Laguna (2010) - Automobiel RENAULT - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Laguna (2010) RENAULT in PDF-formaat.
| Producttype | Automobiel |
| Merk | Renault |
| Model | Laguna (2010) |
| Lengte | circa 4,70 m |
| Breedte | circa 1,80 m |
| Hoogte | circa 1,45 m |
| Leeggewicht | circa 1500 kg |
| Brandstoftype | Diesel |
| Motortype | 2.0 dCi |
| Vermogen | 110 kW (150 pk) |
| Transmissie | Handgeschakeld |
| Topsnelheid | circa 210 km/u |
| Acceleratie 0-100 km/u | circa 10 seconden |
| Brandstofverbruik (gecombineerd) | circa 6,0 L/100km |
| CO2-uitstoot | circa 160 g/km |
| Aandrijving | Voorwielaandrijving |
| Veiligheidssystemen | ABS, ESP, airbags (front, zijkant, gordijn) |
| Onderhoud | Regelmatige olieverversing, filters vervangen |
| Reiniging | Met milde zeep, geen hogedrukreiniger |
| Reserveonderdelen | Beschikbaar bij Renault dealers |
| Repareerbaarheid | Repareerbaar door erkende monteurs |
| Garantie | Zie handleiding voor details |
Veelgestelde vragen - Laguna (2010) RENAULT
Gebruikersvragen over Laguna (2010) RENAULT
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Laguna (2010) - RENAULT en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Laguna (2010) van het merk RENAULT.
GEBRUIKSAANWIJZING Laguna (2010) RENAULT
ELF ontwikkelt voor RENAULT een compleet assortiment smeermiddelen:
▶ motoroliën
▶ oliën voor handgeschakelde en automatische versnellingbakken
Waarschuwing: voor een optimale werking van de motor, kan het gebruik van een smeermiddel beperkt zijn tot bepaalde modellen. Raadpleeg het onderhoudsdocument.
elf
De hightech eigenschappen van deze smeermiddelen zijn te danken aan de research voor de Formule 1.
In combinatie met de techniek van RENAULT voldoet dit assortiment perfect aan de specifieke eisen van de modellen van het merk.
▶ De smeermiddelen van ELF vormen een belangrijke bijdrage aan de prestaties van uw auto.

RENAULT adviseert de smeermiddelen van ELF die zijn goedgekeurd voor het bijvullen en verversen.
Raadpleeg uw RENAULT-dealer of kijk op de website www.lubrifiants.elf.com

Welkom aan boord van uw auto
In dit instructieboekje worden aanwijzingen gegeven voor de bediening en het onderhoud, zodat u:
- uw auto goed leert kennen waardoor u al zijn kwaliteiten, functies en zijn vele mogelijkheden ten volle kunt benutten.
- de werking optimaal kunt houden door eenvoudige maar stipt op te volgen onderhoudsvoorschriften.
- zonder overbodig tijdverlies zelf kleine storingen kunt verhelpen, waarvoor geen specialist nodig is.
Door dit instructieboekje zorgvuldig te bestuderen, wordt u geïnformeerd over de mogelijkheden en de nieuwe technieken die erin zijn toegepast. Als sommige punten nog onduidelijk zijn, willen de technici van onze dealers u graag alle verdere informatie geven.
Om het lezen van dit boekje voor u te vergemakkelijken gebruiken wij het volgende symbool:

Om een gevaar of een veiligheidsadvies aan te geven.
Dit instructieboekje is tot stand gekomen aan de hand van de gegevens die op het moment van samenstelling van dit boekje bekend waren. In dit boekje staan alle mogelijke uitrustingen (standaard of optioneel) van dit model beschreven. De aanwezigheid ervan in de auto is afhankelijk van de uitvoering, de gekozen opties en het land van aflevering.
Ook kunnen er uitrustingen zijn opgenomen die pas op een later tijdstip in de auto zullen worden toegepast.
Overall waar in het instructieboekje sprake is van een merkdealer, wordt daarmee een RENAULT-dealer bedoeld.
Wij wensen u een goede reis in uw auto.
Vertaald uit het Frans. Gehele of gedeeltelijke nadruk of vertaling is verboden zonder schriftelijke toestemming van de autofabrikant.
INHOUD
Hoofdstuk
Ken uw auto ....
1
Rijden
2
Comfort
3
Onderhoud
4
Praktische tips ....
5
Technische gegevens
6
Alfabetische inhoudsopgave ....
7
Hoofdstuk 1: Ken uw auto
RENAULT cards: algemeen, gebruik, extra portiervergrendeling 1.2
Portieren 1.11
Automatische portiervergrendeling tijdens het rijden. 1.15
Hoofdsteun – stoelen. 1.16
Autogordels 1.20
Aanvullende bevestigingsmiddelen: 1.23
bij de autogordels voorin.... 1.23
bij de autogordels achterin 1.27
bescherming zijkant. 1.28
Kinderveiligheid: algemeen 1.30
keuze van de bevestiging van het kinderzitje 1.33
installatie van het kinderzitje 1.35
uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin 1.38
Stuurwiel 1.41
Stuurbekrachtiging.... 1.41
Bestuurdersstoel 1.42
Instrumentenpaneel 1.46
boordcomputer 1.51
menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto 1.61
Klokje en buitenthermometer.... 1.62
Spiegels.... 1.63
Claxon en lichtsignalen 1.65
Verlichting en signalen.... 1.66
Afstellen van de koplampen 1.69
Ruitenwissers, ruitensproeiers 1.70
Brandstoftank (brandstof tanken) 1.73
RENAULT CARDS: algemeen (1/2)
26787

1 Ontgrendelen van alle portieren.
2 Vergrendelen van alle portieren.
3 Op afstand inschakelen van de verlichting.
4 Vergrendelen/ontgrendelen van de bagageruimte.
5 Geïntegreerde sleutel.
Bijzonderheid
De Renault card "SERVICE", als de auto deze heeft, herkent u aan het opschrift "SERVICE". Raadpleeg de paragraaf "RENAULT card SERVICE" in hoofdstuk 1.
Met de RENAULT card kunt u:
- de portieren, de achterklep en de tank-dopklep vergrendelen/ontgrendelen (raadpleeg de volgende bladzijdes);
- de verlichting inschakelen op afstand van de auto (raadpleeg de volgende bladzijdes);
- afhankelijk van de auto, automatisch op afstand de ruiten en het open dak sluiten (raadpleeg de paragrafen "Elektrische uitbediening met sneltoets: op afstand sluiten" en "Elektrisch open dak: op afstand sluiten" in hoofdstuk 3);
- de motor starten (raadpleeg de paragraaf "Starten van de motor" in hoofdstuk 2).
Actieradius
Controleer of het batterijtje goed en van het juiste model is en plaats het correct. De levensduur is ongeveer twee jaar: vervang het als de boodschap "kaartbatterijtje zwak" op het instrumentenpaneel verschijnt (raadpleeg de paragraaf "RENAULT card: batterijtje" in hoofdstuk 5).
Bereik van de RENAULT card
Het bereik van de card wordt beïnvloed door de omgeving. Let op bij het vasthouden van de RENAULT card dat u niet per ongeluk op de knoppen drukt waardoor de portieren worden vergrendeld of ontgrendeld.
Bij lege batterij, kunt u de auto altijd vergrendelen/ontgrendelen en starten. Raadpleeg de paragrafen "Vergrendelen/ontgrendelen van de auto" in hoofdstuk 1 en "Starten van de motor" in hoofdstuk 2.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw RENAULT card nooit, zelfs niet eventjes, in de auto
liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Risico van ernstige verwondingen.
RENAULT CARDS: algemeen (2/2)
26788

Geïntegreerde sleutel 5
Met de geïntegreerde sleutel kunt u het linker voorportier vergrendelen of ontgren- delen wanneer de RENAULT card niet werkt:
- batterij van de RENAULT card leeg, accu ontladen, enz.
- gebruik van apparatuur die met dezelfde frequentie werkt als de card;
- de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
Toegang de sleutel 5
Druk op de knop 6 en trek aan de sleutel 5 en laat daarna de knop los.
Gebruik van de sleutel
Raadpleeg de paragraaf "Vergrendelen/ont-grendelen van de portieren".
Nadat u de auto geopend hebt met de ge-integreerde sleutel, plaats u deze terug in zijn houder in de RENAULT card en steekt u de RENAULT card in de kaartle-zer om te kunnen starten.
Advies
Stel de kaart niet bloot aan warmte, koude of vocht.
Berg de RENAULT card nooit op een plek op waar deze verbogen of per ongeluk beschadigd zou kunnen worden: dit kan bijvoorbeeld gebeuren als u op de card gaat zitten als deze in uw achterzak zit.
Vervangen of extra RENAULT card
Bij verlies, of voor het bestellen van een extra RENAULT card, kunt u deze uit-sluitend bestellen bij een merkdealer.
Het vervangen van een RENAULT card moet altijd bij een merkdealer gebeuren. Het systeem moet met alle RENAULT cards worden gereset.
Het is mogelijk maximaal vier RENAULT cards per auto te gebruiken.
RENAULT CARD AFSTANDSBEDIENING: gebruik

Ontgrendelen van de portieren en de tankdopklep
Druk op de ontgrendelknop 1. Het ontgrendelen ziet u aan het één keer op- lichten van de knipperlichten.
Bijzonderheden (voor sommige landen):
- door één keer op de knop 1 te drukken, ontgrendelt u uitsluitend het bestuurdersportier en de tankdopklep,
- door twee keer achter elkaar op de knop 1 te drukken, ontgrendelt u alle portieren.
Vergrendelen van de portieren en de tankdopklep
Druk op de vergrendelknop 2.
Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten. Als een portier (of de achterklep) geopend of niet goed gesloten is, of als een RENAULT card in de lezer is achtergebleven, worden de portieren snel vergrendeld en weer ontgrendeld en knipperen de knipperlichten niet.
Ontgrendelen/vergrendelen van alleen de achterklep
Druk op de knop 4 om de achterklep te ont-grendelen of te vergrendelen.
Het knipperen van de alarmknipper- lichten lichten u in over de staat van de auto:
- een keer knipperen geeft aan dat de auto helemaal ontgrendeld is;
- twee keer knipperen geeft aan dat de auto helemaal vergrendeld is.
Functie "verlichting op afstand"
Hiermee kan de auto op afstand herkend worden, bijvoorbeeld op een parkeerterrein.
Door een druk op de knop 3 lichten de dim- lichten van de auto, de zijknipperlichten en de binnenverlichting gedurende ongeveer 30 secondes op.
N.B.: nog een druk op knop 3 dooft de verlichting.
Waarschuwing RENAULT card niet gedetecteerd
Als u een portier opent met draaiende motor, terwijl de card niet in de lezer zit, waarschuwen de boodschap "card niet gedetecteerd" en een geluidssignaal u. De waarschuwing verdwijnt als de card weer in de lezer ingevoerd wordt.
Als de motor draait werken de knoppen van de card niet.
"HANDSFREE" RENAULT CARD: gebruik (1/4)

Voor de auto's die hiermee zijn uitgerust, kan hiermee, naast de gebruiksmogelijkheden van de RENAULT-card met afstandsbediening, zoals hierboven beschreven, de auto automatisch vergrendeld/ontgrendeld worden als de RENAULT-card zich in de toegangszone 1 bevindt;
Advies
Berg de card RENAULT niet op op een plaats waar andere elektronische apparaten (computer, pda, telefoon enz.) de werking ervan kunnen verstoren.
"HANDSFREE" RENAULT CARD: gebruik (2/4)

Ontgrendelen van de auto
Met de RENAULT card in zone 1, steekt u uw hand achter portierhandgreep 2: de auto ontgrendelt.
In sommige gevallen (bijvoorbeeld wanneer de auto voor meerdere dagen geparkeerd staat) moet u twee keer aan de handgreep 2 trekken om de auto te ontgrendelen en het portier te openen.
Een druk op de knop 3 of 4 (als de auto hier-mee is uitgerust) ontgrendelt ook de gehele auto.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer op- lichten van de knipperlichten.
Na het ontgrendelen van de auto of van alleen de bagageruimte met behulp van de knop van de RENAULT-card, worden het vergrendelen door weglopen en het "handsfree" ontgrendelen gedeactiveerd.
De handsfree werking wordt hersteld na het starten van de auto.
"HANDSFREE" RENAULT CARD: gebruik (3/4)

Vergrendelen van de auto
Er zijn drie manieren om de auto te vergrendelen: door weg te lopen, met behulp van de knop 5, met behulp van de RENAULT card.
Vergrendelen door weglopen
Loop met de RENAULT card bij u, als de portieren en de bagageruimte dicht zijn, weg van de auto: deze vergrendelt automatisch zodra u uit de zone 1 bent.
N.B.: de afstand waarop de auto vergren- deld wordt, hangt af van de omgeving.

Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten en hoort u aan een piep.
Deze piep kan gewijzigd of verwijderd worden. Raadpleeg een merkdealer. Als een portier of de bagageruimte open of niet goed gesloten is, of als een card aanwezig is in het interieur (of in de kaartlezer), vindt geen vergrendeling plaats. In dit geval is er geen geluidssignaal en knipperen de knipperlichten niet.
27183
Vergrendelen met behulp van de knop 5
Portier en bagageruimte gesloten, druk op de knop 5 van de handgreep van het bestuurdersportier. De auto vergrendelt. Als een portier of de bagageruimte open of niet goed gesloten is, vergrendelt/ontgrendelt de auto snel.
NB: de card RENAULT moet zich in de toegangszone (zone 1) van de auto bevinden om het vergrendelen met de knop mogelijk te maken.
Bijzonderheid
U kunt de vergrendeling controleren, na het vergrendelen met behulp van de knop 5, door binnen ongeveer drie secondes aan de handgreep van een portieren te trekken zonder dat de auto ontgrendelt.
Daarna is de "handsfree" functie opnieuw actief en zorgt elke bediening van een handgreep voor het ontgrendelen van de auto.
Als de auto uitgerust is met elektrische ruitbediening, zullen de ruiten ook sluiten wanneer u de portieren sluit met behulp van de knop 5 (zie hiervoor paragrafen "Elektrische ruitbediening" en "Elektrisch bediend open dak" in hoofdstuk 3).
"HANDSFREE" RENAULT CARD: gebruik (4/4)

Vergrendelen met behulp van de RENAULT card
Portier en bagageruimte gesloten, druk op de knop 6: de auto vergrendelt.
Het vergrendelen ziet u aan het twee keer oplichten van de knipperlichten.
N.B.: de maximale afstand waarop de auto vergrendeld wordt, hangt af van de omgeving.

De auto kan niet vergrendelen als:
- een portier of de bagageruimte open of niet goed gesloten is;
- een card is achtergebleven in de zone 7 (of in de kaartlezer) en geen andere card aanwezig is in de detectiezone buiten de auto.
Draaiende motor, als na het openen en sluiten van een portier, de card niet langer in het interieur is, waarschuwt de boodschap "card niet gedetecteerd" (in combinatie met een geluidssignaal als de auto sneller dan een bepaalde snelheid rijdt) u dat de card niet langer in de auto is. Dit voorkomt, bijvoorbeeld, dat u wegrijdt nadat een passagier is uitgestapt met de card bij zich.
De waarschuwing verdwijnt zodra de card weer gedetecteerd is.
Na het vergrendelen/ontgrendelen van de auto of van alleen de bagageruimte met behulp van de knoppen van de RENAULT card, worden het vergrendelen door weglopen en het handsfree ontgrendelen gedeactiveerd.
De "handsfree" werking wordt hersteld na het starten van de auto.
RENAULT CARD: extra portiervergrendeling

Als de auto extra portiervergrendeling heeft, kunnen hiermee de portieren worden vergrendeld en niet met de handgrepen aan de binnenkant van de portieren worden ont-grendeld (na het inslaan van een ruit om het portier van binnenuit te openen).

Gebruik nooit de extra portiervergrendeling als er nog iemand in de auto zit.
26787

Activeren van de extra portiervergrendeling
U kunt kiezen tussen twee manieren voor het activeren van de extra portiervergrendeling:
- druk twee keer snel achter elkaar op de knop 2;
- of druk twee keer snel achter elkaar op de knop van de handgreep van het bestuurdersportier 3.
Het vergrendelen ziet u aan het vijf keer op- lichten van de knipperlichten.
Deactiveren van de extra portiervergrendeling
Ontgrendel de auto met behulp van de knop 1 van de RENAULT card.
Het ontgrendelen ziet u aan het één keer op- lichten van de knipperlichten.
Het activeren van de extra portierver-grendeling activeert ook, bij de auto's die ermee zijn uitgerust, het sluiten op afstand van de ruiten en/of van het elektrische open dak.
Na het activeren van de extra portierver-grendeling met behulp van de knop 2, worden het vergrendelen bij het weglo-pen en het handsfree ontgrendelen ge-deactiveerd.
De "handsfree" werking wordt hersteld na het starten van de auto.
RENAULT CARD "SERVICE"

Als de auto deze card heeft, herkent u hem aan het opschrift SERVICE op de card.
In bepaalde gevallen kan het voorkomen dat u uw auto aan een onbekende (parkeerservice, reparateur, enz.) moet toevertrouwen, maar hem niet volledig toegang wilt bieden.
Met de RENAULT card "SERVICE" is het vergrendelen van de auto mogelijk, maar alleen het ontgrendelen van het bestuurdersportier en het starten zijn mogelijk.
27967

Activeren van de "SERVICE" werking
Steek de RENAULT card "SERVICE" in de kaartlezer 1. Alle kleppen en portieren van de auto vergrendelen (behalve het bestuurdersportier).
Deactiveren van de "SERVICE" werking
Er zijn twee mogelijkheden:
- Druk op een knop van een RENAULT card (andere dan de RENAULT card "SERVICE");
- start de motor met een RENAULT card (andere dan de RENAULT card "SERVICE"). Card in de lezer 1, druk op de knop 3.
De schakelaar van het vergrendelen/ontgrendelen van binnenuit 2 is uitgeschakeld tijdens het gebruik van de auto met de RENAULT card "SERVICE".
Elke auto kan maar één RENAULT card "SERVICE" hebben.
Tijdens het gebruik van de RENAULT card "SERVICE", kunnen de andere cards normaal gebruikt worden.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (1/2)

Als de portieren ontgrendeld zijn of met de "handsfree" RENAULT card bij u, trekt u portierhandgreep 1 naar u toe.
In sommige gevallen moet u twee keer aan de handgreep trekken om het portier te openen.

Uit veiligheidsoverwegingen, mag u de deur alleen openen en sluiten als de auto stilstaat.

Openen van binnenuit
Trek aan de portierhandgreep 2.
N.B.: de lichten en de accessoires (radio...) blijven werken na het stoppen van de motor. Zij schakelen uit zodra het bestuurdersportier wordt geopend.
Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog
Als bij het openen van een voorportier de lichten nog branden terwijl het contact is afgezet dan klinkt er een signaal om u te waarschuwen.
Waarschuwing card vergeten
Als bij het openen van het bestuurdersportier de card nog in de lezer zit, verschijnt de boodschap "kaart verwijderen" op het instrumentenpaneel en klinkt er een geluidssignaal.
Waarschuwing portier vergeten te sluiten
Als een portier of de achterklep geopend of niet goed gesloten is, verschijnt het bericht "achterklep open" of "portier open" (afhankelijk van het geval) op het instrumentenpaneel, tezamen met het controlelampje zodra de auto een snelheid van ongeveer 10 km/u heeft bereikt.
PORTIEREN OPENEN EN SLUITEN (2/2)

Veiligheid van de kinderen

Auto met schakelaar 1
Druk op de schakelaar 1 om het openen van de achterportieren toe te staan. Als de auto elektrische ruitbediening achter heeft, wordt hierdoor hun werking ook toe-gestaan.
Het oplichten van het lampje in de schakelaar geeft de vergrendeling aan.
N.B.: als het systeem defect is, staat de boodschap "kinderveiligheid controleren" op het instrumentenpaneel: raadpleeg een merkdealer.

Veiligheid inzittenden achter
De bestuurder kan de werking van de achterportieren en afhankelijk van de auto, van de ruitbediening toestaan door op de schakelaar 1 aan de kant van de tekening te drukken.
Afhankelijk van de auto, bij een defect:
- er klinkt een piep;
- op het instrumentenpaneel licht een boodschap op;
- het ingebouwde controlelampje licht niet op.
Als de accukabels losgemaakt zijn moet u op de schakelaar 1 aan de kant van de tekening drukken, om de achterportieren te ontgrendelen.

Auto met handmatige vergrendeling van de portieren
Een achterportier kan niet van binnenuit worden geopend als u het knopje 2 omzet. Controleer of het portier inderdaad niet van binnenuit geopend kan worden. Herhaal dit bij het andere achterportier.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parkeren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen. Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (1/2)
Vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van buitenaf
Dit gebeurt met de RENAULT card: zie de paragrafen "RENAULT cards" in hoofdstuk 1.
In sommige gevallen werkt de RENAULT card niet:
- batterij van de RENAULT card leeg, accu ontladen, enz.
- door het gebruik van apparaten die dezelfde frequentie gebruiken als de card (mobiele telefoon, enz.);
- de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
In dat geval is het mogelijk:
- het linker voorportier te ontgrendelen met de in de card geïntegreerde sleutel;
- elk portier met de hand te vergrendelen (raadpleeg de volgende bladzijde);
- de schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van binnenuit te gebruiken (raadpleeg de volgende bladzijden).

Gebruik van de in de RENAULT card geïntegreerde sleutel
Verwijder de geïntegreerde sleutel (raadpleeg de paragraaf "RENAULT cards: algemeen").
Verwijder het afdekplaatje A van het linker voorportier (met behulp van het uiteinde van de sleutel 2) in de uitsparing 1.
Maak een beweging naar boven om het afdekplaatje A te verwijderen.
Steek de sleutel 2 in het slot en vergrendel of ontgrendel het linker voorportier.
26796

Handmatig vergrendelen van de portieren
Verdraai, met open portier, de schroef 3 (met behulp van het uiteinde van de sleutel) en sluit het portier.
Nu is het portier van buitenaf vergrendeld.
Het openen kan alleen van binnenuit gebeuren of met de noodsleutel voor het linker voorportier.
PORTIEREN VERGRENDELEN, ONTGRENDELEN (2/2)

Schakelaar voor het vergrendelen/ontgrendelen van de portieren van binnenuit
De schakelaar 4 bedient tegelijk de portieren, de achterklep en afhankelijk van de auto, de tankdopklep.
Als een portier (of de achterklep) open of niet goed gesloten is, vergrendelen/ontgren-delen de portieren snel.
In geval van het vervoer van voorwerpen met een geopende achterklep, kunt u toch de andere portieren vergrendelen: motor uit, druk langer dan vijf secondes op de schakelaar 4 om de andere portieren te vergrendelen.
Vergrendelen van de portieren en kleppen zonder de RENAULT card
Dit is bijvoorbeeld het geval als een batterijtje ontladen is, of de RENAULT card tijdelijk niet werkt, enz.
Motor uit, een portier (of achterklep) geopend, druk meer dan vijf secondes op de schakelaar 4.
Bij het sluiten van het portier worden alle portieren en kleppen vergrendeld.
Het ontgrendelen van buitenaf is alleen mogelijk als de RENAULT card zich bevindt in de toegangszone van de auto.
Na het vergrendelen/ontgrendelen van de auto of van alleen de bagageruimte met behulp van de knoppen van de RENAULT card, worden het vergrendelen door weglopen en het handsfree ontgrendelen gedeactiveerd.
De handsfree werking wordt hersteld na het starten van de auto.
Waarschuwingslampje van de portieren
Met contact aangeeft het controlelampje in de schakelaar 4, aan of de portieren wel of niet vergrendeld zijn:
- lampje brandt, de portieren zijn vergrendeld;
- lampje uit, de portieren zijn ontgrendeld.
Als u de portieren vergrendelt, blijft het controlelampje branden en dooft daarna.

Laat nooit een RENAULT card in de auto liggen als u de auto verlaat.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een be-
lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
AUTOMATISCHE PORTIERVERGRENDELING TIJDENS HET RIJDEN

De werking van het systeem
Na het wegrijden van de auto, vergrendelen de portieren automatisch als de auto een snelheid van ongeveer 10 km/u heeft bereikt.
De portieren ontgrendelen automatisch
- als u op de schakelaar 1 voor het ont-grendelen van de portieren drukt.
- bij stilstaande auto door het openen van een voorportier.
N.B.: na het openen van een portier vergrendelt dit weer automatisch zodra de auto 10 km/u rijdt.
Inschakelen/uitschakelen van de functie
Raadpleeg de paragraaf "Menu voor het personaliseren van de instellingen van het voertuig" in hoofdstuk 1, functie "Automatisch blokkeren van de portieren tijdens het rijden":

functie ingeschakeld

functie uitgeschakeld.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Bedenk dat het rijden met vergrendelde portieren een be-
lemmering kan zijn voor hulpverleners in geval van nood.
Bij een storing
Als u een storing constateert (geen automatische vergrendeling, het lampje in de knop 1 licht niet op bij het vergrendelen van de portieren), controleer dan eerst of alle portieren goed gesloten zijn. Als deze goed gesloten zijn, moet u een merkdealer raadplegen.
HOOFDSTEUNEN VOOR

Hoofdsteun hoger zetten
Trek de hoofdsteun tot de gewenste hoogte omhoog.
Hoofdsteun lager zetten
Druk op de knop 2 en schuif de hoofdsteun omlaag tot de gewenste stand is bereikt.
Helling afstellen
Afhankelijk van de uitvoering van de auto, beweegt u het deel A naar voren of naar achteren tot de gewenste stand is bereikt.
Verwijderen van de hoofdsteun
Zet de hoofdsteun in de hoogste stand (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren). Druk op de knop 1 en trek de hoofdsteun omhoog tot hij vrijkomt.
Hoofdsteun terugplaatsen
Trek de poten 3 zo ver mogelijk naar buiten. Let op dat zij in lijn staan en schoon zijn en controleer of de inkepingen aan de voorkant zitten.
Steek de poten van de hoofdsteun in de houders (zet de rugleuning indien nodig schuin naar achteren).
Schuif de hoofdsteun naar binnen tot hij blokkeert, druk dan op de knop 1 en druk de hoofdsteun zo ver mogelijk omlaag.
Controleer of elke poot 3 goed vergrendeld is op de rugleuning van de stoel door ze omhoog of omlaag te zetten.

De drie bovenste inkepingen kunnen gebruikt worden zonder druk op de knop 2. Toch adviseren wij op deze knop te drukken voor het omlaag zetten van de hoofdsteun.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft
een maximale beveiliging als de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin en de afstand tussen het achterhoofd en de hoofdsteun bij A zo klein mogelijk is.
VOORSTOELEN ZONDER ELEKTRISCHE VERSTELLING

Vooruit of achteruit schuiven van de stoel
Trek de handgreep 1 omhoog om te ont-grendelen. In de gewenste stand laat u de handgreep los. Controleer of de zitting vergrendeld is.
Rugleuning verstellen
Draai de knop 4 tot de gewenste stand.
Lendensteun van de bestuurdersstoel verstellen
Zet de hendel 5 lager voor een steviger ondersteuning en hoger voor een zwakkere.

Beweeg de hendel 3 zo vaak als nodig is omhoog of omlaag.
Stoelverwarming
(afhankelijk van auto)
Draaiende motor, draai de knop 2 in één van de standen 1, 2 of 3 (afhankelijk van de gewenste temperatuur). Een controlelampje licht op het instrumentenpaneel op zodra de verwarming van een van de voorstoelen in werking is.
Het systeem regelt met een thermostaat de verwarming en schakelt hem uit, indien nodig.

Om veiligheidsredenen mogen deze afstellingen alleen uitgevoerd worden als de auto stilstaat.
Voor een optimale werking van de auto-gordels moet u de rugleuningen niet te veel achterover zetten.
Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.
De schakelaar 3 dient voor de verstelling van de rugleuning en de schakelaar 4 dient voor de verstelling van de zitting.
De knoppen 2, als de auto hiermee is uitgerust, dienen voor het opslaan in het geheugen van de gekozen stand (raadpleeg de volgende bladzijde).
Zitting verstellen:
- Zitting vooruit of achteruit schuiven
Beweeg de schakelaar 4 naar voren of naar achteren. - Achterkant van de zitting hoger of lager zetten
Beweeg de achterkant van de schakelaar 4 omhoog of omlaag. - Voorkant van de zitting hoger of lager zetten
Beweeg de voorkant van de schakelaar 4 omhoog of omlaag.
Lendensteun van de bestuurdersstoel verstellen:
Zet de hendel 5 lager voor een steviger ondersteuning en hoger voor een zwakkere.

Om de helling van de rugleuning te verstellen, beweegt u de bovenkant van de schakelaar 3 naar voren of naar achteren.
Stoelverwarming
(afhankelijk van auto) Draaiende motor, draai de knop 1 in één van de standen 1, 2 of 3 (afhankelijk van de gewenste temperatuur). Een controlelampje licht op het instrumentenpaneel op zodra de verwarming van een van de voorstoelen in werking is. Het systeem regelt met een thermostaat de verwarming en schakelt hem uit, indien nodig.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Voor een optimale werking van de autogordels moet u de rug-
leuningen niet te veel achterover zetten.
Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.
Het is mogelijk om drie zitposities op te slaan.
In een zitpositie zijn de afstellingen van de zitting en van de rugleuning van de bestuurdersstoel en van de buitenspiegels opgenomen.
Werking
De zitpositie kan worden opgeslagen in het geheugen en daaruit worden opgeroepen, door op de knoppen te drukken:
- "handsfree" card gedetecteerd of, afhankelijk van de auto, RENAULT card in de kaartlezer;
- bij het openen van het bestuurdersportier.

Opslaan van de zitpositie
Stel de stoel af met behulp van de schakelaars 4 en 5 (zie vorige bladzijde).
Stel de buitenspiegels af (raadpleeg paragraaf "Spiegels" in hoofdstuk 1).
Druk op de knop 1, 2 of 3 tot u een geluidssignaal hoort: de zitpositie (stoel en buitenspiegels) is opgeslagen.
Voor het opslaan van andere zitposities, herhaalt u deze procedure voor elk van de knoppen 1, 2 en 3.
Oproepen van een geheugenpositie
Druk bij stilstaande auto, kort op knop 1, 2 of 3 afhankelijk van de gewenste opgeslagen zitpositie.
N.B.: het oproepen van de opgeslagen zit-positie wordt onderbroken als u op één van de knoppen van de afstelling van de stoel drukt.
Tijdens het rijden, is het niet mogelijk de geheugenpositie op te roepen.
AUTOGORDELS (1/3)
Gebruik tijdens het rijden altijd de autogordel. Bovendien dient u zich te houden aan de wetgeving van het land waarin u zich bevindt.
Voor een doeltreffende bescherming door de autogordels achter moet de achterbank goed zijn vergrendeld. Raadpleeg de paragraaf "Achterbank" in hoofdstuk 3.

verkeerd afgestelde of gedraaide autogordels kunnen bij een ongeval letsel veroorzaken.
Gebruik één autogordel per persoon, kind of volwassene.
Zwangere vrouwen moeten ook hun gordel dragen. Let in dat geval op dat de heupgordel niet te veel op de onderbuik drukt, zonder de gordel te los te dragen.
Stel, voordat u start de juiste zithouding af, en daarna voor alle inzittenden de autogordel om de beste bescherming te krijgen.
De juiste zithouding
- Ga goed diep in uw stoel zitten (na uw mantel, jas, enz. uitgetrokken te hebben). Dit is belangrijk voor een goede ondersteuning van de rug;
- verschuif de stoel zodat u makkelijk bij de pedalen kunt komen. Plaats de stoel zo ver naar achteren dat u het koppelingspedaal nog net geheel kunt indrukken. Stel de rugleuning zo af dat u de armen moet strekken om bij de bovenkant van het stuurwiel te kunnen komen;
- stel de hoofdsteun af. De afstand tussen de hoofdsteun en uw achterhoofd moet zo klein mogelijk zijn;
- stel de hoogte van het zitkussen af. Verstel het kussen om een zo goed mogelijk zicht op het verkeer te hebben;
- stel de stand van het stuurwiel af.

Afstellen van de autogordel
Ga goed tegen de rugleuning aan zitten.
De band van de schoudergordel 1 moet zo dicht mogelijk langs de hals over de schouder lopen, zonder dat de gordel de hals raakt.
De band van de heupgordel 2 moet vlak over de heupen langs het bekken lopen.
De autogordel moet zo direct mogelijk tegen het lichaam gedragen worden. Bijv. niet over te dikke kleding of over ertussen gestoken voorwerpen, enz.
AUTOGORDELS (2/3)

Vergrendelen
Trek de band van de gordel langzaam en rustig over u heen en druk de gesp 3 in de sluiting 5 (controleer de vergrendeling door aan de gesp 3 te trekken). Als de gordel blokkeert, laat de band dan een stuk terug-gaan en rol hem opnieuw af.
Als de autogordel compleet is geblokkeerd, trek dan langzaam, maar krachtig, aan de gordel om deze ongeveer 3 cm naar buiten te trekken. Laat hem zichzelf oprollen en rol hem opnieuw af.
Als het probleem aanhoudt, dient u een merkdealer te raadplegen.

Waarschuwingslampje vergeten autogordels voor
Als het oplicht bij het starten van de motor, als de gordel van de bestuurder of passagier voorin (als de stoel bezet is) niet vastgemaakt is en de auto ongeveer 20 km/uur bereikt, knippert het en een geluidssignaal klinkt gedurende ongeveer 2 minuten.
N.B.: een voorwerp op de zitting van de passagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.
Waarschuwingslampje vergeten autogordels achter
Het aantal achtergordels verschijnt op het instrumentenpaneel gedurende 30 secondes elke keer bij:
- starten van de auto;
- openen van een portier;
- vastmaken of losmaken van een achter-gordel.
Controleer of de passagiers achterin hun gordel hebben vastgemaakt en het aangegeven aantal vastgemaakte gordels overeenkomt met het aantal bezette plaatsen op de achterbank.
Ontgrendelen
Druk op de knop 4, de gordel wordt door het oprolmechanisme teruggetrokken. Begeleid hem.

Hoogteverstelling van de autogordels voor
Verplaats de knop 6 om de hoogte van de gordel zo af te stellen dat de riem van de borstkas 1 loopt zoals hiervoor is aangegeven:
- om de gordel lager te zetten: druk op de knop 6 en laat gelijktijdig de gordel zakken;
- om de gordel omhoog te brengen: duw de knop 6 omhoog.
Controleer na het afstellen of de knop weer goed is vergrendeld.
AUTOGORDELS (3/3)
De volgende raadgevingen gelden voor de autogordels voor en achter.

- Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het veiligheidsmechanisme: gordels, stoelen en de bevestigingen ervan.
- Raadpleeg een merkdealer voor het monteren van bijv. een kinderzitje.
- Zorg dat er geen voorwerpen tussen de riemen worden gestoken die speling kunnen veroorzaken (wasknijpers, klemmetjes, enz.): autogordel die te los zit, kan verwondingen veroorzaken in geval van een ongeluk.
- Draag nooit de schoudergordel achter de rug of onder de arm langs aan de kant van het portier.
- Een autogordel mag nooit door meer personen tegelijk gebruikt worden; sla uw gordel nooit om een baby of een kind heen dat op uw schoot zit.
- De gordel mag niet gedraaid zijn.
- Na een botsing moet u de gordels laten controleren en indien nodig vervangen. Gordels die beschadigingen vertonen moeten ook worden vervangen.
- Let er bij het terug kantelen van de achterbank op dat de autogordels weer op de juiste wijze gebruikt kunnen worden.
- Let op dat de gesp van de gordel in de juiste sluiting vastzit.
- Zorg dat u de sluiting goed plaatst (deze mag niet verborgen of bedekt worden door of blijven haken achter personen of voorwerpen).
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (1/4)
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- gordelspanners van het oprolmechanisme van de autogordel;
- gordelspanners van de heupgordel;
- krachtbegrenzers voor de bescherming van de borstkas;
- frontale airbags voor de bestuurder en passagier.
Deze voorzieningen worden gelijktijdig of afzonderlijk, afhankelijk van de ernst van de aanrijding, geactiveerd bij een frontale botsing.
Afhankelijk van de ernst van de aanrijding, kan het systeem de volgende middelen activeren:
- de blokkering van de autogordel;
- de gordelspanner van het oprolmechanisme van de autogordel (die in werking komt om de speling van de autogordel op te heffen);
- de gordelspanner van de heupgordel drukt de inzittende vast op zijn stoel;
- de kleine frontale airbag;
- de grote frontale airbag.

De gordelspanners dienen ervoor om de autogordel strak tegen het lichaam te trekken en daardoor de inzittende in zijn stoel te drukken wat de effectiviteit van de gordel verhoogt.
Bij contact aan, kan tijdens een ernstige frontale aanrijding, afhankelijk van de ernst van de schok, het systeem de volgende onderdelen activeren:
- de gordelspanner van het oprolmechanisme van de autogordel 1 die de gordel direct strak trekt;
- de plunjer 2 op de voorstoelen.

- Laat al deze veiligheidsvoorzieningen controleren na een aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (gordelspanners, airbags, rekeneenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de gordelspanners en airbags werken.
- Het elektrische ontstekingsmechanisme van de gordelspanners mag uitsluitend door speciaal opgeleid personeel met speciaal gereedschap worden gecontroleerd.
- Laat de gaspatronen van de gordelspanners en de airbags door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (2/4)
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.
Deze bevindt zich bij de linker en rechter voorstoel.
Het opschrift "airbag" op het stuurwiel, het dashboard (zone van de airbag A) en, afhankelijk van de auto, een pictogram aan de onderkant van de voorruit herinneren aan de aanwezigheid van deze uitrusting.
Elk airbagsysteem bestaat uit:
- een airbag en een gaspatroon in het stuurwiel voor de bestuurder en in het dashboard voor de passagier;
- een rekeneenheid die het systeem bewaakt en de elektrische ontsteking van de gaspatroon bestuurt;
- een waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel.
- aparte opname-elementen.

Bij het afgaan van de airbag vindt een explosie plaats waardoor warmte en rook vrijkomen zonder enig brandgevaar en er
klinkt een luide knal. De airbag die onmiddellijk naar buiten komt, kan ongevaarlijke, lichte schaafwonden of ander ongemak veroorzaken.
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (3/4)

Het systeem werkt alleen als het contact aanstaat.
Bij een zware frontale aanrijding, worden de airbags, die de klap opvangen van het hoofd en de borstkas van de bestuurder tegen het stuurwiel en van de passagier tegen het dashboard, snel opgeblazen. Daarna lopen de airbags direct weer leeg om het verlaten van de auto niet te bemoeilijken.
Bijzonderheid van de frontale airbag
Afhankelijk van de hevigheid van de botsing, heeft deze twee ontplooingsvolumes en een ingebouwd ventilatiesysteem:
- de kleine airbag die zich als eerste ont-plooit;
- de grote airbag. De stiknaden van de airbag scheuren open, waardoor er een groter volume in de airbag vrijkomt (bij een zwaardere botsing).
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOORIN (4/4)
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

Waarschuwingen inzake de bestuurdersairbag
- Verander niets aan het stuurwiel of de naafdop.
– Dek de naafdop niet af. -
Bevestig geen voorwerpen (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) op het stuurwiel.
-
Het stuurwiel mag niet worden gedemonteerd. Uitsluitend speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer mogen deze werkzaamheden uitvoeren.
- Ga niet te dicht achter het stuurwiel zitten, maar rijd met licht gebogen armen (raadpleeg de paragraaf "Afstellen juiste zithouding" in hoofdstuk 1). Zo blijft er voldoende ruimte over voor een goede en effectieve bescherming door de werking van de airbag.
Waarschuwingen inzake de passagiersairbag
- Plak of bevestig niets op het dashboard (speldjes, logo, klokje, telefoonsteun, enz.) in de airbagzone.
- Houd de ruimte tussen het dashboard en de voorpassagier vrij (geen dier of pakjes op schoot, geen paraplu of wandelstok tegen het dashboard zetten).
- Laat de passagier nooit zijn voeten op het dashboard leggen. Dit kan zeer gevaarlijk zijn. Kom niet te dicht (met knieën, hoofd of handen) bij het dashboard.
- Schakel de aanvullende veiligheidsvoorzieningen van de autogordel van de passagier voorin direct weer in na het verwijderen van een kinderzitje, om de bescherming van de passagier te garanderen in geval van een botsing.
HET IS VERBODEN EEN KINDERZITJE ACHTERSTEVOREN OP DE PASSAGIERSSTOEL VOOR TE PLAATSEN ZOLANG DE AIRBAGS VAN DE VOORPASSAGIER NIET UITGESCHAKELD ZIJN.
(raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen/inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1)
AANVULLENDE VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN ACHTERIN
Krachtbegrenzer
Vanaf een bepaalde hevigheid van de schok van de aanrijding komt dit mechanisme in werking om de kracht die de gordel op het lichaam uitoefent te begrenzen tot een draaglijk niveau.

- Laat al deze veiligheids- voorzieningen controleren na een aanrijding.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan het gehele systeem (airbags, reken- eenheden, bedrading) of deze in een andere auto over te zetten.
- Om te voorkomen dat het systeem ten onrechte in werking komt, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan de airbags werken.
VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN BESCHERMING ZIJKANT
Zijairbags
De zijairbags zijn in de voorstoelen ondergebracht en, afhankelijk van de auto, ook bij de achterste zijitplaatsen. Ze ontplooien zich aan de zijkant van de stoel (portierzijde) om de inzittenden bij een hevige botsing tegen de zijkant te beschermen.
Zijruitairbags
Dit is een airbag die zich aan de zijkant boven bevindt en die zich ontplooit langs de zijruiten voor en achter om de inzittenden bij een hevige botsing tegen de zijkant te beschermen.

Waarschuwingen inzake de zijairbag
- Stoelhoezen: voor de stoelen met airbags zijn speciale stoelhoezen nodig.
Raadpleeg een merkdealer om te weten of dergelijke hoezen leverbaar zijn. Het gebruik van andere hoezen (of hoezen die bestemd zijn voor een ander model)
kan de goede werking van deze airbags belemmeren en daardoor de veiligheid van de inzittenden in gevaar brengen.
- Plaats voorin geen accessoires, voorwerpen of dieren tussen de rugleuning, het portier en de interieurbekleding. Dek de rugleuning van de stoel ook nooit af met bijvoorbeeld kleding of accessoires. De werking van de airbag kan hierdoor belemmerd worden en verwondingen veroorzaken als de airbag wordt geactiveerd.
- Demontage of wijziging van de stoel en de interieurbekleding is verboden, tenzij dit gebeurt door deskundig personeel van de merkdealer.
AANVULLENDE BEVESTIGINGSMIDDELEN
Hier volgt een aantal aanwijzingen om elke belemmering bij het opblazen van de airbag of verwonding door rondvliegende voorwerpen te voorkomen.

De airbag is een aanvullende bescherming bij het gebruik van de autogordel. Beide organen vormen één veiligheidssysteem. De gordel moet altijd worden gedragen. Het niet dragen kan bij een ongeval de inzittenden blootstellen aan zeer zware verwondingen en de gevolgen van de werking van de airbag verergeren.
Bij een botsing, zelfs een zware, tegen de achterkant of bij het over de kop gaan van de auto worden de airbags of de gordelspanners niet altijd geactiveerd. Zware stoten onder de auto veroorzaakt door stoepen, gaten in het wegdek, stenen, kunnen de airbagsystemen activeren.
- Het is streng verboden zelf werkzaamheden uit te voeren aan airbags, gordelspanners (rekeneenheid, bedrading enz.). Deze mogen uitsluitend door speciaal opgeleide monteurs van de merkdealer worden gecontroleerd en gerepareerd.
- Om te voorkomen dat de airbag(s) ten onrechte wordt opgeblazen of juist niet als dat wel nodig zou zijn, mag uitsluitend deskundig personeel van de merkdealer aan het systeem werken.
- Laat het airbagsysteem controleren na een aanrijding of (een poging tot) diefstal van de auto.
- Als u de auto uitleent of verkoopt, breng de nieuwe berijder/eigenaar dan op de hoogte van deze wbijzonderheden door hem dit instructieboekje bij de auto te leveren.
- Laat de gaspatro(o)n(en) door een merkdealer verwijderen voordat de auto wordt gesloopt.

Storingen
Het lampje 1 op het instrumentenpaneel gaat branden als het contact wordt aangezet en dooft na enkele secondes.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of oplicht bij draaiende motor, geeft het een storing in het systeem (airbags, gordelspanner, enz.) bij de zitplaatsen voorin en/of achterin aan.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer. Wacht u hier te lang mee dan betekent dat, dat de bescherming in de tussenliggende periode misschien niet optimaal is.
KINDERVEILIGHEID: algemeen (1/2)
Vervoer van kinderen
Het kind moet, net als een volwassene, altijd correct zitten en zijn vastgemaakt, ongeacht het traject. U bent verantwoordelijk voor de kinderen die u vervoert.
Een kind is geen volwassene in miniatuur- formaat. Het staat bloot aan specifieke let- selrisico's doordat de spieren en botten nog in de groei zijn. De autogordel alleen is niet geschikt voor het vervoer. Gebruik het juiste kinderzitje en gebruik het correct.

Om het openen van de portieren te voorkomen, gebruikt u de "Kinderveiligheid" (raadpleeg de paragraaf "Openen en an de portieren" in hoofdstuk 1).

Een botsing met 50 km/u komt overeen met een val van 10 meter hoogte. Het niet vastmaken van een kind is het- s het laten spelen op een balkon alustrade op de vierde verdie-
Houd een kind nooit in uw armen. Bij een ongeluk zal u het niet kunnen tegenhouden, zelfs niet als u zelf in uw gordel vastzit.
Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u het kinderzitje vervangen en de gordels en de ISOFIX verankeringen laten controleren.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder tijdens het parke- ren of stoppen van de auto
Laat nooit, zelfs niet eventjes, een kind, een afhankelijke volwassene of een dier in de auto achter als u deze verlaat.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door bijvoorbeeld de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Bovendien kan bij warm en/of zonnig weer de temperatuur in het interieur heel erg snel oplopen.
LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL.
KINDERVEILIGHEID: algemeen (2/2)
Gebruik van een kinderzitje
De bescherming die het kinderzitje biedt is afhankelijk van zijn capaciteit om het kind vast te houden en van de installatie ervan. Door een verkeerde installatie komt de bescherming van het kind in gevaar bij krachtig remmen of een botsing.
Controleer voordat u een kinderzitje koopt, of het voldoet aan de wettelijke eisen van het land waar u zich bevindt en of het gemonteerd kan worden in uw auto. Raadpleeg een merkdealer om te weten welke zitje geadviseerd worden voor uw auto.
Lees, vóór het monteren van een kinderzitje, de gebruiksaanwijzing en houd u aan de instructies. Neem, bij problemen met het installeren, contact op met de fabrikant van de uitrusting. Bewaar de gebruiksaanwijzing bij het zitje.
Geef het goede voorbeeld door uw gordel vast te maken en leer uw kind:
- zich correct vast te maken.
- in en uit te stappen aan de andere kant van het verkeer.
Gebruik geen tweedehands kinderzitje of zonder gebruiksaanwijzing.
Let op dat niets in de buurt van het kinderzitje de installatie ervan belemmert.

Laat een kind nooit onbewaakt achter in de auto.
Controleer of uw kind altijd vastzit en het harnas of de correct is afgesteld en aangepast.
Vermijd te dikke kleding waardoor ruimte tussen de riemen kan ontstaan.
Laat uw kind nooit zijn hoofd of armen uit het raam steken.
Controleer regelmatig de juiste houding van het kind, met name als het slaapt.
KINDERVEILIGHEID: Keuze van het kinderzitje

Kinderzitje "achterstevoren"
Het hoofd van een baby is, naar verhouding, zwaarder dan dat van een volwassene en de nek is zeer kwetsbaar. Vervoer het kind zo lang mogelijk in deze stand (minstens tot het 2 jaar is). Zo worden het hoofd en de nek ondersteund.
Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij en vervang het zodra het hoofd van het kind boven het kuipzitje uitsteekt.

Kinderzitje "vooruit"
Het hoofd en de buik van een kind zijn de lichaamsdelen die het meest beschermd moeten worden. Een vooruit bevestigd kinderzitje dat solide in de auto is bevestigd vermindert de gevaren van een klap tegen het hoofd. Vervoer uw kind in een vooruit bevestigd zitje met een harnas of een schootkussen als de lengte van het kind dat toelaat.
Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij.

Vanaf 15 kg of 4 jaar kan een kind reizen op een zittingverhoger waarmee de autogordel kan worden aangepast aan zijn lichaamsbouw. De zitting van de verhoger moet geleiders hebben die de gordel over de heupen van het kind en niet over de buik laat lopen. Een in hoogte verstelbare rugleuning met een gordelgeleider wordt geadviseerd om de gordel op het midden van de schouder te plaatsen. Deze mag nooit over de hals of over de armen lopen.
Kies een omhullend zitje voor een betere bescherming opzij.
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (1/2)
Er zijn twee bevestigingssystemen voor kinderzitjes: met de autogordel of met het ISOFIX systeem.
Bevestiging met de autogordel
De autogordel moet worden afgesteld om goed te kunnen werken bij krachtig remmen of bij een botsing.
Laat de gordel lopen zoals de fabrikant van het kinderzitje voorschrijft.
Controleer altijd de vergrendeling van de autogordel door eraan te trekken en zet hem daarna zo strak mogelijk door op het kinder-zitje te drukken.
Controleer of het zitje goed vastzit door het zitje naar links/rechts en naar voren/achteren te bewegen: het zitje moet stevig vast blijven zitten.
Controleer of het kinderzitje niet dwars is ge-installeerd en niet tegen een ruit rust.

Gebruik geen kinderzitje dat de gordel waarmee het vastzit zou kunnen losmaken: het onderstel van het zitje mag niet op
de gesp en/of de sluiting van de gordel rusten.

De autogordel mag nooit los-gemaakt of verdraaid worden. Laat de gordel nooit onder de armen of achter de rug lopen.
Controleer of de gordel niet beschadigd is door scherpe randen.
Als de autogordel niet normaal werkt, kan deze het kind niet beschermen. Raadpleeg een merkdealer. Gebruik deze zitplaats niet zolang de gordel niet is gerepareerd.

Verander niets aan de oorspronkelijke onderdelen van het systeem: gordels, ISOFIX zitjes en stoelen en aan de be-
vestigingen ervan.
Bevestiging met ISOFIX systeem
Toegelaten zijn ISOFIX kinderzitjes die zijn goedgekeurd overeenkomstig het reglement ECE-R44 in één van de drie gevallen:
– universeel ISOFIX 3-punts vooruit;
- semi-universeel ISOFIX 2-punts;
- specifiek.
Controleer, voor deze twee laatste, of uw kinderzitje geïnstalleerd kan worden door de lijst van de geschikte auto's te raadplegen.
Bevestig het kinderzitje met de ISOFIX grendels als het deze heeft. Het ISOFIX systeem garandeert en gemakkelijke, snelle en veilige montage.
Het ISOFIX systeem bestaat uit 2 ringen en, in sommige gevallen, een derde ring.

Voordat u een ISOFIX kinder-zitje installeert dat u hebt gekocht voor een andere auto, moet u nagaan of het geïnstal-
leerd mag worden. Raadpleeg de lijst van de fabrikant van het zitje waarop de auto's staan waarin het zitje gebruikt mag worden.
KINDERVEILIGHEID: keuze van de bevestiging van het kinderzitje (2/2)

De twee ringen 1 bevinden zich tussen de rugleuning en de zitting van de stoel en zijn te herkennen aan een markering.
Om het plaatsen en het vergrendelen van uw kinderzitje op de ringen 1 te vergemakkelijken, gebruikt u de geleiders 2 van het kinderzitje.

De derde ring wordt gebruikt voor het vastmaken van de bovenste riem van bepaalde kinderzitjes.
Bevestig de haak van de riem aan de ring 3 en span de riem zodat de rugleuning van het kind in contact komt met de rugleuning van de stoel van de auto.

De ISOFIX bevestigingen mogen alleen gebruikt worden voor kinderzitjes met het ISOFIX systeem. Bevestig nooit andere kinderzitjes, noch de gordel of andere voorwerpen op deze verankeringspunten.
Controleer of niets in de weg zit bij de verankeringspunten.
Als uw auto betrokken is geweest bij een verkeersongeluk, moet u de ISOFIX verankeringen laten controleren en het kinderzitje vervangen.

Controleer of de rugleuning van het vooruit geplaatste kinderzitje goed tegen de rugleuning van de stoel in de auto is
geplaatst.
In dit geval rust het kinderzitje niet altijd op de zitting van de stoel in de auto.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (1/3)
Op bepaalde zitplaatsen mogen geen kinderzitjes bevestigd worden Op het schema op de volgende bladzijde ziet u waar u een kinderzitje mag bevestigen.
De genoemde types kinderzitjes zijn niet overal leverbaar. Controleer voordat u een ander kinderzitje gebruikt, bij de fabrikant of het gemonteerd kan worden.

Monteer het kinderzitje bij voor- keur op een zitplaats achterin.
Controleer of het kinderzitje, door het installeren ervan in de
auto, niet loskomt van het onderstel.
Als u de hoofdsteun moet verwijderen, berg deze dan goed op zodat deze niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
Maak het kinderzitje altijd goed vast aan de auto, ook als het niet in gebruik is, zodat het niet in een projectiel kan veranderen bij krachtig remmen of een botsing.
Op zitplaats voorin
Het vervoer van een kind op de plaats van de voorpassagier is niet in alle landen toe-gestaan. Raadpleeg de geldende wetgeving en volg de aanwijzingen van het schema op de volgende bladzijde.
Voordat u een kinderzitje op deze plaats installeert (indien dit toegestaan is)
- zet de autogordel zo ver mogelijk naar beneden;
- schuif de stoel zo ver mogelijk naar achteren;
- zet de rugleuning enigszins schuin (ongeveer 25°);
- zet de zitting, indien mogelijk, zo ver mogelijk omhoog.
Wijzig deze afstellingen niet meer na het installeren van het kinderzitje.

LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG
LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje achterste-
voren op deze plaats installeert, of de passagiersairbag voorin is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "uitschakelen passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).
Op zitplaats achter aan de zijkant
Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt ten minste twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier gelegen kant.
Zet de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om een kinderzitje achterstevoren te installeren, en zet deze daarna zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
Voor de veiligheid van het vooruit geplaatste kind, mag u de stoel die voor het kind staat niet verder dan halverwege de stelrails naar achteren zetten, de rugleuning niet te schuin (25° maximaal) zetten en moet u de stoel zo hoog mogelijk zetten.
Controleer of het vooruit geplaatste kinder-zitje goed tegen de rugleuning van de stoel van de auto rust en de hoofdsteun van de auto niet in de weg zit.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (2/3)

Overzicht van de installatie van kinderzitjes

Controleer de staat van de airbag u een passagier laat plaatsnemen of derzitje installeert.

Plaats verboden voor het installeren n kinderzitje.
Kinderzitje bevestigd met behulp van de gordel

Plaats toegelaten voor de bevesti- t de gordel van een als "Universeel" keurd zitje.

Plaats toegelaten voor de beves- net de gordel van uitsluitend een tevoren geplaatst kinderzitje dat keurd is als "Universeel".

LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje achterstevoren op de plaats van de passagier voorin installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).
Kinderzitje bevestigd met behulp van de ISOFIX-bevestiging

Plaats waar een ISOFIX-kinderzitje is aten.

De zitplaatsen achterin zijn voorzien n verankering voor de bevestiging n universeel ISOFIX-kinderzitje voor- verankeringspunten bevinden zich achterkant van de achterbank.
De grootte van een ISOFIX-kinderzitje wordt aangegeven door een letter:
- A, B en B1: voor zitjes vooruit van groep 1 (van 9 tot 18 kg);
- C: zitjes achterstevoren van groep 1 (van 9 tot 18 kg);
- D en E: kuipzitjes of zitjes achterstevoren van groep 0 of 0+ (onder 13 kg);
- F en G: reiswiegen van groep 0 (onder 10 kg).

Door het gebruik van een niet bij de auto passend kinder-veiligheidssysteem wordt de baby of het kind niet correct be-
schermd. Het kan ernstig of zelfs dode- lijk letsel oplopen.
KINDERVEILIGHEID: installatie van het kinderzitje (3/3)
In de tabel hieronder staat dezelfde informatie als op het overzicht van de vorige bladzijde, overeenkomstig de wettelijke voorschriften.
| Type kinderzitje | Gewicht van het kind | Grootte van het zitje ISOFIX | Zitplaats voorpassagier (1) (5) | Zitplaatsen zijkant achter | Zitplaats midden achter |
| Reiswieg dwarsGroep 0 | < tot 10 kg F, G X U | - IL (2) X | |||
| Kuipzitje/kinderzitje achterstevorenGroep 0, 0+ en 1 | < tot 13 kg en 9 tot 18 kg | C, D, E U U | - IL (3) X | ||
| Kinderzitje vooruit geplaatstGroep 1 | 9 tot 18 kg A, B, B1 | X U - IUF - IL (4) X | |||
| ZittingverhogerGroep 2 en 3 | 15 tot 25 kg en 22 tot 36 kg | X | U (4) | X |
X = Plaats niet toegestaan voor het installeren van een kinderzitje.
U = Plaats toegelaten voor de bevestiging met de gordel van een in de handel verkrijgbaar als "Universeel" goedgekeurd zitje; controleer of het gemonteerd kan worden.
IUF/IL = Plaats toegelaten voor bevestiging met bevestigingen ISOFIX, indien aanwezig, van een kinderzitje dat goedgekeurd is als "Universeel/ semi-universeel of specifiek voor een auto"; controleer of het gemonteerd kan worden.
(1) Alleen een kinderzitje type achterstevoren kan worden geïnstalleerd op deze plaats: zet de stoel van de auto zo ver mogelijk naar achteren en zo hoog mogelijk, en zet de rugleuning licht schuin (ongeveer 25°).
(2) Een reiswieg wordt dwars in de auto geïnstalleerd en neemt twee zitplaatsen in beslag. Plaats het hoofd van het kind aan de tegenover het portier van de auto gelegen kant.
(3) Zet de voorstoel van de auto zo ver mogelijk naar voren om een kinderzitje achterstevoren te installeren, en zet deze daarna zo ver mogelijk terug zonder dat deze tegen het kinderzitje komt.
(4) Kinderzitje vooruit geplaatst, zet de rugleuning van het kinderzitje tegen de rugleuning van de auto. Stel de hoogte van de hoofdsteun af of verwijder deze indien nodig, en zet de stoel vóór het kind niet verder dan halverwege de rails naar achteren en zet de rugleuning niet schuiner dan 25°.

(5) LEVENSGEVAAR OF GEVAAR VAN ERNSTIG LETSEL: controleer voordat u een kinderzitje achterstevoren op de plaats van de passagier voorin installeert, of de airbag wel is uitgeschakeld (raadpleeg de paragraaf "Kinderveiligheid: uitschakelen,inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1).
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (1/3)

Uitschakelen van de passagiersairbag voorin (voor de auto's die hiermee uitgerust zijn)
Om een kinderzitje te kunnen gebruiken op de passagiersstoel moet u de passagiers-airbag uitschakelen.

Uitschakelen van de airbag: stilstaande auto, druk de grendel 1 in en draai hem in de stand OFF.
Met het contact aan, moet u verplicht contro-
leren of het controlelampje 2 op het centrale display oplicht en, afhankelijk van de auto, of de boodschap "Passagiersairbag uit" verschijnt.
Dit lampje blijft permanent branden zolang de airbag is gedeactiveerd.

Het in- en uitschakelen van de passagiersairbag moeten bij stilstaande auto gebeuren.
Als dit bij rijdende auto ge-
beurt, lichten de controlelampjes en op.

Om de staat van de airbag weer in overeenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.
KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (2/3)


GEVAAR
Omdat het gevaarlijk is als de passagiersairbag voorin in werking komt als er een kinderzitje
achterstevoren op de voorstoel is ge- plaatst, mag u NOOIT een kinderzitje achterstevoren (met de rug naar de weg) installeren op een voorstoel met een ACTIEVE AIRBAG. Dit kan de DOOD van het KIND of ERNSTIG LETSEL tot gevolg hebben.

De merktekens op het dashboard en de etiketten B of C op de plaatsen A aan elke kant van de zonneklep van de passagier 3 (bijvoorbeeld de etiketten hierboven), herinneren u aan deze instructies.

KINDERVEILIGHEID: uitschakelen, inschakelen van de passagiersairbag voorin (3/3)

Inschakelen van de passagiersairbag voorin
Zodra het kinderzitje van de passagiersstoel verwijderd is, moet u de passagiersairbag voorin weer inschakelen om de voorpassagier bij een botsing te beschermen.
Weer inschakelen van de airbag: stilstaande auto, druk de grendel 1 in en draai hem in de stand ON.
Met het contact aan moet u controleren of
het controlelampje 2

uit is.
De passagiersairbag voor is ingeschakeld.

Storingen
Als een storing is geconstateerd tijdens het in- en uitschakelen van de passagiersairbag voorin, is het verboden een achterstevoren geplaatst kinderzitje op de voorstoel te gebruiken.
Het gebruik van de voorstoel door een pas-sagier wordt ook afgeraden.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer.

GEVAAR
Omdat het gevaarlijk is als de passagiersairbag voorin in werking komt als er een kinderzitje
achterstevoren op de voorstoel is geplaatst, mag u NOOIT een kinderzitje achterstevoren (met de rug naar de weg) installeren op een voorstoel met een ACTIEVE AIRBAG. Dit kan de DOOD van het KIND of ERNSTIG LETSEL tot gevolg hebben.

Het in- en uitschakelen van de passagiersairbag moeten bij stilstaande auto gebeuren.
Als dit bij rijdende auto ge-
beurt, lichten de controlelampjes en op.

Om de staat van de airbag weer in overeenstemming te brengen met de stand van de grendel, zet u het contact uit en weer aan.
Hoogte- en diepteafstelling
Trek aan de hendel 1 en zet het stuurwiel in de gewenste stand.
Druk daarna de hendel voorbij het zware punt om het stuurwiel te blokkeren.
Controleer of het stuurwiel goed is vergren- deld.

Voer, om veiligheidsredenen, deze afstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.
Snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging
De snelheidsafhankelijke stuurbekrachtiging past de mate van bekrachtiging automatisch aan de snelheid waarmee u rijdt aan.
Bij het parkeren is er veel bekrachtiging (voor meer comfort) en met het toenemen van de snelheid vermindert de bekrachtiging (voor een grotere veiligheid bij snel rijden).
Bij stilstaande motor of bij een storing in het systeem blijft het mogelijk het stuurwiel te draaien. Er moet meer kracht gezet worden.
Laat het stuurwiel niet in een uiterste stand gedraaid staan als de auto stil staat.
Rijd niet met een slecht opgeladen accu. Het gevaar bestaat dat de besturing niet goed werkt.
Bij stilstaande motor of bij een storing in het systeem blijft het mogelijk het stuurwiel te draaien. Er moet meer kracht gezet worden.
Bij het snel draaien van het stuurwiel is het normaal dat u een geluid hoort.

Zet nooit de motor af tijdens het rijden: bij uitgeschakelde motor is er geen bekrachtiging.
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (1/2)

26754
BEDIENINGSORGANEN LINKS STUUR (2/2)
De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
1 Zijrooster.
2 Ventilatierooster van zijruit.
3 Schakelaar voor:
- richtingaanwijzers;
- buitenverlichting;
- mistlichten voor;
- mistachterlicht.
4 Instrumentenpaneel.
5 Plaats voor bestuurdersairbag, claxon.
6 - Schakelaar voor de ruitenwissers en -sproeiers voor en achter;
- Functiekeuzetoets van de boordcomputer en van het menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto.
7 Centrale ventilatieroosters.
8 Bedieningspaneel van de airconditioning.
9 - Display voor de tijd, de temperatuur, de radio-informatie, het navigatiesysteem enz.
- Waarschuwingslampje vergeten autogordel bestuurder en passagier voorin en controlelampje uitschakelen passagiersairbag.
10 Plaats passagiersairbag.
11 Ventilatierooster van zijruit.
12 Zijrooster.
13 Dashboardkastje.
14 Schakelaar voor de elektrische portiervergrendeling.
15 Inbouwplaats voor radio, navigatiesysteem.
16 Opbergruimte/accessoireaansluiting of asbak/aansteker.
17 Versnellingshendel.
18 Hendel van de automatische parkeerrem of van de handrem.
19 Hoofdschakelaar van de snelheidsregelaar/-begrenzer.
20 Bedieningsknoppen van bepaalde multi-mediasystemen.
21 Schakelaar voor de alarmknipperlichten.
22 Knop voor het starten/stoppen van de motor en lezer van de RENAULT card.
23 Hoogte- en diepteverstelling stuurwiel.
24 Schakelaars voor de snelheidsregelaar/begrenzer.
25 Hendel voor het ontgrendelen van de motorkap.
26 Schakelaars voor:
- elektrisch verstellen van de koplampen;
- regelweerstand instrumentenverlichting;
- inschakelen/uitschakelen van de tractiecontrole;
- inschakelen/uitschakelen van de functie Stop and Start.
BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (1/2)

BEDIENINGSORGANEN RECHTS STUUR (2/2)
De aanwezigheid van de hierna beschreven uitrusting IS AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
1 Zijrooster.
2 Ventilatierooster van zijruit.
3 Plaats passagiersairbag.
4 - Aanduiding, afhankelijk van het type auto, van tijd, temperatuur, radiogegevens, navigatiesysteem enz.
- Waarschuwingslampje vergeten autogordel bestuurder en passagier, en controlelampje uitschakelen passagiersairbag.
5 Bedieningspaneel van de airconditioning.
6 Centrale ventilatieroosters.
7 Schakelaar voor:
- richtingaanwijzers;
- buitenverlichting;
- mistlichten voor;
- mistachterlicht.
8 Instrumentenpaneel.
9 Plaats voor bestuurdersairbag, claxon.
10 – Schakelaar voor de ruitenwissers en -sproeiers voor en achter;
- Functiekeuzetoets van de boordcomputer en van het menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto.
11 Ventilatierooster van zijruit.
12 Zijrooster.
13 Schakelaars voor:
- elektrisch verstellen van de koplampen;
- regelweerstand instrumentenverlichting;
- inschakelen/uitschakelen van de tractiecontrole;
- inschakelen/uitschakelen van de functie Stop and Start.
14 Schakelaars voor de snelheidsregelaar/-begrenzer.
15 Hoogte- en diepteverstelling stuurwiel.
16 Schakelaar voor het starten of stoppen van de motor en lezer van de RENAULT card.
17 Schakelaars voor de elektrische portiervergrendeling.
18 Opbergruimte, accessoireaansluiting of asbak en aansteker.
19 Bedieningsknoppen van bepaalde multi-mediasystemen.
20 Hendel van de automatische parkeerrem of van de handrem.
21 Hoofdschakelaar van de snelheidsregelaar/-begrenzer.
22 Versnellingshendel.
23 Inbouwplaats voor radio, navigatiesysteem.
24 Schakelaar voor de alarmknipperlichten.
25 Dashboardkastje.
26 Knop voor het ontgrendelen van de motorkap.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.

Instrumentenpaneel A: het licht op bij het aanzetten van het contact.
Het oplichten van sommige controlelampjes gaat vergezeld van een boodschap.
Waarschuwingslampje : het is nodig direct voorzichtig naar een merk-dealer te rijden. Als u dit voorschrift ne-geert, loopt u het risico dat uw auto be-schadigd wordt.

Het waarschuwingslampje
STOP dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen
zonder het verkeer in gevaar en. Stop de motor en start deze euw. Roep de hulp in van een ler.

Controlelampje mistlichten voor

Controlelampje mistachterlicht

Controlelampje richtingaanwij-zers links

Controlelampje richtingaanwij-zers rechts

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instrumentenpaneel weer. U moet direct
stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Zorg dat de auto in- derdaad goed gestopt is en neem contact op met een merkdealer.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND, HET UITRUSTINGSNIVEAU EN EVENTUELE OPTIES VAN DE AUTO.

Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft zodra de motor draait. Het kan tegelijk gaan branden met andere controlelampjes en/of boodschappen op het instrumentenpaneel.
Het is nodig direct voorzichtig naar een merkdealer te rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
STOP waarschuwingslampje stop on-middellijk
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft zodra de motor draait. Het gaat tegelijk met andere waarschuwingslampjes en/of boodschap(pen) branden en gaat vergezeld van een geluidssignaal.
Het dwingt u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw.
Roep de hulp in van een merkdealer.
Waarschuwingslampjes storing van de automatische parkeerrem en controlelampje van storing van het remsysteem
Als het tijdens het remmen gaat branden met het waarschuwingslampje STOP en er een geluidssignaal klinkt, dan wijst het op een daling van de hoeveelheid remvloeistof of een storing aan het remsysteem. Stop en roep de hulp in van een merkdealer.
Waarschuwingslampje laadstroom
Als het tijdens het rijden gaat branden met het waarschuwingslampje STOP en een geluidssignaal klinkt, betekent dit dat het elektrische circuit onvoldoende of te veel geladen wordt.
Waarschuwingslampje oliedruk Als het tijdens het rijden gaat branden met het waarschuwingslampje STOP en er een geluidssignaal klinkt, moet u direct stoppen en het contact afzetten.
Controleer het oliepeil (raadpleeg de paragraaf "Motoroliepeil" in hoofdstuk 4). Als het peil normaal is, is er een andere oorzaak: roep de hulp in van een merkdealer.
(P) Waarschuwingslampje handrem of automatische parkeerrem vastgezet
Raadpleeg paragraaf "Handrem" of "Automatische parkeerrem" in hoofdstuk 2.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND EN HET UITRUSTINGSNIVEAU.


Waarschuwingslampje brand-
stofpeil
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft na enkele secondes. Ga zo snel mogelijk tanken als dit lampje oplicht tijdens het rijden. U kunt nog ongeveer 50 km rijden vanaf de eerste keer oplichten van het controlelampje.

Waarschuwingslampje vergeten autogordels voor
Als het oplicht bij het starten van de motor, als de gordel van de bestuurder of passagier voorin (als de stoel bezet is) niet vastgemaakt is en de auto ongeveer 20 km/uur bereikt, knippert het en een geluidssignaal klinkt gedurende ongeveer 120 secondes.
N.B.: een voorwerp op de zitting van de passagiersstoel kan in sommige gevallen het waarschuwingslampje inschakelen.
Waarschuwing van het niet dragen van de achtergordel
Het aantal achtergordels verschijnt op het instrumentenpaneel A gedurende 30 secondes elke keer bij:
- het starten van de auto;
- het openen van een portier;
- vast of losmaken van een achtergordel.
Controleer of de passagiers achter goed vastgemaakt zijn en het aantal vastge- maakte gordels overeenkomen met het aantal bezette plaatsen op de achterbank.

Passagiersairbag OFF
Raadpleeg de paragraaf
"Kinderveiligheid: uitschakelen/inschakelen van de passagiersairbag voorin" in hoofdstuk 1.

Waarschuwingslampje airbag
Het licht op bij het starten van de dooft na enkele secondes.
Als het niet oplicht bij het aanzetten van het contact of als het oplicht bij draaiende motor, wijst dit op een storing in het systeem.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merk-dealer.

Controlelampjes snel-heidsregelaar en snel-
heidsbegrenzer
Raadpleeg de paragrafen "Snelheidsregelaar" en "Snelheidsbegrenzer" in hoofdstuk 2.
De aanwezigheid en de werking van de lampjes ZIJN AFHANKELIJK VAN HET LAND EN HET UITRUSTINGSNIVEAU.


Controlelampje van de stoelverwarming
Het geeft aan dat één van de stoelen verwarmd wordt.

Niet in gebruik

Controlelampje van de hulp- en correctiesystemen tijdens het
Raadpleeg de paragraaf "Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden" in hoofdstuk 2.

Waarschuwingslampje luchtverontreiniging
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft na het starten van de motor.
- als het continu brandt, moet u zo snel mogelijk een merkdealer raadplegen;
- als het knippert, moet u vaart verminde- ren tot het knipperen ophoudt. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer.
Raadpleeg de paragraaf "Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging" in hoofdstuk 2.

Controlelampje voorverwarming (dieselmotor)
Met contact aan, licht het op. Het geeft aan dat voorverwarmingsstiften werken. Zodra het dooft, start de motor weer.

Waarschuwingslampje antiblok-
keersysteem
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft na enkele secondes.
Als het niet dooft na het aanzetten van het contact of als het oplicht tijdens het rijden, wijst dit op een storing in het antiblokkeersysteem van de wielen. Er kan dan met de auto worden geremd als bij een auto zonder ABS.
Raadpleeg snel een merkdealer.
DISPLAYS EN METERS

Bij het starten van de motor, waarschuwt het display 2 als het minimumoliepeil is bereikt. Raadpleeg de paragraaf "Peil van de motorolie" in hoofdstuk 4.
Bij de eerste waarschuwing kunt u deze laten verdwijnen door te drukken op één van de knoppen aan het einde van de schakelaar 4.
De volgende waarschuwingen verdwijnen automatisch na 30 secondes.

Snelheidsmeter 3 (geeft aan in km/u of mph)
Geluidssignaal snelheidsverklikker
Afhankelijk van de uitvoering van de auto en van het land, klinkt er iedere 40 secondes een geluidssignaal gedurende 10 secondes zolang de auto sneller rijdt dan 120 km/u.
Brandstofpeilmeter 5
Als het minimumpeil is bereikt, licht het waar-
schuwingslampje in de meter op. Ga zo snel mogelijk tanken. Vanaf het eerste oplichten van het waarschuwingslampje kunt u nog ongeveer 50 km rijden.
Koelvloeistof temperatuurmeter 6
Bij normaal gebruik, moet de wijzer voor de zone a blijven. Bij zware motorbelasting kan hij wel in de buurt komen. Er is sprake van een storing als het waarschuwingslampje
STOP oplicht en een boodschap verschijnt op het instrumentenpaneel en een geluidssignaal klinkt.
Boordcomputer
Raadpleeg de paragraaf "Boordcomputer" in hoofdstuk 1.
Wanneer het contact wordt aangezet, wordt het instrumentenpaneel verlicht en bewegen de wijzers van de toerenteller en de snelheidsmeter.
BOORDCOMPUTER: algemeen (1/2)

Afhankelijk van de auto, beschikt hij over de volgende functies:
- afgelegde afstand;
- gegevens van de reis;
- informatieboodschappen;
- storingsboodschappen (in combinatie met het lampje );
- alarmboodschappen (in combinatie met het lampje STOP);
- menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto.
Alle functies zijn beschreven op de volgende bladzijden.

Keuzetoetsen display 2 en 3
Laat door achter elkaar en kort in te drukken naar boven (toets 2) of naar beneden (toets 3) de volgende informatie langskomen (de weergave hangt af van de uitrusting van de auto en het land).
a) totaalteller en dagteller van de afgelegde afstand;
b) gegevens van de reis:
- verbruikte brandstof;
- gemiddeld verbruik;
- actueel verbruik;
- bereik met de overgebleven brandstof;
- afgelegde afstand;
- gemiddelde snelheid;
c) overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt;
d) controlesysteem bandenspanning;
e) Ingestelde snelheid van de snelheidsregelaar/-begrenzer;
f) menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto;
g) functieoverzicht, informatieboodschappen en storingsboodschappen.
BOORDCOMPUTER: algemeen (2/2)
27968

Nulinstelling van de dagteller
Gekozen aanduiding op "dagteller", druk op een van de toetsen 2 of 3 tot de nulinstelling van de dagteller.
Nulinstelling van de gegevens van de reis
Gekozen aanduiding op één van de gegevens van de reis, druk op een van de toetsen 2 of 3 tot de nulinstelling van de aanduiding.
Betekenis van de waarden gedurende de eerste paar kilometer na een nulinstelling
De waarden van gemiddeld verbruik, bereik en gemiddelde snelheid worden stabierer en nauwkeuriger naarmate de afgelegde afstand vanaf de laatste nulinstelling groter wordt.
De eerste kilometers na een nulinstelling kunt u constateren dat de actieradius toe-neemt tijdens het rijden. Dit komt omdat rekening wordt gehouden met het gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling. Het gemiddeld verbruik kan afnemen als:
- de auto met een constante snelheid rijdt;
- de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt (nulinstelling bij koude motor);
- u vanuit druk stadsverkeer op de buitenweg komt.
Automatische nulinstelling van de gegevens van de reis
De nulinstelling gebeurt automatisch als één van de gegevens zijn maximale waarde bereikt.
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (1/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| 101778 KM112.4 KM | a) Totaalteller en dagteller. |
| Brandstof verbr.9.... 8 L | b) Gegevens van de reis. Verbruikte brandstof.Hoeveelheid verbruikte brandstof sinds de laatste nulinstelling. |
| Gemiddeld9.... 7.2 L/100 | Gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling.De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulin-stelling. |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (2/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding |
![]() | Actueel verbruik.De waarde wordt aangegeven bij een snelheid van meer dan 30 km/u. |
![]() | Het bereik met de overgebleven brandstof.Uitgaande van het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulinstelling en de hoeveelheid brandstof in de tank. Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. |
![]() | Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling. |
![]() | Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben. |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (3/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding |
c) Afstand onderhoudsbeurt.Afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (weergave in kilometers en in maanden); daarna, als de termijn van de overgebleven afstand bijna verstreken is, doen verschillende gevallen zich voor:– afstand minder dan 1500 km of een maand: de boodschap “Onderhoud over” wordt weergegeven met de dichtstbijzijnde termijn (afstand of tijd);– resterende afstand is 0 km of datum van onderhoudsbeurt is bereikt: de boodschap “Onderhoud uitvoeren” wordt weergegeven en het controlelampje 📄 licht op.Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren. | |
| NB: afhankelijk van de auto past het onderhoudsinterval zich aan de rijstijl aan (veel langzaam rijden, huis-aan-huis bezorgen, lang rijden met stationair toerental, trekken van aanhangwagen, enz.). De overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt kan dus in sommige gevalen sneller afnemen dan de werkelijk afgelegde afstand.Resetten van het display na onderhoud volgens het onderhoudsprogramma.De overgebleven afstand tot de volgende onderhoudsbeurt mag pas opnieuw gereset worden na een onderhoudsbeurt die in overeenstemming is met het onderhoudsprogramma van uw auto.Als u besluit om eerder olie te laten verversen, reset deze meter dan niet bij elke olieverversing, dit voorkomt dat het vervangingsinterval van andere onderdelen, zoals voorzien is in het onderhoudsprogramma, overschreden wordt.Bijzonderheden: om de afstand tot de volgende olieverversing/onderhoudsbeurt te resetten, drukt u ongeveer 10 secondes zonder onderbreking op één van de toetsen van de nulinstelling van de weergave, tot de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt permanent wordt weergegeven. | |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (4/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding |
![]() | d) Controlesysteem bandenspanning. Raadpleeg de paragraaf “Systeem voor het controleren van de bandenspanning” in hoofdstuk 2. |
90 km/H | e) Ingestelde snelheid van de snelheidsregelaar en -begrenzer Raadpleeg de paragrafen “snelheidsregelaar” en “snelheidsbegrenzer” in hoofdstuk 2. |
| Regelaar90 km/H |
BOORDCOMPUTER: gegevens van de reis (5/5)
De hierna beschreven weergave informatie HANGT AF VAN DE UITRUSTING VAN DE AUTO EN VAN HET LAND.
| Voorbeelden van de selectie | Betekenis van de gekozen aanduiding | |
![]() | e) Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto.Maakt de afstelling van bepaalde functies van de auto mogelijk (taal van het instrumentenpaneel, parkeerhulp, enz..). Raadpleeg in hoofdstuk 1 de paragraaf “Menu voor het personaiseren van de instellingen van de auto”. | |
![]() | f) Functieoverzicht.Aanduiding achtereenvolgens:– van informatieboodschappen (airbag voor de passagier OFF enz.),– van storingsboodschappen (inspuitsysteem controleren enz.). | |
BOORDCOMPUTER: informatieboodschappen
Zij kunnen u helpen bij het starten van de auto of u informeren over een keuze of een omstandigheid. Voorbeelden van informatieboodschappen worden hierna gegeven.
| Voorbeelden van boodschappen | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| « Accu zwakstart de motor » | Geeft aan dat de auto gestart moet worden om de accu op te laden (na langdurig stilstaan en luisteren naar de radio bijvoorbeeld). |
| « Kaart verwijderen a.u.b. » | Verzoek om de RENAULT card uit de lezer te verwijderen als u de auto verlaat. |
| « Test systemen » Wordt | weergegeven, contact aan, als de auto zichzelf controleert. |
| « Tractiecontrole uit » Geeft aan dat u de functie ASR heeft uitgeschakeld. | |
| « Draai stuurwiel + START » | Draai het stuurwiel licht terwijl u op de startknop van de auto druk om de stuurkolom te ontgrendelen. |
| « Autostop » | Geeft aan dat de motor stand-by is (gekoppeld aan de functie Stop and Start). Raadpleeg hoofdstuk 2, paragraaf “Stop and Start”-modus. |
| « Stuurkolom niet geblokkeerd » | Geeft aan dat de stuurkolom niet geblokkeerd is. |
BOORDCOMPUTER: storingsboodschappen
Zij verschijnen bij het waarschuwingslampje 📁 en het is noodzakelijk direct voorzichtig naar een merkdealer te rijden. Als u dit voorschrift negeert, loopt u het risico dat uw auto beschadigd wordt.
Zij verdwijnen door een druk op de keuzetoets van de aanduiding of na enkele secondes en worden opgeslagen in het functieoverzicht. Het lampje blijft branden. Voorbeelden van storingsboodschappen worden hieronder gegeven.
| Voorbeelden van boodschappen | Betekenis van de gekozen aanduiding |
| « Brandstofffilter aftappen » | Geeft aan dat er water in het brandstofffilter is, raadpleeg zo snel mogelijk uw merkdealer. |
| « Controleerverlichting » Geeft een storing aan van de draaibare koplampen. | |
| « Controleervoertuig » | Geeft een storing aan van een van de opname-elementen van de pedalen, van het beheersysteem van de accu of van een opname-element van het oliepeil. |
| « Controleerairbag » | Geeft een storing aan van de aanvullende veiligheidsvoorzieningen. In geval van een ongeluk, bestaat het risico dat ze niet geactiveerd worden. |
| « Controleer lucht-verontreiniging » | Geeft een storing in het luchtverontreinigingssysteem van de auto aan. |
| « Vervang accu » | Geeft aan dat u de accu van de auto moet vervangen, raadpleeg de paragraaf “accu” in hoofdstuk 4. |
BOORDCOMPUTER: alarmboodschappen
Zij verschijnen met het controlelampje STOP en dwingen u, voor uw veiligheid, direct te stoppen zonder het verkeer in gevaar te brengen. Stop de motor en start deze niet opnieuw. Roep de hulp in van een merkdealer.
Voorbeelden van alarmboodschappen worden hierna gegeven. N.B.: de boodschappen verschijnen op het display alleen of afwisselend (als er meer boodschappen zijn), zij kunnen gecombineerd zijn met een waarschuwingslampje en/of een geluidssignaal.
| Voorbeeld van boodschap Betekenis van de gekozen aanduiding | |
| « Storing inspuitsysteem » | Geeft een storing aan van het inspuitsysteem. |
| « Risico op motorschade » | Geeft een ernstig probleem met de motor aan. |
| « Oververhitting motor » | Geeft een oververhitting van de motor van de auto aan. |
| “Storing stuurbekracht.” of “Stuur kan blokkeren” | Geeft een probleem aan in de stuurinrichting. |
| “Storing parkeerrem” of “Stop voertuig” | Geeft een storing aan van de automatische parkeerrem. Zet de automatische parkeerrem met de hand vas en zorg of de auto niet wegrolt door middel van een blok. |
| « Storing opladen accu » | Geeft een probleem aan in het laadstroomcircuit van de accu van de auto. |
| « Storing oliedruk » | Geeft een te lage oliedruk in de motor aan. |
| « Lekke band » | Geeft een lekke band aan van het wiel dat verschijnt op het scherm van de boordcomputer. |
MENU VOOR HET PERSONALISEREN VAN DE INSTELLINGEN VAN DE AUTO

Met deze functie, ingebouwd in de boordcomputer 1, kunnen bepaalde functies van de auto in- of uitgeschakeld worden.
Openen van het menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto
Druk, bij stilstaande auto, een aantal keren op de knoppen 2 of 3 tot de boodschap"instelmenu: lange druk" verschijnt op het display 1. Druk langer dan 2 secondes op één van de knoppen 2 of 3 om naar het menu te gaan.

Selectie van de instellingen
Druk op één van de knoppen 2 of 3 voor het selecteren van de te wijzigen functie:
a) ontgrendelen van het bestuurdersportier alleen;
b) automatisch blokkeren van de portieren tijdens het rijden;
c) automatische verlichting overdag;
d) wissen achter bij achteruit rijden;
e) parkeerhulp voor;
f) parkeerhulp achter;
g) parkeerhulp volume;
h) taal van het instrumentenpaneel.

functie ingeschakeld
functie uitgeschakeld
Als de regel is geselecteerd, houdt u één van de knoppen 2 of 3 ingedrukt om de functie te wijzigen:
Voor de keuzes "parkeerhulp volume" of "taal" krijgt u opnieuw een keuze. Bepaal in dat geval uw keuze en bevestig deze door één van de knoppen 2 of 3 ingedrukt te houden, de geselecteerde waarde wordt
weergegeven met een 📄 voor de regel. Om het menu te verlaten, selecteert u "einde" of "terug" en bevestigt u dit door één van de knoppen 2 of 3 ingedrukt te houden. Het kan nodig zijn dit een aantal keren te herhalen.
Het menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto kan niet gebruikt worden tijdens het rijden. Boven 20 km/u voor de auto's met een handgeschakelde versnellingsbak (0 km/u voor de auto's met een automatische transmissie), gaat het display automatisch over naar de boordcomputer.
Met contact aan, worden de tijd en, afhankelijk van de auto, de temperatuur aangegeven.
Klokje 1 op tijd zetten
Voor de auto's die ermee uitgerust zijn, dienen de knoppen 2 en 3 voor het afstellen van het klokje.
Druk op de knop 2 voor het instellen van de uren en op de knop 3 voor het instellen van de minuten.
Auto's met een navigatiesysteem, radio enz.
Voor auto's die niet uitgerust zijn met de knoppen 2 en 3, raadpleeg het speciale instructieboekje van deze uitrusting en de bijzonderheden ervan.
Als de elektrische voeding onderbroken is geweest (losgenomen accukabel, zekering doorgebrand, enz.) moet u het klokje weer gelijk zetten.
Zet het alleen bij stilstaande auto gelijk.
Buitentemperatuurmeter
Bijzonderheid:
Als de buitentemperatuur tussen - 3 °C en + 3 °C ligt, knipperen de tekens °C (waarschuwing voor kans op gladheid).

Buitentemperatuurmeter
De buitenthermometer is be- slist geen gladheidsdetector.
Gladheid is niet alleen van de temperatuur afhankelijk, maar van meer factoren zoals de ligging van de weg en de vochtigheid van de lucht.
SPIEGELS (1/2)

Buitenspiegels
Verstellen
Selecteer de spiegel met behulp van de schakelaar 3, en verstel hem daarna met de knop 1 in de gewenste stand.
Verwarmde buitenspiegels
Het ontdooien gebeurt tegelijk met het verwarmen van de achterruit.
Geheugen van de stand
Voor de auto's met een bestuurdersstoel met geheugen, raadpleeg de paragraaf "bestuurdersstoel met geheugen" in hoofdstuk 1.
Inklapbare buitenspiegels
De spiegels klappen automatisch in bij het vergrendelen van de auto (schakelaar 2 in stand B). In dit geval klappen zij uit bij het weer aanzetten van het contact.
U kunt altijd het inklappen (schakelaar 2 in stand C) of het uitklappen (schakelaar 2 in stand A) van de spiegel regelen.
De automatische werking is dan uitgeschakeld. Om deze weer in te schakelen, zet u de schakelaar 2 op B.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

De buitenspiegel aan de kant van de bestuurder kan in twee delen uitgevoerd zijn. In deel E ziet u wat u met een normale
spiegel ziet. In deel D heeft u een beter zicht op de zijkant achter.
Voorwerpen in de zone D lijken verder weg dan zij in werkelijkheid zijn.
SPIEGELS (2/2)

Kantelende spiegels bij achteruitrijden
Voor auto's met een bestuurdersstoel met geheugen, kunt u de buitenspiegels laten kantelen bij het achteruitrijden en de stand in het geheugen opslaan.
Afstellen en in geheugen opslaan
Selecteer bij stilstaande auto en ingeschakelde achteruitversnelling de spiegel met behulp van schakelaar 3 en zet daarna de spiegel met knop 1 in de gewenste stand. Sla de stand in het geheugen op (raadpleeg de paragraaf "bestuurdersstoel met geheugen" in hoofdstuk 1).
Oproepen van de geheugenpositie
Selecteer bij stilstaande auto en ingeschakelde achteruitversnelling de te gebruiken spiegel met behulp van schakelaar 3 en druk kort op de eerder gekozen geheugenknop (raadpleeg de paragraaf "bestuurdersstoel met geheugen" in hoofdstuk 1).
Teruggaan naar de rijstand
- 10 secondes na het uit de achteruitversnelling schakelen;
- snelheid hoger dan 10 km/u;
- motor uit;
- schakelaar 3 in de neutrale stand.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Binnenspiegel
De binnenspiegel is verstelbaar.
Spiegel met knopje 4
Om te voorkomen dat u in het donker verblind wordt door achter u rijdende voertui-gen, kan het spiegelglas in de nachtstand gekanteld worden met het knopje 4 achter de spiegel.
Spiegel zonder knopje 4
De spiegel wordt bij duisternis automatisch donkerder onder invloed van de verlichting van achter u rijdende voertuigen.
CLAXON EN LICHTSIGNALEN

Claxon
Druk op de bovenkant of op de zijkanten van het stuurwielkussen A.
Lichtsignaal
Trek voor een lichtsignaal de schakelaar 1 naar u toe.
Richtingaanwijzers
U verplaatst de schakelaar 1 evenwijdig aan het stuurwiel en in de richting waarin u dit gaat draaien.
Werking van de sneltoets
Tijdens het rijden wordt het stuur mogelijk slechts weinig gedraaid, waardoor de schakelaar niet vanzelf terugkomt in de ruststand.
Beweeg in dat geval de hendel kort naar de tussenstand 1 en laat deze daarna los: de hendel komt terug in de beginstand en de richtingaanwijzer knippert drie keer.


Alarmknipperlichten
Druk op de schakelaar 2. Hierdoor komen de vier knipperlichten en de zijknipperlichten tegelijk in werking. Gebruik deze alleen als gevaar dreigt om andere weggebruikers te waarschuwen dat u gedwongen bent te stoppen op een abnormale plaats of zelfs waar dit verboden is, of bij bijzondere rij- of verkeersomstandigheden.
Afhankelijk van de uitvoering van de auto, kunnen tijdens krachtig remmen de knipperlichten automatisch inschakelen. U kunt deze uitschakelen door op de schakelaar 2 te drukken.
VERLICHTING EN SIGNALEN (1/3)


Markeringslichten
Draai de ring 2 tot het symbool bij het merkteken 3 staat.
De instrumentenverlichting gaat branden. De lichtsterkte ervan kunt u regelen met de draaiknop 4.

Draai de ring 2 tot het symbool bij het merkteken 3 staat. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.
(afhankelijk van auto)
Draai de ring 2 tot het symbool AUTO tegenover het merkteken 3 staat: draaiende motor, de dimlichten schakelen automatisch in en uit, naargelang de helderheid buiten, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen.
Functie verlichting overdag (betreft uitsluitend de voorlichten)
Afhankelijk van de auto, schakelen de lichten automatisch in bij het starten van de motor, zonder dat u de schakelaar 1 hoeft te bedienen. Voor het activeren of deactiveren van deze functie, raadpleeg de paragraaf "Menu voor het personaliseren van het voertuig" in hoofdstuk 1.

Grootlicht
Met dimlichten aan, trekt u de lichtschakelaar 1 naar u toe. Dit controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.
Om het grootlicht uit en het dimlicht weer in te schakelen, trekt u de lichtschakelaar 1 opnieuw naar u toe.

Controleer, voordat u in het donker wegrijdt, de werking van de elektrische installatie en, afhankelijk van de auto,
stel indien nodig de stand van de kop- lampen af op de belasting van de auto. Zorg ervoor dat de lichten niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, vervoer van voorwerpen, enz.).
VERLICHTING EN SIGNALEN (2/3)

Draaibare koplampen
Afhankelijk van de auto, als de dimlichten branden en in bepaalde omstandigheden (snelheid, stuurwielhoek, vooruit rijden, enz,) draaien de dimlichten om de binnenkant van de bocht te verlichten.
Bij een storing
Als de boodschap "verlichting controleren" verschijnt in combinatie met het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel, is er een storing in de verlichting.
Raadpleeg een merkdealer.
Bijzonderheden:
- Als de dimlichten handmatig zijn ingeschakeld en als het voldoende helder is, blijven de draaibare koplampen staan;
- als de lichten automatisch inschakelen in een bocht, werken de draaibare koplampen vanaf de volgende bocht;
- bij het inschakelen van de dimlichten, met draaiende motor en stilstaande auto, maken de lichtbundels een beweging om ze te resetten. Als dit niet zo is, dan is er een storing.
Uitschakelen van de lichten
Er zijn twee mogelijkheden:
- Handmatig, zet de ring 2 in stand 0;
- automatisch, de lichten doven, na het stoppen van de motor, bij het openen van het bestuurdersportier of bij het vergrendelen van de auto. In dat geval schakelen, bij de volgende keer starten van de motor, de lichten opnieuw in, overeenkomstig de stand van ring 2.
Functie "uitschakelvertraging"
Met deze functie blijvende dimlichten korte tijd branden (voor het verlichten van het openen een hek, enz.).
Bij stilstaande motor en gedoofde lichten, met de ring 2 in stand 0, trekt u de schakelaar 1 naar u toe: de dimlichten gaan ongeveer dertig secondes branden. Om deze tijd te verlengen, kunt u de schakelaar tot vier keer naar u toe trekken (de maximale tijd is twee minuten). De boodschap "verlichting gedurende __" met de oplichttijd verschijnt op het instrumentenpaneel om deze handeling te bevestigen.
Om de verlichting uit te schakelen voordat deze automatisch uitschakelt, verdraait u de ring 2 (de stand is onbelangrijk) en draait u deze daarna terug in de stand 0.
VERLICHTING EN SIGNALEN (3/3)
26972

Waarschuwingssignaal verlichting brandt nog
In het geval dat de lichten zijn ingeschakeld na het stilzetten van de motor, klinkt er een signaal bij het openen van het bestuurdersportier om u te waarschuwen dat de lichten nog branden.

Mistlichten voor
Draai de middelste ring 5 van de schakelaar 1 zo dat het symbool bij het merkteken 6 staat en laat dan los.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.

Mistachterlicht
Draai de middelste ring 5 van de schakelaar zo dat het symbool bij het merkteken 6 staat en laat dan los.
De werking is afhankelijk van de gevoerde verlichting; het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
Zodra de weersomstandigheden dit toelaten moet u het mistachterlicht uitschakelen om de achter u rijdende weggebruikers niet te hinderen.
N.B.: afhankelijk van de auto, is er alleen aan bestuurderszijde een mistlicht.
Lichten uit
Draai weer de ring 5 om het merkteken 6 tegenover het symbool van het mistlicht te plaatsen dat u wilt uitschakelen. Het bijbehorende controlelampje op het instrumentenpaneel licht op.
Bij het uitschakelen van de verlichting, gaan ook de mistlichten voor en achter uit.
Bij mist, sneeuw of bij het vervoer van voorwerpen die voorbij de voorkant van het dak uitsteken, werkt de automatische verlichting niet altijd.
Het inschakelen van de mistlichten blijft onder controle van de bestuurder: de controlelampjes op het instrumentenpaneel informeren u over het inschakelen (controlelampje brandt) of uitschakelen (controlelampje uit).
Bij de auto's die ermee uitgerust zijn, kan de knop A de stand van de koplampen aanpassen aan de belasting.
Als u deze knop A omlaag draait dan gaan de lichtbundels naar beneden; draait u de knop omhoog dan gaan de lichtbundels ook omhoog.
Voor auto's zonder knop A, is de afstelling automatisch.
| Voorbeelden van de stand van de schakelaar A, afhankelijk van de belading | ||
| Hatchback en Break Société | ||
| Bestuurder alleen of met een passagier voorin | 0 | 0 |
| Bestuurder met een passagier voorin en een passagier achterin | 0 | - |
| Bestuurder met een passagier voorin en twee of drie passagiers achterin | 1 | - |
| Bestuurder met een passagier voorin, drie passagiers achterin en bagage | 3 | - |
| Bestuurder met bagage (of belading) tot de maximaal toegelaten totale massa | 3 | 3 |
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (1/2)

Auto voorzien van ruitenwisser voor met interval
A uit
B wissen met intervallen
De wissers vegen met tussenpozen van enkele secondes. De duur van het interval is te regelen door de ring 2 te verdraaien;
C langzaam continu wissen
D snel continu wissen

Bijzonderheid
Tijdens het rijden gaat de wisser langzamer werken als de auto stopt. Van snel continu wissen naar langzaam continu wissen. Zodra de auto weer gaat rijden, beginnen de wissers weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid te werken.
Als u de schakelaar 1 in een andere stand zet, schakelt u hiermee bovengenoemd automatisme uit.
Bij alle auto's is stand C te gebruiken met contact aan en de standen B en D alleen met draaiende motor.
Auto voorzien van ruitenwisser voor met regensensor
A uit
In deze stand signaleert het systeem water op de voorruit en schakelt het wissen in met een aangepaste wissnelheid. De inschakeldrempel van het wissen en de duur van het interval is te regelen door de ring 2 te verdraaien:
- E: minimumgevoeligheid
- F: maximumgevoeligheid
N.B.: bij mist of sneeuwval, werkt de rui- tenwisser niet altijd automatisch en blijft deze onder controle van de bestuurder.
C langzaam continu wissen
D snel continu wissen
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER VOOR (2/2)

Ruitensproeier
Contact aan: trek de schakelaar 1 naar u toe.
Door een korte actie komt de ruitensproeier in werking en maakt de ruitenwisser één wisbeweging.
Door een lange actie komt de ruitensproeier in werking en maakt de ruitenwisser drie wisbewegingen, en na enkele secondes nog een vierde.
Koplampsproeiers
Koplampen branden
De koplampsproeiers, als de auto hiermee is uitgerust, komen tegelijk met de ruitensproeiers in werking als u de schakelaar 1 ongeveer 1 seconde naar u toe getrokken houdt.
N.B.: als het minimumpeil van de ruitensproeiervloeistof nadert, kan het circuit van de koplampsproeier lucht aanzuigen.
Vul ruitensproeiervloeistof bij en schakel het systeem in, bij draaiende motor, om het weer te vullen.
Bij sneeuwval of als het vriest, maakt u de voorruit (inclusief de centrale zone achter de binnenspiegel) en de achter-ruit vrij voordat u de ruitenwissers inschakelt (risico van oververhitting van de motor).


Controleer bij werkzaamheden onder de motorkap, of de schakelaar van de ruitenwisser in stand A (uit) staat.
Risico van verwonding.

Voordat u iets aan de voorruit doet (wassen van de auto, ont-dooien, reinigen van de voor-ruit, enz.) moet u de schake-stand A (uit) zetten.
Risico van verwonding en/of beschadigingen.
RUITENWISSER, RUITENSPROEIER ACHTER


Achterruitwisser
Draai, als het contact aan staat ring A van schakelaar 1 tot het merkteken 2 tegenover het symbool staat en laat hem los.
Om de werking te stoppen, laat u opnieuw de ring A draaien.
De frequentie van het wissen varieert naar- gelang de rijsnelheid van de auto.
Inschakelen/uitschakelen van de achterruitwisser
Bij uw auto wordt de ruitenwisser achter bij het inschakelen van de achteruitversnelling ingeschakeld (als de ruitenwissers van de voorruit werken). U kunt ervoor kiezen om de functie in of uit te schakelen. Raadpleeg hiervoor de paragraaf "Menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto" in hoofdstuk 1, functie "Wissen achter bij achteruit rijden".

functie ingeschakeld
functie uitgeschakeld.

Ruitenwisser/-sproeier achter
Contact aan, duw tegen de schakelaar.

Voordat u iets aan de voorruit doet (wassen van de auto, ont-dooien, reinigen van de voor-ruit, enz.) moet u de schake-stand uit zetten.
Risico van verwonding of beschadiging.
Let op de staat van de ruitenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af:
- zij moeten schoon blijven: reinig de bladen, de voorruit en de achterruit regelmatig met water met zeep;
- gebruik ze niet als de voorruit of ach-terruit droog zijn;
- maak ze los van de voorruit of achterruit als ze lang niet gebruikt zijn.
Vervang ze in elk geval, zodra hun werking afneemt, ongeveer eens per jaar.
Voordat u de ruitenwisser achter gebruikt moet u controleren of niets de beweging van de wisser hindert.
Gebruik de ruitenwisserarm niet om de achterklep mee te openen of te sluiten.
BRANDSTOFTANK (1/3)

Bruikbare inhoud van de tank: ongeveer 66 liter.
Om bij ontgrendelde auto het klepje A te openen, drukt u op de met de pijl aangegeven plaats.
Het gaat iets open. Draai het verder open.

Vermeng de dieselbrandstof nooit met benzine (loodvrij of E85), zelfs niet een kleine hoeveelheid.
Gebruik geen ethanol als uw auto hier niet voor aangepast is.
Voeg geen toevoegmiddel toe aan de brandstof, anders kan de motor beschadigd raken.

De klep B is in de vulopening ingebouwd. Raadpleeg voor het tanken de paragraaf "Tanken van brandstof".
Kantel het klepje A om het te sluiten en druk daarna op de met de pijl aangegeven plaats om het te vergrendelen.

Druk nooit met de vingers op de klep B.
Maak de omgeving van het vul- systeem niet schoon met een
hogedrukreiniger.
Soort brandstof
Gebruik brandstof van goede kwaliteit die overeenkomt met de normen die in elk land zijn vastgelegd en beslist overeenkomt met de indicaties op het klepje A. Raadpleeg de paragraaf "Gegevens van de motor" in hoofdstuk 6.
Dieselmotor
Gebruik uitsluitend dieselbrandstof die overeenkomt met de indicaties op de sticker aan de binnenkant van het klepje A.
Benzinemotor
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Het octaangehalte () moet overeen komen met de indicaties op de sticker op het klepje A. Raadpleeg de paragraaf "Gegevens van de motor" in hoofdstuk 6.
BRANDSTOFTANK (2/3)
Auto die werkt op brandstof op basis van ethanol
Gebruik altijd loodvrije benzine of een brandstof met maximum 85 % ethanol (E85).
Als het erg koud is, kan het starten van de motor moeilijk, of zelfs onmogelijk zijn. Om dit probleem te voorkomen, is het raadzaam loodvrije benzine of, bij auto's die hiermee uitgerust zijn, de ingebouwde motorverwarmer te gebruiken: sluit, minstens 6 uur voor het starten, de speciale verlengkabel aan de ene kant aan op de aansluiting die in de grille is ingebouwd en aan de andere kant op een 220 V stopcontact.
N.B.: bij gebruik van deze brandstof verbruikt de auto meer.
Tanken van brandstof
Zet het contact uit, druk met het vulpistool de klep B open en steek het zo ver mogelijk naar binnen voordat u met tanken begint (spatgevaar).
Houd tijdens het tanken het vulpistool in deze stand tot u klaar bent met tanken. Als het vulpistool automatisch is afgeslagen, mag u het nog maximaal twee keer gebruiken, om voldoende ruimte in de tank over te houden voor het uitzetten van de brandstof.
Let op dat bij het tanken geen water bij de brandstof komt. De klep B en zijn omgeving moeten schoon blijven.
Benzinemotor
Schade die ontstaan is als gevolg van het tanken van loodhoudende benzine wordt niet door de fabrieksgarantie gedekt. Om te voorkomen dat er abusievelijk loodhoudende benzine wordt getankt, heeft de vulhals een nauwe doorlaat met een veiligheidssysteem waarin alleen een vulpistool met ongelode benzine past.

Auto uitgerust met de functie Stop and Start
Voordat brandstof wordt getankt, moet de motor worden afgezet (en niet op stand-by worden gezet): zet de motor af met een druk op de motorstopknop 1 (raadpleeg de paragraaf "Starten/stoppen van de motor" in hoofdstuk 2).
BRANDSTOFTANK (3/3)

Om de tankdopklep handmatig te ontgrendelen vanuit de bagageruimte, maakt u de bekleding los van toegang naar de lampen van de achterlichten aan de kant van de klep en trekt u aan de ontgrendelstang 2.

Aanhoudende stank van brandstof
In geval van een aanhoudende stank van brandstof, moet u:
- onmiddellijk stoppen, rekening houdend met het overige verkeer en het contact afzetten;
- de alarmknipperlichten aanzetten en alle passagiers uit laten stappen en ze ver van het verkeer houden;
- roep de hulp in van een merkdealer.

Wijzig of repareer niet zelf het brandstofsysteem (rekeneenheden, bedrading, brandstofcircuit, inspuitstukken of ver-
stuivers, beschermkappen) vanwege de grote gevaren voor de veiligheid die hierdoor kunnen ontstaan. Laat deze werkzaamheden uitsluitend door uw merk-dealer uitvoeren.
Hoofdstuk 2: Het rijden
(met tips voor zuinig en milieubewust autorijden)
Inrijden. 2.2
Starten, stoppen van de motor 2.3
Functie Stop and Start. 2.6
Bijzonderheden van de uitvoeringen met een benzinemotor 2.9
Bijzonderheden van de uitvoeringen met een dieselmotor 2.10
Versnellingshendel 2.11
Handrem 2.11
Tips: voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging 2.15
Milieu 2.18
Controlesysteem bandenspanning 2.19
Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden 2.22
Snelheidsbegrenzer 2.27
Snelheidsregelaar 2.30
Parkeerhulp 2.34
Automatische transmissie 2.37
2.1
INRIJDEN
Benzinemotor
Rijd de eerste 1 000 km niet sneller dan 130 km/u in de hoogste versnelling en laat de motor met niet meer dan 3 000 tot 3 500 tr/min draaien.
Pas na ongeveer 3000 km zal uw auto echter zijn volle vermogen kunnen geven.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto voor het uit te voeren onderhoud.
Dieselmotor
Laat de motor de eerste 1 500 km niet sneller draaien dan 2 500 tr/min. Daarna kunt u sneller rijden maar pas na 6 000 km zult u over het volle vermogen van de motor kunnen beschikken.
Trek tijdens het inrijden nooit snel op. Als de motor nog koud is mag u hem in de lagere versnellingen nooit met een hoog toerental laten draaien.
Onderhoudsbeurten: raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto voor het uit te voeren onderhoud.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR (1/3)

Starten van de motor
RENAULT card afstandsbediening
Als u bent ingestapt, steekt u de RENAULT card zo diep mogelijk in de kaartlezer 2.
Om te starten, drukt u op de knop 1. Als een versnelling ingeschakeld is, is het indrukken van het koppelingspedaal voldoende om te kunnen starten.

De RENAULT card moet zich in de kaartle-zer 2 of binnen de detectiezone 3 bevinden.
Om te starten drukt u op het rempedaal of het koppelingspedaal en drukt u op de knop 1. Als een versnelling ingeschakeld is, is het indrukken van het koppelingspedaal voldoende om te kunnen starten.
27037
Starten van de auto's
- Voor auto's met een automatische versnellingsbak, zet de hendel in stand P.
- als aan een van die startvoorwaarden niet voldaan wordt, verschijnt de boodschap "Druk op rem + START" of "Ontkoppel+ START" of "Selecteer stand P" op het instrumentenpaneel.
- In sommige gevallen moet het stuurwiel worden bewogen bij het indrukken van de startknop 1 om het ontgrendelen van de stuurkolom mogelijk te maken, de boodschap "Draai stuurwiel + START" waarschuwt u.
Bijzonderheid: Indien u de motor start bij erg lage buitentemperatuur (kouder dan -10 °C): houd het koppelingspedaal ingedrukt tot de motor start.
Starten met geopende achterklep (in handsfree stand)
Als de card in de bagageruimte ligt, kan niet gestart worden, tenzij er een handsfree RENAULT card in het interieur aanwezig is.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR (2/3)

Zodra u bent ingestapt, kunt u beschikken over een aantal functies van de auto (radio, navigatiesysteem, ruitenwisser, enz.).
Voor andere functies:
- auto's met een RENAULT card standsbediening, steek de card in de lezer 2;
- auto's met een "handsfree" RENAULT card, met de card in het interieur of in de kaartlezer 2, druk op de knop 1 zonder de pedalen in te drukken.
N.B.: met een card in de lezer en een druk op de knop 1 start de motor.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw RENAULT card nooit, zelfs niet eventjes, in de auto
liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit.
Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening, of de portieren te vergrendelen.
Risico van ernstige verwondingen.
Bij een storing
af- In sommige gevallen werkt de "handsfree" RENAULT card niet:
- batterij van de RENAULT card leeg, accu ontladen, enz.
- nabijheid van een apparaat dat de dezelfde frequentie gebruik (scherm, mobiele telefoon, computerspel, enz.);
- de auto bevindt zich in een sterk elektromagnetisch veld.
De boodschap "Kaart invoeren a.u.b." verschijnt op het instrumentenpaneel.
Steek de RENAULT zo diep mogelijk in de lezer 2.
STARTEN, STOPPEN VAN DE MOTOR (3/3)

Voorwaarden voor het stoppen van de motor
De auto moet stilstaan, met de hendel in stand N of P bij een auto met een automatische transmissie.
RENAULT card afstandsbediening
Card in de lezer 2, druk op de knop 1: de motor stopt. In dit geval vergrendelt de stuurkolom als de kaart uit de lezer wordt gehaald.
Bijzonderheid
Als de card niet in de lezer zit als u de motor wilt stoppen, verschijnt de boodschap "Kaart afwezig ingedrukt houden" op het instrumentenpaneel: druk langer dan twee seconden op de knop 1.
Card in de auto, druk op de knop 1: de motor stopt. De stuurkolom vergrendelt bij het openen van het bestuurdersportier of bij het vergrendelen van de auto.
Als de kaart niet in het interieur aanwezig is als u de motor wilt stoppen, verschijnt de boodschap "Kaart afwezig ingedrukt houden" op het instrumentenpaneel: druk langer dan twee seconden op de knop 1.
Als de motor is gestopt, blijven de op dat moment ingeschakelde accessoires (radio, enz.) ongeveer 10 minuten werken.
Als het bestuurdersportier geopend wordt, schakelen de accessoires uit.

Controleer, als u de auto verlaat en vooral als u de RENAULT card bij u heeft, of de motor echt gestopt is.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw RENAULT card nooit, zelfs niet eventjes, in de auto
liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit.
Het kind zou de auto kunnen starten of de ruiten kunnen bedienen en zich ernstig kunnen verwonden aan hals, arm, of hand als deze uit de auto steken. Gevaar van ernstige verwondingen.
Zet het contact niet uit, voordat de auto geheel tot stilstand is gekomen. Als de motor niet meer draait, is er geen stuurbekrachtiging en rembekrachtiging meer. Ook werken veiligheidsvoorzieningen zoals airbags en gordelspanners niet meer.
Dit systeem zorgt voor een lager brandstofverbruik en vermindert de uitstoot van broeikasgassen.
Het systeem wordt automatisch ingeschakeld wanneer de auto begint te rijden. Tijdens het rijden zet het systeem de motor af (op stand-by) wanneer de auto stilstaat (file, voor een stoplicht enz.).
Werkingscondities van het systeem
De motor wordt op stand-by gezet als:
- de auto na de laatste stilstand heeft gere- den;
- de versnellingshendel in de neutrale stand staat (neutraal);
- het koppelingspedaal wordt losgelaten; en
– de auto langzamer rijdt dan 3 km/u.

Rijd niet met de auto wanneer de motor op stand-by staat (de boodschap "Autostop" wordt op het instrumentenpaneel weer-
gegeven).
De boodschap "Autostop" op het instrumentenpaneel waarschuwt u dat de motor op stand-by is gezet.
De uitrustingen van de auto blijven in werking terwijl de motor stilstaat.
De motor start weer zodra u het koppelingspedaal indrukt om naar een versnelling te schakelen.

Bijzonderheid van auto's met automatische parkeerrem
Wanneer de motor op stand- by wordt gezet (de boodschap
"Autostop" wordt op het instrumentenpaneel weergegeven), wordt de automatische parkeerrem niet automatisch vastgezet.

Voordat u uit de auto stapt, moet u het contact verbreken door de stopknop van de motor in te drukken (raadpleeg
de paragraaf "Starten, stoppen van de motor").
Bijzonderheid van het automatisch weer starten van de motor
Onder bepaalde omstandigheden kan de motor vanzelf weer starten om uw veiligheid en uw comfort te waarborgen.
Dat kan zich met name voordoen wanneer:
- de buitentemperatuur te laag of te hoog is (lager dan circa 0 °C of hoger dan circa 30 °C);
- de functie "helder zicht" is ingeschakeld (raadpleeg de paragraaf "thermostatische airconditioning" in hoofdstuk 3);
– de accu onvoldoende geladen is; - de rijsnelheid van de auto hoger is dan 7 km/u (bij afdalen);
- het rempedaal herhaaldelijk wordt ingedrukt of er vaak wordt geremd;
- ...

Wanneer de motor op stand-by staat, werkt de rembekrachti- ging niet.
Omstandigheden waarbij de motor niet op stand-by wordt gezet
Onder bepaalde omstandigheden kan het systeem de motor niet op stand-by zetten. Dit is het geval als:
- de achteruitversnelling is ingeschakeld;
– de motorkap niet is vergrendeld; - het bestuurdersportier niet is gesloten;
- de autogordel van de bestuurder niet is vastgemaakt;
- de buitentemperatuur te laag of te hoog is (lager dan circa 0 °C of hoger dan circa 30 °C);
– de accu onvoldoende geladen is; -
het verschil tussen de temperatuur in de auto en de ingestelde temperatuur van de thermostatische airconditioning te groot is;
-
de functie "helder zicht" is ingeschakeld (raadpleeg de paragraaf "thermostatische airconditioning" in hoofdstuk 3);
- de temperatuur van de koelvloeistof te laag is;
- het roetfilter automatisch wordt gereinigd; of
- ...
Voordat brandstof wordt getankt, moet de motor worden afgezet (en niet op stand-by worden gezet): u moet de motor afzetten door de stopknop van de motor in te drukken (raadpleeg de paragraaf "Starten, stoppen van de motor").
Bijzondere gevallen
- Als de bestuurder, terwijl het systeem in werking is en de motor is afgezet (verkeersopstopping, stilstaan voor een stoplicht enz.), uit zijn stoel komt of zijn gordel losmaakt en het bestuurdersportier opent, wordt het contact verbroken en wordt, afhankelijk van de auto, de automatische parkeerrem automatisch vastgezet. Om weer weg te rijden en het Stop and Start-systeem weer in te schakelen, drukt u op de startknop (raadpleeg de paragraaf "Starten, stoppen van de motor").
- Wanneer de motor afslaat terwijl het systeem in werking is, trapt u het koppelingspedaal volledig in om de motor weer te starten.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.
Inschakelen, uitschakelen van de functie
Druk de schakelaar 1 in om de functie uit te schakelen. De boodschap "Stop & start niet actief" verschijnt op het instrumentenpaneel en het controlelampje 2 in de schakelaar licht op.
Met nog een keer indrukken schakelt het systeem weer in. De boodschap "Stop & start actief" verschijnt op het instrumentenpaneel en het controlelampje 2 in de schakelaar 1 dooft.
Het systeem wordt automatisch weer ingeschakeld bij elke vrijwillige start van het voertuig door het indrukken van de startknop (raadpleeg de paragraaf "Starten, stoppen van de motor").

Voordat u uit de auto stapt, moet u het contact verbreken door de stopknop van de motor in te drukken (raadpleeg
de paragraaf "Starten, stoppen van de motor").
Storingen
Wanneer de boodschap "Stop & start controleren" op het instrumentenpaneel verschijnt en tegelijkertijd het controlelampje 2 in de schakelaar 1 oplicht, wordt het systeem uitgeschakeld.
Raadpleeg een merkdealer.

Als de functie Stop and Start is geactiveerd, kan in noodgevallen de motor opnieuw worden gestart door het koppelingspe-
daal in te drukken.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN BENZINEMOTOR
Onder bepaalde omstandigheden, zoals:
- te lang doorrijden als het waarschuwingslampje brandstofreserve brandt;
- het gebruik van loodhoudende benzine,
- het gebruik van niet goedgekeurde toevoegingen aan de motorolie of de brandstof.
Of bij het optreden van storingen zoals:
- een defecte ontsteking, brandstofgebrek of losse bougiekabel waardoor de ontsteking overslaat en de auto met horten en stoten rijdt;
- vermogensverlies van de motor;
kan de katalysator oververhit raken waar- door hij minder effectief wordt en andere delen van de auto te heet kunnen worden.
Indien u één van de hiervoor genoemde storingen constateert, dient u uw auto zo spoedig mogelijk door een merkdealer te laten herstellen.
Door de in het garantie- en onderhoudsdocument voorgeschreven onderhoudsbeurten uit te laten voeren door een merkdealer kunt u dergelijke storingen voorkomen.
Bij startmoeilijkheden
Als de auto niet direct aanslaat mag u de startmotor niet lang achtereen laten draaien om beschadiging van de katalysator te voorkomen. Ook mag de auto niet worden aangeduwd of aangesleept, zolang de oorzaak van het defect niet is ook opgespoord en verholpen.
Ga niet door met starten maar roep de hulp in van een merkdealer en laat de storing ver- helpen.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brandbaar materiaal
bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
BIJZONDERHEDEN VAN DE UITVOERINGEN MET EEN DIESELMOTOR
Toerental van de dieselmotor
De inspuitpomp van de dieselmotor heeft een mechanische begrenzing die er voor zorgt dat het afgestelde motortoere in geen van de versnellingen kan worden overschreden.
Als de boodschap "luchtverontreiniging controleren" verschijnt in combinatie met de
waarschuwingslampjes

en

raadpleeg dan zo snel mogelijk een merk-dealer.
Afhankelijk van de gebruikte brandstofsoort, kan er soms witte rook ontstaan tijdens het rijden.
Dit wordt veroorzaakt door het automatisch reinigen van het roetfilter en heeft geen gevolgen voor het rijgedrag van de auto.
Als de tank is leeg gereden
Als het tanken gebeurt na dat de tank geheel leeggereden is, is het noodzakelijk het brandstofcircuit te ontluchten: raadpleeg de paragraaf "brandstoftank" in hoofdstuk 1 voordat u de motor weer start.
Voorzorgen in de winter
Om problemen bij vorst te voorkomen:
zorg dat de accu steeds goed geladen is,
- laat het brandstofpeil in de tank niet onnodig laag komen om condensatie van waterdamp tegen te gaan.

Parkeer de auto niet of blijf niet met draaiende motor staan op een plaats waar de uitlaat zich boven brandbaar materiaal
bevindt. Onder ongunstige omstandigheden (droogte, harde wind) kan brand ontstaan als de hete uitlaat in contact komt met gras of bladeren.
VERSNELLINGSHENDEL/HANDREM

Auto's met een handgeschakelde versnelingsbak: volg de tekening op de knop 1 van de hendel en, afhankelijk van de uitvoering van de auto, trek de ring 4 omhoog tegen de knop om de achteruitversnelling in te schakelen.
Auto's met een automatische transmis-
sie: raadpleeg de paragraaf "Automatische transmissie" in hoofdstuk 2.
De achteruitrijlichten gaan branden, zodra de achteruitversnelling is ingeschakeld en het contact aanstaat.

Bij een botsing tegen de onder- kant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een stoeprand of ander stadsmeu-
bilair) kunt u de auto beschadigen (bijvoorbeeld: vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merk-dealer laten controleren.
Handrem
Vrijzetten
Trek de handgreep 3 iets omhoog waarna u de knop 2 indrukt en de handgreep omlaag duwt.
Vastzetten
Trek naar boven en controleer of de auto stil blijft staan.

Tijdens het rijden moet de handrem helemaal vrijgezet zijn (rood waarschuwingslampje uit), risico van overver-
hitting.

Bij stilstaande auto, kan het nodig zijn, afhankelijk van de helling en de belasting van de auto, de handrem minstens
twee extra tanden vaster te zetten en een versnelling in te schakelen (1 e of achteruitversnelling) voor de auto's met handgeschakelde versnellingsbak of stand P voor de auto's met automatische transmissie.
AUTOMATISCHE PARKEERREM

De automatische parkeerrem blokkeert de auto als de motor wordt stilgezet door een druk op de start/stopknop van de motor 1.
In sommige landen gebeurt het vastzetten niet automatisch. Raadpleeg de paragraaf "handbediening".

Het vastzetten van de automatische parkeerrem wordt bevestigd door de boodschap "parkeerrem vastgezet" en het contro-
lelampje (P) op het instrumentenpaneel en door het oplichten van het controle-lampje 2 op de schakelaar 3.
Het controlelampje 2 dooft enkele minuten na het vastzetten van de automatische par-
keerrem en het controlelampje (P) dooft bij het vergrendelen van de auto.
N.B.
Om aan te geven dat de automatische parkeerrem losgezet is, klinkt een geluidssignaal en verschijnt de boodschap "parkeerrem vastzetten" op het instrumentenpaneel: Deze boodschap kan verschijnen:
- met draaiende motor: bij het openen van het bestuurdersportier;
- met motor uit (in geval van afslaan van de motor bijvoorbeeld): bij het openen van een voorportier.
In dit geval, trekt u en laat u de schakelaar 3 weer los om de automatische parkeerrem aan te trekken.
Het loszetten gebeurt zodra u gas geeft om weg te rijden.

Controleer, voordat u de auto verlaat, of de automatische parkeerrem inderdaad is vastgezet. Het vastzetten is te zien branden van het lampje 2 op
schakelaar 3 en van het lampje op het instrumentenpaneel tot de portieren worden vergrendeld.
AUTOMATISCHE PARKEERREM (vervolg)

U kunt de automatische parkeerrem met de hand bedienen.
Vastzetten van de automatische parkeerrem
Trek aan schakelaar 3. Het controlelampje 2
en het controlelampje (P) lichten op het instrumentenpaneel op.
Loszetten van de automatische parkeerrem
Druk met contact aan, op het rempedaal en druk daarna op knop 3: het controlelampje 2
en het controlelampje (P) gaan uit.

Om de automatische parkeerrem met de hand in te schakelen, (stoppen bij een stoplicht, stoppen met draaiende motor, enz.): trek en laat de schakelaar 3 weer los. Het loszetten is automatisch zodra de auto weer gaat rijden.
Bijzondere gevallen
Als u op een helling wilt stoppen of als u met een caravan of een aanhangwagen parkeert, moet u de handgreep 3 enkele secondes uitgetrokken houden om een maximale remwerking te krijgen.
Parkeren met vrijgezette automatische parkeerrem (bijvoorbeeld als het vriest):
- met draaiende motor, de RENAULT card in de lezer 4, stopt u de motor met een druk op de start/stop knop van de motor 1;
- schakel een versnelling in (handgeschakelde versnellingsbak) of stand P (automatische transmissie);
- druk tegelijk op het rempedaal en op de schakelaar 3;
- haal de RENAULT card uit de lezer.
AUTOMATISCHE PARKEERREM (vervolg)
Uitvoering met automatische transmissie
Bij een open of slecht gesloten bestuurdersportier en draaiende motor, wordt het automatisch loszetten uit veiligheidsoverwegingen gedeactiveerd (dit om te voorkomen dat de auto alleen zonder bestuurder weg rolt). De boodschap "handmatig loszetten" verschijnt op het instrumentenpaneel als de bestuurder op het gaspedaal drukt.
Storingen
- Bij een storing licht het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel op, vergezeld van de boodschap "parkeerrem controleren" en in sommige gevallen van het waarschuwingslampje

Raadpleeg snel een merkdealer.
- Bij een storing van de automatische parkeerrem, licht het waarschuwingslampje
STOP op, vergezeld van de boodschap "storing parkeerrem", van een piep en in sommige gevallen van het waarschu-
wingslampje (P)
U moet direct stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen.

Zet, voordat u de auto ver- laat, de selecteurhendel altijd in stand P of N. Als u namelijk gas geeft terwijl een versnelling
is ingeschakeld, kan de stilstaande auto gaan rijden.
Kans op ongevallen.

Als er geen visueel of geluidssignaal terug komt, geeft het een storing van het instrumentenpaneel weer. U moet direct
stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Zorg dat de auto inderdaad goed gestopt is en neem contact op met een merkdealer.

U moet dan om de auto te blokkeren de eerste versnelling inschakelen (handgeschakelde versnellingsbak) of stand P
(automatische transmissie). Als de helling erg steil is, legt u blokken voor de wielen.
TIPS: voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging (1/3)
Uw auto voldoet aan de eisen voor de recycling en het terugwinnen van materialen van de auto bij de sloop, die van kracht worden in 2015.
Bepaalde onderdelen van uw auto zijn daarom ontwikkeld met het oog op hun later recycling.
Deze onderdelen zijn gemakkelijk te demon- teren om opgehaald en behandeld te worden door gespecialiseerde recyclingbedrijven.
Door zijn ontwerp, door de fabrieksafstellingen en door zijn matig verbruik is uw auto in overeenstemming met de wettelijke bepalingen over luchtverontreiniging in ons land. Hij produceert zo weinig mogelijk schadelijke uitlaatgassen en rijdt zo zuinig mogelijk. Maar de luchtverontreiniging en het verbruik van uw auto hangen ook van u af. Let op dat hij goed wordt onderhouden en goed wordt gebruikt.
Hulp bij brandstofbesparing
Afhankelijk van de auto informeert een lampje op het instrumentenpaneel u op welk moment u het beste naar een hogere of een lagere versnelling kunt overschakelen, voor een optimaal verbruik:

schakel een hogere versnelling in;

schakel een lagere versnelling in.
Onderhoud
Overtreding van de bepalingen inzake luchtverontreiniging is strafbaar. Voor een goede werking van het uitlaatsysteem en het handhaven van de emissiewaarden mogen er alleen originele merkonderdelen gebruikt worden voor het brandstof- en uitlaatsysteem van uw auto.
Laat uw auto controleren en afstellen door een merkdealer, in overeenstemming met de instructies in het onderhoudsprogramma van uw auto: de merkdealer beschikt over alle gereedschappen om de oorspronkelijke afstellingen van uw auto te garanderen.
Afstelling van de motor
- ontsteking: de ontsteking hoeft niet te worden afgesteld.
- bougies: voor het verkrijgen van de optimale omstandigheden waarbij een laag verbruik, een hoog rendement en goede prestaties samengaan, is het beslist noodzakelijk dat de door ons voorgeschreven bougies worden gebruikt.
Laat steeds bougies van het juiste merk en type met de juiste elektrodeafstand monteren. Raadpleeg hiervoor een merk-dealer.
- stationair toerental: dit hoeft niet te worden afgesteld.
- luchtfilter, brandstofffilter: een vervuild filterelement vermindert het rendement. Laat het vervangen.
TIPS: voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging (2/3)
Controle van de uitlaatgassen
Het controlesysteem van de uitlaatgassen waarschuwt bij een storing in de werking van de katalysator.
Een dergelijke storing kan leiden tot een verhoogde uitstoot van schadelijke uitlaatgassen en schade aan mechanische organen.

Dit lampje op het instrumentenpaneel geeft eventuele storingen van
het systeem aan:
Dit gaat branden bij het aanzetten van het contact, en dooft bij het starten van de motor.
- Als het continu brandt, moet u zo snel mogelijk een merkdealer raadplegen;
- als het knippert, moet u vaart verminde- ren tot het knipperen ophoudt. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer.

Het rijden
- Rijd kalm tot de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt; dit is beter dan warmdraaien bij stilstaande auto.
- Snelheid kost geld.
- "Sportief" rijden kost brandstof: rijd daarom soepel en kijk ver vooruit.
-
Laat het toerental van de motor in de lagere versnellingen niet te ver oplopen.
Kies de hoogst mogelijke versnelling zonder echter de motor te zwaar te belasten.
Heeft uw auto een automatische transmissie, rijd dan zoveel mogelijk met de selecteurhendel in stand D. -
Rijd bij een stoplicht kalm weg.
- Rem zo weinig mogelijk. Regel de snelheid van de auto met het gaspedaal door voor een obstakel of een bocht tijdig gas terug te nemen.
- Geef op een helling geen gas bij maar houd het gaspedaal bij voorkeur in dezelfde stand.
- Bij een moderne auto is het niet nodig bij het schakelen tweemaal te ontkoppelen of voor het stilzetten van de motor nog even gas te geven.
– Diepe plassen, overstromingen:

Rijd niet door als het water op de weg hoger staat dan de onderrand van de velgen.

Hinder bij het rijden
Gebruik aan bestuurderskant uitsluitend een mat die bestemd is voor uw auto en die is vastgemaakt aan de daarvoor aanwezige onderdelen. Controleer regelmatig de bevestiging ervan. Gebruik niet meer- dere matten op elkaar.
Risico van het blokkeren van de pedalen
TIPS: voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging (3/3)

Tips voor het gebruik
- Ook het opwekken van elektriciteit kost brandstof. Schakel alleen die verbruikers in die u nodig hebt. Maar veiligheid voor alles: Rijd met dimlicht zodra het zicht minder wordt (zien en gezien worden).
- Gebruik de ventilatie-openingen. Bij 100 km/u verhogen opestaande ruiten het verbruik met 4%.
- Voor auto's met airconditioning is een hoger brandstofverbruik normaal (vooral in stadsverkeer) als de airconditioning aanstaat. Voor auto's met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging:
Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
- Vul de tank niet tot aan de rand, dit voorkomt overstromen.
- Rijd niet met een leeg imperiaal op uw auto.
- Gebruik een aanhangwagen voor het vervoer van grote voorwerpen.
- Gebruik een goedgekeurde dakspoiler als u met een caravan op reis gaat en stel de spoiler in de juiste stand af.

- Gebruik uw auto zo weinig mogelijk op korte afstanden. De motor komt dan niet op temperatuur.
Banden
- Door een te lage bandenspanning neemt het verbruik toe.
- Indien banden worden gemonteerd die niet zijn voorgeschreven, kan het verbruik stijgen.
MILIEU
Uw auto is ontwikkeld met een zo groot mogelijke aandacht voor het milieu gedurende zijn gehele bestaan: bij zijn fabricage, tijdens zijn gebruik en ten slotte als hij gesloopt wordt.
Deze aandacht blijkt uit het ondertekenen van eco 2 handvest door de fabrikant.
Fabricage
De fabricage van uw auto vindt plaats in een fabriek die stappen onderneemt tot vermindering van de milieueffecten op de leefomgeving en de natuur (vermindering van wateren energieverbruik, lichten geluidsoverlast, wateren luchtverontreiniging, scheiden van afval en terugwinnen van materialen uit afvalstoffen).
Emissies
Voor de gebruiksfase van de auto, is hij zo ontworpen dat hij minder broeikasgassen (CO2) uitstoot, en dus minder verbruikt (bijv.: 140 g/km komt overeen met 5,3 l/100 km voor een dieselmotor).
Bovendien zijn de auto's uitgerust met systemen, zoals een katalysator, een lambda sonde om de uitlaatgassen te reinigen. Een filter met actieve koolstof voorkomt dat de uit de tank afkomstige benzinedamp in de atmosfeer terecht komt.
Bij sommige auto's met een dieselmotor is dit systeem aangevuld met een roetfilter waardoor de uitstoot van roetdeeltjes verminderd wordt.
Denk zelf ook aan het milieu
- Gebruikte en vervangen onderdelen na een door u zelf uitgevoerde onderhoudsbeurt aan uw auto (accu, oliefilter, luchtfilter, batterijen, enz.) en olieblikken (leeg of gevuld met oude olie) moeten bij daarvoor bestemde depots voor klein chemisch afval ingeleverd worden.
- De auto moet aan het eind van zijn bestaan door een gespecialiseerd bedrijf worden gesloopt om te worden gerecycleerd.
- Houd u aan de lokale voorschriften.
Kringloop
Uw auto is voor 85% recycleerbaar en voor 95% herbruikbaar.
Om deze doelstellingen te behalen, is een groot aantal onderdelen van de auto ontworpen om gerecycled te worden. De constructie en de materialen zijn zodanig ontworpen dat de demontage van deze componenten en hun herverwerking in specifieke bedrijven wordt vergemakkelijkt.
Om het gebruik van grondstoffen terug te dringen, bevat de auto veel onderdelen van gerecycleerde kunststoffen en duurzame materialen (materialen van planten of dieren, zoals katoen en wol).
BANDENSPANNING-CONTROLESYSTEEM (1/3)
Als uw auto is uitgerust met dit systeem, bewaakt het de bandenspanningen.
De werking van het systeem
Elk wiel (behalve het reservewiel) beschikt over een drukzender in het ventiel, die de bandenspanning periodiek meet.
Het systeem informeert de bestuurder op de boordcomputer 1 dat de banden voldoende zijn opgepompt en waarschuwt als de banden te zacht of lek zijn.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden.
Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over. De be-
stuurder moet altijd opletten en blijft ver- antwoordelijk.
Controleer de bandenspanning, inclusief het reservewiel, één keer per maand.

Het systeem kent de bandenspanningen. De informatie verschijnt:
- contact aan, door te bladeren door de informatie van de boordcomputer met een druk op de schakelaar 2 (raadpleeg de paragraaf "Boordcomputer" in hoofdstuk 1);
- of bij een afwijking tijdens het rijden (raadpleeg de volgende bladzijde voor de waarschuwingen).
De bandenspanningen moet koud worden gecorrigeerd (raadpleeg de paragraaf "Bandenspanning").
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opge- geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.

Verwisselen van een wiel
het kan enkele minuten duren voordat het systeem de juiste posities van de wielen en de
bandenspanningen heeft verwerkt, controleer daarom de bandenspanning na elke ingreep.
BANDENSPANNING-CONTROLESYSTEEM (2/3)

Het display 1 op het instrumentenpaneel informeert u over eventuele afwijkingen (lage bandenspanning, lekke band, systeem buiten gebruik).

"Drukzender afwezig" of "drukzender controleren"
Een wiel A dat verdwijnt, geeft aan dat er geen drukzender in dit wiel zit of dat de drukzender defect is (bijvoorbeeld als het reservewiel op de auto gemonteerd is).
"Bandenspanning corrigeren"
Een wiel B dat vol wordt, signaleert een wiel met te weinig spanning.
"Spanning aanpassen voor snelweg"
De bandenspanning is niet aan de rijsnelheid aangepast. Verminder uw snelheid of verhoog de spanning van de vier banden zodat deze overeenkomt met de spanning die hoort bij gebruik op de snelweg (raadpleeg de paragraaf "Bandenspanning").
"Lek"
Het wiel B geeft aan dat de band van het be- treffende wiel lek of veel te zacht is. Vervang het of roep de hulp in van een merkdealer als de band lek is. Pomp de band op als de bandenspanning te laag is.
Deze boodschap wordt vergezeld door het controlelampje STOP.
BANDENSPANNING-CONTROLESYSTEEM (3/3)

Verwisselen van de wielen
Als u de wielen wilt verwisselen, moet u bij de merkdealer het systeem laten resetten.

Om gemakkelijk de plaats van het wiel te bepalen, kijkt u naar de kleur van de ring 4 (na deze eventueel schoongemaakt te hebben) die om elk ventiel zit:
C gele ring
D zwarte ring
E rode ring
F groene ring

De in ieder ventiel 3 gemonteerde drukzender is speciaal voor dit wiel op deze plaats bestemd: in geen geval mogen de wielen van plaats worden verwisseld zonder het systeem te resetten.
Gevaar van verkeerde informatie met ernstige gevolgen.
Reservewiel
Het reservewiel, als uw auto daarmee is uitgerust, heeft geen drukzender. Als het op de auto is gemonteerd, verschijnt de boodschap "druktzender afwezig" op het instrumentenpaneel.
Vervangen van wielen/banden
Voor dit systeem zijn specifieke uitrustingen nodig (wielen, sierdoppen, enz.).
Raadpleeg een merkdealer voor het vervangen van de banden en om de geschikte accessoires voor het systeem te kennen die beschikbaar zijn: het gebruik van enig ander accessoire kan de goede werking van het systeem belemmeren of een wielsensor beschadigen.
Spuitbussen voor bandenreparatie
Vanwege de specifieke eigenschappen van de ventielen, mag u alleen spuitbussen gebruiken die door onze technische diensten goedgekeurd zijn.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (1/5)
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bestaan uit:
- ABS (antiblokkeersysteem van de wielen);
- ESC (elektronisch stabiliteitsprogramma) met onderstuurcontrole tractiecontroleASR;
- de noodstopbekrachtiging met, afhankelijk van de auto, remanticipatie;
- achterwielbesturing.

Deze functies zijn extra hulp-middelen in kritieke situaties waarbij het rijgedrag van de auto aangepast wordt.
Deze functies nemen niet de taak van de bestuurder over. De limieten van de auto kunnen niet overschreden worden en er is dan ook geen reden om harder te gaan rijden. Zij kunnen
in geen geval de oplettendheid of de verantwoordelijkheid van de bestuurder overnemen (de bestuurder moet altijd alert zijn op plotselinge gebeurtenissen die zich tijdens het rijden kunnen voordoen).
ABS (antiblokkeersysteem van de wielen)
Bij krachtig remmen, voorkomt het ABS het blokkeren van de wielen, waardoor de remweg beheersbaar en de auto bestuurbaar blijft.
In deze situatie zijn uitwijkmanoeuvres tijdens het remmen mogelijk. Bovendien verbetert dit systeem de remweg, met name op een weg met weinig grip (natte weg, enz.). U voelt het in werking komen van het systeem aan het trillen van het rempedaal. Het ABS kan echter nooit de natuurkundige eigenschappen van de grip tussen de banden en het wegdek verbeteren. Blijf altijd de gebruikelijke voorzichtigheid in acht houden (afstand bewaren, enz.).
Bij krachtig remmen kunt u het rempe-daal diep ingedrukt houden. Het is niet nodig "pompend" te remmen. Het ABS regelt de kracht in het remsysteem.
Storingen:
- en lichten op het instrumentenpaneel op met de boodschappen "ControleerABS", "Controleerremsysteem" en "ControleerESC": dit betekent dat het ABS, het ESC en de noodstopbekrachtiging zijn uitgeschakeld. Remmen blijft mogelijk;
- (ABS), (1), 2 en STOP lichten op het instrumentenpaneel op met de boodschap "Storing remsysteem": dit wijst op een storing in de remsys men.
Raadpleeg in beide gevallen een merkdealer.

Het remsysteem werkt nog ge- deeltelijk. Maar het is gevaar- lijk om krachtig te remmen. U moet direct stoppen zonder het
overige verkeer in gevaar te brengen. Roep de hulp in van een merkdealer.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (2/5)
Hulp bij wegrijden op een helling
Dit systeem helpt u bij het wegrijden op een helling. Het voorkomt dat de auto, naargelang de helling, achteruit rolt door automatisch de remmen vast te zetten als de bestuurder het rempedaal loslaat om het gaspedaal te bedienen.
Werking van het systeem
Het werkt alleen als de versnellingshendel niet in de neutrale stand staat (niet in N of P voor een automatische transmissie) en als de auto geheel stil staat (rempedaal ingedrukt).
Het systeem houdt de auto ongeveer 2 secondes stil. Daarna komen de remmen geleidelijk vrij (de auto rolt naargelang de helling).

Het systeem van de hulp bij het wegrijden op een helling kan niet in alle gevallen totaal verhinderen dat de achteruit rijdt
(zeer steile helling, enz.).
De bestuurder kan altijd het rempedaal bedienen om het achteruitrijden van de auto te verhinderen.
De hulp bij het wegrijden op een helling mag niet gebruikt worden om de auto langdurig stil te houden: gebruik het rempedaal.
Deze functie is niet bedoeld om de auto permanent te laten stilstaan.
Gebruik indien nodig het rempedaal om de auto te stoppen.
De bestuurder moet bijzonder oplettend blijven op een gladde ondergrond of met weinig grip en/of op een helling.
Risico van ernstige verwondingen.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (3/5)
Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC met onderstuurcontrole en tractiecontrole ASR
Elektronisch stabiliteitsprogramma ESC
Dit systeem helpt u de controle over de auto te behouden in kritieke rijsituaties (uitwijken voor een obstakel, verlies van grip op de weg in een bocht, enz.).
De werking van het systeem
Een opname-element in het stuurwiel registreert de richting waarin de bestuurder de auto wil laten rijden.
Andere opname-elementen in de auto registreren de werkelijke verplaatsingsrichting.
Het systeem vergelijkt de door de bestuurder gekozen richting met de werkelijke verplaatsingsrichting van de auto en corrigeert deze laatste door, indien nodig, de remmen van sommige wielen te laten werken en/of het motorvermogen aan te passen. Als het systeem wordt ingeschakeld, knippert het
controlelampje paneel.

op het instrumenten-
Onderstuurcontrole
Dit verbetert de werking van het ESC bij sterk onderstuur van de auto (als de voorwielen hun grip verliezen).
Tractiecontrole ASR
Dit systeem helpt het slippen van de aangedreven wielen te beperken en de auto bij het wegrijden, accelereren of decelereren te controleren.
De werking van het systeem
Met behulp van opname-elementen bij de wielen, meet en vergelijkt het systeem constant de snelheid van de aangedreven wielen en remt het deze af als ze doorslippen. Als een wiel neigt naar doorslippen, zorgt het systeem voor het afremmen van het betreffende wiel, totdat de snelheid van het wiel overeenkomt met de grip op de weg.
Het systeem reageert ook door het toerental van de motor aan te passen aan de hoeveelheid grip onder de wielen, onafhankelijk van de mate waarin het gaspedaal wordt ingedrukt.
Bij een storing
Wanneer het systeem een storing signaleert, verschijnt de boodschap "ControleerESC" op het instrumentenpaneel en gaat het controlelampje branden. In dit geval zijn het ESC en de ASR uitgeschakeld.
Raadpleeg een merkdealer.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (4/5)

Buiten gebruik stellen ASR functie
In sommige situaties (rijden op een heel slappe ondergrond: bijv. sneeuw, modder of rijden met sneeuwkettingen), kan het systeem de kracht van de motor verminderen om het doorslippen te beperken. Als u dit niet wenst, kan de functie uitgeschakeld worden door de schakelaar 1 in te drukken. De boodschap "Tractiecontrole uit" verschijnt op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
Omdat de ASR tractiecontrole een extra veiligheid geeft, ontraden wij u te rijden met deze functie uitgeschakeld. Herstel de werking van deze functie zo snel mogelijk door weer op de schakelaar 1 te drukken.
N.B.: de functie wordt automatisch weer ingeschakeld bij het aanzetten van het contact van de auto, of zodra deze sneller rijdt dan ongeveer 40 km/u.
Noodstopbekrachtiging
Dit systeem is een aanvulling op het ABS dat zorgt voor het verminderen van de remweg van de auto.
De werking van het systeem
Het systeem herkent wanneer een noodstop wordt uitgevoerd. In zo'n noodsituatie ont-wikkelt de rembekrachtiging zijn maximale kracht en kan de regeling door het ABS in werking komen.
Het ABS-remsystem blijft werken zolang het rempedaal ingedrukt is.
Oplichten van de alarmknipperlichten
Afhankelijk van de auto, kunnen deze bij krachtig afremmen gaan branden.
Bij een storing
Als het systeem een storing signaleert, verschijnt de boodschap "Controleerremsysteem" op het instrumentenpaneel en gaat het lampje branden.
Raadpleeg een merkdealer.
Remanticipatie
Afhankelijk van de auto anticipeert het systeem, als u snel het gaspedaal loslaat, op het remmen om de remweg te verminderen.
Bijzondere gevallen
Tijdens het gebruik van de snelheidsregelaar:
- als u het gaspedaal gebruikt, kan het systeem in werking komen als u het pedaal loslaat;
- als u het gaspedaal niet gebruikt, zal het systeem niet in werking komen.
HULP- EN CORRECTIESYSTEMEN TIJDENS HET RIJDEN (5/5)


Voor de auto's die hiermee uitgerust zijn, maakt dit systeem het mogelijk, als de auto rijdt, de achterwielen te sturen afhankelijk van de rijomstandigheden: bij lage snelheid verbetert dit systeem de wendbaarheid, bij hoge snelheid de stabiliteit.
Bij het rijden met lage snelheid sturen de achterwielen tegengesteld aan de voorwielen (figuur A) om de wendbaarheid van de auto te verbeteren. Dit is handig in stadsverkeer, op een bochtige weg, bij het inparkeren, enz.


Bij snelheden van meer dan 60 km/u, sturen de achterwielen in dezelfde richting als de voorwielen (figuur B) om de stabiliteit van de auto te vergroten. Dit is handig bij het wisselen van rijstrook, bij het nemen van een bocht, enz.
Storingen
- Als het waarschuwingslampje in combinatie met de boodschap "Controleerstuurbekracht." op het instrumentenpaneel verschijnt: raadpleeg een merkdealer.
- Als het waarschuwingslampje STOP in combinatie met de boodschap "Storing stuurbekracht." op het instrumentenpaneel verschijnt, duidt dit op een storing in het systeem.

STOP betekent dat u direct moet stoppen zonder het overige verkeer in gevaar te brengen. Roep de hulp in van een ler.
Bij een botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een stoeprand of ander stadsmeubilair) kunt u de auto beschadigen (bijvoorbeeld: vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merk-dealer laten controleren.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (1/3)

De snelheidsbegrenzer is een functie die u helpt om een door u gekozen maximumsnelheid niet te overschrijden.

Bedieningsknoppen
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 Inschakelen, in geheugen opslaan en verhogen van de maximumsnelheid (+).
3 Inschakelen, in geheugen opslaan en verlagen van de maximumsnelheid (-).
4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde maximumsnelheid blijft in het geheugen (O).
5 Inschakelen, in geheugen opslaan en oproepen van de in het geheugen opgeslagen maximumsnelheid (R).

Inschakelen
Druk op de schakelaar 1 aan kant (6). Het controlelampje 6 licht op en de boodschap "begrenzer" verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de snelheidsbegrenzer is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een maximumsnelheid.
Om de actuele snelheid op te slaan, drukt u op de schakelaar 2 (+) of 3 (-): de maximum-snelheid vervangt de streepjes. De minimum te registreren snelheid is 30 km/u.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (2/3)

Het rijden
Als een ingestelde snelheid in het geheugen staat, grijpt het systeem niet in zolang deze snelheid niet bereikt wordt. Het rijden is hetzelfde als met een auto zonder snelheidsbegrenzer.
Vanaf het moment dat de opgeslagen snelheid is bereikt, gaat de auto niet sneller rijden, ook niet als u het gaspedaal verder indrukt, behalve in noodgevallen (raadpleeg de paragraaf "Overschrijding van de maximumsnelheid").
Verandering van de ingestelde maximumsnelheid
Om de maximumsnelheid te verhogen drukt u een of een paar keer op de schakelaar 2 (+); om de maximumsnelheid te verlagen gebruikt u de schakelaar 3 (-).
Overschrijden van de ingestelde snelheid
Het blijft altijd mogelijk de ingestelde maximum snelheid te overschrijden door snel en zo diep mogelijk het gaspedaal in te drukken (voorbij het "zware punt").
Gedurende het overschrijden knippert de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel.
Vervolgens laat u het gaspedaal los: de snelheidsbegrenzer komt weer in werking zodra u langzamer rijdt dan de in het geheugen opgeslagen snelheid.
Onmogelijkheid om de ingestelde maximum snelheid vast te houden
Tijdens een steile afdaling, kan het systeem de maximumsnelheid niet vasthouden: de snelheid in het geheugen knippert op het instrumentenpaneel om u te informeren.

De snelheidsbegrenzer heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: begrenzerfunctie (3/3)

Onderbreken van de functie
De werking van de snelheidsbegrenzer wordt opgeschort als u drukt op de schakelaar 4 (O). In dit geval blijft de ingestelde maximumsnelheid in het geheugen en de boodschap "in geheugen" met de ingestelde snelheid verschijnt op het instrumentenpaneel.
Opnieuw inschakelen van de maximumsnelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgenomen, is het mogelijk deze op te roepen door op de schakelaar 5 (R) te drukken.
Als de begrenzer is opgeschort, komt de functie weer in werking door een druk op de schakelaars 2 (+) of 3 (-), ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.

Uitschakelen van de functie
De werking van de snelheidsbegrenzer wordt onderbroken als u drukt op de schakelaar 1, er is geen snelheid meer ingesteld. Het doven van het oranje lampje op het instrumentenpaneel bevestigt dat de functie uitgeschakeld is.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (1/4)

De snelheidsregelaar is een functie die u helpt de door u gekozen rijsnelheid op een constante waarde vast te houden, dit wordt de ingestelde snelheid genoemd.
Vanaf 30 km/u kunt u de snelheid traploos instellen.

De snelheidsregelaar heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.

Deze functie is een extra hulp tijdens het rijden. Deze functie neemt niet de taak van de bestuurder over. U moet zich ten
allen tijde houden aan de voorgeschreven snelheid en blijven opletten (u moet altijd klaar zijn om te remmen in alle omstandigheden), de snelheidsregelaar ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid. De snelheidsregelaar moet niet gebruikt worden in druk verkeer, op een bochtige of gladde weg (ijzel, aquaplaning, kiezelsteentjes) en als de weersomstandigheden ongunstig zijn (mist, regen, zijwind, enz.).
Kans op ongevallen.

Bedieningsknoppen
1 Hoofdschakelaar Aan/Uit.
2 Inschakelen, in geheugen opslaan en verhogen van de ingestelde snelheid (+).
3 Inschakelen, in geheugen opslaan en verlagen van de ingestelde snelheid (-).
4 Uitschakelen van de functie (de ingestelde snelheid blijft in het geheugen) (O).
5 Inschakelen geheugen en oproepen van de ingestelde snelheid (R).
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (2/4)

Druk op de schakelaar 1, aan de kant 6. Het groene controlelampje 6 licht op en de boodschap "regelaar" verschijnt op het instrumentenpaneel met streepjes om aan te geven dat de snelheidsregelaar is ingeschakeld en wacht op het opslaan van een snelheid.

Instellen van de snelheid
Rijdend met een constante snelheid (vanaf ongeveer 30 km/u) drukt u op de schakelaar 2 (+) of 3 (-): de functie wordt ingeschakeld en de actuele snelheid wordt opgeslagen.
De regeling wordt bevestigd door het groen oplichten van het controlelampje 7 en het controlelampje 6.

Het rijden
Als een snelheid in het geheugen is vastgelegd en de regeling ingeschakeld is, kunt u uw voet van het gaspedaal nemen.

Let op, het is toch raadzaam de voeten dichtbij de pedalen te houden om te kunnen ingrijpen bij noodsituaties.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (3/4)

Veranderen van de gekozen snelheid
U kunt de ingestelde snelheid veranderen door een aantal keren te drukken op:
- de schakelaar 2 (+) om de snelheid te verhogen,
- de schakelaar 3 (-) om de snelheid te verlagen.
Sneller rijden dan de gekozen snelheid
U kunt de snelheid van de auto altijd verhogen door het gaspedaal in te drukken. Zo lang u te snel rijdt, knippert de ingestelde snelheid op het instrumentenpaneel om u te waarschuwen.
Laat daarna het gaspedaal los: na enkele secondes gaat de auto automatisch weer met de oorspronkelijk ingestelde snelheid rijden.
Onmogelijkheid om de gekozen ingestelde snelheid vast te houden
Tijdens een steile afdaling, kan het systeem de ingestelde snelheid niet vasthouden: de snelheid in het geheugen knippert op het instrumentenpaneel om u te informeren.

De snelheidsregelaar heeft in geen enkel geval invloed op het remsysteem.
SNELHEIDSREGELAAR/-BEGRENZER: regelaarfunctie (4/4)

Onderbreken van de functie
De functie wordt opgeschort als u drukt op:
- de schakelaar 4 (O);
- het rempedaal;
- het koppelingspedaal of het in neutraal schakelen voor de auto's met automatische transmissie.
In de drie gevallen blijft de ingestelde maximum snelheid in het geheugen en de boodschap "in geheugen" verschijnt op het instrumentenpaneel.
De stand-by stand wordt bevestigd door het doven van het controlelampje ⓞ.
Opnieuw inschakelen van de gekozen snelheid
Als een snelheid in het geheugen is opgeslagen, kan deze worden opgeroepen als de omstandigheden dat toelaten (verkeersdrukte, staat van het wegdek, weersomstandigheden, enz.). Rijsnelheid van de auto hoger dan 30 km/u, druk op de schakelaar 5 (R).
N.B.: als de eerder opgeslagen snelheid veel hoger is dan de actuele snelheid, trekt de auto snel op naar deze hogere snelheid.
Als de regelaar is opgeschort, komt de functie weer in werking door een druk op de schakelaars 2 (+) of 3 (-), ongeacht de snelheid die in het geheugen is opgeslagen: de actuele snelheid van de auto wordt gebruikt.

Uitschakelen van de functie
De werking van de snelheidsregelaar wordt onderbroken als u op de schakelaar 1 drukt, er is geen snelheid meer ingesteld. Het doven van de groene lampjes 🌐 en 🌐 op het instrumentenpaneel bevestigt dat de functie uitgeschakeld is.

Het onderbreken of uitschakelen van de snelheidsregelaar brengt geen snelle snelheidsvermindering met zich mee: u
moet remmen door het rempedaal in te drukken.
PARKEERHULP (1/3)
De werking van het systeem
Ultrasoon detectors die, afhankelijk van de auto, in de bumper voor en/of achter van de auto ingebouwd zijn, "meten" de afstand tussen de auto en een obstakel.
Deze meting vertaalt zich in geluidssignalen waarvan de frequentie toeneemt naarmate het obstakel dichterbij komt, totdat het een continu geluid wordt als het obstakel ongeveer 25 cm van de auto verwijderd is.
27968

Afstelling van het geluidsvolume van de parkeerhulp
Kies, in het menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto (raadpleeg paragraaf "menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto in hoofdstuk 1), de regel "parkeerhulp volume", selecteer de regel van het geluidsvolume van de parkeerhulp, maak uw keus en bevestig deze met een druk op de toetsen 1 of 2.

Deze functie is een extra hulp die door middel van geluidssignalen de afstand tussen de auto en een obstakel aangeeft tijdens het achteruitrijden.
Deze functie kan in geen enkel geval de oplettendheid en verantwoordelijkheid van de bestuurder vervangen bij het achteruit manoeuvreren.
De bestuurder moet altijd op zijn hoede blijven voor plotselinge gebeurtenissen die tijdens het rijden zich kunnen voordoen: let dus altijd op of er een bewegend obstakels is (zoals een kind, dier, kinderwagen, fiets) of een te klein of smal obstakel (grote steen, dun paaltje) tijdens de manoeuvre.
PARKEERHULP (2/3)

(afhankelijk van de auto)
Werking
Het systeem van de parkeerhulp wordt pas ingeschakeld als de auto langzamer dan ongeveer 10 km/uur rijdt.
Elk voorwerp op ongeveer minstens 60 centimeter van de voorkant van de auto wordt gedetecteerd.
De display A geeft de detectiezones aan en een geluidssignaal klinkt.

Automatische inschakelen/uitschakelen van de parkeerhulp
Het systeem schakelt uit:
- als de automatische parkeerrem wordt vastgezet;
- als de auto sneller dan ongeveer 10 km/u rijdt;
- als de auto meer dan ongeveer vijf secondes stilstaat (bijvoorbeeld in een file, stoppen voor een verkeerslicht, enz.);
- in de neutrale stand of in de stand N en P van een automatische transmissie.

(afhankelijk van de auto)
Werking
Bij het inschakelen van de achteruitversnel- ling, worden voorwerpen op minder dan on- geveer 1,50 meter van de achterzijde van de auto gedetecteerd en klinkt een geluidssignaal.
In het geval dat een obstakel aanwezig is aan de voorkant en aan de achterkant van de auto, wordt er alleen rekening gehouden met het obstakel dat het dichtst bij is en klinkt het bijbehorende geluidssignaal. Als aan de voorkant en aan de achterkant tegelijk een obstakel wordt gedetecteerd in een detectiezone van minder dan 30 centimeter, dan klinken de geluidssignalen van de vooren achterkant afwisselend.
PARKEERHULP (3/3)
Permanente uitschakeling van het systeem
U kun de parkeerhulp voor of achter onafhankelijk van elkaar permanent uitschakelen.
Kies, in het menu voor het personaliseren van de instellingen van de auto (raadpleeg de paragraaf "Menu voor het personaliseren van de auto " in hoofdstuk 1), de regel "parkeerhulp voor" of "parkeerhulp achter" en schakel het systeem in of uit:

functie uitgeschakeld;

functie ingeschakeld.

Bij een botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een stoeprand of ander stadsmeu-
bilair) kunt u de auto beschadigen (bijvoorbeeld: vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merk-dealer laten controleren.
Bijzonderheden
Zorg ervoor dat de ultrasoondetectors niet bedekt zijn (vuil, modder, sneeuw, enz.).
Bij een storing
Als het systeem een storing ontdekt, klinkt gedurende ongeveer 5 secondes een geluidssignaal om u te waarschuwen. Raadpleeg een merkdealer.
Als de auto met een snelheid van minder dan ongeveer 10 km/u rijdt, kunnen sommige geluidsbronnen (motorfiets, vrachtwagen, drilboor, enz.) waarschuwingssignalen opwekken.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (1/3)

Het display 3 op het instrumentenpaneel informeert u over de werkstand en de ingeschakelde versnelling.
4: P: parkeren
5: R: achteruitversnelling
6: N: neutraal
7: D: automatische werking
8: handbediend
9: weergave van de werkstand of van de ingeschakelde versnelling bij handbediening

Met de selecteurhendel 1 in stand P, zet u het contact aan.
Om de selecteurhendel uit stand P te verplaatsen, moet u het rempedaal indrukken voordat u de ontgrendelknop 2 indrukt.
Houd uw voet op het rempedaal (het lampje op het display 3 dooft), als u de stand P verlaat.
Alleen als de auto stilstaat, het daal is ingedrukt en het gaspedaal niet is ingedrukt, mag de selecteurhendel in de standen D of R worden geplaatst.
Stand automatisch
Zet de selecteurhendel in stand D. In de meest voorkomende gevallen hoeft u de selecteurhendel tijdens het rijden niet meer te verplaatsen: de versnellingsbak schakelt vanzelf, op het juiste moment, bij het juiste toerental van de motor, want de "automaat" houdt rekening met de belasting van de auto, de helling van de weg en uw rijstijl.
Zuinig rijden
Laat de selecteurhendel voor normaal gebruik in stand D staan. Als het gaspedaal iets wordt ingedrukt, schakelt de transmissie bij een lage snelheid naar de volgende versnelling.
Accelereren en inhalen
Druk het gaspedaal snel en diep in (voorbij het zware punt van het pedaal).
Hierdoor wordt, binnen de mogelijkheden van de motor, teruggeschakeld naar de optimale versnelling.
rempe-
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (2/3)
Stand handgeschakeld
De selecteurhendel in stand D, beweeg de hendel naar links. Door de hendel even te verplaatsen, kunt u handmatig de versnellingen bedienen:
- om naar een lagere versnelling te schakelen, trekt u de hendel even naar achteren;
- om naar een hogere versnelling te schakelen, duwt u de hendel even naar voren.
De ingeschakelde versnelling verschijnt op het instrumentenpaneel.
Bijzondere gevallen
Onder bepaalde omstandigheden (bv.: ter bescherming van de motor, bij werking van het elektronisch stabiliteitsprogramma: ESCter bescherming van de motor, bij werking van het elektronisch stabiliteits programma, enz.) de transmissie tijdens het rijden toch automatisch de juiste versnelling.
Ook kan, om verkeerde manoeuvres te voorkomen, het schakelen door het systeem geweigerd worden. In dit geval knippert de aanduiding van de versnelling enkele secondes om u te waarschuwen.
Bijzondere omstandigheden
- Als door de helling van de weg of in bochten de automatische werking niet gehandhaafd kan worden (bijv.: in bergen), is het raadzaam om op handmatig schakelen over te gaan.
Hiermee voorkomt u het automatisch achter elkaar schakelen door de versnellingsbak bij stijgen en is het mogelijk op de motor te remmen bij lange afdalingen. - Om bij koud weer te voorkomen dat de motor afslaat, raden wij u aan na het starten van de motor even te wachten voordat u de selecteurhendel verplaatst uit P of N naar D of R.
- Bij een auto zonder tractiecontrole is het beter om, op een glad wegdek of bij weinig grip, over te gaan op handmatig schakelen en de tweede versnelling in te schakelen voordat u wegrijdt, om te voorkomen dat de wielen doorslippen.
Bij zeer koud weer kan het systeem het handmatig schakelen verbieden zolang de versnellingsbak de juiste temperatuur nog niet heeft bereikt.
Parkeren van de auto
Als de auto stilstaat, houdt u het rempedaal ingedrukt en zet u de selecteurhendel in de stand P (parkeren): de transmissie staat in neutraal en de voorwielen zijn mechanisch geblokkeerd.
Zet de handrem vast of, afhankelijk van de auto, controleer of de automatische parkeerrem vastgezet is.

Bij een botsing tegen de onderkant van de auto (bijvoorbeeld: contact met een paaltje, een stoeprand of ander stadsmeu-
bilair) kunt u de auto beschadigen (bijvoorbeeld: vervorming van een as).
Om ieder risico van een ongeluk te voorkomen, moet u uw auto door een merk-dealer laten controleren.
AUTOMATISCHE TRANSMISSIE (3/3)
Bij een storing
- Als tijdens het rijden de boodschap "Controleerauto. transmissie" op het instrumentenpaneel verschijnt, in combinatie met het oplichten van het lampje , dan duidt dit op een storing.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer.
- Als tijdens het rijden de boodschapp "Oververhitting versnellingsbak" op het instrumentenpaneel verschijnt, in combinatie met het oplichten van het controle-lampje , stop dan om de versnellingsbak te laten afkoelen.
Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer.
- Slepen van een auto met een automatische transmissie: raadpleeg de paragraaf "slepen" in hoofdstuk 5.

Als bij het starten de hendel in P blijft geblokkeerd terwijl u het rempedaal en de ontgrendelknop 2 indrukt, is het mogelijk de hendel handmatig vrij te zetten. Druk op de knop door een voorwerp door het gat 10 te steken en druk tegelijk op de ontgrendelknop 2 op de hendel.
Hoofdstuk 3: Uw comfort
Ventilatieroosters 3.2
Verwarming en handbediende airconditioning 3.4
Automatische klimaatregeling 3.6
Airconditioning: informatie en tips voor het gebruik. 3.10
Elektrische ruitbediening, elektrisch open dak 3.11
Zonnekleppen 3.14
Binnenverlichting 3.15
Opbergruimtes, indeling interieur 3.17
Asbak, aansteker.... 3.21
Accessoireaansluiting 3.21
Hoofdsteun achter 3.22
Achterbank 3.23
Bagageruimte 3.24
Uitzetbare achterruit 3.25
Hoedenplank 3.26
Bagageafdekplaat 3.27
Opbergruimtes, indeling bagageruimte 3.28
Vervoer van voorwerpen: 3.30
in de bagageruimte 3.30
trekhaak. 3.31
Scheidingsnet 3.32
Multimedia-uitrusting 3.35
VENTILATIEROOSTERS (1/2)

1 ontwasemingssleuf linker zijruit
2 ventilatierooster links
3 ontwasemingssleuven onder de voorruit
4 bovenste ventilatierooster van dashboard
5 bedieningspaneel airconditioning
6 ontwasemingssleuf rechter zijruit
7 ventilatierooster rechts
8 ventilatierooster voetenruimte
9 centrale ventilatieroosters
10 ventilatieroosters passagiers achter
VENTILATIEROOSTERS (2/2)

Verdraai knop 1 voorbij het zware punt.
Omhoog: open.
Omlaag: dicht.
Verdraai de knop 3 voorbij het zware punt.
Naar links: gesloten.

Links/Rechts: beweeg de knoppen 2 naar links of naar rechts.
Omhoog/omlaag: richt de schuifknoppen 2 omhoog of omlaag.

Gebruik, in geval van stankoverlast in de auto, alleen speciaal hiervoor bestemde middelen. Raadpleeg een merkdealer.

Stop niets in het ventilatiecircuit van de auto (bijvoorbeeld in geval van stank enz.).
Risico van explosie of brand.
VERWARMING, HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING

Bedieningsknoppen
1 Airconditioning.
2 Luchttemperatuur.
3 Display.
4 Ventilateursnelheid.
5 Verdeling van de lucht in het interieur.
6 Ontdooien/verwarmen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels.
7 Functie "helder zicht".
8 Luchtkringloop.
Informatie en tips voor het gebruik: raadpleeg het einde van de paragraaf.
In- en uitschakelen van de airconditioning
De toets 1 zorgt voor het inschakelen (controlelampje brandt) of het uitschakelen (controlelampje is uit) van de airconditioning.
Door het inschakelen van de airconditioning:
- gaat de temperatuur in het interieur omlaag;
- ontwasemen de ruiten snel.
De airconditioning werkt niet bij lage buiten-temperaturen.
Regeling van de temperatuur
Gebruik de schakelaar 2 tot aan de gewenste temperatuur. Hoe meer blokjes op het display oplichten, hoe hoger de temperatuur. Hoe minder blokjes op het display oplichten, hoe lager de temperatuur.
Verdeling van de lucht in het interieur
Er zijn zes mogelijke luchtverdelingen. Druk op de toets 5 om ze te zien.
De pijlen in de zone a van het display 3 combineren zich om u te informeren over de gekozen verdeling:
de luchtstroom wordt naar de uitgang op de bovenkant van het dashboard gevoerd (stand voor een diffusere ventilatie).
de luchtstroom wordt naar de ventilatieroosters van het dashboard gevoerd (in deze stand wordt het interieur zo snel mogelijk verwarmd of gekoeld).
de lucht wordt voornamelijk naar de voetenruimtes gevoerd.
de luchtstroom wordt naar de ont-wasemingssleuven onder de voor-
ruit en de zijruiten gevoerd (om het beslaan tegen te gaan).
Uitschakelen van het systeem
Druk een paar keer op de onderkant van de knop 4 tot het systeem stopt. Om het weer te starten drukt u op de bovenkant van de knop 4.
VERWARMING, HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING (vervolg)

Regeling van de ventilateursnelheid
Normaal gebruik
Door te drukken op de bovenkant of de onderkant van de knop 4, verhoogt of verlaagt u de ventilatiesnelheid: hoe voller het schoepenwiel van de ventilateur zichtbaar is in de zone b, hoe hoger de ventilatiesnelheid is.
N.B.: om een gewenste temperatuur te handhaven, adviseren wij een stand te gebruiken tussen 3 en 5 halverwege.
Het systeem is gestopt: de ventilatiesnelheid van de lucht in het interieur is nul (stilstaande auto), als de auto rijdt kunt u echter een geringe luchtstroom voelen.
Functie "helder zicht"
Druk op de toets 7, het ingebouwde contro- lelampje brandt.
Met deze functie worden de voorruit, de zijruiten voor, de achterruit en de buiten- spiegels snel ontdooid en ontwasemd (af- hankelijk van de auto). Hierdoor worden au- tomatisch de airconditioning en de achter- ruitverwarming ingeschakeld.
Druk op de toets 6 om de werking van de achterruitverwarming te stoppen, het ingebouwde controlelampje dooft.
Druk op de toets 4 om de ventilatiesnelheid te wijzigen.
Om deze functie uit te schakelen, drukt u opnieuw op de toets 7.
Inschakelen van de kringloopfunctie
Druk op de toets 8 van de luchtkringloop: het controlelampje licht op.
In deze stand wordt de lucht vanuit het interieur aangezogen en zonder toevoeging van buitenlucht teruggevoerd in de auto.
De kringloopstand kan gebruikt worden:
- het interieur worden afgesloten van de buitenlucht als het buiten stinkt;
- voor het snel verlagen van de temperatuur in het interieur.
Door langdurig gebruik van de lucht- kringloop kunnen de zijruiten en de voor- ruit beslaan en kan de atmosfeer in het interieur minder aangenaam worden doordat er geen luchtverversing is.
Druk daarom weer op de knop 8 om de toevoer van buitenlucht te herstellen zodra de omstandigheden dat toelaten.
1 en 5 Luchttemperatuur.
2, 3 en 4 Automatische programma's.
6 Verdeling van de lucht in het interieur.
7 Ontdooien/verwarmen van de achterruit en, afhankelijk van de auto, van de spiegels.
8 Functie "helder zicht".
9 Luchtkringloop.
10 Airconditioning.
11 Ventilateursnelheid
12 Display.
De automatische airconditioning garandeert (met uitzondering van extreme gevallen) een temperatuurcomfort in het interieur en het helder houden van de ruiten, bij een zo optimaal mogelijk brandstofverbruik. Het systeem werkt op de ventilatiesnelheid, de luchtverdeling, de luchtkringloop, het inschakelen of uitschakelen van de airconditioning en de luchttemperatuur. Hierbij kunt u kiezen uit drie programma's:
AUTO: optimaal bereiken van de gewenste temperatuur afhankelijk van de omstandigheden buiten de auto. Druk op de toets 3.
SOFT: dempt het bereiken van de gewenste temperatuur. De gewenste temperatuur wordt rustiger en stiller vastgehouden. Druk op de toets 2.
FAST: versterkt de werking van het systeem om de gewenste temperatuur snel te bereiken. Gebruik dit programma als er passagiers achterin zitten. Druk op de toets 4.
Regeling van de temperatuur
Gebruik een van de toetsen 1 of 5 voor het verhogen of verlagen van de temperatuur. Door langer dan 2 secondes te drukken op de toets 3 wordt de temperatuur voor de passagier gelijk aan die van de bestuurder.
Bijzonderheid: ingesteld op de uiterste waarden zorgt het systeem voor een maximale productie van warme of koude lucht (weergave "LO" en "HI" op het scherm 12).
Uitschakelen van het systeem
Druk een paar keer op de onderkant van de knop 11 tot het systeem stopt. Om het weer te starten drukt u op de bovenkant van de schakelaar 11 of op een van de schakelaars 2, 3 of 4.
Sommige toetsen hebben een inge- bouwd controlelampje dat de staat van de functie aangeeft.
Wijzigen van de ventilateursnelheid
Normaal zorgt het systeem automatisch voor de juiste ventilateursnelheid om de ingestelde temperatuur te bereiken en te handhaven.
U kunt de ventilatiesnelheid altijd aanpassen door te drukken op de bovenkant of de onderkant van de toets 11 om de ventilatiesnelheid te verhogen of te verlagen.
In dit geval verschijnt de ventilatiesnelheid, die niet langer automatisch door het systeem wordt geregeld, op het display.
In- en uitschakelen van de airconditioning
Normaal schakelt het systeem automatisch de airconditioning in of uit, afhankelijk van de weersomstandigheden.
Druk op de toets 10 om de airconditioning te stoppen.
Gebruik bij voorkeur de automatische werkstand door het kiezen van één van de automatische programma's AUTO, SOFT of FAST.
In de automatische werkstand (controle-lampje van de toets 3 licht op), worden alle functies van de airconditioning ge-controleerd door het systeem.
U kunt de keuze van het systeem altijd wijzigen, in dat geval dooft het controlelampje van de toets 3 en verschijnt de gewijzigde functie, die niet langer automatisch door het systeem wordt geregeld, op het display 12.
Om terug te gaan naar de automatische werkstand, drukt u op één van de programma's AUTO, SOFT of FAST.
Het display geeft aan welke temperatuur is ingesteld.
Als na het starten van de auto de aangegeven temperatuur wordt verhoogd of verlaagd, heeft dit geen invloed op de snelheid waarmee de gewenste temperatuur wordt bereikt. Het systeem zorgt altijd voor het optimaal verhogen of verlagen van de temperatuur (de ventilatie start niet direct met de maximale snelheid: deze wordt geleidelijk hoger), dat kan van enkele secondes tot een paar minuten duren.
Onder normale omstandigheden, tenzij dit als hinderlijk wordt ondervonden, moeten de roosters in het dashboard open blijven.
Wijzigen van de verdeling van de lucht in het interieur
Er zijn zeven mogelijke luchtverdelingen. Druk op de toets 6 om ze te zien. De pijlen in de zone a van het display 12 combineren zich om u te informeren over de gekozen verdeling:

de luchtstroom wordt naar de uit- gang op de bovenkant van het
dashboard gevoerd (stand voor een diffusere ventilatie).

de luchtstroom wordt naar de ventilatieroosters van het dashboard (in deze stand wordt het interieur zoelijk verwarmd of gekoeld).

de lucht wordt voornamelijk naar de voetenruimtes gevoerd.

de luchtstroom wordt naar de ont- wasemingssleuven onder de voor-
ruit en de zijruiten gevoerd (om het beslaan tegen te gaan).
In dit geval verschijnt de luchtverdeling in het interieur, die niet langer automatisch door het systeem wordt geregeld, op het display.
Druk op de toets 7, het ingebouwde controlelampje brandt. De achterruit wordt snel ontwasemd en de buitenspiegels worden verwarmd (afhankelijk van de uitvoering).
Om deze functie uit te schakelen, drukt u opnieuw op de toets 7. De verwarming schakelt na enige tijd automatisch uit.
Functie "helder zicht"
Druk op de toets 8, het ingebouwde controlelampje en het controlelampje van de toets 3 dooft.
Met deze functie worden de voorruit, de zij- ruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels snel ontwasemd (afhankelijk van de auto). Hierdoor worden automatisch de air-conditioning en de achterruitverwarming ingeschakeld.
Druk op de toets 7 om de werking van de achterruitverwarming te stoppen, het ingebouwde controlelampje dooft.
U kunt de ventilatiesnelheid wijzigen: druk op de toets 11.
Om deze functie te verlaten, drukt u ofwel:
- opnieuw op de toets 8;
- op een van de toetsen 2, 3 of 4.
Deze functie wordt automatisch geregeld, maar u kunt hem ook handmatig inschakelen.
Het systeem heeft een opname-element dat de kwaliteit van de lucht meet. Het kan dus besluiten de luchtkringloop in te schakelen, in dit geval brandt het ingebouwde controlelampje niet.
N.B.
- in de kringloopstand wordt de lucht aangevoerd vanuit de auto en zonder bijmenging van buitenlucht teruggevoerd in het interieur van de auto.
- de lucht circuleert in de auto zonder bijmenging van buitenlucht (als het buiten stinkt).
Handbediening
Door een druk op de toets 9 wordt de lucht- kringloop ingeschakeld, in dit geval brandt het ingebouwde controlelampje;
Bij langdurig gebruik van deze stand kunnen de ruiten aan de binnenkant beslaan of weer aanvriezen. Ook zal het in de auto, door gebrek aan frisse lucht, kunnen gaan stinken.
Druk daarom weer op de toets 9 om de automatische werkstand te herstellen zodra de omstandigheden dat toelaten.
In de automatische stand (AUTO op het display brandt), worden alle functies van de airconditioning gecontroleerd door het systeem.
Als u bepaalde functies wijzigt, dooft het AUTO. Alleen de gewijzigde functie wordt niet langer door het systeem gecontroleerd.
Het ontwasemen/ontdooien heeft altijd voorrang boven de luchtkringloop.
In sommige gevallen (vochtige lucht, enz.) komt de luchtkringloop niet automatisch in werking om het zicht te verbeteren (de ventilatie blijft werken met buitenlucht).
AIRCONDITIONING: informatie en tips voor het gebruik
Tips voor het gebruik
In sommige gevallen, (airconditioning uit, luchtkringloop in werking, ventilatiesnelheid nul of laag, enz.) kunnen de ruiten van de auto beslaan.
Als de ruiten beslagen zijn, gebruikt u de functie "helder zicht" om het doorzicht te verbeteren; gebruik bij voorkeur de airconditioning in de automatische werkstand om het beslaan te voorkomen. Als de ruiten beslagen blijven, gebruik dan het programma FAST.
Opmerking
Water onder de auto. Maak u niet ongerust als er condenswater onder de auto druppelt, dit is normaal na langdurig gebruik van de airconditioning.
Verbruik
Het is normaal dat het brandstofverbruik hoger is (vooral in stadsverkeer) als u de airconditioning gebruikt.
Voor auto's met een airconditioning zonder automatische werkstand, zet het systeem uit, als u het niet meer nodig hebt.
Tips voor zuinig rijden en minder luchtverontreiniging:
Rijd met open ventilatierooster en gesloten ruiten.
Open bij zeer warm weer of als de auto in de zon heeft gestaan enkele minuten de portieren voordat u start, zodat de hete lucht uit de auto kan ontsnappen.
Onderhoud
Raadpleeg voor de controle-intervallen het onderhoudsdocument van uw auto.
Storingen
Raadpleeg bij een storing altijd een merkdealer.
- minder goede werking van ont-dooien, ontwasemen of airconditioning. Dit kan het gevolg zijn van een vervuild patroon van het interieurfilter;
- geen gekoelde lucht. Controleer of alle bedieningsorganen in de juiste stand staan en de zekeringen goed zijn. Als dit niet zo is moet u het systeem stoppen.

Maak nooit de slangen van de alrconditioning los. Dit is gevaarlijk voor de ogen en de huid.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING, ELEKTRISCH OPEN DAK (1/3)
Deze werken met contact aan of contact uit tot het openen van het bestuurdersportier (begrensd tot ongeveer 5 minuten).

Veiligheid inzittenden achter Afhankelijk van de auto, kan de bestuurder de werking van de ruitbediening achter en van de achterportieren uitschakelen door op de schakelaar 4 te drukken. Het oplichten van het lampje in de schakelaar geeft de vergrendeling aan.
Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw RENAULT card nooit, zelfs niet eventjes, in de auto liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit. Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening of het open dak. In geval van beknelling van een lichaamsdeel, draait u direct de bewegingsrichting van de ruit om door te drukken op de betreffende schakelaar.
Risico van ernstige verwondingen.

Druk op of trek aan de schakelaar van een ruit om deze omlaag of omhoog te zetten tot de gewenste stand is bereikt: de ruiten achter kunnen niet geheel omlaag gaan. Gebruik schakelaar:
1 voor de ruit van de bestuurder;
2 voor de ruit van de voorpassagier;
3 en 5 voor de ruiten achter.
Vanaf de passagiersplaatsen bedient u de schakelaar 6.
Leg nooit iets op de bovenkant van een ruit: risico van beschadiging van de ruit- bediening.

Werking van de sneltoets
Deze werking is een aanvulling, afhankelijk van de auto, op de werking van de elektrische ruitbediening. Deze kan aanwezig zijn op alleen de bestuurdersruit of op alle ruiten. Druk of trek zo ver mogelijk (tot de aanslag) op de schakelaar van de ruit: deze gaat helemaal naar boven of naar beneden. Een actie op de schakelaar stopt de werking van de ruit.
N.B.: indien de ruit tijdens het sluiten een weerstand ontmoet (bijv.: vingers, enz.), stopt de ruit en schuift daarna enkele centimeters terug.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING, ELEKTRISCH OPEN DAK (2/3)

Bedien het zonnescherm alleen als het dak dicht is:
- openen: druk een handgreep 7 naar boven en begeleid deze tot het oprolmechanisme;
- sluiten: trek aan een handgreep 7 tot deze in de grendel vast klikt.

Open dak
- Open het zonnescherm
- Kantelen: draai de knop 9 in stand A.
- Openen: draai de knop 9 in stand B, C of D, afhankelijk van de gewenste opening;
-
Sluiten: zet de knop 9 in stand 0.
-
Bedien nooit het open dak als het zonnescherm dicht is;
- Rijd nooit met open dak en dicht zonnescherm.
Bijzonderheid
Uw auto is uitgerust met een krachtbegrenzer: als de ruit van het open dak tijdens het sluiten een weerstand ontmoet (bijv.: vingers, enz.), stopt de ruit en schuift daarna enkele centimeters terug.

Verantwoordelijkheid van de bestuurder
Laat uw RENAULT card nooit, zelfs niet eventjes, in de auto
liggen als u de auto verlaat en er een kind (of dier) in de auto zit. Het kan zichzelf of anderen in gevaar brengen door de motor te starten, door organen te bedienen zoals bijvoorbeeld de ruitbediening of het open dak. In geval van beknelling van een lichaamsdeel, draait u direct de bewegingsrichting van de ruit om door te drukken op de betreffende schakelaar.
Risico van ernstige verwondingen.
ELEKTRISCHE RUITBEDIENING, ELEKTRISCH OPEN DAK (3/3)
Op afstand sluiten van de ruiten (voor auto's met sneltoets ruitbediening op alle ruiten).
Als u bij het vergrendelen van de portieren van buitenaf twee keer achter elkaar op de vergrendelingsknop van de RENAULT card drukt, of, bij handsfree gebruik, op de knop van het bestuurdersportier, sluiten de ruiten automatisch.
Het is raadzaam het systeem alleen in te schakelen als de gebruiker de auto goed ziet en er niemand in de auto zit.
N.B.: het sluiten van het dak met de RENAULT card schakelt de handsfree functie uit.

Het sluiten van de ruiten kan ernstige verwondingen veroorzaken.

Voor auto's die hiermee uitgerust zijn, activeert deze handeling de extra portiervergrendeling.
Zorg ervoor dat niemand in de auto is achtergebleven
Storingen
Als het sluiten van de ruit niet goed werkt, schakelt het systeem over op werking zonder sneltoets: u kunt in dit geval de werking herstellen door de schakelaar van de betreffende ruit zo vaak te bedienen tot de ruit geheel is gesloten en de schakelaar dan langer dan drie secondes ingedrukt te houden (kant sluiten) en daarna de ruit compleet te sluiten om het systeem te resetten.
Raadpleeg indien nodig uw merkdealer.
Elektrisch open dak
Als het dak niet wil sluiten, draait u de knop 9 in stand 0 en drukt u daarna op de knop 8 tot het dak geheel gesloten is: raadpleeg een merkdealer.
Let op, tijdens deze handeling is de krachtbegrenzer van het open dak uitgeschakeld. Raadpleeg zo spoedig mogelijk een merkdealer.
Voorzorgsmaatregelen voor het gebruik
- let op dat het dak goed gesloten is als u de auto verlaat;
- reinig het afdichtrubber van het dak eens per drie maanden met een door onze technische dienst goedgekeurd product;
- open het dak niet direct na een wasbeurt of een regenbui.
- Auto met dakdragers
Open het dak niet als het dak beladen is. Controleer voor het gebruik van het open dak, de accessoires (fietsdrager, dakkoffer, enz.) op de dakdragers: deze moeten op de juiste wijze zijn bevestigd en goed vastzitten en mogen de beweging van het open dak niet hinderen.
Laat u door uw merkdealer informeren over de verschillende toepassingsmogelijkheden.
ZONNEKLEPPEN

Zonneklep voor
Zet de zonneklep 1 omlaag tegen de voor-ruit of maak hem los en draai hem tegen de zijruit.
Make-up spiegels
Verschuif het klepje 2, afhankelijk van de auto, wordt de spiegel verlicht.

Zonnegordijn zijkant
Trek het zonnegordijn naar boven met behulp van het lipje 3 tot u de haakjes 4 in hun houder kunt vastmaken (controleer of de haakjes goed vastklikken).

Zonnegordijn achter
Trek het zonnegordijn naar boven met behulp van het lipje 5 tot u de haakjes 6 in hun houder kunt vastmaken (controleer of de haakjes goed vastklikken).
Door het kantelen van de schakelaar 2 kunt u kiezen voor:
- een constant brandende verlichting;
- een verlichting die gaat branden als één van de portieren wordt geopend, Deze dooft als de betreffende portieren goed gesloten zijn en na enige tijd;
- het onmiddellijk uitgaan.
Leesspots
(afhankelijk van auto)
Druk op de schakelaars 1 of 3.

Verlichting voorportieren
Het lampje 4 gaat branden bij het openen van het portier.
Het ontgrendelen en het openen van de portieren en de achterklep zorgen voor het tijdelijk branden van de binnenlichten en de vloerlichten.

Het lampje 5 gaat branden bij het openen van de klep.
De vloerverlichting 6 gaat branden bij het openen van een portier.

Bagageverlichting 7 of 8
Afhankelijk van de auto gaat het lampje 7 of 8 branden bij het openen van de achterklep.

Let op dat er geen harde, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes geplaatst zijn, zodat zij tegen de
inzittenden geslingerd kunnen worden bij het rijden door een bocht, bij plotse-ling remmen of bij een botsing.

Laat geen spullen op de vloer (bij de bestuurder) liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze onder de peda-
len terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed kan bedienen.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (2/4)

Hierin kunt u kaartjes (bijvoorbeeld van een tolweg) bevestigen.

Opbergruimte in middelste armsteun voor A
Druk op de knop 4 en til het deksel 5 op.

Dashboardkastje.
Om dit te openen, trekt u aan de hand-greep 6.
In dit dashboardkastje passen documenten op A4 formaat, een grote fles water, enz.
Het wordt geventileerd en gekoeld.
OPBERGRUIMTES, INDELING INTERIEUR (3/4)

Hierin kunt u een blikje of beker plaatsen.
Druk op de bovenkant om hem naar buiten of naar binnen te laten gaan.

Let op bij het accelereren of het rijden in een bocht, dat de inhoud van de beker of het blikje niet over de rand stroomt.
Risico van brandwonden als de vloeistof warm is en/of vlekken.

Zet de armsteun 11 omlaag, trek het deksel 10 omhoog aan de handgreep 9.

Let op dat er geen harde, zware of scherpe voorwerpen in de "open" bergruimtes geplaatst zijn, zodat zij tegen de inzittenden geslingerd kunnen worden bij het rijden door een bocht, bij plotseling remmen of bij een botsing.
Opbergvakken 14 in voorstoelen

Hieraan kan men zich vasthouden tijdens het rijden.
Gebruik deze niet bij het in- of uitstappen.
ASBAK, AANSTEKER, ACCESSOIREAANSLUITING

Druk op het deksel 1 om deze te openen. Om hem te legen trekt u aan de wand 3 door de achterkant van het bakje omhoog te drukken.
Asbak achterin 7
(afhankelijk van de auto) Trek aan het deksel 7 om deze te openen. Om hem te legen, drukt u op het lipje 6.
Als uw auto geen aansteker en asbak heeft, kan uw merkdealer u deze leveren.

Aansteker 2
Contact aan, druk hem naar binnen, hij komt vanzelf met een klikje naar buiten zodra hij gloeit. Trek hem los. Plaats hem na gebruik in de houder zonder hem er helemaal in te drukken.
Accessoireaansluiting
Afhankelijk van de auto, kunt u een van de aansluitingen 5 of de aansteker 2 gebruiken.

Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maxi-maal 120 watt.
Risico van brand.

Houd de hoofdsteun naar de voorzijde van de auto getrokken en verschuif hem omhoog of omlaag.
Verwijderen
Druk op tegelijk op het lipje 1 en 2 en verwijder de hoofdsteun.
N.B.: hatchback uitvoering, zet eerst de rug-leuning van de bank omlaag (raadpleeg de paragraaf "Gebruiksmogelijkheden van de achterbank" in hoofdstuk 3).

Steek de poten in de hulzen en zet de hoofdsteun omlaag tot de eerste klik.
Opbergstand
Zet de hoofdsteun zo ver mogelijk omlaag, druk daarna op het lipje 2 en zet hem in de onderste stand.
De hoofdsteun in de onderste stand (stand A) is een opbergstand en alleen toegestaan als de hoofdsteun niet gebruikt wordt. Indien er een passagier op de stoel zit, mag de hoofdsteun niet in de onderste stand gebruikt worden.

De hoofdsteun is een veiligheidsorgaan dat altijd op zijn plaats moet zitten en goed moet zijn afgesteld. Hij geeft
een maximale beveiliging als de bovenkant van de hoofdsteun op gelijke hoogte is met de kruin en de afstand tussen het achterhoofd en de hoofdsteun bij A zo klein mogelijk is.
ACHTERBANK

De rugleuning en kunnen neergeklapt worden voor het vervoeren van grote voorwerpen:
Zet de hoofdsteunen achter altijd helemaal naar beneden (raadpleeg de paragraaf "Hoofdsteunen achter" in hoofdstuk 3).
Hatchback uitvoering
Druk op de knop 1 en kantel de rugleuning A omlaag.

Voer deze verstellingen uitsluitend uit als de auto stilstaat.

Druk op de knop 2 of trek aan de hendel 3: de rugleuning gaat vanzelf omlaag.
N.B.: controleer, na het weer omhoog zetten van de rugleuning, de goede vergrendelen van de rugleuning (de knop 2 ligt op gelijke hoogte).

Controleer of geen mens of dier zich in de buurt van de achterbank bevindt voordat u aan de hendel 3 trekt.
Risico van verwonding.

Controleer na het terugkantelen van de rugleuning of deze weer goed is vergrendeld. Let op bij het gebruik van
een stoelhoes, dat deze de vergrendeling van de rugleuning niet belemmert. Let op de juiste stand van de autogordels.
Plaats de hoofdsteunen terug.
Zorg dat tijdens het bewegen van de achterstoelen, er niets het verankeren kan hinderen (lichaamsdeel, dier, steentjes, doek, speelgoed, enz.).
BAGAGERUIMTE

Hatchback uitvoering
Openen
Druk op de knop 1 en trek de achterklep omhoog.
Sluiten
Trek de klep omlaag, waarbij u het eerste stuk gebruik kunt maken van de handgrepen 3 in de klep.

Break uitvoering Openen
Druk op de knop 2 en trek de achterklep omhoog.
Sluiten
Trek de klep omlaag, waarbij u het eerste stuk gebruik kunt maken van de handgrepen 3 in de klep.

Het is verboden om accessoires (fietsdrager, bagagedrager, enz.) te monteren die steunen op de spoiler A van de achter-
klep.
Risico van verwonding en/of beschadig- ging.

Openen van binnenuit
Bijzonderheid:
Bij een elektrische storing, kunt u de achter-klep met de hand van binnenuit openen.
- kantel de rugleuning(en) van de achterbank naar voren, zodat u in de bagageruimte kan komen,
- steek een potlood of iets dergelijks in de holte 4 en verschuif het geheel zoals op de tekening aangegeven is,
- duw tegen de achterklep om hem te openen.
UITZETBARE ACHTERRUIT

Auto met achterruit die geopend kan worden
De achterruit wordt tegelijk met de portieren elektrisch vergrendeld of ontgrendeld.
Openen
Druk op de knop 2.
Trek de achterruit omhoog aan de ruitenwis-servoet 1.

Druk de achterruit omlaag aan de ruitenwis- servoet 1 tot hij vergrendelt.
Beperking voor het gebruik
Het is niet mogelijk zowel de achterklep als de uitzetbare achterruit te openen (elektronische beveiliging).
26983

Rijden met een open achterruit kan tot gevolg hebben dat uitlaatgassen in het interieur van de auto komen. Dit gebruik
moet beperkt blijven voor het transport van grote voorwerpen, over een korte afstand, waarbij de achterklep gesloten kan blijven. Sluit in dit geval de andere ruiten en open dak en laat de ventilateur met een middelmatige of maximale snelheid draaien, om te voorkomen dat uitlaatgassen het interieur binnendringen.
HOEDENPLANK

Maak de twee koordjes 1 los (aan de kant van de achterklep).

Til vervolgens de hoedenplank 2 iets op en trek hem naar u toe.
Bij het terugplaatsen gaat u in omgekeerde volgorde te werk.

Zet geen bagage en vooral geen zware of harde voorwer- pen op de hoedenplank. Bij plotseling remmen of in geval ongeluk kunnen rondslinge- ullen de inzittenden in gevaar
BAGAGE-AFDEKPLAAT

Oprollen van het soepele deel 1 van de bagage-afdekking 2
Druk op de achterkant van de bagage-afdekking (beweging A): de bagage-afdekking rolt automatisch op.

Leg geen zware of harde voor- werpen op de bagage-afdek- king. Bij plotseling remmen of in geval van een ongeluk
kunnen rondslingerende spullen de inzit- tenden in gevaar brengen.

Verwijderen van de bagage-afdekking 2
Verschuif de knop 3 en til tegelijk de rechterkant (beweging B) van het oprolmechanisme op.
Til daarna de linker kant van het oprolmechanisme op en verwijder de bagage-afdekplaat.
Voor het terugplaatsen van de bagage-afdekplaat, voert u deze handelingen in omgekeerde volgorde uit.

Opbergen van de bagage-afdekking 2
Til de achterkant van de mat van de bagage- ruimte 3 omhoog;
Verwijder het klepje C van de opbergruimte aan de zijkant en kantel het kapje D;
Berg de bagage-afdekking 2 op door eerst een kant en daarna de andere kant erin te plaatsen;
Plaats het kapje D en het klepje C terug.
OPBERGRUIMTES, INDELING BAGAGERUIMTE (1/2)

Hatchback uitvoering
Opbergruimtes aan de zijkanten
In de opbergruimtes 1 aan elke kant van de bagageruimte is plaats voor bijvoorbeeld een olieblik, enz.

Opbergruimte onder de mat 2
Om te openen, vouwt u het deel A.
OPBERGRUIMTES, INDELING BAGAGERUIMTE (2/2)

Indeling van de bagageruimte
Nuttig voor het scheiden van de lading.
Zet de scheiding 3 omhoog.
De achterkant heeft een elastiek 4 om kleine voorwerpen verticaal mee te bevestigen.
Maximale massa: 30 kg.
Plaats de te vervoeren voorwerpen altijd zo dat de zwaarste tegen de rugleuning van de achterbank steunen.

Tassensteun in bocht
Voorkomt dat tassen gaan schuiven in een bocht.
Druk op de haak 5, deze vouwt uit. Zet hem omhoog en druk opnieuw op de bovenkant om hem op te bergen.
Maximale massa: 20 kg.
Opbergruimtes aan de zijkanten
In de opbergruimtes 7 aan elke kant van de bagageruimte is plaats voor bijvoorbeeld een olieblik, enz.

Aan de haken 6 in elke hoek van de bagage- ruimte kan de lading vastgesjord worden.
Opbergruimte onder de mat
Om te openen, vouwt u het deel C.
Opbergruimte D
Klap de rugleuningen van de bank neer en trek de voorkant van de mat B van de bagageruimte omhoog.
BAGAGE VERVOEREN (1/2)

Plaats de te vervoeren voorwerpen altijd zo dat ze met de grootste lengte tegen de rugleuning van de achterbank steunen, bij normaal gebruik (voorbeeld A) of tegen de rugleuningen van de voorstoelen als de rugleuningen van de achterbank zijn neergeklapt.
Als u voorwerpen op de neergeklapte rugleuning wilt plaatsen, moet u eerst de hoofdsteunen verwijderen voordat u de rugleuning neerklapt, zodat de rugleuning zo dicht mogelijk tegen het zitkussen kan kantelen.

De zwaarste voorwerpen plaatst u zo laag mogelijk op de laadvloer. Zet de lading indien mogelijk vast aan de beves-
tigingspunten (indien aanwezig) op de vloer van de laadruimte. De lading moet zo geplaatst zijn dat niets naar voren op de passagiers geslingerd kan worden in geval dat de bestuurder plotseling moet remmen. Maak de autogordels van de zitplaatsen achter vast, ook als deze niet bezet zijn.
BAGAGE VERVOEREN (2/2)/TREKHAAK


Hatchback uitvoering B = 1051 mm
Break uitvoering B = 1159 mm
Kogeldruk, maximaal toegelaten massa's van geremde en ongeremde aanhangwagens: raadpleeg hoofdstuk 6, paragraaf "Massa's".
Raadpleeg het montagevoorschrift van de uitrusting voor de montage en de voorwaarden voor het gebruik.
Het is raadzaam deze voorschriften bij uw instructieboekje te bewaren.
Indien de trekhaakkogel de nummerplaat of de mistlamp achteraan aan het zicht onttrekt, moet u hem afnemen wanneer u geen voertuig trekt.
Houd u in elk geval aan de landelijke wetgeving.
BAGAGESCHEIDINGSNET (1/3)

Afhankelijk van de auto, is het handig bij het vervoer van dieren of bagage om deze af te scheiden van het passagiersdeel.
Het net kan op twee manieren geplaatst worden:
- achter de achterbank A, achterbank omhoog of achterbank neergeklapt;
- achter de voorstoelen B.

Het bagagescheidingsnet kan een massa van maximaal 10 kg tegenhouden.
Risico van verwonding.

Verwijderen/plaatsen van het bagagescheidingsnet
Verwijderen van het net
Rugleuningen 1 van de achterbank compleet neergeklapt, trek vanaf het portier rechts achter, het oprolmechanisme 2 naar u toe om het los te maken. Trek het daarna omhoog om het te kunnen pakken.
Plaatsen van het net
Rugleuningen 1 van de achterbank compleet neergeklapt, pak het oprolmechanisme.
Schuif, vanaf het portier rechts achter, het oprolmechanisme 2 over de rails 3 aan de achterkant van het grote deel van de rugleuning van de achterbank, controleer de goede vergrendeling ervan met kleine bewegingen naar voren/achteren, en vergrendel daarna opnieuw de rugleuning van de achterbank.
BAGAGESCHEIDINGSNET (2/3)

Monteren van het scheidingsnet
Achter de achterbank
Til, vanaf de zitplaatsen achterin, de kapjes 4 op om bij de verankeringspunten voor de bovenste bevestiging van het net te kunnen komen.
Klap, om het uitrollen van het net te vergemakkelijken, het kleine deel van de rugleuning neer en houd het grote deel van de rugleuning lichtjes neergeklapt.

Haal het stangetje 5 uit zijn houder en steek het in de verankeringspunten 6 (verplicht in de ring 7).
Zet de rugleuningen omhoog en vergrendel deze. Controleer de goede vergrendeling ervan met kleine bewegingen naar voren/achteren.
Ga voor het demonteren van het net te werk in omgekeerde richting.

Houd bij het installeren niet uw vingers op het oprolmechanisme.
Risico van verwonding.
Achter de voorstoelen
Rugleuningen van de achterbank neergeklapt, til het kapje 8 aan elke kant op om bij de verankeringspunten voor de bovenste bevestiging van het net te kunnen komen.
Haal het stangetje 5 uit zijn houder en steek het in de verankeringspunten 9 (verplicht in de ring 7).
Ga voor het demonteren van het net te werk in omgekeerde richting.

Houd bij het installeren niet uw vingers op het oprolmechanisme.
Risico van verwonding.
NB: als het oprolmechanisme van het bagagescheidingsnet aan de achterkant van het grote deel van de rugleuning is gemonteerd, voorkomt een systeem dat de rugleuning per ongeluk neergeklapt kan worden. In dat geval moet u, na het ontgrendelen van de rugleuning, deze kantelen door hem, vanaf het portier rechts achter, voorbij het zware punt omhoog te trekken.

Tijdens het rijden, is het verboden op het kleine deel van de achterbank te gaan zitten als het grote deel van de rug-
leuning is neergeklapt en het net op zijn plaats zit.
MULTIMEDIA UITRUSTING
Navigatiesysteem
De aanwezigheid en de plaats van deze uit- rustingen zijn afhankelijk van de uitvoering van het navigatiesysteem van de auto.
1 Radio;
2 Centrale bediening;
3 Cd- of dvd-speler;
4 Microfoon;
5 Bediening bij het stuurwiel.
Geïntegreerde bediening van handsfree telefoon
Gebruik de microfoon 4 en de bediening bij het stuurwiel 5 als de auto deze heeft.
Voor de werking van deze uitrustingen: raadpleeg de gebruiksaanwijzing van de uitrusting die u het beste bij de andere boekjes van de auto kunt bewaren.

Gebruik van de telefoon
Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van dit appa-
raat.

Hoofdstuk 4: Onderhoud
Motorkap 4.2
Oliepeil van de motor: 4.4
algemeen. 4.4
(bij)vullen 4.6
Peilen: 4.8
koelvloeistof. 4.8
remvloeistof 4.9
reservoir ruitensproeiers/koplampsproeiers 4.10
Filters. 4.10
Bandenspanning 4.11
Accu. 4.12
Onderhoud van de carrosserie 4.14
Onderhoud van de bekleding 4.16
4.1
MOTORKAP (1/2)

Om deze te openen trekt u aan de hand-greep 1, links van het dashboard.
Veiligheidshaak van de motorkap
Til het lipje 2 omhoog om te openen (de haak A geeft de motorkap vrij).

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.

Motorkap openen
Trek de motorkap zover mogelijk omhoog, maak de steun 4 los uit de klem 5 en plaats hem in de uitsparing 3 van de motorkap en niet ergens anders.

Bij een botsing, zelfs een lichte, tegen de grille of de motorkap, moet u zo snel mogelijk het vergrendelingssysteem van
de motorkap laten controleren door een merkdealer.
MOTORKAP (2/2)

Sluiten van de motorkap
Controleer of er geen gereedschap of andere voorwerpen in de motorruimte zijn achtergebleven.
Om de motorkap te sluiten houdt u deze omhoog, maakt u de steun 4 weer vast in de klem 5 en pakt u de voorkant van de kap in het midden vast en laat u de kap naar beneden zakken. Laat de kap de laatste 30 cm in de vergrendeling vallen. Hij vergrendelt door zijn gewicht.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

Zorg er na alle werkzaamheden in het motorcompartiment voor dat u niets vergeet (doeken, gereedschap enz.).
Deze kunnen de motor beschadigen of brand veroorzaken.

Controleer de vergrendeling van de kap. Controleer of niets de vergrendeling belemmert (steentje, z.).
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: algemeen (1/2)
Iedere motor verbruikt wat olie voor het smeren en koelen van de bewegende delen in de motor. Het is daarom normaal dat u tussen twee onderhoudsbeurten olie moet bijvullen.
Indien u na de inrijperiode echter meer dan 0,5 liter olie per 1000 km moet bijvullen, dient u dit aan een merkdealer te melden.
Controleer het oliepeil regelmatig en in ieder geval voor elke grote reis: vul indien nodig tijdig olie bij om ernstige schade aan de motor te voorkomen.
Aflezen van het oliepeil
De auto moet horizontaal staan en de motor mag geruime tijd niet hebben gedraaid.
Voor het exacte oliepeil en het controle- ren of het maximum peil niet overschre- den is (risico van beschadiging van de motor), moet u de pellstaaf gebruiken. Raadpleeg de volgende bladzijden.
Het display van het instrumentenpaneel waarschuwt uitsluitend als het oliepeil minimaal is.

Waarschuwing minimum oliepeil op instrumentenpaneel
Druk tijdens de weergave van de boodschap "test van de functies onder controle" op één van de knoppen 3 of 4.
Als het peil boven het minimum is: de boodschap "oliepeil" verschijnt op het display met de blokjes 1 die, als het peil daalt, worden vervangen door streepjes 2.
N.B.: de weergave van het gedetailleerde peil is niet mogelijk als de rit daarvoor van korte duur was.
27968

Als het peil op het minimum is: de boodschap "oliepeil bijvullen" en het controlelampje lichten op het instrumentenpaneel op.
U mag de motor niet starten zolang u geen olie heeft bijgevuld.
N.B.: om over te gaan naar de informatie van de boordcomputer, drukt u opnieuw op 3 of 4.

Het display waarschuwt alleen als het peil te laag is en niet als het te hoog is, dit is alleen af te lezen met de peilstaaf.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: algemeen (2/2)

Aflezen van het peil op de peilstaaf
- haal de peilstaaf uit de motor (raadpleeg de volgende bladzijden voor zijn plaats) en veeg hem af met een droge en niet pluizende doek;
- steek de peilstaaf weer zo diep mogelijk in zijn houder (als de motor een "peildop" C heeft, draait u deze geheel vast);
- haal de peilstaaf weer uit de motor;
- lees het peil af: dit mag nooit lager zijn dan het "minimumpeil" A en nooit hoger zijn dan het "maximumpeil" B.
Als u het peil heeft gelezen, moet u de peilstaaf tegen de aanslag terugplaatsen of de peildop geheel vastdraaien.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een merkdealer raadplegen

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
Overschrijding van het maximumpeil van de motorolie
Het aflezen van het peil moet met behulp van de peilstaaf gebeuren zoals hiervoor is uitgelegd.
Als het peil boven het maximum is, start de motor dan niet en roep de hulp in van de merkdealer.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

Het maximumpeil B mag nooit worden overschreden: hierdoor bestaat het gevaar dat de motor en katalysator bescha-
digd worden.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen (1/2)

(Bij)vullen
De auto moet horizontaal staan en de motor moet koud zijn (bijvoorbeeld voordat u 's morgens wegrijdt).
Soort motorolie
Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.
Om spatten te voorkomen, adviseren wij een trechter te gebruiken voor het bijvullen van de olie.

- Draai de dop 1 los;
- vul bij. Het verschil tussen het hoogste en het laagste peil op de peilstaaf 2 is (afhankelijk van de motor) ongeveer 1,5 tot 2 liter;

- wacht 20 minuten om de olie naar beneden te laten zakken in de motor;
- controleer het peil met de peilstaaf 2 zoals hiervoor is beschreven.
Als u het peil heeft gelezen, moet u de peilstaaf tegen de aanslag terugplaatsen of de peildop geheel vastdraaien.
Vul nooit bij tot boven het maximum- peil en vergeet niet de dop 1 en de peil- staaf 2 weer terug te plaatsen.
OLIEPEIL VAN DE MOTOR: (bij)vullen, vullen (2/2)/OLIE VERVERSEN

Motorolie verversen
Interval: raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.
Gemiddelde inhoud bij verversen, inclusief oliefilter (ter informatie)
Motor 2.0 16V: 4,4 liter
Motor 2.0T: 5,4 liter
Motor 1.5 dCi: 4,5 liter
Motor 2.0 dCi: 7,4 liter
Soort motorolie
Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.

Bijvullen: let op dat er geen olie wordt gemorst op onderde- len van de motor of de uitlaat. Hierdoor kan brand ontstaan.
Ook moet de vuldop goed zijn vastgezet om te voorkomen dat hij lostrilt waardoor er olie uit de motor kan spatten met hetzelfde brandgevaar als deze olie op hete delen van de motor of de uitlaat terechtkomt.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een merkdealer raadplegen.

Olie aftappen: let op bij het af- tappen van hete olie dat u zich er niet aan brandt.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.

Laat de motor nooit in een afgesloten ruimte draaien: uitlaatgassen zijn giftig.
PEILEN (1/3)
27120

Koelvloeistof
Bij stilstaande motor en op een horizontale ondergrond, moet het peil bij koude motor liggen tussen de merktekens « MINI » A en « MAXI » B aangegeven op het koelvloei-stofreservoir 1.
Vul bij koude motor bij, voordat het peil beneden het merkteken « MINI » is gedaald.
Regelmatige controle van het peil
Controleer regelmatig het peil van de koelvloeistof (de motor kan ernstig beschadigen door een gebrek aan koelvloeistof).
Vul uitsluitend bij met door onze technische dienst goedgekeurde producten die zorgen voor een bescherming van het koelsysteem:
- bescherming tegen bevriezen;
- bescherming tegen corrosie van het koel- circuit.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

Zolang de motor warm is, mogen er geen werkzaamheden aan de motor en het koelsysteem worden uitgevoerd.
Risico van brandwonden.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.
Als het peil abnormaal of herhaaldelijk daalt, moet u een merkdealer raadplegen
PEILEN (2/3)

Controle van het peil moet bij stilstaande motor en op horizontale ondergrond plaatsvinden. Controleer regelmatig het peil van de remvloeistof en zeker als u bij het remmen een verschil, hoe gering ook, opmerkt.
Peil 1
Het is normaal dat het remvloeistofpeil daalt met het slijten van de remblokken, maar het mag nooit beneden het merkteken « MINI » komen.
Als u zelf de slijtage van de schijven en trommels wilt controleren, dan kunt u bij de merkdealer of op de web-site van de constructeur een document verkrijgen met een controlemethode.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
Vullen
Na werkzaamheden aan het hydraulische circuit moet de remvloeistof worden vervangen door een deskundige.
Gebruik hiervoor uitsluitend door onze technische dienst goedgekeurde remvloeistof uit een verzegelde verpakking.
Interval voor het vervangen
Raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.
PEILEN (3/3)/FILTERS

Open de dop 1, vul tot u de vloeistof ziet en sluit de dop weer.
N.B.
Afhankelijk van de auto, opent u de dop 1, en haalt u de peilstaaf eruit om het peil af te lezen.
Vloeistof
Product voor ruitensproeiers ('s winters met speciale antivries).
Sproeiers
De sproeiers van de voorruit kunt u met een naald in de juiste stand richten.
Filters
Het vervangen van de filters (luchtfilter, interieurfilter, brandstofffilter) maakt deel uit van het onderhoudsprogramma van uw auto.
Interval voor het vervangen van de filters: raadpleeg het onderhoudsdocument van uw auto.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
BANDENSPANNING
27192

Open het bestuurdersportier om het te lezen. De bandenspanning dient bij koude banden te worden gecontroleerd.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opge- geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen. Verlaag nooit de spanning van een warme band.
B: bandenmaat van de auto.
A

C: bandenspanning van de voorwielen buiten autosnelweg.
D: bandenspanning van de achterwielen buiten autosnelweg.
E: bandenspanning van de voorwielen op autosnelweg.
29777
F: bandenspanning van de achterwielen op autosnelweg.
G: bandenspanning van het reservewiel. H: bandenmaat van het reservewiel als dit verschilt van de vier wielen van de auto.
Bijzonderheid vol belaste auto (maximaal toegelaten totale massa) en met een aanhangwagen: er geldt een maximale snelheid van 100 km/uur en de bandenspanning moet worden verhoogd met 0,2 bar.
Raadpleeg de paragraaf "Massa's" in hoofdstuk 6.
Veiligheid van de banden en monteren van sneeuwkettingen: Raadpleeg de paragraaf "Banden" in hoofdstuk 5 voor het onderhoud en de mogelijkheid voor het gebruik van sneeuwkettingen (afhankelijk van de uitvoering).

Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk, met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Zij moeten: ofwel gelijk zijn aan de oorspronkelijk gemonteerde, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.
ACCU (1/2)
Afhankelijk van de auto, bevindt de accu zich in de motorruimte of in de bagageruimte.
In alle gevallen is deze onderhoudsvrij.
Afhankelijk van de auto, controleert een systeem continu de capaciteit van de accu. Als het peil daalt, verschijnt de boodschap
"Accu zwakstart de motor" op het instrumentenpaneel. Start in dat geval de motor weer. Vervolgens verschijnt de boodschap "Accu wordt opgeladen" op het instrumentenpaneel.
De capaciteit van uw accu kan verminderen, vooral als u uw auto gebruikt:
- voor korte ritten;
- in stadsverkeer;
- als de temperatuur daalt;
- bij langdurig gebruik van de radio met stilstaande motor enz.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met
veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
Houd open vuur, gloeiende voorwerpen en vonken verwijderd van de accu: explosiegevaar.
A

28705
Sticker A
Houd u aan de indicaties op de accu:
- 1 open vuur en roken verboden;
- 2 oogbescherming verplicht;
- 3 op afstand van kinderen houden;
- 4 explosieve stoffen;
- 5 raadpleeg het instructieboekje;
- 6 corrosieve stoffen.

Omdat de accu van een speciaal type is, moet u deze vervangen door een gelijkwaardige accu. Raadpleeg een
merkdealer.
ACCU (2/2)
26973

Vervangen van de accu
Omdat dit een ingewikkelde ingreep is, adviseren wij dit over te laten aan uw merkdealer.
Auto uitgerust met de functie Stop and Start
Nadat de accu is verwisseld of losgemaakt, verschijnt de boodschap "Nieuwe accu?" op het instrumentenpaneel. Kies "Ja" of "Nee" door kort de toets 7 of 8 in te drukken en uw keuze daarna te bevestigen door een van deze twee toetsen lang ingedrukt te houden.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

Omdat de accu van een speciaal type is, moet u deze vervangen door een gelijkwaardige accu. Raadpleeg een ler.
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (1/2)
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de buitenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Uw auto is op doelmatige wijze tegen roestvorming beschermd. Toch staat hij bloot aan de invloed van verschillende parameters.
Agressieve stoffen in de lucht
- luchtverontreiniging in steden en in industriegebieden,
- zilte lucht langs de kust, vooral bij warm weer,
- wisselende klimaatinvloeden en veranderingen in de vochtigheidsgraad (wegenzout in de winter, water waarmee de weg wordt schoongespoeld enz.).
Kleine beschadigingen in het dagelijks gebruik
Schurende stoffen
Stof in de lucht, zand, modder, opspattende steentjes, enz.
Er zijn een aantal maatregelen nodig om de hierboven genoemde gevaren te bestrijden.
Wat u niet moet doen
Ontvet of reinig de mechanische delen (bijv. de motorruimte), bodemplaat, scharnierende delen (bijv. de binnenkant van de portieren), gespoten kunststof delen (bijv.: bumpers) met behulp van een hogedrukreiniger of sproeiapparatuur die niet door onze technische dienst hoeven te zijn goedgekeurd. Hierdoor kunnen oxidatie of storingen ontstaan.
De auto wassen in felle zon of als het vriest.
Vuil of insectenresten wegkrabben, zonder ze eerst met water los te weken.
De auto verwaarlozen zodat vuil zich kan ophopen.
Kleine beschadigingen niet (laten) bijwerken.
Vlekken of aanslag verwijderen met oplosmiddelen die niet door onze technische diensten zijn geselecteerd. De lak kan hierdoor worden aangetast.
Vaak door sneeuw en modder rijden zonder de auto te wassen, met name de wielkuipen en de bodemplaat.
Wat u moet doen
Was uw auto regelmatig, met de motor uit, met door onze technische diensten geselecteerde shampoos (nooit met schuurmiddelen). Spuit vooraf rijkelijk met een waterstraal het volgende af:
- de aanslag door luchtverontreiniging, bloeiende bomen (linden bijvoorbeeld);
- modder uit de wielkuipen en onder de bodemplaat die anders lange tijd het vocht kunnen vasthouden;
- de uitwerpselen van vogels, die een chemische reactie met de lak veroorza-ken waardoor deze snel kan ontkleuren en zelfs kan loslaten;
Deze vlekken moet u direct wegwassen, want zij kunnen later niet meer door poetsen worden verwijderd; - zout, dat vooral in de wielkuipen en onder de bodemplaat achterblijft na te hebben gereden op wegen waar gestrooid is.
Ontdoe de auto regelmatig van plantenresten (hars, bladeren enz.).
ONDERHOUD VAN DE CARROSSERIE (2/2)
Houd rekening met lokale voorschriften inzake het wassen van een auto (bv. niet op de openbare weg).
Houd bij het rijden op pas geasfalteerde wegen afstand van de andere auto's om beschadiging van lak en ruiten door opspat-tend grind te voorkomen.
Kleine beschadigingen van de lak moet u snel herstellen of laten herstellen zodat roest ook daar geen kans krijgt.
Laat uw merkdealer regelmatig de carrosserie inspecteren als de auto een plaatwerkgarantie heeft. Raadpleeg het onderhoudsdocument.
Bewegende delen of mechanische organen moeten na reiniging altijd met een door onze technische dienst goedgekeurd product opnieuw worden beschermd.
Bij de merkdealer vindt u een uitgebreid gamma speciale onderhoudsproducten.
Bijzonderheid van auto's met matte lak
Voor dit type lak moeten bepaalde voorzorgsmaatregelen worden genomen.
Wat u niet moet doen
- producten gebruiken op basis van was (glanzend maken);
- hard wrijven;
- rijden door een wasstraat;
- de auto met een hogedrukreiniger reinigen;
- stickers op de lak plakken (risico op achterblijvende resten).
Wat u moet doen
De auto overvloedig met de hand met water wassen en daarbij een zachte doek, spons, enz. gebruiken.
Rijden door een wasstraat
Zet de schakelaar van de ruitenwissers in de stand Uit (raadpleeg hiervoor de paragraaf "ruitenwisser, ruitensproeier voor" in hoofdstuk 1). Controleer de bevestiging van de uitrusting aan de buitenkant, extra lampen, spiegels en zet de ruitenwisserbladen vast met tape.
Verwijder de spriet van de radioantenne indien uw auto hiermee is uitgerust.
Denk eraan na het wassen het tape te verwijderen en de antenne terug te plaatsen.
Schoonmaken van de koplampen
De koplampen hebben een kunststof ruit, die u met een zachte doek of poetskatoen kunt schoonvegen. Als dit onvoldoende is, bevochtig deze dan met wat zeepsop en veeg deze af met een zachte doek of poetskatoen.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alcoholbasis.
Een goed onderhouden auto gaat langer mee. Daarom wordt aangeraden de binnenkant van de auto regelmatig te onderhouden.
Een vlek moet altijd snel behandeld worden.
Reinig de bekleding (ongeacht het soort vlek) met koud of lauwwarm zeepsop op basis van natuurlijke zeep.
Gebruik geen detergenten (afwasmiddel, producten in poedervorm, producten op alcoholbasis enz.).
Gebruik een zachte doek.
Spoel en absorbeer het overschot.
Ruiten van instrumenten
(bv. van het dashboard, het klokje, de buitenthermometer, het radiopaneel ...)
Veeg deze schoon met een zachte doek of poetskatoen.
Als dat onvoldoende is, gebruik dan een in zeepsop gedrenkte doek of poetskatoen en veeg de ruit voorzichtig na met een vochtige doek.
Veeg de ruit tenslotte voorzichtig af met een droge zachte doek.
Gebruik geen producten op alcoholbasis.
Autogordels
Deze moeten goed schoon worden gehouden.
Gebruik producten die door de merkdealer worden geleverd of lauw zeepsop en een spons; veeg de gordels met een doek droog.
Gebruik geen wasmiddelen of kleurstoffen omdat deze de gordels kunnen aan-tasten.
Textiel (stoelen, deurbekleding ...)
Stofzuig het textiel regelmatig.
Vloeistofvlekken
Gebruik zeepsop.
Absorbeer de vlek of duw er lichtjes op (nooit wrijven) met een zachte doek. Spoel daarna het restant af en absorbeer dit.
Vlekken van vaste of halfvaste substanties
Verwijder restanten van vaste of halfvaste substanties onmiddellijk met behulp van een spatel (ga daarbij vanaf de randen naar het midden van de vlek om te voorkomen dat deze wordt uitgesmeerd).
Reinig zoals aangegeven voor vloeistofvlekken.
Snoep en kauwgom verwijderen
Leg een ijsblokje op de vlek om deze te laten uitharden en ga daarna te werk zoals aangegeven voor vaste vlekken.
Raadpleeg de merkdealer voor advies over het onderhoud van het interieur en/of bij een onbevredigend resultaat.
Verwijderen/terugplaatsen van oorspronkelijk in de auto aangebrachte afneembare uitrusting
Als u afneembare uitrusting moet verwijderen om het interieur schoon te maken (bijvoorbeeld matten), moet u altijd zorgen dat u ze correct en aan de goede kant terugplaatst (de bestuursmat moet aan de kant van de bestuurder worden teruggeplaatst) en vastzet met de elementen die bij de uitrusting zijn geleverd (de bestuurdersmat bijvoorbeeld, moet altijd worden vastgezet met behulp van de voorgeïnstalleerde bevestigingselementen).
Controleer altijd, terwijl de auto nog stilstaat, of niets de besturing hindert (obstakel onder de pedalen, een hak die achter de mat blijft hangen).
Wat u niet moet doen
Het wordt met kracht ontraden om voorwerpen met deodorant, parfum enz., bij de ventilatieroosters te plaatsen omdat deze de bekleding van het dashboard kunnen aan- tasten.

Het gebruik van een hoge- drukreiniger of sproeien in het interieur van de auto wordt ten strengste afgeraden: als
geen bijzondere voorzorgsmaatregelen worden genomen, bestaat het gevaar dat elektrische en elektronische componenten in de auto defect raken.


[Non-Text]
Hoofdstuk 5: Praktische tips
Lekke band 5.2
Reservewiel.... 5.2
Pompset voor de banden 5.3
Gereedschap (Krik – Wielsleutel, enz.) 5.8
Wieldop 5.8
Verwisselen van een wiel 5.9
Banden (veiligheid, wielen, wintergebruik) 5.11
Koplampen (vervangen van een lamp) 5.14
Achterlichten (vervangen van een lamp).... 5.17
Binnenverlichting (vervangen van een lamp) 5.22
Zekeringen. 5.24
Accu. 5.26
RENAULT-kaart: batterijtje 5.28
Toebehoren 5.29
Ruitenwisserbladen (vervangen) 5.30
Slepen 5.31
Storingen 5.33
5.1
LEKKE BAND, RESERVEWIEL

In geval van een lekke band, heeft u, afhankelijk van de auto, de beschikking over:
Een reservewiel of een oppompset voor de banden (raadpleeg de volgende bladzijdes).
Reservewiel
Het reservewiel bevindt zich in de bagage- ruimte. Om erbij te kunnen komen:
- open de achterklep;
- til de mat van de bagageruimte 1 en 2 op;
- draait u de centrale bevestiging los;
- verwijdert u het reservewiel.
Bijzonderheid:
Het controlesysteem van de bandenspanning controleert niet de spanning van de reserveband (het door het reservewiel vervangen wiel verdwijnt van het display op het instrumentenpaneel).
Raadpleeg de paragraaf "Controlesysteem bandenspanning" in hoofdstuk 2.

Laat het reservewiel regelmatig door uw dealer controleren. Na verloop van tijd kan het door veroudering onbruikbaar worden.
Auto's met een reservewiel dat kleiner is dan de andere vier wielen:
- Monteer nooit meer dan één reservewiel op een auto.
- Vervang zo snel mogelijk het reservewiel door een wiel van dezelfde maat als het originele wiel.
- Bij tijdelijke gebruik van dit reservewiel, mag de rijsnelheid niet hoger zijn dan de snelheid die op de sticker op het wiel aangegeven staat.
- De montage van dit wiel kan het rijgedrag van uw auto veranderen. Voorkom snel optrekken en krachtig remmen en verminder uw snelheid in bochten.
- Als u sneeuwkettingen moet gebruiken, monteer dan het reservewiel op de achteras en controleer de bandenspanning.
POMPSET VOOR DE BANDEN (1/5)
32788

De set repareert beschadigde banden waarvan het loopvlak A beschadigd is door een voorwerp van minder dan 4 millime-
ter. Hij repareert niet alle typen lekken, zoals sneden van meer dan 4 millimeter, sneden aan de zijkant B van de band, enz.
Controleer ook of de velg in goede staat is.
Verwijder niet het voorwerp dat de oorzaak is van de lekkage als dit nog in de band zit.

Gebruik de pompset niet als de band beschadigd is door het rijden met een lekke band.
Controleer dus zorgvuldig de zijkant van de banden voor het repareren.
Bovendien kan het rijden met zachte of zelfs platte (of lekke) banden de veiligheid in gevaar brengen en niet te repareren blijken.
Deze reparatie is tijdelijk
Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
Voor het vervangen van een band die met behulp van deze set gerepareerd is, moet u de specialist op de hoogte brengen.
Tijdens het rijden kan een trilling gevoeld worden door de aanwezigheid van het product in de band.

De set is uitsluitend bestemd en goedgekeurd voor het oppompen van banden van een auto die met deze set uitgerust
is.
In geen geval mag de set gebruikt worden voor het oppompen van banden van een andere auto of enig ander oppompbaar voorwerp (zwemband, boot, enz.).
Voorkom dat de huid in contact komt met de reparatievloeistof tijdens de werkzaamheden met de fles. Als toch druppeltjes ontsnappen, moet u deze overvloedig afspoelen.
Houd de reparatieset uit de buurt van kinderen.
Gooi het lege reservoir niet in de natuur. Lever het in bij uw merkdealer of bij een depot voor klein chemisch afval.
Het reservoir heeft een beperkte houdbaarheid die is aangegeven op zijn etiket. Controleer de houdbaarheidsdatum.
Ga bij een merkdealer langs om de pompslang en het reservoir met het re-paratieproduct te laten vervangen.
POMPSET VOOR DE BANDEN (2/5)

Pompset C
Gebruik afhankelijk van de auto, in geval van een lekke band, de oppompset voor de banden.

Voordat u de set gebruikt zet u de auto aan de kant van de weg, ver genoeg van het verkeer, schakelt u de alarmknip-
perlichten in, zet u de handrem vast, laat u alle inzittenden uit de auto stappen en zorgt u dat deze zich op veilige afstand van het verkeer bevinden.
- Pak de compressor 4 en de fles 1 onder de mat van de bagageruimte;
- rol de pompslang 8 uit en de elektrische draad 9 onder de compressor en de pompslang 10. Maak de fles op zijn houder 3 vast en schroef de pompslang 8 op het uiteinde 2.
Draaiende motor, parkeerrem aangetrokken:
- schroef de dop van het ventiel van het betreffende wiel los en zet de pompslang 10 op het ventiel vast;
- sluit de stekker 9 aan op een accessoireaansluiting van de auto (raadpleeg de paragraaf "Accessoireaansluitingen" in hoofdstuk 3), druk daarna op de schakelaar 7 om de band op de voorgeschreven spanning te brengen (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier);
- na maximaal 5 minuten stopt u het pompen, daarna leest u de spanning af op de manometer 6. Corrigeer de spanning indien nodig: ga door met pompen voor meer spanning of druk op knop 5 voor minder.
Als na 15 minuten de minimum spanning van de band van 1,8 bar nog niet is bereikt, dan is reparatie niet mogelijk. Ga niet rijden, maar neem contact op met een merkdealer.

Als u de auto heeft stilgezet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van
de gevarendriehoek of op een andere, in het land waar u bent, voorgeschreven manier.
POMPSET VOOR DE BANDEN (3/5)

Als de band correct is opgepompt:
- stop de set;
- draai de twee pompaansluitingen 8 en 10 voorzichtig los;
- schroef de aansluiting 10 op de fles zonder daarbij product te morsen;

Laat geen voorwerpen bij de voeten van de bestuurder liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwer-
pen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.
- Plak het etiket met de rijvoorschriften, onder de fles 1, op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard.
- berg de set op;
- na het eerste oppompen lekt de band nog steeds, het is van groot belang een stuk te rijden om het gat te dichten;
- rijd direct weg en rijd met een snelheid tussen 20 en 60 km/h om het product gelijkmatig in de band te verdelen en stop na 3 kilometer om de spanning van de band te controleren;
- als de spanning van de band hoger is dan 1,3 bar, corrigeer deze dan op de voorgeschreven waarde (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier), als dit niet zo is, neem dan contact op met een merkdealer: de reparatie is niet mogelijk.
N.B.: na gebruik van de pompset, moet u bij een dealer de pompslang en de fles met het reparatieproduct laten vervangen.
Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set
De set mag niet langer dan 15 minuten aan-eengesloten gebruikt worden.

Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de banning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet meer dan 200 km rijden. Verminder bovendien uw snelheid en rijd
in elk geval niet sneller dan 80 km/u. Het etiket dat u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan.
Afhankelijk van het land of de plaatselijke voorschriften, moet een met de pompset gerepareerde band worden vervangen.
POMPSET VOOR DE BANDEN (4/5)

Pompset D
Gebruik, afhankelijk van de auto, in geval van een lekke band, de set die is opgeborgen in de bagageruimte of onder de mat van de bagageruimte.

Voordat u de set gebruikt zet u de auto aan de kant van de weg, ver genoeg van het verkeer, schakelt u de alarmknip-
perlichten in, zet u de handrem vast, laat u alle inzittenden uit de auto stappen en zorgt u dat deze zich op veilige afstand van het verkeer bevinden.
Draaiende motor, parkeerrem aangetrokken:
- rol de slang van de fles uit;
- sluit de slang 13 van de compressor aan bij de toevoer van de fles 18;
- sluit, afhankelijk van de auto, de fles 18 bij de flesafdruk 17 aan op de compressor;
- schroef het dopje van het ventiel van het betreffende wiel los en schroef de pomp-aansluiting van de fles 11 erop;
- sluit de stekker 12 beslist aan op de accessoireaansluiting van uw auto;
-
druk op de schakelaar 14 om de band op te pompen tot de voorgeschreven bandenspanning (raadpleeg de paragraaf "bandenspanning");
-
na maximaal 15 minuten stopt u het pompen om de spanning af te lezen (op de manometer 15).
NB: terwijl de fles leegloopt (ongeveer 30 seconden), geeft de manometer 15 kort een druk van 6 bar aan, daarna daalt de spanning. - corrigeer de bandenspanning: om deze te verhogen gaat u door met het oppompen met de set, om deze te verlagen drukt u op de knop 16.
Als na 15 minuten de minimum spanning van de band van 1,8 bar nog niet is bereikt, dan is reparatie niet mogelijk. Ga niet rijden, maar neem contact op met een merkdealer.

Als u de auto heeft stilgezet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van
de gevarendriehoek of op een andere, in het land waar u bent, voorgeschreven manier.
POMPSET VOOR DE BANDEN (5/5)

Als de band correct is opgepompt, verwijdert u de set: schroef de pompdop 11 voorzichtig los zodat er geen product kan wegspuiten en berg de fles op in een plastic zak zodat er geen product kan wegstromen.

Laat geen voorwerpen bij de voeten van de bestuurder liggen. In geval van plotseling remmen zouden deze voorwer-
pen onder de pedalen terecht kunnen komen, waardoor de bestuurder deze niet meer goed zou kunnen bedienen.
- Plak het etiket met de rijvoorschriften op een voor de bestuurder zichtbare plaats op het dashboard;
- Berg de set op.
- Als de band na de eerste keer oppompen nog steeds lek is, moet er worden gere- den om het gat te vullen.
- Rijd direct weg en rijd tussen de 20 en 60 km/u om het product gelijkmatig in de band te verdelen. Stop na 3 kilometer rijden om de spanning te controleren.
- Als de spanning hoger is dan 1,3 bar, maar lager dan de voorgeschreven waarde, corrigeer deze dan (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier); als dit niet zo is, neem dan contact op met een merkdealer: er is geen reparatie mogelijk.
Voorzorgsmaatregel bij het gebruik van de set
de set mag niet langer dan 15 minuten aan- eengesloten gebruikt worden.

Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de banning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.

Na een reparatie met behulp van de set, mag u niet meer dan 200 km rijden. Verminder bovendien uw snelheid en rijd
in elk geval niet sneller dan 80 km/u. Het etiket dat u op een zichtbare plaats op het dashboard moet plakken, herinnert u hieraan.
Afhankelijk van het land of de plaatselijke voorschriften, moet een met de pompset gerepareerde band worden vervangen.
GEREEDSCHAP/WIELDOP - WIEL

Het gereedschap bevindt zich in de bagageruimte: til de mat van de bagageruimte op, verwijder de krik en draai de centrale bevestiging los. Bij de montage moet u de voet van de krik B aan de onderkant vastklemmen.
De aanwezigheid van de gereedschappen in de gereedschapset is afhankelijk van de auto.
Krik 1
Vouw hem in en plaats de spanner A correct voordat u hem in zijn houder terugplaatst.
Sleepoog 2
Raadpleeg de paragraaf "Slepen" in hoofdstuk 5.
Sierdopsleutel 3
Voor het verwijderen van de wieldoppen.
Wielmoersleutel 4
Voor het vastzetten/loszetten van de wielbouten.
Antidiefstalmoer
Deze kunnen in de gereedschapset worden opgeborgen.

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is gevaarlijk als u plotseling moet remmen. Klem na gebruik het gereedschap weer goed vast in de gereedschapset en berg deze correct op in zijn houder: risico van verwonding.
Als de gereedschapset wielbouten bevat, gebruik deze bouten dan alleen voor het reservewiel: raadpleeg de sticker op het reservewiel.
Gebruik de krik alleen voor het verwisselen van een wiel. De krik mag nooit als steun bij werkzaamheden onder de auto worden gebruikt.

Sierdop
Verwijder deze met behulp van de sierdopsleutel 3 met het haakje in de daarvoor bestemde uitsparing:
- bij het ventiel voor de sierdop 5;
- langs de omtrek in geval van een centrale sierdop.
Om de sierdop 5 weer terug te plaatsen, richt u hem ten opzichte van het ventiel 6.
Duw de haakjes er in, te beginnen met kant C daarna D en E en eindig met de kant tegenover ventiel F.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (1/2)


Schakel de alarmknipperlichten in.
Zet de auto stil op een horizontale, stroeve en stevige on-
dergrond (leg indien nodig een stevige plank onder de krik) op veilige afstand van het verkeer.
Zet de parkeerrem vast en schakel een versnelling in (eerste of achteruit, of P bij een automatische transmissie).
Laat alle inzittenden uitstappen en houd hen op veilige afstand van het verkeer.
Auto met krik en wielmoersleutel
Verwijder de wieldop (indien van toepassing).
Draai de wielbouten iets los met de wielmoersleutel 3. Plaats deze zo dat u deze naar beneden kan drukken.
Houd de krik 4 horizontaal, met de kop van de krik bij de metalen versterkingsplaat 1 die het dichtst bij het betreffende wiel is, en is aangegeven met een pijl 2.
Als de auto geen krik, wielmoersleutel, enz. heeft, kan een merkdealer u deze leveren.

Als u de auto heeft stilgezet in de berm van de weg, moet u de andere weggebruikers waarschuwen door middel van
de gevarendriehoek of op een andere, in het land waar u bent, voorgeschreven manier.
Draai de krik met de hand omhoog zodat u de voet van de krik vlak op de grond kunt zetten, iets binnen de rand van de carrosserie.
Draai de zwengel een paar slagen tot het wiel vrijkomt van de grond.

Om verwondingen of schade aan de auto te voorkomen, draai de krik uit tot het te vervangen wiel zich op maximum
3 centimeter van de grond bevindt.
VERWISSELEN VAN EEN WIEL (2/2)
Draai de wielbouten geheel los en neem het wiel van de naaf.
Plaats het reservewiel op de naaf en draai het wiel rond tot de gaten voor de wielbouten samenvallen.
Als het reservewiel eigen bouten heeft, mag u deze bouten uitsluitend gebruiken voor het reservewiel. Controleer of het wiel goed tegen de naaf is gedrukt, zet de bouten vast en draai de krik los.
Wiel op de grond, zet de bouten met kracht vast, en laat het vastzitten zo snel mogelijk controleren: aantrekkoppel 130 Nm (aantrekkoppel bij auto's met bestuurbare achterwielen: 145 Nm).
Antidiefstalbouten
Als u antidiefstalbouten gebruikt, moet u deze bouten zo dicht mogelijk bij het ventiel plaatsen (risico dat de wieldop niet gemonteerd kan worden).

Als u merkt dat een band lek is moet u direct stoppen en het reservewiel monteren.
Een lekke band moet zo snel mogelijk worden gerepareerd en vóór terugplaatsing door een deskundige worden onderzocht.
BANDEN
Veiligheid van de banden -- wielen
De banden vormen de enige verbinding tussen de auto en het wegdek, het is daarom van het grootste belang dat zij in goede staat verkeren.
Houd u strikt aan de wettelijke voorschriften op dit gebied.

Als de banden vervangen moeten worden, mag dit alleen gebeuren door even grote banden van hetzelfde merk,
met dezelfde eigenschappen en met hetzelfde profiel.
Zij moeten: ofwel gelijk zijn aan de oorspronkelijk gemonteerde, ofwel voldoen aan de door de merkdealer gestelde eisen.

Onderhoud van de banden
De banden van uw auto moeten altijd aan de wettelijke voorschriften voldoen. Bovendien moeten de banden, in het belang van een goede wegligging van uw auto, van hetzelfde merk zijn en hetzelfde profiel hebben. De banden moeten in goede staat verkeren en voldoende profiel hebben; de merken die door onze technische dienst zijn goedgekeurd, zijn voorzien van slijtagecontrole-stiften 1.
31546
Deze slijtagecontrolestiften zijn op regelmatige afstanden over de omtrek van het loopvlak verdeeld. Als het loopvlak van een band tot aan deze stiften is weggesleten, zoals bij 2, moet u deze band laten vervangen omdat er dan nog slechts 1,6 mm profiel overblijft.
Ook door overbelasting, door het langdurig snel rijden bij hoge buitentemperaturen en door het regelmatig rijden op slechte wegen, kunnen de banden worden beschadigd, waardoor de veiligheid in gevaar komt.

Bestuurdersfouten, zoals "rijden tegen een stoeprand", kunnen de banden en de velgen beschadigen, en de en of achterwielen ontregelen.
Laat in dat geval hun staat door een merkdealer controleren.
BANDEN (vervolg)
Bandenspanning
Houd u aan de bandenspanningen (inclusief het reservewiel), controleer de bandenspanningen ten minste eenmaal per maand en zeker voor een lange rit (raadpleeg de sticker op de zijkant van het bestuurdersportier).

Door een te lage banden- spanning ontstaat vroegtijdige slijtage en worden de banden abnormaal heet, met alle ge-
volgen van dien voor de veiligheid:
- slechte wegligging,
- risico van een klapband of het losla- ten van het loopvlak.
De bandenspanning is afhankelijk van de belasting en de snelheid. Zorg voor de juiste bandenspanning afhankelijk van de gebruiksomstandigheden (raadpleeg de paragraaf "Bandenspanning").
Controleer de spanning bij koude banden, houd geen rekening met een hogere waarde bij warm weer of na een snel gereden rit.
Indien u de bandenspanning niet bij koude banden kunt controleren, moet u de opge- geven waarden met 0,2 tot 0,3 bar (3 PSI) verhogen.
Verlaag nooit de spanning van een warme band.
Bijzonderheid
Afhankelijk van de auto, heeft deze een adapter die u op het ventiel moet plaatsen voordat u de band oppompt.

Let op, als een ventieldopje ontbreekt of niet goed vastgezet is, kan er lucht uit de banden ontsnappen en de banning afnemen.
Zorg altijd dat de ventieldopjes gelijk zijn aan de originele en dat ze helemaal vastgezet zijn.
Vervangen van de banden

Laat, om veiligheidsredenen het vervangen van de banden over aan een deskundige.
Door het monteren van afwijkende banden kan:
- de auto gaan afwijken van de betreffende wettelijke voorschriften;
– de wegligging verslechteren; - het sturen zwaarder gaan;
- het gebruik van sneeuwkettingen belemmerd worden.
Reservewiel
Zie de paragrafen "reservewiel" en "verwisselen van een wiel" in hoofdstuk 5.
BANDEN (vervolg)
Het kruisen van de wielen
Dit wordt afgeraden.

Auto uitgerust met contro- lesysteem voor de banden- spanning
De in ieder ventiel gemon- teerde drukzender is speciaal voor dit wiel op deze plaats bestemd: in geen geval mogen de wielen van plaats worden verwisseld zonder het systeem te resetten.
Gevaar van verkeerde informatie met ernstige gevolgen.
De banden in de winter
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen mogen uitsluitend rond de voorwielen worden gelegd.
Als een te grote bandenmaat is gemonteerd, kunnen er geen sneeuwkettingen worden gemonteerd.
Winterbanden
Voor een optimale grip van uw auto raden wij u aan deze banden op alle vier wielen te monteren.
Let op: deze banden hebben soms een pijl met de draairichting en een indicatie van de maximumsnelheid die lager kan liggen dan de topsnelheid van uw auto.
Spijkerbanden
Het gebruik van spijkerbanden is slechts onder bepaalde omstandigheden toegestaan. Houd u aan de ter plaatse geldende voorschriften, en rijd niet sneller dan de daarmee toegelaten maximum snelheid.
Indien u voor deze banden kiest, moeten zijn in ieder geval links en rechts voor worden gemonteerd.
Wij raden u in ieder geval aan een merk-dealer te raadplegen. Hij weet als geen ander welke voorzieningen het beste bij uw auto passen.

Het gebruik van sneeuwkettingen is alleen mogelijk in combinatie met banden die even groot zijn als de oorspronke-
lijk op uw auto gemonteerde banden.
Als uw auto oorspronkelijk banden heeft met een diameter van 17", is het monteren van sneeuwkettingen mogelijk, op voorwaarde dat u specifieke sneeuwkettingen gebruikt. Raadpleeg een merkdealer.
HALOGEEN KOPLAMPEN: vervangen van een lamp
27055

Omdat het demonteren van beschermkappen nodig is, adviseren wij het vervangen van de lampen over te laten aan een merkdealer.
Zorg dat u altijd een doos met reserve-lampen en -zekeringen in de auto hebt, deze is verkrijgbaar bij uw merkdealer.

Dimlicht/Grootlicht
Verwijder het kapje A of B, maak daarna de lamp 2 los door op de stekker 1 te drukken, en trek het geheel uit zijn houder of verwijder de veer 5 en daarna de stekker 4 van de lamp 3.
Lamptype: gebruik uitsluitend anti-UV lampen van 55W om de plastic ruit van de koplampen niet te beschadigen.
2 → H7 3 → H7
Raak het lampglas niet aan. Houd de lamp vast aan de metalen voet.
Vergeet niet, na het vervangen van de lamp, de kap terug te plaatsen.
Markeringslicht voor
Verwijder het kapje A en trek aan de lamphouder 6 om bij de lamp te komen.
Lamptype: W5W.
Richtingaanwijzer
Raadpleeg een merkdealer.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver-
wacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
XENONKOPLAMPEN: vervangen van een lamp

Omdat het demonteren van organen (accu, accusteun) nodig is, adviseren wij het vervangen van de lampen over te laten aan een merkdealer.
Dimlicht met xenonlamp B Lamptype: D1S.

Omdat het werken aan hoog- spanningssystemen gevaarlijk is, moet het vervangen van dit type lamp uitgevoerd worden n merkdealer.

Verlichting overdag
Verwijder het kapje A en draai daarna de lamphouder 1 naar links. Lamptype: W21/5W.
Markeringslicht voor
Verwijder het kapje A en trek daarna aan de lamphouder 2. Lamptype: W5W.
Richtingaanwijzer
Raadpleeg een merkdealer.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.

Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onver- an draaien.
Risico van verwonding.

Vanwege de speciaal vereiste technologie, is het verboden een xenonlamp te monteren in een koplamp die hier oor- lijk niet mee is uitgerust.
KOPLAMPEN: mistlicht voor, extra lampen

Mistlichten aan de voorzijde 1
Omdat het demonteren van de bumper nodig is, adviseren wij het vervangen van de lampen over te laten aan een merkdealer.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
Extra lampen
Vraag en merkdealer advies indien u extra lampen (mistlichten of verstralers) op uw auto wilt monteren.

Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kan de elektrische installatie worden be-
schadigd (bedrading, organen en in het bijzonder de dynamo). Laat eventuele veranderingen door een merkdealer uitvoeren. Hij beschikt over de noodzakelijke onderdelen.
LAMPEN ACHTER EN ZIJKANT: vervangen van een lamp (1/5)

Vanaf de bagageruimte, zet een kwart slag 2 los om bij bout 1 te komen.
Zet hem daarna los en trek het lamphuis naar buiten.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.

Zet de lamphouder 3 met een kwart slag los. Vervang de lamp 4.

Lamptype: W16W.
Zorg dat u altijd een doos met reserve-lampen en -zekeringen in de auto hebt, deze is verkrijgbaar bij uw merkdealer.
LAMPEN ACHTER EN ZIJKANT: vervangen van een lamp (2/5)

Vanaf de bagageruimte, maakt u de klep 5 los.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.

Zet de bout 6 los om het lamphuis 7 te kunnen verwijderen door hem naar buiten te drukken.
Zet de lamphouder 8 met een kwart slag los en vervang daarna de lamp.
Lamptype: W16W.
Mistachterlicht
Zet de lamphouder 9 los door hem naar het midden van de auto te duwen van onderaf.
Lamptype: P21W.
N.B.: alleen de lamp aan bestuurderskant licht op.


LAMPEN ACHTER EN ZIJKANT: vervangen van een lamp (3/5)

Maak vanuit de bagageruimte, het tapijt aan de zijkant vrij.
N.B.: afhankelijk van de auto, kan het nodig zijn het deurtje van de opbergruimte A te demonteren.
Zet van binnenuit de drie bouten 10 los, maak daarna van buitenaf het lamphuis vrij door het naar achteren te trekken, maak daarna de lamphouder los.
Vervang de betreffende lamp.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.

12 Richtingaanwijzer
Lamptype: PY21W.
13 Achteruitrijlicht
Lamptype: P21W.
14 Mistachterlicht
Lamptype: P21W.
LAMPEN ACHTER EN ZIJKANT: vervangen van een lamp (4/5)

Toegankelijkheid voor auto's met een luidspreker in de bagageruimte linkerkant
Maak vanuit de bagageruimte, het tapijt aan de zijkant vrij.
Zet de drie bouten 15 16 en 17 los, maak daarna de luidspreker vrij.
NB.: voor de 5-deurs uitvoeringen, pakt u de box met twee handen vast en beweegt u de bovenkant van de box naar u toe terwijl u de bevestiging 16 tegen de bekleding gedrukt houdt.
Duw de box naar de voorkant van de auto (beweging B) en haal de box daarna eruit.

Zet van binnenuit de drie bouten 18 los, maak daarna van buitenaf het lamphuis vrij door het naar achteren te trekken, maak daarna de lamphouder los.
Vervang de betreffende lamp.
Zorg dat u altijd een doos met reserve-lampen en -zekeringen in de auto hebt, deze is verkrijgbaar bij uw merkdealer.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
LAMPEN ACHTER EN ZIJKANT: vervangen van een lamp (5/5)

Raadpleeg een merkdealer.

Kentekenverlichting 20
Druk tegen het lipje 21 en maak het lamp-huis 20 los.
Maak het kapje los van het lamphuis zodat u bij de lamp kunt komen.
Lamptype: buislampje C5W.

Zijknipperlichten 22
Wip het zijknipperlicht 22 los (met behulp van een platte schroevendraaier bij C om het zijknipperlicht van achteren naar voren te kantelen).
Draai de lamphouder een kwart slag en haal de lamp eruit.
Lamptype: W5W.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
Zorg dat u altijd een doos met reserve-lampen en -zekeringen in de auto hebt, deze is verkrijgbaar bij uw merkdealer.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (1/2)

Binnenlicht
Wip met een platte schroevendraaier de kap van het lamphuis los, kantA daarna kant B.
Maak de betreffende lamp 1 vrij.
Lamptype: W5W.

Maak de verlichting 2 met een platte schroe-vendraaier los.
Draai de lamphouder een kwart slag en haal de lamp eruit.
Lamptype: W5W.

Vloerverlichting voor
De verlichting bevindt zich onder en achter het dashboard.
Draai de lamphouder 3 een kwart slag en trek de lamp eruit.
Lamptype: W5W.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
BINNENVERLICHTING: vervangen van een lamp (2/2)

Wip de verlichting 4 met een platte schroevendraaier los.

Maak de stekker los.
Druk tegen het lipje 5 zodat de lichtkap 7 vrijkomt en u de lamp 6 kunt vervangen.
Lamptype: W5W.

De lampen staan onder druk en kunnen openbarsten bij het vervangen.
Risico van verwonding.
ZEKERINGEN (1/2)

Zekeringkastje 2
Controleer de staat van de zekeringen als een elektrisch apparaat niet werkt.
Open bergruimte A. Druk op het lipje 1 om het te kantelen, trek het daarna naar u toe om het los te maken.
Raadpleeg de sticker en de verklaring op de volgende bladzijde voor het bepalen van de te controleren zekering.

Controleer de betreffende zekering en vervang hem, indien nodig, door een zekering met hetzelfde amperage als de nkelijke zekering.
Door een te sterke zekering kan de bedrading te heet worden en kan brand ontstaan als een elektrisch orgaan door een storing te veel stroom verbruikt.

Klem 3
Verwijder de zekering met het tangetje 3, dat zich bevindt aan de achterkant van bergruimte A.
U kunt de zekering uit het tangetje schuiven.
Gebruik niet de ongebruikte plaatsen op de zekeringplaat om reservezekeringen in te steken.
Afhankelijk van de wetgeving of uit voorzorg:
Zorg dat u altijd reservelampen en -zekeringen in uw auto heeft, een merkdealer kan u deze leveren.
ZEKERINGEN (2/2)
Bestemming van de zekeringen (AFHANKELIJK VAN DE UITVOERING)
| Symbool | Bestemming Symbol Bestemming | ||
| Binnenverlichting | Versterker radio | ||
| Binnenspiegel | Radio | ||
| Achterruitverwarming | Instrumentenpaneel | ||
| Claxon | Hulp- en correctiesystemen tijdens het rijden | ||
| Veiligheid van de kinderen | Elektrische stoelen | ||
| Knipperlicht | Accessoireaansluitingen | ||
| Elektrische ruitbediening | Ventilatie | ||
| Stoelverwarming | Airconditioning | ||
| Achterruitwisser | Aansteker | ||
| Open dak | Verwarming | ||
| Automatische parkeerrem | Ruitensproeiers | ||
| Voeding van de trekhaak |

Bepaalde accessoires worden beschermd door zekeringen in de motorruimte in het huis A.
Vanwege de moeilijke bereikbaarheid, adviseren wij het vervangen van deze zekeringen over te laten aan een merkdealer.
ACCU: storing (1/2)
Om vonkvorming te voorkomen:
Mag u geen metalen of andere geleidende voorwerpen, die kortsluiting tussen de accupolen kunnen veroorzaken, op de accu leggen.
Accu
Maak deze nooit los.

Schakel altijd de functie Stop and Start uit voordat u werkzaamheden in de motorruimte uitvoert.
Aansluiting van een acculader
De acculader moet geschikt zijn voor een accu met een nominale spanning van 12 volt.
Houd u aan de voorschriften van de fabrikant van de acculader.

De accu bevat zwavelzuur. Vermijd daarom contact met de ogen, de huid of kleding. Bij onverhoopt contact spoelen met
veel water. Indien nodig een arts raadplegen.
Houd open vuur, gloeiende voorwerpen en vonken verwijderd van de accu: explosiegevaar.
Let op bij werkzaamheden dicht bij de motor, deze kan nog warm zijn. Bovendien kan de ventilateurmotor onverwacht gaan draaien.
Risico van verwonding.
Starten met starchulpkabels
Als u voor het starten de accu van een andere auto moet gebruiken, koop dan de startkabels (met groot oppervlak) bij een merkdealer of controleer, als u reeds start-kabels heeft, of deze in goede staat verke-ren.
Beide accu's moeten dezelfde spanning hebben: 12 volt. De hulpaccu moet minstens de capaciteit (ampère-uur, Ah) hebben van de ontladen accu.

Voor bepaalde accu's gelden speciale voorwaarden bij het laden, raadpleeg een merk-dealer.
De geringste vonk kan een zware explosie veroorzaken. Daarom mag u de accu alleen in een goed geventileerde ruimte opladen.
Risico van ernstige verwondingen.
ACCU: storing (2/2)
Starten met starchulpkabels (vervolg)
Let erop dat de auto's elkaar niet raken (kortsluitingsgevaar als u de pluspolen met elkaar verbindt) en dat de ontladen accu goed aangesloten is. Zet het contact af van uw auto.
Start de motor van de hulpauto en laat deze met een middelmatig toerental draaien.
Sluit de kabels A en B uitsluitend aan op de aangegeven aansluitingen.

Controleer of de kabels A en B elkaar nergens raken en of de positieve kabel A geen metalen delen van de hulpauto
raakt.
Risico van verwondingen of beschadiging van de auto.

Accu in de motorruimte
Sluit de positieve kabel A aan op de steun 5 op de aansluiting 1 (+) en daarna op de pluspool 2 (+) van de hulpaccu.
Sluit de negatieve kabel B aan op de houder 6 op de minpool (-) 3 van de hulpaccu en daarna op de minpool (-) 4 van de ontladen accu.
Start de motor en, zodra deze draait, maak de kabels A en B in omgekeerde volgorde los (5 - 4 - 3 - 2).

RENAULT CARD: batterij

Vervangen van het batterijtje
Als de boodschap "Kaartbatterijtje zwak" op het instrumentenpaneel verschijnt, vervangt u het batterijtje van de RENAULT card, druk op de knop 1 terwijl u aan de noodsleutel 2 trekt, maak daarna het deksel 3 los met behulp van het lipje 4.
Verwijder het batterijtje door er aan een kant op te drukken (beweging A) en de andere kant omhoog te trekken (beweging B) en vervang het. Let daarbij op het juiste type en de polariteit, die op het deksel 3 staat.
26860

Ga bij het monteren te werk in omgekeerde volgorde, druk daarna vier keer, , in de nabijheid van de auto, op één van de knoppen van de card: de boodschap verdwijnt als weer gestart wordt.
N.B.: kom bij het vervangen van het batterijtje niet aan het elektronische circuit en de contacten in de RENAULT card.
Zorg dat het deksel goed vastzit.
De batterijtjes zijn verkrijgbaar bij een merkdealer, de levensduur is ongeveer twee jaar. Let op dat er geen inkt op het batterijtje zit: risico van slecht elektrisch contact.
26862
26913

Als het batterijtje te zwak is om goed te kunnen werken, kunt u de auto blijven starten (steek de RENAULT card in de kaartlezer) en vergrendelen/ontgrendelen (raadpleeg de paragraaf "Vergrendelen en ontgrendelen van de portieren" in hoofdstuk 1).

Gooi lege batterijen niet weg, maar lever ze in bij een inza-melpunt voor lege batterijen.
ACCESSOIRES

Controleer voordat u dit type accessoire installeert of dit compatibel is met uw auto. Vraag advies aan een merkdealer.
Sluit alleen accessoires aan met een vermogen van maximaal 120 watt. Risico van brand.
Wijzig niet zelf de bedrading van de auto want door een verkeerde aansluiting kunnen de elektrische installatie en/of de erop aangesloten organen worden beschadigd. Laat eventuele veranderingen door een merkdealer uitvoeren.
In geval van achteraf inbouwen van een elektrische uitrusting, moet u goed in de gaten houden dat de installatie wel is beschermd door een zekering. Noteer de sterkte van deze zekering en de plaats waar hij zich bevindt.
Gebruik van zenders/ontvangers (telefoons, 27 Mc apparatuur, enz.)
Telefoons en 27 Mc-apparatuur met een ingebouwde antenne kunnen de werking beïnvloeden van elektronische systemen in de auto. Gebruik dergelijke apparaten daarom met een buitenantenne. Houd u altijd aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van deze apparaten.
Achteraf inbouwen van accessoires
Als u accessoires op de auto wilt installeren: raadpleeg een merkdealer. Om zeker te zijn dat uw auto goed werkt en om elk risico te vermijden dat uw veiligheid kan aantasten, raden wij u aan om door de constructeur goedgekeurde accessoires te gebruiken: deze zijn aan uw auto aangepast en alleen deze worden door de constructeur gegarandeerd.
Als u een antidiefstalstang gebruikt, bevestig deze dan uitsluitend op het rempedaal.
Hinder bij het rijden
Aan de bestuurderskant mogen alleen voor de auto geschikte matten worden gebruikt, die moeten worden vastgezet aan de vooraf geïnstalleerde onderdelen. Controleer regelmatig of ze goed vastzitten. Stapel niet meerdere matten op elkaar. Gevaar van hakende pedalen
RUITENWISSERBLADEN

25516
Vervangen van de ruitenwisserbladen voor 1
Met contact aan, motor uit, duwt u de schakelaar van de ruitenwisser helemaal naar beneden: zij stoppen in een stand waarbij de motorkap vrij is.
Til de ruitenwisserarmen 3 op, trek aan het lipje 2 (beweging A) en duw het blad naar boven.
Bij het monteren
Schuif het blad op de arm tot het vastklemt. Controleer of het blad goed is vergrendeld. Zet de schakelaar van de ruitenwisser in ruststand.

Ruitenwisserblad achter 4
- Til de ruitenwisserarm 6 op;
- laat het blad 4 kantelen tot u een weerstand voelt (beweging C);
- afhankelijk van de auto, drukt u op het lipje 5, daarna maakt u het blad vrij door er aan te trekken (beweging B).
Bij het monteren
Monteer het ruitenwisserblad in omgekeerde volgorde van losmaken. Controleer of het blad goed is vergrendeld.
Let op de staat van de ruitenwisserbladen. Hun levensduur hangt van u af:
- reinig de bladen, de voorruit en de achterruit regelmatig met water met zeep;
- gebruik ze niet als de voorruit of ach- terruit droog zijn;
- maak ze los van de voorruit of achterruit als ze lang niet gebruikt zijn.

- Controleer als het vriest, voordat u wegrijdt, of de rui- tenwissers voor en achter niet aan het glas zijn vastgevroren.
De wissermotor kan hierdoor te warm worden.
- Controleer regelmatig de wisserbladen. Zodra hun werking afneemt moet u ze vervangen, ongeveer eens per jaar.
Bij het vervangen van het blad, let bij het verwijderen van het blad op, dat u hem niet op de ruit laat vallen: u zou de ruit kunnen breken.
SLEPEN: pech
Vóór het slepen moet u altijd de stuurkolom ontgrendelen: voet op het koppelingspedaal, schakel de eerste versnelling in (hendel in stand N of R voor een auto met automatische transmissie), steek de RENAULT card in de kaartlezer en druk daarna twee secondes op de startknop van de motor.
De stuurkolom wordt ontgrendeld, de accessoires worden gevoed: u kunt de verlichting van de auto gebruiken (richtingaanwijzers, remlichten, enz.). 's Nachts moet de auto zijn verlicht.
Druk na het slepen twee keer kort op de startknop van de motor (risico van het ontladen van de accu).
Houd u altijd aan de wettelijke bepalingen inzake het slepen. Als u de trekkende auto bent, overschrijd dan niet het maximaal toegelaten aanhangergewicht van uw auto (raadpleeg de paragraaf "Massa's" in hoofdstuk 6).

Haal de RENAULT card niet uit de lezer tijdens het slepen.
Slepen van een auto met een automatische transmissie
Wanneer de motor niet draait, wordt de automatische transmissie niet meer gesmeerd; u kunt dan ook de auto het beste laten slepen met beide voorwielen van de grond (en niet de achterwielen) of op een plateau vervoeren.
Bij uitzondering, kunt u de auto laten slepen met de vier wielen op de grond, uit-sluitend vooruit rijdend met de hendel in stand N en over een afstand van maximaal 50 km.

Indien de selecteurhendel niet uit de stand P kan worden verzet als u het rempedaal indrukt, dan kunt u de hendel als
volgt met de hand vrijzetten. Steek hiervoor een stevige pen in het gat 1 en druk tegelijk op de pen op de ontgrendelknop op de knop van de versnellingshendel.
SLEPEN: pech (vervolg)

Gebruik uitsluitend de sleeppunten voor 3 en achter 5 (en nooit de aandrijfassen of enig ander deel van de auto). Deze sleeppunten mogen alleen gebruikt worden om de auto mee te slepen en in geen geval om de auto direct of indirect aan op te hijsen.

Bij stilstaande motor werken de
stuur- en rembekrachtiging niet
meer.

Toegang tot de sleeppunten
Maak het kapje 2 of 6 los door een plat ge-reedschap (of de sleutel uit de RENAULT card) onder het kapje te steken.
Schroef het sleepoog 4 zo ver mogelijk vast: eerst met de hand en daarna met de wielsleutel.
Gebruik uitsluitend het sleepoog 4 en de wielmoersleutel die zijn opgeborgen onder de mat van de bagageruimte in de gereedschapset (raadpleeg de paragraaf "gereedschap" in hoofdstuk 5).

- Gebruik een starre sleep- stang. Indien u een touw of kabel gebruikt bij het slepen (als dit wettelijk toegestaan is), de auto die gesleept wordt nog en remmen.
- De auto die gesleept wordt, moet te allen tijde bestuurbaar zijn.
- Accelereer en rem gelijkmatig en zonder schokken om te voorkomen dat de auto beschadigen.
- U mag in geen geval sneller rijden dan 25 km/u.

Laat nooit gereedschap in de auto rondslingeren. Dit is ge- vaarlijk als u plotseling moet remmen.
Klem na gebruik het gereedschap weer goed vast in de gereedschapset en berg deze correct op in zijn houder: risico van verwonding.
Risico van verwonding.
STORINGEN (1/5)
Onderstaande aanwijzingen helpen u eventuele storingen snel, maar voorlopig, te verhelpen. Laat de auto echter wel zo spoedig mogelijk door een merkdealer nakijken.
Gebruik van de RENAULT card MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| De RENAULT card werkt niet voor het ont-grendelen of vergrendelen van de portie-ren. | Batterij van de card leeg. Vervang de batterij. U kunt uw auto altijd ver-grendelen/ontgrendelen en starten (raadpleeg de paragrafen “Vergrendelen/ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1 en “Starten/stoppen van de motor” in hoofdstuk 2). | |
| Gebruik van apparaten die op dezelfde frequentie als de card werken (mobiele te-lefoon, enz.). | Schakel de apparatuur uit of gebruik de ing-gebouwde sleutel (raadpleeg de paragraaf “Vergrendelen/ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1). | |
| De auto bevindt zich in een sterk elektro-magnetisch veld.Accu van de auto ontladen. | Gebruik de in de card ingebouwde sleutel (raad-pleeg de paragraaf “ Vergrendelen/ontgrendelen van de portieren” in hoofdstuk 1). | |
STORINGEN (2/5)
U schakelt de startmotor in MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| De controlelampjes op het instrumentenpaneelgaan zwakker of niet branden, de startmotordraait niet. | Accuklemmen niet goed vastge-zet, los of geoxideerd. | Vastzetten, aansluiten of reinigen indien geoxideerd. |
| Accu ontladen of defect. Sluit een andere accu aan op de ontladen accu. Raadpleegde paragraaf “Accu: storing” in hoofdstuk 5 of vervang deaccu indien nodig.Duw de auto niet aan als de stuurkolom is vergrendeld. | ||
| De motor wil niet starten. De voorwaarden voor het star-ten zijn niet vervuld. | Raadpleeg de paragraaf “Starten/stoppen van de motor”in hoofdstuk 2. | |
| De handsfree RENAULT cardwerkt niet. | Steek de card in de lezer voor het starten.Raadpleeg de paragraaf “Starten/stoppen van de motor”in hoofdstuk 2. | |
| De motor weigert te stoppen. Card niet gedetecteerd. Steek de card in de kaartlezer. | ||
| Elektronische storing. Druk vijf keer snel op de startknop. Als de functie Stop andStart is geactiveerd, kan de motor opnieuw worden gestartdoor het koppelingspedaal in te drukken. | ||
| De stuurkolom blijft vergrendeld. | Stuurwiel geblokkeerd. | Beweeg het stuurwiel terwijl u de startknop van de motoringedrukt houdt (raadpleeg de paragraaf “starten van demotor” in hoofdstuk 2). |
STORINGEN (3/5)
Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| Trillingen. Banden te zacht, beschadigd of uit balans. Controleer de bandenspanning, als deze goed is, laat dan de banden door een merkdealer na-kijken. | ||
| Witte rook uit de uitlaat. Dit hoeft geen storing te zijn, de rook ont-staat door de regeneratie van het roetfilter. | Raadpleeg de paragraaf “Bijzonderheid van de dieselmotor” in hoofdstuk 2. | |
| Rook onder de motorkap. Kortsluiting of lekkage van het koelcircuit. Stop, zet het contact uit, ga bij de auto vandaan en roep de hulp in van een merkdealer. | ||
| Het waarschuwingslampje voor de olie-druk gaat branden: | ||
| in een bocht of tijdens het remmen | Het peil is te laag. | Voeg motorolie toe (raadpleeg de paragraaf “Motorolie (bij)vullen” in hoofdstuk 4). |
| dooft langzaam of blijft branden bij gas geven | Te lage oliedruk. | Stop en roep de hulp in van een merkdealer. |
STORINGEN (4/5)
Tijdens het rijden MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| Het sturen gaat zwaar. Oververhitting van de bekrachtiging. Raadpleeg een merkdealer. | ||
| De motor wordt te warm. De koelvloeistoftemperatuurmeter staat in de geva-renzone en het waarschuwingslampje STOP brandt. | Koelventilateur defect. Stop de auto, stop de motor en roep de hulp in van een merkdealer. | |
| Koelvloeistoflekkage. Controleer het koelvloeistofreservoir: er moet vloeistof inzitten. Als het leeg is, raadpleeg zo snel mogelijk een merkdealer. | ||
| De vloeistof in het expansievat borrelt. | Mechanische storing: koppakking opge-blazen. | Zet de motor stil.Roep de hulp in van een merkdealer. |

Radiateur: Als er veel te weinig koelvloeistof inzit, vergeet dan niet dat u nooit koude koelvloeistof mag bijvullen zolang de motor heet is. Na elke reparatie waarbij het koelsysteem geheel of gedeeltelijk is afgetapt, moet dit met nieuwe koelvloeistof worden bijgevuld. Gebruik hiervoor alleen door onze technische diensten goedgekeurde koelvloeistof.
STORINGEN (5/5)
Elektrische organen MOGELIJKE OORZAKEN WAT TE DOEN
| De ruitenwisser werkt niet. Ruitenwisserbladen kleven. Maak de wisserbladen los van de ruit. | ||
| Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer. | ||
| Zekering beschadigd. Vervang de zekering, raadpleeg de paragraaf “Zekeringen”. | ||
| De ruitenwisser stopt niet. Elektrische verstelling defect. Raadpleeg een merkdealer. | ||
| Knipperfrequentie te hoog. Lamp doorgebrand. Raadpleeg de paragrafen “Koplamp: vervangen van een lamp” of “Achterlicht: vervangen van een lamp” in hoofdstuk 5. | ||
| De knipperlichten werken niet. Elektrische installatie defect. Raadpleeg een merkdealer. | ||
| De koplampen schakelen niet in of niet uit. | Elektrische installatie of schakelaar defect. | Raadpleeg een merkdealer. |
| Condenswater in de verlichting. | Dit is een normaal verschijnsel dat door temperatuurverandering kan worden veroorzaakt.In dat geval verdwijnen de sporen snel als de lichten branden. | |
| Het waarschuwingslampje van het niet dragen van de autogordels achter brandt niet in overeenstemming met het vastma-ken van de autogordels. | Een voorwerp tussen de vloer en de stoel hindert de werking van het opname-ele-ment. | Verwijder elk voorwerp onder de achterbank. |
Hoofdstuk 6: Technische gegevens
Identificatieplaatjes auto 6.2
Identificatieplaatjes motor 6.3
Afmetingen 6.4
Gegevens van de motor 6.6
Massa's 6.7
Aanhangwagengewichten 6.7
Onderdelen en reparaties 6.8
Onderhoudscoupons 6.9
Plaatwerkcontrole 6.15
6.1
IDENTIFICATIEPLAATJES AUTO



De gegevens op het constructeursplaatje moeten bij eventuele klachten en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
De aanwezigheid en de plaats van de informatie zijn afhankelijk van de auto.
Constructeursplaatje A
1 Naam van de fabrikant.
2 Nummer van communautair ontwerp of registratienummer.
3 Identificatienummer.
Afhankelijk van de auto wordt deze informatie herhaald op de markering B.
4 MMAC (max. toegelaten totaalmassa) gemeten onder de vooras.
5 Max. toegelaten treinmassa: auto met aanhanger.
6 MMTA (max. toegelaten massa) gemeten onder de vooras.
7 Max. toegelaten massa gemeten onder de achteras.
8 Gereserveerd voor zakelijke of aanvullende inschrijvingen.
9 Dieseluitstoot.
10 Laknummer (kleurcode).
IDENTIFICATIEPLAATJES MOTOR

De gegevens op het constructeursplaatje of de sticker A moeten bij correspondentie en bij het bestellen van onderdelen altijd worden vermeld.
(de plaats is afhankelijk van het motortype)
1 Type van de motor.
2 Indicenummer van de motor.
3 Motornummer.


MATEN (in meters) (vervolg)
32701


| Uitvoeringen 2.0 16V 2.0T 1.5 | dCi 2.0 dCi | |||
| Type van de motor (zie motorplaatje) | M4R F4R Turbo K9K M9R | |||
| Cilinderinhoud (cm3) 1 995 1 998 1 461 1 995 | ||||
| Soort brandstof Octaangetal | Ongelode benzine met het voorgeschreven octaangetal zoals aangegeven op de sticker in de tankdopklep.Indien niet beschikbaar, is bij uitzondering ongelode benzine te gebruiken:- met octaangetal 91 voor een sticker met 95, 98;- brandstof die ten hoogste 85 % ethanol (E85) bevat. | - met octaangetal 91 voor een sticker met 95, 98;- met octaangetal 87 voor een sticker waarop staat 91, 95, 98. | DieselolieDe sticker in de tankdopklep geeft aan welke brandstoffen toegestaan zijn. | |
| Bougies | Gebruik uitsluitend de voor uw motor voorgeschreven bougietypen.Het type staat aangegeven op een sticker in de motor-ruimte, raadpleeg anders uw merkdealer.Montage van een niet voorgeschreven bougietype kan tot ernstige motorschade leiden. | |||
MASSA'S (in kg)
De aangegeven massa's zijn van de basisuitvoering zonder opties: zijn variëren naargelang de uitrusting van uw auto. Raadpleeg de merkdealer.
| Max. toegelaten totaalmassa (MMAC)Max. toegelaten treinmassa (MTR) | De massa's staan op het constructeursplaatje (raadpleeg de paragaaf “Identificatieplaatjes” in hoofdstuk 6) |
| Aanhangwagenmassa geremd* wordt verkregen door berekening | MTR - MMAC |
| Aanhangwagenmassa ongeremd* 650 | |
| Maximale kogeldruk op trekhaak* 75 | |
| Toegelaten dakbelasting inclusief dragende delen 80 kg (met inbegrip van de dragende delen) |
* Aanhangwagengewicht (trekken van een caravan, boot enz.)
Het trekken van een aanhangwagen is verboden wanneer de berekening MTR - MAC gelijk is aan nul of wanneer de op het constructeursplaatje aangegeven maximaal toegelaten treinmassa (MTR) gelijk is aan nul (of niet wordt aangegeven).
- Respecteer de in het land geldende voorschriften voor het slepen. Laat uw merkdealer een trekhaak monteren en de bedrading van de auto aanpassen.
- In geval van een auto met aanhanger, mag de max. toegelaten treinmassa (auto + aanhanger) nooit overschreden worden. Toch is toe-gestaan:
een overschrijding van de max. toegelaten massa (MMTA) gemeten onder de achteras tot 15 %,
- een overschrijding van de max. toegelaten totaalmassa (MMAC) tot 10 % of 100 kg (tot de eerste van deze twee waarden is bereikt).
In beide gevallen is de maximumsnelheid van het geheel 100 km/u en moet de bandenspanning worden verhoogd met 0,2 bar (3 PSI).
- Het motorvermogen neemt af naarmate u hoger in de bergen rijdt. Wij adviseren u de maximale belasting met 10 % per 1000 meter stijging te verminderen.
Lastverhouding
De aanhangwagenmassa mag nooit meer zijn dan 1500 kg.
Wanneer de maximaal toegelaten totale massa van de auto niet wordt bereikt, kan tot 200 kg extra worden geladen op de geremde aanhangwa- gen tot de maximaal toegelaten treinmassa van de auto wordt bereikt.
ONDERDELEN EN REPARATIES
De originele onderdelen worden met de grootste zorg ontwikkeld en gecontroleerd. Zij voldoen dan ook aan dezelfde kwaliteitsnormen als de onderdelen die in de fabriek worden gebruikt.
Door het gebruik van de originele onderdelen houdt u de prestaties van uw auto optimaal. Bovendien zijn reparaties die uitgevoerd zijn door een merkdealer met originele onderdelen gegarandeerd volgens de voorwaarden die achter op de reparatieopdracht staan.
ONDERHOUDSCOUPONS
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
ONDERHOUDSCOUPONS ( vervolg)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
ONDERHOUDSCOUPONS ( vervolg)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
ONDERHOUDSCOUPONS ( vervolg)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
ONDERHOUDSCOUPONS ( vervolg)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
ONDERHOUDSCOUPONS ( vervolg)
VIN:
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
| Datum: Km: Factuurnr.: Toelichting/diversen | |||
| Type werkzaamheden: StempelOnderhoudsbeurt □......□ | |||
| Plaatwerkcontrole:OK □ Niet OK* □*Zie specifieke bladzijde | |||
PLAATWERKCONTROLE
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (vervolg)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (vervolg)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (vervolg)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (vervolg)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
PLAATWERKCONTROLE (vervolg)
De garantie blijft alleen van kracht na de reparatie die hieronder staat aangegeven.
VIN :
| Uit te voeren plaatwerkreparatie: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
| Reparatie nodig van: | ![]() | Stempel |
| Datum reparatie: | ||
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (1/4)
A
aan/uit knop van de motor 2.3 → 2.5
aanhangwagen 6.7
aansteker 3.21
aanvullende bevestigingsmiddelen....1.23 → 1.26, 1.29
bescherming zijkant 1.28
bij de autogordels achterin 1.23 → 1.27
aanvullende bevestigingsmiddelen bij de gordels ....1.27 → 1.29
aanwijzers:
buitentemperatuur 1.62
richtingaanwijzers.... 1.65, 5.17
ABS 1.49, 2.22 → 2.26
accessoireaansluiting 3.21
accessoires....5.29
accu 1.47, 4.12 - 4.13
storing 5.26 - 5.27
achterbank 3.23
gebruiksmogelijkheden 3.23
achterklep 3.24, 3.26
achterruit 3.25
achteruitrijradar....2.34 → 2.36
achteruitversnelling
inschakelen 2.11, 2.37 → 2.39
achterwielbesturing.... 2.26
afstellen van de juiste zithouding.... 1.16
afstellen zithouding.... 1.20
airbag....1.23 → 1.29, 1.48
activeren passagiersairbags voorin 1.40
uitschakelen passagiersairbag voorin 1.38
antiluchtverontreiniging
tips....2.15
armsteun
achter 3.20
voor 3.18
asbakken 3.21
ASR (tractiecontrole) 2.22 → 2.26
autogordels 1.20 → 1.26, 1.48
automatische parkeerrem 1.47, 2.12 → 2.14
automatische portiervergrendeling tijdens het rijden 1.15
automatische transmissie (gebruik) 2.37 → 2.39
B
bagageafdekplaat 3.27
bagageruimte.... 3.24, 3.28 – 3.29
banden....2.19 → 2.21, 4.11, 5.11 → 5.13
bandenspanning 2.19 → 2.21, 4.11, 5.12
bandenspanning-controlesysteem....2.19 → 2.21
batterijtje RENAULT card 5.28
bedieningsorganen 1.42 → 1.49
bevestigingsmiddelen voor kinderen .....1.30 - 1.31, 1.33 → 1.37
bevestigingssysteem voor kinderen .....1.30 – 1.31, 1.33 → 1.37
bijzonderheid van de benzinemotor 2.9
bijzonderheid van de dieselmotor 2.10
binnenlicht 3.15 - 3.16, 5.22 - 5.23
boodschappen op het instrumentenpaneel 1.53 → 1.60
boordcomputer 1.46 → 1.49, 1.51 → 1.60
brandstof
inhoud 1.73
kwaliteit 1.73 → 1.75
tanken 1.48, 1.73 → 1.75
tips voor zuinig rijden 2.15
brandstof besparen....2.15 → 2.17
brandstof handpomp.... 1.75
brandstofpeil 1.50
brandstofsysteem ontluchten.... 1.75
buitentemperatuur 1.62
C
caravan trekken 3.30 - 3.31, 6.7
claxon 1.65
contact aanzetten van de auto 2.4
controlelampjes 1.46 → 1.49, 1.51 → 1.60
D
functie Stop and Start 2.6 → 2.8
G
gegevens van de motor 6.6
geïntegreerde bediening van handsfree telefoon 3.35
geluidssignaal 1.11, 1.47, 1.65, 1.67
gereedschap.... 5.8
H
handrem 1.47, 2.11
hoedenplank 3.26 - 3.27
hoofdsteunen.... 1.16, 3.22
hulp bij wegrijden op helling 2.22 → 2.26
|
identificatie van de auto 6.2
identificatieplaatjes 6.2
inhoud brandstoftank 1.73 → 1.75
inrichting 3.17 → 3.20
inrijden 2.2
instrumentenpaneel 1.46 → 1.60, 1.66
interieurbekleding
onderhoud 4.16 - 4.17
K
kaartleeslampje 3.15 - 3.16
katalysator 2.9 - 2.10
kinderen.... 1.30 – 1.31
kinderen (veiligheid) 1.2, 1.7, 3.11
kinderen vervoeren ....1.30 – 1.31, 1.33 → 1.37
kinderveiligheid 1.2, 1.7, 1.30 – 1.31, 1.33 → 1.37, 3.11
kinderzitjes....1.30 – 1.31, 1.33 → 1.37
klokje 1.62
knipperlichten 1.46, 1.65, 5.14
koelvloeistof.... 1.50, 4.8
koplampen
draaibare 1.67
extra 5.16
mistlichten 5.16
verstellen 1.69
vervangen van een lamp 5.14
voor 5.14 – 5.15
koplampen elektrisch verstellen 1.69
koplampsproeiers 1.71
krik 5.8
L
lak
nummer 6.2
onderhoud 4.14 – 4.15
lampen
vervangen 5.14 → 5.21
lekke band 5.2, 5.8 → 5.10
lichten:
achteruitrijlichten 5.17
alarmknipperlichten 1.65
dimlichten 1.46, 1.66, 5.14 – 5.15, 5.17
richtingaanwijzers.... 1.46, 1.65, 5.14 – 5.15, 5.17
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (3/4)
lichtsignaal.... 1.65
M
make-up spiegels 3.14
massa's 6.7
maten.... 6.4 – 6.5
menu persoonlijke instellingen van de auto.... 1.61
meters: instrumentenpaneel. 1.46 → 1.52
milieu 2.18
motor op stand-by zetten 2.6 → 2.8
motorkap.... 4.2 – 4.3
motorolie....1.47, 4.4
motorolie verversen 4.4
multimedia uitrusting.... 3.35
N
navigatie 3.35
navigatiesysteem 3.35
noodsleutel 1.2 - 1.3
noodstopbekrachtiging 2.22 → 2.26
noodstopbekrachtiging: BAS 2.22 → 2.26
0
onderdelen 6.8
onderhoud:
carrosserie 4.14 - 4.15
interieurbekleding.... 4.16 – 4.17
onderhoudsinterval 6.9 → 6.14
onderhoudscoupons 6.9 → 6.14
ontdooien/ontwasemen achterruit 3.5, 3.8
ontdooien/ontwasemen voorruit 3.5, 3.8
ontgrendelen van de portieren.... 1.13 - 1.14
opbergruimtes....3.17 → 3.20, 3.28 – 3.29
open dak....3.11 → 3.13
openen van de portieren.... 1.11 → 1.14
opkrikken van de auto verwisselen van een wiel 5.9 – 5.10
P
parkeerhulp....2.34 → 2.36
peilen remvloeistof .... 4.9 ruitensproeierreservoir .... 4.10
peilen: motorolie .... 4.4 koelvloeistof .... 4.8
persoonlijke instellingen van de auto 1.61
plaatwerkcontrole ....6.15 → 6.20
pompset voor de banden 5.3 → 5.7
portieren 1.11 – 1.12, 1.15
portieren / achterklep.... 1.9
portieren vergrendelen ....1.2 → 1.12, 1.15
portiervergrendeling....1.9, 1.13 → 1.15
R
radio.... 3.35
remvloeistof 4.9
RENAULT card batterijtje....5.28
gebruik 1.2 → 1.10
reservewiel 5.2, 5.8
reservoir koelvloeistof .... 4.8 remvloeistof .... 4.9 ruitensproeier .... 4.10
rijden 2.2 → 2.5, 2.9 → 2.17, 2.19 → 2.39
rijpositie instellingen 1.20
ruitbediening....3.11 → 3.13
ruitensproeiers.... 1.72, 4.10
ruitenwisser bladen 5.30
ruitenwisser/-sproeier 1.72
ruitenwisserbladen.... 5.30
ALFABETISCHE INHOUDSOPGAVE (4/4)
S
schakelen 2.11, 2.37 → 2.39
scheidingsnet....3.32 → 3.34
schoonmaken:
binnenkant auto 4.16 - 4.17
selecteurhendel automatische transmissie....2.37 → 2.39
signaal
geluid.... 1.65
licht....1.65
signalen verlichting 1.66 → 1.69
sjorringen 3.30 – 3.31, 3.33
sluiten van de portieren 1.11 → 1.14
snelheidsbegrenzer 1.48, 2.27 → 2.29
snelheidsregelaar 1.48, 2.27 → 2.33
snelheidsregelaar/-begrenzer 2.27 → 2.33
spiegels 1.63 - 1.64
starten van de motor....2.3 → 2.8
stilzetten van de motor 2.3 → 2.5
stoelverwarming 1.49
stuurbekrachtiging 1.41
stuurwiel
verstellen 1.41
T
temperatuurregeling 3.6 → 3.9
tijd 1.62
tips voor een schoner milieu 2.15 → 2.17
tractiecontrole: ASR 2.22 → 2.26
trekhaak
montage 3.30 - 3.31
trekken
trekhaak 3.30 - 3.31
U
uitschakelen passagiersairbag voorin 1.38
uitschakelvertraging.... 1.67, 1.69
V
ventilatie ....3.4 → 3.9
ventilatieroosters 3.2 - 3.3
verlichting
instrumentenpaneel 1.66
binnenkant.... 3.15 – 3.16, 5.22 – 5.23
buitenkant 1.66 → 1.68
versnellingshendel 2.11
verstellen van de koplampen 1.69
verstellen van de voorstoelen 1.17
vervangen van een lamp 5.14 → 5.21
vervoer van voorwerpen
in de bagageruimte 3.30 - 3.31
scheidingsnet 3.32 → 3.34
verwarming 3.4 → 3.10
verwisselen van een wiel 5.9 - 5.10
voorstoel
bestuurder met geheugen 1.19
voorstoelen
met elektrische bediening 1.18
met handmatige bediening 1.17
verstellen.... 1.16 - 1.17
W
wassen 4.14 – 4.15
wieldoppen 5.8
wieldopsleutel 5.8
wielen (veiligheid) 5.11 → 5.13
wielmoersleutel 5.8
wielsleutel 5.8
Z
zekeringen 5.24 - 5.25
zonnegordijnen 3.14
zonneklep 3.14
zonnescherm 3.14
( www.e-guide.renault.com )
RENAULT S.A.S. SOCIÉTÉ PAR ACTIONS SIMPLIFIÉE AU CAPITAL DE 533 941 113 € / 13-15, QUAI LE GALLO 92100 BOULOGNE-BILLANCOURT R.C.S. NANTERRE 780 129 987 — SIRET 780 129 987 03591 / TÉL. : 0810 40 50 60 NU 936-5 - 99 91 090 92R - 09/2012 - Edition néerlandaise

a) Totaalteller en dagteller.
Verbruikte brandstof.Hoeveelheid verbruikte brandstof sinds de laatste nulinstelling.
Gemiddeld verbruik sinds de laatste nulinstelling.De waarde wordt aangegeven na minstens 400 meter gereden te hebben sinds de laatste nulin-stelling.
Actueel verbruik.De waarde wordt aangegeven bij een snelheid van meer dan 30 km/u.
Het bereik met de overgebleven brandstof.Uitgaande van het gemiddelde verbruik sinds de laatste nulinstelling en de hoeveelheid brandstof in de tank. Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.
Afgelegde afstand sinds de laatste nulinstelling.
Gemiddelde snelheid sinds de laatste nulinstelling.Deze waarde wordt aangegeven na 400 meter gereden te hebben.
c) Afstand onderhoudsbeurt.Afstand tot de volgende onderhoudsbeurt (weergave in kilometers en in maanden); daarna, als de termijn van de overgebleven afstand bijna verstreken is, doen verschillende gevallen zich voor:– afstand minder dan 1500 km of een maand: de boodschap “Onderhoud over” wordt weergegeven met de dichtstbijzijnde termijn (afstand of tijd);– resterende afstand is 0 km of datum van onderhoudsbeurt is bereikt: de boodschap “Onderhoud uitvoeren” wordt weergegeven en het controlelampje 📄 licht op.Laat zo snel mogelijk een onderhoudsbeurt uitvoeren.
Raadpleeg de paragraaf “Systeem voor het controleren van de bandenspanning” in hoofdstuk 2.
90 km/H
Raadpleeg de paragrafen “snelheidsregelaar” en “snelheidsbegrenzer” in hoofdstuk 2.











