F 900 GS Adventure (2025) - Motorfiets BMW - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis F 900 GS Adventure (2025) BMW in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | BMW |
| Model | F 900 GS Adventure (2025) |
| Motortype | 4-takt, 2-cilinder boxermotor |
| Cilinderinhoud | 895 cc |
| Vermogen | 77 pk (57 kW) bij 6.500 tpm |
| Koppel | 92 Nm bij 5.500 tpm |
| Transmissie | 6-versnellingsbak, cardanaandrijving |
| Brandstoftankinhoud | 23 liter (reserve ca. 4 liter) |
| Banden voor | 2,2 bar solo, 2,5 bar met passagier/belading (koud) |
| Banden achter | 2,5 bar solo, 2,9 bar met passagier/belading (koud) |
| ABS | BMW ABS (optioneel ABS Pro) |
| Tractiecontrole | Dynamische tractiecontrole (DTC) |
| Elektronische vering | Dynamic ESA (optioneel) |
| Rijmodi | Regen, Weg, Dynamic, Enduro, Enduro Pro (optioneel) |
| Gewicht (rijklaar) | Ca. 219 kg (zonder brandstof) |
| Maximaal totaalgewicht | 440 kg |
| Zithoogte | 875 mm (standaard) |
| Stuurhoek | 63° |
| Accu | 12 V, 12 Ah (onder buddyseat) |
| Verlichting | Vol-LED, inclusief dagrijverlichting |
| Onderhoudsinterval | Jaarlijks of elke 10.000 km (wat eerst komt) |
| Garantie | 2 jaar (BMW Motorrad) |
Veelgestelde vragen - F 900 GS Adventure (2025) BMW
Gebruikersvragen over F 900 GS Adventure (2025) BMW
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding F 900 GS Adventure (2025) - BMW en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. F 900 GS Adventure (2025) van het merk BMW.
GEBRUIKSAANWIJZING F 900 GS Adventure (2025) BMW
Afgiftedatum kentekenbewijs deel 1
Kenteken
Dealergegevens
Contactpersoon in de werkplaats
Mevrouw/de heer
Telefoonnummer
Dealeradres/telefoon (firmastempel)
UW BMW.
Wij zijn blij dat u voor een voertuig van BMW Motorrad hebt gekozen en begroeten u in de kring van BMW berijders. Maakt u zich vertrouwd met uw nieuwe voertuig, zodat u zich zeker en veilig in het verkeer kunt bewegen.
Over deze handleiding
Lees deze handleiding door voordat u uw nieuwe BMW start. Hierin vindt u belangrijke opmerkingen over de bediening van het voertuig, die het u mogelijk maken van alle technische voordelen van uw BMW te profiteren.
Daarnaast ontvangt u informatie over het onderhoud en de verzorging die de gebruiks- en verkeersveiligheid en een zo goed mogelijk waardebehoud van uw voertuig bevordert.
Als u uw BMW ooit wilt verkopen, vergeet dan niet ook de handleiding te overhandigen. Deze vormt een belangrijk onderdeel van uw voertuig.
Veel plezier met uw BMW en fijne en vooral veilige ritten worden u toegewenst door
BMW Motorrad.
01 ALGEMENE AANWIJZINGEN 2
Oriëntatie 4
Afkortingen en symbolen 4
Uitvoering 5
Meer informatiebronnen 6
Certificaten en type- goedkeuringen 6
Gegevensgeheugen 6
Bluetooth® 12
Intelligente noodop-roep 12
04 INSTRUMENTENPA- NEEL 64
Waarschuwing 66
Bedieningselementen 66
Menu's 67
Mijn voertuig 68
Instellingen 69
Licentie-informatie 78
02 OVERZICHTEN 16
Overzicht links 18
Overzicht rechts 19
Onder de buddyseat 20
Combischakelaar links 21
Combischakelaar
rechts 22
Combischakelaar
rechts 23
Instrumentenpaneel 24
05 GEBRUIK 80
Contact-stuurslot 82
Contact met Key-
less Ride 83
Elektronische wegrij-beveiliging (EWS)
Nooduitschakelings- schakelaar 87
Intelligente noodop-roep 88
Verlichting 91
Dynamische tractie-controle (DTC) 94
Elektronische onder- stelinstelling (D-ESA) 95
Rijmodus 97
Rijmodus PRO 100
Cruise control 101
Diefstalbeveiligings- installatie (DWA) 103
03 AANDUIDINGEN 26
Controle- en waarschu- wingslampjes
Menuscherm 29
Aanzicht Pure Ride 30
Aanzicht Mijn voertuig 33
Controlelampjes 36
Bandenspanningscon-
trole (RDC) 107
Handvatverwarming 108
Buddyseat 108
06 INSTELLING 110
Spiegels 112
Koplamp 112
Kuipruit 113
Koppeling 113
Schakelen 114
Rem 114
Veervoorspanning 115
Demping 117
07 RIJDEN 120
Veiligheidsaanwijzingen 122
Regelmatige controle 126
Starten 127
Inrijden 129
Schakelen 130
Terreingebruik 131
Remmen 132
Motorfiets neerzetten 134
Tanken 135
Motorfiets voor
transport bevestigen 140
08 TECHNIEK IN
DETAIL 142
Algemene
aanwijzingen 144
Anti-blokkeersysteem
(ABS) 144
Dynamische tractie-
controle (DTC) 147
Motorsleepmoment-
regeling 149
Dynamic ESA 149
Rijmodus 150
Dynamic Brake Con-
trol 152
Bandenspanningscon-
trole RDC 153
Schakelassistent 154
09 ONDERHOUD 158
Algemene
aanwijzingen 160
Boordgereedschap 161
Voorwielstandaard 161
Achterwielstandaard 162
Motorolie 162
Remsysteem 164
Koppeling 169
Koelvloeistof 170
Banden 172
Velgen 173
Wielen 173
Ketting 185
Luchtfilter 188
Lampen 190
Kuipdelen 190
Starthulp 191
Accu 193
Zekeringen 197
Diagnosecontactdoos 199
10 ACCESSOIRES 202
Algemene
aanwijzingen 204
Contactdozen 204
USB-laadaansluiting 205
Koffers 206
Topcase 208
Navigatiesysteem 210
11 VERZORGING 214
Onderhoudsmiddelen 216
Wassen 216
Reiniging van kwets-
bare voertuigonder-
delen 218
Lakonderhoud 219
Conservering 219
Motorfiets buiten ge-
bruik stellen 220
Motorfiets in gebruik
nemen 220
12 TECHNISCHE
GEGEVENS 222
Storingstabel 224
Boutverbindingen 227
Brandstof 229
Motorolie 229
Motor 230
Koppeling 231
Transmissie 231
Cardan 231
Frame 231
Onderstel 231
Remmen 232
Wielen en banden 233
Elektrische installatie 234
Diefstalbeveiligings-
installatie 234
Afmetingen 235
Gewichten 236
Rijgegevens 236
13 SERVICE 238
Recycling 240
BMW Motorrad
Service 240
BMW Motorrad on- derhoudshistorie 241
BMW Motorrad mobiliteitsdiensten 241
Onderhoudswerk- zaamheden 241
Onderhoudsschema 243
BMW Motorrad inrij-controle 244
Onderhoudsbevesti- gingen 245
Servicebevestigingen 257
BIJLAGE 260
ALGEMENE AANWIJZINGEN
01
ORIËNTATIE 4
AFKORTINGEN EN SYMBOLEN 4
UITVOERING 5
4 ALGEMENE AANWIJZINGEN
ORIËNTATIE
De nadruk is gelegd op een snelle oriëntatie in deze handleiding. Het snelst vindt u be-paalde onderwerpen via de index aan het eind. Als u eerst een overzicht van de motorfiets wilt hebben, vindt u dat in hoofdstuk 2. In het hoofdstuk Service worden alle uitgevoerde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden gedocumenteerd. Voor coulan-ceregelingen is het absoluut noodzakelijk dat kan worden aangetoond dat de vereiste onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd.
AFKORTINGEN EN SYMBO- LEN

VOORZICHTIG
Gevaar
met laag risico. Niet vermijden kan leiden tot gering of matig letsel.

WAARSCHUWING
Ge-
! vaar met gemiddeld risico. Niet vermijden kan leiden tot de dood of ernstig letsel.

GEVAAR
Gevaar met
hoog risico. Niet vermij-
den leidt tot de dood of ernstig letsel.

LET OP Bijzondere
aanwijzingen en veiligheidsmaatregelen. Niet opvolgen kan de motorfiets of accessoires beschadigen en daarmee tot uitsluiting van de garantie leiden.

Speciale aanwijzingen voor een betere hantering bij bedienings-, controle- en afstelprocedures alsmede verzorgingswerkzaamheden.
• Werkinstructie.
» Resultaat van een re-paratieactiviteit.
Verwijst naar een pagina met extra informatie.
Geeft het einde van accessoire- of uitrustingsafhankelijke informatie aan.

Aanhaalmoment.

SU Speciale uitrusting. BMW Motorrad speci- ale uitrustingen wor- den al bij de productie van de voertuigen in- gebouwd.
OA Optionele accessoires. BMW Motorrad optionele accessoires kunnen bij uw BMW Motorrad Partner worden verkregen en achteraf worden gemonteerd.
ABS Antiblokkeersysteem.
D-ESA Elektronische onder- stelinstelling.
DTC Dynamische tractie-controle.
DWA Diefstalbeveiligingsinstallatie.
EWS Elektronische wegrij-beveiliging.
RDC Bandenspanningscontrole.
UITVOERING
Bij de aanschaf van uw BMW Motorrad hebt u gekozen voor een model met een individuele uitrusting. Deze handleiding beschrijft door BMW aangeboden speciale
opties (SU) en geselecteerde optionele accessoires (OA). Wij vragen uw begrip voor het feit dat er ook uitrustingen worden beschreven die u mogelijk niet hebt geselecteerd. Tevens zijn landspecifieke afwijkingen van de afgebeelde motorfiets mogelijk.
Als uw motorfiets niet beschreven uitvoeringen bevat, vindt u de beschrijving ervan in een afzonderlijke handleiding.
TECHNISCHE GEGEVENS
Alle gegevens t.a.v. maten, gewichten en prestaties in de handleiding hebben betrekking op het Deutsches Institut für Normung e. V. (DIN) en zijn inclusief de hierdoor gehanteerde toleranties.
Technische gegevens en specificatie in deze handleiding dienen ter indicatie. De voertuigspecifieke gegevens kunnen daarvan afwijken, bijv. op grond van geselecteerde speciale opties, de landuitvoeringen of landspecifieke meetprocedures. Gedetailleerde waarden kunnen worden ontleend aan de kentekenbewijsdocumenten of bij uw BMW Motorrad Partner of een andere gekwalificeerde servicepartner of
6 ALGEMENE AANWIJZINGEN
vakwerkplaats worden op- gevraagd. De specificaties in de voertuigpapieren hebben steeds prioriteit boven de spe- cificaties in deze handleiding.
ACTUALITEIT
Het hoge veiligheids- en kwaliteitsniveau van BMW motorfietsen wordt door een continue doorontwikkeling van de constructie, uitrusting en accessoires gegarandeerd. Hierdoor kunnen eventuele afwijkingen tussen deze handleiding en de Scooter ontstaan. Ten tijde van de fabricage van de motorfiets is de handleiding de meest actuele bron. Door updates na de redactionele deadline kunnen er verschillen optreden tussen de gedrukte handleiding en de online versie.
Geactualiseerde informatie is beschikbaar op
Bij eventuele vragen is uw BMW Motorrad Partner u graag van dienst.
Internet
U vindt de handleiding voor uw voertuig, bedienings- en inbouwhandleidingen voor mogelijke accessoires en algemene informatie over BMW Motorrad bijv. over de techniek, op
bmw-motorrad.com/manuals.
CERTIFICATEN EN TYPE- GOEDKEURINGEN
De certificaten voor het voer-tuig en de officiële typegoed-keuring voor mogelijke accessoires zijn te vinden op bmw-motorrad.com/certifica-tion.
In sommige voertuigonderdelen wordt open source-software gebruikt. Informatie over open source software is beschikbaar op
In het voertuig zijn regeleenheden gemonteerd. Regeleenheden verwerken gegevens die ze bijv. ontvangen van voertuigsensoren, zelf genereren of onderling uitwisselen. Som-
mige regeleenheden zijn nodig voor het veilig functioneren van het voertuig of ondersteunen bij het rijden, bijv. hulpsystemen. Daarenboven maken regeleenheden comfort- of Info-tainmentfuncties mogelijk. Informatie over opgeslagen of uitgewisselde gegevens is verkrijgbaar bij de fabrikant van het voertuig, bijv. via een af-zonderlijke brochure.
Persoonsgebondenheid
Elk voertuig is voorzien van een eenduidig voertuigidentificatienummer. Landspecifiek kan met behulp van het voertuigidentificatienummer, het kenteken en de verantwoordelijke autoriteiten de houder van het voertuig worden bepaald. Bovendien zijn er andere mogelijkheden om uit de in het voertuig vergaarde gegevens de berijder of voertuigbezitter af te leiden, bijv. via de ConnectedDrive account die wordt gebruikt.
Rechten m.b.t. gegevensbeveiliging
Voertuiggebruikers hebben conform het geldende recht inzake gegevensbeveiliging be-paalde rechten ten aanzien van de fabrikant van het voertuig of ten aanzien van onderne- mingen die persoonsgebonden gegevens vergaren of verwer- ken.
Voertuiggebruikers hebben een kosteloos en omvattend recht op informatie ten aanzien van instanties die persoonsgebonden gegevens over de voertuiggebruiker opslaan.
Deze instanties kunnen zijn:
-Fabrikant van het voertuig
-Gekwalificeerde
BMW Motorrad Partners
-Vakwerkplaatsen
-Serviceproviders
Voertuiggebruikers mogen vragen om informatie welke persoonsgebonden gegevens zijn opgeslagen, voor welk doel de gegevens worden gebruikt en waarvandaan de gegevens afkomstig zijn. Voor het verkrijgen van deze informatie moet een bewijs van houderschap of gebruik worden overlegd.
Het recht op informatie om- vat tevens informatie met be- trekking tot gegevens die aan andere ondernemingen of in- stanties zijn doorgegeven.
Op de webpagina van de fabrikant van het voertuig vindt u de telkens toepasselijke privacyverklaringen. Deze priva-
8 ALGEMENE AANWIJZINGEN
cyverklaringen bevatten informatie over het recht op wissen of corrigeren van gegevens.
De fabrikant van het voertuig vermeldt op internet ook zijn contactgegevens en die van de toezichthouder voor gegevensbescherming.
De voertuigbezitter kan bij een BMW Motorrad Partner, een andere gekwalificeerde serv-icepartner of een vakwerkplaats eventueel tegen betaling de in het voertuig opgeslagen gegevens laten uitlezen.
Voor het uitlezen wordt de wettelijk voorgeschreven 12 V-stekker voor diagnosecontactdoos (OBD) in het voertuig gebruikt.
Wettelijke vereisten inzake de openbaarmaking van gegevens
De fabrikant van het voertuig is in het kader van het geldende recht verplicht om bij hem opgeslagen gegevens aan de autoriteiten beschikbaar te stellen. Dit beschikbaar stellen van gegevens in de vereiste mate gebeurt in specifieke gevallen, bijv. voor het ophelderen van een misdrijf.
Overheidsinstanties zijn in het kader van het geldende recht bevoegd om in specifieke ge- vallen zelf gegevens uit het voertuig uit te lezen.
Bedrijfsgegevens in het voertuig
Voor het bedrijf van het voertuig verwerken regeleenheden gegevens.
Hiertoe behoren bijv.:
-Statusmeldingen van het voertuig en de afzonderlijke componenten ervan, bijv. wieltoerental, wielomtreksnelheid, bewegingsvertraging
- Omgevingsomstandigheden, bijv. temperatuur
De verwerkte gegevens worden alleen in het voertuig zelf verwerkt en zijn doorgaans vluchtig. De gegevens worden niet langer dan de bedrijfstijd opgeslagen.
Elektronische componenten, bijv. regeleenheden, bevatten componenten voor het opslaan van technische informatie. Deze kunnen informatie over voertuigtoestand, componentbelasting, voorvallen of storingen tijdelijk of permanent opslaan.
Deze informatie documenteert in het algemeen de toestand van een component, een mo-
dule, een systeem of de omgeving, bijv.:
bedrijfstoestanden van systeemcomponenten, bijv. vulpeilen, bandenspanningswaarden
–storingen en functiestoringen in belangrijke systeemcomponenten, bijv. licht en remmen
- reacties van het voertuig in speciale rijsituatie, bijv. active-ren van de rijdynamieksystemen
-informatie over voorvallen met schade aan het voertuig
De gegevens zijn noodzakelijk voor het uitvoeren van de re-geleenheidfuncties. Bovendien dienen deze voor het herkennen en het verhelpen van storingen en het optimaliseren van voertuigfuncties door de fabrikant van het voertuig.
Deze gegevens zijn grotendeels vluchtig en worden in het voertuig zelf verwerkt. Slechts een klein deel van de gegevens wordt afhankelijk van de aanleiding opgeslagen in voorval- of storingsgeheugens.
Bij een beroep op onderhouds-activiteiten, bijv. reparaties, onderhoudsprocessen, garantieclaims en kwaliteitsborgingsmaatregelen, kan deze technische informatie samen met het voertuigidentificatienummer uit het voertuig worden uitgelezen. Het uitlezen van de informatie kan door een BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats gebeuren. Voor het uitlezen wordt de wettelijk voorge-schreven 12 V-stekker voor On-Board-Diagnose (OBD) in het voertuig gebruikt.
De gegevens worden door de betreffende functionarissen van het dealernetwerk vergaard, verwerkt en gebruikt. De gegevens documenteren technische toestanden van het voertuig, helpen bij het storingzoeken, het nakomen van garantieverplichtingen en bij de kwaliteitsverbetering.
Daarenboven heeft de fabrikant productobservatieplichten krachtens het productaansprakelijkheidsrecht. Voor het na-komen van deze plichten heeft de fabrikant van het voertuig technische gegevens uit het voertuig nodig. De gegevens uit het voertuig kunnen ook worden gebruikt om garantieclaims van de klant te controle-ren.
Storings- en eventdatarecorders in het voertuig kunnen in het kader van reparatie- of servicewerkzaamheden bij een
10 ALGEMENE AANWIJZINGEN
BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats worden teruggezet.
Gegevensinvoer en gegevensoverdracht in het voertuig
Algemeen
Afhankelijk van de uitvoering kunnen comfortinstellingen en persoonlijke instellingen in het voertuig worden opgeslagen en te allen tijde worden gewijzigd of gereset.
Gegevens kunnen evt. in het entertainment- en communica- tiesysteem van het voertuig worden ingevoerd, bijv. via een smartphone.
Daartoe behoren afhankelijk van de betreffende uitvoering:
-Multimediagegevens, zoals muziek voor afspelen
-Adresboekgegevens voor gebruik in combinatie met een communicatiesysteem of een geïntegreerd navigatiesysteem
-Ingevoerde navigatiebestem- mingen
-Gegevens m.b.t. het gebruik van internetservices. Deze gegevens kunnen lokaal in het voertuig worden opgeslagen, of ze staan op een apparaat dat met het voertuig is verbonden, bijv. smartphone,
USB-stick, MP3-speler. Als deze gegevens in het voertuig worden opgeslagen, kunnen deze te allen tijde worden gewist.
Deze gegevens worden uitsluitend op persoonlijke wens in het kader van het gebruik van onlinediensten doorgegeven aan derden. Dit is afhankelijk van de geselecteerde instellingen bij het gebruik van de diensten.
Integratie van mobiele eindapparaten
Afhankelijk van de uitvoering kunnen met het voertuig verbonden mobiele eindapparaten, bijv. smartphones, via de bedieningselementen van het voertuig worden aangestuurd. Daarbij kunnen beeld en geluid van het mobiele eindapparaat via het multimediasysteem worden uitgevoerd. Tegelijkertijd wordt er bepaalde informatie aan het mobiele eindapparaat overgedragen. Afhankelijk van het soort integratie behoren daartoe bijv. positie-gegevens en andere algemene voertuiginformatie. Dit maakt het optimaal gebruiken van ge-selecteerde apps mogelijk, bijv.
voor navigatie of het afspelen van muziek.
Het soort verdere gegevensverwerking wordt bepaald door de provider van de desbetreffende gebruikte app. De omvang van de mogelijke instellingen hangt af van de betreffende app en het besturingssysteem van het mobiele eindapparaat.
Diensten
Algemeen
Als het voertuig een draadloze verbinding heeft, maakt deze het uitwisselen van gegevens tussen het voertuig en andere systemen mogelijk. De draadloze verbinding wordt mogelijk gemaakt door een zend- en ontvangstmodule in het voertuig zelf of via persoonlijk ingebrachte mobiele eindapparaten, bijv. smartphones. Via deze draadloze verbinding kunnen zogenaamde onlinefuncties worden gebruikt. Dit zijn onder meer onlinediensten en apps van de fabrikant van het voertuig of van andere providers.
Diensten van de voertuigfabrikant
Bij online-diensten van de fabrikant van het voertuig worden de betreffende functies beschreven in de betreffende
bron, bijv. handleiding, webpagina van de fabrikant. Deze bevat ook de relevante informatie over rechten m.b.t. gegevensbeveiliging. Voor het verlenen van onlinediensten kunne persoonsgebonden gegevens worden gebruikt. Gegevens worden uitgewisseld via een veilige verbinding, bijv. met de daarvoor bedoelde IT-systemen van de fabrikant van het voertuig. Het vergaren, verwerken en gebruiken van persoonsgebonden gegevens tot verder dan het verlenen van diensten gebeurt uitsluitend op basis van een wettelijk toestemming, een contractuele afspraak of op grond van een inwilliging. Het is ook mogelijk om de gehele gegevensverbinding te laten activeren of deactiveren. De wettelijk voorgeschreven functies zijn hiervan uitgesloten.
Diensten van andere providers
Bij het gebruik van onlinediensten van andere providers vallen deze diensten onder de verantwoordelijkheid en de gegevensbeveiligings- en gebruiksvoorwaarden van de betreffende provider. De fabrikant van het voertuig heeft geen invloed op de daarbij uitgewisselde content. Informatie
12 ALGEMENE AANWIJZINGEN
over het soort, de omvang en het doel van het vergaren en gebruiken van persoonsgebon- den gegevens in het kader van diensten van derden kan wor- den opgevraagd bij de betreffende provider.
BLUETOOTH®
Bij Bluetooth gaat het om een radioverbinding voor nabij. Bluetooth-apparaten zenden als Short Range Devices (overdracht met beperkt bereik) over de licentievrije ISM-band (Industrial, Scientific and Medical Band) tussen 2,402...2,480 GHz. Ze mogen wereldwijd vergunningsvrij worden gebruikt.
Hoewel Bluetooth bestemd is om op korte afstand voor sta-biele verbindingen te zorgen zijn, zoals bij alle draadloze technologieën, storingen mogelijk. Verbindingen kunnen worden verstoord, kortstondig worden onderbroken of hele-maal verloren gaan. Met name wanneer meerdere apparaten in een Bluetooth-netwerk wor-den gebruikt, kan een onder alle omstandigheden probleem-loze verbinding niet worden gegarandeerd.
Mogelijke storingsbronnen:
-Interfererende velden door zendmasten en dergelijke.
-Apparaten met foutief geïm-
plementeerde Bluetooth-stan-
daard.
-Voor Bluetooth geschikte apparaten in de directe omgeving.
-Afscherming door metalen of lichamen.
INTELLIGENTE NOODOPROEP
-met intelligente noodop-roep SU
Principe
De intelligente noodoproep maakt handmatige of automatische noodoproepen mogelijk, bijv. bij ongevallen.
De noodoproepen worden aan- genomen door een alarmcen- trale in opdracht van de voer- tuigfabrikant.
Informatie over de bediening van de intelligente noodop-roep en de functies ervan vindt u in het hoofdstuk Bediening (88).
Juridische grondslag
De verwerking van persoonsge- bonden gegevens via de intel- ligente noodoproep gebeurt
conform de volgende voorschriften:
- Bescherming van persoonsgebonden gegevens: Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad.
- Bescherming van persoonsgebonden gegevens: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad.
De juridische grondslag voor de activering en werking van de intelligente noodoproep zijn de afgesloten ConnectedRide overeenkomst voor deze functie alsmede de betreffende wetgeving, verordeningen en richtlijnen van het Europees Parlement en de Europese Raad.
De betreffende verordeningen en richtlijnen regelen de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgebonden gegevens. De verwerking van persoonsgebonden gegevens door de intelligente noodoproep is conform de Europese richtlijnen inzake bescherming van persoonsgegevens.
De intelligente noodoproep verwerkt persoonsgebonden gegevens alleen met toestemming van de voertuigbezitter.
De intelligente noodoproep en andere diensten met aanvullend nut mogen persoonsgebonden gegevens alleen verwerken op basis van de uitdrukkelijke toestemming van de persoon die de gegevensverwerking betreft, bijv. de voertuigbezitter.
SIM-kaart
De intelligente noodoproep werkt via de in het voertuig ingebouwde SIM-kaart via de mobiele communicatie. De SIM-kaart is permanent aan-gemeld bij het mobiele-tele-foonnetwerk, om een snelle verbindingsopbouw mogelijk te maken. De gegevens worden bij een noodgeval aan de voer-tuigfabrikant verzonden.
Verbetering van de kwaliteit
De bij een noodoproep overgedragen gegevens worden door de fabrikant van het voertuig ook gebruikt ter verbetering van de product- en servicekwaliteit.
Standplaatsbepaling
De positie van het voertuig kan op basis van de mobiele-telefooncellen uitsluitend worden bepaald door de provider van het mobiele-telefoonnetwerk. Een koppeling tussen
14 ALGEMENE AANWIJZINGEN
voertuigidentificatienummer en telefoonnummer van de ge-monteerde SIM-kaart is voor de provider mogelijk. Uitsluitend de fabrikant van het voertuig kan de koppeling tussen het framenummer en het telefoon-nummer van de ingebouwde SIM-kaart maken.
Log-gegevens van de noodoproepen
De log-gegevens van de nood- oproepen worden opgeslagen in een geheugen in het voer- tuig. De oudste log-gegevens worden regelmatig gewist. De log-gegevens bevatten bijv. in- formatie over wanneer en waar er een noodoproep is gedaan. De log-gegevens kunnen in uitzonderingsgevallen uit het voertuiggeheugen worden uit- gelezen. In dat geval worden log-gegevens alleen uitgelezen op gerechtelijk bevel en dit is alleen mogelijk als de betreffende apparaten rechtstreeks op het voertuig worden aangesloten.
Automatische noodoproep
Het systeem is zodanig geconfigureerd dat er bij een ongeval vanaf een zekere mate van ernst, dat door sensoren in het voertuig wordt herkend, automatisch een noodoproep wordt geactiveerd.
Verzonden informatie
Bij een noodoproep door de intelligente noodoproep wordt dezelfde informatie doorgegeven aan de betreffende alarmcentrale als bij de wettelijk noodoproep eCall aan de openbare alarmcentrale.
Bovendien wordt door de in- telligente noodoproep de vol- gende aanvullende informatie aan een alarmcentrale in op- dracht van de voertuigfabri- kant verzonden en evt. door- gestuurd aan de openbare red- dingsdienst:
- Ongevalgegevens, bijv. de door de voertuigsensoren herkende botsrichting, om de inzetplanning van de reddingsdiensten te vergemakkelijken.
-Contactgegevens, zoals het telefoonnummer van de ingebouwde SIM-kaart en het telefoonnummer van de berijder, mits beschikbaar, om zo nodig snel contact met de bij het ongeval betrokken personen mogelijk te maken.
Gegevensopslag
De gegevens van een geactiveerde noodoproep worden opgeslagen in het voertuig. De gegevens bevatten informatie over de noodoproep, bijv. plaats en tijd van de noodoproep.
De geluidsopnamen van het noodoproepgesprek worden opgeslagen bij de alarmcentrale.
De geluidsopnamen van de klant worden gedurende 24 uur opgeslagen, als er details van de noodoproep moeten worden geanalyseerd. Daarna worden de geluidsopnamen gewist. De geluidsopnamen van de medewerker van de alarmcentrale worden voor kwaliteitsdoeleinden gedurende 24 uur opgeslagen.
Informatie over persoonsgebonden gegevens
De in het kader van de intelligente noodoproep verwerkte gegevens worden uitsluitend verwerkt voor het doen van de noodoproep. De fabrikant van het voertuig verschaft in het kader van de wettelijke verplichting informatie over de door hem verwerkte en evt. nog opgeslagen gegevens.
Regionale beperking
Voorwaarde voor de functionaliteit van de ingebouwde intelligente noodoproep is, dat de betreffende landenvoertuig de actuele regio ondersteunt.
Meer informatie over regionale beperkingen:
support.bmw-motorrad.com
OVERZICHTEN
02
OVERZICHT LINKS 18
OVERZICHT RECHTS 19
ONDER DE BUDDYSEAT 20
COMBISCHAKELAAR LINKS 21
COMBISCHAKELAAR RECHTS 22
COMBISCHAKELAAR RECHTS 23
INSTRUMENTENPANEEL 24
18 OVERZICHTEN
OVERZICHT LINKS

1 Contactdoos (204)
2 USB-laadaansluiting (205)
3 Buddyseatslot (108)
4 Handgreep duopassagier
5 Instelling van de demping (117)
6 Voetsteun passagier
7 Voetsteun berijder
8 Olievulopening en oliepeilstaaf (162)
OVERZICHT RECHTS

1 Instelling van de veervoor-spanning ( 115)
2 Remvloeistofreservoir achter (168)
3 Remvloeistofreservoir voor (167)
4 Voertuigidentificatienummer, typeplaatje (op het balhoofd)
5 Koelvloeistofpeilweergave (achter de zijbekleding) (170)
6 Voetsteun berijder
7 Voetsteun passagier
8 Handgreep duopassagier
20 OVERZICHTEN
ONDER DE BUDDYSEAT

1 Boordgereedschap (161)
2 Tabel met laadvermogens
3 Accu (193)
4 Hoofdzekering (197)
5 Diagnosecontactdoos (199)
6 Zekeringen (197)
COMBISCHAKELAAR LINKS

1 Grootlicht en lichtsignaal (91)
2 Cruise control (101)
3 Alarmlichtinstallatie (03)
4 DTC (94)
5 Dynamic ESA (95)
6 Verstraler (92)
7 Richtingaanwijzers (93)
8 Claxon
9 Tuimeltoets MENU (67)
10 Multi-Controller (66)
22 OVERZICHTEN
COMBISCHAKELAAR RECHTS
-met intelligente noodoproep SU

1 Handvatverwarming bedienen (108)
2 Rijmodus selecteren (98)
3 Nooduitschakelingsschakelaar (87)
4 Startknop (127)
5 SOS-toets
Intelligente noodoproep
(88)
COMBISCHAKELAAR RECHTS

1 Handvatverwarming bedienen (108)
2 Rijmodus selecteren (98)
3 Nooduitschakelingsschakelaar (87)
4 Startknop (127)
24 OVERZICHTEN
INSTRUMENTENPANEEL

1 Controle- en waarschu-
wingslampjes (28)
2 Instrumentenpaneel (30) (29)
3 DWA-LED (105)
-met Keyless Ride SU Controlelampje voor de
radiografische sleutel
(84)
4 Fotodiode (voor aanpassing helderheid van de instrumentenverlichting)
AANDUIDINGEN
03
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES 28
MENUSCHERM 29
AANZICHT PURE RIDE 30
AANZICHT MIJN VOERTUIG 33
CONTROLELAMPJES 36
28 AANDUIDINGEN
1 Richtingaanwijzers links (93)
2 Grootlicht (91)
3 Algemeen waarschu-
wingslampje (36)
4 Richtingaanwijzer rechts (93)
5 Waarschuwingslampje storing aandrijflijn (49)
6 DTC (57)
7 ABS (56)
8 Automatisch dagrijlicht (92)
9 Verstraler ( 92)
MENUSCHERM

1 Snelheidsmeter
2 Cruise control (101)
3 Speed Limit Info (76)
4 Rijmodus (97)
5 Statusregel (69)
6 Opschakeladvies (32)
7 Versnellingsindicator
8 Klok
9 Verbindingsstatus
10 Stomschakeling (70)
11 Bedieningshulp
12 Handvatverwarming (108)
13 Automatisch dagrijlicht (92)
14 Waarschuwing buitentemperatuur ( 43)
15 Buitentemperatuur
16 Menugedeelte
30 AANDUIDINGEN
14 Handvatverwarming (108)
15 Automatisch dagrijlicht (92)
16 Waarschuwing buitentemperatuur (43)
17 Buitentemperatuur
TOERENTELLER

1 Schaal
2 Toerengebied
3 Hoog/rood toerentalbereik
4 Wijzer
5 Sleepwijzer
6 Eenheid voor toerenteller: 1000 omwentelingen per minuut
Hoe warmer de motor, des te hoger is het toerental waarbij het rood gearceerde toerentalbereik begint.
Het volledig rode toeren- gebied geeft het maxi- male toerental aan, afhankelijk van bijvoorbeeld inrijcontrole of storingen in de motorregeling.
Afhankelijk van de koel-vloeistoftemperatuur ver- andert het rood gearceerde toerentalbereik: Hoe kouder de motor, des te lager is het toerental waarbij het rood gearceerde toerentalbereik begint.
32 AANDUIDINGEN
Actieradius

De actieradius 1 geeft aan welke afstand nog met de resterende brandstof kan worden afgelegd. De berekening geschiedt aan de hand van het gemiddeld verbruik en de brandstofhoeveelheid.
-Als het voertuig op de zijstandaard staat, kan de brandstofhoeveelheid in verband met de schuine stand niet correct worden bepaald. Daarom wordt de actieradius alleen opnieuw berekend als de zijstandaard is ingeklapt.
-De actieradius wordt samen met een waarschuwing weergegeven zodra de brandstof-reserve wordt aangesproken.
—Na het tanken wordt de actieradius opnieuw berekend als de brandstofhoeveelheid groter is dan de brandstofreserve.
-De berekende actieradius betreft slechts een globale waarde.
Opschakeladvies

Het opschakeladvies in de sta- tusregel 1 of in het aanzicht Pure Ride 2 geeft het eco- misch gezien beste moment om op te schakelen aan.
1 Check-Control-display Weergave (36)
2 Koelvloeistoftemperatuur (48)
3 Actieradius (32)
4 Kilometerteller
5 Onderhoudsmelding (61)
6 Bandenspanning achter (34)
7 Boordnetspanning (194)
8 Bandenspanning voor (34)
34 AANDUIDINGEN
Boordcomputer en tripboordcomputer

De schermmenu's BOORDCOM- PUTER en REISBOORDCOMP. geven voertuig- en ritgegevens zoals bijv. gemiddelde waarden weer.
Bandenspanning
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU
Voor de weergave van de bandenspanningen is er naast het menuvenster MIJN VOERTUIG en de Check-Control-meldingen ook het beeldvenster BAN-DENSPANNING:

De waarden links hebben be- trekking op het voorwiel, de waarden rechts op het achter- wiel.
Naast de werkelijke banden- spanningswaarden worden ook de voorgeschreven banden- spanningswaarden afhankelijk van de belading weergegeven. Meteen na het inschakelen van het contact worden er alleen streepjes weergegeven. De overdracht van de werkelijke bandenspanningswaarden be- gint pas nadat de volgende mi- nimumsnelheid voor het eerst is overschreden:

RDC-sensor is niet actief
min. 30 km/h (Pas na over- schrijding van de minimum- snelheid verzendt de RDC- sensor zijn signaal aan de motorfiets.)
De bandenspanningen worden op het instrumentenpaneel met temperatuurcompensatie weergegeven en hebben altijd betrekking op de volgende luchttemperatuur in de band:
20 ° C
Als bovendien het band- symbool geel of rood wordt weergegeven, betreft het een waarschuwing.
De tolerantiebereiken van de bandenspanningen hebben betrekking op solo.
Als de betreffende waarde binnen het grensgebied van de toelaatbare tolerantie ligt, brandt bovendien het algemene waarschuwingslampje geel.
Als de gemeten banden-spanning buiten de toe-gestane tolerantie ligt, knippert het algemene waarschuwings-lampje rood.
Uitgebreide informatie over de BMW Motorrad RDC vindt u in het hoofdstuk Techniek in detail (153).
Onderhoudsbehoefte

Als de resterende tijd tot aan het volgende onderhoud minder dan een maand is of als het volgende onderhoud binnen 1000 km noodzakelijk is, dan verschijnt er een witte Check-Control-melding.
36 AANDUIDINGEN
CONTROLELAMPJES
Weergave
Waarschuwingen worden door het betreffende waarschu- wingslampje weergegeven.
Waarschuwingen worden door middel van het algemene waarschuwingslampje in combinatie met een dialoogveld in het instrumentenpaneel weergegeven. Afhankelijk van de ernst van de waarschuwing gaat het algemene waarschuwingslampje rood of geel branden.

Het algemene waarschu- wingslampje wordt samen met de waarschuwing met de hoogste prioriteit weergegeven. Een overzicht van de mogelijke waarschuwingen vindt u op de volgende pagina's.

Check-Control-display
De meldingen op het display zien er verschillend uit. Afhankelijk van de prioriteit worden er verschillende kleuren en tekens gebruikt:
-Groene CHECK OK 1: Geen melding, waarde optimaal.
-Witte cirkel met kleine letter "i" 2: Informatie.
-Gele gevarendriehoek 3: Waarschuwingsmelding, waarde niet optimaal.
-Rode gevarendriehoek 3: Waarschuwingsmelding, waarde kritisch

Weergave van waarden
De symbolen 4 zien er verschillend uit. Afhankelijk van de beoordeling worden er verschillende kleuren gebruikt. In plaats van numerieke waarden 8 met eenheden 7 worden er ook teksten 6 weergegeven:
Kleur van het symbool
-Groen: (OK) Huidige waarde is optimaal.
-Blauw: (Cold!) Huidige temperatuur is te laag.
-Geel: (Low!/High!) Huidige waarde is te laag of te hoog.
-Rood: (Hot!/High!) Huidige temperatuur of waarde is te hoog.
-Wit: (---) Er is geen geldige waarde aanwezig. In plaats van de waarde worden er streepjes 5 weergegeven.
De beoordeling van de afzonderlijke waarden is deels pas vanaf een bepaalde ritduur of snelheid mogelijk. Als een meetwaarde nog niet
weergegeven kan worden, om- dat niet aan de voorwaarden voor de meting is voldaan, wor- den in plaats daarvan streepjes weergegeven. Zolang er geen geldige meetwaarde beschik- baar is, volgt er ook geen be- oordeling in de vorm van een gekleurd symbool.

Check-Control-dialoogvenster
Meldingen worden als Check-Control-dialoogvenster 1 weer-gegeven.
-Als het symbool 2 actief wordt weergegeven, kan de melding worden bevestigd door de Multi-Controller naar links te drukken.
-Check-Control-meldingen worden dynamisch als extra tabblad aan de pagina's in het menu Mijn Motor toegevoegd. Zo lang de storing bestaat, kan de melding opnieuw worden opgeroepen.
38 AANDUIDINGEN
Overzicht waarschuwingsindicaties
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings-lampjes
![]() | wordt weergegeven. | Waarschuwing buitentemperatuur (43) | |
![]() | brandt geel. R ![]() | og. sleutel niet in bereik. | Radiografische sleutel buiten het ontvangstbereik (43) |
![]() | brandt geel. K ![]() | ess Ride uitgevallen! | Keyless Ride uit-gevallen (44) |
![]() | brandt geel. B ![]() | radiogr. sl. bijna leeg. | Batterij van de radiografische sleutel vervangen (44) |
| Boordnetspanning laag. | Boordnetspanning te laag (44) | ||
![]() | brandt geel. B ![]() | lnetspanning kritiek! | Boordnetspanning kritisch (45) |
![]() | knippert geel. | Accuspanning kritiek! | Laadspanning kritisch (45) |
![]() | brandt geel. D ![]() | fecte lamp wordt weergegeven. | Lamp defect (46) |
![]() | brandt geel. L ![]() | regeling uitgevallen! | Verlichtingsregeling uitgevallen (46) |
![]() | DWA-accucapaciteit zwak. | DWA-accu zwak (47) |
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes
![]() | brandt geel. D | ![]() | accu ontladen. | ![]() |
![]() | brandt geel. D | ![]() | uitgevallen. | ![]() |
![]() | brandt geel. M | ![]() | rtemp.hoog! | ![]() |
![]() | brandt rood. M | ![]() | r overver-hit! | ![]() |
![]() | wordt weer-gegeven of knippert. | ![]() | Aandrijving! | ![]() |
![]() | knippert rood. | ![]() | Ernstige storing in de motorregeling! | ![]() |
![]() | knippert. | ![]() | ||
![]() | brandt geel. | ![]() | Geen communica-tie met motorregeling. | ![]() |
![]() | brandt. | ![]() | ||
![]() | brandt geel. S | ![]() | ing in de motorregeling. | ![]() |
![]() | knippert rood. | ![]() | Ernstige storing in de motorregeling! | ![]() |
40 AANDUIDINGEN
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes
![]() | brandt geel. B | ![]() | enspanning niet op voorge-schr. | Bandenspanning in het grensgebied van de toelaatbare tolerantie (51) |
![]() | knippert rood. | ![]() | Bandenspanning niet op voorge-schr. | Bandenspanning buiten de toelaat-bare tolerantie (52) |
![]() | Ban-densp.controle.Drukverlies. | |||
![]() | "---" | Overdrachtsstoring (58) | ||
![]() | brandt geel." | ![]() | Sensor defect of systeemstoring (53) | |
![]() | brandt geel. B | ![]() | erij RDC-sensoren bijna leeg. | Batterij van de bandenspan-ningssensor zwak (54) |
![]() | brandt geel. B | ![]() | en-spann.controle uitgevallen! | Bandenspan-ningscontrole (RDC) uitgeval-len (54) |
![]() | Valsensor de-fect. | Storing valsensor (54) | ||
![]() | brandt geel. N | ![]() | proep be-perkt. | Noodoproepfunc-tie beperkt be-schikbaar (55) |
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes
![]() | brandt geel. S ![]() | ing noodop-roep. | Noodoproepfunc-tie uitgevallen (55) |
![]() | brandt geel. B ![]() | king zij-standaard de-fect. | Storing zijstan-daardbewaking (55) |
![]() | knippert. | ABS-zelfdiagnose niet beëindigd (56) | |
![]() | brandt geel. ![]() | ABS beperkt be-schikbaar! | ABS-storing (56) |
![]() | brandt. | ||
![]() | brandt geel. ![]() | ABS uitgevallen! | ABS uitgevallen (56) |
![]() | brandt. | ||
![]() | brandt geel. ![]() | ABS Pro uitge-vallen! | ABS Pro uitgeval-len (56) |
![]() | brandt. | ||
![]() | knippert niet regelmatig. | ABS-regeling al-leen bij het voor-wiel (57) | |
![]() | knippert snel. | DTC-ingreep (57) | |
![]() | knippert langzaam. | DTC-zelfdiagnose niet beëindigd (57) |
42 AANDUIDINGEN
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes

brandt. Off!

DTC uitgescha- keld (58)

Tractieregeling gedeactiveerd.

brandt geel.

Tractiecontrole beperkt!
DTC beperkt beschikbaar (58)

brandt.

brandt geel.

Tractieregeling uitgevallen!
DTC-storing (59)

brandt.

brandt geel.

Versnelling niet ingeleerd (60)

knippert groen.
Alarmknipperlichten ingeschakeld (60)

wordt wit weergegeven.
Onderhoud nodig (61)
Onderhoud nodig!

brandt geel.

geel weerge- geven.
Onderhoudsaf- spraak overschre- den (61)
Onderhoud te laat!
Buitentemperatuur
De buitentemperatuur wordt in de statusregel van het instrumentenpaneel weergegeven. Als het voertuig stilstaat kan de warmte van de motor de meting van de omgevingstemperatuur beïnvloeden. Als de invloed van de motorwarmte te groot wordt, verschijnen er tijdelijk streepjes in plaats van de waarde.

Als de buitentemperatuur tot onder de grenswaarde circa 3 °C zakt, is er gevaar ijzelvorming.
Als deze temperatuur voor de eerste keer wordt onderschreden, knippert het ijskristalsymbool in de statusregel van het instrumentenpaneel.
Waarschuwing buitentemperatuur

wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:

De bij de motorfiets ge- meten buitentempera- is lager dan:
circa 3 °C

WAARSCHUWING
Gevaar van gladheid ook via circa 3 °C
Gevaar voor een ongeval
- Bij lage buitentemperaturen moet op bruggen en schaduwrijke wegen rekening worden gehouden met gladheid.
- Vooruitziend rijden.
Radiografische sleutel buiten het ontvangstbereik
—met Keyless Ride SU

brandt geel.

Radiog. sleutel niet in bereik. Contact opnieuw inschakelen niet mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
Storing in de communicatie tussen radiografische sleutel en motorelektronica.
- De batterij in de radiografische sleutel controleren.
—met Keyless Ride SU - Batterij van de radiografische sleutel vervangen. (86)
- Noodsleutel voor de rest van de rit gebruiken.
44 AANDUIDINGEN
-met Keyless Ride SU
- Batterij van radiografische sleutel is leeg of verlies van radiografische sleutel. (85)
- Blijf rustig als tijdens de rit het Check-Control-dialoogvenster verschijnt. U kunt doorrijden, de motor wordt niet uitgeschakeld.
- Defecte radiografische sleutels door een BMW Motorrad Partner laten vervangen.
Keyless Ride uitgevallen
—met Keyless Ride SU

brandt geel.

Keyless Ride uit- gevallen! Motor niet afzetten. Evt. geen nieuwe motorstart mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
De Keyless Ride-regeleenheid heeft een communicatiestoring geregistreerd.
- De motor niet afzetten. Zo snel mogelijk een vakwerkplaats opzoeken, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Het starten van de motor kan niet meer met Keyless Ride worden ingeschakeld.
» DWA niet meer activeerbaar.
Batterij van de radiografische sleutel vervangen
-met Keyless Ride SU

brandt geel.

Batt. radiogr. sl. bijna leeg. Functie beperkt. Batterij vervangen.
Mogelijke oorzaak:
- De batterij van de radiografische sleutel heeft niet meer de volledige capaciteit. De werking van de radiografische sleutel is nog voor een beperkte tijd gewaarborgd.
- Batterij van de radiografische sleutel vervangen. (86)
Boordnetspanning te laag

Boordnetspanning laag. Onnodige ver- ikers uitschakelen.
De boordnetspanning is te laag. Bij doorrijden onlaadt de voertuigelektronica de accu.
Mogelijke oorzaak:
Verbruikers met hoog stroomverbruik, bijv. verwarmingsvesten in gebruik, te veel verbruikers tegelijkertijd in gebruik, of accu defect.
- Niet benodigde verbruikers uitschakelen of losnemen van boordnet.
- Wanneer de storing nog steeds aanwezig is, of optreedt zonder dat verbruikers zijn aangesloten, de storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Boordnetspanning kritiek! Verbruikers zijn uitgeschakeld. Accutoestand controle- ren.

WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsystemen
Gevaar voor ongevallen
- Niet verder rijden.
De boordnetspanning is kritisch. De voertuigelektronica ontlaadt de accu.
Mogelijke oorzaak:
Verbruikers met hoog stroomverbruik, bijv. verwarmingsvesten in gebruik, te veel verbruikers tegelijkertijd in gebruik, of accu defect.
- Niet benodigde verbruikers uitschakelen of losnemen van boordnet.
- Wanneer de storing nog steeds aanwezig is, of optreedt zonder dat verbruikers zijn aangesloten, de storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Accuspanning kri- tiek! Gevaar voor ongevallen. Niet verder rijden.

WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsystemen
Gevaar voor ongevallen
- Niet verder rijden.
De accu wordt niet opgeladen. De voertuigelektronica ontlaadt de accu.
Mogelijke oorzaak:
Storing dynamo, accu defect of zekering doorgebrand.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
46 AANDUIDINGEN
Lamp defect

brandt geel.

De defecte lamp wordt weergegeven:

Grootlicht defect!

Richtingaanwijzer linksvoor defect!
of Richtingaanwijzer rechtsvoor defect!

Dimlicht defect!

Stadslicht voor de- fect!

Dagrijlicht defect!

Achterlicht defect!

Remlicht defect!

Richtingaanwijzer linksachter defect!
of Richtingaanwijzer rechtsachter defect!

Kentekenverlichting defect!
-met verstraler SU

De motorfiets wordt niet ge- zien in het wegverkeer door uitvallen van de verlichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
- Een defecte gloeilamp zo snel mogelijk vervangen. Hiervoor contact opnemen met een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad dealer.
Mogelijke oorzaak:
Lamp defect.
- Door middel van een visuele controle nagaan, welke lamp defect is.
- LED-lampen compleet la- ten vervangen. Daartoe con- tact opnemen met een vak- werkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Verlichtingsregeling uitgevallen

brandt geel.

Lichtregeling uit- gevallen! Door spe- list laten controle-

WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet zien in het verkeer door val van de voertuigverlichting
Veiligheidsrisico
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats la- ten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
De voertuigverlichting is ge- deeltelijk of volledig uitgevallen. Mogelijke oorzaak:
De verlichtingsregeling heeft een communicatiefout ontdekt.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
DWA-accu zwak
-met alarmsysteem (DWA) SU

DWA-accucapaciteit zwak. Geen beperkingen. Maak een afspraak bij een specialist.

Deze storingsmelding wordt gedurende korte tijd alleen aansluitend op de Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft niet meer zijn volledige capaciteit. De
ge- werking van de DWA is bij een uit- losgekoppelde motorfietsaccu nog slechts beperkt gewaar- borgd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
DWA-accu leeg
—met alarmsysteem (DWA) SU

brandt geel.

DWA-accu ontladen. Autoalarm niet actief. Maak een afspraak bij een specialist.

Deze storingsmelding wordt gedurende korte tijd alleen aansluitend op de Pre-Ride-Check weergegeven. Mogelijke oorzaak:
De DWA-batterij is leeg. De activering van het alarm is niet mogelijk nadat de voertuigaccu is losgekoppeld. Alle andere functies van de DWA zijn functioneel.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
48 AANDUIDINGEN
DWA uitgevallen
De DWA-regeleenheid heeft een communicatiestoring geregistreerd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»De DWA kan niet meer worden geactiveerd of gedeactiveerd.
»Vals alarm mogelijk.
Motortemperatuur hoog

brandt geel.

Motortemp. hoog! Om af te koelen gematigd verder rijden.

LET OP
Rijden met oververhitte motor
Motorschade
- Beslist de hieronder vermelde punten in acht nemen.
Mogelijke oorzaak:
Het koelvloeistofpeil is te laag.
- Koelvloeistofpeil controleren. (170)
Als het koelvloeistofpeil te laag is:
- Motor laten afkoelen. Koelvloeistof bijvullen. Het koelsysteem door een vakwerkplaats laten controleren, het beste door een BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
De temperatuursensor heeft een hoge temperatuur in de motor herkend.
- Zo mogelijk de motor in deellast laten draaien om hem af te koelen.
- Als de motortemperatuur vaker te hoog is, de storing zo snel mogelijk laten verhelpen door een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Motor oververhit

brandt rood.

Motor oververhit!
Voorzichtig stoppen en de motor afzetten.

LET OP
Rijden met oververhitte motor
Motorschade
- Beslist de hieronder vermelde punten in acht nemen.
Mogelijke oorzaak:
Het koelvloeistofpeil is te laag.
- Koelvloeistofpeil controleren. (170)
Als het koelvloeistofpeil te laag is:
- Motor laten afkoelen. Koelvloeistof bijvullen. Het koelsysteem door een vakwerkplaats laten controleren, het beste door een BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
- Voorzichtig stoppen en de motor afzetten, wachten tot de motor afgekoeld is.
- Als de motor vaker oververhit raakt, de storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Storing aandrijfsysteem

wordt weergegeven of knippert.

Aandrijving! Door specialist laten
controleren.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een storing vastgesteld die gevolgen heeft voor de uitstoot van schadelijke stoffen en/of het vermogen.
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Verder rijden mogelijk, de uit- stoot van schadelijke stoffen ligt boven de voorgeschreven waarden.
Ernstige storing aandrijfsysteem

knippert rood.

knippert.

Ernstige storing in de motorregeling!
Rustig verder rijden mog. Schade mogelijk. Door specialist laten control.
50 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een storing vastgesteld die tot de beschadiging van het uit-laatsysteem kan leiden.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Het is mogelijk verder te rijden, maar dit is niet aan te raden.
Motorregeling uitgevallen

brandt geel.

brandt.

Geen communicatie met motorregeling.
Meerdere syst. betrokken. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De communicatie met de motorregeleenheid is uitgevallen.
- Verder rijden mogelijk. De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Motor in noodloopfunctie

brandt geel.

Storing in de mo- torregeling. Rus- verder rijden mog. voorzichtig naar de ntstbijz. specia- .

WAARSCHUWING
Ongebruikelijk rijgedrag tijdens de noodfunctie van de motor
Gevaar voor ongevallen
- Sterk accelereren en inhaalmanoeuvres vermijden.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een storing geregistreerd. In uitzonderingsgevallen slaat de motor af en kan niet meer worden gestart. Anders draait de motor in de noodfunctie.
- Verder rijden mogelijk, het motorvermogen staat echter niet zoals gewend ter beschikking.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Ernstige storing in de motorregeling

knippert rood.

Ernstige storing in de motorregeling!
Rustig verder rijden mog. Schade mogelijk. Door specialist laten control.

WAARSCHUWING
Beschadiging van de motor in de noodloopfunctie
Gevaar voor een ongeval
- Rijd langzaam, vermijd abrupt accelereren en inhaalmanoeuvres.
- Laat het voertuig indien mogelijk ophalen en laat de storing repareren door een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
Het vulpeil in de brandstoftank is te laag of de motorregeleenheid heeft een storing vastgesteld. Als gevolg hiervan kunnen er ernstige storingen op-treden. De motor bevindt zich in de noodloopfunctie.
- Het is mogelijk verder te rijden, maar dit is niet aan te raden.
- Hoge belastingen en toeren-
tallen zo mogelijk vermijden.
•Tanken. (136) - De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Bandenspanning in het grensgebied van de toelaatbare tolerantie
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU

brandt geel.

Bandenspanning niet op voorgeschr. Bandenspanning controle- ren.
Mogelijke oorzaak:
De gemeten bandenspanning ligt in het grensgebied van de toegestane tolerantie.
• Bandenspanning corrigeren.
- Vóór het aanpassen van de bandenspanning de informatie over de temperatuurcompensatie en over het aanpassen van de bandenspanning in het hoofdstuk Techniek in detail ter harte nemen:
» Temperatuurcompensatie (153)
»Aanpassing van de banden-spanning (154)
52 AANDUIDINGEN
» De voorgeschreven banden-spanningswaarden zijn op de volgende plaatsen te vinden:
—Achterkant omslag van de handleiding
-Instrumentenpaneel in het aanzicht BANDENSPANNING
-Bandenspanningstabel
Bandenspanning buiten de toelaatbare tolerantie
—met bandenspanningscontrole (RDC) SU

knippert rood.

Bandenspanning niet op voorgeschr. Meteen stoppen! Banden- spanning controlleren.

Bandensp.controle. Drukverlies. Meteen stoppen! Bandenspanning controleren.

WAARSCHUWING
Bandenspanning buiten de toelaatbare tolerantie.
Gevaar voor ongevallen, ver- slechtering van de rijeigen- schappen van het voertuig.
• Rijstijl aanpassen.
Mogelijke oorzaak:
De gemeten bandenspanning ligt buiten de toegestane tolerantie.
- Banden op beschadigingen en bruikbaarheid controleren. Is de band nog bruikbaar:
- Bij de volgende gelegenheid de bandenspanning corrigeren.
- Vóór het aanpassen van de bandenspanning de informatie over de temperatuurcompensatie en over het aanpassen van de bandenspanning in het hoofdstuk Techniek in detail ter harte nemen:
» Temperatuurcompensatie (153)
»Aanpassing van de banden-spanning (154)
» De voorgeschreven banden-spanningswaarden zijn op de volgende plaatsen te vinden:
-Achterkant omslag van de handleiding
-Instrumentenpaneel in het aanzicht BANDENSPANNING
-Bandenspanningstabel
- De band bij een vakwerkplaats op beschadigingen laten controleren, bij voorkeur bij een BMW Motorrad Partner.
Bij eventuele twijfel over de bruikbaarheid van de band:
- Niet verder rijden.
- Pechdienst informeren.
Overdrachtsstoring
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU

Mogelijke oorzaak:
Het voertuig heeft de mini- mumsnelheid niet bereikt (153).

RDC-sensor is niet actief
min. 30 km/h (Pas na over- schrijding van de minimum- snelheid verzendt de RDC- sensor zijn signaal aan de motorfiets.)
- RDC-weergave in het oog houden bij hogere snelheid. Pas als daarnaast het algemene waarschuwingslampje gaat branden, gaat het om een permanente storing. In dit geval:
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
De radioverbinding met de RDC-sensoren is verstoord.
Mogelijke oorzaak is radiografische apparatuur in de omgeving die de verbinding tussen de RDC-regeleenheid en de sensoren stoort.
- RDC-weergave in een andere omgeving observeren. Pas als daarnaast het algemene waarschuwingslampje gaat branden, gaat het om een permanente storing. In dit geval:
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Er zijn wielen zonder RDC-sensoren gemonteerd.
- Wielen met RDC-sensoren achteraf aanbrengen.
54 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
Een of twee RDC-sensoren zijn uitgevallen of er is een systeemstoring aanwezig.
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Batterij van de bandenspanningssensor zwak —met bandenspanningscontrole (RDC) SU

brandt geel.

Batterij RDC- sensoren bijna leeg.
Functie beperkt. Door een specialist laten controleren.

Deze storingsmelding wordt gedurende korte
tijd alleen aansluitend op de Pre-Ride-Check weergegeven. Mogelijke oorzaak:
De batterij van de bandenspanningssensor heeft niet meer zijn volledige capaciteit. De werking van de bandenspanningscontrole is nog voor een beperkte tijd gewaarborgd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Bandenspanningscontrole (RDC) uitgevallen
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU

brandt geel.

Bandenspann.controle uitgevallen! Functie beperkt. Door een specialist laten controleren.
Mogelijke oorzaak:
De RDC-regeleenheid heeft een communicatiestoring geregistreerd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Bandenspanningswaarschuwingen niet beschikbaar.
Storing valsensor

De valsensor werkt niet.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Noodoproepfunctie beperkt beschikbaar
-met intelligente noodop-roep SU

brandt geel.

Noodoproep beperkt. Bij een herhaald optreden door een garage laten controleren.
Mogelijke oorzaak:
De noodoproep kan niet automatisch of niet via BMW tot stand worden gebracht.
- De informatie over de bedie- ning van de intelligente nood- oproep vanaf pagina (88) in acht nemen.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Noodoproepfunctie uitgevallen
-met intelligente noodop-roep SU

brandt geel.

Storing noodoproep. Maak een afspraak bij een specialist.
Mogelijke oorzaak:
De regeleenheid van het nood- oproepsysteem heeft een uitval gediagnosticeerd. Het noodop- roepsysteem is uitgevallen.
- In acht nemen dat de nood- oproep niet kan worden ver- stuurd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Storing zijstandaardbewaking

brandt geel.

Bewaking zijstan- daard defect. Ver- rijden mogelijk. In nd motorstop! Door cialist laten contro- en.
Mogelijke oorzaak:
| Zijstandaardschakelaar of bedrading beschadigd |
| De motor wordt bij het overschrijden van de minimum-snelheid uitgeschakeld. In dat geval is rijden niet meer mogelijk. |
| min. 5 km/h |
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
56 AANDUIDINGEN
ABS-zelfdiagnose niet beëindigd

knippert.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-functie is niet beschikbaar, omdat de zelfdiagnose niet is beëindigd. Voor de controle van de wielsensoren moet de motorfiets enkele meters rijden.
- Langzaam wegrijden. Er rekening mee houden dat tot het afsluiten van de zelfdiagnose de ABS-functie niet beschikbaar is.
ABS-storing

brandt geel.

brandt.

ABS beperkt beschik- baar! Rustig doorrijden mog. Rij voor- zichtig naar de dichtst- bijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een storing opgemerkt. De ABS-functie is beperkt beschikbaar.
- Verder rijden mogelijk.
Nadere informatie over bijzondere situaties die tot een ABS-storingsmelding
kunnen leiden in acht nemen (145).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ABS uitgevallen

brandt geel.

brandt.

ABS uitgevallen! Rustig doorrijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een storing opgemerkt. De ABS-functie is niet beschikbaar.
- Verder rijden mogelijk.
Nadere informatie over bijzondere situaties die tot een ABS-storingsmelding kunnen leiden in acht nemen (145).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ABS Pro uitgevallen

brandt geel.

brandt.

ABS Pro uitgevallen! Rustig verder rij- mog. Rij voorzich- naar de dichtstbijz. cialist.
Mogelijke oorzaak:
De bewaking van de ABS Pro-functie heeft een storing op-gemerkt. De ABS Pro-functie is niet beschikbaar. De ABS-functie blijft beschikbaar. ABS ondersteunt alleen bij het rem-men bij rechtuitrijden.
- Verder rijden mogelijk. Nadere informatie over bijzondere situaties die een ABS Pro-storingsmelding kunnen veroorzaken in acht nemen (145).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ABS-regeling alleen bij het voorwiel
-met rijmodi Pro SU

knippert niet regelmatig.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-achterwielregeling is in de momenteel geselecteerde rijmodus uitgeschakeld. De achterwielrem kan het achter-wiel laten blokkeren.
- Instellingen van de rijmodus controleren.
- Voor meer informatie over de configuratie van de rijmodi, zie het hoofdstuk "Techniek in detail" (150).
DTC-ingreep

knippert snel.
Mogelijke oorzaak:
De DTC heeft een instabiliteit van het achterwiel herkend en vermindert het koppel. Het controle- en waarschu- wingslampje knippert langer dan dat de DTC-ingreep duurt. Daarmee heeft de berijder ook na de kritieke rijsituatie nog een optische bevestiging van de uitgevoerde regeling.
- Verder rijden mogelijk. Vooruitziend rijden.
DTC-zelfdiagnose niet beëindigd

knippert langzaam.
58 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:

DTC-zelfdiagnose niet voltooid
De DTC-functie is niet beschikbaar, omdat de zelf-diagnose niet is afgesloten. (Voor de controle van de wieltoerentsensoren moet de motorfiets een minimum-snelheid met draaiende motor bereiken: min. 5 km/h)
- Langzaam wegrijden. Er rekening mee houden dat tot het afsluiten van de zelfdiagnose de DTC-functie niet beschikbaar is.
DTC uitgeschakeld

brandt.

Off!

Tractieregeling ge- deactiveerd.
Mogelijke oorzaak:
Het DTC-systeem is door de berijder uitgeschakeld.
• DTC inschakelen. (94)
DTC beperkt beschikbaar

brandt geel.

brandt.

Tractiecontrole be- perkt! Rustig verder rijden mog. Rij voor- zichtig naar de dichtst- bijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een DTC-storing herkend.

LET OP
Beschadiging van onderde- len
Beschadiging van bijv. senso- ren met daaruit resulterende storingen
- Geen voorwerpen onder het bestuurderszadel of de duo-buddyseat meenemen.
-
Boordgereedschap vastzetten.
-
Giermomentsensor niet beschadigen.
- Er rekening mee houden dat de DTC-functie en andere rij-dynamieksystemen slechts beperkt beschikbaar zijn.
- Verder rijden mogelijk. Uitgebreide informatie over situaties die tot een DTC-storing kunnen leiden in acht nemen (147).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
DTC-storing

brandt geel.

brandt.

Tractieregeling uitgevallen! Rustig doorrijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specia- list.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een DTC-storing herkend.

LET OP
Beschadiging van onderde- len
Beschadiging van bijv. senso- ren met daaruit resulterende storingen
- Geen voorwerpen onder het bestuurderszadel of de duo-buddyseat meenemen.
-
Boordgereedschap vastzetten.
-
Giermomentsensor niet beschadigen.
- Er rekening mee houden dat de DTC-functie en andere rij-dynamieksystemen niet beschikbaar zijn.
- Verder rijden mogelijk. Uitgebreide informatie over situaties die tot een DTC-storing
kunnen leiden in acht nemen (147).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
D-ESA-storing
-met Dynamic ESA SU

brandt geel.

Veerpootverstel- ling defect! Rustig verder rijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specia- list.
Mogelijke oorzaak:
De Dynamic ESA-regeleen- heid heeft een storing herkend. Componenten van de elektroni- sche onderstelinstelling verto- nen een storing of de commu- nicatie met de regeleenheid is gestoord. De motor is in deze toestand zeer hard afgeveerd en rijdt vooral op slechte weg- oppervlakken oncomfortabel.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
60 AANDUIDINGEN
Brandstofreserve bereikt

brandt geel.

Tankreserve be- reikt. Meteen naar tankstation rijden.

WAARSCHUWING
Onregelmatig draaien, of uitschakeling van de motor vanwege brandstofgebrek
Gevaar voor ongevallen, be- schadiging van de katalysator
- De benzinetank niet leegrijden.
Mogelijke oorzaak:
In de brandstoftank bevindt zich nog maximaal de brand-stofreserve.

Reservehoeveelheid
circa 4 l
• Tanken. (136)
Versnelling niet ingeleerd
-met schakelassistent Pro SU

De versnellingsindicatie knippert. De schakelassis-Pro is buiten werking.
Mogelijke oorzaak:
De versnellingssensor is niet volledig ingeleerd.
• Motor starten. (127)
- Neutraalstand N inschakelen.
- De zijstandaard uitklappen en weer inklappen, daarbij niet het schakelpedaal bedienen.
- Alle versnellingen met koppelingsbediening schakelen. In de betreffende versnelling meerdere malen de gashendel in de stationaire stand brengen en vervolgens weer accelereren.
» De versnellingsindicator stopt met knipperen als de versnel-lingssensor is ingeleerd.
-Als de versnellingssensor volledig is ingeleerd, werkt de schakelassistent Pro zoals beschreven (154).
- Als de inleerprocedure mislukt, de storing door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Alarmknipperlichten ingeschakeld

knippert groen.

knippert groen.
Mogelijke oorzaak:
De alarmknipperlichten zijn door de bestuurder ingeschakeld.
- Alarmlichtinstallatie bedienen. (03)
Onderhoudsmelding

Als de onderhoudster- mijn is overschreden, gaat naast de datum resp. afstand ook het algemene waarschu-wingslampje geel branden.
Als de servicetermijn is over- schreden, verschijnt er een gele Check-Control-melding. Bo- vendien worden de weergaven voor onderhoud, onderhoudsaf- sprak en resterende afstand in de menuvensters MIJN VOER- TUIG en BENODIGD ONDER- HOUD gemarkeerd met uitroep- tekens.

Als de onderhoudsmelding al meer dan één maand voor de onderhouds- datum wordt weergegeven, dan moet de actuele datum op- nieuw worden ingesteld. Deze situatie kan zich voordoen wan- neer de accu losgekoppeld is geweest.
Onderhoud nodig

wordt wit weergegeven.
Onderhoud nodig! Onder- houd bij een specialist laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Op grond van de afgelegde afstand of de datum is het tijd voor een onderhoudsbeurt.
- Onderhoud regelmatig door een vakwerkplaats laten uitvoeren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
»De bedrijfs- en verkeersveiligheid van het voertuig blijven behouden.
»Het best mogelijke waardebehoud van het voertuig wordt verzekerd.
Onderhoudsafspraak overschreden

brandt geel.

wordt geel weergegeven.
Onderhoud te laat! Onderhoud bij een specialist laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Onderhoud is op basis van de rijprestaties of de datum te laat.
- Onderhoud regelmatig door een vakwerkplaats laten uit-
62 AANDUIDINGEN
voeren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
»De bedrijfs- en verkeersveiligheid van het voertuig blijven behouden.
»Het best mogelijke waardebehoud van het voertuig wordt verzekerd.
INSTRUMENTEN- PANEEL
04
WAARSCHUWING 66
BEDIENINGSELEMENTEN 66
MENU'S 67
MIJN VOERTUIG 68
INSTELLINGEN 69
BLUETOOTH PAIRING 71
BEDIENINGSFOCUS 73
NAVIGATIE 73
MEDIA 76
TELEFOON 77
SOFTWAREVERSIE 78
LICENTIE-INFORMATIE 78
66 INSTRUMENTENPANEEL
WAARSCHUWING

WAARSCHUWING
Bediening van een smart- phone tijdens de rit
Gevaar voor een ongeval
- Het geldende wegenverkeersreglement in acht ne-men.
- Tijdens de rit geen smartphone gebruiken. Uitgezonderd zijn toepassingen zonder bediening, zoals telefonie via een handsfree-systeem.

WAARSCHUWING
Afleiding van de verkeers- situatie en verlies van de controle
Gevaar voor ongevallen door de bediening van geïntegreerde informatiesystemen en communicatieapparaten tijdens het rijden
- Bedien deze systemen of apparaten alleen als de verkeerssituatie het toelaat.
- Stop indien nodig en bedien de systemen of apparaten terwijl u stilstaat.
Sommige functies kunnen alleen bij stilstand worden bediend.
BEDIENINGSELEMENTEN
Multi-Controller

1 Multi-Controller
A Cursor in lijsten omhoog bewegen
Volume hoger zetten
B Cursor in lijsten omlaag bewegen
Volume verlagen
C Functie overeenkomstig terugmelding activeren Selectie/instelling bevestigen Door menuvensters blade- ren
D Functie overeenkomstig terugmelding activeren of opnieuw activeren Na de instellingen terug- keren naar het menu- scherm Een niveau in de hiërar- chie omhoog gaan Door menuvensters blade- ren
Tuimeltoets MENU

MENU 1 kort aan de bovenzijde indrukken:
-In de menu weergave: Een niveau in de hiërarchie omhoog gaan.
-In de weergave Pure Ride: Weergave voor statusregel berijdersinformatie wijzigen.
MENU 1 lang aan de bovenzijde indrukken:
-In de menu weergave: Weergave Pure Ride openen.
-In de weergave Pure Ride: Waarde van boordcomputer resetten.
-De bedieningsfocus naar de Navigator wisselen.
MENU 1 kort aan de onderzijde indrukken:
—Een niveau in de hiërarchie omlaag gaan.
-Selectie/instelling bevestigen.
MENU 1 lang aan de onderzijde indrukken:
- Teruggaan naar het laatst geopende menu, nadat eerst van menu is gewisseld door lang op de bovenzijde te drukken.
Navigatie-aanwijzingen worden weergegeven als dialoog wanneer het menu Navigatie niet is geopend. De bediening van de tuimel- toets MENU is tijdelijk beperkt.
MENU'S
Voorwaarde
Het scherm Pure Ride verschijnt.

- De tuimeltoets MENU 2 lang aan de bovenzijde indrukken,
68 INSTRUMENTENPANEEL
om aanzicht Pure Ride op te roepen.
- De tuimeltoets MENU 2 kort omlaagdrukken.
- Multi-Controller 1 meerdere malen kort naar rechts drukken, tot het gewenste menupunt gemarkeerd is.
- De tuimeltoets MENU 2 kort omlaagdrukken, om het be-treffende menu te openen.
MIJN VOERTUIG
Boordcomputer oproepen
- Menu Mijn Motor oproepen.
- Naar rechts bladeren totdat het schermmenu BOORDCOM-PUTER verschijnt.
Boordcomputer terugzetten
- Menu Mijn Motor oproepen.
- Schermmenu BOORDCOMPUTER oproepen.
- De tuimeltoets MENU omlaagdrukken.
- Alle waarden terugzetten of Afzond. waarden terugz. selecteren en bevestigen.
- Alternatief: Naar het aanzicht Pure Ride wisselen.
- De tuimeltoets MENU telkens kort aan de bovenzijde indrukken, om de waarde in de bovenste statusregel te selecteren.
- De tuimeltoets MENU lang aan de bovenzijde indrukken,
om de geselecteerde waarde terug te zetten.
De volgende waarden kunnen afzonderlijk worden teruggezet:

Rit

Pauze

Actueel

Verbr.

Snelheid
Tripboordcomputer oproepen
- Boordcomputer oproepen. (68)
- Naar rechts bladeren totdat het schermmenu REIS-BOORDCOMP. verschijnt.
Tripboordcomputer resetten
- Menu Mijn Motor oproepen.
- Schermmenu REISBOARD-COMP. oproepen.
- De tuimeltoets MENU omlaagdrukken.
- Autom. terugzetten of Alle waardes terugzetten selecteren en bevestigen.
»Als Autom. terugzetten is geselecteerd, wordt de trip- boordcomputer automatisch teruggezet, als er na het uit- schakelen van het contact
minstens 6 uur zijn verstre- ken en de datum is veranderd.
INSTELLINGEN
Inhoud van de bovenste statusregel selecteren
- Naar het aanzicht Pure Ride wisselen.
» In het instrumentenpaneel verschijnt alle voor het rijden op de openbare weg noodzakelijke informatie van de boordcomputer (bijv. TRIP 1) en tripboordcomputer (bijv. TRIP 2). De informatie kan in de bovenste statusregel worden weergegeven.
- Het menu Instellingen, Weergave, Inhoud statusregel oproepen.
- De gewenste meldingen in-schakelen.
» Tussen de geselecteerde meldingen kan naar de bovenste statusregel worden gewisseld. Als geen meldingen zijn geselecteerd, wordt alleen de actieradius weergegeven.
Weergave van de bovenste statusregel wisselen
- Inhoud van de bovenste statusregel selecteren. (69)

- Naar het aanzicht Pure Ride wisselen.
- Toets 1 telkens kort indrukken om de waarde in de bovenste statusregel 2 te selecteren.
De volgende waarden kunnen worden weergegeven:

Kilometerteller

Dagteller 1

Dagteller 2

Verbruik 1 (doorsnede)

Verbruik 2 (doorsnede)

Rijtijd 1

Rijtijd 2

Pauzetijd 1
70 INSTRUMENTENPANEEL

Pauzetijd 2
-Eenheden
-Taal

Snelheid 1 (doorsnede)
GPS-synchronisatie in- of uitschakelen

Snelheid 2 (doorsnede)
-met voorbereiding voor navigatiesysteem SU
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU
- Het menu Instellingen, Systeeminstellingen, Datum en tijd oproepen.

Bandenspanning
• GPS-synchronisatie in-of uitschakelen.

Brandstofpeil
»Als de betreffende optie in de Navigator geactiveerd is, wordt de tijd door de Navigator overgenomen.

Actieradius
» Speciale functie (213)
Volume instellen
- Helmen van berijder en duo-passagier verbinden. (72)
• Volume hoger zetten: De Multi-Controller omhoogdraaien.
• Volume lager zetten: De Multi-Controller omlaag-draaien.
• Stomschakeling: De Multi-Controller helemaal omlaagdraaien.
Systeeminstellingen uitvoeren
- Het menu Instellingen, Systeeminstellingen oproepen.
» De volgende systeeminstellingen kunnen hier uitgevoerd worden:
-Datum en tijd
Helderheid instellen
- Het menu Instellingen, Weergave, Helderheid op-roepen.
• Helderheid instellen.
» De helderheid van het display wordt gedimd naar de ingestelde waarde als de omgevingshelderheid onder een gedefinieerde drempelwaarde komt.
- Menu Instellingen oproepen.
- Alles terugzetten selecteren en bevestigen.
De instellingen van de volgende menu's worden op de fabrieks-instelling teruggezet:
-Voertuiginstellingen
-Systeeminstellingen
-Verbindingen
-Weergave
-Informatie
» De koppeling van het voertuig met het actuele BMW Motorrad Connected-Ride account wordt teruggezet.
BLUETOOTH PAIRING
Pairing
Voordat twee Bluetooth-ap- paraten verbinding met elkaar kunnen maken, moeten ze el- kaar herkend hebben. Deze procedure van wederzijdse herkenning noemt men "Pai- ring". Eenmaal herkende ap- paraten worden opgeslagen, zodat de pairing alleen bij het eerste contact uitgevoerd hoeft te worden.

Bij sommige mobiele eindapparaten, bijv. met het besturingssysteem iOS, moet voorafgaand aan het gebruik de BMW Motorrad Connected app worden geopend.
Bij de pairing zoekt het instrumentenpaneel binnen zijn ontvangstbereik naar andere voor Bluetooth geschikte apparaten. Opdat een tweede apparaat herkend kan worden, moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:
-de Bluetooth-functie van het apparaat moet geactiveerd zijn
—het apparaat moet voor andere "zichtbaar" zijn
- andere voor Bluetooth geschikte apparaten moeten uitgeschakeld zijn (bijv. mobiele telefoons en navigatiesystemen).
Raadpleeg de handleiding van uw communicatiesysteem voor de benodigde stappen.
Pairing uitvoeren
- Het menu Instellingen, Verbindingen oproepen.
»In het menu VERBINDINGEN kunnen Bluetooth-verbindingen worden geconfigureerd, beheerd en gewist. De volgende Bluetooth-verbindingen worden weergegeven:
-Mobiel apparaat
-Best. helm
-Pass. helm
De verbindingsstatus voor mobiele eindapparaten wordt weergegeven.
72 INSTRUMENTENPANEEL
Mobiel eindapparaat verbinden
• Pairing uitvoeren. (71)
- Bluetooth-functie van het mobiele eindapparaat activeren (zie handleiding van het mobiele eindapparaat).
- Mobiel apparaat selecteren en bevestigen.
- Nieuw mobiel app. kopp. selecteren en bevestigen.
Er wordt naar mobiele eindapparaten gezocht.

Het Bluetooth-symbool knippert in de onderste statusregel tijdens het pairen.
Zichtbare mobiele eindapparaten worden weergegeven.
- Mobiel eindapparaat selecteren en bevestigen.
- Aanwijzingen op het mobiele eindapparaat in acht nemen.
- Bevestigen dat de codes overeenkomen.
»De verbinding wordt tot stand gebracht en de verbindings-status wordt bijgewerkt.
»Als de verbinding niet tot stand wordt gebracht, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens u verder helpen. (224)
Helmen van berijder en duopassagier verbinden
• Pairing uitvoeren. (71)
- Best. helm of Pass. helm selecteren en bevestigen.
- Communicatiesysteem van de helm zichtbaar maken.
- Nieuwe best.helm kopp. of Nieuwe pass.helm kopp. selecteren en bevestigen.
Er wordt naar helmen gezocht.

Het Bluetooth-symbool knippert in de onderste sregel tijdens het pairen.
Zichtbare helmen worden weergegeven.
- Helm selecteren en bevestigen.
» De verbinding wordt tot stand gebracht en de verbindings-status wordt bijgewerkt.
»Als de verbinding niet tot stand wordt gebracht, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens u verder helpen. (224)
»Als de Bluetooth-verbinding niet naar behoren werkt, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens u verder helpen. (225)
Verbindingen wissen
- Het menu Instellingen, Verbindingen oproepen.
- Verbindingen wissen selecteren.
- Om een enkele verbinding te wissen, de verbinding selecteren en bevestigen.
- Om alle verbindingen te wissen, Alle verbindingen wissen selecteren en bevestigen.
BEDIENINGSFOCUS
-met voorbereiding voor navigatiesysteem SU
Bedieningsfocus wijzigen
Wanneer de Navigator is aangesloten, kan tussen de bediening van de Navigator en het instrumentenpaneel worden gewisseld.
Bedieningsfocus wijzigen
Als ConnectedRide Navigator een ingeschakeld en met het voertuig verbonden is, schakelt de wijzigingen van de bedieningsfocus automatisch over op de Navigator.
- Navigatietoestel veilig bevestigen. (210)
- De tuimeltoets MENU lang aan de bovenzijde indrukken.
» Dialoogmenu met voortgangsaanduiding wordt weergegeven.
De volgende selectie is mogelijk:
- Navigator bedienen
-Pure Ride weergave
In de weergave Pure Ride:
- Navigator bedienen
-BC waardes resetten - De tuimeltoets MENU aan de bovenkant ingedrukt houden, tot de voortgangsaanduiding zijn maximum heeft bereikt of Navigator bedienen bevestigen.
»Wijziging van de bedienings-focus naar de Navigator.
»Navigatiesysteem bedienen (212)
- Om de bedieningsfocus naar het instrumentenpaneel te wijzigen, de tuimeltoets MENU kort aan de onderzijde indrukken.
NAVIGATIE
Voorwaarde
Het voertuig is via Bluetooth met een compatibel mobiel eindapparaat verbonden.
74 INSTRUMENTENPANEEL
Op het verbonden mobiele eindapparaat is de BMW Motorrad Connected App geïnstalleerd.

Bij sommige mobiele eindapparaten, bijv. met het besturingssysteem iOS, moet voorafgaand aan het gebruik de BMW Motorrad Connected app worden geopend.
Doeladres invoeren
- Mobiel eindapparaat verbinden. (72)
- BMW Motorrad Connected app oproepen en routebegeleiding starten.
- In het instrumentenpaneel het menu Navigatie oproepen.
»Actieve routebegeleiding wordt weergegeven.
»Als de actieve routebegeleiding niet wordt weergegeven, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens u verder helpen. (225)
Bestemming uit laatste bestemmingen selecteren
- Het menu Navigatie, Laatste bestemmingen oproepen.
- Bestemming selecteren en bevestigen.
- Routebegeleiding starten selecteren.
Bestemming uit favorieten selecteren
- Het menu FAVORIETEN toont alle bestemmingen die in de BMW Motorrad Connected App als favoriet zijn opgeslagen. In het instrumentenpaneel kunnen geen nieuwe favorieten worden aangemaakt.
- Het menu Navigatie, Favorieten oproepen.
- Bestemming selecteren en bevestigen.
- Routebeg. starten selecteren.
Speciale bestemmingen invoeren
- Speciale bestemmingen, bijv. bezienswaardigheden, kunnen op de kaart worden weergegeven.
- Het menu Navigatie, POIs oproepen.
De volgende plaatsen kunnen worden geselecteerd:
-Op de standplaats
-Op de plaats van be- stem.
-Langs de route
- Selecteren op welke locatie de speciale bestemmingen worden gezocht.
De volgende speciale bestemming kan bijvoorbeeld worden geselecteerd:
-Tankstation
- Speciale bestemming selecteren en bevestigen.
- Routebegeleiding starten selecteren en bevestigen.
Routecriteria vastleggen
- Het menu Navigatie, Routecriteria oproepen.
De volgende criteria kunnen worden geselecteerd:
-Soort route
-Vermijdingen
- Gewenste Soort route selecteren.
- Gewenste Vermijdingen in- of uitschakelen.
Het aantal ingeschakelde vermijdingen wordt tussen haakjes weergegeven.
Route-info weergeven
- Menu Navigatie, Instellingen oproepen en vervolgens menupunt Route-info selecteren.
Er kan worden gekozen uit de volgende opties:
-Bestemm.
-Routepunt
• Gewenste optie selecteren.
» De resterende afstand en tijd worden weergegeven.
Routebegeleiding bewerken
- Het menu Navigatie, Nw. bestemm. oproepen.
Er kan uit de volgende bestemmingen worden gekozen:
-Laatste bestemmingen
-Favorieten
-POIs
- Bestemming selecteren uit een van de drie bestemmingscategorieën.
- Routebegeleiding be-werken in bestemmingsin-voer selecteren.
- Als routepunt toevoegen selecteren, om het geselecteerde doel als waypoint toe te voegen.
- Routebeg. starten selecteren, om de actuele bestemming te overschrijven.
Routebegeleiding beëindigen
- In het menu Navigatie Multi-Controller naar links kantelen.
- Alternatief in het menu Ac-tieve routebegeleiding Optie Routebegeleid. beëindigen selecteren en bevestigen.
Gesproken aanwijzingen in- of uitschakelen
- Helmen van berijder en duo-passagier verbinden. (72)
- De navigatie kan worden voorgelezen. Daarvoor
76 INSTRUMENTENPANEEL
moeten de Gesproken aanwijzingen ingeschakeld zijn.
- Het menu Navigatie, Actieve routebegeleiding oproepen.
• Gesproken aanwijzingen in- of uitschakelen.
Laatste gesproken aanwijzing herhalen
- Het menu Navigatie, Actieve routebegeleiding oproepen.
- Actuele gespr. aanwijzing selecteren en bevestigen.
Speed Limit Info in- of uitschakelen Voorwaarde
Voertuig is met een compatibel mobiel eindapparaat verbon- den. Op het mobiele eindap- paraat is de BMW Motorrad Connected App geïnstalleerd.
- Speed Limit Info geeft de momenteel geldende maximumsnelheid aan, voor zover deze door de uitgever van het kaartmateriaal in de navigatie beschikbaar wordt gesteld.
- Het menu Instellingen, Weergave oproepen.
- Speed Limit Info in- of uitschakelen.
MEDIA
Voorwaarde
Het voertuig is met een compatibel mobiel eindapparaat en met een compatibele helm verbonden.
Audioweergave aansturen

- Menu Media oproepen.
• Volume instellen. (70)
• Vorige titel: De Multi-Control-ler 1 kort naar rechts drukken.
• Vorige titel of begin van huidige titel: De Multi-Control-ler 1 kort naar links drukken. - Versneld doorspoelen: De Multi-Controller 1 lang naar rechts drukken.
- Versneld terugspoelen: De Multi-Controller 1 lang naar links drukken.
- Contextmenu oproepen: Toets 2 omlaag drukken.
Afhankelijk van het mobiele eindapparaat kan de omvang van de Connectivity-functies beperkt zijn.
» In het contextmenu kunnen de volgende functies worden gebruikt:
-Weergave starten of Pauze.
-Voor het zoeken en weergeven de categorie Nu afgespeeld, Alle artiesten, Alle albums of Alle titels selecteren.
-Afspeellijsten selecteren.
In het submenu Audio-in-stellingen kunt u de vol-gende instellingen configureren:
-Willekeurig afspelen in-
of uitschakelen.
-Herhalen: Uit, Eén (huidige titel) of Alle selecteren.
TELEFOON
Voorwaarde
Het voertuig is met een compatibel mobiel eindapparaat en met een compatibele helm verbonden.
Telefoneren

- Menu Telefoon oproepen.
- Oproep aannemen: De Multi-Controller 1 naar rechts drukken.
- Oproep weigeren: De Multi-Controller 1 naar links drukken.
• Gesprek beëindigen: De Multi-Controller 1 naar links drukken.
Stomschakeling
Bij actieve gesprekken kan het geluid van de microfoon in de helm onderdrukt worden.
Gesprekken met meerdere deelnemers
Tijdens een gesprek kan een tweede oproep worden aan- genomen. Het eerste gesprek wordt in de wacht gezet. Het aantal actieve oproepen wordt in het menu Telefoon weer- gegeven. Er kan tussen twee gesprekken worden omgeschakeld.
78 INSTRUMENTENPANEEL
Telefoongegevens
Afhankelijk van het mobiele eindapparaat worden na de pairing (74) telefoonge-gevens automatisch naar het voertuig overgedragen.
Telefoonboek: Lijst met in het mobiele eindapparaat opgeslagen contacten
Gesprekkenlijst: Lijst met oproepen met het mobiele eindapparaat
Favorieten: Lijst met in het mobiele eindapparaat opgeslagen favorieten
SOFTWAREVERSIE
- Het menu Instellingen, Informatie, Software-versie oproepen.
LICENTIE-INFORMATIE
- Het menu Instellingen, Informatie, Licenties oproepen.
GEBRUIK
05
CONTACT-STUURSLOT 82
U ontvangt twee contactsleutels.
Neem bij verlies van een sleutel a.u.b. de opmerkingen over de elektronische wegrijblokkering (EWS) (87) in acht.
Het contactslot, het tankdop- slot, alsmede het buddyseatslot worden met dezelfde sleutel bediend.
-met koffer OA
-met topcase OA
Desgewenst kunnen ook de als optie leverbare koffers en de Topcase met dezelfde sleutel worden bediend. Daar- voor contact opnemen met een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad vakwerkplaats.
Stuurslot vergrendelen
- Het stuur tot de aanslag naar links draaien.

- Sleutel in stand 1 draaien, hierbij het stuur wat bewegen.
» Contact, verlichting en alle circuits uitgeschakeld.
» Stuurslot vastgezet.
» De sleutel kan worden verwijderd.
Contact inschakelen

• Sleutel in stand 1 draaien.
» Stadslicht en alle circuits ingeschakeld.
» De motor kan worden gestart.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd.
(128)
Contact uitschakelen

• Sleutel in stand 1 draaien.
» Verlichting uitgeschakeld.
» Stuurslot ontgrendeld.
» De sleutel kan worden verwijderd.
» Beperkt gebruik van accessoires mogelijk.
» Accu laden via boordnetcontactdoos mogelijk.
CONTACT MET KEY- LESS RIDE
-met Keyless Ride SU
Contactsleutel
Het controlelampje van de radiografische sleutel knippert, zo lang de radiografische sleutel gezocht wordt. Als de radiografische sleutel wordt herkend, dooft deze. Als de radiografische sleutel niet wordt herkend, brandt deze korte tijd.
U ontvangt een radiografische sleutel en een reservesleutel. Bij verlies van een sleutel de
aanwijzingen over de elektronische wegrijbeveiliging (EWS) in acht nemen (87).
Contact, tankdop en alarmsysteem worden aangestuurd met de radiografische sleutel. Buddyseatslot, topcase en koffers kunnen handmatig worden bediend.
Als de radiografische sleutel buiten het zendgebied komt (bijv. in de koffer of top-case) kan de motorfiets niet worden gestart.
Als de radiografische sleutel nog steeds niet werkt, wordt het contact na circa 90 seconden uitgeschakeld om de accu te sparen.
We adviseren u de radiografische sleutel op het lijf te dragen (bijv. in de jaszak) of de noodsleutel bij u te dragen.
| Bereik van radiografische Keyless Ride-sleutel |
| -met Keyless RideSU |
| circa 1 m◀ |
Stuurslot vergrendelen Voorwaarde
Stuur is naar links gedraaid. Radiografische sleutel is in ont- vangstgebied.
84 GEBRUIK

• Toets 1 ingedrukt houden.
» Het stuurslot vergrendelt
hoorbaar.
» Contact, verlichting en alle circuits uitgeschakeld.
- Om het stuurslot te ontgren-
delen toets 1 kort indrukken.
Contact inschakelen Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont- vangstgebied.

- Het contact kan op twee manieren worden geactiveerd.
Variant 1:
• De toets 1 kort indrukken.
» Stadslicht en alle circuits zijn ingeschakeld.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd.
(128)
Variant 2:
• Stuurslot is vergrendeld, toets 1 ingedrukt houden.
» Het stuurslot wordt ontgren-
deld.
» Stadslicht en alle circuits ingeschakeld.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd. (128)
Contact uitschakelen Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont- vangstgebied.

- Het contact kan op twee manieren worden gedeactiveerd.
Variant 1:
• De toets 1 kort indrukken.
» Het licht wordt uitgeschakeld.
» Stuurslot is ontgrendeld.
Variant 2:
- Het stuur tot de aanslag naar links draaien.
• Toets 1 ingedrukt houden.
» Het licht wordt uitgeschakeld.
» Het stuurslot wordt vergren- deld.
Batterij van radiografische sleutel is leeg of verlies van radiografische sleutel
- Bij verlies van de sleutel de aanwijzingen met betrekking tot de elektronische wegrijblokkering (EWS) in acht ne-men.
- Als de radiografische sleutel tijdens het rijden wordt verloren, kan het voertuig worden gestart met de reservesleutel.
- Als de batterij van de radiografische sleutel leeg is, kan het voertuig gestart worden door de ingeklapte radiografische sleutel in de ringantenne onder de buddyseat te steken.

- Buddyseat verwijderen. (108)
- Reservesleutel of lege inge- klapte radiografische sleutel 1 in de ringantenne 2 steken.
De noodsleutel of de lege ingeklapte radiografische sleutel moet in de opening van de ringantenne worden gesto- ken.
Tijd waarbinnen de motor moet worden gestart. Daarna moet een nieuwe ontgrendeling plaatsvinden.
30 s
»Pre-Ride-Check wordt uitgevoerd.
-De sleutel werd herkend.
-De motor kan worden gestart.
- Buddyseat aanbrengen.
(109)
•Motor starten. (127)
86 GEBRUIK
Batterij van de radiografische• Batterij vervangen.
sleutel vervangen
Als de radiografische sleutel bij het kort of lang indrukken van de toets niet reageert:
- De batterij van de radiografische sleutel heeft niet de volledige capaciteit.

Batt. radiogr. sl. bijna leeg. Functie
beperkt. Batterij ver- vangen.

GEVAAR
Inslikken van een batterij
Gevaar voor letsel of levens- gevaar
- Een voertuigsleutel heeft als batterij een knoopcel. Batterijen of knoopcellen kunnen worden ingeslikt en binnen twee uur leiden tot ernstig of dodelijk letsel, bijv. door interne verbranding of letsel door zuur.
- Voertuigsleutels en batterijen buiten het bereik van kinderen bewaren.
- Wanneer wordt vermoed dat een batterij of een knoopcel is ingeslikt of zich in een lichaamsdeel bevindt, direct medische assistentie zoeken.

• Knop 1 indrukken.
» De sleutelbaard klapt open.
- Batterijkapje 2 naar boven drukken.
• De batterij 3 uitbouwen.
- De oude batterij volgens de wettelijke bepalingen afvoeren, de batterij niet met het huisvuil weggooien.

LET OP
Ongeschikte of onjuist ge- plaatste batterijen
Onderdeelschade
- Voorgeschreven batterij gebruiken.
- Bij het plaatsen van de batterij op de juiste polariteit letten.
- De nieuwe batterij met de pluspool naar boven aanbren-gen.

Accutype
Voor Keyless Ride-radiografische sleutel
CR 2032
- Batterijkapje 2 inbouwen.
» De rode LED in het instrumentenpaneel knippert.
» De radiografische sleutel werkt weer.
ELEKTRONISCHE WEGRIJBE-VEILIGING (EWS)
De elektronica in de motorfiets analyseert via een ringan-tenne in het contactslot de in de contactsleutel opgeslagen gegevens. Pas als de sleutel als "bevoegd" is herkend, geeft de motorregeleenheid het starten vrij.

Als er een tweede contactsleutel bevestigd is aan de contactsleutel/radiografische sleutel om mee te starten, kan de elektronica "geirriteerd" raken en wordt er geen toestemming gegeven voor het starten van de motor.
Bewaar extra contactsleutels altijd apart van de gebruikte contactsleutel/radiografische sleutel.
Mocht u een contactsleutel verliezen, dan kunt u deze bij uw BMW Motorrad Partner laten blokkeren. Hiervoor moet u alle andere bij de motorfiets behorende sleutels meenemen.
Met een geblokkeerde sleutel kan de motor niet meer worden gestart, maar een geblokkeerde sleutel kan wel weer worden vrijgeschakeld.
Contactsleutels zijn alleen via een BMW Motorrad Partner verkrijgbaar. Deze is verplicht uw legitimatie te controleren, omdat de sleutels onderdeel van een veiligheidssysteem vormen.
NOODUITSCHAKELINGS- SCHAKELAAR

Bedienen van de noodstop- schakelaar tijdens het rijden
Gevaar voor vallen door blokkerend achterwiel
- De noodstopschakelaar nooit tijdens het rijden bedienen.
Met behulp van de nooduit- schakelingsschakelaar kan de motor op eenvoudige wijze snel worden afgezet.

A Motor uitgeschakeld
B Bedrijfsstand
INTELLIGENTE NOODOPROEP
-met intelligente noodop-roep SU
Noodoproep via BMW
SOS-toets alleen in geval van nood indrukken.
De noodoproep werkt onder ongunstige omstandigheden om technische redenen niet altijd, bijv. in gebieden zonder draadloze ontvangst.
Tijdens een noodoproep worden de positie van de motorfiets, de geselecteerde taal en eventueel ongevalgegevens aan BMW doorgegeven (12).
Onder ongunstige omstandigheden kan de gegevensoverdracht beperkt of vertraagd plaatsvinden. Dit kan leiden tot een vertraging bij de verwerking van de noodoproep.
Ook als er geen noodoproep via BMW mogelijk is, kan het zijn dat er een noodoproep naar een openbaar alarmnummer wordt gedaan. Dat is onder andere afhankelijk van het mobiele-telefoonnetwerk en de nationale voorschriften.
Taal voor noodoproep
Aan elk voertuig is, afhankelijk van de markt waarvoor het is bestemd, een taal toegewezen. Het BMW Call Center meldt zich in deze taal.
De taal voor de noodop-roep kan alleen door de BMW Motorrad Partner worden gewijzigd. Deze aan het voertuig toegewezen taal onderscheidt zich van de door de bestuurder selecteerbare displaytalen op het multifunctionele display.
Handmatige noodoproep Voorwaarde
Er is sprake van een noodgeval. De motorfiets staat stil. Het contact is ingeschakeld.

• Afdekking 1 openklappen.
• SOS-toets 2 kort indrukken.

»De tijd tot en met het vol-
tooien van de noodoproep
wordt weergegeven. Gedu-
rende deze tijd kan de nood-
oproep geannuleerd worden.
- Noodoproep afbreken: SOS-toets 2 twee seconden ingedrukt houden of het contact uitschakelen.
- Nooduitschakelingsschakelaar indrukken om motor uit te schakelen.
•Helm afnemen.
»Na het aflopen van de timer komt er een spraakverbinding met het BMW Call Center tot stand.

De verbinding is tot stand ge- komen.
90 GEBRUIK

- Via microfoon 3 en luidspreker 4 informatie voor de hulpverleningsdiensten doorgeven.
Automatische noodoproep
Na het inschakelen van het contact is de intelligente nood-oproep automatisch actief en reageert deze bij een val.
Noodoproep bij een minder ernstige val
- Er is een zachte val of botsing herkend.
»Er klinkt een geluidssignaal.

» De tijd tot en met het vol- tooien van de noodoproep wordt weergegeven. Gedu-
rende deze tijd kan de nood- oproep geannuleerd worden.
- Noodoproep afbreken: SOS-toets acht seconden ingedrukt houden.
- Indien mogelijk helm afnemen en motor uitschakelen.
»Er wordt een spraakverbinding met het BMW Call Center tot stand gebracht.

De verbinding is tot stand ge- komen.

- Afdekking 1 openklappen. - Via microfoon 3 en luidspreker 4 informatie voor de hulpverleningsdiensten doorgeven.
Noodoproep bij een ernstige val
- Er is een ernstige val of bot-sing herkend.
» De noodoproep wordt zonder vertraging automatisch vol-tooid.
VERLICHTING
Dimlicht en stadslicht
Het stadslicht wordt automatisch tegelijk met het contact ingeschakeld.

Het stadslicht belast de accu. Het contact slechts tondig inschakelen.
Het dimlicht wordt na het starten van de motor automatisch ingeschakeld.
Grootlicht en lichtsignaal
- Het contact inschakelen. (82)

- Schakelaar 1 naar voren drukken om het grootlicht in te schakelen.
- Schakelaar 1 naar achteren trekken om het lichtsignaal te bedienen.
Follow-me-home-verlichting
• Het contact uitschakelen.

- Direct na het uitschakelen van het contact de schakelaar 1 naar achteren trekken en vasthouden, tot de Coming Home verlichting wordt ingeschakeld.
»De verlichting gaat een minuut lang aan en wordt automatisch weer uitgeschakeld.
-Deze kan bijv. na het afzetten van de motorfiets gebruikt worden om het pad naar de voordeur te verlichten.
Parkeerlicht
- Het contact uitschakelen. (83)
92 GEBRUIK

- Direct na het uitschakelen van het contact de toets 1 naar links drukken en vasthouden, tot het parkeerlicht wordt ingeschakeld.
- Contact in- en weer uitschakelen om het parkeerlicht uit te schakelen.
Verstraler
-met verstraler SU
De verstralers zijn toege- staan als mistlampen en mogen alleen worden gebruikt bij slechte weersomstandig- heden. Het landspecifieke we- genverkeersreglement in acht nemen.
- Motor starten. (127)

• Toets 1 indrukken om de ver-
stralers in te schakelen.
Het controlelampje voor de extra verstraler brandt.
- Toets 1 opnieuw indrukken om de verstralers uit te schakelen.

Automatisch dagrijlicht

WAARSCHUWING
Automatisch dagrijlicht vervangt niet de persoonlijke beoordeling van de lichtomstandigheden
Gevaar voor een ongeval
- Het automatische dagrijlicht uitschakelen bij slechte lichtomstandigheden.
De omschakeling tussen dagrijlicht en dimlicht, incl. stadslicht voor kan automatisch gebeuren.
- In het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Verlichting de functie
Automat. dagrijlicht inschakelen.

Het controlelampje voor het automatische dagrijlicht op.
» Als het omgevingslicht onder een bepaalde waarde daalt, wordt het dimlicht automatisch ingeschakeld (bv. in tunnels). Als wordt vastgesteld dat er voldoende omgevingslicht is, wordt de dagrijverlichting weer ingeschakeld.

Als het dagrijlicht actief is, brandt het controlelampje het dagrijlicht.
Alarmlichtinstallatie bedienen
• Het contact inschakelen.

De waarschuwingsknip- perlichten belasten de . De waarschuwingsknip- chten slechts voor een be- te tijdsduur inschakelen.

- De toets 1 bedienen om de alarmlichtinstallatie in te schakelen.
»Het contact kan worden uitgeschakeld.
- Contact inschakelen en toets 1 opnieuw indrukken om de alarmknipperlichten uit te schakelen.
Richtingaanwijzer bedienen
- Het contact inschakelen. (82)
- Menu Instellingen, Voertuiginstellingen oproepen en vervolgens menupunt Verlichting selecteren.
- Comfortknipperen in- of uitschakelen.

- De toets 1 naar links of naar rechts drukken om de richtingaanwijzers in te schakelen.
»De richtingaanwijzers worden na het bereiken van de snelheidsafhankelijke afstand automatisch uitgeschakeld. - Alternatief: De toets 1 indrukken, om de richtingaanwijzers uit te schakelen.
94 GEBRUIK
DYNAMISCHE TRACTIECON- TROLE (DTC)
DTC uitschakelen
• Het contact inschakelen.

De dynamische tractie-controle (DTC) kan ook tijdens het rijden worden uitgeschakeld.

- De toets 1 ingedrukt houden tot de weergave van het DTC-controlelampje verandert.
Meteen na het indrukken van de toets 1 worden de DTC-systeemtoestand ON en de huidige ABS-systeemtoestand weergegeven.

brandt.
Mogelijke DTC-systeemtoe-stand OFF! wordt weergegeven.
- De toets 1 na het omschake- len van de status loslaten.

brandt verder.
De nieuwe DTC-systeemtoestand OFF! wordt gedurende korte tijd weergegeven. De ABS-systeemtoestand blijft onveranderd.
» De DTC-functie is uitgeschakeld.
DTC inschakelen

- De toets 1 ingedrukt houden, tot de weergave van het DTC-controlelampje verandert.
Meteen na het indrukken van de toets 1 worden de DTC-systeemtoestand OFF! en de huidige ABS-systeemtoestand weergegeven.

dooft, bij een niet afgesloten zelfdiagnose gaat dit beren.
Mogelijke DTC-systeemtoe-stand ON wordt weergegeven.
- De toets 1 na het omschake- len van de status loslaten.

blijft uit resp. knippert verder.
De nieuwe DTC-systeemtoestand ON wordt gedurende korte tijd weergegeven. De ABS-systeemtoestand blijft onveranderd.
» De DTC-functie is ingeschakeld.
- Als alternatief kan ook het contact worden uit- en weer ingeschakeld.

Als het DTC-controle- lampje na het uitschakelen en weer inschakelen van het contact en het vervolgens rijden met de volgende mini-mumsnelheid blijft branden, is een DTC-storing aanwezig.
min. 5 km/h
- Zie voor meer informatie over de Dynamische tractiecontrole het hoofdstuk "Techniek in detail" (147).
ELEKTRONISCHE ONDER-STELINSTELLING (D-ESA)
-met Dynamic ESA SU
Instelmogelijkheden
Met behulp van de elektronische schokdemperafstelling Dynamic ESA kunt u de demping van het achterwiel op comfortabele wijze aanpassen aan de ondergrond. U beschikt over drie dempingsinstellingen en drie veervoorspanningsstanden.
Onderstelinstelling weergeven

- Het contact inschakelen. (82)
- De toets 1 kort indrukken om de actuele instelling te laten weergeven.

Direct na het bedienen van de toets 1 worden de onderstelin-
96 GEBRUIK
stellingen voor de demping 2 en veervoorspanning 3 weergegeven.
» De weergave wordt na korte tijd automatisch weer verborgen.
Onderstel instellen
- Het contact inschakelen. (82)

- De toets 1 kort indrukken om de actuele instelling te laten weergeven.
Om de demping in te stellen:
- De toets 1 zo vaak kort in-drukken tot de gewenste in-stelling wordt weergegeven.

De demping kan tijdens het rijden worden inge-
steld.

De selectiepijl 4 wordt weergegeven.
» De selectiepijl 4 verdwijnt na het wijzigen van de status.
De volgende instellingen zijn mogelijk:
-Road: Demping voor comfortabele ritten over de weg
-Dynamic: Demping voor dynamische ritten over de weg
-Enduro: Demping voor terreinritten. Is alleen in de rijmodi ENDURO of ENDURO PRO beschikbaar en kan in deze rijmodi ook niet verder worden ingesteld.
Er verschijnt een melding als er in de geselecteerde rijmodus geen instelling mogelijk is. Voorbeeld: In de rijmodus ENDURO demp. niet ver- stelb.

Om de veervoorspanning in te stellen:
- Motor starten. (127)
- De toets 1 zo vaak lang in-drukken, tot de gewenste instelling wordt weergegeven.

De veervoorspanning kan niet tijdens het rijden worngesteld.
De volgende instellingen zijn mogelijk:

Solo

Solo met bagage

De volgende melding verschijnt als er geen instelling mogelijk is: Beladingsverstelling alleen bij stilstand.

De selectiepijl 4 wordt weergegeven.
»De selectiepijl 4 verdwijnt na het wijzigen van de status.
- De instelprocedure afwachten alvorens verder te rijden.
»Wordt de toets 1 gedurende langere tijd niet ingedrukt, dan worden de demping en veervoorspanning ingesteld zoals weergegeven.
RIJMODUS
Gebruik van de rijmodi
BMW Motorrad heeft voor uw motorfiets gebruiksscenario's ontwikkeld, waaruit u telkens het scenario kunt kiezen dat bij uw situatie past:
Standaard
-RAIN: Rijden op natgeregende rijbaan.
-ROAD: Rijden op een droge rijbaan.
-ENDURO: Terreinritten met wegbanden.
98 GEBRUIK
-met rijmodi Pro SU
Met rijmodi Pro
-DYNAMIC: Dynamisch rijden op droge weg.
-ENDURO PRO: Terreinritten met offroad banden met grove noppen.
Voor elk van deze rijmodi is een afgestemde instelling voor de systemen ABS, DTC, motorsleepmomentregeling en voor de reactie op de gashendel aanwezig.
Zie voor meer informatie over de rijmodi het hoofdstuk Techniek in detail (150).
Voorselectie rijmodus
-met rijmodi Pro SU
Met behulp van de voorselectie rijmodus kunnen individueel geprefereerde rijmodi al van tevoren worden geselecteerd.
Er kunnen maximaal twee tot vier rijmodi aan de voorselectie rijmodus worden toegevoegd.
Fabrieksinstelling:
RAIN, ROAD, DYNAMIC en ENDURO
Voorselectie rijmodus configureren
-met rijmodi Pro SU
- Het contact inschakelen. (82)
- Het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Rijmodusvoorkeuze op-roepen.
- Rijmodi voor voorselectie rijmodus activeren of deactive-ren.
» De geactiveerde rijmodi kunnen worden geselecteerd.
»Indien minder dan twee rij- modi worden geactiveerd, verschijnt de melding: Ac- tie niet mogelijk. Min. aantal bereikt.
» De rijmodi die in de voorse- lectie rijmodus zijn ingesteld blijven ook na het uitschake- len van het contact behouden.
Rijmodus selecteren
- Het contact inschakelen. (82)

• De toets 1 bedienen.

De actieve rijmodus 2 gaat naar de achtergrond en wordt in de pop-up 3 weergegeven. De oriëntatiehulp 4 geeft aan hoeveel rijmodi er beschikbaar zijn.
LET OP
Inschakelen van de terreinmodus (Enduro en Enduro Pro) bij het rijden op de Gevaar voor vallen door instabiele rijtoestanden bij het remmen resp. accelereren in het regelgebied van ABS resp. DTC
- De terreinmodus (Enduro en Enduro pro) uitsluitend bij het terreinrijden inschakelen.
- De toets 1 zo vaak indrukken, tot de gewenste rijmodus in de pop-up wordt weergegeven.
-met rijmodi Pro SU
Afhankelijk van de rijmodus, resp. diens configuratie, kunnen de ingrepen van de rijdynamiekregelsystemen beperkt zijn.
Mogelijke beperkingen worden aangegeven door een pop-up-melding, bijv. Attentie! ABS instelling..
Het ABS-controlelampje knippert onregelmatig.
Meer informatie over de rijdy-namiekregelsystemen, zoals het ABS vindt u in het hoofdstuk Techniek in detail.
100 GEBRUIK
-met rijmodi Pro SU
»De beschikbaarheid van de rijmodi is afhankelijk van de individuele configuratie van de voorgeselecteerde rijmodus.
» Als de motorfiets stilstaat wordt de gekozen rijmodus na circa 2 seconden geactiveerd.
» De nieuwe rijmodus wordt tijdens het rijden geactiveerd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
-Gashendel staat in de stationaire stand.
-Rem wordt niet bediend.
-De Cruise Control is gedeactiveerd.
» De ingestelde rijmodus met de betreffende aanpassingen van de motorkarakteristiek, ABS, en DTC blijft ook na het uitschakelen van het contact bewaard.
RIJMODUS PRO
-met rijmodi Pro SU
Instelmogelijkheden
De rijmodi PRO kunnen individueel worden ingesteld.
Rijmodus ENDURO PRO configureren
- Het contact inschakelen. (82)
- Het menu Instellingen, Voertuiginstellingen,
Rijmodusvoorkeuze op-roepen.
•Rijmodus ENDURO PRO selecteren en activeren.
- Configuratie selecteren en bevestigen.

Het systeem Engine is geselecteerd. De huidige instelling wordt als diagram 1 met toelichtingen bij het systeem 2 weergegeven.
- Systeem selecteren en bevestigen.

De mogelijke instellingen 3 en de bijbehorende toelichtingen 4 kunnen worden doorgebladerd.
- Systeem instellen.
» De systemen Engine, DTC en ABS kunnen op dezelfde manier worden ingesteld. - De instellingen kunnen naar de fabrieksinstellingen worden teruggezet:
- Instellingen rijmodus resetten. (101)
Instellingen rijmodus resetten
• ENDURO PRO configureren.
(100)
- Terugzetten selecteren en bevestigen.
»Voor Rijmodus ENDURO PRO gelden de volgende fabrieks-instellingen:
-DTC: ROAD
-ABS: ENDURO PRO
-Engine: ROAD
CRUISE CONTROL
-met snelheidsregeling SU
Weergave bij het instellen (Speed Limit Info niet actief)

Het symbool 1 voor de cruise control verschijnt in het aan-
zicht Pure Ride en in de bovenste statusregel.
Weergave bij het instellen (Speed Limit Info actief)

Het symbool 1 voor de cruise control verschijnt in het aan-zicht Pure Ride en in de bovenste statusregel.
Cruise control inschakelen Voorwaarde
Pas na het uitschakelen van de rijmodi Enduro of Enduro Pro is de Cruise Control beschikbaar.

• Schakelaar 2 naar rechts schuiven.
»De toets 1 kan worden bediend.
102 GEBRUIK
Snelheid in geheugen opslaan»

- De toets 1 kort naar voren drukken.
Afstelgebied van de cruise control (afhan-kelijk van de versnelling) 15...210 km/h

brandt.
» De actuele snelheid wordt aangehouden en in het geheugen opgeslagen.
Accelereren

- De toets 1 kort naar voren drukken.
De snelheid wordt bij iedere bediening met 1 km/h verhoogd.
- De toets 1 naar voren gedrukt houden.
» De snelheid wordt traploos verhoogd.
»Als toets 1 niet meer wordt ingedrukt, wordt de bereikte snelheid aangehouden en opgeslagen.
Snelheid verlagen

- De toets 1 kort naar achteren drukken.
» De snelheid wordt bij iedere bediening met 1 km/h verlaagd. - De toets 1 naar achteren gedrukt houden.
» De snelheid wordt traploos verlaagd.
»Als toets 1 niet meer wordt ingedrukt, wordt de bereikte snelheid aangehouden en opgeslagen.
- De remmen, koppeling of gas-hendel (gas terugnemen tot verder dan de basisstand) bedienen om de cruise control te deactiveren.
» Het controlelampje voor de cruise control gaat uit.
Eerdere snelheid weer aannemen

- De toets 1 kort naar achteren drukken, om de opgeslagen snelheid te hervatten.
Bij gas geven wordt de cruise control kortstondig overruled, maar niet gedeactiveerd. Wordt de gashendel losgelaten, daalt de snelheid naar de opgeslagen waarde. Is een verlaging van de snelheid gewenst, moet de cruise control bijvoorbeeld door te remmen worden gedeactiveerd.

brandt.
Cruise control uitschakelen

- Schakelaar 2 naar links schuiven.
»Systeem is uitgeschakeld.
»De toets 1 is geblokkeerd.
DIEFSTALBEVEILIGINGSIN- STALLATIE (DWA)
-met alarmsysteem (DWA) SU
- Het contact inschakelen.
(82)
• DWA aanpassen. (107) - Het contact uitschakelen.
(83)
»Als de DWA is geactiveerd, wordt de DWA automatisch geactiveerd na het uitschakelen van het contact.
»De activering vraagt circa 30 seconden.
»De richtingaanwijzers knippe- ren tweemaal.
»De bevestigingstoon klinkt tweemaal (indien geprogrammeerd).
»DWA is actief.
104 GEBRUIK
-met Keyless Ride SU
- Contact met Keyless Ride. (84)
• DWA aanpassen. (107)
-met Keyless Ride SU
- Het contact uitschakelen.
(84)
»Als Automatisch active-ren de DWA is geactiveerd, wordt de DWA automatisch geactiveerd na het uitschakelen van het contact.
»De activatie heeft circa 30 se-
conden nodig.
» De richtingaanwijzers knippe-
ren tweemaal.
» De bevestigingstoon klinkt tweemaal (indien geactiveerd).
»DWA is actief.
Activatie met radiografische sleutel
-met Keyless Ride SU
• Het contact uitschakelen.
(84)

- De toets 1 van de radiografische sleutel eenmaal indrukken.
» De activatie heeft circa 30 se- conden nodig.
» De richtingaanwijzers knippe- ren tweemaal.
» De bevestigingstoon klinkt tweemaal (indien geactiveerd).
» De diefstalbeveiligingsinstallatie is actief.
Transportmodus activeren
- Als de motorfiets met een sleepwagen of aanhangwa-gen wordt vervoerd, kan door sterke bewegingen een alarm worden geactiveerd. Om de hellingshoeksensor te deac-tiveren, toets 1 van de radiografische sleutel tijdens de activatiefase opnieuw indruk-ken.
- Als alternatief kan de hellings-hoeksensor in het menu In-stellingen, Voertuigin-stellingen, Alarmsys-
teem worden gedeactiveerd (107).
» De richtingaanwijzers knippe-ren driemaal.
» De bevestigingstoon klinkt driemaal (indien geactiveerd).
» Hellingssensor is gedeactiveerd.
Alarmsignaal
Het DWA-alarm kan worden geactiveerd door:
-Hellingssensor
-Inschakelpoging met een onbevoegde contactsleutel.
-Loskoppeling van de DWA van de voertuigaccu (de DWA-accu neemt de stroom- voorziening over - alleen alarmtoon, richtingaanwijzers knipperen niet)
Is de DWA-accu ontladen, dan blijven alle functies behouden, alleen de activering van het alarm bij loskoppeling van de voertuigaccu is niet meer mogelijk.
De duur van het alarm bedraagt circa 26 seconden. Tijdens het alarm klinkt een alarmtoon en knipperen de richtingaanwijzers. Het soort alarmtoon kan door een BMW Motorrad Partner worden ingesteld.
-met Keyless Ride SU Het DWA-alarm kan worden geactiveerd door:
-Hellingssensor
-Inschakelpoging met een onbevoegde contactsleutel.
-Loskoppeling van de DWA van de voertuigaccu (de DWA-accu neemt de stroom- voorziening over - alleen alarmtoon, richtingaanwijzers knipperen niet)
Is de DWA-accu ontladen, dan blijven alle functies behouden, alleen de activering van het alarm bij loskoppeling van de voertuigaccu is niet meer mogelijk.
De duur van het alarm bedraagt ca. 30 seconden. Tijdens het alarm klinkt een alarmtoon en knipperen de richtingaanwijzers. De soort alarmtoon kan in het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Alarmsysteem worden ingesteld (107).
106 GEBRUIK

Een geactiveerd alarm kan te allen tijde door het indrukken van de toets 1 van de radiografische sleutel worden afgebroken, zonder de DWA te deactiveren.
Als in afwezigheid van de be- rijder een alarm werd geacti- veerd, dan wordt deze bij het inschakelen van het contact door een eenmalige alarmtoon hierop geattendeerd. Vervol- gens signaleert de DWA-alarm- systeem-LED in het instrumen- tenpaneel gedurende een mi- nuut de reden voor het alarm.
Lichtsignalen van het controlelampje:
-1x knipperen: Hellingshoek-sensor 1
-2x knipperen: Hellingshoek-sensor 2
-3x knipperen: Contact ingeschakeld met niet-geautoriseerde contactsleutel
-4x knipperen: Loskoppeling van de DWA van de voertuig-accu
-5x knipperen: Hellingshoek-sensor 3
Deactivering
- Het contact inschakelen.
(82)
» Richtingaanwijzers knipperen eenmaal.
» Bevestigingstoon klinkt eenmaal (indien geprogrammeerd).
» DWA is uitgeschakeld.
-met Keyless Ride SU

Wanneer de alarmfunctie via de radiografische sleutel wordt gedeactiveerd en het contact vervolgens niet wordt ingeschakeld, wordt de alarmfunctie na circa 30 seconden automatisch weer actief, wanneer Automatisch active-ren ingeschakeld is.
- Contact met Keyless Ride. (84)
- De toets 2 van de radiografische sleutel eenmaal indrukken.
» Richtingaanwijzers knipperen eenmaal.
» Bevestigingstoon klinkt eenmaal (indien geactiveerd).
» DWA is uitgeschakeld.
DWA aanpassen
- Het contact inschakelen. (82)
- Het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Alarmsysteem oproepen.
» De volgende instellingen zijn mogelijk:
-Waarsch. sign. aanpassen
-Hellingssensor in- en uitschakelen
-Activatietoon in- en uit- schakelen
-Automatisch activeren in- en uitschakelen
» Instelmogelijkheden (107)
Instelmogelijkheden
Waarsch. sign.: Aanzwellende en afnemende of intermitterende alarmtoon instellen. Hellingssensor: Hellingshoeksensor deactiveren om de transportmodus te activeren. In de transportmodus wordt de hellingshoek van het voertuig niet meer bewaakt.
Bij het transport van de motorfiets de hellings-hoeksensor deactiveren, om te voorkomen dat de DWA wordt geactiveerd.
Activatietoon: Bevestigingsalarmtoon na het activeren/deactiveren van de DWA naast het oplichten van de richting-aanwijzers.
Automatisch activeren: Automatische activering van de alarmfunctie bij het uitschakelen van het contact.
BANDENSPANNINGSCONTROLE (RDC)
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU
-met rijmodi Pro SU
Waarschuwing voorgeschreven druk in- of uitschakelen
- Als de minimumbandenspanning wordt bereikt, kan er een waarschuwing met betrekking tot de gewenste bandenspanning worden weergegeven.
- Het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, RDC oproepen.
- Waarsch. voorges. druk in- of uitschakelen.
108 GEBRUIK
HANDVATVERWARMING
De handvatverwarming is alleen bij draaiende motorelijk.

Het door de handgreep- verwarming veroorzaakte hogere stroomverbruik kan bij ritten met lage toerentallen tot ontlading van de accu leiden. Bij een te lage accuspanning wordt ter behoud van de start-capaciteit de handgreepverwarming uitgeschakeld.

- Toets 1 zo vaak indrukken, tot de gewenste verwarmingsstand 2 vóór het symbool van de handvatverwarming 3 wordt weergegeven.
De handvatten kunnen in drie fasen worden verwarmd. Hoog verwarmingsvermogen dient voor het snel opwarmen van de handvatten, aansluitend moet naar een lager verwarmingsver-
mogen worden teruggeschakeld.

Hoog verwarmingsvermo- gen

Gemiddeld verwarmings- vermogen

Laag verwarmingsvermo- gen
»Indien er geen wijzigingen meer worden uitgevoerd, wordt de gekozen verwarmingsstand ingesteld.
- Om de handvatverwarming uit te schakelen, de toets 1 zo vaak indrukken tot het symbool van de handvatverwarming 3 op het display niet meer wordt weergegeven.
BUDDYSEAT
Buddyseat uitbouwen Voorwaarde
Motorfiets is neergezet, erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Buddyseatslot 1 met contactsleutel naar rechts draaien.
» Buddyseat is ontgrendeld.

- Buddyseat 2 in de richting van de pijl 4 uit de houders 3 drukken.
- Buddyseat in de richting van de pijl 5 verwijderen en op de aanslagrubbers op een schone ondergrond leggen.
Buddyseat inbouwen

- Buddyseat 2 in de richting van de pijl 4 in de houders 3 schuiven.
- Buddyseat krachtig in de richting van de pijl 5 drukken.
»De buddyseat klikt hoorbaar vast.
INSTELLING
06
SPIEGELS 112
KOPLAMP 112
KUIPRUIT 113
KOPPELING 113
SCHAKELEN 114
REM 114
VEERVOORSPANNING 115
DEMPING 117
112 INSTELLING
SPIEGELS
Spiegels instellen

- De spiegel door draaien in de gewenste positie zetten.
Spiegelarm instellen

- Beschermkap 1 boven de schroefverbinding op de spiegelarm omhoog schuiven.
• De moer 2 losmaken. - Spiegelarm in de gewenste stand draaien.
- Moer met draaimoment aan-trekken, daarbij spiegelarm vasthouden.

Spiegel (contramoer) op klemstuk
M10 × 1,25

Spiegel (contramoer) op klemstuk
22 Nm (Linkse schroefdraad)
- De beschermkap over de bevestiging schuiven.
KOPLAMP
Lichtbundel en veervoorspanning
De lichtbundel blijft vanwege de aanpassing van de veervoor-spanning aan de ladingstoe-stand in de regel constant.
Alleen bij zeer zware belading kan de aanpassing van de veervoorspanning onvoldoende zijn. In dit geval moet de lichtbundel aan het gewicht worden aangepast.

Bestaat er twijfel over de correcte afstelling van de bundel, de afstelling door vakwerkplaats laten con- ren, bij voorkeur door een / Motorrad Partner.
Lichtbundel instellen

- Bouten 1 links en rechts losdraaien.
- Koplamp door iets kantelen instellen.
- Bouten 1 links en rechts aan-trekken.
KUIPRUIT
Kuipruit instellen

Instellen van de kuipruit tijdens het rijden
Kans op ongevallen
- De kuipruit alleen instellen als de motorfiets stilstaat.
•Hendel 2 omlaag trekken om de kuipruit 1 omhoog te brengen.
- Hendel 2 omhoog drukken om de kuipruit 1 te laten zakken.
KOPPELING
Koppelingshendel instellen

WAARSCHUWING
Instellen van de koppelings- hendel tijdens het rijden
Gevaar voor ongevallen
• Koppelingshendel bij staande motorfiets instellen.

- Stelbout 1 rechtsom draaien om de afstand tussen koppelingshendel en handvat te vergroten.
- Stelbout 1 linksom draaien om de afstand tussen koppelingshendel en handvat te verkleinen.
114 INSTELLING

De stelschroef kan ge- makkelijker gedraaid worden als de koppelingshendel naar voren gedrukt wordt.
SCHAKELEN
Schakelpedaal afstellen
![graph TD A["Step 1"] --> B["Step 2"] B --> C["Step 3"] C --> D["Step 4"] D --> E["Step 5"] E --> F["Step 6"] F --> G["Step 7"] G --> H["Step 8"] H --> I["Step 9"] I --> J["Step 10"]](/content/2026/06/1165088/images/7944d2f488f1100922ef1ed22fcb74aa7456cb7344f4c3cfa57422e9ac14e6c0.jpg)
• De bout 1 losmaken.
- Schakelpedaalelement 2 in de bevestiging A of B inbouwen.
• Voetsteun 2 in de gewenste stand draaien.

Een te hoog of te laag ingesteld schakelpedaalelement kan tot problemen met het schakelen leiden. Bij schakelproblemen de instelling van het treestuk controleren.
- De schroef 1 met het voorge-schreven koppel aantrekken.
| Eindtip aan schakelpe-daal |
| M6 x 25 |
| 8 Nm |
REM
Remhendel afstellen

WAARSCHUWING
Gewijzigde stand van het remvloeistofreservoir
Lucht in het remsysteem
- Stuurarmatuur resp. stuur niet verdraaien.

WAARSCHUWING
Instellen van de handrem- hendel tijdens het rijden
Gevaar voor een ongeval
- De remhendel alleen bedie- nen als het voertuig stilstaat.

- Stelschroef 1 linksom draaien om de afstand tussen remhendel en handvat te vergroten.
- Stelschroef 1 rechtsom draaien om de afstand tussen remhendel en handvat te verkleinen.
De stelschroef kan gemakkelijker worden verdraaid, wanneer de handremhendel naar voren wordt gedrukt.
Voetrempedaal instellen
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Treeplank 1 van de voetsteun ontgrendelen door deze links opzij te schuiven.

- De voetplaat tot aan de vergrendeling omhoogklappen, als zittend wordt gereden.

- De voetplaat tot aan de vergrendeling omlaag klappen, als staand gereden.
VEERVOORSPANNING Instelling
De veervoorspanning van het voorwiel moet worden aangepast aan het gewicht van de berijder. Een hoger gewicht vereist een grotere veervoorspanning, een lager gewicht een geringere veervoorspanning.
De veervoorspanning van het achterwiel moet aan de belading van de motorfiets worden aangepast. Een verhoging van de belading vereist een verhoging van de veervoorspanning, minder gewicht een overeenkomstig lagere veervoorspanning.
116 INSTELLING
Veervoorspanning voorwiel instellen
-zonder verlaging SU


WAARSCHUWING
De instellingen van de veer-instellen
voorspanning en van de demping van de voorvork zijn niet ingesteld op de standigheden.
Rijgedrag wordt slechter.
- Demping van de voorvork aan de veervoorspanning aanpassen.
- Om de invering te verkleinen (de veervoorspanning verhogen) de stelschroef 1 met boordgereedschap in de richting A draaien.
- Om de invering te vergroten (de veervoorspanning verlagen) de stelschroef 1 met boordgereedschap in de richting B draaien.

De veervoorspanning van beide vorkpoten gelijk in- en.
Instelling
De veervoorspanning van het achterwiel moet aan de belading van de motorfiets worden aangepast. Een verhoging van de belading vereist een verhoging van de veervoorspanning, minder gewicht een overeenkomstig lagere veervoorspanning.
Veervoorspanning achterwiel
-zonder Dynamic ESA SU
• Buddyseat verwijderen. m7(108)
- Het boordgereedschap pakken.

De instellingen van de veer- voorspanning en van de demping zijn niet ingesteld op de omstandigheden.
Rijgedrag wordt slechter.
- Demping aan de veervoorspanning aanpassen.
- De stelknop 1 met behulp van het boordgereedschap rechtsom draaien om de veervoorspanning te verhogen.
- De stelknop 1 met behulp van het boordgereedschap linksom draaien om de veervoorspanning te verlagen.

Basisinstelling veervoor- spanning achter
Stelknop tegen de klok in tot aan de aanslag draaien. (So- logebruik zonder belading)

Basisinstelling veervoor- spanning achter
Stelknop tot aan de aanslag linksom draaien, daarna 10 omwentelingen rechtsom draaien. (Sologebruik met belading)
Stelknop rechtsom tot aan de aanslag draaien. (Rijden met duopassagier en belading)
- Het boordgereedschap weer terugplaatsen.
- Buddyseat aanbrengen. (109)
DEMPING
Effecten van de demping op het rijgedrag.
Het doel van de instelling is de demping aan de veervoorspanning, de staat van de rij-baantoestand, het gewenste rijgedrag en de verzadigings-toestand aan te passen.
Demping ingaande slag verhoogd
-Direct rijgedrag.
-Meer feedback over de rij-
baantoestand.
-Verminderd comfort bij golving of oneffenheden in het wegdek.
118 INSTELLING
Demping ingaande slag verlaagd
-Comfortabel rijgedrag.
-Minder feedback over de rij-baantoestand.
-Verhoogde neiging tot trillen.
Uitgaande demping verhoogd
-Direct rijgedrag.
-Meer feedback over de rij-baantoestand.
-Verlaagde neiging tot trillen.
-Comfortverlies bij opeenvol-gende golving in het wegdek.
Uitgaande demping verlaagd
-Comfortabel rijgedrag.
-Minder feedback over de rijbaantoestand.
-Verhoogde neiging tot trillen.
Demping ingaande slag bij voorwiel instellen
-zonder verlaging SU

- De demping ingaande slag met de stelschroef 1 op de linker vorkpoot instellen.
- Om de demping te verho-gen: Stelschroef 1 rechtsom draaien.
- Om de demping te verlagen: Stelschroef 1 linksom draaien.

Basisinstelling ingaande slag voor
Stelschroef tot de aanslag rechtsom draaien, daarna 10 klikken terug
Uitgaande demping bij voorwiel instellen
-zonder verlaging SU

- Uitgaande demping met stelschroef 1 op de rechter vorkpoot instellen.
- Om de demping te verho-gen: Stelschroef 1 rechtsom draaien.
- Om de demping te verlagen: Stelschroef 1 linksom draaien.

Basisinstelling uitgaande slag voor
Stelschroef tot de aanslag rechtsom draaien, daarna 10 klikken terug
Demping achterwiel instellen
-zonder Dynamic ESA SU
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Demping via de stelschroef 1 afstellen.

- Voor een stuggere demping, de stelschroef 1 rechtsom draaien.
- Voor een soepelere dem- ping, de stelschroef 1 linksom draaien.

Basisinstelling achter- wieldemping
Stelschroef tot aan de aan- slag rechtsom draaien, daarna 1,5 omwentelingen terug. (Sologebruik zonder belading)
Stelschroef tot aan de aan- slag rechtsom draaien, daarna 0,5 omwenteling terug. (So- logebruik met belading)
Stelschroef tot de aanslag rechtsom draaien en vervolgens 0,25 omwenteling terug. (Rijden met duopassagier en belading)
RIJDEN
07
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 122
REGELMATIGE CONTROLE 126
STARTEN 127
INRIJDEN 129
SCHAKELEN 130
TERREINGEBRUIK 131
REMMEN 132
MOTORFIETS NEERZETTEN 134
TANKEN 135
MOTORFIETS VOOR TRANSPORT BEVESTIGEN 140
122 RIJDEN
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN Rijdersuitrusting
Geen rit zonder de juiste kle- ding! Draag altijd
-Helm
-Pak
-Handschoenen
-Laarzen
Dit geldt ook voor korte afstanden en in welk jaargetijde dan ook. Uw BMW Motorrad partner kan u adviseren en heeft voor elk gebruiksdoel de juiste kleding.

WAARSCHUWING
Omwikkeling van losse kle- dingstukken, bagage of rie- men rond niet-afgedekte ro- terende voertuigonderdelen (wielen, cardanas)
Gevaar voor een ongeval
- Ervoor zorgen dat los gedragen kledingstukken zich niet rond niet-afgedekte roterende voertuigonderdelen kunnen wikkelen.
- Bagage, span- en sjorbanden uit de buurt van nietafgedekte roterende voertuigonderdelen houden.
Beperkte grondspeling
-met verlaging SU
Motorfietsen met een verlaagd rijwielgedeelte hebben minder grondspeling en kunnen minder schuin door de bocht dan motorfietsen met standaard rijwielgedeelte.

WAARSCHUWING
Bij het rijden in een bocht met motorfietsen met een verlaagd rijwielgedeelte kunnen onderdelen van de motorfiets vroeger de grond raken dan gewend.
Kans op ongevallen
- Voorzichtig de bodemvrijheid in de bocht van de motorfiets controleren en de rijstijl hieraan aanpassen.
De bodemvrijheid in de bocht in ongevaarlijke situaties testen. Bij het op- en afrijden van stoepranden en dergelijke hindernissen de beperkte grondspeling van uw motorfiets in acht nemen.
Door de verlaging wordt de veeruitslag korter. Een mo- gelijke beperking van het ge- bruikelijke rijcomfort kan het gevolg zijn. Vooral wanneer met duopassagier wordt gere-
den moet de veervoorspanning overeenkomstig worden aangepast.
Correct beladen

WAARSCHUWING
Stabiliteit tijdens het rijden beïnvloed door overbelading, of ongelijkmatig aan- gebrachte belading
Kans op ongevallen
- Het maximaal toelaatbaar totaalgewicht niet overschrijden en de aanwijzingen voor het beladen in acht nemen.
- De afstelling van veervoor-spanning en de demping aan het totaalgewicht aanpassen.
-met koffer OA - Let erop dat de koffers links en rechts hetzelfde volume hebben.
- Voor een gelijkmatige gewichtsverdeling links en rechts zorgen.
- Zware bagagestukken zo ver mogelijk naar onderen en naar binnen in de koffers aanbrengen.
- Maximale lading en maxi-mumsnelheid in acht nemen (zie ook hoofdstuk Accessoires (208).

Maximale belading per koffer
max. 8 kg

Maximumsnelheid voor het rijden met de koffer
max. 160 km/h
-met topcase OA
- Maximale lading en maximumsnelheid in acht nemen zie ook hoofdstuk Accessoires.

Maximale belading van de topcase
max. 5 kg

Topsnelheid bij ritten met beladen topcase
max. 160 km/h
-met tankrugzak OA
- Maximale belading van de tankrugzak in acht nemen.

Maximale belading van de tankrugzak
max. 5 kg

Maximale snelheid voor ritten met beladen tank- ak
max. 130 km/h
—met bagagetas OA
- Maximaal laadvermogen van de bagagetas in acht nemen.
124 RIJDEN

Maximale belading van de bagagetas
max. 1,5 kg

Maximale snelheid voor ritten met beladen baga-
getas
max. 130 km/h
Snelheid

Om de levensduur van de banden te verlengen en optimale grip te garanderen, moet u koude banden voorzichtig warmrijden. Vermijd hard accelereren als de banden koud zijn. Vergroot de overhelhoek langzaam tijdens het warmrijden.

Om oververhitting van de banden te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u te voorkomen dat u lange tijd met de maximum- snelheid rijdt.
Bij het rijden met hoge snelheden kunnen verschillende omstandigheden het rijgedrag van het voertuig negatief beïnvloeden. Hieronder vallen onder andere:
-Instellen van het onderstel
-Ongelijkmatig verdeelde bagage
-Losse kleding
-Te lage bandenspanning
-Slecht bandenprofiel
Topsnelheid met noppen- of winterbanden

GEVAAR
De maximumsnelheid van de motorfiets is hoger dan de toegestane maximumsnelheid van de banden
Gevaar voor een ongeval door beschadiging van de banden bij te hoge snelheid
- De voor de banden geldende maximumsnelheid in acht nemen.
Bij noppen- of winterbanden moet op de maximaal toelaatbare snelheid van de banden worden gelet.
Sticker met de maximaal toelaatbare snelheid in het gezichtsveld van het instrumentenpaneel aanbrengen.
Kans op vergiftiging
Uitlaatgassen bevatten het kleur- en geurloze maar giftige koolmonoxide.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen met gevaar voor de gezondheid
Verstikkingsgevaar
• Uitlaatgassen niet inademen.
- De motor niet in een afge-
sloten ruimte laten draaien.

WAARSCHUWING
Inademing van schadelijke dampen
Gevaar voor de gezondheid
- Dampen van bedrijfsstoffen en kunststoffen niet inade- men.
- Het voertuig alleen in de openlucht gebruiken.
Verbrandingsgevaar

VOORZICHTIG
Sterk opwarmen van de tor en het uitlaatsysteem tijdens het rijden
Verbrandingsgevaar
- Na het afzetten van de motorfiets erop letten dat geen personen of voorwerpen met de motor en het uitlaatsysteem in aanraking komen.

WAARSCHUWING
- De radiateurdop niet openen bij hete koelvloeistof.
- Het koelvloeistofpeil uitsluitend op het expansiereservoir controleren en zo nodig bijvullen.
Katalysator
Als door overslaan van de motor onverbrande benzine in de katalysator terechtkomt, is er kans op oververhitting en beschadiging.
Met het volgende dient rekening te worden gehouden:
-Brandstoftank niet leegrijden
-De motor nooit met een los-
getrokken bougiestekker laten
draaien
-Als de motor afslaat direct het - contact uitschakelen
-Houd de voorgeschreven onderhoudsbeurten beslist aan.
126 RIJDEN

LET OP
Onverbrande brandstof in de katalysator
Beschadiging van de katalysator
- De aangegeven punten ter bescherming van de katalysator in acht nemen.
Gevaar voor oververhitting

LET OP
Langere tijd laten draaien van de motor bij stilstand
Oververhitting door ontoe- reikende koeling, in extreme gevallen brand aan de motor- fiets
- De motor niet onnodig stationair laten draaien.
- Na het starten direct wegrijden.
Manipulaties

LET OP
Wijzigingen van de motorfiets (bijv. motorregeleenheid, gaskleppen, koppeling)
Beschadiging van de betrokken onderdelen, uitvallen veiligheidsrelevante functies, vervallen van de garantie
- Geen manipulaties uitvoeren.
REGELMATIGE CONTROLE
Controlelijst
- De volgende controlelijst gebruiken om uw motorfiets regelmatig te controleren.
Bij een verandering van de ladingstoestand:
-zonder Dynamic ESA SU
- Veervoorspanning bij het achterwiel instellen. (116)
• Demping bij het achterwiel instellen. (119)
-met Dynamic ESA SU
• Rijwielgedeelte instellen. (06)
Voor het begin van elke rit:
- Werking van het remsysteem controleren.
- Werking van de verlichting en signaalinrichting controleren.
- Werking van de koppeling controleren. (169)
- Bandenprofieldiepte controle-ren. (172)
- Bandenspanning controlleren. (172)
- Veilige bevestiging van koffer en bagage controleren.
Bij iedere derde tankstop:
- Motoroliepeil controleren. (162)
- Remvoeringdikte voor controleren. (165)
- Remvoeringdikte achter controleren. (166)
- Remvloeistofpeil voor contro- leren. (167)
- Remvloeistofpeil achter controleren. (168)
- Koelvloeistofpeil controleren. (170)
• Ketting smeren. (185) - Kettingspanning controlleren. (186)
STARTEN
Motor starten

LET OP
De smering van de versnel- lingsbak is alleen bij draai- ende motor gegarandeerd.
Versnellingsbakschade
- De motorfiets bij uitgeschakelde motor niet gedurende langere tijd laten rollen of over een langere afstand duwen.
- Het contact inschakelen.
(82)
»Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd. (128) - De neutraalstand inschakelen of bij ingeschakelde versnelling de koppelingshendel inknijpen.
Bij een uitgeklapte zijstandaard en een ingeschakelde versnelling kan de motor niet worden gestart. Als de motorfiets in de neutraalstand wordt gestart en vervolgens bij uitgeklapte zijstandaard een versnelling wordt ingeschakeld, slaat de motor af.
128 RIJDEN

• De startknop 1 indrukken.
Bij onvoldoende accu-spanning wordt de start-procedure automatisch afge-broken. Voor verdere start-pogingen de accu opladen of starchulp laten geven. Voor meer details zie het hoofdstuk Onderhoud onder Starthulp.

De motor slaat aan.
»Als de motor niet aanslaat, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens uitkomst bieden. (224)
Pre-Ride-Check en zelfdiagnose
Na het inschakelen van het contact voert het instrumentenpaneel een controle van de weergave-elementen en de controle- en waarschuwingslampjes uit. Tijdens de Pre-Ride-Check gaan alle controleen waarschuwingslampjes tijdelijk branden.
»Als het instrumentenpaneel na het inschakelen van het contact donker blijft, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens verder helpen. (226) »De zelfdiagnose controleert de bedrijfsklare toestand van het BMW Motorrad ABS, en van de BMW Motorrad ASC/DTC.

knippert.

knippert langzaam.
» De controle- en waarschu- wingslampjes doven nadat een rijsnelheid van 5 km/h wordt bereikt. » De zelfdiagnose is beëindigd.
Wordt na afronding van de zelfdiagnose een storingsmelding weergegeven:
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
INRIJDEN
Motor
- Tot de eerste inrijcontrole veelvuldig met wisselende belasting en toerentallen rijden, langdurig rijden met constante toerentallen vermijden.
- Kies indien mogelijk bochtige en licht geaccidenteerde wegen, bij voorkeur geen autosnelwegen.
- Inrijtoerentallen in acht ne- men.
| Inrijtoerental |
| <6500 min-1(Kilometerstand 0...1200 km) |
| Geen vollast (Kilometerstand 0...1200 km) |
- Let op het afgelegde aantal kilometers waarna de inrijcontrole moet plaatsvinden.
| Kilometrage tot de eer-ste inrijcontrole |
| 500...1200 km |
Remvoeringen
Nieuwe remblokken moeten worden ingereden, voordat deze hun optimale wrijvingskracht bereiken. De verminderde remwerking kan door krachtiger knijpen in de rem-
hendel worden gecompenseerd.

WAARSCHUWING
Nieuwe remblokken
Verlenging van de remweg, gevaar voor ongevallen
• Vroeg remmen.
Banden
Nieuwe banden hebben een glad oppervlak. Ze moeten dan ook met een beheerste rijstijl door het inrijden met wisselende overhellingshoeken worden ingereden. Pas na het inrijden is de volledige grip van het loopvlak bereikt.
Neem de informatie van de bandenfabrikant in acht over het correct inrijden van nieuwe banden.

WAARSCHUWING
Verlies van grip van nieuwe banden bij een natte rijbaan en bij extreme schuinligging
Gevaar voor ongevallen
- Anticiperend rijden en extreme schuinligging vermijden.
130 RIJDEN
SCHAKELEN
-met schakelassistent Pro SU
Schakelassistent Pro

Bij het terugschakelen met de schakelassistent Pro wordt om veiligheidsre- denen de cruise control au- tomatisch gedeactiveerd. Bij het opschakelen blijft de cruise control actief.

- Versnellingen op de gebruikelijke manier met de voet via het schakelpedaal inschakelen.
» De schakelassistent ondersteunt de berijder bij het open terugschakelen, zonder dat daarbij de koppeling of de gashendel moet worden bediend.
-Het is geen automatische transmissie.
-De berijder is een belangrijk onderdeel van het systeem en beslist over het tijdstip van de schakelprocedure.
-De sensor 1 op de schakelas herkent het schakelcommando en begint met de schakelondersteuning.
» Bij constant rijden in lagere versnellingen met hoge toe-rentallen kan het schakelen zonder koppelingsbediening tot sterke belastingswisselingen leiden.
-BMW Motorrad adviseert in deze rijsituaties alleen met koppelingsbediening te schakelen.
-Het gebruik van de schakel-assistent Pro in de buurt van de toerentalbegrenzer moet worden vermeden.
» In de volgende situaties vindt geen schakelondersteuning plaats:
-Met bediende koppeling.
-Schakelpedaal niet in de uitgangspositie
-Bij het opschakelen met ge- sloten gasklep (afremmen op de motor) of bij het vertragen.
-Bij het terugschakelen met geopende gasklep en/of bij het gas geven.
- Om een volgende schakelprocedure met de schakelassistent Pro te kunnen uitvoeren, het schakelpedaal na de schakelprocedure volledig ontlasten. Zie voor nadere informa-
tie over de schakelassistent Pro (154).
TERREINGEBRUIK
Na terreinritten
BMW Motorrad adviseert, na het rijden in het terrein de volgende punten in acht te nemen:
Bandenspanning

WAARSCHUWING
Voor terreinritten verlaagde bandenspanning bij gebruik op verharde wegen
Gevaar voor ongevallen door slechtere rijeigenschappen.
- Zorg voor een correcte bandenspanning.
Remmen

WAARSCHUWING
Rijden op onverharde of ver- vuilde wegen
Vertraagde remwerking door vervuilde remschijven en remblokken
• Vroegtijdig remmen tot de remmen schoongeremd zijn.

LET OP
Rijden op onverharde of ver- vuilde wegen
Grotere remvoeringslijtage
- Remblokdikte vaker controleren en remblokken eerder vervangen.
Veervoorspanning en demping

WAARSCHUWING
Gewijzigde waarden voor veervoorspanning en veer- pootdemping voor terreinrit- ten
Slechtere rijeigenschappen op verharde wegen
- Alvorens het terrein te verla- ten, de juiste veervoorspan- ning en de juiste veerpoot- demping instellen.
Velgen
BMW Motorrad adviseert, na het rijden in het terrein de vel-gen op mogelijke beschadigingen te controleren.
132 RIJDEN
Luchtfilterelement

LET OP
Vervuild luchtfilterelement
Motorschade
- Bij ritten in stoffig terrein het luchtfilterelement vaker controleren, reinigen en zo nodig vervangen.
Bij gebruik onder zeer stoffige omstandigheden (woestijnen, steppes etc.) moeten speciale luchtfilterelementen gebruikt worden.
REMMEN
Hoe wordt de kortst mogelijke remweg bereikt?
Bij het remmen verandert de dynamische lastverdeling tussen het voor- en achterwiel. Hoe sterker wordt afgeremd, hoe zwaarder het voorwiel wordt belast. Hoe hoger de wiellast, hoe groter de remkracht die kan worden overgedragen.
Om de kortst mogelijke remweg te bereiken, moet de voorwielrem krachtig en progressief worden bediend. Daardoor wordt de dynamische belastingverhoging op het voorwiel optimaal benut. Tegelijkertijd moet ook de koppeling wor-
den bediend. Bij de vaak ge- oefende "noodstop", waarbij de remdruk zo snel mogelijk en met alle kracht wordt opge- wekt, kan de dynamische as- lastverdeling de vertraging niet volgen en kan de remkracht niet volledig op de rijbaan wor- den overgebracht. Het voorwiel kan blokkeren.
Het blokkeren van het voorwiel wordt door het BMW Motorrad ABS verhinderd.
Noodstop
Als bij voldoende snelheid sterk wordt afgeremd, worden de achteropkomende verkeers-deelnemers bovendien gewaarschuwd door het snel knippe-ren van het remlicht.
Als daarbij tot <15 km/h wordt afgeremd, wordt de alarmlicht-installatie ingeschakeld. Vanaf een snelheid van 20 km/h wordt de alarmlichtinstallatie automatisch weer uitgeschakeld.
Pasafdalingen

WAARSCHUWING
Bij pasafdalingen overwe- gend remmen met de ach- terwielrem
Remkrachtverlies, onherstelbare schade aan de remmen door oververhitting
- Voor- en achterwielrem bedienen en motorremwerking gebruiken.
Natte en verontreinigde remmen

WAARSCHUWING
Slechtere werking van de remmen door vocht en vuil
Gevaar voor ongevallen
- Remmen droog- resp. schoonremmen, zo nodig reinigen.
- Vroegtijdig remmen tot de volledige remwerking weer beschikbaar is.
Vocht en vuil op de remschijven en de remblokken leiden tot een vermindering van de remwerking.
In de volgende situaties moet rekening worden gehouden met een vertraagde of slechtere remwerking:
-Bij het rijden in de regen en door plassen.
-Na een wasbeurt van het voertuig.
-Bij het rijden op gepekelde wegen.
-Na werkzaamheden aan de remmen door restanten olie of vet.
-Bij het rijden op modderige wegen of bij terreinritten.
ABS Pro
Natuurkundige grenzen

WAARSCHUWING
Remmen in bochten
Gevaar voor vallen ondanks ABS Pro
- Een aangepaste rijstijl blijft altijd de verantwoordelijkheid van de berijder.
- Het extra veiligheidspotentieel niet door een riskante rijstijl weer beperken.
ABS Pro is beschikbaar in alle rijmodi behalve Enduro PRO.
Vallen kan niet worden uitgesloten
Hoewel ABS Pro voor de be- rijder een waardevolle onder- steuning en een enorme veilig- heidstoename bij het remmen bij scheefstand vormt, kunnen de natuurkundige grenzen op
134 RIJDEN
geen enkele wijze opnieuw worden gedefinieerd. Net als voorheen is het mogelijk dat deze grenzen door een ver- keerde inschatting of een rijf- out worden overschreden. In extreme gevallen kunt u hier- door vallen.
Gebruik op openbare wegen
Op de openbare weg helpt ABS Pro bij een nog veiliger gebruik van de motorfiets. Tijdens het remmen vanwege onverwacht optredende gevaren in bochten, wordt het blokke-ren en wegglijden van de wie-len in het kader van de natuur-kundige grenzen voorkomen.

ABS Pro is niet ontwikkeld voor het vergroten van het individuele remvermogen bij scheefstand.
MOTORFIETS NEERZETTEN
Zijstandaard
- Motor uitschakelen.

LET OP
Slechte staat van de ondergrond onder de standaard
Onderdeelschade door omval- len
- De standaard moet altijd op een vlakke en vaste ondergrond rusten.

LET OP
Belasting van de zijstandaard met extra gewicht
Onderdeelschade door omval- len
- Niet op de motorfiets gaan zitten als deze op de zijstandaard staat.
- De zijstandaard uitklappen en de motorfiets op de zijstandaard zetten.
- Indien de schuinte van de weg dit toelaat, het stuur naar links draaien.
- De motorfiets op hellingen in de richting "bergopwaarts" neerzetten en de 1e versnel- ling inschakelen.
Middenbok
-met middenbok SU
• Motor uitschakelen.

LET OP
Slechte staat van de ondergrond onder de standaard
Onderdeelschade door omval- len
- De standaard moet altijd op een vlakke en vaste ondergrond rusten.

LET OP
Inklappen van de middenbok bij sterke bewegingen
Onderdeelschade door omval- len
- Bij een uitgeklapte middenbok niet op de motorfiets plaatsnemen.
- De middenbok uitklappen en de motorfiets op de middenbok plaatsen.
TANKEN
Brandstofkwaliteit Voorwaarde
Brandstof moet voor een optimaal brandstofverbruik zwavelvrij of in ieder geval zwavelarm zijn.

LET OP
Tanken van loodhoudende benzine
Beschadiging van de katalysator
- Geen loodhoudende brandstof of brandstof met metaalhoudende additieven (bijv. mangaan of ijzer) tanken.
- Maximale ethanolaandeel van de brandstof aanhouden.

Brandstofadditieven reinigen de brandstofinspuien de verbrandingszone.
Bij het tanken van brandstoffen van mindere kwaliteit of bij langere standtijden moeten brandstofadditieven worden gebruikt. Meer informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.

Aanbevolen brandstof- kwaliteit

Super loodvrij (max. 15% ethanol, E10/E15) 95 ROZ/RON 90 AKI
136 RIJDEN

Alternatieve brandstof- kwaliteit

Normaal loodvrij (beperkingen bij vermogen en verbruik) (max. 15% ethanol, E10/E15)
91 ROZ/RON
87 AKI
»Op de volgende symbolen in de tankdop en op de pomp letten:


Tanken

WAARSCHUWING
Brandstof is licht ontvlam- baar
Brand- en explosiegevaar
- Bij werkzaamheden aan de benzinetank niet roken en van open vuur verwijderd blijven.

WAARSCHUWING
Weglekken van brandstof door uitzetting bij warmte en te ver gevulde brandstof-tank
Kans op ongevallen
- De benzinetank niet teveel vullen.

LET OP
Brandstof op kunststof op- pervlakken
Beschadiging van oppervlakken (worden lelijk of dof)
- Kunststof oppervlakken onmiddellijk na contact met brandstof reinigen.
- De motorfiets op de zijstandaard plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
-met middenbok SU
- De motorfiets op de middenbok zetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Het beschermklepje 1 openen.
- Sluiting 2 van de brandstof-tank met de contactsleutel rechtsom ontgrendelen en openklappen.

- Brandstof tanken tot maximaal de onderzijde van de brandstofvulnippel.
Als er wordt getankt na- dat het peil onder de re- servehoeveelheid is gedaald, moet de hoeveelheid brandstof na het tanken groter zijn dan de brandstofreserve om het nieuwe peil te kunnen herken- nen en het brandstofreserve- controlelampje uit te schakelen.
De in de technische gegevens aangegeven "Nuttige tankinhoud" is de hoeveelheid brandstof waarmee de tank kan worden gevuld wanneer de tank leeggereden is, dus wanneer de motor door brandstofgebrek is gestopt.

Nuttige tankinhoud
circa 23 l

Reservehoeveelheid
circa 4 l
- Tankdop krachtig aandrukken en sluiten.
- Contactsleutel lostrekken en tankdopklep sluiten.
Tanken
-met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Stuurslot is ontgrendeld.

WAARSCHUWING
Brandstof is licht ontvlam- baar
Brand- en explosiegevaar
- Bij werkzaamheden aan de benzinetank niet roken en van open vuur verwijderd blijven.
138 RIJDEN

WAARSCHUWING
Weglekken van brandstof door uitzetting bij warmte en te ver gevulde brandstof-tank
Kans op ongevallen
- De benzinetank niet teveel vullen.

LET OP
Brandstof op kunststof op- pervlakken
Beschadiging van oppervlakken (worden lelijk of dof)
- Kunststof oppervlakken on-middellijk na contact met brandstof reinigen.
- De motorfiets op de zijstandaard plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
-met middenbok SU
- De motorfiets op de middenbok zetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
—met Keyless Ride SU
• Het contact uitschakelen.
(84)

Na het uitschakelen van het contact kan de tank- binnen de vastgelegde vertragingstijd worden geopend, ook zonder radiografische sleutel in het ontvangstgebied.

Nalooptijd voor openen van de tankdop
2 min
» De tankdop kan op 2 manie- ren worden geopend:
-Binnen de nalooptijd.
-Na afloop van de nalooptijd.
Variant 1
-met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Binnen de nalooptijd

- Nok 1 van de tankdop langzaam omhoogtrekken.
» De tankdop ontgrendelt. - De tankdop geheel openen.
Variant 2
-met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Na afloop van de nalooptijd
- Radiografische sleutel in ont- vangstgebied brengen.
- Lip 1 langzaam omhoogtrekken.
» Het controlelampje van de radiografische sleutel knip-pert, zo lang de radiografische sleutel gezocht wordt. - Nok 1 van de tankdop op-nieuw langzaam omhoogtrek-ken.
» De tankdop ontgrendelt. - De tankdop geheel openen.

- Brandstof van de hierboven aangegeven kwaliteit tot maximaal de onderzijde van de brandstofvulnippel tanken.
Als er wordt getankt na- dat het peil onder de re- servehoeveelheid is gedaald, moet de hoeveelheid brandstof na het tanken groter zijn dan de brandstofreserve om het nieuwe peil te kunnen herken- nen en het brandstofreserve- controlelampje uit te schakelen.
De in de technische gegevens aangegeven "Nuttige tankinhoud" is de hoeveelheid brandstof waarmee de tank kan worden gevuld wanneer de tank leeggereden is, dus wanneer de motor door brandstofgebrek is gestopt.

Nuttige tankinhoud
circa 23 l

Reservehoeveelheid
circa 4 l
- Tankdop krachtig omlaag-drukken.
»De tankdop vergrendelt hoor- baar.
»De tankdop vergrendelt automatisch na afloop van de nalooptijd.
»De vastgeklikte tankdop vergrendelt direct bij het vastzetten van het stuurslot of het inschakelen van het contact.
Tankdop noodontgrendeling openen
-met Keyless Ride SU
Tankdop kan niet worden geopend.
- Het defect zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten
140 RIJDEN
verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

•Schroeven 1 uitbouwen.
- De noodontgrendeling 2 verwijderen.
» De tankdop ontgrendelt.
- De tankdop geheel openen.
•Tanken. (137)
• Tankdop noodontgrendeling sluiten. (140)
Tankdop noodontgrendeling sluiten
—met Keyless Ride SU
Voorwaarde
De tankdop is dichtgeklapt.

- De noodontgrendeling 2 positioneren.
•Schroeven 1 inbouwen.
MOTORFIETS VOOR TRANSPORT BEVESTIGEN
- Alle onderdelen waar spanbanden langs worden geleid tegen krassen beschermen (bijvoorbeeld met tape of zachte doeken).

Opzijvallen van de motorfiets bij het op de middenstandaard plaatsen
Onderdeelschade door omval- len
- De motorfiets tegen zijwaarts kantelen beveiligen, het best met behulp van een tweede persoon.
- Motorfiets op het transport-plateau duwen, niet op de zijstandaard of de middenbok zetten.

Inklemmen van onderdelen
Onderdeelschade
- Onderdelen, zoals bijv. remleidingen of kabelbomen, niet inklemmen.
- De spanbanden vóór aan beide zijden aan de onderste vorkbrug bevestigen en spannen.

- Spanbanden achter aan beide zijden aan het achterframe bevestigen en spannen. - Alle spanbanden gelijkmatig spannen.
TECHNIEK IN DETAIL
08
ALGEMENE AANWIJZINGEN 144
ANTI-BLOKKEERSYSTEEM (ABS) 144
DYNAMISCHE TRACTIECONTROLE (DTC) 147
MOTORSLEEPMOMENTREGELING 149
DYNAMIC ESA 149
RIJMODUS 150
DYNAMIC BRAKE CONTROL 152
BANDENSPANNINGSCONTROLE RDC 153
SCHAKELASSISTENT 154
144 TECHNIEK IN DETAIL
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Meer Informatie over het onderwerp techniek is beschikbaar op bmw-motorrad.com/technik.
De maximaal op de rijbaan overdraagbare remkracht is o.a. afhankelijk van de wrijvingscoëfficiënt van het oppervlak van het wegdek. Grind, ijs en sneeuw en een nat wegdek hebben een aanzienlijk slechtere wrijvingswaarde dan een droog en schoon wegdek. Hoe slechter de wrijvingscoëfficiënt van de rijbaan, hoe langer de remweg wordt.
Indien bij een verhoging van de remdruk door de berijder de maximaal overdraagbare remkracht wordt overschreden, beginnen de wielen te blokkeren en gaat de rijstabiliteit verloren; onderuitgaan kan het gevolg zijn. Voordat deze situatie optreedt, grijpt het ABS in en past de remdruk aan de maximaal overdraagbare remkracht aan, zodat de wielen blijven draaien en de rijstabiliteit behouden blijft, ongeacht de wegdektoestand.
Wat gebeurt er bij oneffenheden in de rijbaan?
Door oneffenheden in het wegdek kan kortstondig contactverlies tussen band en wegdek ontstaan en wordt de overdraagbare remkracht tot nul gereduceerd. Als in deze situatie wordt geremd, moet het ABS de remdruk verminde-ren om de rijstabiliteit bij her-nieuwd contact met de rijbaan te garanderen. Hierbij moet het BMW Motorrad ABS uitgaan van extreem lage wrijvingscoëfficiënten (grind, ijzel, sneeuw), zodat de wielen in alle denk-bare situaties blijven draaien om de rijstabiliteit te waarbor-gen. Na het herkennen van de werkelijke omstandigheden regelt het systeem de optimale remdruk in.
Omhoogkomen van het achterwiel
Bij zeer sterke en snelle vertragingen kan het voorkomen dat het BMW Motorrad ABS het omhoogkomen van het achterwiel niet kan verhinderen. Dit kan eveneens tot het over de kop slaan van de motorfiets leiden.

WAARSCHUWING
Omhoog komen van het achterwiel door krachtig remmen
Kans op ongevallen
- Houd er bij het remmen rekening mee dat de ABS-regeling niet in alle gevallen kan voorkomen dat het achterwiel omhoogkomt.
Hoe werkt het BMW Motorrad ABS?
Het BMW Motorrad ABS waarborgt binnen de grenzen van de natuurkundige wetten de rijstabiliteit op elke ondergrond.
Vanaf snelheden boven 4 km/h kan het BMW Motorrad ABS binnen de grenzen van de natuurkundige wetten de rijstabiliteit op elke ondergrond waarborgen. Bij lagere snelheden kan het BMW Motorrad ABS door de eigenschappen van het systeem niet op alle ondergronden optimaal ondersteunen.
Het systeem is niet ontworpen voor speciale eisen zoals die gelden voor wedstrijdgebruik in het terrein of op het circuit.
Bijzondere situaties
Voor het herkennen van de blokkeerneiging worden o.a. de toerentallen van het voor- en achterwiel vergeleken. Indien over een langere periode niet aannemelijke waarden worden herkend, wordt om veiligheidsredenen de ABS-functie uitgeschakeld en een ABS-storing weergegeven. Voorwaarde voor een storingsmelding is een afgesloten zelfdiagnose.
Behalve problemen van het BMW Motorrad ABS kunnen ook ongebruikelijke rijsituaties tot een storingsopslag leiden:
-Gedurende langere tijd op het achterwiel rijden (wheelie).
-Gedurende langere tijd op het achterwiel rijden (wheelie).
-Het achterwiel laten draaien bij bediende voorwielrem (burn-out).
-Warmdraaien op de midden- of hulpstandaard met ingeschakelde neutraalstand of ingeschakelde versnelling.
-Gedurende langere tijd rijden met een door de motorrem-werking blokkerend achter-wiel, bijv. bij het heuvelaf-waarts rijden op een gladde ondergrond.
Indien vanwege een van de hierboven beschreven rijsituaties een storingsmelding ontstaat, kan de ABS-functie door
146 TECHNIEK IN DETAIL
het uit- en inschakelen van het contact weer worden geactiveerd.
Welke rol speelt regelmatig onderhoud?

WAARSCHUWING
Niet regelmatig onderhouden remsysteem
Gevaar voor ongevallen
- Om er zeker van te zijn, dat de staat van onderhoud van het BMW Motorrad ABS optimaal is, moeten de voorge-schreven onderhoudsintervallen beslist worden aange-houden.
Reserves voor de veiligheid
Het BMW Motorrad ABS mag niet leiden tot een lichtvaardige rijstijl omdat de bestuurder vertrouwt op kortere remafstanden. Het is in eerste instantie een veiligheidsreserve voor noodsituaties.
Let op in de bochten! Bij het remmen in bochten komen bepaalde natuurkundige wetten kijken die ook het BMW Motorrad ABS niet kan opheffen.
Doorontwikkeling van ABS tot ABS Pro
Tot dusverre zorgde het BMW Motorrad ABS voor een zeer hoge mate van veiligheid bij het remmen bij het rechtuit rijden. Nu biedt ABS Pro ook bij het remmen in bochten meer veiligheid. Het ABS Pro voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs bij plotseling remmen. Het ABS Pro vermindert, met name bij remmen door een schrikreactie, abrupte stuurkrachtwijzigingen en daardoor het ongewenst oprichten van het voertuig.
ABS-regeling
Technisch gezien past de ABS Pro die ABS-regeling zich, afhankelijk van de betreffende rijsituatie, aan de maximum overhelhoek van de motorfiets aan. Voor de bepaling van de scheefstand van de motorfiets worden signalen van het rol- en het giermoment en de dwarsversnelling gebruikt. Als de scheefstand toeneemt, wordt de remdrukgradiënt bij het rembegin steeds verder ge- limiteerd. Hierdoor vindt de drukopbouw langzamer plaats. Bovendien vindt de drukmodu-
latie bij de ABS-regeling gelijk-matiger plaats.
Voordelen voor de berijder
De voordelen van ABS Pro voor de berijder zijn een gevoelig aanspreken en een hoge remen rijstabiliteit bij optimale vertraging, ook in bochten.
DYNAMISCHE TRACTIECON- TROLE (DTC)
Hoe werkt de tractiecontrole?
De tractiecontrole vergelijkt de wielomtreksnelheden van het voor- en achterwiel. Uit het verschil in snelheid worden de slip en daarmee de stabiliteitsreserves aan het achterwiel berekend. Als een bepaalde sliplimiet wordt overschreden, wordt het motorkoppel door de motorregeling aangepast.
BMW Motorrad DTC is een be- rijdersassistentsysteem en is voor gebruik op de openbare weg ontwikkeld. Vooral in het grensgebied van de natuurkundige wetten heeft de berijder duidelijk invloed op de regel- mogelijkheden van de DTC (gewichtsverplaatsing in bochten, losse lading).
Bij terreinritten kan het best de rijmodus Enduro worden geactiveerd. De regelende ingreep door de DTC vindt in deze modus later plaats, zodat een gecontroleerd driften mogelijk is.
Het systeem is niet ontworpen voor speciale eisen zoals die gelden voor wedstrijdgebruik in het terrein of op het circuit. Voor deze gevallen kan de BMW Motorrad DTC worden uitgeschakeld.

WAARSCHUWING
Gevaarlijk rijgedrag
Gevaar voor ongevallen on- danks DTC
- Een aangepaste rijstijl blijft altijd de verantwoordelijkheid van de berijder.
- Het extra veiligheidspotentieel niet door een riskante rijstijl weer beperken.
Bijzondere situaties
Bij toenemende scheefstand wordt het acceleratievermo-gen overeenkomstig de natuur-kundige wetten steeds verder ingeperkt. Daardoor is het mo-gelijk dat vanuit scherpe boch- ten vertraagd wordt geaccele-reerd.
148 TECHNIEK IN DETAIL
Om een doordraaiend of weg- glijdend achterwiel te herken- nen worden onder andere de toerentallen van voor- en ach- terwiel vergeleken en rekening gehouden met de scheefstand.
Als deze waarden voor de scheefstand gedurende langere tijd als niet-aannemelijk worden herkend, wordt een vervangingswaarde voor de scheefstand gebruikt resp. wordt de DTC uitgeschakeld. In deze gevallen wordt een DTC-storing weergegeven. Voorwaarde voor een storingsmelding is een afgesloten zelfdiagnose.
Bij de volgende bijzondere rij- omstandigheden is het mogelijk dat de BMW Motorrad tractieregeling automatisch wordt uitgeschakeld.
Ongebruikelijke rijssituaties:
-Gedurende langere tijd op het achterwiel rijden (wheelie).
-Het achterwiel laten draaien bij bediende voorwielrem (burn-out).
-Warmdraaien op een hulpstandaard met ingeschakelde neutraalstand of ingeschakelde versnelling.
De DTC wordt na een storing door het uit- en inschakelen van het contact en aansluitend rijden met een minimumsnelheid weer geactiveerd.
| Minimumsnelheid voor de activering van de DTC |
| min. 5 km/h |
Als het voorwiel bij een extreme acceleratie het contact met de weg verliest, vermindert de DTC in de rijmodi RAIN en ROAD het motorkoppel, tot het voorwiel weer de bodem raakt. De rijmodi ENDURO en ENDURO PRO zijn bedoeld voor terrein- ritten en zijn niet geschikt voor gebruik op de weg.
In de rijmodi DYNAMIC en ENDURO laat de voorwielloskomherkenning korte wheelies toe.
In de rijmodus ENDURO PRO is de voorwiel-loskomherkenning uitgeschakeld.
BMW Motorrad raadt bij het opheffen van het voorwiel aan de gashendel iets terug te draaien om zo snel mogelijk opnieuw in een stabiele rijtoestand te komen.
In de rijmodi RAIN, ROAD, DYNAMIC en ENDURO komt de
DTC-instelling overeen met de rijmodus.
In de rijmodus ENDURO PRO kan DTC afwijkend worden ingesteld.
MOTORSLEEPMOMENTRE- GELING
-met rijmodi Pro SU
Hoe werkt de motorsleepmo- mentregeling?
De motorsleepmomentregeling heeft de taak om instabiele rij-omstandigheden door een te hoog sleepmoment op het achterwiel te voorkomen. Afhankelijk van de rijbaantoestand en rijdynamiek kan een te hoog sleepmoment de slip op het achterwiel aanzienlijk vergroten en de rijstabiliteit verminderen. De motorsleepmomentregeling begrenst te veel slip op het achterwiel tot een veilige, modusafhankelijke doelslip.
Oorzaken voor te veel slip het achterwiel:
-Afremmen op de motor op een rijbaan met een lage wrijvingscoëfficiënt (bijv. natte bladeren).
-Happen van het achterwiel bij het terugschakelen.
-Hard aanremmen bij een sportieve rijstijl.
Net als de tractiecontrole BMW Motorrad DTC vergelijkt de motorsleepmomentregeling de uit de wieltoerentallen en de wielomtrek berekende wielomtreksnelheden van het voor- en achterwiel. Aan de hand van het snelheidsverschil kan de motorsleepmoment- regeling de slip en daarmee de stabiliteitsreserve bij het achterwiel bepalen.
Wanneer de slip groter is dan de betreffende grenswaarde, wordt het motorkoppel door het licht openen van de gas-klep verhoogd. De slip wordt verminderd en de motorfiets gestabiliseerd.
DYNAMIC ESA
-met Dynamic ESA SU
Functie van de Dynamic ESA
Dynamic ESA herkent via een rijhoogtesensor de bewegingen op het onderstel en reageert daarop door aanpassing van de demperklep. Het onderstel wordt zo aan de gesteldheid van de ondergrond aangepast. Dynamic ESA kalibreert zichzelf met regelmatige tussenpozen, om de correcte werking van het systeem te waarborgen.
150 TECHNIEK IN DETAIL
Instelmogelijkheden
Dempingsmodi
-Road: Demping voor comfortabele ritten over de weg
-Dynamic: Demping voor dynamische ritten over de weg
-Enduro: Demping voor terreinritten
Beladingsinstellingen
-Solo
-Solo met bagage
—Met duopassagier (en bagage)
RIJMODUS
Selectie
Om de motorfiets aan de rij-baantoestand en aan de ge-wenste rijbeleving aan te pas-sen, kan uit de volgende rij-modi worden gekozen:
Standaard
-RAIN
-ROAD (standaardmodus)
-ENDURO
-met rijmodi Pro SU
Met rijmodi Pro
-DYNAMIC
-ENDURO PRO
Voor elk van deze rijmodi is een afgestemde instelling voor de systemen ABS, DTC, motorsleepmomentregeling en voor de reactie op de gashendel aanwezig.
In de rijmodus ENDURO PRO kunnen gasaanname, ABS en DTC individueel worden ingesteld. (100)
In elke rijmodus kan de DTC worden uitgeschakeld. De volgende verklaringen hebben telkens betrekking op de ingeschakelde rijveiligheidssystemen.
Reactie op het gaspedaal
-In de rijmodus RAIN: Zachte reactie op het gaspedaal.
-In de rijmodus ROAD: Opti-male gasrespons.
-In de rijmodus ENDURO: Zachte reactie op het gaspedaal.
-met rijmodi Pro SU
-In de rijmodus DYNAMIC: Directe reactie op het gaspe-daal.
-In de rijmodus ENDURO PRO: Optimale gasrespons.
ABS
-De loskomherkenning achterwiel is in alle rijmodi behalve ENDURO PRO actief.
-In de rijmodi DYNAMIC en ENDURO is de loskomherkenning voor het achterwiel gereduceerd om een hogere remwerking te bereiken.
-In de rijmodi RAIN, ROAD en DYNAMIC is het ABS afge- stemd op gebruik op de weg.
-In de rijmodus ENDURO is het ABS afgestemd op terreinge-bruik met wegbanden.
-In de rijmodus ENDURO PRO is er op het achterwiel geen ABS-regeling, als het voetrem-pedaal wordt bediend. Het ABS is afgestemd op terrein-ritten met noppenbanden.
ABS Pro
-In de rijmodi RAIN en ROAD is ABS Pro volledig beschikbaar. De neiging tot oprichten, die de motorfiets heeft in bochten, wordt tot op een minimum gereduceerd.
-In de rijmodi DYNAMIC en ENDURO is ABS Pro alleen beschikbaar bij goede wrijvingswaarden. De ondersteuning is ten opzichte van de rijmodus ROAD gereduceerd en is in plaats daarvan afgestemd op een maximale remwerking.
-In de rijmodus ENDURO PRO is ABS Pro niet beschikbaar.
DTC
Banden
-In de rijmodi RAIN, ROAD en DYNAMIC is de DTC op het gebruik op de weg met wegbanden afgestemd.
-In de rijmodus ENDURO is de DTC op het gebruik in het terrein met wegbanden afgestemd.
-In de rijmodus ENDURO PRO is de DTC op het gebruik in het terrein met noppenban- den afgestemd.
Rijstabiliteit
-In de rijmodus RAIN grijpt de DTC zo vroeg in dat een maximale rijstabiliteit wordt bereikt.
-In de rijmodus ROAD grijpt de DTC later in dan in de rijmodus RAIN. Een doordraaiend achterwiel wordt indien mogelijk altijd vermeden.
-In de rijmodi RAIN, en ROAD wordt voorkomen dat het voorwiel loskomt van de grond.
-In de rijmodus DYNAMIC grijpt de DTC later in dan in de rijmodus ROAD, waardoor licht driften bij het uitrijden van een bocht en korte wheelies mogelijk zijn.
-In de rijmodus ENDURO grijpt de DTC nog iets later in en deze rijmodus is op terrein- gebruik afgestemd, waardoor langer driften en korte wheelies bij het uitrijden van een bocht mogelijk zijn.
152 TECHNIEK IN DETAIL
-In de rijmodus ENDURO PRO neemt de regeling van de DTC aan dat er in het terrein met noppenbanden wordt ge- reden. Langere wheelies en wheelies in iets schuine stan- den worden toegestaan. De loskomherkenning voorwiel is uitgeschakeld, waardoor in extreme gevallen over de kop slaan naar achteren mogelijk is!
Werking van de motorsleepmomentregeling
-RAIN en ROAD: Maximale stabiliteit.
-ENDURO: Gereduceerde stabiliteit.
-met rijmodi Pro SU
-DYNAMIC: Hoge stabiliteit.
-ENDURO PRO is de motor-sleepmomentregeling inactief.
DYNAMIC BRAKE CONTROL
-met rijmodi Pro SU
Functie van de Dynamic Brake Control
De functie van de Dynamic Brake Control ondersteunt de berijder bij een noodstop.
Herkenning van een noodstop
—Een noodstop wordt herkend als de voorwielrem snel en krachtig wordt bediend.
Gedrag bij een noodstop
-Als bij een snelheid van meer dan 10 km/h een noodstop wordt uitgevoerd, is naast de ABS-functie ook de Dynamic Brake Control actief.
Gedrag bij onbedoeld bedienen van de gashendel
-Als bij een noodstop onbe-doeld de gashendel wordt be-diend (hendelstand > 5%), wordt de eigenlijk geacti-veerde remwerking door de Dynamic Brake Control gewaarborgd door het open-draaien van de gashendel te negeren. De werking van de noodstop wordt gewaar-borgd.
-Als tijdens de ingreep van de Dynamic Brake Control het gas wordt gesloten (gashendelstand < 5%), wordt het door het ABS-remsystem ge-vraagde motorkoppel hersteld.
-Als de remingreep bij gevaar wordt beëindigd en de gashendel nog steeds wordt bediend, regelt de Dynamic Brake Control het motorkop-
pel gecontroleerd terug naar de bestuurderswens.

Bij het uitschakelen van het ABS wordt tegelijker-le functie van de Dynamic e Control uitgeschakeld.
BANDENSPANNINGSCONTROLE RDC
-met bandenspanningscontrole (RDC) SU
Werking
In elke band bevindt zich een sensor die de temperatuur en de spanning in de band meet en deze informatie naar de regeleenheid stuurt.
De sensoren zijn uitgerust met een centrifugaalregelaar die de overdracht van de meetwaarden na het eerste overschrijden van de minimumsnelheid vrij- geeft.

Minimumsnelheid voor de registratie van de -meetwaarden:
min. 30 km/h
Voor de eerste ontvangst van de bandenspanning wordt op het display "--" weergegeven voor elke band. Nadat de motorfiets stilstaat worden de meetwaarden nog enige tijd door de sensoren doorgegeven.
De overdrachtduur van de meetwaarde na stilstand van de motorfiets:
min. 15 min
Als een RDC-regeleenheid is ingebouwd, maar hebben de wielen geen sensoren, dan wordt een storingsmelding weergegeven.
Bandenspanningsbereiken
De RDC-regeleenheid maakt onderscheid tussen drie op de motorfiets afgestemde bandenspanningsbereiken:
-Bandenspanning binnen de toelaatbare tolerantie.
-Bandenspanning in het grensgebied van de toelaatbare tolerantie.
-Bandenspanning buiten de toelaatbare tolerantie.
Temperatuurcompensatie
De bandenspanning is temperatuurafhankelijk: Deze neemt toe naarmate de bandentemperatuur toeneemt resp. daalt naarmate de bandentemperatuur afneemt. De bandentemperatuur is afhankelijk van de buitentemperatuur en de rijstijl en duur van de rit.
154 TECHNIEK IN DETAIL
| De bandenspanningen worden op het display met temperatuurcompensatie weergegeven en hebben altijd betrekking op de vol-gende luchttemperatuur in de band: |
| 20 °C |
Bij de bandenspanningsmeters van tankstations vindt geen temperatuurcompensatie plaats, de gemeten bandenspanning is afhankelijk van de bandentemperatuur. Daardoor komen de daar weergegeven waarden in de meeste gevallen niet overeen met de waarden die op het display weergegeven worden.
Aanpassing van de bandenspanning
Vergelijk de RDC-waarde op het display met de waarde op de achterkant van de omslag van de handleiding. De afwijking tussen beide waarden moet met de bandenspanningsmeter van het tankstation worden gecompenseerd.
| Voorbeeld |
| Volgens de handleiding moet de bandenspanning de vol-gende waarde hebben: |
| 2,5 bar |
| Op het display wordt de vol-gende waarde weergegeven: |
| 2,3 bar |
| Het volgende ontbreekt dus: |
| 0,2 bar |
| Het testapparaat in het tank-station toont: |
| 2,4 bar |
| Om de juiste bandenspanning te bereiken, moet deze naar de volgende waarde worden verhoogd: |
| 2,6 bar |
SCHAKELASSISTENT
—met schakelassistent Pro SU
Schakelassistent Pro
De motorfiets is met de oorspronkelijk in de motorsport ontwikkelde schakelassistent Pro uitgerust, die aan het toergebruik is aangepast. De schakelassistent maakt het mogelijk om op- of terug te schakelen zonder de koppeling te bedienen of de gashendel te verdraaien in nagenoeg alle be-
lastingsgebieden en toerentalbereiken.
De motorregeling ondersteunt het wisselen van versnelling afhankelijk van:
-Gekozen doelversnelling
-Motortoerental
-Stand van de gashendel
De beslissing over het gebruik van de schakelassistent ligt bij de berijder, waarbij deze rekening moet houden met de rijsituatie en de veiligheids- en comfortaspecten.
Voordelen
-Veel schakelprocedures kunnen zonder koppeling worden uitgevoerd.
-Minder bewegingen tussen berijder en duopassagier door kortere schakelpauzes.
-Bij het accelereren hoeft de gashendel niet gesloten te worden.
-Bij het terugschakelen (gas-hendel gesloten) wordt door het geven van tussengas een toerentalaanpassing uitge-voerd.
-De schakeltijd wordt ten opzichte van een schakelprocedure met koppelingsbediening gereduceerd.
De berijder moet voor het herkennen van de schakelwens het daarvoor niet bediende schakelpedaal normaal tot snel in de gewenste richting bedienen en tot de mechanische aan-slag van de schakelbediening te bewegen. Na de schakelprocedure moet het schakelpedaal volledig ontlast worden om een volgende schakeling met de schakelassistent Pro te kunnen uitvoeren. Om een optimale schakelkwaliteit met de schakelassistent Pro te bereiken moet de betreffende belasting (stand van de gashendel) voor en tijdens de schakelprocedure constant worden gehouden. Bij schakelprocedures met koppelingsbediening vindt geen ondersteuning door de schakel-assistent plaats Pro.
Terugschakelen
-Terugschakelen wordt tot het bereiken van het maximum-toerental in de doelversnel-ling ondersteund. Een te hoog toerental wordt zo vermeden.

Max. toerental
max. 9250 min -1
156 TECHNIEK IN DETAIL
Opschakelen
-Opschakelen wordt tot het onderschrijden van het stationair toerental in de doelversnelling ondersteund. Op die manier wordt vermeden dat het toerental onder het stationair toerental komt.
—Bij het opschakelen tijdens het afremmen op de motor, met name in lage versnellingen, kunnen als gevolg van het principe comfortverliezen en sterkere lastwisselreacties optreden.
ONDERHOUD
09
ALGEMENE AANWIJZINGEN 160
BOORDGEREEDSCHAP 161
VOORWIELSTANDAARD 161
ACHTERWIELSTANDAARD 162
MOTOROLIE 162
REMSYSTEEM 164
KOPPELING 169
KOELVLOEISTOF 170
BANDEN 172
VELGEN 173
WIELEN 173
KETTING 185
LUCHTFILTER 188
LAMPEN 190
KUIPDELEN 190
STARTHULP 191
ACCU 193
ZEKERINGEN 197
DIAGNOSECONTACTDOOS 199
160 ONDERHOUD
ALGEMENE AANWIJZINGEN
In het hoofdstuk Onderhoud worden werkzaamheden voor het controleren en vervangen van slijtagedelen beschreven die eenvoudig uit te voeren zijn.
Indien bij de montage rekening moet worden gehouden met speciale aanhaalkoppelwaarden, dan worden deze eveneens vermeld. Een overzicht van alle benodigde aanhaalkoppelwaarden vindt u in het hoofdstuk Technische gegevens.
Voor het uitvoeren van een aantal van de beschreven werkzaamheden zijn speciale gereedschappen en een gedegen vakkennis vereist. Bij twijfel contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Micro-ingekapselde bouten
De micro-inkapseling is een chemische schroefdraadborging. Hierbij wordt door een lijdstof een vaste verbinding gemaakt tussen een schroef en een moer of een onderdeel. Micro-ingekapselde bouten zijn daarom slechts geschikt voor eenmalig gebruik.
Zowel bij uit- als inbouw moet de schroefdraadboring altijd worden gereinigd. Na het uit-bouwen moet de lijm uit de binnenschroefdraad worden verwijderd. Bij het inbouwen moet een nieuwe micro-inge-kapselde bout worden gebruikt. Vóór het uitbouwen ervoor zorgen dat geschikt gereedschap voor het reinigen van de schroefdraad en een vervan-gende bout beschikbaar zijn. Bij een ondeskundige bewerking kan de borgingsfunctie van de schroef niet meer ge-waarborgd zijn, waardoor u zichzelf in gevaar brengt!
Kabelbinders voor eenmalig gebruik
Soms zijn bedrading en leidingen met kabelbinders voor eenmalig gebruik bevestigd.
Om bij de uitbouw beschadigingen aan bedrading en leidingen te vermijden, moet een geschikt gereedschap, bijvoorbeeld een zijkniptang worden gebruikt.
Bij het weer inbouwen moeten losgemaakte bedrading en leidingen weer met nieuwe kabelbinders voor eenmalig gebruik worden bevestigd.
Uitstekende uiteinden moeten met een kabelbindertang worden afgeknipt.
BOORDGEREEDSCHAP

1 Handgreep schroeven-draaier
2 Omkeerbare schroeven-draaier
Met kruiskop- en platte schroevendraaierkling
-Accu uitbouwen.
(196)
-zonder Dynamic ESA SU
-Demping bij het achter-wiel instellen. (119)
3 Steeksleutel
Sleutelwijdte 14 mm
-Spiegelarm instellen.
(112)
4 Steeksleutel
Sleutelwijdte 19 mm
-zonder verlaging SU
-Veervoorspanning bij het voorwiel instellen.
(116)
5 Sleutel
-zonder Dynamic ESA SU
-Veervoorspanning bij het achterwiel instellen. (16)
6 Torx-sleutel T25/T30
T25 op de korte steel, T30 op de lange steel
-Tankafdekking uitbouwen. (190)
VOORWIELSTANDAARD
Voorwielstandaard aanbrengen

LET OP
Gebruik van de BMW Motorrad voor- wielstandaard zonder gebruik van een extra hulpstandaard
Onderdeelschade door omval- len
- De motorfiets vóór het opti- len met de BMW Motorrad voorwielsteun op een hulp- standaard zetten.
- Ervoor zorgen dat de motorfiets veilig staat.
- De motorfiets op de hulpstandaard zetten; BMW Motorrad adviseert de BMW Motorrad hulpstandaard.
162 ONDERHOUD
- Achterwielstandaard aanbrengen. (162)

- De beschrijving van de juiste montage vindt u in de handleiding van de voorwielstandaard.
- BMW Motorrad biedt voor elk voertuig een passende montagestandaard. Uw BMW Motorrad Partner helpt u graag bij het kiezen van een geschikte montagestandaard.
ACHTERWIELSTANDAARD
Achterwielstandaard aanbrengen

- De beschrijving van de juiste montage vindt u in de hand-
leiding van de achterwielstandaard.
- BMW Motorrad biedt voor elk voertuig een passende montagestandaard. Uw BMW Motorrad Partner helpt u graag bij het kiezen van een geschikte montagestandaard.
MOTOROLIE
Motoroliepeil controleren
Om het milieu niet onnodig te belasten, adviseert BMW Motorrad de motorolie na ritten van min. 50 km te controleren.

LET OP
Verkeerde interpretatie van het oliepeil, omdat het olie- peil temperatuurafhankelijk is (hoe hoger de tempera- tuur, hoe hoger het oliepeil) Motorschade door fout bij het vullen
- Het oliepeil na een langere rit resp. bij warme motor controleren.
- De omgeving van de olievul-opening reinigen.
- De motor stationair laten draaien, tot de ventilator gaat draaien, vervolgens nog een minuut laten draaien.
- Motor uitschakelen.

LET OP
Omvallen van de motorfiets
Onderdeelschade door omval- len
- Ervoor zorgen dat de motorfiets niet kan omvallen, bij voorkeur met ondersteuning door een tweede persoon.
- Motorfiets op bedrijfstemperatuur rechtop houden en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is. BMW Motorrad adviseert het gebruik van een geschikte hulpstandaard.
-met middenbok SU - Motorfiets op bedrijfstemperatuur op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Een minuut wachten, zodat de olie zich in de oliecarterpan kan verzamelen.
•Oliepeilstaaf 1 uitbouwen.

- Het meetbereik 2 met een droge doek reinigen
- Oliepeilstaaf op de olievulopening aanbrengen, maar niet vastzetten. Voor een betere afleesbaarheid een omwente-ling naar achteren draaien.
- Oliepeilstaaf verwijderen en oliepeil aflezen.

Voorgeschreven motor- oliepeil
Tussen MIN- en MAX-marke-ring
164 ONDERHOUD

Bijvulhoeveelheid motor- olie
max. 0,5 l (Verschil tussen MIN en MAX)
Bij olieniveau onder de MIN-markering:
•Motorolie bijvullen. (164)
Bij olieniveau boven de MAX-markering:
- Olieniveau bij een vakwerkplaats laten corrigeren, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
•Oliepeilstaaf inbouwen.

Om het milieu niet onnodig te belasten, adviseert BMW Motorrad de motorolie na ritten van min. 50 km te controleren.
Motorolie bijvullen
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Omgeving van de olievulopening reinigen.

• Oliepeilstaaf 1 uitbouwen.

LET OP
Gebruik van te weinig resp. te veel motorolie
Motorschade door fout bij het vullen
- Op een correct motorolie- peil letten.
- Motorolie tot het voorge-schreven peil bijvullen.
- Motoroliepeil controleren.
(162)
• Oliepeilstaaf inbouwen.
REMSYSTEEM
Remfunctie controleren
• Remhendel bedienen.
» Er moet een duidelijk druk-
punt voelbaar zijn.
• Rempedaal bedienen.
» Er moet een duidelijk druk-
punt voelbaar zijn.
Zijn geen duidelijke drukpunten merkbaar:

LET OP
Ondeskundige werkzaamheden aan het remsysteem
In gevaar brengen van de bedrijfszekerheid van het rem-systeem
- Alle werkzaamheden aan het remsysteem laten uitvoeren door vakkundig personeel.
- De remmen bij een vakwerkplaats laten controleren, bij voorkeur bij een BMW Motorrad Partner.
Remvoeringdikte voor controleren
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Visuele controle van remvoeringdikte links en rechts uitvoeren. Kijkrichting: tus-
sen wiel en voorwielgeleiding door op de remklauwen 1.

Slijtagegrens remvoering, voor
min. 1,0 mm (Alleen remvoering zonder rugplaat. De slijtagemarkeringen, d.w.z. de groeven, moeten duidelijk zichtbaar zijn.)
Als de slijtagemarkeringen niet meer duidelijk zichtbaar zijn:

WAARSCHUWING
Onderschrijden van de mini- male remblokdikte
Verminderde remwerking, beschadiging aan de remmen
- Om de bedrijfszekerheid van het remsysteem te waarbor-gen mogen de remblokken niet dunner worden dan de minimaal toelaatbare dikte.
- Remblokken door een vakwerkplaats laten vernieu-
166 ONDERHOUD
wen, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
Remvoeringdikte achter controleren
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Remblokdikte visueel controleren. Kijkrichting: vanaf de achterzijde op de remklauwen 1.

Slijtagegrens remvoering, achter
min. 1,0 mm (Alleen remvoering zonder rugplaat.)
Zijn de remvoeringen versleten:

WAARSCHUWING
Onderschrijden van de mini- male remblokdikte
Verminderde remwerking, beschadiging aan de remmen
- Om de bedrijfszekerheid van het remsysteem te waarbor-gen mogen de remblokken niet dunner worden dan de minimaal toelaatbare dikte.
- Remblokken door een vakwerkplaats laten vernieuwen, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
Remvloeistofpeil voor controleren

WAARSCHUWING
Te weinig of verontreinigde remvloeistof in het remvloeistofreservoir
Duidelijk verminderd remver- mogen door lucht, verontrei- nigingen of water in het rem- systeem
- Onmiddellijk stoppen met rijden totdat het defect verholpen is.
- Het remvloeistofpeil regelmatig controleren.
- De dop van het remvloeistofreservoir vóór het openen reinigen.
- Alleen remvloeistof uit een verzegelde flacon gebruiken.
-met middenbok SU
- Motorfiets op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Stuur in rechtuitstand zetten.
- Motorfiets rechtop houden en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
• Stuur in rechtuitstand zetten.

- Remvloeistofpeil op remvloeistofreservoir voor 1 aflezen.
Door de slijtage van de remblokken daalt het remvloeistofpeil in het reservoir.

Remvloeistofpeil voor
Remvloeistof, DOT4
Het remvloeistofpeil mag niet onder de MIN-markering ko- men. (Remvloeistofreservoir loodrecht, motorfiets staat rechtop)
168 ONDERHOUD
Als het remvloeistofpeil tot onder het toegestane peil daalt:
- Het defect zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Remvloeistofpeil achter controleren

WAARSCHUWING
Te weinig of verontreinigde remvloeistof in het remvloeistofreservoir
Duidelijk verminderd remver- mogen door lucht, verontrei- nigingen of water in het rem- systeem
- Onmiddellijk stoppen met rijden totdat het defect verholpen is.
- Het remvloeistofpeil regelmatig controleren.
- De dop van het remvloeistofreservoir vóór het openen reinigen.
- Alleen remvloeistof uit een verzegelde flacon gebruiken.
- Motorfiets rechtop houden en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
-met middenbok SU
- Motorfiets op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Remvloeistofpeil op remvloeistofreservoir achter 1 aflezen.
Door de slijtage van de remblokken daalt het remvloeistofpeil in het reservoir.

Het remvloeistofpeil mag niet onder de MIN-markering ko- men.
Als het remvloeistofpeil tot onder het toegestane peil daalt:
- Het defect zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
KOPPELING
Werking van de koppeling controleren
• Koppelingshendel bedienen.
» Er moet bij extra indrukken een toegenomen kracht merkbaar zijn.
Als er bij extra indrukken geen toegenomen kracht merkbaar is:
- De koppeling bij een vakwerkplaats laten controleren, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Koppelingsspeling controleren

- Koppelingshendel 1 meerdere keren zo ver indrukken dat deze tegen het handvat aan ligt.
- Koppelingshendel 1 licht indrukken totdat weerstand merkbaar is, daarbij de koppelingsspeling A observeren.

3...5 mm (bij de handarma-tuur, stuur in rechtuitstand, bij koude motor)
Als de koppelingsspeling buiten de tolerantie liegt:
• Koppelingsspeling instellen. (169)
Koppelingsspeling instellen

• De contramoer 1 losmaken.
- Om de koppelingsspeling te vergroten: Stelschroef 2 in de handhendel draaien.
- Om de koppelingsspeling te verkleinen: Stelschroef 2 uit de handhendel draaien.
De afstand tussen de contramoer en moer (intern gemeten) mag niet groter zijn dan 8±1,5 mm.
Als de instelling van de juiste koppelingsspeling alleen door ver uitdraaien mogelijk is, neemt u dan contact op met
170 ONDERHOUD
een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
• Koppelingsspeling controle-ren. (169)
- Contramoer 1 aantrekken, daarbij stelschroef 2 vasthouden.
KOELVLOEISTOF
Koelvloeistofpeil controleren
- Motorfiets rechtop zetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Koelvloeistofpeil op het expansiereservoir 1 aflezen.


Voorgeschreven peil koelvloeistof
Tussen MIN en MAX-marke- ring op het expansiereservoir (Motor koud)
Als het koelvloeistofpeil tot onder het toegestane peil daalt:
• Koelvloeistof bijvullen.
Koelvloeistof bijvullen

WAARSCHUWING
- De radiateurdop niet openen bij hete koelvloeistof.
- Het koelvloeistofpeil uitsluitend op het expansiereservoir controleren en zo nodig bijvullen.

- Bouten van het radiateurpaneel 1 vanaf de binnenzijde losdraaien.

- Radiateurpaneel 1 uit de houders 2 trekken.

- Dop 1 van het expansiereservoir openen.
- Koelvloeistof met behulp van een geschikte trechter bijvul-
len tot het voorgeschreven peil.
• Koelvloeistofpeil controleren.
(170)
- De dop 1 van het expansiere-servoir sluiten.

- Radiateurpaneel 1 in de houders 2 steken.
»Het radiateurpaneel klikt hoorbaar vast.

- Bouten van het radiateurpaneel 1 vanaf de binnenzijde aantrekken.
172 ONDERHOUD
BANDEN
Bandenspanning controlleren

WAARSCHUWING
Onjuiste bandenspanning
Verslechterde rijeigenschappen van de motorfiets, verkorting van de levensduur van de banden
- Zorg voor een correcte bandenspanning.

WAARSCHUWING
Zelfstandig openen van verticaal ingebouwde binnenventielen bij hoge snelheden
Plotseling verlies van de bandenspanning
- Ventieldopjes met rubber af-dichting gebruiken en deze goed vastschroeven.
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- De bandenspanning aan de hand van de volgende gegevens controleren.

Bandenspanning voor
2,2 bar (Solo, bij koude banden)

Bandenspanning voor
2,5 bar (Gebruik met duo-passagier en/of belading, bij koude banden)

Bandenspanning achter
2,5 bar (Solo, bij koude banden)
2,9 bar (Gebruik met duo-passagier en/of belading, bij koude banden)
Als de bandenspanning te laag is:
• Bandenspanning corrigeren.
Bandenprofieldiepte controleren

WAARSCHUWING
Rijden met sterk versleten banden
Gevaar voor ongevallen door verslechterd rijgedrag
- Eventueel de banden vóór het bereiken van de wettelijk voorgeschreven minimale profieldiepte vervangen.
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Bandenprofieldiepte in de hoofdprofielgroeven met slij-tagemarkeringen meten.
Op elke band zijn slijtagemarkeringen in de hoofd-profielgroeven geïntegreerd. Indien de slijtagemarkeringen zichtbaar zijn, is de band volledig versleten. De posities van de slijtagemarkeringen zijn op de zijkant van de band aangegeven, bijv. door de letters TI, TWI of door een pijl.
Als de minimale profieldiepte is bereikt:
- Betreffende band(en) vervangen.
VELGEN
Velgen controleren
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Velgen visueel op defecten controleren.
- Beschadigde velgen door een vakwerkplaats laten controleren en eventueel laten vernieuwen, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
Spaken controleren
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Met een handvat van een schroevendraaier of een vergelijkbaar voorwerp over de spaken strijken en hierbij op het geluid letten.
Indien het geluid ongelijkmatig is:
- De spaken door een vakwerkplaats laten controleren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
WIELEN
Aanbevolen banden
Voor elke bandenmaat zijn bepaalde bandenmerken door BMW Motorrad getest, als verkeersveilig beoordeeld en goedgekeurd. Van andere banden kan BMW Motorrad de geschiktheid van het product niet beoordelen en daarom niet instaan voor de rijveiligheid. BMW Motorrad adviseert, alleen banden te gebruiken, die door BMW Motorrad zijn getest en goedgekeurd. Uitgebreide informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.
174 ONDERHOUD
Invloed van de wielmaten opVoorwiel uitbouwen het rijwielregelsysteem • De motorfiets neerze
De wielmaten spelen een be- langrijke rol bij de rijwielre- gelsystemen. Met name de diameter en breedte van de wielen zijn als basis voor alle noodzakelijke berekeningen in de regeleenheid opgeslagen. Een wijziging van deze maten door de ombouw naar andere dan de standaard gemonteerde wielen kan ernstige gevolgen voor het regelkarakter van deze systemen hebben.
Ook de voor de wieltoerental- herkenning benodigde sensor- wielen moeten bij de gemon- teerde regelsystemen passen en mogen niet worden vervan- gen.
Neem voordat u uw motorfiets met andere wielen uitrust contact op met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner. In enkele gevallen kunnen de in de regeleenheden opgeslagen gegevens aan de nieuwe wielmaten worden aangepast.
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

•Schroeven 1 uitbouwen.
- Onderste gedeelte van het voorspatbord 2 voorzichtig in de richting van de pijl zwenken.

- De bout 3 uitbouwen en wiel-toerentalsensor uit de boring nemen.

- Bedrading voor wieltoerental-sensor uit borgclip 4 en houder 5 nemen.
- Bevestigingsbouten 6 en houder 5 van de linker remklauw uitbouwen.
- Bevestigingsbouten 6 van de rechter remklauw uitbouwen.

- Remblokken 7 door draaiende bewegingen van de rem-klauw 8 tegen de remschijf 9 iets uit elkaar drukken.
LET OP
Gebruik van harde of scherpe voorwerpen in de buurt van componenten
Onderdeelschade
- Onderdelen niet krassen, evt. afplakken of afdekken.
- De gedeelten van de velg afplakken die bij het verwijderen van de remklauwen kunnen worden beschadigd.
LET OP
Ongewenst samendrukken van de remblokken
Onderdeelschade bij het aanbrengen van de remklauw of bij het uit elkaar drukken van de remblokken
- De remmen bij een uitgebouwde remklauw niet bedienen.
- Remklauwen naar achteren en naar buiten toe voorzichtig van de remschijven trekken.
- De motorfiets op een geschikte hulpstandaard plaatsen.
- Achterwielstandaard aanbrengen. (162)
-met middenbok SU
- De motorfiets op de middenbok zetten en daarbij erop
176 ONDERHOUD
letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- De motorfiets aan de voorzijde omhoog brengen, totdat het voorwiel vrij kan draaien. Voor het omhoog brengen van de motorfiets adviseert BMW Motorrad de BMW Motorrad voorwielstandaard.
- Voorwielstandaard aanbrengen. (161)

- Klembouten 11 links losma- ken.
• Bout 10 losdraaien, echter niet uitbouwen.

- Klembouten 12 rechts losma- ken.

- Steekas met bout 10 iets naar binnen drukken, om deze aan de rechterkant beter te kunnen vastpakken.
• Bout 10 verwijderen.

• As 13 demonteren; daarbij het wiel ondersteunen.
- Vet niet van de as verwijderen.
- Voorwiel naar voren rollen en verwijderen.

- Afstandsbus 14 aan de linkerzijde uit de wielnaaf verwijderen.
Voorwiel inbouwen

WAARSCHUWING
Gebruik van een niet standaard wiel
Storingen bij regelingrepen van ABS en DTC
- Opmerkingen over de invloed van de wielmaten op de rijwielregelsystemen ABS en DTC aan het begin van dit hoofdstuk in acht nemen.

LET OP
Aantrekken van boutverbindingen met verkeerd aan-haalmoment
Beschadiging of loskomen van boutverbindingen
- Aanhaalmomenten altijd la- ten controleren door een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

- Loopvlak van de afstandsbus 14 smeren.

Smeermiddel
- De afstandsbus 14 met de kraag naar buiten aan de linkerzijde in de wielnaaf aanbrengen.
178 ONDERHOUD

LET OP
Voorwiel tegen de draairich- ting inbouwen
Gevaar voor ongevallen
- De richtingspijlen op de banden of de velgen in acht nemen.
- Voorwiel in de voorwielgeleiding rollen.

Ondeskundige inbouw van de steekas
Voorwiel losmaken
- Na het bevestigen van de remklauwen en ontspannen van de voorvork de stee-kas en asklemming met het voorgeschreven aanhaalmo-ment aantrekken.
- Voorwiel optillen en stee- kas 13 tot aan de aanslag aanbrengen.

- Steekasbout 10 met aanhaal-moment bevestigen. De stee-kas daarbij aan de rechter-zijde tegenhouden.

Asbout in steekas voor
M 2 0 × 1, 5
5 0 Nm
- De voorwielstandaard verwijderen en de voorvork meermaals krachtig laten inveren.
De handremhendel daarbij niet bedienen.
- Voorwielstandaard aanbrengen. (161)
- De linker asklembouten 11 met het juiste aanhaalmoment vastzetten.


Klembevestiging steekas
Aanhaalvolgorde: De bouten zesmaal stuk voor stuk aan-trekken
M8 × 3 5
19 Nm

- De rechter asklembouten 12 met het betreffende aanhaal-moment aantrekken.


Klembevestiging steekas
Aanhaalvolgorde: De bouten zesmaal stuk voor stuk aan-trekken
M8 × 3 5
19 Nm
- Remklauwen links en rechts op de remschijven aanbrengen.

- Bevestigingsbouten 6 met de houder 5 van de linker remklauw inbouwen en met het juiste koppel aantrekken.
180 ONDERHOUD

Remklauw aan tele- scoopvork
M10 × 45
38 Nm
- Bevestigingsbouten 6 van de rechter remklauw met het juiste koppel aantrekken.

Remklauw aan tele- scoopvork
M10 × 45
38 Nm
- Plakstroken van de velg verwijderen.

WAARSCHUWING
Niet aanliggende remklau- wen aan de remschijf
Gevaar voor ongevallen door vertraagde remwerking.
- Voor het vertrek de vertragingsvrije remwerking controleren.
- Rem meerdere malen bedienen, totdat de remblokken aanliggen.
- Kabel voor wieltoerentsensor in de borgclips 4 en 5 aanbrengen.

- Schroefdraad voor bout 3 reinigen.
- Wieltoerentalsensor in de boring aanbrengen en de nieuwe bout 3 met het juiste koppel aantrekken.

Wieltoerentalsensor voor aan vorkpoot
M6 x 16
Boutborgmiddel: Micro-inge-kapseld
8 Nm

- Schroefdraad voor bouten 1 reinigen.
- Onderste gedeelte van het voorspatbord 2 in positie brengen.
• Nieuwe bouten 1 inbouwen.
| Voorspatbord aan tele-scoopvork |
| M6 x 16 |
| Boutborgmiddel: Micro-inge-kapseld |
| 3 Nm |
- Voorwielstandaard verwijderen.
-zonder middenbok SU
• Hulpstandaard verwijderen.
- De motorfiets op de zijstandaard zetten.
Achterwiel uitbouwen

LET OP
Ongewenst samendrukken van de remblokken
Onderdeelschade bij het aanbrengen van de remklauw of bij het uit elkaar drukken van de remblokken
- De remmen bij een uitgebouwde remklauw niet bedienen.
- De motorfiets op een geschikte hulpstandaard zetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Achterwielstandaard aanbrengen. (162)
-met middenbok SU - De motorfiets op de middenbok zetten en daarbij erop
letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Bijvoorbeeld een blok hout onder het achterwiel plaatsen, zodat dit na het aanbrengen van de steekas niet eruit kan vallen.

- Remklauw 1 tegen rem-
schijf 2 drukken.
»Remzuigers zijn teruggedrukt.

- De bout 3 uitbouwen en wiel-toerentalsensor uit de boring nemen.
182 ONDERHOUD

- De asmoer 4 en de onderlegring 5 uitbouwen.
- Stelschroeven 7 aan beide zijden losdraaien.
- De kettingspanner 6 verwijderen en as zo ver mogelijk naar binnen schuiven.

- De steekas 7 uitbouwen en de kettingspanner 8 verwijderen.

- Achterwiel zo ver mogelijk naar voren rollen en ketting 9 van het kettingwiel nemen.

- Het achterwiel naar achteren uit de achterbrug rollen, tegelijkertijd remklauwdrager 10 zo ver naar achteren trekken dat het achterwiel hier langs kan worden gevoerd.
Het kettingwiel en de afstandsbussen links en rechts steken los in het wiel. Bij het uitbouwen voorkomen dat de componenten beschadigd raken of verloren gaan.
Achterwiel inbouwen

WAARSCHUWING
Gebruik van een niet standaard wiel
Storingen bij regelingrepen van ABS en DTC
- Opmerkingen over de invloed van de wielmaten op de rijwielregelsystemen ABS en DTC aan het begin van dit hoofdstuk in acht nemen.

LET OP
Aantrekken van boutverbindingen met verkeerd aan-haalmoment
Beschadiging of loskomen van boutverbindingen
- Aanhaalmomenten altijd la- ten controleren door een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

Het kettingwiel en de af- standsbussen links en rechts steken los in het wiel. Bij het inbouwen voorkomen dat de componenten beschadigd raken of verloren gaan.
- Het achterwiel op het onderlegstuk zo ver in de vork rollen, dat de remklauwdrager kan worden aangebracht.

- De remklauwdrager 1 in de geleiding 2 aanbrengen.

- Het achterwiel verder in het subframe rollen, tegelijkertijd de remklauwdrager 1 naar voren schuiven.
184 ONDERHOUD

- Achterwiel zo ver mogelijk naar voren rollen en ketting 7 om het kettingwiel leggen.

- Kettingspanner rechts 6 in het subframe plaatsen. - Steekas 5 smeren en in remklauwdrager 4 en achterwiel inbouwen.
| Smeermiddel |
| Wiellagervet Unirex N3 |
- Erop letten dat de as in de uitsparing van de kettingspanner past.

- Kettingspanner links 4 plaatsen. - Onderlegring 3 en asmoer 2 inbouwen, maar nog niet aan-trekken.
-zonder middenbok SU • Hulpstandaard verwijderen.

- Schroefdraad voor bout 1 reinigen. - Wieltoerentalsensor in de boring aanbrengen en de nieuwe bout 1 met het juiste koppel aantrekken.
| Wieltoerentsensor achter aan remklauwhouder |
| M6 x 16 |

Wieltoerentalsensor achter aan remklauwhouder
Boutborgmiddel: Micro-inge-kapseld
8 Nm

WAARSCHUWING
Niet aanliggende remklau- wen aan de remschijf
Gevaar voor ongevallen door vertraagde remwerking.
- Voor het vertrek de vertragingsvrije remwerking controleren.
- Tot slot de rem meerdere ma- len bedienen, totdat de rem- blokken aanliggen.
- Kettingspanning afstellen. (187)
- Kettingspanning controlleren. (186)
KETTING
Ketting smeren

LET OP
Onvoldoende reiniging en smering van de aandrijfketting
Verhoogde slijtage
- Aandrijfketting regelmatig reinigen en smeren.
- Aandrijfketting bij iedere 3e tankstop smeren.
- Na het rijden door de regen of door stof en vuil de ketting eerder smeren.
- Contact uitschakelen en neutraalstand inschakelen.
- De aandrijfketting met een geschikt reinigingsmiddel reinigen, afdrogen en kettingsmeermiddel aanbrengen.
- Voor een lange levensduur van de ketting adviseert BMW Motorrad het gebruik van BMW Motorrad kettingsmeermiddel of:

Smeermiddel
Kettingspray, O-ring-compati-bel
- Overtollig smeermiddel afvegen.
Onderhoudsarme ketting
verzorgen en smeren
-met M Endurance ketting SU

LET OP
Onvoldoende reiniging en smering van de aandrijfketting
Verhoogde slijtage
- Aandrijfketting regelmatig reinigen en smeren.
186 ONDERHOUD
De onderhoudsarme aan- drijfketting wordt in het kader van het jaarlijkse onder- houdsinterval gereinigd en ge- smeed. Voor een optimale le- vensduur kan de onderhouds-arme ketting bovendien wor- den ingesmeerd met een voor onderhoudsarme kettingen ge- schikt kettingsmeermiddel. Bij een bovengemiddelde belasting bij het rijden door zout of door stof en vuil de ketting eerder smeren.
- Contact uitschakelen en neutraalstand inschakelen.
- De aandrijfketting met een geschikt reinigingsmiddel reinigen, afdrogen en kettingsmeermiddel aanbrengen. In verband met een lange levensduur van de ketting adviseert BMW Motorrad het gebruik van BMW Motorrad kettingsmeermiddel of:
| Smeermiddel |
| Kettingspray, O-ring-compati-bel |
- Overtollig smeermiddel afvegen.
Kettingspanning controleren
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Achterwiel draaien tot het punt met de geringste kettingspeling bereikt is.

- De ketting in het midden tussen het voorste en achterste kettingwiel met behulp van een schroevendraaier omhoog en omlaag drukken en het verschil A meten.
| Kettingspeling |
| 40...50 mm (Voertuig onbelast en op de zijstandaard) |
| -met verlagingSU |
| 35...45 mm (Voertuig onbelast en op de zijstandaard)◀ |
Als de gemeten waarde buiten de toegestane tolerantie ligt:
• Kettingspanning afstellen.
(187)
Kettingspanning afstellen
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

• Asmoer 1 losdraaien.
- Met stelschroeven 3 links en rechts de kettingspanning in-stellen.
- Kettingspanning controlleren. (186)
- Erop letten dat links en rechts dezelfde schaalwaarde 2 wordt afgesteld.
- De steekasmoer 1 met het voorgeschreven koppel aan-trekken.
| Steekas achter in sub-frame |
| M24 x 1,5 |
| 125 Nm |

• Controleren of onderlegring 4 compleet tegen boutkop 3 aanligt, evt. corrigeren.
Kettingslijtage controleren Voorwaarde
Kettingspanning is juist ingesteld.
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Controleren of de derde markeringslijn 1 volledig zichtbaar is.
188 ONDERHOUD
Als de derde markeringslijn 1 volledig zichtbaar is, kettinglengte controleren:
• 1e versnelling inschakelen.
- Achterwiel in rijrichting draaien, tot de ketting gespannen is.
- Kettinglengte onder de achterbrug over het midden van 10 kettingpennen bepalen.
- Achterwiel in rijrichting draaien en kettinglengte op 3 verschillende plaatsen bepalen.


Toelaatbare ket- tinglengte
max. 144 mm (via het midden van 10 klinknagels gemeten, ketting op spanning)
Als de ketting de maximaal toegestane lengte heeft bereikt:
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
![graph TD A["1"] --> B["2"] B --> C["Checkmark"] D["2"] --> E["1"] E --> F["2"] F --> G["1"] G --> H["X"]](/content/2026/06/1165088/images/c5d451904b29a2f1d641e1a346a250afc5955256e3270c0317f4216aa8ff5dad.jpg)
- Controleren of er een kettingpen 1 verdraaid is.
De koppen van de kettingpennen staan parallel aan de middellijn van de ketting 2.
- Kettingpennen in orde.
Zijn er een of meerdere ket- tingpennen verdraaid:
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
LUCHTFILTER
Luchtfilter uitbouwen
• Tankafdekking uitbouwen. (190)

- Slang 1 uit borgnokken 2 losklikken.

- Voor het ontgrendelen de toets 3 ingedrukt houden (pijl 1).
- Frame 4 uit de houder trekken (pijl 2).

• Frame 4 verwijderen.
• Luchtfilter 5 verwijderen.
Luchtfilter inbouwen

LET OP
Gebrekkige filterfunctie, aanzuiging van vuildeeltjes. Luchtfilterelement verschuift bij het inschuiven.
Onderdeelschade
- Luchtfilterelement correct in het filterframe plaatsen en in de pinnen inhaken.

• Luchtfilter 5 in het frame 4 inbouwen.

- Erop letten dat het luchtfilter 5 correct op de nokken 6 op het frame 4 aangebracht wordt.
190 ONDERHOUD

•Frame 4 inbouwen.
» De toets 3 wordt vergrendeld.

- Controleren dat kabel 7 niet wordt ingeklemd.
LAMPEN
LED-lamp vervangen

WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet ge- zien in het wegverkeer door uitvallen van de verlichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
- Een defecte gloeilamp zo snel mogelijk vervangen. Hiervoor contact opnemen met een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad dealer.
Alle lampen van het voertuig zijn LED-lampen. De LED-lampen gaan langer mee dan de aangenomen levensduur van het voertuig. Bij een eventueel defecte LED-lamp contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
KUIPDELEN
Tankafdekking uitbouwen
- Buddyseat verwijderen. (108)

• Bouten 1 uitbouwen.
• Bouten 2 uitbouwen.
- Tankafdekking 3 verwijderen, daarbij letten op de bevestigingsklemmen en de borgnokken.
Tankafdekking inbouwen

- Erop letten dat de zes houders 2 in de borgnokken 3 en de vier stekkers 5 in de bevestigingsklemmen 4 vast-klikken.
• Tankafdekking 1 inbouwen.

• Bouten 2 inbouwen.
• Bouten 1 inbouwen.
- Buddyseat aanbrengen.
(109)
STARTHULP
VOORZICHTIG
Aanraken van spanningvoerende onderdelen van het ontstekingssysteem als de motor draait
Stroomstoot
- Bij draaiende motor geen onderdelen van het ontstekingssysteem aanraken.
192 ONDERHOUD

LET OP
Te hoge stroom bij starthulp van de motorfiets
Kabelbrand of beschadiging van de elektronica van de motorfiets
- De motorfiets niet via de contactdoos, maar uitsluitend via de accupool met hulp van een externe accu starten.

LET OP
Contact tussen de pooltangen van de startkabels en motorfiets
Gevaar voor kortsluiting
- Startkabels met volledig geïsoleerde poolklemmen gebruiken.

LET OP
Starten met hulp van een e terne accu met een spanning hoger dan 12 V
Beschadiging van de elektronica van de motorfiets
- De accu van het stroomleverende voertuig moet een spanning van 12 V hebben.
• Buddyseat verwijderen.
- Tijdens de starchulp de accu niet van het boordnet losma- ken.

- Vergrendeling indrukken en de pluspoolafdekking 1 openklappen.
- Met de rode startkabel eerst de pluspool 2 van de lege accu met de pluspool van de hulpaccu verbinden.
- De zwarte startkabel op de massapool van de hulpaccu en daarna op de massapool 3 van de ontladen accu aansluiten.

Als alternatief voor de accumassapool kan ook de van het veerelement worgebruikt.
- Motor van het stroomleve-rende voertuig tijdens de starchulp met licht verhoogd toerental laten lopen.

Geen startspray of der- gelijke hulpmiddelen voor
het starten van de motor gebruiken.
- De motor van de motorfiets met de ontladen accu normaal starten. Bij het mislukken van de startpoging, ter bescherming van de startmotor en de hulpaccu, pas na enkele minuten weer een nieuwe startpoging ondernemen.
- Beide motoren enkele minuten laten draaien, voordat u de startkabels loshaalt.
- De startkabels eerst van de min- en vervolgens van de pluspool losmaken.
- Buddyseat aanbrengen. (109)
ACCU
Onderhoudsaanwijzingen
Vakkundig onderhoud, lading en opslag verlengen de levensduur van de accu en zijn een voorwaarde voor eventuele garantieclaims.
Om een lange levensduur van de accu te bereiken, moeten de volgende richtlijnen worden aangehouden:
-De bovenzijde van de accu goed schoon en droog houden.
-De accu niet openen.
-Geen water bijvullen.
-Voor het opladen van de accu beslist de oplaadaanwijzingen op de volgende pagina's in acht nemen.
-De accu niet ondersteboven houden.

Accu
AGM-accu (Absorbent Glass Mat), onderhoudsvrij

LET OP
Ontladen van de verbon- den accu door de voertui- gelektronica (bijvoorbeeld de klok)
Diep ontladen van de accu, daardoor geen aanspraak meer op garantie
- Als langer dan 4 weken niet wordt gereden: Een druppellader op de accu aansluiten.
BMW Motorrad heeft een speciaal op de elektronica van uw motorfiets afgestemde druppellader ontwikkeld. Met dit apparaat kan de lading van de accu op peil worden gehouden, ook als de motorfiets langere tijd niet wordt gebruikt. Voor meer informatie contact opnemen met een BMW Motorrad Partner.
194 ONDERHOUD
Aangesloten accu opladen

LET OP
Opladen van de aangesloten accu aan de accupolen
Beschadiging van de elektro- nica van de motorfiets
- De accu voor het opladen losmaken van de accupolen.

LET OP
Opladen van een geheel ont- laden accu via contactdoos of extra contactdoos
Beschadiging van de voertui- gelektronica
- Een volledig ontladen accu (accuspanning lager dan 12 V, bij ingeschakeld contact blijven controlelampjes en multifunctioneel display uit) altijd direct op de polen van de losgekoppelde accu opladen.

LET OP
Op een contactdoos aangesloten, ongeschikte acculader
Beschadiging van acculader en voertuigelektronica
- Geschikte BMW-acculaders gebruiken. De passende acculader is bij uw BMW Motorrad Partner verkrijgbaar.
- Aangesloten accu via de contactdoos laden.

De voertuigelektronica herkent of de accu volles opgeladen. In dit gevallt de contactdoos uitge- keld.
- De handleiding van de acculader in acht nemen.

Als de accu niet via de contactdoos kan worden eladen, dan is de gebruikte lader mogelijk niet ge- kt voor de elektronica van motorfiets. In dit geval de direct aan de polen van sgekoppelde accu opla-
Losgemaakte accu opladen
- Accu met een geschikte acculader opladen.
- De handleiding van de acculader in acht nemen.
- Na beëindiging van het op- laden poolklemmen van de acculader losmaken van de occupolen.
Als gedurende langere tijd niet wordt gereden, moet de accu regelmatig worden bijgeladen. Hiertoe het behandelingsvoorschrift voor de accu opvolgen. Vóór het weer in gebruik nemen de accu volledig opladen.
Accu van de motorfiets loskoppelen

LET OP
Ondeskundig losmaken van de accu
Gevaar voor kortsluiting
- Losmaakvolgorde aanhouden.
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Buddyseat verwijderen. (108)
- Boordgereedschap uitbouwen.
-met alarmsysteem (DWA) SU
- Zo nodig het alarmsysteem uitschakelen.
• Het contact uitschakelen.


LET OP
Ondeskundig losmaken van de accu
Gevaar voor kortsluiting
- Losmaakvolgorde aanhouden.
•Accumassakabel 3 uitbouwen.
• Pluspoolafdekking 1 open-klappen.
•Accupluskabel 2 uitbouwen.
Accu op de motorfiets aansluiten

LET OP
Onjuist aankoppelen van de accu
Gevaar voor kortsluiting
• Inbouwvolgorde aanhouden.
196 ONDERHOUD


LET OP
Onjuist aankoppelen van de accu
Gevaar voor kortsluiting
• Inbouwvolgorde aanhouden.
•Accupluskabel 2 inbouwen.

Kabelboom aan de accu
M6 × 13,5
5 Nm
- Pluspoolafdekking 1 aanbren-gen.

- Accumassakabel 3 inbouwen, daarbij voldoende A afstand tussen accumassakabel en
vergrendelingshendel 8 van de buddyseat aanhouden.

Kabelboom aan de accu
M6 × 13,5
5 Nm
- Boordgereedschap inbouwen.
- Buddyseat aanbrengen. (109)
-met alarmsysteem (DWA) SU
- Evt. diefstalbeveiligingsinstallatie inschakelen.
Accu uitbouwen
- Accu van de motorfiets los-koppelen. (195)

- Diagnosestekker 4 uit houder losmaken.
- Bout 5 uitbouwen en accudeksel 6 naar voren uitbouwen.
- Accu naar boven optillen; indien dit zwaar gaat, kante-lende bewegingen maken.
Accu inbouwen
Als de accu langere tijd van het voertuig was losgekoppeld, moet de huidige datum opnieuw worden ingesteld om de goede werking van de onderhoudsmelding te waarborgen.
Na het wisselen van ac- cutype wordt eenmalig de melding Storing in de boordnetaccu. Rustig doorrijden mogelijk. Rij voorzichtig naar de dichtstbijzijnde speci- alist. weergegeven.
Neem voordat u uw motorfiets met een ander accutype wilt uitrusten contact op met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
- Accu in de accubak zetten, pluspool in rijrichting rechts.

• Het accudeksel 6 inbouwen.
• Schroef 5 inbouwen.
| Accusteun aan achter-spatbord |
| M5 x 12 |
| 2 Nm |
• Diagnosestekker 4 in houder bevestigen.
- Accu op de motorfiets aan-sluiten (195)
- Systeeminstellingen uitvoeren.
(70)
ZEKERINGEN
Hoofdzekering vervangen

Overbrugging van defecte zekeringen
Kortsluitings- en brandgevaar
- Geen defecte zekeringen overbruggen.
- Defecte zekeringen vervangen door nieuwe zekeringen.
• Het contact uitschakelen.
- De motorfiets neerzetten en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Buddyseat verwijderen.
(108)
198 ONDERHOUD

• Defecte zekering 1 vervangen.

Bij het regelmatig uit- vallen van de zekeringen de elektrische installatie la- ten controleren door een vak- werkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

Hoofdzekering
40 A (Spanningsregelaar)
- Buddyseat aanbrengen. (109)
Zekeringen vervangen

• Het contact uitschakelen.
- Buddyseat verwijderen.
(108)
- De zekeringenhouder 1 verwijderen.

Overbrugging van defecte zekeringen
Kortsluitings- en brandgevaar
- Geen defecte zekeringen overbruggen.
- Defecte zekeringen vervangen door nieuwe zekeringen.
- Defecte zekering 1 of 2 overeenkomstig de bezetting vervangen.
Bij het regelmatig uit- vallen van de zekeringen de elektrische installatie la- ten controleren door een vak- werkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

Zekeringenbox
10 A (Aansluiting 1: Instrumentenpaneel, diefstalbeveiligingsinstallatie (DWA), contactslot, diagnosecontactdoos, spoel hoofdrelais)
7,5 A (Aansluiting 2: Combi- schakelaar links, bandenspan- ningscontrole (RDC))

Zekeringen
Alle stroomkringen zijn elektronisch beveiligd. Als een stroomkring door de elektronische zekering wordt uitgeschakeld, zal deze, indien de storing die dit veroorzaakt heeft verholpen is, weer worden geactiveerd zodra het contact weer wordt ingeschakeld.
- De zekeringenhouder aanbrengen.
- Buddyseat aanbrengen. (109)
DIAGNOSECONTACTDOOS
Diagnosecontactdoos losmaken

VOORZICHTIG
Verkeerd te werk gaan bij het losmaken van de analysestekker voor On-Board-Diagnose
Functiestoringen van de motorfiets
- De analysestekker uitsluitend tijdens de BMW Motorrad Service door een vakwerkplaats of andere geautoriseerde personen laten losmaken.
- Werkzaamheden door overeenkomstig geschoold personeel laten uitvoeren.
- Voorschriften van de voertuigfabrikant in acht nemen.
- Buddyseat verwijderen. (108)
200 ONDERHOUD

- Vergrendelingen 1 aan beide zijden indrukken.
- De diagnosestekker 2 uit houder 3 losmaken.
»De interface voor het Diagnose- en Informatie-Systeem kan op de diagnosestekker 2 worden aangesloten.
Diagnosecontactdoos bevestigen
- Interface voor Diagnose- en Informatie-Systeem loskoppelen.

- Buddyseat aanbrengen. (109)
ACCESSOIRES
10
ALGEMENE AANWIJZINGEN 204
CONTACTDOZEN 204
USB-LAADAANSLUITING 205
KOFFERS 206
TOPCASE 208
NAVIGATIESYSTEEM 210
204 ACCESSOIRES
ALGEMENE AANWIJZINGEN

VOORZICHTIG
Gebruik van producten van derden
Veiligheidsrisico
- BMW Motorrad kan niet voor ieder product dat door derden wordt geleverd beoordelen of het zonder veiligheidsrisico op BMW motorfietsen kan worden ge-monteerd. Deze garantie wordt ook niet gegeven wanneer in bepaalde landen van overheidswege deze toestemming wel is ver-leend. Bij de in het kader hiervan uitgevoerde tests wordt niet altijd rekening gehouden met alle mogelijke bedrijfsomstandigheden van BMW motorfietsen en deze zijn daarom niet altijd voldoende.
- Voor uw eigen veiligheid vervangingsonderdelen en accessoires gebruiken die door BMW voor uw motorfiets zijn goedgekeurd.
De onderdelen en accessoires zijn door BMW grondig geïnspecteerd op veiligheid, werking en deugdelijkheid.
BMW neemt daarvoor de volle- dige productaansprakelijkheid. Voor onderdelen en accessoires die niet zijn goedgekeurd kan BMW geen verantwoordelijkheid nemen.
Bij het aanbrengen van alle wijzigingen de wettelijke voorschriften in acht nemen. Houdt u zich aan de officiële typegoedkeuring.
Uw BMW Motorrad Partner geeft deskundig advies bij de keuze van originele BMW onderdelen, accessoires en overige producten.
Meer informatie over accessoires onder:
bmw-motorrad.com/equipment
CONTACTDOZEN
Aanwijzingen voor het gebruik van contactdozen:
Automatische uitschakeling
Onder de volgende omstandigheden worden contactdozen automatisch uitgeschakeld:
-Bij een te lage accuspanning, om de startcapaciteit van de motorfiets te garanderen.
—Bij overschrijding van de maximumbelasting zoals vermeld in de technische gegevens.
-Tijdens de startprocedure.
-De contactdozen worden slechts 60 seconden na uit-schakelen van het contact van spanning voorzien.
Gebruik van extra apparatuur
Op contactdozen aangesloten extra apparatuur kan alleen bij ingeschakeld contact worden gebruikt.
Extra apparaten met ene laag stroomverbruik worden mogelijk niet herkend door de voertuigelektronica. In deze gevallen worden contactdozen mogelijk al korte tijd na het afzetten van de ontsteking uitgeschakeld.
Kabelligging
Bij het leggen van kabels tussen contactdozen en accessoires op het volgende letten:
- Bedrading mag de berijder niet hinderen.
- Bedrading mag de stuuruitslag en de rijeigenschappen niet beperken.
-Bedrading mag niet worden ingeklemd.
USB-LAADAANSLUITING
Aanwijzingen voor het gebruik:
Laadstroom
Het betreft een 5 V USB-laadaansluiting, die maximaal 2,4 A laadstroom (laadvermogen maximaal 12 W) beschikbaar stelt.
Automatische uitschakeling
Onder de volgende om- standigheden worden de USB-laadaansluitingen automa- tisch uitgeschakeld:
-Bij een te lage accuspanning, om de startcapaciteit van de motorfiets te garanderen.
-Bij overschrijding van de maximumbelasting zoals vermeld in de technische gegevens.
-Tijdens de startprocedure.
Aansluiting elektrische apparaten
Op USB-laadaansluitingen aangesloten apparatuur kan alleen bij ingeschakeld contact worden gebruikt. Uiterlijk 60 seconden na het afzetten van het contact worden de USB-laadaansluitingen uitgeschakeld om het boordnet te ontlasten.
Om de aangesloten apparatuur te beschermen, moet het appa-
206 ACCESSOIRES
raat wanneer in de regen wordt gereden worden losgemaakt. Wanneer geen apparatuur is aangesloten moet het deksel gesloten zijn, om vervuiling te vermijden.
Kabelligging
Bij de kabelligging tussen USB-laadaansluitingen en accessoires op het volgende letten:
—Bedrading mag de berijder niet hinderen.
- Bedrading mag de stuuruit-
slag en de rijeigenschappen
niet beperken.
-Bedrading mag niet worden ingeklemd.
KOFFERS
-met aluminium koffer OA
Koffers openen

•Sleutel 1 linksom draaien.

Het kofferdeksel kan zo- wel via de linker als ook
via het rechter slot worden ge- opend.
- Slotbehuizing 2 omhoog drukken om de sluitklauw 3 te ontgrendelen.
- Sluitklauw 3 naar achteren trekken en deksel openen.
Koffers sluiten

• Kofferdeksel sluiten.
- Sluitklauw 1 op het deksel zetten.
- Slotbehuizing 2 omlaag drukken, zorg er daarbij voor dat de klauw in het deksel grijpt.
- Het slot vergrendelen door de sleutel 3 rechtsom te draaien en te verwijderen.
Kofferdeksel verwijderen
• Koffer openen. (206)

• Dekselkettinkje 1 losshaken.
• Kofferdeksel sluiten.
- De tweede sluiting van het kofferdeksel openen.
• Kofferdeksel wegnemen.
Kofferdeksel inbouwen
- Kofferdeksel op de koffer leggen.
- Een sluiting van het kofferdeksel sluiten.
- Het kofferdeksel naar de afgesloten zijde openen.

• Dekselkettinkje 1 vasthaken.
• Kofferdeksel sluiten.
- De tweede sluiting van het kofferdeksel sluiten.
Koffers verwijderen

•Sleutel 1 linksom draaien.
- Slotbehuizing 2 opzij drukken om de sluitklauw 3 te ont-grendelen.
- Sluitklauw 3 opzij trekken, daarbij de koffer vasthouden.
- De koffer tot aan de aanslag naar voren trekken en zij-waarts wegnemen.
Koffers aanbrengen
![graph TD A["Component 1"] --> B["Component 2"] style A fill:#f9f,stroke:#333 style B fill:#bbf,stroke:#333](/content/2026/06/1165088/images/2c51fcd253e4293b9e5aec4d067e6320338a5cc428843c81afc8dd7e92b70d81.jpg)
- Koffer op de kofferhouder zetten en zo naar achteren schuiven dat de bevestigingen op de kofferhouder 1 en op de koffer 2 in elkaar grijpen.
208 ACCESSOIRES

- Sluitklauw 1 op de kofferhouder zetten, daarbij de koffer vasthouden.
- Slotbehuizing 2 opzij drukken, daarbij ervoor zorgen dat de klauw om de houder grijpt.
- Sleutel 3 rechtsom draaien en verwijderen.
Maximale lading en maximumsnelheid
Toelaatbaar totaalgewicht en maximumsnelheid volgens waarschuwingsplaatje in de koffer in acht nemen.
Als u de combinatie van voertuig en koffer niet op het aanwijzingsbord vindt, contact opnemen met uw BMW Motorrad Partner.
Voor de hier beschreven combinatie gelden de volgende waarden:

Maximumsnelheid voor het rijden met de koffer
max. 160 km/h

Maximale belading per koffer
max. 8 kg
TOPCASE
-met aluminium topcase OA
Topcase openen

• Sleutel 1 linksom draaien.
- Slotbehuizing 2 omhoog drukken om de sluitklauw 3 te ontgrendelen.
- Sluitklauw 3 naar achteren trekken en deksel openen.
Topcase sluiten

• Topcasedeksel sluiten.
- Sluitklauw 1 op het deksel zetten.
- Slotbehuizing 2 omlaag drukken, zorg er daarbij voor dat de klauw in het deksel grijpt.
- Het slot vergrendelen door de sleutel 3 rechtsom te draaien en te verwijderen.
Topcase verwijderen

• Sleutel 1 linksom draaien.
- Slotbehuizing 2 omlaag drukken om de sluitklauw 3 te ontgrendelen.
- Sluitklauw 3 naar achteren trekken.
- De topcase eerst naar achteren trekken en dan naar boven wegnemen.
Topcase monteren

- Topcase op de topcasehouder zetten en zo naar achteren schuiven dat de bevestigingen op de topcasehouder 1 en op de topcase 2 in elkaar grijpen.

- Borgklauw 3 op de topcase-drager zetten.
- Slotbehuizing 2 omlaag drukken, daarbij ervoor zorgen dat de klauw om de drager grijpt.
- Om het slot te vergrendelen, de sleutel 1 rechtsom draaien en verwijderen.
210 ACCESSOIRES
Maximale lading en maximumsnelheid
Toelaatbaar totaalgewicht en maximumsnelheid volgens waarschuwingsplaatje in de topcase in acht nemen. Als u de combinatie van voertuig en topcase niet op het aanwijzingsbord vindt, neemt u contact op met uw BMW Motorrad Partner. Voor de hier beschreven combinatie gelden de volgende waarden:

Topsnelheid bij ritten met beladen topcase
max. 160 km/h

Maximale belading van de topcase
max. 5 kg
NAVIGATIESYSTEEM
—met voorbereiding voor navigatiesysteem SU
Navigatiesysteem veilig bevestigen
-met Keyless Ride SU
- Contact met Keyless Ride.
(84)


• De toets 1 lang indrukken.
» ConnectedRide Mount is ge-
deblokkeerd en de afdek-
king 2 kan in een draaiende
beweging naar voren afgeno-
men worden.

- Het navigatietoestel 2 in de bevestiging onder 1 plaatsen en in een draaiende beweging naar achteren zwenken.
»Het navigatiesysteem vergrendelt hoorbaar in de vergrendeling 3. - Stevig vastzitten van het navigatiesysteem 2 in de ConnectedRide Mount controleren.
-met Keyless Ride SU
- Het contact uitschakelen. (84)
Navigatietoestel verwijderen

LET OP
Stof en vuil op contacten van de ConnectedRide Mount
Beschadiging van de contacten
- Na afloop van elke rit de afdekking weer inbouwen.
-met Keyless Ride SU - Contact met Keyless Ride. (84)

• De toets 1 lang indrukken.
» De ConnectedRide Mount is gedeblokkeerd en het navigatiesysteem 2 kan in een draaiende beweging naar vo-ren afgenomen worden.

- De afdekking 2 in de bevestiging onder 1 plaatsen en in een draaiende beweging naar achteren zwenken.
» De afdekking vergrendelt hoorbaar in de vergrendeling 3.
-met Keyless Ride SU - Het contact uitschakelen. (84)
ConnectedRide Mount instellen
—met Keyless Ride SU
- Contact met Keyless Ride.
(84)

• De toets 1 lang indrukken.
»ConnectedRide Mount is ge-
deblokkeerd en de afdek-
212 ACCESSOIRES
king 2 kan in een draaiende beweging naar voren afgenomen worden.

• Bouten 1 losdraaien.
- ConnectedRide Mount 2 in positie en helling uitlijnen, daarbij de kabel 3 in acht ne- men.
• Bouten 1 aantrekken.

- De afdekking 2 in de bevestiging onder 1 plaatsen en in een draaiende beweging naar achteren zwenken.
» De afdekking vergrendelt hoorbaar in de vergrendeling 3.
-met Keyless Ride SU
- Het contact uitschakelen.
(84)
Navigatiesysteem bedienen
De volgende beschrijving geldt voor de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator.
Alleen de nieuwste versie van het BMW Motorrad communicatiesysteem wordt ondersteund. Eventueel is een software-update voor het BMW Motorrad communicatiesysteem noodzakelijk. Wendt u zich in dat geval tot uw BMW Motorrad Partner.
Als de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator is ingebouwd en de bedienings- focus op de Navigator is gezet (73), kunnen sommige functies rechtstreeks vanaf het stuur worden bediend.
Als de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator is verbonden, worden automa- tisch alle verbindingen op het voertuig verbroken en via de Navigator opnieuw opgebouwd. De functies Navigatie, Media en Telefoon worden nu via de Navigator aangestuurd.

Het navigatiesysteem kan worden bediend via de Multi-Controller 1 en de tuimeltoets MENU 2.
De Multi-Controller 1 omhoog/omlaag draaien
-Menu selecteren
-Volume wijzigen
-In kaarten zoomen
De Multi-Controller 1 kort naar links/rechts kantelen
-Bevestigen of annuleren
De tuimeltoets MENU 2 aan de onderzijde indrukken
Bedieningsfocus naar het in- strumentenpaneel wisselen.
Speciale functie
De ConnectedRide Navigator beschikt over een automatische omschakeling van de bedie-ningsfocus. Meer informatie vindt u in de handleiding van de ConnectedRide Navigator.
Beveiligingsinstellingen
De veiligheidsaanwijzingen in de handleiding van de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator in acht nemen.
VERZORGING
11
ONDERHOUDSMIDDELEN 216
WASSEN 216
REINIGING VAN KWETSBARE VOERTUIGONDERDE-
LEN 218
LAKONDERHOUD 219
CONSERVERING 219
Gebruik van ongeschikte reinigings- en onderhoudsmiddelen
Beschadiging van onderdelen van de motorfiets
- Geen oplosmiddelen zoals nitroverdunner, koudreiniger, brandstof e.d. of alcohol-houdende middelen gebruiken.

LET OP
Gebruik van sterk zure of sterk alkalische reinigings-middelen
Beschadiging van onderdelen van de motorfiets
- Verdunningsverhouding op de verpakking van de reini-gingsmiddelen in acht ne-men.
- Geen sterk zure of sterk alkalische reinigingsmiddelen gebruiken.
BMW Motorrad adviseert reinigings- en onderhoudsmiddelen te gebruiken die bij uw BMW Motorrad Partner verkrijgbaar zijn. BMW Care Products zijn op materialen in laboratoria en in de praktijk ge- test en maken een prima ver- zorging en optimale bescherm- ming van de op uw motorfiets toegepaste materialen moge- lijk.
WASSEN

WAARSCHUWING
Vochtige remschijven en remblokken na het wassen van de motorfiets, na het rij- den door water of bij regen
Verminderde remwerking, gevaar voor ongevallen
- Vroegtijdig remmen tot de remschijven en -blokken zijn gedroogd of drooggeremd.

LET OP
Beschadiging veroorzaakt door hoge waterdruk van hogedrukreinigers of stoomreinigers
Corrosie of kortsluiting, beschadiging van stickers, af-dichtingen, hydraulisch rem-systeem, elektrische installatie en buddyseat
- Cockpit en schakelaars niet met hogedruk- of stoomreinigers reinigen.
- Hogedruk- of stoomreini- gers voorzichtig gebruiken.
BMW Motorrad adviseert om insecten en hardnekkige vervuilingen op gelakte onderdelen vóór het wassen met BMW Insectenverwijderaar te behandelen.
Om vlekvorming te voorko- men het voertuig niet direct na sterke zonnestraling of in de zon wassen.
Vorkpoten regelmatig van ver- vuilingen reinigen.
Vooral tijdens de wintermaanden of bij het rijden op wegen waarop zout is gestrooid het voertuig vaker wassen.

LET OP
Sterkere inwerking van het zout door warm water
Corrosie
- Bij het verwijderen van strooizout alleen koud water gebruiken.
Om strooizout te verwijderen, het voertuig en eventueel de aanbouwdelen na het beëindigen van de rit direct met koud water reinigen.

Nadat in de regen is ge- reden, bij een hoge luchtvochtigheid of nadat de motorfiets is gewassen, kan er condensatie optreden aan de binnenzijde van de koplamp. De koplamp kan daarbij tijdelijk beslaan. Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voor-keur een BMW Motorrad Partner, wanneer zich voortdurend vocht in de koplamp verzamelt.
218 VERZORGING
REINIGING VAN KWETSBARE VOERTUIGONDERDELEN
Kunststoffen

LET OP
Gebruik ongeschikte reini- gingsmiddelen
Beschadiging van kunststof oppervlakken
- Geen reinigingsmiddelen met alcohol of oplosmiddelen, of schurende reinigingsmiddelen gebruiken.
- Geen insectensponzen of sponzen met een hard oppervlak gebruiken.
Kunststof delen met water en BMW reinigingsmiddel voor kunststof schoonmaken. Dit geldt vooral voor:
-Kuipruiten en windgeleiders
-Kunststof lampglazen
-Afdekglas van het instrumentenpaneel
-Zwarte, ongelakte onderdelen

Hardnekkig vuil en insechten inweken door er een doek op te leggen.
Instrumentenpaneel
Het instrumentenpaneel met warm water en afwasmiddel reinigen. Aansluitend met een schone doek, bijvoorbeeld met een stuk papier, afdrogen.
Chroom
Chroomdelen zorgvuldig met ruim water en motorfietsreini- ger uit de verzorgingslijn BMW Care Products reinigen. Dit geldt met name bij inwerking van zout.
Voor een extra behandeling BMW Motorrad glans-polijst-middel gebruiken.
Radiateur
De radiateur regelmatig reinigen om oververhitting door onvoldoende koeling te voorkomen.
Gebruik hiertoe bijv. een tuinslang met weinig waterdruk.

LET OP
Verbuigen van radiateurlamellen
Beschadiging van de radiateurlamellen
- Bij het reinigen erop letten dat de radiateurlamellen niet verbuigen.
Rubber

LET OP
Gebruik van siliconenspray voor het onderhouden van afdichtrubbers
Beschadiging van afdichtrubbers
- Gebruik geen siliconensprays of onderhoudsmiddelen die siliconen bevatten.
Rubberonderdelen met water of BMW -onderhoudsmiddel voor rubber behandelen.
LAKONDERHOUD

LET OP
Lakbeschadiging door me- taalpolijstmiddel
Gevaar voor beschadiging
- Lak en chroomlakken niet met metaalpolijstmiddel behandelen.
Langdurige inwerking van schadelijke stoffen op de lak wordt voorkomen door het regelmatig wassen van uw voertuig, vooral in gebieden met hoge luchtvervuiling of natuurlijke verontreiniging, zoals boomhars of stuifmeelpollen.
Sterk agressieve stoffen direct verwijderen, anders kan
lakbeschadiging of lakverkleuring ontstaan. Hiertoe behoren bijv. gemorste brandstof, olie, vet, remvloeistof, vogeluitwerpselen. Hier adviseren we BMW Motorrad reinigingsmiddel en daarna BMW Motorrad glanspolijstmiddel om te conserveren.
Verontreinigingen van het lakoppervlak zijn na het wassen van het voertuig goed herkenbaar. Deze plekken met wasbenzine of spiritus op een schone doek of poetswatten direct verwijderen. BMW Motorrad adviseert om teervlekken met BMW teerverwijderaar te verwijderen. Vervolgens de lak op deze plaatsen conserveren.
CONSERVERING
Als er geen water meer van de lak afparelt, moet deze worden geconserveerd.
BMW Motorrad adviseert om voor lakconservering BMW Motorrad glanspolijstmiddel of producten te gebruiken die Carnaubawas of synthetische was bevatten.

Chroomlakken mogen niet met chroompoetsmidde- vorden geconserveerd.
Uitsluitend de door
220 VERZORGING
BMW Motorrad geadviseerde middelen gebruiken.
- Motorfiets volledig aftanken.

Brandstofadditieven reinigen de brandstofinspuiting en de verbrandingszone.
Bij het tanken van brandstoffen van mindere kwaliteit of bij langere standtijden moeten brandstofadditieven worden gebruikt. Meer informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.
- Motorfiets reinigen.
- Accu uitbouwen.
- De draaipunten van de remen koppelingshendel en van de zijstandaard met een geschikt smeermiddel inspuiten.
- Blanke en verchroomde onderdelen met zuurvrij vet (vaseline) insmeren.
-
De motorfiets in een droge ruimte zodanig plaatsen dat beide wielen onbelast zijn (bij voorkeur met de door BMW Motorrad aangeboden voorwiel- en achterwielstandaard).
-
Motorfiets reinigen.
- Accu inbouwen.
- Controlelijst. (126)
MOTORFIETS IN GEBRUIK NEMEN
- De aangebrachte conserveringslaag verwijderen.
TECHNISCHE GEGEVENS
12
STORINGSTABEL 224
BOUTVERBINDINGEN 227
BRANDSTOF 229
MOTOROLIE 229
MOTOR 230
KOPPELING 231
TRANSMISSIE 231
CARDAN 231
FRAME 231
ONDERSTEL 231
REMMEN 232
Motor slaat niet aan:
Oorzaak Verhelpen
| Zijstandaard uitgeklapt en versnelling ingeschakeld | Stationaire stand inschakelen of zijstandaard inklappen. |
| Versnelling ingeschakeld en koppeling niet bediend | De versnellingsbak in neutraal schakelen of de koppeling bedienen. |
| Brandstoftank leeg Tanken. | |
| Accu leeg Aangesloten accu opladen. | |
| Oververhittingsbeveiliging voor de startmotor is geactiveerd. De startmotor kan voor slechts een bepaalde tijd bediend worden. | De startmotor ca. 1 minuut laten afkoelen voordat deze weer beschikbaar is. |
Bluetooth-verbinding wordt niet tot stand gebracht.
Oorzaak Verhelpen
| Noodzakelijke stappen voor de pairing zijn niet uitgevoerd. | Lees in de handleiding van het communicatiesysteem welke stappen noodzakelijk zijn voor de pairing. |
| Het communicatiesysteem wordt ondanks de pairing niet automatisch verbonden. | Het communicatiesysteem van de helm uitschakelen en na een tot twee minuten opnieuw verbinden. |
| In de helm zijn te veel Bluetooth-apparaten opgeslagen. | Alle ingevoerde pairingen in de helm wissen (zie de handleiding van het communicatiesysteem). |
| Er zijn nog meer voertuigen in de buurt met apparaten die geschikt zijn voor Bluetooth. | Gelijktijdige pairing met meer-dere voertuigen vermijden. |
Storing van de Bluetooth-verbinding.
Oorzaak Verhelpen
| De Bluetooth-verbinding met het mobiele eindapparaat wordt onderbroken. | Energiespaarstand uitschake-len. |
| De Bluetooth-verbinding met de helm wordt onderbroken. | Het communicatiesysteem van de helm uitschakelen en na een tot twee minuten opnieuw verbinden. |
| Het volume in de helm kan niet worden ingesteld. | Het communicatiesysteem van de helm uitschakelen en na een tot twee minuten opnieuw verbinden. |
Actieve routebegeleiding wordt niet in het instrumentenpaneel weergegeven.
Oorzaak Verhelpen
| Navigatie uit de BMW Motorrad Connec-ted App is niet overgedragen. | Voordat u gaat rijden de BMW Motorrad Connec-ted App op het verbonden mobiele eindapparaat openen. |
| De routebegeleiding kan niet worden gestart. | Ervoor zorgen dat het mobiele eindapparaat een gegevensver-binding heeft en het kaartma-teriaal op het mobiele eindap-paraat controleren. |
Het instrumentenpaneel blijft na het inschakelen van het contact donker.
Oorzaak Verhelpen
| Er is een softwarefout aanwezig die tot een storing van het instrumentenpaneel leidt. | Het contact uit- en opnieuw inschakelen. |
| Het instrumentenpaneel is beschadigd. | De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats la- ten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner. |
BOUTVERBINDINGEN
Voorwiel Waarde Geldig
| Wieltoerentsensor voor aan vorkpoot | ||
| M6 x 16, Bout vernieuwenMicro-ingekapseld | 8 Nm | |
| Voorspatbord aan te-lescoopvork | ||
| M6 x 16, Bout vernieuwenMicro-ingekapseld | 3 Nm | |
| Voorspatbord aan te-lescoopvork | ||
| M6 x 16, Bout vernieuwenMicro-ingekapseld | 3 Nm | |
| Remklauw aan tele-scoopvork | ||
| M10 x 45 38 Nm | ||
| Klembevestiging stee-kas | ||
| M8 x 35 Aanhaalvolgorde: Debouten zesmaal stukvoor stuk aantrekken | ||
| 19 Nm | ||
| Asbout in steekas voor | ||
| M20 x 1,5 50 Nm |
Achterwiel Waarde Geldig
| Wieltoerentsensor achter aan remklauw-houder | ||
| M6 x 16, Bout vernieu-wenMicro-ingekapseld | 8 Nm | |
| Steekas achter in sub-frame | ||
| M24 x 1,5 125 Nm |
Spiegelarm Waarde Geldig
| Spiegel (contramoer) op klemstuk | ||
| M10 x 1,25 Linkse schroefdraad, 22 Nm | ||
| Adapter aan klemblok | ||
| M10 x 14 - 4.8 | 25 Nm |
BRANDSTOF
| Aanbevolen brandstofkwaliteit | Super loodvrij (max. 15% ethanol, E10/E15)95 ROZ/RON90 AKI |
| Alternatieve brandstofkwaliteit | Normaal loodvrij (be-perkingen bij vermogen en verbruik) (max. 15% ethanol, E10/E15)91 ROZ/RON87 AKI |
| Nuttige tankinhoud circa 23 l | |
| Reservehoeveelheid circa 4 l | |
| Benzineverbruik | 4,4 l/100 km, volgens WMTC |
| CO2-emissie 103 g/km, volgens | WMTC |
| Emissienorm EU5 |
MOTOROLIE
| Motorolie-inhoud circa 3,0 l, met filtervervanging | |
| Specificatie | SAE 5W-40, API SL / JASO MA2, Additieven (bijv. op molybdeen-basis) zijn niet toegestaan, omdat gecoate onderdelen van de motor hierdoor worden aangetast, BMW Motorrad adviseert BMW Motorrad ADVANTEC Ultimate olie. |
| Olietoevoegingen BMW Motorrad | adviseert om geen olietoevoegingen te ge-bruiken omdat deze de wer-king van de koppeling kun- nen beïnvloeden. Vraag uw BMW Motorrad Partner naar de voor uw motorfiets ge-schikte motoroliën. |
| Bijvulhoeveelheid motorolie | max. 0,5 l, Verschil tussen MIN en MAX |
BMW recommends ADVANTEC ORIGINAL BMW ENGINE OIL
MOTOR
| Plaats van de motornummers | Bovenste deel motorblok, bij olie-warmtewisselaar |
| Motortype A24A09B | |
| Motorconstructie Watergekoelde | 2-cilinder-vier-taktmotor met vier, via sleep-tuimelaar bediende kleppen per cilinder, twee bovenlig-gende nokkenassen en dry sump-smering |
| Cilinderinhoud 895 cm | 3 |
| Cilinderboring 84 mm | |
| Slag 77 mm | |
| Compressieverhouding 13,1:1 | |
| Nominaal vermogen | 77 kW, bij toerental: 8500 min-1 |
| Koppel 93 Nm, bij toerental: | 6750 min-1 |
| Max. toerental max. 9250 min | -1 |
| Stationair toerental 1250 | ±50 min-1, Motor op be-drijfstemperatuur |
KOPPELING
| Koppelingsconstructie Meervoudige natte plaat (slip-perkoppeling) |
TRANSMISSIE
| Constructie versnellingsbak | In motorblok geïntegreerde 6-versnellingsbak met klauw-schakelmechanisme |
CARDAN
| Constructie van de cardan Kettingaandrijving | |
| Secundaire overbrenging 2,588 | (44/17 tanden) |
| Overbrengingsverhoudingen 1,8 | 21, Primaire overbrengings-verhouding |
FRAME
| Frameconstructie Stalen monocoque brugframe | |
| Plaats van het typeplaatje | Frame linksvoor bij het bal-hoofd |
| Locatie van het framenummer | Frame rechtsvoor naast bal-hoofd |
ONDERSTEL
| Voorwiel | |
| Veerweg voor | 230 mm, aan het voorwiel |
| -met\ verlagingSU | 210 mm, aan het voorwiel |
| Achterwiel | |
| Achterwielophanging - constructie | Dubbelzijdige aluminium achterbrug |
| Veeruitslag aan achterwiel | 215 mm, op het achterwiel |
| -met\ verlagingSU | 195 mm, op het achterwiel |
REMMEN
| Voorwiel | |
| Voorwielrem - constructie | Hydraulisch bediende dub-bele schijfrem met zwevende remklauwen met 2 zuigers en zwevende remschijven |
| Remvoeringmateriaal, voor Sintermetaal | |
| Dikte remschijf, voor | 4,5 mm, Nieuwmin. 4,0 mm, Slijtagegrens |
| Vrije slag van de rembediening (Remhendel voorwiel) | 0,7...1,7 mm, bij de zuiger ge-meten |
| Achterwiel | |
| Achterwielrem - constructie | Hydraulisch bediende schijf-rem met zwevende remklauw met 1 zuigers en vaste rem-schijf |
| Remvoeringmateriaal, achter Organisch | |
| Dikte remschijf, achter | 5,0 mm, Nieuwmin. 4,5 mm, Slijtagegrens |
WIELEN EN BANDEN
| Snelheidscategorie banden voor/achter | V, ten minste noodzakelijk: 240 km/h |
| -met offroad bandenSU | Q, Alternatieve snelheidscategorie: 160 km/h |
Voorwiel
| Type voorwiel Kruisspaakwiel | |
| Velgmaat voorwiel 2,15" x 21" | |
| Bandcodering, voor 90/90-21 | |
| Draagvermogenkengetal voor-banden | min. 54 |
| Toegestane onbalans voorwiel max. 5 g | |
Achterwiel
| Constructie achterwiel Kruisspaakwiel | |
| Velgmaat achterwiel 4,25" x 17" | |
| Bandenopschrift, achter 150/70 R 17 | |
| Draagvermogenkengetal achterbanden | min. 69 |
| Toegestane onbalans achterwiel | max. 5 g |
Bandenspanning
| Bandenspanning voor | 2,2 bar, Solo, bij koude banden 2,5 bar, Gebruik met duo-passagier en/of belading, bij koude banden |
| Bandenspanning achter | 2,5 bar, Solo, bij koude banden 2,9 bar, Gebruik met duo-passagier en/of belading, bij koude banden |
| Hoofdzekering 40 A, Spanningsregelaar | |
| Zekeringenbox 10 A, Aansluiting | 1: Instrumentenpaneel, diefstalbeveiligingsinstallatie (DWA), contactslot, diagnosecontactdoos, spoel hoofdrelais7,5 A, Aansluiting 2: Combi-schakelaar links, bandenspan-ningscontrole (RDC) |
| Elektrische belastbaarheid van contactdozen | max. 5 A, alle contactdozen in totaal |
Accu
| Accu AGM-accu (Absorbent Glass Mat), onderhoudsvrij | |
| Nominale accuspanning 12 V | |
| Accucapaciteit 9 Ah | |
| Bougies | |
| Fabrikant en benaming bougies | NGK LMAR9J-9E |
| Lampen | |
| Alle lichtbronnen LED | |
DIEFSTALBEVEILIGINGSINSTALLATIE
| Accutype (Voor Keyless Ride-radiografische sleutel) | |
| -met Keyless Ride SU | CR 2032 |
AFMETINGEN
| Lengte 2379 mm, Boven kenteken-plaathouder | |
| -met verlagingSU | 2275 mm, Boven kenteken-plaathouder |
| Hoogte 1424 mm, boven kuipruit, bij leeg DIN-gewicht | |
| -met verlagingSU | 1384 mm, boven kuipruit, bij leeg DIN-gewicht |
| -met kuipruit hoogOA | 1486 mm, boven kuipruit, bij leeg DIN-gewicht |
| -met kuipruit hoogOA | 1452 mm, boven kuipruit, bij leeg DIN-gewicht |
| Breedte 940 mm, met handbescher-ming | |
| Zithoogte berijders-buddyseat 8 | 75 ± 15mm, zonder berijder, bij DIN-leeggewicht van het voertuig |
| -met verlagingSU | 805 mm, zonder berijder, bij DIN-leeggewicht van het voer-tuig |
| Stapbooglengte berijder 1935 | ± 45mm, bij DIN-leeggewicht van het voertuig, zonder berijder |
| -met verlagingSU | 1810 mm, bij DIN-leeggewicht van het voertuig, zonder berijder |
| Leeggewicht van het voertuig | 246 kg, DIN-leeggewicht van het voertuig, rijklaar, tank 90 % gevuld, zonder speciale op- ties |
| Maximaal toelaatbaar totaalge- wicht | 455 kg |
| Maximale belading 209 kg |
RIJGEGEVENS
| Maximumsnelheid >200 km/h | |
| -met offroad banden SU | 160 km/h |
| -met koffer OA | 160 km/h |
| -met topcase OA | 160 km/h |
SERVICE
13
RECYCLING 240
BMW MOTORRAD SERVICE 240
BMW MOTORRAD ONDERHOUDSHISTORIE 241
Afvoer van een voertuig
BMW Motorrad raadt aan het voertuig aan het einde van zijn levenscyclus in te leveren bij een door de fabrikant aangewezen inzamelpunt.
Voor de afvoer en recycling in het algemeen zijn de respectievelijke nationale wettelijke bepalingen van toepassing. Informatie over recycling en duurzaamheid vindt u op de landspecifieke website van de fabrikant. Aanvullende informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner of een andere gekwalificeerde Service Partner of een vakwerkplaats.
BMW MOTORRAD SERVICE
Via ons wijdverbreide dealer- netwerk staat BMW Motorrad u en uw motorfiets wereldwijd in meer dan 100 landen bij. De BMW Motorrad Partners be- schikken over de technische informatie en de technische knowhow om alle onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan uw BMW betrouwbaar te kun- nen uitvoeren.
De dichtstbijzijnde BMW Motorrad Partner vindt u op onze website onder: bmw-motorrad.com.

WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden
Gevaar voor ongevallen door gevolgschade
- BMW Motorrad adviseert de betreffende werkzaamheden aan uw motorfiets door een specialist te laten uitvoeren, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Om te kunnen garanderen dat uw BMW zich altijd in optimale conditie bevindt, adviseert BMW Motorrad u de voorge-schreven onderhoudsintervallen voor uw motorfiets aan te houden.
Laat alle uitgevoerde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden in het hoofdstuk "Service" in deze handleiding bevestigen. Voor coulanceregelingen buiten de garantieperiode is het absoluut noodzakelijk dat kan worden aangetoond dat de vereiste onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Informatie over de BMW Motorrad Service is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.
BMW MOTORRAD ONDER-HOUDSHISTORIE
Vermeldingen
De verrichte onderhoudswerkzaamheden worden ingevoerd in de onderhoudsbewijzen. De vermeldingen zijn net als een onderhoudsboekje het bewijs van een regelmatig onderhoud. Bij een vermelding in de onderhoudshistorie van het voertuig worden onderhoudsrelevante gegevens op de via BMW toegankelijke centrale IT-systemen opgeslagen.
De in de onderhoudshistorie vermelde gegevens zijn na het overgaan op een nieuwe voertuigbezitter ook beschikbaar ter inzage door de nieuwe voertuigbezitter. Een BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats kan de in de elektronische onderhoudshistorie vermelde gegevens inzien.
Bezwaar
De voertuigbezitter kan bij een BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats bezwaar maken tegen de vermelding in de elektronische onderhoudshistorie met de daarmee verbonden opslag van de gegevens in het voertuig en de gegevensoverdracht aan de voertuigfabrikant met betrekking tot zijn/haar tijd als voertuigbezitter. Er volgt dan geen vermelding in de onderhoudshistorie van het voertuig.
Bij nieuwe BMW motorfietsen kunt u met de BMW Motorrad mobiliteitsdiensten in geval van pech gebruikmaken van verschillende diensten (bijv. Mobile Service, pechhulp, transport van het voertuig). Informeer bij uw BMW Motorrad Partner, welke mobiliteitsdiensten worden aangeboden.
ONDERHOUDSWERKZAAM- HEDEN
BMW overdrachtscontrole
De BMW overdrachtscontrole wordt door uw BMW Motorrad Partner uitgevoerd, voordat hij u de motorfiets aan u overdraagt.
242 SERVICE
BMW inrijcontrole
De BMW inrijcontrole moet worden uitgevoerd tussen 500 km en 1200 km.
BMW Motorrad Service
Het BMW Motorrad onderhoud wordt eenmaal per jaar uitgevoerd. De omvang van het onderhoud kan afhankelijk van het bouwjaar van het voertuig en de afgelegde afstand variëren. Uw BMW Motorrad Partner bevestigt het uitgevoerde onderhoud en vult de termijn voor het volgende onderhoud in. Bij berijders die jaarlijks veel kilometers rijden, kan het noodzakelijk zijn het onderhoud al vóór de ingevulde termijn te laten uitvoeren. Voor deze gevalen wordt in de onderhoudsbevestiging bovendien een overeenkomstige maximale afstand ingevuld. Als dit traject vóór de eerstvolgende onderhoudsaf-spraak wordt bereikt, moet het onderhoud eerder worden uitgevoerd.
De onderhoudsmelding op het display herinnert u circa een maand of 1000 km vóór de ingevoerde waarden aan de na- derende onderhoudsafspraak.
Meer informatie over het onderwerp service onder:
bmw-motorrad.com/service
De voor uw voertuig noodzakelijke onderhoudsomvang vindt u in het volgende onderhoudsschema. De aangegeven reparatieactiviteiten moeten bij de aangegeven kilometerstanden resp. de aangegeven tijdsafstanden worden uitgevoerd.
ONDERHOUDSSCHEMA
| 500 - 1200 km300 - 750 mls | 10 000 km6 000 mls | 20 000 km12 000 mls | 30 000 km18 000 mls | 40 000 km24 000 mls | 50 000 km30 000 mls | 60 000 km36 000 mls | 70 000 km42 000 mls | 80 000 km48 000 mls | 90 000 km54 000 mls | 100 000 km60 000 mls | 12 months | 24 months | |
| 1 | X | ||||||||||||
| 2 | X | X | X | X | X | X | X | X | X | X | Xa | ||
| 3 | X | X | X | X | X | X | X | X | X | X | Xa | ||
| 4 | X | X | X | X | X | ||||||||
| 5 | X | X | X | X | X | ||||||||
| 6 | X | X | X | X | X | ||||||||
| 7 | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | Xb | ||
| 8 | X | X | X | ||||||||||
| 9 | Xc | Xc | |||||||||||
1 BMW Motorrad Inrijcontrole (inclusief olieverversing en oliefiltervervanging)
2 BMW Motorrad Service standaardomvang
3 Olieverversing in motor met filter
4 Klepspeling controleren
5 Alle bougies vervangen
6 Luchtfilterelement vervangen
7 Luchtfilterelement controleren of vervangen
8 Olieverversing in de tele-scoopvork
9 Remvloeistof in het gehele systeem verversen
a Jaarlijks of elke
10000 km (wat zich het
eerst voordoet)
b Bij rijden op terrein
c Voor het eerst na een jaar, daarna elke twee jaar
BMW MOTORRAD INRIJCONTROLE
BMW Motorrad inrijcontrole
Hierna worden de werkzaamheden van de BMW Motorrad inrij-controle opgesomd. De daadwerkelijke onderhoudsomvang voor uw motorfiets kan hiervan afwijken.
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-Balhoofdlager afstellen
-Olieverversing in motor met filtervervanging (oliefilter lang)
-Koelvloeistofpeil controleren
-Remvloeistofpeil voor controleren
-Remvloeistofpeil achter controleren
-Koppelingsspeling controleren/instellen
-Kettingspanning controleren en aandrijfketting smeren
-Spanning van de spaken controleren, evt. natrekken
-Bandenspanning controleren
-Verlichting, richtingaanwijzers en claxon controleren
-Functiecontrole motorstartonderdrukking
—Eindcontrole en controleren op verkeersveiligheid
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-Onderhoudsdatum en resterende afstand met BMW Motorrad diagnosesysteem instellen
-BMW onderhoud in de boorddocumentatie bevestigen
ONDERHOUDSBEVESTIGINGEN
BMW Motorrad Service standaardomvang
Hieronder volgen de activiteiten die deel uitmaken van de Service standaardomvang van BMW Motorrad Service. De daadwerkelijke onderhoudsomvang voor uw motorfiets kan hiervan afwijken.
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-Koelvloeistofpeil controleren
-Koppelingsspeling controleren/instellen
-Remblokken en remschijven voor op slijtage controleren
-Remblokken en remschijf achter op slijtage controleren
-Remvloeistofniveau voor en achter controleren
-Visuele controle van de remleidingen, remslangen en aansluitingen
-Bandenspanning en -profieldiepte controleren
-Spanning van de spaken controleren, evt. natrekken
-Kettingaandrijving controleren en smeren
-Zijstandaard op beweegbaarheid controleren
-Middenbok op gangbaarheid controleren
-Balhoofdlager controleren
-Verlichting, richtingaanwijzers en claxon controleren
-Functiecontrole motorstartonderdrukking
-Eindcontrole en controleren op verkeersveiligheid
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-Onderhoudsdatum en resterende afstand met BMW Motorrad diagnosesysteem instellen
—Laadtoestand van de accu controleren
-BMW Motorrad onderhoud in de boorddocumentatie bevestigen
246 SERVICE
BMW Motorrad overdrachtscontrole
uitgevoerd
op
Stempel, handtekening
BMW Motorrad inrijcontrole
uitgevoerd
op bij km
Volgende servicebeurt uiterlijk
op of, indien dit eerder wordt bereikt bij km
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
□ □
□ □
□ □
[Non-Text]
□ □
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
□ □
□ □
□ □
[Non-Text]
□ □
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
□ □
□ □
□ □
[Non-Text]
□ □
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
□ □
□ □
□ □
[Non-Text]
□ □
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
Klepspeling controleren
Alle bougies vervangen
Luchtfilterelement vervangen
Luchtfilterelement controleren of vervangen
(bij onderhoudsbeurt)
Olieverversing in de telescoopvork
Remvloeistof in complete systeem verversen
□ □
□ □
□ □
[Non-Text]
□ □
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
SERVICEBEVESTIGINGEN
De tabel dient als bewijs voor het uitvoeren van de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, het inbouwen van optionele accessoires en het uitvoeren van speciale maatregelen.
| Uitgevoerde werkzaamheden | bij km Datum |
258 SERVICE
| Uitgevoerde werkzaamheden | bij km Datum |
DECLARATION OF CONFORMITY 261 BATTERY DIRECTIVE 264
Accu's zijn in het algemeen onderworpen aan de accuverordening 2023/1542/EU. Verbruikersinformatie over de accu's vindt u in de betreffende hoofdstukken van deze handleiding.
In de volgende componenten zijn accu's geïntegreerd:
Technical information
| Component | Type Contact | |
| RDC-sensor | 17109 | LID TECHNOLOGIES, 3 rue Giotto, 31520 Ramonville, Saint Agne, FrankrijkE-mail: contact@lid.techwww.lid.tech |
| RDC-sensor | 171090 | LID TECHNOLOGIES, 3 rue Giotto, 31520 Ramonville, Saint Agne, FrankrijkE-mail: contact@lid.techwww.lid.tech |
| KLR Key HUF5794 | Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str.17, 42551 Velbert, DuitslandE-mail: info@huf-group.comwww.huf-group.com | |
| KLR Key ZB002 | ZADI S.p.A., Via Carlo Marx 138, 41012 Carpi (MO), ItaliëE-mail: info@zadi.comwww.zadi.com | |
| KLR Key ZB006 | ZADI S.p.A., Via Carlo Marx, 138 41012 Carpi (MO), ItaliëE-mail: info@zadi.comwww.zadi.com | |
| DWA8 ECU | DWA8 | Meta System S.p.A, Via Tancredi Galimberti 5, 42124 Reggio Emilia, Italiëwww.metasystemcorporation.com |
| DWA8 RC | TXBMWMR | Meta System S.p.A, Via Tancredi Galimberti 5, 42124 Reggio Emilia, Italiëwww.metasystemcorporation.com |
| DWA9 DWA9 | Bury Sp. z o.o., ul. Wojska Polskiego 4, 39-300 Mielec, PolenE-mail: info@bury.comwww.bury.com |
266 TREFWOORDENREGISTER
A
Aanhaalmomenten, 227
Aanwijzing bij de belading, 123
ABS
Controlelampjes, 56, 57
Aangesloten accu opla- den, 194
Controlelampjes, 44, 45 inbouwen, 197
Losgemaakte accu opla- den, 195
Onderhoudsaanwijzingen, 193
op de motorfiets aansluiten, 195
van de motorfiets loskoppelen, 195
Achterwielstandaard, 162
Afkortingen en symbolen, 4
Alarmknipperlichten, 93
Bedieningselement, 21
B
Bagage, 123
Banden
Aanbeveling, 173
Bandenspanning controle- ren, 172
Bandenspanningen, 233
Inrijden, 129
Maximumsnelheid, 124
Profieldiepte controleren, 172
Brandstofkwaliteit, 135
Tanken, 136, 137
tanken met Keyless Ride, 138
Buitentemperatuur, 43
C
Cardan, 231
Check-Control, 36
Claxon, 21
Combischakelaar
Overzicht links, 21
Overzicht rechts, 22, 23
Contact, 82, 83
Contactdoos
Aanwijzingen voor het
gebruik, 204
Positie op het voertuig, 18
Controlelampjes
ABS, 56, 57
Boordnetspanning, 44, 45
Brandstofreserve, 60
Diefstalbeveiligingsinstallatie, 47
DTC, 57, 58, 59
DWA, 47, 48
Instrumentenpaneel, 24
Motortemperatuur, 48
Noodoproep, 55
Overzicht, 28
Verlichtingsregeling
uitgevallen, 46
Versnelling niet ingeleerd, 60
Waarschuwing buitentemperatuur, 43
Waarschuwingslampje storing
aandrijflijn, 49
Weergave, 36
Zijstandaard, 55
Controlelijst, 126
D
Dagrijlicht, 92
Demping, 18
instellen, 118
Diagnosestekker
bevestigen, 200
losmaken, 199
Positie op het voertuig, 20
Diefstalbeveiligingsinstallatie
Gebruik in terrein, 131
Gewichten
Tabel met laadvermogens, 20
Omgevingslichtsensor, 24
Overzicht, 24, 29, 30
268 TREFWOORDENREGISTER
K
Ketting
Slijtage controleren, 187
Smeren, 185
Speling, 186, 187
Keyless Ride
Batterij leeg of verlies van
radiografische sleutel, 85
Contact, 84
Controlelampjes, 43, 44
Stuurslot vergrendelen, 83
Tankdop ontgrendelen, 137, 138
Koelvloeistof
bijvullen, 170
Niveau-aanduiding, 19
Vulpeil controleren, 170
Koffer, 206
Koplamp
Lichtbundel, 112, 113
Koppeling
Koppelingshendel instellen, 113
Speling, 169
Mobiliteitsdiensten, 241
Motor
Controlelampjes, 49, 50, 51
starten, 127
Buiten gebruik stellen, 220
In gebruik nemen, 220
neerzetten, 134
reinigen, 214
vastbinden, 140
verzorging, 214
Motorolie
bijvullen, 164
Brandstofvulnippel, 18
Oliepeilstaaf, 18
Motortemperatuur, 48
N
Navigatie
bedienen, 73
Noodoproep
Aanwijzingen, 12
automatisch, 90, 91
Controlelampjes, 55
handmatig, 89
Taal, 88
Nooduitschakelingsschakelaar
bedienen, 87
Bedieningselement, 22, 23
O
Omgevingstemperatuur, 43
Onderhoudsbevestigingen, 245
Onderhoudsschema, 243
Onderhoudstermijnen, 241
Overzicht waarschuwingsindicaties, 38
Overzichten
Combischakelaar rechts, 22, 23
Controle- en waarschuwings- lampjes, 28
Instrumentenpaneel, 24, 29, 30
linker combischakelaar, 21
linker voertuigzijde, 18
Mijn voertuig, 33
onder de buddyseat, 20
rechter voertuigzijde, 19
P
Pairing, 71
Parkeerlicht, 91
Pre-Ride-Check, 128
Pure Ride, 30
R
Radiografische sleutels
Accu vervangen, 86
Controlelampjes, 43, 44
RDC
Controlelampjes, 34, 51, 52, 53, 54
Veiligheidsaanwijzingen, 132
Werking controleren, 164
Remvloeistof
Reservoir, 19
Vulpeil controleren, 167, 168
Richtingaanwijzers, 93
Bedieningselement, 21
Rijgegevens, 236
Rijmodus, 97, 100
Rijwielgedeelte, 231
S
Schakelassistent
Rijden, 130
Versnelling niet ingeleerd, 60
Schakelen, 32
Schakelpedaal, 114
Service
BMW Motorrad Service, 240
Controlelampjes, 61
Onderhoudshistorie, 241
Sleutel, 82, 83
Snelheidsmeter, 24
Snelheidsregeling, 101
Speed Limit Info, 76
Spiegels, 112
Startblokkering, 87
Starten
Bedieningselement, 22, 23
Motor, 127
Starten met hulpstartka-
bels, 191
270 TREFWOORDENREGISTER
Statusregel boven, 69 instellen, 69
Storingstabel, 224
Stuurslot, 82
T
Tankdop noodontgrendeling, 139, 140
Tanken Brandstofkwaliteit, 135 met Keyless Ride, 138 Tanken, 136, 137
Technische gegevens Diefstalbeveiligingsinstallatie, 234
Telefoon bedienen, 77
USB-laadaansluiting, 18
V
Veervoorspanning Instelelement, 19 instellen, 115
Veiligheidsaanwijzingen over het remmen, 132 over het rijden, 122
Verlaging, 122
Verlichting Bedieningselement, 21 Dagrijverlichting, 92 Dimlicht, 91
Onderhoudsmiddelen, 216
Wassen, 216
Voertuigidentificatienummer, 19
Voetsteunen, 18, 19
Voorselectie rijmodus, 98
Voorwielstandaard, 161
W
Waarschuwingslampje storing aandrijving, 49
Waarschuwingslampjes Instrumentenpaneel, 24 Overzicht, 28
Wielen inbouwen, 177, 183 Spaken controleren, 173
Technische gegevens, 233 uitbouwen, 174, 181
Velgen controleren, 173
Wielmaat veranderen, 174
Windschild, 113
Z
Zekeringen Positie op het voertuig, 20 vervangen, 197
Afhankelijk van de uitvoering en de accessoires van uw motorfiets, maar ook bij speciale uitvoeringen voor bepaalde landen, kunnen afwijkingen t.a.v. afbeeldingen en teksten op-treden. Hieruit kunnen geen aanspraken worden afgeleid. De opgegeven maten, gewichten en verbruiks- en prestatie-opgaven kunnen binnen de gebruikelijke toleranties in geringe mate afwijken.
Wijzigingen in constructie, uit- rusting en accessoires voorbehouden.
Vergissingen voorbehouden.
© 2025 Bayerische Motoren Werke Aktiengesellschaft 80788 München, Duitsland Reproductie, ook gedeeltelijk, is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van BMW Motorrad, Aftersales. Originele handleiding, gedrukt in Duitsland.
Brandstof
| Aanbevolen brandstofkwaliteit | Super loodvrij (max. 15% ethanol, E10/E15)95 ROZ/RON90 AKI |
| Nuttige tankinhoud circa 23 l | |
| Reservehoeveelheid circa 4 l | |
| Bandenspanning | |
| Bandenspanning voor 2,2 bar, Solo, bij koude banden2,5 bar, Gebruik met duopas-sagier en/of belading, bij koude banden | |
| Bandenspanning achter 2,5 bar, Solo, bij koude banden2,9 bar, Gebruik met duopas-sagier en/of belading, bij koude banden | |
Meer informatie rondom uw motorfiets vindt u op: bmw-motorrad.com













































































