Kangoo Z.E.(2002) - Automobiel RENAULT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Kangoo Z.E.(2002) RENAULT in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Renault |
| Model | Kangoo Z.E. (2002) |
| Categorie | Elektrische auto |
| Lengte (mm) | ca. 3850 |
| Breedte (mm) | ca. 1680 |
| Hoogte (mm) | ca. 1820 |
| Wielbasis (mm) | ca. 2690 |
| Leeggewicht (kg) | ca. 1450 |
| Laadvermogen (kg) | ca. 450 |
| Motortype | Elektromotor |
| Vermogen (kW) | 30 |
| Koppel (Nm) | 120 |
| Accucapaciteit (kWh) | 16 |
| Actieradius (km) | ca. 100 |
| Oplaadtijd (uren) | 6-8 (230V/10A) |
| Laadpoort | Type 2 |
| Remmen | Schijfremmen voor, trommelremmen achter |
| Versnelling | Automaat (vaste overbrenging) |
| Stuurinrichting | Elektrische stuurbekrachtiging |
| Bandenspanning (voor/achter) | 2.4 / 2.6 bar |
| Onderhoud | Controleer accu, banden, remmen, verlichting |
| Klimaatregeling | Handmatige airconditioning |
| Veiligheidssystemen | ABS, airbags, gordels |
Veelgestelde vragen - Kangoo Z.E.(2002) RENAULT
Gebruikersvragen over Kangoo Z.E.(2002) RENAULT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Kangoo Z.E.(2002) - RENAULT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Kangoo Z.E.(2002) van het merk RENAULT.
GEBRUIKSAANWIJZING Kangoo Z.E.(2002) RENAULT
Welkom aan boord van uw elektrische auto
In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:
- uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.
- de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.
- zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.
Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast.
Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.
Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:

Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.
Dit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is afhankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.
Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.
Overal waar in het instructieboekje sprake is van een merkdealer, wordt daarmee een RENAULT-dealer bedoeld.
Wij wensen u een goede reis in uw auto.
Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de autofabrikant.
INHOUD
Hoofdstuk
Ken uw auto ....
1
Rijden
2
Comfort
3
Onderhoud
4
Praktische tips ....
5
Technische gegevens
6
Alfabetische inhoudsopgave ....
7
Hoofdstuk 1: Ken uw auto
Elektrische auto: presentatie.... 1.2
Belangrijke aanbevelingen 1.7
Elektrische auto: opladen 1.8
Sleutel, FM-afstandsbediening: algemeen, gebruik 1.14
Portieren 1.17
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden. 1.24
Hoofdsteunen/Voorstoelen 1.25
Dakklep 1.30
Draaibaar scheidingsschot 1.32
Autogordels 1.33
Aanvullende veiligheidsvoorzieningen voorin 1.37
Veiligheidsvoorzieningen bescherming zijkant 1.40
Aanvullende bevestigingsmiddelen 1.41
Kinderveiligheid: algemeen 1.42
Keuze van de bevestiging van een kinderzitje 1.45
Installatie van het kinderzitje 1.47
Uitschakelen/inschakelen van de passagiersairbag voorin.... 1.52
Stuurwiel/stuurbekrachtiging 1.55
Bestuurdersstoel 1.56
Controle- en waarschuwingslampjes. 1.60
Displays en meters 1.63
Boordcomputer 1.66
Klokje en buitenthermometer.... 1.75
Spiegels.... 1.76
Claxon en lichtsignalen 1.77
Voetgangersclaxon 1.78
Verlichting en signalisatie aan de buitenkant. 1.79
Koplampen elektrisch verstellen 1.82
Ruitenwissers, ruitensproeiers 1.83
Tank extra verwarming 1.86
ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (1/5)

33474
ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (2/5)
De elektrische auto heeft specifieke kenmerken, maar werkt op een gelijksoortige manier als een auto met verbrandingsmotor.
Het fundamentele verschil is dat de elektrische auto alleen elektrische energie gebruikt in plaats van brandstof zoals auto's met verbrandingsmotor.
Wij raden u daarom aan dit instructieboekje, dat uw elektrische auto beschrijft, aandachtig door te lezen.
![graph LR A["Car with 12km traffic"] --> B["Global Access"] B --> C["Mobile Device 34815"] C --> D["Laptop with 8x speed"] D --> E["Mobile Device 8x speed"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#ccf,stroke:#333 style C fill:#cfc,stroke:#333 style D fill:#fcc,stroke:#333 style E fill:#ffc,stroke…](/content/2026/05/1119916/images/fbc1d953ce2383e329426e43ce8e1c86a574a573bfb81ed6942d1da66d70405f.jpg)
Aangesloten services
(afhankelijk van de auto)
Uw elektrische auto beschikt over aangesloten diensten waarmee u met behulp van sommige mobiele telefoons 8 of uw pc 9 onder andere de laadstatus van uw auto kunt zien. Deze informatie is eveneens rechtstreeks beschikbaar op het instrumentenpaneel 7 van uw auto.
Raadpleeg voor meer informatie een merk-dealer.
Het is altijd mogelijk om u bij een aangesloten dienst in te schrijven of om deze te verlengen. Raadpleeg een merkdealer.
ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (3/5)
Accu's
De elektrische auto beschikt over twee typen accu's:
- een 400 V-tractiebatterij;
- een 12 V-accu, identiek aan die van een auto met verbrandingsmotor.
Tractiebatterij
Deze accu slaat de energie op die nodig is om de motor van uw elektrische auto goed te laten werken. Zoals elke accu wordt deze bij gebruik ontladen en moet hij daarom regelmatig worden opgeladen.
U hoeft niet te wachten totdat u op reserve rijdt om de tractiebatterij op te laden.
De oplaadtijd kan verschillen van 10 tot 12 uur bij een normaal stopcontact of van 6 tot 9 uur op een speciale wandcontactdoos of openbare oplaadpaal.
De actieradius van uw auto hangt af van de lading van de accu, maar ook van uw rijstijl. Zie ook de paragraaf "Actieradius van de auto: aanbevelingen" in hoofdstuk 2.
12 V-accu
De tweede accu in uw auto is een 12 V-accu die vergelijkbaar is met die van een auto met verbrandingsmotor: deze levert de benodigde energie voor het laten werken van de uitrustingen van de auto (lampen, ruitenwissers, audiosysteem enz.).
ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (4/5)

Het symbool A geeft de elektrische onderde- len van uw auto aan die een risico voor uw gezondheid kunnen vormen.
33436

Het 400 volt elektrische circuit is te herkennen aan de oranje bedrading 4 en aan de onderdelen aangeduid met het symbool △.

Het aandrijfsysteem van de elektrische auto gebruikt ongeveer 400 volt wisselspanning. Dit systeem kan warm
zijn gedurende de werking en na het uitzetten van het contact. Neem de waarschuwingsberichten op de etiketten in de auto in acht.
Elke interventie of wijziging aan het elektrische systeem van 400 volt van de auto (componenten, kabels, connectoren, tractiebatterij) is vanwege de veiligheidsrisico's streng verboden. Roep de hulp in van een merkdealer.
Risico op ernstige brandwonden of mogelijk dodelijke elektrische schokken.
ELEKTRISCHE AUTO: presentatie (5/5)
Rijden
Net als bij een auto met automatische transmissie moet u eraan wennen dat u uw linkervoet niet moet gebruiken en er niet mee moet remmen.
Wanneer u tijdens het rijden uw voet optilt van het gaspedaal of op het rempedaal drukt, genereert de motor tijdens het afremmen elektriciteit die wordt gebruikt om de auto af te remmen of om de tractiebatterij op te laden. Raadpleeg de paragraaf "Verbruiksmeter" in hoofdstuk 2.
Bijzonderheid
Na een maximale lading van de batterij en gedurende de eerste gebruikskilometers van de auto, is de motorrem tijdelijk beperkt. Pas hierbij uw rijgedrag aan.

Het remmen op de motor kan in geen geval het indrukken van het rempedaal vervangen.
Diepe plassen, overstromingen:

Rijd niet door als het water op de weg hoger staat dan de onderrand van de velgen.

Hinder bij het rijden
Aan de bestuurderskant mogen alleen voor de auto geschikte matten worden gebruikt, die moeten worden vastgezet aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar.
Gevaar van hakende pedalen
Geluid
Elektrische voertuigen zijn bijzonder stil. U bent er nog niet aan gewend maar andere weggebruikers zijn dat evenmin. Voor hen is het moeilijk om te horen of de auto in beweging is.
Wij raden u dus aan hier rekening mee te houden en de voetgangersclaxon te gebruiken, vooral wanneer u in de stad rijdt of tijdens manoeuvres.
Raadpleeg de paragraaf "Voetgangersclaxon" in hoofdstuk 1.
Omdat de motor vrijwel geen geluid maakt, hoort u geluiden die u niet gewend bent (geluid van de wind, banden enz.).
Tijdens het opladen kan de auto geluid maken (ventilator, relais ...).

Omdat uw elektrische auto zo stil is, moet u voordat u uitstapt altijd de selecteurhendel in stand P zetten, de handrem
aantrekken en het contact uitzetten.
RISICO VAN ERNSTIG LETSEL
BELANGRIJKE AANBEVELINGEN

Lees deze adviezen aandachtig door. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben.
Bij een ongeluk of elektrische schok
Bij een ongeluk of botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair)
kunnen het elektrisch circuit of de tractiebatterij worden beschadigd.
Laat uw auto door een merkdealer controleren.
Raak de 400 V-onderdelen of blootliggende oranje kabels die vanuit het interieur of vanaf de buitenkant van de auto zichtbaar zijn, nooit aan.
Bij ernstige beschadiging van de tractiebatterij zouden er eventuele lekken kunnen ontstaan:
- raak nooit de vloeistoffen (gassen ...) uit de tractiebatterij aan;
- bij lichamelijk contact met veel water spoelen en zo snel mogelijk een arts raadplegen.
Na een schok, hoe licht ook, aan het oplaadpunt en/of de klep, moet u deze zo snel mogelijk laten controleren door een merkdealer.
Bij brand
Verlaat bij brand onmiddellijk de auto en ontruim deze, neem dan contact op met de hulpdiensten en specificeer dat het gaat om een elektrische auto gaat.
Als u moet blussen, maak dan alleen gebruik van blusmiddelen van het type ABC of BC die aangewezen zijn bij brand in elektrische installaties. Gebruik geen water of andere blusmiddelen.
Neem bij elke beschadiging aan het elektrische circuit contact op met een merkdealer.
Voor het slepen
Raadpleeg de paragraaf "Slepen, pech" in hoofdstuk 5.
Wassen van de auto
Reinig de motorruimte, de oplaadaansluiting en de tractiebatterij nooit met een hogedrukreiniger.
Risico van schade aan het elektrische circuit.
Reinig de auto nooit als deze wordt opgeladen.
Risico van mogelijk dodelijke elektrische schokken.
1 Speciale wandcontactdoos of oplaadpaal
2 Oplaadaansluiting
3 Oplaadsnoer
Raadpleeg bij vragen over de benodigde uitrusting voor het opladen een merk-dealer.

Belangrijke aanbevelingen voor het opladen van uw auto
Lees deze adviezen aandachtig door. Als deze adviezen niet worden opgevolgd, kan dat leiden tot brand, ernstig letsel of elektrische schokken die de dood tot gevolg kunnen hebben.
Installatie voor het gebruik van een standaardlaadsnoer
Laat een vakman een specifieke wandcontactdoos installeren.
Installatie voor het gebruik van een laadsnoer voor incidenteel gebruik
Laat een vakman controleren of de aansluiting waarop u het oplaadsnoer voor incidenteel gaat aansluiten voldoet aan de normen en regelgeving van het land en vooral dat deze is voorzien van:
- een aardlekapparaat van 30 mA van type A;
- een overspanningsbeveiligingsinrichting (zekering of onderbreker van 16A voor de aansluiting die u gebruikt);
- een beveiligingsinstallatie tegen blikseminslagen op plaatsen waar de bliksem kan inslaan.
Het wordt aangeraden elke maand te testen of de aardlekbeveiligingsinrichting goed werkt.
Controleer regelmatig of het gewone stopcontact of de wandcontactdoos goed werken. Niet gebruiken als ze beschadigd zijn (corrosie, bruin worden).
Lees de handleiding die bij het oplaadsnoer voor incidenteel gebruik is meegeleverd aandachtig voor informatie over gebruiksvoorzorgsmaatregelen en het toepassen daarvan.
Opladen
Voer geen onderhoud uit op de auto tijdens het opladen (wassen, onderhoud aan de motor...).
Bij aanwezigheid van water, tekenen van corrosie of vreemde elementen in de stekker van het oplaadsnoer of in het laadcontact van de auto mag u de auto niet opladen. Risico op brand.
Probeer niet om de contacten van het snoer, van het gewone stopcontact of van het laadcontact van de auto aan te raken of om er voorwerpen in te doen.
Sluit het laadsnoer nooit aan op een stekkerdoos of verlengsnoer.
Demonteer of verander niet het laadcontact van de auto of het laadsnoer. Risico op brand.
Wijzig de installatie niet tijdens het opladen.
Bij een botsing, zelfs een lichte, tegen de oplaadklep of de klep, moet u deze zo snel mogelijk laten controleren door een merkdealer.
Zorg goed voor het snoer: niet gaan op staan, niet in water dompelen, niet aan trekken, niet aan schokken blootstellen ... Regelmatig controlleren of het laadsnoer goed werkt. Niet gebruiken als het beschadigd is (corrosie, bruin worden, scheurtjes ...).
Gebruik bij voorkeur het snoer 3 om de tractiebatterij op te laden.
Met dit snoer voor de specifieke wandcontactdoos of het publieke oplaadpunt kan de tractiebatterij in ongeveer 6 tot 9 uur worden opgeladen.
33524

Oplaadsnoer voor incidenteel gebruik 4
(afhankelijk van de auto)
Met dit laadsnoer voor incidenteel gebruik 4 voor het gewone stopcontact kan een tractiebatterij in ongeveer 10 tot 12 uur volledig worden opgeladen.
Dit snoer 4 dient alleen te worden gebruikt voor incidenteel opladen en dit dient te gebeuren in overeenstemming met de hierboven beschreven installatievoorwaarden.
33523

Laat de snoerdoos nooit aan het snoer hangen. Hang hem op aan de plaatsen 5.

Gebruik geen verlengsnoer, meervoudige contactdoos of adapter.
Risico van brand.
De laadsnoeren 3 en 4 bevinden zich in een zak in de kofferbak.
Wij raden u aan om bij een probleem het snoer te vervangen door een identiek snoer. Raadpleeg een merkdealer.
Uw auto beschikt aan de voorkant over een oplaadaansluiting.
Laad uw auto niet op en parkeer deze niet bij extreme temperatuursomstandigheden (hitte of kou).
Wanneer de auto geparkeerd staat bij temperaturen lager dan -25 °C, kan de accu mogelijk niet opgeladen worden.
U kunt de tractiebatterij het beste opladen na het rijden en/of in een omgeving met een gematigde temperatuur. Anders kan het opladen lang duren of onmogelijk zijn.
Bij afwezigheid van bescherming van de installatie tegen overspanningen wordt afgeraden de auto op te laden bij onweer (bliksem).
Tips
- Parkeer de auto bij erg warm weer bij voorkeur op een schaduwrijke/overdekte plaats om deze op te laden.
- Bij regen of sneeuw kan niet worden opgeladen.
N.B.
Verwijder bij insneeuwen de sneeuw rond het laadcontact van de auto alvorens de auto te koppelen of los te koppelen. De aanwezigheid van sneeuw in het laadcontact kan immers het koppelen van het laadsnoer blokkeren.
Opladen van de tractiebatterij
Contact uit en portieren ontgrendeld:
- neem het oplaadsnoer uit de bagage- ruimte van de auto;
- haal het uit zijn opbergzak;
- sluit het uiteinde van het snoer aan op de stroombron (paal, huishoudelijk stopcontact);
Het oplaadsnoer kan niet worden aangesloten en losgekoppeld als de portieren vergrendeld zijn.

- open de oplaadklep 6;
- open de klep 7;
- pak de handgreep 9 vast;
- sluit het snoer aan op de auto;
- controleer of het laadsnoer goed is vastgeklikt. Trek zachtjes aan het handvat 9 om de vergrendeling te controleren en druk niet daarbij niet op de knop 8.
Het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel licht op.
Indient gewenst kunt u de auto vergrendelen. Het snoer kan dan niet losraken van de auto.
U ziet dat het opladen begint aan het vijf keer oplichten van de knipperlichten. Een boodschap op het instrumentenpaneel geeft aan hoe lang het opladen nog duurt. U hoeft niet te wachten totdat u op reserve rijdt om de auto op te laden.
Voorzorgen bij het loskoppelen van de aansluiting
- Controleer of de portieren zijn ontgrendeld.
- grijp het handvat 9 en druk op de knop 8;
- Blijf de knop 8 ingedrukt houden en koppel het oplaadsnoer los van de auto. Het controlelampje op het instrumentenpaneel dooft.
- Sluit de klep 7.
- Sluit de klep 6.
- Ontkoppel het snoer van de stroombron.
- Berg het snoer op in zijn zak en daarna in de bagageruimte.
NB: Het maakt niet uit of het oplaadsnoer eerst wordt aangesloten op of wordt losgekoppeld van de auto of de stroombron.
Bijzonderheid van de werking van de oplaadsnoerdoos bij incidenteel gebruik 4
34577
| Controle- en waarschuwingslampjes | Interpretatie | ||
| READY 10Groen | CHARGE 11Oranje | FAULT 12Rood | |
| Aan0,5 seconde | Aan0,5 seconde | Aan0,5 seconde | Bij het inschakelen branden de controle-lampjes een halve seconde om te con-troleren of ze goed werken. |
| Aan Brandt niet Brandt niet | Het oplaadsnoer | is aangesloten op hethuishoudelijke stopcontact en het opla-den van de tractiebatterij is voltooid. | |
| Aan Aan Brandt niet De tractiebatterij wordt opgeladen. | |||
| Aan Brandt niet Aan of | knippert | Storing.Koppel het snoer los en neemcontact op met een merkdealer. | |
| Brandt niet Brandt niet Brandt niet Er wordt geen stroomtoevoer gedetec-teerd op het huishoudelijke stopcon-tact. Controleer uw elektrische instal-latie (hoofdschakelaar) en probeer het opnieuw.Als het probleem aanhoudt, koppelt u hetsnoer los en neemt u contact op me eenmerkdealer. | |||
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (1/2)

FM-afstandsbediening
1 Vergrendelen van alle portieren.
2 Ontgrendelen van alle portieren.
3 Gecodeerde contactsleutel, sleutel van het bestuurdersportier en de tankdop.
Advies
Stel de afstandsbediening niet bloot aan warmte, koude of vocht.
Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als flesopener, enz.).

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw sleutel nooit in de auto
liggen als u een kind of een dier in de auto achterlaat. Het kind zou de motor kunnen starten of bijvoorbeeld de ruiten kunnen bedienen en door het sluiten ervan zich ernstig verwonden aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken.
Gevaar voor ernstige verwondingen.
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: algemeen (2/2)
Bereik van de FM- afstandsbediening
Dit wordt beïnvloed door de omgeving: let er bij het vasthouden van de afstandsbediening op dat de portieren niet per ongeluk worden vergrendeld of ontgrendeld.
Radiostoringen
De werking van de afstandsbediening kan gestoord worden in de omgeving van een zendinstallatie of bij gebruik van apparatuur die werkt op dezelfde frequentie als de afstandsbediening.
NB: als er binnen (ongeveer) 2 minuten na het ontgrendelen geen portier wordt geopend, dan worden de portieren automatisch weer vergrendeld.
Vervangen of extra afstandsbediening
Ga uitsluitend naar een merkdealer.
- Het vervangen van een afstandsbediening moet altijd bij een merkdealer gebeuren want het systeem moet daarbij worden gereset met de afstandsbediening.
- Afhankelijk van de auto kunt u maximaal vier afstandsbedieningen gebruiken.
Als de afstandsbediening niet werkt:
Controleer of de batterij goed en van het juiste model is en correct is geplaatst. De batterijen hebben een levensduur van ongeveer twee jaar.
Raadpleeg voor het vervangen van het batterijtje de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: batterijtjes" in hoofdstuk 5.
SLEUTEL, FM-AFSTANDSBEDIENING: gebruik
De auto kan met de afstandsbediening worden vergrendeld of ontgrendeld.
Deze wordt gevoed door een batterijtje, dat u kunt vervangen (raadpleeg de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: batterijtjes" in hoofdstuk 5).
Gebruik de sleutel alleen waarvoor deze bedoeld is (en niet bijvoorbeeld als flesopener, enz.).

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw sleutel nooit, zelfs niet eventjes, in de auto liggen als
u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Risico van ernstige verwondingen.

Druk op de vergrendelknop 1.
Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten en de zijn-knipperlichten.
Als een portier (of de achterklep) open staat of niet goed is gesloten, worden de portieren en de achterklep vergrendeld en snel ont-grendeld en knipperen de knipperlichten en de zijknipperlichten niet.
NB: tijdens het opladen van de tractiebatterij wordt door het vergrendelen van de portieren het oplaadsnoer aan de auto vergrendeld.

Ontgrendelen van de portieren
Druk op de ontgrendelknop 2.
Met een korte druk ontgrendelt u alle portieren.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer oplichten van de knipperlichten en de zijn-knipperlichten.
NB: door het ontgrendelen van de portieren wordt het oplaadsnoer van de auto ontgren-deld.
PORTIEREN (1/5)

Ontgrendel het portier en trek daarna aan de handgreep 1. Raadpleeg voor het ont-grendelen van de portieren de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik" in hoofdstuk 1.
Openen van binnenuit
Trek aan de portierhandgreep 2.

Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog
Als bij het openen van een portier de lichten nog branden terwijl het contact is afgezet, dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen dat de 12 V-accu wordt ontladen.
Dit controlelampje geeft aan dat een portier geopend of slecht gesloten is.

Veiligheid van de kinderen (afhankelijk van de auto)
Om aan de achterkant het openen van de zijdeur van binnenuit onmogelijk te maken, verplaatst u de hendel 3 met behulp van het uiteinde van de sleutel van de auto.
Controleer, van binnenuit, of de deur goed vergrendeld is.
PORTIEREN (2/5)

Ontgrendel het portier en trek daarna aan de portierhandgreep 4 en laat de deur naar de achterkant van de auto glijden tot ze blokkeert. Raadpleeg voor het ontgrendelen van de portieren de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik" in hoofdstuk 1.
Openen van binnenuit
Trek aan de portierhandgreep 6 en laat met behulp van de portierhandgreep 5 de deur naar de achterkant van de auto glijden tot ze blokkeert.

Sluiten van binnenuit
Trek de portierhandgreep 5 naar de voorkant van de auto tot de deur helemaal gesloten is.
Uit veiligheidsoverweging, wordt de schuifdeur naast de tankdopklep geblokkeerd bij het openen van de klep. Raadpleeg voor meer informatie de paragraaf "Portieren centraal vergrendelen, ontgrendelen" in hoofdstuk 1.

Aanbevelingen bij het gebruik van de schuifdeur
Bij het openen en sluiten van de deur moeten net als bij elk
portier van de auto de volgende voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen:
- controleer of er niemand en geen dier of voorwerp tijdens het bewegen tussen de deur komt.
- Gebruik voor het bewegen van de deur uitsluitend en alleen de hand-grepen aan de binnenkant en aan de buitenkant van de auto.
- Beweeg de deur zowel bij het openen als bij het sluiten niet met geweld.
- Let op dat u, als de auto op een helling staat, de schuifdeur voorzichtig geheel openschuift tot hij blokkeert.
- Het is streng verboden met een geopende schuifdeur te rijden, controleer voor u wegrijdt of de deur goed is gesloten.
- Gebruik de onderste steun niet als treeplank.
PORTIEREN (3/5)

Klapdeuren achter
Openen van buitenaf
Ontgrendel het portier en trek daarna aan de handgreep 7. Raadpleeg voor het ont-grendelen van de portieren de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik" in hoofdstuk 1.

Laat bij harde wind de klap- deuren achter niet open. Risico van verwonding.

Maximale opening van de deuren
Trek voor elke deur aan de grendel 8 om de deurvanger vrij te maken. Open de deur zover mogelijk.
Met de hand sluiten van buitenaf
Sluit eerst de kleine deur en daarna de grote.
Sluit elk van de deuren tot hij bijna dicht is en sla ze daarna dicht.

Als u langs de kant van de weg parkeert en de achterklep geopend is, kunnen de achterlichten hierdoor aan het zicht ont-
trokken worden. U dient dan de andere weggebruikers te waarschuwen met een gevarendriehoek of op andere wijze, volgens de in het land geldende voorschriften.
PORTIEREN (4/5)

Klapdeuren achter (vervolg)
Openen van binnenuit
(afhankelijk van de auto)
Trek aan de portierhandgreep 10 en open het portier. Beweeg hendel 9 om het deurtje te openen.
Sluiten van binnenuit
Sluit eerst de kleine deur en daarna de grote.
Sluit elk van de deuren tot hij bijna dicht is en sla ze daarna dicht.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
PORTIEREN (5/5)

Ontgrendel het portier en trek daarna aan de handgreep 11. Raadpleeg voor het ontgrendelen van de portieren de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik" in hoofdstuk 1.

Zorg voor uw eigen veiligheid ervoor, dat alle portieren van uw auto goed gesloten zijn voordat u wegrijdt.

Laat de achterklep zakken met behulp van de handgrepen aan de binnenkant 12.
Als de achterklep op schouderhoogte is, klapt u hem rustig dicht.
Openen van binnenuit
Bij een elektrische storing, kunt u de achter-klep met de hand van binnenuit openen.
Steek een potlood of iets dergelijks in de holte 13, verschuif het geheel zoals op de tekening aangegeven is en duw tegen de achterklep om hem te openen.
CENTRAAL VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (1/2)

Schakelaar voor het vergrendelen en ontgrendelen van de portieren van binnenuit
Met de elektrische vergrendeling worden de sloten van alle portieren gelijktijdig bediend. Vergrendel of ontgrendel de portieren door op de schakelaar 1 te drukken.
Als een portier (of achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgrendelen de portieren snel.

Laat de sleutel nooit achter in de auto als u de auto verlaat.
Vergrendelen van de portieren en kleppen zonder afstandsbediening
Stilstaande motor, contact uit, schuifdeur dicht, een voorportier open, druk langer dan vijf secondes op de schakelaar 1.
Controleer of u uw sleutel bij zich heeft, voordat u de auto verlaat.
Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
Het ontgrendelen van buitenaf van de auto is alleen met de sleutel mogelijk bij het bestuurdersportier.
Waarschuwingslampje van de portieren
Met contact aan geeft het controlelampje in de schakelaar 1 aan of de portieren wel of niet vergrendeld zijn:
- lampje brandt, de portieren zijn vergrendeld:
- lampje uit, minstens één portier is ont-grendeld.
Als u de portieren vergrendelt, blijft het controlelampje branden en dooft daarna.

Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
CENTRAAL VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN VAN DE PORTIEREN (2/2)

Met de hand
Gebruik van de sleutel
Vergrendel of ontgrendel het bestuurdersportier door de sleutel 3 diep in het slot 2 te steken, draai daarna de sleutel. Raadpleeg voor meer bijzonderheden over de afstandsbedieningen de paragraaf "Sleutel, FM-afstandsbediening: gebruik" in hoofdstuk 1.
Handmatig vergrendelen van de portieren
Verdraai, met open portier, de schroef 4 (met behulp van het uiteinde van de sleutel) en sluit het portier. Nu is het portier van buitenaf vergrendeld.
27083

Het openen kan alleen van binnenuit gebeuren of met de noodsleutel voor de voorportieren.
Schuifdeur (kant van tankdop)
Om de voorkomen dat de deur niet tegen het vulpistool stoot, wordt hij door een mechanisch systeem geblokkeerd zodra de tank-dopklep geopend wordt.
Plaats na het tanken de dop terug op de vulhals en sluit de klep. De deur kan weer gebruikt worden.
AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN

Bedenk eerst of u deze functie wilt gebruiken of niet.
Inschakelen van de functie
Druk met gestarte motor 5 seconden op de knop 1 totdat u een geluidssignaal hoort. Het in de knop geïntegreerde controlelampje licht op als de portieren vergrendeld zijn.
Uitschakelen van de functie
Druk met gestarte motor 5 seconden op de knop1 totdat u een geluidssignaal hoort.
De werking van het systeem
Na het wegrijden, vergrendelen de portieren automatisch als de auto de snelheid van ongeveer 7 km/u heeft bereikt.
Bij een storing
Als het systeem niet goed werkt (geen automatische vergrendeling) moet u eerst controleren of alle portieren goed zijn gesloten. Als ze goed gesloten zijn en het probleem aanhoudt, raadpleeg dan een merkdealer.
Controleer ook of de vergrendeling niet per ongeluk uitgeschakeld staat.
Raadpleeg in dat geval de inschakelprocedure.

Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een belemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
Hoofdsteun hoger zetten
Trek hem omhoog tot de gewenste stand is bereikt.
Hoofdsteun lager zetten
Trek het lipje 2 naar voren en schuif de hoofdsteun licht omhoog om hem los te maken en breng hem omlaag tot de gewenste stand is bereikt.
Hoofdsteun verwijderen
Zet hem in de hoogste stand. Druk op de knop 1 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.
Hoofdsteun terugplaatsen
Controleer vóór alles, of de poten van de hoofdsteun op één lijn liggen en schoon zijn.
Trek het lipje 2 naar voren.
Plaats de poten van de hoofdsteun met de vertanding naar voren in de geleiders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achter).
Breng de hoofdsteun omlaag tot de ge- wenste stand is bereikt.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft
een maximale beveiliging als de afstand tussen de hoofdsteun en het achterhoofd zo klein mogelijk is en de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.
Hoofdsteun hoger zetten
Trek hem omhoog tot de gewenste stand is bereikt.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 3 en schuif de hoofdsteun omlaag tot de gewenste stand is bereikt.
Hoofdsteun verwijderen
Zet hem in de hoogste stand. Druk op de knop 4 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.
N.B.: verander, als de hoofdsteun naar buiten is getrokken, niet de stand van de poten.
Hoofdsteun terugplaatsen
Als de afstelling van de poten gewijzigd is, trek dan de poten zo ver mogelijk naar buiten. Let op dat zij in lijn staan en schoon zijn en controleer of de inkepingen aan de voorkant zitten.
Steek de poten van de hoofdsteun in de houders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren).
Schuif de hoofdsteun naar binnen tot hij blokkeert, druk dan op de knop 3 en druk de hoofdsteun zo ver mogelijk omlaag.
26342

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft
een maximale beveiliging als de afstand tussen de hoofdsteun en het achterhoofd zo klein mogelijk is en de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.
HOOFDSTEUNEN VOOR (3/3)

Hoofdsteun hoger zetten
Trek hem omhoog tot de gewenste stand is bereikt.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op het lipje 5 en schuif de hoofdsteun omlaag tot de gewenste stand is bereikt.
Hoofdsteun verwijderen
Zet hem in de hoogste stand. Druk op de lipjes 5 en 6 en trek de hoofdsteun omhoog om hem vrij te maken.
N.B.: verander, als de hoofdsteun naar buiten is getrokken, niet de stand van de poten.
Hoofdsteun terugplaatsen
Druk op het lipje 5.
Plaats de poten van de hoofdsteun met de vertanding naar voren in de geleiders en schuif de hoofdsteun omlaag tot de gewenste stand is bereikt.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft
een maximale beveiliging als de afstand tussen de hoofdsteun en het achterhoofd zo klein mogelijk is en de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin.
VOORSTOELEN (1/2)

Naar voren of naar achteren schuiven
Afhankelijk van de stoel zet u de stang 1 of de handgreep 4 omhoog om te ontgrendelen. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer of de zitting vergrendeld is.
Hoogte van de zitting van de bestuurdersstoel verstellen
Beweeg de hendel 3 zo vaak als dit nodig is:
- naar boven om het zitkussen hoger te zetten;
- naar beneden om het zitkussen lager te zetten.

Rugleuning verstellen
Afhankelijk van de stoel, zet u de hendel 2 omlaag of omhoog en kantel de rugleuning in de gewenste stand.

Beweeg met gestarte motor de schakelaar 5, een controlelampje licht op.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.
Let er op dat de rugleuningen van de stoelen goed vergrendeld zijn.
Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.

VOORSTOELEN (2/2)

(afhankelijk van de auto)
Als de schuifdeur niet werkt, zet dan de handgreep 6 omlaag, houd de hendel vast terwijl de rugleuning kantelt en schuif de stoel naar voren.
Om de stoel in de stand "comfort" te zetten, schuift u hem naar achteren.
Zet de stoel af en zorg dat hij goed vergren- deld is.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Controleer, om elk risico van verwondingen te voorkomen, of niemand zich in de buurt van de bewegende delen bevindt.
Bij het bewegen van de stoel, moet u er voor zorgen dat niets de bewegende delen en hun vergrendeling hindert.
DAKKLEP (1/2)

Openen
- Ontgrendel de bediening 2, de dakklep gaat dan automatisch omhoog (zorg dat niets het openen van de klep in de weg staat. Begeleid in dat geval het omhoog gaan met behulp van de handgreep 1);
- de open dakklep moet u altijd vergrendelen door hem naar de voorkant van de auto te duwen tot de bediening 2 vergrendelt.
Belangrijk: Het is verboden met een geopende en niet-vergrendelde dakklep te rijden.

Voor het laden van grote voorwerpen kan de dwarsstang worden neergeklapt:
- Druk op de hendel 3;
- til de stang op om deze vrij te maken en begeleid hem naar de deurstijl;
- na het laden moet u de stang weer vergrendelen.
N.B.: tijdens het rijden met geopende dak-klep kunt u windgeruis horen. Om dit te verminderen opent u een van de zijruiten een beetje.

Rijden met een open dakklep kan tot gevolg hebben dat uitlaatgassen in het interieur terechtkomen. Dit gebruik moet
beperkt blijven voor het transport van grote voorwerpen, over een korte afstand, waarbij de achterdeuren gesloten kunnen blijven. Sluit in dit geval alle ruiten en laat de ventilateur met een middelmatige of maximale snelheid draaien, om te voorkomen dat uitlaatgassen het interieur binnendringen.
DAKKLEP (2/2)
28805

- Ontgrendel de bediening 2, de dakklep gaat dan automatisch terug tot halverwege;
- trek aan de handgreep 1 en vergrendel de dakklep in gesloten stand.
Voordat u wegrijdt, moet u altijd de dwarsstang weer op zijn plaats terugzetten en controleren of deze goed vergrendeld is.
Alleen als de stang is vergrendeld kunnen de achterdeuren goed worden afgesloten.
Houd rekening met de grotere buitenma- ten van de auto bij het vervoer van uit- stekende voorwerpen.
DRAAIBARE SCHEIDINGSSCHOT

Laat de schot kantelen
- Ontgrendel het zitkussen door de handgreep 1 naar beneden te draaien;
- zet het zitkussen van de passagiersstoel voor rechtop (pijl);
- zet de hoofdsteun 2 zo laag mogelijk;
- ontgrendel de rugleuning door opnieuw de handgreep 1 naar beneden te draaien en zet hem horizontaal. Om deze handeling te vergemakkelijken, laat u de hoofdsteun 2 kantelen;

- ontgrendel het draaibare deel door de grendel 3 op te tillen;
- plaats het zitkussen in omgekeerde volgorde terug.
Let bij het draaien van het draaibare scheidingsschot op dat de autogordel niet beschadigd wordt. Houd de gordel tegen de zijkant als u het schot draait.

- Draai het beweegbare deel 90° en zet het vast bij punt 5 door de grendel 3 naar beneden te drukken.
N.B.: controleer of het grendelpunt 4 schoon is voordat u het draaibare deel terugzet in de oorspronkelijke stand.
Maximale massa op de stoel in tafelstand: 80 kg gelijkmatig verdeeld.

Tijdens het rijden moet het beweegbare deel altijd zijn vergrendeld. Risico van verwonding.
AUTOGORDELS (1/4)
Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt.
Voor een doeltreffende bescherming door de autogordels achter moet de achterbank goed zijn vergrendeld. Raadpleeg de paragraaf "Achterbank: gebruiksmogelijkheden" in hoofdstuk 3.

verkeerd afgestelde of gedraaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroorzaken.
Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.
Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.
Stel voor de start de juiste positie van de bestuurdersstoel af, vervolgens voor alle inzittenden, opdat de autogordel optimaal bescherming zou bieden.
De juiste zithouding
- Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas, enz. uitgetrokken te hebben). Dit is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug;
- verschulf de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u de pedalen nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen;
- stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn;
- stel de hoogte van het zitkussen af. Verstel het kussen om een zo goed mogelijk zicht op het verkeer te hebben;
- stel de stand van het stuurwiel af.

Afstellen van de autogordel
Ga goed tegen de rugleuning aan zitten.
De band van de schoudergordel 1 moet zo dicht mogelijk langs de hals over de schouder lopen, zonder dat de gordel uw hals raakt.
De band van de heupgordel 2 moet vlak over de heupen langs het bekken lopen.
De autogordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bv.: niet over te dikke kleding of over ertussen gestoken voorwerpen enz.
AUTOGORDELS (2/4)

Vergrendelen
Trek de riem langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken).
Als de gordel blokkeert, laat hem dan een stuk teruggaan en rol hem opnieuw af.
Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.

Waarschuwingslampje vergeten autogordels voor
Het blijft branden tijdens het starten als uw autogordel niet vastgemaakt is. Wanneer de auto sneller rijdt dan 20 km/u., gaat het controlelampje knipperen en klinkt er een geluidssignaal. Het geluidssignaal weerklinkt zachtjes gedurende 30 seconden en daarna harder gedurende 90 seconden.
Ontgrendelen
Druk op de knop 4, de gordel wordt door het oprolmechanisme teruggetrokken. Begeleid hem.
NB: een voorwerp op de zitting van de passagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.

Hoogteverstelling van de autogordels voor
Verplaats de knop 6 om de hoogte van de gordel zo af te stellen dat de riem van de borstkas 1 loopt zoals hiervoor is aangegeven:
- om de gordel lager te zetten: druk op de knop 6 en laat gelijktijdig de gordel zakken;
- om de gordel hoger te zetten: druk op de knop 6 en schuif hem daarna omhoog in de gewenste stand.
Controleer na het afstellen of de knop weer goed is vergrendeld.
AUTOGORDELS (3/4)

Middelste gordel
Rol de gordel langzaam af tot u de zwarte gesp 7 in de grendel 10 kunt vastklikken.
Gordels aan de zijkanten
Trek de gordel langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 8 in de sluiting 9 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 8 te trekken).
Het afstellen gebeurt op dezelfde manier als bij de gordels voorin.
Voor een doeltreffende bescherming door de autogordels achter moet de achterbank goed zijn vergrendeld. Raadpleeg de paragraaf "Achterbank: gebruiksmogelijkheden" in hoofdstuk 3.
AUTOGORDELS (4/4)
De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.

- Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan. Raadpleeg voor speciale gevallen (bv. installatie van een kinderzitje) een merkdealer.
– Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes enz.): een autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.
- Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.
- Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.
- De gordel mag niet gedraaid zijn.
- Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen. Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.
- Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.
- Let er bij het terug kantelen van de achterbank op dat de autogordels weer op de juiste wijze gebruikt kunnen worden.
- Zorg dat er geen voorwerp in de sluiting van de gordel kan komen waardoor de werking belemmerd wordt.
- Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (1/3)
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- gordelspanners;
- frontale airbags 1voor de bestuurder en passagler.
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen activeren:
- blokkering van de autogordel 2;
- de gordelspanner (die in werking komt om de speling van de autogordel op te heffen);
- de frontale airbag.

Gordelspanners
De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trekken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de gordelspanner activeren die onmiddellijk de gordel strak trekt.

- Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de gordelspanners en airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (2/3)
De plaatsen voor aan bestuurderskant en afhankelijk van de auto, van de passagier zijn hiermee uitgerust.
Het opschrift "airbag" op het stuurwiel, het dashboard (zone van de airbag A) en, afhankelijk van de auto, een pictogram aan de onderkant van de voorruit herinneren aan de aanwezigheid van deze uitrusting.
Elk airbagsysteem bestaat uit:
- een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier;
- een rekeneenheid die het systeem bewaakt en de elektrische ontsteking van de gaspatroon bestuurt;
- een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel;
- aparte opname-elementen.
Werking
Het systeem werkt alleen als het contact aanstaat.
Bij een zware frontale aanrijding, worden de airbags, die de klap opvangen van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard, snel opgeblazen. Daarna lopen de airbags direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.

Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waardoor warmte en rook vrijkomen zonder enig brandgevaar en er
klinkt een luide knal. De airbag die onmiddellijk naar buiten komt, kan ongevaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (3/3)
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag
- Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.
– Dek de naafdop niet af.
- Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun enz.) op het stuurwiel.
- Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoeren.
- Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (raadpleeg de paragraaf "Afstellen juiste zithouding" in hoofdstuk 1). Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.
Waarschuwingen inzake de passagiersairbag
- Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun enz.) in de airbagzone.
- Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dashboard zetten).
- Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard of de stoel leggen. Dat kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.
- Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.
HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UITGESCHAKELD ZIJN.
(Raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANT
Zijairbags
(afhankelijk van de auto)
De zijairbag is aan de kant van het portier ondergebracht in de rugleuning van elk van de voorstoelen en komt in werking om de inzittenden te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant.
Zijruitairbags
(afhankelijk van de auto)
Dit is een airbag die zich aan de zijkant boven kan bevinden en die zich ontplooit langs de zijruiten voor en achter om de inzittenden te beschermen bij een zware aanrijding tegen de zijkant.
Afhankelijk van de auto, herinnert een pictogram op de voorruit aan de aanwezigheid van de aanvullende veiligheids-voorzieningen (airbags, gordelspanners enz.) in het interieur.

Waarschuwingen inzake de zijairbag
- Stoelhoezen: voor de stoelen met zijairbags zijn speciale stoelhoezen nodig. Raadpleeg een merkdealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn. Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model) e goede werking van de zijairbag belemmeren en daardoor de veiligheid van de nden in gevaar brengen.
- Plaats geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires. De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwondingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.
- Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit gebeurt door deskundig personeel van de merkdealer.
- De spleten in de rugleuningen voor (aan de kant van het portier) komen overeen met de zone waarbinnen de airbag zich kan opblazen: het is verboden hier voorwerpen te plaatsen.
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbags, gordelspanners (rekeneenheid, bedrading enz.). Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide mon-teurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd.
- Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het systeem werken.
- Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto.
- Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze bijzonderheden door hem dit instructieboekje bij de auto te leveren.
- Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.

Storingen
Het lampje 1 op het instrumentenpaneel gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele secondes.
Als het niet gedurende enkele seconden oplicht bij het aanzetten van het contact of oplicht bij gestarte motor, geeft het een storing in het systeem (airbags, gordelspanner enz.) bij de zitplaatsen voorin en/of achterin aan.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer. Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.
KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2)
Vervoer van kinderen
Het kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.
Een kind is geen volwassene in miniatuur- formaat. Het staat bloot aan specifieke let- selrisico's doordat de spieren en botten nog in de groei zijn. De autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoer. Gebruik het juiste kinderzitje en gebruik het correct.

Om het openen van de portieren te voorkomen, gebruikt u de "Kinderveiligheid" (raadpleeg de paragraaf "Openen en an de portieren" in hoofdstuk 1).

Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte. Het niet vastmaken van een kind is het- s het laten spelen op een balkon alustrade op de vierde verdie-
Houd een kind nooit in uw armen. Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegenhouden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.
Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u het kinderzitje vervangen en de gordels en de ISOFIX verankeringen laten controleren.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke- ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2)
Gebruik van een kinderzitje
De bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.
Controleer voordat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zitje geadviseerd worden voor uw auto.
Lees, vóór het monteren van een kinderzitje, de gebruiksaanwijzing en houd u aan de instructies. Neem, bij problemen met het installeren, contact op met de fabrikant van de uitrusting. Bewaar de gebruiksaanwijzing bij het zitje.
Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind:
- zich correct vast te maken.
- in en uit te stappen aan de andere kant van het verkeer.
Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.
Let op dat niets in de buurt van het kinderzitje de installatie ervan belemmert.

Laat een kind nooit onbewaakt achter in de auto.
Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de correct is afgesteld en aangepast.
Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte tussen de riemen kan ontstaan.
Laat uw kind nooit zijn hoofd of armen uit het raam steken.
Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
KINDERVEILIGHEID: keuze van het kinderzitje

Kinderzitje "achterstevoren"
Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund.
Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uitsteekt.

Kinderzitje "vooruit"
Het hoofd en de buik van een kind zijn de lichaamsdelen die het meest beschermd moeten worden. Een vooruit bevestigd kinderzitje dat solide in de auto is bevestigd vermindert de gevaren van een klap tegen het hoofd. Vervoer uw kind in een vooruit bevestigd zitje met een harnas of een schootkussen als de lengte van het kind dat toelaat.
Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij.

Vanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaamsbouw. De zitting van de verhoger moet geleiders hebben die de gordel over de heupen van het kind en niet over de buik laten lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen.
Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij.
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (1/2)
Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzitjes: met de autogordel of met het ISOFIX-systeem.
Bevestiging met de autogordel
De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing.
Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft.
Controleer altijd de vergrendeling van de autogordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op het kinder-zitje te drukken.
Controleer of het zitje goed vastzit door het zitje naar links/rechts en naar voren/achteren te bewegen: het zitje moet stevig vast blijven zitten.
Controleer of het kinderzitje niet dwars is ge-installeerd en niet tegen een ruit rust.

Gebruik geen kinderzitje dat de gordel waarmee het vastzit zou kunnen losmaken: het onderstel van het zitje mag niet op
de gesp en/of de sluiting van de gordel rusten.

De autogordel mag nooit los-gemaakt of verdraaid worden. Laat de gordel nooit onder de armen of achter de rug lopen.
Controleer of de gordel niet beschadigd is door scherpe randen.
Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen. Raadpleeg een merkdealer. Gebruik deze zitplaats niet zolang de gordel niet is gerepareerd.

Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het systeem: gordels, ISOFIX zitjes en stoelen en aan de be-
vestigingen ervan.
Bevestiging met ISOFIX systeem
Toegelaten zijn ISOFIX-kinderzitjes die zijn goedgekeurd overeenkomstig het reglement ECE-R44 in één van de drie gevallen:
- universeel ISOFIX 3-punts vooruit;
- semi-universeel ISOFIX 2-punts;
- specifiek.
Controleer, voor deze twee laatste, of uw kinderzitje geïnstalleerd kan worden door de lijst van de geschikte auto's te raadplegen.
Bevestig het kinderzitje met de ISOFIX grendels als het deze heeft. Het ISOFIX systeem garandeert en gemakkelijke, snelle en veilige montage.
Het ISOFIX systeem bestaat uit 2 ringen en, in sommige gevallen, een derde ring.

Voordat u een ISOFIX kinder-zitje installeert dat u hebt gekocht voor een andere auto, moet u nagaan of het geïnstal-
leerd mag worden. Raadpleeg de lijst van de fabrikant van het zitje waarop de auto's staan waarin het zitje gebruikt mag worden.
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van een kinderzitje (2/2)

De twee ringen 1 bevinden zich tussen de rugleuning en de zitting van de stoel, achter ritsen en zijn te herkennen aan een marke-ring.
Om het plaatsen en het vergrendelen van uw kinderzitje op de ringen 1 te vergemakkelijken, gebruikt u de geleiders 2 van het kinderzitje.
De derde ring wordt gebruikt voor het vastmaken van de bovenste riem van bepaalde kinderzitjes.

Afhankelijk van de auto, laat u de riem tussen de bekleding van de wielkuip 4 en de onderkant van het bovenste schot5.
Bevestig vanaf de bagageruimte, de haak van de riem op de ring 3 van de bijbehorende kant. Controleer of de rugleuning van de bank goed vergrendeld is.
Span de riem zodat de rugleuning van het kinderzitje goed tegen de rugleuning van de stoel in de auto is geplaatst.


De ISOFIX-verankeringen mogen alleen gebruikt worden voor kinderzitjes met het ISOFIX-systeem. Bevestig
nooit andere kinderzitjes, noch de gordel of andere voorwerpen op deze verankeringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u de ISOFIX-verankeringen laten controleren en het kinderzitje vervangen.

De verankeringen (ringen) van de bagageruimte 3 kunnen niet worden gebruikt als zij al dienen voor de bevestiging van twee van de drie volgende onderdelen: bagagescheidingsnet, lading in de bagageruimte of kinderzitje.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (1/5)
Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kinderzitjes bevestigd worden De schema's op de volgende bladzijden geven aan waar een kinderzitje gemonteerd kan worden.
De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer voordat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden.

Monteer het kinderzitje bij voor- keur op een zitplaats achterin.
Controleer of het kinderzitje, door het installeren ervan in de
auto, niet loskomt van het onderstel.
Als u de hoofdsteun moet verwijderen, berg deze dan goed op zodat deze niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
Maak het kinderzitje altijd goed vast aan de auto, ook als het niet in gebruik is, zodat het niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
Op zitplaats voorin
Het vervoer van een kind op de plaats van de voorpassagier is niet in alle landen toegestaan. Houd u aan de geldende wettelijke voorschriften en volg de aanwijzingen van de schema's op de volgende bladzijden.
Voordat u een kinderzitje op deze plaats installeert (indien dit toegestaan is):
- zet de autogordel zo ver mogelijk naar beneden;
- schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren;
- zet de rugleuning enigszins schuin (ongeveer 25°);
- zet de zitting, indien mogelijk, zo ver mogelijk omhoog.
Wijzig deze afstellingen niet meer na het installeren van het kinderzitje.

LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG
LETSEL: controleer voordat u hier een kinderzitje installeert,
of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).
Zitplaats achterin
Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier gelegen kant.
Zet de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om een kinderzitje achterstevoren te installeren, en zet deze daarna zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
Voor de veiligheid van het vooruit geplaatste kind, mag u de stoel die voor het kind staat niet verder dan halverwege de stelrails naar achteren zetten, de rugleuning niet te schuin (25° maximaal) zetten en moet u de stoel zo hoog mogelijk zetten.
Controleer of het vooruit geplaatste kinder-zitje goed tegen de rugleuning van de stoel van de auto rust en de hoofdsteun van de auto niet in de weg zit.
Kinderhoofdsteun
Als de auto uitgerust is met de kinderhoofdsteun en verhoogd zitkussen bevinden deze zich uitsluitend op de achterplaatsen aan de zijkant.
Raadpleeg voor de montage en gebruik de handleiding van de uitrusting
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (2/5)
Uitvoering met 2 zitplaatsen

| Groep van het zitje(gewicht van het kind) | Plaatsen geschikt voor kinderzitjesZitplaatsen voorpassagier (1) | |
| METPASSAGIERSAIRBAG(2) | ZONDERPASSAGIERSAIRBAG | |
| Groep 0, 0+(gewicht minder dan 13 kg) | U | U |
| Groep I(gewicht van 9 tot 18 kg) | U | U |
| Groep II en III(gewicht van 15 tot 36 kg) | U | U |
Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel
U Plaats toegelaten voor de bevestig- ging met de gordel van een als "Universeel" goedgekeurd zitje.
Plaats verboden voor het installeren van een kinderzitje.
Controleer de staat van de airbag voordat u een passagier laat plaatsnemen of een kinderzitje installeert.
(1) Voordat u een kinderzitje installeert: zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren.

(2) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG
LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje op de plaats
van de passagier voorin installeert, of de airbag is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiers-airbag voorin" in hoofdstuk 1).
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (3/5)
Uitvoering met 5 zitplaatsen

27311
Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel

Plaats toegelaten voor de bevesti- et de gordel van een als "Universeel" keurd zitje;

Plaats toegelaten voor de bevesnet de gordel van uitsluitend een stevoren geplaatst kinderzitje dat keurd is als "Universeel".

LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voor-
dat u een kinderzitje achterstevoren op de plaats van de passagier voorin installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen,inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).

Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinderveiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct beschermd. Het kan ernstig of zelfs dodelijk letsel oplopen.
Kinderzitjes bevestigd met behulp van de ISOFIX-bevestiging

Plaats waar een ISOFIX-kinderzitje is laten.

Controleer de staat van de airbag t u een passagier laat plaatsnemen of derzitje installeert.

Plaats verboden voor het installeren n kinderzitje.

De zitplaatsen achterin zijn voor- n een verankering voor de bevesti- n een universeel ISOFIX-kinderzitje De verankeringen bevinden zich in ageruimte en zijn zichtbaar.
De grootte van een ISOFIX-kinderzitje wordt aangegeven door een letter:
- A, B en B1: voor zitjes vooruit van groep 1 (van 9 tot 18 kg);
- C: zitjes achterstevoren van groep 1 (van 9 tot 18 kg);
- D en E: kuipzitjes of zitjes achterstevoren van groep 0 of 0+ (onder 13 kg);
- F en G: reiswiegen van groep 0 (onder 10 kg).
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (4/5)
In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
| Uitvoering met 5 zitplaatsenType kinderzitje | Gewicht van het kind | Grootte van het zitjeISOFIX | Zitplaats voorpassagier(1) (2) | Zitplaatsenzijkant achter | Zitplaatsmidden achter |
| Reiswieg dwarsGroep 0 | < tot 10 kg F, G | X U - IL (3) U (3) | |||
| Kuipzitje/kinderzitje achterstevorenGroep 0, 0+ en 1 | < tot 13 kg en9 tot 18 kg | C, D, E U - IL (6) U - IL (4) U (4) | |||
| Kinderzitje vooruit geplaatstGroep 1 | 9 tot 18 kg A, B | B1 X U - IUF - IL (5) U (5) | |||
| ZittingverhogerGroep 2 en 3 | 15 tot 25 kg en22 tot 36 kg | X | U (5) | U (5) |

(1) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje achterstevoren op de plaats van de passagier voorin installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen,inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (5/5)
X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van een kinderzitje.
U = Plaats toegestaan voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als "Universeel" goedgekeurd zitje; controleer of het gemonteerd kan worden.
IUF/IL = Plaats toegestaan voor bevestiging door middel van ISOFIX-bevestigingen, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als "Universeel/semi-universeel of specifiek voor een auto"; controleer of het gemonteerd kan worden.
(2) Alleen een kinderzitje type achterstevoren kan worden geïnstalleerd op deze plaats: zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk, en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
(3) Een reiswieg wordt dwars in de auto gezet en neemt minimaal twee zitplaatsen in beslag (plaats het hoofd van het kind niet aan de kant van het portier).
(4) Zet de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om een kinderzitje achterstevoren te installeren, en zet deze daarna zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
(5) Zet met het kinderzitje vooruit geplaatst de rugleuning van het kinderzitje tegen de rugleuning van de auto. Stel de hoogte van de hoofdsteun af of verwijder deze indien nodig. Zet bovendien de stoel vóór het kind niet verder naar achteren dan halverwege de stelrails en de rugleuning ervan niet schuiner dan 25°.
(6) Afhankelijk van de auto.
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (1/3)

Uitschakelen van de passagiersairbags voorin (voor de auto's die hiermee uitgerust zijn)
Voordat u een kinderzitje kunt installeren op de passagiersstoel voorin, moet u verplicht de aanvullende veiligheidsvoorzieningen bij de autogordel van de passagier voorin uitschakelen.

Uitschakelen van de airbags: stilstaande auto, contact uit, druk en draai de knop 1 in stand OFF.
Met contact aan, moet u verplicht controle- ren of het controlelampje 2 op het centrale display oplicht en, afhankelijk van de auto, of de boodschap "passagiersairbag off" verschijnt.
NB: als de auto een zijairbag heeft, wordt deze ook uitgeschakeld.
Dit lampje blijft constant branden om u eraan te herinneren dat u een kinderzitje kunt gebruiken.

GEVAAR
Omdat het gevaarlijk is als de passagiersairbag voorin in werking komt als er een kinderzitje
achterstevoren op de voorstoel is geplaatst, mag u NOOIT een kinderzitje achterstevoren (met de rug naar de weg) installeren op een voorstoel met een ACTIEVE AIRBAG. Dit kan de DOOD van het KIND of ERNSTIG LETSEL tot gevolg hebben.

Het in- en uitschakelen van de passagiersairbag moeten bij stilstaande auto gebeuren.
Als dit bij rijdende auto ge-
beurt, lichten de controlelampjes en op.

Om de staat van de airbag weer in overeenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (2/3)


GEVAAR
Omdat het gevaarlijk is als de passagiersairbag voorin in werking komt als er een kinderzitje
achterstevoren op de voorstoel is ge- plaatst, mag u NOOIT een kinderzitje achterstevoren (met de rug naar de weg) installeren op een voorstoel met een ACTIEVE AIRBAG. Dit kan de DOOD van het KIND of ERNSTIG LETSEL tot gevolg hebben.
A
31454

De merktekens op het dashboard en de stickers A aan elke kant van de zonneklep van de passagier 3 (bijvoorbeeld de sticker hierboven), herinneren u aan deze instructies.
A
35770

KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (3/3)

Inschakelen van de passagiersairbag voorin
Zodra het kinderzitje van de passagiersstoel verwijderd is, moet u de airbags weer inschakelen om de voorpassagier bij een bot-sing te beschermen.
Weer inschakelen van de airbags: stilstaande auto, contact uit, druk en draai de knop 1 in stand ON.
Met contact aan, moet u verplicht controle- ren of het controlelampje 2 uit is.
De aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de voorpassagier zijn ingeschakeld.

In geval van een storing aan het systeem voor het in- en uitschakelen van de passagiersairbags, is het verboden een kinderzitje op de voorstoel te gebruiken.
Het gebruik van de voorstoel door een pas-sagier wordt ook afgeraden.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer.

Het in- en uitschakelen van de passagiersairbag moeten bij stilstaande auto gebeuren.
Als dit bij rijdende auto ge-
beurt, lichten de controlelampjes en op.

Om de staat van de airbag weer in overeenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.
Afstellen van het stuurwielhoogte
Trek aan hendel 1 en stel het stuurwiel af in de gewenste stand; Duw tegen de hendel om het stuurwiel te blokkeren.
Controleer of het stuurwiel goed is vergren- deld.

Voer, om veiligheidsredenen, deze afstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid waarmee u rijdt aan.
Bij het parkeren is er veel bekrachtiging (voor meer comfort) en met het toenemen van de snelheid vermindert de bekrachtiging (voor een grotere veiligheid bij snel rijden).

Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachtiging.
Laat het stuurwiel niet in een uiterste stand gedraaid staan als de auto stil staat.
Bij stilstaande motor of bij een storing in het systeem blijft het mogelijk het stuurwiel te draaien. Er moet meer kracht gezet worden.
Bij het snel draaien van het stuurwiel is het normaal dat u een geluid hoort.
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (1/2)

De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
1 Schakelaar voor:
- richtingaanwijzers;
buitenverlichting; - mistlichten voor;
- mistachterlicht.
2 - Claxon,
- plaats bestuurdersairbag.
3 Instrumentenpaneel.
4 Schakelaar voor:
- ruitenwisser;
- ruitensproeier;
- boordcomputer.
5 Startschakelaar.
6 Centraal display:
- waarschuwingslampje autogordel vergeten;
- waarschuwingslampje uitschakeling airbag;
- navigatie;
- tijd;
- buitentemperatuur.
7 Centraal ventilatierooster.
8 Bedieningspaneel voor de ventilatie, klimaatregeling en ruitontwaseming.
9 Ontwasemingssleuf onder de voorruit.
10 Plaats passagiersairbag.
11 Luidspreker.
12 Zijrooster.
13 Ventilatierooster van zijruit.
14 Dashboardkastje.
15 Opbergruimte of accessoireaansluiting.
16 Schakelaar voor de alarmknipperlichten.
17 Schakelaar voor de elektrische portiervergrendeling.
18 Aansteker / 12V aansluiting.
19 Handrem.
20 Versnellingshendel.
21 Afstandsbediening/plaats voor radio, navigatiesysteem.
22 Schakelaars voor de snelheidsregelaar/-begrenzer.
23 Knop voor het ontgrendelen van de motorkap.
24 Knop voor het afstellen van de hoogte van de koplampen.
25 Schakelaar aanvullende verwarming.
26 Schakelaar ECO-modus.
27 Schakelaars:
- van de snelheidsregelaar/-begren- zer;
- parkeerhulp;
- in-/uitschakelen van de voetgan-gersclaxon.
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (1/2)

De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
1 Ventilatierooster van zijruit.
2 Zijrooster.
3 Luidspreker.
4 Plaats passagiersairbag.
5 Ontwasemingssleuf onder de voorruit.
6 Bedieningspaneel voor de ventilatie, klimaatregeling en ruitontwaseming.
7 Centraal ventilatierooster.
8 Centraal display:
- waarschuwingslampje autogordel vergeten;
- waarschuwingslampje uitschakeling airbag;
- navigatie;
- tijd;
- buitentemperatuur.
9 Schakelaar voor:
- richtingaanwijzers,
- buitenverlichting;
- mistlichten voor;
- mistachterlicht.
10 – Claxon.
– Plaats bestuurdersairbag.
11 Instrumentenpaneel.
12 Startschakelaar.
13 Schakelaar voor:
- ruitenwisser;
- ruitensproeier;
- boordcomputer.
14 Schakelaar voor de snelheidsregelaar/-begrenzer.
15 Schakelaar aanvullende verwarming.
16 Schakelaar ECO-modus.
17 Schakelaar voor het in-/uitschakelen van de voetgangersclaxon.
18 Knop voor het afstellen van de hoogte van de koplampen.
19 Schakelaars voor de snelheidsregelaar/-begrenzer.
20 Inbouwplaats voor radio, navigatiesysteem.
21 Versnellingshendel.
22 Aansteker/12 V aansluiting.
23 Handrem.
24 Schakelaar voor de elektrische portiervergrendeling.
25 Schakelaar voor de alarmknipperlichten.
26 Opbergruimte of accessoireaansluiting.
27 Dashboardkastje.
28 Knop voor het ontgrendelen van de kap.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.

Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.

Het waarschuwingslampje
STOP dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar
te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.

Controlelampje mistlichten voor

Controlelampje mistachterlicht

Controlelampje richtingaanwijzers links

Controlelampje richtingaanwijzers rechts

Indicatielampje "klaar om te rijden"
Het licht op bij het starten van de motor.

Controlelampje "oplaadsnoer aangesloten"
Gaat branden zodra het oplaadsnoer op de auto is aangesloten.

Waarschuwingslampje laadni-veau 12 V accu
Als het tijdens het rijden gaat branden, is er een storing in het laadstroomcircuit van de accu. Stop en raadpleeg snel een merkdealer.
Waarschuwingslampje : Het is nodig voorzichtig direct naar een merk-dealer te rijden. Als u dit voorschrift ne-geert, loopt u het risico dat uw auto be-schadigd wordt.

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instrumentenpaneel weer. U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Zorg dat de auto inderdaad goed gestopt is en neem contact op met een merkdealer.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.

STOP Waarschuwingslampje stop on-middellijk
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft zodra de motor start. Het gaat tegelijk met andere waarschuwingslampjes en/of boodschap(pen) branden.
Het dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw.
Roep de hulp in van een merkdealer.
Waarschuwingslampje storing remsysteem Als het tijdens het remmen gaat branden met het waarschuwingslampje STOP en er een geluidssignaal klinkt, dan wijst het op een daling van de hoeveelheid remvloeistof of een storing aan het remsysteem. Stop en roep de hulp in van een merkdealer.
Waarschuwingslampje Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft zodra de motor start. Het kan tegelijk gaan branden met andere controlelampjes en/of boodschappen op het instrumentenpaneel.
Het is nodig voorzichtig direct naar een merkdealer te rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
Controlelampjes van de snelheidsregelaar en snelheidsbegrenzer
Raadpleeg de paragra- fen "Snelheidsregelaar" en "Snelheidsbegrenzer" in hoofdstuk 2.
Waarschuwingslampje airbag Dit lampje gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele secondes. Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als het oplicht tijdens het rijden, wijst dit op een storing in het systeem. Raadpleeg snel een merkdealer.
Waarschuwingslampje mini- maal brandstofpeil aanvullende verwarming
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact en dooft na enkele seconden. Als het tijdens het rijden oplicht in combinatie met een geluidssignaal, wijst dit erop dat er geen brandstof meer is voor de aanvullende verwarming.
Waarschuwingslampje autogordel
Afhankelijk van de auto verschijnt dit op het instrumentenpaneel of op het centrale display van het dashboard. Het blijft branden tijdens het starten als uw autogordel niet vastgemaakt is. Een geluidssignaal weerklinkt zachtjes gedurende 30 secondes, daarna harder gedurende 90 secondes.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.


Waarschuwingslampje laag niveau tractiebatterij
Licht op wanneer het laadniveau van de tractiebatterij de reservedrempel bereikt. Raadpleeg de paragraaf "Displays en meters" in hoofdstuk 1.

Waarschuwingslampje elektronisch systeem
Als het tijdens het rijden oplicht, wijst dit op een elektrische storing in het 400 V elektrische circuit. Raadpleeg snel een merkdealer.

Controlelampje temperatuur elektronisch systeem
Wanneer het blauwe waarschuwingslampje oplicht, wijst dit op een te lage temperatuur van de tractiebatterij.
Wanneer het oranje waarschuwingslampje oplicht, wijst dit op een te hoge temperatuur van de motor of de tractiebatterij. Kies een soepele rijstijl.
In alle gevallen kan het oplichten van de waarschuwingslampjes leiden tot mindere prestaties van de auto.

Waarschuwingslampje antiblok-
keersysteem
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft na enkele secondes. Als het niet dooft na het aanzetten van het contact of als het oplicht tijdens het rijden, wijst dit op een storing in het antiblokkeersysteem van de wielen. Er kan dan met de auto worden geremd als bij een auto zonder ABS.
Raadpleeg snel een merkdealer.
De aanwezigheid en werking van de displays en meters ZIJN AFHANKELIJK VAN DE UITRUSTING EN HET LAND.

Snelheidsmeter 1
De snelheid van de auto is begrensd tot ongeveer 130 km/u.
Deze snelheid kan permanent ingesteld blijven afhankelijk van de auto.

Geluidssignaal snelheidsverklikker
Afhankelijk van de uitvoering van de auto klinkt er iedere 40 secondes een geluidssignaal gedurende 10 secondes zolang de auto sneller rijdt dan 120 km/u.
N.B. : afhankelijk van de auto, kunt u de gewenste snelheid programmeren, raadpleeg een merkdealer.
Display met verschillende functies 2
Raadpleeg de paragraaf "Boordcomputer: algemeen" in hoofdstuk 1
Laadniveau 3
De meter geeft de resterende hoeveelheid energie aan.
Reservedrempel 5
Geeft aan dat de accu ongeveer 12% is opgeladen. Het controlelampje licht op met een geluidssignaal.
Raadpleeg voor het optimaliseren van de actieradius de paragraaf "Tips: energiebesparing" in hoofdstuk 2.
Drempel van onmiddellijke stilstand 4
Deze geeft aan dat de batterij minder dan 6% van de lading heeft bereikt. Het geluidssignaal weerklinkt om de 10 seconden en het controlelampje knippert.
Bovendien kan de boodschap "Beperkte prestaties" op het instrumentenpaneel worden weergegeven.
De prestaties van de motor nemen steeds meer af totdat de auto tot stilstand komt.
Raadpleeg de paragraaf "Slepen: pechhulp" in hoofdstuk 5.
De aanwezigheid en werking van de displays en meters ZIJN AFHANKELIJK VAN DE UITRUSTING EN HET LAND.

Econometer 6
Raadpleeg de paragraaf "Econometer" in hoofdstuk 2.

Gebruikszone A "energieterugwinning" De naald geeft aan dat de auto energie ge- nereert en de tractiebatterij oplaadt (de auto remt of rijdt van een helling af).
Stand B "neutraal"
De naald geeft een verbruik van nul aan (de auto staat stil zonder verbruik).
Gebruikszone C "verbruik"
De naald geeft het energieverbruik aan (de auto rijdt bijvoorbeeld over een vlakke grond).
De aanwezigheid en werking van de displays en meters ZIJN AFHANKELIJK VAN DE UITRUSTING EN HET LAND.

Keuzetoetsen voor de weergave van het display 5 of 6
Afhankelijk van de auto, kan door het achter elkaar indrukken van de toets, de informatie op het display geselecteerd worden, de dagteller op nul gezet worden (in dit geval moet de dagteller op het display geselecteerd zijn).
- Selecteren van de weergave
Door kort indrukken wisselt u tussen de to- taalteller en de dagteller en omgekeerd.
- Nulinstelling van de dagteller
Als de dagteller is geselecteerd drukt u de toets langer in.
Display met verschillende functies
Totaalteller.
Kilometerdagteller.
Tijd instellen.
OF
Boordcomputer
Raadpleeg de paragraaf "Boordcomputer" in hoofdstuk 1.
BOORDCOMPUTER: algemeen (1/2)

Boordcomputer A
Afhankelijk van de auto, beschikt hij over de volgende functies:
- afgelegde afstand;
- gegevens van de reis;
- informatieboodschappen;
- storingsboodschappen (in combinatie met het lampje );
- alarmboodschappen (in combinatie met het waarschuwingslampje STOP).
Alle functies zijn beschreven op de volgende bladzijden.

Keuzetoetsen voor de weergave van het display 1 en 2
Laat door achter elkaar en kort in te drukken naar boven (toets 1) of naar beneden (toets 2) de volgende informatie langskomen (de weergave hangt af van de uitrusting van de auto en het land).
a) Totaalteller en dagteller.
b) gegevens van de reis:
- gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling;
- gemiddeld energieverbruik;
- actueel energieverbruik;
- totaal energieverbruik sinds de inverkeerstelling van de auto;
- bereik met de overgebleven brandstof;
- afgelegde afstand;
- gemiddelde snelheid.
c) overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt;
d) ingestelde snelheid van de snelheidsbegrenzer en van de snelheidsregelaar;
e) functieoverzicht, informatieboodschappen en storingsboodschappen.
BOORDCOMPUTER: algemeen (2/2)

Nulinstelling van de dagteller
Gekozen aanduiding op "dagteller", druk op een van de toetsen 1 of 2 tot de nulinstelling van de dagteller.
Nulinstelling van de gegevens van de reis
Gekozen aanduiding op één van de gegevens van de reis, druk op een van de toetsen 1 of 2 tot de nulinstelling van de aanduiding.
Betekenis van de energieverbruikwaarden
bepaalde uitrustingen van de auto verbruiken energie: de door de auto verbruikte energie kan dus afwijken van de verbruikte energie die de elektrische meter aangeeft.
Betekenis van de waarden gedurende de eerste paar kilometer na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld energieverbruik en gemiddelde snelheid worden stabierer en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt.
Automatische nulinstelling van de gegevens van de reis
De nulinstelling gebeurt automatisch als één van de gegevens zijn maximale waarde bereikt.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (1/4)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| 101778 km112,4 km | a) Totaalteller en dagteller. |
| Verbruik20 kWh♀.... [IMAGE] | b) Gegevens van de reis.Hoeveelheid verbruikte energie sinds de laatste nulinstelling. |
| Gemiddeld18,5 kWh/100km♀.... [IMAGE] | Gemiddeld energieverbruik sinds de laatste nulinstelling.De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulinstelling. |
| ACTUEEL+ 12 kW[IMAGE] | Actueel energieverbruik. |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (2/4)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| Actieradius118 km | Het bereik met de overgebleven energie. |
| Afstand522 km | Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling. |
| Gemiddeld48 km/h | Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. |
| Verbruik487 kWh | Totaal energieverbruik sinds de inverkeerstelling van de auto. |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (3/4)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND
| Voorbeelden van de selectie Beteker is van de gekozen aanduiding | |
| Onderhoud over1936 km | c) Interval voor onderhoudsbeurten. Afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (weergave in kilometers); daarna, als de termijn van de overgebleven afstand bijna verstreken is, doen verschillende gevallen zich voor:– interval minder dan 1500 km of een maand: de boodschap “onderhoudsbeurt binnen” wordt weergegeven met de dichtstbijzijnde termijn (afstand of tijd);– interval gelijk aan 0 km of datum onderhoudsbeurt bereikt: de bood-schap “VERVANG ZSM DE MOTOROLIE” wordt weergegeven en het con-trolelampje [IMAGE] licht op.Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren. |
| Resetten van het display na onderhoud volgens het onderhoudsprogramma.Het onderhoudsinterval mag pas gereset worden na een onderhoudsbeurt die in overeenstemming is met het onderhoudsprogramma van uw auto.Bijzonderheid: om het revisie-interval te resetten, drukt u ongeveer 10 seconden zonder onderbreking op een van de toetsen van de nulinstel-ling van de weergave, tot de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt permanent wordt weergegeven. | |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (4/4)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND
| Voorbeelden van de selectie Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| Begrenzer90 km/h | e) Ingestelde snelheid van de snelheidsregelaar en -begrenzer. Raadpleeg de paragrafen “Snelheidsregelaar” en “Snelheidsbegrenzer” in hoofdstuk 2. |
| Regelaar90 km/h | |
BOORDCOMPUTER: informatieboodschappen
Informatieboodschappen
Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid. Voorbeelden van informatieboodschappen worden hierna gegeven.
| Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de boodschappen | |
| « Laden nog 02:10 » Geeft aan hoe lang het nog duurt voordat het opladen is voltooid. | |
| « Geen bericht in geheugen » Er wordt geen waarschuwing in het geheugen opgeslagen. | |
| « Rem de auto » Houd u aan deze richtlijn: risico van beschadiging van de motor. | |
| « Verwarming uitgeschakeld » | Geeft aan dat de aanvullende verwarming is uitgeschakeld omdat er geen brandstof meer in de tank zit. |
| « Prestaties beperkt » Geeft aan dat de auto minder presteert. | |
| « LICHTAUTOMAAT NIET ACTIEF » | Geeft aan dat de automatische werking van de verlichting is uitgeschakeld. |
BOORDCOMPUTER: storingsboodschappen
Zij verschijnen met het controlelampje en het is nodig direct voorzichtig naar een merkdealer te rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het functieoverzicht. Het lampje blijft branden. Voorbeelden van storingsboodschappen worden hieronder gegeven.
| Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de boodschappen | |
| « Controleer remsysteem » | Geeft slijtage van het remsysteem of de noodzaak om dit te controleren aan. |
| « Accu laden onmogelijk » Geeft een defect aan het oplaadsysteem van de tractiebatterij aan. | |
| « CONTROLEER VERLICHTING » | Geeft aan dat er een storing is in de automatische werking van de lichten. |
BOORDCOMPUTER: alarmboodschappen
Zij verschijnen met het controlelampje STOP en dwingen u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.
Voorbeelden van alarmboodschappen worden hierna gegeven. N.B.: de boodschappen verschijnen op het display alleen of afwisselend (als er meer boodschappen zijn), zij kunnen gecombineerd zijn met een waarschuwingslampje en/of een geluidssignaal.
| Voorbeelden van boodschappen Betekenis van de boodschappen | |
| « MOTOR TE HEET » Geeft een oververhitting van de motor van de auto aan. | |
| « DEFECT BESTURING » Geeft een probleem met de stuurinrichting van de auto aan. | |
| « Elektrisch defect gevaar » Geeft een storing van het elektrische systeem aan. | |
| « Defect elektr. motor » Geeft vermogensverlies van de auto aan. | |
| « DEFECT REMSYSTEEM » Geeft een probleem in het remsysteem aan. |
Met contact aan, worden de tijd en, afhankelijk van de auto, de buitentemperatuur aangegeven.
De tijd instellen
Klokje A op tijd zetten
(afhankelijk van de auto)
Ga naar de bladzijde "Tijd" op het instrumentenpaneel door op een van de knoppen van de schakelaar 1 te drukken.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Na twee secondes knipperen de uren en de minuten.
Druk lang op de knop aan de onderkant om naar de instelmodus van de uren te gaan.
Als alleen de uren knipperen, drukt u op de toets aan de bovenkant om ze in te stellen.
Druk lang op de knop aan de onderkant om naar de instelmodus van de minuten te gaan.
Als alleen de minuten knipperen, drukt u op de toets aan de bovenkant om ze in te stellen.
Bevestig de instelling door een lange druk op de toets aan de onderkant van de schakelaar 1.
Auto's met een navigatiesysteem, radio enz.
Raadpleeg het specifieke boekje van de uitrusting om de bijzonderheden ervan te kennen.
Buitentemperatuur
Afhankelijk van de auto wordt de buitentemperatuur aangegeven bij A. Als deze tussen -3 °C en +3 °C ligt, knipperen de tekens °C (risico van gladheid).
Als de elektrische voeding onderbroken is geweest (losgenomen kabel van 12 V-accu, zekering doorgebrand), geeft het klokje niet langer de juiste informatie aan. Zet het weer op tijd.

Buitentemperatuurmeter
De buitenthermometer is be- slist geen gladheidsdetector.
Gladheid is niet alleen van de temperatuur afhankelijk, maar van meer factoren zoals de ligging van de weg en de vochtigheid van de lucht.
SPIEGELS

De binnenspiegel is verstelbaar. Om te voorkomen dat u in het donker verblind wordt door achter u rijdende voertuigen, kan het spiegelglas in de nachtstand gekanteld worden met het knopje 1.

Elektrisch verstelbare buitenspiegels
Contact aan, bedien de knop 2 :
- stand A voor het afstellen van de linker- spiegel;
- stand C voor het afstellen van de rechter-
spiegel.
B is de neutrale stand.
Verwarmde buitenspiegels
Bij gestarte motor wordt het spiegelglas verwarmd als de achterruitverwarming aan staat.
Inklapbare buitenspiegels
Draai knop 2 in stand D om de buitenspiegels dicht te klappen. Om de spiegels weer in de rijstand te zetten, zet u de knop in stand B.
Als u de spiegels met de hand dichtklapt voordat u ze in rijstand B zet, moet u eerst knop 2 in stand D zetten.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN

Claxon
Druk op een van de plaatsen 2.
Lichtsignaal
Trek voor een lichtsignaal schakelaar 1 naar u toe.

Druk op de schakelaar 3. Hierdoor komen de vier knipperlichten en de zijknipperlichten tegelijk in werking. Gebruik deze alleen als gevaar dreigt om andere weggebruikers te waarschuwen dat u gedwongen bent te stoppen op een abnormale plaats of zelfs waar dit verboden is, of bij bijzondere rij- of verkeersomstandigheden.
Afhankelijk van de uitvoering van de auto kunnen tijdens krachtig remmen de knipperlichten automatisch inschakelen. U kunt deze uitschakelen door op de schakelaar 3 te drukken.

Richtingaanwijzers
U verplaatst de schakelaar 1 evenwijdig aan het stuurwiel en in de richting waarin u dit gaat draaien.
Bij het veranderen van rijstrook op een snelweg wordt het stuurwiel slechts weinig gedraaid, waardoor de schakelaar niet vanzelf terugkomt in de ruststand 0. Er bestaat een tussenstand waarbij u de richtingaanwijzerschakelaar moet vasthouden tijdens de verrichting.
De schakelaar veert bij het loslaten automatisch in de ruststand 0 terug.
VOETGANGERSCLAXON
Elektrische auto's zijn bijzonder stil. Met dit systeem kunt u andere weggebruikers waarschuwen, meer in het bijzonder voetgangers en fietsers.
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de motor gestart wordt. Het geluidssignaal klinkt als de auto tussen 1 en 30 km/u rijdt.
Uitschakelen van het systeem
Druk na het starten van de motor de schakelaar 1 in om de functie uit te schakelen. Het geïntegreerd controlelampje 2 in de schakelaar 1 brandt.
Inschakelen van het systeem
Druk na het starten van de motor de schakelaar 1 in om de functie in te schakelen. Het geïntegreerd controlelampje 2 in de schakelaar 1 dooft.

Systeem geactiveerd:
- het systeem gaat in stand-by als de auto sneller dan ongeveer 30 km/u rijdt;
- het wordt automatisch geactiveerd als de snelheid lager is dan ongeveer 30 km/u.
Keuze van de toon van de claxon
- Houd schakelaar 1 ingedrukt. De verschillende tonen zullen achtereenvolgend weerklinken;
- laat schakelaar 1 los bij de toon van uw keuze.
VERLICHTING (1/3)

27260

Markeringslichten
Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkteken 2. De instrumentenverlichting gaat branden.

Dimlicht
Handbediend
Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkteken 2. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.
Automatische werking (afhankelijk van de auto)
Bij gestarte motor schakelen de dimlichten automatisch in en uit, naargelang de helderheid buiten, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen. Deze functie kan ingeschakeld of uitgeschakeld worden.
- Voor het inschakelen: contact aan en stilstaande auto, druk gedurende minstens vier secondes op de knop 3. Afhankelijk van de auto verschijnt de boodschap "lichtautomaat actief" op het instrumentenpaneel.
- Voor het uitschakelen: contact aan en stilstaande auto, druk gedurende minstens vier secondes op de knop 3. Afhankelijk van de auto verschijnt de boodschap "lichtautomaat niet actief" op het instrumentenpaneel.

Grootlicht
Vanuit de dimlichtstand trekt u de lichtschakelaar 1 naar u toe. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.
Om het grootlicht uit en het dimlicht weer in te schakelen, trekt u de lichtschakelaar opnieuw naar u toe.

Voordat u in het donker wegrijdt: controleer de werking van de verlichting en stel indien nodig de stand van de koplam-
pen af op de belasting van de auto. Zorg ervoor dat de lichten niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, vervoer van voor-werpen enz.).
VERLICHTING (2/3)
Functie "uitschakelvertraging" (afhankelijk van de auto)
Met deze functie branden de dimlichten gedurende enige tijd na het verlaten van de auto (bijvoorbeeld om een hek of een gara- gedeur te verlichten bij het openen).
Contact uit en lichten uit, trek de lichtschakelaar 1 naar u toe: de dimlichten gaan ongeveer zestig secondes branden.
Dit kan tot vier keer gedaan worden voor een maximale duur van vier minuten.
Om de verlichting vooraan uit te schakelen voordat dit automatisch gebeurt, draait u het einde van de schakelaar 1 terug in de stand 0, of zet u het contact aan.


Lichten uit
Er zijn twee mogelijkheden:
- handmatig, zet de schakelaar 1 terug in zijn oorspronkelijke stand;
- automatisch: de lichten doven na het stoppen van de motor, bij het openen van het bestuurdersportier of, afhankelijk van de auto, bij het vergrendelen van de auto. In dat geval schakelen, bij de volgende keer starten van de motor, de lichten opnieuw in, overeenkomstig de stand van de ring 2.
VERLICHTING (3/3)


Mistlichten voor
(afhankelijk van de auto)
De markeringslichten of de dimlichten moeten branden.
Draai de ring 5 van de schakelaar 1 zo dat het symbool bij het merkteken 4 staat en laat dan los. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.

Mistachterlicht
De mistlichten voor en de markeringslichten of de dimlichten moeten branden.
Draai de ring 5 van de schakelaar 1 zo dat het symbool bij het merkteken 4 staat en laat dan los. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.
Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u het mistachterlicht uitschakelen om de achter u rijdende weggebruikers niet te hinderen.
Uitschakelen van de mistlichten
Draai weer de ring 5 om het merkteken 4 tegenover het symbool van het mistlicht te plaatsen dat u wilt uitschakelen.
Door het uitschakelen van de verlichting of het uitzetten van het contact worden de mistlichten voor en achter uitgeschakeld.
Met de draaiknop 1 kan de stand van de koplampen aangepast worden aan de belading van de auto.
Als u deze knop 1 omlaag draait dan gaan de lichtbundels naar beneden; draait u de knop omhoog dan gaan de lichtbundels ook omhoog.
Onbelast moet de draaiknop 1 op 0 staan.
Als de auto gedeeltelijk of vol belast is, moeten de lichtbundels van de koplampen worden afgesteld zodat de weg tussen 50 en 100 meter wordt verlicht. Gebruik dan de standen 1 t.e.m. 4 van de draaiknop.

A Verkeerde afstelling: de lichten schijnen te ver en kunnen verblinden. Draai de kartelknop omlaag om de lichtbundel lager te zetten.
B Goede afstelling: de lichtbundel schijnt maximaal tussen 50 en 100 meter ver.
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (1/2)

Ruitenwisser voor
Verplaats, als het contact aan staat, de schakelaar 1 evenwijdig aan het stuurwiel:
A Uit
B Wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpozen van enkele secondes. De duur van het interval is te regelen door de ring 2 te verdraaien.
C Langzaam continu wissen
D Snel continu wissen

Bijzonderheid
Tijdens het rijden gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt. Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Als u de schakelaar 1 in een andere stand zet, schakelt u hiermee bovengenoemd automatisme uit.
Als het mechanisme is geblokkeerd (bijvoorbeeld doordat de wisserbladen zijn vastgevroren aan de voorruit), wordt de voeding van de ruitenwissermotor automatisch uitgeschakeld.
Automatisch wissen
(afhankelijk van de auto)
Bij gestarte motor, draai de schakelaar1.
A Uit
In deze stand signaleert het systeem water op de voorruit en schakelt het wissen in met een aangepaste wissnelheid. De inschakeldrempel van het wissen en de duur van het interval zijn te regelen door de ring 2 te verdraaien:
NB: bij mist of sneeuwval werkt de rui- tenwisser niet altijd automatisch en blijft deze onder controle van de bestuurder.
C Langzaam continu wissen
D Snel continu wissen
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (2/2)

Ruitensproeier voor
Contact aan: trek de schakelaar 1 naar u toe.
Door een korte actie komt de ruitensproeier in werking en maakt de ruitenwisser één wisbeweging.
Door een lange druk komt de ruitensproeier in werking en maakt de ruitenwisser drie wisbewegingen, en na enkele secondes nog een vierde.
Bij sneeuwval of als het vriest, maakt u de voorruit (inclusief de centrale zone achter de binnenspiegel) en de achter-ruit vrij voordat u de ruitenwissers inschakelt (risico van oververhitting van de motor).

Voordat u iets aan de voorruit doet (wassen van de auto, ont-dooien, reinigen van de voor-ruit enz.), moet u de schake-stand A (uit) zetten.
Risico van verwonding en/of beschadigingen.
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER ACHTER


Ruitenwisser achter met snelheidsafhankelijk
interval
(afhankelijk van de auto)
Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkte-ken 2.
De frequentie van het wissen varieert afhankelijk van de snelheid.
Bijzonderheid
De achterruitwisser komt in werking als u de achteruitversnelling inschakelt terwijl de rui- tenwissers van de voorruit in werking zijn.

Ruitenwisser/-sproeier achter
(afhankelijk van de auto)
Draai het einde van de schakelaar 1 tot het symbool zichtbaar wordt bij het merkte-ken 2.
Als u de schakelaar loslaat, blijft de achterruitwisser werken.
Let op de staat van de ruitenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af:
- zij moeten schoon blijven: reinig de bladen, de voorruit en de achterruit regelmatig met water met zeep;
- gebruik ze niet als de voorruit of ach- terruit droog zijn;
- maak ze los van de voorruit of achterruit als ze lang niet gebruikt zijn.
Vervang ze in elk geval, zodra hun werking afneemt, ongeveer eens per jaar.
Voordat u de ruitenwisser achter gebruikt moet u controleren of niets de beweging van de wisser hindert.
Gebruik de ruitenwisserarm niet om de achterklep te openen of te sluiten.
TANK AANVULLENDE VERWARMING

Bruikbare inhoud van de tank: 13 liter on- geveer.
Auto ontgrendeld: om de tankdopklep te openen, steekt u een vinger in de uitsparing C.
Gebruik de contactsleutel om de dop B te openen.

De aanvullende verwarming moet uitgeschakeld zijn terwijl de tank met brandstof wordt gevuld.
Soort brandstof
Gebruik dieselbrandstof die voldoet aan de normen die in elk land gelden en beslist overeenkomt met de indicaties op de sticker op klepje A.
Er kunnen geuren van brandstof en rook achteraf worden geroken wanneer de aanvullende verwarming lange tijd niet is gebruikt.

Aanhoudende stank van brandstof
In geval van een aanhoudende stank van brandstof, moet u:
- onmiddellijk stoppen, rekening houdend met het overige verkeer en het contact afzetten;
- de alarmknipperlichten aanzetten en alle passagiers uit laten stappen en ze ver van het verkeer houden;
- roep de hulp in van een merkdealer.
- Steek voordat u met tanken begint het vulpistool verder in de opening tot het niet verder kan (gevaar van spatten).
- Houd tijdens het tanken het vulpistool in deze stand tot u klaar bent met tanken.
Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u het nog maximaal twee keer gebruiken, om voldoende ruimte in de tank over te houden voor het uitzetten van de brandstof.

De tankdop is van een speci- aal type.
Vraag naar ditzelfde type als u een andere dop koopt. Ga naar kdealer.
Rook niet tijdens het tanken en ontsteek geen open vuur in de nabijheid van de brandstoftank of de tankdop.
Maak de omgeving van het vulsysteem niet schoon met een hogedrukreiniger.
Hoofdstuk 2: Rijden
(met tips voor zuinig en milieubewust autorijden)
Starten, stoppen van de motor 2.2
Versnellingsschakelaar 2.3
Handrem 2.4
Actieradius van de auto: aanbevelingen 2.5
Milieu 2.7
Econometer 2.8
ECO-modus.... 2.9
Correctiesystemen tijdens het rijden 2.10
Snelheidsbegrenzer 2.12
Snelheidsregelaar 2.15
Parkeerhulp 2.19
2.1
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR

Stand St: "Stop en stuurslot"
Bij het vrijzetten van het stuurslot draait u het stuur iets heen en weer bij het verdraaien van de sleutel.
Als u de sleutel uit het slot trekt en het stuur draait, hoort u een klik: de stuurinrichting is nu vergrendeld.
Het contact staat af maar de accessoires, bijvoorbeeld de radio, kunnen worden gebruikt.
Stand M: "Contact aan"
Het contact staat aan.
Stand D: "Starten"
Starten van de motor
- Zet de selecteurhendel 1 uitsluitend in stand P;
- draai de sleutel tot de stand D en laat deze los.
Het lampje Ⓒ kan op het instrumentenpaneel knipperen in combinatie met een geluidssignaal. Zodra het lampje Ⓒ blijft branden en het geluidssignaal stopt, is de auto klaar om te rijden.
De auto kan alleen worden gestart als het oplaadsnoer is losgekoppeld van de auto.
De auto kan alleen worden gestart als de selectiehendel op P staat. Raadpleeg de paragraaf "Versnellingsschakelaar" in hoofdstuk 2.
Stoppen van de motor
Motor gestart, draai de sleutel in stand "Stop" St. Het controlelampje ⑥ dooft.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw sleutel nooit, zelfs niet
eventjes, in de auto liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit.
Het kind zou de auto kunnen starten of de ruiten kunnen bedienen en zich ernstig kunnen verwonden aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken. Gevaar van ernstige verwondingen.
Zet nooit het contact uit voordat de auto compleet stilstaat. Door het stilzetten van de motor is er geen bekrachtiging meer van de remmen, stuurinrichting enz. en zijn de passieve veiligheidsorganen zoals airbags, gordelspanners uitgeschakeld.
De werking ervan lijkt op die van een automatische transmissie.
Selecteurhendel 1
Het display A op het instrumentenpaneel informeert u over 3 de stand van de versnelingshendel.
P : parkeren
R : achteruitrijden
N : neutraal
D : vooruitrijden
33484

Starten
Plaats uw voet op het rempedaal, zet de selecteurhendel 1 in stand P en zet het contact aan.
Start de motor.
Om de selecteurhendel uit stand P te verplaatsen, moet u het rempedaal indrukken voordat u de ontgrendelknop 2 indrukt.
Houd uw voet op het rempedaal (het lampje
op het display A dooft) als u de stand P verlaat.
Alleen als de auto stilstaat, het rempedaal is ingedrukt en het gaspedaal niet is ingedrukt, mag de selecteurhendel in de standen D of R worden geplaatst.
Rijden
Starten op een helling
Na een maximale oplading van de tractiebatterij raden wij aan om bij het vertrekken op een helling, gedurende de eerste kilometers, de handrem te gebruiken.
Druk tijdens het rijden meer of minder op het gaspedaal naargelang de gewenste snelheid.
Achteruitversnelling
De achteruitrijlichten branden als het contact aan staat en de achteruitversnelling is ingeschakeld.
De auto start alleen als de selecteurhen- del in stand P staat.
De auto kan alleen worden gestart als het oplaadsnoer is losgekoppeld van de auto.
VERSNELLINGSSCHAKELAAR (2/2)/HANDREM
Parkeren van de auto
Als de auto stilstaat, houdt u het rempedaal ingedrukt en zet u de selecteurhendel in stand P (parkeren): de schakelaar staat in neutraal en de voorwielen zijn mechanisch geblokkeerd door de transmissie.
Zet de handrem vast.

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een trottoir of ander stadsmeubilair) waardoor schade kan ontstaan aan de auto (bijvoorbeeld: vervorming van een as), het elektrische circuit of de tractiebatterij.
Raak de onderdelen van het circuit of eventuele lekken of vloeistoffen niet aan.
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto zo snel mogelijk door een merkdealer laten controleren.
Risico van ernstig letstel of mogelijk dodelijke elektrische schok.

Indien voor het wegrijden de selecteurhendel niet uit P kan worden verplaatst als u het rempedaal indrukt, dan kunt u de hendel als volgt met de hand vrijzetten: Maak hiervoor de voet van de hendel los, druk tegelijkertijd op het merkteken 4 en op de ontgrendelknop 6 op de hendel.
Handrem
Vrijzetten
Trek de handgreep 5 iets omhoog waarna u de knop 6 indrukt en de handgreep omlaag duwt.
Vastzetten
Trek naar boven en controleer of de auto stil blijft staan.

Tijdens het rijden moet de handrem helemaal vrij gezet zijn (rood waarschuwingslampje uit), risico van overver-
Bij stilstaande auto kan het nodig zijn de handrem minstens twee extra tanden vaster te zetten en de versnelling P in
te schakelen.
ACTIERADIUS VAN DE AUTO: adviezen (1/2)
De actieradius van de auto is goedgekeurd voor een gemengde NEDC-cyclus (New European Driving Cycle).
In werkelijkheid kan de actieradius van de elektrische auto variëren afhankelijk van verschillende factoren die u kunt beheren, deels met het oog op een niet te verwaarlozen winst van bereik. Deze factoren zijn:
- de snelheid en de rijstijl;
- het profiel van de weg;
- het warmtecomfort;
- de banden;
- de belading van de auto.
Bovendien stelt de ECO-modus de auto in staat het motorvermogen automatisch te regelen om het verbruik zo veel mogelijk terug te dringen. Raadpleeg de paragraaf "Zuinig rijden" in hoofdstuk 2.
De snelheid en de rijstijl
Een hoge snelheid vermindert de actieradius van de auto.
Een "sportieve" rijstijl vermindert de actieradius van de auto: rijd daarom soepel en kijk ver vooruit.

Rijd met een constante snelheid.
Pas uw rijstijl aan om een te hoog energieverbruik te vermijden. Raadpleeg de paragraaf "Econometer" in hoofdstuk 2.
Anticipeer voldoende op langzaam rijdend en stilstaand verkeer door eerder uw voet van het versnellingspedaal te halen, zodat energie kan worden teruggewonnen. Raadpleeg de paragraaf "Econometer" in hoofdstuk 2.
Gebruik bij voorkeur de ECO-modus (raadpleeg de paragraaf "ECO-werkingsmodus" in hoofdstuk 2).

Het profiel van de weg
Geef op een helling geen gas bij: Houd het versnellingspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
ACTIERADIUS VAN DE AUTO: adviezen (2/2)
34629

Het warmtecomfort
Het gebruik van de verwarming of airconditioning vermindert de actieradius van de auto. Schakel voordat u met de auto gaat rijden de modus "programmeerbare verwarming" in om de actieradius van de auto te behouden (raadpleeg de paragraaf "Verwarming, airconditioning" in hoofdstuk 3).
Gebruik tijdens het rijden zo min mogelijk de verwarming of airconditioning. Gebruik bij voorkeur de aanvullende verwarming (raadpleeg de paragraaf "Aanvullende verwarming" in hoofdstuk 3).

De banden
Door een te lage bandenspanning neemt de rolweerstand en dus ook het energieverbruik toe. Houd u aan de aanbevolen bandenspanning voor uw auto.
Monteer bij vervanging bij voorkeur banden van hetzelfde merk, type en profiel en dezelfde maat als de oorspronkelijk gemonteerde banden. Het gebruik van niet-aanbevolen banden vermindert de actieradius van de auto aanzienlijk.
Raadpleeg de paragraaf "Bandenspanning" in hoofdstuk 4).
Beladen van de auto
Belaad de auto bij voorkeur niet met nutte-loze lading.
MILIEU
Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu gedurende zijn gehele bestaan: bij zijn fabricage, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij gesloopt wordt.
Deze aandacht blijkt uit het ondertekenen van eco 2 handvest door de fabrikant.
Fabricage
De fabricage van uw auto vindt plaats in een fabriek die stappen onderneemt tot vermindering van de milieueffecten op de leefomgeving en de natuur (vermindering van wateren energieverbruik, lichten geluidsoverlast, wateren luchtverontreiniging, scheiden van afval en terugwinnen van materialen uit afvalstoffen).
Emissies
Voor de gebruiksfase van de auto, is hij zo ontworpen dat hij minder broeikasgassen (CO2) uitstoot, en dus minder verbruikt (bijv.: 140 g/km komt overeen met 5,3 l/100 km voor een dieselmotor).
Bovendien zijn de auto's uitgerust met systemen, zoals een katalysator, een lambda sonde om de uitlaatgassen te reinigen. Een filter met actieve koolstof voorkomt dat de uit de tank afkomstige benzinedamp in de atmosfeer terecht komt.
Bij sommige auto's met een dieselmotor is dit systeem aangevuld met een roetfilter waardoor de uitstoot van roetdeeltjes verminderd wordt.
Denk zelf ook aan het milieu
- Gebruikte en vervangen onderdelen na een door u zelf uitgevoerde onderhoudsbeurt aan uw auto (accu, oliefilter, luchtfilter, batterijen, enz.) en olieblikken (leeg of gevuld met oude olie) moeten bij daarvoor bestemde depots voor klein chemisch afval ingeleverd worden.
- De auto moet aan het eind van zijn bestaan door een gespecialiseerd bedrijf worden gesloopt om te worden gerecycleerd.
- Houd u aan de lokale voorschriften.
Kringloop
Uw auto is voor 85% recycleerbaar en voor 95% herbruikbaar.
Om deze doelstellingen te behalen, is een groot aantal onderdelen van de auto ontworpen om gerecycled te worden. De constructie en de materialen zijn zodanig ontworpen dat de demontage van deze componenten en hun herverwerking in specifieke bedrijven wordt vergemakkelijkt.
Om het gebruik van grondstoffen terug te dringen, bevat de auto veel onderdelen van gerecycleerde kunststoffen en duurzame materialen (materialen van planten of dieren, zoals katoen en wol).
ECONOMETER

De tractiebatterij levert de elektrische energie die de motor nodig heeft om de auto te laten rijden.
Wanneer u uw voet van het versnellingspedaal haalt om af te remmen, genereert de motor elektrische stroom waarmee de tractiebatterij wordt opgeladen.
Gebruikszone A "energieterugwinning"
Geeft aan dat de auto energie genereert en de accu oplaadt.

Bijzonderheden energieterugwinning
Er wordt meer op de motor geremd dan met een auto met verbrandingsmotor. Nadat de tractiebatterij volledig is opgeladen en gedurende de eerste kilometers dat er met de auto wordt gereden, wordt er tijdelijk minder op de motor geremd. Pas u rijstijl hieraan aan.
Stand B "neutraal"
Geeft een verbruik van nul aan.

Gebruikszone C "aanbevolen verbruik"
Geeft een "zuinig" energieverbruik aan.
Gebruikszone D "afgeraden verbruik"
Geeft een hoog energieverbruik aan.
FUNCTIEMODUS "ECO"

Met deze functie kan de actieradius van de auto geoptimaliseerd worden door het beperken van de motorprestaties.
Activeren van de functie
Druk op de schakelaar 1.
Het controlelampje 2 wordt op het instrumentenpaneel weergegeven.
33485

Uitschakelen van de functie
Druk op de schakelaar 1.
Het controlelampje 2 op het instrumentenpaneel gaat uit..
Het blijft altijd mogelijk om deze functie te verlaten, druk dan zo snel en diep mogelijk op het gaspedaal. Het controlelampje 2 op het instrumentenpaneel gaat uit.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (1/2)
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- het ABS (antiblokkeersysteem van de wielen);
- de noodstopbekrachtiging met, afhankelijk van de auto, remanticipatie;

Deze functies zijn extra hulp-middelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aangepast wordt.
Deze functies nemen niet de taak van de bestuurder over. De limieten van de auto kunnen niet overschreden worden en er is dan ook geen reden om harder te gaan rijden. Zij kunnen in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen (de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen).
ABS (antiblokkeersysteem van de wielen)
Bij krachtig remmen, voorkomt het ABS het blokkeren van de wielen, waardoor de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft.
In deze situatie zijn uitwijkmanoeuvres tijdens het remmen mogelijk. Bovendien verbetert dit systeem de remweg, met name op een weg met weinig grip (natte weg, enz.). U voelt het in werking komen van het systeem aan het trillen van het rempedaal. Het ABS kan echter nooit de natuurkundige eigenschappen van de grip tussen de banden en het wegdek verbeteren. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren enz.).
Bij krachtig remmen kunt u het rempe-daal diep ingedrukt houden. Het is niet nodig "pompend" te remmen. Het ABS regelt de kracht in het remsysteem.
Storingen
- Als tijdens het rijden het waarschuwings-
lampje ABS verschijnt op het instrumentenpaneel, kan er nog altijd geremd worden.
- Als de waarschuwingslampjes [ABS] en
verschijnen op het instrumentenpaneel, is er een defect in het remsysteem.
In deze gevallen zijn het ABS en de noodstopbekrachtiging ook uitgeschakeld en verschijnen de boodschappen "ABS controleren" en "remsysteem controleren" op het instrumentenpaneel.
Raadpleeg een merkdealer.

Het remsysteem werkt nog ge- deeltelijk. Maar het is gevaar- lijk om krachtig te remmen. U moet direct stoppen zonder het
overige verkeer in gevaar te brengen. Roep de hulp in van een merkdealer.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (2/2)
Noodstopbekrachtiging
Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.
De werking van het systeem
Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In zo'n noodsituatie ont-wikkelt de rembekrachtiging zijn maximale kracht en kan de regeling door het ABS in werking komen.
Het ABS-remsysteem blijft werken zolang het rempedaal ingedrukt is.
Oplichten van de alarmknipperlichten
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bij krachtig afremmen gaan branden.
Bij een storing
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt de boodschap "storing remsysteem" op het instrumentenpaneel, in combinatie met het oplichten van het lampje.
Raadpleeg een merkdealer.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (1/3)

De snelheidsbegrenzer is een functie die u helpt om een door u gekozen maximumsnelheid niet te overschrijden.

Bedieningsknoppen
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 Inschakelen, in geheugen opslaan en verhogen van de maximumsnelheid (+).
3 Verlagen van de maximumsnelheid (-).
4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde maximumsnelheid blijft in het geheugen (O).
5 Inschakelen met oproepen van de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid (R).

Inschakelen
Druk op de schakelaar 1 aan de kant Ⓤ. Het oranje controlelampje Ⓤ licht op en de boodschap "begrenzer" verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de snelheidsbegrenzer is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een maximumsnelheid. Om de actuele snelheid op te slaan, drukt u op de schakelaar 2 (+): de maximumsnelheid vervangt de streepjes. De minimum te registreren snelheid is 30 km/u.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (2/3)

Het rijden
Als een ingestelde snelheid in het geheugen staat, grijpt het systeem niet in zolang deze snelheid niet bereikt wordt. Het rijden is hetzelfde als met een auto zonder snelheidsbegrenzer.
Zodra u de ingestelde snelheid bereikt, overschrijdt de auto de ingestelde snelheid niet, ook niet als u het gaspedaal verder indrukt, behalve indien nodig (raadpleeg de paragraaf "Overschrijding van de maximumsnelheid").
Verandering van de ingestelde maximumsnelheid
U kunt de ingestelde maximumsnelheid veranderen door een aantal keren te drukken op:
- de schakelaar 2 (+) om de snelheid te verhogen;
- de schakelaar 3 (-) om de snelheid te verlagen.

De snelheidsbegrenzer heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximum snelheid te overschrijden door: zo snel en diep mogelijk het gaspedaal in te drukken (voorbij het "zware punt")
Gedurende het overschrijden knippert de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel.
Laat daarna het gaspedaal los: de snelheidsbegrenzer komt weer in werking zodra u langzamer rijdt dan de in het geheugen opgeslagen snelheid.
Onmogelijkheid om de ingestelde maximum snelheld vast te houden
Tijdens een steile afdaling kan het systeem de maximumsnelheid niet vasthouden: de snelheid in het geheugen knippert op het instrumentenpaneel om u te informeren.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (3/3)

Onderbreken van de functie
De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort (stand-by) als u drukt op de schakelaar 4 (O). In dit geval blijft de ingestelde maximumsnelheid in het geheugen en de boodschap "IN GEHEUGEN" met de ingestelde snelheid verschijnt op het instrumentenpaneel.
Opnieuw inschakelen van de maximumsnelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, is het mogelijk deze op te roepen door op de schakelaar 5 (R) te drukken.
Als de begrenzer is opgeschort, komt de functie weer in werking door een druk op de schakelaars 2 (+), ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: het is de snelheid van de auto op dat moment, waarmee rekening wordt gehouden.

Uitschakelen van de functie
De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort als u drukt op de schakelaar 1. In dit geval is er geen snelheid meer in het geheugen. Het doven van het oranje lampje op het instrumentenpaneel bevestigt dat de functie uitgeschakeld is.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (1/4)

De snelheidsregelaar is een functie die u helpt de door uw gekozen rijsnelheid op een constante waarde vast te houden, dit wordt de ingestelde snelheid genoemd.
Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid traploos instellen.

De snelheidsregelaar heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over.
U moet zich ten allen tijde houden aan de voorgeschreven snelheid en blijven opletten (u moet altijd klaar zijn om te remmen in alle omstandigheden), de snelheidsregelaar ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid.
De snelheidsregelaar moet niet gebruikt worden in druk verkeer, op een bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en als de weersomstandigheden ongunstig zijn (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.

Bediening
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 Inschakelen, in het geheugen opslaan en verhogen van de ingestelde snelheid (+).
3 Verlagen van de ingestelde snelheid (-)
4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde snelheid blijft in het geheugen) (O).
5 Inschakelen met oproepen van de ingestelde snelheid (R).
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (2/4)

Inschakelen
Druk op de schakelaar 1 aan de kant (b). Het groene controlelampje 6 licht op en de boodschap "regelaar" verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de snelheidsregelaar is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een snelheid.

Instellen van de snelheid
Rijdend met een constante snelheid (vanaf ongeveer 30 km/u) drukt u op de schakelaar 2 (+): de functie wordt ingeschakeld en de actuele snelheid wordt opgeslagen. De ingestelde snelheid vervangt de streepjes en de instelling wordt bevestigd door een boodschap op het instrumentenpaneel en het groene controlelampje 7 en het controlelampje 6.

Het rijden
Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.

Let op, het is toch raadzaam de voeten dichtbij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsituaties.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (3/4)

Veranderen van de ingestelde snelheid
U kunt de ingestelde snelheid veranderen door een aantal keren te drukken op:
- de schakelaar 2 (+) om de snelheid te verhogen,
- de schakelaar 3 (-) om de snelheid te verlagen.

De snelheidsregelaar heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.
Overschrijden van de ingestelde snelheid
U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken. Zo lang u te snel rijdt, knippert de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
Laat daarna het gaspedaal los: na enkele seconden gaat de auto automatisch weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.
Onmogelijkheid om de gekozen ingestelde snelheid vast te houden
Tijdens een steile afdaling, kan het systeem de ingestelde snelheid niet vasthouden: de snelheid in het geheugen knippert op het instrumentenpaneel om u te informeren.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (4/4)

Onderbreken van de functie
De functie wordt uitgeschakeld als u drukt op:
- het rempedaal;
- de overgang in de neutrale stand;
- de schakelaar 4 (O).
In de drie gevallen blijft de ingestelde snelheid in het geheugen bewaard.
De stand-bystand wordt bevestigd door het doven van het groene lampje (b) en de boodschap "in geheugen" op het instrumentenpaneel.
Oproepen van de ingestelde snelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kunt u deze oproepen door te drukken op de knop 5 (R) als u sneller rijdt dan ongeveer 30 km/u en als de verkeerssituatie dat toelaat (drukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden enz.).
NB: als de eerder opgeslagen snelheid veel hoger is dan de actuele snelheid, trekt de auto snel op naar deze hogere snelheid.
Als de regelaar is opgeschort, komt de functie weer in werking door een druk op de schakelaars 2 (+), ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: het is de snelheid van de auto op dat moment waarmee rekening wordt gehouden.

Uitschakelen van de functie
De werking van de snelheidsregelaar wordt onderbroken als u op de schakelaar 1 drukt, er is geen snelheid meer ingesteld.
Het doven van de twee groene lampjes en op het instrumentenpaneel bevestigt dat de functie uitgeschakeld is.

Het onderbreken of uitschakelen van de snelheidsregelaar brengt geen snelle snelheidsvermindering met zich mee: u
moet remmen door het rempedaal in te drukken.
PARKEERHULP (1/2)
De werking van het systeem
Ultrasoondetectoren zijn aangebracht in de achterbumper van de auto en meten de afstand tussen de auto en een obstakel tijdens het achteruitrijden.
Deze meting vertaalt zich in geluidssignalen waarvan de frequentie toeneemt naarmate het obstakel dichterbij komt, totdat het een continu geluid wordt als het obstakel ongeveer 25 cm van de auto verwijderd is.
Tijdens het achteruitrijden klinkt er een geluidssignaal. Als het geluidssignaal lang is (3 seconden), geeft het een storing in de werking aan.
NB: zorg ervoor dat de ultrasoondetectoren niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw enz.).

Bij het manoeuvreren kan de auto aan de onderkant ergens tegenaan rijden (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een
trottoir of ander stadsmeubilair) en daardoor schade eraan oplopen (bijvoorbeeld: vervorming van een as enz.) of aan het elektrische circuit of tractiebatterij.
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merk-dealer laten controleren.

Deze functie is een extra hulp die door middel van geluidssignalen de afstand tussen de auto en een obstakel aangeeft
tijdens het achteruitrijden.
Deze functie kan in geen enkel geval de oplettendheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede blijven voor plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen: let dus altijd op of er een bewegend obstakels is (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets) of een te klein of smal obstakel is (grote steen, dun paaltje) tijdens de manoeuvre.
PARKEERHULP (2/2)

Tijdelijke uitschakeling van het systeem
(afhankelijk van de auto)
Druk op de schakelaar 1 om het systeem uit te schakelen.
Het controlelampje in de schakelaar licht op om u eraan te herinneren dat het systeem is uitgeschakeld.
Bij opnieuw indrukken schakelt het systeem weer in en dooft het lampje.
Het systeem schakelt automatisch weer in na afzetten van het contact en het weer starten van de motor.
Permanente uitschakeling van het systeem
Het systeem kan permanent worden uitgeschakeld door de schakelaar 1 lang in te drukken.
Het lampje in de schakelaar brandt permanent.
Het zo uitgeschakelde systeem kan weer ingeschakeld worden door een nieuwe lange druk.
Bij een storing
Als het systeem een storing ontdekt, klinkt gedurende ongeveer 3 seconden een geluidssignaal om u te waarschuwen. Raadpleeg een merkdealer.
Hoofdstuk 3: Uw comfort
Ventilatieroosters: luchtuitgangen 3.2
Airconditioning: informatie en tips voor het gebruik. 3.11
Binnenverlichting 3.12
Zonneklep/spiegel 3.14
Ruitbediening.... 3.15
Kantelruit 3.16
Asbakken 3.17
Opbergruimtes, indeling interieur 3.18
Achterbank 3.21
Vervoer van bagage 3.24
Trekhaak 3.25
Scheidingsnet 3.26
3.1
VENTILATIEROOSTERS: luchtuitgangen (1/2)

1 Ontwasemingssleuven zijruiten.
2 Linker en rechter ventilatieroosters.
3 Ontwasemingssleuven onder de voorruit.
4 Centrale ventilatieroosters.
5 Ventilatieroosters bij de voeten.
6 Bedieningspaneel.
VENTILATIEROOSTERS: luchtuitgangen (2/2)

Centrale ventilatieroosters
Instellingen
Hoeveelheid lucht:
Verdraai knop 7 voorbij het zware punt.
Richting
Rechts/links: verschuif de lipjes 8.
Hoog/laag: druk tegen de bovenkant of de onderkant van het rooster.

Linker en rechter ventilatieroosters
Instellingen
Hoeveelheid lucht:
Verdraai knop 10 voorbij het zware punt.
Richting
Rechts/links: verschuif het lipje 9.
Hoog/laag: druk tegen de bovenkant of de onderkant van het rooster.
Gebruik, in geval van stankoverlast in de auto, alleen speciaal hiervoor bestemde middelen. Raadpleeg een merkdealer.

Stop niets in het ventilatiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van explosie of brand.
1 - Bedieningsknop van de luchtkringloop.
2 - Regeling van de temperatuur van de lucht en selectie van de programmering verwarming, airconditioning.
3 - Regeling van de ventilatiesnelheid.
4 - Regeling van de luchtverdeling in het interieur.
5 - Schakelaar en controlelampje van de achterruitverwarming en van de verwarmde buitenspiegels.
6 - Schakelaar en controlelampje van de airconditioning (afhankelijk van de auto).
7 - Stopknop verwarming. In de stopstand verbruikt de verwarming geen energie meer.
Informatie en tips voor gebruik:
Raadpleeg de paragraaf "Airconditioning: informatie en tips voor het gebruik".
In- en uitschakelen van de airconditioning
De toets 6 zorgt voor het inschakelen (controlelampje brandt) of het uitschakelen (controlelampje is uit) van de airconditioning.
Door het inschakelen van de airconditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten snel.
De airconditioning werkt niet bij lage buiten-temperaturen.
Regeling van de temperatuur
Draai knop 2 afhankelijk van de gewenste temperatuur. Hoe verder de schuifregelaar zich van de stopstand van de verwarming bevindt, hoe hoger de temperatuur.
Als de buitentemperatuur te hoog is, wordt de verwarming automatisch lager gezet. Hiermee wordt het energieverbruik lager en de actieradius langer.
Bij langdurig gebruik van de airconditioning, kan het te koud worden. Om de temperatuur te verhogen, draait u de knop 2 naar rechts.
Verdeling van de lucht in het interieur
Draai de knop 4 om de schuifregelaar tegenover de symbolen te plaatsen.

De lucht wordt naar de voorruit en de roosters aan de zijkanten van
het dashboard geleid. Met deze stand wordt voorkomen dat de ruiten beslaan.
De lucht wordt naar de ontwase- mingsroosters onder de voorruit en de zijruiten en naar de voetenruimtes ge- voerd.
Deze stand wordt aangeraden voor het bereiken van het hoogste comfort bij koud weer.

De lucht wordt voornamelijk naar de voetenruimtes gevoerd.

De lucht wordt naar alle ventilatie-roosters en de voetenruimtes ge-
voerd.
Deze stand wordt aangeraden voor het be-reiken van het hoogste comfort bij warm weer.

De lucht wordt hoofdzakelijk naar de ventilatieroosters in het dash-
board geleid.
Snel ontwaseming
Zet de knoppen op de standen

- buitenlucht;
- maximumtemperatuur;
- ontwaseming.
Het gebruik van de airconditioning versnelt het ontwasemen.
Regeling van de ventilateursnelheid
Normaal gebruik
Draai de knop 3 op een van de vier standen om de ventilatie met het gewenste vermogen in te schakelen.
Kies stand 1 voor een minimumventilatie en stand 4 voor een maximumventilatie.
Stand 0
In deze stand:
- de airconditioning, zelfs als de toets 6 ingeschakeld is en dat het lampje blijft branden, of de verwarming stopt automatisch;
- de ventilatiesnelheid van de lucht in het interieur is nul;
- is er nog wel een beetje ventilatie als de auto rijdt (rijwind).
Deze stand wordt afgeraden onder normale omstandigheden.

Luchtkringloop (afsluiten van de buitenlucht)
Draai de schakelaar 1 naar het symbool

van de luchtkringloop.
In deze stand wordt de lucht vanuit het interieur aangezogen en zonder toevoeging van buitenlucht teruggevoerd in de auto.
Met de kringloopstand kan:
- om het interieur af te sluiten van de buitenlucht, als het buiten stinkt;
- om sneller de gewenste temperatuur te bereiken.
Door langdurig gebruik van deze stand kunnen de zijruiten en de voorruit beslaan en kan de atmosfeer in het interieur minder aangenaam worden doordat er geen luchtverversing is.
Draai daarom knop 1 terug om de toevoer van buitenlucht te herstellen zodra de omstandigheden dat toelaten.
VERWARMING, AIRCONDITIONING: programmeren (1/2)

Instellen van de programmering
Met deze functie kan onder bepaalde omstandigheden het stroomnet (in plaats van de tractiebatterij) worden gebruikt om een comfortabele temperatuur te bereiken voordat met de auto wordt gereden.
De functie schakelt automatisch bij koud weer de verwarming en bij warm weer de ventilatie in.
Werkingsomstandigheden
- het contact moet uitgezet zijn;
- het opladen van de accu moet voltooid zijn, anders wordt de functie niet ingeschakeld;
- de auto moet op het stroomnet zijn aangesloten;
en
- de schakelaar 1 moet in stand ⚙️ staan.
Het wordt aangeraden om bij koud weer (< 0 °C) de schakelaar 2 in de luchtkring-loopstand te zetten. Hiermee kan doeltreffender en met een lager energieverbruik een comfortabele temperatuur in het interieur worden bereikt.
VERWARMING, AIRCONDITIONING: programmeren (2/2)

Programmeren van de begintijd van de functie
- u programmeert de begintijd door de knop B op de schakelaar 3 ingedrukt te houden totdat de boodschap "Instelmenu" op het display 2 verschijnt;
- verplaats u in het menu met behulp van de knoppen A en B totdat het symbool verschijnt;
-
druk lang op de knop B van de schakelaar 3, de uren knipperen;
-
druk kort op de knop A om ze in te stellen;
- druk lang op de knop B van de schakelaar 3, de minuten knipperen;
- druk kort op de knop A om ze in te stellen;
- Bevestig met een lange druk op de knop B van de schakelaar 3.
Het symbool en de geprogrammeerde tijd worden op het instrumentenpaneel weergegeven.
Activeren van de functie
- contact aan, zet de schakelaar 1 op ⚙;
- zet het contact uit;
- laad de auto op.
De functie wordt een uur vóór de geprogrammeerde tijd ingeschakeld om voor een comfortabele temperatuur te zorgen.
Automatische uitschakeling van de functie
- ongeveer 30 minuten na de geprogrammeerde tijd;
- wanneer de oplaadaansluiting wordt losgekoppeld;
- als de schakelaar 1 niet meer in de stand * D staat.
AANVULLENDE VERWARMING (1/2)

Afhankelijk van de auto is de aanvullende verwarming ontworpen voor het verwarmen van het interieur. De aanvullende verwarming wordt gevoed door een speciale brandstoftank (raadpleeg paragraaf "Tank aanvullende verwarming" in hoofdstuk 1) en verhoogt het comfort zonder dat dit ten koste gaat van de actieradius van de auto.
Wanneer de aanvullende verwarming wordt ingeschakeld, worden de andere verwarmingsmodi en de airconditioning uitgeschakeld.
Gebruiksomstandigheden
- De motor van de auto moet gestart zijn.
- Het contact 4 moet aangezet zijn.
- De ventilatieschakelaar 2 mag niet in stand 0 staan.
- De temperatuurschakelaar 1 mag niet in de stand "Verwarming uit" 3 staan.
- Het minimale brandstofpeil mag niet bereikt zijn.

Als het minimale brandstofpeil bereikt is, wordt dit door het bijbehorende controlelampje op het instrumentenpaneel aangegeven. Nadat de verwarming een paar minuten heeft gewerkt, geeft een bericht op het instrumentenpaneel aan dat de aanvullende verwarming uitgeschakeld is.
AANVULLENDE VERWARMING (2/2)

De werking van het systeem
Druk met gestarte motor op de knop 4.
De functie wordt uitgeschakeld:
- wanneer het contact wordt uitgezet;
- na een paar minuten wanneer het minimale brandstofpeil is bereikt.
Bij een storing
Als de aanvullende verwarming niet wordt ingeschakeld:
- start de auto;
- schakel de verwarming in door te drukken op de schakelaar 4;
- wacht 5 minuten;
- schakel de verwarming uit;
- zet het contact van de auto uit;
- herhaal dit 4 of 5 keer.
Als de aanvullende verwarming telkens niet wordt ingeschakeld, raadpleeg dan een merkdealer.

Wanneer u met gestarte motor en werkende verwarming het bestuurdersportier opent, verschijnt er een bericht op het instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal om aan te geven dat u de aanvullende verwarming moet uitschakelen.

Waarschuwingen betreffende het gebruik van de extra verwarming
– Laat de extra verwarming nooit in een afgesloten ruimte draaien: uitlaatgassen zijn giftig.
- Parkeer de auto niet of laat de extra verwarming niet aan staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brandbaar materiaal bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ont-staan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
- Laat de extra verwarming niet aan staan tijdens het tanken van brandstof.
AIRCONDITIONING: informatie en tips voor het gebruik
Actieradius
Het is normaal dat het energieverbruik hoger is als u de airconditioning gebruikt.
Schakel het systeem uit wanneer u het niet meer nodig heeft.
Tips voor zuinig rijden en minder lucht-verontreiniging
Rijd met open ventilatieroosters en gesloten ruiten.
Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
Onderhoud
Raadpleeg voor de controle-intervallen het onderhoudsdocument van uw auto.
Storingen
Raadpleeg bij een storing altijd een merk-dealer.
- Minder goede werking van ontdooien, ontwasemen of airconditioning. Dit kan het gevolg zijn van een vervuild patroon van het interieurfilter.
- Geen gekoelde lucht. Controleer of alle bedieningsorganen in de juiste stand staan en de staat van de zekeringen. Als dit niet zo is moet u de werking stoppen.
Water onder de auto.
Maak u zich niet ongerust als er condenswater onder de auto druppelt, dit is normaal na langdurig gebruik van de airconditioning.

Maak nooit de slangen van de airconditioning los. Het gas en de vloeistof zijn gevaarlijk voor de ogen en tasten de
huid aan.
Met het bedienen van de schakelaar 1 kunt u kiezen voor:
- een constant brandende verlichting;
- een verlichting die gaat branden als één van de portieren wordt geopend, De binnenverlichting gaat alleen uit als de portieren, waarop de verlichting reageert, goed gesloten zijn;
- het onmiddellijk uitgaan.

Verlichting bagageruimte A (afhankelijk van de auto)
Kantel de schakelaar 2 voor een permanente verlichting.
Het ontgrendelen en het openen van de portieren en de achterklep zorgen voor het tijdelijk branden van de binnenlichten.

Verlichting bagageruimte B (afhankelijk van de auto)
Verlichting van de schuifdeur C (afhankelijk van de auto)
Met het bedienen van de schakelaar 3 kunt u kiezen voor:
- een constant brandende verlichting;
- verlichting bij het openen van de schuifdeur. Hij gaat uit als de betreffende deur goed gesloten is;
- het onmiddellijk uitgaan.
Bijzonderheden
Afhankelijk van de auto, gaat bij het ont-grendelen van de portieren met de afstands-bediening de binnenverlichting enige tijd branden. Met het openen van een voor- of achterportier gaat de verlichting opnieuw enige tijd branden.
Daarna gaat de verlichting in het interieur en in de bagageruimte geleidelijk uit.
Er zijn verschillende tijdschakelingen voor het doven van de verlichting:
- na 15 minuten als een portier open is gebleven;
- na 15 seconden of, afhankelijk van de auto, 5 minuten als alle portieren zijn gesloten;
- bij het aanzetten van het contact.
ZONWERING/SPIEGELS

Achter de klem kunt u tolkaartjes opbergen.

Het make-up spiegeltje, als de zonneklep dit heeft, is bedekt met een klepje.

Tijdens het rijden moet het klepje van de make-up spiegel gesloten zijn. Risico van verwonding.
RUITBEDIENING (1/2)

- druk op de schakelaar van de betreffende ruit om de ruit tot de gewenste hoogte te laten zakken;
- trek de schakelaar van de betreffende ruit omhoog om de ruit tot de gewenste hoogte te brengen.
Vanaf de bestuurdersplaats
Gebruik schakelaar:
- 1 voor de bestuurderskant;
- 2 voor de passagierskant voor.

Vanaf de passagiersplaats voor
Gebruik schakelaar 3.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw afstandsbediening nooit, zelfs niet eventjes, in de
auto liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de auto te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen. In geval van beknelling van een lichaamsdeel, draait u direct de bewegingsrichting van de ruit om door te drukken op de betreffende schakelaar. Risico van ernstige verwondingen.
RUITBEDIENING (2/2)/KANTELRUIT

Elektrische ruitbediening met sneltoets
(afhankelijk van de auto)
Dit is een aanvulling op de elektrische ruitbediening die hiervoor is beschreven.
Deze is aanwezig bij de bestuurdersruit, alleen voor het omlaag gaan.
Druk kort op de schakelaar 1: de ruit gaat geheel omlaag.
Om de beweging van de ruit voortijdig te stoppen drukt u de schakelaar opnieuw in.

Om de ruit op een kier te zetten, beweegt u de handgreep 4 in de richting van de pijl, en blokkeert u deze door op de handgreep te duwen. Controleer de vergrendeling na het sluiten.
Leg nooit iets op de bovenkant van een ruit: risico van beschadiging van de ruit- bediening.
ASBAKKEN, AANSTEKER, ACCESSOIREAANSLUITINGEN

Losse asbak 1
De losse asbak past in de blikjeshouders.
Openen: trek het deksel omhoog.
Om hem te legen, trekt u aan het geheel. De asbak komt uit zijn houder.

Met contact aan, drukt u hem naar binnen. Zodra hij heet is komt hij met een klikje terug. Trek hem los.
Plaats hem na gebruik in de houder zonder hem er helemaal in te drukken.
Accessoireaansluitingen
U kunt de plaats van de aansteker 2 of een van de stopcontacten 3 gebruiken (afhankelijk van de auto). Deze zijn bestemd voor de aansluiting van accessoires die door de technische dienst van het merk goedgekeurd zijn met een maximumvermogen van 120 watt (spanning: 12 V).
Afhankelijk van het laden van de 12 V-accu, kan de accessoireaansluiting stoppen met werken.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (1/3)

Open het dashboardkastje door de hand-greep 1 omhoog te trekken.

Let op bij het accelereren of het rijden in een bocht, dat de inhoud van de beker of het blikje niet over de rand stroomt.
Risico van brandwonden als de vloeistof warm is en/of vlekken.

Openen: til het deksel 4 omhoog. U kunt er een fles van 1,5 liter in opbergen.

Opbergruimte in voorportieren 5
Flessendrager 6

Hierin kunt u kaartjes (bijvoorbeeld van een tolweg) bevestigen.
Brilhouder 9
Een speciale bergruimte is voorzien in het midden.

Laat geen voorwerpen op de vloer (voor de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de terecht kunnen komen, waarbestuurder deze niet meer goed enen.

Let op dat er geen harde, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes geplaatst zijn, zodat zij tegen de en geslingerd kunnen worden den door een bocht, bij plotse- men of bij een botsing.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (3/3)

Kledinghaak 10
Afhankelijk van de auto is er een haak aan het schot achter de passagiersstoel.
Om veiligheidsredenen is het gebruik van de haak uitsluitend bestemd voor het ophangen van kleding.
NB: het maximaal toegestane gewicht is 4 kg.

Voordat u de bank beweegt, moet u ervoor zorgen dat de voorstoelen genoeg naar voren staan, dat de autogordels achter los-gemaakt zijn en er geen voorwerp is dat het verschuiven verhindert.
Zet de hoofdsteunen achter in de opbergstand.
Trek aan de hendel 1 van du rugleuning die u wilt neerklappen (rechts of links van de bank) en begeleid de rugleuning naar beneden.

Let op voordat u de rugleuning weer omhoog zet, dat er geen voorwerp (fles water, gereedschap enz.) het goed vergrendelen verhindert.
Zet de rugleuning omhoog en klap hem vast. Controleer de vergrendeling.
Maximale massa: 300 kg gelijkmatig verdeeld.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Controleer bij het bewegen van de achterbank, of de verankeringspunten van de bank schoon zijn (vrij van steentjes,
doeken, speelgoed, enz.).

Controleer na het terugkante- len van de rugleuning of deze weer goed is vergrendeld.
Let op bij het gebruik van stoelhoezen, dat deze de vergrendeling van de grendels van de rugleuningen en zitkussens niet belemmert. Zorg ervoor dat de autogordels en grendels weer goed op hun plaats zitten.
Plaats de hoofdsteunen terug.
ACHTERBANK: werking (2/2)
30913

Beperking voor het gebruik
Het is verboden om met een neergeklapte rugleuning of stoel voorin te rijden als er een passagier op de achterbank zit.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
HOOFDSTEUN ACHTER

Hoger zetten
Schuif hem tot de gewenste stand is bereikt.
Lager zetten
Trek hem naar u toe en schuif hem tot de gewenste stand is bereikt.
Verwijderen
Schuif de hoofdsteun omhoog en maak hem vrij door de lipjes 1 in te drukken.
Voor het terugplaatsen
Druk het lipje 1 in en steek de poten in de geleiders, met de vertandingen naar voren.

Trek hem naar u toe en laat hem helemaal zakken.
De hoofdsteun in de onderste stand is een opbergstand en alleen toegestaan als de hoofdsteun niet gebruikt wordt. als er een passagier achterin zit, is deze stand niet toegestaan.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan, dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld.

Als de auto uitgerust is met de kinderhoofdsteun en verhoogd zitkussen bevinden deze zich uitsluitend op de achterplaatsen aan de zijkant.
Raadpleeg voor de montage en het gebruik de handleiding van de uitrusting.
VERVOER VAN BAGAGE
Let er bij het vervoer op dat de voorwerpen met hun langste zijde steunen tegen ofwel:
- de rugleuningen van de achterbank bij normale ladingen;

- de voorstoelen als u grote voorwerpen moet vervoeren.

De zwaarste voorwerpen plaatst u zo laag mogelijk op de laadvloer.

De zwaarste voorwerpen plaatst u zo laag mogelijk op de laadvloer.
Zet de lading indien mogelijk de bevestigingspunten (indien g) op de vloer van de laad-
De lading moet zo geplaatst zijn dat niets naar voren op de passagiers geslingerd kan worden in geval dat de bestuurder plotseling moet remmen.
Maak de autogordels van de zitplaatsen achter vast, ook als deze niet bezet zijn.
TREKHAAK

A = 776.5 mm.

Kogeldruk, maximaal toegelaten massa's van geremde en ongeremde aanhangwagens: raadpleeg de paragraaf "Massa's" in hoofdstuk 6.
Voor de montage en de gebruiksomstandigheden van de trekhaak raadpleegt u de montagevoorschriften van de fabrikant.
Het is raadzaam deze voorschriften bij uw instructieboekje te bewaren.
Indien de trekhaakkogel de nummerplaat of de mistlamp achteraan aan het zicht onttrekt, moet u hem afnemen wanneer u geen voertuig trekt.
Houd u in elk geval aan de landelijke wetgeving.
SCHEIDINGSNET

Het scheidingsnet (afhankelijk van de auto)
Dit bevindt zich in de achterklep.
Het kan worden vastgemaakt achter de voorstoelen of achter de achterbank.
De haken 1 kunnen ook worden gebruikt om kleding aan te hangen.

Het bagagescheidingsnet mag niet gebruikt worden voor het tegenhouden of bevestigen van voorwerpen.
Verwondingsgevaar

Aanbrengen van het net 2
- Bovenkant: steek de poten aan de einden van het net in de haken 1;
- onderkant: maak de riemen 3 vast aan de bevestigingsringen 4 op de bodemplaat. Let op dat de twee vorken van de onderste haak goed aangrijpen;
- span het net met behulp van de spanners.
Voor meer informatie raadpleegt u het op het net genaaide etiket.

De verankeringen (ringen) van de bagageruimte 4 kunnen niet worden gebruikt als zij al dienen voor de bevestiging van
twee andere onderdelen (bijv.: bagage-scheidingsnet + lading in de bagageruimte of kinderzitje + lading in de bagageruimte).
Hoofdstuk 4: Onderhoud
Motorkap 4.2
Peilen 4.4
koelvloeistof. 4.4
remvloeistof 4.5
ruitensproeierreservoir 4.5
12 V-accu. 4.6
Bandenspanning 4.8
Onderhoud van de carrosserie 4.9
Onderhoud van de bekleding 4.11
4.1
MOTORKAP (1/2)

Trek de hendel 1 naar u toe.
Til de motorkap enkele centimeters omhoog en duw de hendel 2 naar links.
Trek de motorkap omhoog, maak daarna de steun 4 los uit de klem 5 en plaats hem in de uitsparing 3 van de motorkap en niet ergens anders. Controleer de vergrendeling.


Kom niet onder de motorkap terwijl de auto wordt opgeladen of wanneer het contact niet is uitgezet.

Bij een botsing, zelfs een lichte, tegen de grille of de motorkap, moet u zo snel mogelijk het slot van de motorkap laten contro- or een merkdealer.

Controleer na werkzaamheden in de motorruimte of er niets is vergeten (lappen, gereedschap, enz.).
Hierdoor kan de motor beschadigd raken.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
MOTORKAP (2/2)

Controleer of er geen gereedschap of andere voorwerpen in de motorruimte zijn achtergebleven.
Maak de steun vrij en zet hem weer vast in de klem 5.
Laat de kap naar beneden zakken en laat hem de laatste 20 cm los. Hij vergrendelt door zijn gewicht.

Controleer de vergrendeling van de kap.
Controleer of niets de vergren- deling belemmert (steentje,
doek, enz.).
PEILEN (1/2)

Controle van het peil moet bij stilstaande motor en op horizontale ondergrond plaatsvinden, het peil moet bij koude motor liggen tussen de merktekens "MINI" en "MAXI" aangegeven op de koelvloeistofreservoirs 1 en 2.
Vul bij koude motor bij, voordat de peilen beneden het MINI-merkteken zijn gedaald.

Kom niet onder de motorkap terwijl de auto wordt opgeladen of wanneer het contact niet is uitgezet.

Regelmatige controle van het peil
Controleer regelmatig de peilen van de koelvloeistof (de motor kan ernstig beschadigen door een gebrek aan koelvloeistof).
Vul uitsluitend bij met door onze technische dienst goedgekeurde producten die zorgen voor een bescherming van het koelsysteem:
- bescherming tegen bevriezen;
- bescherming tegen corrosie van het koel- circuit.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.

Zolang de motor warm is, mogen er geen werkzaamheden aan de motor en het koelsysteem worden uitgevoerd.
Risico van brandwonden.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een merkdealer raadplegen
PEILEN (2/2)

Controleer regelmatig het peil van de remvloeistof en zeker als u bij het remmen een verschil, hoe gering ook, opmerkt.
Controle van het peil moet bij stilstaande motor en op horizontale ondergrond plaatsvinden.
Peil 3
Het is normaal dat het remvloeistofpeil daalt met het slijten van de remblokken maar het mag nooit beneden het "MINI"-merkteken komen.
Als u zelf de slijtage van de schijven en trommels wilt controleren, dan kunt u bij de merkdealer of op de web-site van de constructeur een document verkrijgen met een controlemethode.
Vullen
Na werkzaamheden aan het hydraulische circuit moet de remvloeistof worden vervangen door een deskundige.
Gebruik hiervoor uitsluitend door onze technische dienst goedgekeurde remvloeistof uit een verzegelde verpakking.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een merkdealer raadplegen

Ruitensproeierreservoir
Vullen
- open de dop 4;
- vul bij tot u de vloeistof ziet;
- sluit de dop.
Vloeistof
Product voor ruitensproeiers ('s winters met speciale antivries).
Sproeiers
De sproeiers van de voorruit kunt u met een platte schroevendraaier op de juiste hoogte richten.
12 V-ACCU (1/2)

Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met
veel water. Indien nodig een arts raad- plegen.
Houd open vuur, gloeiende voorwerpen en vonken verwijderd van de accu: explosiegevaar.
Open nooit het deksel 1 van de accu.
De capaciteit van uw 12 V-accu kan vermin- deren, vooral als u uw auto gebruikt:
- als de buitentemperatuur daalt;
- bij langdurig gebruik van stroomverbruikers (radio enz.) bij stilstaande auto enz.
Vervangen
Omdat dit een ingewikkelde ingreep is, adviseren wij dit over te laten aan uw merkdealer.

Niets met de 12 V-accu doen (opladen, vervangen enz.):
- zonder het contact te hebben uitgezet;
- terwijl de tractiebatterij wordt opgela- den.
Raadpleeg de paragraaf "Elektrische auto: opladen" in hoofdstuk 1.
Risico van ernstige verwondingen.
26913

Omdat de accu van een speciaal type is, moet u deze vervangen door een gelijkwaardige accu. Raadpleeg een
merkdealer.

Vervangen van de 12 V-accu: Voor uw veiligheid moet u zich houden aan de vervangings-intervallen (en deze niet over-
schrijden) die worden aangegeven in het onderhoudsboekje.
12 V-ACCU (2/2)

Sticker A
Houd u aan de indicaties op de accu:
- 2 open vuur en roken verboden;
- 3 oogbescherming verplicht;
- 4 op afstand van kinderen houden;
- 5 explosieve stoffen;
- 6 raadpleeg het instructieboekje;
- 7 corrosieve stoffen.

Niet onder de motorkap werken als de auto wordt opgeladen of wanneer het contact niet uit is.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
BANDENSPANNING

Sticker A
Open het bestuurdersportier om het te lezen. De bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opgegeven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen. Verlaag nooit de spanning van een warme band.

B: bandenspanning van de voorwielen buiten de autosnelweg.
C: bandenspanning van de achterwielen buiten de autosnelweg.
D: bandenspanning van de voorwielen op de autosnelweg.
E: bandenspanning van de achterwielen op de autosnelweg.
Bijzonderheid vol belaste auto (maximaal toegelaten totale massa) en met een aanhangwagen: er geldt een maximale snelheid van 80 km/uur en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar.
Raadpleeg de paragraaf "Massa's" in hoofdstuk 6.
Veiligheid van de banden en monteren van sneeuwkettingen: Raadpleeg de paragraaf "Banden" in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen (afhankelijk van de uitvoering).

Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Zij moeten: ofwel gelijk zijn aan de oorspronkelijk gemonteerde, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (1/2)
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de buitenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Uw auto is op doelmatige wijze tegen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van verschillende parameters.
Agressieve stoffen in de lucht
- luchtverontreiniging in steden en in industriegebieden,
- zilte lucht langs de kust, vooral bij warm weer,
- wisselende klimaatinvloeden en veranderingen in de vochtigheidsgraad (wegenzout in de winter, water waarmee de weg wordt schoongespoeld enz.).
Kleine beschadigingen in het dagelijks gebruik
Schurende stoffen
Stof in de lucht, zand, modder, opspattende steentjes, enz.
Er zijn een aantal maatregelen nodig om de hierboven genoemde gevaren te bestrijden.
Wat u niet moet doen
Ontvet of reinig de mechanische delen (bijv. de motorruimte), bodemplaat, scharnierende delen (bijv. de binnenkant van de portieren), gespoten kunststof delen (bijv.: bumpers) met behulp van een hogedrukreiniger of sproeiapparatuur die niet door onze technische dienst hoeven te zijn goedgekeurd. Hierdoor kunnen oxidatie of storingen ontstaan.
De auto wassen in felle zon of als het vriest.
Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te weken.
De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen.
Kleine beschadigingen niet (laten) bijwerken.
Vlekken of aanslag verwijderen met oplosmiddelen die niet door onze technische diensten zijn geselecteerd. De lak kan hierdoor worden aangetast.
Vaak door sneeuw en modder rijden zonder de auto te wassen, met name de wielkuipen en de bodemplaat.
Wat u moet doen
Was uw auto regelmatig, met de motor uit, met door onze technische diensten geselecteerde shampoos (nooit met schuurmiddelen). Spuit vooraf rijkelijk met een waterstraal het volgende af:
- de aanslag door luchtverontreiniging, bloeiende bomen (linden bijvoorbeeld);
- modder uit de wielkuipen en onder de bodemplaat die anders lange tijd het vocht kunnen vasthouden;
- de uitwerpselen van vogels, die een chemische reactie met de lak veroorza-ken waardoor deze snel kan ontkleuren en zelfs kan loslaten;
Deze vlekken moet u direct wegwassen, want zij kunnen later niet meer door poetsen worden verwijderd. - zout, dat vooral in de wielkuipen en onder de bodemplaat achterblijft na te hebben gereden op wegen waar gestrooid is.
Ontdoe de auto regelmatig van plantenresten (hars, bladeren enz.).
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (2/2)
Houd bij het rijden op pas geasfalteerde wegen afstand van de andere auto's om beschadiging van lak en ruiten door opspattend grind te voorkomen.
Kleine beschadigingen van de lak moet u snel herstellen of laten herstellen zodat roest ook daar geen kans krijgt.
Laat uw merkdealer regelmatig de carrosserie inspecteren als de auto een plaatwerkgarantie heeft. Raadpleeg het onderhoudsdocument.
Houd rekening met lokale voorschriften inzake het wassen van een auto (bv. niet op de openbare weg).
Bewegende delen of mechanische organen moeten na reiniging altijd met een door onze technische dienst goedgekeurd product opnieuw worden beschermd.
Bij de merkdealer vindt u een uitgebreid gamma speciale onderhoudsproducten.
Rijden door een wasstraat
Zet de schakelaar van de ruitenwissers in de stand Uit (raadpleeg hiervoor de paragraaf "ruitenwisser, ruitensproeier voor" in hoofdstuk 1). Controleer de bevestiging van de uitrusting aan de buitenkant, extra lampen, spiegels en zet de ruitenwisserbladen vast met tape.
Verwijder de spriet van de radioantenne indien uw auto hiermee is uitgerust.
Denk eraan na het wassen het tape te verwijderen en de antenne terug te plaatsen.

Wassen van de auto
Reinig de motorruimte, de oplaadaansluiting en de tractiebatterij nooit met een hoge-
drukreiniger.
Risico van schade aan het elektrische circuit.
Reinig de auto nooit als deze wordt opgeladen.
Risico van mogelijk dodelijke elektrische schokken.
Schoonmaken van de koplampen
De koplampen hebben een "kunststof ruit", die u met een zachte doek of poetskatoen kunt schoonvegen. Als dit onvoldoende is, bevochtig deze dan met wat zeepsop en veeg af met een zachte doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alcoholbasis.
Bijzonderheid van auto's met matte lak
Voor dit type lak moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Wat u niet moet doen
- producten gebruiken op basis van was (glanzend maken);
- hard wrijven;
- rijden door een wasstraat;
- de auto met een hogedrukreiniger reinigen;
- stickers op de lak plakken (risico op achterblijvende resten).
Wat u moet doen
De auto overvloedig met de hand met water wassen en daarbij een zachte doek, spons, enz. gebruiken.
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de binnenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Een vlek moet altijd snel behandeld worden.
Reinig de bekleding (ongeacht het soort vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op basis van natuurlijke zeep.
Gebruik geen detergenten (afwasmiddel, producten in poedervorm, producten op alcoholbasis enz.).
Gebruik een zachte doek.
Spoel en absorbeer het overschot.
Ruiten van instrumenten
(bv. van het dashboard, het klokje, de buitenthermometer, het radiopaneel ...)
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek of poetskatoen en veeg de ruit voorzichtig na met een vochtige doek.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alcoholbasis.
Autogordels
Deze moeten goed schoon worden gehouden.
Gebruik producten die door de merkdealer worden geleverd of lauw zeepsop en een spons; veeg de gordels met een doek droog.
Gebruik geen wasmiddelen of kleurstoffen omdat deze de gordels kunnen aan-tasten.
Textiel (stoelen, deurbekleding ...)
Stofzuig het textiel regelmatig.
Vloeistofvlekken
Gebruik zeepsop.
Absorbeer de vlek of duw er lichtjes op (nooit wrijven) met een zachte doek. Spoel daarna het restant af en absorbeer dit.
Vlekken van vaste of halfvaste substanties
Verwijder restanten van vaste of halfvaste substanties onmiddellijk met behulp van een spatel (ga daarbij vanaf de randen naar het midden van de vlek om te voorkomen dat deze wordt uitgesmeerd).
Reinig zoals aangegeven voor vloeistofvlekken.
Snoep en kauwgom verwijderen
Leg een ijsblokje op de vlek om deze te laten uitharden en ga daarna te werk zoals aangegeven voor vaste vlekken.
Raadpleeg de merkdealer voor advies over het onderhoud van het interieur en/of bij een onbevredigend resultaat.
Verwijderen/terugplaatsen van oorspronkelijk in de auto aangebrachte afneembare uitrusting
Als u afneembare uitrusting moet verwijderen om het interieur schoon te maken (bijvoorbeeld matten), moet u altijd zorgen dat u ze correct en aan de goede kant terugplaatst (de bestuursmat moet aan de kant van de bestuurder worden teruggeplaatst) en vastzet met de elementen die bij de uitrusting zijn geleverd (de bestuurdersmat bijvoorbeeld, moet altijd worden vastgezet met behulp van de voorgeïnstalleerde bevestigingselementen).
Controleer altijd, terwijl de auto nog stilstaat, of niets de besturing hindert (obstakel onder de pedalen, een hak die achter de mat blijft hangen).
Wat u niet moet doen
Het wordt met kracht ontraden om voorwerpen met deodorant, parfum enz., bij de ventilatieroosters te plaatsen omdat deze de bekleding van het dashboard kunnen aan- tasten.

Het gebruik van een hoge- drukreiniger of sproeien in het interieur van de auto wordt ten strengste afgeraden: als
geen bijzondere voorzorgsmaatregelen worden genomen, bestaat het gevaar dat elektrische en elektronische componenten in de auto defect raken.
Hoofdstuk 5: Praktische tips
Lekke band 5.2
Reservewiel 5.2
Pompset voor de banden 5.3
Gereedschap.... 5.8
Wieldoppen, wielen 5.9
Verwisselen van een wiel 5.10
Banden 5.12
Koplampen: vervangen van een lamp. 5.15
Mistlichten: vervangen van een lamp 5.17
Achterlichten: vervangen van een lamp 5.18
Zijknipperlichten: vervangen van een lamp 5.21
Binnenverlichting: vervangen van een lamp 5.22
12 V-accu: storing verhelpen.... 5.24
Zekeringen. 5.26
Ruitenwisserbladen 5.28
Slepen, pech 5.30
Radiovoorbereiding 5.33
Toebehoren 5.35
FM-afstandsbediening: batterijtjes. 5.36
Storingen 5.37
5.1
LEKKE BAND/RESERVEWIEL
In geval van een lekke band gebruikt u, afhankelijk van de auto, het reservewiel of een pompset (raadpleeg de volgende bladzijdes).

Reservewiel 2
Dit ligt in een beugel 4 onder de achterkant van de auto.

Laat het reservewiel regelmatig door uw dealer controle-ren. Na verloop van tijd kan het door veroudering onbruikbaar
worden.
Om bij het reservewiel te kunnen komen
- Zet de achterklep open.
- Zet de moer los met de wielmoersleutel 1.
- Houd de beugel vast aan de handgreep 3 en maak de beugel los.
- Maak het reservewiel vrij.
Om het wiel in de beugel op te bergen
- Let op dat u het wiel goed in de beugel terugplaatst, ventiel naar beneden.
- Maak de beugel vast met behulp van de handgreep 3 en zet de moer met behulp van de sleutel 1 vast om het geheel weer te monteren.
- Controleer de vergrendeling.
POMPSET VOOR DE BANDEN (1/5)
32788

De set repareert beschadigde banden waarvan het loopvlak A beschadigd is door een voorwerp van minder dan 4 millime-
ter. Hij repareert niet alle typen lekken, zoals sneden van meer dan 4 millimeter, sneden aan de zijkant B van de band, enz.
Controleer ook of de velg in goede staat is.
Verwijder niet het voorwerp dat de oorzaak is van de lekkage als dit nog in de band zit.

Gebruik de pompset niet als de band beschadigd is door het rijden met een lekke band.
Controleer dus zorgvuldig de zijkant van de banden voor het repareren.
Bovendien kan het rijden met zachte of zelfs platte (of lekke) banden de veiligheid in gevaar brengen en niet te repareren blijken.
Deze reparatie is tijdelijk
Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
Voor het vervangen van een band die met behulp van deze set gerepareerd is, moet u de specialist op de hoogte brengen.
Tijdens het rijden kan een trilling gevoeld worden door de aanwezigheid van het product in de band.

De set is uitsluitend bestemd en goedgekeurd voor het oppompen van banden van een auto die met deze set uitgerust
is.
In geen geval mag de set gebruikt worden voor het oppompen van banden van een andere auto of enig ander oppompbaar voorwerp (zwemband, boot, enz.).
Voorkom dat de huid in contact komt met de reparatievloeistof tijdens de werkzaamheden met de fles. Als toch druppeltjes ontsnappen, moet u deze overvloedig afspoelen.
Houd de reparatieset uit de buurt van kinderen.
Gooi het lege reservoir niet in de natuur. Lever het in bij uw merkdealer of bij een depot voor klein chemisch afval.
Het reservoir heeft een beperkte houdbaarheid die is aangegeven op zijn etiket. Controleer de houdbaarheidsdatum.
Ga bij een merkdealer langs om de pompslang en het reservoir met het re-paratieproduct te laten vervangen.
POMPSET VOOR DE BANDEN (2/5)
Pompset C
Gebruik in geval van een lekke band de set onder het dashboardkastje.
Open de set, verwijder de doppen 1 en 3 (het is belangrijk dat de dop van de fles niet verwijderd wordt) zet daarna de fles 2 vast op zijn steun 3.


Voordat u de set gebruikt zet u de auto aan de kant van de weg, ver genoeg van het verkeer, schakelt u de alarmknip-
perlichten in, zet u de handrem vast, laat u alle inzittenden uit de auto stappen en zorgt u dat deze zich op veilige afstand van het verkeer bevinden.

Als u de auto heeft stilgezet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van
de gevarendriehoek of op een andere, in het land waar u bent, voorgeschreven manier.
Contactsleutel in de stand "Accessoires", handrem aangetrokken,
- maak de dop van het ventiel van het be- treffende wiel los en zet de aansluiting 6 op het ventiel vast;
- sluit de stekker 8 aan op de accessoireaansluiting van het dashboard van uw auto;
- druk op de schakelaar 5 om de band op te pompen tot de voorgeschreven bandenspanning (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier);
- na maximaal 5 minuten, stopt u het pompen om de spanning af te lezen (op de manometer 4);
NB: tijdens het leeglopen van de fles (ongeveer 30 secondes), geeft de manometer 4 kort een spanning van 6 bar aan, daarna daalt deze.
- corrigeer de bandenspanning: om deze te verhogen gaat u door met het oppompen met de set, om deze te verlagen verdraait u de knop 7 op de pompdop.
Als na 15 minuten de minimum spanning van de band van 1,8 bar nog niet is bereikt, dan is reparatie niet mogelijk. Ga niet rijden, maar neem contact op met een merkdealer.
POMPSET VOOR DE BANDEN (3/5)

Als de band correct is opgepompt:
- stop de set;
- sluit de dop van de fles;
- maak de aansluiting 8 los;

Laat geen voorwerpen bij de voeten van de bestuurder liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwer-
pen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.
- plak de sticker met de rijvoorschriften 9 op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard;
- berg de set op;
- Als de band na de eerste keer oppompen nog steeds lek is, moet er worden gere- den om het gat te vullen;
- rijd direct weg en rijd tussen de 20 en 60 km/u om het product gelijkmatig in de band te verdelen, en stop na 3 kilometer rijden om de spanning te controleren;
- als de spanning hoger is dan 1,3 bar maar lager dan de voorgeschreven waarde, corrigeer deze dan (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier); als dit niet zo is, neem dan contact op met een merkdealer: de reparatie is niet mogelijk.
N.B.: na gebruik van de pompset, moet u bij een dealer de pompslang en de fles met het reparatieproduct laten vervangen.
Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set
De set mag niet langer dan 15 minuten aan-eengesloten gebruikt worden.

Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de banning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet meer dan 200 km rijden. Verminder bovendien uw snelheid en rijd
in elk geval niet sneller dan 80 km/u. De sticker die u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan. Afhankelijk van het land of de plaatselijke voorschriften moet een met de pompset gerepareerde band worden vervangen.
POMPSET VOOR DE BANDEN (4/5)

Pompset D
Gebruik afhankelijk van de auto in geval van een lekke band de set die is opgeborgen in het dashboardkastje.

Voordat u de set gebruikt zet u de auto aan de kant van de weg, ver genoeg van het verkeer, schakelt u de alarmknip-
perlichten in, zet u de handrem vast, laat u alle inzittenden uit de auto stappen en zorgt u dat deze zich op veilige afstand van het verkeer bevinden.
Draaiende motor, parkeerrem vastgezet,
- rol de slang van de fles uit;
- sluit de slang 12 van de compressor aan bij de toevoer van de fles 17;
- sluit, afhankelijk van de auto, de fles 17 bij de flesafdruk 16 aan op de compressor;
- schroef het dopje van het ventiel van het betreffende wiel los en schroef de pomp-aansluiting van de fles 10 erop;
- sluit de stekker 11 beslist aan op de accessoireaansluiting van uw auto;
-
druk op de schakelaar 13 om de band op te pompen tot de voorgeschreven bandenspanning (raadpleeg de paragraaf "bandenspanning");
-
na maximaal 15 minuten stopt u het pompen om de spanning af te lezen (op de manometer 14).
NB: terwijl de fles leegloopt (ongeveer 30 seconden), geeft de manometer 14 kort een druk van 6 bar aan, daarna daalt de spanning. - corrigeer de bandenspanning: om deze te verhogen gaat u door met het oppompen met de set, om deze te verlagen drukt u op de knop 15.
Als na 15 minuten de minimum spanning van de band van 1,8 bar nog niet is bereikt, dan is reparatie niet mogelijk. Ga niet rijden, maar neem contact op met een merkdealer.

Als u de auto heeft stilgezet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van
de gevarendriehoek of op een andere, in het land waar u bent, voorgeschreven manier.
POMPSET VOOR DE BANDEN (5/5)
35749

Als de band correct is opgepompt, verwijdert u de set: schroef de pompdop 10 voorzichtig los zodat er geen product kan wegspuiten en berg de fles op in een plastic zak zodat er geen product kan wegstromen.

Laat geen voorwerpen bij de voeten van de bestuurder liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwer-
pen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.
- Plak het etiket met de rijvoorschriften op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard;
- Berg de set op.
- Als de band na de eerste keer oppompen nog steeds lek is, moet er worden gere- den om het gat te vullen.
- Rijd direct weg en rijd tussen de 20 en 60 km/u om het product gelijkmatig in de band te verdelen. Stop na 3 kilometer rijden om de spanning te controleren.
- Als de spanning hoger is dan 1,3 bar, maar lager dan de voorgeschreven waarde, corrigeer deze dan (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier); als dit niet zo is, neem dan contact op met een merkdealer: er is geen reparatie mogelijk.
Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set
de set mag niet langer dan 15 minuten aan- eengesloten gebruikt worden.

Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de banning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet meer dan 200 km rijden. Verminder bovendien uw snelheid en rijd
in elk geval niet sneller dan 80 km/u. Het etiket dat u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan.
Afhankelijk van het land of de plaatselijke voorschriften, moet een met de pompset gerepareerde band worden vervangen.
GEREEDSCHAP

Om het gereedschap 1 uit de bagage- ruimte te halen
Afhankelijk van de auto, kan het onder een klep verborgen zijn, open deze. Maak de draaiknop 2 los en trek het gereedschap naar u toe.
Om het gereedschap weer terug te plaatsen Plaats de pin 4 van het gereedschap in de beugel 3. Let op dat het gereedschap goed geplaatst is zodat de draaiknop 2 vastgeschroefd kan worden.

De aanwezigheid van de gereedschappen in de gereedschapset is afhankelijk van de auto.
Bevestigingsband (afhankelijk van de auto)
Plaats, na gebruik, de band weer terug en let daarbij goed op, dat alle onderdelen van de gereedschapset goed vast zitten.
Wielmoersleutel 5
Om de wielbouten en de moer van de beugel van het reservewiel los te zetten.
Boutgeleider 6 (afhankelijk van de auto) Voor het loszetten van het laatste stuk of het vastzetten van het eerste stuk van de wielbouten.
Sierdopsleutel 9
Voor het verwijderen van de wieldoppen.
Krik 7
Raadpleeg de paragraaf "Verwisselen van een wiel" in hoofdstuk 5.
Sleepoog 8
Raadpleeg de paragraaf "Slepen: storing" in hoofdstuk 5.

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen. Klem na gebruik het
gereedschap weer goed vast in de ge- reedschapset en berg deze correct op in zijn houder: risico van verwonding.
Als de gereedschapset wielbouten bevat, gebruik deze bouten dan alleen voor het reservewiel: raadpleeg de sticker op het reservewiel.
Gebruik de krik alleen voor het verwisselen van een wiel. De krik mag nooit als steun bij werkzaamheden onder de auto worden gebruikt.
WIELDOPPEN, WIELEN

Wieldop 1 (wielbouten afgedekt)
Verwijder hem met behulp van de sierdop-sleutel 2 (onder het gereedschap), door het haakje voldoende in de opening bij het ventiel te steken (om de metaaldraad aan de achterkant van de wieldop te bereiken).
Om hem weer terug te plaatsen, richt u hem ten opzichte van ventiel. Duw de haakjes er in, te beginnen met kant A daarna B en C en eindig met de kant tegenover ventiel D.

Wieldop 3 (wielbouten zichtbaar)
Om alleen de wieldop te verwijderen, drukt u op de met pijlen aangegeven plaatsen.
Draai de wieldop zo dat de bevestigingspun- ten achter de wielbouten vrijkomen.
Om de wieldop weer terug te plaatsen, gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (1/2)

Ga door met vastzetten om de voet goed op de grond te plaatsen. Draai de wielmoersleutel 3 van de krik om het wiel van de grond los te maken.

Schakel de alarmknipperlichten in.
Zet de auto stil op een horizontale, stroeve en stevige on-
dergrond (leg indien nodig een stevige plank onder de krik) op veilige afstand van het verkeer.
Zet de handrem vast en zet de transmissie in de stand P P).
Laat alle inzittenden uitstappen en houd hen op veilige afstand van het verkeer.
Verwijder de wieldop (indien van toepassing).
Draai de wielbouten iets los met de wielmoersleutel 2. Plaats deze zo dat u deze naar beneden kan drukken.
Begin met het uitdraaien van de krik 4 met de hand door de wielmoersleutel te draaien.
U moet de kop van de krik op de metalen steun 1 plaatsen die het dichtst bij het betreffende wiel is, en afhankelijk van de auto, op de met een driehoek aangegeven plek.
Bij een zachte ondergrond moet u een plank onder de voet plaatsen.

Als u de auto heeft stilgezet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van
de gevarendriehoek of op een andere, in het land waar u bent, voorgeschreven manier.

Om verwondingen of schade aan de auto te voorkomen, draait u de krik uit tot het te vervangen wiel zich op maximaal
3 centimeter van de grond bevindt.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (2/2)
Draai de wielbouten geheel los en neem het wiel van de naaf. Gebruik voor auto's met aluminium velgen, de boutgeleider uit het gereedschap voor het loszetten van het laat- ste stuk en het vastzetten van het eerste stuk van de wielbouten.
Plaats het reservewiel op de naaf en draai het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten samenvallen.
Monteer de bouten, draai ze vast en laat de krik zakken.
Als het reservewiel eigen bouten heeft, mag u deze bouten uitsluitend gebruiken voor het reservewiel.
Controleer of het wiel goed tegen de naaf is gedrukt, zet de bouten vast en draai de krik los.
Zodra de wielen weer op de grond rusten, zet u de bouten stevig vast. Laat zo snel mogelijk controleren of ze goed vastzitten (aan-haalmoment 110 Nm).
Antidiefstalbouten
Als u antidiefstalbouten gebruikt, moet u deze bouten zo dicht mogelijk bij het ventiel plaatsen (risico dat de wieldop niet gemonteerd kan worden).

Als u merkt dat een band lek is moet u direct stoppen en het reservewiel monteren.
Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
BANDEN (1/3)
Veiligheid van de banden -- wielen
De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren.
Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften op dit gebied.

Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk,
met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Zij moeten: ofwel gelijk zijn aan de oorspronkelijk gemonteerde, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.

Onderhoud van de banden
De banden van uw auto moeten altijd aan de wettelijke voorschriften voldoen. Bovendien moeten de banden, in het belang van een goede wegligging van uw auto, van hetzelfde merk zijn en hetzelfde profiel hebben. De banden moeten in goede staat verkeren en voldoende profiel hebben; de merken die door onze Technische dienst zijn goedgekeurd, zijn voorzien van slijtagecontrole-stiften 1.
31546
Deze slijtagecontrolestiften zijn op regelmatige afstanden over de omtrek van het loopvlak verdeeld. Als het loopvlak van een band tot aan deze stiften is weggesleten, zoals bij 2, moet u deze band laten vervangen omdat er dan nog slechts 1,6 mm profiel overblijft.
Ook door overbelasting, door het langdurig snel rijden bij hoge buitentemperaturen en door het regelmatig rijden op slechte wegen, kunnen de banden worden beschadigd, waardoor de veiligheid in gevaar komt.

Bestuurdersfouten, zoals "rijden tegen een stoeprand", kunnen de banden en de velgen beschadigen, en de voorwielen of achterwielen ontregelen. Laat in dat geval hun staat door een merkdealer controleren.
BANDEN (2/3)
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanning (inclusief die van het reservewiel). Controleer minstens één keer per maand en voor een grote reis de bandenspanning (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier).
Raadpleeg de paragraaf "bandenspanning" in hoofdstuk 4.

Door een te lage banden- spanning ontstaat vroegtijdige slijtage en worden de banden abnormaal heet, met alle ge-
volgen van dien voor de veiligheid:
- slechte wegligging;
- risico van een klapband of het losla- ten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van de belasting en de snelheid. Zorg voor de juiste bandenspanning afhankelijk van de gebruiksomstandigheden (raadpleeg de paragraaf "Bandenspanning").
Controleer de spanning bij koude banden, houd geen rekening met een hogere waarde bij warm weer of na een snel gereden rit.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opge- geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.

Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de banning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.
Vervangen van de banden

Laat, om veiligheidsredenen het vervangen van de banden over aan een deskundige.
Door het monteren van afwijkende banden kan:
- de auto gaan afwijken van de betreffende wettelijke voorschriften;
– de wegligging verslechteren; - het sturen zwaarder gaan;
- het gebruik van sneeuwkettingen belemmerd worden.
Het kruisen van de wielen
Dit wordt afgeraden.
Reservewiel
Zie de paragrafen "reservewiel" en "verwisselen van een wiel" in hoofdstuk 5.
BANDEN (3/3)
De banden in de winter
- Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd.
Als een te grote bandenmaat is gemonteerd, kunnen er geen sneeuwkettingen worden gemonteerd.

Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen mogelijk in combinatie met even grote banden als die welke oorspronkelijk zijn
gemonteerd op uw auto.
Op de wielen kunnen alleen specifieke sneeuwkettingen gemonteerd worden. Raadpleeg een merkdealer.
- Winterbanden
Wij raden u aan deze op alle wielen te monteren om de grip van uw auto op de weg zoveel mogelijk te behouden
Let op: op deze banden staan soms:
- een draairichting;
- een indicatie van de maximum snelheid die niet overschreden mag worden, ook al is die lager dan de topsnelheid van de auto.
- Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is slechts onder bepaalde omstandigheden toege-staan.
Houd u aan de ter plaatse geldende voorschriften, en rijd niet sneller dan de daarmee toegelaten maximum snelheid.
Indien u voor deze banden kiest, moeten zij in ieder geval links en rechts voor worden gemonteerd.
NB:
Het gebruik van sneeuwbanden, thermoplastische rubberbanden of spijkerbanden beperkt de actieradius van de auto aanzienlijk.
Wij raden u in ieder geval aan een merk-dealer te raadplegen. Hij weet als geen ander welke voorzieningen het beste bij uw auto passen.
KOPLAMPEN : vervangen van een lamp (1/2)

Draai de kap 1 een kwartslag om hem te ontgrendelen.
Maak de bedrading los.
Verwijder de rubberen bescherming 2.
Maak de veer 3 los om lamp te verwijderen.

Niet onder de motorkap werken als de auto wordt opgeladen of wanneer het contact niet uit is.

Gebruik uitsluitend anti-UV lampen van 55W om de plastic ruit van de koplampen niet te beschadigen.
Raak het lampglas niet aan. Houd de lamp vast aan de metalen voet.
Bij het monteren gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
Zorg ervoor dat de rubberen bescherming 2 goed op zijn plaats zit, zodat de drie strips goed zichtbaar zijn.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
27386

Zorg dat u altijd een doos met reserve-lampen en -zekeringen in de auto hebt, deze is verkrijgbaar bij uw merkdealer.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
KOPLAMPEN : vervangen van een lamp (2/2)
27372

Markeringslicht voor
Open de klep A onder de wielkuip. Om de klep goed toegankelijk te maken, draait u het wiel naar het midden van de auto.
Draai de lamphouder 4 om hem te ontgren- delen, en trek hem van zijn plaats, zonder de bedrading los te maken. Vervang de lamp.
Lamptype: P21/5W
Bij het monteren gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
27386

Open de klep A in de wielkuip. Om de klep goed toegankelijk te maken, draait u het wiel naar het midden van de auto.
Draai de lamphouder 5 om hem te ontgren- delen, en trek hem van zijn plaats, zonder de bedrading los te maken. Vervang de lamp.
Lamptype: PY21W
Bij het monteren gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
Let op bij de montage dat de klep goed vastzit.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen. Risico van verwonding.
MISTLICHTEN: vervangen van een lamp

Mistlichten voor 1
Omdat soms onderdelen of organen (bumper voor) gedemonteerd moeten worden, adviseren wij het vervangen van de lampen over te laten aan een merkdealer.
Lamptype: H11

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
Extra lampen
Vraag een merkdealer advies indien u extra lampen (mistlichten of verstralers) op uw auto wilt monteren.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.

Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kan de elektrische installatie worden be-
schadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door een merkdealer uitvoeren. Hij beschikt over de noodzakelijke onderdelen.

Omdat soms onderdelen of organen (bumper achter) gedemonteerd moeten worden, adviseren wij het vervangen van de lampen over te laten aan een merkdealer.
Lamptype: P21 W
ACHTERLICHTEN: vervangen van een lamp (1/3)

Open, afhankelijk van de auto, de klapdeuren of de achterklep.
Draai de schroeven 1 los met een Torxschroevendraaier.
Maak de onderkant los, daarna de boven- kant van het licht door het naar u toe te trek- ken.
Trek aan de lipjes 2 om de lamphouders 3 los te maken.
Vervang de lamp, en monteer het licht in omgekeerde volgorde.
27265

Peervormige lamp met bajonetfitting P Y21W.
Peervormige lamp met bajonetfitting met twee gloeidraden P 21/5W.
6 Achteruitrijlicht (rechts, of afhankelijk van de auto, aan twee kanten)
Peervormige lamp met bajonetfitting P 21W.
27266

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
ACHTERLICHTEN: vervangen van een lamp (2/3)

- Uitvoering met achterklep: deze bevindt zich in het midden boven de achterruit.
- Uitvoering met klapdeuren: deze bevindt zich boven de achterruit van de linkerdeur.
27514

Vanuit het interieur, verwijder de twee plastic doppen 7. Maak het licht los door met behulp van een schroevendraaier in de houder van de metalen klemmetje te duwen.
Van buitenaf, verwijder het licht 8. Vervang de lamp zonder de bedrading los te maken.
Lamptype: W16W
Bij het monteren gaat u in omgekeerde volgorde te werk.
Controleer of de lipjes goed vergrendeld zijn.

ACHTERLICHTEN: vervangen van een lamp (3/3)

Kentekenverlichting
Draai de twee schroeven 9 los met een Torxschroevendraaier.

Maak het lamphuis 10 los om bij de lampen te kunnen komen.
Lamptype: W5W.
Vervang de lampen en plaats het lamphuis terug.
ZIJKNIPPERLICHTEN: vervangen van een lamp

Maak het zijknipperlicht 1 aan de kant van het portier los met behulp van een platte schroevendraaier.

Draai de lamphouder 2 een kwartslag en trek de lamp eruit.
Lamptype: WY5W.
Vervang de lamp en plaats het zijknipperlicht terug.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (1/2)

verlichting van het interieur
Verwijder de lichtkap 1 met een platte schroevendraaier.

Trek aan de lamp 2 om hem van zijn plaats te halen.
Lamptype 2: W6W
Vervang de lampen en zet de lichtkap op zijn plaats.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (2/2)

Binnenlicht A
Verwijder de lichtkap met een platte schroevendraaier.
Trek aan de lamp om hem uit zijn houder te halen.
Type lamp A: W5W
Vervang de lamp en zet de lichtkap op zijn plaats.

Binnenlicht B of C
Verwijder de lichtkap met een platte schroevendraaier.
Trek aan de lamp om hem uit zijn houder te halen.
Type lamp B of C : W6W
Vervang de lamp en zet de lichtkap op zijn plaats.

12 V-ACCU: pechhulp (1/2)
Om vonkvorming te voorkomen:
- Zet het contact van de auto uit.
- Controleer of alle stroomverbruikers (binnenlichten, enz.) zijn uitgeschakeld voordat u de accuklemmen losmaakt of aansluit.
- Schakelt u de acculader uit voordat u deze op de accu aansluit of ervan losmaakt.
- Mag u geen metalen of andere geleidende voorwerpen, die kortsluiting tussen de accupolen kunnen veroorza-ken, op de accu leggen.
- Moet u de accukabels na het weer monteren goed vastzetten.

Voor bepaalde accu's gelden speciale voorwaarden bij het laden, raadpleeg uw merkdealer.
De geringste vonk kan een zware explosie veroorzaken. Daarom mag u de accu alleen in een goed geventileerde ruimte opladen. Risico van ernstige verwondingen.
Aansluiting van een acculader
De acculader moet geschikt zijn voor een accu met een nominale spanning van 12 volt.
Controleer voordat u de accu loskoppelt of:
- het contact is uitgezet;
- de versnellingsschakelaar in stand P staat (raadpleeg de paragraaf "versnel-lingsschakelaar");
- het oplaadsnoer is losgekoppeld.

Niets met de 12 V-accu doen (opladen, vervangen enz.):
- zonder het contact te hebben uitgezet;
- terwijl de tractiebatterij wordt opgela- den.
Raadpleeg de paragraaf "Elektrische auto: opladen" in hoofdstuk 1.
Risico van ernstige verwondingen.
Maak beide accukabels los, te beginnen met de negatieve kabel.
Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met
veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
Houd open vuur, gloeiende voorwerpen en vonken verwijderd van de accu: explosiegevaar.
Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onverwacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
12 V-ACCU: pechhulp (2/2)
Starten met starchulpkabels
Als u voor het starten de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan de startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds start-kabels heeft, of deze in goede staat verke-ren.
Beide accu's moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.
Let erop dat de auto's elkaar niet raken (kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met elkaar verbindt) en dat de ontladen accu goed aangesloten is. Zet het contact af van uw auto.
Laat de motor van de hulpauto met een gemiddeld toerental draaien.

Sluit de positieve kabel (+) A aan op de pluspool (+) 1 van de ontladen accu en daarna op de pluspool (+) 2 van de hulpaccu.
Sluit de negatieve kabel (−) B aan op de minpool (−) 3 van de hulpaccu en daarna op de minpool (−) 4 van de ontladen accu.
Controleer of de kabels A en B elkaar nergens raken en of de positieve kabel A (+) geen metalen delen van de hulpauto raakt.
Start de motor en maak de kabels A en B in omgekeerde volgorde los (4-3-2-1).

Voor bepaalde accu's gelden speciale voorwaarden bij het laden, raadpleeg uw merkdealer.
De geringste vonk kan een zware explosie veroorzaken. Daarom mag u de accu alleen in een goed geventileerde ruimte opladen. Gevaar van ernstige verwondingen.
Gebruik uw elektrische auto niet om de 12 V-accu van een andere auto bij pech te helpen. De elektrische spanning van 12 volt van een elektrische auto is daarvoor niet toereikend. Risico van beschadiging van de auto.
ZEKERINGEN (1/2)

Controleer de staat van de zekeringen als een elektrisch apparaat niet werkt.
Maak het deksel A los.

Verwijder de zekering met het tangetje 1, dat zich bevindt aan de achterkant van het deksel A.
U kunt de zekering uit het tangetje schuiven.
Raadpleeg de sticker en de verklaring op de volgende bladzijde voor het bepalen van de te controleren zekering.
Gebruik niet de ongebruikte plaatsen op de zekeringplaat om reservezekeringen in te steken.

Controleer de betreffende zekering en vervang hem, indien nodig, door een zekering met hetzelfde amperage als de oorspronkelijke zekering.
Door een te sterke zekering kan de bedrading te heet worden en kan brand ontstaan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.
Zorg dat u altijd een doos met reserve-lampen en -zekeringen in de auto hebt, deze is verkrijgbaar bij uw merkdealer.
ZEKERINGEN (2/2)
Bestemming van de zekeringen (AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING)
| Symbool | Bestemming Symbool Bestemming | ||
| Binnenverlichting, elektrische spiegels, regensensor/licht-sensor, airconditioning. | Radio, display, airconditioning,stoelverwarming | ||
| Claxon | Instrumentenpaneel | ||
| Alarmknipperlichten, mist-achterlicht | Accessoireaansluiting, aanste-ker | ||
| Elektrische ruitbediening | Stroomonderbreker (radio, navigatie, display, alarm) | ||
| Stoelverwarming | Spiegelverwarming | ||
| Achterruitwisser | Ruitensproeier voor/achter | ||
| Verwarming interieur | Portiervergrendeling | ||
| ADAPT | Plaats gereserveerd voor aan-vullende uitrustingen | ABS | |
| STOP | Remlichten |
Bepaalde functies worden beschermd door zekeringen in de motorruimte.
Vanwege de moeilijke bereikbaarheid, adviseren wij het vervangen van deze zekeringen over te laten aan een merkdealer..
RUITENWISSERBLADEN (1/2)

Vervangen van de ruitenwisserbladen voor
Contact uit, til de ruitenwisserarm A lichtjes omhoog.
Trek het lipje 1 naar boven.
Verschuif het blad in de richting van de pijl. Bij de montage werkt u in omgekeerde richting en controleert u of het blad goed is vastgeklemd.
Let op de staat van de ruitenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af:
- reinig de bladen, de voorruit en de achterruit regelmatig met water met zeep;
- gebruik ze niet als de voorruit of achterruit droog zijn;
- maak ze los van de voorruit of achterruit als ze lang niet gebruikt zijn.
RUITENWISSERBLADEN (2/2)

Vervangen van het ruitenwisserblad achter
Uitvoering met klapdeuren B
- Contact uit, til de ruitenwisserarm 6 omhoog.
- Kantel het blad 4.
- Druk op het lipje 5.
- Maak het blad vrij door eraan te trekken (pijl).
Bij de montage werkt u in omgekeerde richting en controleert u of het blad goed is vastgeklemd.

Uitvoering met achterklep C
- Contact uit, til de ruitenwisserarm 7 omhoog.
- Kantel het blad 8 tot u een weerstand voelt.
- Maak het blad vrij door eraan te trekken (pijl).
Bij de montage werkt u in omgekeerde richting en controleert u of het blad goed is vastgeklemd.

- Controleer als het vriest, voordat u wegrijdt, of de rui- tenwissers voor en achter niet aan het glas zijn vastgevroren.
De wissermotor kan hierdoor te warm worden.
- Controleer regelmatig de wisserbladen.
Zodra hun werking afneemt moet u ze vervangen, ongeveer eens per jaar.
Bij het vervangen van het blad, let bij het verwijderen van het blad op, dat u hem niet op de ruit laat vallen: u zou de ruit kunnen breken.
SLEPEN, PECH (1/3)
Soorten pechverhelping
Bij energiepech
In geval van volledige ontlading van de tractiebatterij, is iedere vorm van slepen toegestaan: slepen op een laadplateau of het slepen op de weg met behulp van het sleepoog (zie volgende pagina's).
Elk ander geval van pech
Enkel slepen op een laadplateau is toegestaan.


Slepen op een laadplateau
Pechverhelping dient uitsluitend op een laadplateau te gebeuren in alle gevallen behalve bij energiepech (volledige ontlading van de tractiebatterij). Raadpleeg volgende pagina's bij energiepech.
Vóór elke pechverhelping dient u de sleutel in het contactslot te steken om de stuurkolom te ontgrendelen. Draai hem in de stand M.
Houd u altijd aan de wettelijke bepalingen inzake pechverhelping.
SLEPEN, PECH (2/3)

Bij energiepech: slepen
Bij volledige ontlading van de tractiebatterij:
- het controlelampje knippert;
- de wijzer 1 bevindt zich onderin het reservegebied.
Het is mogelijk om te slepen op een laad-plateau of om de auto te slepen met behulp van een sleeppunt volgens de aanwijzingen hieronder.

Bij stilstaande motor werken de stuur- en rembekrachtiging niet meer.

Steek vóór het slepen de sleutel in de schakelaar om de stuurkolom te ontgrendelen. Draai hem in de stand M.
De stuurkolom ontgrendelt, de accessoires van de auto hebben voeding, en u kunt de verlichting van de auto gebruiken (remlichten, alarmknipperlichten, enz.). u kunt de verlichting van de auto gebruiken (alarmknipperlichten, remlichten, enz.). In het donker moet de auto verlicht zijn.
Houd u altijd aan de wettelijke bepalingen inzake het slepen.

Indien de selecteurhendel niet uit de stand P kan worden verzet als u het rempedaal indrukt, dan kunt u de hendel als
t de hand vrijzetten.
Wip hiervoor het plaatje aan de voet van de hendel los.
Druk tegelijk op het merkteken 2 en op de ontgrendelknop op de hendel.
SLEPEN, PECH (3/3)

Toegang tot de sleeppunten
Maak het kapje 3 of 5 los.
Schroef het sleepoog 4 zo ver mogelijk vast: eerst met de hand en daarna met de wielsleutel.
Het sleepoog 4 en de wielmoersleutel zijn opgeborgen in de gereedschapset in de bagageruimte (raadpleeg de paragraaf "Gereedschap" in hoofdstuk 5).

Gebruik uitsluitend de sleepogen aan de voorkant en aan de achterkant (nooit de aandrijfassen). Deze sleeppunten mogen alleen gebruikt worden om de auto mee te slepen en in geen geval om de auto direct of indirect aan op te hijsen.

Verwijder de contactsleutel niet tijdens het slepen.

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is ge- vaarlijk als u plotseling moet remmen.
Klem na gebruik het gereedschap weer goed vast in de gereedschapset en berg deze correct op in zijn houder: risico van verwonding.
Risico van verwonding.
RADIOVOORBEREIDING (1/2)

Radio-uitrusting
Wip het afdekplaatje los. De aansluitingen van de antenne, van de + en - voeding en van de luidsprekerdraden bevinden zich hierachter.
De aanwezigheid en de plaats van deze uitrustingen zijn afhankelijk van de uitvoering van de auto:
1 apart display (tijd, buitentemperatuur, radio en navigatie);
2 aansluiting voor audioverbinding;
3 radiotoestel;
4 radiobedieningsorganen onder stuurwiel.

Voor de werking van deze uitrustingen: raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de uitrusting die u het beste bij de andere boekjes van de auto kunt bewaren.

Luidsprekers achter 6
- Volg altijd nauwgezet de inbouwvoorschriften van de uitrusting op.
- De gegevens van de steunen en kabelbundels variëren naargelang het uitrustingsniveau van uw auto en het type van uw autoradio. Raadpleeg een merkdealer voor hun onderdeelnummers.
- Wijzig niet zelf de bedrading van de auto of van de autoradio want door een verkeerde aansluiting kan de elektrische installatie worden beschadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door uw RENAULT-dealer uitvoeren.
ACCESSOIRES

Controleer voordat u dit type accessoire installeert of dit compatibel is met uw auto. Vraag advies aan een merkdealer.
Voor elke installatie van een accessoire waarbij een ingreep op het 12 volt elektrische circuit van de auto nodig is, moet u zich aan de volgende richtlijnen houden:
- koppel het oplaadsnoer van de tractiebatterij los;
- zet het contact uit;
maak de kabels van de 12 V-accu los.
Risico van ernstige verwondingen.
Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 120 watt. Risico van brand.
Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kunnen de elektrische installatie en/of de erop aangesloten organen worden beschadigd. Laat eventuele veranderingen door een merkdealer uitvoeren.
In geval van achteraf inbouwen van een elektrische uitrusting, moet u goed in de gaten houden dat de installatie wel is beschermd door een zekering. Noteer de sterkte van deze zekering en de plaats waar hij zich bevindt.
Gebruik van zenders/ontvangers (telefoons, 27 Mc apparatuur, enz.)
Telefoons en 27 Mc-apparatuur met een ingebouwde antenne kunnen de werking beïnvloeden van elektronische systemen in de auto. Gebruik dergelijke apparaten daarom met een buitenantenne. Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van deze apparaten.
Achteraf inbouwen van accessoires
Als u accessoires op de auto wilt installeren: raadpleeg een merkdealer. Om zeker te zijn dat uw auto goed werkt en om elk risico te vermijden dat uw veiligheid kan aantasten, raden wij u aan om door de constructeur goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door de constructeur gegarandeerd.
Als u een antidiefstalstang gebruikt, bevestig deze dan uitsluitend op het rempedaal.
Hinder bij het rijden
Aan de bestuurderskant mogen alleen voor de auto geschikte matten worden gebruikt die moeten worden vastgezet aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen
FM-AFSTANDSBEDIENING: batterijtjes
27346

Vervangen van het batterijtje van de afstandsbediening
Draai de schroef 1 los om het deksel van de afstandsbediening te verwijderen.
De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een merkdealer, de levensduur is ongeveer twee jaar.
Let op dat er geen inkt op het batterijtje zit: risico van slecht elektrisch contact.

Vervang het batterijtje 2. Let op de juiste polariteit die op het deksel is aangegeven.
N.B.: raak bij het vervangen van het batterijtje niet de elektronische printplaat in de sleutel aan.
Controleer bij het monteren, of het deksel goed vastzit en de schroef goed vastgezet is.
27347


Gooi lege batterijen niet weg, maar lever ze in bij een inza- melpunt voor lege batterijen.
STORINGEN (1/4)
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.
STORINGEN MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| De tractiebatterij kan niet worden opgela-den. | Afwezigheid van stroom in de huishou-delijke stopcontacten of slechte aan-sluiting van de kabel op het huishoude-lijke stopcontact. | Controleer uw installatie (hoofdschakelaar, pro-grammeerapparaat enz.).Controleer de aansluitingen (oplaadaansluiting),raadpleeg het hoofdstuk “Elektrische auto: opla-den” in hoofdstuk 1. |
| De buitentemperatuur is lager dan -26 °C. | Laad uw auto op een plaats met een gematigde temperatuur op. Raadpleeg indien nodig de pa-ragraaf “Slepen, pech” in hoofdstuk 5. |
Het snoer is defect. Raadpleeg een merkdealer voor een vervangend exemplaar.
STORINGEN (2/4)
STORINGEN MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| De aanvullende verwarming werkt niet Geen brandstof meer in de tank. Vul de tank zo snel mogelijk. raadpleeg de paragraaf “tank aanvullende verwarming” in hoofdstuk 1. | ||
| De programmeerbare verwarming werkt niet. | Aan een van de gebruiksvoorwaarden is niet voldaan (de tractiebatterij wordt niet opgeladen). | Raadpleeg de paragraaf “Verwarming, airconditioning: programmeerbare verwarming” in hoofdstuk 3. |
| Het klokje in de auto is niet of niet goed ingesteld. | Stel de tijd op het instrumentenpaneel in; raadpleeg de paragraaf “Tijd en buitentemperatuur” in hoofdstuk 1. | |
STORINGEN (3/4)
Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
Het sturen gaat zwaar. Oververhitting van de bekrachtiging. Raadpleeg een merkdealer.
Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. Controleer de bandenspanning: äls deze goed is,
laat de staat van de banden dan door een merk- dealer controleren.
Koelvloeistoflekkage. Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet
vloeistof in zitten. Als het leeg is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer.
STORINGEN (4/4)
Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
De ruitenwisser werkt niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit.
Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer.
De ruitenwisser stopt niet. Elektrische bediening defect. Raadpleeg een merkdealer.
Knipperfrequentie te hoog. Lamp doorgebrand. Vervang de lamp.
De knipperlichten werken niet. Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer.
De koplampen schakelen niet in of niet uit. Elektrische installatie of schakelaar defect. Raadpleeg een merkdealer.
Condenswater in de verlichting.
Dit is geen defect. Dit is een normaal verschijnsel dat door temperatuurverandering wordt veroorzaakt.
Als de lichten branden verdwijnt het water snel.
Hoofdstuk 6: Technische gegevens
Identificatieplaatjes auto 6.2
Identificatieplaatje motor 6.3
Motorkenmerk 6.3
Massa's 6.4
Afmetingen 6.5
Onderdelen en reparaties 6.7
Onderhoudscoupons 6.8
Plaatwerkcontrole 6.14
6.1
IDENTIFICATIEPLAATJES AUTO

De gegevens op het constructeursplaatje moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
Constructeursplaatje A
1 Naam van de fabrikant.
2 Nummer van communautair ontwerp of registratienummer.
3 Identificatienummer.
Afhankelijk van de auto wordt deze informatie herhaald op de markering B.
4 MMAC (max. toegelaten totaalmassa) gemeten onder de vooras.
5 Max. toegelaten treinmassa: auto met aanhanger.
6 MMTA (max. toegelaten massa) gemeten onder de vooras.
7 Max. toegelaten massa gemeten onder de achteras.
8 Gereserveerd voor zakelijke of aanvullende inschrijvingen.
9 Laknummer (kleurcode).
IDENTIFICATIEPLAATJE MOTOR/MOTORKENMERK
33293
©

Identificatieplaatje motor
De gegevens op het motorplaatje C moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
(de plaats is afhankelijk van het motortype)
1 Type van de motor.
2 Indicenummer van de motor.
3 Motornummer.

Motorkenmerk
Type motor 1: 5AM
MASSA'S (in kg)
De aangegeven massa's zijn van de basisuitvoering zonder opties: zijn variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Raadpleeg de merkdealer.
| Max. toegelaten totaalmassa (MMAC)Max. toegelaten treinmassa (MTR) | Midden Lang | |
| De massa's staan op het constructeursplaatje (raadpleeg de paragaaf "Identificatieplaatjes" in hoofdstuk 6) | ||
| Aanhangwagenmassa geremd * door berekenen van: MTR - MMAC | ||
| Aanhangwagenmassa ongeremd * 374 322 | ||
| Maximale kogeldruk op trekhaak * 75 | ||
| Maximaal toegelaten dakbelasting 100 (met inbegrip van de dragende delen) | ||
* Aanhangwagengewicht (trekken van een caravan, boot, enz.)
Het trekken van een aanhangwagen is verboden wanneer de berekening maximaal toegelaten treinmassa – maximaal toegelaten totaalmassa gelijk is aan nul of wanneer de op het constructeursplaatje aangegeven maximaal toegelaten treinmassa gelijk is aan nul (of niet wordt aangegeven).
- Respecteer de in het land geldende voorwaarden voor het trekken en de toegelaten maximale massa's. Laat uw merkdealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen.
- In geval van een auto met aanhanger, mag de max. toegelaten treinmassa (auto + aanhanger) nooit overschreden worden. Toch is toe-gestaan:
- een overschrijding van de max. toegelaten massa gemeten onder de achteras tot 15 %,
- een overschrijding van de max. toegelaten totaalmassa tot 10 % of 100 kg (tot de eerste van deze twee waarden is bereikt).
In beide gevallen is de maximumsnelheid van de combinatie 80 km/u. en moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI).
| 2 zitplaatsen 5 zitplaatsen | |||
| Midden Lang | |||
| A 0,8 | |||
| B 2,7 3,0 3,1 | |||
| C 0,7 | |||
| D 4,2 4,6 | |||
| E 2,1 | |||
| F 1,5 | |||
| G 1,5 | |||
| H (onbelast) 1,8 | |||
| Draaicirkels tussen stoepranden | 10,7 11,9 | |
| Draaicirkels tussen muren | 11,2 12,4 |
ONDERDELEN EN REPARATIES
De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt.
Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan.
ONDERHOUDSCOUPONS (1/6)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Typewerkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
ONDERHOUDSCOUPONS (2/6)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/divensen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
ONDERHOUDSCOUPONS (3/6)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Typewerkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
ONDERHOUDSCOUPONS (4/6)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Typewerkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
ONDERHOUDSCOUPONS (5/6)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/divensen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
ONDERHOUDSCOUPONS (6/6)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
| Datum: Km: Factuurnr.: | Toelichting/diversen | |
| Typewerkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □...... □ | ||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | ||
PLAATWERKCONTROLE (1/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (2/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (3/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (4/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (5/5)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (1/4)
A
aangesloten services 1.3
aansteker 3.17
aanvullende bevestigingsmiddelen.... 1.41
aanvullende bevestigingsmiddelen bij de gordels ....1.37 → 1.41
aanvullende veiligheidsvoorzieningen voorin ....1.37 → 1.39
aanvullende verwarming.... 3.9 – 3.10 brandstoftank aanvullende verwarming .... 1.86
aanwijzers: richtingaanwijzers 5.16, 5.21
ABS 2.10 - 2.11
accessoireaansluiting 3.17
accessoires....5.35
accu storing 5.24 – 5.25
achterbank .... 3.21 – 3.22 gebruiksmogelijkheden .... 3.21 – 3.22
achterklep 1.19 → 1.21, 1.21
achterlichten vervangen van een lamp ....5.18 → 5.20
achterruit ontwaseming 3.2
achteruitrijradar.... 2.19 – 2.20
achteruitversnelling inschakelen 2.3 – 2.4
actieradius van de auto 2.5 - 2.6
afstandsbediening van de elektrische portiervergrendeling . 1.14, 1.16
afstandsbediening van de portiervergrendeling batterijtjes....5.36
airbag....1.37 → 1.41 activeren passagiersairbags voorin ....1.52 → 1.54
uitschakelen passagiersairbags voorin ....1.52 → 1.54
automatische portiervergrendeling tijdens het rijden 1.24
B
bagageruimte.... 3.24
banden....4.8, 5.12 → 5.14
bandenspanning 4.8, 5.12 → 5.14
batterij 12 volt ....1.2 → 1.6, 4.6 – 4.7, 5.24 – 5.25 onderhoud ....4.6 – 4.7 reparatie ....5.24 – 5.25
batterijtje (afstandsbediening) 5.36
bedieningsorganen 1.56 → 1.62
bevestigingsmiddelen voor kinderen .....1.42 – 1.43, 1.45 → 1.54
bevestigingssysteem voor kinderen ....1.42 – 1.43, 1.45 → 1.54
binnenverlichting: vervangen van een lamp 5.22 – 5.23
boodschappen op het instrumentenpaneel 1.66 → 1.74
boordcomputer 1.60 → 1.62, 1.68 → 1.74
brandstof inhoud .... 1.86 kwaliteit .... 1.86 tanken .... 1.86
brandstof aanvullende verwarming.... 1.86
buitentemperatuur 1.75
C
capaciteit extra tank 1.86
claxon 1.77
claxon en lichtsignaal 1.77
ECO-werkingsmodus.... 2.5, 2.9
elektrisch circuit 400 volt ....1.2 → 1.7
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (2/4)
elektrische auto
actieradius van de auto 2.5
batterijen 1.4
ECO-modus 2.9
belangrijke aanbevelingen 1.7, 1.9
geluid.... 1.6
opladen 1.8 → 1.13
rijgedrag 1.6, 2.3, 2.5
elektrische installatie 1.9
energie
actieradius 2.8
besparing 2.5 - 2.6
ECO-modus 2.9
econometer (functie) 2.8
opladen 1.8 → 1.13
terugwinning 1.64, 2.8
verbruik 1.63 - 1.64, 2.8
energiebesparing 2.5 - 2.6
energieterugwinning 2.8
energieverbruik 2.5 – 2.6, 2.8
extra portiervergrendeling.... 1.16
extra tank vullen 1.86
G
gegevens van de motor 6.3
geluidssignaal verlichting brandt nog 1.17, 1.80
gereedschap 5.8
gordelspanners 1.37
H
handrem 2.4
hoofdsteunen ....1.25 → 1.27, 3.23
|
identificatie van de auto 6.2
identificatieplaatjes 6.2
inrichting....3.18 → 3.20
instrumentenpaneel 1.60 → 1.74
interieurbekleding
onderhoud 4.11 - 4.12
Isofix 1.45 → 1.51
K
kaartleeslampje 3.12 - 3.13
kinderen 1.42 – 1.43
kinderen vervoeren ....1.42 – 1.43, 1.45 → 1.54
kinderveiligheid .....1.14, 1.16, 1.18, 1.42 – 1.43, 1.45 → 1.54, 3.15
kinderzitjes....1.42 – 1.43, 1.45 → 1.51
klokje 1.75
knipperlichten 1.77, 5.16, 5.21
koelvloeistof 4.4
koplampen
mistlichten 5.17
verstellen 1.82
vervangen van een lamp 5.15 - 5.16
voor 5.15 - 5.16
krik 5.8, 5.10
L
lak
nummer 6.2
onderhoud 4.9 - 4.10
lampen
vervangen 5.15 → 5.23
lampen voor
vervangen van een lamp 5.15 - 5.16
achteruitrijlichten 5.18
alarmknipperlichten 1.77
dimlichten 1.60, 1.79, 5.15
kentekenverlichting 5.20
richtingaanwijzers 1.60, 1.77, 5.18
luidsprekers 5.34
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (3/4)
M
make-up spiegels 3.14
massa's 6.4
maten.... 6.5 – 6.6
meters:
instrumentenpaneel. 1.60 → 1.65
milieu 2.7
mistlicht
koplampen 5.17
onderhoudscoupons 6.8 → 6.13
ontdooien 3.5
ontdooien/ontwasemen voorruit 3.5
ontgrendelen van de portieren.... 1.22 – 1.23
opbergruimtes....3.18 → 3.20
openen van de portieren....1.17 → 1.21
opkrikken van de auto
verwisselen van een wiel ....5.10 – 5.11
oplaadklep....1.7 → 1.13
oplaadsnoer 1.8 → 1.13, 1.16
oplaadstopcontact 1.2 → 1.6, 1.8 → 1.13
P
parkeerhulp.... 2.19 – 2.20
peilen
remvloeistof 4.5
ruitensproeierreservoir 4.5
peilen:
koelvloeistof 4.4
plaatwerkcontrole 6.14 → 6.18
pompset voor de banden 5.3 → 5.7
portieren 1.17 → 1.24
portieren vergrendelen 1.22 – 1.23
praktische tips.... 2.5 – 2.6, 5.34
presentatie van de elektrische auto
batterijen 1.2 → 1.6
R
radio.... 5.33 – 5.34
radio inbouwen 5.33 - 5.34
radiovoorbereiding 5.33 - 5.34
remlichten
vervangen van een lamp 5.18 - 5.19
remvloeistof 4.5
reservewiel 5.2
reservoir
koelvloeistof 4.4
remvloeistof 4.5
ruitensproeier 4.5
rijden 2.3 → 2.6, 2.10 → 2.20
rijpositie
instellingen 1.33 → 1.36
ruitbediening. 3.15 - 3.16
ruitensproeiers 1.83 → 1.85, 4.5
ruitenwisser 1.83 → 1.85
ruitenwisser/-sproeier
vervangen van de bladen 5.28 - 5.29
ruitenwisserbladen 5.28 - 5.29
S
schakelen 2.3-2.4
scheidingsnet.... 3.26
scheidingsschot 1.32
schoonmaken:
binnenkant auto 4.11 - 4.12
signaal
geluid.... 1.77
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (4/4)
licht....1.77
signalen verlichting 1.79 → 1.81
sjorringen 1.45 – 1.46
sleepogen 5.8, 5.31 - 5.32
slepen
pechhulp 5.30 → 5.32
bij lege batterijen ....5.30 → 5.32
sleutel/FM-afstandsbediening
gebruik 1.14, 1.16
sluiten van de portieren ....1.17 → 1.21
snelheidsbegrenzer 2.12 → 2.14
snelheidsregelaar 2.15 → 2.18
spiegels 1.76
stoelverwarming 1.28 - 1.29
storingen 1.60 → 1.62, 5.37 → 5.40
stuurbekrachtiging 1.55
stuurwiel
verstellen 1.55
T
tank aanvullende verwarming 1.86
tankdop 1.86
technische gegevens 6.2, 6.4 → 6.7
temperatuurregeling 3.11
tijd 1.75
tractiebatterij....1.2 → 1.7, 2.8
opladen 1.8
tractiebatterij opladen 1.8 → 1.13, 1.16
trekhaak montage 3.25
U
uitschakelen passagiersairbag voorin ....1.52 → 1.54
uitschakelvertraging.... 1.80
V
veiligheidsvoorzieningen zijkant 1.40
ventilatie .... 3.2 → 3.8, 3.11
ventilatieroosters 3.2 - 3.3
verlichting
binnenkant 3.12 – 3.13
versnellingsbediening 2.3 - 2.4
versnellingshendel 2.3 - 2.4
verstellen van de koplampen 1.82
verstellen van de voorstoelen 1.28 - 1.29
vervangen van een lamp 5.15 → 5.17, 5.21 → 5.23
vervoer van voorwerpen
in de bagageruimte 3.24
verwarming....3.4 → 3.11
verwarming, airconditioning: programmeren 2.6, 3.7 - 3.8
verwisselen van een wiel 5.10
voetgangersclaxon 1.78
voorstoelen
verstellen 1.28 – 1.29
W
wassen 4.9 – 4.10
wieldoppen 5.9
wieldopsleutel 5.8
wielen (veiligheid) 5.12
wielmoersleutel 5.8
wielsleutel 5.8
Z
zekeringen .... 5.26 – 5.27
zijknipperlichten
vervangen van een lamp 5.21
zijruiten 3.16
zonneklep 3.14, 3.20
KANGOO Z.E.

( www.e-guide.renault.com )
RENAULT S.A.S. SOCIÉTÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÉE AU CAPITAL DE 533 941 113 € / 13-15, QUAI LE GALLO 92100 BOULOGNE-BILLANCOURT R.C.S. NANTERRE 780 129 987 — SIRET 780 129 987 03591 / TÉL. : 0810 40 50 60 NU 911-4 - 99 91 050 17R - 09/2012 - Edition néerlandaise

SG
a) Totaalteller en dagteller.
b) Gegevens van de reis.Hoeveelheid verbruikte energie sinds de laatste nulinstelling.
Gemiddeld energieverbruik sinds de laatste nulinstelling.De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulinstelling.
Actueel energieverbruik.
Het bereik met de overgebleven energie.
Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling.
Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.
Totaal energieverbruik sinds de inverkeerstelling van de auto.
Afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (weergave in kilometers); daarna, als de termijn van de overgebleven afstand bijna verstreken is, doen verschillende gevallen zich voor:– interval minder dan 1500 km of een maand: de boodschap “onderhoudsbeurt binnen” wordt weergegeven met de dichtstbijzijnde termijn (afstand of tijd);– interval gelijk aan 0 km of datum onderhoudsbeurt bereikt: de bood-schap “VERVANG ZSM DE MOTOROLIE” wordt weergegeven en het con-trolelampje [IMAGE] licht op.Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren.
Raadpleeg de paragrafen “Snelheidsregelaar” en “Snelheidsbegrenzer” in hoofdstuk 2.









