XCITY125 - Scooter YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XCITY125 YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Scooter |
| Merk | Yamaha |
| Model | XCITY125 (VP125) |
| Afmetingen (L×B×H) | 2175 mm × 785 mm × 1475 mm |
| Wielbasis | 1455 mm |
| Zadelhoogte | 790 mm |
| Grondspeling | 165 mm |
| Rijklaar gewicht | 167 kg |
| Maximale belading | 185 kg |
| Motortype | Vloeistofgekoeld, 4-takt, SOHC, 1-cilinder |
| Slagvolume | 124 cm³ |
| Compressieverhouding | 11,20:1 |
| Brandstof | Loodvrije superbenzine (RON 95+) |
| Inhoud brandstoftank | 10,5 L (reserve 2,7 L) |
| Startsysteem | Elektrische starter met startblokkeersysteem |
| Transmissie | Automatisch, V-snaar |
| Voorrem | Enkele schijfrem, bediening rechts, DOT 4 |
| Achterrem | Enkele schijfrem, bediening links, DOT 4 |
| Voorvering | Telescoopvork, veerweg 100 mm |
| Achtervering | Unit swing, veerweg 105 mm |
| Banden voor | 120/70-16 M/C 57P (tubeless) |
| Banden achter | 140/70-15 M/C 69P (tubeless) |
| Accu | GTX9-BS, 12 V, 8,0 Ah |
| Motorolie (bij verversing) | Zonder filter 1,40 L, met filter 1,50 L |
| Onderhoudsinterval olieverversing | Eerste na 1000 km, daarna elke 6000 km |
Veelgestelde vragen - XCITY125 YAMAHA
Gebruikersvragen over XCITY125 YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Scooter in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XCITY125 - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XCITY125 van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING XCITY125 YAMAHA
⚠ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.
HANDLEIDING
X City 125
VP125
16P-F819D-D3

Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de machine te blijven als deze wordt verkocht.
YAMAHA
YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.
1430 6, Mod. Mori mace, Shachi gun, Suzuoka ken, 437 0292 Japan
Verklaren hierbij dat het product:
| Type apparaat: STARTBLOKKERING |
| Typeaanduiding: 5SL-00 |
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
| R&TTE richtlijn(1999/5/EG) |
| EN300 330-2 v1.3.1(2006-01), EN300 330-2 v1.5.1(2010-02) |
| EN60950-1:2006/A11:2009 |
| Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC) |
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
| Overzlicht van wijziglingen | ||
| Nr. Inhoud | Datum | |
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren. | 9 juni 2005 |
| 2 | Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1 | 27 februari 2006 |
| 3 | Om bedrijfsnaam te wijzigen | 1 maart 2007 |
| 4 | overgang naar de volgende norm:• van EN300 330-2 v1.1.1 naar EN300 330-2 v1.3.1 en EN300 330-2 v1.5.1• van EN60950-1:2001 naar EN60950-1:2006/A11:2009 | 8 juli 2010 |
Algemeen directeur afdeling kwaliteitsbeheer

C€0700!
DAU10113
Welkom in de wereld van Yamaha!
Als eigenaar van de VP125 profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw VP125. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de scooter, en beschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.
De vele tips in deze handleiding helpen u bovendien om uw scooter in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan er soms sprake zijn van kleine verschillen tussen uw scooter en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente product-informatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
DWA12411
WAARSCHUWING
Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze scooter gaat gebruiken.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10133
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Dit is het Safety Alert-symbol. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico's op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen. | |
| Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resul- teren in ernstig letsel of overlijden. | |
| De aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha- de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen. | |
| OPMERKING | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUM2150
VP125
HANDLEIDING
©2012 door MBK INDUSTRIE
1e Uitgave, juni 2012
Alle rechten voorbehouden
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
MBK INDUSTRIE
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
Andere aandachtspunten voor veilig rijden 1-5
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN....3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controlelampjes en waarschuwingslampje ....3-3
Snelheidsmeter 3-4
Brandstofniveaumeter 3-4
Temperatuurmeter koelvloeistof .....3-5
Multifunctioneel display 3-5
Stuurschakelaars ....3-8
Voorremhendel 3-9
Achterremhendel 3-9
Tankdop 3-9
Brandstof 3-10
Uitlaatkatalysatoren ....3-11
Zadel 3-12
Opbergcompartimenten ....3-12
Kuipruit 3-14
Afstellen van de schokdemperunits ....3-14
Bagagedrager 3-15
Bagagehaak 3-15
Zijstandaard 3-16
Startspersysteem 3-16
VOOR UW VEILIGHEID –
CONTROLES VOOR HET
RIJDEN 4-1
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van de motor 5-1
Wegrijden 5-2
Sneller en langzamer rijden 5-3
Remmen 5-3
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-4
Inrijperiode 5-4
Parkeren 5-5
PERIODIEK ONDERHOUD EN
AFSTELLINGEN.... 6-1
Boordgereedschapset 6-2
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem .... 6-3
Algemeen smeer- en onderhoudsschema 6-4
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen ......6-8
Bougie controleren 6-9
Motorolie 6-10
Eindoverbrengingsolie 6-13
Koelvloeistof 6-14
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing reinigen .... 6-15
De vrije slag van de gasgreep controleren 6-16
Klepspeling 6-17
Banden 6-17
Gietwielen 6-19
Vrije slag voor- en achterremhendel 6-19
Controleren van voor- en achterremblokken 6-20
Controleren van remvloeistofniveau 6-21
Remvloeistof verversen 6-22
Kabels controleren en smeren ..... 6-22
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-23
Smeren van voor- en achterremhendels 6-23
Middenbok en zijstandaard controleren en smeren .... 6-23
Voorvork controleren 6-24
Stuursysteem controleren ...... 6-25
Controleren van wiellagers 6-25
Accu 6-25
Zekeringen vervangen 6-26
Koplampgloeilamp vervangen ..... 6-27
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen ..... 6-29
INHOUDSOPGAVE
Vervangen van een gloeilamp voor achterlicht/remlicht of van een gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer ....6-30
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen 6-30
Parkeerlichtgloeilamp vervangen ....6-31
Problemen oplossen ....6-31
Storingzoekschema's 6-32
VERZORGING EN STALLING
VAN DE SCOOTER....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE......9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU1026A
1
Wees een verantwoordelijke eigenaar
Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.
Scooters zijn tweewielige voertuigen.
Voor een veilig gebruik zijn de toepassing van de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze scooter te gaan rijden.
Hij of zij moet:
●Door een competente informatiebron grondig zijn ingelicht over alle aspecten van scooterrijden.
- Zich houden aan de waarschuwingen en onderhoudseisen zoals vermeld in deze Gebruikershandleiding.
- Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
- Gebruikmaken van professionele technische service, zoals aangegeven in deze Gebruikershandleiding en/of wanneer de mechanische condities dit vereisen.
●Ga nooit rijden met een scooter zonder passende rijopleiding of instructies. Neem rijlessen. Beginners moeten les krijgen van een gediplomeerd instruc-
teur. Neem contact op met een bevoegde scooterdealer voor informatie over rijlessen bij u in de buurt.
Veilig rijden
Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie pagina 4-1 voor een lijst met controles voor het rijden.
- Deze scooter is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van scooters door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/scooterongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de scooter niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
• Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade-
ren en passeren van kruisingen,
daar doen ongelukken met scooters
zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Pleeg nooit onderhoud aan een scooter zonder voldoende kennis. Neem contact op met een bevoegde scooterdealer voor informatie over het basisonderhoud van een scooter. Bepaalde onderhoudswerkzaamheden kunnen alleen worden uitgevoerd door gediplomeerd personeel.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Vaak waren bij een ongeval betrokken bestuurders zelfs niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw scooter alleen uit aan ervaren scooterrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
-
We raden aan om het scooterrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de scooter en zijn bedie- ning.
-
Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de scooterbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rijsnelheid aan of gaan onvoldoende schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.
- Neem altijd de maximumsnelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een
passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze scooter is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road-gebruik.
Beschermende uitrusting
Scooterongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan schakelhandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet zijn en brandwonden veroorzaken.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Voorkom koolmonoxidevergiftiging
De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid, verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.
Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos, smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In afgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u symptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk, ga naar de open lucht en ROEP MEDI-SCHE HULP IN.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
●Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatoren of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen tot gevaarlijke niveaus.
●Laat de motor niet draaien in slecht ge-ventileerde of deels afgesloten ruimtes zoals schuren of garages.
●Laat de motor niet buiten draaien op plaatsen waar de uitlaatgassen in een gebouw kunnen worden getrokken via openingen zoals ramen en deuren.
Beladen
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de scooter verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw scooter, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een scooter rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw scooter:
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Maximale belasting: 185 kg (408 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag en zo dicht mogelijk bij de scooter liggen. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of instabiliteit te minimaliseren.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de scooter zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uw banden.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
- Deze machine is niet ontworpen voor het trekken van een aanhanger of bevestiging van een zijspan.
Originele Yamaha accessoires
De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.
Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.
In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets
Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te be- seffen dat sommige in de handel verkrijgbare accessoires of aanpassings- sets niet geschikt zijn vanwege mogelijke veiligheidsrisico's voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare pro- ducten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden van uzelf of anderen vergroten. U bent verantwoordelijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de machine.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw scooter. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te waarborgen dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bedie- ning niet beperkt en geen lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de scooter. De scooter kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires dwingen de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de scooter te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
In de handel verkrijgbare banden en vel-gen
De banden en velgen die bij uw scooter werden geleverd zijn ontworpen om de mogelijkheden van de machine te ondersteunen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-17 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.
De scooter vervoeren
Volg de onderstaande instructies als u de scooter in een ander voertuig wilt vervoeren.
●Verwijder alle loszittende voorwerpen van de scooter.
●Zorg dat het voorwiel recht naar voren wijst op de aanhanger of de laadvloer en zet het wiel vast in een goot om beweging te voorkomen.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
- Zet de scooter vast met spanbanden of andere geschikte banden aan stevige delen van de scooter, zoals het frame of de bovenste voorvorkklem (en niet aan, bijvoorbeeld, het stuur, de richtingaanwijzers of onderdelen die kunnen afbreken). Kies de plaats voor de spanbanden zorgvuldig om te voorkomen dat deze tijdens het transport schuurplekken op de lak veroorzaken.
●Zorg indien mogelijk dat de vering iets door de spanbanden wordt ingedrukt, zodat de scooter tijdens het transport niet overmatig kan stuiteren.
DAU10373
Andere aandachtspunten voor veilig rijden
- Geef duidelijk richting aan wanneer u een bocht neemt.
- Op een nat wegdek kan remmen uiterst lastig zijn. Vermijd te hard remmen, de scooter zou kunnen slippen. Bedien de remmen rustig wanneer u op een nat wegdek wilt stoppen.
●Minder snelheid bij het naderen van een bocht of een afslag. Trek langzaam op nadat u de bocht hebt genomen. - Wees voorzichtig bij het passeren van geparkeerde auto's. Een bestuurder merkt u mogelijk niet op en kan het portier openslaan in uw rijrichting.
- Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. Minder snelheid en passeer ze voorzichtig. Houd de scooter recht, anders kan hij gaan schuiven.
-
De remvoeringen kunnen nat worden bij het wassen van de scooter. Controleer de remmen na het wassen van de scooter, voordat u gaat rijden.
-
Draag steeds een helm, handschoenen, een lange broek (taps toelopend bij de enkel/omslag, om flapperen te voorkomen), en een felgekleurd jack.
●Vervoer op uw scooter niet te veel bagage. Een overbeladen scooter is onstabiel. Gebruik degelijke snelbinders om bagage aan de bagagedrager vast te binden (indien het voertuig is voorzien van een bagagedrager). Losse bagage beïnvloedt de stabiliteit van de scooter en kan uw aandacht afleiden van het verkeer. (Zie pagina 1-3.)
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

-
Voorremblokken (pagina 6-20)
-
Achterste opbergcompartiment (pagina 3-12)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-14)
- Vuldop versnellingsbakolie (pagina 6-13)
- Luchtfilterelement (pagina 6-15)
- Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing (pagina 6-15)
- Oliefilterelement (pagina 6-10)
- Zijstandaard (pagina 3-16)
- Kijkglas koelvloeistofniveau (pagina 6-14)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Handgreep (pagina 5-2)
- Hoofdzekering/zekeringenkastje (pagina 6-26)
- Accu (pagina 6-25)
- Dop koelvloeistofreservoir (pagina 6-14)
- Tankdop (pagina 3-9)
- Olievuldop (pagina 6-10)
- Middenbok (pagina 6-23)
- Achterremblokken (pagina 6-20)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Achterremhendel (pagina 3-9)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-8)
- Voorste opbergcompartiment (pagina 3-12)
- Snelheidsmeter/Multifunctioneel display (pagina 3-4/3-5)
- Bagagehaak (pagina 3-15)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
- Schakelaar rechterstuurzijde (pagina 3-8)
-
Gasgreep (pagina 6-16)
-
Voorremhendel (pagina 3-9)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Startblokkeersysteem
DAU10977

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bo- vendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid - een ECU
- een controlelampje van de startblokkering (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11821
LET OP
●ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL NIET VERLIEST! NEEM DIRECT CONTACT OP MET UW DEALER ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt het voertuig dan nog steeds starten met de standaardsleutels, maar als ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u sterk aangeraden een van de stan-
daardsleutels te gebruiken en de codeersleutel op een veilige plek te bewaren.
●Dompel de sleutels nooit in water.
- Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
●Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de sleutels.
-Plaats nooit zware voorwerpen op de sleutels.
●U mag de sleutels nooit slijpen of de vorm ervan wijzigen.
- U mag het plastic gedeelte van de sleutels nooit demonteren.
●Hang nooit twee sleutels van een startblokkeersysteem aan dezelfde sleutelring.
●Bewaar de standaardsleutels en ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van het voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

ZAUM3608
DAU10472
Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
OPMERKING
Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep) voor regelmatig gebruik van de machine. Bewaar de codeersleutel (rode greep) op een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.
DAU34121
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht, de kentekenverlichting en de
parkeerlichten gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING
De koplampen gaan automatisch branden wanneer de motor wordt gestart en blijven aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid of de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
DAU10661
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DWA10061
WAARSCHUWING
Draai nooit de sleutel naar "OFF" of "LOCK" terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden tot verlies van de controle of een ongeval.
DAU10684
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen
- Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai deze dan naar "LOCK". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen
Druk de sleutel in en draai deze dan naar
"OFF". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11006
Controlelampjes en waarschu- wingslampje

- Controlelampje grootlicht "D
- Controlelampje richtingaanwijzers " "
- Controlelampje startblokkering
- Waarschuwingslampje motorstoring "
DAU11020
Controlelampje
richtingaanwijzers " ”
Dit controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11080
Controlelampje grootlicht " ”
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAUS1540
Waarschuwingslampje motorstoring "
Dit waarschuwingslampje knippert wanneer er een probleem wordt aangegeven in het elektrisch circuit dat de motor controleert. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar “()” te draaien. Als het waarschu-wingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAU38914
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het con-
trolelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
OPMERKING
Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook storingen in de circuits van het startblokkeersysteem. Als het startblokkeersysteem niet goed werkt, zal het controlelampje in een bepaald patroon knipperen wanneer de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. Als het controlelampje eerst vijfmaal langzaam knippert en dan herhaaldelijk tweemaal snel, betreft het mogelijk een signaalstoring. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.
- Start de motor met behulp van de co-deersleutel.
OPMERKING
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
DAU11591
Snelheidsmeter

- Snelheidsmeter
ALLEEN VOOR GROOT-BRITTANNIË

De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
DAUM1471
Brandstofniveaumeter

- Brandstofniveaumeter
- Waarschuwingslampje brandstofniveau
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De naald beweegt naar "E" (leeg) naarmate het brandstofniveau daalt. Wanneer de brandstof in de tank ongeveer 2.7 L (0.72 US gal, 0.60 Imp.gal) bereikt, gaat het waarschuwingslampje brandstofniveau branden en schakelt het multifunctionele display automatisch naar de "Trip/fuel"-modus. (Zie pagina 3-5.) Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
OPMERKING
Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12173
Temperatuurmeter koelvloeistof

ZAUM0689
- Rode zone
Met de contactsleutel in de stand "ON" geeft de temperatuurmeter voor koelvloeistof de temperatuur van de koelvloeistof aan. De koelvloeistoftemperatuur is afhankelijk van de weersomstandigheden en de motorbelasting. Als de naald bij of in de rode zone staat, zet de machine dan stil en laat de motor afkoelen. (Zie pagina 6-33.)
DCA10021
LET OP
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
DAUM2750
Multifunctioneel display

ZALR90578
- "MODE"-toets
- Multifunctioneel display
- "SET"-toets
DWA12312
WAARSCHUWING
Zet de machine stil voordat u wijzigingen aanbrengt in de instellingen van het multifunctionele display. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
- een kilometerteller (die de totale afgelegde afstand toont)
- twee rittellers (die de afgelegde afstand tonen sinds deze voor het laatst op nul zijn gezet, de tijd die is verlopen
sinds de rittellers op nul zijn gezet en de gemiddelde gereden snelheid gedurende deze tijd)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
•een klok
●een omgevingstemperatuurweergave - een indicator olieverversing (die gaat branden wanneer de motorolie moet worden ververst)
OPMERKING
●Voor het Verenigd Koninkrijk wordt de afgelegde afstand aangegeven in mijlen en wordt de temperatuur aangegeven in °F.
●Voor andere landen wordt de afgelegde afstand aangegeven in kilometers en wordt de temperatuur aangegeven in °C.
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de "MODE"-toets wisselt de weergave in de onderstaande volgorde tussen kilometerteller "Total" en ritteller "Trip":
De kilometerteller Trip/fuel wordt alleen geactiveerd wanneer het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden.
Door indrukken van de "SET"-toets in de kilometertellermodus wisselt de weergave in de onderstaande volgorde tussen de verschillende kilometertellerfuncties:
Trip 1 of Trip 2 → Time (tijd) 1 of 2 → Gemiddelde snelheid 1 of 2 → Trip 1 of Trip 2

- Afstand
- Tijd
- Gemiddelde snelheid
Als het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden (Zie pagina 3-4.), wisselt de weergave automatisch naar de brandstofreserve-ritteller "Trip/fuel" en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de "MODE"-toets in de onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
Als u de ritteller op nul wilt terugstellen, selecteert u deze met een druk op de "MODE"-toets, waarna u de "SET"-toets minstens 1 seconde lang ingedrukt houdt. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
Klokweergave
De klok op tijd zetten:
- Houd de "SET"-toets minstens 2 seconden lang ingedrukt terwijl de weergave "Total" actief is.
- Als de uuraanduiding begint te knippe-ren, drukt u op de "SET"-toets om de uren in te stellen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

ZAUM1084
- Druk op de "MODE"-toets en de minu- tenaanduiding zal gaan knipperen.
- Druk op de "SET"-toets om de minuten in te stellen.
- Druk op de "MODE"-toets en laat deze dan los om de klok te starten. De weergave keert weer terug naar de modus "Total".

ZAUM089s
Omgevingstemperatuurweergave

ZAURNEE
- Waarschuwingslampje vorst "
- Minteken
- Temperatuur
Deze weergave toont de omgevingstemperatuur vanaf -30°C (-86°F) tot 50°C (122°F).
Het waarschuwingslampje vorst "★" gaat automatisch branden als de temperatuur lager is dan 3 °C (37 °F).
Indicator olieverversing "OIL"

ZAUMOEN
- Indicator olieverversing "OIL"
De motorolie moet worden ververst wanneer deze indicator gaat branden. De indicator blijft branden totdat deze wordt teruggesteld. Nadat de motorolie is ververst, stelt u de indicator als volgt terug.
- Draai de sleutel naar "ON". Houd de "MODE"-toets en de "SET"-toets ingedrukt en draai de sleutel naar "OFF". Draai vervolgens de sleutel weer naar "ON".
- Houd de "MODE"-toets en de "SET"-toets nog twee tot vijf seconden ingedrukt.
- Laat de toetsen los. De indicator olieverversing zal nu uitgaan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING
- De indicator olieverversing gaat branden na de eerste 1000 km (600 mi), 5000 km (3000 mi) na de eerste 1000 km (600 mi) en daarna om de 6000 km (3600 mi).
●Als de motorolie werd ververst voordat de indicator olieverversing brandde (dus voordat de intervalperiode voor olieverversing was verstreken), moet de indicator na de olieverversing worden teruggesteld zodat het eerstvolgende tijdstip voor olieverversing weer correct wordt aangegeven. Na het terugstellen brandt de indicator gedurende twee seconden. Als de indicator niet gaat branden, herhaalt u de procedure.
DAU1234A
Stuurschakelaars
Links

- Dimlicht- "lichtsignaal-" - schakelaar
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Claxonschakelaar "
Rechts

Dimlichtschakelaar "L" Zet deze schakelaar op "voor grootlicht en op "voor dimlicht. Druk de schakelaar in de dimlichtstand omlaag om een lichtsignaal te geven met de koplamp.
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar "L" Druk deze schakelaar naar "om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar "om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12721
Startknop “(3) Druk met de zijstandaard omhoog op deze knop terwijl u de voor- of achterrem bekrachtigt om de motor te starten met de startmotor. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12901
DAU12951
DAUM2161
Voorremhendel

- Voorremhendel
De voorremhendel bevindt zich aan de rechterzijde van het stuur. Trek deze hendel naar de gasgreep toe om de voorrem te bekrachtigen.
Achterremhendel

- Achterremhendel
De achterremhendel bevindt zich aan de linkerzijde van het stuur. Trek deze hendel naar het stuur toe om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop
Openen van de tankdop

- Tankdop
-
Tankdopdeksel
-
Open het tankdopdeksel door het voorste gedeelte omlaag te drukken.
-
Steek de sleutel in het slot en draai hem rechtsom.
Sluiten van de tankdop
- Zet de uitlijnmerktekens tegenover elkaar en druk de tankdop in zijn oorspronkelijke positie.
- Draai de sleutel linksom en neem hem uit.
- Sluit het tankdopdeksel.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DWA11091
WAARSCHUWING
Na het tanken moet de tankdop goed worden aangedraaid. Door brandstoflekkage ontstaat brandgevaar.
DAU13212
Brandstof
Controleer of er voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is.
DWA10881
WAARSCHUWING
Benzine en benzinedampen zijn zeer brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te voorkomen en het letselrisico tijdens het tanken te verlagen.
- Zet alvorens te tanken de motor af en zorg dat er niemand op de machine zit. Rook nooit tijdens het tanken en tank nooit in de nabijheid van vonken, open vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en kledingdrogers.
- Maak de brandstoftank niet te vol. Stop met vullen zodra de brandstof de onderkant van de vulhals heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet als deze warm wordt, kan de warmte van de motor of de zon ervoor zorgen dat brandstof uit de brandstoftank stroomt.

ZHAOBO
- Vulpijp brandstoftank
-
Maximaal brandstofniveau
-
Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste brandstof onmiddellijk af met een schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan aantasten.[DCA10071]
-
Draai de tankdop stevig vast.
DWA15151
WAARSCHUWING
Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om met benzine. Probeer nooit om benzine via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen heeft gekregen. Als benzine op uw huid
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
terechtkomt, was deze dan af met water en zeep. Als u benzine op uw kleding morst, trek dan andere kleding aan.
DAU43422
Voorgeschreven brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine Inhoud brandstoftank:
10.5 L (2.77 US gal, 2.31 Imp.gal) Hoeveelheid reservebrandstof (als de waarschuwingsindicator brandstofniveau knippert):
2.7 L (0.72 US gal, 0.60 Imp.gal)
DCA11400
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van loodvrije superbenzine met een octaangetal van RON 95 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13445
Uitlaatkatalysatoren
Dit voertuig is uitgerust met uitlaatkatalysatoren in het uitlaatsysteem.
DWA10862
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende om brandgevaar of brandwonden te voorkomen:
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
●Parkeer de machine op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
- Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
●Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang stationair draaien kan leiden tot oververhitting.
DCA10701
LET OP
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13932
Zadel
Openen van het zadel
- Zet de scooter op de middenbok.
- Steek de sleutel in het contactslot en draai deze dan linksom naar "OPEN".

- Openen.
OPMERKING
Druk de sleutel niet in terwijl u deze draait.
- Klap het zadel omhoog.
Sluiten van het zadel
- Klap het zadel omlaag en druk dan aan om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit het contactslot als de scooter onbeheerd wordt achtergelaten.
OPMERKING
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
DAUM2522
Opbergcompartimenten
Opbergcompartiment voorzijde

- Vergrendelen.
- Voorste opbergcompartiment
Om het opbergcompartiment te openen Steek de sleutel in het slot, draai een kwart- slag rechtsom, en trek er dan aan om het deksel van het opbergcompartiment te openen.
Om het opbergcompartiment te sluiten Duw het deksel van het opbergcompartiment in de originele positie, en verwijder dan de sleutel.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DWA11191
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 1 kg (2 lb) voor het voorste opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 185 kg (408 lb) voor het voertuig niet.
Achterste opbergcompartiment

- Achterste opbergcompartiment
Onder het zadel is een opbergcompartiment aanwezig. (Zie pagina 3-12.)
DWAT1051
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 5 kg (11 lb) voor het achterste opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 185 kg (408 lb) voor het voertuig niet.
DCA10081
LET OP
Let op het volgende bij het gebruik van het opbergcompartiment.
- Het opbergcompartiment wordt warm bij blootstelling aan zon en/of warmte van de motor, dus bewaar er geen etenswaren of voorwerpen in die slecht tegen warmte kunnen of die ontvlambaar zijn.
- Stop natte voorwerpen in een plastic zak alvorens deze in het opbergcompartment mee te nemen om te voorkomen dat het vocht zich door het opbergcompartment verspreidt.
- Het opbergcompartiment kan nat worden als de scooter wordt gereinigd, dus stop voorwerpen die u wilt meenemen ter bescherming in een plastic zak.
●Bewaar geen waardevolle of breekbare voorwerpen in het opbergcompartment.
Als u een helm wilt opbergen in het opberg-compartiment, moet de helm worden ge-plaatst met de voorkant naar achteren.
OPMERKING
- Sommige helmen kunnen vanwege hun grootte of vorm niet worden weggeborgen in het opbergcompartiment.
●Laat uw scooter niet onbeheerd achter met het zadel open.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAUM2490
DWA10920
Kuipruit
Al naar gelang de voorkeur van de bestuurder, kan de kuipruithoogte in vier verschillende standen worden gezet.
De kuipruithoogte aanpassen
- Verwijder de bouten aan beide zijden van de kuipruit.

-
Kuipruit
-
Bout
-
Zet de kuipruit in de gewenste stand.
- Breng de bouten aan en zet deze vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Kuipruitbout:
4 Nm (0.4 m·kgf, 2.9 ft·lbf)
WAARSCHUWING
Na aanpassing van de kuipruit:
- Bevestig de kuipruitbouten stevig.
●Draai het stuur naar linke en rechts om te controleren of het stuur niet geblokkeerd is en of de kuipruit geen contact maakt met andere onderdelen. - Open het gas en controleer of de gasgrip correct terugkeert na losla- ten; anders kan dit leiden tot een ongeval of ernstig letsel.
Afstellen van de schokdemperunits
DWA10210
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Elke schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10101
LET OP
Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.
Stel de veervoorspanning als volgt af.
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring op beide schokdemperunits in de richting (b).
Zet de gewenste inkeping in de stelring te- genover de positie-indicator op de schok- demper.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Stelring veervoorspanning
- Positie-indicator
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
2
Maximum (hard):
4
Bagagedrager
DAU15112
DWA10171
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 5 kg (11 lb) voor de bagagedrager niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 185 kg (408 lb) voor het voertuig niet.

- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 3 kg (7 lb) voor de bagagehaak niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 185 kg (408 lb) voor het voertuig niet.

- Bagagehaak
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Zijstandaard
DAU15305

- Zijstandaardschakelaar
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie de volgende paragraaf voor een uitleg over het startspersysteem.)
DWA10241

WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok-
ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de bestuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn verantwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Controleer dit systeem daarom regelmatig en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
DAU45052
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar en de remlichtschakelaars deel uitmaken) heeft de volgende functies:
- Het verhindert starten wanneer de zijstandaard is opgetrokken, terwijl geen der remmen is bekrachtigd.
- Het verhindert starten wanneer een der remmen is bekrachtigd, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor af zodra de zijstandaard omlaag bewogen wordt.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande procedure.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
![graph TD A["Start de motor?"] --> B["NEE JA"] B --> C["Met de motor nog uit: 6. Beweeg de zijstandaard omhoog.<br>7. Knijp de voor- of achterrem in en houd deze vast.<br>8. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"] C --> D["JA NEE"] D --> E["Met de motor nog aan: 9. Beweeg de zijstandaard omlaag.<b…](/content/2026/06/1144789/images/5fad18882950404b0a9ab2c2b62811afd9ea76b3ecf5ad3a05799c7d5e04af19.jpg)
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
DAU15596
Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema's en procedures voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.
DWA11151
WAARSCHUWING
Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.
Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Brandstof | • Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.• Vul indien nodig brandstof bij.• Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-10 |
| Motorolie | • Controleer het olieniveau in de motor.• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer de machine op olielekkage. | 6-10 |
| Versnellingsbakolie • Controleer | de machine op olielekkage. 6-13 | |
| Koelvloeistof | • Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-14 |
| Voorrem | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage.• Vervang indien nodig.• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het voorgeschreven type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-19, 6-20, 6-21 |
VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Achterrem | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage.• Vervang indien nodig.• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het voorgeschreven type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-19, 6-20, 6-21 |
| Gasgreep | • Controleer of de werking soepel is.• Controleer de vrije slag van de gasgreep.• Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de gasgreep af te stellen en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-16, 6-23 |
| Wielen en banden | • Controleer op schade.• Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | 6-17, 6-19 |
| Remhendels | • Controleer of de werking soepel is.• Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-23 |
| Middenbok, zijstandaard | • Controleer of de werking soepel is.• Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-23 |
| Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.• Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | • Controleer de werking.• Corrigeer indien nodig. | — |
| Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking van het startspersysteem.• Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren. | 3-16 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15951
DAU45310
DAUM2233
Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.
DWA10271
WAARSCHUWING
Een onvoldoende vertrouwdheid met de bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een ongeval of letsel tot gevolg.
OPMERKING
Dit model is uitgerust met een hellingshoeksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. Om de motor na een kanteling weer te starten zet u het contactslot eerst op "OFF" en daarna op "ON". Als u dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld als u op de startknop drukt.
Starten van de motor
DCA10250
LET OP
Zie pagina 5-4 voor instructies over het inrijden van de motor alvorens de machine in gebruik wordt genomen.
Het startspersysteem staat starten alleen toe als de zijstandaard is opgetrokken. Zie pagina 3-16 voor meer informatie.
- Draai de sleutel naar "ON".
De volgende waarschuwingslampjes en het controlelampje moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje brand-stofniveau
●Waarschuwingslampje motorstoring
●Controlelampje startblokkering
DCA11B33
LET OP
Als een waarschuwings- of controle-lampje niet gaat branden wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, of wanneer een waarschuwings- of controle-lampje niet dooft, zie dan pagina 3-3 voor een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controle-lampje.
- Sluit de gasklep volledig.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
- Start de motor door de startknop in te drukken terwijl de voor- of achterrem wordt bekrachtigd.
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden achtereen draaien. Als de motor niet wil starten draai dan de gasgreep 1/8 slag open en probeer het nog eens.
DCA11042
LET OP
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
DAU16761
Wegrijden
OPMERKING
Laat de motor warmdraaien voordat u wegrijdt.
- Houd met uw linkerhand de achterremhendel ingedrukt, houd met uw rechterhand de rechterhandgreep vast en duw de scooter van de middenbok af.

- Achterremhendel
- Startknop
- Voorremhendel

-
Handgreep
-
Ga schrijlings op het zadel zitten en stel de achteruitkijkspiegels af.
- Zet de richtingaanwijzers aan.
- Controleer op tegemoetkomend verkeer en draai voorzichtig aan de gasgreep (rechts) om weg te rijden.
- Schakel de richtingaanwijzers uit.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16780
Sneller en langzamer rijden

De rijsnelheid wordt geregeld door de gasgreep open of dicht te draaien. Draai de gasgreep richting (a) om sneller te gaan rijden. Draai de gasgreep richting (b) om langzamer te gaan rijden.
DAU16793
DWA10300
Remmen
WAARSCHUWING
●Vermijd hard en abrupt remmen (met name wanneer u naar één kant overhelt). De scooter zou namelijk kunnen slippen of omvallen.
●Spoorwegovergangen, tramrails, ijzeren platen gebruikt in de wegenbouw en putdeksels worden in natte toestand zeer glad. U dient deze obstakels daarom met aangepaste snelheid te naderen en voorzichtig te passeren.
- Onthoud dat remmen op een nat wegdek veel moeilijker is.
●Rijd langzaam heuvelafwaarts, remmen kan tijdens afdalingen soms lastig zijn.
- Sluit de gasklep volledig.
- Bekrachtig de voor- en achterrem gelijktijdig en oefen daarbij geleidelijk meer druk uit.

Tips voor een zuinig brandstof-verbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
- Voer het motortoerental tijdens acce- lereren niet te hoog op.
- Voer het toerental niet te hoog op terwijl de motor onbelast draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
DAU16830
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1000 km (600 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit gedurende de eerste 1000 km (600 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAUM2281
0–500 km (0–300 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij 1/3 opengedraaid.
500–1000 km (300–600 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij 1/2 opengedraaid. LET OP: Na 1000 km (600 mi) moeten de motorolie en de eindoverbrengingsolie worden ververst en moet het oliefilterelement worden vervangen.
[DCAM1091]
1000 km (600 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10270
LET OP
Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17213
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10311
! WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
●Parkeer nooit op een helling of een zachte ondergrond, hierdoor kan de machine kantelen met mogelijk brandstoflekkage en brand tot gevolg.
●Parkeer niet nabij gras of andere brandbare materialen die vlam zou-den kunnen vatten.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17244
Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, af- stellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in de periodieke onderhoudsschema's moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk van het weer, het terrein, de geografische locatie en individueel gebruik.
DWA10321
WAARSCHUWING
Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de machine. Als u niet bekend bent met voertuigonderhoud, laat het onderhoud dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.
DWA15122
WAARSCHUWING
Zet voor het uitvoeren van onderhoud de motor af tenzij anders aangegeven.
●Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of brand kunnen veroorzaken.
- Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergifting, mogelijk met de dood tot gevolg. Zie pagina 1-2 voor meer informatie over koolmonoxide.
DWA15460
WAARSCHUWING
Remschijven, -klauwen, -trommels en -voeringen kunnen tijdens het gebruik zeer heet worden. Laat onderdelen van het remsysteem afkoelen alvorens deze aan te raken.
DAU17302
Emissiecontroles zorgen niet alleen voor een betere luchtkwaliteit, maar zijn ook zeer belangrijk voor een juiste werking van de motor en om maximale prestaties te behalen. In de volgende periodieke onderhoudsschema's is het emissiecontroleonderhoud apart gegroepeerd. Dit onderhoud vereist gespecialiseerde gegevens, kennis en gereedschap. Onderhoud, vervanging, of reparatie van emissiecontroleapparatuur en -systemen kan door elke gecertificeerde reparateur worden uitgevoerd (indien van toepassing). Yamaha dealers beschikken over de training en het gereedschap om dit onderhoud uit te voeren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU17471
Boordgereedschapset
De boordgereedschapset is te vinden in het achterste opbergcompartiment. (Zie pagina 3-12.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel vereist zijn.
OPMERKING
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU46871
OPMERKING
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
- Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 30000 km (17500 mi), beginnend vanaf 6000 km (3500 mi).
- Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem
DAU46920
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 6000 km(3500 mi) | 12000 km(7000 mi) | 18000 km(10500 mi) | 24000 km(14000 mi) | |||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | Bougie | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand af-stellen. | √ | √ | |||||
| • Vervangen. √ | √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 4 | * | Brandstofinjectie | • Controleer het stationair toerental. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 5 | * | Uitlaatdemper en uitlaatpijp | • Controleer of de schroef-klem(men) goed vastzit(ten). | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Algemeen smeer- en onderhoudsschema
DAU17717
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 6000 km(3500 mi) | 12000 km(7000 mi) | 18000 km(10500 mi) | 24000 km(14000 mi) | |||||
| 1 | * | Luchtfilterelement | • Vervangen. | √ | √ | ||||
| 2 | Luchtfilterelementin v-snaarbehuizing | • Reinigen. √ √ | √ | √ | |||||
| 3 | * | Voorrem | • Controleer de werking en hetvloeistofniveau en controleer demachine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 4 | * | Achterrem | • Controleer de werking en hetvloeistofniveau en controleer demachine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 5 | * | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en be-schadigingen.• Zorg voor een correcte plaatsingvan slang(en) en klem(men). | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 6 | * | Wielen | • Controleer de speling en contro-leer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 7 | * | Banden | • Controleer op slijtage en bescha-digingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 8 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of bescha-digingen. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 6000 km(3500 mi) | 12000 km(7000 mi) | 18000 km(10500 mi) | 24000 km(14000 mi) | |||||
| 9 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op spelingen oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. Elke 24000 km (14000 mi) | |||||||||
| 10 | * | Framebevestigin-gen | • Controleer of alle moeren, boutenen schroeven stevig zijn vastge-zet. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 11 | Scharnieras vanvoorremhendel | • Smeren met siliconenvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 12 | Scharnieras vanachterremhendel | • Smeren met siliconenvet. √ | √ | √ | √ | √ | |||
| 13 | Zijstandaard, mid-denbok | • Controleer de werking.• Smeren met lithiumvet. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 14 | * | Zijstandaardscha-kelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 15 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte wer-king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 16 | * | Schokdemperunits | • Controleer op een correcte wer-king en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 17 | Motorolie | • Verversen. (Zie pagina 3-3.) √ | Wanneer het controlelampje olieverversingstermijn gaat branden[5000 km (3000 mi) na de eerste 1000 km (600 mi) en daarna elke6000 km (3500 mi)] | ||||||
| • Controleer het olieniveau en con-troleer de machine op olielekka-ge. | Elke 3000 km (1800 mi) √ | ||||||||
| 18 | Olefilterelement • Vervangen. √ √ | √ | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURT | KILOMETERSTAND | JAARLIJK-SE CON-TROLE | |||||
| 1000 km(600 mi) | 6000 km(3500 mi) | 12000 km(7000 mi) | 18000 km(10500 mi) | 24000 km(14000 mi) | |||||
| 19 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Vervang koelvloeistof. Elke 3 jaar | |||||||||
| 20 | * | Versnellingsbakolie | • Controleer de machine op olielek-kage. | √ | √ | √ | |||
| • Verversen. √ | √ | √ | |||||||
| 21 | * | V-snaar • Vervangen. Elke 18000 km (10500 mi) | |||||||
| 22 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 23 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| 24 | * | Gasgreep | • Controleer de werking.• Controleer de vrije slag van de gasgreep en stel deze indien no-dig af.• Smeer de kabel en het kabelhuis. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 25 | * | Lampen, richtin-gaanwijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
DAU18670
OPMERKING
- Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
●Hydraulisch remsysteem - Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU18712
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.

- Stroomlijnpaneel A

Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Verwijder de schroeven in het stroomlijnpaneel.

- Stroomlijnpaneel A
-
Schroef
-
Maak de koplampstekker en de richtingaanwijzerstekkers los.

- Kabelboomstekker richtingaanwijzer
- Koplampstekker
- Trek het stroomlijnpaneel los.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Sluit de koplampstekker en de richtingaanwijzerstekkers aan.
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAU19482
Paneel A
Verwijderen van het paneel
- Open het zadel. (Zie pagina 3-12.)
- Verwijder de schroeven en trek het paneel los zoals getoond.

Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAU19210
Paneel B
Verwijderen van het paneel
Verwijder de schroeven en haal het paneel los.

Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven aan.
DAU19622
Bougie controleren
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat periodiek moet worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moet de bougie worden verwijderd en gecontroleerd op de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor worden afgelezen.
De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden). Wanneer de bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang de bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige kool-aanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voorgeschreven bougie:
NGK/CPR9EA-9
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.
verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.

- Elektrodenafstand
Elektrodenafstand:
Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
OPMERKING
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag
DAUM2271
Motorolie
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema en wanneer het controlelampje olieverversingstermijn gaat branden.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de scooter op de middenbok. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
- Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen, verwijder de olie-vuldop, veeg de peilstok schoon, steek deze weer in de vulopening (zonder vast te draaien) en neem dan weer uit om het olieniveau te controleren.
OPMERKING
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

-
Olievuldop
-
Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
- Steek de peilstok in de vulopening en draai dan de olievuldop vast.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van het oliefilterelement)
- Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
- Zet een olieopvangbak onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.

- Olieaftapplug
- Controleer of de onderlegring van de aftapplug beschadigd is en vervang hem indien nodig.

Sla de stappen 5–9 over als het oliefilterelement niet wordt vervangen.
- Verwijder het oliefilterdeksel door de bouten te verwijderen.

- Oliefilterdeksel
- Verwijder het oliefilterelement en de o-ring.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Oliefilterelement
- O-ring
-
Oliefilterdeksel
-
Controleer de o-ring op beschadiging en vervang hem indien nodig.
- Monteer het nieuwe oliefilterelement en een o-ring.
- Monteer het oliefilterdeksel door de bouten aan te brengen en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bevestigingsbout oliefilterdeksel:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
OPMERKING
Zorg dat de o-ring correct aanligt.
- Breng de onderlegring en de olieaftap- plug aan en zet de plug dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
20 Nm (2.0 m·kgf, 14 ft·lbf)
OPMERKING
Controleer of de onderlegring correct aan- ligt.
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, breng dan de olievuldop aan en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid bij verversing:
Zonder vervanging van het oliefilte- relement:
1.40 L (1.48 US qt, 1.23 Imp.qt)
Met vervanging van het oliefilterelement:
1.50 L (1.59 US qt, 1.32 Imp.qt)
OPMERKING
Veeg enige gemorste olie af nadat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.
DCA11670
LET OP
-Gebruik geen olie met een "CD"-dieselspecificatie of een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen olie met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
- Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
- Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
- Stel de indicator olieverversing terug. (Zie pagina 3-7.)
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU20066
Eindoverbrengingsolie
Het eindoverbrengingshuis moet voor elke rit worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de scooter door een Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Bovendien dient de eindoverbrengingsolie als volgt te worden ververst op de tijdstippen vermeld in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
- Start de motor, warm de eindoverbren-gingsolie op door enkele minuten te rij-den en zet dan de motor af.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Plaats een olieopvangbak onder het eindoverbrengingshuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de vuldop van de eindoverbrengingsolie met de o-ring uit het eindoverbrengingshuis.

-
Vuldop versnellingsbakolie
-
Verwijder de aftapplug van de eindoverbrengingsolie met de pakking om de olie uit het eindoverbrengingshuis te laten stromen.

-
Aftapplug versnellingsbakolie
-
Monteer de aftapplug van de eindoverbrengingsolie met de nieuwe pakking en zet de bout vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Aftapplug eindoverbrengingsolie: 20 Nm (2.0 m·kgf, 14 ft·lbf)
- Vul met de aangegeven hoeveelheid van de aanbevolen eindoverbrengingsolie. WAARSCHUWING! Zorg ervoor dat geen vreemde materialen in het eindoverbrengingshuis te-
rechtkomen. Zorg ervoor dat geen olie op de band of het wiel terecht- komt. [DWA11311]
Aanbevolen eindoverbrengingsolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
0.21 L (0.22 US qt, 0.18 Imp.qt)
- Plaats de vuldop van de eindoverbren-gingsolie met de nieuwe o-ring en draai de vuldop vast.
- Controleer het eindoverbrengingshuis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAUM2102
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau via het kijkglas.
OPMERKING
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als het koelvloeistofniveau zich op of onder de merkstreep voor minimumniveau bevindt, verwijder dan het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.)
- Open de dop van het koelvloeistofreservoir, en vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau. WAARSCHUWING! Verwijder alleen de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiator-vuldop te verwijderen als de motor koud is. [DWA15161] LET OP: Als er geen koelvloeistof aanwezig is, gebruik dan in plaats daarvan gedistilleerd water of onthard leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, dit is schadelijk voor de motor. Als er in plaats van koelvloeistof water is gebruikt, vervang dit dan zo snel
mogelijk door koelvloeistof, anders is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water aan de koelvloeistof is toegevoegd, laat dan een Yamaha dealer zo snel mogelijk het antivriesgehalte van de koelvloeistof controleren om te voorkomen dat de effectiviteit van de koelvloeistof afneemt. [DCA10472]

Inhoud koelvloeistofreservoir: 0.20 L (0.21 US qt, 0.18 Imp.qt)
- Sluit de reservoirdop en breng het stroomlijnpaneel aan.
DAU33031
De koelvloeistof verversen
De koelvloeistof moet volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema ververst worden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Laat de koelvloeistof verversen door een Yamaha dealer. WAARSCHUWING! Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor warm is. [DWA10361]
DAUM2242
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing reinigen
Het luchtfilterelement moet worden vervangen en het luchtfilterelement in de v-snaarbehuizing moet worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig de luchtfilterelementen vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
Het luchtfilterelement vervangen
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.

- Luchtfilterdeksel
- Schroef
-
Luchtfilterelement
-
Trek het luchtfilterelement uit.
-
Breng een nieuw luchtfilterelement aan in het luchtfilterhuis.
-
Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
Reinigen van het luchtfilterelement in de v-snaarbehuizing
- Verwijder de luchtfilterdeksels op de v-snaarbehuizing door de schroeven te verwijderen.

-
Luchtfilterdeksel v-snaarbehuizing
-
Schroef
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Schroef
- Luchtfilterdeksel v-snaarbehuizing
- Verwijder het luchtfilterelement en blaas vervolgens het vuil weg met perslucht zoals getoond.

-
Luchtfilterelement in V-snaarbehuizing
-
Controleer het luchtfilterelement op beschadiging en vervang het indien nodig.
-
Breng het luchtfilterelement aan met de gekleurde kant naar buiten.
- Bevestig de luchtfilterdeksels in de v-snaarbehuizing door de schroeven aan te brengen. LET OP: Zorg ervoor dat elk filterelement goed aanligt in de behuizing. Laat de motor nooit draaien met de filterelementen uitgenomen, hierdoor kunnen de zuiger(s) en/of cilinder(s) overmatig versleten raken. [DCA10531]
- Breng het luchtfilterelement aan met de gekleurde kant naar buiten.
- Bevestig de luchtfilterdeksels in de v-snaarbehuizing door de schroeven aan te brengen. LET OP: Zorg ervoor dat elk filterelement goed aanligt in de behuizing. Laat de motor nooit draaien met de filterelementen uitgenomen, hierdoor kunnen de zuiger(s) en/of cilinder(s) overmatig versleten raken. [DCA10531]
DAU21384
De vrije slag van de gasgreep controleren

- Vrije slag van gasgreep
De vrije slag van de gasgreep dient bij de binnenrand van de gasgreep 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen. Controleer de vrije slag van de gasgreep regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU21401
DAUM2044
Klepspeling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Banden
Banden zijn het enige contact tussen de machine en het wegdek. Veiligheid onder alle rijomstandigheden hangt af van een relatief klein contactoppervlak met het wegdek. Het is daarom essentieel om de banden te allen tijde in een goede conditie te houden en deze op tijd te vervangen door de voorgeschreven banden.
Bandenspanning

De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10503
WAARSCHUWING
Rijden met deze machine met een on- juiste bandenspanning kan leiden tot verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandenspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
170 kPa (1.70 kgf/cm², 25 psi)
Achter:
190 kPa (1.90 kgf/cm², 28 psi)
* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DWA10511
WAARSCHUWING
Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.
Inspectie van banden

ZAUM1054
- Bandprofieldiepte
- Wang van band
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
Dit model is uitgerust met tubeless banden. Banden verouderen, zelfs als ze niet of slechts sporadisch zijn gebruikt. Scheuren in het rubber van het loopvlak en de wang van de band, soms in combinatie met vervorming van het karkas, zijn een teken van veroudering. Oude banden moeten worden gecontroleerd door bandenspecialisten om na te gaan of ze geschikt zijn voor verder gebruik.
Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat:
120/70-16 M/C 57P
Fabrikant/model:
PIRELLI/SPORT DEMON
FRONT
Achterband:
Maat:
140/70-15 M/C 69P
Fabrikant/model:
PIRELLI/SPORT DEMON
DWA10471
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt om dit te doen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
DAU21962
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.
●Voor elke rit moeten de velgranden worden gecontroleerd op scheurtjes, verbuiging, kromheid of andere schade. Laat in geval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
Vrije slag voor- en achterremhen- del
Voor

Aan de uiteinden van de remhendels mag geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch een vrije slag is, laat dan een Yamaha dealer het remsysteem inspecteren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DWA14211
WAARSCHUWING
Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het hydraulisch systeem aanwezig is. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, laat dan het systeem door een Yamaha dealer ontluchten voordat de machine wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch systeem heeft een negatief effect op de remwerking, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen met een ongeluk als gevolg.
DAU22392
Controleren van voor- en achter- remblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22420
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroef om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen, vraag dan een Yamaha-dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22500
Remblokken achterrem

ZAU90561
1. Remvoeringdikte
Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 0.8 mm (0.03 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU22581
Controleren van remvloeistofni-veau
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat. Meet het remvloeistof-niveau en let erop dat de bovenzijde van het reservoir horizontaal staat. Vul indien nodig remvloeistof bij.
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
DWA15990
WAARSCHUWING
Onjuist uitgevoerd onderhoud kan resulteren in verlies van remvermogen. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
-
Bij een te laag remvloeistofniveau kan lucht binnendringen in het remsysteem, waardoor de remprestaties afnemen.
●Reinig de reservoirdop alvorens deze te verwijderen. Gebruik uitsluitend DOT 4 remvloeistof uit een on-aangebroken verpakking. -
Gebruik uitsluitend de aanbevolen remvloeistof, anders kunnen de rubberafdichtingen beschadigd raken met lekkage tot gevolg.
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Toevoeging van een ander type remvloeistof dan DOT 4 kan resulteren in een schadelijke chemische reactie.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
DCA17640
LET OP
Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen beschadigen. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Een laag remvloeistofniveau kan duiden op versleten remblokken en/of lekkage in het remsysteem. Controleer daarom de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage. Vraag als het remvloeistofniveau
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
plotseling sterk is gedaald een Yamaha dealer om een inspectie alvorens verder te rijden.
DAU22721
Remvloeistof verversen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinder, de remklauwen en de remslang vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
●Vloeistofafdichtingen: Vervang elke twee jaar.
●Remslang: Vervang elke vier jaar.
DAU23095
Kabels controleren en smeren
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt. WAARSCHUWING! Schade aan de buitenbehuizing van kabels kan leiden tot interne roestvorming en storing veroorzaken met de beweging van kabels. Vervang beschadigde kabels zo snel mogelijk om onveilige omstandigheden te voorkomen. [DWA10711]
Aanbevolen smeermiddel:
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Daarnaast moet de kabel door een Yamaha dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.
De gaskabel is voorzien van een rubber afdekking. Zorg ervoor dat de afdekking stevig is aangebracht. Zelfs als de afdekking correct is aangebracht, is de kabel niet volledig beschermd tegen binnendringend water. Let er daarom op dat er geen water direct op de afdekking of kabel komt bij het wassen van de machine. Als de kabel of de afdekking vies wordt, wrijf deze dan schoon met een vochtige doek.
DAU23172
Smeren van voor- en achterrem- hendels

De scharnierpunten van de voor- en achterremhendels moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel:
Siliconenvet
DAU23213
Middenbok en zijstandaard con- troleren en smeren

- Zijstandaard

De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DWA10741
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren. Een slecht functionerende middenbok of zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAU23272
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
-
Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
-
Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAU45511
Stuursysteem controleren
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Zet de machine op de middenbok. WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.
[DWA10751]
- Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling wordt gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
DAU23396
Accu

De accu bevindt zich achter paneel A. (Zie pagina 6-8.)
Dit model is voorzien van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel van belang om de accustekker te controleren en indien nodig stevig aan te drukken.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
●HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUI-TEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontla- den raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DCA16521
LET OP
Voor het opladen van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante span-
ning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als het model langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek. LET OP: Als u de accu verwijdert. draait u eerst de sleutel naar "OFF" en haalt u daarna de stekker los. [DCA16322]
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren. LET OP: Als u de accu installeert, draait u eerst de sleutel naar "OFF" en sluit u daarna de stekker aan. [DCA16930]
DCA16530
LET OP
Houd de accu steeds opgeladen. Stallen van een ontladen accu kan leiden tot permanente accuschade.
DAU23526
Zekeringen vervangen

- Hoofdzekering
- Reservezekering
De hoofdzekeringhouder en het kastje met zekeringen voor afzonderlijke circuits bevinden zich achter paneel A. (Zie pagina 6-8.) Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan. WAARSCHUWING! Gebruik geen zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige schade aan het elektrische systeem en mogelijk brand te voorkomen.
[DWA15131]
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Zekeringenkastje
- Zekering radiatorkoelvin
- Zekering elektronische regeleenheid
- Backup-zekering
- Zekering signaleringssysteem
- Koplampzekering
- Zekering ontstekingssysteem
- Reservezekering
- Reservezekering
- Reservezekering
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Zekering ECU (elektronische rege-
leenheid):
5.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Backup-zekering:
5.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
10.0 A
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAUM2182
Koplampgloeilamp vervangen
De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplamp-gloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
DCA10650
LET OP
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
●Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
●Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

- Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
Koplampgloeilamp voor grootlicht vervangen
- Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de gloeilampkap.

-
Gloeilampkap
-
Haak de gloeilamphouder los door deze linksom te draaien en verwijder de doorgebrande gloeilamp.

-
Gloeilamphouder
-
Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder door rechtsom te draaien.
- Breng de gloeilampkap aan.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
Koplampgloeilamp voor dimlicht vervangen
- Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de gloeilampkap.

-
Gloeilampkap
-
Maak de koplampstekker los.
- Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

- Koplampgloeilamp
-
Koplampstekker
-
Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
- Sluit de koplampstekker aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
- Breng de gloeilampkap aan.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAUT1263
Gloeilamp in voorste richtingaanwijzer vervangen
DCA10670
LET OP
Het is aan te bevelen dit werk uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
- Zet de scooter op de middenbok.
- Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de fitting van de gloeilamp van de richtingaanwijzer (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

-
Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
-
Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUM2191
Vervangen van een gloeilamp voor achterlicht/remlicht of van een gloeilamp voor achterste richtingaanwijzer
- Zet de machine op de middenbok.
- Verwijder het paneel B. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de achterlicht-/remlichtunit door de schroeven los te draaien.

-
Schroef
-
Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

- Gloeilampfitting remlicht/achterlicht
-
Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Breng de schroeven en de achterlicht-/remlichtunit aan.
- Monteer het paneel.
DAUM2202
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.

-
Gloeilampfitting kentekenverlichting
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
DAUM2212
DAU25881
DWA15141
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Dit model is voorzien van twee parkeerlichten. Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-8.)
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
Problemen oplossen
Yamaha scooters ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekings-systemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw scooter echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de scooter correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
WAARSCHUWING
Rook niet tijdens het controleren van het brandstofsysteem en let erop dat er geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan eigendommen tot gevolg.
Storingzoekschema's
DAU42134
Startproblemen of slechte werking van de motor
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet. Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de startmotor.
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougie en controleer de elektroden.
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie.
Bedien de startmotor.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de startmotor.
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond
Controleer de aansluitingen van de accukabels en vraag indien nodig een Yamaha dealer om de accu te laden.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.
![graph TD A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."] B --> C{Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage.} B --> D{Het koelvloeistofniveau is in orde.} C --> E{Er is lekkage.} C --> F{Er is geen lekk…](/content/2026/06/1144789/images/c2f025f1657374dabf2c56f55e340eec3d47fb60a84025376a143eb890acb53c.jpg)
OPMERKING
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
DAU26094
Verzorging
De open constructie van een scooter maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan roestvorming en corrosie optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een scooter is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de scooter, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen en alle elektrische stekkers en aansluitingen, inclusief de bougiedoppen, stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10783
LET OP
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
- Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen, framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting enz.) en de uitlaatdempers beschadigd raken. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met water om kunststof delen te reinigen. Als de kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd, kan een mild reinigingsmiddel met water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kunnen beschadigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij scooters met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of flessenborstel voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnek- kig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvo- rens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zilte zeelucht en wegenzout waarmee wegen in de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING
In de winter gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de scooter met koud water en zachte zeep nadat de motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik geen warm water, dit versnelt de corrosieve werking van het zout. [DCA10791]
- Breng met een spuitbus een corrosie-werend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo cor- rosie te voorkomen.
Na reiniging
- Droog de scooter met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
-
Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.
-
Werk kleine lakbeschadigingen door steenslag e.d. bij.
-
Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
-
Laat de scooter volledig drogen alvo- rens te stallen of af te dekken.
DWA10942
WAARSCHUWING
Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.
- Controleer of er geen olie of was op de remmen of banden zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de scooter in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10800
LET OP
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING
●Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
●Door wassen, regenachtig weer of een vochtig klimaat kan de koplamplens beslagen raken. Inschakelen van de koplamp gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.
Stalling
DAU36563
Korte termijn
Stal uw scooter steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes. Zorg ervoor dat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld alvorens de scooter af te dekken.
DCA10820
LET OP
●Als de scooter wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw scooter gedurende meerdere maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie.
b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan. WAARSCHUWING! Verbind de bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de motor om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen.
[DWA10951]
VERZORGING EN STALLING VAN DE SCOOTER
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de scooter omhoog zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mo- gelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad deze eens per maand bij. Berg de accu niet op een overmatig koude of warme plek op [onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-25 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING
Verricht eventueel noodzakelijke reparaties alvorens de scooter te stallen.
Afmetingen:
Totale lengte:
2175 mm (85.6 in)
Totale breedte:
785 mm (30.9 in)
Totale hoogte:
1475 mm (58.1 in)
Zadelhoogte:
790 mm (31.1 in)
Wielbasis:
1455 mm (57.3 in)
Grondspeling:
165 mm (6.50 in)
Kleinste draaicirkel:
2300 mm (90.6 in)
Gewicht:
Rijklaar gewicht:
167 kg (368 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, SOHC
Cilinderopstelling:
1-cilinder
Slagvolume:
124 cm 3
Boring × slag:
52.0 × 58.6 mm (2.05 × 2.31 in)
Compressieverhouding:
11.20:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterelement:
1.40 L (1.48 US qt, 1.23 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterelement:
1.50 L (1.59 US qt, 1.32 Imp.qt)
Eindoverbrengingsolie:
Type:
SAE 10W-30 type SE motorolie
Hoeveelheid:
0.21 L (0.22 US qt, 0.18 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
0.20 L (0.21 US qt, 0.18 Imp.qt)
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.02 L (1.08 US qt, 0.90 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
10.5 L (2.77 US gal, 2.31 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
2.7 L (0.72 US gal, 0.60 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Gasklephuis:
Het teken van identificatie:
1B91 00
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CPR9EA-9
Elektrodenafstand:
Primaire reductieverhouding:
1.000
Eindoverbrenging:
Tandwiel
Secundaire reductieverhouding:
41/14 × 44/12 (10.73)
Type versnellingbak:
Automatisch, V-snaar
Chassis:
Type frame:
Underbone
Spoorhoek:
26.00 graad
Naspoor:
96 mm (3.8 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
120/70-16 M/C 57P
Fabrikant/model:
PIRELLI/SPORT DEMON FRONT
Achterband:
Type:
Tubeless
Maat:
140/70-15 M/C 69P
Fabrikant/model:
PIRELLI/SPORT DEMON
Belading:
Maximale belasting:
185 kg (408 lb)
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
170 kPa (1.70 kgf/cm², 25 psi)
Achter:
190 kPa (1.90 kgf/cm², 28 psi)
Gewichtsverdeling:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met linkerhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
100.0 mm (3.94 in)
Achterwielophanging:
Type:
Unit swing
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
105.0 mm (4.13 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
GTX9-BS
Voltage, capaciteit:
12 V, 8.0 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Dimlicht:
12 V, 55.0 W × 1
Grootlicht:
12 V, 55.0 W × 1
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Kentekenverlichting:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje richtingaanwijzers:
LED x 2
Controlelampje brandstofniveau:
LED
Waarschuwingslampje motorstoring:
LED
Controlelampje startblokkering:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
10.0 A
Zekering ECU (elektronische regeleenheid):
5.0 A
Backup-zekering:
5.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU48612
Identificatienummers
Noteer het voertuigidentificatienummer en de gegevens op de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze gegevens heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw voertuig is gestolen.
VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:

Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw machine en kan worden gebruikt om deze in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26490
Modelinformatiesticker

- Modelinformatiesticker
De modelinformatiesticker is bevestigd aan de onderzijde van het zadel. (Zie pagina 3-12.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
A
Aandachtspunten voor veilig rijden...... 1-5
Accu.... 6-25
B
Bagagedrager.... 3-15
Bagagehaak 3-15
Banden 6-17
Bougie, controlleren 6-9
Brandstof 3-10
Brandstofniveaumeter 3-4
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.... 5-4
C
Claxonschakelaar.... 3-8
Contactslot/stuurslot 3-2
Controlelampje grootlicht.... 3-3
Controlelampje richtingaanwijzers...... 3-3
Controlelampjes en waarschuwingslampje .... 3-3
Controlelampje startblokkering 3-3
D
Gloeilamp in remlicht/achterlicht of gloeilamp achterste richtingaanwijzer, vervangen.... 6-30
Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen.... 6-30
Gloeilamp richtingaanwijzer (voor), vervangen 6-29
|
Identificatienummers 9-1 Inrijperiode 5-4
K
Kabels, controleren en smeren ......6-22
Klepspeling....6-17
Koelvloeistof....6-14
Koplampgloeilamp, vervangen......6-27
Kuipruit....3-14
L
Luchtfilter en luchtfilterelementen in v-snaarbehuizing....6-15
M
Middenbok en zijstandaard, controleren en smeren....6-23
Modelinformatiesticker 9-1
Motorolie 6-10
0
Onderhoud, uitstootcontrolesysteem .....6-3
Opbergcompartimenten 3-12
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen .....6-31
Parkeren....5-5
Plaats van de onderdelen 2-1
Problemen oplossen 6-31
R
Remhendel, achterrem....3-9
Remhendels, smeren 6-23
Remmen....5-3
Remvloeistofniveau, controlleren......6-21
Remvloeistof, verversen....6-22
Richtingaanwijzerschakelaar....3-8
S
Schokdemperunits, afstellen.... 3-14
Smering en onderhoud, periodiek...... 6-4
Snelheidsmeter.... 3-4
Sneller en langzamer rijden 5-3
Specifications.... 8-1
Stalling 7-3
Startblokkeersysteem 3-1
Starten van de motor 5-1
Startknop 3-8
Startspersysteem.... 3-16
Storingzoekschema's.... 6-32
Stroomlijn- en framepanelen, verwijderen en aanbrengen 6-8
Stuurschakelaars 3-8
Stuursysteem, controleren.... 6-25
T
Tankdop.... 3-9
Temperatuurmeter koelvloeistof 3-5
U
Uitlaatkatalysatoren 3-11
V
Veiligheidsinformatie.... 1-1
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken controleren.... 6-20
Voorremhendel 3-9
Voorvork, controleren 6-24
Vrije slag van gasgreep, controleren .... 6-16
Vrije slag voor- en achterremhendel..... 6-19
w
Waarschuwingslampje motorstoring..... 3-3
Wegrijden.... 5-2
INDEX
Wielen....6-19
Wiellagers controleren 6-25
Z
Zadel 3-12
Zekeringen, vervangen 6-26
Zijstandaard 3-16

YAMAHA
MBK Industrie
Z.I. de Rouvroy 02100 Saint Quentin