakelaar ....3-11
Richtingaanwijzerschakelaar ....3-11
Claxonschakelaar ....3-11
Startknop 3-11
Schakelaar alarmverlichting ....3-11
Voorremhendel....3-12
Achterremhendel 3-12
Tankdop 3-12
Brandstof 3-13
Uitlaatkatalysatoren ....3-14
Bevestigingssteun 3-15
Zadel....3-15
Opbergcompartimenten....3-16
Afstellen van de schokdem perunits....3-17
Zijstandaard....3-18
Startspersysteem....3-19
VOOR UW VEILIGHEID - CONTROLES
VOOR HET RIJDEN 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-
INFORMATIE....5-1
Starten van de motor....5-1
Wegrijden 5-2
Sneller en langzamer rijden ....5-2
Remmen 5-3
Tips voor een zuinig
brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-4
Parkeren....5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN 6-1
Boordgereedschapset......6-2
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem......6-3
Algemeen smeer- en onderhoudsschema....6-4
Verwijderen en aanbrengen van de stroomlijn- en framepanelen ......6-8
Bougie controleren 6-9
Motorolie....6-10
Eindoverbrengingsolie ......6-12
Koelvloeistof 6-13
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing reinigen .....6-15
Controleren van de vrije slag gaskabel 6-16
Klepspeling 6-16
Banden 6-16
Gietwielen 6-18
Vrije slag van voor- en achterremhendel controleren .....6-18
Controleren van voor- en achterremblokken......6-19
Controleren van remvloeistofniveau ....6-20
Remvloeistof verversen ....6-21
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel....6-21
Smeren van voor- en achterremhendels....6-21
Middenbok en zijstandaard controleren en smeren ......6-22
Voorvork controleren 6-23
Stuursysteem controleren......6-23
Controleren van wiellagers .....6-24
INHOUDSOPGAVE
Accu....6-24
Zekeringen vervangen 6-25
Koplampgloeilamp vervangen .....6-26
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen....6-27
Vervangen van een gloeilamp voor achterlicht/remlicht of van een gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer....6-27
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen....6-28
Parkeerlichtgloeilamp vervangen....6-28
Problemen oplossen....6-29
Storingzoekschema's......6-30
VERZORGING EN STALLING VAN DE
SCOOTER....7-1
Matkleur, let op ....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES....8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE ......9-1
Identificatienummers ......9-1
Sleutelnummer....9-1
Voertuigidentificatienummer .....9-1
Modelinformatiesticker 9-2

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10263
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Scooters zijn tweewielige voertuigen.
Voor een veilig gebruik zijn de toepassing van de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze scooter te gaan rijden.
Hij of zij moet:
●Door een competente informatiebron grondig zijn ingelicht over alle aspecten van scooterrijden.
- Zich houden aan de waarschuwingen en onderhoudseisen zoals vermeld in deze Gebruikershandleiding.
●Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
- Gebruikmaken van professionele technische service, zoals aangegeven in deze Gebruikershandleiding en/of wanneer de mechanische conditions dit vereisen.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie pagina 4-1 voor een lijst met controles voor het rijden.
- Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/scooterongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het naderen en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met scooters zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een
geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw scooter alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rijsnelheid aan of gaan onvoldoende schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
- Neem altijd de maximumsnelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toes-taan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs. - Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik.
Beschermende kleding
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
●Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhand-grepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet zijn en brandwonden veroorzaken.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid, verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos, smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In afgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u symptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmidde- lijk, ga naar de open lucht en ROEP MEDISCHE HULP IN.
●Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatoren of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen tot gevaarlijke niveaus.
●Laat de motor niet draaien in slecht geventileerde of deels afgesloten ruimtes zoals schuren of garages.
●Laat de motor niet buiten draaien op plaatsen waar de uitlaatgassen in een gebouw kunnen worden getrokken via openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect
⚠️ VEILIGHEIDSINFORMATIE
hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw scooter: Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting: 186 kg (410 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag en zo dicht mogelijk bij de scooter liggen. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zij-
den om onbalans of instabiliteit te minimaliseren.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uw banden.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
- Deze machine is niet ontworpen voor het trekken van een aanhanger of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke veiligheidsrisico's voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden van uzelf of anderen vergroten. U bent verantwoordelijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de machine.
Volg bij de montage van accessoires de
onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
●Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te waarborgen dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en geen lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote
voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires dwingen de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en velgen
De banden en velgen die bij uw scooter werden geleverd zijn ontworpen om de mogelijkheden van de machine te ondersteunen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-16 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
DAU10372
Andere aandachtspunten voor veilig rijden
- Geef duidelijk richting aan wanneer u een bocht neemt.
- Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen. Bedien de remmen rustig wanneer u op een nat wegdek wilt stoppen.
●Minder snelheid bij het naderen van een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen. - Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto's. Een bestuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rijrichting.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
- De remvoeringen kunnen nat worden bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de scooter, voordat u gaat rijden.
⚠️ VEILIGHEIDSINFORMATIE
●Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend bij de enkel/omslag, om flapperen te voorkomen), en een felgekleurd jack.
●Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel. Gebruik degelijke snelbinders om bagage aan de bagagedrager vast te binden (indien het voertuig is voorzien van een bagagedrager). Losse bagage beïnvloedt de stabiliteit van de scooter en kan uw aandacht afleiden van het verkeer. (Zie pagina 1-1).
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Koplamp (pagina 6-26)
- Tankdop (pagina 3-12)
- Boordgereedschapset (pagina 6-2)
- Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing (pagina 6-15)
- Achterste opbergcompartiment (pagina 3-16)
- Luchtfilterelement (pagina 6-15)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-17)
-
Olieaftapplug (pagina 6-10)
-
Middenbok (pagina 6-22)
-
Zijstandaard (pagina 3-18)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Achterremhendel (pagina 3-12)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-11)
- Snelheidsmeter (pagina 3-5)
- Multifunctioneel display (pagina 3-6)
- Toerenteller (pagina 3-5)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-11)
- Voorremhendel (pagina 3-12)
-
Gasgreep (pagina 6-16)
-
Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
-
Voorste opbergcompartiment (pagina 3-16)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10976
Startblokkeersysteem

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bovendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid - een ECU
- een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-4).
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11821
LET OP
●ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL NIET VERLIEST! NEEM DIRECT CONTACT OP MET UW DEALER ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt het voertuig dan nog steeds starten met de standaardsleutels, maar als ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle sleutels verlo-
ren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u sterk aangeraden een van de standaardsleutels te gebruiken en de codeersleutel op een veilige plek te bewaren.
●Dompel de sleutels nooit in water.
- Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
-Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de sleutels.
-Plaats nooit zware voorwerpen op de sleutels.
- U mag de sleutels nooit slijpen of de vorm ervan wijzigen.
- U mag het plastic gedeelte van de sleutels nooit demonteren.
●Hang nooit twee sleutels van een startblokkeersysteem aan dezelf-de sleutelring.
●Bewaar de standaardsleutels en ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van het voertuig.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
●Houd sleutels van andere start-blokkeersystemen altijd uit de buurt van het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
DAU10471
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwart bovendeel) voor het normale gebruik van het voertuig. Bewaar de codeersleutel (rood bovendeel) op een veilige plaats om verlies te voorkomen en gebruik de sleutel uitsluitend voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels.
DAU34121
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting,
het achterlicht, de kentekenverlichting en de parkeerlichten gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING
De koplampen gaan automatisch branden wanneer de motor wordt gestart en blijven aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid of de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
DAU10661
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar "OFF" of "LOCK" terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10681
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te vergrendelen

- Drukken
-
Draaien
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai deze dan naar "LOCK". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken
- Draaien
Druk de sleutel in en draai deze dan naar "OFF". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
DAU10941
P≤ (Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht, de kentekenverlichting en het parkeerlicht branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "pte kunnen draaien.
DCA11020
LET OP
Gebruik de parkeerstand niet geduren- de langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11004
Controle- en
waarschuwingslampjes

- Controlelampjes richtingaanwijzers " en "
- Controlelampje grootlicht "D
- Controlelampje startblokkering
- Waarschuwingslampje motorstoring "
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers
“”en“”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "≡D
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU43023
Waarschuwingslampje motorstoring
“”
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer een elektrisch systeem dat de motorwerking controleert, defect is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelf-diagnosesysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschu-wingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het waarschuwingslampje niet mete- en op wanneer u de sleutel naar "ON" dra- ait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
OPMERKING
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU38623
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controle-lampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controle-lampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-6 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUS1B60
Snelheidsmeter

- Snelheidsmeter
ALLEEN VOOR GROOT-BRITTANNIË

- Snelheidsmeter
De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
Wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de snelheidsmeter eenmaal helemaal uit tot aan de hoogste snelheid en keert daarna weer terug naar nul om het elektrische circuit te testen.
DAU11872
Toerenteller

- Toerenteller
- Rode zone toerenteller
Met de elektrische toerenteller kan de motorrijder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden.
Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de toerenteller eenmaal helemaal uit tot aan het hoogste aantal toeren per minuut en keert daarna weer terug naar nul tpm om het elektrische circuit te testen.
DCA10031
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 8250 tpm en hoger
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Multifunctioneel display
DAUS1642
DWA12312
WAARSCHUWING
Zet de machine stil voordat u wijzigingen aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.

- Klok/omgevingstemperatuurdisplay
- Temperatuurmeter koelvloeistof
- Brandstofniveaumeter
- Kilometerteller/ritteller brandstofreserve
- "SELECT"-toets
- "RESET"-toets

- Indicator V-snaarvervanging "V-BELT"
- Waarschuwingsindicator brandstofniveau "☐"
- Waarschuwingsindicator koelvloeistoftemperatuur "
- Indicator olieverversing "OIL"
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
●een brandstofniveaumeter
- een temperatuurmeter koelvloeistof
●een kilometerteller
- twee rittellers (die de afgelegde afs-
tand aangeven sinds de tellers het
laatst werden teruggesteld op nul)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand weergeeft vanaf het moment dat het onderste segment van de brandstofniveaumeter en de waarschuwingsindicator brandstofniveau gaan knipperen)
- een voorziening voor zelfdiagnose
•een klok
- een omgevingstemperatuurweergave
●een indicator olieverversing
●een indicator V-snaarvervanging
OPMERKING
- Vergeet niet de sleutel naar "ON" te draaien voordat u de "SELECT"- en "RESET"-toets gebruikt.
●Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, verschijnen alle segmenten op het multifunctionele display en verdwijnen dan weer om het elektrisch circuit te testen.
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de "SELECT"-toets wisselt de weergave tussen de kilometer-tellermodus "Odo" en de rittellermodi "Trip", in de onderstaande volgorde: Odo/Trip (boven) →Trip (beneden)/Trip (boven) →Odo/Trip (boven)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN



SELECT → SELECT
Als er ongeveer 1,7L (0,45 US gal, 0,37 Imp.gal) brandstof in de tank over is, beginnen het onderste segment van de brandstofniveaumeter en de waarschuwingsindicator brandstofniveau te knippenen. De displayweergave wisselt automatisch naar de brandstofreserve-ritteller "Trip F", waarop de afgelegde afstand vanaf dat punt wordt aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de "SELECT"-toets in de onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
Trip F/Trip (boven) → Trip (beneden)/Trip (boven) → Odo/Trip (boven) → Trip F/Trip (boven)

- Ritteller brandstofreserve

SELECT → SELECT → SELECT
Om een ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door de toets "SELECT" ingedrukt te houden totdat "Trip" of "Trip F" begint te knipperen ("Trip" of "Trip F" knippert slechts vijf seconden). Terwijl "Trip" of "Trip F" knippert, houdt u de toets "RESET" minstens één seconde
lang ingedrukt. Wanneer u de brandsto- freserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
OPMERKING
Het display kan niet worden teruggesteld naar "Trip F" nadat de "RESET"-toets is ingedrukt.
Brandstofniveaumeter
Als de contactsleutel op "ON" staat, geeft de brandstofniveaumeter de hoeveelheid brandstof in de brandstoftank aan. De displaysegmenten van de brandstofniveaumeter verdwijnen richting "E" (leeg) naarmate het brandstofniveau verder daalt. Wanneer het brandstofniveau het onderste segment vlakbij "E" bereikt, gaan de waarschuwingsindicator brandstofniveau en het onderste segment knipperen. Vul zo snel mogelijk brandstof bij.
Temperatuurmeter koelvloeistof
Met de contactsleutel in de stand "ON" geeft de temperatuurmeter voor koelvloeistof de temperatuur van de koelvloeistof aan. De koelvloeistoftemperatuur is afhankelijk van de weersomstandigheden
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
en de motorbelasting. Als het bovenste segment en de waarschuwingsindicator voor koelvloeistoftemperatuur knipperen, stop de machine dan en laat de motor afkoelen. (Zie pagina 6-30).

Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
Indicator olieverversing "OIL"
Deze indicator knippert zodra de eerste 1000 km (600 mi) zijn afgelegd en na 4000 km (2500 mi). Vervolgens gaat de indicator om de 3000 km (1800 mi) knipperen, om zo aan te geven dat het tijd is om de motorolie te verversen.
Nadat de motorolie is ververst moet de indicator olieverversing worden teruggesteld. (Zie pagina 6-10).
Als de motorolie werd ververst voordat de indicator olieverversing brandde (dus voordat de intervalperiode voor olieverversing was verstreken), moet de indicator na de olieverversing worden teruggesteld zodat het eerstvolgende tijdstip voor olieverversing weer correct wordt aangegeven. (Zie pagina 6-10).
Het elektrisch circuit van de indicator kan via de volgende procedure worden getest.
- Draai de sleutel naar "ON".
- Kijk of de indicator een paar secon- den oplicht en dan dooft.
- Als de indicator niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
Indicator V-snaarvervanging "V-BELT"
Deze indicator knippert om de 20000 km (12500 mi), wanneer de V-snaar moet worden vervangen.
Het elektrisch circuit van de indicator kan via de volgende procedure worden getest.
- Draai de sleutel naar "ON".
-
Kijk of de indicator een paar secon- den oplicht en dan dooft.
-
Als de indicator niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
Zelfdiagnosesysteem
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor diverse elektrische circuits.
Als in een van deze circuits een storing wordt gedetecteerd, toont het multifunctionele display een foutcode.
Noteer zo'n foutcode als die op het multifunctionele display staat aangegeven en vraag een Yamaha dealer het voertuig na te zien.
DCA11790
LET OP
Wanneer het multifunctionele display een foutcode aangeeft, moet het voertuig zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook storingen in de circuits van het startblokkeersysteem.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Als in de circuits van het startblokkeersysteem een storing wordt gedetecteerd, gaat het controlelampje startblokkering knipperen en geeft het multifunctionele display een foutcode weer wanneer de sleutel naar "ON" is gedraaid.
OPMERKING
Als het multifunctionele display foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.

-
Weergave foutcode
-
Start de motor met behulp van de codeersleutel.
OPMERKING
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het multifunctionele display foutcodes toont, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controleren.
Klokweergave
De klok op tijd zetten:
- Houd de "SELECT"-toets en de "RESET"-toets tegelijkertijd minstens twee seconden lang ingedrukt.
- Als de uuraanduiding begint te knipperen, drukt u op de "RESET"-toets om de uren in te stellen.

- Druk op de "SELECT"-toets en de minutenaanduiding zal gaan knippe-ren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Druk op de "RESET"-toets om de minuten in te stellen.
- Druk op de "SELECT"-toets en laat deze dan los om de klok te starten.
OPMERKING
- Daalt de omgevingstemperatuur tot onder -10 °C, dan wordt geen lagere temperatuur dan -10 °C weergegeven.
- Stijgt de omgevingstemperatuur tot boven 50 °C, dan wordt geen hogere temperatuur dan 50 °C weergegeven.
- De nauwkeurigheid van de temperatuuraflezing kan worden beïnvloed door langzaam rijden (ongeveer onder 20 km/h (12.5 mi/h)) of door het oponthoud bij verkeerslichten, spoorwegovergangen etc.

Omgevingstemperatuurweergave
Door de toets "SELECT" minstens twee seconden lang ingedrukt te houden, wisselt de klokweergave naar de omgevingstemperatuurweergave. Dit display toont de omgevingstemperatuur van -10 °C tot 50 °C in stappen van 1 °C. De weergegeven temperatuur kan afwijken van de omgevingstemperatuur. Door de toets "SELECT" minstens twee seconden lang ingedrukt te houden, wisselt de omgevingstemperatuurweergave terug naar de klokweergave.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12348
DAU12350
DAU41700
Stuurschakelaars
Links

-
Lichtsignaalschakelaar "PASS"
-
Dimlichtschakelaar "€0 €0
-
Richtingaanwijzerschakelaar "
-
Claxonschakelaar

Rechts

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
DAU12400
Dimlichtschakelaar "∅" ∅
Zet deze schakelaar op "voor grootlicht en op "voor dimlicht.
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar "
Druk deze schakelaar naar “” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "
Druk deze schakelaar in om een claxon- signaal te geven.
DAU12721
Startknop "
Druk met de zijstandaard omhoog op deze knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de startmotor. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
Het waarschuwingslampje voor motorstoring gaat branden als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting " "
Met de sleutel in de stand "ON" of "P≠ kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers).
De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10061
LET OP
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12900
DAU12950
DAUS1660
Voorremhendel

De voorremhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
Achterremhendel

De achterremhendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek deze hendel naar het stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop
Openen van de tankdop
- Open het tankdopdeksel door het voorste gedeelte omlaag te drukken.

-
Tankdop
-
Tankdopdeksel
-
Steek de sleutel in het slot en draai hem rechtsom. Het slot wordt ont-grendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Tankdop
Sluiten van de tankdop
- Zorg dat het merkteken naar voren wijst en druk de tankdop in zijn oorspronkelijke positie.

-
Lijn merktekens uit
-
Draai de sleutel linksom en neem hem uit.
-
Sluit het tankdopdeksel.
DWA11091
WAARSCHUWING
Na het tanken moet de tankdop goed worden aangedraaid. Door brandsto-flekkage ontstaat brandgevaar.
DAU13212
Brandstof
Controleer of er voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is.
DWA10881
WAARSCHUWING
Benzine en benzinedampen zijn zeer brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te voorkomen en het letselrisico tijdens het tanken te verlagen.
- Zet alvorens te tanken de motor af en zorg dat er niemand op de machine zit. Rook nooit tijdens het tanken en tank nooit in de nabijheid van vonken, open vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en kledingdrogers.
- Maak de brandstoftank niet te vol. Stop met vullen zodra de brandstof de onderkant van de vulhals heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet als deze warm wordt, kan de warmte van de motor of de zon ervoor zorgen dat brandstof uit de brandstoftank stroomt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Vulpijp brandstoftank
-
Maximaal brandstofniveau
-
Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste brandstof onmiddellijk af met een schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan aantasten. [DCA10071]
-
Draai de tankdop stevig vast. DWA15151
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om met benzine. Probeer nooit om benzine via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen heeft gekregen. Als benzine
op uw huid terechtkomt, was deze dan af met water en zeep. Als u benzine op uw kleding morst, trek dan andere kle- ding aan.
DAU33520
Voorgeschreven brandstof: UITSLUITEND NORMALE LOODVRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank: 11,8 L (3,12 US gal, 2,60 Imp.gal)
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13445
Uitlaatkatalysatoren
Dit voertuig is uitgerust met uitlaatkatalysatoren in het uitlaatsysteem.
DWA10862
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende om brandgevaar of brandwon- den te voorkomen:
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
●Parkeer de machine op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
- Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
●Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang stationair draaien kan leiden tot oververhitting.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10701
DAUT1040
DAU13932
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
Bevestigingssteun

Om diefstal te voorkomen kan de scooter via de bevestigingssteun aan een vaststa-and object zoals een lantaarnpaal of hek worden vastgemaakt.
Als u de scooter met een ketting- of kabelslot wilt vastzetten, zet u de scooter op de middenbok, haalt u de ketting of kabel door de bevestigingssteun en om het vaststaande object heen, en doet u de ketting of kabel op slot.
DWAT1020
WAARSCHUWING
Let erop dat u het ketting- of kabelslot verwijdert voordat u gaat rijden, want anders kan de scooter omslaan en schade of letsel veroorzaken.
Zadel
Openen van het zadel
- Zet de scooter op de middenbok.
- Steek de sleutel in het contactslot en draai deze dan linksom naar "OPEN".

- Openen
OPMERKING
Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
- Klap het zadel omhoog.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Sluiten van het zadel
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit het contactslot als de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
OPMERKING
Controleer of het zadel stevig is vergren- deld alvorens te gaan rijden.
DAUS1621
Opbergcompartimenten Opbergcompartiment voorzijde
Steek om het afgesloten opbergcompartiment te openen de sleutel in het slot, draai linksom en houd dan het slot vast terwijl u de knop indrukt.
Om een niet-afgesloten opbergcompartiment te openen houdt u gewoon het slot vast terwijl u de knop indrukt.

Om het opbergcompartiment af te sluiten drukt u het paneel in de oorspronkelijke stand. Steek dan de sleutel in het slot, draai rechtsom en neem de sleutel weer uit.

- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 1 kg (2 lb) voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 186 kg (410 lb) voor het voertuig niet.
Achterste opbergcompartiment
Het achterste opbergcompartiment bevindt zich onder het zadel. (Zie pagina 3-15).
Als de Gebruikershandleiding of andere documentatie in het opbergcompartiment wordt opgeborgen, doe ze dan in een plastic zak om nat worden te voorkomen.
Zorg bij het wassen van de machine dat
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
geen water het opbergcompartiment kan binnendringen.
In het opbergcompartiment kunnen twee helmen worden opgeborgen.

- Achterste opbergcompartiment
DWA10961
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 5 kg (11 lb) voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 186 kg (410 lb) voor het voertuig niet.
DCA10080
LET OP
Let op het volgende bij het gebruik van het opbergcompartiment.
- Het opbergcompartiment wordt snel warmer als het is blootgesteld aan direct zonlicht, bewaar hierin dus geen goederen die slecht tegen warmte kunnen.
●Wikkel natte voorwerpen in een plastic zak, om zo vochtig worden van het opbergcompartiment te voorkomen. - Het opbergcompartiment kan nat worden als de scooter wordt gewassen, omwikkel te bewaren voorwerpen dus in een plastic zak.
●Bewaar geen waardevolle of breekbare voorwerpen in het opberg-compartment.
DWA11171
WAARSCHUWING
Overschrijd de volgende maximumla- adgewichten niet:
●Opbergcompartiment voorzijde: 1kg (2 lb)
●Opbergcompartiment achterzijde: 5 kg (11 lb)
●Maximumlaadgewicht voor het voertuig: 186 kg (410 lb)
DAU14882
Afstellen van de schokdemperunits
DWA10210
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Elke schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.
Stel de veervoorspanning als volgt af.
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (b).
Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Stelring veervoorspanning
- Positie-indicator
- Stelgereedschap veervoorspanning
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
2
Maximum (hard):
4
DAU15303
Zijstandaard

- Zijstandaardschakelaar
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie pagina 3-19 voor een uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gereden terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrokken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig zoals hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU45051
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar en de remlichtschakelaars deel uitmaken) heeft de volgende functies:
- Het verhindert starten wanneer de zijstandaard is opgetrokken, terwijl geen der remmen is bekrachtigd.
- Het verhindert starten wanneer een der remmen is bekrachtigd, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor af zodra de zijstandaard omlaag bewo-gen wordt.
Controleer de werking van het starts-persysteem regelmatig volgens de onderstaande procedure.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] --> B{NEE JA}
B --> C["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
C --> D{JA NEE}
D --> E["De remschakelaar werkt mogelijk niet goed.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
E --> F{JA NEE}
F --> G["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
G --> H["Het systeem is in orde. De scooter mag worden gebruikt."]
I["Met de motor uit:<br>1. Beweeg de zijstandaard omlaag.<br>2. Controleer of de noodstopschakelaar aan staat.<br>3. Draai de sleutel naar aan.<br>4. Knijp de voor- of achterrem in en houd deze vast.<br>5. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"] --> J["De zijstandaardschakelaar werkt mogelijk niet goed.<br>De scooter mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
VOOR UW VEILIGHEID - CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema's en procedures voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151

WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Brandstof • Vul indien nodig brandstof bij. 3-13• Controleer de brandstofleiding op lekkage. | ||
| Motorolie | • Controleer het olieniveau in de motor.• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven 6-10 niveau.• Controleer de machine op olielekkage. | |
| Versnellingsbakolie • Controleer de machine op olielekkage. 6-12 | ||
| Koelvloeistof | • Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven 6-niveau.• Controleer het koelsysteem op lekkage. | 13 |
| Voorrem • Vervang indien nodig. 6-18, 6-19, 6-20• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage. | ||
VOOR UW VEILIGHEID - CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Achterrem • Vervang indien nodig. 6-18, 6-19, 6-20• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | ||
| Gasgreep | • Controleer of de werking soepel is.• Controleer de vrije slag van de kabel.• Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-16, 6-21 |
| Wielen en banden | • Controleer op schade.• Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | 6-16, 6-18 |
| Remhendels | • Controleer of de werking soepel is.• Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-21 |
| Middenbok, zijstandaard • Controleer of de werking soepel is.• Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-22 | |
| Framebevestigingen • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.• Zet indien nodig vast. | — | |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en — schakelaars | • Controleer de werking.• Corrigeer indien nodig. | |
| Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking van het startspersysteem.• Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren. | 3-18 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een ongeval of letsel tot gevolg.
DAU45310
OPMERKING
Dit model is uitgerust met een hellingsho-eksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. Om de motor na een kanteling weer te starten zet u het contactslot eerst op "OFF" en daarna op "ON". Als u dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld als u op de startknop drukt.
DAUS1650
DCA10250
LET OP
Zie pagina 5-4 voor instructies over het inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt genomen.
Het startspersysteem staat starten alleen toe als de zijstandaard is opgetrokken.
Zie pagina 3-19 voor meer informatie.
- Draai de sleutel naar "ON".
Het volgende waarschuwingslampje, controlelampje en de volgende indicatoren moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje motorstoring
●Controlelampje startblokkering
●Indicator V-snaarvervanging
●Olieverversingsindicator
DCA15022
LET OP
Als een waarschuwingslampje, controlelampje of indicator niet dooft, zie dan pagina 3-4, 3-6 of 3-8 voor een controle van het circuit van het desbetreffende waarschuwingslampje of controlelampje of de desbetreffende indicator.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
- Sluit de gasklep volledig.
- Start de motor door de startknop in te drukken terwijl de voor- of achterrem wordt bekrachtigd. LET OP: Trek voor een maximale levensduur van de motor nooit hard op als de motor koud is! [DCA11041]

- Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden achtereen draaien.
DAU45091
Wegrijden
- Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de rechterhandgreep vast en duw de scooter van de middenbok af.

-
Handgreep
-
Ga schrijlings op het zadel zitten en stel de achteruitkijkspiegels af.
- Zet de richtingaanwijzers aan.
- Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
- Schakel de richtingaanwijzers uit.
DAU45091
DAU16780
Sneller en langzamer rijden

De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om langzamer te gaan rijden.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
Remmen
DAU16793
DWA10300
WAARSCHUWING
●Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
- Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
●Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
Voor

Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
- Voer het motortoerental tijdens acce- lereren niet te hoog op.
-
Voer het toerental niet te hoog op terwijl de motor onbelast draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorwegovergangen). -
Sluit de gasklep volledig.
- Bekrachtig de voor- en achterrem gelijktijdig en oefen daarbij geleidelijk meer druk uit.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16B41
DCA10310
DAU17213
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAUS1810
0–1000 km (0–600 mi)
●Laat de motor niet langdurig meer dan 4000 tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi) moeten de motorolie en de eindoverbrengingsolie worden ververst. [DCA11661]
1000–1600 km (600–1000 mi)
●Laat de motor niet langdurig meer dan 6000 tpm draaien.
1600 km (1000 mi) en verder
- De machine kan nu normaal worden gebruikt.
LET OP
- Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
- Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
! WAARSCHUWING
- De motor en het uitleatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
●Parkeer nooit op een helling of een zachte ondergrond, hierdoor kan de machine kantelen met mogelijk brandstoflekkage en brand tot gevolg.
●Parkeer niet nabij gras of andere brandbare materialen die vlam zouden kunnen vatten.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUS1820
Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en effi- ciënt mogelijke conditie blijft. De eigena- ar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de volgende pagina's wordt de belang- grijkste informatie met betrekking tot ins- pecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk van het weer, het terrein, de geografische locatie en individuel gebruik.
DWA10321
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de machine. Als u niet bekend bent met voertuigonderhoud, laat het onderhoud dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
DWA15121
WAARSCHUWING
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de motor af tenzij anders aangegeven.
- Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of brand kunnen veroorzaken.
- Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot gevolg. Zie pagina 1-1 voor meer informatie over koolmonoxide.
DWA10330
WAARSCHUWING
Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. Wanneer deze scooter wordt gebruikt in een abnormaal stoffige, modderige of vochtige omgeving, dient het luchtfilterelement vaker te worden gereinigd of te worden vervangen om snelle slijtage van de
motor te voorkomen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor de juiste onderhoudsperiodes.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUS1830
Boordgereedschapset

De boordgereedschapset is te vinden onder het zadel. (Zie pagina 3-15). De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel vereist zijn.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
OPMERKING
Een zekeringtang en een tas met reservezekeringen maken deel uit van de boordgereedschapsset. Let erop dat u deze spullen niet kwijtraakt bij het openen van de gereedschapset.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46B61
OPMERKING
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
- Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
- Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
DAU46910
| NR. | ITEM ONDERHOUDSBEURT | CONTROLE OF | KILOMETERSTAND | JAAR-LIJKSE CONTROLE | |||||
| 1000 km 1 (600 mi) | 10000 km 20000 (6000 mi) | 10000 km 30000 (12000 mi) | km 40000 km (18000 mi) | km 40000 km (24000 mi) | |||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 2 | Bougie | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | |||||
| • Vervangen. | √ | √ | |||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | √ | √ | ||||
| 4 | * | Brandstofinjectie | • Controleer het stationair toerental. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 5 | * | Uitlaatdemper en uitlaatpijp | • Controleer of de schroefklem(men) goed vastzit(ten). | √ | √ | √ | √ | √ | |
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
DAU1770C
| NR. | ITEM ONDERHOUDSBEURT | CONTROLE OF | KILOMETERSTAND | JAAR-LIJKSECONTROLE | |||||
| 1000 km 10000 km 20000 km 30000 km 40000 km(600 mi) (6000 mi) (12000 mi) (18000 mi) (24000 mi) | |||||||||
| 1 | Luchtfilterelement | • Vervangen. | √ | √ | |||||
| 2 | Luchtfilterelement in v-snaarbehuizing | • Reinigen. √ √ | √ | √ | |||||
| 3 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | ||||||||
| 4 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | ||||||||
| 5 | * | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Vervangen. | Elke 4 jaar | ||||||||
| 6 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 7 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 8 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM ONDERHOUDSBEURT | CONTROLE OF | KILOMETERSTAND | JAAR-LIJKSE CONTROLE | |||||
| 1000 km (600 mi) | 10000 km (6000 mi) | 2000 km (12000 mi) | 30000 km (18000 mi) | 40000 km (24000 mi) | |||||
| 9 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 20000 km (12000 mi) | |||||||||
| 10 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 11 | Scharnieras van voorremhendel | • Smeren met siliconenvet. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | Scharnieras van achterremhendel | • Smeren met siliconenvet. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 13 | Zijstandaard, middenbok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 14 | * | Zijstandaard-schakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 15 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 16 | * | Schokdemperunits | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 17 | Motorolie | • Verversen. (Zie pagina's 3-6 en 6-10.) | √ | Wanneer de indicator olieverversing knippert [4000 km (2500 mi) en daarna elke 3000 km (1800 mi)] | |||||
| • Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | Elke 3000 km (1800 mi) | √ | |||||||
| 18 | * | Olie-aanzuigzeef | • Reinigen. | √ | |||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM ONDERHOUDSBEURT | CONTROLE OF | KILOMETERSTAND | JAAR-LIJKSE CONTROLE | |||||
| 1000 km (600 mi) | 10000 km (6000 mi) | 2000 km (12000 mi) | 30000 km (18000 mi) | 40000 km (24000 mi) | |||||
| 19 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Verversen. | Elke 3 jaar | ||||||||
| 20 | * | Versnellingsbakolie | • Controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | |||
| • Verversen. | √ | √ | √ | ||||||
| 21 | * | V-snaar | • Vervangen. | Wanneer de indicator V-snaarvervanging knippert [elke 20000 km (12000 mi)] | |||||
| 22 | * | Voor- en achterremschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 23 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 24 | * | Gaskabelhuis en gaskabel | • Controleer de werking en speling. • Stel indien nodig de speling af. • Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | ||
| 25 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking. • Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU38262
OPMERKING
- Motorluchtfilter en luchtfilter van V-snaarbehuizing
- Het motorluchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht om beschadiging te voorkomen.
- Het motorluchtfilterelement moet vaker worden vervangen en de luchtfilterelementen van de V-snaarbehuizing moeten vaker worden gereinigd bij rijden in zeer stoffige of vochtige gebieden.
- Ververs na het demonteren van de remhoofdcilinders en remklauwen altijd de remvloeistof. Controleer regelmatig de remvloeistofniveaus en vul de reservoirs indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18740
Verwijderen en aanbrengen van de stroomlijn- en framepanelen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.

- Stroomlijnpaneel A
- Paneel

Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Verwijder het paneel door het uit het achterste gedeelte van het stroomlijnpaneel te duwen, zoals in de afbeelding.

- Paneel
-
Drukken
-
Verwijder de schroeven en trek het stroomlijnpaneel dan los zoals getoond.

- Stroomlijnpaneel A
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
- Bevestig het paneel door het in te drukken.
DAU47890
Paneel A
Om het paneel te verwijderen
- Verwijder de schroeven en trek dan het paneel naar buiten.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Om het paneel aan te brengen
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAU19622
Bougie controleren
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat periodiek moet worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moet de bougie worden verwijderd en gecontroleerd op de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor worden afgelezen. De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden). Wanneer de bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang de bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige koolaanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een dra- advoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.

- Elektrodenafstand
Elektrodenafstand:
0,8-0,9 mm (0,031-0,035 in)
Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Voorgeschreven bougie: NGK/DPR8EA-9
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanhaalmoment:
Bougie:
17,5 Nm (1,75 m•kgf,
12,7 ft•lbf)
OPMERKING
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4-1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
DAUS1711
Motorolie
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeeren onderhoudsschema en wanneer het controlelampje olieverversingstermijn gaat branden.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de scooter op de middenbok. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
- Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen, verwijder de olievuldop, veeg de peilstok schoon, steek deze weer in de vulopening (zonder vast te draaien) en neem dan weer uit om het olieniveau te controleren.
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

- Olievuldop
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de motorolie beneden de merks- treep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevo- len soort, bij tot het correcte niveau.
- Steek de peilstok in de vulopening en draai dan de olievuldop vast.
Verversen van de motorolie
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
- Zet een olieopvangbak onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Olieaftapplug
- Controleer of de ring beschadigd is en vervang indien nodig.

- Olieaftapplug
-
Ring
-
Breng de onderlegring en de olieaf- tapplug aan en zet de plug dan vast met het voorgeschreven aanhaalmo- ment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug: 20 Nm (2,0 m•kgf, 14 ft•lbf)
OPMERKING
Controleer of de onderlegring correct aan- ligt.
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, breng dan de olievuldop aan en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1 Oliehoeveelheid bij verversing: 1,30 L (1,37 US qt, 1,14 Imp.qt)
DCA11670
LET OP
-Gebruik geen olie met een "CD"-dieselspecificatie of een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen olie met een
"ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
- Stel de indicator olieverversing terug.
Terugstellen van de indicator olieverversing
- Draai de sleutel naar "ON".
- Houd de "OIL CHANGE"-knop 15 tot 20 seconden ingedrukt.

- "OIL CHANGE"-knop
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

-
"OIL CHANGE"-knop
-
Laat de "OIL CHANGE"-knop los, de indicator olieverversing zal nu uitga-an.
OPMERKING
Als de motorolie werd ververst voordat de indicator olieverversing brandde (dus voordat de intervalperiode voor olieverversing was verstreken), moet de indicator na de olieverversing worden teruggesteld zodat het eerstvolgende tijdstip voor olieverversing weer correct wordt aangegeven. Volg de hierboven beschreven werkwijze om de indicator olieverversing terug te stellen voordat de olieverversingstermijn is verstreken, maar kijk wel of de indicator ca. 1.4 seconde brandt nadat de "OIL CHAN-
GE"-knop is losgelaten; zo niet, herhaal dan de procedure.
DAU20064
Eindoverbrengingsolie
Het eindoverbrengingshuis moet voor elke rit worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de scooter door een Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Bovendien dient de eindoverbrengingsolie als volgt te worden ververst op de tijdstippen vermeld in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
-
Start de motor, warm de eindoverbrengingsolie op door enkele minuten te rijden en zet dan de motor af.
-
Zet de scooter op de middenbok.
-
Plaats een olieopvangbak onder het eindoverbrengingshuis om de gebruikte olie op te vangen.
-
Verwijder de olievuldop en de aftap- plug van de eindoverbrenging om de olie uit het eindoverbrengingshuis af te tappen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

-
Vuldop versnellingsbakolie
-
O-ring
-
Breng de aftapplug voor de eindoverbrengingsolie aan en zet deze vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

- Aftapplug versnellingsbakolie
Aanhaalmoment:
Aftapplug eindoverbrengingsolie: 22 Nm (2,2 m•kgf, 16 ft•lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen eindoverbrengingsolie, breng dan de olievuldop aan en zet deze vast. WAARSCHUWING! Zorg ervoor dat geen vreemde materialen in het eindoverbrengingshuis terechtkomen. Zorg ervoor dat geen olie op de band of het wiel terechtkomt. [DWA11311]
Aanbevolen
- Controleer het eindoverbrengings- huis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAUS1670
Controleren van het
koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING
- Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau. - Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Controleer het koelvloeistofniveau via het kijkglas.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Merkstreep maximumniveau
- Merkstreep minimumniveau
-
Kijkglas koelvloeistofniveau
-
Als de koelvloeistof op of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, til dan de voetplaatmat aan de rechterzijde omhoog zoals getoond.

-
Mat op de voetplaat
-
Open de dop van het koelvloeistofreservoir, en vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau. WAARSCHUWING! Verwijder alleen de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor koud is. [DWA15161]
LET OP: Als er geen koelvloeistof aanwezig is, gebruik dan in plaats daarvan gedistilleerd water of onthard leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, dit is schadelijk voor de motor. Als er in plaats van koelvloeistof water is gebruikt, vervang dit dan zo snel mogelijk door koelvloeistof, anders is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water aan de koelvloeistof is toegevoegd, laat dan een Yamaha dealer zo snel mogelijk het antivriesgehalte van de koelvloeistof controleren om te voorkomen dat de effectiviteit van de koelvloeistof afneemt. [DCA10472]

- Sluit de dop van het koelvloeistofreservoir
- Plaats de voetplaatmat in de oorspronkelijke positie en druk deze vast.
DAU33031
De koelvloeistof verversen
De koelvloeistof moet volgens de interval- perioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema ververst worden. Laat de koelvloeistof verversen door een Yamaha dealer. WAARSCHUWING! Pro- beer nooit om de radiatorvuldop te ver- wijderen als de motor warm is. [DWA10381]
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUS1334
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v- snaarbehuizing reinigen
Het luchtfilterelement moet worden vervangen en het luchtfilterelement in de v-snaarbehuizing moet worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig de luchtfilterelementen vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
Het luchtfilterelement vervangen
- Zet de scooter op de middenbok.

- Luchtfilterdeksel
- Schroef
-
Luchtfilterelement
-
Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.
- Trek het luchtfilterelement uit.
- Breng een nieuw luchtfilterelement aan in het luchtfilterhuis.
- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
Reinigen van het luchtfilterelement in de v-snaarbehuizing
- Verwijder het luchtfilterdeksel op de v-snaarbehuizing door de schroeven te verwijderen.

- Luchtfilterdeksel v-snaarbehuizing
- Schroef
- Verwijder het luchtfilterelement en blaas vervolgens het vuil weg met perslucht zoals getoond.

- Luchtfilterdeksel v-snaarbehuizing
-
Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing
-
Controleer het luchtfilterelement op beschadiging en vervang het indien nodig.
- Breng het luchtfilterelement aan met de gekleurde kant naar buiten. LET OP: Zorg ervoor dat elk filterelement goed aanligt in de behuizing. Laat de motor nooit draaien met de filterelementen uitgenomen, hierdoor kunnen de zuiger(s) en/of cilinder(s) overmatig versleten raken. [DCA10531]
- Bevestig het luchtfilterdeksel in de v- snaarbehuizing door de schroeven aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21382
DAU21401
DAU21873
Controleren van de vrije slag gaskabel

De vrije slag van de gaskabel dient 3,0–5,0 mm(0,12–0,20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
Klepspeling
De klepspeeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstofverhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
Bandenspanning

De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10501
WAARSCHUWING
Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
190 kPa (1,90 kgf/cm²,
28 psi, 1,90 bar)
Achter:
220 kPa (2,20 kgf/cm²,
32 psi, 2,20 bar)
90 kg - Maximale belasting
Voor:
210 kPa (2,10 kgf/cm²,
30 psi, 2,10 bar)
Achter:
250 kPa (2,50 kgf/cm²,
36 psi, 2,50 bar)
Maximale belasting\*:
186 kg (410 lb)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
DWA10511
! WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden

-
Bandprofieldiepte
-
Wang van band
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1,6 mm (0,06 in)
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Dit model is uitgerust met tubeless banden.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat:
120/70-15 56S
Fabrikant/model:
MICHELIN/GOLD STANDARD
PIRELLI/GTS23
Achterband:
Maat:
140/70-14 68P - 68S
Fabrikant/model:
MICHELIN/GOLD STANDARD
PIRELLI/GTS24
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DWA10470
DAU21960
√DAUM2061
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Vrije slag van voor- en achterremhendel controleren

De vrije slag van de remhendel dient 3,0-5,0 mm (0,12-0,20 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de remhendel regelmatig en laat indien nodig een Yamaha dealer het remsysteem controleren.
DWA10641
WAARSCHUWING
Als de vrije slag van de remhendel niet normaal is, wijst dat op een serieus defect in het remsysteem. Laat het remsysteem vóór gebruik van het voertuig nakijken of repareren door een Yamaha dealer.
DAU22390
Controleren van voor- en achterremblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22430
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicatorgroef
Elk voorremblok is voorzien van slijtage-indicatorgroeven, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroeven vrijwel zijn verdwenen, vraag dan een
Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22520
Remblokken achterrem

- Slijtage-indicatorgroef
De achterrem heeft een inspectieplug; nadat deze is verwijderd kan de remblokslijtage worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicator de remschijf bijna raakt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU22580
Controleren van remvloeistofniveau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunsts-tof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU22731
DAU23111
DAU23172
Remvloeistof verversen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinders, de remklauwen en de remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lek of beschadigd zijn.
●Vloeistofafdichtingen: Vervang elke twee jaar.
●Remslangen: Vervang elke vier jaar.
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
Smeren van voor- en achterremhendels
Voorremhendel

De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Siliconenvet
DAU23213
Middenbok en zijstandaard
controleren en smeren

punten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10741
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren. Een slecht functionerende middenbok of zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen.

Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
1. Middenbok
De werking van de middenbok en de zijs- tandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnier-
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU23272
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
- Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.

Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.
[DWA10751]
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU45511
Stuursysteem controleren
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Zet de machine op de middenbok. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
- Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling wordt gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke meer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
Accu

De accu bevindt zich achter stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8).
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien nodig, vast te zetten.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bes-
cherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
●HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DCA16520
LET OP
Voor het opladen van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Als u niet beschikt over een acculader met constante spanning, laat de accu dan opladen door uw Yamaha dealer.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek. LET OP: Draai voordat u de accu verwijdert de sleutel naar "OFF" en haal dan eerst de negatieve kabel en daarna de positieve kabel los. [DCA16302]
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
-
Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
-
Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA16530
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen van een ontladen accu kan leiden tot permanente accuschade.
DAUS1771
Zekeringen vervangen

- Zekeringenkastje
- Zekering alarmverlichtingssysteem
Het zekeringenkastje met de zekeringen voor de afzonderlijke circuits bevindt zich achter het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8).
OPMERKING
De hoofdzekering, die zich op een andere en moeilijk bereikbare plaats bevindt, moet door een Yamaha dealer worden vervangen.
Vervang een zekering voor de afzonderlijke circuits als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
voorgeschreven ampèrewaarde aan. WAARSCHUWING! Gebruik geen zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige schade aan het elektrische systeem en mogelijk brand te voorkomen.
[DWA15131]
OPMERKING
Een zekeringtang en een tas met reservezekeringen maken deel uit van de boordgereedschapset. Gebruik de tang om een zekering te verwijderen en te plaatsen.

- Zekering radiatorkoelvin
- Zekering elektronische regeleenheid
- Backup-zekering
- Zekering signaleringssysteem
- Koplampzekering
- Zekering ontstekingssysteem
- Reservezekering
- Reservezekering
- Reservezekering
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30,0 A
Koplampzekering:
15,0 A
Zekering signaleringssysteem: 10,0 A
Zekering ontstekingssysteem: 10,0 A
Zekering radiatorkoelvin: 7,5 A
Circuitzekering
alarmverlichtingssysteem: 10,0 A
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU34240
Koplampgloeilamp vervangen
De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Als een koplampgloeilamp is doorgebrand, laat deze dan door een Yamaha dealer vervangen en laat indien nodig de koplamplichtbundel afstellen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU43051
DAUS1781
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

- Gloeilamp richtingaanwijzer
- Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
Vervangen van een gloeilamp in achterlicht/remlicht of van een gloeilamp in achterste richtingaanwijzer
- Zet de machine op de middenbok.
- Verwijder het paneel A. (Zie pagina 6-8).
- Verwijder de achterlicht-/remlichtunit door de schroeven los te draaien.

-
Schroef
-
Verwijder het achterlicht/remlicht en de lamphouder van de richtingaan-wijzergloeilamp samen met de stof-beschermer door op de lippen te drukken en vervolgens beiden naar buiten te trekken.

- Gloeilamp richtingaanwijzer
-
Gloeilamp remlicht/achterlicht
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de gloeilamphouder samen met de stofbeschermer aan door beiden in de oorspronkelijke positie te drukken.
OPMERKING
Plaats de gloeilamphouder en stofkap op de juiste manier om te voorkomen dat stof en water binnendringen.
- Breng de schroeven en de achterlicht-/remlichtunit aan.
- Monteer het paneel.
DAU47910
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen
- Verwijder het kapje over de kente-kenverlichting door de schroef los te draaien.

- Schroef
-
Gloeilampfitting kentekenverlichting
-
Verwijder de doorgebrande gloeilamp door deze uit de fitting te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Monteer de kap over de kentekenverlichting door de schroef aan te brengen.
DAU47910
DAU43231
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Dit model is voorzien van twee parkeerlichten. Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU25B81
DWA15141
Problemen oplossen
Yamaha scooters ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vak-kundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de scooter correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het brandstofsysteem en let erop dat er geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan eigendommen tot gevolg.
DAU42131
Storingzoekschema's
Startproblemen of slechte werking van de motor
- Brandstof

flowchart
graph TD
A["Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank."] --> B["Er is voldoende brandstof aanwezig."]
A --> C["Er is geen brandstof aanwezig."]
B --> D["Controleer de compressie."]
C --> E["Vul brandstof bij."]
E --> F["De motor start niet.<br>Controleer de compressie."]
- Compressie

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["Er is compressie."]
A --> C["Er is geen compressie."]
B --> D["Controleer de ontsteking."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
- Ontsteking

flowchart
graph TD
A["Verwijder de bougie en controleer de elektroden."] --> B["Nat"]
A --> C["Droog"]
B --> D["Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
D --> F["Bedien de elektrische startknop."]
E --> G["De motor start niet. Controleer de accu."]
- Accu

flowchart
graph LR
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["De motor draait snel rond."]
A --> C["De motor draait langzaam rond."]
B --> D["De accu is in orde."]
C --> E["Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig."]
D --> F["De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
E --> F
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
C --> E["Er is lekkage."]
C --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU37833
Matkleur, let op
DCA15192
LET OP
Sommige modellen zijn uitgerust met matkleurige onderdelen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor advies over wat voor producten gebruikt moeten worden om het voertuig te reinigen. Het gebruik van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het oppervlak bekrassen of beschadigen. Ook was moet niet worden aangebracht op een van de matkleurige onderdelen.
DAU26093
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan roestvorming en corrosie optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een scooter is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen en alle elektrische stekkers en aansluitingen, inclusief de bougie-doppen, stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10782
LET OP
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
- Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen, framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting enz.) en de uitlaatdempers beschadigd raken. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met water om kunststof delen te reinigen. Als de kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd, kan een mild reinigingsmiddel met water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af met grote hoeveelheden water, aangezien ze de
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
kunststof delen kunnen beschadi- gen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij scooters met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een
klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of flessenborstel voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee wegen in de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de motor is afgekoeld. WAARSCHUWING! Gebruik geen warm water, dit versnelt de corrosieve werking van het zout. [DCA10791]
- Breng met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
- Droog de scooter met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
- Werk kleine lakbeschadigingen door steenslag e.d. bij.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de scooter volledig drogen alvo- rens te stallen of af te dekken.
DWA10941
! WAARSCHUWING
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
- Controleer of er geen olie of was op de remmen of banden zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
LET OP
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING
●Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
●Door wassen, regenachtig weer of een vochtig klimaat kan de koplampens beslagen raken. Inschakelen van de koplamp gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.
DCA10800
DAU36561
Stalling
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10820
LET OP
●Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
- Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie. b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan. WAARSCHUWING! Verbind de bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de motor om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen. [DWA10951]
-
Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
-
Controleer de bandspanning en corrigeer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
-
Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
-
Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad deze eens per maand bij. Berg de accu niet op een overmatig koude of warme plek op [onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-24 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
Afmetingen:
Totale lengte: 2.201 mm (86,7 in)
Totale breedte: 776 mm (30,6 in)
Totale hoogte: 1.337 mm (52,6 in)
Zadelhoogte: 792 mm (31,2 in)
Wielbasis: 1.545 mm (60,8 in)
Grondspeling: 134 mm (5,30 in)
Kleinste draaicirkel: 1.805 mm (71,1 in)
Gewicht:
Incl, olie en brandstof: 177,4 kg (391 lb)
Motor:
Type motor: Vloeistofgekoeld, 4-takt, SOHC
Cilinderopstelling: 1-cilinder, vooroverhellend
Slagvolume: 249 cm ^3
Boring x slag: 69,0 x 66,8 mm (2,72 x 2,63 in)
Compressieverhouding: 10,00 :1
Startsysteem: Elektrische startmotor
Smeersysteem: Wet sump
Motorolie:
Aanbevolen kwaliteit motorolie: Type API service SF, SG of hoger, JASO MA norm
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon: 1,30 L (1,37 US qt, 1,14 Imp. qt)
Eindoverbrengingsolie:
Type: SAE 10W-30 type SE motorolie Hoeveelheid: 0,25 L (0,26 US qt, 0,22 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumniveau): 0,25 L (0,26 US qt, 0,22 Imp.qt) Inhoud radiator (inclusief alle leidingen): 1,00 L (1,06 US qt, 0,88 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement: Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof: Uitsluitend normale loodvrije benzine Inhoud brandstoftank: 11,8 L (3,12 US gal, 2,60 Imp.gal) Hoeveelheid reservebrandstof: 1,7 L (0,45 US gal, 0,37 Imp.gal)
Gasklephuis:
Het teken van identificatie: 1C04 00 Fabrikant: AISAN
Bougie(s):
Fabrikant/model: NGK/DPR8EA-9 Elektrodenafstand: 0,8–0,9 mm (0,031–0,035 in)
Koppeling:
Type koppeling: Droog, automatisch centrifugaal
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem: Schroeftandwiel
Primaire reductieverhouding: 40/15 (2,666)
Secundair reductiesysteem: Schroeftandwiel
Secundaire reductieverhouding: 40/14 (2,857)
Type versnellingbak: Automatisch, V-snaar
SPECIFICATIES
Bediening:
Automatisch centrifugaal
Chassis:
Type frame:
Stalen onderdraagbuis
Spoorhoek:
28,00 graad
Naspoor:
100,0 mm (3,94 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
120/70-15 56S
Fabrikant/model:
MICHELIN/GOLD STANDARD
Fabrikant/model:
PIRELLI/GTS23
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
140/70-14 68P - 68S
Fabrikant/model:
MICHELIN/GOLD STANDARD
Fabrikant/model:
PIRELLI/GTS24
Belading:
Maximale belasting:
186 kg (410 lb)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
190 kPa (1,90 kgf/cm², 28 psi, 1,90 bar)
Achter:
220 kPa (2,20 kgf/cm², 32 psi, 2,20 bar)
Gewichtsverdeling:
90 kg - Maximale belasting
Voor:
210 kPa (2,10 kgf/cm², 30 psi, 2,10 bar)
Achter:
250 kPa (2,50 kgf/cm², 36 psi, 2,50 bar)
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
15 x MT3,5
Achterwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
14 x MT3,75
Voorrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met linkerhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
110,0 mm (4,33 in)
Achterwielophanging:
Type:
Unit swing
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
95,0 mm (3,74 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
GTX9-BS
Voltage, capaciteit:
12 V, 8,0 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage x aantal:
Dimlicht:
12 V, 55.0 W × 1
Grootlicht:
12 V, 55,0 W x 1
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10,0 W x 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10,0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Kentekenverlichting:
12 V, 5,0 W x 1
Instrumentenverlichting:
12 V, 2,0 W x 3
Controlelampje richtingaanwijzers:
12 V, 1,4 W × 2
Waarschuwingslampje motorstoring:
12 V, 1,4W × 1
Controlelampje startblokkering:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
30,0 A
Koplampzekering:
15,0 A
Zekering signaleringssysteem:
10,0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10,0 A
Zekering radiatorkoelvin:
7,5 A
Circuitzekering alarmverlichtingssysteem:
10,0 A
Zekering ECU (elektronische regeleenheid):
5,0 A
Backup-zekering:
5,0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26352
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de gegevens op de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw voertuig is gestolen.
SLEUTELNUMMER:

- Sleutelnummer
- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26410
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedo- eld voor identificatie van uw machine en kan worden gebruikt om deze in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26460
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is bevestigd op de getoonde locatie. Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INHOUDSOPGAVE
A
Aandachtspunten voor veilig rijden .....1-4
Accu 6-24
B
Banden....6-16
Bevestigingssteun....3-15
Bougie, controlleren....6-9
Brandstof 3-13
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.....5-3
C
Claxonschakelaar....3-11
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes......3-4
Controlelampje grootlicht....3-4
Controlelampje startblokkeersysteem .....3-4
Controlelampjes richtingaanwijzers .....3-4
D
Dimlichtschakelaar....3-11
E
Eindoverbrengingsolie....6-12
G
Gasgreep en gaskabel, controlleren en smeren....6-21
Gereedschapset....6-2
Gloeilamp in remlicht/achterlicht of gloeilamp achterste richtingaanwijzer, vervangen 6-27
Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen 6-28
Gloeilamp richtingaanwijzer (voor), vervangen 6-27
|
Identificatienummers....9-1
Inrijperiode 5-4
K
Klepspeling 6-16
Koelvloeistof....6-13
Koplampgloeilamp, vervangen ....6-26
L
Lichtsignaalschakelaar....3-11
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing ....6-15
M
Matkleur, let op ....7-1
Middenbok en zijstandaard, controleren en smeren....6-22
Modelinformatiesticker 9-2
Motorolie 6-10
Multifunctioneel display 3-6
0
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem .....6-3
Opbergcompartimenten....3-16
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen......6-28
Parkeren....5-4
Plaats van de onderdelen 1-4
Problemen oplossen 6-29
R
Remhendel, achterrem....3-12
Remhendels, smeren 6-21
Remmen....5-3
Remvloeistof, verversen....6-21
Remvloeistofniveau, controlleren......6-20
Richtingaanwijzerschakelaar....3-11
s
Schakelaar alarmverlichting....3-11
Schokdemperunits, afstellen ....3-17
Sleutelnummer 9-1
Smering en onderhoud, periodiek ....6-4
Snelheidsmeter 3-5
Sneller en langzamer rijden ....5-2
Startblokkeersysteem 3-1
Starten van de motor....5-1
Startknop 3-11
Startspersysteem....3-19
Storingzoekschema's....6-30
Stroomlijn- en framepanelen, verwijderen
en aanbrengen....6-8
Stuurschakelaars ....3-11
Stuursysteem, controleren....6-23
T
Tankdop 3-12
Toerenteller....3-5
U
Uitlaatkatalysatoren 3-14
V
Veiligheidsinformatie 1-1
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken controleren ..6-19
Voorremhendel....3-12
Voorvork, controleren....6-23
Vrije slag gaskabel, controleren....6-16
Vrije slag voor- en achterremhendel .....6-18
W
Waarschuwingslampje motorstoring .....3-4
Wegrijden 5-2
Wielen 6-18
Wiellagers controleren 6-24
INHOUDSOPGAVE
Z
Zadel 3-15
Zekeringen, vervangen....6-25
Zijstandaard 3-18

YAMAHA
YAMAHA MOTOR ESPAÑA, S.A.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2009.07
(D)