Twingo E-Tech Electric (2025) - Automobiel RENAULT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Twingo E-Tech Electric (2025) RENAULT in PDF-formaat.
| Merk | Renault |
| Model | Twingo E-Tech Electric (2025) |
| Categorie | Auto |
| Type aandrijving | Elektrisch |
| Vermogen | 60 kW (82 pk) |
| Koppel | 160 Nm |
| Accucapaciteit | 22 kWh (bruto) |
| Actieradius (WLTP) | ca. 190 km |
| Oplaadtijd (AC 3,7 kW) | ca. 6 uur |
| Snelladen (DC 50 kW) | 0-80% in 30 minuten |
| Lengte | 3615 mm |
| Breedte (zonder spiegels) | 1647 mm |
| Hoogte | 1541 mm |
| Wielbasis | 2490 mm |
| Leeggewicht | ca. 1250 kg |
| Kofferinhoud | 219 liter |
| Aantal zitplaatsen | 5 |
| Bandenspanning voor/achter | 2,4 / 2,6 bar |
| Onderhoudsinterval | Elke 30.000 km of 2 jaar |
| Garantie | 5 jaar / 100.000 km |
Veelgestelde vragen - Twingo E-Tech Electric (2025) RENAULT
Gebruikersvragen over Twingo E-Tech Electric (2025) RENAULT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Twingo E-Tech Electric (2025) - RENAULT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Twingo E-Tech Electric (2025) van het merk RENAULT.
GEBRUIKSAANWIJZING Twingo E-Tech Electric (2025) RENAULT
Welkom aan boord van uw elektrische auto
Dit instructieboekje bevat de benodigde informatie waarmee u:
- uw auto goed leert kennen zodat u alle functies en technische mogelijkheden ten volle kunt benutten.
- de prestaties optimaal kunt houden door het opvolgen van eenvoudige maar uitgebreide adviezen voor regelmatig onderhoud.
- kleine storingen waarvoor geen specialist nodig is, zelf snel kunt verhelpen.
Neemt u even de tijd om deze handleiding door te nemen en vertrouwd te raken met de informatie en richtlijnen die zijn bieden over de functies en nieuwe elementen van uw auto. Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.
De volgende symbolen bieden begeleiding:


chijnen om aan te geven dat u de handleiding moet raadplegen voor informatie over en/of beperkin-
gen van de werking van apparatuur in de auto.
→ verwijst overal in de handleiding naar een overgang naar een pagina.

dit duidt overal in het instructieboekje op een risico, een gevaar of een veiligheidsadvies.
Dit boekje is tot stand gekomen aan de hand van de technische gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In de gids "Hoofdpunten" staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven, de aanwezigheld ervan in de auto is afhankelijk van de uitvoerling, de gekozen optles en het land van aflevering.
Dit document kan ook informatie bevatten over uitrustingen die pas op een later tijdstip zullen worden toegepast.
De schema's in de gebruikershandleiding zijn voorzien van voorbeelden.
Wij wensen u een goede reis in uw auto.
Vertaald uit het Engels. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de constructeur van de auto.
INHOUD
Welkom aan boord van uw elektrische auto....4
Buitenkant 4
Interieur....6
Bestuurderspositie....8
Rijhulpsystemen....10
Veiligheid in de auto 12
Een auto identificeren - etiketten....14
Periodiek onderhoud....16
pechhulp....18
Ken uw auto 20
Op de voorplaats(en)....74
Plaatsen achter....77
Autogordels....79
Extra veiligheidsvoorzieningen....84
Kinderveiligheid 93
Kinderzitjes 99
Kinderveiligheid: de passagiersairbag voorin uitscha-
kelen,inschakelen 112
Bedieningsorganen 116
boordcomputer....118
Controlelampjes....132
Stuurinrichting 137
Beeld achterkant....139
Verlichting en signalisatie....141
CLAXON EN LICHTSIGNALEN....148
Ruitenwissers 149
Rijden....155
Starten, Stoppen van de motor 155
Versnellingsschakelaar 159
Regeneratief remsysteem 162
Parkeerrem....165
Milieu 169
Tips voor het rijden, zuinig rijden....170
Waarschuwing bij verlies van bandenspanning.....175
Hulpen correctiesystemen tijdens het rijden......179
Extra rijhulpmiddelen....184
Snelheidsbegrenzer 228
Snelheidsregelaar 232
Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar 236
Parkeerhulp 251
Noodoproep 271
Uw comfort 274
Ventilatieroosters, verwarming en airconditioning .274
Transport van goederen....297
Onderhoud 299
PEILEN 299
Accu: 301
Reinigen 303
Praktische tips 307
Banden....307
pechhulp....316
Koplampen, lampen: vervangen van een lamp......319
Ruitenwisserbladen: vervanging....321
INHOUD
Zekeringen....323
Accessoires installeren en gebruiken ....327
Storingen....329
onderhoudscoupons....342
Plaatwerkcontrole.... 348
BUITENKANT


4 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
BUITENKANT
- Verlichting: werking → 141
Verlichting: vervangen → 319 - Lading → 28
- Ruitenwisser/-sproeier → 149
Ontwasemen → 277 → 280 - Spiegels → 139
- Onderhoud van de carrosserie
→ 303 - Banden → 307
- Sleutel, afstandsbediening → 61
→ 52-kaart
Portieren ver-/ontgrendelen → 67 - Elektrische ruitbediening → 287
INTERIEUR


6 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
INTERIEUR
- Uw rijpositie aanpassen → 79
- Opbergruimtes/indeling interieur → 292
- Hoofdsteun achter → 77
Achterstoelen → 77 - Vervoer van voorwerpen → 297
- Kinderveiligheid → 93
- Hoofdsteunen voor → 74
Voorstoelen → 75
BESTUURDERSPOSITIE


8 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
BESTUURDERSPOSITIE
- Instrumentenpaneel → 132
- Knoppen boordcomputer → 118
- Versnellingsschakelaar → 159
- Bediening ruitenwisser(s)/sproeier(s).→149
- Knop voor het starten/stoppen van de motor → 155
- Multimediaavoorkant → 286
- Stoelverwarming(en) → 75
- Verwarming/airco → 277, → 280
- USB-C-poorten in de middenconsole → 291
- Bergruimte van de middenconsole → 292
- Houder voor meerdere accessoires YouClip.
- Automatische parkeerrem → 165
- Accessoireaansluiting→291
- Stuurwiel afstellen → 137
- Snelheidsbegrenzer → 228
Snelheidsregelaar → 232
Stop & Go adaptieve snelheidsregelaar → 236 - Buitenverlichting → 141
- Camera interieur.
RIJHULPSYSTEMEN

75707

10 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
RIJHULPSYSTEMEN
- Rijhulp- en correctiesystemen
→179 - Mijn veiligheid → 179
- Preventie verlaten rijstrook → 185
- Noodpreventie verlaten rijstrook →192
- Actieve noodstop → 208
- Actieve noodstop bij achteruitrijden → 225
- Dodehoekwaarschuwing → 199
- Waarschuwing bij verlies van bandenspanning → 175
- Veiligeafstandwaarschuwing → 204
- Waarschuwing waakzaamheid bestuurder → 215
- Waarschuwing vermoeidheidsdetectie bestuurder → 217
- Snelheidsbegrenzer → 228
- Snelheidsregelaar → 0
- Stop & Go adaptieve snelheidsregelaar → 236
- Verkeersborddetectie → 220
- Parkeerhulp → 254
- Achteruitrijcamera → 251
- Handsfree parkeren→259
- Veilig wegrijden → 268
- Uitparkeerwaarschuwing → 265
VEILIGHEID IN DE AUTO


12 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
VEILIGHEID IN DE AUTO
- Airbags Voorin → 84
Passagier voorin airbag autogordel
→ 93 - Airbags Zijruit → 90
- Autogordels → 79
- Airbags aan de zijkant → 90
EEN AUTO IDENTIFICEREN - ETIKETTEN


14 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
EEN AUTO IDENTIFICEREN - ETIKETTEN
- Technische informatie voor de hulpdiensten → 334
- Voertuigidentificatienummer: herinnering → 334
- Bandenspanningslabels → 309
- Motoridentificatie → 335
- Identificatieplaatje auto → 334
PERIODIEK ONDERHOUD


16 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
PERIODIEK ONDERHOUD
- Motorkap→299
- Ruitensproeiervloeistof → 299
- Waarschuwingslampjes → 132 voor peil
- 12V-accu→301
- Elektrisch "hoogspanningscircuit" → 20
PECHHULP


18 - Welkom aan boord van uw elektrische auto
PECHHULP
- Ruitenwisserblad(en) voor vervangen → 321
- Lekke band → 310
Gereedschappen → 314 - Zekeringen → 323
- Lampen van achterlicht vervangen → 319
- Vervangen van het ruitenwisserblad achter → 321
- Sleeppunt voor → 316
- Lampen van koplamp vervangen → 319
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Introductie

De elektrische auto heeft specifieke kenmerken, maar werkt op een gelijksoortige manier als een auto met verbrandingsmotor.
Het fundamentele verschil is dat de elektrische auto alleen elektrische energie gebruikt in plaats van brandstof zoals auto's met verbrandingsmotor.
Wij raden u daarom aan dit instructieboekje, dat uw elektrische auto beschrijft, aandachtig door te lezen.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Schematisch diagram voor elektrische voertuigen

- "Hoogspanning" tractiebatterij
- Oplaadaansluiting
- Elektrische motor
- Oranje elektrische bedrading
- 12V-accu
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Aangesloten services
Introductie
Uw elektrische auto is uitgerust met aangesloten diensten die het mogelijk maken te kennen en/of in te stellen:
- de laadstatus van de auto met waarschuwing 'accu bijna leeg';
- oplaadprogrammering voor de tractiebatterij volgens door u te kiezen instellingen;
- resterende actieradius van de auto;
- ...
U hebt toegang tot deze diensten via:
- externe digitale apparaten (mobiele telefoon, tablet, enz.);
- het multimediascherm in de auto.
Raadpleeg voor meer details de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem of neem contact op met een merkdealer.

U kunt zich altijd op een aangesloten service abonneren of uw abonne-
ment verlengen door een erken- de dealer te raadplegen
Accu's
De elektrische auto beschikt over twee typen accu's:
- een "Hoogspanning" tractiebatterij;
- een "12V"-accu.
"Hoogspanning" tractiebatterij
Deze accu slaat de energie op die nodig is om de motor van uw elektrische auto goed te laten werken. Zoals elke accu raakt deze bij gebruik ontladen en moet dus regelmatig worden opgeladen → 28.
De actieradius van uw auto hangt af van de lading van de accu, maar ook van uw rijstijl → 173.
Verwarmingskussen
Opmerking: de tractiebatterij is uitgerust met een verwarmingskussen dat automatisch wordt geactiveerd wanneer de temperatuur te laag is.
Dit systeem is ontworpen om zowel de laadprestaties als het rijgedrag (acceleratie...) van de auto te optimaliseren.
Het werkt in de volgende situaties:
- tijdens AC (wisselstroom) of DC (gelijkstroom) opladen;
- tijdens het rijden;
- tijdens de instellen van de airconditioning;
Afhankelijk van de situatie kan activering van het verwarmingskussen leiden tot:
- een kleinere actieradius wanneer de auto is losgekoppeld; of
- verhoogd energieverbruik wanneer de auto is aangesloten.
"12V"-accu
De tweede accu van de auto is een secundaire "12V"-accu: deze levert de benodigde energie voor de werking van de uitrusting van de auto (verlichting, ruitenwissers, rembekrachtiging enzovoort).
Elektrisch "hoogspanningscircuit"

Motorkap zit vast.
Het elektrische "hoogspanningscircuit" is te herkennen aan de
oranje bedrading en compo-
nenten met het symbool

Het openen van de motorkap en alle werkzaamheden in de motorruimte mogen alleen worden uitgevoerd door een vakman.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

Het aandrijfsysteem van de elektrisch auto maakt gebruik van elektrische hoogspan-
ningsstroom. Dit systeem kan tijdens en na het uitzetten van het contact onder spanning staan. Let op de waarschuwingen op de stickers in de auto. Elke ingreep op of wijziging van het elektrische "hoogspanningssysteem" van de auto (componenten, kabels, stekkers, tractiebatterij) is strikt verboden vanwege de risico's voor uw veiligheid. Roep de hulp in van een merkdealer.
Risico van ernstige brandwon- den of mogelijk dodelijke elek- trische schokken.
Rijden
Net als bij een auto met automatische transmissie moet u eraan wennen dat u uw linkervoet niet moet gebruiken en er niet mee moet remmen.
Wanneer u tijdens het rijden uw voet van het gaspedaal haalt of het rempedaal indrukt, genereert de motor
tijdens het afremmen elektriciteit die wordt gebruikt om de tractiebatterij op te laden → 170.
Diepe plassen, overstromingen:

Rijd niet verder als het water op de weg hoger staat dan de onderrand van de velgen.

Het remmen op de motor kan in geen geval het indrukken van het rempedaal vervangen.

Hindert het rijden
Gebruik aan de be- stuurderskant matten die geschikt zijn voor
de auto en zet deze vast aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar.
Gevaar van hakende pedalen.
Geluid
Elektrische auto's zijn erg stil. U bent er nog niet aan gewend, en de ande-
re weggebruikers zijn dat evenmin. Ze kunnen moeilijk horen of de auto rijdt.
Omdat de motor vrijwel geen geluid maakt, hoort u geluiden die u niet gewend bent (geluid van de wind, banden enz.).
Elke keer dat het contact wordt uitgeschakeld, wordt na ongeveer tien seconden de ventilatie uitgeschakeld.
Voetgangersclaxon
Met de voetgangersclaxon kunt u andere weggebruikers waarschuwen, met name voetgangers en fiet-sers.
Bij het starten van de motor blijft de voetgangersclaxon automatisch geactiveerd. Het geluidssignaal klinkt als de auto een snelheid heeft van 1 tot ongeveer 30 km/u.
Raadpleeg de multimedia-instructies voor meer informatie over de voetgangersclaxon.
Bij een storing aan de voetgangers- claxon wordt het controlelampje

weergegeven op het instru- enpaneel, samen met het be- 'Storing geluid exterieur".
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

Uw elektrische auto is stil. Zet voordat u de auto verlaat, uw voet op het rempedaal en
stop de motor.
RISICO OP ERNSTIG LETSEL
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Belangrijke aanbevelingen

Gelieve deze richtlijnen aandachtig te lezen. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben. Bij een ongeluk of elektrische schok
Bij een ongeval of botsing tegen de onderkant van de auto (bijv. contact met een paaltje, stoeprand of ander straatmeubilair) kan het elektrische circuit of de tractiebatterij beschadigd raken.
Laat uw auto door een merkdealer controleren.
Raak nooit de "hoogspanningsonderdelen" aan, of de blootliggende oranje kabels die vanuit het interieur of vanaf de buitenkant van de auto zichtbaar zijn.
Bij een grote beschadiging van de tractiebatterij kunnen mogelijk lekken optreden;
- raak nooit vloeistoffen aan die afkomstig zijn van de tractiebatterij;
- bij lichamelijk contact met veel water spoelen en zo snel mogelijk een arts raadplegen.
Na een schok, hoe licht ook, aan het oplaadpunt en/of de klep, moet u deze zo snel mogelijk laten controleren door een merkdealer.
Bij brand
Verlaat bij brand onmiddellijk de auto en laat iedereen uitstappen, en neem contact op met de hulpdiensten. Geef daarbij aan dat het een elektrische auto betreft.
Maak alleen gebruik van blusmiddelen van het type ABC of BC die geschikt zijn voor het bestrijden van brand in elektrische installaties. Geen water of andere blusagenten gebruiken.
Neem bij beschadiging van het elektrische circuit altijd contact op met een merkdealer.
Voor elke vorm van slepen → 316.
Wassen van de auto
Was de oplaadaansluiting nooit met een hogedrukreiniger.
Risico van beschadiging van het elektrische circuit.
Was de auto nooit wanneer deze wordt opgeladen. Was de laadkabel nooit als het voertuig wordt opgeladen. Was de laadkabel en de laadkabelstekker nooit als de kabel niet is aangesloten, om corrosie van de laadpinnen te voorkomen.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Risico van mogelijk dodelijke elektrische schokken.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Opladen
2
Schematisch diagram
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

- Specifieke wandcontactdoos of laadpunt
- Oplaadkabel
- Oplaadaansluiting

Raadpleeg bij vragen over de benodigde uitrusting voor het opladen een merkdealer.

Belangrijke aanbevelingen voor het opladen van uw auto
Gelieve deze richtlijnen aandachtig te lezen. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben. Opladen
Voer geen onderhoud uit op de auto tijdens het opladen (wassen, onderhoud aan de motor...).
Bij aanwezigheid van water, tekenen van corrosie of vreemde elementen in de stekker van de laadkabel of in het laadcontact van de auto, mag u de auto niet opladen. Risico van brand.
Raak de contacten van de laadkabel, het stopcontact of het laadcontact van de auto niet aan en steek er niets in. Sluit de laadkabel nooit aan op een adapter, een stekkerdoos of een verlengsnoer.
Het gebruik van een generator is verboden.
Demonteer of wijzig nooit de oplaadaansluiting van de auto of de laadkabel. Risico van brand.
Wijzig de elektrische installatie niet of werk er niet aan tijdens het opladen.
Bij een botsing, zelfs een lichte, tegen de oplaadklep of de klep, moet u deze zo snel mogelijk laten controleren door een merkdealer.
Wees voorzichtig met de kabel: niet op staan, niet in water dompelen, niet aan trekken, niet aan schokken blootstellen.
Controleer regelmatig of de laadkabel goed werkt.
Bij schade aan de laadkabel (corrosie, bruinverkleuring, scheurtjes, enz.), het apparaat of de elektrische laadaansluiting van de auto mag u deze niet gebruiken. Wend u tot een merkdealer voor een vervangend exemplaar.
Neem contact op met een merkdealer als het vergrendelingsmechanisme van de laadklep niet wordt geactiveerd en/of de laadaansluiting van de auto wordt ontgrendeld.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Laadkabel A

Deze kabel is specifiek voor uw auto en bestemd voor de verbinding met wandcontactdozen of publieke oplaadpunten voor opladen van de tractiebatterij.
Oplaadkabel B

Om uw auto op te laden, kan deze kabel worden gebruikt:
- Met een versterkt stopcontact (14 A/16 A opladen) speciaal voor het opladen van elektrische auto's;
- via een gewoon stopcontact (8 A opladen), bijvoorbeeld wanneer u onderweg bent.
Stopcontacten moeten altijd worden gemonteerd zoals vermeld in de instructies geleverd bij het laadsnoer B.

Lees altijd de gebruiksaanwijzing van laadkabel B zorgvuldig door.
i Laat de aansluiting nooit aan de kabel hangen. Gebruik de haken c om dit op te hangen.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

Indien tijdens het laden een storing optreedt (ro-de waarschuwingslampje
van de eenheid D verschijnt), stop dan onmiddellijk met opladen.
Raadpleeg de instructies voor de laadkabel.

Voordat u de laadkabel reinigt, moet u ervoor zorgen dat de kabel is losgeeld.
Reinig de kabel met een doek die licht is bevochtigd met water.
Zorg er bij het reinigen voor dat de doek niet in contact komt met de uiteinden van de kabel (connectoren, oplaadpinnen) om elk risico op corrosie te voorkomen.

Elke laadkabel wordt op- geborgen in de bagage- ruimte van de auto → 71.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Belangrijke aanbevelingen

Belangrijke aanbevelingen voor het opladen van uw auto
Gelieve deze richtlijnen aandachtig te lezen. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben.
Keuze van laadkabel
De standaard bij deze auto geleverde laadkabels zijn specifiek voor deze auto ontwikkeld. Ze zijn bedoeld om u te beschermen tegen risico's van een elektrische schok die de dood of brand kan veroorzaken.
Gebruik geen laadkabels van oudere modellen; deze zijn niet aangepast.
Voor uw veiligheid is het gebruik van een laadkabel, die niet door de fabrikant is voorgeschreven, strikt verboden. Het niet-naleven van dit voorschrift kan leiden tot brand of een mogelijk dodelijke elektrische schok. Vraag bij een merkdealer naar een laadkabel specifiek voor uw auto.
Gebruiken van laadkabel B
Lees zorgvuldig de instructies die bij de oplaadkabel worden geleverd voor informatie over de voorzorgsmaatregelen die u moet nemen bij het gebruik van het product en de technische specificaties voor de montage van het stopcontact.
Hoofdzaken voor het installeren
Stopcontact
Laat een speciale wandcontactdoos installeren door een vakman.
Gewoon stopcontact
Laat een erkende vakman controleren of elk stopcontact waarop u de laadkabel aansluit, voldoet aan de normen en voorschriften die in uw land van kracht zijn en aan de specificaties die staan vermeld in het punt "Voedingssystemen".
Voedingssystemen
Gebruik alleen oplaadterminals die voldoen aan de norm IEC 61851-1 en aansluitpunten beschermd met:
- een type A aardlekapparaat van 30 mA voor de aansluiting die u gebruikt;
- een overstroombeveiliging;
- beveiliging tegen overspanningen op plaatsen waar de bliksem kan inslaan (IEC 62305-4);
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
- een aardeverbinding die voldoet aan de normen in het betreffende land.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Laadtypen die voldoen aan de Europese normen
Wisselstroom (AC)
![graph TD A["① 62363"] --> B["C"] B --> C["↔"] C --> D["C"] D --> E["✓"] F["D"] --> G["↔"] G --> H["D"] H --> I["✓"] J["② C ↔ C → ✗"] K["③ C ↔ C → ✗"] L["④ C ↔ D → ✗"]](/content/2026/06/1165238/images/70612fb02dbc455fd08dc9d70ec08a4d53134189c6f9d09dc5951a4d2c6622ca.jpg)

Als de informatie verschijnt op de laadklep van het voertuig, volgt u de onderstaande instructies.
Voordat u een laadkabel aansluit, controleert u het volgende:
- de kleur en een van de letters op de aansluiting 1 moeten overeenkomen met de kleur en een van de letters op het uiteinde 4 van de kabel; - de kleur en een van de letters op de aansluiting 3 moeten overeenkomen met de kleur en een van de letters op het uiteinde 5 van de kabel.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Stickers

| Laadtype Wisselstroom (AC) | ||||
| -aansluiting Laadaansluiting | 1 /Laadkabel 4 | Auto 3 /laadkabel 5 | ||
| Laadtypen die voldoen aan de Europese nor-men (raadpleeg voor alle andere gevallen een erkende dealer). | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Gelijkstroom (DC)


Als de informatie verschijnt op de laadklep van het voertuig, volgt u de onderstaande instructies.
Controleer vóór het aansluiten van een laadkabel dat de kleur en een van de letters op de ingangsaansluiting 3 overeenkomen met de kleur en een van de letters op het uiteinde 5 van de laadkabel.
Als het voertuig snel wordt opgeladen (DC), mag de laadkabel tussen uw voertuig en de laadterminal niet langer zijn dan 30 meter. Raadpleeg bij twijfel over de lengte van de kabel de eigenaar van de laadterminal (DC).
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Stickers
| Laadtype Gelijkstroom (DC) | |||||
| -aansluiting Auto | 3 /laadkabel 5 | ||||
| Laadtypen die voldoen aan de Europese normen (raadpleeg voor alle andere ge-vallen een erkende dealer). | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() | ![]() |
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Elektrisch laadcontact 3

De auto is uitgerust met twee laadcontacten aan de rechtervoorkant van de auto:
- stopcontact, afhankelijk van de auto, voor het laden van 6,6 kW tot 11 kW met wisselstroom (AC);
- stopcontact F naast stopcontact E voor snelladen, afhankelijk van de auto, met gelijkstroom (DC).

Opmerking: verwijder bij insneeuwen de sneeuw rond het laadcontact van de auto alvorens de auto te koppelen of los te koppelen. De aanwezigheid van sneeuw in het laadcontact kan immers het koppelen van de laadkabel blokkeren.
Stopcontact E en, afhankelijk van de auto, stopcontact F worden beschermd door een afdekkap. Voordat u een laadkabel in het stopcontact E steekt, verwijdert u de afdekkap en zorgt u ervoor dat de afdekkap op stopcontact B op zijn plaats zit. Zorg er aan het einde van het opladen voor dat de afdekkappen weer op hun plaats zitten.
Stopcontact F wordt beschermd door een afdekkap, afhankelijk van de auto. Zorg ervoor dat het deksel op aansluiting B op zijn plaats zit, voordat u een laadkabel aansluit op de aansluiting E.
Er zitten ook twee knoppen aan de binnenkant van de oplaadklep:
- met de knop 2 rendelt u de laadkabel;
- knop7 Off n worden gebruikt om het laadprogramma te stoppen
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
(indien eerder geconfigureerd) om het opladen van het voertuig onmiddellijk te starten.
Voorzorgsmaatregelen:
- U hoeft niet te wachten totdat u op reserve rijdt om de tractiebatterij op te laden.
- De oplaadtijd kan verschillen naargelang het type speciale wandcontactdoos of openbaar oplaad-punt waaraan u verbonden bent.
- Ook bij regen en sneeuw kan de auto worden opgeladen.
- Een ingeschakelde airconditioning verlengt de laadduur.
- Het beschikbare energieniveau is afhankelijk van de temperatuur van de batterij, en kan dus variëren tussen het stoppen en herstarten van de auto als de accu koud of warm is.
- Wanneer de auto gedurende meer dan 3 maanden geparkeerd staat met een laadniveau rond nul, kan de batterij mogelijk niet meer worden opgeladen.
Bij extreem koud weer
- Parkeer de auto bij erg warm weer bij voorkeur op een schaduwrijke/overdekte plaats om deze op te la-den.
- Bij koud weer kan de oplaadtijd aan het begin van het opladen worden overschat.
- Laad uw auto niet op en parkeer deze niet bij extreme temperatuursomstandigheden (hitte of kou).
- In extreme gevallen kan het opladen enkele minuten duren voordat de motor start (de tractiebatterij heeft wat tijd nodig om af te koelen of op te warmen).
- Het wordt ook aanbevolen om het voertuig na het rijden op te laden als het laadniveau laag is (< 25%) en bij negatieve temperaturen.
- Wanneer de auto gedurende meer dan 7 dagen geparkeerd stond bij een temperatuur lager dan ongeveer -25 °C, kan het onmogelijk zijn om de tractiebatterij te laden.
Advies
Voor een goed beheer van de laadstatus van de batterij en een nauwkeurige weergave van de resterende actieradius op het dashboard laadt u de auto één keer per maand of elke 1.000 km tot 100%.
- Om de levensduur van uw tractiebatterij te verlengen:
- Geef voor dagelijkse ritten de voorkeur aan opladen tot een maximum van 80%.
- Laat de auto niet langer dan een maand geparkeerd staan met een hoge laadstatus (meer dan onge-
veer 50%), vooral tijdens perioden met hoge temperaturen.
- U kunt de tractiebatterij het beste opladen na het rijden en/of in een omgeving met een gematigde temperatuur. Anders kan het opladen lang duren of onmogelijk zijn.
Opladen van de tractiebatterij
Auto staat stil, portieren en achterklep ontgrendeld, contact uitgeschakeld:
- pak de oplaadkabe? die zich in de opbergbak in de bagageruimte van uw auto bevindt;
- druk op de oplaadkleβ om deze te openen. Het waarschuwingslampje 9 licht wit op;

Afhankelijk van de auto wordt, wanneer de laadklep open of niet goed ge- is, het bericht "Laadklep " weergegeven op het in- mentenpaneel.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

- sluit het uiteinde van de kabel aan op de voedingsbron;
- pak de handgreep10 vast;
- sluit de kabel aan op de auto; Het waarschuwingslampje 9 knippert wit;
Gebruik de oplaadklep 8 niet om de oplaadkabel 2 aan op te hangen tijdens het opladen van de auto.
Als u zojuist een systeemupdate via het multi-mediasysteem hebt ge-accepteerd, wordt het opladen van de tractiebatterij vertraagd of geannuleerd.
Wacht totdat de update is vol- tooid voordat u de laadkabel op de auto aansluit. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie over systeemupdates.
- als u een klik hoort, controleert u of de laadkabel goed is vastgeklikt. Controleer de vergrendeling en trek voorzichtig aan de handgreep 10;
- Als u uitgesteld opladen hebt ge-programmeerd en u wilt toch met-een opladen, drukt u op de knop 7 om het laden te starten → 50.
De laadkabel wordt automatisch op de auto aangesloten. Zo kan de kabel niet van de auto worden losgekoppeld.
Bij snelladen (DC) mag het laadsnoer tussen uw auto en het laadstation niet langer zijn dan 30 meter.
Raadpleeg de eigenaar van het laadstation (DC) bij twijfel over de lengte van het snoer.
Het is van essentieel belang om de laadkabel goed uit te rollen om oververhitting te voorkomen.
Gebruik geen verlengkabel, meervoudige contactdoos of adapter.
Risico van brand.
Tijdens het opladen knippert het controlelampje 9 blauw.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
75871

Wanneer het opladen start, is de volgende informatie zichtbaar op het instrumentenpaneel:
- het energieniveau op het controle-lampje van de batterij 12;
- het laadniveau van de accu; - een schatting van de resterende laadtijd (vanaf ongeveer 95% opge- laden wordt de resterende tijd niet meer getoond);
- het controlelampje1 geeft aan dat de auto op een voedingsbron is aangesloten;
- uw voertuigbereik varieert afhankelijk van het laadniveau.
De display op het instrumentenpaneel verdwijnt na enkele seconden. Het verschijnt bij het openen van
een portier weer op het instrumentenpaneel.
Eén keer opladen is voltooid, het indicatielampje 9 wordt groen weergegeven.
U hoeft niet te wachten totdat u op reserve rijdt om de auto op te laden.

De oplaadtijd van de tractiebatterij hangt af van de hoeveelheid resterende energie en het vermogen van het oplaadpunt. Dit wordt tijdens het opladen weergegeven op het instrumentenpaneel → 125.
Opmerking: onder bepaalde omstandigheden kan de werkelijke oplaadtijd langer zijn dan de oplaadtijd die op het instrumentenpaneel wordt weergegeven. Dit hangt af van:
- de kwaliteit van het elektrici- teitsnet;
- het eerste oplaadniveau;
- de buitentemperatuur is te laag;
- ...
Bij problemen met de laadkabel raden we u aan deze te vervangen door eenzelfde type kabel. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Storingen
Neem als het waarschuwingslampje 9 continu rood brandt altijd contact op met een erkende dealer.

Voorzorgen bij het loskoppelen van de aansluiting
- Druk op knop;
of, afhankelijk van de auto, - druk op de ontgrendelingsknop op de afstandsbediening → 61 of
- het indrukken van de vergrendelen ontgrendelingsportierhendel → 69 aan de binnenkant om de laadkabel van de auto te ontgrendelen;
- pak de handgreep10 vast;

Respecteer absoluut de volgorde van de handelingen voor het loskoppelen.
- maak de oplaadkabe van de auto los;
- u moet de oplaadklep8 dichtma- ken en erop drukken erop om deze te sluiten;
- ontkoppel de kabe2 van de voeding 1;
- berg de kabel op in het opberg-vak van uw bagageruimte.
Opmerking:
- na een lange oplaadbeurt van de tractiebatterij kan de kabel warm zijn. Gebruik daarom de handgrepen.
- afhankelijk van de situatie, als de laadkabel van de auto nog steeds vergrendeld is nadat u op de ont-grendelingsknop op de transpondersleutel hebt gedrukt, herhaalt u de handeling door op de vergrendelen ontgrendelingsknop in de transpondersleutel te drukken om het opladen te stoppen en het ontgrendelen van de hendel 10 mogelijk te maken.

Nadat u hebt gedrukt op de knop voor het ontgren- delen van het laadsnoer,
hebt u ongeveer 30 seconden om het laadsnoer los te koppelen voordat het weer vergrendeld wordt.
Sticker 13

AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

De sticker 13 op de oplaadklep 8 geeft informatie over het opladen volgens de status van het controle-lampje 9:
- als het wit knippert, geeft dit aan dat de laadkabel op het voertuig is aangesloten en dat het systeem controles uitvoert;
- als het continu blauw oplicht, geeft dit aan dat de laadprogrammering is geactiveerd;
- als het blauw knippert: het opladen is bezig of de auto gebruikt het elektriciteitsnet voor zijn werking (bijv. voor de airconditioning in het passagierscompartiment);
- als het continu groen oplicht, geeft dit aan dat het voertuig volledig is opgeladen;
- knippert groen: wanneer Vehicle to Grid (V2G) → 51 of Vehicle to Load (V2L) → 45 is ingeschakeld;
- als het continu rood oplicht, duidt dit op een bedieningsfout.
De sticker 13 aan de rechterkant herinnert u aan de volgende instructies:
- reinig de oplaadklep niet met behulp van een hogedrukspuit;
- Bij stilstaande auto kunnen de klep en de oplaadklep worden geopend;
- als de auto rijdt, moeten de klep en de oplaadklep gesloten zijn;
- open de klep om de laadkabel aan te sluiten;
- sluit de klep na het loskoppelen weer;
- aansluiten op een gewoon stopcontact, een oplaadpunt met wisselstroom of een snellaadpunt.
- Raadpleeg de gebruikshandleiding van uw auto voor meer informatie over het laden.
V2L-functie (Vehicle to Load)
Als de auto stilstaat en de parkeerrem is aangetrokken, kunt u met de V2L-functie (Vehicle to Load) elektronische apparaten rechtstreeks op de auto aansluiten.
Het systeem levert wisselstroom (tot 16 A/3,7 kW) met behulp van de opge-
slagen elektrische energie in de tractiebatterij van uw auto → 20.
Met de V2L-connector kunt u verschillende elektrische apparaten aansluiten en bedienen op de laadaansluiting aan de voorkant van uw auto.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Belangrijke aanbevelingen


Gelieve deze richtlijnen aandachtig te lezen. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben. Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het gebruik van de V2L-functie.
Probeer uw huis niet van stroom te voorzien, aangezien dit kan leiden tot schade en elektrische schokken.
Was de auto niet en werk niet in de motorruimte wanneer u de V2L-functie gebruikt.
gebruik de V2L-functie niet:
- als er water in de V2L-connector of in de laadaansluiting van de auto zit;
- als de V2L-connector of de laadaansluiting van de auto beschadigd is (kapot, tekenen van corrosie, verkleuring, enz.), neem dan contact op met een merkdealer om een vervanging te regelen;
- buiten als de weersomstandigheden niet gunstig zijn (regen, kans op blikseminslag enzovoort).
Plaats geen metalen voorwerpen op de V2L-connector.
Wijzig de V2L-connector niet en laat deze ongemoeid tijdens het gebruik van de V2L-functie.
Sluit nooit een adapter aan op de V2L-connector.
Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het hanteren en gebruiken van de V2L-connector.
Voor uw veiligheid is het niet strikt verboden om een V2L-connector te gebruiken die niet door de fabrikant is aanbevolen. Raadpleeg een merkdealer voor meer informatie over welke V2L-connector geschikt is voor uw voertuig. Plaats geen voorwerpen tegen de V2L-connector en hang geen apparaten aan hun voedingskabel aan de AC-uitgang van de V2L-connector. Risico van beschadiging.
Zorg goed voor de V2L-connector: Haal deze niet uit elkaar, dompel deze niet onder in water en trek er niet aan terwijl deze is aangesloten en laat er niets tegenaan stoten. Controleer regelmatig voor het gebruik de staat van de connector.
Voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen bij het gebruik van elektrische/elektronische apparaten.
Voordat u de stekker in het stopcontact steekt en een apparaat gebruikt (verlengkabel, multistekkers, enz.), moet u de voorzorgsmaatregelen voor gebruik controleren door de gebruikershandleiding te raadplegen.
Sluit de volgende apparaten niet aan:
- apparaten die gelijkstroom nodig hebben, zoals medische apparatuur. Afhankelijk van de werking van de auto kan de stroomtoevoer worden onderbroken;
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
- apparaten die meer dan 16 A verbruiken;
- apparaten die niet voldoen aan de nationale voorschriften en normen;
- beschadigde apparaten (onderdelen, kabels enzovoort);
- apparaten waarvan de aanvankelijke gebruiksaanbevelingen niet zijn aangepast aan de omgeving waarin zij zullen worden gebruikt (risico's in verband met contact met stof en water);
- meer dan één multistekker. Sluit bij gebruik geen producten aan die meer dan 8 A verbruiken;
- een verlengsnoer van meer dan 20 m lang. Als een verlengsnoer wordt gebruikt, zorg er dan voor dat u het volledig afwikkelt.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
Voor de keuze van een V2L-connector die is aan- gepast aan uw auto, ra- vij u aan een merkdealer te oplegen.
Raadpleeg de instructies van de fabrikant op de V2L-connector. Bewaar dit montagevoorschrift bij dit instructieboekje.
Werkzaamheden

Zorg ervoor dat de par- keerrem altijd wordt aangetrokken wan- neer de V2L-functie ebruikt.

U moet de volgorde in acht nemen waarin de V2L-connector wordt esloten/losgekoppeld.
Aansluiten van de V2L-connector
Bij stilstaande auto, ontgrendelde openingselementen en het contact uit:

- druk op de oplaadklep 1 om deze te openen;
- houd de handgreep van de stekker vast en sluit het eindstuk van de stekker aan op de oplaadaansluiting 2 van de auto; - controleer of de V2L-connector goed is aangesloten door voorzichtig aan de hendel te trekken. Voordat het ontladen begint, wordt de contactdoosvergrendeling geactiveerd. De V2L-connector wordt automatisch op de auto aangesloten. Dit maakt het onmogelijk om de connector los te koppelen van de auto;
- sluit het elektrische apparaat aan op de AC-uitgang van de V2L-connector;
- om, na het aansluiten van een apparaat, dit te activeren, moet u op de V2L-schakelaar drukken;
- de V2L-functie wordt geactiveerd en het elektrische apparaat wordt van stroom voorzien.
Opmerking: trek niet aan de hendel terwijl de V2L-connector op de auto is vergrendeld.

Tijdens het gebruik is de volgende informatie zichtbaar op het instrumentenpaneel:
- het controlelampje 5 om aan te geven dat de auto is aangesloten op de V2L-connector;
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)
- de geschatte resterende tijd 4 voordat de minimale oplaaddrempel voor de accu is bereikt;
- het energieniveau van de accu 3.
Opmerking: de voeding wordt automatisch uitgeschakeld wanneer:
- de V2L-functie ongeveer een uur niet wordt gebruikt (geen elektrische apparaten aangesloten op de AC-aansluiting van de V2L-connector of geen stroomverbruik);
- er een elektrisch apparaat wordt aangesloten dat de maximale stroomcapaciteit overschrijdt;
- de schakelaar van de V2L-connector ten minste drie seconden wordt ingedrukt;
- de minimale laaddrempel van de tractiebatterij die op het multime-diadisplay is ingesteld, is bereikt.
Loskoppelen van de V2L-connector

Met de kaart bij u of de ontgrendelde elementen van de voertuigopening:
- druk op knop 6 laadcontact om het ontladen te stoppen en de V2L-functie wordt ge- deactiveerd;
- de V2L-connector wordt automatisch losgekoppeld van de auto. Hierdoor kan de connector worden losgekoppeld van uw voertuig;
- koppel uw apparaat los en pak de hendel van de V2L-connector vast om deze binnen ongeveer 15 secon- den los te koppelen van de auto. Anders wordt de oplaadaansluiting automatisch weer vergrendeld;
- u moet de oplaadklep 1 dichtma- ken en erop drukken erop om deze te sluiten;
- plaats de V2L-connector in het opbergvak.
- zorg ervoor dat u de V2L-connector na gebruik veilig opbergt.

Laat geen voorwerpen op de vloer (vóór de bestuurder) liggen. In geval van plotseling rem-
men kunnen deze onder de pedalen terecht komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.

Let op dat er geen har- de, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes ge-
plaatst zijn, zodat zij tegen de inzittenden geslingerd kunnen worden bij het rijden door een bocht, bij plotseling remmen of bij een botsing.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

Rijd niet met de auto terwijl de oplaadklep 1 open is. Controleer zodra het de
V2L-connector van de auto is losgekoppeld of de oplaad-klep 1 goed gesloten is.
Instellingen

U kunt het drempelwaarde voor het minimale oplaadniveau van de tractiebatterij instellen op het multimediascherm.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Storingen
In het geval van een bedrijfsstoring of interne uitval van de V2L-functie (ontlading) schakelt de voeding automatisch uit. Neem contact op met een merkdealer.
Programmeren van het opla- den
Werkzaamheden

Terwijl de auto stilstaat en de motor aan (READY) is, drukt u in de "Voertuig" -wereld 3 op het multimedia-scherm 1, op het menu "Elektrisch" 2 om het laden en/of comfort van uw auto in te stellen.
U kunt het tabblad "Programma's" gebruiken om:
- een nieuw oplaadprgramma toe te voegen;
of
- toegang tot vooraf opgeslagen laadprogramma's.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
AUTO E-TECH 100% ELECTRIC (EV)

Om veiligheidsredenen mogen deze handelin- gen alleen uitgevoerd worden als de auto stil-
staat.
Als het programmeren is bevestigd,
verschijnt het controlelampje op het instrumentenpaneel.

Opmerking: het opladen begint als de motor wordt uitgeschakeld, de auto wordt aangesloten op een stroombron en toegang is toegestaan.

Als u zojuist een systeemupdate via het multi-mediasysteem hebt ge-oteerd, wordt het opladen e tractiebatterij vertraagd annuleerd.
Wacht totdat de update is vol- tooid voordat u de laadkabel op de auto aansluit.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie over systeemupdates.
V2G-opladen (Vehicle to Grid)
Terwijl de auto stilstaat en is aangesloten via de oplaadkabel, kunt u met V2G-opladen (Vehicle to Grid) de energie die is opgeslagen in de accu van uw voertuig herverdelen naar uw huis en naar het elektrici- teitsnet.
U moet een compatibele tweeweg AC-laadpaal hebben en u hebben geabonneerd op de V2G-oplaadservice. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Koppel uw voertuig los voordat u werkzaam- heden of wijzigingen aan de elektrische in-
stallatie uitvoert.

Raadpleeg de gebruikershandleiding voor het multimediasysteem om V2G-
opladen in te stellen.
KAART
Algemeen

- Ontgrendelen van alle portieren.
- Vergrendelen van alle portieren.
- Vergrendelen/ontgrendelen van de bagageruimte.
- Op afstand inschakelen van de verlichting.
Met de kaart kunt u:
- vergrendelen/ontgrendelen van openingselementen (portieren, bagageruimteklep):
- op afstand inschakelen van de verlichting;
- automatisch op afstand openen/sluiten van de elektrisch bediende ruiten → 67.
Actieradius
Controleer of de batterij van het juiste model en in goede conditie is, en correct geplaatst. De levensduur is ongeveer twee jaar: moet worden vervangen als de melding "Batterij kaart bijna leeg" op het instrumentenpaneel wordt weergegeven → 52.
Bereik van de card
Het bereik van de afstandsbedie- ning wordt beïnvloed door de omge- ving. Let er op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld door onopzettelijk op een knop op de kaart te drukken.
Let op: als een deur of de deur van de bagageruimte open of niet goed gesloten is, wordt het voertuig niet vergrendeld. Er klinkt een geluidssignaal en de alarm- en zijknipperlichten knipperen niet.

Bij lege batterij, kunt u de auto altijd vergrendelen/ontgrendelen en starten
→155→67→52.
Functie "Verlichting op afstand"

Als u op de knop 4 drukt, gaan de dimlichten en de buitenverlichting gedurende ongeveer 20 seconden aan. Hiermee kan de auto op afstand herkend worden, bijvoorbeeld op een parkeerterrein. Houd knop 4 ongeveer twee seconden ingedrukt om de buitenverlichting in te schakelen en een geluid uit te zenden.
Opmerking: druk nog een keer op knop 4 om de verlichting uit te schakelen.
KAART

Advies
Stel de kaart niet bloot aan warmte, koude of vocht.
Berg de kaart nooit op een plek op waar deze verbogen of per ongeluk beschadigd zou kunnen worden: zoals in uw achterzak waarop u kunt gaan zitten.

Vervangen: extra kaart nodig
Bij verlies, of voor het be- stellen van een extra kaart, kunt u deze uitsluitend bestellen bij een erkende dealer.
Als u een kaart vervangt, moet u met de auto en alle kaarten naar een merkdealer gaan om het systeem te resetten.
U kunt maximaal vier kaarten per auto gebruiken.
Radiostoringen
De werking van de afstandsbedie- ning kan gestoord worden in de om- geving van een zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op
dezelfde frequentie als de afstandsbediening.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoor- beeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Riem aanbrengen 7

Schuif de behuizing achter 5 omlaag terwijl u op de zone A drukt.

Ken uw auto - 53
KAART
Steek de riem in het onderdeel 8 en steek het uiteinde van de polsriem door de gesp.
Plaats de riem bij de opening 6 en sluit de behuizing.
Opmerking: controleer of de diameter van het riemkoordje 7 past in de opening 6.
Gebruik
Er zijn twee manieren voor het vergrendelen/ontgrendelen van de auto:
- in handsfree modus, terwijl men naar de auto toeloopt of ervan weg-loopt;
- de kaart gebruiken in de afstandsbedieningsmodus.

Berg de kaart niet op op een plaats waar andere elektronische apparaten
(computer, telefoon enz.) de werking ervan kunnen verstoren.
De handsfree-functie uit- of in- schakelen
Afhankelijk van de auto kunt u de ontgrendeling bij het naderen en
vergrendeling bij het weglopen van de auto uit-/inschakelen.
U kunt ook het geluidssignaal dat weerklinkt als de auto wordt ver- grendeld terwijl u ervan wegloopt, uit- of inschakelen → 129.

Laat nooit een kaart in de auto liggen als u de auto verlaat.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
KAART
"Handsfree" ontgrendeling bij het naderen van de auto

Als u de kaart vasthoudt binnen de toegangszone 1, wordt de auto ont-grendeld.
De waarschuwingslampjes en zijn-knipperlichten knipperen eenmaal om aan te geven dat de portieren zijn ontgrendeld, en afhankelijk van de auto, worden de buitenspiegels automatisch uitgeklapt.
"Handsfree" vergrendelen terwijl men van de auto wegloopt

Loop met de handsfree kaart bij u en de portieren en bagageruimtedeur gesloten, weg van de auto: deze vergrendelt automatisch zodra u de toegangszone verlaat 1. De alarm-knipperlichten knipperen eenmaal en blijven dan branden gedurende ongeveer vier seconden en er klinkt een pieptoon om aan te geven dat de deuren zijn vergrendeld. Bij sommige auto's worden de buitenspiegels automatisch ingeklapt.
N.B.: de afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving.

Indien de kaart ongeveer 15 minuten binnen de toegangszone 1 blijft, wordt de vergrendeling op afstand uitgeschakeld. Als u de auto wilt ont-grendelen, drukt u op de knop 3 op de kaart.
De auto kan alleen worden vergren- deld als de kaart binnen de zone 2 is.
KAART
"Handsfree" ontgrendeling door de bagageruimte te openen


Druk, met de kaart in zone 1 en de auto vergrendeld, op de knop 4 om het hele voertuig te ontgrendelen.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zijknipperlichten.
Bijzonderheden met betrekking tot het ontgrendelen
Onder bepaalde omstandigheden wordt het ontgrendelen bij het nade-ren van het voertuig gedeactiveerd:
- Indien het voertuig gedurende acht dagen niet is gebruikt;
- als de kaart dicht bij het gebied van het voertuig blijft gedurende ongeveer vijf minuten nadat het voertuig is vergrendeld;
- na meerdere passages in de buurt van zone 1 zonder dat de deuren ont-grendeld zijn.
Druk op de knop 4 voor het openen van de bagageruimte of gebruik de kaart als afstandsbediening (zie volgende pagina's) om de auto te ontgrendelen en de "handsfree" modus opnieuw te activeren.
Bijzonderheden met betrekking tot handsfree vergrendelen
Nadat de auto is vergrendeld met de handsfree-functie, moet u ongeveer drie seconden wachten voordat u de auto weer kunt ontgrendelen. Tijdens deze drie seconden kunt u nagaan of de auto goed vergrendeld is door aan de handgrepen van de deuren te trekken.
Let op: als een deur of de deur van de bagageruimte open of niet goed gesloten is, wordt het voertuig niet vergrendeld. Er klinkt een geluidssignaal maar de alarm- en zijknipperlichten knipperen niet.
Gebruik van de card met af- standsbediening

Ontgrendelen met behulp van de kaart
druk op de knop 5.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zijknipperlichten.
Afhankelijk van de auto tweemaal drukken op knop 5 om de auto te ontgrendelen. Houd knop 5 ingedrukt om de voorruiten te openen.
KAART

Als de motor draait werken de knoppen op de kaart niet.
Vergrendelen met de kaart
Druk, met gesloten portieren en bagageruimteklep op knop 3 om de auto te vergrendelen.
De alarmknipperlichten knipperen tweemaal om aan te geven dat het voertuig vergrendeld is. Afhankelijk van het voertuig worden de buitenspiegels automatisch ingeklapt.
Afhankelijk van de auto tweemaal drukken op knop 3 om de auto te vergrendelen. Houd knop 3 ingedrukt om de voorruiten te sluiten.
Opmerking:
- de maximale afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving;
- als een portier of de achterklep open is of niet goed is gesloten, wordt de vergrendeling niet uitgevoerd. Er klinkt een geluidssignaal maar de alarm- en zijknipperlichten knipperen niet.

Wanneer de kaart, nadat de motor is gestart, en na het openen en sluiten van een portier niet langer binnen de zone 2 is, geeft het bericht "Kaart niet gedetecteerd" aan dat de kaart zich niet meer in de auto bevindt. Dit helpt om bijvoorbeeld te voorkomen dat u wegrijdt nadat een passagier is uitgestapt met de kaart bij zich.
De waarschuwing verdwijnt zodra de card weer gedetecteerd is.
75720
Ontgrendelen/vergrendelen van alleen de achterklep

Druk op knop 6 om alleen de achterklep te vergrendelen/ontgrendelen.
Opmerking: na het alleen ontgrendelen van de bagageruimte met knop 6, is het noodzakelijk om de andere portieren te ontgrendelen:
- om op knop5 te drukken; of
- om weg te lopen van de auto zodat de automatische vergrendeling wordt geactiveerd wanneer u zich van de auto verwijdert. In dit geval wordt het ontgrendelen bij het nade-ren van de auto weer ingeschakeld.
KAART

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoor- beeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Ontgrendeling van de laadkabel
Druk op de knop 5 om de laadkabel los te maken van de auto.
Extra vergrendeling
Gebruik
Als de auto extra portiervergrendeling heeft, kunnen hiermee de portieren worden vergrendeld en niet met
de handgrepen aan de binnenkant van de portieren worden ontgren-deld (na het inslaan van een ruit om het portier van binnenuit te openen).

Gebruik nooit de extra portiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit.

Om de extra portiervergrendeling in te schakelen
Druk twee keer snel na elkaar op de knop 2.
Het vergrendelen wordt bevestigd doordat de alarmknipperlichten en de zijknipperlichten twee keer traag en drie keer snel knipperen.
Afhankelijk van de auto kunnen de buitenspiegels automatisch worden ingeklapt bij het vergrendelen van de auto → 139.
Deactiveren van de extra portiervergrendeling
Druk eenmaal op de knop 1.
Het ontgrendelen van de portieren ziet u aan het één keer knipperen van de knipperlichten.
KAART
Handsfree kaart: batterij
Vervangen van het batterijtje

Wanneer het bericht "Batterij kaart bijna leeg" op het instrumentenpaneel verschijnt, moet u het batterijtje van de kaart vervangen:
- schuif de behuizing achteil omlaag terwijl u op de zone A drukt;
- verwijder in zone B het deksel 2 van de accu 3 door dit omhoog te til- len;
- verwijder het batterijtje door op één kant ervan te drukken en het aan de andere kant op te tillen;
- plaats dit terug volgens de richting en het model aangeduid in het deksel.

Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde, druk daarna vier keer, terwijl u dicht bij de auto staat, op één van de knoppen van de card: de boodschap verdwijnt als weer ge- start wordt.
Zorg dat het deksel goed vastzit.
Opmerking: kom bij het vervangen van het batterijtje niet aan het elektronische circuit en de contacten in de kaart.

De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een merk-dealer, de levensduur is veer twee jaar. Let op dat en inkt op het batterijtje zit: van slecht elektrisch con-

Bij vervanging moet u hetzelfde of een gelijkwaardig accutype gebruiken (raadpleeg een aler).

Bij het vervangen: - controleer of de accu's correct zijn ge-
plaatst;
Risico van explosie.
- als de klep niet correct sluit, moet u de kaart niet gebruiken en ze buiten het bereik van kinderen houden.
KAART
Storingen
Als de accu te zwak is om correct te werken, kunt u nog steeds de auto starten en vergrendelen/ontgrendelen → 67.

Voorzorgen met be- trekking tot batterijen:
- houd (nieuwe of oude) batterijen buiten het bereik van kinderen.
- batterijen niet inslikken;
Risico van chemische brand- wonden die dodelijk kunnen zijn
- Indien er batterijtjes zijn ingeslikt of in het lichaam ingebracht, moet zo snel mogelijk een arts worden geraadpleegd.

Gooi uw gebruikte batterijen niet weg bij het ge-
wone afval. Breng ze naar
een erkende dealer of raadpleeg uw plaatselijke overheid voor informatie over geschikte recyclingfaciliteiten.
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING
Algemeen

- Vergrendelen van alle portieren.
- Ontgrendelt alle portieren en de achterklep en de laadkabel (indien aangesloten op de auto → 20
- Contactsleutel en sleutel van het bestuurdersportier.
- Alleen de achterklep ontgrendelen
Afstandsbediening met inklapbaar inzetstuk:
- Vergrendelen/ontgrendelen van het inzetstuk van de sleutel. Druk op de knop 4 om het inzetstuk uit de houder te halen. Druk op de knop 4
en breng het inzetstuk terug in de houder.
i Vervangen, extra sleutel of afstandsbediening nodig
Ga uitsluitend naar een merk- dealer:
- Als u een sleutel moet vervangen, dan is het nodig om het voertuig met alle sleutels naar een erkende dealer te nemen om het systeem te initialiseren; - Afhankelijk van de auto kunt u maximaal vier afstandsbedie- ningen gebruiken.
Als de afstandsbediening niet werkt:
Controleer of de batterij van het juiste model en in goede conditie is, en correct geplaatst. De levensduur is ongeveer twee jaar.
De accu vervangen → 63
Bereik van de FM-afstandsbediening
Het bereik van de afstandsbedie- ning wordt beïnvloed door de omge-
ving. Let er bij het vasthouden van de afstandsbediening op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld.
Opmerking: Als een portier (of de achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
Radiostoringen
De werking van de afstandsbediening kan gestoord worden in de omgeving van een zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de afstandsbediening.
i Tips Stel de afstandsbedie- ning niet bloot aan warm- te, koude of vocht.
Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als flesopener, enz.).
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL
Gebruik
De afstandsbedieningen worden gebruikt om de portieren en de achterklep te ver- of ontgrendelen.
Deze worden gevoed door een vervangbare batterij → 63
Portieren vergrendelen

Druk op de vergrendelknop 1.
De alarm- en zijknipperlichten knipperen twee keer om aan te geven dat de auto is vergrendeld.
Afhankelijk van de auto tweemaal drukken op knop 1 om de auto te vergrendelen. Houd knop 1 ingedrukt om de voorruiten te sluiten.
Opmerking: als een portier (of de achterklep) open of niet goed gesloten is, wordt deze snel vergrendeld en weer ontgrendeld zonder dat de alarmknipperlichten en zijn knipperlichten knipperen, afhankelijk van de auto.
Ontgrendelen van de portieren
Drukken op de knop 2 ontgrendelt alle portieren, de achterklep en de laadkabel (indien aangesloten op de auto).
De alarm- en zijknipperlichten knipperen één keer om aan te geven dat de portieren zijn ontgrendeld.
Afhankelijk van de auto tweemaal drukken op knop 2 om de auto te ontgrendelen. Houd knop 2 ingedrukt om de voorruiten te openen.
Opmerking: bij draaiende motor of met contact aan → 155, zijn de knoppen van de afstandsbediening niet actief.
Alleen de achterklep ontgrendelen
Druk op de knop 5 om alleen de achterklep te ontgrendelen.
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Ze kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoor- beeld de motor te starten, orga- nen te bedienen zoals bijvoor- beeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen. Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het in- terieur heel erg snel oplopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL
Extra vergrendeling

Gebruik nooit de extra portiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit.
Om de extra portiervergrendeling in te schakelen
Druk twee keer snel na elkaar op de knop 1.
Afhankelijk van de auto wordt het vergrendelen bevestigd doordat de alarmknipperlichten en de zijknipperlichten twee keer traag en drie keer snel knipperen.
Afhankelijk van de auto kunnen de buitenspiegels automatisch worden ingeklapt bij het vergrendelen van de auto → 139.
Deactiveren van de extra portiervergrendeling
Druk eenmaal op de knop 2.
Afhankelijk van de auto, knipperen de waarschuwingslampjes één keer om aan te geven dat de portieren ontgrendeld zijn.
Radiografische afstandsbediening: batterij
Vervangen van het batterijtje

Open de afstandsbediening via gleuf 1 met behulp van een platte schroevendraaier en vervang de batterij; let daarbij op het type batterij 2 en de juiste polariteit (+ en -) die op de onderkant van het deksel staan.

Als deze vervangen moet worden, moet u hetzelfde of een gelijkwaardig batterijtype en (raadpleeg een aler).

De batterijtjes zijn ver- krijgbaar bij de merkdea- ler, de levensduur is onge- twee jaar. Let op dat er inkt op het batterijtje zit: van slecht elektrisch con-

Controleer bij het monteren, of het deksel goed vastzit en de schroef goed is vastgezet.
N.B.: raak bij het vervangen van het batterijtje niet de elektronische printplaat in de sleutel aan.
Storingen
Als de batterij te zwak is om een juiste werking te kunnen garanderen, kunt u de auto nog steeds starten en vergrendelen/ontgrendelen→67.


Gooi uw gebruikte batterijen niet weg bij het gewone afval. Breng ze naar rkende dealer of raad- uw plaatselijke overheid informatie over geschikte lingfaciliteiten.
SLEUTEL, AFSTANDSBEDIENING

Bij het vervangen:
- Controleer of de bat- terijtjes goed zijn ge-
plaatst.
Risico van explosie.
- Als de klep niet goed sluit: niet gebruiken en buiten bereik van kinderen houden.

Voorzorgen met be- trekking tot batterijen:
- Houd (nieuwe of ou-
de) batterijen buiten het bereik van kinderen.
- batterijen niet inslikken.
Risico van chemische brand- wonden die dodelijk kunnen zijn.
- Indien er batterijtjes zijn ingeslikt of in het lichaam ingebracht, moet zo snel mogelijk een arts worden geraadpleegd.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Portieren openen en sluiten
Openen van buitenaf
Voorportieren

Als de portieren ontgrendeld zijn of u de kaart bij u draagt, houd de hand- greep 1 vast en trek deze naar u toe.
Achterdeuren

Als de portieren ontgrendeld zijn of u de kaart bij u draagt, houd de hand- greep 2 vast en trek deze naar u toe.
Openen van binnenuit

Trek aan de handgreep 3.

Uit veiligheidsoverwegingen mag u de deur alleen openen of sluiten als de auto stil-
staat.
Geluidssignaal verlichting verge- ten
Als bij het openen van een voorportier de lichten nog branden terwijl het contact is afgezet dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Waarschuwing portier of achter-klep vergeten te sluiten

Bij stilstaande auto en het contact ingeschakeld, geeft het waarschu-
wingslampje 5 op het instrumentenpaneel aan welke openings-elementen (portieren, bagageruimte of oplaadklep) open staan of verkeerd gesloten zijn.
Wanneer de auto ongeveer 20 km/h bereikt, geeft het waarschuwings-
lampje 5 aan welke portieren open of onjuist gesloten zijn, vergezeld van het bericht "Portier open" 4. Bijzonderheid
Na het stilzetten van de motor, blijven lichten en accessoires (radio ...) werken tot het bestuurdersportier geopend wordt.
Kinderveiligheid

Een achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 6 omlaag zet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoor- beeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bij- voorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen. Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het in- terieur heel erg snel oplopen. LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen
Als de afstandsbediening of, afhankelijk van de auto, de kaart niet werkt
In bepaalde gevallen werken de FM- afstandsbediening of de kaart niet:
PORTIEREN EN KLEPPEN
- batterij van de FM-afstandsbedie- ning of kaart leeg, accu van de auto ontladen, enz.
- bij gebruik van apparaten op dezelfde frequentie als de kaart (mobiele telefoon, enz.).
- De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
In dat geval is het mogelijk:
- de FM-afstandsbediening of de noodsleutel die in de kaart is geïntegreerd (afhankelijk van de auto) gebruiken om het bestuurdersportier te ontgrendelen;
- de portieren één voor één met de hand te vergrendelen;
- gebruik van de schakelaar in het interieur voor het vergrendelen/ont-grendelen van de portieren.
In de kaart geïntegreerde sleutel

Met de geïntegreerde sleutel 2 kunt u het linkervoorportier vergrendelen of ontgrendelen wanneer de kaart niet werkt.
Toegang tot sleutel 2

Schuif de behuizing achter 1 omlaag terwijl u op de zone A drukt.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Gebruik van de sleutel die in de kaart is ingebouwd

- Steek het uiteinde van de sleute in de uitsparing 3 onder aan het afdekkapje B van het portier van de bestuurder.
- beweeg het omhoog om het afdekplaatje B te verwijderen;
- Steek de sleute in het slot en vergrendel of ontgrendel het linker voorportier.
Zodra u zich in de auto bevindt, steekt u de geïntegreerde sleutel terug in de uitsparing van de kaart.
Handmatig vergrendelen van de portieren

Draai, met het grote portier open, de schroef 4 (met behulp van het uiteinde van de sleutel) en sluit het portier.
Nu is de deur van buitenaf vergren- deld.
Het openen kan alleen van binnenuit gebeuren of met de noodsleutel voor het portier van de bestuurder.
Schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van binnenuit

De schakelaar 5 bedient tegelijkertijd de portieren en de achterklep en stopt het opladen (tijdens het opladen).
Als een portier (of de achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Bij transport van een voorwerp met geopende achterklep, kunt u toch de andere openingselementen vergrendelen: druk, met de motor uit, langer dan vijf seconden op de schakelaar 5 om de andere portieren te vergrendelen.
Controlelampje van de portier- vergrendeling
Wanneer het contact aan is, geeft het controlelampje in de schakelaar 5 de staat van de portiervergrendeling aan:
- wanneer het waarschuwingslampje brandt, zijn de deuren en de deur van de bagageruimte vergrendeld;
- lampje uit: de portieren zijn ont-grendeld.
Als het contact is uitgeschakeld, blijft het waarschuwingslampje nog enige tijd branden wanneer u de portieren vergrendelt, waarna het vanzelf dooft.
Nadat de auto is vergrendeld/ontgrendeld met behulp van de kaartknoppen, worden de handsfree vergrendelen/ontgrendelen-modi gedeactiveerd.
De "handsfree" modus wordt hersteld na het starten van de auto.
Portieren vergrendelen zonder kaart
Bijvoorbeeld als de kaartbatterij leeg is, de kaart tijdelijk niet werkt, enz.
Houd met afgezet contact en een portier of de achterklep geopend de schakelaar 5 meer dan vijf secon- den ingedrukt.
Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
Opmerking: de auto kan alleen van buitenaf worden ontgrendeld als de kaart zich in de toegangszone van de auto bevindt, of met behulp van de ingebouwde kaartsleutel.

Laat nooit een kaart in de auto liggen als u de auto verlaat.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Bedenk dat het rijden met vergrendelde por-
tieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Automatische portierver- grendeling tijdens het rijden
De werking van de startvergren- deling

Na het wegrijden van de auto, vergrendelen de portieren automatisch als de auto een snelheid van ongeveer 10 km/u heeft bereikt.
De portieren ontgrendelen automatisch
- door te drukken op de schakelaar 1 van de portiervergrendeling;
- bij stilstaande auto, door een voorportier te openen van in de auto.
Opmerking: na het openen/sluiten van een portier wordt dit automa-
tisch weer vergrendeld zodra de auto ongeveer 10 km/u rijdt.
Inschakelen/Uitschakelen van de functie
Activeren: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor (READY), ongeveer vijf seconden op de schakelaar 1 tot u een piepsignaal hoort.
Uitschakelen: druk, bij stilstaande auto met draaiende motor (READY), ongeveer vijf seconden op de schakelaar 1 tot u twee piepsignalen hoort.
De functie kan ook worden ingeschakeld en uitgeschakeld via het multimediascherm → 129 (afhankelijk van de auto).
Storingen
Als u een storing constateert (geen automatische vergrendeling, het controlelampje op de schakelaar 1 licht niet op wanneer u probeert de portieren en de achterklep te vergrendelen enz.), controleert u of de automatische vergrendeling niet per ongeluk is uitgeschakeld. Ook controleert u of alle portieren en de achterklep goed gesloten zijn. Als deze goed gesloten zijn, moet u een merk-dealer raadplegen.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Bedenk dat het rijden met vergrendelde por-
tieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
Bagageruimte
Open zetten

Druk op knop 1 en open de klep van de bagageruimte.
PORTIEREN EN KLEPPEN
Sluiten
Laat afhankelijk van de auto de kofferklep zakken. Daarbij kunt u gebruikmaken van de handige binnenhandgreep 2.

Gebruik nooit de gasveren om de klep van de bagageruimte te sluiten.
Openen van binnenuit

Bij een elektrische storing kunt u de bagageruimte handmatig van binnenuit openen.
- klap de rugleuningen van de achterbank(en) neer voor toegang tot de bagageruimte;
- steek een platte schroevendraaier of iets dergelijks in de noodhendel 3 en schuif deze naar links zoals aangeduid in de illustratie;
- duw tegen de achterklep om deze te openen.

Het aansluiten van een drager (fietsdrager, bagagekoffer, enz.) die rust op de achterklep is
verboden. Om een drager te in- stalleren op uw auto, neemt u contact op met een merkdealer.
ALARMSYSTEEM
INTRODUCTIE
Uw auto is uitgerust met een origineel beveiligingssysteem tegen inbraakpogingen.
Dit wordt bediend door de autosleutel/badge.
De perimeterbescherming zorgt voor de bescherming tegen het openen door indringers (bescherming van de portieren, motorkap en kofferbak).
ALARM INSCHAKELEN
Wanneer u uw autoportieren vergrendelt met uw afstandsbediening of in de modus Handsfree (afhankelijk van de auto), knipperen de richtingaanwijzers normaal. Het perimeterautoalarm wordt ingeschakeld nadat de auto is vergrendeld.
ALARM UITSCHAKELEN
Het alarm wordt uitgeschakeld door de portieren te ontgrendelen met de afstandsbediening/of in de modus Handsfree wordt het beveiligings- systeem uitgeschakeld en knippe- ren de richtingaanwijzers één keer. Raadpleeg voor uitschakelen in noodgevallen de speciale alinea.
BESCHERMING
Wanneer het beveiligingssysteem is ingeschakeld (nadat de auto is vergrendeld met de afstandsbediening of met de functie Handsfree), activeert het openen van de motorkap, kofferbak of een van de zijportieren een alarm van ca. 27 seconden. Het alarm wordt geactiveerd als een diagnosestekker is aangesloten op de diagnose-aansluiting. Het alarm bestaat uit een geluidsignaal en het knipperen van richtingaanwijzers.
De alarmcyclus wordt maximaal 10 keer herhaald, als er 10 inbraakproeven zijn. Aan het einde van een cyclus, bij gebrek aan nieuwe indringingspogingen, stopt het alarm en blijft de centrale alarmeenheid actief stand-by totdat deze wordt uitgeschakeld.
UITSCHAKELEN VAN ALARM BIJ NOODGEVAL
Wanneer de afstandsbediening / badge / handsfree-badge niet werkt (lege batterij, een ander apparaat dat dezelfde frequentie gebruikt of in een gebied met sterke elektromagnetische velden):
- ontgrendel het portier van de auto met de fysieke sleutel;
- open het portier (geluidsalarm wordt geactiveerd);
In het geval van een auto met een sleutel, steekt u de sleutel in het contactslot en draait u de sleutel vervolgens naar de contactstand AAN. In het geval van een auto met een kaart, plaatst u de kaart in de backup-stand en drukt u vervolgens op de start/stop-knop totdat het contact AAN staat.
Hierdoor wordt het alarm uitgeschakeld.
Hoofdsteun verwijderen

Trek de hoofdsteun tot de gewenste hoogte omhoog. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 2 en duw de hoofdsteun tot de gewenste stand omlaag. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun verwijderen
Zet deze in de hoogste stand (zet de rugleuning schuin naar achteren).
Druk op de knop 2 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.
Hoofdsteun terugplaatsen
Controleer of de poten van de hoofdsteun 3schoon zijn.
Steek de poten van de hoofdsteun in de houders 1 (zet de rugleuning schuin naar achteren). Schuif de hoofdsteun naar binnen tot deze blokkeert en druk daarna op de knop 2 om de gewenste hoogte in te stellen. Controleer de vergrendeling.
61287

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed
moet zijn afgesteld. Hij geeft een maximale beveiliging als de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin. De afstand tussen uw hoofd en sectie A moet zo klein mogelijk zijn.
Op de voorplaats(en)
Voorstoelen zonder elektrische verstelling
Stoel vooruit of achteruit schuiven

Til de handgreep 1 op om deze te ontgrendelen. Laat dan de handgreep los en controleer de vergrendeling.
Zitting hoger of lager zetten
Beweeg de hendel 2 zo vaak als no- dig omhoog of omlaag.
Rugleuning verstellen
Til de handgreep 3 zo ver mogelijk op en kantel de rugleuning naar de gewenste stand. Laat dan de handgreep los en controleer de vergrendeling.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.
Laat geen voorwerpen op de vloer (vóór de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen kunnen deze onder de pedalen terecht komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.

Controleer na het af- stellen of de rugleunin- gen goed zijn vergren- deld.
Stoelverwarming

Afhankelijk van de auto kunt u met het contact aan de stoelverwarming activeren via het multimediascherm 4:
- Met één druk op het pictogram
van de gewenste stoel schakelt u de stoelverwarming in op de hoogste stand. Drie in schakelaars geïntegreerde waarschuwingslampjes branden;
- Met een tweede druk gaat de stoelverwarming naar de middelste stand. Twee geïntegreerde waarschuwingslampjes branden;
- Door een derde keer te drukken gaat de stoelverwarming naar de
laagste stand. Eén geïntegreerd waarschuwingslampje brandt;
- Door een vierde keer te drukken gaat de stoelverwarming uit.
Om onnodig energieverbruik te voorkomen, kan de verwarmde passagiersstoel automatisch worden uitgeschakeld als er geen inzittende is.
PLAATSEN ACHTER
Hoofdsteun achter
Gebruiksstand

Til de hoofdsteun helemaal omhoog tot deze blokkeert. Controleer de vergrendeling.
Hoofdsteun verwijderen
Kantel de achterbank naar voren, zet de hoofdsteun zo ver mogelijk omhoog, druk vervolgens op de knop 1 en verwijder de hoofdsteun.
Hoofdsteun terugplaatsen

Kantel de achterbank naar voren, steek vervolgens de stangen in de gaten, duw de hoofdsteun 2 in totdat deze vergrendelt om deze in de hoge stand te gebruiken. Controleer de vergrendeling.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed afgesteld.
Achterstoelen
Verschuifbare achterbank

Rugleuning verstellen
(er zijn drie standen mogelijk)
Trek aan de riem 1.
Rugleuning neerklappen
Schuif de voorstoelen voldoende naar voren.
Voordat u een zitplaats achter opzij neerklapt, maakt u de gesp van de autogordel vast voor de betrokken stoel; gebruik de bijbehorende sluiting.
PLAATSEN ACHTER
Dit voorkomt dat de gordel vastraakt als de stoel weer in de gebruiksstand wordt gezet.
Controleer in elk geval of de auto-gordels correct werken.
Trek aan de riem 1 en laat de rugleuning zakken.
Opmerking: om veiligheidsredenen is de rugleuning voorzien van een borgsysteem. U kunt tijdens het han- teren weerstand ondervinden.
Voor het terugplaatsen van de rug-leuning, gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
Zet de rugleuning omhoog tot deze vergrendelt.
Controleer of de veiligheidsgordels goed werken.
Rugleuning weer omhoog schui-ven

Trek aan de handgreep 2 of trek aan de riem 3 in de bagageruimte.
Zet de bank naar voren of naar achteren in de gewenste stand.
Laat de handgreep 2 of de riem 3 los en zorg ervoor dat de achterbank goed vergrendeld is.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Zorg dat de ankerpun- ten niet zijn geblok- keerd (arm of been, dier, steentjes, kleding,
speelgoed, enz.) terwijl de achterstoelen worden verplaatst.

Controleer na het te- rugkantelen van de rugleuning of deze weer goed is vergren-
deld.
Let op bij het gebruik van een stoelhoes, dat deze de vergrendeling van de rugleuning niet belemmert.
Let op de juiste stand van de autogordels.
Plaats de hoofdsteunen terug.
AUTOGORDELS
Autogordels
Introductie
Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar. Het niet dragen van de gordel is gevaarlijk en strafbaar.
Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzitten-den de autogordel om de beste bescherming te krijgen.
De juiste zithouding
- Ga goed diep in uw stoel zitten (na- dat u uw jas of jack en dergelijke hebt uitgetrokken). Dit is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug;
- verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen.
Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u de pedalen nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen;
- stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn;
- Stel de hoogte van het zitkussen af. Kies de stoelpositie die u zo goed mogelijk zicht op het verkeer geeft.
- stel de stand van het stuurwiel af.

Zorg ervoor dat de achterbank → 77 goed is vergrendeld zodat de veilig-
heidsgordels achter correct werken.

Een verkeerd afgestelde of gedraaide autogordel kan bij een ongeval letsel veroorza-
ken.
Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.
Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dit geval op dat de heupgordel niet teveel drukt op de onderbuik, zonder dat te veel speling ontstaat.
Afstellen van de autogordel

Voor juiste afstelling en plaatsing van de veiligheidsgordels op alle stoelen:
- verstel de stoelen (zitpositie en rugleuning, indien beschikbaar); - ga goed tegen de rugleuning aan zitten;
- plaats de schouderriem1 zo veel mogelijk onderaan de nek zonder dat deze er werkelijk tegenaan komt (pas zo nodig en indien mogelijk de hoogte van de veiligheidsgordel aan) en zorg dat de schouderriem 1 in contact is met de schouder;
- plaats de heupgorde? zo dat deze plat op de dijen en tegen het bekken ligt.
AUTOGORDELS
De autogordel moet zo dicht mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Vermijd daarom te dikke kle- ding, plaats geen voorwerpen onder de gordel, enz.
Vergrendelen
Trek de band van de gordel langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken).
Als de gordel blokkeert, laat deze dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af.
Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan krachtig, maar soepel aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.
Als het probleem aanhoudt, moet u een erkende dealer raadplegen.
Ontgrendelen
Druk op de knop 4 en de gordel wordt opgerold door het oprolmechanisme. Geleid de gordel.
Waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordel

Dit waarschuwingslampje ver- nt op het centrale display A wanneer het voertuigcontact wordt ingeschakeld terwijl de veiligheidsgordel(s) van de passagier voorin en/of de passagier achterin (als de passagiersstoel bezet is) niet is vastgemaakt.

Waarschuwing van het niet dragen van de gordel op de voorstoel

Met gesloten portieren verschijnt de afbeelding 6 gedurende ongeveer 60 seconden op het instrumentenpaneel wanneer het contact wordt aangezet. Dit informeert de bestuurder elke keer over de bevestigingsstatus van elk van de veiligheidsgordels voorin:
- de portieren worden geopend tijdens het rijden (rijsnelheid boven nul);
- een autogordel voorin wordt vast-of losgemaakt;
Het symbool6 begrijpen:
AUTOGORDELS
- groene indicator: veiligheidsgordel vastgemaakt;
- rode indicator: de stoel is bezet en de veiligheidsgordel is niet vastgemaakt;
- grijze indicator: plaats niet bezet. Met gesloten portieren verschijnt
het waarschuwingslampje

de centrale display als het contact is ingeschakeld terwijl de veiligheids-gordel van de bestuurder en/of de passagier voorin (als de passagiers-stoel bezet is) niet is vastgemaakt.
Wanneer de voertuigsnelheid lager is dan ongeveer 20 km/u, verschijnt
het waarschuwingslampje

de centrale display als een achter- stoel is bezet en de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt.
Deze gaat vergezeld van symbool 6 dat verschijnt gedurende ongeveer 60 seconden telkens wanneer een van de veiligheidsgordels voorin wordt vast- of losgemaakt.
Als de voertuigsnelheid circa 20 km/u bereikt of overschrijdt en een van de veiligheidsgordels voor tijdens de rit wordt losgemaakt:
- knippert het waarschuwingslamp-
- klinkt ongeveer 120 seconden een pieptoon;
en
- verschijnt het symboof ongeveer 180 seconden en wordt de indicator van de betreffende stoel rood.
Controleer altijd of de passagiers voorin hun gordel hebben vastgemaakt en of het aangegeven aantal vastgemaakte gordels overeenkomt met het aantal bezette zitplaatsen voorin.
NB: een voorwerp op de zitting van de passagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.
Waarschuwing van het niet dragen van de achtergordel
Met gesloten portieren verschijnt de afbeelding 6 gedurende ongeveer 60 seconden op het instrumentenpaneel wanneer het contact wordt aangezet. Dit informeert de bestuurder elke keer over de bevestigingsstatus van elk van de veiligheidsgordels achterin:
- de portieren worden geopend tijdens het rijden (rijsnelheid boven nul);
- een autogordel voorin wordt vast-of losgemaakt;
Het symbool 6 begrijpen:
- groene indicator: veiligheidsgordel vastgemaakt;
- rode indicator: de stoel is bezet en de veiligheidsgordel is niet vastgemaakt;
- grijze markering: stoel niet bezet (afhankelijk van de auto).
Afhankelijk van het voertuig, met de portieren gesloten, kan het waar-
schuwingslampje opie centrale display ook verschijnen bij inschakelen van het contact en als er een achterstoel is bezet en de veiligheidsgordel niet is vastgemaakt.
Wanneer de voertuigsnelheid lager is dan ongeveer 20 km/u, verschijnt
het waarschuwingslampje

het centrale display wanneer een veiligheidsgordel achterin wordt losgemaakt.
Deze gaat vergezeld van pictogram 6 dat verschijnt gedurende ongeveer 60 seconden telkens wanneer een van de veiligheidsgordels achter wordt vast- of losgemaakt.
Wanneer de voertuigsnelheid ongeveer 20 km/u bereikt of overschrijdt en een van de veiligheidsgordels achter tijdens de rit wordt losgemaakt:
AUTOGORDELS
- knippert het waarschuwingslamp-
- klinkt er een pieptoon gedurende ongeveer 30 tot 120 seconden (af- hankelijk van de versie);
en
- de afbeelding wordt ten minste ongeveer 60 seconden weergegeven of, afhankelijk van de auto, ongeveer 180 seconden weergegeven en het pictogram voor de betreffende stoel wordt rood.
Controleer altijd of de passagiers achterin hun gordel hebben vastgemaakt en of het aangegeven aantal vastgemaakte gordels overeenkomt met het aantal bezette Achterstoelenin.
Opmerking: een voorwerp op de zitting van een van de passagiersstoelen achter kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.
Autogordels achter
Gordels aan de zijkanten achter 7

Het vergrendelen, ontgrendelen en afstellen gebeuren op dezelfde manier als bij de voorste gordels.

Controleer of de autogordels achterin nog goed op hun plaats zitten en goed werken na-
dat de achterstoelen zijn ver- plaatst.
AUTOGORDELS
Waarschuwingen
De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.

- Verander niets aan de oorspronkelijke veiligheidsvoorzieningen (gordels, stoelen en bevestigingen). Raadpleeg een merkdealer voor het monteren van bijv. een kinderzitje.
-
Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (zoals pers, klemmetjes, enz.): een autogordel die te los zit, kan bij een ongeval verwondingen veroorzaken.
-
Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.
- Een autogordel mag nooit door meerdere personen tegelijk gebruikt worden. Sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.
- De gordel mag nooit gedraaid zijn.
- Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen. Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.
- Let er bij het terugplaatsen van de achterbank op dat de autogordels en sluitingen goed zitten, zodat deze weer op de juiste wijze kunnen worden gebruikt.
- Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.
- Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.
- Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
AANVULLENDE VEILIGHEIDS- VOORZIENINGEN VOORIN
Introductie
Ze bestaan uit:
- gordelspanners van het oprolmechanisme van de autogordel;
- gordelspanners van de heupgor- del;
- krachtbegrenzers voor de bescherming van de borstkas;
- airbags bestuurder en passagier voorin
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem het volgende veroorzaken:
- blokkering van de autogordel; - de gordelspanner van het oprol-mechanisme van de autogordel die in werking treedt om de speling van de autogordel op te heffen:
- de gordelspanner van de heupgor- del drukt de bestuurder vast op zijn stoel;
- voorin airbag.
Gordelspanners

De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trekken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de volgende onderdelen activeren:
- de gordelspanner van het oprolmechanisme van de autogordel 1 die de gordel direct strak trekt;
- de gordelspanner van het oprolmechanisme van de heupgordel 2 van de voorstoelen.

- Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een
aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem onopzettelijk wordt geactiveerd en verwondingen veroorzaakt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merk-dealer aan de airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.
Frontale airbags voor bestuurder en passagier
Deze bevinden zich bij de linker en rechter voorstoel.
Een symbool onder op de voorruit geeft aan of dit systeem aanwezig is (afhankelijk van de auto).
Elk airbagsysteem bestaat uit:
- een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier voorin;
- een rekeneenheid voor bewaken van het die de elektrische ontsteking van de gaspatroon regelt;
- draadloze sensoren;
- controlelampjes op de dakconsole 3:
- aan: passagiersairbag ge- activeerd;
- aan: passagiersairbag uitgeschakeld.

Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats. Daarom komen bij het ontplooien van de airbag warmte en rook vrij zonder enig brandgevaar en klinkt er een luide knal. De airbag die onmiddellijk naar buiten komt, kan ongevaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.

Het systeem werkt alleen als het contact aan staat.
Bij een zware frontale aanrijding, worden de airbags snel opgeblazen om de klap van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard op te vangen. Daarna lopen de airbags direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.
Storingen

Dit controlelampje verschijnt als de motor wordt gestart; het ver-
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
dwijnt weer na ongeveer 65 secon- den.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als blijft branden, wijst dit op een storing in het systeem.
Raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.
Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.
75740

Bij een frontale botsing met een ander, gelijkwaardig of zwaarder voertuig, met een contactzone van meer dan 40% en bij een snelheid van 40 km/u of meer voor de twee voertuigen.

Bij een botsing tegen de zijkant door een ander, gelijkaardig of zwaarder voertuig, met een snelheid van 50 km/u of hoger.
De volgende gevallen activeren de gordelspanners of airbags.
Bij een frontale botsing tegen een star (niet-vervormbaar) oppervlak, met een snelheid van 25 km/u of hoger.
86 - Ken uw auto
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN

De voorspanners of airbags kunnen worden geactiveerd door:
- een botsing onder het voertuig (bijv. stoeprand);
- gaten in het wegdek;
- een val of harde landing;
- stenen.
- ...

De voorspanners of airbags kunnen niet worden geactiveerd door:
- een botsing van achteren, zelfs een zware;
- als de auto omslaat;

- aanrijding tegen de zijkant, aan de voor- of achterkant van de auto;
- frontale aanrijding, onder de achterkant van een vrachtwagen;
- frontale botsing tegen een obstakkel met een scherpe hoek;
- ...
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Waarschuwingen

Alle volgende waarschuwingen worden verstrekt om te voorkomen dat het ontvouwen van de airbag wordt belemmerd en om direct ernstig letsel te voorkomen dat wordt veroorzaakt door de projectie van objecten tijdens het opblazen ervan.

Waarschuwingen met betrekking tot de airbag
- Verander niets aan het stuurwiel of het middengedeelte ervan.
-
Dek het middengedeelte van het stuurwiel onder geen beding af.
-
Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, horloge, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.
- Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd (behalve door speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer).
- Ga niet te dicht op het stuurwiel zitten: zit met uw armen licht gebogen (zie "De juiste zithouding" → 79). Zo blijft er
voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.
Waarschuwingen met betrekking tot de passagier airbag
- Stoelhoezen plaatsen: voor stoelen met een airbag zijn stoelhoezen nodig die speciaal voor uw auto zijn ontworpen. Raadpleeg een erkende dealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn. Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) kan de goede werking van deze airbag belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.
- Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo's, klokjes, telefoonhouder enz.) in de airbagzone.
- Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dashboard zetten).
- Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard of de stoel leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.
EEN ACHTERSTEVOREN GEPLAATST KINDERZITJE MAG ALLEEN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOORIN WORDEN GEPLAATST INDIEN DE AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN NIET INGESCHAKELD ZIJN ➔ 112.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen achterin
Introductie
Ze bestaan uit:
- Gordelspanners in het oprolmechanisme (gordels aan de zijkant);
- Krachtbegrenzers voor bescherming van de borstkas.
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem het volgende veroorzaken:
- blokkering van de autogordel;
- De gordelspanner van het oprol-mechanisme van de autogordel (die in werking treedt om de speling van de autogordel op te heffen).
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.
Gordelspanners zijkant

De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het li-chaam te trekken en daardoor de in-zittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel ver-hoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de gordelspanner 1 activeren die onmiddellijk de gordel strak trekt.

- Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een
aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem onopzettelijk wordt geactiveerd en verwondingen veroorzaakt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merk-dealer aan de airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Veiligheidsvoorzieningen bescherming zijkant
2
Zijairbag
Deze airbag zit aan de kant van het portier in de rugleuning van elk van de voorstoelen en ontplooit zich om de inzittenden te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant.
Zijruitairbag
Deze airbags zitten aan de zijkant boven en ontplooien zich langs de zijruiten van het voor- en achterportier om de inzittenden bij een hevige botsing tegen de zijkant te beschermen.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Waarschuwingen

Waarschuwing betreffende de zijairbag airbag
- Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding.
Bedek de rugleuning van de stoel ook niet met voorwerpen zoals kleding of accessoires. De airbag werkt
hierdoor mogelijk niet goed of kan verwondingen veroorzaken wanneer de airbag wordt geactiveerd.
- Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit gebeurt door deskundig personeel van de merkdealer.
- De airbags ontvouwt zich via de sleuven in de rugleuningen van de voorstoelen (portierzijde en middenconsolezijde): steek nooit voorwerpen in deze sleuven.
EXTRA VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen
2
Waarschuwingen
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

De airbag is bedoeld als aanvulling op de werking van de autogordel. De airbag en de autogordel vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet-dragen kan de inzittenden bij een ongeval blootstellen aan zware verwondingen. Niet-dragen van de autogordel vergroot ook het risico op lichte oppervlakkige wonden als de airbag zich ontplooit, hoewel dergelijke kleine verwondingen nooit zijn
uitgesloten bij gebruik van een airbag.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren.
- Werkzaamheden en wijzigingen van het complete airbag-systeem (airbags, gordelspanners, ECU, kabelbundels, enz.), zijn strikt verboden (behalve door gekwalificeerd personeel).
- Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt/worden opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het airbagsysteem werken.
- Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto.
- Informeer bij de verkoop of uitlening van het voertuig de nieuwe koper over deze voorwaarden bij het overhandigen van deze gebruikershandleiding.
- Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen nadat de auto wordt gesloopt.
KINDERVEILIGHEID
Algemeen
Vervoer van kinderen
U dient zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt.
Het kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.
Een kind is geen minivolwassene. Het is blootgesteld aan risico op specifieke verwondingen, omdat de botten en spieren nog niet volledig ontwikkeld zijn. Een autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoeren van kinderen. Gebruik een goedgekeurd kinderzitje en zorg ervoor dat u het correct gebruikt.

Als u wilt voorkomen dat de portieren worden geopend, gebruikt u de functie "Kinder-
slot"→66.

Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte.
Het niet vastmaken van een kind is hetzelfde als het laten spelen op een balkon zonder balustrade op de vierde verdieping!
Houd een kind nooit in uw ar- men.
Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegenhouden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.
Als uw auto betrokken is ge- weest bij een verkeersongeluk, moet u het kinderzitje vervan- gen en de gordels en de ISOFIX- verankeringen laten controle- ren.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
Gebruik van een kinderzitje
De bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.
Controleer nadat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelij-
KINDERVEILIGHEID
ke eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zitje geadviseerd worden voor uw auto.
De voorschriften voor het vervoer van kinderen zijn specifiek voor elk land. Het gebruik van een kinderzitje tijdens het vervoer is afhankelijk van de leeftijd en/of de grootte en/of het gewicht van het kind.
Voor kinderen die geen kinderzitje nodig hebben: zorg ervoor dat de veiligheidsgordel correct is afgesteld en vastgemaakt.
Houd u in elk geval aan de voorschriften van het land waarin u zich bevindt.
Lees, vóór het monteren van een kinderzitje, de gebruiksaanwijzing en houd u aan de instructies. Neem, bij problemen met het installeren, contact op met de fabrikant van de uitrusting. Bewaar de gebruiksaanwijzing bij het zitje.

Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind:
- om de veiligheidsgordel goed om te doen;
- om altijd aan de tegenoverliggende zijde van het verkeer in en uit de auto te stappen.
Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.
Let op dat niets in de buurt van het kinderzitje de installatie ervan belemmert.

Laat een kind nooit on- bewaakt achter in de auto.
Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast. Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte tussen de riemen kan ontstaan → 79.
Zorg ervoor dat uw kind zijn hoofd of armen niet uit het raam kan steken.
Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
KINDERVEILIGHEID
keuze van het kinderzitje
Kinderzitje "achterstevoren"

Het hoofd van een baby is, naar ver- houding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwets- baar. Vervoer het kind zo lang moge- lijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund.
Kies een omhullend zitje voor een be- tere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind bo- ven het kuipzitje uitsteekt.
Kinderzitjes "vooruit"

Maximaal 18 kg of 4 jaar, het kind mag in een voorwaarts gerichte zitje reizen. Kies het juiste zitje voor het kind: hoofd en buik zijn de meest kwetsbare lichaamsdelen. Een vooruit geplaatst kinderzitje dat stevig in de auto is vastgezet, vermindert het risico dat het kind zijn hoofd stoot. Vervoer uw kind in een vooruit geplaatst zitje met een harnas als de lengte van het kind dat toelaat. Kies voor een kuipzitje voor een betere zijdelingse bescherming.
Zittingverhogers

Vanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaamsbouw. De zitting van de verhoger moet geleiders hebben die de gordel over de heu-pen van het kind en niet over de buik laat lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen.
Kies voor een kuipzitje voor een be- tere zijdelingse bescherming.
KINDERVEILIGHEID

Lijst met door de fabrikant aanbevolen bevestigingsmethoden voor kin-

keuze van de bevestiging van het kinderzitje
Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzitjes: met de autogordel of met het ISOFIX-systeem.
Bevestiging met de autogordel
De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing.
Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft. Controleer altijd de vergrendeling van de autogordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op het kinderzitje te drukken.
Controleer of het zitje goed vastzit door het zitje naar links/rechts en naar voren/achteren te bewegen: het zitje moet stevig vast blijven zitten.
Controleer of het kinderzitje niet dwars is geïnstalleerd en niet tegen een ruit rust.

Gebruik het kinderzitje niet als de autogordel daardoor kan losraken: de basis van het zitje op de gesp en/of ver- ing van de veiligheids- usten.

De veiligheidsgordel mag nooit losgemaakt worden of gedraaid zijn.
Laat de gordel nooit onder de arm of achter de rug lopen.
Controleer of de gordel niet be- schadigd is door scherpe ran- den.
Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Gebruik deze zitplaats niet zo- lang de gordel niet is gerepa- reerd.
Bevestiging met het ISOFIX-systeem
Goedgekeurde ISOFIX kinderzitjes zijn gestandaardiseerd volgens de huidige regelgeving als één van de vier onderstaande gevallen van toe-passing is:
- Universeel ISOFIX 3-punts vooruit;
- Semi-universeel ISOFIX 2-punts;
- voertuigspecifiek;
- i-Size voorzien van een van de volgende onderdelen:
KINDERVEILIGHEID
- een riem die aan de derde ring van de betreffende stoel wordt vastgemaakt; - of een steun die op de vloer van de auto rust, geschikt voor de goedgekeurde stoel i-Size, met als bedoeling te voorkomen dat het kinderzitje beweegt bij een botsing.
Controleer in het laatste geval of uw kinderzitje geïnstalleerd kan worden door de lijst van geschikte auto's te raadplegen.

Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het systeem: (gordels, ISOFIX, stoebe bevestigingen ervan).
Bevestig het kinderzitje met de ISO- FIX-grendels als het deze heeft. Het ISOFIX systeem garandeert een ge- makkelijke, snelle en veilige monta- ge.
Het ISOFIX-systeem bestaat uit twee ringen en, in sommige gevallen, een derde ring.

De ISOFIX-verankeringen mogen alleen gebruikt worden voor kinderzitjes met het ISO-
FIX-systeem.
Bevestig nooit andere kinderzitjes, noch de gordel of andere voorwerpen op deze verankeringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is ge- weest bij een verkeersongeluk, moet u de ISOFIX verankeringen laten controleren en het kinder- zitje vervangen.

nadat u een ISOFIX-kin- derzitje installeert dat u hebt gekocht voor een andere auto, moet
u nagaan of het geïnstalleerd mag worden. Raadpleeg de lijst van de fabrikant van het zitje met de auto's waarin het zitje gebruikt mag worden.

De twee ringen 1 bevinden zich tussen de rugleuning en de zitting van de stoel en zijn te herkennen aan de
markering
KINDERVEILIGHEID

De derde ring 4 wordt gebruikt voor het vastmaken van de bovenste riem 2 van bepaalde kinderzitjes.
Achterstoelen
De bovenste riem 2 moet tussen de rugleuning en de hoedenplank worden geleid. Verwijder hiervoor de hoedenplank achterin, in geval van aanwezigheid van bagageafdekking.
Bevestig de haak 3 op een van de ringen 4 gemarkeerd met het sym-

Trek aan de bovenste riem 2 zodat de rugleuning van het kinderzitje strak tegen de rugleuning van de autostoel aanligt.

De ISOFIX-verankeringen mogen alleen gebruikt worden voor kinderzitjes met het ISO-
FIX-systeem. Bevestig nooit andere kinderzitjes, noch de gordel of andere voorwerpen op deze verankeringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is ge- weest bij een verkeersongeluk, moet u de ISOFIX verankeringen laten controleren en het kinder- zitje vervangen.

Controleer of de rug-leuning van het vooruit geplaatste kinderzitje goed tegen de rugleu-
ning van de stoel in de auto is geplaatst. In dit geval rust het kinderzitje niet altijd op de zitting van de stoel in de auto.

U moet de riem van het kinderzitje aan de bijbehorende ring bevestigen.
KINDERZITJES
Installatie van het kinderzitje, algemeen
Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kinderzitjes bevestigd worden. De schema's → 101 → 106 geven aan waar een kinderzitje kan worden gemonteerd.

Monteer het kinderzitje bij voorkeur op een zitplaats achterin.
Controleer of het kinderzitje of de voeten van het kind het goed vergrendelen van de voorstoel niet belemmeren → 75.
Controleer of het kinderzitje, door het installeren ervan in de auto, niet loskomt van het onderstel.
Als u de hoofdsteun moet verwijderen, berg deze dan goed op zodat deze niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing. Maak het kinderzitje altijd goed vast aan de auto, ook als het niet in gebruik is, zodat het niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer, nadat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden.
Aan de voorkant
Het vervoer van een kind op de plaats van de voorpassagier is niet in alle landen toegestaan. Raadpleeg de relevante wetgeving en volg de aanwijzingen op het diagram.
nadat u een kinderzitje op deze plaats installeert (indien dit toege-staan is)
- zet de autogordel zo ver mogelijk naar beneden; - schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren; - zet de rugleuning enigszins schuin (ongeveer 25°); - zet de zitting, indien mogelijk, zo ver mogelijk omhoog.
Zet de hoofdsteun van de stoel steeds volledig omhoog zodat deze het kinderzitje niet hindert → 74.
Als het kinderzitje is geïnstalleerd en als dit mogelijk is, verplaatst u de autostoel indien nodig naar voren (voor de nodige ruimte op de achterste zitplaatsen voor de passagiers of andere kinderzitjes). Een kinderzitje dat achterstevoren staat, mag het dashboard niet raken of niet in maximale naar voren geschoven positie staan.
KINDERZITJES
Wijzig de andere afstellingen niet meer na het installeren van het kinderzitje.

RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL:
controleer voordat u een achterwaarts ge-
richt kinderzitje op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld → 112.
Op de zitplaats achter aan de zijkant
Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind richting de binnenkant van de auto.
Voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje installeert, beweegt u de voorstoel zo ver mogelijk naar voren. Zodra het kinderzitje is geïnstalleerd, beweegt u de voorstoel zo ver mogelijk naar achteren zonder dat deze het kinderzitje raakt.
Voor de veiligheid van het vooruit geplaatste kind:
- verplaats de stoel waarin het kind zal zitten zo ver mogelijk naar achteren;
- Zet de stoel vóór het kind naar vo- ren en stel de positie van de rugleu- ning in om contact tussen de stoel en de benen van het kind te vermij- den.

Controleer of het kinderzitje of de voeten van het kind het goed vergrendelen van de el niet belemmeren → 75.
Verwijder in ieder geval de hoofdsteun van de stoel achter waarop het kinderzitje is geplaatst → 77. Zet de achterstoel indien nodig zo ver mogelijk naar achteren. Dit moet gebeuren nadat u het kinderzitje plaatst. Controleer dat het kinderzitje goed rust tegen de rugleuning van de achterbank.

Installatie van de zittingverhoger (groep 2 of 3)
Controleer of de veilig-
heidsgordel → 79 correct werkt (oprolt).
Stel de veiligheidsgordel als volgt af:
- plaats de schouderriem op de schouder van het kind zonder dat deze de nek raakt;
- plaats de heupgordel zo dat deze plat op de dijen en tegen het bekken ligt.
Pas indien nodig de stand van de autostoel aan.

Monteer het kinderzitje bij voorkeur op een zitplaats achterin.
Als u een zitje ISOFIX
wilt installeren op de stoel links- achter, maakt u de centrale veiligheidsgordel met de hand los voordat u de vergrendelingen inschakelt.
KINDERZITJES
Bevestiging met de autogordel
Overzicht van de installatie

KINDERZITJES

RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld → 112.

Controleer de staat van de airbag nadat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert.

Stoel niet geschikt voor het installeren van kinderzitjes.
Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel

Stoel geschikt voor bevestiging van een universeel goedgekeurd kinderzitje met behulp van een heidsgordel.

Stoel waarop een kinderzitje met "B2"-goedkeuring mag worden bevestigd via de autogordel.

Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinderveiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct beschermd. Het kan ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen.

Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast. Pas indien nodig de zitpositie aan.
KINDERZITJES
Installatieoverzicht
De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de informatie op het installatieschema om te voldoen aan de huidige voorschriften.
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Zitplaats voorin passagier | Zitplaatsen achter aan de zijkanten | |
| Met airbag uitgeschakeld | Met airbag ingeschakeld | |||
| Reiswieg dwarsGroep 0 | < tot 10 kg X X U (2) | |||
| Kuipzitje achterstevoren ge-plaatstGroepen 0 of 0 + | < tot 10 kg en tot < 13 kg | U (1) (5) X U (3) | ||
| Kuipzitje/kinderzitje achterste-vorenGroepen 0 + en 1 | < tot 13 kg en 9 tot 18 kg | U (1) (5) X U (3) | ||
| Kinderzitje vooruit geplaatstGroep 1 | 9 tot 18 kg X U (5) | U (4) | ||
| ZittingverhogerGroepen 2 en 3 | 15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg | X U / B2 (5) U / B2 (4) | ||

(1) RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld → 112.
X = Stoel niet geschikt voor het installeren van dit type kinderzitje.
KINDERZITJES
U = stoel geschikt voor bevestiging met autogordel van een kinderzitje dat goedgekeurd is als "Universeel"; controleer of het gemonteerd kan worden.
B2 = stoelverhoger in groep 2 (15 kg tot 25 kg).
(2) Een reiswieg wordt dwars in de auto bevestigd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind richting de binnenkant van de auto.
(3) Zet de stoel van de auto indien nodig zo ver mogelijk naar achteren. Voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje installeert, beweegt u de voorstoel zo ver mogelijk naar voren. Zodra het kinderzitje is geïnstalleerd, beweegt u de voorstoel zo ver mogelijk naar achteren zonder dat deze het kinderzitje raakt.
(4) Verwijder in ieder geval de hoofdsteun van de stoel achter waarop het kinderzitje is geplaatst. Dit moet gebeuren nadat u het kinderzitje plaatst. Schuif de stoel vóór het kind naar voren, zet de rugleuning naar voren om contact tussen de stoel en de benen van het kind te voorkomen.
(5)Zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
KINDERZITJES
Bevestiging met het ISOFIX-systeem
Overzicht van de installatie
Auto met 4 zitplaatsen: monteren van een kinderzitje ISOFIX.

KINDERZITJES

Voor de voorpassagiersstoel wordt het gebruik van een kinderzitje met vloersteun aanbevolen, om te voorkomen dat het waarschuwingssignaal van de veiligheidsgordel wordt geactiveerd.

Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinderveiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct beschermd. Het kan ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen.

RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld ➞ 112.

Plaats verboden voor het installeren van dit type kinderzitje.
Kinderzitje vastgezet met de bevestiging ISOFIX

Stoel geschikt voor bevestiging van een ISOFIX of i-Size kinderzitje.

De voor- en achterstoelen zijn voorzien van een verankeringspunt voor bevestiging van een 'universeel' voorwaarts ht kinderzitje ISOFIX. De verankeringen van de achterstoelen zitten op de rugleuningen van de passagiersstoelen.

Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de gordel correct is afgesteld en aangepast. Pas indien nodig de zitpositie aan.
KINDERZITJES

Monteer het kinderzitje bij voorkeur op een zitplaats achterin.
Om op deze zitplaats een ISOFIX-kinderzitje te installeren, maakt u eerst de autogordel los nadat u de bouten vastzet.
KINDERZITJES
Installatieoverzicht
De onderstaande tabel geeft een samenvatting van de informatie op het installatieschema om te voldoen aan de huidige voorschriften.
| Auto met 4 zitplaatsen: monteren van een kinderzitje ISOFIX. | |||||
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Grootte van zit-je [bevestiging] | Zitplaats voorin passagier | Zitplaatsen achter aan de zijkanten | |
| Met airbag uit-geschakeld | Met airbag in-geschakeld | ||||
| Reiswieg dwarsGroep 0 | < tot 10 kg | L1 [F]L2 [G] | X X X | ||
| Kuipzitje achterstevoren geplaatstGroepen 0 of 0 + | < tot 13 kg R1 [E] X X IL (2) | ||||
| Kinderzitje achterstevoren geplaatstGroepen 0 + en 1 | < tot 13 kg en 9 tot 18 kg | R3 [C] | X | X | X |
| R2 [D] IL (2) | |||||
| Kinderzitje vooruit ge-plaatstGroep 1 | 9 tot 18 kg | F3 [A]F2 [B]F2X [B1] | X | X | IUF-IL(3) |
| ZittingverhogerGroepen 2 en 3 | 15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg | B2 X X | IUF-IL(3) | ||
| Stoel i-Size | Kinderzitje achterstevoren ge-plaatst | XX i - U (2) | |||
| Kinderzitje vooruit geplaatst X Xi - UF (3) | i - UF (3) | ||||
KINDERZITJES
| Auto met 4 zitplaatsen: monteren van een kinderzitje ISOFIX. | |||||
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Grootte van zit-je [bevestiging] | Zitplaats voorin passagier | Zitplaatsen achter aan de zijkanten | |
| Met airbag uit-geschakeld | Met airbag in-geschakeld | ||||
| Zittingverhoger XX i - UF (3) | |||||
X = stoel niet geschikt voor het installeren van kinderzitjes.
IUF = stoel waar een kinderzitje is toegestaan met goedkeuring "Universeel" of "Voertuigspecifiek" voor voertuigen die zijn uitgerust met het ISOFIX-systeem: controleer of dit kan worden bevestigd.
IL = stoel waar een kinderzitje met de goedkeuring "Semi-universeel of autospecifiek" is toegestaan voor auto's die zijn uitgerust met het ISOFIX-systeem; controleer of dit kan worden gemonteerd.
I-U = Geschikt voor "universele" bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gerichti-Size.
i-UF = uitsluitend geschikt voor "universele" i-Size-bevestigingsmiddelen, voorwaarts en achterwaarts gericht.

(1) RISICO OP DODELIJK OF ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje op de passagiersstoel voor plaatst, of de airbag is uitgeschakeld → 112.
(2) Zet de stoel van de auto indien nodig zo ver mogelijk naar achteren. Voordat u een achterwaarts gericht kinderzitje installeert, beweegt u de voorstoel zo ver mogelijk naar voren. Zodra het kinderzitje is geïnstalleerd, beweegt u de voorstoel zo ver mogelijk naar achteren zonder dat deze het kinderzitje raakt.
(3) Verwijder in ieder geval de hoofdsteun van de stoel achter waarop het kinderzitje is geplaatst. Dit moet gebeuren nadat u het kinderzitje plaatst. Schuif de stoel vóór het kind naar voren, zet de rugleuning naar voren om contact tussen de stoel en de benen van het kind te voorkomen.
De grootte van een ISOFIX kinderzitje wordt aangegeven door een letter:
- F3, F2, F2X [A, B, B1]: voor voorwaarts gerichte kinderzitjes, groep 1 (9 tot 18 kg);
- B3; B2: stoelverhogers van groep 2 en 3 (15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg);
- R3, R2 [C, D]: naar achteren gerichte zitjes of kuipzitjes in groep 0+ (minder dan 13 kg) of groep 1 (9 tot 18 kg);
- R1 [E]: naar achteren gerichte zitjes in groep 0 (minder dan 10 kg) of 0+ (minder dan 13 kg);
KINDERZITJES
- L1,L2 [F,G]: reiswiegen van groep 0 (minder dan 10 kg).
KINDERVEILIGHEID: DE PASSAGIERSAIRBAG VOORIN UITSCHAKELEN, INSCHAKELEN
Waarschuwing

De passagiersairbag voorin mag alleen wor- den geactiveerd of ge- deactiveerd wanneer de auto stilstaat met het contact uit.
Uitschakelen passagiersair- bag voorin

nadat u een kinderzitje op de passagiersstoel voorin installeert:
- controleer of het kinderzitje op deze stoel kan worden geïnstalleerd; - het volgende is van essentieel belang: deactivering van de airbag- voor een kinderzitje waarin het kind achterstevoren in de auto zit.

Uitschakelen van de airbag: druk met stilstaande auto en contact uit, op de vergrendeling 1 en draai deze naar stand OFF.
Nadat u het contact weer aangezet hebt, moet u controleren of het
waarschuwingslampje verschijnt op de display 2.
Dit lampje blijft constant branden om u eraan te herinneren dat u een kinderzitje kunt gebruiken.

GEVAAR
Omdat het gebruik van de passagiers airbag voor niet compatibel is met de positie van een achterstevoren geplaatst kinderzitje, mag u NOOIT een dergelijk zitje installeren op een stoel met een ACTIEVE frontale airbag. Dit kan de DOOD van het KIND of een ERNSTIG LETSEL veroorzaken.

De markeringen op het dashboard en de labels A aan elke kant van de zonneklep van de passagier 3 (zie bovenstaand voorbeeld van label) herinneren u aan deze instructies.
Inschakelen van de passagiersairbag voorin

Zodra het kinderzitje van de passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbag weer inschakelen om de voorpassagier bij een botsing te beschermen.

Opnieuw inschakelen van de airbag: druk met stilstaande auto en contact uit, op de grendel 1 en draai deze naar stand ON.
Als het contact is ingeschakeld,
moet u controleren of het trolelampje uit is en of het controle-
lampje plje display 2 na elke start gedurende ongeveer 1 minuut brandt.
De passagiersairbag voorin is ingeschakeld.
Storingen
In het geval van een storing in het airbag in-/uitschakelsysteem van
KINDERVEILIGHEID: DE PASSAGIERSAIRBAG VOORIN UITSCHAKELEN, INSCHAKELEN
de voorpassagier worden de waar-

schuwingslampjes


op het instrumentenpaneel weergegeven
Zet het contact uit en controleer de stand van het slot 1.
Zet het contact weer aan: de waarschuwingslampjes gaan uit.
Als het probleem zich blijft voor- doen, duidt dit op een systeemfout. In dit geval is het verboden om een kinderzitje met de rug in op de pas- sagiersstoel voorin te monteren of om een andere passagier op de stoel te plaatsen.
Raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.
BEDIENINGSORGANEN
Bedieningsorganen stuurin- richting links

De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
- Ventilatieroosters links en rechts.
-
Schakelaar voor:
-
richtingaanwijzers;
- buitenverlichting;
-
mistachterlichten.
-
Instrumentenpaneel.
- Plaats bestuurdersairbag en claxon.
- Elektronische keuzehendel.
- Knop voor het starten/stoppen van de motor.
- Centrale ventilatieroosters
- Multimediascherm.
- Plaats passagiers airbag.
- Dashboardkastje.
-
Schakelaars voor:
-
verwarming of airconditioning;
- alarmknipperlichten;
- centrale deurvergrendeling;
-
...
-
USB-C poorten in de middenconsole.
-
Houder voor meerdere accessoires YouClip.
-
Accessoireaansluiting
- Blikjeshouder.
- Houdervoor "handsfree" kaart
- Schakelaars voor:
- Inschakelen/uitschakelen van de automatische parkeerrem.
- Bergruimte van de middenconsole.
- Schakelaar voor de ruitenwissers en -sproeiers voor en achter.
- Bedieningssatelliet radio.
-
Schakelaars voor:
-
functiekeuze van de ritcomputer en van het menu voor het personaliseren van de auto-instellingen;
-
afstandsbediening van de radio, van het navigatiesysteem
-
Hoofdschakelaar en knoppen voor de Snelheidsregelaar/Snelheidsbegrenzer/Adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go.
-
Zekeringkastje.
- Schakelaars voor:
- De functie "My Safety" of de modus "Perso";
- stand Eco;
- stel hoogte van de koplampstra- len af;
-
...
-
Camera interieur.
BOORDCOMPUTER
Algemeen
boordcomputer

Afhankelijk van de auto, beschikt hij over de volgende functies:
- kilometerteller:
- reisgegevens;
- informatiemeldingen;
- storingsberichten (in combinatie
met het lampje

- waarschuwingsberichten (gerela-
teerd aan het wingslampje).
Al deze functies worden gedetailleerd beschreven in het instructieboekje van de auto.
Druk herhaaldelijk op de schakelaar 1 of 2 om tussen deze functies te bladeren.
Selecties
(het display hangt af van de uitvoering van de auto en het land)
a) gegevens van de reis
- gemiddeld energieverbruik sinds de laatste reset en actueel energieverbruik;
- afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling.
b) de bandenspanning te resetten; d) onderhoudsinterval:
d) reisoverzicht, storings- en informatiemeldingen.
Auto uitgerust met instrumen-
tenpaneel

De functies worden weergegeven in zone 3.
Nulinstelling van de gegevens van de reis
Zorg ervoor dat een van de ritinstellingen wordt weergegeven en druk op de schakelaar 4 "OK" totdat de weergave naar nul wordt gereset.
Automatische nulinstelling van de gegevens van de reis
De nulinstelling gebeurt automatisch als één van de gegevens zijn maximale waarde bereikt.
BOORDCOMPUTER
Betekenis van de energieverbruikwaarden
Sommige voertuiguitrustingen verbruiken energie: de energie die door het voertuig wordt verbruikt, kan daarom verschillen van de energie die op de elektrische teller wordt verbruikt.
Betekenis van de waarden gedurende de eerste paar kilometer na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld energieverbruik en de actieradius worden stabieler en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt.
De eerste kilometers na een nulin-stelling kunt u constateren dat de actieradius toeneemt tijdens het rijden. Dit komt omdat er rekening wordt gehouden met het gemiddelde energieverbruik sinds de laatste reset. Het gemiddelde energieverbruik kan echter afnemen als:
- de auto met een constante snelheid rijdt;
- u vanuit druk stadsverkeer op de buitenweg komt.

Bepaalde informatie van de boordcomputer verschijnt op het display van navigatiesysteem.
De kilometerteller van de ritinstellingen wordt gereset, zowel op de boordcomputer als in het navigatiesysteem.
Reset van de verwachte actieradius
Na een volledige oplaadbeurt van de tractiebatterij kunt u op twee manieren resetten: handmatig of automatisch.
Handmatige reset
Selecteer de reisinstelling die u wilt resetten en houd de schakelaar 4 ingedrukt om het bereik te resetten.
Automatische reset
De actieradius wordt automatisch gereset wanneer de tractiebatterij volledig is opgeladen. De berekende waarde komt overeen met een gemiddeld gebruik, rekening houdend met de buitentemperatuur.
Als een bijzonder zuinig rijpatroon wordt vastgesteld, wordt de berekening gecorrigeerd en wordt de actieradius hoger.
BOORDCOMPUTER
Gegevens van de reis
De hier vermelde infoweergave HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
+ 13,4 kWh | a) Gegevens van de reis.Actueel energieverbruik.Gemiddeld energieverbruik.De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulinstelling. |
12,8 kWh/100 km | |
| Rit 1284,7 km Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling. | |
| Bandendruk init. lang drukken | b) De bandenspanning te resetten→ 175 |
BOORDCOMPUTER
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| Service over 1.936 km of over drie maanden | d) Onderhoudsinterval.Afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (weergave in kilometers); daarna, als de termijn van de overgebleven afstand bijna verstreken is, doen verschillende gevallen zich voor:- interval minder dan 1500 km of een maand:: de melding "Servicebeurt over" wordt weergegeven met de dichtstbijzijnde afstand of tijd;- als het tijd is voor een servicebeurt, verschijnt de melding "Servicebeurt nodig binnen" met de dichtstbijzijnde termijn (afstand of tijd).- bereik gelijk aan 0 km of datum van onderhoudsbeurt bereikt: bericht "Onderhoud uitvoeren" verschijnt samen met waarschuwingslampje .Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren. |
| Resetten van het display na onderhoud volgens het onderhoudsprogramma.Het onderhoudsinterval mag pas gereset worden na een onderhoudsbeurt die in overeenstemming is met het onderhoudsprogramma van uw auto.Bijzonderheid: om de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt te resetten, drukt u ongeveer 10 seconden op één van de resetknoppen van het display, totdat de actieradius tot de volgende onderhoudsbeurt verschijnt. | |
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| Instellingen (OK) | d) Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto.→ 129 |
| Achterklep open | e) Functieoverzicht.Aanduiding achtereenvolgens:- informatiemeldingen;- van storingsmeldingen. |
BOORDCOMPUTER
Informatiemeldingen
Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid. Voorbeelden van informatiemeldingen worden hierna gegeven.
| Voorbeeld van boodschap Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| « Kabel loskoppelen om te starten » | Geeft aan dat de laadkabel nog steeds aangesloten is op de auto. |
| Neem de aansluiting van de auto los en sluit hem vervolgens weer aan. | |
| « Controleer verbinding » | Als de boodschap altijd wordt weergegeven, kan dat veroorzaakt worden door een andere oorzaak die in verband staat met de omstandigheden buiten tijdens het laden of met de thuisinstallatie. |
| "Controleer de laadpaal" | Geeft een mogelijke elektrische storing of een defecte laadkabel aan: verander de laadpaal of locatie of laat de kabel controleren. |
| Geeft een elektrisch probleem tijdens het opladen aan. Start het opladen opnieuw. | |
| « Onderbreking tijdens laden » | Als dat niet werkt, laat u de elektrische installatie controleren. |
BOORDCOMPUTER
Storingsmeldingen
Ze verschijnen samen met het 300-200-16 huwingslampje en geven aan dat u zo snel mogelijk heel voorzichtig naar een erkende dealer moet rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het
functieoverzicht. Het lampje van handen. Voorbeelden van storingsmeldingen worden hieronder gegeven.
| Voorbeeld van boodschap Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| « Controleer airbag » | Geeft een storing aan van de aanvullende veiligheidsvoorzieningen. In geval van een ongeluk, bestaat het risico dat ze niet geactiveerd worden. |
| « Controleer voertuig » | Geeft een storing aan van een van de opname-elementen van de pedalen of van het beheersysteem van de 12 V-accu. |
| « Controleer remsysteem » | Geeft slijtage van het remsysteem of de noodzaak om dit te controleren aan. |
| « Controleer Post-collision » Duidt op een probleem met de functie Multi-Collision Braking. | |
| « Controleer oplaadaansluit. » | Geeft oververhitting aan in het laadcontact van de auto. Wacht ongeveer 20 minuten en probeer het opnieuw. Als dit niet werkt, raadpleegt u een merk-dealer. |
| « Elektrische syst controleren » Geeft een storing aan van het tractiesysteem. | |
| « Batterij opladen onmogelijk » | Geeft een defect aan het oplaadsysteem van de tractiebatterij aan. |
BOORDCOMPUTER
Alarmmeldingen

Ze verschijnen samen met het wTOP huwingslampje en geven aan dat u, voor uw eigen veiligheid, het voertuig moet stoppen zodra de verkeersomstandigheden dit toelaten. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Raadpleeg een merkdealer.
Hierna krijgt u voorbeelden van waarschuwingen. Opmerking: de berichten verschijnen afzonderlijk of afwisselend (als er meerdere berichten zijn), eventueel samen met een controlelampje en/of een geluidssignaal.
| Voorbeeld van boodschap Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| « Storing remsysteem » Geeft een probleem met het remsysteem aan.« Storing stuurbekracht. » Geeft een probleem in de stuurinrichting aan.« Elektr. storing motor » Geeft vermogensverlies van de auto aan.« Elektr. storing » Geeft een storing van het elektrische systeem aan.« Lekke band » Dit betekent dat minstens een van de banden lek is of veel te lage spanning heeft. |

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van de gevarendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.
BOORDCOMPUTER
Displays en meters
Weergave kiezen

Gebruik, afhankelijk van de auto, de knop 1 of 2 om te bladeren door de diverse weergaven op het instrumentenpaneel.
U kunt kiezen uit deze weergaven:
- Laadweergave: toont (alleen tijdens het laden) de actieradius, het laadpercentage van de accu en de resterende oplaadtijd.
- Klassieke weergave: toont de snelheid, actieve rijhulpsystemen, het informatiegebied en, afhankelijk van het voertuig, de energiemeter op het instrumentenpaneel.
- Navigatieweergave: toont de snelheid, actieve rijhulpsystemen en het informatiegebied op het instrumentenpaneel;
- Minimale weergave: toont alleen essentiële informatie zoals de snelheid, actieve rijhulpsystemen en het informatiegebied op het instrumentenpaneel.
Instrumentenpaneel

verschijnt zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.
Afhankelijk van de auto kunt u de inhoud en de kleuren van uw instru-
mentenpaneel naar eigen keuze in- stellen.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Informatie over actieve navigatie 5
Afhankelijk van de auto kunt u informatie weergeven van het multimediascherm (kompas, telefoon, navigatie enz.) OF informatie van de boordcomputer.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
BOORDCOMPUTER
Informatie over rijhulpmidde- len 6
2
Snelheidsmeter 7
Geluidssignaal te hoge snelheid
Afhankelijk van de auto en het land wordt het waarschuwingslampje

weergegeven en is een ge-
luidssignaal te horen. Dit geluidssignaal is te horen zodra de auto sneller rijdt dan 120 km/u.
Het waarschuwingslampje blijft branden zolang de snelheid hoger is dan 120 km/u.
Accu-informatie 8 (oplaadsnelheid tractiebatterij, geschatte actieradius)
Energiemeter 9

Kilometertotaalteller 10
Waarschuwingslampje regeneratief remniveau 12

Gebruik, afhankelijk van de auto, de knop 1 of 2 om te bladeren door de diverse widgets op het instrumentenpaneel:
- informatie ritcomputer (kilometer-teller, verbruik enz.);
- telefoon- en multimedia-informatie (audiobron die momenteel wordt afgespeeld enz.);
- voertuiginformatie (waarschu- wingsberichten enz.);
- ...
BOORDCOMPUTER

Oplaadpercentage tractiebatterij 14
Resterende laadtijd 15
Waarschuwingslampje koppel-ling van laadsnoer 16
Gaat branden zodra de oplaadkabel op het voertuig wordt aangesloten.
Laadniveau 17
De meter geeft de resterende hoeveelheid energie aan.
Reservedrempel
Wanneer de lading van de tractie-batterij ongeveer 15% bereikt,
het niveau van de tractiebatterij 17
en het indicatielampje 13 schijnen in het geel.

De actieradius optimaliseren → 173
Drempels van onmiddellijke stilstand
Wanneer het laadniveau ongeveer 5% bereikt, klinkt er een pieptoon.
Het controlelampje 13

pert geel en het niveau van de tractiebatterij 17 wordt rood weergegeven.
Opmerking: Wanneer het laadni-veau ongeveer 0% bereikt, wordt de resterende actieradiuswaarde na een vertraging van ongeveer 30 seconden niet meer weergegeven op het dashboard of, afhankelijk van de auto.
Het motorvermogen blijft zakken totdat de auto stilvalt → 316.


BOORDCOMPUTER
Richtingaanwijzers 18 en 22
Waarschuwingslampje 19
→132
Controlelampje 20 bij te lage bandenspanning
→175
Waarschuwingslampje airbag 21
→84
Waarschuwingslampje detectie 23 "Handen niet aan het stuur"
→185
Waarschuwingslampje 24 elektronische parkeerrem
→165
Waarschuwingslampje 25 On- middellijk stoppen
→132

Verbruiksmeter 26
→170
ECO-modus 27
→172
Geschatte actieradius 28
De geschatte actieradius in real time wordt berekend op basis van verschillende factoren, zoals de gebruiksomstandigheden, uitrusting, rijstijl, weersomstandigheden, enz.
De berekening is gebaseerd op de laatst gereden kilometers. Het wordt tijdens uw rit automatisch gecorri-geerd als de factoren veranderen (type weg, rijstijl, enz.).
Bovendien, om inzicht te krijgen in uw geschatte bereik, kunt u de indicatoren 29 en 30 raadplegen. Af-hankelijk van het laadniveau van de tractiebatterij:
77146

- indicato80: schatting van de "hoge" actieradius berekend op basis van optimale rijomstandigheden (bijv. rijden op een A-weg of vierbaansweg bij warm weer met weinig gebruik van airconditioning);
- indicato29 : schatting van de "lage" actieradius berekend op basis van ongunstige rijomstandigheden (bijv. rijden op een snelweg in koud weer of in een file bij intensief gebruik van het verwarmingssysteem).
De actieradius optimaliseren → 173
BOORDCOMPUTER
Instrumentenpaneel in mijlen

(mogelijkheid om over te gaan op km/u)
Als de auto stilstaat en de motor is ingeschakeld, selecteert u in het multimediascherm 31 de "Voertuig" wereld, drukt u op het menu "Instellingen", "Systeem" en vervolgens "Eenheden".
Kies tussen km/h of mph.
De snelheidsmeter en sommige afstandsinformatie die op het instrumentenpaneel is weergegeven, worden geconverteerd.
Om terug te gaan naar de vorige eenheid, gaat u op dezelfde manier te werk.
Opmerking: in beide gevallen gaat de boordcomputer, als de accu is uitgeschakeld, automatisch terug naar de oorspronkelijke eenheid.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Om bepaalde rijhulpfuncties te kunnen gebruiken, dient u de meeteenheid op het instrumentenpaneel te wijzigen zodat u de juiste informatie krijgt als u rijdt in een land waar de snelheidseenheid verschilt van de standaard instelling op uw auto.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto
Introductie

Deze functie zorgt, afhankelijk van de uitrusting van de auto, voor het in-/uitschakelen en de afstelling van sommige functies van de auto.
Toegang tot het instelmenu
Selecteer op het multimediascherm 1, met stilstaande auto en draaiende motor (READY), de "Voertuig" wereld, druk op het menu "Voertuig" en vervolgens op "Buiten" om naar de diverse instellingen te gaan.
BOORDCOMPUTER
Selectie van de instellingen
Selecteer een tabblad en vervolgens de functie die moet worden gewijzigd (de weergave hangt af van de uitrusting en het land van de auto):
a) "Toegang":
- « Automatische deurslot tijdens het rijden »;
- « Toegang en start via telefoon »;
- ...
b) "Welkom":
- « Animatie buitenverlichting »;
- « Binnenverlichtingsfunctie »;
- ...
c) "Wissen":
- « Achterruitwisser aan bij achter- uit »;
- « Automatische voorruitwissers »;
- ...
Afhankelijk van de functie, selecteer:
- "ON" of "OFF" om in of uit te scha-kelen;
of
- een periode om de tijd in te stellen waarin de koplampen branden (bv. voor de functie "Auto follow-me-home").
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Klok en buitentemperatuur
De tijd instellen

De tijd en/of buitentemperatuur verschijnen op het multimediascherm 1.
Om de tijd in te stellen kiest u op het multimediascherm 1 de "Voertuig" wereld, drukt u op het menu "Instel-
lingen" en vervolgens op "Datum en tijd".
U hebt toegang tot diverse instellingen:
- "De tijdzone automatisch instellen";
- "De tijdzone instellen" (handma-tig);
- "Gebruik de 24-uursnotatie".
-...
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Buitentemperatuurmeter
Bijzonder geval:
Als de buitentemperatuur tussen -3
°C en +3 °C ligt, knipperen de tekens
°C (waarschuwing voor kans op gladheid).

Als de elektrische voeding onderbroken is geweest (losgenomen accukabel,
zekering doorgebrand, enz.) moet u het klokje weer gelijk zetten.
Zet het alleen bij stilstaande au- to gelijk.
BOORDCOMPUTER

Buitentemperatuurme- ter
De buitenthermometer is beslist geen glad-
heidsdetector. Gladheid is niet alleen van de temperatuur afhankelijk, maar van meer factoren zoals de ligging van de weg en de vochtigheid van de lucht.
CONTROLELAMPJES
De hier vermelde infoweergave HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.

deze verschijnt zodra het bestuurdersportier wordt geopend. Raadpleeg de multimedia-instructies om de helderheid van het dashboard aan te passen.
Het oplichten van sommige contro- lelampjes gaat vergezeld van een boodschap.

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instru- paneel weer. U moet di- open zonder het overige in gevaar te brengen. de auto inderdaad stopt is en neem con- met een merkdealer.

Voor uw eigen veilig- heid dwingt het waar- schuwingslampje
STOP u onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.

Het waarschuwingslamp-

and at u
meteen voorzichtig naar een merkdealer moet rijden. Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.

Controlelampje markerings-
licht

Controlelampje dimlicht

Controlelampje richtingaan-
wij-zers links

Controlelampje richtingaan-
wijzers rechts
CONTROLELAMPJES

Controlelampje geopend por-

Controlelampje elektronische errem ingeschakeld → 165

Controlelampje storing voet- ersclaxon

Bestuurder airbag en passa- bor → 112 waarschuwingslamp- ing

Controlelampje laag peil rui- roeiervloeistof

Controlelampje automatische nctie
STOP
Waarschuwingslampje 'on- ik stoppen'
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft zodra de motor draait. Het waarschuwingslampje gaat tegelijk met andere waarschuwingslampjes en/of boodschappen branden en gaat vergezeld van een geluidssignaal. Voor uw veiligheid dwingt dit u direct te stoppen zodra dit op veilige wijze kan. Stop de motor en start deze niet opnieuw.
Roep de hulp in van een merkdealer.

Waarschuwingslampje
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft zodra de motor draait. Het waarschuwingslampje kan tegelijk gaan branden met andere waarschuwingslampjes en/of meldingen op het instrumentenpaneel.
Dit betekent dat u zo snel mogelijk, maar voorzichtig, naar een merk-dealer moet rijden. Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.

Waarschuwingslampje
Als dit tijdens het rijden rood wordt
en het controlelampje STOP schijnt, moet u voor de veiligheid stoppen zodra de verkeersomstandigheden het toelaten. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer. Als dit tijdens het rijden geel wordt
en het controlelampje

schijnt, moet u zo snel mogelijk een merkdealer raadplegen. Rijd onder- tussen voorzichtig. Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.

Controlelampje elektronisch em
Het licht op samen met het STOP waarschuwingslampje en er klinkt een pieptoon wanneer de temperatuur van de elektrische groep te hoog is. Stop het voertuig en schakel het contact uit. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. Als het lampje gaat branden in combinatie met het waarschuwings-
lampje "STOP" eptoon en het bericht "VERLAAT VOERTUIG IN VEILIGHEID", zet dan het contact uit en start de motor niet opnieuw. Stap uit en roep de hulp in van een erkende dealer.
CONTROLELAMPJES

Bij de melding "VER- LAAT VOERTUIG IN VEI- LIGHEID" in combinatie met het waarschu-
wingslampje
STOP
pieptoon moet u de auto voor uw eigen veiligheid onmiddellijk stoppen, afhankelijk van de verkeersomstandigheden. Zet het contact uit. Laat het uitgeschakeld. Verlaat het voertuig, laat alle passagiers uitstappen en houd ze uit de buurt van het voertuig en het verkeer. Risico van brand.

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschu-
wen door middel van de geva- rendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.

Controlelampje 'storing in onisch systeem'
Dit lampje duidt op een elektrotechnische storing (tractiebatterij en elektromotor). Raadpleeg snel een merkdealer.

Controlelampje elektromotor
Dit lampje duidt op een storing in het elektrotechnische systeem van de elektromotor. Raadpleeg snel een merkdealer.

Controlelampje tractiebatte-
Dit verschijnt in het geel als het laad-niveau van de tractiebatterij de re-servedrempel bereikt.

Controlelampje storing trac- tterij
Als dit lampje samen met het waar-
schuwingslampje

schijnt, dan duidt dit op een storing in de werking van de tractiebatterij. Raadpleeg snel een merkdealer.

Waarschuwingslampje laad- m 12 volt
Als het lampje gepaard gaat met het
waarschuwingslampje

een geluidssignaal, is de lading in het elektrische circuit te laag of te hoog → 301.

Controlelampje beperkte
prestaties
Dit lampje verschijnt als de elektromotor of tractiebatterij tijdelijk niet het nominale vermogen levert. De voertuigprestaties zijn dan tijdelijk beperkt.
Gebruik een meer soepele rijstijl tot- dat het controlelampje verdwijnt.

Waarschuwingslampje "laad-aangesloten"
Verschijnt wanneer het laadkabel op de auto wordt aangesloten → 20.

Waarschuwingslampje anti- eersysteem (ABS)
Dit lampje verschijnt als u het contact aan zet en het verdwijnt na enkele seconden.
Als het niet dooft na het aanzetten van het contact of als het oplicht tijdens het rijden, wijst dit op een storing in het antiblokkeersysteem van de wielen. Er kan dan met de auto worden geremd als bij een auto zonder ABS. Raadpleeg snel een merk-dealer.

Waarschuwingslampje elek- ch stabiliteitsprogramma en tractiecontrolesysteem
Het waarschuwingslampje kan om
CONTROLELAMPJES
verschillende redenen gaan branden.

Waarschuwingslampje Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESC) en/of tractiecontrolesysteem → 179.

Controlelampje bij te lage enspanning
Dit lampje verschijnt als u het contact aanzet of de motor start, en het verdwijnt na enkele seconden → 175.

Waarschuwingslampje voor actie "Handsfree parkeren"

Controlelampje snelheidsaf- elijke stuurbekrachtiging
Het licht op bij het aanzetten van het contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden. Afhankelijk van de auto gaat het branden bij een accustoring → 301. Als het verschijnt tijdens het rijden, samen met het waarschuwings-
lampje STOP it op een storing in het systeem. Roep de hulp in van een merkdealer.

Waarschuwingslampje sto- emsysteem
Het licht op bij het aanzetten van het
contact of het starten van de motor en dooft binnen enkele seconden. Als het tijdens het remmen gaat branden met het waarschuwings-
lampje STOP en geluidssig- naal klinkt, dan wijst het op een da- ling van de hoeveelheid remvloeistof of een storing aan het remsysteem. Stop op een veilige plaats en roep de hulp in van een merkdealer.

Waarschuwingslampje voet t rempedaal
Het licht op zodra het rempedaal moet worden ingedrukt.

Controlelampje laadprogram- g

Controlelampje programme- irconditioning

Controlelampje detectie han- p stuurwiel

Waarschuwingslampje van de de "Actieve noodstop" → 208

Waarschuwingslampje dat toring aangeeft of dat aan- dat de functie "Actieve nood- niet beschikbaar is → 208

waarschuwingslampje snel- waarschuwing

Waarschuwingslampje bij ver- van rijstrook

Waarschuwingslampje ter oming van het verlaten van de ook

Controlelampje van de snel- begrenzer

Controlelampje snelheidsre-

Waarschuwingslampje adap- snelheidsregelaarStop and Go

Waarschuwingslampje kzaamheid bestuurder" en/of noeidheid bestuurder" → 215,
CONTROLELAMPJES
Op display A


Waarschuwingslampje van
het niet dragen van de autogordels voor → 79
STUURINRICHTING
Stuurwiel
Hoogteen diepteverstelling van het stuurwiel

Trek de hendel 1 naar beneden en zet het stuurwiel in de gewenste stand.
Til daarna de hendel geheel terug omhoog en voorbij het zware punt om het stuurwiel te blokkeren.
Controleer of het stuurwiel goed is vergrendeld.

Voer, om veiligheidsredenen, deze afstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Stuurbekrachtiging
Rijd nooit met een accu die niet ge- noeg geladen is.
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid waarmee u rijdt aan.
Bij het parkeren is er veel bekrachtiging (voor meer comfort) en met het toenemen van de snelheid vermindert de bekrachtiging (voor een grotere veiligheid bij snel rijden).
Bijzonderheid
Afhankelijk van de auto, is bij een accustoring (losgekoppelde of lege accu, enz.) een reset van de stuurbekrachtiging vereist. Dat doet u zo:
- zet de auto stil en op een vlakke ondergrond;
- start de moto met alleen de bestuurder in de auto: het waarschu-

f, afhanke-
lijk van de auto, het bericht "Draai het stuur max R naar L" verschijnt op het instrumentenpaneel;
- Draai het stuur volledig naar links en houd het vast, waarbij u aan het einde van de rit ongeveer een seconde druk uitoefent (u voelt dan het stuur in de tegenovergestelde richting bewegen);
- herhaal dezelfde handeling door het stuur volledig naar rechts te draaien;
- breng het stuurwiel weer naar links om de wielen recht te zetten.
Zet de motor af en wacht ongeveer een minuut.
wanneer de motor weer start, verdwijnt het waarschuwingslampje en, afhankelijk van het voertuig, het bericht.

Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachti-
ging.
STUURINRICHTING

Laat het stuurwiel niet in een uiterste stand ge-draaid staan als de auto gat.
Bij stilstaande motor of bij een storing in het systeem blijft het mogelijk het stuurwiel te draaien. Er moet meer kracht gezet worden.
Als het stuurwiel snel wordt gedraaid, kan u een geluid horen. Dat is normaal.
BEELD ACHTERKANT
Spiegels
Buitenspiegels met elektrische afstelling:

Wanneer u de buitenspiegel selecteert met behulp een van de schakelaars 3, verschijnt het ingebouwde controlelampje op de schakelaar. Gebruik vervolgens de knop 2 om de gewenste stand in te stellen.
Verwarmde achteruitkijkspiegels
Terwijl de motor draait, wordt de spiegelverwarming tegelijk met achterruitverwarming geactiveerd.

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
buitenspiegels automatisch uitge- klapt bij het ontgrendelen van de au- to. De spiegels klappen automatisch in bij het vergrendelen van de auto.
U kunt het automatisch in- of uit- klappen van de buitenspiegels uit- en inschakelen → 129.
U kunt het systeem uitzetten met de schakelaar 1. In deze situatie blijven de buitenspiegels ingeklapt totdat de knop 1 opnieuw wordt ingedrukt, zonder automatisch inklappen.
Bijzonderheid
Wanneer de achteruitkijkspiegel handmatig is in- of uitgeklapt, kan hij worden teruggezet naar een be-paalde gebruiksstand.
Dit kan door op de schakelaar 1 te drukken. U hoort een mechanische klik vanuit het spiegelblok.
Als u geen klikgeluid hoort, drukt u opnieuw op de schakelaar 1 totdat u het klikgeluid van de buitenspiegels hoort.

Voorwerpen die worden waargenomen in de achteruitkijkspiegel zijn in werkelijkheid
dichterbij dan ze lijken.
Voor uw eigen veiligheid dient u hiermee rekening te houden bij het bepalen van de afstand, voordat u een manoeuvre uitvoert.
BEELD ACHTERKANT
Binnenspiegel
De binnenspiegel is verstelbaar.
Spiegel met hendel 4

Om te voorkomen dat u in het donker verblind wordt door de koplampen van achter u rijdende voertui-gen, kunt u de achteruitkijkspiegel kantelen met het knopje 4 achter de spiegel.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Draai de ring 4 totdat het AUTO- symbol is uitgelijnd met de marke- ring 3.
De dagrijverlichting schakelt overdag automatisch in (zonder dat u de schakelaar 1hoeft te bedienen) bij het starten van de motor en gaat uit als de motor stopt.
zijlichten

Draai de ring 4 totdat het pol is uitgelijnd met de marke-
Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.
Opmerking: afhankelijk van de auto kunnen de zijlichten alleen handma-
75759
tig worden ingeschakeld als de parkeerrem is aangetrokken. Anders wordt het bericht "Markeringslicht Niet beschikbaar" weergegeven op het instrumentenpaneel om u te informeren dat het niet mogelijk is om de zijverlichting te activeren.
Dimlichten

Handbediend
Draai de ring 4 totdat het symbool is uitgelijnd met de markering 3.
Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.

Controleer, voordat u in het donker wegrijdt, de werking van de verlichting en stel indien no-
dig de stand van de koplampen af op de belasting van de auto. Zorg ervoor dat de lichten niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, vervoer van voorwerpen, enz.).
Draai de ring 4 tot het symbool AU-TO tegenover de markering 3 staat: met draaiende motor (READY), scha-
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
kelen de dimlichten automatisch in en uit naargelang van de helderheid buiten, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen.
Afhankelijk van de auto verschijnen de dimlichten automatisch na enkele wisbewegingen van de ruitenwisserbladen.
Wanneer u links rijdt met een auto met de bestuurdersstoel aan de linkerkant (of andersom), bent u verplicht om tijdens uw verblijf de koplampen opnieuw af te stellen → 145.
Bochtverlichting
(afhankelijk van de auto)
In de vooruitversnelling, als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld en afhankelijk van de hoek van het stuurwiel, past deze functie de breedte van de lichtbundel aan om het zicht in een bocht of op een kruispunt te verbeteren.
Grootlicht:


Duw met draaiende motor en e dimlichten aan tegen de chakelaar 1 (beweging A).
Dit controlelampje op het in-strumentenpaneel licht op.
Om terug te keren naar dimlicht drukt u opnieuw op de lichtschake- laar 1.
Afhankelijk van de auto ont- ten dooft dit systeem automa- net grootlicht.
Het gebruikt een camera geplaatst achter de binnenspiegel om voorliggers en tegenliggers te detecteren.
Opmerking: 's nachts, in stedelijke gebieden met straatverlichting, wordt het automatische grootlicht automatisch uitgeschakeld.
Het grootlicht wordt automatisch ontstoken wanneer:
- Er is weinig externe verlichting. - Er wordt geen andere auto of ver- lichting gedetecteerd.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
- als de auto sneller dan ongeveer 40 km/u rijdt.
Als niet aan een van de voorwaarden hieronder wordt voldaan, wordt overgeschakeld naar dimlicht.
Opmerking: zorg ervoor dat de voorruit niet is bedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enzovoort).
Draai aan de ring 4 tot het symbool AUTO is uitgelijnd met het merkteken 3 en druk vervolgens op de schakelaar 5.
Het controlelampje e het in- strumentenpaneel gaat branden als het dimlicht is ingeschakeld.
Automatisch grootlicht uitschakelen
Druk op de schakelaar 5: het waarschuwingslampje verdwijnt van het instrumentenpaneel.
Opmerking: wanneer u op de hendel 1, drukt, wordt de automatische grootlichtfunctie uitgeschakeld,

verdwijnt het waarschuwings-
lampje van het instrumentenpaneel en activeert het voertuig het grootlicht koplampen.

Het systeem kan onder bepaalde omstandigheden niet goed werken,
met name:
- extreme weersomstandighe- den (regen, sneeuw, mist enz.);
- als er iets achter de voorruit of voor de camera zit;
- als een achterligger of tegen- ligger weinig verlichting voert of afgedekte lampen heeft;
- verkeerde afstelling van de koplampen;
- reflecterende systemen;
- ...
Storingen
Wanneer de melding "Controleer autom verlichting" op het instrumentenpaneel verschijnt, wordt het systeem uitgeschakeld.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Het gebruik 's nachts van een draagbaar navigatiesysteem op het gedeelte van de voor-
ruit onder de camera, kan de werking van het "automatische grootlichtsysteem" verstoren (risico van reflecties op de voor-ruit).

Het systeem voor automatisch inschakelen van grootlicht kan nooit de oplettendheid
en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen met betrekking tot de voertuigverlichting en het aanpassen aan de licht-, zicht- en verkeersomstandigheden.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Lichten uitschakelen

De lichten gaan automatisch uit bij het openen van het bestuurdersportier of bij het vergrendelen van de auto of één minuut nadat de motor is uitgeschakeld.
In dat geval schakelen, bij de volgende keer starten van de motor, de lichten opnieuw in, overeenkomstig de stand van ring 4.
Geluidssignaal verlichting verge- ten
In het geval dat de lichten zijn ingeschakeld na het stilzetten van de motor, klinkt er een signaal bij het openen van het bestuurdersportier
om u te waarschuwen dat de lichten nog branden.
Storingen
Wanneer, afhankelijk van het voertuig, het bericht "Controleer verlichting" verschijnt samen met het
waarschuwingslampje

of het waarschuwingslampje knippert op het instrumentenpaneel, geeft dit aan dat er een storing is in de verlichting.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Functie welkomst en afscheid
(afhankelijk van de auto)
Wanneer de functie is ingeschakeld, gaan de dimlichten en de markeringslichten automatisch aan wanneer de kaart wordt gedetecteerd of de auto wordt ontgrendeld.
Ze gaan automatisch uit:
- ongeveer vijftien seconden nadat ze zijn ingeschakeld;
- als de motor wordt gestart, naar gelang van de stand van de schakelaar voor de verlichting;
of
- wanneer de auto wordt vergrendeld.
Inschakelen/Uitschakelen van de functie
Raadpleeg voor in- of uitschakelen van de externe welkomstfunctie de gebruiksaanwijzing van het multi-mediasysteem.
"Functie uitschakelvertraging"

75759
Met deze functie kunt u de markeringslichten en dimlichten korte tijd inschakelen (bijv. voor het bijlichten bij het openen van een hek).
Met de motor gestopt en de lichten uitgeschakeld, na het openen van de bestuurdersdeur en met de ring 4 in de stand AUTO, trekt u de schake-
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
laar 1 naar u toe: de markeringslichten en dimlichten gaan ongeveer 30 seconden aan samen met de waar-
schuwingslampjes op het instrumentenpaneel.
Om deze tijd te verlengen, kunt u de schakelaar tot vier keer naar u toe trekken (de maximale tijd is ongeveer twee minuten).
De melding "Verlichting aan tijdens __" verschijnt met de verlichtingstijd op het instrumentenpaneel om de actie te bevestigen.
Daarna kunt u uw auto vergrendelen.
De functie "Uitschakelvertraging" deactiveren
Om de verlichting uit te schakelen voordat deze automatisch uitschakelt, draait u de ring 4 naar een willekeurige stand en draait u deze daarna terug naar de stand AUTO.
Opmerking: als de functie Welkomst en afscheid is geactiveerd, moet na het uitschakelen van de motor de procedure voor het deactiveren van de functie "uitschakelvertraging" worden uitgevoerd voordat aan de schakelaar wordt getrokken (anders blijven de lichten branden door de functie Welkom en afscheid).
Mistachterlicht

Om het mistachterlicht te activeren, draait u aan de ring 4 totdat het symbool AUTO is uitgelijnd met de marking 3 en draait u vervolgens aan de draaischakelaar om de marking 6 uit te lijnen met het symbool 2.
Het controlelampje , chijnt op het instrumentenpaneel.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controle-lampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u het mistachterlicht
uitschakelen om de achter u rijden- de weggebruikers niet te hinderen.
Om het mistachterlicht uit te schakelen, draait u nogmaals aan de draaischakelaar om de markering 6 uit te lijnen met het symbool 2.
Het controlelampje het in- strumentenpaneel gaat uit..
Bij het uitschakelen van de verlichting gaat ook het mistlicht achter uit.
Afstellen van de koplampen
Werkzaamheden

Afhankelijk van de auto kunt u met de schakelaar A de hoogte van de koplampstralen aanpassen aan de belading.
Als de dimlichten branden, drukt u op of trekt u aan schakelaar A zo vaak als nodig is voor het selecteren van de gewenste stand op het instrumentenpaneel. De geselecteerde positie wordt gedurende ongeveer 15 seconden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Opmerking: als de lampen zijn ingeschakeld, wordt elke keer dat de motor start de geselecteerde stand gedurende ongeveer 15 seconden weergegeven op het instrumentenpaneel.

Motorkap zit vast.
Het openen van de motorkap en alle werkzaamheden in de mo-
torruimte mogen alleen worden uitgevoerd door een vakman.

Wanneer u links rijdt met een auto met de bestuurdersstoel aan de linker-
kant (of andersom), bent u ver- plicht om tijdens uw verblijf de lichten te laten afstellen door een merkdealer. De afstelling gebeurt door de schroef van de lamp 1/4 slag te draaien.
VERLICHTING EN SIGNALISATIE
Tabel met voorbeelden van aanpassingsposities
| Voorbeelden van de stand van knop A afhankelijk van de belading | |
| Bestuurder alleen 0 | |
| Bestuurder alleen met een passagier voorin 0 | |
| Alle stoelen bezet 1 | |
| Bestuurder met passagiers en bagage (of belading) tot de maximaal toege-laten totale massa | 2 |
| Bestuurder zonder passagiers of bagage (of belading) tot de maximaal toe-gelaten totale massa | 3 |
In de volgende tabel ziet u enkele voorbeelden. Stel in alle gevallen de knop A in volgens de belading van de auto, zodat de weg goed zichtbaar is en andere weggebruikers niet verblind worden.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN
Claxon


Druk op het midden van het stuur-wiel A om de claxon te laten klinken.
Lichtsignaal
Trek de hendel 1 naar u toe en laat los om met de koplampen te knippe-ren.
Richtingaanwijzers
Zet de schakelaar 1 in dezelfde richting als waarin u het stuurwiel wilt bewegen.
Werking van de sneltoets
Verschuif de hendel 1 even omhoog of omlaag, waarbij u het weer-
standspunt niet overschrijdt, en laat hem dan weer los: de hendel keert terug naar zijn oorspronkelijke stand en het betreffende richtingaanwijzerlampje knippert drie keer.
Alarmknipperlichten

Druk op de schakelaar 2. Hier- komen de vier knipperlichten zijknipperlichten tegelijk in ng.
Gebruik deze alleen als gevaar dreigt om andere weggebruikers te waarschuwen dat u gedwongen bent te stoppen op een abnormale plaats of zelfs waar dit verboden is,
of bij bijzondere rij- of verkeersom- standigheden.
RUITENWISSERS
Ruitenwisser, sproeier voor
Auto voorzien van ruitenwisser met interval

A. een enkele wisbeweging: door kort te drukken maakt de rui- tenwisser één wisbeweging;
B. uit:
C. wissen met intervallen: de wissers vegen met tussenpozen van enkele seconden. De duur van het interval is te regelen door de ring 2 te verdraaien;
D. langzaam continu wissen; E. snel continu wissen.

Bijzonderheid
Tijdens het rijden, gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt.
Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen.
Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Elke actie op de schakelaar 1 overschrijft en annuleert de automatische functie.
Auto voorzien van ruitenwisser met regensensor

De regensensor bevindt zich op de voorruit, voor de binnenspiegel.
A. Een enkele wisbeweging: door kort te drukken maakt de rui- tenwisser één wisbeweging;
B. uit:
RUITENWISSERS

in deze stand signaleert het systeem water op de voorruit en schakelt het wissen in met een aangepaste wissnelheid.
De inschakeldrempel van het wissen en de duur van het interval is te regelen door de ring 2 te verdraaien:
- F: maximale gevoeligheid;
- G:minimumgevoeligheid.
Hoe hoger de gevoeligheid, des te sneller reageren de ruitenwissers en wordt de frequentie van het wissen verhoogd.
Wanneer automatisch wissen is ingeschakeld of de gevoeligheid wordt verhoogd, wordt één wisbeweging uitgevoerd.

rolelampje brandt op mentenpaneel om te be- dat de functie geactiveerd
Opmerking:
- de regensensor heeft enkel een ondersteunende functie. Bij beperkte zichtbaarheid moet de bestuurder zijn ruitenwisser handmatig in-schakelen. Bij mist of sneeuwval werkt de ruitenwisser niet altijd automatisch en blijft deze onder uw controle:
- Bij temperaturen onder nul wordt automatisch wissen niet ingeschakeld wanneer de auto wordt gestart. Deze functie wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto sneller rijdt dan een bepaalde snelheid (ongeveer 8 km/uur).
- Schakel automatisch wissen niet in bij droog weer.
- Ontdooi de voorruit volledig voordat u het automatisch wissen in-schakelt;
- wanneer u de auto door een wasstraat rijdt, moet u de schakelaar 1 in ruststand B zetten om het automatisch wissen uit te zetten.
Storingen
Bij een storing van het automatisch wissen, schakelt de ruitenwisser
over op wissen met intervallen. Roep de hulp in van een merkdealer.
De werking van de regensensor kan worden verstoord bij:
- beschadigde ruitenwissers: door een waterlaagje of sporen van de ruitenwisser in de detectiezone van de sensor kan de reactiesnelheid van het automatisch wissen vertragen of kan de frequentie van het wissen verhogen;
- barsten of scheuren in de voorruit in de buurt van de sensor, stof, vuil, insecten of rijm op de voorruit of het gebruik van reinigingswas of waterafstotende producten; De ruitenwisser zal minder gevoelig zijn of zelfs helemaal niet reageren;
D. langzaam continu wissen;
E. snel continu wissen.
Bijzonderheid
Tijdens het rijden, gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt.
Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen.
Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Elke actie op de schakelaar 1 overschrijft en annuleert de automatische functie.
RUITENWISSERS
Voorzorgsmaatregelen
- Controleer bij vorst voordat u de ruitenwisser inschakelt of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren. Als u de ruitenwisser inschakelt terwijl de bladen zijn vastgevroren, kunt u zowel de bladen als de motor van de ruitenwisser beschadigen.
- Activeer de ruitenwissers niet op een droge uit. Dit kan leiden tot vroegtijdige slijtage of beschadiging van de wisserbladen.
Bijzondere stand van de ruiten-wisser voor (onderhoudsstand)
In deze stand kunnen de bladen worden opgetild om ze van de voorruit te verwijderen.
Dit kan nuttig zijn:
- de bladen reinigen;
- de bladen losmaken van de voorruit bij winterweer;
- de bladen vervangen → 321.
Beweeg de hefboom 1, met in- of uitgeschakelde motor, twee keer naar stand A (één wisbeweging).
De wisserbladen stoppen iets boven de motorkap.
Om de bladen terug te zetten in de lage stand, zorgt u er met contact AAN voor dat de ruitenwissers zijn neergeklapt op de voorruit. Zet daar-
na de schakelaar 1 in stand A (één wisbeweging).
Voordat u het contact aanzet, moet u de ruitenwissers op de voorruit zetten. Anders kunnen de motorkap of de wissers beschadigd raken wanneer deze worden ingeschakeld.

Voordat u iets aan de voorruit doet (wassen van de auto, ontdooien of reinigen van de voorzet u de schakelaar 1 in d B (ruststand).
Risico van verwonding en/of beschadigingen.

Wanneer er zich obstakels op de voorruit bevin-den (vuil, sneeuw, ijs...),
maakt u de voorruit (inclusief de centrale zone achter de binnen-spiegel) schoon voordat u de ruitenwissers inschakelt (risico op oververhitting van de motor).
Als een obstakel de beweging van een blad verhindert, kan dat blad stoppen met wissen. Verwijder het obstakel en schakel de ruitenwisser opnieuw in met de ruitenwisserschakelaar.
RUITENWISSERS
Ruitensproeier

Contact aan: trek aan de schakelaar 1 en laat los.
- door een korte actie komt de ruitensproeier in werking en maakt de ruitenwisser één wisbeweging;
- Door langer te drukken wordt de ruitensproeier geactiveerd en maken de ruitenwissers twee wisbewegingen, een paar seconden later gevolgd door een derde.
Opmerking:
- de ruitensproeier inschakelen door langer dan 30 seconden aan de hendel 1 te trekken, kan ertoe leiden dat de ruitensproeierpomp uitvalt.
Dit voorkomt dat de pomp overver- hit raakt:
- bij temperaturen onder nul kan de ruitenwiservloeistof aanvriezen op de voorruit en het zicht verminderen. Verwarm de voorruit met behulp van de ontwasemingsschakelaar voordat u ze reinigt.

De werking van een rui- tenwisserblad
Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun levens- duur hangt van u af:
- houd de bladen schoon: reinig de bladen en de ruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge ruit;
- maak ze los van de ruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.
Vervang ze in elk geval zodra de werking afneemt; ongeveer eens per jaar → 321.
Voorzorgen bij het gebruik van de wissers
- Maak als het vriest of sneeuwt de ruit schoon voordat u de rui- tenwissers aanzet (de motor kan oververhit raken);
- zorg dat niets de beweging van de wisser hindert.
RUITENWISSERS
Ruitenwisser/-sproeier achter
Achterruitenwisser


Draai met ingeschakeld contact aan de ring 3 op de schakelaar 1 totdat het symbool op de marke- ring 2 staat.
- uit:
- wissen met intervallen:
de wissers vegen met tussenpozen van enkele seconden. De veegfrequentie varieert afhankelijk van de snelheid van het voertuig;
- langzaam continu wissen.
Om de bewerking te stoppen, draait u de ring 3 opnieuw.
Opmerking: als u de auto door een wasstraat rijdt, moet u de ring 3 van de schakelaar 1 in de uit-stand zetten om het automatisch wissen uit te zetten.
Houd u aan de gebruiksvoorschriften.
Vergeet niet om het einde van het gebruik de knop van de achterruitenwisser terug in ruststand te zetten, zodat het wissen niet per ongeluk wordt geactiveerd tijdens het volgende gebruik.

Gebruik de ruitenwis- serarm niet om de achter- klep te openen of te slui-
ten.

Voordat u iets aan de achterruit doet (wassen van de auto, ont-dooien, reinigen enz.)
moet u de schakelaar 1uit zetten.
Risico van verwonding en/of beschadigingen.

De werking van een rui- tenwisserblad
Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun levens- duur hangt van u af:
- houd de bladen schoon: reinig de bladen en de ruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge ruit;
- maak ze los van de ruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.
Vervang ze in elk geval zodra de werking afneemt; ongeveer eens per jaar → 321.
Voorzorgen bij het gebruik van de wissers
- Maak als het vriest of sneeuwt de ruit schoon voordat u de rui- tenwissers aanzet (de motor kan oververhit raken);
- zorg dat niets de beweging van de wisser hindert.
Inschakelen/uitschakelen van de achterruitwisser
Wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, wordt het inter-
RUITENWISSERS
valwissen van de achterruit ingeschakeld (als de ruitenwissers werken). Als uw auto is uitgerust met een menu om de auto-instellingen te personaliseren, kunt u deze functie in- of uitschakelen → 129.
Voor auto's die niet zijn uitgerust met een menu om de instellingen te personaliseren, kunt u de functie laten deactiveren door een erkende dealer.
Wanneer er zich obstakels op de achterruit bevinden (vuil, sneeuw ...), probeert de ruitenwisser alle obstakels weg te wissen. Als een obstakel de beweging van het blad verhindert, kan het blad stoppen. Verwijder het obstakel, wacht ongeveer 30 seconden en schakel de ruitenwisser opnieuw in met de schakelaar voor het wissen.
Voorzorgsmaatregelen
- Controleer bij vorst voordat u de ruitenwisser inschakelt of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren op de ruit. Als u de ruitenwisser bedient terwijl het blad geblokkeerd is door vorst, bestaat het risico dat zowel het blad als de motor van de ruitenwisser beschadigd raken.
- Activeer de ruitenwissers niet op een droge uit. Dit kan leiden tot
vroegtijdige slijtage of beschadiging van de wisserbladen.
Achterruitsproeier

Duw met het contact aan lang
tegen de schakelaar 1 en laat vervolgens los.
Als de schakelaar langer wordt ingedrukt, maakt, naast de voorruit-sproeier, ook de achterruitwisser twee wisbewegingen, enkele seconden later gevolgd door een derde (druppel-wisfunctie).
Als u de schakelaar loslaat, blijft de achterruitwisser werken.
Opmerking:
- de ruitensproeier van de achterruit inschakelen door langer dan 30 seconden aan de hendel 1 te trekken, kan ertoe leiden dat de ruitensproeierpomp uitvalt. Dit voorkomt dat de pomp oververhit raakt.
- bij temperaturen onder nul kan de ruitenwiservloeistof aanvriezen op de achterruit en het zicht verminderen. Verwarm de achterruit met behulp van de ontwasemingsschakelaar voordat u deze reinigt.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
Contactslot bij auto's met een sleutel
Startschakelaar

Stand "Stop/stuurslot actief" LOCK 0
Als u de sleutel uit het slot trekt en het stuur draait, hoort u een klik: de stuurinrichting is nu vergrendeld.
U zet het stuurslot vrij door het stuur en de sleutel iets heen en weer te bewegen.
Stand "Aan" ON 2
Het contact staat aan.
Alle accessoires (radio enzovoort) kunnen worden gebruikt.
Stand "Starten" START 3
Starten van de motor
- Druk het rempedaal in.
- draai de sleutel in de stand "START" 3 en laat deze los.
Het bericht "GEREED" verschijnt op het instrumentenpaneel, samen met een geluidssignaal. Zodra het bericht "GEREED" verschijnt en het geluidssignaal stopt, is de auto klaar om te rijden.

Zet nooit het contact uit voordat de auto compleet stilstaat, anders valt de bekrachtiging weg. Door het stilzetten van de motor is er geen be- krachtiging meer van de rem- men, stuurinrichting, enz. en zijn de passieve veiligheidsorganen zoals de airbags en gordelspan- ners uitgeschakeld.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
De auto kan alleen worden gestart als het laad-kabel is losgekoppeld van de auto. Wanneer de laadkabel is aangesloten, drukt u het rempedaal in en draait u de sleutel vervolgens naar de stand "START" 3 en laat u deze los om het opladen te stoppen en de kabel te ontgrendelen.
Contactslot bij auto's met een kaart
Starten van de motor

De kaart moet zich binnen de detectiezone 1 bevinden.
Om te starten:
- druk het rempedaal in; - druk op de knop2. Het bericht "GE- REED" verschijnt op het instrumentenpaneel, samen met een geluidssignaal.
Het bericht verdwijnt als de snelheid boven ongeveer 5 km/u komt.

- als niet is voldaan aan een van deze startvoorwaarden, verschijnt het bericht "Druk op rem + START" op het instrumentenpaneel; - in sommige gevallen moet het stuurwiel worden bewogen bij het in-
drukken van de startknop 2 om het ontgrendelen van de stuurkolom mogelijk te maken: in dit geval waarschuwt het bericht "Draai stuurwiel + START" u daarvoor.
Tijdens een systeemupdate via het multimedia-systeem is het niet mogelijk om de auto te starten. Wacht tot de update is voltooid voordat u de auto start. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie over systeemupdates.
De auto kan alleen worden gestart als het laad-kabel is losgekoppeld van de auto. Wanneer de laadkabel is aangesloten, drukt u het rempedaal in en drukt u vervolgens op knop 2 om het opladen te stoppen en de kabel te ontgrendelen.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR

"Handsfree" starten met geopende achterklep
In dat geval mag de kaart zich niet in de bagageruimte bevinden, om te vermijden dat u ze kwijtraakt.
Functie accessoires
(contact aanzetten)
Zodra u bent ingestapt, kunt u een aantal functies van de auto (radio, navigatiesysteem ruitenwisser, enz.) gebruiken.
Om de andere functies te gebruiken, drukt u met de kaart in de auto op de knop 2 zonder de pedalen in te drukken.
Storingen

In sommige gevallen werkt de handsfree kaart niet:
- De batterij van de kaart is leeg, de 12 V-accu is ontladen enzovoort.
- de kaart is in de buurt van een apparaat dat dezelfde frequentie gebruikt (monitor, mobiele telefoon, gameconsole enz.);
- De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
De melding "Plaats de kaart in zone + START" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Druk op het rempedaal en plaats vervolgens de kaart 4 (knopzijde omlaag) op de blikjeshouder 3.
Druk op de knop 2 om de auto te starten. Het bericht verdwijnt.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR
Stilzetten van de motor

Het voertuig moet stilstaan.
Druk op de knop 2: de motor stopt, het bericht "GEREED" op het instrumentenpaneel gaat uit en de elektronische handrem wordt aangetrokken.
Als de kaart niet in het interieur aanwezig is als u de motor wilt stoppen, verschijnt de melding "Kaart afwezig druk lang START" op het instrumentenpaneel: druk langer dan twee seconden op de knop 2.
Nadat de motor is gestopt, blijven de op dat moment ingeschakelde accessoires (radio, enz.) ongeveer 45 minuten werken.
Als het bestuurdersportier geopend wordt, schakelen de accessoires uit.

Zet nooit het contact uit voordat de auto compleet stilstaat, anders valt de bekrachti-
ging weg. Als de motor niet meer draait, is er geen stuur- en rembekrachtiging meer. Ook werken veiligheidsvoorzieningen, zoals airbags en gordelspanners, niet meer.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen, enz.
Bovendien kan bij warm, zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
Selecteurhendel
B: versnelling vooruit met meer regeneratief remmen, afhankelijk van het voertuig.
De ingeschakelde versnelling verschijnt ter herinnering op het instrumentenpaneel.
Tip-keuzehendel
Zet de selectiehendel 1 een of twee klikken vooruit of achteruit in de gewenste stand (R, N, D of, afhankelijk van de auto, B) laat vervolgens de hendel los en deze gaat naar een stabiele positie.
De ingeschakelde stand verschijnt op het instrumentenpaneel.
Als bepaalde omstandigheden het schakelen in de weg staan, knippert de huidige stand op het instrumentenpaneel.
Om de neutraalstand in te schakelen (N)
Met stilstaande auto en draaiende motor (READY) stand N inschakelen: druk op het rempedaal en zet daarna de keuzehendel 1 een klik omhoog of omlaag.
R: achteruit;
N: neutraal;
D: versnelling vooruit;
VERSNELLINGSSCHAKELAAR
Rijden in voorwaartse stand (stand D)
Zet, met stilstaande auto, de motor ingeschakeld (READY) en het rempe-daal ingedrukt, de keuzehendel 1 twee klikken omlaag om stand D in te schakelen.
Als het rempedaal niet wordt inge-trapt, knippert de weergave van de huidige stand gedurende ongeveer vijf seconden en wordt de melding "Rempedaal indrukken" gedurende ongeveer vijf seconden weergege-ven op het instrumentenpaneel.
Opmerking: de auto rijdt vooruit bij ingeschakelde stand D, R of, afhankelijk van de auto, met B ingeschakeld zodra u het rempedaal loslaat (zonder het gaspedaal in te trappen).
In de meeste verkeerssituaties hoeft u de schakelaar niet meer aan te raken.
Opmerking: als de motor draait (READY) en de auto 0 tot 8 km/u rijdt en de stand N of R ingeschakeld is, moet het rempedaal worden inge-trapt om de auto in de stand D te zetten.
Rijden in de modus B
(afhankelijk van de auto)
Met deze modus kunt u rijden in een meer dynamische regeneratieve modus. Bij loslaten van het gaspedaal gebruikt het voertuig regeneratief remmen om het voertuig af te remmen. Zo genereert de motor meer stroom waarmee de tractieaccu wordt opgeladen → 162.
Opmerking: met de stand D, R of, afhankelijk van de auto, B ingeschakeld terwijl de auto stilstaat, gaat de auto rijden zodra u het rempedaal loslaat (zonder het gaspedaal in te trappen).
Vanuit de stand D in B of B in D zetten
(afhankelijk van de auto)
Om tussen de standen te schakelen, beweegt u de keuzehendel 1 twee klikken naar beneden om de stand D of B in te schakelen.
De ingeschakelde stand verschijnt op het instrumentenpaneel.
Om de achteruitversnelling (stand R) in te schakelen
Zet de keuzehendel 1 met stilstaande auto en lopende motor (READY) twee klikken omhoog om de stand R in te schakelen.

Als de auto stilstaat, beweegt deze vooruit bij ingeschakelde stand D, R of, nkelijk van de auto, met B chakeld, zodra u het remal loslaat (zonder het gasal in te trappen).
Opmerking: het is noodzakelijk om het rempedaal in te trappen om de stand R in te schakelen, als de motor draait (READY), de auto rijdt tussen 0 en 8 km/u en de stand N, D of B is ingeschakeld (afhankelijk van de auto).
Parkeren van de auto
Trap bij stilstaande auto het rempe- daal in en zet de keuzehendel 1 een tandje omhoog of omlaag om deze in de stand N te klikken.
Zorg ervoor dat de parkeerrem is aangetrokken en dat de auto stilstaat → 165.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR

De elektronische par-keerrem kan worden gebruikt om de auto stil te zetten. Controleer, voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem in- derdaad is vastgezet. Het in- schakelen van de elektronische parkeerrem wordt bevestigd met het oplichten van het con- trolelampje op de schakelaar van de elektronische parkeer- rem en het waarschuwings-
lampje (P) et instrumentenpaneel totdat de portieren zijn vergrendeld. Afhankelijk van de auto wordt een label aan de bovenkant van de voorruit aangebracht ter herinnering aan deze → 165.

Door de versnellings-hendel in de stand N te zetten worden de aangedreven wielen niet mechanisch geblokkeerd: controleer of de auto niet kan wegrollen voordat u uitstapt.

Om veiligheidsredenen mag u nooit het contact uitzetten voordat de auto compleet stil-
staat.
Storingen
Zorg in geval van een motorstoring of een elektrische storing (accustoring, enz.) dat de auto goed blijft stilstaan.

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
REGENERATIEF REMSYSTEEM
Introductie
Bij loslaten van het gaspedaal gebruikt de auto regeneratief remmen om de auto af te remmen.
Een deel van deze energie wordt omgezet in elektriciteit om de tractie-batterij op te laden.
D/B modus of de peddels achter het stuur kunnen worden gebruikt om het regeneratief remmen te verho-gen of te verlagen.

Het regeneratief remmen kan in geen geval het indrukken van het rempedaal vervangen.
Peddels voor regeneratief remmen 1 en 2

De peddels 1 en 2 kunnen worden gebruikt, afhankelijk van het voertuig, om het niveau van het regeneratief remmen te wijzigen als de versnellingspook in stand D staat:
- trek aan peddel om het regeneratieve remniveau te verhogen;
- trek aan pedde? om het regeneratieve remniveau te verlagen.
De peddels kunnen uitsluitend worden bediend in stand D. Het is niet mogelijk om peddels te gebruiken als de cruise control of adaptieve cruise control is geactiveerd → 232 → 236.
Rijden met peddels
77147

④

5

⑥

7

Niveaus van regeneratief remmen
REGENERATIEF REMSYSTEEM
Het waarschuwingslampje 3 informeert u over het niveau van regeneratief remmen:
- 4: "vrijloopniveau", voor voorzichtig, zuinig rijden. De vereiste is dat u beter anticipeert tijdens het rijden;
- 5: laag niveau van regeneratief remmen;
- 6: gemiddeld niveau van regeneratief remmen;
- 7: maximaal regeneratief remniveau en functie Eén pedaal geactiveerd.
Eén pedaal-functie
Op uitgeruste voertuigen vergemakkelijkt de Eén pedaal-functie het rijden in de bebouwde kom of druk verkeer, voornamelijk door het gaspedaal te gebruiken.
Wanneer u het gaspedaal voldoende loslaat, remt het voertuig af totdat het volledig tot stilstand komt.
Wanneer u het gaspedaal volledig loslaat, is het regeneratieve remni-veau maximaal.
Druk het gaspedaal voldoende in om weer snelheid te maken.
Inschakelen

Druk, met de hendel in stand D, op de peddel 1 zo vaak als nodig totdat de
melding "One Pedal geactiveerd"
verschijnt. Het 3 ONE PEDAL arschuwingslampje verschijnt, vergezeld van een pieptoon om te bevestigen dat deze is geactiveerd.

De Eén pedaal-functie maakt geen noodstop en de remprestaties zijn be-

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waak- id en verantwoordelijk- de bestuurder vervan- te moet altijd de contro- ijn auto behouden.
Opmerking: als de functie Eén pedaal is geactiveerd, het voertuig stilstaat en de hendel in stand D, dan beweegt de auto niet als u het rempedaal loslaat.
REGENERATIEF REMSYSTEEM
In stand-by zetten
De functie Eén pedaal gaat in stand-by wanneer de stand R of N wordt ingeschakeld.
3
Het waarschuwingslampje PEDAL wordt grijs weergegeven op het instrumentenpaneel.
De functie wordt opnieuw geactiveerd als de rijsnelheid hoger is dan ongeveer 10 km/u, door te schakelen
naar de stand D. Het PEDAL- schuwingslampje licht blauw op om de reactivering te bevestigen.
Opmerking:
- de parkeerrem wordt automatisch geactiveerd als het voertuig langer dan ongeveer drie minuten stilstaat; - het indrukken van de start-/stop-knop van de motor blokkeert de functie Eén pedaal. U moet de functie indien nodig opnieuw activeren na het opnieuw starten.
Uitschakelen
Om de functie uit te schakelen;
- druk tijdens het rijden op de peddel 2;
- wanneer u stilstaat, drukt u op het rempedaal en vervolgens op de peddel 2.
Het bericht "One Pedal gedeactiveerd" verschijnt op het instrumen-
tenpaneel. Het 3 PEDAL-schu-wingslampje verdwijnt, vergezeld van een pieptoon, om de uitschakeling te bevestigen.
De functie wordt automatisch gedeactiveerd als de motor wordt gestopt door te drukken op de start-/stopknop van de motor.
Werkingslimieten
- De functie kan op oppervlakken met weinig grip (vorst, sneeuw enzo-voort) een aanzienlijke vertraging veroorzaken. Het wordt aanbevolen om de eerste niveaus 4 of 5 te gebruiken en om het rempedaal te gebruiken om zware vertragings- en stopfasen te beheersen → 162. - In het geval van een steile helling en met het gaspedaal losgelaten, is de functie één pedaal mogelijk niet voldoende om het voertuig stationair te houden. Zorg ervoor dat het voertuig stilstaat door het rempedaal in te trappen of de elektronische parkeerrem te activeren. - De functie Eén pedaal is niet beschikbaar als de modus Snow is ingeschakeld.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, wordt het bericht "One Pedal controleren" weergegeven op het instrumentenpaneel. De functie is niet meer beschikbaar. Ga naar een merkdealer.
PARKEERREM
Vastzetten van de automatische parkeerrem
Bij stilstaande auto kunt u de auto blokkeren met behulp van de automatische parkeerrem:
- door te drukken op de start/stop-knop van de motor 1;
of
- als de bestuurdersgordel niet is vastgemaakt;
of
- bij het openen van het bestuurder- sportier.

De elektronische par- keerrem kan worden gebruikt om de auto stil te zetten. Controleer,
voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem in- derdaad is vastgezet. Dit wordt bevestigd door het oplichten van het controlelampje 2 op schakelaar 3 en het waarschu-
wingslampje (P) et in- strumentenpaneel, totdat de portieren worden vergrendeld. Afhankelijk van de auto bevindt zich een sticker op het bovenste deel van de voorruit om u hier- aan te herinneren.
In alle andere gevallen wordt de automatische parkeerrem niet automatisch vastgezet. De handbediening moet dan gebruikt worden.
Het vastzetten van de elektronische parkeerrem wordt bevestigd door-
dat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel en het waarschuwingslampje 2 op de schakelaar 3 oplichten.
PARKEERREM
Na het stilzetten van de motor, dooft het waarschuwingslampje 2 enkele minuten na het vastzetten van de automatische parkeerrem en het
waarschuwingslampje uit bij het vergrendelen van de auto.
Opmerking: in sommige situaties (automatische parkeerrem defect, handmatig ontgrendelen van de automatische parkeerrem enz.), klinkt er een piep en verschijnt de melding "Parkeerrem aantrekken" op het instrumentenpaneel om aan te geven dat de automatische parkeerrem is losgezet.
- met stilstaande motor: bij het openen van het bestuurdersportier;
- met stilstaande motor: bij het openen van een voorportier.
In dit geval trekt u en laat u de schakelaar 3 weer los om de elektronische parkeerrem aan te trekken.
De parkeerrem automatisch vrij zetten
De parkeerrem is vrijgezet:
- zodra het voertuig begint te versnellen;
of - bij het overschakelen van N naar R/D of B.

De elektronische par- keerrem kan worden gebruikt om de auto stil te zetten. Controleer,
voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem in- derdaad is vastgezet. Dit wordt bevestigd door het oplichten van het controlelampje 2 op schakelaar 3 en het waarschu-
wingslampje (P) et in- strumentenpaneel, totdat de portieren worden vergrendeld. Afhankelijk van de auto bevindt zich een sticker op het bovenste deel van de voorruit om u hier- aan te herinneren.
Handbediend
U kunt de elektronische parkeerrem met de hand bedienen.
Handmatig vastzetten van de automatische parkeerrem
Trek aan de schakelaar 3. Het waarschuwingslampje 2 en het waar-
schuwingslampje (P) et instrumentenpaneel lichten op.
Handmatig loszetten van de automatische parkeerrem
Druk op de knop 1 zonder te drukken op de pedalen, om het contact in te schakelen. Druk op het rempedaal en druk vervolgens op schakelaar 3: het controlelampje 2 op de schake-
laar en het controlelampje (P) het instrumentenpaneel gaan alle- bei uit.
Kortstondige stop
Om de elektronische parkeerrem handmatig te activeren (als u moet stoppen voor een verkeerslicht of bij stilstaande auto met draaiende motor enzovoort): trek aan de schakelaar 3 en laat los. Het loszetten is automatisch zodra de auto weer gaat rijden.
Bijzondere gevallen
Parkeren op een helling
Als u wilt parkeren op een helling of terwijl u een caravan of een aanhangwagen trekt, moet u enkele seconden aan de schakelaar 3 trekken voor een maximale remwerking.


Na het stilzetten van de motor, dooft het waarschuwingslampje 2 enkele minuten na het vastzetten van de automatische parkeerrem en het
[Non-Text]
PARKEERREM

Zorg ervoor dat het voertuig stabiel staat, voordat u de parkeerrem deactiveert.
De parkeerrem moet gedeactiveerd zijn om te parkeren met geloste elektronische parkeerrem.
Dat doet u zo:
- zet de motor stil door het indrukken van de start/stopknop van de motor 1;
- maak de gordel van de bestuurdersstoel los;
- open het bestuurdersportier;
- zet indien nodig een blok vóór of achter de wielen om te zorgen dat de auto niet kan bewegen;
- los de elektronische parkeerrem handmatig (zie "Elektronische parkeerrem handmatig lossen"). Het bericht "Parkeerrem los" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel en er klinkt een pieptoon om u te waarschuwen dat deze is gelost. Zorg ervoor dat het voertuig stabiel is;
- sluit het bestuurdersportier. Vergrendel indien nodig het voertuig.
Storingen
- Bij een storing verschijnt het waar-
schuwingslampje 3 in- strumentenpaneel, samen met het bericht "Controleer parkeerrem" en soms het waarschuwingslampje
(P). Raadpleeg snel een merkdea- ler.
- Bij een storing van de elektronische parkeerrem gaat het waar-
schuwingslampje STOPn, samen met het bericht "Parkeerrem storing", een geluidssignaal en in
sommige gevallen het waarschu-
wingslampje

- In het geval van een storing in de parkeerrem, terwijl het instrumentenpaneel is uitgeschakeld, knippert het controlelampje op schakelaar 2. U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.

Als het bericht "Elektr. storing" of "Controleer accu" of "Parkeerrem storing" wordt weerge-
geven, dient u de auto stop te zetten door gedurende ongeveer 10 seconden aan de schakelaar 3 te trekken.
Blokkeer de wielen van het voertuig als de helling en de omstandigheden dit vereisen.
Risico dat de auto wegrolt.
Roep de hulp in van een merk- dealer.
PARKEERREM

Verlaat uw auto nooit zonder dat de parkeerrem is aangetrokken en zonder de motor af
te zetten. Wanneer namelijk de auto stilstaat met draaiende motor (READY) en een versnel- ling is ingeschakeld, kan deze gaan rijden als u gas geeft.
Kans op ongevallen.

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instru-
mentenpaneel weer. U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.
Zorg dat de auto inderdaad goed gestopt is en neem contact op met een merkdealer.
MILIEU
Introductie
Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu gedurende zijn hele bestaan: bij zijn fabricage, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij gesloopt wordt.
Fabricage
De fabricage van uw auto vindt plaats in een fabriek die stappen onderneemt tot vermindering van de milieueffecten op de leefomgeving en de natuur (vermindering van wateren energieverbruik, lichten geluidsoverlast, wateren luchtverontreiniging, scheiden van afval en terugwinnen van materialen uit afvalstoffen).
Denk zelf ook aan het milieu
- Onderdelen en voertuigen mogen aan het einde van hun levensduur niet worden weggegooid. Zij moeten worden overgedragen aan een instantie die aan de milieunormen voldoet.

- Versleten onderdelen en componenten die tijdens routineonderhoud aan het voertuig worden vervangen, zoals banden, moet worden afgevoerd naar speciale inzamelpunten.
- Versleten elektrische en elektronische onderdelen die worden vervangen (zoals batterijen enz.) mogen niet als afval worden weggegooid. Breng ze naar een erkende dealer of raadpleeg uw plaatselijke overheid voor informatie over geschikte recyclingfaciliteiten.
- Om de recycling van uw voertuig aan het einde van zijn levensduur te optimaliseren, kunt u contact opne- men met een erkende dealer of de website van de fabrikant bezoeken om doorverwezen te worden naar in-
61496
zamelpunten die respect voor het milieu garanderen en voldoen aan de lokale wetgeving.
Kringloop
Uw auto is voor minstens 85% recycleerbaar en voor minstens 95% recupereerbaar.
Om deze doelstellingen te behalen, is een groot aantal onderdelen van de auto ontworpen om gerecycled te worden.
De materialen en constructies zijn zorgvuldig ontworpen om:
- deze componenten eenvoudig te verwijderen en opnieuw te verwerken door gespecialiseerde bedrijven;
- een circulaire economie te bevorderen (hergebruik, recycling, terug-winning, enz.)
Dit geldt met name voor accu's van elektrische voertuigen.
Om grondstoffen te sparen, bevat uw voertuig diverse onderdelen die zijn gemaakt van gerecyclede kunststoffen of hernieuwbare materialen.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
Introductie
De actieradius is goedgekeurd volgens een voorgeschreven standaardmethode. Deze methode is voor alle autofabrikanten hetzelfde en maakt het mogelijk om auto's met elkaar te vergelijken.
De werkelijke actieradius is afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en de uitrustingen van de auto en de rijstijl van de bestuurder. Raadpleeg voor een optimale actieradius onderstaande aanbevelingen.
U beschikt afhankelijk van de versies over verschillende functies die u kunnen helpen het energieverbruik te verminderen:
- op het instrumentenpaneel:
- de energiemeter;
- het indicatielampje rijstijl;
- op het multimediascherm;
- gegevens met betrekking tot uw energieverbruik;
- een grafiek van het energieverbruik;
- scores op basis van uw rijstijl;
- Eco tips voor zuinig rijden;
- een routeplanner;
- een rijmodus ECO.
Energiemeter

(op het instrumentenpaneel)
De laadmeter geeft u een real-time overzicht van de verbruikte of teruggewonnen energie wanneer het voertuig in beweging is.
Gebruikszone "Energieverbruik" A
De tractiebatterij levert de elektrische energie die de motor nodig heeft om de auto te laten rijden.
"Optimale" B gebruikszone
Geeft zuinig rijden aan, gebalanceerd tussen herstel en energieverbruik.
Gebruikszone "Energieterugwinning" C
Wanneer u tijdens het rijden uw voet van het gaspedaal haalt of op het rempedaal zet, genereert de motor tijdens het afremmen elektriciteit die wordt gebruikt om de auto af te remmen of om de tractiebatterij op te laden.
De aanwezigheid en weergave van deze informatie is afhankelijk van de gekozen sfeerinstelling → 125.
Indicatielampje rijstijl
77148

Dit lampje informeert u in real time over uw rijstijl. Dit wordt weergegeven met de waarschuwingslampje 1. U kunt het indicatielampje rijstijl weergeven door herhaaldelijk op de schakelaar 2 of 3 te drukken.

Hoe groter de bloem is die op de indicator 1 wordt weergegeven, hoe beter de snelheid, acceleratie en anticipatie is voor het milieu.
Hoe kleiner de bloem is die op de indicator 1 wordt weergegeven, hoe slechter de snelheid, acceleratie en anticipatie is voor het milieu.
In het geval van gedrag dat als niet-ecologisch wordt beschouwd (klein oranje bloempje), kunt u advies krijgen met betrekking tot uw rijgedrag. Als u deze indicator regelmatig volgt, daalt het verbruik van elektrische energie van uw auto.
"Veiligheidsmonitor 4"
77349

Met "Veiligheidsmonitor" kunt u uw rijgedrag in realtime beoordelen.
Het helpt u uw veiligheid te garanderen door u persoonlijk advies en waarschuwingen te geven die zijn afgestemd op uw rijgedrag.
Het schild 4 past zich aan uw rijge- drag van de afgelopen seconden aan:
- hoe voller het is, hoe beter je beheer van snelheid, veilige afstand, traject en alertheid;
- hoe kleiner het wordt, hoe meer verbeteringspunten er zijn in uw rij-
gedrag op een of meer van deze ge- bieden.
Wanneer het oranje en kleiner wordt, kan er een tip verschijnen om u te helpen uw rijgedrag snel aan te passen.
Raadpleeg de "Veiligheidsmonitor" om het risico op ongevallen te verminderen, uw verbeterpunten te identificeren en een vlotte, serene en verantwoorde rijstijl te ontwikken.
Trajectbalans
Bij auto's die hiermee zijn uitgerust, verschijnt nadat de motor is uitgeschakeld een "Trajectverslag" op multimediascherm 3. Dit verslag biedt informatie over uw laatste reis:
- uw gemiddeld energieverbruik; - het aantal afgelegde kilometers; - een algemene melding, rekening houdend met de acceleratie, de anticipatie en uw mogelijkheid om uw snelheid te controleren;
- advies om uw beoordeling te verbeteren.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
Navigatiesysteem.
Het navigatiesysteem biedt informatie (verkeersinformatie, dichtstbijzijnde oplaadpunt...) waarmee u uw route beter kunt plannen.
De modus ECO
De modus ECO is een functie die u kan helpen het verbruik te verminderen en de actieradius te vergroten door in te spelen op de prestaties van de auto (verminderde acceleratie en maximumsnelheid, enz.).

Afhankelijk van het voertuig werkt de ECO modus ook in op de prestaties e airconditioning.
Activeren/deactiveren met de schakelaar 5

Voor auto's die ermee zijn uitgerust, drukt u op de schakelaar 5 om de ECO modus te activeren.
77149

TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN

Als ECO de modus is ingeschakeld, wordt het ECO waarschuwingslampje 6 weergegeven op het instrumentenpaneel. De snelheid van de auto wordt beperkt tot ongeveer 115 km/u.
Tijdens het rijden kan de modus ECO tijdelijk worden uitgezet om de motor weer op volle kracht te laten werken.
Druk hiervoor het gaspedaal stevig en volledig in. De ECO-modus wordt weer geactiveerd wanneer u het gaspedaal loslaat.
Actieradius van de auto: tips
Bij reëel gebruik kan de actieradius van de elektrische auto variëren afhankelijk van diverse factoren die u gedeeltelijk in de hand hebt; u kunt hiermee de actieradius aanzienlijk vergroten.
Deze factoren zijn:
- de snelheid en de rijstijl;
- het profiel van de weg:
- het warmtecomfort;
-
de banden;
-
het gebruik van elektrische accessoires;
- de belading van de auto.
Bovendien stelt de modus de auto in staat alle energieverbruikende elementen automatisch te regelen (motorvermogen enz.) om hun verbruik zoveel mogelijk te beperken → 170.
Snelheid en rijstijl

Als u met hoge snelheid rijdt, wordt het bereik van uw auto aanzienlijk kleiner.
Voorbeelden (bij constante snelheid):
- door de snelheid te verlagen van ongeveer 130 km/u naar 110 km/u
kunt u tot ongeveer 20% brandstof besparen;
- door uw snelheid te verlagen van ongeveer 90 km/u naar 80 km/u kunt u tot ongeveer 10% brandstof besparen;
Een sportieve rijstijl vermindert de actieradius van de auto. Gebruik liever een soepele rijstijl.
Advies:
- rijd met een constante snelheid; - kijk regelmatig naar de beschikbare instrumenten voor informatie over de rijcondities (huidig verbruik, trajectbalans, enz.) → 170;
- Pas uw rijstijl aan om een te hoog energieverbruik te vermijden.
- doe aan energieterugwinning: anticipeer op de verkeersomstandigheden door uw voet van het versnelingspedaal te halen of geleidelijk te remmen.
TIPS VOOR HET RIJDEN, ZUINIG RIJDEN
Het profiel van de weg

Het thermische comfort

Geef op een helling geen extra gas en probeer niet dezelfde snelheid te houden. Houd het gaspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
Het gebruik van de verwarming of airconditioning vermindert de actie-radius van de auto.
Om de actieradius van de auto te behouden, adviseren wij om de "programmeer" modus te selecteren voordat u gaat rijden→283.
Belading van de auto
Belaad de auto bij voorkeur niet met nutteloze lading.
Banden

Door een te lage bandenspanning neemt de rolweerstand en dus ook het energieverbruik toe. Houd u aan de aanbevolen bandenspanning voor uw auto.
Gebruik bij vervanging bij voorkeur banden van hetzelfde merk, type en profiel en dezelfde maat als de oorspronkelijke banden. Het gebruik van niet voorgeschreven banden van de auto aanzienlijk verminderen → 307.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
De werking van de startver-grendeling


Wanneer de auto ermee is uitgerust, waarschuwt dit systeem voor verlies van spanning in een of meerdere banden.
Het systeem kan worden geïdentificeerd door de sticker 1 in de auto.
De werking van de startvergren- deling

Dit systeem detecteert een verlies van spanning in een van de banden door tijdens het rijden de snelheid van de banden te meten.
Het waarschuwingslampje 2 blijft branden om de bestuurder te waarschuwen dat de bandenspanning te laag is (zachte band, lekke band ...).
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie neemt
niet de taak van de bestuurder over. De bestuurder moet altijd opletten en blijft verantwoordelijk. Controleer de bandenspanning, inclusief het reservewiel, één keer per maand.
Werkingsomstandigheden
Het systeem moet worden gereset met een spanning zoals vermeld op het bandenspanningslabel (zie de informatie over "Bandenspanning"
→ 309), anders geeft het mogelijk geen betrouwbare waarschuwing in geval van aanzienlijk spanningsverlies.
Resetten moet altijd gebeuren na controle van de bandenspanning in de vier banden als deze koud zijn.
In de volgende situaties bestaat het risico dat het systeem te traag of niet correct werkt:
- systeem niet gereset na het oppompen van de banden of na elke andere verrichting aan de wielen
- Onjuiste reset van systeem: andere bandenspanning dan de aanbevolen spanning;
- aanzienlijke wijziging van de belading of verdeling van de belading aan één kant van de auto
- sportief rijden en aanzienlijk versnellen
- rijden op een besneeuwd of glad wegdek
- rijden met sneeuwkettingen
- monteren van maar één nieuwe band
- gebruik van banden die niet door de merkdealer goedgekeurd zijn

De bandenspanning moet worden gecontroleerd voordat de resetprocedu- rdt gestart.
Het systeem geeft geen waarschuwing als de druk niet overeenkomt met de aanbevolen druk.

Een plots verlies van bandenspanning (klapband enz.) wordt mogelijk niet
direct door het systeem opge- merkt.
Procedure voor resetten van de referentieniveaus voor bandenspanning
Deze gebeurt:
- na elke keer opnieuw op spanning brengen of resetten van de banden-spanning;
- na het verwisselen van een wiel;
- na het wisselen van de wielen.
De bandenspanning moet afgestemd zijn op het huidige gebruik van de auto (onbelast, belast, rijden op de autosnelweg...). Houd u aan de bandenspanning (inclusief die van het reservewiel). Controleer minstens één keer per maand en voor een grote reis de bandenspanning (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier)→ 307.
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
Resetprocedure via het multi-mediascherm 3

De resetprocedure moet worden uitgevoerd terwijl de auto stilstaat en het contact is ingeschakeld. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Corrigeren van de banden- spanning
De spanningen van de vier banden moeten koud worden ingesteld (raadpleeg het label op de zijkant van het bestuurdersportier) → 309.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren,
moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.
Elke keer dat de banden worden opgepompt of de bandenspanning wordt gecorrigeerd, moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.
Vervangen van wielen/ban- den
Gebruik uitsluitend uitrusting die door een merkdealer goedgekeurd is, want anders bestaat het risico dat het systeem te traag of niet correct werkt → 307
Elke keer dat een wiel/band wordt verwisseld, moet de bandenspanning worden gecorrigeerd en moet de referentiewaarde voor de bandenspanning worden gereset.
Spuitbussen voor bandenre- paratie en pompset
Gebruik uitsluitend uitrusting die door een merkdealer goedgekeurd is, want anders bestaat het risico dat het systeem te traag of niet correct werkt → 310 Nadat de pompset voor de banden is gebruikt, corri-geert u de bandenspanning en reset
u de referentiewaarde voor de bandenspanning.
Bandenspanningsstoringen

De tabel vermeldt de waarschu- wingsberichten die verschijnen op het instrumentenpaneel 4, als het systeem een bandenspanningssto- ring detecteert.
De informatie op het instrumentenpaneel duidt op mogelijke bandenspanningsstoringen (bijv. een leeggelopen of lekke band).
WAARSCHUWING BIJ VERLIES VAN BANDENSPANNING
Tabel met foutmeldingen
| Waarschuwingslampjes Berichten Interpretatie | |||
![]() | licht op en blijft aan. | Banden oppompen en initialiseren | Dit geeft aan dat er een te lage bandenspanning of lekke band is gedetecteerd. Controleer en stel de spanning van de vier banden in kou-de toestand in en reset het systeem. |
![]() | knippert en blijft dan branden. | Bandendruk aan- passen en init. | Dit geeft aan dat de reset niet is gelukt. Controleer de bandenspanning en stel deze op-nieuw af voordat u de resetprocedure op-nieuw start. |
![]() | knippert en blijft dan branden, samen met het waarschu-wingslampje . | Controleer TPW | Dit duidt op een storing in het systeem. Raad-pleeg voor de exacte gegevens de merkdea-ler. |
![]() | knippert en blijft dan branden. | TPW niet beschikbaar | Dit geeft aan dat een reservewiel voor nood-gevallen met een andere maat dan de andere vier wielen op de auto is gemonteerd. Het sys-teem blijft niet beschikbaar totdat een wiel van dezelfde maat als de andere wielen is ge-monteerd en de resetprocedure is uitgevoerd. |
HULPEN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN
Introductie
Afhankelijk van de auto bestaan deze uit:
- het antiblokkeersysteem (ABS);
- de elektronische stabiliteitscontrole ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole;
- de noodstopbekrachtiging met, afhankelijk van de auto, remanticipatie;
- hulp bij wegrijden op een helling;
- regeneratief remsysteem → 162.
Andere rijassistentiesystemen worden in deze folder beschreven.

Deze functies zijn extra hulpmiddelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto
aangepast wordt.
Maar deze functies kunnen de taak van de bestuurder niet overnemen. De limieten van de auto blijven onveranderd; ga daarom dus niet harder rijden.
Deze functies kunnen dus in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen - de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Bij krachtig remmen voorkomt ABS het blokkeren van de wielen, zodat de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft.
In deze situatie zijn uitwijkmanoeuvres tijdens het remmen mogelijk. Bovendien verbetert dit systeem de remweg, met name op een weg met weinig grip (natte weg, enz.).
Als het systeem de remdruk voor u regelt, voelt u een lichte trilling in het rempedaal. Het ABS kan echter nooit de "fysieke" prestaties van de grip tussen de banden en het wegdek verbeteren. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren enz.).

Bij krachtig remmen kunt u het rempedaal diep ingedrukt houden. Het is
niet nodig "pompend" te remmen. Het ABS regelt de kracht in het remsysteem.
Storingen

instrumentenpaneel en de berichten "Controleer ABS", "Controleer rem- systeem" en "Controleer ESC" wor- den weergegeven: de functies ABS, ESC en noodstopbekrachtiging wor- den gedeactiveerd. Het remmen blijft mogelijk;

verschijnen op het instrumentenpaneel, samen met het bericht "Storing remsysteem": dit wijst op een storing in het remsysteem.
HULPEN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN
Neem in beide gevallen contact op met een merkdealer.

Het remsysteem werkt nog gedeeltelijk. Maar het is gevaarlijk om krachtig te remmen. U
moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Roep de hulp in van een merkdealer.
Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole
Elektronische stabiliteitscontrole ESC
Dit systeem helpt u de controle over de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.).
De werking van de startvergrendeling
Een opname-element in het stuur-wiel registreert de richting waarin de bestuurder de auto wil laten rijden.
Andere opname-elementen in de auto registreren de werkelijke verplaatsingsrichting.
Het systeem vergelijkt de door de bestuurder gegeven bevelen en gekozen richting met de werkelijke verplaatsingsrichting van de auto en corrigeert deze laatste door, indien nodig, op bepaalde wielen te remmen en/of het motorvermogen aan te passen. Als het systeem wordt geactiveerd, knippert het waarschu-
wingslampje met instru- mentenpaneel.
Onderstuurregeling
Dit verbetert de werking van het ESC bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).
Tractiecontrole
Dit systeem helpt het slippen van de aangedreven wielen te beperken en de auto bij het wegrijden, accelereren of decelereren te controleren.
De werking van de startvergrendeling
Met behulp van opname-elementen bij de wielen, meet en vergelijkt het systeem constant de snelheid van de aangedreven wielen en remt het deze af als ze doorslippen. Als een wiel neigt naar doorslippen, zorgt het systeem voor het afremmen van het betreffende wiel, totdat de snelheid van het wiel overeenkomt met de grip op de weg.
Storingen
Wanneer het systeem een storing detecteert, verschijnt het bericht "Controleer ESC" op het instrumentenpaneel, evenals de waarschu-
wingslampjes


dit geval zijn het ESC en de tractie-controle uitgeschakeld.
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Remming en activering van tractie-controle
In geval van het wegrijden op sneeuw, ijs of zachte ondergrond (modder, zand, grind) kan de tractie-controle worden uitgeschakeld vanaf het multimediascherm. Wanneer het systeem is uitgeschakeld, licht
de OFF operator op het dashboard op.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Opmerking: het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld: wanneer de auto sneller rijdt dan ongeveer 50 km/u; wanneer de auto opnieuw wordt gestart. Het ontbreken van de indicator op het dashboard bevestigt dat het systeem weer actief is.
HULPEN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN

Door de tractiecontrolefunctie uit te schakelen, worden bepaalde rijhulpsystemen tijde-
lijk uitgeschakeld (actieve noodstop, enz.)
Noodstopbekrachtiging
Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.
De werking van de startvergrendeling
Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In dit geval ontwikkelt het remsysteem onmiddellijk de maximale kracht en kan het ABS-systeem in werking tre- den.
Het ABS-remsystem blijft werken zolang het rempedaal ingedrukt is.
Remlichten gaan aan
Afhankelijk van de auto kunnen deze knipperen bij krachtig afremmen.
Remanticipatie
Afhankelijk van de auto anticipeert het systeem, als u snel het gaspedaal loslaat, op het remmen om de remweg te verminderen.
Bijzondere gevallen
Tijdens het gebruik van de snel- heidsregelaar:
- als u het gaspedaal gebruikt, kan het systeem in werking komen als u het pedaal loslaat;
- als u het gaspedaal niet gebruikt, wordt het systeem niet geactiveerd.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt het bericht "Controleer remsysteem" op het instrumentenpaneel, in combinatie met het oplichten van het waarschuwings-
lampje

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Deze functies zijn extra hulpmiddelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto
aangepast wordt.
Deze functies kunnen de taak van de bestuurder niet overne- men. De limieten van de auto blijven onveranderd; ga daarom dus niet harder rijden. Deze functies kunnen dus in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen - de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen.
Hulp bij wegrijden op een helling
Afhankelijk van de helling van de weg helpt dit systeem de bestuurder bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto achteruit rolt, door automatisch de remmen vast te zetten als de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.
Werking van het systeem
HULPEN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN
Het werkt alleen wanneer de ver- snellingshendel in een andere stand dan N staat en de auto geheel stil staat (rempedaal ingedrukt).
Het systeem houdt de auto ongeveer 2 seconden stil. Daarna komen de remmen geleidelijk vrij (de auto rolt naargelang de helling).

Het systeem van de hulp bij het wegrijden op een helling kan niet in alle gevallen totaal
verhinderen dat de achteruit rijdt (zeer steile helling, enz.). De bestuurder kan altijd het rempedaal bedienen om het achteruitrijden van de auto te verhinderen.
De Hulp Bij Het Wegrijden Op Een Helling mag niet gebruikt worden om de auto langdurig stil te houden: gebruik het rem- pedaal.
Deze functie is niet bedoeld om de auto permanent te laten stilstaan.
Gebruik indien nodig het rempe- daal om de auto te stoppen. De bestuurder moet bijzonder voorzichtig rijden op een glad oppervlak of bij weinig grip.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Multi-Collision Braking verkleint het risico op een extra aanrijding na een ongeval, door uw voertuig tijdelijk tot stilstand te brengen.
De werking van de startvergren- deling
Wanneer het airbagsysteem een aanrijding detecteert, worden de gordelspanners of airbags geactiveerd → 84 en activeert de functie "Multi-Collision Braking" het elektronische stabiliteitsprogramma (ESC) om de auto te remmen.
Multi-Collision Braking wordt tijdens bedrijf gedeactiveerd als:
- als de remkracht die ontstaat doordat de bestuurder het rempedaal indrukt, groter is dan de kracht die ontstaat doordat het systeem automatische remmen activeert.
Opmerking: Multi-Collision Braking vereist de goede werking van het remsysteem van uw voertuig.
Storingen
Als het systeem een storing detecteert, verschijnt het bericht "Controleer Post-collision" op het instrumentenpaneel en licht het waar-
schuwingslampje

In dit geval is de functie gedeactiveerd. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
HULPEN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN
Regeneratief remsysteem
Tijdens het remmen kan het regeneratief remsysteem de door de vertraging van de auto geproduceerde energie omzetten in elektrische energie.
Hierdoor wordt de hoogspanningstractiebatterij opgeladen en wordt de actieradius van het voertuig → 162 vergroot.
Storingen
- hijnt op het instrumentenpaneel, samen met het bericht "Controleer remsysteem": rembekrachtiging is nog steeds in werking.
In deze omstandigheden kan het indrukken van het rempedaal anders aanvoelen.
Wij raden aan het rempedaal diep ingedrukt te houden.
Raadpleeg een merkdealer.
- STOP hijnt op het instrumentenpaneel, samen met het bericht "Storing remsysteem": dit wijst op een storing in het remsysteem.
Roep de hulp in van een merkdealer.

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschuwingslampje
STOP u onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
My Safety
Introductie
Met de functie My Safety kan een aantal rijhulpfuncties tegelijkertijd worden in- of uitgeschakeld.
Afhankelijk van de auto kunt u de functie My Safety in het multimedia-scherm configureren door de rijhulp-functies te selecteren die u tegelijk wilt uitschakelen.
Werkzaamheden

Afhankelijk van de auto, beschikt deze modus over de volgende rijhulp-functies:
- geluidswaarschuwing snelheidsverklikker→220;
- preventie verlaten rijstrook→185;
- waarschuwing vermoeidheidsdetectie bestuurder → 217
- waarschuwing waakzaamheid bestuurder → 215;
- Noodpreventie verlaten rijstrook →192.
Wanneer de modus "ALL ON" is geactiveerd, gaan de controlelampjes op de knop 1 branden en wordt het bericht "My Safety All ON geselecteerd" weergegeven op het instrumentenpaneel om dit te bevestigen. De rijhulpmiddelen die in deze modus beschikbaar zijn, worden geactiveerd.
"Perso"-modus
Deze modus kan worden gebruikt voor het deactiveren of opnieuw activeren van bepaalde rijfuncties die beschikbaar zijn in de modus "ALL ON", indien deze eerder zijn geconfigureerd via de instelling "My Safety Perso".
Druk terwijl het contact aan staat tweemaal achter elkaar op de knop
1 om de modus "Perso" te activeren. De eerste keer dat u op deze knop drukt, verschijnt het bericht "Druk nogmaals My Safety Perso" op het instrumentenpaneel. Na de tweede keer drukken gaat het controle-lampje op knop 1 uit. "Perso" modus is geactiveerd. Het bericht "My Safety Perso geselecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Om terug te schakelen naar de modus "ALL ON", drukt u eenmaal op de knop 1. Het controlelampje in de knop 1 licht even op.

Afhankelijk van de auto en de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, wordt de modus "ALL ON" opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Configuratie van "My Safety Per- so"

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

De "My Safety Perso" instellingen die zijn opgeslagen voor de modus
"Perso" worden opgeslagen tel- kens wanneer de motor wordt ingeschakeld of wanneer de portieren worden vergrendeld.
Configuratie van het multimediascherm 2

Zie de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor informatie over de instellingen.
Preventie verlaten rijstrook Introductie

Met behulp van de informatie van de camera 1 activeert de functie een corrigerende actie op het besturingssysteem van de auto wanneer een doorgetrokken of onderbroken streep wordt overschreden of als de auto de berm nadert (bermplank, vangrail, stoep, ophoging, enz.) zonder dat de richtingaanwijzers zijn ingeschakeld.
Afhankelijk van de instelling, in het geval van het overschrijden van een onderbroken lijn zonder de richting-aanwijzers te activeren, de functie:
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- waarschuwt de bestuurder zonder corrigerende maatregelen op het stuursysteem;
of
- voert een corrigerende actie uit op het stuursysteem.

U kunt op elk moment de controle over de auto
weer overnemen door
aan het stuurwiel te draaien.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk- heid van de bestuurder vervan- gen; deze moet altijd de contro- le over zijn auto behouden.
Via het multimediascherm 2;

Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Met de schakelaar 3

- De functie uitschakelen, als deze eerder is uitgeschakeld met de modus "Perso" van de functie "My Safety"→184, drukt u tweemaal op schakelaar 3. het waarschuwingslampje

wordt geel op het instrumen- neel.
- Als u de functie weer wilt active- ren, drukt u de schakelaar 3 een-
maal in. Het controlelampje verschijnt op het instrument neel.

EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Werkzaamheden

Wanneer de functie is geactiveerd, worden het waarschuwingslampje
en de linker- en rechterstreep 4 op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
De functie is klaar om te waarschuwen of in te grijpen als de snelheid van de auto hoger is dan ongeveer 60 km/u en het waarschuwings-
lampje 100 je indicatoren voor de linker- en rechterstreep 4 wit worden weergegeven.
De functie werkt als de auto:
- een berm nadert zonder de richtingaanwijzers te activeren;
- een doorgetrokken streep overschrijdt zonder dat de richtingaanwijzers te activeren;
- een onderbroken streep overschrijdt zonder de richtingaanwijzers te activeren, als de instelling "Overschrijden onderbroken lijn" is geselecteerd.
In deze gevallen:
- activeert de functie een actie op de stuurinrichting van de auto om de verplaatsingsrichting van de auto te corrigeren;
- het waarschuwingslampje en de indicator 4 aan de kant van de overschreden streep gaat geel branden op het instrumentenpaneel.
Als de corrigerende actie op de stuurinrichting onvoldoende is, gaan
het waarschuwingslampje de indicator 4 aan de kant van de overschreden streep rood branden op het instrumentenpaneel en gaat het stuurwiel trillen.
Wanneer de instelling "Overschrijden onderbroken streep" niet is geselecteerd, slaat de functie alarm als de auto een onderbroken streep overschrijdt zonder de indicatie-lampjes te activeren en er geen berm dicht genoeg bij de streep is.
In dit geval waarschuwt de functie de bestuurder:
- door een trilling in het stuurwiel; en
- het waarschuwingslampje en het lampje 4 aan de kant van de overschreden streep rood wordt op het instrumentenpaneel.
Opmerking: bochten kunnen enigs-zins worden afgesneden zonder dat de functie wordt geactiveerd.
Bijzondere gevallen
"Houd controle" waarschuwing
- Als het systeem actief is en geen activiteit van de bestuurder op het stuurwiel meer detecteert, verschijnt het bericht "Houd controle" op het instrumentenpaneel, vergezeld van een piepsignaal en, afhankelijk van de auto, het rode waar-
schuwingslampje (1) hat de bestuurder de auto weer onder controle heeft.
- Als het systeem te lang in werking is geweest, verschijnt het bericht "Houd controle" op het instrumentenpaneel, samen met een pieptoon, en afhankelijk van de auto verschijnt
het waarschuwingslampje

EXTRA RIJHULPMIDDELEN
rood en het controlelampje 4 aan de kant van de betreffende streep knippert, totdat de bestuurder de auto weer onder controle heeft.

U kunt de correctie van de verplaatsingsrichting op elk moment onderbreken het stuurwiel te bewegen.
Functie tijdelijk niet beschik- baar/uitgeschakeld
Het systeem is tijdelijk niet beschikbaar of uitgeschakeld wanneer:
- de streep wordt zeer snel overschreden;
- er wordt continu over een streep gereden;
- ongeveer vier seconden na het wisselen van baan;
- scherpe bochten;
- slecht zicht;
- een van de richtingaanwijzers wordt geactiveerd;
- de alarmknipperlichten inschakelen:
- de achteruitversnelling inschakelen;
- sterke acceleratie;
- de rijstrookbreedte verandert;
- werking van het elektronische stabiliteitscontrolesysteem;
- werking van het antiblokkeersysteem van de wielen; - het actieve noodremsysteem wordt geactiveerd;
- Interventie van een andere functie die het stuursysteem bestuurt, zoals de functie "Rijstrookcentrering".
Als de functie niet beschikbaar is, worden het waarschuwingslampje

en, afhankelijk van de auto, de ctie-indicatoren voor de linker- chterstreep 4 grijs op het in- mentenpaneel weergegeven.
Als de camera aan de voorkant is afgedekt, verschijnt de melding "Camera voor geen zicht" op het instrumentenpaneel. Reinig het gebied waar de sensoren zich bevinden.
De functie wordt automatisch uitgeschakeld wanneer:
- het voertuigdynamische controle-systeem is uitgeschakeld;
- het elektronische stabiliteitssysteem niet goed werkt;
- het antiblokkeersysteem niet goed werkt;
- een trekhaak elektrisch is verbonden met de trekhaakaansluiting;
- verschijnt het waarschuwings-
lampje STOP
Wanneer de functie is gedeactiveerd, wordt het waarschuwings-
lampje 📄️ weergegeven op het instrumentenpaneel.
Instellingen aanpassen op het multimediascherm 2

Zie de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem om de instellingen van het multimediascherm 2 te bekijken:
- "Interventie met onderbroken streep": gebruik deze instelling om de respons van de functie te selecteren als de auto een onderbroken lijn overschrijdt zonder de richtingaanwijzers in te schakelen:
- geselecteerde instelling: de kan de stuurinrichting van de auto activeren om de verplaatsingsrichting van de auto te corrigeren; - Instelling niet geselecteerd: De functie kan de bestuurder waarschuwen door middel van een tril-
ling aan het stuurwiel zonder de baan van de auto te corrigeren.
- "Trilintensiteit": trilling van het stuurwiel aanpassen voor de functie "Preventie verlaten rijstrook";
- "Verandering van rijstrook anticipatie": gevoeligheidsniveau van de streepdetectie aanpassen. Selecteer hiervoor:
- "Laat": streep gedetecteerd bij overschrijding;
- "Standaard": streep gedetecteerd bij naderen;
- "Vroeg" streep gedetecteerd in de buurt.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Storingen
Wanneer het systeem een werkings- fout detecteert, worden de streepaanduidingen links en rechts
en het waarschuwingslampje geel weergegeven op het instr mentenpaneel.

In sommige gevallen verschijnt ook het volgende bericht:
- « Rijhulpsystemen niet beschikbaar »;
of
- « Controleer camera voor »; of
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de uitlijning van de camera worden gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enz.);
- een complexe omgeving (tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, regen, hagel, ijzel enz.);
- slecht zicht (nacht, mist enz.);
- de wegmarkeringen divers (wegwerkzaamheden enz.) of moeilijk te onderscheiden of onregelmatig zijn (bijv. gedeeltelijk vervaagde lijnen, te vervaagde lijnen, te ver uit elkaar liggende lijnen, oneffen wegdek enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- de weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enz.);
- u rijdt dicht achter een andere auto op dezelfde rijstrook.
In dit geval kan de functie "Voorkomen van het verlaten van de rijstrook" onjuist of helemaal niet reageren.
Risico van ongewenste, onjuiste correctie of geen correctie van de verplaatsingsrichting.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- het gebied van de camera is beschadigd (aan de kant van de voorruit of de binnenspiegel);
- de weg is glad (sneeuw, ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes enz.);
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- De voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
- het voertuig trekt een aanhangwagen of caravan.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Noodpreventie verlaten rijstrook
Introductie

Met behulp van informatie van de radar voor 2 en de camera 1 wordt een corrigerende actie uitgevoerd op het stuursysteem van de auto bij botsingsgevaar met een tegenligger in de aangrenzende rijstrook, wanneer de richtingaanwijzer niet is geactiveerd.
Afhankelijk van de auto wordt op basis van informatie van de radars opzij 3 en de camera 1 een corrigerende actie uitgevoerd op het stuursysteem van de auto bij botsingsgevaar met een voertuig met dezelfde of een hogere snelheid, indien dit gebeurt binnen het detectiegebied van de radars achter.
U kunt op elk moment de controle over de auto weer overnemen door aan het stuurwiel te draaien.
Dit systeem biedt een extra rijhulpmiddel. Het kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Plaats van de radar aan de voorkant 2
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw of een slecht gemonteerde nummerplaat voor) of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met autolak) of afgedekt door accessoires aan de voorzijde van de auto (bijv. op de voorbumper of het logo, enz.).
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Plaats van de radars aan de zijkant 3
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt afgedekt (door vuil, modder, sneeuw enz.), aangetast of gewijzigd (inclusief lakwerk enz.).
Inschakelen/Uitschakelen van de functie
Met de schakelaar A "My Safety"

Druk twee keer op schakelaar A als de functie is gedeactiveerd vanuit de modus "Perso" van de functie "My Safety"→184.
Om de functie opnieuw in te schakelen, drukt u op schakelaar A.
Via het multimediascherm B.

Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Detectie van een tegenligger

EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Als de auto een snelheid heeft van ongeveer 65 km/u tot 110 km/u en er botsingsgevaar is met een auto die uit de tegenovergestelde richting komt in een aangrenzende rijstrook en binnen de detectiezone C is, zonder dat de richtingaanwijzer is geactiveerd, gebeurt het volgende:
- u wordt gewaarschuwd voor het risico op een botsing:
de melding "Risico op aanrijding" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel, vergezeld van het waarschuwingslampje 4 in rood, de streep aan de betreffende zijde en een pieptoon. Het symbool 5 verschijnt voor de betreffende zijde op het instrumentenpaneel;
en
- Er wordt een corrigerende actie uitgevoerd op het stuursysteem.
U kunt de correctie van de verplaatsingsrichting op elk moment onderbreken door het stuurwiel te bewegen.
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
De functie wordt mogelijk niet geactiveerd als de naderende snelheid hoger is dan ongeveer 200 km/h) (u rijdt bijvoorbeeld met 110 km/h) en de auto rijdt in de tegenovergestelde richting op de aangrenzende rijstrook met 91 km/h.
In geval van inhalen

Als u met een snelheid vanaf ongeveer 65 km/u rijdt en u nadert een lijn (doorlopend of onderbroken) terwijl
er botsingsgevaar dreigt met een auto in de dode hoek D die in dezelfde richting rijdt als uw auto of met een auto die snel van achteren nadert in dezelfde of in een aangrenzende rijstrook en die in het detectiegebied E komt, reageert het systeem als volgt:
- waarschuwt u voor een risico op een botsing: het waarschuwingslampje 6 knippert, de melding "Zijdel. obstakel gededecteerd" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel, vergezeld van de indicator 4 in rood, de lijn aan de zijkant van de interventie en een hoorbaar signaal. Het symbool 5 verschijnt voor de betreffende zijde op het instrumentenpaneel;
en
- Er wordt een corrigerende actie uitgevoerd op het stuursysteem.
Tijdelijk niet beschikbaar/niet- activering van het systeem
Het systeem is tijdelijk niet beschikbaar of uitgeschakeld wanneer:
- de streep wordt zeer snel over- schreden;
- er wordt continu over een streep gereden;
- ongeveer vier seconden na het wisselen van baan;
- scherpe bochten;
- slecht zicht;
- activering van het richtingaanwijzerlicht (alleen wanneer een tegenligger op een aangrenzende rijstrook wordt gedetecteerd);
- de alarmknipperlichten inschakelen:
- sterke acceleratie;
- de rijstrookbreedte verandert;
- werking van het elektronische stabiliteitscontrolesysteem;
- werking van het antiblokkeersysteem van de wielen;
- actief noodremsysteem bedienen; - ...
Het systeem kan niet worden ingeschakeld wanneer:
- de camera detecteert geen streep (ononderbroken of onderbroken) aan de betreffende zijde;
- de camera detecteert niet tegelijkertijd de twee begrenzingen van de rijstrook waarin uw auto rijdt;
- de achteruitversnelling is ingeschakeld;
- het gezichtsveld van de camera is belemmerd;
- De voorste radar is afgedekt;
- afhankelijk van de auto, als een van de radars aan de achterkant be- dekt is;
-...
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Als een van de radars is afgedekt is, verschijnt, afhankelijk van de auto, de melding "Zijsensoren geen zicht".
Als de radar aan de voorkant is afgedekt, verschijnt de melding "Radar voor geen zicht" op het instrumentenpaneel.
Als de camera aan de voorkant is afgedekt, verschijnt de melding "Camera voor geen zicht" op het instrumentenpaneel.
Reinig het gebied waar de sensoren zich bevinden.
De functie automatisch deacti- veren
Het systeem wordt automatisch ge- deactiveerd wanneer:
- het voertuigdynamische controle- systeem is uitgeschakeld;
- het elektronische stabiliteitssysteem niet goed werkt;
- het antiblokkeersysteem niet goed werkt;
- een trekhaak elektrisch is verbon- den met de trekhaakaansluiting;
- het controlelampje weergegeven.

Als de auto is uitgerust met een trek-haak die door het systeem wordt herkend, verschijnt de melding
"Aanhanger: zijradars niet beschik-
baar" om te melden dat de nood-functie Preventie verlaten rijstrook niet actief is.
Als het voertuig een aanhanger of caravan trekt, kunnen onverwachte of onnodige correcties optreden. U kunt het systeem uitschakelen om onverwachte of onnodige correcties te voorkomen.
Storingen
Als de functie een storing signaleert, kunnen de volgende meldingen verschijnen op het instrumentenpaneel:
- « Controleer camera voor »;
of
- « Controleer radar voor »;
of
of, afhankelijk van de auto,
- « Controleer zijsensoren ».
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Een botsing kan de uitlijning van de camera of de radar(s) wijzigen, waardoor deze wellicht niet meer naar behoren werken. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de camera of de radars (vervangingen, reparaties, aanpassingen aan de voorruit, enz.) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enz.);
- een complexe omgeving (tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, regen, hagel, ijzel enz.);
- slecht zicht (nacht, mist enz.);
- de wegmarkeringen divers (wegwerkzaamheden enz.) of moeilijk te onderscheiden of onregelmatig zijn (bijv. gedeeltelijk vervaagde lijnen, te vervaagde lijnen, te ver uit elkaar liggende lijnen, oneffen wegdek enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- de weg is smal, bochtig of golvend (scherpe bochten enz.);
- u rijdt dicht achter een andere auto op dezelfde rijstrook.
In dit geval kan de functie "Preventie verlaten rijstrook" niet correct of helemaal niet worden geactiveerd.
Risico van ongewenste, onjuiste correctie of geen correctie van de verplaatsingsrichting.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- het cameragebied (aan de kant van de voorruit of de binnenspiegel) of de radargebieden zijn beschadigd;
- de weg is glad (sneeuw, ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes enz.);
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- De voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
- de auto een aanhangwagen of caravan trekt;
- de auto wordt gesleept (bij pech);
- U rijdt niet op een geasfalteerde weg.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Dodehoekwaarschuwing
Introductie

Op basis van de informatie van de sensoren aan elke kant van de achterbumper (zone C), wordt de bestuurder gewaarschuwd:
- als er in de dodehoekzone 4 een auto is die in dezelfde richting rijdt als uw auto;
en/of
- als er een risico bestaat op een botsing met een auto in zone B, die sneller rijdt dan uw auto op de aangrenzende rijstrook.
De functie waarschuwt als uw auto een snelheid heeft van meer dan ongeveer 15 km/u.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk- heid van de bestuurder vervan- gen; deze moet altijd de contro- le over zijn auto behouden.

De functie waarschuwt niet als de andere voertui-gen niet bewegen.
Bijzonderheid

Let op dat de zone C rondom de radars aan elke kant van de achterbumper niet zijn bedekt (door vuil, modder, sneeuw enz.).
Als een radar bedekt is, verschijnt het bericht "Zijsensoren geen zicht" op het instrumentenpaneel. Reinig het gebied waar de sensoren zich bevinden.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingslampje 1

Op elke buitenspiegel 2 bevindt zich een waarschuwingslampje 1.
Opmerking:
- maak de2 buitenspiegels regelmatig schoon zodat de waarschuwingslampjes 1 zichtbaar blijven.
- als u een andere auto inhaalt, verschijnt het waarschuwingslampje 1 alleen als die auto lang genoeg aanwezig is in de dode hoek van uw auto A.
Weergaven
Display D

Eerste waarschuwing: richtingaanwijzer niet actief, het waarschuwingslampje 1 geeft aan dat een auto in het gebied van de dode hoek wordt gedetecteerd en/of dat een auto snel van achteren op een aangrenzende rijstrook nadert.
Display E
Richtingaanwijzer ingeschakeld, het waarschuwingslampje 1 knippert als de functie een auto in het waarschuwingsgebied van de dode hoek detecteert en/of een auto snel van
achteren nadert aan de kant waar- naar u het stuurwiel gaat draaien.
Als u de richtingaanwijzer uitschakelt, schakelt de indicator terug naar de eerste waarschuwing (display D).
Omstandigheden waarin de do- dehoekwaarschuwing niet werkt
- Tijdens het rijden op een weg met scherpe bochten;
- in omgekeerde volgorde.
Als de auto is uitgerust met een trekhaak die door het systeem wordt herkend, verschijnt het bericht "Aanhanger: dodehoekwaarschuwing uit" op het instrumentenpaneel om te melden dat de functie niet operationeel is.
Raadpleeg uw erkende dealer voor het kiezen van de uitrusting die aangepast is aan uw auto.
Storingen
Wanneer het systeem een fout opmerkt, verschijnt de melding "Controleer zijsensoren" op het instrumentenpaneel.
Ga naar een merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Vanwege de sensoren achter de bumper is het raadzaam om werkzaam-
heden aan de bumper (reparatie, vervangen, lakwerk, enz.) te laten uitvoeren door een vakman.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

- De detectiecapaciteit van het systeem volgt een standaardrijvakbreedte. Als u op een breed rijvak rijdt, kan het systeem geen auto's detecteren in de dode hoek.
- Bij zeer slechte weersomstandigheden (hevige regenval, sneeuw, enz.) kan het systeem tijdelijk worden
verstoord. Let op de rijomstandigheden.
Kans op ongevallen.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensor of een antibotsingssysteem.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- In geval van een botsing kan de uitlijning van de radar worden gewijzigd, waardoor deze niet meer naar behoren werkt. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de radars (reparaties, vervangingen, enz.) moeten door een vakman/vak-vrouw worden uitgevoerd.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- complexe omgeving (metalen bruggen, tunnels, wegen met obstakels aan de zijkant enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enz.).
- De auto is uitgerust met een trekhaak die niet door het systeem wordt herkend.
Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen
Als het systeem zich abnormaal gedraagt, neem dan contact op met een erkende dealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Beperkingen voor de werking van het systeem
- De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
- Kleine voorwerpen die dichtbij de auto bewegen (motoren, fietsen, voetgangers, enz.) worden mogelijk niet door het systeem herkend.
- In een bocht kunnen de radars soms tijdelijk geen auto's detecteren in de aangrenzende rijstroken.
- De waarschuwing komt wellicht laat, als twee andere voertuigen in de aangrenzende rijstroken u naast elkaar van achteren naderen, met een veel hogere snelheid dan uw auto (op een weg met drie rijstroken).
- Het systeem geeft wellicht geen waarschuwing als de andere auto's rijden met een snelheid die aanzienlijk verschilt van de uwe.
- Als de auto door een lang voertuig wordt ingehaald (bijv. een vrachtwagen die inhaalt met een soortgelijke snelheid als de auto) onderbreekt het systeem mogelijk de waarschuwing vóór het einde van het manoeuvre.
- De auto rijdt op een bochtige weg.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwing veiligheidsafstand
Introductie

Gebaseerd op de informatie van de radar 2 en camera 1 informeert deze functie de bestuurder over het tijds-interval tussen de eigen auto en de voorligger zodat een veilige afstand tussen de twee auto's kan worden aangehouden.
De functie wordt geactiveerd als de auto een snelheid heeft van meer dan ongeveer 30 km/u.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Plaats van de radar 2
Zorg ervoor dat het radargebied niet wordt geblokkeerd (door vuil, modder, sneeuw, een verkeerd gemonteerde nummerplaat voor, enz.) of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met autolak) of afgedekt door accessoires aan de voorzijde van het voertuig (bijv. op de grille of het logo, enz.).

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk- heid van de bestuurder vervan- gen; deze moet altijd de contro- le over zijn auto behouden.
In-/uitschakelen via het multi-mediascherm 3

Druk via de "Voertuig"-wereld van uw multimediascherm 3 op het menu "Rijondersteuning".
De functie "Afstand volgen" active-ren of deactiveren.

Telkens wanneer de auto wordt gestart, blijft de
functie in de modus die is opgeslagen toen de motor voor het laatst werd uitgeschakeld.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Werkzaamheden

39301
Als deze functie actief is, wordt het indicatorlampje 4 op het instrumentenpaneel weergegeven. Dit informeert de bestuurder over de afstand tussen de eigen auto en de voorligger:
- A (grijs): de functie is niet actief;
- A (groen): geen auto gedetecteerd;
- B (groen): het tijdsinterval is groter dan of gelijk aan ongeveer 2 seconden (de afstand tussen de twee voertuigen, aangepast aan uw snelheid);
- C (geel): het tijdsinterval is ongeveer een of twee seconden (onvol-
doende afstand tussen de twee voertuigen);
- D (rood): het tijdsinterval is ongeveer 1 seconde of minder (de afstand tussen de twee voertuigen is veel te kort).
Als het tijdsinterval tussen de twee voertuigen minder dan ongeveer 0,5 seconde bedraagt, blijft het indicatielampje 4 op display D rood branden op het instrumentenpaneel.
In bepaalde omstandigheden wordt het tijdsinterval mogelijk niet ge- toond:
- in een bocht;
- bij het veranderen van rijstrook;
- als de voorligger ver genoeg verwijderd is of buiten bereik is van de radar of camera.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Het interval wordt alleen getoond ter informatie: het systeem kan niet ingrijpen op de auto.
De functie is niet bestemd om gebruikt te worden in de stad of in dynamische rijomstandigheden (bochten, versnellingen, bruusk remmen...), maar wel in stabiele rijomstandigheden.
De functie heeft geen invloed op het remsysteem.
Het gebied rond de radar en camera moet schoon worden gehouden en in dit gebied mogen geen manipulaties worden uitgevoerd om de goede werking van het systeem te waarborgen.
Alle werkzaamheden die worden uitgevoerd in het gebied waar de radar of camera zich bevindt (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit en/of bumper, enz.) moeten door een vakman of vakvrouw worden uitgevoerd.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verant- woordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden die worden uitgevoerd in het gebied waar de radar en/of camera zich bevinden/bevindt (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit en/of bumper, enz.) moeten door een vakman of vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
- obstructie van de voorruit of de bumper (door vuil, ijs, sneeuw, condens enz.);
- een complexe omgeving (metalen brug, tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijzel enz.).
- slecht zicht (nacht, mist enz.);
- weinig contrast tussen de voorligger en de omgeving (bijvoorbeeld witte auto in de sneeuw enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- de weg is smal, bochtig en golvend (scherpe bochten enzovoort)
Risico van onjuiste vals alarm.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Actieve noodrem
Introductie

Met behulp van informatie van de camera 1 en de radar 2 bepaalt het systeem de afstand tussen uw auto:
- de voorligger op dezelfde rijstrook; of
- eventuele tegenliggers, in het kader van een mogelijke verandering van richting;
of
- en auto's die haaks passeren; of
- en stilstaande auto's;
of
- voetgangers en fietsers in de nabijheid.
Het systeem informeert de bestuurder als er een risico bestaat op een frontale botsing om de juiste noodmanoeuvres mogelijk te maken (het rempedaal indrukken en/of het stuurwiel draaien).
Afhankelijk van het reactievermo- gen van de bestuurder kan het sys- teem helpen bij het remmen om schade te beperken of een botsing te voorkomen.
Het systeem is verder niet actief en geeft geen waarschuwing.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden.

Met dit systeem wordt de auto maximaal afgeremd totdat deze zo nodig vol-
ledig stilstaat.
Gebruik om veiligheidsredenen altijd de autogordel tijdens het rijden en controleer of alles goed vastzit, zodat de inzitten- den niet kunnen worden ge- raakt door loszittende voorwer- pen.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Plaats van de radar 2
Controleer of het gebied rond de radar niet is bedekt (met vuil, modder, sneeuw of een verkeerd geplaatste kentekenplaat), beschadigd, gewijzigd (bijv. door lakwerk) of verborgen.
Werkzaamheden
Wanneer er tijdens het rijden een risico op een aanrijding bestaat, moet het systeem:
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- u waarschuwen voor een aanrijdingsgevaar: de melding "Obstakel gedetecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel in combinatie met een pieptoon.
Opmerking: als de bestuurder het rempedaal intrapt en het systeem nog steeds botsingsgevaar detecteert, kan de remkracht worden verhoogd als deze niet voldoende is om de botsing te voorkomen.
- het remmen activeren: als de bestuurder niet op de waarschuwing reageert en de aanrijding dreigt, worden het rode waarschuwings-
lampje 6e melding "Remmen" op het instrumentenpaneel weergegeven in combinatie met een geluidssignaal.
Opmerking:
- als de bestuurder gebruikmaakt van bedieningselementen van de auto (stuurwiel, pedalen enz.) kan het systeem de reactie hiervan vertragen of niet activeren;
- als het voertuig tot stilstand is gekomen door een actieve noodstop, blijft het voertuig korte tijd stilstaan. Na deze tijdslimiet moet de bestuurder de auto stationair houden door het rempedaal ingedrukt te houden; - nadat het systeem het remmen heeft geactiveerd, wordt het bericht "Geav. Veiligheid geactiveerd" weergegeven.
In geval van een noodma- noeuvre kunt u op elk mo- ment stoppen met rem- men door:
- door het gaspedaal kort in te drukken;
of
- aan het stuur te draaien als uitwijkmanoeuvre bij een bot-sing.
i Speciale waarschuwings- functies
Afhankelijk van de snelheid kunnen de waarschuwing en het remmen gelijktijdig geactiveerd worden.
Autodetectie
Detectie van voertuigen die op dezelfde rijstrook rijden
Een risico op een aanrijding met de voorligger op dezelfde rijstrook wordt door het systeem gedetecteerd wanneer de auto met een snelheid van meer dan ongeveer 8 km/u rijdt.
Detectie van eventuele tegenliggers, in het kader van een mogelijke verandering van richting

Wanneer u van richting wilt veranderen (bijv. A), worden tegenliggers door het systeem gedetecteerd wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 km/u tot 20 km/u; - uw richtingaanwijzer is ingeschakeld.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Detectie van auto's die loodrecht de rijstrook oversteken
Auto's die loodrecht de rijstrook oversteken, worden door het systeem gedetecteerd wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 20 tot 60 km/u.
Detectie van auto's die op de rijstrook stil staan
Stilstaande auto's worden door het systeem gedetecteerd wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 km/u tot 80 km/u.
Detectie van voetgangers en fietsers
Detectie van voetgangers en fietsers op dezelfde rijstrook
Het systeem detecteert voetgan- gers en fietsers wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 km/u tot 85 km/u.
Detectie van voetgangers en fietsers bij het veranderen van richting
Het systeem detecteert voetgan- gers en fietsers wanneer:
- uw auto een snelheid heeft van ongeveer 8 km/u tot 20 km/u.
210 - Rijden
i Afhankelijk van de auto, afhankelijk van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, wordt de functie opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto of
- bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
Het systeem in- of uitschakelen via het multimediascherm 3

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie. Selecteer ON of OFF.
Bij het uitschakelen van het systeem
verschijnt het controlelampje of, afhankelijk van de auto, he

trolelampje het systeem actief is, verdwijnt het controlelampje.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Instellingen

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Instellingen op het multimedia-scherm 3

Als de auto stilstaat, raadpleegt u de multimedia-instructies om toegang te krijgen tot de functie-instellingen op het multimediascherm 3:
"Waarschuwing": pas het gevoelig-heidsniveau aan. Selecteer hiervoor:
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Tijdelijk niet beschikbaar
Als het systeem een tijdelijke fout
detecteert, licht het schuwingslampje op het instrumentenpaneel op.
De mogelijke oorzaken zijn:
- Het systeem is tijdelijk inactief (door verblindende zon, dimlichten, slechte weersomstandigheden en-zovoort). Het systeem werkt weer als het zicht verbetert.
- het systeem is tijdelijk onderbroken (bijv. de voorruit, de voor- of achterbumper of het logo is bedekt met vuil, modder, sneeuw, condens, enz.). Parkeer in dit geval de auto en zet de motor af. Reinig de voorruit, de voorbumper of het logo. De volgende keer dat de motor wordt gestart, verdwijnen het controlelampje en het bericht na ongeveer vijf of tien minuten rijden. als dit niet het geval is, is er mogelijk een andere oorzaak. Neem contact op met een erkende dealer.
Storingen
Als het systeem een tijdelijke fout
detecteert, licht het schuwingslampje op het instrumentenpaneel op. Ga naar een merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. De activering van deze functie wordt mogelijk vertraagd of niet uitgevoerd als de bestuurder een actie uitvoert (op het stuurwiel, de pedalen, enz.).
Het systeem kan niet worden ingeschakeld wanneer:
- als de versnellingshendel in de Neutrale stand staat;
- het elektronische stabiliteitsprogramma (ESC) is geactiveerd.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de radar en/of camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit enz.) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- een complexe omgeving (metalen brug, tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, regen, hagel, ijzel enz.);
- slecht zicht (nacht, mist enz.);
- slecht contrast tussen het object (auto, voetganger enz.) en de omgeving (bijvoorbeeld een voetganger met witte kleding in de sneeuw enz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- bedekte voorruit (vuil, ijs, sneeuw, condensatie enz.);
- ...
In deze omstandigheden kan het zijn dat het systeem niet reageert of per ongeluk remt. Beperkingen voor de werking van het systeem
- Elke keer dat de auto wordt gestart, voert het systeem een kalibratie uit op basis van de omgeving van de auto. Het systeem kan daardoor ongeveer twee tot vijf minuten inactief zijn.
- Het gebied rond de radar en camera moet schoon en volledig ongewijzigd blijven om de goede werking van het systeem te waarborgen.
- Het systeem reageert mogelijk niet zo goed op kleine voertuigen zoals motorfietsen als op andere voertuigen;
- het systeem werkt mogelijk niet goed bij een glad wegdek (regen, sneeuw, ijzel enz.);
-
om een correcte werking te garanderen, moet het systeem het volledige obstakel onderscheiden. Wat niet door het systeem kan worden gedetecteerd:
-
voetgangers/fietsers in het donker of bij weinig licht
- gedeeltelijk zichtbare voetgangers/fietsers;
- voetgangers die kleiner zijn dan ongeveer 80 cm;
- voetgangers die grote voorwerpen dragen;
- ...
In deze omstandigheden kan het zijn dat het systeem niet reageert of per ongeluk remt.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- de camerazone is beschadigd (bijv. de binnen- of buitenkant van de voorruit);
- de voorkant van de auto werd beschadigd (botsing, vervorming, krassen op de radar enz.);
- de auto wordt gesleept (bij pech);
- De voorruit is gebarsten of vervormd (voer geen reparaties uit aan dit gedeelte van de voorruit; laat deze vervangen door een merkdealer);
- U rijdt niet op een geasfalteerde weg.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.
Onderbreking van de functie
U kunt het actief remmen op elk moment onderbreken door het gaspedaal kort in te drukken of aan het stuur te draaien om uit te wijken om een botsing te voorkomen.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwing waakzaam- heid bestuurder
Introductie

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden, in geval van afleiding. De functie werkt niet op het voertuig. Deze functie kan in geen geval de verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het rijden vervangen. De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan zijn of haar alertheid, aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.

Het systeem analyseert het gezicht van de bestuurder via een camera 1 en waarschuwt bij detectie van af-leiding.
Een afleiding is wanneer een be- stuurder ongeveer drie seconden niet naar de weg kijkt of deze beweging meerdere keren achter elkaar herhaalt.
Opmerking: het systeem neemt geen beelden op en werkt in realtime.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de camera niet be- dekt is (met vuil, modder, sneeuw enz.) of is afgedekt.
Werkzaamheden
Het systeem houdt continu de aandacht van de bestuurder in de gaten en kan tijdens een rit meerdere waarschuwingen afgeven.

De functie waarschuwt u als de snelheid boven 20 km/u komt.
Bij afleiding verschijnt het bericht "Blijf gefocust op autorijden" op het instrumentenpaneel 2 en klinkt er een pieptoon.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Het is raadzaam om uw aandacht op de weg te houden en te anticipe-ren op eventuele incidenten.
Druk op schakelaar 3 OK om het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit te schakelen. Na het uitschakelen van het bericht blijft het systeem afleidingen detecteren en geeft het indien nodig een nieuwe waarschuwing.
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
i Afhankelijk van de auto, worden, op basis van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, de waarschuwingen opnieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of - bij het openen van een portier; of
- bij het starten van de motor.
i Afhankelijk van de auto is het mogelijk dat het niet mogelijk is om waarschuwingen uit te schakelen.
Afhankelijk van de auto, kunnen de waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld met behulp van:
- de knop "My Safety";
- het multimediascherm.
Waarschuwingen in- en uitschakelen met de knop 4 "My Safety"

De waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld vanuit de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 179.
Als de waarschuwingen eerder zijn gedeactiveerd met behulp van de modus "Perso":
- om de geluidswaarschuwingen uit te schakelen, drukt u twee keer na elkaar op de knop 4. Het controle-lampje van de toets 4 dooft.
- om de waarschuwingen opnieuw in te schakelen, drukt u één keer op de knop 4. Het controlelampje in de knop 4 licht op.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
De waarschuwingen in-/uitschakelen via het multimediascherm 5

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de waarschuwingen.
Beperkingen van de werking van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- het dragen van bepaalde soorten brillen;
- als de camera wordt belemmerd, zelfs gedeeltelijk;
- als een deel van het gezicht van de bestuurder verborgen is (door een haar, pet, chirurgisch masker, sjaal, enz.).
- een ongeschikte rijpositie (zoals te laag zitten, te ver naar achteren leunen, enz.) waardoor de camera het gezicht niet goed kan analyseren;
- ...
In deze omstandigheden kan het systeem geen waarschuwing activeren of kan het een vroegtijdig of vals alarm activeren.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt het bericht "Waakzaamh bewak. controleren" op het instrumentenpaneel, of afhankelijk van de auto, "Aandachtscontrole niet beschikb. Gezicht niet gedetecteerd" samen met het waarschu-
wingslampje

Controleer of de camera schoon is en/of verwijder eventuele gezichtsbedekking. Zorg ervoor dat u correct zit.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.
Waarschuwing vermoeid-heidsdetectie bestuurder
Introductie

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden, in geval van vermoeidheid. De functie
werkt niet op het voertuig. Deze functie kan in geen geval de verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het rijden vervangen.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan zijn of haar alertheid, aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Het systeem analyseert het gedrag van het gezicht van de bestuurder met behulp van de camera 1 en waarschuwt als de bestuurder in slaap dreigt te vallen.
Opmerking: het systeem neemt geen beelden op en werkt in realtime.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de camera niet be- dekt is (met vuil, modder, sneeuw enz.) of is afgedekt.
Werkzaamheden
Het systeem houdt continu de aandacht van de bestuurder in de gaten en kan tijdens een rit meerdere waarschuwingen afgeven.
Telkens als de motor wordt gestart of bij het wisselen van bestuurder, worden de systeeminstellingen na enkele minuten gereset.

De functie is gereed om te waar- schuwen als:
- er enkele minuten zijn verstreken sinds de laatste stop van de auto; - als de auto sneller dan ongeveer 20 km/u rijdt.
Als er een signaal is van vermoeidheid, wordt "Denk eraan om even te pauzeren" weergegeven op het instrumentenpaneel 2 met een pieptoon.
Als de bestuurder in slaap valt, wordt de melding "Vermoeidh. det. Neem een pauze" weergegeven op het instrumentenpaneel 2 samen met een pieptoon.
Het is raadzaam om zo snel mogelijk te stoppen en pauze te nemen.
Druk op schakelaar 3 OK om het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel uit te schakelen. Na het uitschakelen van het bericht blijft het systeem vermoeidheid detecteren en geeft het indien nodig een nieuwe waarschuwing.
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Afhankelijk van de auto, worden, op basis van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt, de waarschuwingen opnieuw ge- activeerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het starten van de motor.

Afhankelijk van de auto is het mogelijk dat het niet mogelijk is om waarschuwingen uit te schakelen.
Afhankelijk van de auto, kunnen de waarschuwingen worden in- en uitgeschakeld met behulp van:
- de knop "My Safety";
- het multimediascherm.
Waarschuwingen in- en uitschakelen met de knop 4 "My Safety"

De waarschuwingen kunnen worden in- en uitgeschakeld vanuit de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 179.
Als de waarschuwingen eerder zijn gedeactiveerd met behulp van de modus "Perso":
- om de geluidswaarschuwingen uit te schakelen, drukt u twee keer na elkaar op de knop 4. Het controle-lampje van de toets 4 dooft.
- om de waarschuwingen opnieuw in te schakelen, drukt u één keer op de knop 4. Het controlelampje in de knop 4 licht op.
De waarschuwingen in-/uitschakelen via het multimediascherm 5

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de waarschuwingen.
Beperkingen van de werking van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- het dragen van bepaalde soorten brillen;
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
- als de camera wordt belemmerd, zelfs gedeeltelijk;
- als een deel van het gezicht van de bestuurder verborgen is (door een haar, pet, chirurgisch masker, sjaal, enz.).
- een ongeschikte rijpositie (zoals te laag zitten, te ver naar achteren leunen, enz.) waardoor de camera het gezicht niet goed kan analyseren;
In deze omstandigheden kan het systeem geen waarschuwing activeren of kan het een vroegtijdig of vals alarm activeren.
Storingen
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt het bericht "Waakzaamh bewak. controleren" op het instrumentenpaneel, of afhankelijk van de auto, "Aandachtscontrole niet beschikb. Gezicht niet gedetecteerd" samen met het waarschu-
wingslampje

Controleer of de camera schoon is en/of verwijder eventuele gezichtsbedekking. Zorg ervoor dat u correct zit.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.
Detectie van verkeersborden

Het systeem geeft op het instrumentenpaneel weer wat de maximumsnelheid is aan de hand van verkeersborden die langs de kant van de weg zijn gedetecteerd.
Deze functie maakt hoofdzakelijk gebruik van de informatie van de camera 1 op de voorruit, achter de achteruitkijkspiegel. Afhankelijk van het land gebruikt het systeem ook informatie van een kaartabonnement om bepaalde borden (bebouwde kom enz.) te interpreteren.
Het bord dat op het instrumentenpaneel wordt weergegeven, verandert wanneer het systeem een ander verkeersbord detecteert.
U kunt zodra de snelheidsbegrenzer of de cruise control is geactiveerd het instelpunt van de begrensde snelheid aanpassen aan de snel-heidslimiet die wordt weergegeven op het instrumentenpaneel door systeem → 228 en → 232.
Als de gedetecteerde snelheidslimiet wordt overschreden, wordt het verkeersbord op het instrumentenpaneel aangepast om de bestuurder te informeren.
Plaats van de camera 1
Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, condens enz.).
Bijzonderheden
Voor auto's met een kaartabonnement:
- als de auto in een land rijdt met andere snelheidseenheden dan die van de auto, wordt het snelheidsbord weergegeven in de eenheid van het desbetreffende land, samen met de omgerekende maximumsnelheid in de eenheid van het instrumentenpaneel van de auto.
- voor landen waar de maximumsnelheid op bepaalde soorten wegen wordt verlaagd bij regenweer, kan het systeem de gedetecteerde
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
maximumsnelheid wijzigen enkele seconden nadat de ruitenwissers van de voorruit zijn ingeschakeld.
Voor auto's zonder een kaartabonnement: wanneer u rijdt in een land waar de snelheidseenheden verschillen van die van uw auto, kunt u handmatig de bijbehorende snelheidseenheid op het instrumentenpaneel selecteren (bijv. kilometers veranderen in mijlen) om de passende informatie te verkrijgen → 125.
Opmerking: het systeem houdt geen rekening met uitzonderlijke snel-heidsbeperkingen, bijvoorbeeld op dagen waarop de luchtverontreiniging piekt.
Werkzaamheden
Controlelampjes

De functie geeft de volgende waarschuwingslampjes weer:
- Verkeersborden met de maximumsnelheid en extra verkeersborden met de maximumsnelheid (snelheid op afrit met pijl, snelheid met een caravan, snelheidslimiet met aangegeven duur, enz.)
- Extra verkeersborden (begin in-haalverbod).
Als de gedetecteerde snelheidslimiet wordt overschreden, gaat er een cirkel rond het verkeersbord knipperen (waarschuwingslampje 2), vergezeld, afhankelijk van de auto, van een pieptoon die gedurende enkele seconden klinkt om u te waarschuwen.
Het lampje blijft zichtbaar op het instrumentenpaneel zolang de auto de gedetecteerde maximumsnelheid overschrijdt.

Kaartabonnement
Detectie van verkeersborden is gekoppeld aan een abonnement.
Raadpleeg de instructies bij het multimediasysteem om het abonnement te beheren.
Als er geen abonnement is, is het systeem beperkt tot het melden van de verkeersborden die de maximumsnelheid aan- geven wanneer deze door de camera worden gedetecteerd. Het systeem houdt geen reke- ning meer met informatie over de kaarten. De beschikbaarheid van de maximumsnelheid kan worden beïnvloed.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Afhankelijk van de tijdsduur na de laatste keer dat de motor is gestopt,
worden de waarschuwing op- nieuw geactiveerd:
- bij het ontgrendelen van de auto
of
- bij het openen van een portier; of
- bij het opnieuw starten van de motor.
In- of uitschakelen van de ge- luidswaarschuwing voor te hoge snelheid met knop 4 "My Safety"

Het geluidssignaal kan worden in- of uitgeschakeld via de modus "Perso" in de functie "My Safety" → 184.
Als de geluidswaarschuwing eerder is uitgeschakeld in de modus "Perso":
- om de geluidswaarschuwing uit te schakelen, drukt u twee keer na elkaar op de knop 4. Het controle-lampje van de toets 4 dooft.
- om de geluidswaarschuwing opnieuw in te schakelen, drukt u één keer op de knop 4. Het controle-lampje van de toets 4 licht op.
De geluidswaarschuwing voor te hoge snelheid activeren en de-activeren vanaf het multimedia-scherm 5

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de geluids-waarschuwing.
Verschil in maximumsnelheid of kruissnelheid
(afhankelijk van de auto)
EXTRA RIJHULPMIDDELEN

Om het instelpunt van de snelheidsbegrenzer, snelheidsregelaar of adaptieve snelheidsregelaar aan te passen aan de gedetecteerde maximumsnelheden: druk kort schakelaar 6 om de snelheid van de auto aan te passen aan de maximumsnelheid die is aangegeven op het laatst gedetecteerde snelheidsbord.
Opmerking: in auto's met een kaartabonnement kunt u de snelheid van de auto automatisch aanpassen aan elke nieuwe maximumsnelheid die wordt aangegeven op de gedetecteerde snelheidsborden. Houd hiervoor schakelaar 6 ongeveer twee seconden ingedrukt.
Tijdelijk niet beschikbaar
Als het systeem niet beschikbaar is om redenen die verband houden met de camera- of kaartgegevens,
wordt het symbool Fhan-

kelijk van de auto, het symbool in geel weergegeven op het instrumentenpaneel. Als het probleem aanhoudt, moet u een erkende dealer raadplegen.
Het systeem kan de snelheidsbeperking niet detecteren:
- de voorruit niet schoon is;
- de camera verblind wordt door de zon;
- bij onvoldoende zicht (nacht, mist, enz.);
- als de verkeersborden onleesbaar (door sneeuw, enz.) of verborgen zijn (achter een andere auto of bomen);
- de kaartinformatie niet meer up-to-date is.
Opmerking: als de camera aan de voorkant is afgedekt, verschijnt de melding "Camera voor geen zicht" op het instrumentenpaneel. Reinig de voorruit voor de camera.
Storingen
Als het systeem een storing signa-
leert, wordt -19 Hankelijk van
de auto, het gele pictogram ⚠️ weergegeven op het instrumenten- paneel.
In sommige gevallen verschijnt ook het volgende bericht:
- « Rijhulpsystemen niet beschikbaar »;
of
- « Controleer camera voor »; of
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. De bestuurder moet zijn snelheid altijd aanpassen aan het verkeer, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Het systeem detecteert mogelijk niet alle snelheidsborden of interpreteert ze mogelijk verkeerd.
De bestuurder mag verkeersborden niet negeren die niet door het systeem worden gedetecteerd en moet prioriteit geven aan het naleven van de feitelijke verkeersborden en het verkeersreglement.
Bij slecht zicht (mist, sneeuw, vorst, enz.) geeft het systeem wellicht niet de juiste maximumsnelheid aan.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Actieve noodstop bij achter- uitrijden
Introductie

In aanvulling op de functie "Parkeer-hulp" → 254 en met behulp van informatie van de vier sensoren in het midden aan de achterkant van de auto, detecteert het systeem vaste obstakels achter uw auto. Bij een aanzienlijk botsingsgevaar zorgt het systeem er automatisch voor dat de auto remt.
Opmerking: zorg ervoor dat de vier sensoren in het midden aan de achterkant van de auto niet worden bedekt (door vuil, modder, sneeuw enz.)
Werkzaamheden

Vaste obstakeldetectie achterkant
In de achteruitversnelling met een snelheid tussen ongeveer 3 km/u en 10 km/u) remt het systeem de auto automatisch af als er een risico op een botsing met een vast obstakel
bestaat. Visuele feedback 2 wordt weergegeven op het multi-mediascherm 1, vergezeld van een pieptoon.
Zodra de auto stilstaat, moet de be-stuurder de auto stationair houden door het rempedaal in te drukken.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk- heid van de bestuurder vervan- gen; deze moet altijd de contro- le over zijn auto behouden.

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegen-aan rijden (bijvoor-
beeld contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Inschakelen, uitschakelen van het systeem
77350


Selecteer via het multimedia-scherm 1 de modus "Voertuig" en vervolgens "Rijondersteuning" en daarna "Parkeren" om de functie in of uit te schakelen. Activeer "Actieve Noodrem achter".
Als de functie is uitgeschakeld, wordt het waarschuwingslampje 3

weergegeven op het multime- herm.
Storingen
Wanneer het systeem een storing detecteert, wordt de actieve nood-
rem in de achteruitversnelling automatisch gedeactiveerd.
Het waarschuwingslampje 3 OFF verschijnt op het multimediascherm en, afhankelijk van het type storing, verschijnt het volgende bericht op het instrumentenpaneel:
- « Parkeersensoren niet beschikbaar »;
of
- « Controleer parkeersensoren »; of
- « Rijhulpsystemen niet beschikbaar »;
of
Reinig de ultrasoonsensoren. Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.

Als de auto is uitgerust met een door het systeem herkende trekhaak en er een aanhanger is aangekoppeld, wordt de actieve noodrem in de achteruitversnelling automatisch gedeactiveerd en verschijnt het volgende bericht: "Aanhanger: parkeersensoren niet beschikbaar", op het instrumentenpaneel, vergezeld van het
waarschuwingslampje 3 het multimediascherm.

EXTRA RIJHULPMIDDELEN
Waarschuwingen

Actieve noodstop bij achteruitrijden
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verant- woordelijkheid van de bestuurder vervangen.
Sommige klimatologische en omgevingsomstandigheden kunnen het systeem verstoren of beschadigen.
Dus moet de bestuurder altijd op zijn/haar hoede zijn voor plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let er altijd op dat er zich bij het manoeuvreren geen kleine, smalle bewegende obstakels in de blinde hoek bevinden, zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, kei, paaltje, enz.).
De activering van deze functie wordt mogelijk vertraagd of niet uitgevoerd als de bestuurder een actie uitvoert (op het stuurwiel, de pedalen, enz.).
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een aanrijding kunnen de sensoren aan de achterkant en hun werking worden beïnvloed. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de sensoren (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de bumpers, enz.) moeten door een vakman/vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Uitschakelen van de functie
U moet de functie deactiveren als de auto wordt gesleept (pechhulp) of als de auto is uitgerust met een trekhaak die niet door het systeem wordt herkend.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.
SNELHEIDSBEGRENZER
Introductie
De snelheidsbegrenzer bestuurt de motor en het remsysteem om te zorgen dat een door u gekozen rijsnelheid niet wordt overschreden; deze snelheid noemen we de limietsnelheid.
De functie snelheidsbegrenzing kan worden geactiveerd vanaf 0 km/u.
Als de modus ECO is geactiveerd, mag de maximumsnelheid niet hoger zijn dan de maximumsnelheid voor de modus ECO → 170.
Bedieningsknoppen

- Schakelaar voor het selecteren/deselecteren van de rijhulpmiddelen, afhankelijk van de auto:
- adaptieve snelheidsregelaar;
- snelheidsregelaar;
- snelheidsbegrenzer;
- OFF.
-
De functie gaat in stand-by en de maximumsnelheid wordt opgeslagen (0).
-
Oproepen van de opgeslagen maximumsnelheid (RES).
-
Maximumsnelheid inschakelen of verlagen, of de huidige snelheid opslaan (SET/-).
-
Maximumsnelheid inschakelen of verhogen, of de huidige snelheid opslaan (SET/+).
- Knop (afhankelijk van de auto): de ingestelde snelheid aanpassen aan waargenomen snelheidsbeperkin-
gen 0.
U kunt de functie snel-heidsbegrenzing koppelen aan de functie "Detectie van verkeersborden" → 220 door te drukken op schakelaar 6, afhankelijk van de auto.
Afhankelijk van de auto, als de modus "OFF" wordt geselecteerd voordat de motor wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgende keer dat de auto wordt gestart.
Rijden
Wanneer een maximumsnelheid is ingesteld maar nog niet is bereikt, gaat het rijden zoals bij een auto zonder de functie snelheidsbegrenzer.
SNELHEIDSBEGRENZER
Zodra u de opgeslagen snelheid hebt bereikt, kunt u de geprogrammeerde snelheid zonder enige inspanning op het gaspedaal overschrijden, behalve indien nodig → 229.
Inschakelen

Druk zo vaak als nodig op schake- laar 1 om de snelheidsbegrenzer te selecteren.
Het waarschuwingslampje 7 wordt grijs weergegeven. Het bericht "Begrenzer geselecteerd" wordt weergegeven op het instrumentenpaneel, samen met streepjes die aangeven dat de snelheidsbegrenzer is
ingeschakeld en wacht op het op- slaan van een maximumsnelheid.
Als u de huidige snelheid wilt opslaan, drukt u op de schakelaar 5 (SET/+) of 4 (SET/-): de streepjes worden door de maximumsnelheid vervangen. Afhankelijk van de auto licht het waarschuwingslampje 7 wit op.
De minimum te registreren snelheid is 20 km/u.
Verandering van de ingestel- de maximum snelheid
U kunt de ingestelde maximum snelheid veranderen door (het achter elkaar indrukken of het lang ingedrukt houden) van:
- de schakelaar 5 (SET/+) om de snelheid te verhogen; - de schakelaar 4 (SET/-) om de snelheid te verlagen.
Sneller rijden dan de ingestel- de snelheid
Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximumsnelheid te overschrijden. Druk hiervoor het gaspedaal stevig en volledig in, tot voorbij het weerstandspunt.
Als de snelheid wordt overschreden, knippert de snelheidsbegrenzer in het geel op het instrumentenpaneel.
Laat vervolgens het gaspedaal los: de functie snelheidsbegrenzer treedt weer in werking zodra u langzamer rijdt dan de in het geheugen opgeslagen snelheid.
Opmerking: het is, afhankelijk van het voertuig, ook mogelijk om de snelheidslimiet te overschrijden door het gaspedaal in te drukken tot een positie dicht bij het weerstandspunt. In dit geval klinkt er een pieptoon naast de waarschuwing die wordt weergegeven op het instrumentenpaneel.

U moet uw voeten in de buurt van de pedalen houden om snel te kunnen reageren op een
noodgeval.
SNELHEIDSBEGRENZER

Als de functie snel-heidsbegrenzer (na verschillende pogingen om deze in te schake-beschikbaar is, neemt u op met een merkdealer.
Onderbreken van de functie

De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort als u drukt op de schakelaar 2 (0).
De maximumsnelheid wordt opgeslagen en op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
Opnieuw inschakelen van de maximum snelheid
Als een snelheid is opgeslagen, kunt u deze oproepen door te drukken op de schakelaar 3.

Als de snelheidsbegrenzer is ingesteld op standby, leidt drukken op scha-
kelaar 4 of 5 tot reactivatie van de functie, ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
Uitschakelen van de functie

De snelheidsbegrenzerfunctie wordt onderbroken wanneer u op de schakelaar 1 drukt om de snelheidsbegrenzer uit te schakelen. In dit geval wordt er geen snelheid meer in het geheugen opgeslagen.
Het waarschuwingslampje 7 verdwijnt van het instrumentenpaneel om te bevestigen dat de functie gestopt is.
SNELHEIDSBEGRENZER

Om de rijhulp te verlaten, drukt u zo vaak als nodig op schakelaar 1 totdat er
OFF staat. De melding "Rijhulp uitgeschakeld" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Afhankelijk van de auto wordt in dat geval de volgende keer dat de motor wordt gestart, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.
SNELHEIDSREGELAAR
Introductie
De snelheidsregelaar bestuurt de motor en het remsysteem om te zorgen dat een door u gekozen rijsnelheid wordt aangehouden; deze snelheid noemen we de kruissnelheid.
Vanaf 20 km/u kunt u deze kruissnelheid traploos instellen.

Als de modus ECO is ge- activeerd, mag de kruis- snelheid de snelheid → 170
voor de modus ECO niet over- schrijden.

Het regeneratieve rem- systeem en de paddles zijn niet beschikbaar wan-
neer de cruisecontrol of de adaptieve cruisecontrolfunctie is geactiveerd.

Afhankelijk van uw auto kunt u de snelheidsregelaar koppelen aan de
functie "Detectie van verkeers- borden" → 220.
Bedieningsknoppen

-
Schakelaar voor het selecteren/deselecteren van de rijhulpmiddelen, afhankelijk van de auto:
-
adaptieve snelheidsregelaar;
- snelheidsregelaar;
- snelheidsbegrenzer;
-
OFF.
-
Functie op stand-by zetten (met opgeslagen kruissnelheid) (0).
- Oproepen van de in het geheugen vastgelegde snelheid (RES).
- Maximumsnelheid inschakelen of verlagen, of de huidige snelheid opslaan (SET/-).
- Maximumsnelheid inschakelen of verhogen, of de huidige snelheid opslaan (SET/+).
- Submenuknop (afhankelijk van de auto): de ingestelde snelheid aanpassen aan waargenomen snel-
heidsbeperkingen

SNELHEIDSREGELAAR

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Ook met deze extra rijhulp is de bestuurder altijd verplicht om zich aan de snelheidslimieten te houden en alert te blijven.
De bestuurder moet altijd con- trole houden over de auto.
De snelheidsregelaar moet niet gebruikt worden in druk verkeer, op een bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en als de weersomstandigheden ongunstig zijn (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.

U kunt de functie cruise control koppelen aan de functie "Detectie van ver-
keersborden" → 220 door te drukken op schakelaar 6, afhankelijk van de auto.
Afhankelijk van de auto, als de modus "OFF" wordt geselecteerd voor-
dat de motor wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgende keer dat de auto wordt gestart.
Inschakelen

Druk zo vaak als nodig op schake- laar 1 om de snelheidsregelaar te se- lecteren.
Het waarschuwingslampje 7 wordt grijs weergegeven. De melding "Regelaar geselecteerd" verschijnt op het instrumentenpaneel, samen met streepjes die aangeven dat de snelheidsregelaar actief is en klaar voor het opslaan van een ingestelde snelheid.
Instellen van de snelheid
Druk, terwijl de auto rijdt met een constante snelheid hoger dan ongeveer 20 km/u, op de schakelaar 4 (SET/-) of schakelaar 5 (SET/+): de functie wordt ingeschakeld en de
SNELHEIDSREGELAAR
huidige snelheid wordt gebruikt. De streepjes worden vervangen door de ingestelde snelheid.
De ingestelde snelheid is bevestigd wanneer de opgeslagen snelheid en het waarschuwingslampje 8 brandt groen.
Als u de functie probeert in te schakelen wanneer u minder dan 20 km/u rijdt, verschijnt de melding "Snelh. ongeldig" en blijft de functie uitgeschakeld.
Rijden
Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de functie snelheidsregelaar is ingeschakeld, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.

Let op: u moet de voet dicht bij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsitua-
ties.
Veranderen van de gekozen snelheid
U kunt de ingestelde snelheid veranderen door een aantal keren te drukken op:
- de schakelaa4 (SET/-) om de snelheid te verlagen; - de schakelaa5 (SET/+) om de snelheid te verhogen.
Opmerking: Druk op een van de schakelaars en houd deze ingedrukt om de snelheid trapsgewijs te wijzigen.
Sneller rijden dan de gekozen snelheid
U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken.
Zo lang u te snel rijdt, knippert de ingestelde snelheid rood op het instrumentenpaneel. Laat daarna het gaspedaal los: na enkele seconden gaat uw auto automatisch weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.
Onmogelijkheid om de ingestelde snelheid vast te houden
In het geval van een steile afdaling kan het zijn dat het systeem de kruissnelheid niet aanhoudt: de opgeslagen snelheid knippert rood op het instrumentenpaneel.

Als de functie snel- heidsregelaar niet meer beschikbaar is (na verschillende po-
gingen om deze te activeren), neemt u contact op met een er- kende dealer.
Onderbreken van de functie
De functie wordt uitgeschakeld als u drukt op:
- schakelaa2 (0);
- hetrempedaal;
- overgang naar de neutraalstand.
De ingestelde snelheid wordt opgeslagen en op het instrumentenpaneel grijs weergegeven.
Oproepen van de ingestelde snelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kan deze in de juiste omstandigheden (verkeersdrukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.) worden opgeroepen.
Druk op de schakelaar 3 (RES) als de snelheid van de auto hoger is dan 20 km/u.
SNELHEIDSREGELAAR
77200

Als de snelheid is opgeslagen, verschijnt de kruissnelheid groen op het display om de activering van de cruise control te bevestigen en gaat het controlelampje 8 branden, afhankelijk van het voertuig.
N.B.: als de eerder opgeslagen snelheid veel hoger is dan de actuele snelheid, trekt de auto snel op naar deze hogere snelheid.
Als de regelaar stand-by is, komt de regelaarfunctie weer in werking door een druk op de knop 4 (SET/-) of de knop 5 (SET/+), ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
Uitschakelen van de functie
De functie snelheidsregelaar wordt onderbroken wanneer u op de schakelaar 1 drukt om de snelheidsregelaar uit te schakelen. In dit geval wordt er geen snelheid meer in het geheugen opgeslagen.
Om de rijhulp te verlaten, drukt u zo vaak als nodig op schakelaar 1 totdat er OFF staat. De melding "Rijhulp uitgeschakeld" verschijnt op het instrumentenpaneel. In dit geval wordt de volgende keer dat de motor wordt ge- start, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.
77200

Het waarschuwingslampje 8 verdwijnt van het instrumentenpaneel om te bevestigen dat de functie gestopt is.

Het onderbreken of uitschakelen van de cruise control brengt geen snelle snelheidsver-
mindering met zich mee: u moet remmen door het rempedaal in te trappen.
De Stop and Go snelheidsregelaar gebruikt informatie van een radar of camera om de auto op een bepaalde ingestelde snelheid - de kruissnelheid - te houden, op een veilige afstand van uw voorligger.
Als de functie "Detectie verkeersborden" wordt geactiveerd → 220, kan het systeem de snelheid van de auto aanpassen aan de borden met snelheidslimieten die worden herkend door de camera, afhankelijk van de auto.
Afhankelijk van het land en het abonnement gebruikt het systeem de camera om de snelheid van de auto van tevoren aan te passen aan de snelheidslimieten die op de weg worden gedetecteerd.
Als uw voorligger afremt, kan de Stop and Go snelheidsregelaar uw auto afremmen tot volledige stilstand en vervolgens weer laten vertrekken.
Het systeem laat uw auto versnellen en vertragen met behulp van de motor en het remsysteem.
Het maximumbereik van het systeem is ongeveer 130 meter. Dit kan variëren afhankelijk van de wegom-
standigheden (hoogteverschillen, weersomstandigheden, enz.)
De functie adaptieve cruise control Stop and Go kan worden geactiveerd vanaf 0 km/u, in overeenstemming met de wegomstandigheden (verkeer, weer enzovoort).
De functie wordt aangeduid met het
symbol

Opmerking:
- de bestuurder moet zich houden aan de maximumsnelheden en veilige afstanden conform de wetgeving van het land waar hij rijdt.
- de adaptieve snelheidsregelaar kan de auto afremmen tot een derde van het remvermogen. Naargelang van de situatie moet de bestuurder mogelijk zelf harder remmen.

Als de modus ECO is geactiveerd, mag de kruissnelheid de maximum-
snelheid voor de modus ECO
→ 170 niet overschrijden.

Het regeneratieve rem- systeem is niet beschik- baar wanneer de cruise- ol of de adaptieve cruise- olfunctie is geactiveerd.

De Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar kan geen noodstop activeren eft slechts een beperkte apaciteit.
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Ook met deze extra rijhulp is de bestuurder altijd verplicht om zich aan de snelheidslimieten en veilige afstanden te houden en alert te blijven.
De bestuurder moet altijd con- trole houden over de auto.
De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden.
Gebruik de functie adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go buiten de bebouwde kom, op brede wegen met zichtbare lijnen.
De snelheidsregelaar kan een beperkte werking hebben op een zeer bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en bij slechte weersomstandigheden (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.
Plaats van de camera 1

Zorg ervoor dat de voorruit niet is be- dekt (door vuil, modder, sneeuw, enz.).
Plaats van de radar 2
Zorg ervoor dat de beschermplaat van de radar niet wordt geblokkeerd (vuil, modder, sneeuw, een slecht gemonteerde nummerplaat) of wordt geraakt, gewijzigd (bijv. met autolak) of verborgen door accessoires aan de voorkant van het voertuig (bijv. op de grille of het logo).
Bedieningsknoppen

- Schakelaar voor het selecteren/deselecteren van de rijhulpmiddelen, afhankelijk van de auto:
- adaptieve snelheidsregelaar;
- snelheidsbegrenzer;
- OFF.
-
De volgafstand instellen.
-
Roep de in het geheugen vastgelegde snelheid (RES) op.
-
kruissnelheid inschakelen en verlagen, of de huidige snelheid opslaan (SET/-).
-
kruissnelheid inschakelen en verhogen, of de huidige snelheid opslaan (SET/+).
- Submenuknop (afhankelijk van de auto): de ingestelde snelheid aanpassen aan waargenomen snel-
heidsbeperkingen

- Functie op stand-by zetten (met opgeslagen kruissnelheid) (0).

U kunt de functie snel- heidsregelaar koppelen aan de functie "Detectie
van verkeersborden"→220 door te drukken op schakelaar 8, afhankelijk van de auto.
Afhankelijk van de auto, als de modus "OFF" wordt geselecteerd voordat de motor wordt uitgeschakeld, wordt de functie "Snelheidsbegrenzer" standaard geactiveerd de volgende keer dat de auto wordt gestart.

Het gebied rond de radar en camera moet schoon worden gehouden en in dit gebied
mogen geen manipulaties worden uitgevoerd om de goede werking van het systeem te waarborgen.
Weergaven

- Voorligger.
- Opgeslagen veilige afstand
-
Opgeslagen kruissnelheid.
-
Controlelampje van de Stop and Go snelheidsregelaar.

Belangrijk: houd uw voeten altijd vlakbij de pedalen om voorbereid te zijn op alle mogelijke
situaties.
Inschakelen

Druk op schakelaar 3 om de adaptieve cruisecontrol bij 14 te selecteren. Het waarschuwingslampje 13 wordt grijs weergegeven. De melding "Adaptieve regelaar klaar voor herstart" verschijnt op het instru-
mentenpaneel, samen met streepjes die aangeven dat de snelheidsregelaar actief is en klaar voor het opslaan van een ingestelde snelheid.
Deze functie kan niet worden ingeschakeld als:
- de parkeerrem is ingeschakeld;
- de autogordel van de bestuurder niet is vastgemaakt;
- een of meer deuren zijn verkeerd gesloten;
- de functie "Handsfree parkeren" al is geactiveerd.
Het bericht "Adaptieve regel. niet beschikbaar" verschijnt op het instrumentenpaneel.
Instellen van de snelheid
Wanneer de auto stilstaat of rijdt met een constante snelheid, drukt u op de schakelaar 6 (SET/-) of 7 (SET/+) om de functie te activeren en de huidige snelheid op te slaan.
De kruissnelheid moet minstens 20 km/u zijn.
De ingestelde snelheid 12 vervangt de streepjes en de instelling wordt bevestigd door een groene weergave van de ingestelde snelheid en het waarschuwingslampje 13.
Als u de functie probeert in te schakelen wanneer u boven de 130 km/u rijdt, verschijnt de boodschap
"Snelh. ongeldig" en blijft de functie uitgeschakeld.
Als er een kruissnelheid is opgeslagen en de regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.
Opmerking: als de autosnelheid lager is dan ongeveer 20 km/u, gebruikt de functie een standaard kruissnelheid van ongeveer 20 km/u. De auto trekt op totdat de ingestelde kruissnelheid is bereikt.
Snelheidsregelaar activeren met herkenning snelheidsbeperkingen

Als de auto is uitgerust met de functie "Verkeersborddetectie",
→ 220drukt u op de contextuele knop 8 om de snelheid van de auto aan te passen aan de snelheidslimieten 15 die door de camera worden gedetecteerd.
Na passeren van het verkeersbord wordt de kruissnelheid 12 afgesteld op de gedetecteerde snelheid 15.
kruissnelheid regelen
U kunt op elk moment weer controle nemen over de rijsnelheid door:
- Onderbreken van de functie: - door het rempedaal in te drukken; - of door te drukken op de schakelaar 9 (0);
- door op de selectie-/deselectie- schakelaar voor rijhulpmiddelen 4 te drukken.
Bij het automatisch aanpassen van de snelheid aan verkeersborden is het mogelijk deze gebeurtenissen te negeren. Druk op de knop 5 (RES) om de opgeslagen kruissnelheid te hervatten.
Bewaking veilige afstand in- schakelen
Zodra de snelheidsregelaar is ingeschakeld, verschijnt de standaard
veilige afstand 11 in het groen op het instrumentenpaneel.
Als het systeem een voertuig detecteert in uw rijstrook, verschijnt de omtrek van een voertuig 10 boven de afstandsmeter 11 op het instrumentenpaneel.
De snelheid van uw auto wordt continu aangepast aan de snelheid van uw voorligger. Indien nodig remt uw auto (de remlichten gaan branden) om de afstand die het instrumentenpaneel aangeeft, te bewaren.
Opmerking: de grootte van de omtrek 10 varieert afhankelijk van de afstand tussen u en uw voorligger. Hoe groter de omtrek, hoe dichterbij uw voorligger.
De kruissnelheid instellen
U kunt de kruissnelheid wijzigen door de knop 6 een aantal keren in te drukken (voor een kleine wijziging) of ingedrukt te houden (voor een grote wijziging):
- omlaag: (SET/-) om de snelheid te verlagen;
- omhoog: (SET/+) om de snelheid te verhogen.
De volgafstand instellen
U kunt op elk moment de veilige afstand ten opzichte van uw voorlig-
ger wijzigen door herhaaldelijk op de schakelaar 4 te drukken.

De horizontale afstandsmeter op het instrumentenpaneel duidt de beschikbare veilige afstanden aan:
- afstandsmeteA: grote afstand (komt overeen met ongeveer 2,4 seconden);
- afstandsmeteB: middelgrote afstand 2 (komt overeen met ongeveer twee seconden);
- afstandsmeteC: middelgrote afstand 1 (komt overeen met ongeveer 1,6 seconden);
- afstandsmeteD: kleine afstand (komt overeen met ongeveer 1,2 seconden).
De geselecteerde afstandsmeter wordt groen. De andere meters blijven grijs.
Opmerking: u moet de ingestelde afstand afstemmen op de verkeersdrukte, de lokale regelgeving en de weersomstandigheden.

De veilige afstand wordt standaard aangepast via de afstandsmeter B.
Sneller rijden dan de gekozen snelheid
U kunt de kruissnelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken.
Als de kruissnelheid 11 wordt overschreden, wordt deze geel.
Als de bestuurder het gaspedaal intrapt, werkt de functie "Distance Control (Afstandscontrole)" niet meer.
Laat het gaspedaal los: de snel-heidsregelaar en veilige afstand gaan automatisch terug naar de eerder gekozen instellingen.
Als u de voorligger wilt inhalen en alleen wanneer uw snelheid is hoger dan 70 km/u, verkort het activeren van de richtingaanwijzers tijdelijk de volgafstand en activeert u de acceleratie om het inhalen te vergemakkelijken.
Stoppen en optrekken van de auto
Als uw voorligger vertraagt, wordt de snelheid van uw auto aangepast, indien nodig tot volledige stilstand (bijv. in druk verkeer). De auto stopt op een paar meter van de voorligger.
Als de voorligger weer optrekt:
- als de stop minder dan dertig seconden duurt, start de auto opnieuw zonder enige actie van de bestuurder.
Opmerking: de bestuurder moet tijdens het rijden altijd voorbereid zijn op plotselinge incidenten en blijft verantwoordelijk voor het besturen van de auto: als het systeem een voetganger rondom de auto detecteert, wordt het automatisch herstarten geblokkeerd tot de volgende stop;
- Als de stoptijd meer dan ongeveer dertig seconden bedraagt, moet de auto om:
-
- druk het gaspedaal in.
- druk eenmaal op de knop 5 (RES).
De melding "Druk op RES of geef gas om de regelaar te heractiveren" verschijnt ter bevestiging op het instrumentenpaneel.
Als de auto langer dan ongeveer drie minuten stilstond, wordt de automatische parkeerrem ingeschakeld en de Stop and Go snelheidsregelaar uitgeschakeld.
Het waarschuwingslampje 10 gaat uit om te bevestigen dat de functie is uitgeschakeld.
Onderbreken van de functie
U kunt de functie als volgt in stand-by zetten:
- druk op schakelaa\ (0);
- druk tijdens het rijden op het rempedaal.
De functie wordt uitgeschakeld door het systeem als:
- zet de versnellingshendel in stand R of N;
- u maakt de veiligheidsgordel van de bestuurder los;
- een van de portieren of kleppen wordt geopend;
- op de start/stop-knop van de motor wordt gedrukt;
- de helling te steil is;
- bepaalde rijhulpmiddelen en correctiesystemen worden ingeschakeld (actieve noodstop, ABS, ESC, enz.)
Opmerking: Indien de ontvangst van de aangesloten gegevens niet optimaal is, schakelt het systeem, afhankelijk van de auto, automatisch de functie voor herkenning van de snelheidslimiet en/of voor herkenning van de wegenrichting in standby.
De twee functies worden automatisch opnieuw geactiveerd zodra de ontvangst van de aangesloten gegevens weer optimaal is.
In alle gevallen wordt stand-by bevestigd doordat de controlelampjes grijs worden en de melding "Adaptieve regelaar uitgeschakeld" verschijnt.
Als u de Stop and Go snelheidsregelaar in stand-by zet of uit-schakelt, leidt dit niet tot een snelle vertraging van de auto: als u wilt remmen, moet u het rempedaal indrukken.
Stand-by afsluiten
Op basis van de opgeslagen kruissnelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kan deze in de juiste omstandigheden (verkeersdrukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.) worden opgeroepen. Druk op knop 5 (RES) om de snelheid aan te passen binnen het geldige snelheidsbereik.
Als u de opgeslagen snelheid op- roept, wordt het inschakelen van de regelaar bevestigd doordat de ingestelde snelheid groen oplicht.
Opmerking: als de opgeslagen snelheid veel hoger is dan de huidige snelheid, trekt de auto op naar deze hogere snelheid.
Op basis van de huidige snelheid
Als de snelheidsregelaar stand-by is, komt de regelaarfunctie weer in
werking door een druk op de schakelaar 6 (SET/-) of 7 (SET/+), ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.
Waarschuwingen "Neem de controle over"

In sommige situaties (u nadert een veel langzamer voertuig, er is een voorligger die snel van rijstrook wisselt, enz.) heeft het systeem wellicht geen tijd om te reageren.
Afhankelijk van de situatie geeft het systeem een geluidssignaal in combinatie met:
- de oranje waarschuwing E als de aandacht van de bestuurder vereist is;
of
- de rode waarschuwing F samen met de melding "Remmen", als onmiddellijke actie van de bestuurder vereist is.
Reageer altijd gepast op alle waarschuwingen en voer de nodige manoeuvres uit.
Uitschakelen van de functie

De adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go wordt onderbroken:
- als u drukt op de schakelaar 3.
Het waarschuwingslampje 10 verdwijnt van het instrumentenpaneel om te bevestigen dat de functie gestopt is.

Om de rijhulp te verlaten, drukt u zo vaak als nodig op schakelaar 3 totdat er OFF staat. De melding "Rijhulp uitgeschakeld" verschijnt op het instrumentenpaneel.
In dit geval wordt de volgende keer dat de motor wordt ge- start, de functie "Snelheidsbegrenzer" geactiveerd en wordt gewacht tot een snelheidslimiet is opgeslagen.
Tijdelijk niet beschikbaar
Radar
77152

De radar kan voertuigen detecteren die vóór uw auto rijden. Het systeem werkt niet goed als de radardetectiezone door iets wordt bedekt of als het signaal wordt gestoord.
Als de radardetectiezone door iets wordt bedekt of als het signaal wordt gestoord, verschijnt het bericht "Radar voor geen zicht" en wordt de werking van de functie Stop and Go Adaptieve snelheidsregelaar onderbroken.
Het groene waarschuwingslampje 13 verdwijnt om te bevestigen dat de functie automatisch is uitgeschakeld.
Zorg ervoor dat het radargebied schoon blijft en niet wordt afgedekt door sneeuw, modder, een slecht gemonteerde kentekenplaat of een accessoire op de voorkant van de auto (de grille of het logo, enz.).
In bepaalde geografische omstandigheden kan de functie worden gestoord, zoals:
- droge zones, tunnels, lange bruggen of weinig gebruikte wegen zonder wegmarkeringen, borden of bo-men in de buurt;
- een militaire zone of een luchthaven.
Als u deze gebieden verlaat, zal de functie weer werken.
Als het bericht niet verdwijnt nadat de motor opnieuw wordt gestart, moet u altijd een merkdealer raadplegen.
Camera
Het systeem kan niet werken als de camera wordt afgedekt (door vuil, modder, sneeuw, condensatie, enz.).
Als het zicht van de camera wordt verminderd, wordt het bericht "Camera voor geen zicht" weergegeven op het instrumentenpaneel en worden de prestaties van de adaptieve
cruisecontrol Stop and Go vermin- derd. Blijf waakzaam.
Storingen
Als er een storing is in de werking van de adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go, verschijnt het bericht "Adapt. regelaar controleren" op het instrumentenpaneel en wordt de functie Stop and Go onderbroken.
Als er een storing is in één of meer onderdelen van het systeem, wordt de Stop and Go snelheidsregelaar uitgeschakeld.
Afhankelijk van het type storing verschijnt deze melding:
- "Controleer camera voor" samen met, afhankelijk van de auto, het
waarschuwingslampje,
- "Controleer radar voor" samen met, afhankelijk van de auto, het
waarschuwingslampje;
- "Controleer camera/radar" samen met, afhankelijk van de auto,
het waarschuwingslampje ;
- "Controleer voertuig" samen met
het waarschuwingslampje

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Beperkingen van de werking van het systeem
Autodetectie

Het systeem detecteert alleen voertuigen (auto's, trucks, motoren) die in dezelfde richting rijden als uw auto.
Een auto die invoegt in uw rijstrook (bijvoorbeeld G) wordt pas door het systeem herkend als deze in de detectiezones van de camera en radar komt.
Het systeem kan de auto ongepast of vertraagd laten afremmen.

Wat niet door het systeem wordt ge- detecteerd:
- auto's die op kruispunten aankomen: bijv. afritten (voorbeeld H);
- auto's die aan de verkeerde kant van de weg rijden of die achteruit naar u toe rijden.

De Stop and Go adaptieve snelheidsregelaar moet worden gebruikt buiten
de bebouwde kom, op brede wegen met zichtbare lijnen.
Detectie in een bocht

Als u een bocht inrijdt, kan de radar en/of camera wellicht tijdelijk niet in staat zijn om een voorligger te detecteren (voorbeeld I).
Het systeem kan de auto laten versnellen.
Als u een bocht uitrijdt, kan de detectie van voorliggers verstoord of vertraagd worden.
Het systeem kan de auto ongepast of vertraagd laten afremmen.
Detectie van voertuigen in aan-
grenzende rijstroken

Het systeem kan voertuigen detecteren die op een aangrenzende rijstrook rijden als:
- u rijdt een bocht in (voorbeeld); - u rijdt op een weg met smalle rij- stroken;
- de snelheid van de auto's op de aangrenzende rijstrook lager is en als één van deze auto's te dicht bij een andere rijstrook rijdt.
Het systeem kan de auto ten onrechte laten vertragen of afremmen.

Auto's die verborgen zijn door hoogteverschillen in de weg
61356

Het systeem kan geen voertuigen detecteren die verborgen zijn door hoogteverschillen in de weg of die zich buiten de detectiezones van de camera en radar bevinden doordat u een helling op- of afrijdt.
Auto's buiten de detectiezones van camera en radar
Het systeem reageert laat of helemaal niet als de auto's zich buiten de detectiezones van de camera en radar bevinden, met name in deze gevallen:
- voertuigen die voorwerpen transporteren die langer zijn dan de lijn;
- het gedeelte van een lange auto (voorbeeld K) is buiten de radardetectiezone valt (bouwmachines, sleepwagens die landbouwmachines verslepen enz.);
- voertuigen die niet in het midden van de rijstrook rijden;
- smalle auto's die zeer dichtbij zijn (voorbeeld L).

Stilstaande en langzaam rijdende voertuigen
Als uw snelheid hoger is dan ongeveer 50 km/u, is er geen detectie:
- stilstaande auto's (voorbeeldM); - zeer langzaam rijdende voertui- gen.
Als uw snelheid lager is dan ongeveer 50 km/u, reageert het systeem wellicht niet of zeer laat op:
- stilstaande auto's (voorbeeldN); - zeer langzaam rijdende voertui- gen;


- voorligger96 die wisselen van rijstrook en zo een stilstaande auto 17 onthullen (voorbeeld O);
- wanneer de auto stilstaa18, wan- neer u van rijstrook wisselt (voor- beeld P).

Wees altijd gereed om onder alle omstandigheden te reageren.
De bestuurder moet altijd con- trole houden over de auto.
De Stop and Go adaptieve snel-heidsregelaar kan geen nood-stop activeren en heeft slechts een beperkte remcapaciteit.

Geen detectie van vaste obstakels en kleine objecten
Wat niet door het systeem wordt ge- detecteerd:
- voetgangers, fietsers, scooters, enz.;
- dieren; - vaste obstakels (tolpoorten, muren, enz.). (voorbeeld ).
Deze worden niet herkend door het systeem. Ze kunnen geen alarm of reactie van het systeem activeren.
Detectie van voertuigen die met hoge snelheid in de rijstrook ko- men

Als uw voertuig wordt ingehaald door een ander voertuig dat met ho- ge snelheid 19 rijdt (motor, auto, enz.) en dit voertuig komt tijdelijk tussen
uw voertuig en uw voorligger 20, kan dit leiden tot overmatig accelere- ren, vertragen of remmen.
Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Ook met deze extra rijhulp is de bestuurder altijd verplicht om zich aan de snelheidslimieten en veilige afstanden te houden en alert te blijven. De bestuurder moet altijd controle houden over de auto.
Naast de snelheidsborden en wegenkaartinformatie van de kaarten (bij voertuigen uitgerust met de functie "Detectie van verkeersborden"), wordt er geen rekening gehouden met andere verkeersinformatie (verkeerslichten, zebrapaden enz.). De bestuurder moet altijd zijn snelheid aanpassen aan de omgeving en aan de verkeersomstandigheden, ongeacht de aanwijzingen van het systeem.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensor of een antibotsingssysteem.
Gebruik de functie adaptieve snelheidsregelaar Stop and Go buiten de bebouwde kom, op brede wegen met zichtbare lijnen.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing wordt de uitlijning van de radar en/of camera mogelijk gewijzigd, wat gevolgen kan hebben voor de correcte werking ervan. Schakel het systeem uit en neem contact op met een merkdealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de radar en/of camera (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de voorruit, lakwerk, enz.) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- de auto wordt gesleept (bij pech);
- de auto een aanhangwagen of caravan trekt;
- de auto rijdt in een tunnel of in de buurt van een metalen structuur;
- de auto bij een tolwegpoort, een gebied met wegwerkzaamheden of in een smalle rijstrook komt;
- de auto rijdt op een zeer bochtige weg (bergweg enz.);
- de auto een zeer steile helling op- of afrijdt;
- het zicht is slecht (verblindend zonlicht, mist enz.);
- de auto rijdt op een glad wegdek (regen, sneeuw, grind, enz.);
- de weersomstandigheden zijn slecht (regen, sneeuw, zijwind, enz.);
- de radarzone is beschadigd (schokken, inslagen enz.).
- de camerazone is beschadigd (bijv. de binnen- of buitenkant van de voorruit);
- de voorruit is gebarsten of vervormd.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem storen of de correcte werking ervan verhinderen, zoals:
- de voorruit of de bumper is bedekt in de radarzone (door vuil, ijs, sneeuw, beslaan, kentekenplaatverlich-
ting enz.);
- een complexe omgeving (tunnel enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, hagel, ijzel, enz.);
- slechtzicht (nacht, mistenz.);
- verblinding (felle zon, lichten van tegemoetkomende auto's enz.);
- een smalle, bochtige of heuvelige weg (scherpe bochten enz.);
- een auto met zeer verschillende snelheid;
- gebruik van matten die niet geschikt zijn voor de auto. Gebruik aan de bestuurderskant matten die geschikt zijn voor de auto en zet deze vast aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen.
In dat geval kan het systeem onbedoeld remmen of versnellen.
Onvoorziene situaties kunnen gevolgen hebben voor de werking van het systeem. Bepaalde objecten of auto's die in de herkenningszone van de camera of de radar verschijnen, kunnen verkeerd worden geïnterpreteerd door het systeem. Dit kan leiden tot onterecht versnellen of vertragen.
U moet altijd uitkijken voor plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen. Houd altijd de auto onder controle door uw voeten vlakbij de pedalen te houden, zodat u voorbereid bent op elke situatie.
PARKEERHULP
Achteruitrijcamera
Werkzaamheden

Wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld, geeft de camera 1 aan de achterkant van de auto een beeld van de omgeving achter de auto op het multimediascherm 2, samen met drie geleidelijnen 3, 4 of 5 (vast, bewegend en geleidelijnen aanhanger).
Dit systeem gebruikt verschillende geleidelijnen: bewegend voor de verplaatsingsrichting en vast voor de afstand. Als de rode zone bereikt is, gebruikt u de afbeelding van de bumper om nauwkeurig te stoppen.

Vaste geleidelijnen 3
De vaste richtlijn bestaat uit gekleurde markeringen A, B en C die de afstand achter de auto aangeven:
- A (rood) op ongeveer 30 centimeter van de auto;
- B (geel) op ongeveer 70 centimeter van de auto;
- C (groen) op ongeveer 150 centimeter van de auto.
De tekening blijft staan en geeft de verplaatsingsrichting van de auto aan als de wielen in lijn zijn met de auto.
Bewegende geleidelijnen 4
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 2. Dit duidt de verplaatsingsrichting van de au-
to aan, volgens de stand van het stuurwiel.

Aanhanger geleidelijnen 5
Deze wordt in het blauw getoond op het multimediascherm 2. Deze geeft de verplaatsingsrichting van de dis- sel van de aanhanger aan afhankel- lijk van de stand van het stuurwiel. Hiermee kan de bestuurder de trek- haak zo dicht mogelijk bij de trekkop van de aanhanger plaatsen.
Als een aanhangwagen is aangesloten, drukt u in een vooruitversnelling op het menu "Camera" in de modus "Voertuig" op uw multimediascherm 2 om de camera 1 in staat te stellen gedurende ongeveer 30 seconden
PARKEERHULP
een beeld van de omgeving aan de achterkant te verzenden.
Instellingen

Druk op het multimediascherm 2, met de achteruitversnelling ingeschakeld, op de knop "Instellingen" om de geleidelijnen toe te voegen of te verwijderen en de instellingen van het camerabeeld aan te passen (helderheid, contrast enz.).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Zorg ervoor dat de camera niet bedekt is (vuil, modder, sneeuw, condens, enz.).
De functie "Zoom auto" function
Als er achter het voertuig een obstakel wordt gedetecteerd, schakelt de functie "Zoom auto" van de huidige weergave naar een bovenaanzicht van achteren.
Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie "Zoom auto"
Het scherm geeft een omgekeerd beeld, zoals in een spiegel.
De tekeningen zijn weergaven die op een vlakke ondergrond worden geprojecteerd. Deze informatie is niet geldig als deze wordt weergegeven op een verticaal object of een object op de grond.
De voorwerpen die op de rand van het scherm verschijnen kunnen vervormd zijn.
In geval van te veel licht (sneeuw, auto in de zon, enz.) kan het zicht van de camera gestoord zijn.
Als de bagageklep geopend of niet goed gesloten is, verschijnt de melding "Achterklep open".
Storingen
Als de achteruitversnelling is ingeschakeld en het systeem een bedieningsfout detecteert, wordt het multimediascherm 2 tijdelijk zwart.
Dit kan komen door een storing die van invloed is op de camera of het scherm (helderheid, vast beeld, vertraagde communicatie, enz.).
PARKEERHULP
Als de tijdelijke weergave van het zwarte scherm aanhoudt, neem dan contact op met een erkende dealer.

Deze functie is een (extra) hulpmiddel. De bestuurder moet altijd opletten en blijft verantijk.
De bestuurder moet altijd be- dacht zijn op plotselinge ge- beurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren al- tijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstak- els (zoals een kind, dier, kinder- wagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.
Het verschil tussen de geschatte afstand en de werkelijke afstand
Achteruit een steile helling oprijden

De vaste richtlijnen 6 tonen de afstanden dichterbij dan ze werkelijk zijn.
De voorwerpen die op het scherm worden getoond, zijn in werkelijkheid verder weg op de helling.
Als er op het scherm bijvoorbeeld een voorwerp op D wordt weergegeven is de werkelijk afstand E van het voorwerp.
Achteruit een steile helling afrijden

De vaste richtlijnen 6 tonen de afstanden verder weg dan ze werkelijk zijn.
Daarom zijn de voorwerpen die op het scherm worden getoond in werkelijkheid dichterbij op de helling.
Als er op het scherm bijvoorbeeld een voorwerp op G wordt weergegeven is de werkelijk afstand F van het voorwerp.
PARKEERHULP
Achteruitrijden richting een uitsteeksel

Positie H lijkt verder weg dan de positie J op het scherm. Maar positie H is op dezelfde afstand als positie K.
De verplaatsingsrichting die wordt aangegeven door de vaste en mobiele richtlijnen houden geen rekening met de hoogte van het voorwerp. Het risico bestaat ook dat de auto tegen het voorwerp botst als deze er in zijn achteruit naartoe K rijdt.
Parkeerhulp
Introductie

Ultrasone sensoren, zoals aangegeven met pijlen 1, zijn in de bumpers gemonteerd om obstakels in de buurt van de auto te detecteren.
De functie waarschuwt de bestuurder via geluidssignalen en een display dat het gebied aangeeft waar het obstakel werd gedetecteerd.
Afhankelijk van de apparatuur detecteert het systeem obstakels voor, achter en aan de zijkanten van de auto.
Het systeem van de parkeerhulp wordt pas ingeschakeld als de auto
langzamer dan ongeveer 10 km/uur rijdt.
Het systeem houdt geen rekening met sleep- of draagsystemen die niet door het systeem worden herkend.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie kan nooit de oplettendheid en verant- woordelijkheid van de bestuur- der vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd be- dacht zijn op plotselinge ge- beurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren al- tijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstak- els (zoals een kind, dier, kinder- wagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.
PARKEERHULP

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegen-aan rijden (bijvoor-
beeld contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
Locatie van de ultrasoonsenso- ren 1
Zorg ervoor dat de omgeving rond de ultrasone sensoren, aangeduid door de pijlen 1, niet worden afgedekt (door vuil, modder, sneeuw, een slecht gemonteerde kentekenplaat enz.), geraakt, aangepast (inclusief lakwerk) of belemmerd door een accessoire aan de voorkant of (afhankelijk van de auto) de achterkant of zijkanten van uw voertuig.
Werkzaamheden

Door het display 2 wordt de omgeving van de auto weergeven en worden geluidssignalen gegeven.
Afhankelijk van de apparatuur kan het nodig zijn om enkele meters af te leggen voordat de zijdetectie wordt geactiveerd.
Als alle zones een grijze achtergrond hebben, wordt de volledige omtrek van de auto bewaakt:
- displayA: de omgeving rondom de auto wordt geanalyseerd;
- displayB: de omgeving rond de auto is geanalyseerd.
Waarneming van obstakels

Het systeem is in staat om de meeste objecten aan de achterkant te detecteren en, afhankelijk van de uitrusting, aan de voor- en zijkanten van de auto.
De frequentie van het geluidssignaal neemt toe naarmate de auto een obstakel nadert, totdat het een ononderbroken pieptoon wordt als de auto zich op ongeveer 20 cm van een obstakel bevindt dat aan de zijkanten wordt gedetecteerd en ongeveer 30 cm voor een obstakel dat aan de voor- of achterkant wordt gedetecteerd.
Het gebied waar het obstakel is ge- detecteerd, wordt weergegeven
PARKEERHULP
(display C). Afhankelijk van de auto wordt het gebied groen, oranje (of geel, afhankelijk van de auto) of rood weergegeven, ook afhankelijk van de nabijheid van het gedetecteerde obstakel.

Opmerking: als de rijrichting verandert tijdens een manoeuvre, wordt het risie een botsing met een ob- l mogelijk te laat gesigna-
Speciaal geval van obstakels ge-
detecteerd aan de zijkant

Het systeem bepaalt de rijrichting aan de hand van de richting van de wielen en waarschuwt u voor het risico op botsing met een obstakel 3 aan de zijkant van de auto.
Als er een obstakel wordt gedetec- teerd naast de auto:
- weerklinkt er bij het risico op een botsing een geluidssignaal met een steeds hogere frequentie naarge-lang u het obstakel nadert, tot het geluidssignaal continu weerklinkt. Het gebied waar het obstakel 3 is gedetecteerd, wordt weergegeven (display D).
- als er geen risico op een botsing bestaat, wordt er geen signaal afgegeven wanneer u het obstakel nadert. Afhankelijk van de auto wordt het gebied waar het obstakel 3 is gedetecteerd afgewisseld weergegeven.

Opmerking: als de rijrichting verandert tijdens een manoeuvre, wordt het risie een botsing met een ob- l mogelijk te laat gesigna-
In-/uitschakelen via het multi-mediascherm 4

Druk vanaf de wereld "Voertuig" op het multimediascherm 4 op het menu "Rijondersteuning" en druk vervolgens op het tabblad "Parkeren".
Activeer of deactiveer zones die door de ultrasone detectoren worden bestreken.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Opmerking: afhankelijk van de auto kan de detectiezone achter niet worden gedeactiveerd.
PARKEERHULP
Automatisch uitschakelen van de parkeerhulp
Het systeem schakelt uit:
- als de auto sneller rijdt dan ongeveer 10 km/u;
- afhankelijk van het voertuig, als het voertuig langer dan ongeveer vijf seconden stilstaat en er een obstakel is gedetecteerd (bijvoorbeeld in een file, enz.);
- in de stand N;
- wanneer een bedieningsfout wordt gedetecteerd.
Opmerking: afhankelijk van de auto, als deze is uitgerust met een trek-haak die door het systeem wordt herkend, wordt alleen de parkeer-hulp achter uitgeschakeld.
Instellingen

Voer deze aanpassingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Telkens wanneer de auto wordt gestart, wordt de activeringsstatus herdie is opgeslagen toen de r werd uitgeschakeld.
Instellingen op het multimedia-scherm 4

Druk bij stilstaand voertuig vanuit de wereld "Voertuig" op het multimediascherm 4 op het menu "Rijondersteuning" en druk vervolgens op het tabblad "Parkeren".
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Het geluid van het systeem uitschakelen
(afhankelijk van de auto)
Schakel het geluid van de parkeer- hulp in of uit.
Opmerking: als u het geluid dempt, wordt u bij het naderen van een obstakel alleen gewaarschuwd door het display.
Geluidsvolume van de parkeer- hulp
Pas het volume van de parkeerhulp aan met behulp van de volumebalk.

Telkens wanneer de auto wordt gestart, blijft de functie in de modus die is slagen toen de motor voor atst werd uitgeschakeld.
Bijzondere gevallen
U kunt geluidswaarschuwingen of, afhankelijk van de auto, de betreffende detectiezone handmatig de-activeren in het geval dat:
- er vóór de ultrasone sensoren een trekhaak of een aanhanger- of laadsysteem zit dat niet door het systeem wordt herkend;
PARKEERHULP
- de ultrasone sensoren zijn beschadigd.
Opmerking: zelfs als het geluid is gedempt, blijven de displays u waar-schuwen.
Storingen
Wanneer het systeem een storing detecteert:
- er klinkt elke keer bij het inschakelen van de achteruitversnelling ongeveer drie seconden lang een piegeluid en verschijnt het bericht
"Controleer parkeersensoren" op het instrumentenpaneel; - of het systeem maakt geen geluid (tenzij opzettelijk uitgeschakeld) of er is geen display wanneer de achteruitversnelling is ingeschakeld.
Controleer of de ultrasone sensoren schoon zijn. Als de storing aanhoudt, raadpleeg dan een merkdealer.

Als de auto rijdt met een snelheid van minder dan ongeveer 10 km/u, kunnen sommige geluidsbronnen (motorfiets, vrachtwagen, drilboor, enz.) de geluidssignalen van de parkeerhulp opwekken.

Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- In geval van een botsing kan de uitlijning van de ultrasoonsensoren mogelijk worden gewijzigd, waardoor deze wellicht niet meer naar behoren werken. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de ultrasoonsensoren (reparaties, vervangingen enz.) moeten worden uitgevoerd door een vakman.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- slechte weersomstandigheden (regen, sneeuw, hagel, ijzel, enz.);
- sommige soorten geluid (motorfiets, vrachtwagen, pneumatische boormachine enz.).
- montage van een niet-compatibele trekhaak of haak.
Risico van vals alarm of afwezigheid van waarschuwingen
Als het systeem zich abnormaal gedraagt, neem dan contact op met een erkende dealer.
PARKEERHULP

Beperkingen voor de wer- king van het systeem
- De zones van de ultrasoonsensoren moeten schoon blijven en mogen niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
- Kleine voorwerpen die dichtbij de auto bewegen (motoren, fietsen, voetgangers, enz.) worden mogelijk niet door het systeem herkend.
- Het systeem detecteert mogelijk geen obstakels die zich te dicht bij het voertuig bevinden.
- Het systeem geeft wellicht geen waarschuwing als de andere auto's of obstakels een snelheid hebben die aanzienlijk verschilt van de uwe.
- Tijdens een koerswijziging tijdens een manoeuvre kan het systeem obstakels met vertraging melden.
Handsfree parkeren
Introductie

Ultrasoon sensoren, zoals aangegeven met de pijlen 1, die in de bumpers van de auto zijn gemonteerd, helpen een toegankelijke parkeerplaats te vinden en ondersteunen bij de parkeermanoeuvre.
Haal uw handen van het stuurwiel, u bedient alleen:
- het gaspedaal;
- het rempedaal;
U kunt op elk moment de controle opnieuw overnemen door aan het stuurwiel te draaien.
Opmerking: de functie detecteert geen vrije plaatsen overeenkomstig de parkeerlijnen op de grond. Hij detecteert en stelt beschikbare parkeerplaatsen voor wanneer deze zich tussen of in de buurt van andere voertuigen, gebouwen of grote objecten bevinden.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie kan nooit de oplettendheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd be- dacht zijn op plotselinge ge- beurtenissen tijdens het rijden: let dus bij het manoeuvreren al- tijd op uw blinde hoek en kijk of daar geen kleine, smalle obstakels (zoals een kind, dier, kinder- wagen, fiets, steen, paaltje, enz.) zijn.
PARKEERHULP

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegen-aan rijden (bijvoor-
beeld contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor beschadigd raken (bijvoorbeeld vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merkdealer laten controleren.
Locatie van de ultrasoonsenso- ren 1
Zorg ervoor dat de omgeving rond de ultrasone sensoren, aangeduid door de pijlen 1, niet worden afgedekt (door vuil, modder, sneeuw, een slecht gemonteerde kentekenplaat enz.), geraakt, aangepast (inclusief lakwerk) of belemmerd door een accessoire aan de voorkant of (afhankelijk van de auto) de achterkant of zijkanten van uw voertuig.
Inschakelen

Als de auto stilstaat of minder dan ongeveer 30 km/u rijdt, zijn er ver-
schillende manieren om toegang te krijgen tot de functie:
- ga op het multimediascherm 3 naar de wereld "Voertuig" 2 en druk op het menu "Rijondersteuning" en vervolgens op het tabblad "Parke-ren" om toegang te krijgen tot het menu Parkeerhulpmiddelen;
- via de widget "Handsfree parkeer-hulp" (indien eerder geconfigureerd);
- via de knop "Favorieten" op het stuurwiel (indien vooraf geconfigureerd).
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Keuze van het manoeuvre
Het systeem kan vier drie soorten manoeuvre uitvoeren:
- het parkeren van het voertuig op een parallelle of loodrechte parkeerplaats;
- de parallel geparkeerde auto weer uitrijden.
Selecteer in het multimediascherm 3de manoeuvre dat u wilt uitvoeren.
Opmerking: bij het starten van de auto of na een geslaagde fileparkeermanoeuvre met behulp van het systeem, stelt het systeem stan-
PARKEERHULP
daard het manoeuvre om uit te rijden voor.
In andere gevallen kan het standaardmanoeuvre worden ingesteld in het multimediascherm 3.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Het systeem start op. De parkeerhulp, en (bij auto's die hiermee zijn uitgerust)
de achteruitrijcamera wordt ingeschakeld zodat de bestuurder het manoeuvres → 254 en
→ 251 beter kan visualiseren.
Werkzaamheden

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie kan daarom tijdens manoeuvres in geen enkele omstandigheid plaatsvervangend zijn voor de waakzaamheid en de verantwoordelijkheid van de bestuurder (de bestuurder moet te allen tijde bereid zijn om te remmen).

Tijdens het manoeuvreren kan het stuurwiel snel draaien; steek uw handen niet door de
spaken en let erop dat er niets in vast komt te zitten.

Volg bij het parkeren de instructies op het multi-mediascherm. Een vertraging in de toepassing of het niet naleven van de instructies kan leiden tot het annuleren van de manoeuvre of tot suboptimaal parkeren.
Het parkeren van het voertuig op een parallelle of loodrechte par-keerplaats
Zolang de auto minder dan ongeveer 30 km/u rijdt, zoekt het systeem naar beschikbare parkeerplaatsen aan beide zijden van de auto.
Wanneer een plaats is gevonden, verschijnt deze op het multimedia-scherm 3, aangeduid met de letter "P". Rijd langzaam totdat het bericht "STOP" verschijnt en een pieptoon klinkt. Als er aan weerszijden van de auto meerdere plaatsen worden gedetecteerd, moet u de gewenste ruimte selecteren door de richting-aanwijzer te activeren. Als de plaatsen zich aan dezelfde kant van het voertuig bevinden, wordt alleen rekening gehouden met de laatste ruimte die door het systeem is gedetecteerd.
PARKEERHULP
De spatie wordt grijs op het multimediascherm 3 en wordt aangeduid met het teken "P".
- Stop de auto;
- schakel de achteruitversnelling in.
Het controlelampje

weergegeven op het instrumentenpaneel in combinatie met een geluidssignaal.
- Laat het stuur los;
- volg de instructies op het multimediascherm 3.
U mag niet sneller dan ongeveer 7 km/u rijden.
Als het controlelampje

dwijnt en u een piepsignaal hoort, is het manoeuvre voltooid.
De parallel geparkeerde auto weer uitrijden.
- Activeer de functie "Handsfree parkeerhulp";
- selecteer de modus "Uitrijden".
- activeer de richtingaanwijzers aan de kant waarop u de auto wilt verla- ten;
Als aan alle voorwaarden is voldaan, verschijnt er een bericht op het multimediascherm 3 om de manoeuvre te starten.
- Druk op "OK" om te starten.
262 - Rijden
het waarschuwingslampje verschijnt op het instrumentenpaneel en er klinkt een geluidssignaal.
- Laat het stuur los;
- voorwaartse en achterwaartse manoeuvres uit te voeren volgens de instructies op het multimedia-scherm 3 en met behulp van de waarschuwingen van de parkeer-hulp.
U mag niet sneller dan ongeveer 7 km/u rijden.
Zodra de auto zich in een positie bevindt om de parkeerplaats te verla- ten, gaat het waarschuwingslampje

op het instrumentenpaneel uit, klinkt er een pieptoon en verschijnt er een bericht op het multi-mediascherm 3 om te bevestigen dat het manoeuvre voltooid is.
Het manoeuvre onderbreken/hervatten
Het manoeuvre wordt in de volgen- de gevallen uitgeschakeld:
- een obstakel op de route maakt het onmogelijk om het manoeuvre af te maken;
- een passagiersportier of de achterklep wordt geopend.


Het waarschuwingslampje verdwijnt en er klinkt een pieptoon om u te melden dat de manoeuvre is onderbroken. Het bericht The "Parkeermanoeuvre uitgesteld" en de reden voor de onderbreking van de manoeuvre worden weergegeven op het multimediascherm 3.
Zorg ervoor dat:
- u moet het stuur loslaten;
en - alle deuren en de achterklep gesloten zijn;
en - er zich geen obstakels op de route bevinden;
en - de motor gestart is.
Als het waarschuwingslampje

knippert, is het systeem opnieuw beschikbaar om de manoeuvre te hervatten.
Om de manoeuvre te hervatten, drukt u op het menu "Parkeerhulp".
Het controlelampje en chijnt op het instrumentenpaneel.
Volg de instructies die op het multi-mediascherm 3 worden weergegeven.
PARKEERHULP
Het manoeuvre annuleren
Het manoeuvre wordt in de volgen- de gevallen geannuleerd:
- u neemt het stuur vast;
- de auto staat te lang stil;
- de parkeerrem is ingeschakeld;
- de auto rijdt sneller dan ongeveer 7 km/u;
- de wielen van de auto zijn geslipt;
- op de start/stop-knop van de motor wordt gedrukt;
- via het multimediascherm 3;
- De instructies op het multimedia-scherm worden niet opgevolgd;
- de bestuurdersgordel niet is vast-gemaakt;
- Het bestuurdersportier wordt geopend;
- u hebt meer dan tien bewegingen vooruit/achteruit uitgevoerd tijdens één manoeuvre;
- als de sensoren van de parkeer-hulp vuil zijn of afgedekt zijn.
Het waarschuwingslampje

verdwijnt en er klinkt een pieptoon om u te melden dat de manoeuvre is afgebroken. Het bericht The "Parkeermanoeuvre geannuleerd" en de reden voor de annulering van het manoeuvre worden weergegeven op het multimediascherm 3.
Functie niet beschikbaar
Wanneer u een van de methoden voor systeemactivering selecteert en niet aan de werkingsvoorwaarden is voldaan, wordt de melding "Handsfree parkeren niet beschikbaar" weergegeven op het instrumentenpaneel om u te informeren dat de functie niet beschikbaar is.
Storingen
Als de functie een storing signaleert, verschijnen de volgende meldingen op het instrumentenpaneel:
- "Park Assist controleren" samen met het waarschuwingslampje

of
- « Controleer parkeersensoren »; of
Reinig de ultrasoonsensoren. Als het probleem aanhoudt, moet u een erkende dealer raadplegen.
Opmerking: als er een storing is in de functie, wordt de auto niet stopgezet.
Neem onmiddellijk controle over de auto.
PARKEERHULP
Waarschuwingen

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen; deze moet altijd de controle over zijn auto behouden. Zorg ervoor dat tijdens het manoeuvre de verkeersregels worden gevolgd die gelden in het land waarin u zich bevindt.
De bestuurder moet altijd op zijn/haar hoede zijn voor plotselinge gebeurtenissen tijdens het rijden: let er altijd op dat er zich bij het manoeuvreren geen kleine, smalle bewegende obstakels in de blinde hoek bevinden, zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets, kei, paaltje, trekhaak, enz.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Bij een botsing kan de werking van de sensoren worden verstoord. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de sensoren (reparaties, vervangingen, aanpassingen aan de buitenbekleding, enz.) moeten door een vakman/vakvrouw worden uitgevoerd.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
Storingen van het systeem
Bepaalde condities kunnen de werking van het systeem verstoren of belemmeren, zoals slechte weersomstandigheden (sneeuw, hagel, ijs, enz.).
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.
Risico van onjuiste vals alarm.
Beperkingen van de werking van het systeem
- Het systeem kan geen voorwerpen detecteren in de dode hoeken van de sensoren.
- Controleer altijd voor en tijdens het hele manoeuvre of de parkeerplaats die wordt voorgesteld door het systeem, werkelijk beschikbaar is en vrij van obstakels.
- Het systeem mag niet worden gebruikt bij het trekken van een aanhangwagen of als een aanhanger- of laadsysteem aan de auto of omringende auto's is gemonteerd.
PARKEERHULP
Uitparkeerwaarschuwing
Introductie

Op basis van de informatie van de radars aan elke kant van de achterbumper (zone A), waarschuwt het systeem de bestuurder als er een andere auto in de detectiezone B verschijnt.
De functie wordt ingeschakeld als:
- de achteruitversnelling is ingeschakeld;
en
- De auto staat stil of rijdt met lage snelheid.

De detectiecapaciteit van het systeem hangt af van de omgeving rond de auto (objecten, enz.) en de van de bumper enz.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waak-
zaamheid en verantwoordelijk- heid van de bestuurder vervan- gen; deze moet altijd de contro- le over zijn auto behouden.
Bijzonderheid

Zorg ervoor dat de radarzone A niet bedekt is (stickers, modder, sneeuw enz.).
Als een radar bedekt is, verschijnt het bericht "Zijsensoren geen zicht"
PARKEERHULP
op het instrumentenpaneel. Reinig het gebied waar de sensoren zich bevinden.
In-/uitschakelen via het multi-mediascherm 1

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie. Selecteer ON of OFF.
Werkzaamheden

De functie waarschuwt u als er in de zone B een auto is die uw auto nadert.
Wanneer een voertuig wordt gedetecteerd, lichten de waarschuwingslampjes 2 op beide buitenspiegels 3 op.
Opmerking: maak de buitenspiegels 3 regelmatig schoon zodat de waarschuwingslampjes 2 zichtbaar blijven.

De waarschuwingslampjes 4 op het multimediascherm geven aan aan welke kant de naderende auto is gedetecteerd.
Opmerking: reinig de camera regel- matig zodat deze goed zicht heeft. Waarschuwingslichten 2 en 4 gaan vergezeld van een pieptoon wan- neer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en uw voertuig in be- weging is.
Storingen
Als de auto is uitgerust met een door het systeem herkende trekhaak en er is een aanhanger bevestigd, dan wordt de uitparkeerwaarschuwing automatisch gedeactiveerd en ver-
PARKEERHULP
schijnt de volgende melding op het instrumentenpaneel "Rijhulpsystemen niet beschikbaar".
Wanneer het systeem een fout opmerkt, verschijnt de melding "Controleer zijsensoren" op het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Vanwege de sensoren achter de bumper is het raadzaam om werkzaamheden aan de bumper (reparatie, vervangen, lakwerk, enz.) te laten uitvoeren door een vakman.

Beperkingen voor de werking van het systeem
- De radarzone moet schoon blijven en mag niet worden gewijzigd, om de goede werking van het systeem te waarborgen.
- Kleine objecten(motoren, fietsen, voetgangers, enz.) die naar de auto toe komen, worden mogelijk niet herkend.
Uitschakelen van de functie
Schakel de functie uit indien:
- de radarzone is beschadigd (achterbumper);
- De auto is uitgerust met een trekhaak die niet door het systeem wordt herkend.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie kan in geen geval de waakzaamheid en verantwoordelijk- heid van de bestuurder vervan- gen; deze moet altijd de contro- le over zijn auto behouden.
Het systeem mag in geen geval worden vergeleken met een hindernissensor of een antibotsingssysteem.
Werkzaamheden/reparaties van het systeem
- Een botsing kan de positie (en dus de werking) van de radars verstoren. Schakel de functie uit en neem contact op met een erkende dealer.
- Alle werkzaamheden in de buurt van de radars (reparatie, vervanging, lakwerk, enz.) moeten door een vakman worden uitgevoerd.
Enkel een erkende dealer mag aan het systeem werken.
PARKEERHULP

Storingen van het sys- teem
Bepaalde omstandigheden kunnen het sys-
teem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, bijvoorbeeld:
- een complexe omgeving (ondergrondse parkeergarage, metaalstructuur enz.);
- slechte weersomstandigheden (sneeuw, zware regen, ha-gel, ijzel, enz.).
Uitschakelen van de functie
U moet de functie deactiveren als de auto wordt gesleept (pechhulp) of als de auto is uitgerust met een trekhaak die niet door het systeem wordt herkend.
Als het systeem abnormaal werkt, schakelt u dit uit en neemt u contact op met een erkende dealer.
Veilig uitstappen voor passagier
Beschrijving

Deze functie is een extra rijhulpmiddel voor de veiligheid van de inzit-tenden van het voertuig.
Het doel van de functie "veilig uitstappen voor passagier" is de bestuurder en/of passagiers te waarschuwen voor mogelijk gevaar als ze de portieren openen als het voertuig stilstaat.

Op basis van de informatie van de sensoren aan elke kant van de achterbumper (zone C), wordt de bestuurder gewaarschuwd:
- wanneer een ander voertuig (of motorfiets, fiets, voetganger, enz.) zich binnen detectiezone A bevindt; en
- als er een risico bestaat op een aanrijding met een voertuig (of motor, fiets, voetganger enz.) in de zone B.
PARKEERHULP
Bijzonderheid

Let op dat de zone C rondom de radars aan elke kant van de achterbumper niet zijn bedekt (door vuil, modder, sneeuw enz.).
Als een radar bedekt is, verschijnt het bericht "Zijsensoren geen zicht" op het instrumentenpaneel. Reinig het gebied waar de sensoren zich bevinden.
Schakel de functie uit indien:
- de radarzone is beschadigd (achterbumper);
- De auto is uitgerust met een trek-haak die niet door het systeem wordt herkend.
Werkzaamheden

Als een portier wordt geopend en een bewegend object wordt gedetecteerd, wordt het waarschuwingslampje 1 weergegeven op de buiten-spiegel 2 en, afhankelijk van de auto, gaat de omgevingsverlichting op het voorportier branden.
Opmerking: maak de buitenspiegels 2 regelmatig schoon zodat het waarschuwingslampje 1 zichtbaar blijft.

Wanneer het gedetecteerde object heel dichtbij is, klinkt er een pieptoon, samen met het waarschuwingsbericht 3 "Zijdel. obstakel gedecteerd" op het instrumentenpaneel.
Opmerking: het systeem blijft enige tijd actief nadat het contact is uitgeschakeld.
PARKEERHULP
De functie in-/uitschakelen via het multimediascherm 4

Zie de multimedia-instructies voor het in-/uitschakelen van de functie.

Wanneer de auto wordt ontgrendeld, keert de functie terug naar de
laatst opgeslagen status op het multimediascherm.
Omstandigheden waarin de do- dehoekwaarschuwing niet werkt
- De auto rijdt en staat niet volledig stil;
- de auto is van buitenaf vergren- deld;
- er zijn bewegende objecten (moto- ren, fietsen, voetgangers, voertui- gen, enz.) naar of in de buurt van uw auto met een lage snelheid die door het systeem niet als een risico wor- den beschouwd;
- het bereik van de sensoren in de achterbumper wordt bedekt door objecten, zoals andere bijzonder breed geparkeerde voertuigen die zeer dicht bij uw auto geparkeerd staan.
Als de auto is uitgerust met een trek-haak die door het systeem wordt herkend, wordt het bericht "Rijhulp-systemen niet beschikbaar" op het instrumentenpaneel weergegeven. Hiermee wordt u geïnformeerd dat de functie niet operationeel is.
Raadpleeg uw erkende dealer voor het kiezen van de uitrusting die aangepast is aan uw auto.
Storingen
Wanneer het systeem een fout opmerkt, verschijnt de melding "Controleer zijsensoren" op het instrumentenpaneel. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.

Deze functie detec- teert mogelijk bepaal- de auto's of bewegen- de objecten in de buurt
van uw auto niet. Deze functie vervangt op geen enkele manier de waakzaamheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder en de inzittenden van het voertuig, die altijd verantwoordelijk zijn om bijzondere aandacht te besteden aan de verkeerssituatie en het gebied te controleren voordat ze de auto verlaten.
Storingen van het systeem
Bepaalde omstandigheden (complexe omgeving, slechte weersomstandigheden, enz.) kunnen het systeem verstoren of de correcte werking ervan verhinderen, met het risico op valse alarmen.
NOODOPROEP
Introductie
Als de auto hiermee is uitgerust, worden de hulpdiensten via de noodoproepfunctie automatisch of handmatig verwittigd (kosteloos) bij een ongeval of als u onwel wordt, zodat ze zo snel mogelijk kunnen komen.
Opmerking: de noodoproepfunctie werkt:
- in landen waar 2G- en 3G-telecommunicatie-infrastructuur aanwezig is en bijbehorende telematica-nood-hulpdiensten compatibel zijn met het systeem;
- afhankelijk van de netwerkdekking in de geografische regio waar de auto wordt bestuurd.
Als u de functie voor noodoproep gebruikt om te melden dat u een ongeval hebt gezien, houdt dit in dat u stopt zodra de verkeersomstandigheden dit toestaan, zodat de hulpdiensten uw auto kunnen vinden en daarmee de locatie van het gemelde ongeval.
Houd u altijd aan de ter plaatse geldende wetgeving.
Gebruik de noodoproep alleen in een noodgeval, als u betrokken bent bij een ongeval of als u getuige bent van een ongeval of in fysieke nood bent.

-
Waarschuwingslampje werking systeem:
-
groen: operationeel (bijv. systeem en netwerk beschikbaar);
- uit: niet-operationeel (bijv. netwerk niet beschikbaar...);
- rood: storing;
- groen knipperend: verbinding actief.
- "SOS"-knop.
- Microfoon.
- Luidspreker (afhankelijk van de auto).

Een oproep verloopt altijd als volgt:
- de noodoproep wordt gestart; - gegevens met betrekking tot het incident (plaatje van de fabrikant, tijdstip van de oproep, laatste locaties, richting van de auto, enz.) worden verzonden;
- er is spraakcommunicatie met de hulpdiensten;
- indien nodig wordt een hulpdienst gebeld.
Er zijn twee modi voor de noodop-roep:
NOODOPROEP
Wanneer het systeem operationeel is, wordt de automatische modus geactiveerd.
De noodoproep wordt automatisch gedaan als de beschermende uitrusting (gordelspanners, airbag, enz.) werd geactiveerd vanwege een ongeval.

In geval van een ongeluk blijft u, als de plaats en het verkeer dit toestaan, dicht bij de auto om eventuele oproepen van het callcenter snel te kunnen be- antwoorden.
Handmatige modus
De noodoproep kan als volgt worden gestart:
- de knop2 minstens drie seconden ingedrukt houden;
of
- de knop2 binnen 10 seconden vijf keer in te drukken.
Als de knop per ongeluk is ingedrukt, kunt u het gesprek annuleren door de knop 2 ongeveer twee seconden ingedrukt te houden voordat de verbinding met het callcenter tot stand komt.
Zodra de oproep is ingesteld, kan alleen het callcenter deze beëindigen.
Storingen
In sommige gevallen werkt de nood- oproep niet (bijvoorbeeld bij een zwakke accu enz).
Wanneer het systeem een bedrijfsfout detecteert, verschijnt het waarschuwingslampje 1 gedurende meer dan 30 minuten rood. Raadpleeg zo snel mogelijk een erkende dealer.

Het systeem werkt met een speciale accu. De accu gaat ongeveer vier jaar mee (het waarschuwingslampje 1 wordt rood om u te waarschuwen).
Ga naar een merkdealer.
NOODOPROEP

Zonder de functie nood- oproep is het systeem niet te volgen en zal niet constant worden bewaakt. Gegevens worden voortdurend en automatisch gewist en het systeem slaat alleen de laatste drie locaties van de auto op.
Op grond van de nationale wetgeving worden gegevens alleen verzonden in geval van een noodoproep. Gegevens die worden verzonden naar het callcenter worden behandeld overeenkomstig de privacywetgeving die van toepassing is in het land waarin u zich bevindt. Het systeem slaat de activiteiten-geschiedenis maar voor 13 uur op.
De eigenaar van de auto heeft het recht zijn gegevens in te zien. Hij heeft het recht de gegevens te laten corrigeren, verwijderen of blokkeren.

Voor uw veiligheid en een goede werking van het systeem, moeten alle werkzaamheden aan de accu (uitbouwen, los-koppelen enz.) worden uitgevoerd door een gespecialiseerd vakman.
Risico op brandwonden door elektrische schokken.
Houd u aan de vervangingsintervallen in het onderhoudsboekje. U mag deze niet overschrijden.
De accu is van een speciaal type. Zorg dat deze wordt vervangen door een van hetzelfde type.
Roep de hulp in van een merk-dealer.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Ventilatieroosters: ventilatieroosters
Luchtuitgangen:

- Ventilatieroosters bestuurderskant.
- Ventilatierooster voorruit.
- Ventilatierooster van zijruit.
- Ventilatieroosters passagierskant.
- Verwarmingsroosters bij de voetenruimtes voor.
- Centrale ventilatieroosters
- Bedieningspaneel
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Ventilatierooster bestuurderskant 1

Om de luchtstroom te richten, draait u het ventilatierooster 1 met behulp van het lipje 8.
Sluiten: schuif het lipje 8 weg van het stuur en voorbij het weerstandspunt.
Openen: beweeg het lipje 8 naar het stuur toe.
Ventilatierooster passagiers- kant 4

Richting
Om de luchtstroom te richten, draait u het ventilatierooster 4 met behulp van het lipje 9.
Sluiten: schuif het lipje 9 naar de buitenkant van het frontpaneel, voorbij het weerstandspunt.
Openen: schuif het lipje 9 naar de binnenkant van het frontpaneel.

Bevestig geen voorwerpen op de ventilatieroosters (bijv. telefoonhouder).
Risico van beschadiging.

Stop niets in het venti- latiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van beschadiging of brand.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Handbediende airconditioning
Bedieningsknoppen
75830

- Regeling van de temperatuur van de lucht.
- Functie "Helder zicht".
- Regeling van de ventilatiesnelheid
- Bediening van de airconditioning.
- Verdeling van de lucht in het interieur.
- Luchtkringloop.
- Ontdooien/ontwasemen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels.
Verdeling van de lucht in het interieur
Er zijn vijf mogelijke luchtverdelingen. Draai toets 5 om de verdelings- optie te kiezen.

De lucht wordt naar de uit- msleuven onder de voorruit en orste zijruiten gevoerd.

De lucht wordt naar de roos- an de zijruiten voorin, de ont- mingssleuven onder de voor- n naar de voetenruimtes ge- l.

De lucht wordt vooral naar de nruimtes gevoerd.

De lucht wordt naar de voe- imtes en de ventilatieopenin- n het dashboard gevoerd.

De lucht wordt hoofdzakelijk de ontwasemingsroosters in ashboard geleid.
Inen uitschakelen van de airconditioning
Het systeem werkt niet als de knop 3 in stand "OFF" staat.
Druk op knop 4 om de airconditioning uit te schakelen. Het waarschuwingslampje van de toets dooft.
Door het inschakelen van de airconditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten sneller.
Inschakelen van de luchtkring-loop (isolatie van het interieur)
De kringloopstand kan gebruikt worden:
- om het interieur af te sluiten van de buitenlucht (bijvoorbeeld als het buiten stinkt);
- Om de temperatuur in het interieur sneller te verlagen wanneer de air-conditioning is geactiveerd.
Deze functie wordt automatisch geregeld, maar u kunt ze handmatig inschakelen. In dit geval wordt de werking bevestigd door het oplichten van het indicatielampje op de knop 6.
Handmatig gebruik
Druk op knop 6 en het indicatie- lampje van de knop gaat branden.
Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan fris-
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
se lucht, kunnen gaan stinken. Om dit te voorkomen, wordt de lucht- kringloopstand na een bepaalde tijd automatisch uitgeschakeld.
Uitschakelen van het systeem
Draai de knop 3 naar "OFF" om het systeem uit te schakelen of druk op de knop 6. Draai de aan de knop 3 om het systeem te starten en de ventilatiesnelheid te regelen.
Functie "helder zicht"
Druk op knop 2 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden.
Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels snel ontdooid en ont-wasemd (afhankelijk van de auto). De functie activeert automatisch de airconditioning (afhankelijk van de auto) en de achterruitverwarming.
Druk op de toets 7 om de werking van de achterruitverwarming uit te schakelen: het ingebouwde contro-lelampje dooft.
U schakelt deze functie uit met een druk op de toets 2.
Als u de ontwasemings-/ontdooifunctie gebruikt, wordt de luchtkringloopstand uitgeschakeld.
Inen uitschakelen van de airconditioning
Normaal schakelt het systeem automatisch de airconditioning in of uit, afhankelijk van de weersomstandigheden.
Het systeem werkt niet als de knop 3 in stand "OFF" staat.
Druk op knop 4 om de airconditioning uit te schakelen. Het waarschuwingslampje van de toets dooft.
Door het inschakelen van de airconditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten sneller.
Door het gebruik van de airconditioning neemt het energieverbruik toe (gebruik de airconditioning daarom niet als het niet nodig is).
Inschakelen van de kringloop- functie
75830

Druk op knop 6: het controlelampje van de knop gaat branden. In deze stand wordt de lucht vanuit het interieur aangezogen en zonder toevoeging van buitenlucht teruggevoerd in de auto.
De kringloopstand kan gebruikt worden:
- om het interieur af te sluiten van de buitenlucht (bijvoorbeeld als het buiten stinkt);
- Om de temperatuur in het interieur sneller te verlagen wanneer de air-conditioning is geactiveerd.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Als de airconditioning niet is ingeschakeld ("A/C" indicatielampje op knop 4 staat uit), kan langdurig gebruik van recirculatielucht condensvorming op de zijruiten en de voorruit veroorzaken alsook andere problemen als gevolg van de aanwezigheid van niet gere-circuleerde lucht in het interieur. Om dit te voorkomen, wordt de luchtkringloopstand na een be-paalde tijd automatisch uitgeschakeld.
Regeling van de ventilatiesnel- heid

Verplaats de knop 3 om de hoeveelheid ingeblazen lucht aan te passen. Als u de luchttoevoer wilt stoppen, zet u de knop 3 op "OFF".
Het systeem is uitgeschakeld: de ventilatiesnelheid is nul (stilstaande auto). Als de auto rijdt, kunt u echter nog steeds een kleine luchtstroom voelen.

Door de positie stellen met de knop 5

wordt de recirculatiefunctie ge- deactiveerd om het risico van condensatie op de voorruit te voorkomen.
Regeling van de temperatuur
Draai toets 1 afhankelijk van de gewenste temperatuur. Hoe verder de aanwijzer in het rode gedeelte staat, hoe hoger de temperatuur.
Bij langdurig gebruik van de airconditioning, kan het te koud worden. Om de temperatuur te verhogen, draait u de knop 1 naar rechts.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Achterruitverwarming en -ont-waseming

druk op de knop 7. Het controle-lampje licht op.
De achterruit wordt snel ontwasemd en de elektrische buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering).
U schakelt deze functie uit door opnieuw op de toets 7 te drukken. Het controlelampje dooft.
De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
Snel ontwaseming
Zet de toetsen 5, 3 en 1 in de stand:
- wasemen.
- ventilatorsnelheid naar stand 3 of 6; - maximumtemperatuur.
Druk op de knop 6 om de luchtrecirculatie uit te schakelen (controle-lampje uit).
Automatische airconditioning
Bedieningsknoppen

- Regeling van de ventilatiesnelheid
-
Functie "Helder zicht".
-
Regeling van de temperatuur van de lucht.
-
Inschakelen van de automatische werking.
-
Bediening van de airconditioning.
- Verdeling van de lucht in het interieur.
- Luchtkringloop.
- Ontdooien/ontwasemen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels.
Automatische modus
De automatische airconditioning garandeert (met uitzondering van extreme gevallen) een temperatuur-comfort in het interieur en het helder houden van de ruiten, bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik. Het systeem regelt de ventilatiesnelheid, luchtverdeling en luchtkring-loop, en het in- of uitschakelen van de airconditioning en verwarming.
AUTO: optimaal bereiken van de ge- wenste temperatuur afhankelijk van de omstandigheden buiten de auto. druk op de knop 4.
Regeling van de ventilatiesnelheid
Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
U kunt altijd de ventilatiesnelheid verhogen of verlagen door aan knop 1 te draaien.
Regeling van de temperatuur
Draai toets 3 afhankelijk van de ge- wenste temperatuur.
Hoe verder u de knop rechtsom draait, hoe warmer het wordt.

Als u op een andere knop drukt dan AUTO, wordt de automatische modus uitnakeld.
Functie "helder zicht"
Druk op knop 2 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden.
Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels snel ontdooid en ont-wasemd (afhankelijk van de auto). De functie activeert automatisch de airconditioning (afhankelijk van de auto) en de achterruitverwarming.
Druk op de toets 8 om de werking van de achterruitverwarming uit te schakelen: het ingebouwde controlelampje dooft.
Om deze functie uit te schakelen, drukt u op knop 2 of 4.
Wijzigen van de verdeling van de lucht in het interieur

Draai de knop 6. het controlelampje in de toets waarop u hebt gedrukt, licht op.

De lucht wordt naar de uit- msleuven onder de voorruit en orste zijruiten gevoerd.

De lucht wordt naar de roos- an de zijruiten voorin, de ont- mingssleuven onder de voor- n naar de voetenruimtes ge-

De lucht wordt naar de voemtes en de ventilatieopenin- het dashboard gevoerd.

De lucht wordt hoofdzakelijk de ontwasemingsroosters in ashboard geleid.

De lucht wordt vooral naar de nruimtes gevoerd.
Achterruitverwarming en -ont-waseming
77290

Druk op knop 8 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden. De achterruit wordt nu snel ont-wasemd en de elektrische buiten-
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
spiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering).
U schakelt deze functie uit door opnieuw op de knop 8 te drukken. De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
Inen uitschakelen van de airconditioning
Normaal schakelt het systeem automatisch de airconditioning in of uit, afhankelijk van de weersomstandigheden.
Druk op knop 5 om de airconditioning uit te schakelen. Het ingebouwde controlelampje dooft.
Inschakelen van de luchtkring- loop (isolatie van het interieur)

Deze functie wordt automatisch geregeld, maar u kunt ze handmatig inschakelen. In dit geval wordt de werking bevestigd door het oplichten van een indicatielampje op de knop 7.
Als u de ontwasemings-/ontdooifunctie gebruikt, wordt de luchtkringloopstand uitgeschakeld.
Handmatig gebruik
Druk op knop 7 en het ingebouwde waarschuwingslampje gaat branden.
Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken.
Het wordt daarom aangeraden om terug te gaan naar de automatische werkingsstand door op de knop 7 te drukken zodra de luchtkringloop niet langer nodig is.
Uitschakelen van het systeem
Draai de knop 1 naar "OFF" om het systeem te stoppen. U schakelt het systeem weer in door de knop 1 te draaien en de ventilatiesnelheid in te stellen of door op de knop 4 te drukken.
Door het gebruik van de airconditioning neemt het energieverbruik toe (gebruik de airconditioning daarom niet als het niet nodig is).
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Airconditioning: programmering
Airconditioning programmering

Druk vanuit de wereld "Voertuig" 3 op het multimediascherm 1 op het menu "Elektrisch" 2 en vervolgens op het tabblad "Programma's" om de instellingen te openen, bij stilstaand voertuig en ingeschakelde motor.

comfortprogramma's opslaan door de volgende instellingen te active-ren:
- regeling van de temperatuur;
- programmeren van het tijdstip waarop de auto klaar moet zijn;
- dagen selecteren waarop het programma moet worden herhaald.
U kunt de opgeslagen programma's activeren/deactiveren.
Opmerking: u kunt de airconditioning programmeren via een app van de fabrikant op uw smartphone.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, ook niet heel even, een kind, een afhankelijke vol- wassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat. Bij warm en/of zonnig weer kan de temperatuur binnenin de ca- bine heel snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
De functie start vóór het geprogrammeerde tijdstip, zodat het voertuig een comfortabele temperatuur heeft bereikt tegen de geplande vertrektijd. Voorwaarden:
- de motorkap is gesloten;
- het laadniveau van de tractiebatterij is hoger dan 20%;
- de motor wordt uitgeschakeld;
- de bestuurder zit niet in de auto.
Het controlelampje op het instrumentenpaneel.

chijnt
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Onmiddellijk inschakelen van de airconditioning
Het is mogelijk om de airconditioning onmiddellijk te starten als:
- de motorkap is gesloten;
- het laadniveau van de tractiebatterij is hoger dan 20%;
- de motor wordt uitgeschakeld;
- de bestuurder zit niet in de auto.
De werking van de onmiddellijke activering van de airconditioning is anders dan het programmeren:
- dit moet worden gestart vanaf uw smartphone;
- de stoelverwarming, als uw auto hiermee is uitgerust, wordt automatisch geactiveerd;
- de functie stopt na ongeveer 10 minuten.
Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Uitschakelen van de airconditioning
De airconditioning schakelt zich automatisch uit ongeveer 10 minuten na de geprogrammeerde stoptijd.
De functie kan zich ook uitschakelen als:
- de motor draait;
- het laadniveau van de tractiebatterij is lager dan 20%;
- de motorkap open is;
- u drukt op een van de schakelaars op het bedieningspaneel;
- de bestuurder bevindt zich ongeveer 20 seconden in het interieur.
Opmerking: deze voorwaarden zijn ook van toepassing op de onmiddellijke deactivering van de airconditioning.
Indien de auto gedurende lange tijd geparkeerd staat zonder een portier te openen met ten minste één actief pre-airconditioningsschema, dan wordt de functie gedeactiveerd vanaf de derde start van de pre-airconditioning. De functie is beschikbaar wanneer een van de portieren van het voertuig wordt geopend.
Airconditioning: informatie en tips voor het gebruik
Informatie en tips voor gebruik
Tips voor het gebruik
In sommige gevallen, (airconditioning uit, luchtkringloop in werking, ventilatiesnelheid nul of laag, enz.) kunnen de ruiten van de auto beslaan.
Als de ruiten beslagen zijn, gebruikt u de functie Helder zicht om de ruiten te ontwasemen; zet daarna de air-conditioning in de automatische stand om nieuwe condensatie te voorkomen.

Stop niets in het venti- latiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van beschadiging of brand.
Verbruik
Het is normaal dat het energieverbruik hoger is als u de airconditioning gebruikt.
Voor auto's met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging
Rijd met open ventilatierooster en gesloten ruiten. Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
VENTILATIEROOSTERS, VERWARMING EN AIRCONDITIONING
Onderhoud
Raadpleeg voor het interval van het controleren het onderhoudsboekje van uw auto.

Gebruik de airconditio-
ning regelmatig, ook bij
koud weer; laat de airco
ten minste eenmaal per maand gedurende ongeveer 5 minuten draaien.
Storingen
Raadpleeg bij een storing altijd een merkdealer.
- Minder goede werking van ont-doolen, ontwasemen of airconditioning.
Dit kan het gevolg zijn van een ver- vuuild patroon van het interieurfilter.
- Er wordt geen gekoelde lucht geproduceerd.
Controleer of alle bedieningsorganen in de juiste stand staan en de zekeringen goed zijn. Als dit niet zo is moet u de werking stoppen.
Water onder de auto
Maak u niet ongerust als er condens- water onder de auto druppelt, dit is
normaal na langdurig gebruik van de airconditioning. Dit wordt veroorzaakt door condensatie.
Koelvloeistof
Het koelvloeistofcircuit (waarvan sommige componenten hermetisch zijn afgesloten) kan fluorhoudende broeikasgassen bevatten.
Koelvloeistof R-1234yf
| 0.525 kg | Hoeveelheid air-conditionings-vloeistof aanwezig in de auto. |
| GWP 0,501 | Global Warming Potential oftewel aardopwarmings-vermogen (CO2-equivalent). |
| CO2-equivalent 0,0003 t | Hoeveelheid in gewicht en CO2-equivalent. |
MULTIMEDIA-UITRUSTING
Introductie

De aanwezigheid en de plaats van deze uitrustingen zijn afhankelijk van de auto.
- Multimediascherm.
- USB-C-multimediapoorten op de middenconsole.
- Bediening bij het stuurwiel.
- Spraakcommando.

Raadpleeg de gebruiks- aanwijzing van het multi- mediasysteem voor meer natie.
"USB-C"-multimediapoorten
De USB-C-multimedia-aansluitingen 2 kunnen worden gebruikt om accessoires op te laden met een maximaal vermogen van 15 Watt (5 Volt) per aansluiting.
Opmerking: de USB-C-multimedia-poorten 2 kunnen ook worden gebruikt om gegevens over te dragen.

Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 15 watt. Risico van brand.

Als u een kabel van een accessoire op een USB poort aansluit (bijv. een
smartphone oplaadkabel), zorg er dan voor dat u deze loskoppelt wanneer deze niet meer nodig is.
Risico op kortsluiting en beschadiging van de USB poort bij contact tussen het ulteinde van de kabel en een metalen voorwerp (bijv. sigarettenaansteker, enz.).
Microfoon 5

(voor telefoon en spraakbediening)

Gebruik van de tele- foon
Houd u altijd aan de wettelijke voorschrif-
ten met betrekking tot het gebruik van dit apparaat.
UITRUSTING INTERIEUR
Elektrische ruiten
Introductie
Deze systemen werken met contact aan of contact uit tot het openen van een voorportier (begrensd tot ongeveer 3 minuten).

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Verlaat uw voertuig nooit met de kaart of
sleutel erin en met een kind, afhankelijke volwassene of huisdier in het voertuig, zelfs niet voor een korte tijd.
Zij kunnen zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten of apparatuur te bedienen zoals de versnellings-hendel of de ruitbediening.
In geval van beknelling van een lichaamsdeel draait u direct de bewegingsrichting van de ruit om door te drukken op de betreffende schakelaar.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Elektrische ruitbediening met sneltoets

Druk of trek kort op/aan de schakelaar van de ruit tot deze niet verder kan: het raam gaat dan helemaal open of dicht. Een actie op de schakelaar stopt de werking van de ruit.
Gebruik vanaf de bestuurdersplaats schakelaar:
-
voor de bestuurderskant;
-
voor de passagierskant voor.

Druk vanaf de passagiersstoelen op schakelaar 3.

Leg nooit iets op de bovenkant van een halfgeopende ruit: risico van bediging van de ruitbedie-
Opmerking: Als de ruit bijna volledig dicht is en dan op weerstand stuit (bijvoorbeeld een tak), stopt de ruit en schuift ze enkele centimeters terug.
UITRUSTING INTERIEUR
De elektrische ruitbediening werkt niet.
De sneltoets van de elektrische ruitbediening is voorzien van hittebescherming: als u de ruitschakelaar meer dan 16 keer na elkaar indrukt, gaat deze in de beveiligde modus (de ruit wordt vergrendeld).
Wat kunt u doen:
- Gebruik de elektrische ruitschakelaar kort en met tussenpozen van ongeveer 30 seconden.
- bij draaiende motor (READY) wordt de ruit ontgrendeld nadat de schakelaar van de elektrische ruitbediening circa 20 minuten niet is gebruikt.
Op afstand openen/sluiten van de ruiten
Als u, terwijl u de deuren van buitenaf ontgrendelt, de ontgrendelknop op de kaart ingedrukt houdt, gaan alle ruiten met elektrische ruitbediening automatisch open.
Als u, terwijl u de deuren van buitenaf vergrendelt, de vergrendelknop op de kaart ingedrukt houdt, gaan alle ruiten met elektrische ruitbediening automatisch dicht.
Het is raadzaam het systeem alleen in te schakelen als de gebruiker de
auto goed ziet en er niemand in de auto zit.

Wanneer u de ruiten sluit, moet u erop letten dat er geen enkel li- chaamsdeel (arm,
hand, enz.) uit het voertuig steekt.
Gevaar van ernstige verwon- dingen.
Storingen
Als het sluiten van de ruit niet goed werkt, schakelt het systeem over op de normale werking: u kunt dan de betrokken ruitschakelaar zo vaak als nodig bedienen tot de ruit helemaal sluit (de ruit gaat stap voor stap omhoog). Houd vervolgens de schakelaar één seconde ingedrukt (nog steeds aan de sluitkant) en laat de ruit dan helemaal openen en sluiten om het systeem te resetten. Indien nodig, raadpleeg uw merk-dealer.
Achterruiten

Om de ruit op een kier te zetten, beweegt u handgreep 4 (beweging A) en blokkeert u de handgreep door deze naar rechts te duwen.
Controleer bij het sluiten of de ruit goed is vergrendeld.
UITRUSTING INTERIEUR
binnenverlichting
Binnenlicht

Druk op de schakelaar 1 om het volgende in te schakelen:
- een constant brandende verlichting;
- een verlichting die gaat branden als de auto wordt ontgrendeld of een van de portieren wordt geopend. Deze dooft als de relevante portieren goed gesloten zijn en na enige tijd;
- onmiddellijk uitgaan van de verlichting.
Het ontgrendelen en het openen van de portieren zorgen voor het tijdelijk branden van de binnenlichten en de lichten.
Bagageverlichting

Het lampje 2 gaat branden bij het openen van de bagageruimte.
Zonneklep, make-upspiegels

Zet de zonneklep 1 omlaag tegen de voorruit of maak deze los en draai deze tegen de zijruit.
Make-up spiegels
Til de klep 2 omhoog.
UITRUSTING INTERIEUR
Accessoireaansluiting
Accessoireaansluiting 1

Deze is bedoeld voor het aansluiten van accessoires.
Het kan worden gebruikt voor de compressor van uw bandenoppom- pset, bijvoorbeeld → 310.

Sluit uitsluitend accessoires aan met een vermogen van maximaal 110 watt (12 V).
Als verschillende accessoire- aansluitingen tegelijk worden gebruikt, mag het totale vermogen van de aangesloten accessoires niet meer zijn dan 180 watt.
Risico van brand.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Opbergvakken in voorstoelen Opbergruimte in voorportieren 1

Laat geen voorwerpen op de vloer (vóór de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remnen deze onder de perecht komen, waardoor uurder deze niet meer in bedienen.
Bergruimte van de middenconsole 2

Let op dat er geen har- de, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes ge- zijn, zodat zij tegen de den geslingerd kunnen bij het rijden door een ij plotseling remmen of otsing.
Bergruimte van de middenconsole 3

Bekerhouders 4

Zorg er tijdens het rijden voor dat de beker die door de bekerhouder wordt gehouden, goed is afgeslo- odat deze niet omvalt. o op schade aan omringen- ektrische en/of elektroni- apparatuur in geval van horsen van vloeistof.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Dashboardkastje.

Om te openen, trekt u aan de handgreep 5.
Hier kunt u een doos tissues, een fles water, enz. plaatsen.
Opbergplank voor binnenpanelen 6

Opbergruimtes achterin
Opbergvak 8
(afhankelijk van de auto)

Opbergvak zijkant van de achterstoelen 9

Uw comfort - 293
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Kan worden gebruikt om een mobie- le telefoon e.d. in op te bergen
Opbergruimte onder achterstoelen 10

Til de hendel 10 op.
Verplaats de stoel naar achteren via beweging A.

Om toegang te krijgen tot de op- bergruimte 11 onder de achterstoel- len.
Kan worden gebruikt om een doos tissues e.d. in op te bergen.
YouClip-houder voor meerdere accessoires 12, 13 en 14
Afhankelijk van het voertuig zijn ze bedoeld om de kubus 15, de lamp 19, de tassenhaak 20 (in de bagage-ruimte) of accessoires goedgekeurd door de technische afdeling vast te maken.

Zorg ervoor dat You-Clip-accessoires correct zijn bevestigd, zo- dat ze niet op de pas-
sagiers terecht komen tijdens een plotselinge draaibeweging, remmen of bij een ongeval.

Om de basis op uitgeruste voertui-gen te installeren, schuift u de basis 17 van de kubus van boven naar be-neden op de houder voor meerdere accessoires 12, 13 or 14.
Je kunt de kubus gebruiken als be- kerhouder.
Om de kubus te verwijderen, schuift u de basis 17 van de kubus van onder naar boven op de multi-accessoirehouder.
Maximumgewicht per kubus: 0,5 kg.
Lamp 19

U kunt de lamp bevestigen aan de basis 16 van de kubus of aan een van de houders voor meerdere accessoires 12, 13, or 14.
Druk op de knop 19 om de lamp in te schakelen.
OPBERGRUIMTE, INDELING INTERIEUR
Tassenhaak 20

U kunt de zakhaak bevestigen aan de basis 16 van de kubus of aan een van de houders voor meerdere accessoires 12, 13, or 14.
Maximaal gewicht per haak aan de onderkant van de kubus:1 kg.
Maximaal gewicht per haak op de basis 12:2 kg.
Maximaal gewicht per haak op de basis 13 of 14: 5 kg.
TRANSPORT VAN GOEDEREN
Opbergkist
Opbergvak voor laadkabel

Afhankelijk van de auto is deze lade bedoeld om laadkabels in op te bergen. De maximale belasting per lade is 10 kg.
Om toegang te krijgen opent u de bagageruimte en tilt u de vloerbekleding in de bagageruimte op met behulp van de handgreep 1.

U mag de kabels niet gebruiken als er water aanwezig is in het opbergvak voor laadka-
bels, of bij corrosie of vreemde elementen in de stekker van de laadkabel of in het laadcontact van de auto.
Risico van brand.
Wees voorzichtig met de kabel: niet op staan, niet in water dompelen, niet aan trekken, niet aan schokken blootstellen.
Controleer en reinig het opberg- vak regelmatig.
Vervoer van bagage
Let er bij het vervoer op dat de voorwerpen met hun langste zijde steunen tegen ofwel:
A
75779

- De rugleuning van de achterstoelen bij normale ladingen (bijvoorbeeld A).
B
75780

- de rugleuningen van de voorstoelen met de rugleuningen van de achterstoelen neergeklapt als u grote voorwerpen moet vervoeren (voorbeeld B).
Zorg ervoor dat de vervoerde voor- werpen gelijkmatig over de laad- ruimte worden verdeeld.
Als u voorwerpen op de neergeklapte rugleuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofdsteunen verwijderen voordat u de rugleuning neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht mogelijk tegen het zitkussen kan kantelen.

Controleer na het te- rugkantelen van de rugleuning of deze weer goed is vergren-
deld.
Let op bij het gebruik van een stoelhoes, dat deze de vergrendeling van de rugleuning niet belemmert.
Let op de juiste stand van de autogordels.
Plaats de hoofdsteunen terug. De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld.

De zwaarste voorwerpen plaatst u zo laag mogelijk op de laadvloer. Zet de lading in-
dien mogelijk vast aan de bevestigingspunten 2 (indien aanwezig) op de vloer van de laadruimte. De lading moet zo geplaatst zijn dat niets naar voren geslingerd kan worden in geval dat de bestuurder plotseling moet remmen. Maak de autogordels van de zitplaatsen achter vast, ook als deze niet bezet zijn.
PEILEN
Peil van de ruitensproeiervloeistof

Ga als volgt te werk om het re- servoirpaneel van de ruitensproeier te openen:
- plaats het openergereedschap2 in de sleuf 1;
- draai het gereedschap2 in richting A om het reservoirpaneel te openen.
Opmerking: gereedschap 2 maakt onderdeel uit van de gereedschapsset in de bagageruimte.
Vullen

Open de dop 3, vul tot u de vloeistof ziet en sluit de dop weer.
Plaats het reservoirpaneel samen met gereedschap 2 en draai het met de klok mee.
Terwijl u het gereedschap uit het reservoirpaneel verwijdert, kantelt u het met een zijwaartse beweging opzij. Trek het niet omhoog.
Vloeistof
Gebruik alleen ruitensproeiervloeistof met antivries.
Wij adviseren u een erkende dealer of een gekwalificeerde vakman te raadplegen.
Opmerking: gebruik geen hard water (risico op beschadiging van de
aanzuigpomp, kalkafzetting op de pomp en de sproeiers).
Peil van koelvloeistof en rem-vloeistof
Als er een waarschuwingslampje op het dashboard verschijnt, neem dan contact op met een merkdealer.
Alleen een gekwalificeerde vakman
Is bevoegd om het peil van de

koelvloeistof en vloeistof te controleren en bij te vullen.

Motorkap zit vast.
Het openen van de motorkap en alle werkzaamheden in de mo-
torruimte mogen alleen worden uitgevoerd door een vakman.

Bij een botsing, zelfs een lichte, tegen de grille of de motorkap moet u zo snel mogelijk
het vergrendelingssysteem van de motorkap laten controlleren door een merkdealer.
PEILEN

Voor uw eigen veiligheid dwingt het waarschuwingslampje
STOP u onmiddellijk te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.

Het is belangrijk om het onderhoudsschema van uw voertuig te volgen.
Te weinig koelvloeistof kan bij- voorbeeld zeer ernstige schade aan de motor veroorzaken. Raadpleeg het onderhouds- boekje van uw auto of neem contact op met een merkdealer voor meer informatie.

Het waarschuwingslamp-
je aan dat u meteen voorzichtig naar een erkende dealer moet rijden. Als u dit advies negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
ACCU:
12V-accu
Introductie

De 12 V-accu levert de benodigde energie voor het bedienen van de uitrusting van het voertuig (verlichting, ruitenwissers, ruiten, audiosysteem enzovoort) en bepaalde veiligheidssystemen zoals rembekrachting.
U mag de accu niet openen of er vloeistof aan toevoegen.
Onderhoud/vervanging
De laadstatus van de 12 V-accu 1 kan afnemen, vooral als u het voertuig gebruikt:
- bij een lage buitentemperatuur; - na langdurig gebruik van stroom- verbruikers bij afgezette motor.

Motorkap zit vast.
Het openen van de motorkap en alle werkzaamheden in de moe mogen alleen worden erd door een vakman.

Voor uw veiligheid en voor de goede werking van de elektrische ap- paratuur van het voer-
tuig (lampen, ruitenwisser, ABS enzovoort) moet elke handeling aan de 12 V-accu (demontage, ontkoppelen enzovoort) worden uitgevoerd door een gekwalificeerd specialist.
Risico op brandwonden door elektrische schokken.
U moet zich verplicht houden aan de vervangingsintervallen die worden aangegeven in het onderhoudsboekje zonder deze te overschrijden.
De accu is van een speciaal type. Zorg dat deze wordt vervangen door een van hetzelfde type.
Roep de hulp in van een merk- dealer.
ACCU:

Het aandrijfsysteem van het elektrisch voertuig maakt gebruik van elektrische hoogspan-
ningsstroom.
Dit systeem kan tijdens en na het uitzetten van het contact onder spanning staan.
Let op de waarschuwingen op de stickers in de auto.
Elke handeling of wijziging aan het elektrische "hoogspanningssysteem" van het voertuig (componenten, kabels, connectoren, tractiebatterij) is strikt verboden.
Risico van ernstige brandwon- den of mogelijk dodelijke elek- trische schokken.
Label A

pechhulp
i Afhankelijk van de auto is bij een accustoring (losgekoppeld of lege accu enz.) een reset van de stuurwielhoek vereist→137.
Houd u aan de indicaties op de accu.
- Open vuur en roken zijn verboden.
- Oogbescherming is verplicht.
- Buiten het bereik van kinderen houden.
- Explosieve stoffen.
- Raadpleeg de handleiding.
- Corrosieve stoffen.
REINIGEN
Onderhoud van de carrosse- rie
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de buitenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Uw auto is op doelmatige wijze te- gen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van verschillende instellingen.
Agressieve stoffen in de lucht
- luchtverontreiniging (in steden en in industriegebieden);
- zilte lucht langs de kust, vooral bij warm weer,
- wisselende klimaatinvloeden en veranderingen in de vochtigheidsgraad (wegenzout in de winter, water waarmee de weg wordt schoongespoeld enz.),
Kleine beschadigingen in het dagelijks gebruik
Schurende stoffen
Stof in de lucht, zand, modder, op- spattende steentjes, enz.
Er zijn een aantal maatregelen nodig om de hierboven genoemde geva- ren te bestrijden.
Wat u moet doen
Was uw auto regelmatig, met de motor uit, met door onze technische diensten geselecteerde shampoos (nooit met schuurmiddelen). Spoel vooraf grondig af met een straalreiniger:
- aanslag van boomhars en luchtverontreiniging;
- modder uit de wielkuipen en onder de drempelkokers die anders lange tijd het vocht kunnen vasthouden;
- uitwerpselen van vogels; deze leiden tot een chemische reactie met de lak waardoor deze snel kan ontkleuren en zelfs loslaten.
Deze vlekken moet u meteen verwijderen, want zij kunnen later niet meer door poetsen worden verwijderd;
- zout dat op de gehele auto, maar vooral in de wielkuipen en onder de bodem achterblijft.
Ontdoe de auto regelmatig van plantenresten (hars, bladeren enz.).
Houd bij het rijden op pas geasfalteerde wegen afstand van de andere auto's om beschadiging van lak en ruiten door opspattend grind te voorkomen.
Kleine beschadigingen van de lak moet u snel herstellen of laten her-
stellen zodat roest ook daar geen kans krijgt.
Laat uw merkdealer regelmatig de carrosserie inspecteren als de auto een plaatwerkgarantie heeft. Raadpleeg het onderhoudsboekje.
Houd rekening met lokale voorschriften inzake het wassen van een auto (bijv. niet op de openbare weg).
Neem bij het wassen van het voertuig met een hogedrukreiniger de volgende voorzorgsmaatregelen:
- zorg ervoor dat de lak van uw voertuig, het gebied of het onderdeel dat u wilt reinigen compatibel is met dit type wasgoed;
- de door het apparaat geleverde druk moet lager zijn dan 100 bar;
- plaats de sproeikop tijdens het wassen op minimaal 15 cm van het voertuig en controleer of het waterdebiet lager is dan 15 l/min;
- blijf niet hetzelfde gebied, de aangetaste punten of de afdichtingen wassen (gevaar voor beschadiging van de lak, losraken van afdichtingen enz.).
Mechanische onderdelen, scharnierende delen, enz. moeten na reiniging altijd opnieuw worden beschermd met een door onze technische diensten goedgekeurd product.
REINIGEN

Bij de merkdealer vindt u een uitgebreid gamma speciale onderhoudspro- en.
Wat u niet moet doen
De auto wassen in felle zon of als het vriest.
Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te we- ken.
De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen.
Kleine beschadigingen niet (laten) bijwerken.
Gebruik van oplosmiddelen die niet door onze technische dienst worden aanbevolen, kan leiden tot schade aan het lakwerk.
Vaak door sneeuw en modder rijden zonder de auto te wassen, met name de wielkuipen en de bodemplaat.

Ontvetten of reinigen met behulp van een hogedrukreiniger of sproei-producten die niet door onze technische dienst zijn goedgekeurd.
- mechanische delen (bijv. de motorruimte)
- wielen (bijv. remsysteemcomponenten zoals remklauwen);
- de onderkant;
- scharnierende delen (bijv. aan de portieren);
- gelakte plastic delen aan de buitenkant (bijv. bumpers).
Hierdoor kunnen oxidatie of storingen ontstaan.
Bijzonderheid van auto's met matte lak
Voor dit type lak moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Wat u moet doen
De auto overvloedig met de hand met water wassen en daarbij een zachte doek, spons, enz. gebruiken.
Wat u niet moet doen
Producten op basis van was gebruiken (opwrijven).
Te hard wrijven.
De auto wassen in een wasstraat. Stickers op de lak plakken (risico op achterblijvende resten).

De auto reinigen met een hogedruk-reiniger.
Rijden door een wasstraat
Zet de schakelaar van de ruitenwisser weer in de ruststand → 149.
Controleer de bevestiging van de uitrusting aan de buitenkant, extra lampen, achteruitkijkspiegels; zet de ruitenwisserbladen vast met tape.
Verwijder de spriet van de radioantenne indien uw auto hiermee is uitgerust.
Vergeet niet om de lijm te verwijderen en de antenne terug te plaatsen (door deze volledig vast te schroeven) zodra het wassen is voltooid.
REINIGEN

Wassen van de auto
Was de oplaadaansluiting nooit met een hagedrukreiniger.
Risico van beschadiging van het elektrische circuit.
Was de auto nooit wanneer deze wordt opgeladen.
Risico van mogelijk dodelijke elektrische schokken.
Reinigen van de koplampen, de opname-elementen en de camera's
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Bevochtig als dit niet voldoende is de doek dan met een sopje en spoel altijd af met een zachte doek of watten.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen reinigingsmiddelen met alcohol of gereedschap zoals een ijskrabber.
Reinigen van stickers, decoratie-folie, enz.
Wat u moet doen
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Bevochtig met een klein beetje zeep- sop en veeg schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Wat u niet moet doen
Producten op basis van alcohol gebruiken.
Gereedschap gebruiken (bijv. schra- per).
Te hard wrijven.

De auto reinigen met een hogedruk-reiniger.
Onderhoud van de bekleding
Introductie
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangera-den de binnenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Een vlek moet altijd snel behandeld worden.
Reinig de bekleding, ongeacht het soort vlek, met koud (of lauwwarm) zeepsop op basis van natuurlijke zeep.
Gebruik geen detergenten (afwas-middel, producten in poedervorm, producten op alcoholbasis enz.).
Gebruik een zachte doek.
Spoel het restant af en absorbeerdit.
Multimediascherm
Onderhoud van het scherm kan afhankelijk zijn van het type multimedia-apparatuur. Raadpleeg de gebruiksaanwijzing van het multimediasysteem voor meer informatie.
Ruiten van instrumenten
(bijv. instrumentenpaneel, klok, buitenthermometer enz.).
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek (of poetskatoen) en veeg daarna de ruit met een andere vochtige doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge en zachte doek.
REINIGEN
Gebruik geen producten met alcohol en/of spuit vloeistoffen in dit ge-bied.
Autogordels
Deze moeten goed schoon worden gehouden.
Gebruik producten die door de merk-dealer worden geleverd of lauw zeepsop en een spons; veeg de gordels met een doek droog.
Gebruik geen wasmiddelen of kleurstoffen omdat deze de gordels kunnen aantasten.
Textiel (stoelen, deurbekleding ...) Stofzuig het textiel regelmatig.
Vloeistofvlekken
Gebruik zeepsop.
Absorbeer de vlek of duw er lichtjes op (nooit wrijven) met een zachte doek. Spoel daarna het restant af en absorbeer dit.
Vlekken van vaste of halfvaste substanties
Verwijder restanten van vaste of halfvaste substantiesonmiddellijk met behulp van een spatel; werk daarbij vanaf de randen naar het
midden van de vlek om te voorko- men dat deze wordt uitgesmeerd.
Reinig vloeibare vlekken zoals aan- gegeven.
Snoep en kauwgom verwijderen
Leg een ijsblokje op de vlek om deze te laten uitharden en ga daarna te werk zoals bij vaste vlekken.

Raadpleeg de merkdealer voor meer onderhoudsad- vies en/of bij een onbe- gend resultaat.
Verwijderen/terugplaatsen van oorspronkelijk in de auto aangebrachte afneembare uitrusting.
Als u afneembare uitrusting (bijv. matten) verwijdert om het interieur schoon te maken, moet u altijd zorgen dat u ze correct en aan de goede kant terugplaatst (leg de bestuursmat aan de kant van de bestuurder, enz.) en dat u ze vastzet met de elementen die bij de uitrusting zijn geleverd (zet de bestuurdersmat vast met de daarvoor bestemde klemmen).
Controleer altijd, terwijl de auto nog stilstaat, of niets de besturing hin-
dert (obstakel onder de pedalen, een hak die achter de mat blijft hangen, enzovoort).
Wat u niet moet doen
Plaats geen voorwerpen zoals deodorant, parfum, enz. bij de ventilatieroosters; deze kunnen de bekleding van het dashboard aantasten.

Gebruik van een hogedrukreiniger of sproeiproducten in het interieur van de auto:
als geen bijzondere voorzorgsmaatregelen worden genomen, bestaat het gevaar dat elektrische en elektronische componenten in de auto defect raken.
BANDEN
Banden
Onderhoud van de banden
De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren.
Zorg ervoor dat uw banden voldoen aan de lokale voorschriften zoals vastgelegd in het verkeersreglement.

De banden moeten in goede staat verkeren en voldoende profiel hebben; de merken die door onze technische dienst zijn goedgekeurd, zijn voorzien van slijtagecontrolestiften 1, die op regelmatige afstanden over de omtrek van het loopvlak zijn ver- deeld.
Als het loopvlak van een band tot aan deze stiften is weggesleten, worden de stiften zichtbaar 2: het is dan nodig om deze band te vervangen omdat er dan nog slechts 1,6 mm profiel overblijft waardoor de band op een natte weg onvoldoende grip heeft.
Ook door overbelasting, door het langdurig snel rijden bij hoge buiten-temperaturen en door het regelmatig rijden op slechte wegen, kunnen de banden worden beschadigd, waardoor de veiligheid in gevaar komt.

Door bestuurdersfouten, zoals "rijden tegen een stoeprand", kunnen de banden en de
velgen beschadigen, en de voorwielen of achterwielen ontregelen. Laat in dat geval hun staat door een merkdealer controleren.
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanning. Houd u aan de bandenspanningen, controleer deze minstens eenmaal per maand en vóór elke lange rit (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier → 309.

Te lage bandenspanning leidt tot vroegtijdige slijtage en abnormaal hete banden. Dit
zijn factoren die de veiligheid ernstig kunnen beïnvloeden en kunnen leiden tot:
- slechte wegligging; - het risico van een klapband of het loslaten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van de belasting en de snelheid. Pas de bandenspanning aan de gebruiksomstandigheden aan (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier).
Controleer de spanning bij koude banden; let niet op hogere waarden bij warm weer of na een rit met hoge snelheid.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven spannings-
BANDEN
waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.

Let op, als een ventiel- dopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden
ontsnappen en de bandenspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden-spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekkages, enz.) verschijnt het

waarschuwingslampje op strumentenpaneel → 175.
Vervangen van de banden
Ga naar een erkende dealer om nieuwe banden te monteren.

Voor uw veiligheid en voor naleving van de geldende wetgeving.
Als de banden vervan-
gen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Ze moeten: ten minste hetzelfde laadvermogen en dezelfde maximumsnelheid als de oorspronkelijke banden hebben, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.
Als u deze instructies niet opvolgt, kunt u uw veiligheid in gevaar brengen en is uw auto mogelijk niet conform de voorschriften.
Risico op verlies van de controle over de auto.
De banden in de winter
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd.
Als een te grote bandenmaat is gemonteerd, kunnen er mogelijk geen sneeuwkettingen worden gemonteerd.
Eenrichtingsbanden
Een eenrichtingsband kan slechts in één richting worden bevestigd. U moet zich houden aan deze richting.
Als u vanwege een lekke band een eenrichtingsband moet monteren in de richting tegenovergesteld aan de draairichting, rijd dan zeer voorzichtig verder, vooral op een natte weg, omdat de band zich niet aanpast.
Winterbanden
Voor een optimale grip van uw auto raden wij u aan deze banden op alle vier wielen te monteren.
Voorzichtig: deze banden hebben soms een pijl met de draairichting en een indicatie van de maximum snelheid die lager kan liggen dan de topsnelheid voor uw auto.
Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is slechts onder bepaalde omstandigheden toegestaan. Houd u aan de ter plaatse geldende voorschriften, en rijd niet sneller dan de daarmee toegelaten maximumsnelheid.
BANDEN
Indien u voor deze banden kiest, moeten zij in ieder geval links en rechts voor worden gemonteerd.
Opmerking: het gebruik van sneeuwbanden, winterbanden of spijkerbanden beperkt de actieradius van de auto aanzienlijk.

Wij raden u in ieder geval aan een merkdealer te raadplegen. Hij weet als geen ander welke voorzieningen het beste bij uw auto passen.

Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen mogelijk in combinatie met banden die even groot zijn als de oorspron- kelijk op uw auto gemonteerde banden.
Het monteren van sneeuwkettingen is mogelijk, maar op voorwaarde specifieke sneeuwkettingen te gebruiken. Raadpleeg een merkdealer.
Uw bandenspanning
Label A

Open het bestuurdersportier om het te lezen.
De bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven spanningswaarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen. Verlaag nooit de spanning van een warme band.

B.: bandenmaat van de auto.
C.: bandenspanning van de voorwielen.
D.: bandenspanning van de achterwielen.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden- spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekkages, enz.) verschijnt het

waarschuwingslampje op strumentenpaneel → 175.
BANDEN

Veiligheid van de banden en kettingmontage: voor informatie over het onderhoud en, afhankelijk van de uitvoering van de auto, het gebruik van sneeuwkettingen
→307.

Auto's gebruikt bij maximale belasting (maximum toegelaten totaalmassa) en met een aanhangwagen.
De maximumsnelheid is 100 km/uur en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar → 340.
Kans op klapband.

Veiligheid van de banden en kettingmontage: voor informatie over het onderhoud en, afhankelijk van de uitvoering van de auto, het gebruik van sneeuwkettingen
→307.

Voor uw veiligheid en voor naleving van de geldende wetgeving. Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Ze moeten: ten minste hetzelfde laadvermogen en dezelfde maximumsnelheid als de oorspronkelijke banden hebben, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.
Als u deze instructies niet opvolgt, kunt u uw veiligheid in gevaar brengen en is uw auto mogelijk niet conform de voorschriften.
Risico op verlies van de controle over de auto.
Pompset voor de banden
Introductie
75808

De set repareert banden waarvan het loopvlak A beschadigd is door een voorwerp van minder dan 6 mm. Niet alle soorten lekkage kunnen worden gerepareerd; bijv. scheuren groter dan 6 mm, scheuren aan de zijkant van de band B, enz.
Controleer ook of de velg in goede staat is.
Verwijder niet het voorwerp dat de oorzaak is van de lekkage als dit nog in de band zit.

Gebruik de pompset niet als de band beschadigd is door het rijden met een lekke
band.
Controleer dus zorgvuldig de zijkant van de banden voor het repareren.
Bovendien kan het rijden met zachte of zelfs platte (of lekke) banden de veiligheid in gevaar brengen en de band onbruikbaar maken.
Deze reparatie is tijdelijk.
Een lekke band moet altijd zo snel mogelijk worden onderzocht (en indien mogelijk gerepareerd) door een deskundige.
Voor het vervangen van een band die met behulp van deze set gerepareerd is, moet u de specialist op de hoogte brengen.
Tijdens het rijden kan een trilling gevoeld worden door de aanwezigheid van het product in de band.

De set is uitsluitend bestemd en goedgekeurd voor het oppompen van banden van een auto die met deze set uitgerust is.
In geen geval mag de set gebruikt worden voor het oppompen van banden van een andere auto of enig ander oppompbaar voorwerp (zwemband, boot, enz.).
Voorkom dat de huid in contact komt met de vloeistof tijdens de reparatiehandelingen. Als toch druppeltjes ontsnappen, moet u deze overvloedig afspoelen.
Houd de reparatieset uit de buurt van kinderen.
Gooi het lege reservoir niet in de natuur. Lever het in bij uw merk-dealer of bij een depot voor klein chemisch afval.
Het reservoir heeft een beperkte houdbaarheid die is aangegeven op zijn etiket. Controleer de houdbaarheidsdatum.
BANDEN
Ga bij een merkdealer langs om de pompslang en het reservoir met het reparatieproduct te laten vervangen.

Auto met waarschuwing bij verlies van banden- spanning
Bij een te lage bandenspanning (lekkages, enz.) verschijnt het

waarschuwingslampje op
het instrumentenpaneel → 175.

Gebruik in geval van een lekke band de set in de bagageruimte.
Met draaiende motor (READY) en handrem aangetrokken:
- ontkoppel alle accessoires die zijn aangesloten op de accessoireansluitingen van het voertuig;
- ontkoppel bij voertuigen met een trekhaak indien nodig de trekhaakstekker;
- raadpleeg de info op de pompset-compressor in de bagageruimte van de auto en volg de gebruiksinstructies;
- pomp de band op tot de aanbevolen spanning → 307;
- stop na maximaal 15 minuten met pompen om de spanning af te lezen (op de manometer 2);
Opmerking: terwijl de container leegloopt (ongeveer 30 seconden), geeft de manometer 2 kort een druk aan van max. 6 bar; daarna zakt de druk.
- Pas de spanning aan: voor meer spanning gaat u door met pompen met de set. Verlaag de spanning door te drukken op de knop 1.
Indien de voorgeschreven waarde van 1,8 bar na 15 minuten niet is bereikt, is de reparatie niet mogelijk. Rij niet met de auto, maar roep de hulp in van een erkende dealer.

Voordat u de set ge- bruikt zet u de auto aan de kant van de weg, ver genoeg van het ver-
keer, schakelt u de alarmknipperlichten in, zet u de parkeerrem vast, laat u alle inzittenden uit de auto stappen en zorgt u dat deze zich op veilige afstand van het verkeer bevinden.

Als u de auto stilzet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschu-
wen door middel van de geva- rendriehoek of op een andere wijze, volgens de regels van het land waar u bent.
BANDEN

Als de band correct is opgepompt, verwijdert u de set: schroef de pompaansluiting langzaam los van de fles 3 om spatten te voorkomen, en bewaar de fles in een plastic verpakking om te voorkomen dat het product gaat lekken.
- Plak het etiket met de rijvoorschriften (onderaan op de fles) op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard.
- Berg de set op. - Na het oppompen ontsnapt er nog steeds lucht uit de band. Rijd een kort stukje om het gat af te dichten.
- Start de auto onmiddellijk en rijd met een snelheid van tussen 20 tot 60 km/u om het product gelijkmatig
in de band te verdelen. Stop na 3 km en controleer de druk.
- Als de bandenspanning hoger is dan 1,3 bar maar lager dan de voorgeschreven spanning (raadpleeg de sticker op de rand van het bestuurdersportier), past u deze opnieuw aan. Neem anders contact op met een merkdealer: de band kan niet worden gerepareerd.
Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set
De set mag niet langer dan 15 minu- ten aaneengesloten gebruikt wor- den;
De fles moet na het eerste gebruik worden vervangen, ook al zit er nog vloeistof in.

In de voetenruimte van de bestuurder mogen geen objecten aanwezig zijn; bij plotseling
remmen kunnen deze onder de pedalen terechtkomen en het gebruik ervan hinderen.

Let op, als een ventiel- dopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden
ontsnappen en de bandenspanning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet verder dan 200 km rijden.
Verminder bovendien uw snelheid en rijd in elk geval niet sneller dan 80 km/u. Het etiket dat u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan.
Afhankelijk van het land of de plaatselijke voorschriften, moet een met de pompset gerepa-reerde band worden vervangen.
BANDEN
De gereedschappen
Plaats van het gereedschap

Het gereedschap bevindt zich in de bagageruimte.

Bandenoppompsetcompressor 1
→ 310
Wieldopgereedschap 2
Voor het verwijderen van de wiel- doppen.
Sleepoog 3
→316
Gereedschap om het reservoirpaneel van de ruitensproeier te openen 4
→299
Container met antilekproduct 5 → 310

Laat nooit gereedschap in de auto rond-slingeren. Dit is gevaar- lijk als u plotseling
moet remmen. Plaats na gebruik de gereedschappen weer goed in hun steun en berg deze correct op in de houder om de kans op letsel te verkleinen.
BANDEN
Wieldoppen, wieldop - wiel
Wieldoppen - Wiel
Centrale wieldop 3

Verwijder deze met behulp van het wieldopgereedschap 1 (in de gereedschapset), door de haak in de inkeping 2 op de centrale wieldop 3 te plaatsen.
Terugplaatsen van de centrale wiel- dop:
- Plaats deze zodanig dat het symbool 4 (aan de achterkant van de wieldop) is uitgelijnd met en gericht is naar het ventiel van wiel 5;
- Klem hem vast door te drukken op het centrale deel van de wieldop 3;
- controleer of deze goed is vergrendeld.
Wieldop 6

Steek het haakje van de wieldop- sleutel 1 (opgeborgen bij het gereed- schap) in de daarvoor bestemde opening dichtbij het ventiel 2.
Om hem weer terug te plaatsen, richt u hem ten opzichte van ventiel 2.
Duw de haakjes er volledig in, te beginnen aan de kant van klep A, daarna B en C en eindigend aan de kant tegenover het ventiel D.

Laat nooit gereedschap in de auto rond-slingeren. Dit is gevaar- lijk als u plotseling
moet remmen.
Plaats na gebruik de gereedschappen weer goed in hun steun en berg deze correct op in de houder om de kans op letsel te verkleinen.
PECHHULP
Slepen: pech
pechhulp
Voordat u gaat slepen, zet u de hendel in de neutraalstand (stand N bij auto's met een automatische versnellingsbak), ontgrendelt u de stuurkolom en zet u de parkeerrem vrij.
Algemeen
Houd u altijd aan de wettelijke bepa- lingen inzake het slepen.
Als u de sleepauto bestuurt, let dan op het toegestane sleepgewicht voor uw auto.
Uw voertuig afslepen of bergen op een dieplader

De auto kan het beste worden vervoerd op een dieplader of gesleept met de voorwielen los van de grond.
Voordat u uw voertuig afsleept of op een dieplader bergt, dient u de volgende instructies in acht te nemen:
- steek de sleutel in het contact en zet deze in stand "AAN" ON of druk, afhankelijk van de auto, met de kaart in het interieur, circa twee seconden op de startknop;
- zet de versnellingshendel in stand N.. De stuurkolom wordt ontgrendeld en de accessoires worden gevoed: U kunt de verlichting van de auto gebruiken (alarmknipperlich-
ten, remlichten, enz.). 's Nachts moet de auto verlicht zijn;
- als de bestuurdersgordel is vast-gemaakt, maakt u deze los;
- open het bestuurdersportier;
- zet de parkeerrem los terwijl u het rempedaal intrapt (het controle-lampje op de schakelaar en het
(P) waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel gaan uit);
- sluit het bestuurdersportier en vergrendel het voertuig niet.
Opmerking: neem als u de versnel- lingshendel niet in stand N kunt zet- ten contact op met een merkdealer.
Druk, afhankelijk van de auto, na het slepen een keer kort op de startknop van de motor (risico van het ontladen van de accu).

Bij stilstaande motor werken de stuur- en rembekrachtiging niet meer.
PECHHULP

Verwijder de sleutel niet uit het contactslot of laat de kaart tijdens het slepen niet in het
voertuig (afhankelijk van het voertuig).
Risico van blokkeren van de stuurkolom.
Bijzonderheden van auto's uitge- rust met een automatische transmissie
In uitzonderlijke omstandigheden kunt u de auto laten slepen met de vier wielen op de grond, uitsluitend vooruit rijdend met de versnellings-hendel in neutrale stand (N), over een afstand van maximaal 80 km en met een maximale snelheid van 25 km/u.
Toegang tot het sleeppunt
Gebruik uitsluitend het sleeppunt voor 2 (en nooit de aandrijfassen of enig ander deel van de auto). Dit sleeppunt mag alleen voor slepen worden gebruikt. Het mag nooit worden gebruikt om de auto direct of indirect op te tillen.
Opmerking: zorg ervoor dat u het trekpuntgebied bijvoorbeeld met
een doek beschermt wanneer u een platte schroevendraaier of vergelijkbaar gereedschap gebruikt.
Schroef het sleepoog 3 zo goed mogelijk vast met de hand.
Gebruik uitsluitend het sleepoog 3.
Sleeppunt voor 2

Druk op het bovenste gedeelte van de klep 1 om deze te kantelen.

Zorg ervoor dat de sleepring correct met bouten is bevestigd.
Risico om het gesleepte object te verliezen.

Bij stilstaande motor werken de stuur- en rembekrachtiging niet meer.

- Gebruik een starre sleepstang. Indien u een touw of kabel ge-
bruikt bij het slepen (als dit wettelijk toegestaan is), moet de auto die gesleept wordt nog kunnen remmen.
- een auto die gesleept wordt, moet te allen tijde bestuurbaar zijn.
- Accelereer en rem gelijkmatig en zonder schokken om te voorkomen dat de auto beschadigt.
- In elk geval is een maximale snelheid van 25 km/u raadzaam.
PECHHULP

Om uw voertuig niet te be- schadigen, is het absoluut verboden het sleeppunt
en andere middelen te gebruiken om een ander voertuig te slepen.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP
Verlichting buitenkant: vervangen van lampen
Koplampen
LED-dagrijverlichting/marke- ringslichten/dimlicht/grootlicht 1

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
LED-dagrijverlichting en -markeringslichten 2
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Led-controlelampjes richting-aanwijzers 3
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Achterlichten en richtingaanwijzers

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
LED-richtingaanwijzer/zijlicht/remlicht/achteruitrijlichten en mistachterlichten 2
Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
LED-kentekenplaatverlichting 3

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
KOPLAMPEN, LAMPEN: VERVANGEN VAN EEN LAMP
Controlelampjes 4

Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer.
Binnenverlichting: vervangen van een lamp
Binnenlicht

Binnenlicht uitgerust met kappen 1
Maak de lichtkap met een platte schroevendraaier los.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype: W5W.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Verwondingsgevaar
Verlichting bagageruimte 2

Maak (met een platte schroeven-draaier of iets soortgelijks) het lamphuis 2 los door het lipje aan de linker-kant van het lamphuis in te drukken.
Maak de betreffende lamp vrij.
Lamptype: W5W.
RUITENWISSERBLADEN: VERVANGING
Ruitenwisserbladen voorruit
2 vervangen

Zet de ruitenwissers in de onderhoudsstand B voordat u ze vervangt.
Contact aan, motor afgezet:
- zet de hendel twee keer na elkaar 1 in stand A (één wisbeweging): de ruitenwisserbladen stoppen in onderhoudsstand B weg van de motorkap.
- breng de ruitenwisserarm omhoog, laat het lipje 4 zakken en verwijder het blad naar beneden.

Om het ruitenwisserblad 2 terug te plaatsten, klemt u deze in de houder in de arm 3 tot u een klik hoort. Controleer of het blad goed is vergrendeld.
Om de ruitenwisserbladen terug te zetten in de onderste stand terug moet u controleren of de ruitenwisserbladen zijn neergeklapt op de voorruit. Zet vervolgens de hendel 1 in stand A (één wisbeweging): de ruitenwisserbladen klappen dan in de motorkap bij het aanzetten van het contact.
75864

Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun le- vensduur hangt van u af:
- reinig de bladen en de voorruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge voorruit;
- maak ze los van de voorruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.
RUITENWISSERBLADEN: VERVANGING
Ruitenwisserblad achter 5

De hendel in de uit-stand (gedeactiveerd):
- til de ruitenwisserarm op;
- roteer het achterste ruitenwisserblad 5 (beweging C) tot het losklikt;
- maak het achterste ruitenwisserblad 5 los door eraan te trekken.
Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van losmaken. Controleer of het blad goed is vergrendeld.
Let op de staat van de rui- tenwisserbladen. Hun le- vensduur hangt van u af:
- reinig de bladen en de voorruit regelmatig met water en zeep;
- gebruik ze niet op een droge voorruit;
- maak ze los van de voorruit als ze lange tijd niet zijn gebruikt.

- Controleer bij vorst of de ruitenwisserbladen niet aan de ruit zijn
vastgevroren voordat u weg- rijdt; de wissermotor kan over- verhitten.
- Let op de staat van de ruiten-wisserbladen.
Zodra hun werking afneemt moet u ze vervangen, ongeveer eens per jaar.
Bij het vervangen van het blad, let bij het verwijderen van het blad op, dat u hem niet op de ruit laat vallen: u zou de ruit kunnen breken.

Voordat u het blad van de achterste ruitenwisser vervangt, moet u nagaan of de schake-
laar in ruststand staat (uitgeschakeld is).
Verwondingsgevaar
ZEKERINGEN
Zekeringkastje
Controleer de staat van de zekeringen als een elektrisch apparaat niet werkt.
Zekeringkast A

Maak het klepje 1 los.
Tangetjes 2

Verwijder de zekering met het tangetje 2 dat zich bevindt op het zekeringenpaneel.
U kunt de zekering uit het tangetje schuiven.
Gebruik niet de ongebruikte plaatsen op de zekeringplaat om reservezekeringen in te steken.

Controleer de zekering in kwestie en vervang deze indien nodig door een zekering met de-
zelfde classificatie als het origineel.
Door een te sterke zekering kan de bedrading te heet worden en kan brand ontstaan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.

Om te voldoen aan lokale voorschriften of uit voorzorg:
zorg dat u altijd reservelampen en zekeringen in uw auto heeft, een merkdealer kan u deze leveren.
ZEKERINGEN
Bestemming van de zekeringen
(de aanwezigheid van de zekeringen hangt van het uitrustingsniveau van de auto af)
Voertuigen die niet zijn uitgerust met een zekeringtoewijzingssticker

324 - Praktische tips
ZEKERINGEN
| Nummer Bestemming | |
| 1 | Achterruitwisser/mistachterlicht |
| 2 | Richtingaanwijzers |
| 3 | Remlichten |
| 4 | Motor elektrische ruitbediening bestuurder |
| 5 | Motor ruitbediening passagier |
| 6 | Achteruitkijkspiegel ECU - multiplex deurmatrixbediening |
| 7 | Accessoireaansluiting op eerste rij |
| 8 | Instrumentenpaneel |

326 - Praktische tips
ACCESSOIRES INSTALLEREN EN GEBRUIKEN
Belangrijke aanbevelingen

Controleer vóór het installeren van een dergelijk accessoire (bij zenders/ontvangers vooral: frequentie-band, vermogen, plaats van de antenne enz.) of dat geschikt is voor uw auto. Vraag advies bij een merkdealer.
Voordat u een accessoire op een stopcontact aansluit, moet u controlleren of het maximaal toegestane vermogen voor het stopcontact→286→291 niet wordt overschreden. Risico van brand.
Er mogen geen werkzaamheden aan het elektrische en/of elektronische circuit van het voertuig worden uitgevoerd, tenzij door een gekwalificeerde vakman. Een onjuiste aansluiting en/of installatie van de elektrische/elektronische accessoires die niet door de fabrikant zijn goedgekeurd, kan leiden tot:
- schade aan de elektrische en/of elektronische apparatuur;
- schade aan daarop aangesloten onderdelen;
- het verzamelen en gebruiken van voertuiggegevens;
- een inbreuk op privacy (wijziging of verwijdering van en/of ongeoorloofde toegang tot persoonsgegevens);
- annulering van de vergunning voor ingebruikneming.
Risico van ernstige ongevallen. Risico van inbreuk op privacy.
Als u op een later tijdstip elektrische apparatuur wilt installeren, moet u het vermogen en de positie van de bijbehorende zekering controleren.
De diagnoseansluiting gebruiken
Het aansluiten van elektronische accessoires op de diagnoseansluiting kan de elektronische systemen van het voertuig ernstig verstoren en/of inbreuk maken op uw privacy (wijziging of verwijdering van en/of ongeoorloofde toegang tot persoonsgegevens). Voor uw veiligheid is het raadzaam alleen door de fabrikant goedgekeurde elektronische accessoires te gebruiken: raadpleeg een merkdealer. Risico van ernstige ongevallen. Risico van inbreuk op privacy.
Achteraf inbouwen van accessoires
ACCESSOIRES INSTALLEREN EN GEBRUIKEN
Raadpleeg een merkdealer als u accessoires op de auto wilt installeren. Om zeker te zijn dat uw auto goed werkt en om elk risico te vermijden dat uw veiligheid kan aantasten, raden wij u aan om door de constructeur goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door de constructeur gegarandeerd.
Als u een antidiefstalstang gebruikt, bevestig deze dan uitsluitend op het rempedaal.
Hindert het rijden
Gebruik aan de bestuurderskant matten die geschikt zijn voor de auto en zet deze vast aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van haken-de pedalen.
STORINGEN
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.
| Tijdens het opladen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| De tractiebatterij kan niet worden opgeladen. | De buitentemperatuur is minder dan -26 °C. | Laad uw auto weer op een gematigde plek op. Indien nodig ➔ 316. |
| Het waarschuwingslampje van de oplaadklep knippert rood. | Er zit geen stroom op de wandcontact-doos of de kabel is niet goed aangeslo-ten. | Laat uw installatie controleren (hoofd-schakelaar, programmeerapparaat...). Controleer de aansluitingen (laadcon-tact enz.) ➔ 20. |
| De kabel is defect. Raadpleeg een erkende dealer om deze te vervangen. | ||
| De tractiebatterij kan niet worden opgeladen. | Het laadkabel is niet juist aangesloten op het voertuig. | Sluit de laadkabel goed aan op de auto ➔ 20. |
| Het indicatielampje van de op-laadklep knippert wit. | ||
| Het indicatielampje van de op-laadklep knippert wit. | Het verschil in de temperatuur van de tractiebatterij tussen het stoppen en het opnieuw starten van de auto kan van invloed zijn op de actieradius die op het instrumentenpaneel wordt weerge-geven.Lage buitentemperaturen kunnen leiden tot een vermindering van de actieradius in vergelijking met de laatste keer dat de motor werd uitgeschakeld. | Rijd een paar kilometer en de actieradi-us van de batterij past zich automatisch aan zodra de temperatuur het optimale niveau bereikt. |
| Gebruik van de kaart MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | |
| De kaart kan geen portieren ontgrendelen of vergrendelen. | Batterij van de card leeg. Vervang de accu of laat deze vervangen. U kunt nog steeds uw auto vergren- |
STORINGEN
| Gebruik van de kaart MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| delen/ontgrendelen ➔ 52 en ➔ 155starten. | ||
| Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de afstandsbediening werken (mobiele telefoon, enz.). | Gebruik deze apparaten niet langer of gebruik de ingebouwde sleutel ➔ 52. | |
| De auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.12 V-accu ontladen. | Gebruik de sleutel die in de kaart is ingebouwd ➔ 66. | |
| Desynchronisatie van de kaart. Ontgrendel de bestuurdersdeur door de sleutel die in de kaart is ingebouwd in het deurslot ➔ 66 te steken, plaats de kaart vervolgens op de daarvoor bestemde zone ➔ 155 en druk op de knop "START" om de kaart te synchroniseren. | ||
| De melding "Plaats de kaart bij de START-knop" verschijnt op het instrumentenpaneel. | De kaartaccu is leeg of de kaart is niet synchroon. | Controleer de accustatus van de kaart of plaats de kaart in het gebied ➔ 52. |
| Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| Het sturen gaat zwaar. Oververhitting van de bekrachtiging. Rijd voorzichtig bij lage snelheid, let op de kracht die u moet zetten op het stuur-wiel om de wielen te draaien. | ||
STORINGEN
| Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. | Controleer de bandenspanning. Als deze goed is, laat de staat van de banden dan door een merkdealer controleren. | |
| Elektrische apparaten MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| De ruitenwissers werken niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit. | ||
| Zekering ruitenwisser doorgebrand. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
| Zekering ruitenwisser achter doorgebrand (interval, rustcontact). | Vervang de zekering of laat deze vervangen ➔ 323. | |
| Ruitenwissermotor defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
| De ruitenwisser stopt niet. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
| Knipperfrequentie te hoog. Defecte lamp. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
| De knipperlich-ten werken niet. | Aan één kant: Defecte lamp. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | |
| aan twee kan-ten: | - zekering doorgebrand; - Elektrische installatie of schakelaar defect. | |
STORINGEN
| Elektrische apparaten MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | |||
| De koplampen werken niet meer. | Aan één kant: | - Defecte lamp; | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. |
| - draad los of stekker niet goed aange-sloten; | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
| - zekering beschadigd. | Vervang de zekering of laat deze vervangen ➔ 323. | ||
| Aan twee kan-ten: | Twee zekeringen beschadigd. | Vervang de zekeringen ➔ 323 of laat deze vervangen. | |
| De koplampen blijven branden. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | |||
| Condens in de koplampen of ach-terlichten. | Condens is een normaal verschijnsel dat door variaties in temperatuur en voch-tigheid kan worden veroorzaakt.In dat geval verdwijnen de sporen gelei-delijk aan als de lichten branden. | ||
STORINGEN
| Gestopt MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN | ||
| De airconditioning en ventilator worden ingeschakeld nadat het contact is uitgeschakeld of wan- neer het voertuig wordt opgela- den. | Dit hoeft niet per se een storing te zijn, de aircocompressor en de ventilator gaan aan om de temperatuur van het systeem te regelen als de buitentempe- ratuur laag is. | |
| De aircocompressor en de ventilator worden bij uitgeschakeld contact langer dan 30 minuten ingeschakeld. | Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | |
| De programmeerbare airconditio- ning werkt niet. | Er is niet aan een van de gebruiksvoor- waarden voldaan (de tractiebatterij wordt niet opgeladen ...). | →283 |
| De airco- en verwarmingsfuncties in het passagierscompartiment worden uitgeschakeld zonder dat de gebruiker iets doet, zelfs als de batterij voldoende is opgeladen. | Dit is niet per se een storing; het systeem wordt standaard uitgeschakeld om de batterij te sparen of het opladen te opti- maliseren. | Druk op de Start-knop zonder het rem- pedaal in te trappen om naar de modus voor langere gebruiksduur te gaan. De airco stopt toch na een paar minuten. U kunt het systeem altijd opnieuw acti- veren via de aircoknoppen →277,→280. |
| Elektrische storing. Raadpleeg voor de exacte gegevens de merkdealer. | ||
INFORMATIE OVER DE AUTO
Identificatieplaatjes auto


De gegevens op het constructeursplaatje moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
De aanwezigheid en de plaats van de informatie zijn afhankelijk van de auto.
Plaat van de fabrikant A
- Naam van de fabrikant.
- Nummer van communautair ontwerp of registratienummer.
- Identificatienummer.
B. Afhankelijk van de auto wordt deze informatie ook vermeld op de markering. -
MMAC (Max. toegelaten totaal-massa)
-
MTR (Max. toegelaten treinmassa; volledig belaste auto, met aanhangwagen)
- MMTA (Max. toegelaten massa) gemeten onder de vooras
- MMTA achteras.
- Zone gereserveerd voor gerelateerde of aanvullende items.
- Niet in gebruik.
- Laknummer (kleurcode).
Technische informatie voor de hulpdiensten

De QR Code op het label A geeft hulpverleners via een tablet of smartphone direct toegang tot de technische informatie die nodig is bij een ongeval.
Zorg dat sticker A altijd aanwezig en zichtbaar is, zowel op de voorruit als de achterruit.
Elke wijziging of beschadiging maakt toegang tot de informatie onmogelijk.
Identificatieplaatje en gege- vens van de motor
Identificatie van de motor

Neem voor toegang tot de motor- ruimte van uw auto en de informatie op label A contact op met een ge- kwalificeerde vakman of een merk- dealer.
(de plaats is afhankelijk van het motortype)
- Motortype.
- Indicenummer van de motor.
- Serienummer van de motor.

Motorkap zit vast.
Het openen van de motorkap en alle werkzaamheden in de mo-
torruimte mogen alleen worden uitgevoerd door een vakman.
gegevens van de motor

Informatie over opkrikken

Uw voertuig is uitgerust met vier speciale krikpunten 1 die zich onder het voertuig bevinden.

Voor uw veiligheid raden wij u aan contact op te nemen met een erkende dealer voor
het verwisselen van de wielen.
Gevaar voor schade aan het voertuig en in het bijzonder aan de elektrische tractlebatterlij bij een verkeerde plaatsing van de krik.
De krikpunten zijn compatibel met het gebruik van een krik uitgerust met een vlakke plaat en een diameter tussen max. 80 mm en min. 140 mm.
De gebruikte krik moet voldoen aan de geldende normen en voorschriften voor het land. Het hefvermogen van de krik moet groter zijn dan het maximaal toegestane gewicht van de betreffende as → 334.
De krik mag alleen worden gebruikt om het voertuig op te tillen om de wielen te verwisselen. Het volgende is vereist:
- met de parkeerrem ingeschakeld,
- met het onbeladen voertuig,
- op vlakke, antislip- en vaste ondergrond.
Voordat het voertuig wordt opgetild, moet de plaat van de krik correct worden geplaatst op krikpunt 1.

Om letsel of schade aan de auto te voorko- men moet de krik uit- sluitend worden opge-
krikt tot het te vervangen wiel zich op bijna 3 centimeter van de grond bevindt.
Verwondingsgevaar Risico van beschadiging van de auto.

Om veiligheidsredenen moeten de hefpunten van het voertuig alleen worden gebruikt voor
het verwisselen van wielen. Ze mogen in geen geval worden gebruikt:
- om een andere reparatie uit te voeren;
- om toegang te krijgen tot de onderkant van het voertuig.
Verwondingsgevaar Risico van beschadiging van de auto.
INFORMATIE OVER DE AUTO
| Lengte | |
| A | 0,741 |
| B | 2,492 |
| C | 0,555 |
| D | 3,788 |
| E | 1,498 |
| F | 1,491 onbelast1.512 met antenne |
| G | 1,492 |
| H | 1,7371,953 met uitgeklapte buitenspiegels1,790 met ingeklapte buitenspiegels |
INFORMATIE OVER DE AUTO
Massa's (in Kg)
Gewicht tabel
| De aangegeven gewichten zijn van de basisuitvoering zonder opties: zij variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Raadpleeg uw merkdealer. | |
| Max. toegelaten totaalmassa (MMAC)Max. toegelaten massa (MMTA)Max. toegelaten treinmassa (MTR) | Gewichten aangegeven op de plaat van de fabrikant → 334 |
| Massa aanhanger geremd* Verboden | |
| Ongeremde massa aanhanger* Verboden | |
| Maximale kogeldruk op trekhaak* Verboden | |
| Maximaal toegelaten dakbelasting Verboden | |
ONDERDELEN EN REPARATIES
De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt.
Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan.
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhouds beurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
*Ziespecifieke pagina
342 - Technische gegevens
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhouds beurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
*Ziespecifieke pagina
7
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhouds beurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
*Ziespecifieke pagina
344 - Technische gegevens
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt□ ____. □ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole: OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: Onderhoudsbeurt□ ____. □ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole: OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: Onderhouldsbeurt□ ____. □ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole: OK□ Niet OK* □ | ||
*Ziespecifieke pagina
7
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhouds beurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
*Ziespecifieke pagina
346 - Technische gegevens
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhoudsbeurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden:Onderhouds beurt□____□ | Stempel | |
| Plaatwerkcontrole:OK□ Niet OK* □ | ||
*Ziespecifieke pagina
7
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN:
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ||
| Datum reparatie:Stempel | ![]() | |
| Reparatie nodig van: | ||
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
Symbolen
12V-accu, 301
A
Aanvullende bevestigingsmiddelen, 92
Aanvullende bevestigingsmiddelen: bescherming zijkant, 90
Aanvullende voorzieningen achterin, 89
Aanvullende voorzieningen voorin, 84
Accessoireaansluiting, 291
Accu:, 301
Achterstoelen, 77
Achteruitrijcamera, 251
Actieve noodstop bij achteruitrijden, 225
Afstandsbediening/sleutel: batterijen, 63
Airbag, 90
Airbag: airbag, 90
Airbag : inschakelen van de passagiersairbag voor, 112
Airbag : uitschakelen van de passagiersairbag voorin, 112
Airbags: kinderveiligheid, 112
Airco: informatie en tips voor gebruik, 284
Auto-afmetingen, 338
Autogordels, 79, 90
B
Bagageruimte, 71
Banden, 307, 307
Batterij (afstandsbediening), 63
Batterijen van afstandsbediening voor portiervergrendeling, 63
Bestuurderspositie, 116
Bevestigingsmiddelen anders dan autogordels, 90
Bevestigingsmiddelen voor kinderen, 93, 93
Bevestigingspunten voor accessoires, 327
Bevestigingssysteem voor kind, 93
binnenverlichting, 290
Binnenverlichting: vervangen van een lamp, 320
boordcomputer, 118
Buitenverlichting, 319
C
Claxon en lichtsignalen, 148
Configuratiemenu, 129
D
De actieve noodstop, 208
De gereedschappen, 314
De koplampen afstellen, 145, 145
Detectie van verkeersborden, 220
Display, 125
Dodehoekwaarschuwing, 199
E
ECO rijden, 170
Energieverbruik, 125
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
F
Foutopsporing: het voertuig slepen, 316
G
gegevens van de motor, 335
H
Handbediende airconditioning, 277
Handsfree kaart: batterij, 59
Handsfree parkeren, 259
Hoofdsteun achter, 77
Hoofdsteunen voor, 74
|
Identificatie van de motor, 335
Instellingen, 129
Instellingen: configuratiemenu, 129
Instellingen autopersonalisering, 129
Interieurbekleding: onderhoud, 305
K
Kaart: handsfree, 52
Kaart: motor start niet in handsfree stand, 52
Kaart: noodsleutel, 52
Kaart: portieren vergrendelen/ontgrendelen, 52
Kinderen, 93
Kinderzitjes, 93, 99
Klok, 130
Koplampen: afstellen, 145
Massa's van de auto, 340
Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto, 129
Milieu, 169
Montage van het kinderzitje, 99
Multimedia-uitrusting, 286
N
Nood: noodoproep, 271
Noodpreventie verlaten rijstrook, 192
O
Onderhoud: interieurbekleding, 305
Opbergruimtes/indeling: interieur, 292
Op de voorplaats(en), 74
Oplaadkabel, 50
P
Parkeerhulp, 254
Parkeerrem, 165
Passagiersveiligheid: voorpassagier airbag, 112
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
Pompset voor de banden, 310
Portieren, 66
Portieren en kleppen, 66
Portieren en kleppen vergrendelen, ontgrendelen, 67
Portieren openen, 66
Portieren sluiten, 66
Preventie verlaten rijstrook, 185
Programmeren van het opladen, 50
R
Rijpositie: instellingen, 79
Rijtips, 170
Ruitensproeier, 149, 153
Ruitenwisserbladen: vervanging, 321
Ruitenwissers, 149, 153
S
Slepen: pechhulp, 316
Sleutel/afstandsbediening, 61
Snelheidsbegrenzer, 228
Snelheidsregelaar, 232
Spiegels, 139
Starten van de motor, 155
Stilzetten van de motor, 155
Storingen: kaartbatterijen, 52
Stuurwiel: afstellen, 137
T
Temperatuur: buiten, 130
Tijd, 130
U
Uitschakelvertraging, 145
Uw bandenspanning, 309
V
Veiligheidsvoorzieningen bescherming zijkant, 90
Veilig uitstappen voor passagier, 268
Ventilatie, 277
Ventilatieroosters, 274
Verlichting: afstellen, 145
Verlichting: lampen vervangen, 319
VERLICHTING EN SIGNALLEN, 141
Versnellingsschakelaar, 159
Vervangen van de ruitenwisserbladen voor, 321
Vervanging en reparatie, 341
Vervoer van kinderen, 93
Verwarming, 274, 277, 277, 277, 283
Verwarming en airconditioning, 274, 277
Voertuiginstellingen aanpassen, 129
Voorstoelen: afstellen, 79
W
Waarschuwing: uitparkeren, 265
Waarschuwing bij verlies van bandenspanning, 175
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE
Waarschuwing veiligheidsafstand, 204
Wieldoppen - Wiel, 315
Wisser/sproeier, 149, 153
Z
Zekeringen, 323

RENAULT S.A.S. SOCIETÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÈE / 122-122 BIS, AVENUE DU GENERAL LECLERO 92100 BOULOONE-BILL ANCOURT R.C.S. NANTERRE 780 129 987 — SIRET 780 129 987 03091 / renaultgroup.com









+ 13,4 kWh
12,8 kWh/100 km






