i3 (2013) - Automobiel BMW - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis i3 (2013) BMW in PDF-formaat.
| Type product | Elektrische auto |
| Merk | BMW |
| Model | i3 (2013) |
| Afmetingen (L x B x H) | 3999 x 1775 x 1578 mm |
| Wielbasis | 2570 mm |
| Leeggewicht | Ca. 1195 – 1315 kg (afhankelijk van range extender) |
| Vermogen elektromotor | 125 kW (170 pk) |
| Koppel elektromotor | 250 Nm |
| Accucapaciteit (hoogspanning) | 22 kWh (bruikbaar: 18,8 kWh) |
| Actieradius (NEDC) | 130 – 160 km (zonder range extender) |
| Range extender (optioneel) | Verbrandingsmotor laadt accu bij voor grotere actieradius |
| Aandrijving | Elektrisch, achterwielaandrijving |
| Oplaadtijd (230V/10A) | Ca. 6-8 uur (volledig leeg tot vol) |
| Oplaadtijd (openbaar snelladen) | Ca. 30 minuten (80% bij 50 kW DC) |
| Energieterugwinning (recuperatie) | Ja, via CHARGE-functie bij vertragen en remmen |
| Rijmodi | COMFORT, ECO PRO, ECO PRO+ |
| iDrive-systeem | Centrale bediening met Controller en Touchpad |
| Spraakgestuurd systeem | Ja, met stuurwieltoets |
| Veiligheidssystemen | Airbags, ABS, DSC, DTC, bandenspanningscontrole (RDC), bandenpechwaarschuwing (RPA), ISOFIX, noodoproep |
| Klimaatregeling | Automatische airconditioning, standklimaat (voorverwarming/-koeling tijdens laden) |
| Onderhoud | BMW onderhoudssysteem, service-intervallen via boordcomputer |
| Bandenspanning (voor/achter) | 175/60 R19: 2,6 bar / 2,8 bar (bij volle belading hoger) |
| Garantie | Landelijke garantie; aanpassingen bij export vereist |
| Handleiding | 214 pagina's, Nederlands, PDF beschikbaar |
Veelgestelde vragen - i3 (2013) BMW
Gebruikersvragen over i3 (2013) BMW
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Automobiel in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding i3 (2013) - BMW en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. i3 (2013) van het merk BMW.
GEBRUIKSAANWIJZING i3 (2013) BMW
i3 Handleiding voor de auto
Wij zijn blij dat u voor een BMW i heeft gekozen.
Hoe beter u uw auto kent, des te veiliger en prettiger reist u.
Daarom onze aanbeveling:
Lees de handleiding voordat u met uw nieuwe BMW i gaat rijden. Maak ook gebruik van de geïntegreerde handleiding in uw auto. U krijgt dan belangrijke aanwijzingen voor het bedienen van de auto waardoor u de technische voordelen van uw BMW i volledig kunt benutten. Bovendien krijgt u ook informatie die de bedrijfs- en verkeersveiligheid alsmede een optimaal waardebehoud van uw BMW i tot doel heeft.
Actualiseringen na het redactionele afsluiten vindt u evt. in de bijlage van de gedrukte handleiding van het voertuig.
Goed en veilig rijden wenst u uw
BMW AG
Nadruk, ook gedeeltelijk, is uitsluitend na schriftelijke
toestemming van BMW AG, München toegestaan.
nederlands VIII/13, i490
Gedrukt op milieuvriendelijk papier, chloorvrij gebleekt,
geschikt voor recycling.
Inhoudsopgave
Speciale onderwerpen vindt u het snelst aan de hand van het trefwoordenregister, zie pagina 204.
6 Opmerkingen
Overzicht
12 Bedieningsorganen
16 iDrive
23 Spraakgestuurd systeem
26 Geïntegreerde handleiding in de auto
28 BMW eDRIVE
Bediening
34 Openen en sluiten
49 Instellen
56 Kinderen veilig vervoeren
60 Rijden
71 Weergaven
84 Licht
87 Veiligheid
99 Koersstabiliteitsregelsystemen
102 Rijcomfort
123 Klimaatregeling
130 Interieuruitrusting
134 Opbergvakken
Rijtips
140 Bij het rijden in acht nemen
144 Belading
146 Actieradius verhogen
Mobiliteit
154 Auto opladen
162 Tanken
165 Brandstof
166 Velgen en banden
173 Onder de voorkap
175 Motorolie
177 Koelvloeistof
179 Onderhoud
182 Vervangen van onderdelen
187 Hulp in geval van nood
192 Reiniging
Opzoeken
198 Technische gegevens
200 Bijlage
204 Alles van A tot Z
Opmerkingen
Het hoogspanningssysteem van uw BMW i
Uw BMW is een elektrische auto. De auto is uitgerust met een hoogspanningssysteem dat onder andere uit een elektromotor en een hoogspanningsaccu bestaat. Optioneel beschikt de auto over een verbrandingsmotor, die via een dynamo elektrische energie opwekt en daardoor de actieradius vergroot. Deze verbrandingsmotor wordt aangeduid als range extender.
Bij deze handleiding
Oriëntatie
Het snelst kunnen bepaalde thema's met behulp van het trefwoordenregister worden gevonden.
Een overzicht van de auto krijgt u in het eerste hoofdstuk.
Actualiseringen na sluiting van de redactie
Actualiseringen na het redactionele afsluiten vindt u evt. in de bijlage van de gedrukte handleiding van het voertuig.
Handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
De thema's navigatie, entertainment, communicatie en de korte commando's van het spraakgestuurde systeem kunnen opgeroepen worden via de geïntegreerde handleiding.
Extra informatiebronnen
Voor verdere vragen kunt u steeds terecht bij de Service.
Informatie over BMW, bijv. over techniek, op internet: www.bmw.nl.
Symbolen in de handleiding
A duidt op waarschuwingen die u beslist moet lezen in verband met uw veiligheid, de veiligheid van anderen en om schade aan uw auto te voorkomen.
◀ geeft het einde van een opmerking aan.
"..." geeft teksten op het Control Display voor de selectie van functies aan.
...< geeft commando's voor het spraakgestuurde systeem aan.
»...« geeft antwoorden van het spraakgestuurde systeem aan.
duidt op maatregelen die tot de bescherming van het milieu bijdragen.
Symbool op onderdelen van de auto
wijst er bij onderdelen van de auto op dat deze handleiding moet worden geraadpleegd.

Wijst er bij onderdelen van de auto op, dat bij ondeskundig gebruik van de hoogspannings- techiek of hoogspanningscomponenten het gevaar bestaat op levensgevaarlijk letsel door een elektrische schok.
Uitrusting van de auto
Deze handleiding beschrijft alle modellen en alle standaard-, export- en speciale uitrustingen, die in de modelserie aangeboden worden. In deze handleiding zijn daarom ook uitrustin-
gen beschreven en afgebeeld, die in uw auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet aanwezig zijn.
Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Bij auto's met het stuur rechts zijn de bedieningselementen voor een deel anders geplaatst dan op de afbeeldingen.
Actualiteit van de handleiding
Basisnormen
Het hoge veiligheids- en kwaliteitsniveau van de voertuigen wordt gewaarborgd door het continu verder ontwikkelen. In enkele gevallen kunnen daardoor afwijkingen tussen de beschrijving en de auto bestaan.
Actualiseringen na sluiting van de redactie
Actualiseringen na het redactionele afsluiten vindt u evt. in de bijlage van de gedrukte handleiding van het voertuig.
Eigen veiligheid
Garantie
Uw auto is technisch aangepast aan de bedrijfsvoorwaarden en registratie-eisen die gelden in het land van eerste levering - Goedkeuring. Indien uw auto in een ander land zal worden gebruikt, dan moet hij voordien mogelijk aan daarvan afwijkende bedrijfsvoorwaarden en registratie-eisen worden aangepast. Indien uw auto niet voldoet aan de goedkeuringsvereisten voor een bepaald land, kunt u daar geen aanspraak maken op enige garantie op de auto. Uw servicedienst kan u hierover meer informatie verschaffen.
Onderhoud en reparatie
Vooruitstrevende techniek, bijv. de toepassing van moderne materialen en krachtige elektronica, vraagt aangepaste onderhouds- en reparatiemethoden.
Betreffende werkzaamheden daarom uitsluitend door een BMW dealer laten uitvoeren of door een werkplaats die volgens de BMW voorschriften werkt en met personeel dat hiervoor is geschoold.
Bij ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden bestaat het gevaar van gevolgschade en daar-mee verbonden veiligheidsrisico's.
Onderdelen en accessoires
BMW adviseert om alleen onderdelen en accessoires te gebruiken, die door BMW voor dit doel zijn goedgekeurd.
Originele BMW onderdelen, accessoires en overige door BMW goedgekeurde producten, evenals het bijbehorende ter zake kundige advies, zijn verkrijgbaar bij uw BMW dealer.
Deze producten werden door BMW op hun veiligheid en deugdelijkheid in functioneel verband met BMW automobielen gecontroleerd.
Voor deze producten neemt BMW de volle verantwoordelijkheid. Anderzijds kan BMW voor iedere soort van niet-vrijgegeven onderdelen of accessoires niet verantwoordelijk worden gesteld.
BMW kan niet van elk product van een ander merk beoordelen of het betreffende product zonder veiligheidsrisico op BMW automobielen kan worden gebruikt. Deze garantie kan ook niet worden ontleend aan een goedkeuring van het product door bijvoorbeeld een keuringsinstantie of een wettelijke keuring. Bij de door hen uitgevoerde tests worden niet altijd alle mogelijke bedrijfsomstandigheden van BMW auto's in acht genomen en deze zijn daarom niet altijd voldoende.
Geheugen
Een groot aantal elektronische componenten van uw auto bevatten geheugens, die technische informatie over de toestand van de auto, gebeurtenissen en fouten tijdelijk of blijvend opslaan. Deze technische informatie documenteert over het algemeen de toestand van een component, een module, een systeem of de omgeving:
Bedrijfstoestanden van systeemcomponenten, bijv. vulpeilen.
Statusmeldingen van de auto en van diens afzonderlijke componenten, bijv. wielomwentelingsgetal/ snelheid, bewegingsvertraging, dwarsversnelling.
Storingen en defecten in belangrijke systeemcomponenten, bijv. licht en remmen.
▶ Reacties van de auto in speciale rijsituaties, bijv. activeren van een airbag, inzetten van de stabiliteitsregelingssystemen.
Omgevingstoestanden, bijv. temperatuur.
Deze gegevens zijn uitsluitend van technische aard en zijn bedoeld voor het herkennen en verhelpen van fouten alsmede het optimaliseren van de functies van de auto. Bewegingsprofielen over afgelegde trajecten kunnen uit deze gegevens niet opgesteld worden. Indien een beroep gedaan wordt op servicediensten, bijv. bij reparatiediensten, serviceprocessen, garantiegevallen, kwaliteitsbewaking, kan deze technische informatie door medewerkers van de servicedienst, inclusief fabrikant, uit de gebeurtenis- en foutgeheugens met speciale diagnoseapparaten uitgelezen worden. Daar krijgt u indien nodig meer informatie. Na het verhelpen van een fout wordt de informatie in het foutgeheugen gewist of doorlopend overschreven.
Bij het gebruik van de auto zijn situaties denkbaar, waarin deze technische gegevens in combinatie met andere informatie, bijv. ongevalprotocol, schade aan de auto, getuigenverklaringen etc. — evt. door een expert erbij te halen — persoonlijk zou kunnen worden.
Aanvullende functies, die contractueel met de klant afgesproken worden, bijv. plaatsbepaling van de auto in geval van nood, laten de overdracht van bepaalde autogegevens uit de auto toe.

Overzicht
Overzichten van toetsen, schakelaars en indicaties dienen ter oriëntatie. Bovendien leert u snel de principes van de verschillende bedieningsmogelijkheden kennen.
Bedieningsorganen
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er wor-
den daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Rondom het stuurwiel

Met range extender: brandstoftank ont- luchten 162
4 Licht

Mistachterlicht 85

Stadslicht 84

Dimlicht 84

Automatische verlichtingsregeling 85

Dagrijlicht 85

Instrumentenverlichting
Koplampafstelling
5 Fuseearm links

Richtingaanwijzers 66

7 Rijden-stand-by in- en uitschake- START STOP len 60
8 Versnellingskeuzeschakelaar 62
9 Fuseearm rechts

Ruitenwissers 67

Regensensor 68

Ruiten en koplampen reinigen 68
10 Toets op stuurwiel links

Snelheid opslaan 111

Snelheid oproepen 113

Snelheidsregeling aan/uit, onderbreken 112,

Actieve snelheidsregeling aan/uit, onderbreken 102,

Actieve snelheidsregeling met file-assistent aan/uit, onderbreken 108

Snelheidsregeling, afstand instellen 102

Snelheidsregeling, afstand ver- kleinen 102

Snelheidsregeling, afstand ver- groten 102
Tuimelschakelaar voor snelheidsregeling 113
11 Stuurwiel instellen 55
12 Toetsen op stuurwiel rechts

Entertainmentbron

Volume

Gesproken invoer 23

Telefoon
Gekartelde knop voor selectielijsten 80
Rondom de middenconsole

1 Hemelbekleding 15
2 Control Display 16
3 Radio/multimedia, zie geïntegreerde handleiding
4 Dashboardkastje
5 Klimaatregeling 123
6 Waarschuwingsknipperlichtin-
stallatie 187


Intelligent Safety 93
7 Controller met toetsen 16
8 Parkeerrem 65
9 Park Distance Control PDC 114

Achteruitrijcamera 116
Parkeerassistent 119
10 Rijervaring-schakelaar 100

Rondom de hemelbekleding

1 Intelligente noodoproep 187

2 Glazen dak, elektrisch 46

3 Controlelampje passagiersair-

4 Leeslampjes 86

5 Interieurverlichting 86

iDrive
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Principe
iDrive omvat de functies van een groot aantal schakelaars. Deze functies kunnen derhalve op een centrale plaats worden bediend.

iDrive tijdens het rijden bedienen
Alleen informatie invoeren als de verkeerssituatie dit toelaat, anders kan dit door onvoldoende oplettendheid gevaar opleveren voor de inzittenden en andere verkeersdeelnemers.
Overzicht bedieningselementen
Bedieningselementen

1 Control Display
2 Controller met toetsen en touchpad
Control Display
Opmerkingen
▶ Voor het reinigen van het Control Display onderhoudsaanwijzingen in acht nemen.
Geen voorwerpen in de ruimte voor het Control Display neerleggen, het Control Display of andere oppervlakken kunnen anders worden beschadigd.
Uitschakelen

Toets indrukken.
- "Control-display uitsch."

Inschakelen
Voor het inschakelen Controller indrukken.
Controller
Met de toetsen kunnen menu's rechtstreeks worden opgeroepen. Met de Controller kunnen menupunten worden geselecteerd en instellingen worden uitgevoerd.
Met het Touchpad van de Controller kunnen een aantal functies van iDrive worden bediend.
- Draaien.

- Kantelen in vier richtingen.

Toetsen op Controller
Toets Functie
MENU Hoofdmenu oproepen.
RADIO Menu Radio oproepen.
MEDIA Menu Multimedia oproepen.
NAV Menu Navigatie oproepen.
TEL Menu Telefoon oproepen.
Toets Functie
BACK Vorig beeldvenster weergeven.
OPTION Menu Opties oproepen.
Bedieningsprincipe
Hoofdmenu oproepen

Toets indrukken.

Het hoofdmenu wordt weergegeven.
Alle functies van iDrive kunnen in het hoofd- menu worden opgeroepen.
Menupunt selecteren
Menupunten die op de voorgrond staan kunnen worden geselecteerd.
- Controller draaien tot het gewenste menupunt gemarkeerd is.

- Controller indrukken.
Menupunten in de handleiding
In de handleiding worden de menupunten die moeten worden geselecteerd, tussen aanha- lingstekens weergegeven, bijv. "Instellingen".
Tussen beeldvensters wisselen
Na het selecteren van een menupunt, bijv. "Radio", wordt een nieuw beeldvenster weergegeven. Beeldvensters kunnen over elkaar liggen.
▶ Controller naar links kantelen.
Actueel beeldvenster wordt gesloten en vorig beeldvenster weergegeven.
Bij het drukken van de BACK-toets wordt het vorige beeldvenster opnieuw geopend. Het actuele beeldvenster wordt daarbij niet gesloten.
▶ Controller naar rechts kantelen.
Nieuw beeldvenster wordt geopend en daarover gelegd.

Witte markeringen naar links of rechts wijzen erop dat nog andere beeldvensters kunnen worden opgeroepen.
Aanzicht van een opgeroepen menu
Bij het oproepen van een menu wordt in het algemeen het beeldvenster weergegeven dat als laatste in dit menu werd geselecteerd. Voor de weergave van het eerste beeldvenster van het menu:
▶ Controller zo vaak naar links kantelen, tot het eerste beeldvenster wordt weergegeven.
Toets van het menu op de Controller tweemaal drukken.
Menu Opties oproepen

Toets indrukken.
Het menu "Opties" wordt weergegeven.

Andere mogelijkheid: controller zo vaak naar rechts kantelen, tot het menu "Opties" wordt weergegeven.
Menu Opties
Het menu "Opties" bestaat uit verschillende gebieden:
Beeldscherminstellingen, bijv. "Splitscreen".
Gebied blijft ongewijzigd.
Bedieningsmogelijkheden voor het geselecteerde hoofdmenu, bijv. voor "Radio".
Evt. andere bedieningsmogelijkheden voor het geselecteerde menu, bijv. "Zender opslaan".
Instellingen uitvoeren
-
Een veld selecteren.
-
Controller draaien tot de gewenste instelling wordt weergegeven.

- Controller indrukken.
Functies activeren/deactiveren
Enkele menupunten zijn voorafgegaan door een hokje. Dit geeft weer, of de functie geactiveerd of gedeactiveerd is. Door selecteren van het menupunt wordt de functie geactiveerd of gedeactiveerd.
Functie is geactiveerd.
□ Functie is gedeactiveerd.
Touchpad
Met het Touchpad van de Controller kunnen enkele functies van iDrive worden bediend:
Functions selecteren
- "Instellingen"
- "Touchpad"
- Gewenste functie selecteren.
"Speller": hoofdletters en cijfers invoeren.
▶ "Kaart": interactieve kaart bedienen.
▶ "Browser": internetadressen invoeren.
"Akoest. retourmelding": de ingevoerde letters en cijfers worden weergegeven.
Letters en cijfers invoeren
De invoer van de letters vereist aanvankelijk wat oefening. Bij de invoer letten op het volgende:
▶ Voor de invoer van hoofd-/kleine letters en cijfers eerst via iDrive omschakelen naar Invoermodus, zie pagina 22.
Tekens invoeren zoals ze weergegeven worden op het Control Display.
Bijbehorende tekens zoals accenten of punten steeds mee invoeren, zodat de letter duidelijk herkend wordt.
- Om een teken te wissen, op het Touchpad naar links strijken.
Interactieve kaart bedienen
De Interactieve kaart van het navigatiesysteem kan via het Touchpad bewogen worden.
Functie Bediening
| Interactieve kaart bewegen. | In de overeenkomstige richting strijken. |
| Interactieve kaart vergroten/verklei- nen. | Weergave met de vin- gers dicht- of open- trekken. |
Menu weergeven. Eenmaal aantippen.
Instellingen uitvoeren
Instellingen op het Control Display zoals bijv. de volumes kunnen uitgevoerd worden via het touchpad. Daarvoor overeenkomstig naar links of rechts strijken.
Een voorbeeld: klok gelijkzetten
Klok gelijkzetten

Toets indrukken. Het hoofdmenu weergegeven.
- Controller draaien tot "Instellingen" gemarkeerd is en Controller indrukken.

- De Controller eventueel naar links kantelen om "Tijd/datum" weer te geven.
- Controller draaien tot "Tijd/datum" gemarkeerd is en Controller indrukken.

- Controller draaien tot "Tijd:" gemarkeerd is en Controller indrukken.

- Controller draaien om de uren in te stellen en Controller indrukken.
- Controller draaien om de minuten in te stellen en Controller indrukken.
Statusinformatie
Statusveld
In het statusveld bovenaan rechts wordt de volgende informatie weergegeven:
▷ Tijd.
Actuele entertainmentbron.
▶ Geluidsweergave aan/uit.
Lokalisatievermogen van de auto.
Ontvangststerkte mobiel net.
▶ Telefoonstatus.
▶ Ontvangst verkeersinformatie.
Symbolen statusveld
De symbolen kunnen in de volgende groepen worden samengevat.
Symbolen radio
Symbool Betekenis
TP Verkeersinformatie ingeschakeld.
Symbolen telefoon
Symbool Betekenis
Binnenkomend of uitgaand gesprek.
Gemiste oproep.
Ontvangststerkte mobiel net. Symbool knippert: zoeken naar net.
Geen mobiel net beschikbaar.
⑧ Bluetooth ingeschakeld.
Symbool Betekenis

Gegevensoverdracht actief.

Roaming actief.

SMS ontvangen.

SIM-kaart controleren.

SIM-kaart geblokkeerd.

SIM-kaart ontbreekt.

PIN invoeren.
Symbolen entertainment
Symbool Betekenis

Muziekverzameling.

denote Gracenote®-database.

AUX-In-aansluiting.

USB-audio-interface.

Audio-interface mobiele telefoon.
Verdere omvang
Symbool Betekenis

Gesproken informatie uitgeschakeld.

Bepaling van de huidige voertuig- positie.
Gedeeld scherm, splitscreen
Algemeen
In het rechter gedeelte van het gedeelde beeldscherm kan extra informatie worden weergegeven bijv. informatie van de boordcomputer.
Deze informatie blijft bij de gedeelde beeld- schermweergave, het zogenaamde split-
screen, ook bij het wisselen naar een ander menu zichtbaar.
Gedeelde beeldschermweergave in- en uitschakelen

Toets indrukken.
- "Splitscreen"
Menupunt selecteren

Toets indrukken.
- "Splitscreen"
- Controller kantelen tot het splitscreen is geselecteerd.
- Controller indrukken of "Inhoud splitscreen" selecteren.
- Gewenst menupunt selecteren.

Toetsen met voorkeurzenders
Algemeen
Functies van iDrive kunnen op de toetsen met voorkeurzenders worden opgeslagen en direct worden opgeroepen, bijv. radiozenders, navigatiedoelen, telefoonnummers en ingangen in het menu.
Instellingen worden voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Functie opslaan
-
Functie via iDrive markeren.
-
1...8 Gewenste toets langer dan 2 seconden indrukken.
Functie uitvoeren
1...8 Toets indrukken. De functie wordt direct uitgevoerd. Dit betekent dat bijv. bij de selectie van een telefoonnummer ook de verbinding wordt opgebouwd.
Toetsbezetting weergeven
Toetsen met de vinger aanraken. Geen handschoenen dragen of voorwerpen gebruiken.
De toewijzing van de toetsen wordt aan de bovenste beeldschermrand weergegeven.

Korte informatie weergeven: toets aanra- ken.
▶ Gedetailleerde informatie weergeven: toets lang aanraken.
Toetsbezetting wissen
- Toetsen 1 en 8 tegelijkertijd ca. vijf secon- den indrukken.
- "OK"
Letters en cijfers invoeren
Algemeen
-
Controller draaien: letters of cijfers selecteren.
-
Eventueel nog andere letters en cijfers selecteren.
- "OK": invoer bevestigen.
Afhankelijk van het menu kan tussen de invoer van hoofdletters en kleine letters, cijfers en tekens worden gewisseld:
Symbool Functie
← Controller indrukken: letter of cijfer wissen.
← Controller lang indrukken: alle letters en cijfers wissen.
Wisselen tussen hoofdletters en kleine letters, cijfers en tekens
Afhankelijk van het menu kan tussen de invoer van hoofdletters en kleine letters, cijfers en tekens worden gewisseld:
Symbool Functie
A^B_C Letters invoeren.
1@+ Cijfers invoeren.
abc of ABC Controller naar boven kante- len.
Zonder navigatiesysteem
@A A ^a Symbol selecteren.
Invoervergelijking
Invoer van namen en adressen: de selectie wordt met elke ingevoerde letter stapsgewijs omgrensd en evt. aangevuld.
De ingevoerde gegevens worden permanent vergeleken met de gegevens die in de auto zijn opgeslagen.
Er worden bij de invoer alleen letters aangeboden waarvoor gegevens beschikbaar zijn.
Reisdoel zoeken: plaatsnamen kunnen in de schrijfwijze van alle in het Control Display beschikbare talen worden ingevoerd.
Spraakgestuurd systeem
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Principe
Via het spraakcommandosysteem kunnen de meeste functies, die op het Control Display worden weergegeven, door gesproken commando's worden bediend. Het systeem ondersteunt bij de invoer met aankondigingen.
▶ Functies die alleen bij een stilstaande auto inzetbaar zijn, kunnen niet via het spraakinvoersysteem bediend worden.
▶ Tot het systeem behoren twee speciale microfoons aan de zijde van de bestuurder en de passagier.
...< geeft commando's voor het spraakgestuurde systeem aan in de handleiding.
Voorwaarden
Stel bij het Control Display een taal in die ook door het taalinvoersysteem ondersteund wordt om de uit te spreken commando's te kunnen identificeren.
Taal instellen, zie pagina 83.
Commando's uitspreken
Spraksturing inschakelen
Toets op het stuurwiel indrukken.
2. Geluidssignaal afwachten.
3. Commando uitspreken.

Commando wordt op het instrumentenpaneel weergegeven.
(wt) Symbool in het instrumentenpaneel wijst erop dat het spraakgestuurde systeem actief is.
Mogelijk zijn geen andere commando's mogelijk, de functie in dit geval via iDrive bedienen.
Spraakinvoer beëindigen

Toets op stuurwiel indrukken of »Afbreken«.
Mogelijke commando's
De meeste menupunten van het Control Display kunnen als commando worden gesproken.
De mogelijke commando's zijn ervan afhankelijk welk menu actueel op het Control Display wordt weergegeven.
Voor veel functies zijn er korte commando's.
Enkele lijstinvoeren, bijv. telefoonboekvermeldingen, kunnen eveneens via het spraakcommandosysteem worden geselecteerd. Lijstinvoeren daarbij exact zo uitspreken, zoals ze in de betreffende lijst worden aangegeven.
Mogelijke commando's laten weergeven
Mogelijke commando's kunnen worden weergegeven: »Spraakopdrachten«
Wanneer bijv. het menu "Instellingen" weergegeven wordt, worden de commando's voor de instellingen weergegeven.
Functies met korte commando's uitvoeren
Functies van het hoofdmenu kunnen onmiddellijk door korte commando's worden uitgevoerd, nagenoeg ongeacht welk menupunt er is ingesteld, bijv. Autostatus.
Hulpdialoog bij het spraakcommandosysteem
Verdere commando's bij de hulpdialoog:
Hulp met voorbeelden: informatie over de actuele bedieningsmogelijkheden en de belangrijkste commando's daarvoor worden weergegeven.
»Hulp bij spraakinvoer: informatie over het werkingsprincipe van het spraakcommandosysteem wordt weergegeven.
Een voorbeeld: klankinstellingen oproepen
Via hoofdmenu
De commando's van de menuopties kunnen worden gesproken of via de controller geselecteerd.
- Indien nodig geluidsweergave van entertainment inschakelen.

Toets op het stuurwiel indrukken.
-
Radio<
-
Klank<.
Informatie over korte commando's
De gewenste radiozender kan ook via een kort commando worden gestart.
- Indien nodig geluidsweergave van entertainment inschakelen.

Toets op het stuurwiel indrukken.
- »Klank«.
Spraakdialoog instellen
Er kan worden ingesteld of het systeem de standarddialoog of een korte variant gebruikt.
Bij de korte variant van de spraakdialoog worden de systeemmededelingen beknopt weergegeven.
- "Instellingen"
- "Taal/eenheden"
- "Spraakmod.:"
- Instelling selecteren.
Volume aanpassen
Volumeknop tijdens de gesproken aanwijzingen draaien tot de gewenste geluidssterkte is ingesteld.
Volume blijft behouden, ook wanneer het volume van andere audioapparatuur wordt gewijzigd.
Volume wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Aanwijzing voor noodoproepen
Spraakgestuurd systeem niet gebruiken voor noodoproepen. In stressssituaties kunnen taal en stemniveau wijzigen. Daardoor wordt de opbouw van een telefoonverbinding onnodig vertraagd.
In plaats daarvan de SOS-toets, zie pagina 187, bij de binnenspiegel gebruiken.
Omgevingsomstandigheden
Commando's, cijfers en letters vloeiend en met normaal volume, klemtonen en snelheid uitspreken.
Commando's altijd in de taal van het spraakgestuurde systeem spreken.
Bij de keuze van de radiozender de gebruikelijke uitspraak van de zendernaam gebruiken, het beste zoals de naam in het Control Display wordt weergegeven.
Zender ...,< bijv. zender Classic Radio.
Portieren, ruiten en schuifdak gesloten houden, om storende geluiden te vermijden.
▶ Nevengeluiden in de auto tijdens het spreken vermijden.
Geïntegreerde handleiding in de auto
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Geintegreerde handleiding in de auto
De geïntegreerde handleiding kan weergegeven worden op het Control Display. Daarin worden in het bijzonder de uitrustingen en functies beschreven die voorhanden zijn in de auto.
Onderdelen van de geïntegreerde handleiding
De geïntegreerde handleiding bestaat uit drie delen, die verschillende informatieniveaus of toegangsmogelijkheden bieden.
Beknopte handleiding
In de beknopte handleiding vindt u belangrijke informatie over het gebruik van de auto, de bediening van de belangrijkste autofuncties en instructies voor in het geval van pech. Deze gegevens kunnen ook weergegeven worden tijdens het rijden.
Zoeken via afbeelding
Door middel van het zoeken via afbeelding kan gezocht worden naar gegevens en beschrijvingen aan de hand van afbeeldingen. Dit komt bijv. van pas wanneer de beschrijving bij een uitrusting nodig is terwijl die niet aangeduid kan worden.
Handleiding
Hier kan gezocht worden naar gegevens en beschrijvingen door de directe invoer van een zoekopdracht via de index.
Bestanddelen selecteren

Toets indrukken.
-
Controller draaien: "Auto-info" oproepen.
-
Controller indrukken.
-
Gewenste bereik selecteren:
▶ "Beknopte handleiding"
"Zoeken op afbeelding"
"Handleiding"

Bladeren in de handleiding
Paginawijze met linktoegang
Controller draaien tot de volgende of vorige pagina wordt weergegeven.
Paginawijze zonder linktoegang
Pagina's direct doorbladeren en daarbij links overslaan.
Symbool eenmaal markeren. Daarna alleen nog Controller indrukken om van pagina tot pagina te bladeren.

Terugbladeren.

Naar voren bladeren.
Contexthulp - Handleiding bij de op dat moment geselecteerde functie
Passende informatie kan direct worden weergegeven.
Oproepen bij bediening via iDrive
Direct uit de applicatie aan het Control Display in het optiemenu wisselen:
- Toets indrukken of Controller zo vaak naar rechts kantelen tot het menu "Opties" wordt weergegeven.
- "Handleiding weergeven"
Oproepen bij weergave van een Check-Control-melding
Direct uit de Check-Control-melding op het Control Display:
"Handleiding weergeven"
Wisselen tussen functie en handleiding
Aan het Control Display uit een functie, bijv. radio wisselen in de handleiding en tussen de beide weergaven heen en terug:
- Toets indrukken of Controller zo vaak naar rechts kantelen tot het menu "Opties" wordt weergegeven.
- "Handleiding weergeven"
- Gewenste pagina in de handleiding selecteren.
- TOets opnieuw indrukken om naar de laatste weergegeven functie terug te ke-ren.
- BACK Toets indrukken om naar de laatste weergegeven pagina van de handleiding terug te keren.
Om permanent tussen de laatste weergegeven functie en de laatste weergegeven pagina van de handleiding te wisselen de stappen 4 en 5 herhalen. Hierbij worden steeds nieuwe beeldvensters geopend.
BMW eDRIVE
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
BMW eDRIVE
Overzicht

1 Accu
2 Klep voor de tankdop
3 Hoogspanningsaccu
4 Laadaansluiting
5 Aandrijfeenheid
Principe
Dankzij de elektrische aandrijving kan het voertuig volledig uitstootvrij bedreven worden.
De speciale hoogspanningsaccu voorziet de elektromotor en de comfortfuncties van energie.
In alle rijsituaties, bijv. wegrijden, accelereren of bij hogere snelheden zorgt de koppelsterke elektromotor voor dynamische rij-eigenschappen.
De hoogspanningsaccu wordt opgeladen via een laadkabel, bijv. bij het parkeren of tijdens het rijden door energieterugwinning.
Het opladen kan uiterst snel gebeuren aan de hand van speciale stroomaansluitingen. Er kan echter ook opgeladen worden met behulp van een gewoon stopcontact thuis.
Tijdens het rijden zorgt de energieterugwinning ervoor dat bijzonder weinig energie verloren gaat tijdens het remmen.
Bij het vertragen van het voertuig werkt de elektromotor als een dynamo en zet hij de vrijkomende bewegingsenergie geheel of gedeeltelijk om in elektrische stroom.
Daardoor wordt de hoogspanningsaccu voor een deel opnieuw opgeladen om een maximale actieradius mogelijk te maken.
Een optionele range extender kan het aandrijfsysteem voorzien van stroom en zo de actieradius van het voertuig verhogen.
Functions
Elektrisch rijden: eDRIVE
De auto wordt uitsluitend door de elektromotor aangedreven. Daarbij kan het rijpedaal niet en- kel gebruikt worden om te accelereren, maar ook om te vertragen. De elektromotor werkt dan als een dynamo die de hoogspannings- accu oplaadt. Deze functie kan bij vooruit- ziende rijstijl voor bijzonder efficiënte energi- terugwinning en comfortabel rijden alleen met het rijpedaal gebruikt worden.
Akoestische voetgangersbescherming
Het systeem genereert bij het elektrisch rijden eDRIVE tot ca. 30 km/h een kunstmatig motorgeluid.
Vooraan aan het voertuig aangebrachte luidsprekers sturen het geluid rond.
Daardoor kunnen andere deelnemers aan het verkeer, bijv. voetgangers, het voertuig beter waarnemen.
Zeilen
Een bijzonder efficiënt bedrijfspunt is het zo- genaamde zeilen. Daarbij wordt het voertuig enkel door de rijweerstanden vertraagd en stroomt er geen energie tussen de hoogspan- ningsaccu en de elektromotor. Om te zeilen moet het rijpedaal zo ver ingetrapt worden dat de markering op het instrumentenpaneel pre- cies in het midden staat.
Energieterugwinning: CHARGE
De hoogspanningsaccu wordt tijdens het rijden opgeladen door energieterugwinning.
De elektromotor werkt daarbij als een dynamo en zet de beweging van de auto om in stroom.
Dit opladen kan tijdens de rit op verschillende manieren worden uitgevoerd:
Zodra het rijpedaal slechts licht ingetrapt wordt.
Bij het afremmen van de auto.
De markering op het instrumentenpaneel bevindt zich in het bereik CHARGE.
Anticiperend rijden en het op tijd verminderen van de snelheid zijn belangrijk om de energie- terugwinning van de auto optimaal te gebruiken.
Aircofuncties bij het parkeren en opladen
Met eDRIVE kan de airconditioning gebruikt worden ook vóór u begint te rijden. Daardoor kan bij het rijden de energie voor het voorverwarmen, zie pagina 128, gebruikt worden ten voordele van de actieradius.
Voor het wegrijden kan het interieur van de auto voorverwarmd worden en optioneel kan het hoogspanningssysteem op bedrijfstemperatuur gebracht worden.
Door het voorverwarmen tijdens het laadproces kan de maximale actieradius bij het wegrijden ter beschikking gesteld worden.
Weergave
De weergaven van eDRIVE informeren over de actuele toestand van de aandrijving en illustreren het gebruik van het systeem in een diagram.
Energiebesparend rijden en actieradius maximaliseren
Energiebesparend rijden is de basisvoorwaarde voor een zo groot mogelijke actieradius. eDRIVE biedt verschillende functies aan die een energiebesparende rijstijl ondersteunen en zo helpen om de actieradius te controleren en zo mogelijk te verhogen. De volgende aanwijzingen geven een overzicht van de beschikbare functies en de persoonlijke maatregelen.
Vóór het rijden
▶ Voorverwarmen van de auto, zie pagina 128, voor benutting van de maximaal beschikbare actieradius bij het wegrijden.
Planning van de reis en speciale functies van het navigatiesysteem
Na invoer van een navigatiedoel kunnen de volgende functies gebruikt worden:
▶ ECO PRO-routing om gebruik te maken van een efficiënte route.
▶ ECO PRO+-modus om zuinig te rijden bij beperkte comfortfuncties.
▶ Laadstationassistent om een openbaar laadstation te vinden en in te plannen.
▶ Reikwijdteassistent gebruiken om de actie-radius te controleren, zie geïntegreerde handleiding.
Intermodale routing om een reis te plannen met behulp van het openbaar vervoer, zie geïntegreerde handleiding.
Return Journey voor het controleren van de reikwijdte voor de heen- en terugrit, zie geïntegreerde handleiding.
Bij het rijden
Algemene rijtips, zie pagina 146, om de actieradius te verhogen.
▶ Vooruitkijkassistent, zie pagina 149, voor het op tijd vertragen of uitrollen voor trajecten met snelheidsbeperkingen.
eDRIVE-systeem efficiënt gebruiken, zie pagina 140, voor het optimaliseren van de rijstijl.
▶ ECO PRO-rijstijlanalyse, zie pagina 150, voor het analyseren van de rijstijl.
▶ ECO PRO- en ECO PRO+-modus, zie pagina 147, voor het verhogen van de actie-radius.
▶ Weergave van de verbruiksgeschiedenis, zie pagina 76.
Na het rijden
▶ Opladen van het voertuig en plannen van de volgende rit.
▶ Voorbereidingen voor lange stilstandtijden, zie pagina 195, in acht nemen.
BMW i Remote App
Met een speciale BMW i Remote App kunnen met behulp van een smartphone bepaalde functies van het voertuig gestuurd en weergegeven worden.
Veiligheidsvoorschriften
Informatie over veiligheid van het hoogspanningssysteem, zie pagina 190, in acht nemen.
Auto buiten bedrijf stellen
Aanwijzingen voor het stilleggen van de auto en voor langere stilstandfasen, zie pagina 195, in acht nemen.

Bediening
Dit hoofdstuk verleent u zelfzekerheid bij het beheersen van uw auto. Alle accessoires die dienen voor het rijden, voor uw veiligheid en uw comfort zijn hier beschreven.
Openen en sluiten
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Afstandsbediening/sleutel
Algemeen
Naargelang de uitrusting worden één of twee afstandsbedieningen met sleutel meegeleverd.
Elke afstandsbediening heeft een vervangbare batterij.
Naargelang welke afstandsbediening bij het ontgrendelen van de auto wordt herkend, worden verschillende instellingen in de auto afgeroepen en uitgevoerd. Personal Profile, zie pagina 35.
In de afstandsbedieningen wordt informatie opgeslagen over de onderhoudsbehoefte. Servicegegevens in de afstandsbediening, zie pagina 179.
Overzicht

1 Ontgrendelen
2 Vergrendelen
3 Voorkap openen, Voorkap en portieren openen
4 Achterklep openen, Achterklep en portieren openen
De functies van de toetsen 3 en 4 kunnen worden ingesteld afhankelijk van de uitrusting en exportvariant. Functies instellen, zie pagina 43.
Geïntegreerde sleutel

Toets indrukken op de achterzijde van de centrale sleutel, pijl 1 en sleutel uittrekken, pijl 2.
De geïntegreerde sleutel past in het bestuurdersportierslot.
Batterij vervangen

- Geïntegreerde sleutel uit de afstandsbediening nemen.
- Deksel van het batterijvak optillen, pijl 1.
-
Deksel van het batterijvak verwijderen, pijl 2.
-
Batterij van hetzelfde type met de pluskant naar boven plaatsen.
-
Deksel terugdrukken.

Lege batterij bij een verzamelpunt of bij de servicedienst afgeven.
Nieuwe afstandsbedieningen
Nieuwe afstandsbedieningen zijn bij de service verkrijgbaar.
Verlies van afstandsbedieningen
De verloren afstandsbediening kan door de servicedienst worden geblokkeerd.
Noodherkenning van de afstandsbediening
Ook in een van de volgende situaties kunnen de stand-by van de radio en het rijden-stand-by tot stand gebracht worden:
Storing van de radio-overdracht door externe bronnen.
▶ Lege batterij van de afstandsbediening.
Storing van de radio-overdracht door mobiele radio-apparatuur in directe nabijheid van de afstandsbediening.
Storing van de radio-overdracht door lader bij het opladen in de auto, bijv. voor mobiele radio-apparatuur.
Wanneer geprobeerd wordt de stand-by van de radio in te schakelen of het rijden-stand-by te activeren, wordt een Check-Control-melding getoond.
Activeren van het rijden-stand-by bij noodherkenning van de afstandsbediening

Bij zo'n Check-Control-melding moet u de afstandsbediening loodrecht op de markering aan de stuurkolom houden en binnen 10 seconden met ingetrapte rem de start/stop-knop indrukken.
Personal Profile
Principe
Sommige functies van de auto kunnen individueel worden ingesteld.
Instellingen worden automatisch in het momenteel geactiveerde profiel opgeslagen.
Bij het ontgrendelen wordt de desbetreffende afstandsbediening herkend en het daarbij opgeslagen profiel wordt opgeroepen.
Persoonlijke instellingen worden ook weer herkend en opgeroepen, als tussentijds een andere persoon met een eigen afstandsbediening met de auto heeft gere- den.
Individuele instellingen worden opgeslagen voor drie persoonlijke profielen en een gast-profiel.
Instellingen overdragen
De persoonlijke instellingen kunnen in een andere auto met Personal Profile-functie worden
meegenomen. Verdere informatie is bij de service verkrijgbaar.
De instellingen worden als volgt overgedragen:
Via de USB-interface onder de midden-armsteun.
Via BMW Online.
Profielbeheer
Profielen oproepen
Onafhankelijk van de gebruikte afstandsbedie- ning kan een ander profiel worden opgeroepen.
- "Instellingen"
- "Profielen"
- Profiel selecteren.
Opgeroepen profiel wordt toegewezen aan de op dat moment gebruikte afstandsbediening.
Profielen herbenoemen
- "Instellingen"
- "Profielen"
Actueel profiel is geselecteerd.
- "Opties" oproepen.
- "Huidige profiel wijzigen"
Profielen resetten
Instellingen van het actieve profiel worden op de fabrieksinstellingen gereset.
- "Instellingen"
- "Profielen"
Actueel profiel is geselecteerd.
- "Opties" oproepen.
- "Huidige profiel terugzetten"
Profielen importeren
Bestaande instellingen en contacten worden met het geïmporteerde profiel overschreven.
- "Instellingen"
- "Profielen"
- "Profiel importeren"
- BMW Online: "BMW Online"
De meeste instellingen van het actieve profiel en de opgeslagen contacten kunnen worden geëxporteerd.
Dit kan van voordeel zijn bij de opslag en het herstel van persoonlijke instellingen, bijv. voor een verblijf in de werkplaats.
- "Instellingen"
- "Profielen"
- "Profiel exporteren"
- BMW Online: "BMW Online"
Gastprofiel gebruiken
Met het gastprofiel kunnen individuele instellingen worden verricht zonder de drie persoonlijke profielen te beïnvloeden.
Dit kan nuttig zijn bij tijdelijk gebruik van de auto door bestuurders zonder eigen profiel.
- "Instellingen"
- "Profielen"
Actueel profiel is geselecteerd.
- "Gast" oproepen.
- Instellingen uitvoeren.
Opmerking: de naam van het gast-profiel kan niet worden gewijzigd.
Profiellijst bij start weergeven
De profiellijst kan bij elke start worden weergegeven voor de keuze van het gewenste profiel.
- "Instellingen"
- "Profielen"
- "Opties" oproepen.
- "Gebruikerslijst bij start"
Personal Profile instellingen
De volgende functies en instellingen kunnen in een profiel worden opgeslagen.
▶ Botsingswaarschuwing: waarschuwings- tijdstip.
Multimedia: laatst beluisterde audiobron.
- Ontgrendelen van het voertuig: instellingen.
Toetsen met voorkeurzenders: toewijzing.
▶ Uitstapverlichting: tijdinstelling.
▶ Geluid: klankinstellingen.
Aircosysteem/Airconditioning: instellingen.
▶ Navigatie: kaartaanzichten, routecriteria, gesproken aanwijzingen aan/uit.
Park Distance Control PDC: geluidssterkte van het geluidssignaal instellen.
Radio: opgeslagen zenders, laatste beluisterde zender, speciale instellingen.
▶ Camera: selectie van functies en wijze van weergeven.
▶ Taal op het Control Display.
▶ Dagrijlicht: ingestelde toestand.
Kort knipperen.
▶ Vergrendelen van de auto: na korte tijd of na het wegrijden.
Centrale vergrendeling
Principe
De centrale vergrendeling treedt in werking als het bestuurdersportier gesloten is.
Gelijktijdig ontgrendeld of vergrendeld worden:
Portieren.
Achterklep.
▶ Tankklep.
▶ Laadaansluitklep.
Bediening van buitenaf
Via de afstandsbediening.
Via de portierhandgrepen aan het bestuurders- of passagiersportier.
Tegelijkertijd met het ver- en ontgrendelen met de afstandsbediening:
- Afhankelijk van de uitrusting wordt de diefstalbeveiligingsinstallatie mee in-/uitgeschakeld. De diefstalbeveiligingsinstallatie voorkomt, dat de portieren via de vergrendelingsknoppen of de portieropener ont-grendeld kunnen worden.
Begroetingslicht, interieurverlichting en bodemverlichting worden in- of uitgeschakeld.
▶ Alarminstallatie, zie pagina 44, wordt geactiveerd of gedeactiveerd.
Bediening van binnenuit

Toets indrukken.
Auto wordt vergrendeld.
Toets indrukken.
Auto wordt ontgrendeld.


Indien de auto langs binnen vergrendeld wordt, dan blijven de tankklep en de laadaansluitklep ontgrendeld.
Bij een zwaar ongeval ontgrendelt de centrale vergrendeling automatisch.
Waarschuwingsknipperlichtinstallatie en interieurverlichting worden ingeschakeld.
Openen en sluiten: van buitenaf
Met de afstandsbediening
Algemeen

Afstandsbediening meenemen
Personen of huisdieren in de auto kunnen de portieren van binnen uit vergrendelen. De afstandsbediening bij het verlaten van de auto daarom altijd meenemen, zodat de auto altijd weer van buitenaf kan worden geopend.
Ontgrendelen

Toets van de afstandsbediening in- drukken.
Auto wordt ontgrendeld.
Begroetingslicht, interieurverlichting en bodemverlichting worden ingeschakeld.
Er kan worden ingesteld, hoe de auto wordt ontgrendeld. Instellingen uitvoeren, zie pagina 43.
Comfortopenen
Met de afstandsbediening kunnen tegelijkertijd de ruiten en het glazen dak worden geopend.

Toets van de afstandsbediening wordt ingedrukt gehouden.
Ruiten en glazen dak worden geopend.
Loslaten van de toets stopt de beweging.
Vergrendelen

Toets van de afstandsbediening indrukken.

Van buitenaf vergrendelen
De auto niet van buitenaf vergrendelen als zich daarin personen bevinden, omdat een ontgrendelen van binnenuit bij sommige exportuitvoeringen niet mogelijk is.
Comfortsluiten
Met de afstandsbediening kunnen tegelijkertijd de ruiten en het glazen dak worden gesloten en de buitenspiegels worden ingeklapt.

Toets van de afstandsbediening wordt ingedrukt gehouden.

Het sluiten observeren
Het sluiten observeren en ervoor zorgen dat niemand wordt ingeklemd.
Loslaten van de toets stopt de beweging.
Interieurverlichting en bodemverlichting inschakelen

Toets van de afstandsbediening bij vergrendelde auto indrukken.
Voorkap openen

Toets van de afstandsbediening ca. 1 seconde indrukken.
Afhankelijk van de uitrusting en exportvariant kan ingesteld worden, of via de toets van de afstandsbediening ook de portieren ontgrendeld worden.

Afstandsbediening niet onder de voorkap leggen
Afstandsbediening meenemen en nooit onder de voorkap opbergen, anders wordt de afstandsbediening bij het sluiten van de voorkap in de auto ingesloten.
Achterklep openen

Toets van de afstandsbediening ca.
1 seconde indrukken.
Afhankelijk van de uitrusting en exportvariant kan ingesteld worden, of via de toets van de afstandsbediening ook de portieren ontgrendeld worden.
De achterklep gaat open, onafhankelijk van het feit of zij was vergrendeld of ontgrendeld.
De achterklep kantelt bij het openen naar achteren en naar boven. Erop letten dat voldoende ruimte aanwezig is.
Bij sommige uitvoeringen kan de achterklep alleen met de afstandsbediening geopend worden als de auto ontgrendeld is.

Afstandsbediening nooit in bagage-ruimte opbergen
Afstandsbediening meenemen en nooit in bagageruimte opbergen, anders wordt de afstandsbediening bij het sluiten van de achterklep in de auto ingesloten.

Zorg voor bescherming tegen scherpe voorwerpen
Puntige of scherpe voorwerpen kunnen tijdens het rijden tegen de achterruit stoten en de verwarmingsdraden van de achterruit beschadigen. Zorg voor bescherming tegen scherpe voorwerpen◀
Storing
Is ver- of ontgrendelen met de afstandsbedie- ning niet meer mogelijk, dan kan de batterij ontladen zijn of er is een fout opgetreden door externe bronnen, zoals mobiele telefoons, me- talen voorwerpen, hoogspanningsleidingen, masten enz.
In dit geval het bestuurdersportier met de ge-integreerde sleutel via het portierslot ver- of ontgrendelen.
Via het portierslot
Algemeen

Van buitenaf vergrendelen
De auto niet van buitenaf vergrendelen als zich daarin personen bevinden, omdat een ontgrendelen van binnenuit bij sommige exportuitvoeringen niet mogelijk is.

Sleutel verwijderen voordat aan de portierhandgreep wordt getrokken
Alvorens aan de portierhandgreep buiten te trekken de sleutel verwijderen, anders kunnen lak en sleutel worden beschadigd.
- Geïntegreerde sleutel uit de afstandsbediening nemen.
-
Afdekkap op het portierslot verwijderen.
Daarvoor de ingebouwde sleutel langs onderen in de opening schuiven en de afdek-kap ontgrendelen. -
Portierslot ont- of vergrendelen.
De alarminstallatie activeert bij het openen van het portier, als via het portierslot wordt ont-grendeld.
Om dit alarm te beëindigen, de auto met de afstandsbediening ontgrendelen of de stand-by van de radio tot stand brengen, evt. door noodherkenning van de afstandsbediening.
Via het portierslot wordt alleen het bestuurderportier ont- of vergrendeld.
Portieren en achterklep vergrendelen zonder afstandsbediening
Om alle portieren en de achterklep te vergren- delen zonder afstandsbediening.
-
Bij gesloten portieren met de toets voor de centrale vergrendeling in het interieur het voertuig vergrendelen.
-
Bestuurders- of passagiersportier ontgrendelen en openen.
-
Auto vergrendelen.
▶ Vergrendel het bestuurdersportier met de geïntegreerde sleutel via het deurslot of
Druk de vergrendelknop van de passagiersdeur omlaag en sluit de deur van buiten.
Het vergrendelen van de tankklep en de laadaansluitklep is alleen met de afstandsbediening mogelijk.
Handmatige bediening
Bij een elektrisch defect het bestuurdersportier met de geïntegreerde sleutel via het portierslot ont- of vergrendelen.
Openen en sluiten: van binnenuit
Vergrendelen en ontgrendelen

Toets indrukken. Auto wordt vergrendeld.

Toets indrukken.
Auto wordt ontgrendeld.
Door het indrukken van de toets worden de portieren en de achterklep bij gesloten voorportieren ver- of ontgrendeld, maar niet diefstalbeveiligd.
Tankklep en laadaansluitklep blijven ontgren- deld.
Ontgrendelen en openen
Ontgrendel via de toets voor de centrale vergrendeling de deuren gezamenlijk en trek vervolgens aan de portieropener boven de armsteun of
Portieropener aan het te openen portier trekken. De andere portieren blijven vergrendeld.
Achterportieren
Openen

De achterportieren kunnen enkel met de greep aan de binnenzijde geopend worden, pijl. Het overeenkomstige voorportier moet daarbij geopend zijn.
Voor het uitstappen erop letten dat de veiligheidsgordel vooraan volledig opgerold is.
Sluiten
Bij het sluiten erop letten dat het overeenkomstige voorportier ver genoeg geopend is.
Voorkap
Van buitenaf openen

Toets van de afstandsbediening ca. 1 seconde indrukken.
De voorkap wordt ontgrendeld en iets opgetild.
Afhankelijk van de uitrusting en exportvariant kan ingesteld worden, of via de toets van de afstandsbediening ook de portieren ontgrendeld worden.
Van binnenuit openen

Bij stilstaande auto de toets in de beenruimte van de bestuurder indruk-
ken.
De voorkap wordt ontgrendeld en iets opgetild.
Handmatig openen
Bijv. bij een elektrisch defect.
- Afdekking onder de ontgrendeltoets weg-nemen.

- Draadkabel verwijderen en naar achteren trekken.
Voorkap wordt ontgrendeld.
Achterklep
Openen
Bij het openen van de achterklep letten op vol- doende vrije ruimte om schade te voorkomen.

Zorg voor bescherming tegen scherpe voorwerpen
Puntige of scherpe voorwerpen kunnen tijdens het rijden tegen de achterruit stoten en de verwarmingsdraden van de achterruit beschadi-gen. Zorg voor bescherming tegen scherpe voorwerpen◀
Van buitenaf openen

Knop van de achterklep indrukken.
Toets van de afstandsbediening ca. 1 seconde indrukken.
Afhankelijk van de uitrusting en exportvariant kan ingesteld worden, of via de toets van de afstandsbediening ook de portieren ontgrendeld worden.
De achterklep wordt ontgrendeld en kan naar boven worden gezwenkt.
Van binnenuit openen

Bij stilstaande auto de toets in de beenruimte van de bestuurder indruk-
ken.
De achterklep wordt ontgrendeld en iets opge- tild.
Sluiten

Handgreepkommen aan de binnenbekleding van de achterklep vereenvoudigen het naar beneden trekken.

Sluitomgeving vrijhouden
Let erop dat de omgeving van de achterklep vrij is, anders kan lichamelijk letsel worden veroorzaakt.

Afstandsbediening nooit in bagage-ruimte opbergen
Afstandsbediening meenemen en nooit in bagageruimte opbergen, anders wordt de afstandsbediening bij het sluiten van de achterklep in de auto ingesloten.
Comforttoegang
Principe
De toegang tot de auto is zonder gebruik van de afstandsbediening mogelijk.
Het volstaat de afstandsbediening bij zich te dragen, bijv. in de jaszak.
De auto herkent automatisch de afstandsbediening in de nabijheid of in het interieur.
Comforttoegang ondersteunt de volgende functies:
Ontgrendelen/vergrendelen van de auto.
▶ Comfortsluiten.
Kofferdeksel afzonderlijk ontgrendelen.
Rijden-stand-by tot stand brengen.
Voorwaarden voor een correcte werking
Er zijn geen externe storingsbronnen in de buurt.
▶ Voor het vergrendelen moet zich de af-standsbediening buiten de auto bevinden.
▶ Het opnieuw ont- en vergrendelen is pas na ca. 2 seconden mogelijk.
▶ Het rijden-stand-by kan slechts tot stand gebracht worden wanneer de afstandsbediening zich in de auto bevindt.
Vergelijk met gebruikelijke afstandsbediening
De genoemde functies kunnen door indrukken van de toetsen van de afstandsbediening of de comforttoegang worden bediend.
Ontgrendelen

Portierhandgreep van het bestuurders- of passagiersportier volledig omvatten, pijl 1.
Komt overeen met het indrukken van de toets van de afstandsbediening 🔍.
Vergrendelen

Het oppervlak van de portierhandgreep, pijl 2, met de vinger gedurende ca. 1 seconde drukken.
Komt overeen met het indrukken van de toets van de afstandsbediening
Om de accu te sparen, erop letten dat voor het vergrendelen alle stroomverbruikers zijn uitgeschakeld.
Comfortsluiten
Het oppervlak van de portierhandgreep, pijl 2, met de vinger ingedrukt houden.
Naast het vergrendelen worden de ruiten en het glazen dak gesloten.

Het sluiten observeren
Het sluiten observeren en ervoor zorgen dat niemand wordt ingeklemd.
Achterklep afzonderlijk ontgrendelen
Knop aan de buitenzijde van de achterklep indrukken.
Komt overeen met het indrukken van de toets van de afstandsbediening ◆.

Afstandsbediening nooit in bagage-ruimte opbergen
Afstandsbediening meenemen en nooit in bagageruimte opbergen, anders wordt de afstandsbediening bij het sluiten van de achterklep in de auto ingesloten.
Storing
De comforttoegang kan in werking worden verstoord door externe bronnen, zoals mobiele telefoons, metalen voorwerpen, hoogspanningsleidingen, zendmasten enz.
De auto in dit geval met de toetsen van de afstandsbediening of met de geïntegreerde sleutel via het portierslot openen of sluiten.
Instellingen
Ontgrendelen
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
-
"Instellingen"
-
"Portieren/sleutels"
-
Symbol selecteren of "Afstandsbed.:"
-
Gewenste functie selecteren:
Enkel het bestuurdersportier, de tank-klep en laadaansluitklep worden ontgrendeld. Opnieuw indrukken ontgrendelt de gehele auto.
▶ "Alle port."
Gehele auto wordt ontgrendeld.
Afhankelijk van de uitrusting en exportvariant kan ingesteld worden, of via de toetsen ◆ en 📄 de afstandsbediening ook de portieren ontgrendeld worden.
Bevestigingssignalen van de auto
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
-
"Instellingen"
-
"Portieren/sleutels"
-
"Knipperen ver-/ontgrend."
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
-
"Instellingen"
-
"Portieren/sleutels"
-
Gewenste functie selecteren:
"Automat. vergrendelen"
Na een korte tijd wordt automatisch vergrendeld als geen portier wordt geopend.
"Vergrend. bij wegrijden"
Na het wegrijden wordt automatisch vergrendeld.
Alarminstallatie
Principe
De alarminstallatie reageert op:
▶ Openen van een portier, de voorkap of de achterklep.
▶ Bewegingen in het interieur van de auto.
▶ Veranderen van de helling van de auto, bijv. bij poging tot diefstal van de wielen.
▶ Onderbreking van de accuspanning.
Onbevoegde handelingen signaleert de alarm- installatie kortstondig door:
Akoestisch alarm.
Inschakelen van de waarschuwingsknipperlichtinstallatie.
Inschakelen en uitschakelen
Algemeen
Tegelijkertijd met het vergrendelen en ont-grendelen van de auto via de afstandsbedie- ning of via de comforttoegang wordt ook de alarminstallatie in- of uitgeschakeld.
Portierslot bij geactiveerde alarminstallatie
De alarminstallatie activeert bij het openen van het portier, als via het portierslot wordt ont-grendeld.
Om dit alarm te beëindigen, de auto met de afstandsbediening ontgrendelen of de stand-by van de radio tot stand brengen, evt. door noodherkenning van de afstandsbediening.
Alarm beëindigen
Om het alarm te beëindigen:
De auto met de afstandsbediening ont-grendelen.
Bij comforttoegang: bij meegevoerde afstandsbediening portierhandgreep van het bestuurders- of passagiersportier volledig omvatten.
Controlelamp aan de binnenspiegel

Controlelamp knippert om de 2 seconden:
Het systeem is geactiveerd.
Controlelamp knippert na het vergrendelen:
Portieren, voorkap of achterklep zijn niet correct gesloten, het overige gedeelte is beveiligd.
Controlelamp knippert dan na 10 seconden continu. Interieurbeveiliging en hellingshoeksensor zijn niet actief.
Controlelamp dooft na het ontgrendelen: Aan de auto werd niet gemanipuleerd.
Controlelampje knippert na het ontgrendelen zo lang, tot stand-by van de radio wordt ingeschakeld, echter maximaal ca. 5 minuten:
Alarm werd geactiveerd.
Hellingshoeksensor
Hellingshoek van de auto wordt bewaakt.
De alarminstallatie reageert bijv. bij poging tot diefstal.
Interieurbeveiliging
Voor een optimale werking moeten ruiten en glazen dak gesloten zijn.
Ongewild alarm vermijden
Hellingshoeksensor en interieurbeveiliging kunnen samen worden uitgeschakeld, bv. in de volgende situaties:
In wasinstallatie of wasstraten.
In duplex-garages.
Bij het transport op autotreinen, op zee of op een aanhangwagen.
Bij dieren in de auto.
Hellingshoeksensor en interieurbeveiliging uitschakelen

Toets van de afstandsbediening binnen 10 seconden opnieuw indrukken, zodra to vergrendeld is.
Controlelamp brandt ca. 2 seconden en knippert dan verder.
Hellingshoeksensor en interieurbeveiliging zijn tot ze opnieuw worden ont- en vergrendeld uitgeschakeld.
Ruitbediening
Algemeen

Afstandsbediening meenemen
De afstandsbediening bij het verlaten van de auto meenemen, anders kunnen bv. kinderen de ruitbediening activeren en zich verwonden.

Schakelaar tot het drukpunt drukken.
De ruit gaat open zolang de schakelaar wordt gehouden.

Schakelaar door het drukpunt heen ken.
De ruit opent automatisch.
Opnieuw drukken van de schakelaar stopt de beweging.
Comfortopening, zie pagina 38, via de afstandsbediening.
Sluiten

Sluitbereik vrijhouden
De ruit tijdens het sluiten observeren en ervoor zorgen dat het bewegingsbereik vrij is, anders kan lichamelijk letsel worden veroorzaakt.

Schakelaar tot het drukpunt trekken.
De ruit sluit zolang de schakelaar wordt gehouden.
Schakelaar door het drukpunt heen trekken.
De ruit sluit automatisch.
Drukken van de schakelaar stopt de beweging.
Comfortbediening, zie pagina 38, via de afstandsbediening.
Comfortsluiten, zie pagina 43, bij comforttoegang.
Na het uitschakelen van het rijdenstand-by
De ruiten kunnen nog worden bediend:
In stand-by van de radio gedurende langere tijd.
▶ Na het uitschakelen van de stand-by van de radio ca. 1 minuut lang.
Inklembeveiliging
Overtreft de sluitkracht bij het sluiten van een ruit een bepaalde waarde, dan wordt het sluiten onderbroken.
De ruit gaat weer een iets open.
Inklemgevaar ondanks inklembeveiliging Ondanks inklembeveiliging erop letten dat het sluitbereik van de ruit vrij is. Anders kan bij uitzonderlijke gevallen, bijv. bij dunne voorwerpen niet worden gegarandeerd dat het sluiten wordt onderbroken.
Geen accessoires aan ruiten Geen accessoires in het bewegingsbereik van de ruiten bevestigen, anders wordt de werking van de inklembeveiliging belemmerd.
Sluiten zonder inklembeveiliging
Sluitbereik vrijhouden De ruit tijdens het sluiten observeren en ervoor zorgen dat het bewegingsbereik vrij is, anders kan lichamelijk letsel worden veroorzaakt.
Bijvoorbeeld bij gevaar van buitenaf of als bv. ijsvorming op de ruiten een normaal sluiten verhindert, als volgt te werk gaan:
- Schakelaar tot over het drukpunt heen trekken en houden.
De inklembeveiliging wordt beperkt en de ruit opent een klein beetje als de sluit- kracht een bepaalde waarde overschrijdt. - Schakelaar binnen ca. 4 seconden op-nieuw over het drukpunt heen trekken en houden.
De ruit sluit zonder inklembeveiliging.
Transparant dak, transparant elektrisch
Algemeen
Sluitbereik vrijhouden Glazen dak tijdens het sluiten observeren en ervoor zorgen dat het bewegingsbereik vrij is, anders kan lichamelijk letsel worden veroorzaakt.
Afstandsbediening meenemen De afstandsbediening bij het verlaten van de auto meenemen, anders kunnen bv. kinderen het dak bedienen en zich verwonden.

Schakelaarbewegingen

Schakelaar naar boven drukken: het glazen dak wordt opgetild of gesloten.

Schakelaar tot aan het drukpunt naar voren of achteren drukken: het glazen dak beweegt zolang de schakelaar ingedrukt wordt.
Schakelaar voorbij het drukpunt naar voren of achteren drukken: na het loslaten van de schakelaar beweegt het glazen dak automatisch.
Glazen dak in gesloten positie
▶ Schakelaar naar boven drukken: het dak wordt opgetild.
▶ Schakelaar tot aan het drukpunt naar achteren drukken: het dak wordt eerst opgetild en vervolgens geopend, zolang de schakelaar ingedrukt wordt.
▶ Schakelaar voorbij het drukpunt naar achteren drukken: het dak wordt eerst opgetild en vervolgens helemaal geopend.
Opnieuw drukken van de schakelaar stopt de beweging
Glazen dak in opgetilde positie
▶ Schakelaar naar boven of naar voren drukken: het dak wordt gesloten zolang de schakelaar ingedrukt wordt.
▶ Schakelaar tot aan het drukpunt naar achteren drukken: het dak wordt geopend zo- lang de schakelaar ingedrukt wordt.
▶ Schakelaar voorbij het drukpunt naar achteren drukken: het dak wordt volledig geopend.
Opnieuw drukken van de schakelaar stopt de beweging
▶ Schakelaar naar boven drukken: het dak wordt tot de opgetilde positie gesloten zo- lang de schakelaar ingedrukt wordt.
▶ Schakelaar tot aan het drukpunt naar voren drukken: het dak wordt gesloten zolang de schakelaar ingedrukt wordt.
▶ Schakelaar voorbij het drukpunt naar voren drukken: het dak wordt in de opgetilde positie gebracht.
Opnieuw drukken van de schakelaar stopt de beweging
Na het uitschakelen van het rijdenstand-by
Het dak kan na het uitschakelen van het rijdenstand-by nog ca. 1 minuut lang worden bediend.
Inklembeveiliging
Indien de sluitkracht bij het sluiten van het glazen dak een bepaalde waarde overschrijdt, dan wordt het sluiten ongeveer vanaf het midden van de dakopening onderbroken.
Het dak gaat weer een beetje open.

Inklemgevaar ondanks inklembeveiliging
Ondanks inklembeveiliging erop letten dat het sluitbereik van het dak vrij is. Anders kan bij uitzonderlijke gevallen, bijv. bij dunne voorwerpen niet worden gegarandeerd dat het sluiten wordt onderbroken.
Sluiten zonder inklembescherming uit geopende positie
Bijvoorbeeld bij gevaar van buitenaf als volgt te werk gaan:
- Schakelaar over het drukpunt heen naar voren schuiven en houden.
De inklembeveiliging wordt beperkt en het dak opent een klein beetje als de sluit-kracht een bepaalde waarde overschrijdt.
- Schakelaar opnieuw over het drukpunt heen naar voren schuiven en zo lang houden, tot het dak zonder inklembeveiliging sluit.
Sluiten zonder inklembescherming uit verhoogde positie
Bij gevaar van buiten, de schakelaar over het drukpunt heen naar voor schuiven en zo houden.
Het dak sluit zonder inklembeveiliging.
Initialiseren na stroomonderbreking
Na een stroomonderbreking tijdens het openen of sluiten kan het dak mogelijk slechts beperkt bediend worden.
Systeem initialiseren
Het systeem kan bij stilstaand voertuig of tot stand gebracht rijden-stand-by geïntialiseerd worden.
Bij de initialisatie sluit het dak zonder inklembeveiliging.

Sluitbereik vrijhouden
Glazen dak tijdens het sluiten observeren en ervoor zorgen dat het bewegingsbereik vrij is, anders kan lichamelijk letsel worden veroorzaakt.

Schakelaar naar boven drukken en in die stand houden tot de initialisatie afgerond is:
De initialisatie begint binnen 15 seconden en is afgesloten, als dak geheel is gesloten.
▶ Het dak sluit zonder inklembeveiliging.
Instellen
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Veilig zitten
Voorwaarde voor ontspannen rijden zonder vermoeid te raken is een zitpositie die aan uw behoeften is aangepast.
De zitpositie speelt bij een ongeval een be- langrijke rol in combinatie met de:
▶ Veiligheidsgordels, zie pagina 51.
▶ Hoofdsteunen, zie pagina 52.
Airbags, zie pagina 87.
Stoelen
Algemeen

Geen stoel instellen tijdens het rijden
Bestuurdersstoel niet tijdens het rijden instellen, anders kunt u door een onverwachte stoelbeweging de controle over de auto verliezen en een ongeval veroorzaken.

Rugleuning niet te ver naar achteren zetten
Ook aan passagierszijde de leuning tijdens het rijden niet te ver naar achteren zetten, anders bestaat bij een ongeval het gevaar onder de veiligheidsgordel door te schieten. De beschermende werking van de gordel gaat verloren.
Stoelen instellen
Overzicht

1 Langsrichting
2 Hoogte
3 Leuninghoek
Langsrichting

Aan hendel trekken en stoel in de gewenste richting schuiven.
Na de hendel te hebben losgelaten, de stoel lichtjes voor- of achteruit bewegen zodat hij juist aangrijpt.
Hoogte

Aan de hendel trekken en de stoel naar behoefte be- of ontlasten.
Leuninghoek

Aan de hendel trekken en de leuning naar behoefte be- of ontlasten.
Dorpel naar achteren
Opmerking

Leuning terugklappen en vergrendelen
Voor het wegrijden de leuningen terugklappen en vergrendelen, anders bestaat door een stoelbeweging gevaar voor ongevallen.
Comfortinstap
- Hendel tot de aanslag trekken.

- Leuning naar voren klappen.
Stoelverwarming vóór

Toets afhankelijk van de temperatuurstand eenmaal indrukken.
Hoogste temperatuur bij drie lichtende LED's.
Wordt de rit binnen ca. 15 minuten voortgezet, dan activeert de stoelverwarming zich automatisch met de laatst ingestelde temperatuur.
Indien ECO PRO+, zie pagina 147, geactiveerd is, wordt de stoelverwarming uitgeschakeld.
Uitschakelen

Toets langer indrukken.
LED's doven.
Veiligheidsgordels
Aantal veiligheidsgordels
Voor uw veiligheid en die van uw passagiers is uw auto uitgerust met vier veiligheidsgordels. Nochtans kunnen deze hun beschermende werking pas ontvouwen, als zij correct zijn omgegespt.
Opmerkingen
Veiligheidsgordels vóór elke rit op alle bezette plaatsen omdoen.
Airbags vormen een aanvullende veiligheids- voorziening op de veiligheidsgordels, maar vervangen deze niet.

Eén persoon per veiligheidsgordel
Eén veiligheidsgordel slechts voor 1 persoon gebruiken. Baby's en kinderen mogen niet op schoot worden genomen.

Gordel omdoen
De gordel mag niet verdraaid zitten en moet strak over het bekken en de schouder lo- pen; de gordel moet laag over de heup liggen en niet op het onderlichaam drukken. Anders kan de gordel bij een frontale aanrijding over de heup glijden en het onderlichaam verwon- den.
De veiligheidsgordel mag niet tegen de hals aanliggen, langs scherpe randen schuren, over breekbare voorwerpen in de kleding lopen of ingeklemd worden.

Slechtere werking van de gordel
Dikke kleding vermijden en de gordel ter hoogte van het bovenlichaam vaker naar boven toe straktrekken. Erop letten dat de gordel niet ingeklemd wordt, anders kan hij beschadigd raken en kan de werking ervan verslechteren.
Gordel sluiten

Het gordelslot moet bij het sluiten hoorbaar vastklikken.
Open de gordel
- Houd de gordel vast.
- Druk de rode toets in het slot in.
- Voer de gordel naar het oprolmechanisme.
Gordelherinnering voor bestuurders- en passagiersstoel

Er wordt een Check-Control-melding weergegeven. Controleren of de veiligheidsgordel correct is omgedaan.
De gordelherinnering wordt actief als de veiligheidsgordel op de bestuurderszijde niet is omgegespt.
Bij enkele exportuitvoeringen wordt de gordel- herinnering vanaf ca. 8 km/h ook actief als de passagiersgordel niet is omgegespt en als zware voorwerpen op de passagiersstoel lig- gen.
Beschadiging van de veiligheidsgordels
Na een aanrijding of bij een beschadiging:
Veiligheidsgordels inclusief de gordelspanners vervangen en gordelverankering laten contro- leren.

Veiligheidsgordels controleren en vervangen
De werkzaamheden alleen aan de service- dienst toevertrouwen, anders is een correcte
werking van deze veiligheidsvoorziening niet gewaarborgd.
Hoofdsteunen voorin
Afstand
De afstand tot het achterhoofd eventueel in- stellen via de hellingshoek van de stoelleuning.
Verwijderen
De hoofdsteunen kunnen niet verwijderd worden.
Hoofdsteunen achterin
Correct ingestelde hoofdsteunen
Een correct ingestelde hoofdsteun verkleint bij een aanrijding de kans op beschadiging van de nekwervels.

Hoofdsteun instellen
Hoofdsteunen op alle bezette zitplaatsen correct instellen, anders bestaat bij een ongeval groot gevaar voor letsel.
Hoogte
Hoofdsteun zodanig instellen, dat het midden ongeveer op oorhoogte zit.
Hoogte instellen

Omlaag: toets indrukken, pijl 1, en hoofdsteun omlaagschuiven.
Hoofdsteun omklappen

Hoofdsteunen uit-/inklappen
Hoofdsteunen alleen inklappen, wanneer er zich geen inzittenden achterin bevinden. Ingeklapte hoofdsteunen weer uitklappen, wanneer er inzittenden achterin worden meegenomen, anders bestaat er bij een ongeval verhoogd gevaar voor letsel.

Omlaagklappen: toets indrukken, pijl 1, en hoofdsteun omlaagdrukken, pijl 2.
▶ Naar boven klappen: hoofdsteun naar boven trekken.
Verwijderen
Hoofdsteun alleen verwijderen als op de betreffende zitplaats geen passagier wordt vervoerd.
Voor het demonteren van de hoofdsteun de stoel omklappen, zie pagina 132, anders kan de hoofdsteun niet weggehaald worden.

- Hoofdsteun tot de aanslag naar boven trekken.
- Toets indrukken, pijl 1, en hoofdsteun volledig verwijderen.

Voordat personen meerijden
De hoofdsteunen weer inbouwen als personen meerijden, anders is de beschermende werking van de hoofdsteun niet aanwezig.
Spiegels
Buitenspiegels
Overzicht

1 Instellen
2 Links/rechts, stoeprandautomatiek, afbui-gautomatiek
3 In- en uitklappen
Algemeen

Afstand juist inschatten
In de spiegel zichtbare objecten, zijn dichterbij dan het lijkt. De afstand tot het achteropkomende verkeer niet inschatten op grond van het zicht in de spiegels; dit kan het risico op ongevallen vergroten.
Afhankelijk van de uitrusting wordt de spiegel-instelling voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen. Bij het ontgrendelen van de auto via de afstandsbediening wordt de positie automatisch opgeroepen, als deinstelling hiervoor is geactiveerd.
Spiegel selecteren

Omschakelen op andere spiegel:
Spiegelomschakelaar verschuiven.
Analoog aan toetsbeweging.
Handmatig instellen
Bij o.a. een defect van de elektrische installatie tegen de randen van het spiegelglas drukken.
Stoeprandautomatiek
Principe
Met ingeschakelde achteruitversnelling kantelt het spiegelglas op de passagierszijde iets neer. Daardoor wordt het zicht bijv. bij het in-parkeren op de stoeprand of op andere hindernissen dichtbij de grond verbeterd.
Activeren

omschakelaar in de stand spiegel bestuurderskant schuiven.
- Keuzestand R inschakelen.
Uitschakelen
Spiegelomschakelaar in de stand buitenspiegel passagierszijde schuiven.
Afbuigautomatiek
Principe
Bij het afbuigen in de richting van de passagier wordt het spiegelglas gedraaid. Daardoor heeft men een beter zicht over het bereik aan de zij- kant van de auto.
Opmerking

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Het systeem vervangt niet de persoon-
lijke inschatting van de verkeerssituatie.
Verkeerssituatie en omgeving van de auto op-lettend in de gaten houden, anders zou er een ongeval kunnen ontstaan.
Voorwaarden
Auto in beweging.
▶ Snelheid onder 20 km/h.
Ingeschakelde richtingaanwijzer.
Activeren

Spiegelomschakelaar in de stand bui-
tenspiegel bestuurderskant schuiven.
Uitschakelen
Spiegelomschakelaar in de stand buitenspiegel passagierszijde schuiven.
In- en uitklappen

Toets indrukken.
Mogelijk tot ca. 20 km/h.
Gunstig, bv.
In wasinstallaties.
In nauwe straten.
Om handmatig ingeklapte spiegels weer terug te klappen.
Ingeklapte spiegels klappen bij ca. 40 km/h automatisch uit.

In wasstraat inklappen
De spiegels voor het wassen van de auto in wasstraten met de hand of de toets inklappen, anders kunnen de spiegels door de breedte van de auto worden beschadigd.
Beide buitenspiegels worden automatisch ver-warmd als het rijden-stand-by is ingeschakeld.
Automatisch dimmend
Beide buitenspiegels worden automatisch gedimd. Voor de regeling worden fotocellen in de binnenspiegel, zie pagina 55, gebruikt.
Binnenspiegel
Vermindering van verblinding

Om de verblinding te verminderen door de binnenspiegel de hendel naar voren kantelen.
Voor de regeling zitten er fotocellen:
In het spiegelglas.
Aan de achterzijde van de spiegel.
Voorwaarden voor een correcte werking
Voor een goede werking:
▶ Fotocellen schoonhouden.
Gebied tussen binnenspiegel en voorruit niet bedekken.
Stuurwiel
Algemeen

Niet tijdens het rijden instellen
Het stuurwiel niet instellen tijdens de rit,
anders dreigt gevaar voor ongevallen als ge- volg van een plotse beweging.
Instellen

- Hendel naar beneden klappen.
- Stuurwiel in langsrichting en hoogte aanpassen aan de stoelpositie.
- Hendel weer terugdrukken.
Kinderen veilig vervoeren
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
De juiste plaats voor kinderen
Opmerking

Kinderen in de auto
Kinderen niet zonder toezicht in de auto achterlaten; zij kunnen zichzelf en andere personen in gevaar brengen door bv. de portieren te openen.
Geschikte zitplaatsen
In principe zijn alle zitplaatsen in de auto, met uitzondering van de bestuurdersstoel, geschikt voor de montage van universele kinderveiligheidssystemen voor alle leeftijdsgroepen. De systemen moeten zijn goedgekeurd voor de betreffende leeftijdsgroep.
Kinderen altijd achterin
Ongevallenanalyse toont aan dat de achterbank de veiligste plek is voor kinderen.

Kinderen achterin vervoeren
Vervoer kinderen jonger dan 12 jaar of kleiner dan 150 cm alleen achterin in geschikte kinderveiligheidssystemen, anders ontstaat bij een ongeval verhoogd risico op persoonlijk letsel.
Kinderen op de bijrijdersstoel
Moet een veiligheidssysteem voor kinderen een keer op de passagiersstoel worden gebruikt, dan moeten voor- en zij-airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld. De deactive-ring van de passagiersairbag kan alleen met de sleutelschakelaar voor passagiersairbag, zie pagina 89, worden uitgevoerd.
Opmerking

Gedeactiveerde passagiersairbags
Wordt op de passagiersstoel een kinder-zitje gebruikt, dan moeten de passagiersair-bags uitgeschakeld zijn; anders bestaat bij het in werking treden van de airbags, zelfs bij ge-bruik van een kinderzitje, een verhoogd risico op lichamelijk letsel voor het kind.
Montage van veiligheidssystemen voor kinderen
Veiligheidssystemen voor kinderen
Voor elke leeftijds- en gewichtsklasse zijn bij de servicedienst overeenkomstige veiligheids-systemen voor kinderen verkrijgbaar.
Voor de montage
Bij verstelbare of omklapbare rugleuningen achterin:

Rugleuningen vergrendelen
Voor de montage van kinderzitjes de achterbankleuninghoek zo instellen dat het zitje vast tegen de leuning ligt en alle leuningen veilig vergrendeld worden. Anders is de stabilitieit van het kinderzitje beperkt en bestaat er verhoogd gevaar voor letsel door het onverwacht bewegen van de achterbankleuning.
Opmerkingen

Fabrieksgegevens van de veiligheidssystemen voor kinderen
Bij het kiezen, inbouwen en gebruiken van veiligheidssystemen voor kinderen de informatie van de fabrikant over het systeem in acht nemen, anders kan de beschermende werking worden belemmerd.

Kinderzitjes na een ongeval
Na een eventuele aanrijding alle onderdelen van het kinderveiligheidssysteem en het betreffende gordelsysteem laten controleren en zo nodig laten vervangen.
Deze werkzaamheden uitsluitend toevertrouwen aan de servicedienst.

Rugleuningen vergrendelen
Voor de montage van kinderzitjes de achterbankleuninghoek zo instellen dat het zitje vast tegen de leuning ligt en alle leuningen veilig vergrendeld worden. Anders is de stabilitieit van het kinderzitje beperkt en bestaat er verhoogd gevaar voor letsel door het onverwacht bewegen van de achterbankleuning.
Op de bijrijdersstoel
Airbags deactiveren
Vóór montage van een veiligheidssysteem voor kinderen op de passagiersstoel moeten de voor- en zij-airbag aan passagierszijde zijn uitgeschakeld.
Passagiersairbags met sleutelschakelaar deactiveren, zie pagina 89.

Passagiersairbags deactiveren
Wordt op de passagiersstoel een kinder-zitje gebruikt, dan moeten de passagiersair-bags uitgeschakeld zijn; anders bestaat bij het in werking treden van de airbags, zelfs bij ge-bruik van een kinderzitje, een verhoogd risico op lichamelijk letsel voor het kind.
Stoelpositie en -hoogte
Voor de montage van een universeel veiligheidssysteem voor kinderen de passagiersstoel in de achterste en hoogste stand brengen om een optimale zitting van de gordel en maximale bescherming bij een ongeval te bewerkstelligen.
De stand en de zittinghoogte niet meer wijzigen.
Kinderzitjesbevestiging ISOFIX
Opmerking

Fabrieksgegevens van het ISOFIX-veiligheidssysteem voor kinderen
Voor het aanbrengen en gebruiken van ISO-FIX-veiligheidssystemen voor kinderen de bedienings- en veiligheidsaanwijzingen van de fabrikant van het systeem opvolgen, anders kan de beschermende werking worden belemmerd.
Juiste ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen
De volgende ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen mogen achterin worden gebruikt. De desbetreffende klassen als letter of ISO-code-ring bevinden zich op de kinderzitjes.
Op de achterbank
A - ISO/F3 C - ISO/R3
B - ISO/F2 D - ISO/R2
B1 - ISO/F2X E - ISO/R1
Bij gebruik van het kinderzitje C - ISO/R3, D - ISO/R2 evt. de lengteverstelling van de voorstoel aanpassen.
Bevestigingen voor onderste ISOFIX-verankeringen

Onderste ISOFIX-verankeringen correct inklikken
Erop letten dat de onderste ISOFIX-veranke- ringen correct zijn ingeklikt en dat het veilig- heidssysteem voor kinderen stevig tegen de rugleuning aanligt, anders kan de bescher- mende werking worden belemmerd.
Voor de montage van ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen, de gordel uit het gebied van de kinderstoelbevestiging wegtrekken.
Positie

De bevestigingspunten voor de onderste ISO-FIX-verankeringen bevinden zich achter de gemarkeerde afdekkingen.
Montage van ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen
- Veiligheidssysteem voor kinderen monteren, zie Bedieningsinstructies van het systeem.
- Erop letten dat de beide ISOFIX-veranke- ringen correct vergrendeld zijn.
Bovenste ISOFIX-gordel
Bevestigingspunten

De bovenste bevestigingsriem van ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen heeft twee bevestigingspunten.
Opmerking

Bevestigingsogen
De bevestigingsogen voor de bovenste bevestigingsriem alleen gebruiken voor het bevestigen van een kinderzitje, anders kunnen de bevestigingspunten beschadigd worden.
Geleiding van de bevestigingsriem

Bevestigingsriem
Let erop dat de bovenste bevestigingsriem niet boven de hoofdsteunen of over scherpe randen en zonder verdraaiingen naar het bovenste bevestigingspunt wordt geleid, anders kan de veiligheidsgordel bij een ongeluk het kinderveiligheidssysteem niet zoals beoogd vastzetten.

1 Rijrichting
2 Hoofdsteun
3 Haak van bovenste bevestigingsriem
4 Bevestigingspunt/-oog
5 Rugleuning
6 Bovenste bevestigingsriem
Bovenste bevestigingsriem aan bevestigingspunt aanbrengen
- Hoofdsteun evt. hoger plaatsen.
- Bovenste bevestigingsriem tussen de bevestigingen van de hoofdsteunen door halen.
- Bevestigingsriem evt. tussen rugleuning en afdekking bagageruimte door halen.
- Haken van de bevestigingsriem in het bevestigingsoog bevestigen.
- Bevestigingsriem strak omlaag trekken.
- Hoofdsteun evt. naar beneden brengen en vergrendelen.
Rijden
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Start-/stopknop
Principe

Door indrukken van de start-/stopknop wordt de gereedheid in- of uitgeschakeld.
Het rijden-stand-by wordt ingeschakeld als bij het indrukken
van de start-/stopknop de rem wordt ingetrapt.
Opnieuw indrukken van de start-/stopknop schakelt het rijden-stand-by opnieuw uit en de stand-by van de radio wordt ingeschakeld.
Stand-by van de radio
Een aantal stroomverbruikers is gebruiksklaar.
De stand-by van de radio wordt automatisch uitgeschakeld:
▶ Na ca. 8 minuten.
- Door te vergrendelen met de centrale vergrendeling.
Bij lage laadtoestand van de accu's.
De stand-by van de radio wordt ook ingeschakeld wanneer bij afgezette motor de aan/uit-knop op de radio ingedrukt wordt.
Gereedheid
Alle stroomverbruikers zijn gebruiksklaar. Op het instrumentenpaneel worden kilometer- en dagtellers weergegeven.
Om de accu te sparen, gereedheid en geactiveerde stroomverbruikers enkel gebruiken voor de duur dat ze nodig zijn.
Rijden-stand-by
Bij ingeschakeld rijden-stand-by is de auto gereed om te rijden.
Alle systemen zijn gebruiksklaar.
De controle- en waarschuwingslampjes op het instrumentenpaneel branden niet allemaal even lang.
Het ingeschakelde rijden-stand-by komt overeen met de draaiende motor bij conventionele auto's. Het uitgeschakelde rijden-stand-by komt overeen met de afgezette motor.
Bij het parkeren het rijden-stand-by en niet be-nodigde stroomverbruikers uitschakelen om de accu te sparen.
Het rijden-stand-by wordt automatisch uitgeschakeld:
Bij het vergrendelen, als het dimlicht is ingeschakeld.
Bij lage laadtoestand van de accu's.
Bij het openen of sluiten van het bestuurdersportier, wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder is afgedaan en het dimlicht is uitgeschakeld.
Bij het afdoen van de veiligheidsgordel van de bestuurder, wanneer het bestuurdersportier is geopend en het dimlicht is uitgeschakeld.
Na het openen of sluiten van het bestuurdersportier of het afdoen van de veiligheidsgordel van de bestuurder blijft de stand-by van de radio actief.
Opmerking
Bij ingeschakeld rijden-stand-by wordt de radio bij het openen van het portier automatisch in stand-by geschakeld, als het licht uit-of de dagrijverlichting ingeschakeld is.

Keuzehendelstand P bij uitgeschakelde gereedheid
Bij uitgeschakelde gereedheid wordt automatisch de keuzehendelstand P ingeschakeld. Erop letten dat bijv. in de wasstraat de gereedheid niet onbedoeld wordt uitgeschakeld.
Details rijden-stand-by
Algemeen

Auto niet zonder toezicht laten staan De auto niet zonder toezicht met inge- keld rijden-stand-by laten staan, dit kan arlijk zijn.
Rijden-stand-by inschakelen
-
Bestuurdersportier sluiten.
-
Rempedaal indrukken.
-
Start-/stopknop indrukken.
Rijden-stand-by is ingeschakeld.
Weergave op het instrumentenpaneel

De weergave READY geeft aan, dat de auto gereed is om te rijden.
Weergave op de start-/stopknop
Algemeen

Het rijden-stand-by wordt ook weergegeven door het licht op de start-/stopkop.
Licht pulseert oranje
▶ Na het ontsluiten en openen van het portier.
▶ Na het uitschakelen van het rijden-stand-by.
Licht constant blauw
Bij het inschakelen van het rijden-stand-by brandt het licht blauw. De auto is gereed om te rijden. Op het instrumentenpaneel brandt de weergave READY. Hierbij klinkt bovendien een signaal.
Wegrijden
Rijden is onder de volgende voorwaarden mogelijk:
▶ Laadtoestand van de hoogspanningsaccu is voldoende.
▷ Bestuurdersportier is gesloten.
Wegrijden:
- Rijden-stand-by inschakelen.
- Rem intrappen en in keuzestand D of R schakelen.
- Parkeerrem vrijzetten.
- Wegrijden door het rijpedaal in te trappen.
Keuzestanden

De keuzestand wordt weergegeven op de versnellingskeuzeschakelaar.
D Drive
Stand voor normaal rijden.
R achteruit
Alleen bij stilstaande auto inschakelen.
N neutraal, stationair
Bijv. in wasstraten inschakelen. De auto kan vrij rollen.
P Parkeren
Enkel inschakelen bij stilstaande auto en inge-trapte rem. De aangedreven wielen worden ge-blokkeerd.
P wordt automatisch ingeschakeld:
Wanneer bij ingeschakeld rijden-stand-by en geschakelde keuzestand D of R de gordel aan de bestuurdersstoel losgemaakt wordt en het rem- noch rijpedaal wordt ingetrapt.
Na het uitschakelen van het rijden-stand-by via de start-/stopknop, wanneer keuze-stand D of R ingeschakeld is.
Bij het uitschakelen van de gereedheid.
Voor het verlaten van de auto controleren dat de stand P van de keuzehendel is ingelegd.
Anders kan de auto zich in beweging zetten.
Op hellingen daarnaast ook de parkeerrem vastzetten, zie pagina 65.
Keuzestanden inschakelen
Algemeen
Interlock: de keuzehendelstand P kan enkel bij ingeschakeld rijden-stand-by verla- ten worden.
Shiftlock: bij stilstaande auto het rempe-daal indrukken alvorens vanuit P of N te schakelen, omdat het schakelverzoek anders niet wordt uitgevoerd.
Shiftlock: voor het schakelen vanuit P de laadkabel aftrekken van de auto, anders wordt het schakelverzoek niet uitgevoerd.
N, D, R inschakelen

Versnellingskeuzeschakelaar in de gewenste richting draaien.
De ingeschakelde keuzestand wordt weergegeven op de versnellingskeuzeschakelaar.
P inschakelen

Voor het verlaten van de auto
Voor het verlaten van de auto bij ingeschakeld rijden-stand-by de keuzehendelstand P inschakelen en de parkeerrem vastzetten, anders is de auto niet beveiligd tegen het wegrollen.
Rijden-stand-by uitschakelen
Na het parkeren van de auto kunnen bedrijfs- geluiden van het elektrische systeem, bijv. de koeling van de hoogspanningsaccu, hoorbaar zijn.
Na het stoppen:
- Rem intrappen en keuzehendelstand P inschakelen.
- Parkeerrem bedienen.
- Start-/stopknop indrukken.
De weergave READY gaat uit en er klinkt een signaal.
Bij langere stilstandfasen de aanwijzingen in het hoofdstuk Verzorging in acht nemen, zie pagina 195.
Voor het binnenrijden van de wasstraat
Voor het rollen van de auto in de wasstraat, de informatie over Wassen in automatische was-installaties of wasstraten, zie pagina 192, in acht nemen.
Rijden in detail: eDRIVE
Opmerkingen

Slechte waarneembaarheid bij elektrisch rijden
Bij elektrisch rijden erop letten, dat voetgangers en andere verkeersdeelnemers de auto door ontbrekende motorgeluiden niet zoals gewend waarnemen. Bijv. bij het in- en uitparkeren bijzonder aandachtig te werk gaan.

De voet voorzichtig van het rijpedaal nemen
De voet voorzichtig van het rijpedaal nemen, aangezien de remwerking van de elektromotor sterker kan zijn dan bij een voertuig met verbrandingsmotor. Anders kan een plotse vermindering van de snelheid andere verkeers-deelnemers hinderen.
Standen van het rijpedaal

1 Vertraging
2 Zeilen
3 Acceleratie of constante snelheid: eDRIVE
Vertraging
De vertraging hangt af van de stand van het rijpedaal. Hoe minder het rijpedaal bediend wordt, hoe groter de vertraging. Daarbij wordt energie teruggewonnen en wordt de hoogspanningsaccu opgeladen.
Indien het rijpedaal wordt losgelaten, lijkt de vertraging op een licht remmen. Bovendien gaan de remlichten branden zonder dat het rempedaal bediend wordt.
Energieterugwinning: CHARGE
De hoogspanningsaccu wordt deels opnieuw opgeladen door energieterugwinning. De elektromotor werkt bij het vertragen als een dynamo en zet de bewegingsenergie om in elektrische energie.
Energie kan teruggewonnen worden, wanneer er aan de volgende voorwaarden is voldaan:
▶ Auto is in beweging.
▶ Snelheid hoger dan ca. 20 km/h.
▶ Keuzestand D of R is ingeschakeld.
Rijpedaal wordt niet of slechts in het eerste derde van de pedaalslag bediend.
Energie kan in de volgende situaties niet te-ruggewonnen worden:
▷ Terwijl de rijstabiliteitssystemen zoals DSC regelen, ook wanneer dit niet wordt weergegeven door een controlelampje.
De hoogspanningsaccu is volledig opgeladen.
Bij zeer lage of zeer hoge temperatuur van de hoogspanningsaccu.
In de winter is het mogelijk dat de energie- terugwinning na de start kortstondig niet beschikbaar is.

Steeds gereed zijn om te remmen
Steeds gereed zijn om te remmen, aangezien zonder energieterugwinning ook geen remwerking van de elektrische aandrijving voorhanden is.
De auto zou verder kunnen rollen op normale manier. Daardoor kan gevaar ontstaan voor andere verkeersdeelnemers.
Voorbeelden van rijsituaties
Indien tijdens het rijden verwacht wordt dat men moet vertragen, dan kan dat gebruikt worden voor de energieterugwinning.
De volgende voorbeelden van rijsituaties kunnen daarvoor geschikt zijn:
▶ Vertraging op een helling.
▶ Vertraging voor een rood verkeerslicht.
Laat of krachtig remmen vermijden. De auto in plaats daarvan vertragen door de energiete-rugwinning.
Zeilen
Met de elektrische aandrijving kan de auto rollen zonder energie te verbruiken. Deze rijtoestand wordt als Zeilen omschreven.
Door anticiperend te rijden worden het energieverbruik verminderd en de actieradius verhoogd.
Indien de auto rolt, dan wordt op het instrumentenpaneel READY weergegeven. Bij het rollen van de auto wordt geen energie teruggewonnen.
Voorbeelden van rijsituaties
Wanneer een traject afgelegd kan worden zonder dat men verwacht te moeten remmen, dan is het voordelig om te rollen.
De volgende voorbeelden van rijsituaties kunnen daarvoor geschikt zijn:
▶ Rollen op een vlak stuk zonder hindernissen.
▶ Uitrollen op een stuk zonder hindernissen.
Laat of krachtig remmen vermijden.
Akoestische voetgangersbescherming
Bij overeenkomstige uitrusting genereert het systeem bij het rijden tot ca. 30 km/h een kunstmatig motorgeluid.
Luidsprekers sturen het geluid rond.
Daardoor kunnen andere deelnemers aan het verkeer, bijv. voetgangers, het voertuig beter waarnemen.
In-/uitschakelen
Symbool wordt weergegeven bij uitgeschakelde voetgangsbescherming.
Range extender
Actieradius verhogen
Indien de laadtoestand van de hoogspannings-accu tijdens het rijden daalt tot een vooraf ingestelde minimumwaarde, start de range extender om de nodige elektrische energie te leveren voor het verder rijden.
Het symbool op de laadtoestandsweergave duidt het inschakeltijdstip van de range extender aan.
Handmatig starten
Indien het bijv. nodig is om de elektrische actieradius op te sparen voor een later tijdstip, dan kan de range extender handmatig gestart worden via iDrive.
- "Instellingen"
- "Range Extender"
- "Laadtoestand handhaven"
Automatische onderhoudsloop
Om de veilige werking van de range extender ook bij langere periodes zonder gebruik te garanderen, wordt de range extender op regelmatige tijdstippen tijdens het rijden automatisch ingeschakeld gedurende enkele minuten. Overeenkomstige Check-Control-meldingen geven deze onderhoudsloop aan. Indien de onderhoudsloop van de range extender plaatsvindt op een ongunstig tijdstip, dan kan deze afgebroken worden door te drukken op de start-/stopknop. De onderhoudsloop wordt dan verzet naar een ander moment.
Een onderhoudsloop is niet mogelijk wanneer de hoogspanningsaccu volledig opgeladen is of wanneer de brandstoftank bijna leeg is.
Verhitte hoogspanningsaccu
Bij stilstaande auto
In uitzonderlijke gevallen kan het zijn dat de hoogspanningsaccu bij stilstaande auto erg heet wordt. Bijv. bij extreem hoge buitentemperaturen en directe zonnestraling. Bij oververhitte hoogspanningsaccu kan het rijden-stand-by niet ingeschakeld worden.
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
Het opnieuw beschikbaar zijn van het rijdenstand-by wordt eveneens getoond.
Tijdens het rijden
Indien de hoogspanningsaccu tijdens het rijden erg heet wordt, wordt het aandrijvingsvermogen stapsgewijs gereduceerd om de accu af te koelen. De vermogensweergave ePO-WER op het instrumentenpaneel gaat daarbij achteruit. Indien de temperatuur opnieuw stijgt, het voertuig parkeren tot de hoogspanningsaccu afgekoeld is. Indien de vermogens-weergave daalt tot 0, wordt het rijden-stand-by uitgeschakeld en komt de auto tot stilstand.
Parkeerrem
Principe
De parkeerrem dient om de stilstaande auto te beschermen tegen wegrollen.

Aan schakelaar trekken. LED licht.

Controlelampje gaat rood branden. Parkeerrem is vastgezet.

Parkeerrem vastzetten en evt. voertuig aanvullend vastzetten
Bij het parkeren de parkeerrem inschakelen, anders kan de auto gaan rollen. Bij sterke stijgingen en hellingen het voertuig aanvullend vastzetten, bijv. stuurwiel richting stoeprand inslaan.
Tijdens het rijden
Gebruik tijdens het rijden is bedoeld als noodremfunctie:
Schakelaar uittrekken en houden. De auto remt krachtig zolang de schakelaar wordt uitgetrokken.

Controlelampje gaat rood branden, er klinkt een signaal en de remlichten gaan branden.
Als de auto tot ca. 3 km/h wordt afgeremd, blijft de parkeerrem vastgezet.
Loslaten
Bij ingeschakeld rijden-stand-by:

Schakelaar bij ingedrukte rem of ingeschakelde keuzehendelstand P indruk-
ken.
LED en controlelampje doven.
Parkeerrem is vrijgezet.
Automatisch vrijzetten
Rijpedaal bedienen voor het automatisch vrijzetten.
LED en controlelampje doven.
Onder de volgende voorwaarden wordt de par-keerrem door het bedienen van het rijpedaal automatisch vrijgezet:
Rijden-stand-by ingeschakeld.
▶ Keuzestand ingeschakeld.
▶ Bestuurder heeft veiligheidsgordel omge- daan en portier is gesloten.

Onbedoeld bedienen van het rijpedaal
Erop letten dat het rijpedaal niet onbedoeld bediend wordt, anders zet de auto zich in beweging en bestaat er gevaar voor ongevallen.
Storing
Auto bij uitval of storing van de parkeerrem met bv. een onderlegwig tegen wegrollen beveiligen wanneer hij wordt verlaten.
Richtingaanwijzer, grootlicht, lichtsignaal
Richtingaanwijzers

Buitenspiegels niet inklappen
Bij het rijden en tijdens het gebruik van het knipperlicht/waarschuwingsknipperlicht de buitenspiegels niet inklappen, omdat anders de aanvullende knipperlichten niet de voorge-schreven positie hebben en slecht herkend kunnen worden.
Knipperen

Schakelaar door het drukpunt heen indrukken.
Om handmatig uit te schakelen de schakelaar tot aan het drukpunt drukken.
Ongewoon snel knipperen van de controle-lamp wijst op een uitgevallen knipperlicht.
Kort knipperen
Hendel tot het drukpunt drukken.
Richtingaanwijzer knippert driemaal.
De functie kan geactiveerd of gedeactiveerd worden.
- "Instellingen"
- "Licht"
- "Driemaal knipperen"
Kortstondig knipperen
Hendel tot over het drukpunt drukken en zo- lang er geknipperd moet worden houden.
Ruitenwisserinstallatie
Wisser aan-/uitschakelen en kort wissen

Wisserwerking niet bij vorst
Wissers niet inschakelen als zij vastgevroren zijn, daardoor kunnen de ruitenwisserbladen en de ruitenwissermotor worden beschadigd.

Wisserwerking niet bij droge ruit
Ruitenwissers niet bij droge ruit gebruiken, anders kunnen de wisserbladen sneller versleten of beschadigd raken.
Inschakelen

Ruitenwisserschakelaar naar omhoog drukken.
Na het loslaten keert de hendel in de basisstand terug.
Normale wissersnelheid: eenmaal naar omhoog drukken.
Bij stilstand wordt naar de intervalstand overgeschakeld.
▶ Snelle wissersnelheid: tweemaal naar omhoog of eenmaal door het drukpunt heen drukken.
Bij stilstand wordt naar de normale snelheid overgeschakeld.
Uitschakelen en kort wissen

Ruitenwisserschakelaar naar omlaag drukken.
Na het loslaten keert de hendel in de basisstand terug.
Kort wissen: eenmaal naar omlaag drukken.
Uitschakelen van normaal: eenmaal naar omlaag drukken.
▶ Uitschakelen van snel: tweemaal naar omlaag drukken.
Intervalbedrijf of regensensor
Principe
Zonder regensensor is de interval voor de wiserwerking vooraf ingesteld.
De regensensor stuurt de wisserwerking automatisch in afhankelijkheid van de regenintensiteit. De sensor bevindt zich aan de voorruit, direct voor de binnenspiegel.
Inschakelen/uitschakelen

Toets op de ruitenwisserschakelaar indrukken.
LED in de ruitenwisserschakelaar brandt en een wisprocedure wordt gestart. Bij vorst wordt het wissen mogelijk niet gestart.

Regensensor in reinigingsinstallaties deactiveren
In wasstraten de regensensor uitschakelen, anders kan door ongewild wissen schade op-treden.
Intervaltijd of gevoeligheid van de regensensor instellen

Gekartelde knop draaien.
Ruit reinigen

Ruitenwisserschakelaar trekken.
Sproeiervloeistof wordt op de voorruit gesproeid en de wissers worden kort ingeschakeld.

Ruitensproeiers niet gebruiken bij vorst
De ruitensproeiers alleen gebruiken wanneer het uitgesloten is dat de sproeiervloeistof op de voorruit bevriest, om te voorkomen dat het zicht nadelig wordt beïnvloed. Gebruik daarom antivries.
De sproeiers niet bij een leeg reservoir bedienen om beschadiging van de sproeierpomp te voorkomen.
Ruitensproeiermonden
Ruitensproeiermonden worden bij ingeschakelde gereedheid automatisch verwarmd.
Achterruitenwisser
Achterruitenwisser inschakelen

Schakelaar uit ruststand 0 naar boven draaien, pijl 1: intervalmodus. Bij ingeschakelde achteruitversnelling vindt continuwerking plaats.
Achterruit reinigen
In intervalmodus: schakelaar verder draaien, pijl 2. Na het loslaten keert de schakelaar terug naar de intervalstand.
In ruststand: schakelaar naar onderen draaien, pijl 3. Na het loslaten keert de schakelaar terug naar de ruststand.
Uitgeklapte stand van de ruitenwissers
Belangrijk voor bijv. het vervangen van de wisserbladen of voor het uitklappen bij vorst.
- Gereedheid in- en opnieuw uitschakelen.
- Let er bij gevaar voor vorst op, dat de wisserbladen niet vastgevroren zijn.
- Ruitenwisserschakelaar naar omhoog tot over het drukpunt drukken en ca. 3 seconden houden tot de wissers in een ongeveer verticale stand stilstaan.
Na het inklappen van de wissers moet de rui- tenwisserinstallatie opnieuw worden geacti- veerd.

Ruitenwissers tot tegen de ruit klappen
Voor het inschakelen van de gereedheid de ruitenwissers tegen de ruit klappen, anders
kunnen bij het inschakelen van de ruitenwis- sers beschadigingen optreden.
- Gereedheid inschakelen.
- Ruitenwisserschakelaar naar omlaag drukken. De ruitenwissers gaan in rustpositie en zijn weer gebruiksklaar.
Sproeiervloeistof
Algemeen

Antivries voor de sproeiervloeistof
Antivries is ontvlambaar en kan bij verkeerd gebruik leiden tot lichamelijk letsel.
Daarom uit de buurt van ontstekingsbronnen houden.
Alleen in gesloten originele verpakking en voor kinderen onbereikbaar bewaren.
Opmerkingen en aanwijzingen op de verpakking in acht nemen.
Tank voor sproeiervloeistof

Alle ruitensproeiers worden via één reservoir verzorgd.
Vullen met mengsel van geconcentreerde rui- tenreiniger en leidingwater, zo nodig met toe- voeging van antivries overeenkomstig de aan- wijzingen van de fabrikant.
Sproeiervloeistof voor het vullen mengen, zo- dat de mengverhouding wordt aangehouden.
Geconcentreerde ruitenreiniger en antivries niet onverdund bijvullen en niet enkel vullen
met water; dit kan leiden tot schade aan de rui- tenwisserinstallatie.
Geen geconcentreerde ruitenreinigers van verschillende fabrikanten met elkaar mengen, hierdoor kunnen de ruitensproeiers verstopt raken.
Inhoud, zie technische gegevens.
Weergaven
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Instrumentenpaneel
Principe
Het instrumentenpaneel is een variabele weergave. De weergaven op het instrumentenpaneel kunnen gedeeltelijk van de weergaven in deze handleiding afwijken.
Overzicht

1 Boordcomputer 80
2 Bestuurdersassistentiesystemen
3 Snelheidsmeter
4 Weergave rijden-stand-by 61
5 ECO PRO-tips 147
6 Dagteller 74
7 Rijmodus 100
8 Actieradius voor elektrisch rijden 75
9 Weergave laadtoestand 76
10 Vermogensweergave 76
Selectielijst, bijv. radio 80
11 Actieradius range extender
12 Brandstofmeter range extender 74
13 Meldingen, bijv. Check-Control
14 Weergave keuzestanden
Laadscherm

line
| Time | Distance | | ---------- | -------- | | 09:30 | 30 km | | 10.02.2013 | 120 km | | 5 | 60 km |1 Oplaadstatus 159
2 Tijdstip oplaadeinde 159
Starttijd bij timer 160
3 Maximale elektrische actieradius 159
4 Voorverwarmen 160
Check-Control
Principe
Check-Control controleert functies in de auto en meldt, als in bewaakte systemen een storing is opgetreden.
Op het instrumentenpaneel wordt een Check-Control-melding weergegeven als een combinatie van controle- of waarschuwingslampjes en tekstuele meldingen.
Tevens wordt evt. een akoestisch signaal ge- geven en er verschijnt een SMS-bericht op het display.
5 Actieradius voor elektrisch rijden 159
6 Oplaadtoestand 76
7 Actieradius range extender
8 Met range extender: brandstofmeter 74
Controle- en waarschuwingslampjes
Controle- en waarschuwingslampjes op het in- strumentenpaneel kunnen in verschillende combinaties en kleuren gaan branden.
Van sommige lampen wordt bij rijden-stand-by of inschakelen van de gereedheid de werking gecontroleerd en zij lichten even op.
Overzicht: controle- en waarschuwingslampjes
Symbool Functie of systeem

Richtingaanwijzers.

Mistachterlicht.

Grootlicht.

Akoestische voetgangersbescherming niet actief.

Voertuigherkenning, actieve snel-heidsregeling, botsingswaarschuwing.

Snelheidsregeling.

Dynamische stabiliteitscontrole DSC.

Dynamische stabiliteitscontrole DSC gedeactiveerd of dynamische tractiecontrole DTC geactiveerd.

Bandenspanningscontrole. Bandenpechwaarschuwing.

Veiligheidsgordels.

Airbagsysteem.

Stuursysteem.
Symbool Functie of systeem

Motorfuncties met range extender.

Parkeerrem.

Remsysteem.

Antiblokkeersysteem ABS.

Minimaal één Check-Control-melding wordt weergegeven of is opgeslagen (pictogram in display-weergave).
Tekstmeldingen
Tekstmeldingen in combinatie met een symbool op het instrumentenpaneel verklaren een Check-Control-melding en de betekenis van de controle- en waarschuwingslampjes.
Aanvullende tekstmeldingen
Meer informatie, bijv. over de oorzaak van een storing en de noodzaak tot ingrijpen, kan worden opgeroepen via Check-Control.
Bij dringende meldingen wordt de aanvullende tekst automatisch op het Control Display getoond.
Symbolen
Afhankelijk van de Check-Control-melding kunnen de volgende functies geselecteerd worden.
"Handleiding"
Bijkomende informatie over de Check-Control-melding weergeven in de geïntegreerde handleiding.
Serviceaanmelding"
Contact opnemen met de servicedienst.
"Rechhulp"
Contact opnemen met de Mobile Service.
Check-Control-meldingen onderdrukken

BC-toets op de richtingaanwijzerschakelaar indrukken.
Enkele Check-Control-meldingen worden permanent weergegeven en blijven zichtbaar, totdat de storing is opgelost. Bij meerdere gelijktijdige storingen worden de meldingen na elkaar weergegeven.
Deze meldingen kunnen gedurende ca. 8 seconden onzichtbaar worden gemaakt. Hierna worden deze weer automatisch weergegeven.
Andere Check-Control-meldingen verdwijnen na ca. 20 seconden automatisch. Zij blijven opgeslagen en kunnen opnieuw worden weergegeven.
Opgeslagen Check-Control- meldingen weergeven
- "Auto-info"
- "Autostatus"
- "Check Control"
- Tekstmelding selecteren.
Meldingen aan het einde van de rit
Speciale meldingen die tijdens de rit worden weergegeven, worden na het uitschakelen van de gereedheid opnieuw weergegeven.
Met range extender: brandstofmeter

De vulpeilbalken geven bij ingeschakelde gereedheid de beschikbare brandstofvoorraad van de range extender aan.
Daarnaast wordt de resterende actieradius met range extender aangegeven. Wanneer de range extender geactiveerd is, verandert de kleur van de vulpeilbalken van grijs naar wit.
Hellen van de auto kan tot schommelingen in de weergave leiden.
Aanwijzingen voor tanken, zie pagina 163.
Kilometer- en dagteller

▶ Kilometerteller, pijl 1, Omvang van de boordcomputer, zie pagina 80.
▷ Dagteller, pijl 2.
Kilometers aangeven/terugzetten: TRIP

Bij uitgeschakelde gereedheid worden de tijd, buitentemperatuur en kilometerteller weergegeven.
Bij ingeschakelde gereedheid wordt de dagteller gereset.
Buitentemperatuur
Buitentemperatuurwaarschuwing
Daalt de weergave tot +3 °C of lager, dan klinkt een signaal.
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
Het gevaar voor gladheid is toegenomen.

Gevaar voor gladheid
Ook bij temperaturen boven +3 °C kan gevaar voor gladheid bestaan.
Daarom bv. op bruggen en schaduwgedeelten op het wegdek voorzichtig rijden, anders is er een verhoogd risico op ongevallen.
Tijd
De tijd wordt op de boordcomputer weergegeven.
Tijd en weergavevorm van de tijd instellen, zie pagina 82.
Actieradius
De verwachte actieradius voor de in de hoogspanningsaccu opgeslagen energie wordt weergegeven op het instrumentenpaneel rechts naast de weergave van de laadtoestand van de hoogspanningsaccu.
Met range extender:
De actieradius van de range extender wordt afzonderlijk getoond naast de brandstofmeter. De totale actieradius kan weergegeven worden via de boordcomputer. Actieradius verhogen met range extender, zie pagina 65.
Twee Check-Control-meldingen wijzen op een verlaging van de actieradius.
De weergave van de actieradius is dynamisch.
Op basis van de volgende factoren kan de actieradius abrupt kleiner of groter worden:
Rijstijl.
Verkeerstoestand.
▶ Veranderen van rijmodus.
Klimaat- en terreinomstandigheden.
Instellingen van de airconditioning.
▶ Na bepaling van een route door het navigatiesysteem.
Opmerkingen

Letten op de actieradius
Steeds erop letten dat de actieradius voldoende is voor de geplande rit. De actieradius is dynamisch en kan abrupt veranderen.
Actieradius verhogen, zie pagina 140.
Weergaven van het eDRIVE- systeem
Weergaven op het instrumentenpaneel
Principe
Deze weergave gebeurt afhankelijk van de bedrijfstoestand van het systeem. Op het instrumentenpaneel worden de volgende functies van het eDRIVE-systeem weergegeven:
▶ Laadtoestandsweergave van de hoogspanningsaccu.
▶ Elektrisch rijden: ePOWER.
▶ Energieterugwinning: CHARGE.
Rijden-stand-by: READY.
Laadtoestandsweergave van de hoogspanningsaccu


Hoge spanning
Ook als in het batterijsymbool geen balken weergegeven worden, staat het hoog- spanningssysteem altijd nog onder hoge span- ning.
De vulpeilbalken geven bij ingeschakelde gereedheid de beschikbare oplaadtoestand van de hoogspanningsaccu aan.
Indien de oplaadtoestand laag is, verandert de kleur van de laadtoestandsweergave van blauw naar geel.
Daarnaast wordt ook de actieradius voor het elektrisch rijden weergegeven.
Vermogensweergave

De rijpedaalwijzer in de vermogensweergave geeft de momentele efficiëntie van de rijstijl aan. Het efficiënte bereik van de vermogensweergave heeft een blauwe achtergrond.
Rijpedaalwijzer in het bereik CHARGE, pijl 1: weergave voor energieterugwinning door uitrollen of bij het vertragen.
Rijpedaalwijzer in het bereik ePOWER, pijl 2: weergave bij het accelereren.
eDRIVE efficiënt gebruiken, zie pagina 140.
Rijden-stand-by: READY

De weergave READY geeft aan, dat de auto gereed is om te rijden. Rijden-stand-by in detail, zie pagina 61.
Weergeven op het Control Display
Verbruiksgeschiedenis

bar
| Time | Value (%) | |---|---| | 0 | 60 | | 1 | 90 | | 2 | 85 | | 3 | 95 | | 4 | 100 | | 5 | 110 | | 6 | 105 | | 7 | 80 | | 8 | 70 | | 9 | 60 | | 10 | 50 | | 11 | 40 | | 12 | 30 | | 13 | 20 | | 14 | 10 | | 15 | 5 | | 16 | 2 | | 17 | 1 | | 18 | 0.5 | | 19 | 0.2 | | 20 | 0.1 | | 21 | 0.05 | | 22 | 0.02 | | 23 | 0.01 | | 24 | 0.005 | | 25 | 0.002 | | 26 | 0.001 | | 27 | 0.0005 | | 28 | 0.0002 | | 29 | 0.0001 | | 30 | 0.00005 | | 31 | 0.00002 | | 32 | 0.00001 | | 33 | 0.000005 | | 34 | 0.000002 | | 35 | 0.000001 | | 36 | 0.0000005 | | 37 | 0.0000002 | | 38 | 0.0000001 | | 39 | 0.00000005 | | 40 | 0.00000002 | | 41 | 0.00000001 | | 42 | 0.000000005 | | 43 | 0.000000002 | | 44 | 0.000000001 | | 45 | 0.0000000005 | | 46 | 0.0000000002 | | 47 | 0.0000000001 | | 48 | 0.00000000005 | | 49 | 0.00000000002 | | 50 | 1.5 | | 51 | 1.2 | | 52 | 1.1 | | 53 | 1.3 | | 54 | 1.4 | | 55 | 1.6 | | 56 | 1.8 | | 57 | 2.1 | | 58 | 2.4 | | 59 | 2.7 | | 60 | 3.1 | | 61 | 3.4 | | 62 | 3.7 | | 63 | 4.1 | | 64 | 4.4 | | 65 | 4.7 | | 66 | 5.1 | | 67 | 5.4 | | 68 | 5.7 | | 69 | 6.1 | | 70 | 6.4 | | 71 | 6.7 | | 72 | 7.1 | | 73 | 7.4 | | 74 | 7.7 | | 75 | 8.1 | | 76 | 8.4 | | 77 | 8.7 | | 78 | 9.1 | | 79 | 9.4 | | 80 | 9.7 | | 81 | 11.1 | | 82 | 11.4 | | 83 | 11.7 | | 84 | 12.1 | | 85 | 12.4 | | 86 | 12.7 | | 87 | 13.1 | | 88 | 13.4 | | 89 | 13.7 | | 90 | 14.1 | | 91 | 14.4 | | 92 | 14.7 | | 93 | 15.1 | | 94 | 15.4 | | 95 | 15.7 | | 96 | -1.5 | | -1 (approx) - 'a' indicates the value of 'a' in the chart.De bovenste balken geven de gemiddeld verbruikte energie tijdens het rijden aan, pijl 1. De
onderste balken tonen de gemiddeld teruggewonnen energie tijdens het rijden, pijl 2.
Een balk staat voor een periode van een minuut.
Bovendien wordt het gemiddeld verbruik van het eDRIVE-systeem door een lijn over de balkweergave en als waarde rechts naast het diagram weergegeven.
Verbruiksgeschiedenis weergeven
- "Auto-info"
- "eDRIVE"
- "Mørbruiksgeschiedenis"
Energiestroom van het eDRIVE- systeem
De weergave toont de actieve componenten van het eDRIVE-systeem:
▶ Blauw: elektrische energie.
▶ Pijl: richting van de energiestroom.
▶ Segmenten van de hoogspanningsaccu stellen de oplaadtoestand voor.
De bedrijfstoestanden worden weergegeven: "eDRIVE", "CHARGE".
▶ Koel-/verwarmfunctie interieur ingeschakeld.
Energiestroom weergeven
- "Auto-info"
- "eDRIVE"
- "Energiestroom"
Energieverdeling
De weergave toont naast de huidige actieradius ook de energieverdeling en de potentiële actieradius wanneer bijkomende verbruikers worden uitgeschakeld.
▶ Blauw: elektrische energie
▶ Wit: ingeschakelde bijkomende verbruikers.
Energieverdeling weergeven
- "Auto-info"
- "eDRIVE"
- "Nevenverbruiker"
Momenteel verbruik
Geeft het momentele energieverbruik aan. Er kan gecontroleerd worden hoe efficiënt gere- den wordt.
Het momentele verbruik kan in iedere rijmodus in de boordcomputer, zie pagina 81, weergegeven worden.
Momenteel verbruik weergeven
- "Instellingen"
- "Info-display"
- "Actueel stroomverbruik"
Servicebehoefte
Principe
Afstand of tijd tot het volgende onderhoud wordt na inschakelen van de gereedheid even weergegeven op het instrumentenpaneel.
De actuele servicebehoefte kan door de serviceadviseur uit de afstandsbediening worden uitgelezen.
Weergave
De gegevens over de onderhoudstoestand van uw auto of over wettelijk voorgeschreven keuringen worden automatisch vóór een vervaldag aan de servicedienst doorgegeven.
Gedetailleerde informatie over de servicebehoefte
Nadere informatie over de omvang van het onderhoud kan op het Control Display worden weergegeven.
- "Auto-info"
- "Autostatus"
- "Servicebehoefte"
Noodzakelijke omvang van het onderhoud en zo nodig wettelijk voorgeschreven onderzoeken worden weergegeven.
- Vermelding selecteren om nadere informatie te doen weergeven.
Symbolen
Symbolen Beschrijving
| OK |
Service is op dit moment niet noodzakelijk.

Auto is aan een onderhouds- beurt of een wettelijke keuring toe.

Termijn voor het onderhoud is overschreden.
Afspraken invoeren
Afspraken voor voorgeschreven keuringen invoeren.
Ervoor zorgen dat datum en tijd van de auto juist zijn ingesteld.
- "Auto-info"
- "Autostatus"
- "Servicebehoefte"
- "§ Autokeuring (APK)"
- "Afspraak:"
- Instellingen uitvoeren.
- Bevestigen.
Datuminvoer wordt opgeslagen.
Automatische servicewaarschuwing
De gegevens over de onderhoudstoestand of over wettelijk voorgeschreven keuringen van de auto worden automatisch vóór een vervaldag aan de servicedienst doorgegeven.
Er kan worden gecontroleerd, wanneer de servicedienst werd verwittigd.
- "Auto-info"
- "Autostatus"
- "Opties" oproepen.
- "Laatste Teleservice oproep"
Service geschiedenis
Onderhoudswerkzaamheden bij de service uitvoeren en in de autogegevens laten invoeren.
De vermeldingen zijn net zoals het onderhoudsboekje het bewijs van regelmatig onderhoud.
Het ingevoerde onderhoud kan op het Control Display worden weergegeven. De functie is beschikbaar zodra er een onderhoud in de autogegevens is ingevoerd.
- "Auto-info"
- "Autostatus"
- "Servicebehoefte"
- "Service historie"
Uitgevoerd onderhoud wordt weergegeven.
- Vermelding selecteren om nadere informatie te doen weergeven.
Symbolen
Symbolen Beschrijving

Groen: onderhoud is tijdig uitgevoerd.

Geel: onderhoud is vertraagd uitgevoerd.

Onderhoud is niet uitgevoerd.
Snelheidslimietinfo
Principe
Snelheidslimietinfo
Snelheidslimietinfo geeft via een symbool in de vorm van een verkeersteken de actueel herkende snelheidsbeperking aan. De camera in de voet van de binnenspiegel registreert de verkeersborden aan de rand van de weg evenals de variabele weergaven van verkeersportalen. Verkeersborden met aanvullende tekens, bijv. bij nat wegdek, worden ook herkend en met voertuiginterne gegevens, bijv. de regensensor afgestemd en afhankelijk van de situatie weergegeven. Het systeem houdt rekening met de in het navigatiesysteem opgeslagen informatie en geeft ook op trajecten zonder borden de bekende snelheidsbeperkingen weer.
Opmerkingen

Persoonlijke inschatting
Het systeem kan de persoonlijke inschatting van de verkeerssituatie niet vervangen.
Het systeem ondersteunt de bestuurder en vervangt het menselijk oog niet.
Overzicht
Camera

De camera bevindt zich in het bereik van de spiegelvoet.
Voorruit in het bereik voor de binnenspiegel schoon en vrij houden.
In-/uitschakelen
- "Instellingen"
- "Info-display"
- "Info snelheidslimiet"
Is de snelheidslimietinfo ingeschakeld, dan kan die op het Info Display op het instrumentenpaneel worden weergegeven.
Weergave
Op het instrumentenpaneel wordt het volgende weergegeven.
Snelheidslimietinfo

Bekende snelheidsbeperking.
Snelheidslimiet opgeheven - voor Duitse autosnelwegen.

Snelheidslimietinfo niet beschikbaar.
Grenzen van het systeem
De functie kan bijv. in de volgende situaties beperkt zijn en evt. verkeerde informatie geven:
Bij dichte nevel en hevige regen of sneeuwval.
Als borden door objecten verborgen zijn.
Bij dicht achter het vooroprijdende voertuig rijden.
Bij sterk tegenlicht.
Als de voorruit voor de binnenspiegel be-
slagen, verontreinigd of door stickers enz.
bedekt is.
Vanwege mogelijke verkeerde herkennningen van de camera.
Als de in het navigatiesysteem opgeslagen snelheidsbeperkingen foutief zijn.
In gebieden die in het navigatiesysteem niet voorkomen.
Bij afwijkingen van de navigatie, bv. door gewijzigde tracés.
Bij het inhalen van bussen of vrachtwagens met snelheidssticker.
Als verkeerstekens niet overeenkomen met de norm.
Tijdens de kalibratieprocedure van de camera direct na voertuiglevering.
Keuzelijsten op het instrumentenpaneel
Principe
Via de toetsen en het kartelwieltje op het stuurwiel kan via de weergave op het instrumentenpaneel het volgende worden weergegeven of bediend:
Actuele audiobron.
▶ Nummerherhaling bij de telefoon.
▶ Activeren van het spraakgestuurde systeem.
Aanvullend worden programma's van de rijervaring-schakelaar weergegeven.
Weergave
Instrumentenpaneel

Lijst activeren en instelling uitvoeren

Op de rechter stuurwielzijde de gekartelde knop draaien, om de betreffende lijst te active-ren.
Via de gekartelde knop de gewenste instelling selecteren en door het indrukken van de gekartelde knop bevestigen.
Boordcomputer
Weergave op het instrumentenpaneel
De informatie van de boordcomputer wordt linksboven op het instrumentenpaneel weergegeven.
Informatie in Info Display oproepen

BC-toets op de richtingaanwijzerschakelaar indrukken.
Informatie wordt op Info Display van instrumentenpaneel weergegeven.
Overzicht van de informatie
Door herhaald op de toets op de richtingsaan-wijzerhendel worden de volgende gegevens op het informatiedisplay getoond:
▶ Kilometers.
▶ Met range extender: totale actieradius.
Gemiddeld verbruik.
▶ Momenteel verbruik.
▶ Gemiddelde snelheid.
Buitentemperatuur.
Tijd.
Snelheidslimietinfo.
Weergaven voor boordcomputer instellen
Er kan worden ingesteld, welke aanduidingen van de boordcomputer op het instrumentenpaneel kunnen worden opgeroepen.
- "Instellingen"
- "Info-display"
- Gewenste weergaven selecteren.
Informatie in detail
Met range extender: totale actieradius
De totale actieradius inclusief de actieradius met range extender kan in de boordcomputer opgeroepen worden.
Gemiddeld brandstofverbruik
Bij het vaststellen van het gemiddelde verbruik wordt uitgegaan van verschillende afstanden. Er wordt geen rekening gehouden met een stilstand met uitgeschakeld rijden-stand-by.
Gemiddelde snelheid
Bij het berekenen van de gemiddelde snelheid wordt de tijd dat de auto stilstaat met uitgeschakeld rijden-stand-by buiten beschouwing gelaten.
Gemiddelde waarden resetten
BC-toets op de richtingaanwijzerschakelaar ingedrukt houden.
Snelheidslimietinfo
Beschrijving van de snelheidslimietinfo, zie pagina 79.
Snelheidslimiet
Weergave van een snelheidslimiet, bij het bereiken waarvan moet worden gewaarschuwd.
Opnieuw waarschuwing als de ingestelde snel-heidslimiet met ten minste 5 km/h werd onder-schreden.
Limiet weergeven, instellen of wijzigen
- "Instellingen"
- "Snelheid"
- "Waarsch. bij:"
- Controller draaien tot de gewenste limiet wordt weergegeven.
- Controller indrukken.
Snelheidslimiet wordt opgeslagen.
Limiet inschakelen/uitschakelen
- "Instellingen"
- "Snelheid"
- "Waarschuwing"
- Controller indrukken.
Momentele snelheid als limiet overnemen
- "Instellingen"
- "Snelheid"
- "Huid. snelheid overnemen"
- Controller indrukken.
De momenteel gereden snelheid wordt als limiet opgeslagen.
Reis-boardcomputer
Twee soorten boordcomputers staan ter beschikking.
"Boordcomputer": waarden kunnen naar believen worden gereset.
"Reiscomputer": waarden leveren een overzicht van de actuele rit.
Reis-boardcomputer resetten
- "Auto-info"
- "Reiscomputer"
- "Terugzetten": alle waarden worden teruggezet.
"Automatisch terugzetten": alle waarden worden na ca. 4 uur dat de auto stilstaat, teruggezet.
Weergave op het Control Display
Boordcomputer of reis-boordcomputer op het Control Display weergeven.
Verbruik of snelheid terugzetten
- "Auto-info"
- "Boordcomputer"
- "Verbruik" of "Snelheid"
- "Ja"
Instellingen op het Control Display
Tijd
Tijdzone instellen
- "Instellingen"
- "Tijd/datum"
- "Tijdzone"
- Selecteer de gewenste tijdzone.
De tijdzone wordt opgeslagen.
Tijd instellen
- "Instellingen"
- "Tijd/datum"
- "Tijd:"
- Controller draaien tot de gewenste uren worden weergegeven.
- Controller indrukken.
- Controller draaien tot de gewenste minu- ten worden weergegeven.
- Controller indrukken.
De tijd wordt opgeslagen.
Weergavevorm van de tijd instellen
- "Instellingen"
- "Tijd/datum"
- "Formaat:"
- Gewenste vorm selecteren.
Weergavevorm van de tijd wordt opgeslagen.
Datum
Datum instellen
- "Instellingen"
- "Tijd/datum"
- "Datum:"
- Controller draaien tot de gewenste dag wordt weergegeven.
- Controller indrukken.
- Instelling voor maand en jaar overeenkomstig uitvoeren.
Datum wordt opgeslagen.
Weergavevorm van de datum instellen
- "Instellingen"
- "Tijd/datum"
- "Formaat:"
- Gewenste vorm selecteren.
Datumvorm wordt opgeslagen.
Taal
Taal instellen
Taal op het Control Display instellen:
- "Instellingen"
- "Taal/eenheden"
- "Taal:"
- Gewenste taal selecteren.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Spraakdialoog instellen
Spraakdialoog voor het spraakcommandosysteem, zie pagina 24.
Maateenheden
Maateenheden instellen
Maateenheden voor verbruik, weg/afstanden en temperatuur instellen:
- "Instellingen"
- "Taal/eenheden"
- Gewenst menupunt selecteren.
- Gewenste eenheid selecteren.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Helderheid
Helderheid instellen
Helderheid van het Control Display instellen:
- "Instellingen"
- "Control-display"
- "Helderheid"
- Controller draaien tot de gewenste helderheid bereikt is.
- Controller indrukken.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Naargelang de lichtverhoudingen kan de regeling van de lichtsterkte eventueel niet direct worden herkend.
Bepaling van de huidige voertuigpositie activeren/deactiveren
- "Instellingen"
- "GPS-tracking"
- "GPS-tracking"
Licht
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Overzicht

1 Mistachterlicht
3 Licht uit,Dagrijlicht
4 Stadslicht
5 Dimlicht, begroetingslicht
6 Koplampafstelling
7 Instrumentenverlichting
2 Automatische verlichtingsregeling, Begroetingsverlichting, Dagrijverlichting
Stand-/dimlicht, verlichtingsregeling
Algemeen
Schakelaarstand: 0,

Wanneer bij uitgeschakelde gereedheid het bestuurdersportier wordt geopend, wordt de buitenverlichting bij deze schakelaarstanden automatisch uitgeschakeld.
Stadslicht
Schakelaarstand de auto is rondom verlicht, bijv. voor het parkeren.
Stadslicht niet gedurende een langere tijd ingeschakeld laten, anders wordt de accu ontladen en kan het rijden-stand-by evt. niet meer worden ingeschakeld.
Voor het parkeren liever het eenzijdige parkeerlicht, zie pagina 85, inschakelen.
Dimlicht
Schakelaarstand bij ingeschakelde ge- reedheid: dimlicht brandt.
Instapverlichting
Bij het parkeren van de auto de schakelaar in stand of laten: stads- en interieurverlichting gaan kort branden bij het ontgrendelen van de auto, evt. afhankelijk van het omgevingslicht.
Inschakelen/uitschakelen
- "Instellingen"
- "Licht"
- "Begroetingsverlichting"
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Uitstapverlichting
Dimlicht brandt nog een bepaalde tijd, als na het uitschakelen van de gereedheid het lichtsignaal wordt geactiveerd.
Duur instellen
- "Instellingen"
-
"Licht"
-
"Thuiskomv.:"
- Duur instellen.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Automatische verlichtingsregeling
Schakelaarstand 📋dimlicht wordt afhankelijk van het omgevingslicht automatisch in- of uitgeschakeld, bijv. in een tunnel, bij schemering en neerslag. Het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.
Een blauwe hemel met laagstaande zon kan tot inschakelen van het licht leiden.
Dimlicht blijft steeds ingeschakeld, zolang het mistlicht ingeschakeld is.

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Het inschatten van de verlichting valt, ondanks de verlichtingsregeling, onder de verantwoording van de bestuurder.
De sensoren kunnen bv. mist of nevelig weer niet herkennen. In dergelijke situaties moet de verlichting handmatig worden ingeschakeld om veiligheidsrisico's te voorkomen.
Dagrijlicht
Het dagrijlicht brandt bij ingeschakelde gereedheid in stand 0 of
Inschakelen/uitschakelen
In sommige landen is een dagrijlicht verplicht, daarom kan dit licht mogelijk niet uitgezet worden.
- "Instellingen"
- "Licht"
- "Dagrijlicht"
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Parkeerlicht

De auto kan eenzijdig worden verlicht.
Inschakelen
Bij uitgeschakelde gereedheid de hendel ca. 2 seconden over het drukpunt heen naar boven of naar beneden drukken.
Uitschakelen
Hendel in tegengestelde richting kort tot het drukpunt drukken.
Mistlampen
Mistachterlicht
Dimlicht moet zijn ingeschakeld.

Toets indrukken. Het gele controle-lampje brandt.
Rechts-/linksrijdend verkeer
Algemeen
Bij de grensovergang naar landen waarin niet aan dezelfde kant van de weg wordt gereden als in het land van toelating, dienen de volgende maatregelen te worden genomen om verblinding door de koplampen te voorkomen.
LED-koplamp
De lichtverdeling van de koplampen vermijdt automatisch de verblindende werking van het dimlicht, wanneer in een land aan de andere
kant van de weg gereden wordt in vergelijking met het land van toelating.
Instrumentenverlichting
Instellen

Voor de regeling van de verlichtingssterkte moet het stads- of dimlicht ingeschakeld zijn.
De verlichtingssterkte kan met de gekartelde knop worden in-
gesteld.
Interieurverlichting
Algemeen
Interieurverlichting, beenruimteverlichting, instapverlichting en bodemverlichting worden automatisch gestuurd.
De helderheid van enkele uitrustingen wordt door de gekartelde knop voor de instrumentenverlichting beïnvloed.

Interieurverlichting handmatig in- en uitschakelen

Toets indrukken.
Duurzaam uitschakelen: toets gedurende ca. 3 seconden indrukken.
Weer inschakelen: toets indrukken.
Leeslampjes

Toets indrukken.
Leeslampjes bevinden zich vooraan naast de interieurverlichting.
Bij blijvend uitgeschakelde interieurverlichting kunnen de leeslampjes niet worden ingeschakeld.
Sfeerverlichting
Afhankelijk van de uitrusting kan de verlichting in het interieur voor enkele lampen worden ingesteld.
Kleurschema selecteren
-
"Instellingen"
-
"Licht"
-
"Ambiance:"
-
Gewenste instelling selecteren.
Als het kleurschema van de lijn geselecteerd en het begroetingslicht geactiveerd is, dan is het begroetingslicht bij het ontgrendelen in de kleur van de lijn ingeschakeld.
Helderheid instellen
De helderheid van de sfeerverlichting kan via de gekartelde knop voor de instrumentenver- lichting worden ingesteld maar ook onafhanke- lijk daarvan.
-
"Instellingen"
-
"Licht"
-
"Helderheid:"
-
Helderheid instellen.
Veiligheid
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Airbags

1 Voor-airbag, bestuurder
2 Voor-airbag, passagier
Voor-airbags
De voor-airbags beschermen de bestuurder en de passagier bij een frontale aanrijding, waarbij de beschermende werking van de veiligheids-gordels alleen niet meer voldoende is.
Zij-airbags
Bij een zijdelingse botsing steunt de zij-airbag het lichaam in de zijdelingse borst- en bekkenzone.
3 Hoofdairbag
4 Zij-airbag
Hoofdairbags
Bij een aanrijding van opzij ondersteunt de hoofdairbag het hoofd.
Beschermende werking
De airbags worden niet bij elke botsing ingeschakeld, bv. niet bij minder ernstige aanrijdingen of aanrijdingen van achteren.

Aanwijzingen voor een optimale beschermende werking van de airbags
▶ Afstand tot de airbags houden.
Stuurwiel steeds aan de stuurwielrand aan-vatten, handen in de 3-uur- en 9-uur-stand, om het risico van verwonding van handen of armen bij het activeren van de airbag zo klein mogelijk te houden.
Tussen airbags en personen mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden.
- Afdekking van de voorste airbag op de passagierszijde niet als opbergvak gebruiken.
▶ Dashboard en ruit aan passagierszijde vrijhouden, d.w.z. niet met folie of bekledingen afdekken en geen houders voor bv. navigatiesysteem of mobiele telefoon aanbrengen.
Zorg ervoor dat de voorpassagier correct zit, dus voeten of benen in de beenruimte laat en niet op het dashboard steunt, anders kunnen bij het activeren van de voor-airbag de benen letsel oplopen.
Geen hoezen, kussens of andere voorwerpen op de voorstoelen aanbrengen die niet speciaal voor stoelen met geïntegreerde zij-airbags zijn vrijgegeven.
Geen kledingstukken, zoals vesten, over de rugleuningen hangen.
Zorg ervoor, dat inzittenden het hoofd weghouden van de zij-airbag en niet tegen de hoofdairbag leunen, anders kan bij het activeren van de airbags letsel ontstaan.
▶ Het airbagveiligheidssysteem niet demon- teren.
▶ Het stuurwiel niet demonteren.
De afdekkingen van de airbags niet beplakken, bekleden of op een andere manier wijzigen.
Aan de afzonderlijke componenten en de bedrading geen enkele wijziging uitvoeren. Dit geldt ook voor afdekkingen van het stuurwiel, het dashboard, de stoelen en de
dakstijlen alsmede voor de zijkanten van de hemelbekleding.
Ook als alle aanwijzingen in acht worden genomen, kunnen naargelang de omstandigheden letsels ten gevolge van een contact met de airbag niet volledig worden uitgesloten.
Ontstekings- en opblaasgeluiden kunnen bij gevoelige inzittenden voor korte duur belemmeringen van het gehoor veroorzaken, die in het algemeen van voorbijgaande aard zijn.

Bij storing, buiten bedrijf stellen en na in werking treden van de airbag
Direct na het in werking treden van het systeem de afzonderlijke onderdelen niet aanraken, want dan bestaat er gevaar voor brandwonden.
De controle, reparatie of demontage en het vernietigen van de airbaggeneratoren uitsluitend toevertrouwen aan de servicedienst of een werkplaats die over de vereiste vergunningen op het gebied van explosieve stoffen beschikt.
Anders kunnen ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden storingen in het systeem of het ongewenst in werking treden van het systeem tot gevolg hebben en tot letsel leiden.
Bedrijfsklare toestand van het airbagsysteem

Bij het inschakelen van de gereedheid gaat het waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel kort branden; op die wijze wordt weergegeven dat het volledige airbagsysteem en de gordelspanners bedrijfs- klaar zijn.
Airbagsysteem verstoord
▶ Waarschuwingslampje gaat niet branden bij het inschakelen van de gereedheid.
▶ Waarschuwingslampje brandt permanent.

Airbagsysteem bij storing zo snel mogelijk laten controleren
Het airbagsysteem bij een storing zo snel mogelijk laten controleren, anders bestaat het gevaar dat het systeem bij een ongeval niet naar behoren funktioneert ondanks de ernst van het ongeval.
Sleutelschakelaar voor passagiersairbag
Algemeen

Voor- en zij-airbag voor de passagier kunnen met de geïntegreerde sleutel uit de afstandsbediening worden gedeactiveerd en opnieuw geactiveerd.
Passagiersairbags deactiveren

Sleutel insteken en indien nodig nadrukken.
Gedrukt houden en tot de aanslag in de stand OFF draaien. Aan de aanslag verwijderen.
De passagiersairbags zijn uitgeschakeld.
De bestuurdersairbags blijven actief.

Sleutelschakelaar in de eindstand
Let erop dat de sleutelschakelaar in de betreffende eindstand staat, anders zijn de airbags niet gedeactiveerd/geactiveerd.
Als op de passagiersstoel geen kinderzitje meer is gemonteerd, dan de passagiersairbags opnieuw activeren zodat deze bij een ongeval zoals voorgeschreven in werking treden.
De toestand van de airbags wordt weergegeven via de controlelamp aan de dakhemel, zie pagina 89.
Passagiersairbags activeren

Sleutel insteken en indien nodig nadrukken.
Gedrukt houden en tot de aan- slag in de stand ON draaien. Aan de aanslag verwijderen.
De passagiersairbags zijn weer geactiveerd en treden in werking indien de situatie dit vereist.

Sleutelschakelaar in de eindstand
Let erop dat de sleutelschakelaar in de betreffende eindstand staat, anders zijn de airbags niet gedeactiveerd/geactiveerd.
Controlelampje passagiersairbags

Het controlelampje van de passagierairbag geeft de status van de passagiersairbags aan. Na het inschakelen van de gereedheid gaat de lamp kort branden, daarna geeft ze aan of de airbags geactiveerd of gedeactiveerd zijn.

Bij gedeactiveerde airbags brandt het controlelampje voortdurend.
Bij geactiveerde airbags brandt het controlelampje niet.
Bandenspanningscontrole RDC
Principe
Het systeem controleert de bandenspanning in de vier gemonteerde banden. Het systeem waarschuwt wanneer in een of meerdere banden de bandenspanning duidelijk lager is geworden. Daarvoor meten sensoren in de ventielen van de banden de spanning en temperatuur van die banden.
Opmerkingen

Beschadiging van de banden door uit- werkingen van buitenaf
Plotselinge beschadiging van een band door uitwerkingen van buitenaf kan niet worden aangekondigd.
Voor de bediening van het systeem ook de verdere gegevens en aanwijzingen onder Bandenspanning, zie pagina 166, in acht nemen.
Voorwaarden voor een correcte werking
Voor het systeem moet bij juiste bandenspanning een reset uitgevoerd worden, anders is een betrouwbare melding van een verlies van bandenspanning niet gewaarborgd.
Na elke correctie van de bandenspanning en na elke vervanging van een band of wiel opnieuw het systeem resetten.
Altijd wielen met RDC-elektronica gebruiken, zodat een storingsvrije werking van het systeem is gewaarborgd.
Statusweergave
De actuele status van de RDC bandenspanningscontrole kan op het Control Display weergegeven worden, bijv. of de RDC actief is.
- "Auto-info"
- "Autostatus"
- "Bandenspanningsc. (RDC)"
De status wordt weergegeven.
Toestandsweergave
Op het Control Display wordt de toestand van de banden en het systeem weergegeven door de kleur van de wielen en een tekst.
Alle wielen groen
Systeem is actief en meldt de laatste bandenspanning die is opgeslagen bij de reset.
Een wiel geel
Een lekke band of een aanzienlijk spanningsverlies in de aangegeven band.
Alle wielen geel
Meerdere lekke banden of banden met een aanzienlijk spanningsverlies.
Wielen grijs
Het systeem herkent geen bandenpech. Redenen daarvoor zijn:
▶ Reset van het systeem werd uitgevoerd.
Storing
Extra informatie
In de toestandweergave worden bovendien de actuele bandenspanningen weergegeven. De getoonde waarden zijn momentane meetwaarden en kunnen veranderen door het rijden of weersomstandigheden. Wanneer de bandenspanningen ondanks actief systeem niet weergegeven worden, dan is mogelijk een verkeerde bandensensor gemonteerd.
Reset uitvoeren
Na elke correctie van de bandenspanning en na elke vervanging van een band of wiel het systeem resetten.
- "Auto-info"
- "Autostatus"
-
"Reset uitvoeren"
-
Rijden-stand-by inschakelen - niet wegrijden.
- Met "Reset uitvoeren" de reset uitvoeren.
- Wegrijden.
De wielen worden in het grijs weergegeven en de status wordt getoond.
Na een korte rijtijd boven 30 km/h worden de ingestelde bandenspanningen overgenomen als voorgeschreven waarden. De reset wordt tijdens het rijden automatisch afgesloten.
De voortgang van de reset wordt getoond.
Na een succesvol afgesloten reset worden de wielen op het Control Display groen weergegeven en "Bandenspanningscontrole (RDC) geactiveerd." wordt getoond.
De rit kan op ieder gewenst moment worden onderbroken. Het resetten wordt voortgezet als u verder rijdt.
Melding bij lage bandenspanning

Geel waarschuwingslampje brandt. Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
▷ U hebt een lekke band of een band met een aanzienlijk spanningsverlies.
▶ Voor het systeem werd geen reset uitgevoerd. Het systeem meldt zo de bandenspanningen van de laatste reset.
- Snelheid verminderen en voorzichtig stoppen. Heftige rem- en stuurbewegingen vermijden.
- Beschadigd wiel identificeren. Controleer daardoor de bandenspanning met behulp van het Mobility System. Bandenspanning corrigeren, zie pagina 171
- Bandenpech met het Mobility System, zie pagina 169, verhelpen, of het beschadigde wiel vervangen.
Indien geen Mobility System beschikbaar is, contact opnemen met de servicedienst.
Bij melding van een lage bandenspanning wordt evt. de dynamische stabiliteitscontrole DSC ingeschakeld.
Melding wanneer controle van de bandenspanning vereist is
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
Bandenspanning controleren en een reset van het systeem uitvoeren.
Mogelijk werd een wiel vervangen zonder een reset uit te voeren.
Grenzen van het systeem
Het systeem werkt niet correct wanneer geen reset uitgevoerd werd, bijv. wordt er bandenpech gemeld ondanks een juiste bandenspanning.
De bandenspanning hangt af van de temperatuur van de band. Door een verhoging van de bandentemperatuur, bijv. tijdens het rijden of door zonnestraling, neemt ook de bandenspanning toe. De bandenspanning verlaagt wanneer de bandentemperatuur daalt. Door dit gedrag kan bij sterk dalende temperaturen een waarschuwing uitgegeven worden op basis van de waarschuwingsgrenzen.
Storing

Geel waarschuwingslampje knippert en brandt vervolgens continu. Er wordt een Check-Control-melding weergegeven. Er kan geen bandenpech of verlies van bandenspanning herkend worden.
Weergave in de volgende situaties:
Er is een wiel zonder RDC-elektronica ge-monteerd: evt. door de servicedienst laten controleren.
Storing: systeem door de Service laten controleren.
RDC kon de reset niet afsluiten. Reset van het systeem opnieuw uitvoeren.
Storing door installations of apparaten met dezelfde zendfrequentie: na verlaten van het stoorveld wordt het systeem automatisch weer actief.
Bandenpechwaarschuwing RPA
Principe
Het systeem herkent spanningsverlies aan de hand van een toerentalvergelijking tussen de afzonderlijke wielen tijdens het rijden.
Bij spanningsverlies verandert de diameter en daardoor de draaisnelheid van het betreffende wiel. Deze verandering wordt herkend en als bandenpech gemeld.
Het systeem meet niet de daadwerkelijke bandenspanning in de banden.
Voorwaarden voor een correcte werking
Het systeem moet bij een correcte bandenspanning zijn geïntitialiseerd, anders is een betrouwbare melding van een bandenpech niet gewaarborgd. Na elke correctie van de bandenspanning en elke keer na het verwisselen van een band of wiel moet het systeem opnieuw worden geïntitialiseerd.
Statusweergave
Op het Control Display kan de momentele status van de bandenpechwaarschuwing worden weergegeven, bv. of de RPA actief is.
De status wordt weergegeven.
Initialisatie
Met de initialisatie worden de ingestelde bandenspanningen als referentie voor de herkenning van een lekke band overgenomen. Gestart wordt de initialisatie door bevestiging van de bandenspanningen.
Bij het rijden met sneeuwkettingen het systeem niet initialiseren.
-
"Auto-info"
-
"Autostatus"
-
"Reset uitvoeren"
-
Rijden-stand-by inschakelen - niet wegrijden.
-
Met "Reset uitvoeren" het initialiseren starten.
-
Wegrijden.
Het afsluiten van de initialisatie gebeurt tijdens het rijden, de rit kan te allen tijde worden onderbroken.
Tijdens een volgende rit wordt de initialisatie automatisch voortgezet.
Melding van bandenpech

Geel waarschuwingslampje brandt. Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
U hebt een lekke band of een band met een aanzienlijk spanningsverlies.
-
Snelheid verminderen en voorzichtig stoppen. Heftige rem- en stuurbewegingen vermijden.
-
Beschadigd wiel identificeren. Controleer daardoor de bandenspanning met behulp van het Mobility System. Is de bandenspanning in alle banden in orde, dan is de bandenpechwaarschuwing waarschijnlijk niet geïntialiseerd. Systeem dan initialiseren.
-
Bandenpech met het Mobility System, zie pagina 169, verhelpen, of het beschadigde wiel vervangen.
Indien geen Mobility System beschikbaar is, contact opnemen met de servicedienst.
Bij melding van bandenpech wordt evt. de dynamische stabiliteitscontrole DSC ingeschakeld.
Grenzen van het systeem

Plotse beschadiging van de banden
Ernstige, plotselinge beschadiging van een band door uitwerkingen van buitenaf kunnen niet worden aangekondigd.
Een natuurlijk, gelijkmatig spanningsverlies in alle vier de banden wordt niet herkend.
Daarom de bandenspanning regelmatig con- troleren.
In de volgende situaties kan het systeem vertraagd of onjuist werken:
Systeem is niet geïntitialiseerd.
Rijden op besneeuwde of gladde wegen.
▶ Sportieve rijstijl: slip op de aangedreven wielen, hoge dwarsversnelling.
Rijden met sneeuwkettingen.
Intelligent Safety
Principe
De Intelligent Safety-systemen kunnen helpen om een dreigende botsing te vermijden.
Botsingswaarschuwing met City-remfunc-tie, zie pagina 94.
▷ Personenwaarschuwing met City-remfunc-tie, zie pagina 96.
Opmerking

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Het systeem vervangt niet de persoonlijke inschatting van de verkeerssituatie.
Verkeerssituatie en omgeving van de auto oplettend in de gaten houden, anders zou er ondanks waarschuwingen een ongeval kunnen ontstaan.
Overzicht
Toets in de auto

Sommige Intelligent Safety-systemen zijn na het inschakelen van het rijden-stand-by via de start-/stopknop automatisch actief.

Toets indrukken:
Er wordt een beeldvenster weergegeven op het Control Display. Er kunnen instellingen uitgevoerd worden. De individuele instellingen worden voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.

Toets kort indrukken:
Intelligent Safety-systemen worden naargelang de individuele instelling afzonderlijk uitgeschakeld.
▶ LED brandt oranje of gaat uit, naargelang de individuele instelling.
Toets opnieuw indrukken:
Alle Intelligent Safety-systemen worden ingeschakeld.
De LED brandt groen.

Toets lang indrukken:
▶ Alle Intelligent Safety-systemen worden uitgeschakeld.
De LED dooft.
Botsingswaarschuwing met City-remfunctie
Principe
Het systeem kan helpen om ongevallen te voorkomen. Indien een ongeval niet vermeden kan worden, helpt het systeem om de bot-singssnelheid te beperken.
Het systeem waarschuwt voor mogelijk bot- singsgevaar en remt zo nodig zelfstandig.
De automatische remingreep vindt plaats met beperkte kracht en duur.
Het systeem wordt via een camera in de spiegelvoet gestuurd.
De botsingswaarschuwing is ook bij gedeactiveerde snelheidsregeling beschikbaar.
Bij het bewust naderen van een voertuig wordt de botsingswaarschuwing later weergegeven, om onjuiste waarschuwingen te voorkomen.
Algemeen
Het systeem waarschuwt vanaf ca. 5 km/h in twee fasen voor eventueel botsingsgevaar met voertuigen. Het tijdstip van deze waarschuwingen kan afhankelijk van de actuele rijsituatie variëren.
Tot ca. 60 km/h vindt evt. een remingreep plaats.
Detectiebereik

Er wordt rekening gehouden met voertuigen in dezelfde bewegingsrichting, als die zich in het detectiebereik van het systeem bevinden.
Overzicht
Toets in de auto

De camera bevindt zich in het bereik van de spiegelvoet.
Voorruit in het bereik voor de binnenspiegel schoon en vrij houden.
In-/uitschakelen
Sommige Intelligent Safety-systemen zijn na het inschakelen van het rijden-stand-by via de start-/stopknop automatisch actief.

Toets indrukken:
Er wordt een beeldvenster weergegeven op het Control Display. Er kunnen instellingen uitgevoerd worden. De individuele instellingen worden voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.

Toets kort indrukken:
Intelligent Safety-systemen worden naar-gelang de individuele instelling afzonderlijk uitgeschakeld.
▶ LED brandt oranje of gaat uit, naargelang de individuele instelling.
Toets opnieuw indrukken:
▶ Alle Intelligent Safety-systemen worden ingeschakeld.
De LED brandt groen.

Toets lang indrukken:
▶ Alle Intelligent Safety-systemen worden uitgeschakeld.
De LED dooft.
Waarschuwingstijdstip instellen
Het waarschuwingstijdstip kan via iDrive ingesteld worden.
- "Instellingen"
- "Botswaarschuwing"
- Gewenst waarschuwingstijdstip op het Control Display instellen.
Het geselecteerde waarschuwingstijdstip wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Waarschuwing met remfunctie

Snelheid en rijstijl aanpassen
U moet ondanks de waarschuwing uw rij-snelheid en rijstijl aanpassen aan de verkeers-situatie.
Weergave
Als er een botsing met een herkend voertuig dreigt, wordt in het instrumentenpaneel en in het Head-Up-display een waarschuwingssymbool weergegeven.
Symbool Maatregel

Auto brandt rood: vooralarm Remmen en afstand verhogen.

Voertuig knippert rood en er klinkt een signaal: acute waarschuwing. Oproep om in te grijpen door remmen en evt. uitwijken.
Remingreep
De waarschuwing geeft dringend aan dat er zelf moet worden ingegrepen. Tijdens een waarschuwing wordt de maximale remkracht gebruikt, ook bij het lichtjes intrappen van het rempedaal. Daarnaast kan het systeem bij bot-singsgevaar ondersteuning bieden door een beperkte remingreep. Het voertuig kan bij lage snelheid afgeremd worden tot stilstand.
De remingreep vindt enkel plaats wanneer de dynamische stabiliteitscontrole DSC ingeschakeld en de dynamische tractiecontrole DTC niet geactiveerd is.
De remingreep kan door het intrappen van het rijpedaal of door een actieve stuurbeweging worden afgebroken.
Grenzen van het systeem

Persoonlijke waakzaamheid
Op grond van systeembeperkingen kan het gebeuren dat waarschuwingen niet, te laat of onterecht worden gegeven. Daarom waakzaam zijn om steeds actief te kunnen ingrijpen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.
Detectiebereik
Het detectievermogen van het systeem is beperkt.
Daarom kan het gebeuren dat er niet of te laat wordt gewaarschuwd.
Bijvoorbeeld wordt eventueel het volgende niet herkend:
Langzaam voertuig bij het oprijden met hoge snelheid.
Plots invoegende of sterk vertragende voertuigen.
Auto's met ongewoon achteraanzicht.
▶ Vooroprijdende tweewielers.
Voetgangers.
Functiebeperking
De functie kan bijv. in de volgende situaties beperkt zijn:
Bij dichte nevel en hevige regen, regenschuim of sneeuwval.
In scherpe bochten.
Bij beperking of deactivering van de koersstabiliteitsregelsystemen, bijv. DSC OFF.
Tijdens de kalibratieprocedure van de camera direct na voertuiglevering.
Bij aanhoudende verblinding door tegen-
licht, bijv. laaghangende zon.
Gevoeligheid van het vooralarm
Afhankelijk van de instelling van het tijdstip van het vooralarm, kan er vaker loos alarm optreden.
Personenwaarschuwing met City-remfunctie
Principe
Het systeem kan helpen om ongevallen met voetgangers te voorkomen.
Het systeem waarschuwt in het bereik van stedelijke snelheid voor mogelijk botsingsgevaar met voetgangers en bevat een remfunctie.
Het systeem wordt gestuurd via de camera in de voet van de binnenspiegel.
Algemeen
Het systeem waarschuwt in heldere omstandigheden vanaf ca. 10 km/h tot ca. 60 km/h voor eventueel botsingsgevaar met voetgan- gers en ondersteunt door remingreep kort voor een botsing.
Daarbij wordt rekening gehouden met personen wanneer die zich in het detectiebereik van het systeem bevinden.
Detectiebereik

flowchart
graph TD
A["Car"] --> B{Flow Direction}
B -->|1| C["Right Path"]
B -->|2| D["Left Path"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style C fill:#bbf,stroke:#333
style D fill:#bfb,stroke:#333
Het waarschuwingsbereik voor de auto bestaat uit twee delen:
▶ Centraal gebied, pijl 1, direct vóór de auto.
▶ Uitgebreid gebied, pijl 2, rechts en links.
Een botsing dreigt wanneer personen zich in het centrale gebied bevinden. Voor personen die zich in het uitgebreide gebied bevinden wordt enkel gewaarschuwd wanneer die in de richting van het centrale gebied bewegen.
Overzicht
Toets in de auto

De camera bevindt zich in het bereik van de spiegelvoet.
Voorruit in het bereik voor de binnenspiegel schoon en vrij houden.
In-/uitschakelen
Het systeem is na het inschakelen van het rijden-stand-by automatisch actief via de start/stop-knop.
Uitschakelen

Telkens op de toets gedrukt wordt, wordt op het Control Display een
beeldvenster weergegeven. Er kunnen instellingen uitgevoerd worden. De individuele instellingen worden voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Toets kort indrukken:
Intelligent Safety-systemen worden naar-gelang de individuele instelling afzonderlijk uitgeschakeld.
De LED brandt oranje.
Toets opnieuw indrukken:
Alle Intelligent Safety-systemen worden ingeschakeld.
▶ De LED brandt groen.
Toets lang indrukken:
Alle Intelligent Safety-systemen worden uitgeschakeld.
De LED dooft.
Waarschuwing met remfunctie

Snelheid en rijstijl aanpassen
U moet ondanks de waarschuwing uw rij-snelheid en rijstijl aanpassen aan de verkeers-situatie.
Weergave
Als er een botsing met een herkende persoon dreigt, wordt in het instrumentenpaneel een waarschuwingssymbool weergegeven.

Rode symbool wordt weergegeven en er klinkt een signaal.
Direct zelf ingrijpen, door remmen of uitwijken.
Remingreep
De waarschuwing geeft dringend aan dat er zelf moet worden ingegrepen. Tijdens een waarschuwing wordt de maximale remkracht gebruikt, ook bij het lichtjes intrappen van het rempedaal. Daarnaast kan het systeem bij bot-singsgevaar ondersteuning bieden door een beperkte remingreep. Het voertuig kan bij lage snelheid afgeremd worden tot stilstand.
De remingreep wordt alleen uitgevoerd als de dynamische tractiecontrole DTC niet geactiveerd is.
De remingreep kan door het intrappen van het rijpedaal of door een actieve stuurbeweging worden afgebroken.
Grenzen van het systeem

Persoonlijke waakzaamheid
Op grond van systeembeperkingen kan het gebeuren dat waarschuwingen niet, te laat of onterecht worden gegeven. Daarom waakzaam zijn om steeds actief te kunnen ingrijpen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.
Detectiebereik
Het detectievermogen van de camera is be- perkt.
Daarom kan het gebeuren dat er niet of te laat wordt gewaarschuwd.
Bijvoorbeeld wordt eventueel het volgende niet herkend:
▶ Gedeeltelijk afgedekte voetgangers.
Voetgangers die wegens de gezichtshoek of contour niet als zodanig herkend worden.
▶ Voetgangers buiten het detectiebereik.
▶ Voetgangers kleiner dan ca. 80 cm.
Functiebeperking
De functie kan bijv. in de volgende situaties beperkt of niet beschikbaar zijn:
Bij dichte nevel en hevige regen, regenschuim of sneeuwval.
In scherpe bochten.
Wanneer het camerazichtveld resp. de voorruit vervuild of bedekt is.
Bij sterk tegenlicht.
▶ Tot 10 seconden na het tot stand brengen van het rijden-stand-by.
Tijdens de kalibratieprocedure van de camera direct na voertuiglevering.
Koersstabiliteitsregelsystemen
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Antiblokkeersysteem ABS
ABS voorkomt het blokkeren van de wielen tijdens het remmen.
De bestuurbaarheid blijft ook bij noodstops behouden, daardoor wordt de actieve veiligheid verhoogd.
Na het inschakelen van het rijden-stand-by is het ABS bedrijfsklaar.
Remassistent
Door snel indrukken van de rem veroorzaakt dit systeem automatisch een maximale verhoging van de remdruk. De remweg wordt bij nood-stops derhalve zo kort mogelijk gehouden. Hierbij wordt eveneens gebruik gemaakt van de voordelen van het ABS.
Het rempedaal zo lang ingedrukt houden als moet worden geremd.
Bij uitrusting met Driving Assistant Plus of met op camera gebaseerde snelheidsregeling met Stop & Go-functie, ACC wordt de remingreep ondersteund bij mogelijk botsingsgevaar. Daarvoor wordt de remkracht automatisch verhoogd wanneer de remdruk bij het intrappen van het rempedaal te klein is.
Energieterugwinning
Bij gevaar, bijv. blokkerende wielen, wordt de energieterugwinning verminderd om instabiele rijtoestanden te voorkomen.

Steeds gereed zijn om te remmen
Steeds gereed zijn om te remmen, aangezien zonder energieterugwinning ook geen remwerking van de elektrische aandrijving voorhanden is.
De auto zou verder kunnen rollen op normale manier. Daardoor kan gevaar ontstaan voor andere verkeersdeelnemers.
Dynamische stabiliteitscontrole DSC
Principe
DSC voorkomt het doordraaien van de aangedreven wielen bij het wegrijden en accelereren.
DSC herkent bovendien instabiele rijtoestanden, zoals een uitbreken van de achterkant van de auto of het schuiven via de voorwielen. DSC helpt erbij de auto door reduceren van het motorvermogen en door remingrepen aan afzonderlijke wielen binnen de natuurkundige grenzen op een veilige koers te houden.

Rijstijl aan situatie aanpassen
De bestuurder blijft altijd verantwoordelijk voor een aangepaste, veilige rijstijl.
Ook met DSC is het niet mogelijk natuurkundige wetten uit te schakelen.
Beperk de bijkomende veiligheidsfactor niet door gewaagd rijden.
Controle- en waarschuwingslampjes

Controlelampje knippert: DSC regelt de aandrijf- en remkrachten.
Controlelampje brandt: DSC is uitgevallen.
Dynamische tractiecontrole DTC
Principe
Het DTC-systeem is een op tractie geoptimaliseerde variant van DSC.
Het systeem waarborgt bij bijzondere toestanden van de weg, bijv. niet van sneeuw geruimde wegen, een maximale tractie bij beperkte koersstabiliteit.
Daarom zeer behoedzaam rijden.
In de volgende uitzonderlijke gevallen verdient het aanbeveling de DTC tijdelijk in te schakelen:
Rijden in vuile, natte sneeuw of op een niet geruimd, met sneeuw bedekt wegdek.
Auto vrij rijden of wegrijden uit diepe sneeuw of op losse ondergrond.
Rijden met sneeuwkettingen.
Bij geactiveerde dynamische tractiecontrole DTC bestaat maximale tractie op losse ondergrond. De koersstabiliteit is bij het versnellen en bij het rijden in bochten beperkt.
DTC activeren
- "Instellingen"
- "Stabiliteitscontrole"
- "TRACTION"
Het controlelampje voor DSC OFF brandt.
DTC deactiveren
- "Instellingen"
- "Tractiecontrole"
- "NORMAL"
Het controlelampje voor DSC OFF dooft.
Bij het opnieuw inschakelen van het rijdenstand-by wordt DTC automatisch gedeactiveerd.
Rijervaring-schakelaar
Principe
Met de rijervaring-schakelaar kunnen be-paalde-eigenschappen van de auto worden aangepast. Daarvoor staan verschillende rij-modi ter beschikking.
Bediening van de rijmodi
Rijervaring-schakelaar Rijmodus

COMFORT
ECO PRO
ECO PRO+
Automatisch wisselen van programma
In de volgende situaties wordt automatisch naar COMFORT gewisseld:
Bij uitvallen van de dynamische stabiliteits control DSC.
Bij bandenpech.
COMFORT
Voor een evenwichtige aanpassing bij maxi-male koersstabiliteit.
COMFORT activeren

Toets zo vaak indrukken tot in het instrumentenpaneel COMFORT wordt weergegeven.
In bepaalde situaties wordt automatisch naar het programma COMFORT gewisseld, Automatisch wisselen van programma, zie pagina 100.
ECO PRO
ECO PRO, zie pagina 147, biedt een consequent verbruiksverminderende afstemming voor maximale actieradius bij maximale koersstabilisering.
Comfortfuncties en de motorregeling worden aangepast.
De rijmodus kan individueel worden geconfigureerd.
ECO PRO activeren

Toets zo vaak indrukken tot in het instrumentenpaneel ECO PRO wordt
weergegeven.
ECO PRO configureren
- ECO PRO activeren
- "ECO PRO configureren"
Gewenste instellingen uitvoeren.
ECO PRO+
ECO PRO+ beperkt daarnaast ook de maxi- mumsnelheid en reduceert de airco- en licht- functies.
Comfortfuncties en de motorregeling worden aangepast.
ECO PRO+ activeren

Toets zo vaak indrukken tot in het instrumentenpaneel ECO PRO+ wordt
weergegeven.
Weergaven
Rijmodusselectie

Bij het drukken van de toets wordt een lijst met de te selecteren rijmodi weergegeven.
Geselecteerde rijmodus
De rijmodi ECO PRO en ECO PRO+ worden weergegeven op het instrumentenpaneel.
Daarnaast brandt ook de weergave op de air-conditioning.
Weergave op het Control Display
Het wisselen van de rijmodi kan op het Control Display worden weergegeven.
Het systeem ondersteunt bij het wegrijden op stijgingen. De parkeerrem is hiervoor niet vereist.
- Auto met rempedaal houden.
- Rempedaal loslaten en vlot wegrijden.
Na het loslaten van het rempedaal wordt de auto gedurende ca. 2 seconden gehouden.
Naargelang de belading kan de auto ook een beetje achteruitrollen.

Vlot wegrijden
Na het loslaten van het rempedaal vlot wegrijden, anders houdt de wegrijassistent de auto na ca. 2 seconden niet meer en begint hij achteruit te rollen.
Rijcomfort
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Op camera gebaseerde snelheidsregeling met stop & go, ACC
Principe
Met dit systeem kan een gewenste rijsnelheid worden gekozen die bij vrije vaart door de auto automatisch wordt gehouden.
In het kader van de gegeven mogelijkheden past het systeem de snelheid automatisch aan een langzamer vooroprijdend voertuig aan.
Om vooroprijdende voertuigen te herkennen is aan de binnenspiegel een camera aangebracht.
De afstand die het systeem tot het vooroprijdende voertuig houdt, kan worden gevarieerd.
Deze is om veiligheidsredenen snelheidsafhankelijk.
Om op afstand te blijven reduceert het systeem automatisch de snelheid, remt het eventueel licht en versnelt het opnieuw als het vooroprijdende voertuig sneller beweegt.
Als het vooroprijdende voertuig tot stilstand afremt, kan het systeem dit in het gegeven kader registreren. Als het vooroprijdend voertuig uit de stilstand opnieuw vertrekt, gaat na een passende bediening ook uw auto weer versnellen.
Zelfs als het iets langer duurt voordat het vooroprijdende voertuig wegrijdt, kan de eigen auto op eenvoudige wijze automatisch worden versneld.
Zodra de rijbaan vrij is, wordt op de gewenste rijsnelheid versneld.
Deze wordt ook op hellende routes gehouden, kan echter op hellingen worden onderschreden als het motorvermogen niet volstaat.
Algemeen
Bij geactiveerde ECO PRO of ECO PRO+ wordt ook de snelheidsregeling op een verbruiksverbeterende rijstijl ingesteld.
Opmerkingen
Persoonlijke verantwoordelijkheid Het systeem ontlast u niet van de verant- woordelijkheid, rijsnelheid, afstand en rijstijl aan te passen aan de verkeerssituatie. Oplet- tend rijden en reageren op de heersende ver- keerssituatie. Evt. actief ingrijpen, bijv. door remmen, sturen of uitwijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Overzicht
Toetsen op stuurwiel
Toets Functie

Snelheidsregeling aan/uit, onderbreken, zie pagina 103.

Snelheid oproepen, zie pagina 105.

Afstand verkleinen, zie pagina 104.

Afstand vergroten, zie pagina 105.

Met file-assistent: afstand instellen, zie pagina 104.
Toets Functie

Tuimelschakelaar:
Snelheid wijzigen/houden, zie pagina 104.

Met file-assistent: file-assistent aan/uit, onderbreken, zie pagina 108.
De volgorde van de toetsen varieert naarge- lang de uitrusting of exportvariant.
Camera

De camera bevindt zich in het bereik van de spiegelvoet.
Voorruit in het bereik voor de binnenspiegel schoon en vrij houden.
Snelheidsregeling in-/uitschakelen en onderbreken
Inschakelen

Toets op het stuurwiel indrukken.

Het controlelampje op het instrumentenpaneel gaat branden.

De huidige snelheid wordt overgenomen als gewenste snelheid en naast het symbool op het Info Display weer-
gegeven.
Snelheidsregeling kan worden gebruikt.
Uitschakelen

Gedeactiveerd of onderbroken systeem
Bij uitgeschakeld of onderbroken systeem actief ingrijpen door afremmen, sturen en zo nodig uitwijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Bij uitschakelen in stilstand tegelijkertijd de rem indrukken.

Toets op het stuurwiel indrukken.
In geactiveerde toestand: tweemaal indrukken.
In ononderbroken toestand: eenmaal indrukken.
De weergaven doven. Opgeslagen gewenste rijsnelheid en afstand worden gewist.
Onderbreken

Toets op het stuurwiel indrukken.
Bij onderbreken in stilstand tegelijkertijd de rem indrukken.
Het systeem wordt in de volgende situaties automatisch onderbroken:
Als er geremd wordt.
▶ Als de keuzestand D wordt uitgeschakeld.
▶ Als de dynamische tractiecontrole DTC wordt geactiveerd.
▶ Als DSC regelt.
Als bij stilstaande auto de veiligheidsgordel en het bestuurdersportier worden geopend.
Wanneer het detectiebereik van de camera verstoord is, bijv. door hevige neerslag of verblinding door de zon.
Snelheid houden, opslaan

Tuimelschakelaar in ononderbroken toestand eenmaal indrukken.
Bij ingeschakeld systeem wordt de gereden snelheid gehouden en als gewenste rijsnelheid opgeslagen.
Die wordt weergegeven in de snelheidsmeter en permanent op het instrumentenpaneel.
Weergaven op het instrumentenpaneel, zie pagina 106.
Bij houden of opslaan van de snelheidsregeling wordt evt. de dynamische stabiliteitsontrole ingeschakeld.
Snelheid wijzigen, behouden, opslaan
Door drukken van de tuimelschakelaar in onderbroken toestand kan ook de momenteel gereden snelheid worden gehouden en opgeslagen. Daarbij wordt in voorkomende gevallen de dynamische stabiliteitscontrole DSC ingeschakeld.

Gewenste rijsnelheid aanpassen
De voorkeurssnelheid aan de verkeerssituatie aanpassen en voortdurend alert zijn om te remmen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.

Snelheidsverschillen
Hoge snelheidsverschillen tot andere voertuigen kunnen door het systeem bijv. in de volgende situaties niet gecompenseerd worden:
Bij snel naderen van langzaam rijdende voertuigen.
Bij plotseling uitwijken van een vooroprijdend voertuig op de eigen rijstrook.
Bij snel naar stilstaande voertuigen toe rijden.

Zo vaak op de tuimelschakelaar boven of onder drukken, tot de gewenste rijsnelheid is ingesteld.
In actieve toestand wordt de weergegeven snelheid opgeslagen en bereikt voor zover de verkeerssituatie dit toelaat.
Elk aantippen van de tuimelschakelaar tot het drukpunt verhoogt of verlaagt de gewenste rijsnelheid met ca. 1 km/h.
Elk drukken van de tuimelschakelaar over het drukpunt heen verhoogt of verlaagt de gewenste rijsnelheid op het volgende tiental van de km/h-snelheidsmeteraanduiding.
Tuimelschakelaar in een stand houden, om de betreffende actie te herhalen.
Afstand

Keuze van de afstand
De afstand aanpassen aan de verkeers- en weersomstandigheden, anders bestaat ge- vaar voor ongevallen. Neem hierbij de voorge- schreven veiligheidsafstand in acht.
Afstand verkleinen

Zo vaak toets indrukken tot de gewen- ste afstand is ingesteld.
Gekozen afstand, zie pagina 106, wordt op het instrumentenpaneel weergegeven.
Afstand vergroten

Zo vaak toets indrukken tot de gewenste afstand is ingesteld.
Gekozen afstand, zie pagina 106, wordt op het instrumentenpaneel weergegeven.
Met file-assistent: afstand instellen

Zo vaak toets indrukken tot de gewenste afstand is ingesteld.

Het ingestelde afstandsniveau wordt kort weergegeven in het linkerdeel van het instrumentenpaneel.
Gewenste snelheid en afstand oproepen
Tijdens het rijden

Met ingeschakeld systeem de toets indrukken.
In de volgende gevallen wordt de opgeslagen snelheidswaarde gewist en kan deze niet meer worden opgeroepen:
Bij het uitschakelen van het systeem.
Bij het uitschakelen van het rijden-stand-by.
Bij stilstand

Voor het verlaten van de auto, deze te- gen wegrollen beveiligen
Voor het verlaten van de auto de parkeerrem vastzetten en het rijden-stand-by uitschakelen. Anders kan de auto zich in beweging zetten.
De auto wordt door het systeem tot stilstand afgeremd:

Groene weergave op het Info Dis- play:
Het eigen voertuig versnelt automatisch zodra het voertuig in het bereik van de camera wegrijdt.

Weergave op het Info Display ver- andert naar oranje: geen automatisch weg- rijden.
Om automatisch te accelereren tot de ge- wenste snelheid, kort het rijpedaal bedie- nen of de RES-toets indrukken.
Knipperende balk in de afstandsindicatie geeft aan dat het voertuig in het detectiebereik van de camera weggereden is.
De eigen auto werd actief door indrukken van de rem tot stilstand afgeremd en staat achter een ander voertuig:

ndrukken, om een opgesla- wenste rijsnelheid op te roepen.
-
Rem loslaten.
-
Kort het rijpedaal bedienen, RES-toets of tuimelschakelaar indrukken, als de auto voor u wegrijdt.
Wisselen tussen snelheidsregeling met/zonder afstandsregeling

Vooroprijdend verkeer
De snelheidsregeling reageert niet op vooroprijdend verkeer, maar houdt de opgeslagen snelheid aan. Met dit feit rekening houden en zo nodig zelf reageren; anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Op snelheidsregeling schakelen:

Toets indrukken en houden of

Toets indrukken en houden.
Voor het terugschakelen op actieve snelheidsregeling een van de beide toetsen kort indrukken.

Met file-assistent: toets ingedrukt houden.
Om terug te schakelen naar actieve snelheidsregeling, toets kort indrukken.
Weergaven op het instrumentenpaneel
Gewenste snelheid

De gewenste snelheid wordt naast het symbool op het Info Display weergegeven.
▶ Weergave brandt groen: systeem is actief.
▶ Weergave brandt oranje: systeem is onderbroken.
Geen weergave: systeem is uitgeschakeld.
Statusweergave

Gekozen voorkeurssnelheid.
Als in de weergave voor Check-Control-meldingen kort de melding --- wordt weergegeven, is aan eventueel voor de werking vereiste voorwaarden niet voldaan.
Voertuigafstand
De gekozen afstand tot het vooroprijdende voertuig wordt kort weergegeven in het linker-deel van het instrumentenpaneel.
Afstandsindicatie

Afstand 1

Afstand 2
Afstandsindicatie

Afstand 3
Is na aanzetten van het systeem ingesteld. Komt overeen met ca. de helft van de waarde van de km/h-weergave in meter.

Afstand 4
Controle- en waarschuwingslampjes

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Controle- en waarschuwingslichten ontlasten u niet van de verantwoordelijkheid, gewenste rijsnelheid en rijstijl aan te passen aan de verkeerssituatie.

Autosymbool brandt oranje:
Vooroprijdend voertuig gedetecteerd.

Autosymbool knippert oranje:
Voorwaarden voor het gebruik van het systeem zijn niet meer vervuld.
Het systeem wordt gedeactiveerd, remt maar slechts tot uw actieve overname door intrappen van de rem of het rijpedaal.

Autosymbool knippert rood en er klinkt een signaal:
Oproep om in te grijpen door remmen en evt. uitwijken.

Systeem onderbroken of afstandsregeling gedeactiveerd omdat het rijpedaal wordt ingedrukt, terwijl geen voertuig erkend.

Afstandsregeling gedeactiveerd, omdat het rijpedaal wordt ingedrukt, terwijl een voertuig werd herkend.

Knipperende balken: het herkende voertuig is vertrokken.
Wisselen tussen snelheidsregeling met/zonder afstandsregeling
Weergave op het instrumentenpaneel:

Snelheidsregeling zonder afstandsregeling.

Actieve snelheidsregeling met af- standsregeling.
Grenzen van het systeem
Snelheidsbereik
Het optimale toepassingsgebied zijn goed uitgebouwde straten. De gewenste rijsnelheid kan tussen 30 km/h tot 130 km/h worden gekozen.
Bij geactiveerde ECO PRO+ kan de gewenste rijsnelheid tussen 30 km/h tot 90 km/h worden gekozen.
Het systeem kan ook in stilstand worden geactiveerd.
Bij gebruik steeds de wettelijk voorgeschreven maximale snelheid in acht nemen.
Na het overschakelen op snelheidsregeling zonder afstandsregeling kunnen ook hogere gewenste rijsnelheden worden gekozen.
Detectiebereik

Het detectievermogen van het systeem en het automatische remvermogen zijn beperkt.
Bijvoorbeeld kunnen tweewielers eventueel niet worden herkend

Beperkt detectievermogen
Op grond van het beperkte detectievermogen van de camera waakzaam zijn om steeds actief te kunnen ingrijpen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.
Vertraging
Het systeem vertraagt niet bij:
Voetgangers, fietsers of dergelijke langzame verkeersdeelnemers.
Rode stoplichten.
Kruisend verkeer.
Tegemoetkomend verkeer.
Voertuigen zonder lichten of met defecte verlichting 's nachts.
Invoegende voertuigen

Een voorliggende auto wordt pas herkend, als deze zich volledig op de eigen strook bevindt.

Invoegende voertuigen
Bij het plotseling uitwijken van een vooroprijdend voertuig op uw rijstrook kan het systeem de ingestelde afstand soms niet meer zelfstandig herstellen. Dit geldt ook voor grote snelheidsverschillen ten opzichte van voor u rijdende voertuigen, bijvoorbeeld bij het snel naderen van een vrachtauto. Het systeem verzoekt u om bij een met zekerheid gedetecteerd vooroprijdend voertuig in te grijpen door af te remmen en eventueel uit te wijken. U moet zelf reageren, anders bestaat gevaar voor ongeval- len.
Rijden in bochten

Als de ingestelde snelheid te hoog is voor een bocht, wordt de snelheid in de bocht iets ver- minderd, maar bochten worden niet van te vo- ren herkend. Daarom met aangepaste snelheid een bocht inrijden.
In scherpe bochten kunnen in verband met het beperkte detectiebereik van het systeem situaties optreden waarbij een vooroprijdend voertuig niet of te laat wordt herkend.

Bij het naderen van een bocht kan het systeem in verband met de kromming van de bocht kortstondig reageren op voertuigen die zich op de andere rijstrook bevinden. Een eventuele vertraging van de auto door het systeem kan worden verholpen door kort te accelereren. Na het loslaten van het rijpedaal is het systeem weer actief en wordt de snelheid weer automatisch geregeld.
Wegrijden
In enkele situaties kan de auto niet automatisch wegrijden, bv. op steile hellingen of voor verhogingen in het wegdek.
Storing
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven als het systeem is uitgevallen.
De functie kan bijv. in de volgende situaties be- perkt zijn:
Wanneer een voorwerp niet juist herkend werd.
Bij dichte nevel en hevige regen, regenschuim of sneeuwval.
In scherpe bochten.
Wanneer het camerazichtveld resp. de voorruit vervuild of bedekt is.
Bij sterk tegenlicht.
▶ Tot 10 seconden na het inschakelen van het rijden-stand-by via de start-/stopknop.
Tijdens de kalibratieprocedure van de camera direct na voertuiglevering.
File-assistent
Principe
In filesituaties regelt het systeem de snelheid, het stuurt zo nodig zelfstandig en houdt de auto binnen de rijbaan.
In het kader van de gegeven mogelijkheden past het systeem de snelheid automatisch aan een vooroprijdend voertuig aan. De afstand die het systeem tot het vooroprijdende voertuig houdt, kan worden gevarieerd. Deze is om veiligheidsredenen snelheidsafhankelijk. Om op afstand te blijven reduceert het systeem automatisch de snelheid, remt het eventueel licht en versnelt het opnieuw als het vooroprijdende voertuig sneller beweegt.
Wanneer rijbaanbegrenzingen herkend worden, houdt het systeem de auto binnen de rijbaan. Daarvoor stuurt het systeem zo nodig zelfstandig, bijv. bij het rijden in bochten.
Algemeen
De file-assistent bepaalt de snelheid en afstand tot het vooroprijdende voertuig, alsook
de rijbaanbegrenzing met behulp van een camera.
Sensoren aan het stuurwiel herkennen of het aangeraakt wordt.
Het systeem wordt gedeactiveerd zodra het stuurwiel niet langer aangeraakt wordt.
Om de file-assistent te gebruiken, het stuur-wiel vastnemen.
Bij het rijden met handschoenen of aange- brachte hoezen kan het contact met het stuur- wiel mogelijk niet herkend worden door de sensoren. Het systeem kan dan niet gebruikt worden.
Opmerkingen

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Het systeem onlast u niet van de verantwoordelijkheid, rijsnelheid, afstand en rijstijl aan te passen aan de verkeerssituatie. Oplettend rijden en reageren op de heersende verkeerssituatie. Evt. actief ingrijpen, bijv. door remmen, sturen of uitwijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Voorwaarden voor een correcte werking
Rijden op vrijgegeven straattype. De gegevens hiervoor bevinden zich in het navigatiesysteem.
Rijden op de snelweg of gescheiden secundaire weg.
▶ Voldoende breedte van de rijstrook.
Rijbaanbegrenzing wordt herkend.
▶ Vooroprijdend voertuig wordt herkend.
▷ Snelheid onder 40 km/h.
▶ Beide handen op de stuurwielrand.
Overzicht
Toetsen op stuurwiel
Toets Functie

File-assistent aan/uit, onderbreken, zie pagina 109.

Tuimelschakelaar: Snelheid opslaan, wijzigen/houden, zie pagina 104.

Snelheid oproepen, zie pagina 105.

Afstand instellen, zie pagina 104.
Camera

De camera bevindt zich in het bereik van de spiegelvoet.
Voorruit in het bereik voor de binnenspiegel schoon en vrij houden.
In-/uitschakelen en onderbreken
Inschakelen

Toets indrukken.
Systeem voorbereiden: eenmaal indrukken.
Systeem activeren:
Het systeem wordt automatisch geactiveerd onder 40 km/h.
Bij niet geactiveerde ACC: tuimelschakelaar indrukken.
Bij geactiveerde ACC: systeem is gebruiksklaar.

Bij niet geactiveerde ACC: controle-lampje in het instrumentenpaneel brandt.

Bij geactiveerde ACC: controlelampje in het instrumentenpaneel brandt.
File-assistent kan worden gebruikt.
Bij ingeschakelde file-assistent is de personenwaarschuwing actief.
Uitschakelen

Gedeactiveerd of onderbroken systeem
Bij uitgeschakeld of onderbroken sys-
teem actief ingrijpen door afremmen, sturen en zo nodig uitwijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.

Toets indrukken.
De weergave gaat uit. Opgeslagen gewenste snelheid en afstand worden behouden door ACC.
Het systeem stuurt evt. niet langer zelfstandig.
Onderbreken

In geactiveerde toestand toets indrukken.
Het systeem wordt in de volgende situaties automatisch onderbroken:
Bij een snelheid boven 40 km/h.
Bij het herkennen van slechts één rijbaanbegrenzing.
Bij het verlaten van de snelweg.
Bij het verlaten van de gescheiden secundaire weg.
Bij het loslaten van het stuurwiel.
Bij vasthouden van het stuur of als er zelf gestuurd wordt.
Bij het verlaten van de eigen rijstrook.
Bij het ontbreken van een vooroprijdend voertuig.
Bij ingeschakelde richtingaanwijzer.

Roulerende balken:
File-assistent versnelt niet verder. Om verder te versnellen ACC activeren door kort gas te geven, RES-toets of tuimelschakelaar.

Rood knipperend en geluidssignaal:
File-assistent is onderbroken. Het systeem stuart evt. niet langer zelfstandig. ACC regelt.
Indien voldaan is aan de systeemvereisten, wordt het systeem automatisch opnieuw geactiveerd.
Afstand

Keuze van de afstand
De afstand aanpassen aan de verkeers- en weersomstandigheden, anders bestaat ge- vaar voor ongevallen. Neem hierbij de voorge- schreven veiligheidsafstand in acht.
Afstand instellen

Zo vaak toets indrukken tot de gewenste afstand is ingesteld.
Voertuigafstand
De gekozen afstand tot het vooroprijdende voertuig wordt kort weergegeven in het linker-deel van het instrumentenpaneel.
Afstandsindicatie

Afstand 1

Afstand 2

Afstand 3
Is na aanzetten van het systeem ingesteld. Komt overeen met ca. de helft van de waarde van de km/h-weergave in meter.

Afstand 4

Keuze van de afstand
De afstand aanpassen aan de verkeers- en weersomstandigheden, anders bestaat ge- vaar voor ongevallen. Neem hierbij de voorge- schreven veiligheidsafstand in acht.
Weergaven op het instrumentenpaneel
Symbool Beschrijving

File-assistent en afstandsregeling in stand-by.

File-assistent in stand-by. Af- standsregeling regelt in ingestelde afstand.

File-assistent geactiveerd. Het systeem regelt de snelheid en ondersteunt het binnen de rijstrook blijven.
Symbool Beschrijving

Knipperende balken: snelheid wordt bij 40 km/h niet meer verhoogd door de file-assistent. Het systeem deactiveert eventueel het zelfstandig sturen.

Rood knipperend en geluidssig- naal: file-assistent is onderbroken. Het systeem stuurt evt. niet zelf- standig. ACC regelt.
Grenzen van het systeem
Bij het rijden over smalle rijstroken, bijv. bij werkzaamheden of bij omleidingen over vluchtstroken, kan het systeem niet geactiveerd of correct gebruikt worden.

Beperkt detectievermogen
Op grond van het beperkte detectievermogen van de camera waakzaam zijn om steeds actief te kunnen ingrijpen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.

Voor het land specifieke wetten in acht nemen
Neem de voor het land specifieke wetten in acht bij gebruik van de file-assistent.
Snelheidsregeling
Principe
Het systeem functioneert vanaf ca. 30 km/h.
De snelheid die met de bedieningselementen op het stuurwiel is ingesteld wordt aangehouden.
Bovendien remt het systeem als op een hellende route de remwerking van de motor niet volstaat.

Ongunstige voorwaarden
Het systeem niet gebruiken als ongunstige omstandigheden een rijden met constante snelheid niet toelaten, bv.:
Bij bochtig wegverloop.
Bij druk verkeer.
Bij gladheid op de weg, nevel, sneeuw, regen of losse ondergrond.
U kunt de controle over de auto verliezen en daardoor een ongeval veroorzaken.
Algemeen
Bij geactiveerde ECO PRO of ECO PRO+ wordt ook de snelheidsregeling op een ver- bruiksverbeterende rijstijl ingesteld.
Overzicht
Toetsen op stuurwiel
Toets Functie

Systeem aan/uit, onderbreken

Snelheid opslaan

Snelheid oproepen

Tuimelschakelaar: snelheid wijzigen
Bediening
Inschakelen

Toets op het stuurwiel indrukken.

Het controlelampje op het instrumen- tenpaneel gaat branden.

De huidige snelheid wordt overgenomen als gewenste snelheid en naast het symbool op het Info Display weergegeven.
Snelheidsregeling kan worden gebruikt.
Uitschakelen

Gedeactiveerd of onderbroken systeem
Bij uitgeschakeld of onderbroken systeem actief ingrijpen door afremmen en zo nodig uitwijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.

Toets indrukken.
In geactiveerde toestand: tweemaal in-drukken.
In ononderbroken toestand: eenmaal indrukken.
De weergaven doven. Opgeslagen gewenste rijsnelheid wordt gewist.
Onderbreken

In geactiveerde toestand toets indrukken.
Het systeem onderbreekt automatisch als:
Wordt afgeremd.
▶ De keuzestand D wordt uitgeschakeld.
▶ Dynamische tractiecontrole wordt geactiveerd.
▷ DSC regelt.
Actuele snelheid houden, opslaan

Tuimelschakelaar in ononderbroken toestand eenmaal indrukken.
Bij ingeschakeld systeem wordt de gereden snelheid gehouden en als gewenste rijsnelheid opgeslagen.
Dit wordt op het instrumentenpaneel weergegeven.
Bij houden of opslaan van de snelheidsregeling wordt evt. de dynamische stabiliteitsontrole ingeschakeld.
Snelheid wijzigen/houden
Door drukken van de tuimelschakelaar in onderbroken toestand kan ook de momenteel gereden snelheid worden gehouden en opgeslagen.

Gewenste rijsnelheid aanpassen
De voorkeurssnelheid aan de verkeerssituatie aanpassen en voortdurend alert zijn om te remmen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.

Zo vaak op de tuimelschakelaar boven of onder drukken, tot de gewenste rijsnelheid is ingesteld.
In actieve toestand wordt de weergegeven snelheid opgeslagen en bereikt voor zover de verkeerssituatie dit toelaat.
Elk aantippen van de tuimelschakelaar tot het drukpunt verhoogt of verlaagt de gewenste rijsnelheid met ca. 1 km/h.
Elk drukken van de tuimelschakelaar over het drukpunt heen verhoogt of verlaagt de gewenste rijsnelheid op het volgende tiental van de km/h snelheidsmeteraanduiding. Max. instelbare snelheid: 150 km/h.
- Tuimelschakelaar tot het drukpunt drukken en ingedrukt houden verhoogt of verlaagt de snelheid zonder op het rijpedaal te trappen. Na het loslaten van de tuimelschake-
laar wordt de bereikte snelheid behouden. Verder drukken dan het drukpunt verhoogt de snelheid nog meer.
Gewenste rijsnelheid oproepen

Toets indrukken.
Opgeslagen snelheid wordt opnieuw bereikt en gehouden.
Weergaven op het instrumentenpaneel
Controlelampje

Afhankelijk van de uitrusting geeft het controlelampje in het instrumentenpaneel aan, of het systeem is ingescha-
keld.
Gewenste snelheid

De gewenste snelheid wordt naast het symbool op het Info Display weergegeven.
▶ Weergave brandt groen: systeem is actief.
▶ Weergave brandt oranje: systeem is onderbroken.
Geen weergave: systeem is uitgeschakeld.
Statusweergave

Gekozen voorkeurssnelheid.
Als in de weergave voor Check-Control-meldingen kort de melding --- wordt weergegeven, is aan eventueel voor de werking vereiste voorwaarden niet voldaan.
PDC helpt u bij het inparkeren. Langzaam na- deren van een object achter of, bij overeen- komstige uitrusting, ook voor uw auto wordt gemeld door:
▶ Geluidssignalen.
▶ Optische aanduiding.
Algemeen
Voor de meting zijn ultrasoon-sensoren in de bumpers aangebracht.
De reikwijdte bedraagt naargelang de omgeving ca. 2 m.
Akoestische waarschuwing volgt pas:
Bij de middelste sensoren voor en de beide hoeksensoren bij ca. 60 cm.
Bij de middelste sensoren achteraan bij ca. 1,50 m.
Opmerkingen

Bovendien verkeerssituatie observeren PDC kan de persoonlijke inschatting van de verkeerssituatie niet vervangen. De ver- keerssituatie rondom de auto controleren door zelf te kijken. Anders zou er gevaar voor onge- vallen kunnen ontstaan, bv. door verkeersdeel- nemers of voorwerpen die zich buiten het de- tectiebereik van de PDC bevinden.
Luide geluidsbronnen buiten en binnen de auto kunnen de PDC-signaaltoon overstemmen.

Snel rijden met PDC vermijden Snel toerijden op een voorwerp vermijden.
Snel wegrijden vermijden als PDC nog niet actief is.
Het systeem kan anders op basis van fysieke omstandigheden te laat waarschuwen.
Overzicht
Toets in de auto

PDC wordt in de volgende situaties automatisch ingeschakeld:
Wanneer bij ingeschakeld rijden-stand-by de keuzestand R ingeschakeld wordt.
Wanneer, bij overeenkomstige uitrusting, hindernissen achter of voor de auto herkend worden door PDC en de snelheid lager dan ca. 3 km/h is.
Het automatisch inschakelen bij waargenomen obstakels kan uitgezet worden:
- "Instellingen"
- "Parkeren"
- Instelling selecteren.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Automatisch uitschakelen bij vooruitrijden
Het systeem schakelt bij overschrijding van een bepaalde afstand of een bepaalde snelheid uit.
Indien nodig het systeem weer inschakelen.
Handmatig in-/uitschakelen

Toets indrukken.
Aan: LED licht.
▶ Uit: LED dooft.
Afgezien van de Park Distance Control PDC kan de achteruitrijcamera, zie pagina 116, worden ingeschakeld.
Achteruitrijcamera via iDrive inschakelen
Bij geactiveerde PDC:

"Achteruitrijcamera"
Het beeld van de achteruitrijcamera wordt weergegeven. Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Weergave
Geluidssignalen
De nadering van een voorwerp wordt door een onderbroken geluidssignaal uit de richting van het obstakel weergegeven. Als bijv. links achter de auto een obstakel wordt herkend, klinkt het geluidssignaal uit de luidspreker linksachter.
Hoe korter de afstand tot een object wordt, hoe korter de intervallen worden.
Als de afstand tot een herkend object kleiner is dan ca. 25 cm, klinkt er een continu signaal.
Als zich zowel voor als achter de auto voorwerpen bevinden, klinkt een afwisselend ononderbroken geluidssignaal.
Het geluidssignaal wordt uitgeschakeld:
Als de auto meer dan ca. 10 cm van een voorwerp is verwijderd.
Als de keuzehendelstand P wordt ingeschakeld.
Volume
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Optische waarschuwing
De benadering van een object kan op het Control Display worden weergegeven. Verder verwijderde obstakels worden reeds weergegeven, voordat een geluidssignaal klinkt.
Er verschijnt een weergave zodra PDC geactiveerd wordt.
Het detectiebereik van de sensoren wordt in de kleuren rood, groen en geel weergegeven.
Indien als laatste het beeld van de achteruitrij-camera was geselecteerd, wordt dit opnieuw weergegeven. Voor het overschakelen op PDC:
-
"Achteruitrijcamera" Symbool op het Control Display selecteren.
-
Controller indrukken.
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Grenzen van het systeem
Grenzen van de ultrasoonmeting
Het herkennen van voorwerpen kan worden beperkt aan de grenzen van de natuurkundige ultrasone meting, zoals:
Bij aanhangertrekstangen en -koppelingen.
Bij dunne of wigvormige onderdelen.
Bij lage voorwerpen.
Bij voorwerpen met hoeken en scherpe kanten.
Bij sneeuw.
Bij voorwerpen met poreuze oppervlakken.
Reeds weergegeven, lage voorwerpen, bijv. stoepranden, kunnen in het dode bereik van de sensoren komen voordat of nadat reeds een ononderbroken geluidssignaal klinkt.
Hoger liggende, vooruitstekende voorwerpen, bijv. uitspringende muren, kunnen niet worden herkend.
Loos alarm
PDC kan onder de volgende voorwaarden een waarschuwing weergeven, hoewel er zich geen obstakel in het detectiebereik bevindt:
Bij krachtige regen.
Bij sterke verontreiniging of ijsvorming van de sensoren.
Bij met sneeuw bedekte sensoren.
Bij ruw wegdek.
Bij oneffen bodems, bijv. verkeersdrempels.
In grote, rechthoekige gebouwen met gladde muren, bijv. ondergrondse garages.
▶ Door sterke uitlaatgassen.
Door andere ultrasone bronnen, bijv. veegmachines, stoomstraalreinigers of buislampen.
Storing
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
PDC is uitgevallen. Systeem laten controleren.
Om de correcte werking te waarborgen:
▶ Sensoren schoon en ijsvrij houden.
Met hogedrukreinigers niet langdurig en met een afstand van minstens 30 cm op de sensoren spuiten.
Achteruitrijcamera
Principe
De achteruitrijcamera helpt bij het achter-waarts inparkeren en rangeren. Hiertoe wordt het gebied achter uw auto op het Control Display weergegeven.
Opmerkingen
Bovendien verkeerssituatie observeren De verkeerssituatie rondom de auto controleren door zelf te kijken. Anders zou er gevaar voor ongevallen kunnen ontstaan, bv. door verkeersdeelnemers of voorwerpen die zich buiten het beeldbereik van de achteruitrijcamera bevinden.
Overzicht
Toets in de auto

Het objectief van de camera zit onder de achterklep. Door vuil kan de beeldkwaliteit minder worden.
Objectief schoonmaken, zie pagina 195.
In-/uitschakelen
Bij ingeschakeld rijden-stand-by keuzestand R inschakelen.
Het beeld van de achteruitrijcamera wordt weergegeven, als het systeem via het iDrive werd ingeschakeld.
Automatisch uitschakelen bij vooruitrijden
Het systeem schakelt bij overschrijding van een bepaalde afstand of een bepaalde snelheid uit.
Indien nodig het systeem weer inschakelen.
Handmatig in-/uitschakelen

Toets indrukken.
Aan: LED licht.
▶ Uit: LED dooft.
Op het Control Display wordt PDC weergegeven.
Achteruitrijcamera via iDrive inschakelen
Bij geactiveerde PDC:
"Achteruitrijcamera"
Het beeld van de achteruitrijcamera wordt weergegeven. Instelling wordt voor de momenteel gebruikte afstandsbediening opgeslagen.
Weergave op het Control Display
Voorwaarden voor een correcte werking
Achteruitrijcamera is ingeschakeld.
▶ Achterklep is volledig gesloten.
Assistentiefuncties activeren
Meerdere assistentiefuncties kunnen tegelijkertijd actief zijn.
Parkeerhulplijnen
"Parkeerhulplijnen"
Rijstrook- en draaicirkellijnen worden weergegeven.
Obstakelmarkering
Ruimtelijk gevormde markeringen worden weergegeven.
Manoeuvreerlijnen

Kunnen bij keuzestand R in het beeld van de achteruitrijcamera worden weergegeven.
▶ Ze helpen u de benodigde ruimte bij het parkeren en manoeuvreren op vlak wegdek in te schatten.
- Ze zijn afhankelijk van de actuele stuuruit-slag en worden bij stuurwielbeweging continu aangepast.
Bochtlijnen

- Kunnen in het beeld van de achteruitrijcamera worden geprojecteerd.
- Geven het verloop van de kleinst mogelijke draaicirkel op een vlak wegdek aan.
Bij stuurwielinslag wordt alleen een draai-cirkellijn weergegeven.
Obstakelmarkering
Algemeen

In het beeld van de achteruitrijcamera kunnen markeringen voor geregistreerde hindernissen worden geprojecteerd.
Hun kleurpatroon komt overeen met de markeringen van de PDC. Dit ondersteunt u bij het inschatten van de afstand tot het afgebeelde object.
Inparkeren aan de hand van manoeuvreer- en bochtlijnen
- Auto zodanig opstellen, dat de bochtlijnen binnen de begrenzing van de parkeerplaats vallen.

- Stuurwiel dusdanig draaien dat de rijspoorlijn de betreffende draaicirkellijn overdekt.

Instellingen van de weergave
Helderheid
Bij ingeschakelde achteruitrijcamera:
- Symbol selecteren.
- Controller draaien tot de gewenste instelling is bereikt en controller indrukken.
Contrast
Bij ingeschakelde achteruitrijcamera:
- Symbol selecteren.
- Controller draaien tot de gewenste instelling is bereikt en controller indrukken.
Grenzen van het systeem
Herkenning van objecten
Hoger liggende, vooruitstekende voorwerpen, bijv. uitspringende muren, kunnen niet worden geregistreerd door het systeem.
Assistentiefuncties houden ook rekening met PDC-gegevens.
Aanwijzingen in het hoofdstuk PDC in acht nemen, zie pagina 114.
De op het Control Display getoonde voorwerpen kunnen in bepaalde omstandigheden dichter zijn dan ze lijken. De afstand tot de voorwerpen daarom niet schatten op het display.
Parkeerassistent
Principe

Het systeem biedt ondersteuning bij zijdelings inparkeren parallel aan de weg.
Ultrasone sensoren lijnen de parkeerruimte aan beide zijden van de auto uit.
De parkeerassistent berekent de optimale inparkeerlijn en neemt de besturing over gedurende het inparkeren, het accelereren en het remmen, en wisselt zo nodig van keuzestand Gedurende het inparkeren de toets van de parkeerassistent ingedrukt houden. Na afloop van het inparkeren wordt naar keuzehendelstand P geschakeld.
Tijdens het inparkeren ook letten op de optische en akoestische aanwijzingen van de PDC en de parkeerassistent en overeenkomstig reageren.
Park Distance Control PDC, zie pagina 114, maakt deel uit van de parkeerassistent.
Opmerkingen

Persoonlijke verantwoordelijkheid
De parkeerassistent ontlast u niet van persoonlijke verantwoordelijkheid bij het inparkeren.
Parkeerruimten en inparkeerproces zelf bewaken en eventueel ingrijpen, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.

Verandering in de parkeerruimte
Het systeem houdt geen rekening met veranderingen in een reeds uitgelijnde parkeerruimte.
Daarom waakzaam zijn om steeds actief te kunnen ingrijpen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.

Lading vervoeren
Tijdens het inparkeerproces houdt het systeem geen rekening met lading die buiten de auto uitsteekt.
Daarom waakzaam zijn om steeds actief te kunnen ingrijpen, anders bestaat gevaar voor ongevallen.

Stoepranden
De Parkassistent stuurt evt. weg van stoepranden of over deze.
Let daarom goed op, zodat u op ieder moment kunt ingrijpen, anders kan schade aan de wie- len en banden of aan de auto ontstaan.
Voorwaarden
Voor het uitlijnen van parkeerruimten
▶ Recht vooruitrijden tot ca. 35 km/h.
Maximale afstand tot de rij met geparkeerde auto's: 1,5 m.
Geschikte parkeerruimte
▶ Ruimte tussen twee voorwerpen, die telkens minstens 1,5 m lang zijn.
▶ Minimumlengte van de ruimte: eigen voertuiglengte plus ca. 1,2 m.
▶ Minimumdiepte: ca. 1,5 m.
Voor het inparkeren
▶ Gesloten portieren.
Parkeerrem vrijgezet.
Bij inparkeren in parkeerruimten aan de bestuurderszijde moet de betreffende richtingaanwijzer worden gebruikt.
Overzicht
Toets in de auto

De ultrasone sensoren voor het uitlijnen van parkeerruimte bevinden zich op de wiellopen. Om de correcte werking te waarborgen:
▷ Sensoren schoon en ijsvrij houden.
Met hogedrukreinigers niet langdurig en met een afstand van minstens 30 cm op de sensoren spuiten.
In-/uitschakelen
Inschakelen met de toets

Toets indrukken.
LED licht.
De actuele status van het zoeken naar een parkeerruimte wordt op het Control Display weergegeven.
Parkeerassistent wordt automatisch geactiveerd.
Inschakelen met keuzestand R
Keuzestand R inschakelen.
De actuele status van het zoeken naar een parkeerruimte wordt op het Control Display weergegeven.
Activeren: "Parkeerassistent" symbool selecteren op het Control Display.
Uitschakelen
Het systeem kan als volgt worden gedeactiveerd:

▶ Uitschakelen van het rijden-stand-by.
Weergave op het Control Display
Systeem inschakelen/uitschakelen
Symbool Betekenis
P Grijs: systeem niet beschikbaar. Wit: systeem beschikbaar, maar niet geactiveerd.
P Systeem geactiveerd.
Status van het systeem

Gekleurde symbolen, zie pijlen, aan de zijkant bij de autoweergave. Parkeerassistent is geactiveerd en Zoeken naar parkeerruimte actief.
Geschikte parkeerruimten worden op het Control Display aan de rand van de weg naast het autosymbool weergegeven. Bij actieve parkeerassistent worden de geschikte parkeerruimten gekleurd geaccentueerd.
Parkeerproces actief. Besturing is overgenomen.

Zoeken naar parkeerruimten is bij langzaam recht vooruitrijden altijd actief, ook bij gedeactiveerd systeem. Bij gedeactiveerd systeem worden de weergaven op het Control Display grijs weergegeven.
Inparkeren met de parkeerassistent

Bovendien verkeerssituatie observeren Luide geluidsbronnen buiten en binnen de auto kunnen de signaaltonen van de par- keerassistent of PDC overstemmen.
De verkeerssituatie rondom de auto bovendien controleren door zelf te kijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
- Parkeerassistent inschakelen en eventueel activeren.
De status van zoeken naar parkeerruimte wordt op het Control Display weergegeven.
- Aanwijzingen op het Control Display opvolgen.
Om een optimale parkeerstand te berei- ken, de automatische besturing na het wisselen van de keuzestand in stilstand af- wachten.
Het einde van het parkeerproces wordt op het Control Display weergegeven.
- De parkeerstand eventueel zelf aanpassen.
Handmatig afbreken
De parkeerassistent kan op elk gewenst moment worden afgebroken:
"Barkeerassistent" Symbool op het Control Display selecteren.
Toets indrukken.
Automatisch afbreken
Het systeem wordt in de volgende situaties automatisch afgebroken:
Bij het loslaten van de toets.
Bij vasthouden van het stuur of als er zelf gestuurd wordt.
Bij schakelen naar een versnelling, die niet met de aanwijzing op het Control Display overeenkomt.
Bij het accelereren.
Bij het vastzetten van de parkeerrem.
Bij het aanzetten van de richtingaanwijzer aan de tegenovergestelde zijde van de gewenste parkeerzijde.
▶ Bij snelheden boven ca. 10 km/h.
Eventueel bij besneeuwde of gladde we-gen.
Bij open achterklep.
- Zo nodig bij moeilijk te overkomen obstakels, bijv. stoepranden.
Bij plotseling verschijnende obstakels.
Bij overschrijden van een maximaal aantal inparkeerpogingen of de inparkeerduur.
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
Voortzetten
Een afgebroken inparkeerproces kan mogelijk worden voortgezet.
Daarvoor de aanwijzingen op het Control Display aanhouden.
Grenzen van het systeem
Geen inparkeerondersteuning
De parkeerassistent biedt in de volgende situaties geen ondersteuning:
In scherpe bochten.
Functiebeperking
De functie kan bijv. in de volgende situaties beperkt zijn:
▶ Bij vuile of bevroren sensoren.
Bij dichte nevel en hevige regen of sneeuwval.
- Op een oneffen ondergrond, bijvoorbeeld bij steenslagwegen.
▶ Op een gladde ondergrond.
▶ Op steile hellingen of afdalingen.
Als zich bladeren of sneeuw heeft opge-
hoopt op de parkeerplaats.
Grenzen van de ultrasoonmeting
Het herkennen van voorwerpen kan worden beperkt aan de grenzen van de natuurkundige ultrasone meting, zoals bij de volgende omstandigheden:
Bij aanhangertrekstangen en -koppelingen.
Bij dunne of wigvormige onderdelen.
Bij hoger gelegen en uitstekende voorwerpen, bijv. muuruitsparingen of ladingen.
Bij voorwerpen met hoeken en scherpe kanten.
Bij voorwerpen met fijne afwerking of structuren, bijv. hekken.
Reeds weergegeven, lage voorwerpen, bv. stoepranden, kunnen in het dode bereik van de sensoren komen voordat of nadat reeds een ononderbroken geluidssignaal klinkt.
Hoger liggende, vooruitstekende voorwerpen, bv. uitspringende muren, kunnen niet worden herkend.
Parkeerplaatsen worden eventueel herkend, die niet geschikt zijn als zodanig.
Storing
Er wordt een Check-Control-melding weergegeven.
De parkeerassistent is uitgevallen. Systeem laten controleren.
Klimaatregeling
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er wor-
den daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Aircosysteem

1 Stoelverwarming, links 50
2 Koelfunctie
3 Temperatuur
4 Luchtverdeling, ruiten
5 Luchtverdeling, ter hoogte van het bovenli-
chaam
Aircofuncties in detail
Koelfunctie
De koeling van het interieur via de A/C-toets is enkel mogelijk bij ingeschakeld rijden-stand-by.
6 Luchtverdeling, beenruimte
7 IJs en wasem verwijderen
8 Achterruitverwarming
9 Luchtrecirculatie
10 Stoelverwarming, rechts 50
11 Luchthoeveelheid

Toets indrukken.
De lucht wordt gekoeld, gedroogd en afhankelijk van de temperatuurinstelling weer verwarmd.
In het aircosysteem ontstaat condenswater, zie pagina 143, dat onder de auto wegloopt.
Temperatuur

Aan het wiel draaien om de ge- wenste temperatuur in te stel- len.
Het aircosysteem regelt deze temperatuur zo snel mogelijk en
houdt deze dan constant.
Om het energieverbruik te verminderen, wordt naargelang de ECO-PRO-modus, zie pagina 147, het koel- of verwarmingsvermogen gereduceerd of gedeactiveerd.
Luchtverdeling handmatig
Druk op de toets om een programma te kiezen:



Programma's kunnen naar wens worden ge- combineerd.
Ruiten ontdooien en ontwasemen

Toets indrukken.
IJs en wasem verdwijnen snel van
voorruit en voorste zijruiten.
Luchthoeveelheid kan bij een actief programma worden aangepast.
Schakel bij beslagen ruiten ook de koelfunctie in.
Achterruitverwarming wordt na enige tijd automatisch uitgeschakeld.
Luchtrecirculatie
Bij sterk verontreinigde buitenlucht kunt u de toevoer van buitenlucht tijdelijk afsluiten. De lucht in het interieur wordt dan gerecirculeerd.

Toets herhaald indrukken, om een werkingswijze op te roepen:
▶ LED uit: buitenlucht stroomt continu naar binnen.
▶ LED aan, luchtrecirculatiewerking: de toevoer van buitenlucht is permanent afgesloten.
Schakel bij beslagen ruiten de recirculatielucht uit en verhoog evt. de luchttoevoer.

Permanente luchtrecirculatie
De luchtrecirculatiewerking mag niet continu gedurende een langere periode worden gebruikt, anders wordt de luchtkwaliteit in het interieur steeds slechter.
Luchthoeveelheid handmatig

Toets links of rechts indrukken: lucht-hoeveelheid verlagen of verhogen.
De intensiteit wordt weergegeven door de LED's. Hoogste stand bij vijf brandende LED's.
De luchthoeveelheid van het aircosysteem wordt evt. tot aan het uitschakelen gereduceerd om de accu te ontzien.
Systeem in-/uitschakelen
Uitschakelen

Toets links ingedrukt houden, tot het bedieningsonderdeel uitschakelt.
Inschakelen
Willekeurige toets indrukken, met uitzondering van
Achterruitverwarming.
Stoelverwarming.
Microfilter
Het microfilter filtert bij buiten- en recirculatie- lucht het stof en pollen in de lucht.
Dit filter moet bij het onderhoud, zie pagina 179, van uw auto worden vervangen.
Airconditioning

1 Stoelverwarming, links 50
2 Koelfunctie
3 Display
4 Temperatuur
5 Luchtverdeling
6 AUTO-programma
7 Maximaal koelen
Aircofuncties in detail
Koelfunctie
De koeling van het interieur via de A/C-toets is enkel mogelijk bij ingeschakeld rijden-stand-by.
A/C
Toets indrukken.
8 IJs en wasem verwijderen
10 AUC/luchtrecirculatie
11 Stoelverwarming, rechts 50
12 ECO PRO/ECO PRO+ 147
13 Luchthoeveelheid, AUTO-intensiteit
De lucht wordt gekoeld, gedroogd en afhanke- lijk van de temperatuurinstelling weer ver- warmd.
In het AUTO-programma wordt automatisch de koelfunctie ingeschakeld.
In de airconditioning ontstaat condenswater, zie pagina 143, dat onder de auto wegloopt.
Temperatuur

Aan het wiel draaien om de ge- wenste temperatuur in te stel- len.
De geselecteerde temperatuur wordt op het display van de airconditioning weergegeven.
De automatische airconditioning regelt deze temperatuur zo snel mogelijk, indien nodig met hoog koel- of verwarmingsvermogen, en houdt deze dan constant.
Wisselingen tussen verschillende temperatuurinstellingen kort achter elkaar voorkomen. De airconditioning met elektronische temperatuurregeling heeft anders niet voldoende tijd om de ingestelde temperatuur te regelen.
Om het energieverbruik te verminderen, wordt naargelang de ECO-PRO-modus, zie pagina 147, het koel- of verwarmingsvermogen gereduceerd of gedeactiveerd.
Luchtverdeling handmatig

Toets herhaald indrukken om een pro- gramma te selecteren:
▷ Ruiten.
▶ Ter hoogte van het bovenlichaam.
▷ Beenruimte.
Ruiten en ter hoogte van het bovenli-chaam.
Ruiten en beenruimte.
- Ter hoogte van het bovenlichaam en de beenruimte.
Ruiten, ter hoogte van het bovenlichaam en beenruimte.
De geselecteerde luchtverdeling wordt op het display van de airconditioning weergegeven.
Bij het beslaan van de ruiten de AUTO-toets indrukken, om gebruik te kunnen maken van de voordelen van de condenssensor.
AUTO-programma

Toets indrukken.
Luchthoeveelheid, luchtverdeling en temperatuur worden automatisch geregeld.
Afhankelijk van de gekozen temperatuur, de intensiteit van het AUTO-programma en van externe invloeden wordt de lucht naar de voorruit, de zijruiten, in de richting van het bovenlichaam en in de beenruimte geleid.
In het AUTO-programma wordt eveneens automatisch de koelfunctie, zie pagina 125, ingeschakeld.
Een condenssensor regelt tegelijkertijd het programma zodanig, dat het beslaan van de ruiten zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Programma uitschakelen: toets opnieuw indrukken of luchtverdeling handmatig instellen.
Intensiteit AUTO-programma
Met ingeschakeld AUTO-programma kan de automatische regeling van luchthoeveelheid en luchtverdeling worden gewijzigd.

Toets links of rechts indrukken: intensiteit verlagen of verhogen.
Het intensiteitsniveau wordt weergegeven door de LED's.
Maximaal koelen

Toets indrukken.
Het systeem staat op de laagste temperatuur, de maximale luchthoeveelheid en in de luchtrecirculatiestand.
De lucht stroomt uit de uitstroomopeningen ter hoogte van het bovenlichaam. De uitstroomopeningen daarom openen.
Lucht wordt zo snel mogelijk gekoeld:
Via een buitentemperatuur van ca. 0 °C.
▶ Vanaf rijden-stand-by.
Luchthoeveelheid kan bij een actief pro- gramma worden aangepast.
Ruiten ontdooien en ontwasemen

Toets indrukken.
IJs en wasem verdwijnen snel van
voorruit en voorste zijruiten.
Luchthoeveelheid kan bij een actief pro- gramma worden aangepast.
Bij het beslaan van de ruiten ook de koelfunctie inschakelen en de AUTO-toets indrukken, om gebruik te kunnen maken van de voordelen van de condenssensor.
Achterruitverwarming wordt na enige
tijd automatisch uitgeschakeld.
Automatische luchtrecirculatieregeling AUC/luchtrecirculatiefunctie
Bij sterk verontreinigde buitenlucht kunt u de toevoer van buitenlucht tijdelijk afsluiten. De lucht in het interieur wordt dan gerecirculeerd.

Toets herhaald indrukken, om een werkingswijze op te roepen:
▶ LED's gedoofd: buitenlucht stroomt continu naar binnen.
Linker LED aan, AUC-werking: een sensor herkent schadelijke stoffen in de buiten-lucht en regelt de blokkering automatisch.
Rechter LED aan, luchtrecirculatiewerking: de toevoer van buitenlucht is permanent afgesloten.
Bij het beslaan van de ruiten de luchtcirculatie uitschakelen en de AUTO-toets indrukken, om gebruik te kunnen maken van de voordelen van de condenssensor. Ervoor zorgen dat er lucht naar de voorruit kan stromen.

Permanente luchtrecirculatie
De luchtrecirculatiewerking mag niet continu gedurende een langere periode worden gebruikt, anders wordt de luchtkwaliteit in het interieur steeds slechter.
Luchthoeveelheid handmatig
Om de luchthoeveelheid handmatig te kunnen regelen, eerst het AUTO-programma uitschakelen.

Toets links of rechts indrukken: lucht-hoeveelheid verlagen of verhogen.
De intensiteit wordt weergegeven door de LED's. Hoogste stand bij vijf brandende LED's.
De luchthoeveelheid van de airconditioning wordt evt. tot aan het uitschakelen gereduceerd om de accu te ontzien.
Systeem in-/uitschakelen
Uitschakelen

Toets links ingedrukt houden, tot het bedieningsonderdeel uitschakelt.
Inschakelen
Willekeurige toets indrukken, met uitzondering van
Micro-/actief-koolstofffilter
Het micro-/actief-koolstofffilter filtert in buiten-en recirculatielucht de lucht van stof, pollen en gasvormige schadelijke stoffen.
Dit filter moet bij het onderhoud, zie pagina 179, van uw auto worden vervangen.
Ventilatie

Gekartelde knoppen voor het traploos openen en sluiten van de uitstroomopeningen, pijlen 1.
▶ Hendel voor de verandering van de uit-stroomrichting, pijlen 2.
Instelling van de ventilatie
▶ Ventilatie om te koelen:
Uitstroomopeningen dusdanig richten, dat de lucht in uw richting wordt geleid, bijv. bij verwarmde auto.
Tochtvrije ventilatie:
Uitstroomopeningen zo richten dat de lucht langs u stroomt.
Standklimaataanpassing
Principe
De standklimaataanpassing koelt of verwarmt het interieur tot een comforttemperatuur.
Het warme interieur wordt afgekoeld vóór het wegrijden, de airconditioning vermindert daarbij de interieurtemperatuur met hoger koelvermogen.
De standklimaataanpassing verwarmt zo nodig het interieur. Sneeuw en ijs kunnen zo eenvoudiger weggehaald worden. Bij uitgeschakeld rijden-stand-by komt de lucht via de uit-stroomopeningen aan de voorruit, zijruiten, ter hoogte van het bovenlichaam en in de been-ruimte automatisch naar buiten.
De standklimaataanpassing wordt ten laatste na 30 minuten automatisch uitgeschakeld.
De standklimaataanpassing kan in- en uitgeschakeld worden via de volgende systemen:
▷ Direct bedrijf, zie pagina 128.
▶ Vooraf geselecteerde starttijden, zie pagina 128.
Goodbye-scherm, zie pagina 129.
▶ BMW i Remote App, zie pagina 129.
Voorwaarden voor een correcte werking
Bij vooraf geselecteerde starttijd: afhankelijk van de binnen-, buiten- en ingestelde gewenste temperatuur.
In direct bedrijf via iDrive: bij elke buiten-temperatuur.
De hoogspanningsaccu is voldoende opgeladen.
De uitstroomopeningen van de ventilatie staan open zodat lucht kan uitstromen.
Direct in-/uitschakelen
- "Instellingen"
- "Klimaatbediening"
- "Interieurvoorventilatie activeren"
Symbool op de airconditioning knippert bij ingeschakeld systeem.
Klimaataanpassing bij starttijd activeren
Aan de hand van de temperatuur wordt automatisch de inschakeltijd bepaald. Het systeem wordt voldoende vóór de voorgeselecteerde starttijd ingeschakeld.
- "Instellingen"
- "Vertrektijd"
- "Klimatiseren bij vertrektijd"
- "Vertrektijd 1:"
- Gewenste starttijd instellen, zie pagina 160, en activeren.
Symbool op de automatische airconditioning brandt bij geactiveerde starttijd.
Symbool van de airconditioning met elektronische temperatuurregeling knippert, als het systeem ingeschakeld is.
Goodbye-scherm
Indien het rijden-stand-by wordt uitgeschakeld, kunnen wijzigingen uitgevoerd worden op het Control Display. De wijziging van de vertrektijd is eenmalig. Geplande vertrektijden worden niet aangepast. Instellingen voor klimaatregeling en oplaadprocedure worden ook voor geplande vertrektijden overgenomen.
Activeren met BMW i Remote App
Met de BMW i Remote App, zie handleiding van BMW i Remote, kan het systeem op een vooraf geselecteerde starttijd of direct in- en uitgeschakeld worden.
Interieuruitrusting
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Asbak/aansteker
Asbak
Openen

De asbak kan in de bekerhouder geplaatst worden.
Legen
Inzet verwijderen.
Aansteker

Gevaar voor verbranding
Hete aansteker alleen aan de knop vastpakken om gevaar voor verbranding te voorkomen.
Gereedheid uitschakelen en afstandsbedie- ning bij het verlaten van de auto meenemen, zodat bijv. kinderen de aansteker niet kunnen gebruiken en zich kunnen verbranden.

Afdekking na gebruik opnieuw aanbren-gen
Aansteker of contactdoosafdekking na gebruik opnieuw aanbrengen, anders kunnen voorwerpen die in de aanstekeraansluiting of de contactdoos vallen een kortsluiting veroorzaken.

Aansteker indrukken.
Zodra de aansteker terugspringt kan hij worden uitgenomen.
Aansluiting van elektrische apparaten
Opmerkingen

Laders niet aansluiten op de contactdoos
Acculaders niet aansluiten op de af fabriek ingebouwde contactdozen in de auto, anders kan er schade aan de accu ontstaan.

Afdekking na gebruik opnieuw aanbren-gen
Aansteker of contactdoosafdekking na gebruik opnieuw aanbrengen, anders kunnen voorwerpen die in de aanstekeraansluiting of de contactdoos vallen een kortsluiting veroorzaken.
Contactdozen
De aanstekeringang kan bij lopende motor of ingeschakelde gereedheid als contactdoos voor elektrische apparaten gebruikt worden. Het totale vermogen van alle contactdozen mag 140 watt niet overschrijden bij 12 volt.
Fitting niet met ongeschikte stekker beschadi- gen.
Middenconsole vooraan

De contactdoos bevindt zich tussen de voor- stoelen. Afdekking of aansteker verwijderen.
In de bagageruimte

De contactdoos bevindt zich rechts in de bagageruimte.
USB-interface voor gegevensoverdracht
Principe
Aansluiting voor importeren en exporteren van gegevens op USB-medium, bijv.:
▶ Personal Profile instellingen, zie pagina 37.
Muziekverzameling.
▶ Importeren van reizen.
met Navigatiesysteem Professional of TV: overzicht

De USB-interface bevindt zich tussen de voorstoelen.
Opmerkingen
Bij het aansluiten het volgende in acht nemen:
▶ Steek de stekker niet met geweld in de USB-interface.
Sluit op de USB-interface geen apparaten als b.v. ventilatoren of lampen aan.
Geen USB-schijven aansluiten.
De USB-interface niet gebruiken voor het opladen van externe apparaten.
Bagageruimte
Bagageruimteafdekking
De bagageruimteafdekking wordt opgetild bij het openen van de achterklep.

Geen zware voorwerpen neerleggen
Geen zware en harde voorwerpen op de bagageruimteafdekking neerleggen. Zij kunnen bv. bij rem- en uitwijkmanoeuvres de inzit-tenden in gevaar brengen.
Uitnemen en plaatsen
Verwijderen
Voor het opbergen van volumineuze bagage kan de afdekking worden verwijderd.
- Bevestigingsbanden aan de achterklep uithangen.
- Afdekking optillen en naar achteren uittrekken.

- Afdekking in de houders steken.
- Bevestigingsbanden bevestigen.
Bagageruimte vergroten
Algemeen
De bagageruimte kan door het kantelen van de achterbankleuning worden vergroot.
Opmerkingen

Inklemgevaar
Vóór het neerklappen van de rugleuningen ervoor te zorgen dat het bewegingsberiek van de rugleuning vrij is. Ervoor zorgen dat zich niemand in het bewegingsbereik bevindt of in het bewegingsbereik van de rugleuningen grijpt. Anders kan letsel of schade ontstaan.

Rugleuningen vergrendelen
Voor de montage van kinderzitjes de achterbankleuninghoek zo instellen dat het zitje vast tegen de leuning ligt en alle leuningen veilig vergrendeld worden. Anders is de stabili-
teit van het kinderzitje beperkt en bestaat er verhoogd gevaar voor letsel door het onverwacht bewegen van de achterbankleuning.

Vergrendeling goed dichtklikken
Let bij het terugklappen op dat de vergrendeling goed vastklikt. Daarbij verdwijnt de rode markering aan de voorste lus. Anders kan bijv. bij rem- en uitwijkmanoeuvres bagage in het interieur worden geslingerd en de inzitten- den in gevaar brengen.

Hoofdsteunen inklappen voordat de achterbankleuningen worden omgeklapt
Voor het omklappen van de achterbankleuning zich ervan vergewissen dat de overeenkomstige hoofdsteun volledig naar onderen geschoven en omgeklapt is, anders kan er schade optreden.
Achterbankleuning omklappen
De achterbankleuningen kunnen van voren of vanuit de bagageruimte worden omgeklapt.

Voor het omklappen verzekeren dat de gordel in de gordelgesp ligt.

De overeenkomstige lus aan de achterbankleuning naar voren trekken.

Of: de overeenkomstige slang in de bagage- ruimte trekken en de achterbankleuning naar voren klappen.
Voor het beveiligen van de lading, zie pagina 145, met netten of bevestigingsbanden zijn in de bagageruimte bevestigingsogen aan- gebracht.
Achterbankleuning instellen
De achterbankleuningen kunnen afzonderlijk in twee verschillende posities ingesteld worden.
▶ Laadstand.
Basisstand.
Beladingsstand
Voor het vergroten van de bagageruimte kan de achterbankleuning in rechtopstaande stand worden gebracht.
- Aan de overeenkomstige lus trekken.
-
Laadstand van de leuning instellen.
-
Achterbankleuning vergrendelen. Daarbij verdwijnt de rode markering aan de voorste lus.
Basisstand
Bij het terugklappen van de leuningen uit omgeklapte stand vergrendelen ze eerst in de laadstand.
- Aan de overeenkomstige lus trekken.
- Achterbankleuning naar achteren klappen.
- Zo nodig opnieuw aan de lus trekken.
- Achterbankleuning volledig naar achteren klappen.
- Achterbankleuning vergrendelen. Daarbij verdwijnt de rode markering aan de voorste lus.
Opbergvakken
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Opmerkingen

Geen losse voorwerpen in het interieur
Geen voorwerpen los in het interieur onderbrengen, anders kunnen deze b. v. bij remen uitwijkmanoeuvres de inzittenden in gevaar brengen.

Geen anti-slip onderleggers op het dashboard
Geen anti-slip onderleggers, bijv. anti-slip-matten, op het dashboard gebruiken, anders kan deze door de materialen van de onderlegger beschadigd raken.
Opbergmogelijkheden
Volgende opbergmogelijkheden zijn in het interieur te vinden:
▶ Dashboardkastje aan de passagierszijde, zie pagina 134.
- Opbergvak tussen de voorstoelen, achter de bekerhouder.
▶ Opbergvak in de middenarmsteun voorin, zie pagina 135.
▶ Opbergvakken in de voorportieren, zie pagina 134.
▶ Opbergvak tussen de achterstoelen.
Dashboardkastje
Passagierszijde
Opmerking

Dashboardkastje onmiddellijk weer sluiten
Dashboardkastje tijdens het rijden na gebruik onmiddellijk opnieuw sluiten, anders bestaat bij ongevallen gevaar voor letsel.
Openen

Knop indrukken en deksel langs boven openen.
Sluiten
Deksel toeklappen.
Opbergvakken in de portieren

Geen breekbare voorwerpen onderbrengen
Geen breekbare voorwerpen, b.v. glazen fles- sen in de vakken onderbrengen, anders be- staat er bij een ongeval verhoogd gevaar voor letsel.
Middenarmsteun
Openen/kantelen
In de armleuning tussen de voorstoelen bevindt zich een opbergvak.

Voor het openen toets indrukken, pijl 1. Voor het kantelen toets indrukken, pijl 2.
Aansluiting voor extern audioapparaat

In de middenarmsteun kan via de AUX-In-aansluiting of de USB-audio-interface een extern audio-apparaat, bijv. een mp3-speler, aangesloten worden.
Bevestiging voor bekerhouder

Onder de middenarmsteun bevindt zich een opbergvak met bevestiging voor een bekerhouder.
Bekerhouder
Opmerkingen

Onbreekbare drinkbekers en geen hete dranken
Gebruik lichte en onbreekbare drinkbekers en transporteer geen hete dranken. Ingeval van een aanrijding bestaat anders verhoogd gevaar voor letsel.

Ongeschikte drinkbekers
Ongeschikte drinkbekers niet met geweld in de bekerhouders drukken. Dit kan tot beschadigingen leiden.
Voorin

De kleerhaken bevinden zich aan de hemelbekleding boven de achterportieren.

Zicht vrijhouden
Kleding moet zodanig aan de haken wor-
den gehangen, dat het zicht voor de bestuurder niet wordt belemmerd.

Geen zware voorwerpen
Geen zware voorwerpen aan de haken
hangen, zij kunnen bv. bij rem- en uitwijkmanoeuvres de inzittenden in gevaar brengen.
Opbergvakken in de bagageruimte
Klemband
Aan de rechter- en linkerzijbekleding bevindt zich een bagagespanriem voor het bevestigen van kleine voorwerpen.
Sjorogen in de bagageruimte
Voor het vastzetten van de lading, zie pagina 145, zijn vier sjorogen aangebracht in de bagageruimte.

Rijtips
Het hoofdstuk Rijtips ondersteunt u met informatie die u bij bepaalde rij-omstandigheden of bijzondere werkingswijzen nodig heeft.
Bij het rijden in acht nemen
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Inrijden
Algemeen
Bewegende onderdelen moeten op elkaar kunnen inlopen.
De volgende aanwijzingen helpen bij het verkrijgen van een optimale levensduur en zuinigheid voor de auto.
Banden
Direct na de productie is de grip van nieuwe banden nog niet optimaal.
Gedurende de eerste 300 km defensief rijden.
Remsysteem
Remschijven en remvoeringen krijgen pas na ca. 500 km een goed slijtage- en draagbeeld. Tijdens deze inrijperiode defensief rijden.
Na vervanging van onderdelen
Opnieuw de aanwijzingen voor het inrijden in acht nemen, indien later bij het rijden de voorheen besproken componenten worden vervangen.
eDRIVE efficiënt gebruiken
Principe
eDRIVE werkt automatisch. Door anticiperend rijden worden de aandrijfeigenschappen optimaal gebruikt d.w.z. het energieverbruik en de energieterugwinning worden geoptimaliseerd. De energieterugwinning is bedoeld voor het opladen van de hoogspanningsaccu. Het is belangrijk voor de voeding van de elektrische componenten en dus een vereiste voor een grote actieradius. Energieterugwinning en energieverbruik hangen o.a. af van de rijstijl.
Rijstijl optimaliseren
Vermogensweergave
De rijstijl kan met behulp van de vermogensweergave geoptimaliseerd worden.

De energieterugwinning treedt bij het uitrollen en remmen op en wordt in de vermogensweergave getoond aan de hand van de rijpedaalwijzer.
De rijpedaalwijzer bevindt zich in het bereik CHARGE.
Efficiënte energieterugwinning:
De rijpedaalwijzer beweegt naar links in het blauwe deel van de weergave CHARGE, pijl 1.
Het energieverbruik tijdens het rijden kan ge- optimaliseerd worden door het efficiënt acce- lereren.
Efficiënt accelereren:
De rijpedaalwijzer beweegt naar rechts in het blauwe deel van de weergave ePOWER, pijl 2.
Vertraging bij het uitrollen zo vaak mogelijk gebruiken voor energieterugwinning.

Aan de situatie aangepast remmen
Rem overeenkomstig de omstandigheden in het verkeer anders bestaat er risico op ongevallen.
Ontladen van de hoogspanningsaccu
Door langere stilstandfases kan de laadtoe-stand van de hoogspanningsaccu verlaagd worden.

Auto niet voor langere tijd met te geringe laadtoestand laten staan
Voor langere stilstandfase m.b.v. de laadtoestandsweergave er zeker van zijn, dat de hoogspanningsaccu helemaal opgeladen is. Het voertuig tijdens de stilstandfase op een geschikte oplaadplaats aansluiten op een laadstation. Indien nodig wordt de hoogspanningsaccu zelfstandig opgeladen. Zich ervan vergewissen dat het laden kan plaatsvinden. Regelmatig de laadtoestand controleren. Bij overmatige ontlading wordt de hoogspanningsaccu beschadigd.
Praktische tips voor het rijden
Achterklep sluiten

Met gesloten achterklep rijden
Alleen rijden met gesloten achterklep, anders kunnen bij een ongeval of plotselinge rem- en ontwijkingsmanoeuvres de inzittenden of andere weggebruikers in gevaar worden gebracht en bestaat kans op schade aan de auto. Bovendien kunnen uitlaatgassen terechtkomen in het interieur en kunnen de lichten in de achterklep niet herkend worden.
Als u niettemin met geopende klep moet rijden:
▶ Alle ruiten en het glazen dak sluiten.
De aanjagercapaciteit sterk verhogen.
▶ Rustig rijden.
Heet uitlaatsysteem

Heet uitlaatsysteem
Aan het uitlaatsysteem treden hoge temperaturen op.
De aangebrachte hitteschilden niet verwijderen of van een anti-corrosielaag voorzien. Let erop, dat bij het rijden, bij stationair draaien of bij het parkeren geen makkelijk brandbare materialen, zoals bv. hooi, loof, gras enz. in contact komen met het hete uitlaatsysteem. Anders bestaat brandgevaar, met als mogelijk gevolg zware verwondingen en materiële schade.
Hete uitlaatpijp niet aanraken, anders bestaat risico op brandwonden.
Mobiele communicatieapparatuur in de auto

Mobiele communicatieapparatuur in de auto
Van het gebruik in het interieur van de auto van mobiele radioapparatuur, zoals mobiele telefoons, zonder directe aansluiting op een buitenantenne wordt afgeraden. Anders is wederzijdse beïnvloeding van de elektronica in de auto en de mobiele communicatieapparatuur mogelijk. Bovendien is niet gegarandeerd dat de straling die bij het zenden ontstaat, uit het interieur van de auto wordt weggeleid.
Aquaplaning
Op natte of modderige wegen kan zich tussen banden en weg een laagje water vormen.
Dit staat bekend als aquaplaning en kan het gedeeltelijke of totale verlies van het wegcontact tot gevolg hebben, waardoor de auto niet
meer bestuurbaar is en niet kan worden ge- remd.

Aquaplaning
Op natte of modderige wegen de snelheid verminderen om aquaplaning te voorkomen.
Door water rijden
Alleen bij rustig water en slechts tot een water-hoogte van max. 25 cm en bij deze hoogte max. met looptempo, tot 10 km/h rijden.

Rekening houden met waterhoogte en snelheid
Waterstand en looptempo niet overschrijden, anders kan schade aan motor, elektrische installatie en versnellingsbak ontstaan.
Veilig remmen
Uw auto is standaard met ABS uitgerust.
In situaties waar dat nodig is, het best vol op de rem gaan staan.
De auto blijft bestuurbaar. Eventuele hindernissen met zo rustig mogelijke stuurbewegingen ontwijken.
Het pulseren van het rempedaal en hydraulisch regelgeluid wijzen erop dat ABS regelt.
Voorwerpen in het bewegingsveld van de pedalen en in de beenruimte

Geen voorwerpen in het bewegingsveld van de pedalen en in de beenruimte
Vloermatten, tapijt en andere voorwerpen mo- gen niet in het bewegingsbereik van de peda- len komen of in de beenruimte opgeborgen worden, omdat ze anders tijdens de rit de werking van de pedalen zouden kunnen be- lemmeren.
Leg geen extra vloermatten op de aanwezig of op andere voorwerpen.
Gebruik alleen vloermatten die voor de auto vrijgegeven zijn en adequaat bevestigd kunnen worden.
Hierbij in acht nemen dat de vloermatten weer veilig worden bevestigd nadat deze werden verwijderd, bijv. voor reiniging.
Nat weer
Bij nat weer, invloed van strooizout of sterke regen over een afstand van enkele kilometer licht remmen.
Andere verkeersdeelnemers daarbij niet hinderen.
Door de warmte die ontstaat drogen de remschijven en remblokvoeringen.
De remkracht staat indien nodig onmiddellijk ter beschikking.
Afdalingen
Op hellende stukken zo mogelijk gebruikma- ken van de energieterugwinning om de auto te vertragen.

Belasting van de rem vermijden
Overmatige belasting van de rem vermijden. Lichte maar permanente druk op het rempedaal kan hoge temperaturen, remblokslijtage en eventueel het uitvallen van het remsysteem tot gevolg hebben.

Niet met stationair toerental rijden
Niet met stationair toerental of met uitgeschakeld rijden-stand-by rijden, omdat dan de remwerking van de motor en de rem- en stuurbekrachtiging ontbreken.
Corrosie van de remschijf
De corrosie van de remschijven en verontreiniging van de remblokvoeringen worden bevorderd door:
▶ Gering gebruik van de auto.
▷ Lange tijden van stilstand.
▷ Geringe belasting.
De vereiste minimumbelasting voor de zelfreinigende werking van de schijfrem wordt daardoor niet bereikt.
Gecorrodeerde remschijven veroorzaken bij het remmen een wrijvingseffect, dat meestal niet meer kan worden verwijderd.
Condenswater bij afgezette auto
In de airconditioning ontstaat condenswater dat onder de auto wegloopt.
Dergelijke watersporen op de grond zijn nor- maal.
Belading
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Opmerkingen

Overbelading van de auto
De auto niet overbeladen om de toelaatbare belastbaarheid van de banden niet te overschrijden. Anders kunnen de banden oververhit raken en inwendige beschadigingen oplopen. Onder bepaalde omstandigheden is plotseling bandenspanningsverlies het gevolg.

Geen vloeistoffen in de bagageruimte
Er zorg voor dragen dat geen vloeistoffen
in de bagageruimte uitlopen, daardoor kan schade aan de auto ontstaan.

Bagageruimte enkel bij geplaatste inlegbodem laden
De bagageruimte enkel laden wanneer de inlegbodem is aangebracht, anders kan de afdekking van de daaronder liggende motor beschadigd worden.

Bagage vastzetten
De bagage zoals voorheen beschreven onderbrengen en vastzetten, zij kan anders bij bv. rem- en uitwijkmanoeuvres de inzittenden in gevaar brengen.
Zware en harde voorwerpen niet onbevestigd in het interieur onderbrengen, zij kunnen anders bij bv. rem- en uitwijkmanoeuvres de in-zittenden in gevaar brengen.
Maximaal toelaatbaar totaalgewicht en toelaatbare asbelastingen niet overschrijden, de bedrijfsveiligheid van de auto kan anders niet meer worden gewaarborgd en de wettelijke voorschriften worden overtreden.
Bagage opbergen
▶ Scherpe randen en hoeken op de bagage afdekken.
Zware bagage: zo veel mogelijk naar voren opbergen, direct achter de rugleuningen en naar onderen.
Heel zware bagage: bij onbezette achterbank de veiligheidsgordels in het telkens tegenoverliggende slot steken.
Rugleuningen tegen inkijk geheel omklappen als de lading opgeborgen moet worden.
Bagage niet boven de bovenkant van de leuningen stapelen.
Lading vastzetten
Sjorogen in de bagageruimte

Voor het vastzetten van de lading zijn vier sjorogen aangebracht in de bagageruimte.
Bagage vastzetten
▶ Kleinere en lichtere stukken: met spanbanden of bevestigingsbanden vastzetten.
Grote en zware stukken: met bevestigingsmateriaal vastzetten.
Bevestigingsmateriaal, spanbanden of bevestigingsbanden vastmaken in de bagageruimte.

Bagage vastzetten
De bagage zoals voorheen beschreven onderbrengen en vastzetten, zij kan anders bij bv. rem- en uitwijkmanoeuvres de inzittenden in gevaar brengen.
Zware en harde voorwerpen niet onbevestigd in het interieur onderbrengen, zij kunnen anders bij bv. rem- en uitwijkmanoeuvres de in-zittenden in gevaar brengen.
Maximaal toelaatbaar totaalgewicht en toelaatbare asbelastingen niet overschrijden, de bedrijfsveiligheid van de auto kan anders niet meer worden gewaarborgd en de wettelijke voorschriften worden overtreden.
Actieradius verhogen
Algemeen
De auto bevat geavanceerde technologieën om het energieverbruik te verminderen en de actieradius te maximaliseren.
De actieradius hangt van verschillende factoren af.
Door bepaalde maatregelen, de rijstijl en regelmatig onderhoud kan de actieradius verhoogd worden, waardoor ook de milieubelasting vermindert.
Onnodige bagage verwijderen
Extra gewicht verlaagt de actieradius.
Aanbouwdelen na gebruik verwijderen
Aanbouwdelen aan de auto zijn van invloed op de aërodynamica en verhogen het brandstof-verbruik.
Ruiten en glazen dak sluiten
Een geopend glazen dak of geopende ruiten verhogen de luchtweerstand en verminderen daardoor de actieradius.
Banden
Algemeen
Banden kunnen een verschillende uitwerking hebben op het energieverbruik, bijv. kan door de bandengrootte het verbruik beïnvloed worden.
De bandenspanning regelmatig controleren
Bandenspanning ten minste tweemaal per maand en voor een lange rit controleren en evt. corrigeren.
Te geringe bandenspanning vergroot de rol- weerstand en verhoogt daardoor het energie- verbruik en de bandenslijtage.
Voorafgaande klimaataanpassing gebruiken
Klimaat in de auto zo mogelijk voor het wegrijden aanpassen.
Het verwarmen en afkoelen zijn energie-intensieve processen die de elektrische actieradius aanzienlijk verlagen.
Anticiperend rijden
Onnodig optrekken en afremmen voorkomen.
Hiervoor voldoende afstand tot voorliggers houden.
Anticiperen en gelijkmatig rijden verlagen het energieverbruik.
Langere remprocedures leiden tot meer opla- den van de hoogspanningsaccu.
Rijpedaal gebruiken voor het vertragen en uitrollen
Bij het naderen van een rood verkeerslicht vertragen en zo mogelijk de auto laten uitrollen tot stilstand.
Op hellende trajecten de functie van het zeilen gebruiken; daarvoor het rijpedaal slechts zo ver bedienen tot de auto rolt.
Functies die momenteel niet worden benodigd uitschakelen
Functies als bijv. stoel- of achterruitverwarming vragen veel energie en verminderen de actieradius, met name in het stadsverkeer en bij Stop & Go-trajecten.
Deze functies daarom uitschakelen als zij niet echt worden gebruikt.
De rijprogramma's ECO PRO en ECO PRO+ ondersteunen het energiezuinige gebruik van comfortfuncties. Ze voeren automatisch een gedeeltelijke of volledige deactivering van deze functies uit.
Onderhoud laten uitvoeren
Auto regelmatig laten onderhouden om een optimaal rendement en een lange levensduur te bereiken. Het onderhoud uitsluitend toevertrouwen aan de servicedienst.
ECO PRO en ECO PRO+
Principe
ECO PRO en ECO PRO+ ondersteunen een efficiënte rijstijl. Hiervoor wordt de besturing van de aandrijving voor gematigd accelereren geoptimaliseerd en worden licht- en comfort-functies, zoals bijv. het vermogen van de air-conditioning, aangepast. Sommige autofunc-ties kunnen bij geactiveerde rijmodus ECO PRO en ECO PRO+ niet bediend worden, bijv. stoelverwarming.
Bovendien kunnen situatieafhankelijke aanwijzingen worden weergegeven, die helpen om efficiënt te rijden.
Overzicht
Met ECO PRO en ECO PRO+ worden in de betreffende modus verschillende instellingen uitgevoerd.
ECO PRO
▶ Vermindering van het verwarmingsvermo-gen of van de inschakelduur van de buiten-spiegel-, achterruit- en stoelverwarming.
▶ Vermindering van het koel- of verwarmingsvermogen van de airconditioning.
Beperking van de snelheid tot een instelbare maximumwaarde tussen 90 km/h en 130 km/h. In bijzondere situaties kunt u de snelheidslimiet bewust overschrijden door het rijpedaal in te trappen.
ECO PRO+
Daarnaast worden bij het activeren van ECO PRO+ ook de volgende instellingen uitgevoerd:
▶ Deactivering van het koel- en verwarmingsvermogen van de airconditioning.
▶ Deactivering van de stoelverwarming.
▶ Deactivering van de bochtverlichting.
Beperking van de snelheid tot een maximumwaarde van 90 km/h. In bijzondere situaties kunt u de snelheidslimiet bewust overschrijden door het rijpedaal in te trappen.
ECO PRO en ECO PRO+ activeren

Toets zo vaak indrukken tot in het instrumentenpaneel ECO PRO of ECO PRO+ wordt weergegeven.
ECO PRO configureren
Via rijervaring-schakelaar
- ECO PRO activeren
- "ECO PRO configureren"
- Programma configureren.
Via iDrive
- "Instellingen"
2. "ECO PRO modus"
Programma configureren.
ECO PRO tip
"Limit bij:":
ECO Pro snelheid instellen, waarbij een ECO PRO tip weergegeven moet worden.
▶ "ECO PRO limiet":
Er wordt een herinnering weergegeven, wanneer de ingestelde ECO PRO snelheid wordt overschreden.
ECO PRO klimaataanpassing
De klimaataanpassing wordt gunstig voor het verbruik aangepast.
Een geringe afwijking t.o.v. de ingestelde temperatuur, d.w.z. het langzamer verwarmen/afkoelen van het interieur is zo mogelijk ten gunste van het verbruik.
Bovendien wordt het vermogen van de stoelverwarming en de buitenspiegelverwarming verminderd.
ECO PRO potentieel
Er wordt weergegeven hoeveel procent van het mogelijke besparingspotentieel met de actuele configuratie kan worden bereikt.
Weergave op het instrumentenpaneel
Rijstijl

Op het instrumentendisplay geeft een markering in de weergavebalk de momentele efficiëntie van de rijstijl aan.
Markering in het bereik CHARGE, pijl 1: weergave voor energieterugwinning en remmen.
Markering in het bereik ePOWER, pijl 2: weergave bij het accelereren.
De efficiëntie van de rijstijl wordt door de kleur van de balk weergegeven:
▶ Blauwe weergave: efficiënte rijstijl, zolang de markering zich binnen het blauwe bereik beweegt.
Grijze weergave: rijstijl aanpassen, bijv. door licht accelereren.
De weergave wisselt naar blauw zodra alle voorwaarden voor rijden met een optimaal verbruik zijn vervuld.
ECO PRO Tip - rijaanwijzing
Zodra niet langer voldaan is aan een van de voorwaarden voor het efficiënt rijden, wordt een overeenkomstige rijaanwijzing als symbool weergegeven op het instrumentenpaneel.
ECO PRO Tip - Symbolen
Een bijkomend symbool en een tekstaanwijzing worden getoond op het Control Display.
Symbool Maatregel

Voor het efficiënt rijden minder krachtig accelereren of van tevo-ren vertragen.

Snelheid tot geselecteerde ECO PRO snelheid reduceren.
Weergeven op het Control Display
eDRIVE
Tijdens de rit kan informatie over verbruik en techniek worden weergegeven.
- "Auto-info"
- "eDRIVE"
ECO PRO tips weergeven
Tijdens het rijden kunnen in de energiestroom-weergave ECO PRO-tips als aanwijzing in het splitscreen getoond worden.
ECO PRO tips weergeven:
Instelling wordt voor de momenteel gebruikte profiel opgeslagen.
Vooruitkijkassistent
Principe
Het systeem helpt om energie te besparen en bevordert een anticiperende rijstijl. Aan de hand van de gegevens van het navigatiesysteem kan het bepaalde vooruitliggende routegedeeltes vroegtijdig herkennen en er opmerkzaam op maken.
De herkende routegedeeltes zoals bijvoorbeeld nabije plaatsen of afslagen vereisen snelheidsvermindering.
De aanwijzing wordt gegeven zelfs als het vooruitliggende routegedeelte bij het rijden nog niet kan worden waargenomen.
De aanwijzing wordt weergegeven totdat het routegedeelte is bereikt.
Als er een vooruitkijkaanwijzing wordt gegeven, kan met behulp van de overeenkomstige stand van het rijpedaal voor het uitrollen de snelheid tot het bereiken van het routegedeelte verbruiksverbeterend worden afgebouwd.
Voorwaarden voor een correcte werking
Het systeem is afhankelijk van de actualiteit en kwaliteit van de navigatiegegevens.
De navigatiegegevens kunnen worden geactualiseerd.
Weergave
Weergave op het instrumentenpaneel

De aanwijzing voor een vooruitliggend routegedeelte wordt gegeven als ECO PRO tip voor anticiperend vertragen.

In de vermogensweergave geven twee pijlen naar het middelpunt aan dat een vooruitliggend routegedeelte herkend werd.
Weergeven op het Control Display
Een bijkomend symbool in het splitscreen van het Control Display geeft het herkende route-gedeelte aan.
Symbool Opkomend routegedeelte

Snelheidslimiet, bijv. dorp.

Kruising resp. afslaan, afrit van een snelweg.

Bocht.

Rotonde.
Vooruitkijkassistent gebruiken
Er wordt een vooruitliggend routegedeelte weergegeven:
- Rijpedaal minder bedienen tot de rijpedaal-weergave zich in het middelpunt van de vermogensweergave bevindt en de auto rolt.
- Auto laten uitrollen totdat het weergegeven routegedeelte is bereikt.
- Evt. snelheid door verder loslaten van het rijpedaal of door remmen aanpassen.
Grenzen van het systeem
Het systeem is in de volgende situaties niet beschikbaar:
▷ Snelheid onder 50 km/h.
Tijdelijke en variabele snelheidsbegrenzing, zoals bijvoorbeeld bij een opgebroken weg.
Kwaliteit van de navigatiegegevens onvoldoende.
▶ Snelheidsregeling actief.
ECO PRO rijstijlanalyse
Principe
Het systeem helpt om een bijzonder efficiënte rijstijl te ontwikkelen en brandstof te besparen.
Hiervoor wordt de rijstijl geanalyseerd. De evaluatie vindt plaats in verschillende categorieën en wordt weergegeven op het Control Display.
Met behulp van deze weergave kan de individuele rijstijl aangepast worden om minder energie te verbruiken.
De laatste vijftien minuten van een rit worden geëvalueerd.
Op die manier kan de actieradius van de auto vergroot worden door middel van een efficiëntere rijstijl.
Voorwaarden voor een correcte werking
De functie is beschikbaar in de modus ECO PRO.
ECO PRO rijstijlanalyse oproepen
Via rijervaring-schakelaar
- ECO PRO activeren
- "eDRIVE"
- Symbol selecteren.
Weergave
Weergave op het Control Display

De weergave van de ECO PRO rijstijlanalyse bestaat uit een symbolisch voorgesteld wegverloop en een waardentabel.
De straat symboliseert de efficiëntie van de rijstijl. Hoe efficiënter de rijstijl, hoe vlakker het wegverloop wordt afgebeeld, pijl 1.
De waardentabel bevat sterren. Hoe efficiënter de rijstijl, hoe meer sterren er in de tabel staan, pijl 2.
Bij een inefficiënte rijstijl daarentegen worden een golvende straat en een beperkt aantal sterren getoond.
Ter ondersteuning van een efficiënte rijstijl worden tijdens het rijden ECO PRO-tips weergegeven.
Tips voor een energiebesparende rijstijl, Actie-radius verhogen, zie pagina 146.

Mobiliteit
Om uw mobiliteit altijd te garanderen, krijgt u hier belangrijke informatie over brandstoffen, wielen en banden, onderhoud en pech-hulp.
Auto opladen
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Principe
De auto is uitgerust met hoogspanningstechniek om energie op te slaan en te leveren, en om de elektromotor te besturen.
Algemeen
Hoogspanningsaccu
De hoogspanningsaccu dient om energie op te slaan. De hoogspanningsaccu kan door energieterugwinning tijdens het rijden of via het lichtnet opgeladen worden aan een laadstation of een contactdoos bij de bestuurder thuis.
Het standaard laden is mogelijk binnen een spanningsinterval van 100 tot 240 volt.
Actieradius
Bij een actieradius onder 30 km de hoogspanningsaccu opladen, anders kan het vermogen van de elektrische aandrijving merkbaar achteruitgaan.
Range extender
Bij ingeschakelde range extender kan de huidige laadtoestand gedurende bepaalde tijd behouden worden. Daardoor kan een hogere actieradius bereikt worden.
Opmerkingen
Hantering van elektrische stroom Bij de hantering van elektrische stroom letten op de veiligheidsvoorschriften, anders bestaat wegens de hoge spanning het gevaar van lichamelijk letsel of schade, bijv. door elektrische schok of brand.
Laadinrichting voor inbedrijfstelling laten controleren
Voordat de auto voor het eerst wordt opgeladen de eigen oplaadinrichting, d.w.z. de laadaansluiting aan de auto, laadkabel, het laadstation of de contactdoos en aangesloten stroomcircuits laten controleren door een elektricien, anders bestaat het gevaar van schade aan de auto en overbelasting van het stroomnetwerk op de oplaadplaats.
Aanwijzingen aan het laadstation in acht nemen
Bij de hantering van elektrische stroom de aanwijzingen aan het laadstation in acht nemen, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Letten op een onberispelijke toestand van de laadinrichting
De laadinrichting enkel in onberispelijke toestand gebruiken, anders kan bijv. door versleten contacten en beschadigingen brandgevaar ontstaan, bijv. door het opwarmen van de inrichting.
Alleen laadkabels gebruiken die door de fabrikant van uw auto zijn goedgekeurd
Voor het opladen enkel goedgekeurde laadkabels of laadstations gebruiken, anders bestaat het gevaar van lichamelijk letsel of schade, bijv. door kabelbrand. Meer informatie over goedgekeurde kabels kan bij de servicedienst worden opgevraagd.

Niet tegelijk opladen en tanken
Bij ingestoken laadkabel niet tanken en voldoende afstand houden tot licht ontvlambare stoffen, anders bestaat bij het verkeerd insteken of lostrekken van de laadkabel het gevaar van lichamelijk letsel of schade, bijv. door het ontvlammen van brandstof.

Laadaansluiting laten reinigen door geschoold personeel
Bij verontreiniging van de laadaansluiting de reiniging enkel laten uitvoeren door personeel dat daarvoor opgeleid is, anders bestaat gevaar voor letsel door de hoge spanning.
Laadkabel
Voor het opladen van de auto een standaard laadkabel, AC-snellaadkabel of vast geïnstalleerde kabel van een laadstation gebruiken.
Standaard laadkabel
Met de standaard laadkabel kan opgeladen worden aan een gewoon stopcontact met randaarde. Aan de stroomaansluiting van een gewoon stopcontact wordt opgeladen met wisselstroom.
AC-snellaadkabel
Met de AC-snellaadkabel kan door middel van een speciale stekker veilig opgeladen worden aan contactdozen van gemarkeerde AC-laadstations. Aan gemarkeerde AC-laadstations wordt opgeladen met wisselstroom. Het opladen is sneller voltooid dan bij gewone stopcontacten.
Evt. is de AC-snellaadkabel vast aan het AC-laadstation geïnstalleerd.
Indien een AC-snellaadkabel gebruikt wordt, de overeenkomstige instelling op het Control Display, zie pagina 158, uitvoeren.
DC-laadkabel
Met de vast aan het laadstation geïnstalleerde DC-laadkabel kan opgeladen worden aan DC-laadstations. Aan gemarkeerde DC-laadstations wordt opgeladen met gelijkstroom. Aan de stroomaansluiting met hogere specificaties van een DC-laadstation wordt de oplaadtijd aanzienlijk verlaagd tegenover een gewone contactdoos of AC-laadstation.
Bij het opladen aan een DC-laadstation wordt een aanwijzing op het instrumentenpaneel, zie pagina 159, getoond.
Opmerkingen

Alleen laadkabels gebruiken die door de fabrikant van uw auto zijn goedgekeurd
Voor het opladen enkel goedgekeurde laadkabels of laadstations gebruiken, anders bestaat het gevaar van lichamelijk letsel of schade, bijv. door kabelbrand. Meer informatie over goedgekeurde kabels kan bij de servicedienst worden opgevraagd.

Laadkabel enkel gebruiken om de auto te laden en niet verlengen
De laadkabel enkel gebruiken om de auto op te laden en niet verlengen met behulp van kabels of adapters, anders kan het opladen mogelijk niet voltooid worden of kan materiële schade optreden, bijv. door een kabelbrand.

Geen beschadigde laadkabels gebruiken Geen beschadigde laadkabels gebruiken, anders bestaat letselgevaar door de hoge spanning.
Locatie
De standaard laadkabel bevindt zich in het laadkabelvak onder de voorkap.
De AC-snellaadkabel kan op dezelfde plaats opgeborgen worden.
- Laadaansluitklep openen.

- Evt. laadaansluitdeksel afnemen, pijl.

-
Evt. standaard laadkabel of AC-snellaadka-bel aansluiten op een stopcontact of op de aansluiting op het AC-laadstation.
-
Laadkabelstekker overeenkomstig de laadaansluiting opzetten en erin drukken tot deze vastklikt.
Indien aan een laadstation opgeladen wordt, zo nodig de aanwijzingen op het laadstation in acht nemen.
Lostrekken
Tijdens het opladen is de laadkabel automatisch vergrendeld. Voor het lostrekken de kabel ontgrendelen.
Indien aan een laadstation wordt geladen, voor het lostrekken van de laadkabel het oplaadproces aan het laadstation beëindigen.
-
Voertuig met de afstandsbediening ontgrendelen. Kabel is gedurende korte tijd ontgrendeld.
-
Laadkabel vastnemen aan de grepen.
-
Laadkabel lostrekken van de laadaansluiting, pijl.

-
Evt. laadaansluitdeksel opzetten.
-
Laadaansluitklep sluiten.
-
Evt. standaard laadkabel of AC-snellaadka-bel uit het stopcontact of de aansluiting op het AC-laadstation trekken.
-
Standaard laadkabel of AC-snellaadkabel opbergen.
Op een laadstation vast geïnstalleerde laadkabel in de daarvoor bestemde plaats steken.
Met de hand ontgrendelen
De laadaansluitklep is tijdens het rijden automatisch vergrendeld.
De laadkabel is tijdens het laden vergrendeld.
Laadaansluitklep handmatig ontgrendelen
Bij een elektrisch defect.
-
Achterportier aan de zijde van de laadaansluitklep openen.
-
Aan de blauwe knop trekken. Laadaansluit-klep wordt ontgrendeld.

Bij een elektrisch defect.
Indien aan een laadstation wordt opgeladen, voor het ontgrendelen van de laadkabel het laadproces aan het laadstation beëindigen.
-
Achterportier aan de zijde van de laadaansluitklep openen.
-
Aan de blauwe knop trekken. Laadkabel wordt handmatig ontgrendeld.

-
Laadkabel vastnemen aan de grepen.
-
Laadkabel lostrekken.
Oplaadproces
Opmerkingen

Veiligheidsaanwijzingen van de aansluiting op het stroomnet in acht nemen
Bij het opladen de veiligheidsaanwijzingen van de betreffende aansluiting op het stroomnet in acht nemen, anders bestaat wegens de hoge
spanning het gevaar van lichamelijk letsel of schade, bijv. door elektrische schok of brand.

Standaard laadkabel op onbekende stopcontacten
Voor het opladen aan gewone stopcontacten de laadstroom aanpassen aan het stroomnet, anders bestaat brandgevaar bijv. door oververhitting van het stopcontact of overbelasting van het stroomnet.
Opladen starten
- Keuzehendelstand P inschakelen.
- Opladen plannen, zie pagina 158.
- Rijden-stand-by uitschakelen.
- Evt. standaard laadkabel aansluiten op het stopcontact of AC-snellaadkabel aansluiten op het laadstation.
- Laadkabel aansluiten op de auto.
- Auto vergrendelen.
Weergave van de oplaadstatus
De oplaadstatus wordt weergegeven via het controlelampje aan de laadaansluiting.

Lamp wit: laadkabel kan aangesloten worden.
Lamp geel: oplaadproces wordt geinitialiseerd.
Lamp blauw: oplaadproces wordt op het ingestelde tijdstip gestart.
Lamp knippert blauw: oplaadproces actief.
Lamp rood: fout tijdens het opladen.
Lamp groen: oplaadproces voltooid.
Het controlelampje gaat na enige tijd uit.
Om de oplaadstatus te controleren, toets van de afstandsbediening indrukken. De op- laadstatus wordt weergegeven op het contro- lelampje. Zo nodig wordt de auto vergrendeld.

Verdere meldingen over de oplaadstatus, bijv. resterende oplaadtijd, kunnen weergegeven worden op het instrumentenpaneel, op het Control Display en via de BMW i Remote App op de smartphone.
Opladen plannen
Het oplaadproces kan aangepast worden aan randvoorwaarden, bijv. stroomkosten. De auto kan het oplaadproces zo sturen dat het afgesloten is op het moment dat de bestuurder wenst te vertrekken. Daarvoor moet een tijd-stip van vertrek ingesteld worden, zie pagina 160.
De volgende instellingen zijn mogelijk:
Onmiddellijk laden.
Tijdsinterval voor gunstig laden instellen.
▶ Laadstroom instellen.
Laden via AC-snellaadkabel instellen.
▶ Starten via smartphone.
Indien het rijden-stand-by wordt uitgeschakeld, kunnen wijzigingen uitgevoerd worden op het Control Display. De wijziging van de vertrektijd is eenmalig. Geplande vertrektijden worden niet aangepast. Instellingen voor klimaatregeling en oplaadprocedure worden ook voor geplande vertrektijden overgenomen.
Onmiddellijk laden
Bij vergrendelde auto:
Het oplaadproces start zodra de laadkabel aangesloten is.
- "Instellingen"
- "Laden"
- "Onmiddellijk laden"
Tijdsinterval voor gunstig opladen instellen
Standaard laden of AC-snelladen:
Indien een tijdstip van vertrek is ingesteld, kan een tijdsinterval voor het opladen met een gunstig stroomtarief ingesteld worden.
- "Instellingen"
- "Laden"
- "Laden met voordelig tarief"
- Begin tarief instellen. Controller draaien tot het gewenste tijdstip is ingesteld en controller indrukken.
- Einde tarief instellen. Controller draaien tot het gewenste tijdstip is ingesteld en controller indrukken.
Laadstroom instellen
Naargelang het stroomnet moet de auto opgeladen worden met verschillende laadstroom.
- "Instellingen"
- "Laden"
- "Stroomsterkte laadkabel:"
De instelling wordt opgeslagen. Bij verandering van de oplaadplaats de instelling zo nodig wijzigen.
Aan onbekende stopcontacten de laadstroom instellen op "Laag".
Opladen via AC-snellaadkabel instellen
Bij het opladen met een AC-snellaadkabel kan het oplaadproces sneller afgerond worden aan een AC-laadstation.
Aan openbare laadstations kan een reductie van de laadstroom nodig zijn. Aanwijzingen aan het laadstation in acht nemen.
Starten via smartphone
Om het oplaadproces via de BMW i Remote App te starten vanaf een smartphone, moet de functie "Onmiddellijk laden" gedeactiveerd zijn.
Het opladen met een ingevoerde vertrektijd wordt automatisch gedeactiveerd zodra een oplaadproces gestart wordt via de BMW i Remote App.
Oplaadproces stopzetten
Het oplaadproces kan op ieder moment stopgezet en op een later tijdstip voortgezet worden, om eventueel in tussentijd andere verbruikers te verbinden met de stroomaansluiting of om een gelijktijdig hoog vermogen van meerdere verbruikers te vermijden.
De volgende werkwijzen zijn mogelijk:
"Onmiddellijk laden" uitschakelen.
▶ Het opladen beëindigen met de BMW i Remote App.
▶ Laadkabel lostrekken van de auto, zie pagina 156.
Het oplaadproces wordt bij het ontgrendelen van de auto onderbroken en even later of bij het opnieuw vergrendelen automatisch voortgezet.
Oplaadproces voortzetten
Indien het oplaadproces wordt onderbroken, bijv. door het ontgrendelen van de auto of door een tijdelijke stroomuitval, dan wordt het opla- den na de onderbreking automatisch voortge- zet.
Oplaadproces beëindigen
- Laadaansluitklep sluiten.
- Zo nodig auto vergrendelen.
Weergaven op het instrumentenpaneel
De laadtoestandsweergave geeft bij ingeschakeld rijden-stand-by de laadtoestand van de hoogspanningsaccu op het instrumentenpaneel aan. Indien alle segmenten gevuld zijn, dan is de hoogspanningsaccu volledig opgeladen.
Ook wanneer geen enkel segment gevuld is, staat het hoogspanningssysteem nog steeds onder hoge spanning.
Weergave Betekenis

Stekker blauw: oplaadproces actief.
Stekker wit: onderbreking op- laadproces.

Bewegend licht: geanimeerd bij actief oplaadproces.

Tijdstip oplaadeinde of ingestelde vertrektijd.

Laadvoortgangsbalken.

DC-laden aan een DC-laadstation actief.

Weergave in het blauw: opgela- den elektrische actieradius.

Weergave in het wit: maximale elektrische actieradius.

Vertrektijd ingesteld.

Klimaataanpassing bij starttijd geactiveerd.

Actieradius met range extender.
Weergave Betekenis

Knipperen: ventileren actief.

Knipperen: verwarmen actief.

Knipperen: koelen actief.
Starttijd
Principe
Voor een optimale actieradius en klimaataanpassing kan de starttijd (vertrektijd) voor het parkeren van de auto ingesteld worden.
Bij ingestelde starttijd wordt bij ingestelde klimaataanpassing tijdens het laadproces het klimaat in de auto vooraf aangepast. De klimaataanpassing wordt gereduceerd tijdens het rijden. Daardoor wordt de actieradius verhoogd.
De volgende instellingen voor de starttijd zijn mogelijk:
Klimaataanpassing bij starttijd.
▶ Planning van een eenmalige starttijd.
▶ Planning van maximaal drie regelmatige starttijden per weekdag.
Indien het rijden-stand-by wordt uitgeschakeld, kunnen wijzigingen uitgevoerd worden op het Control Display. De wijziging van de vertrektijd is eenmalig. Geplande vertrektijden worden niet aangepast. Instellingen voor klimaatregeling en oplaadprocedure worden ook voor geplande vertrektijden overgenomen.
Klimaataanpassing bij starttijd
- "Vertrektijd"
- "Klimatiseren bij vertrektijd"
Starttijd instellen
Standaard laden of AC-snelladen:
- "Vertrektijd"
- "Vertrektijd 1:"
-
Indien nodig weekdag instellen.
Controller draaien tot de gewenste weekdag is ingesteld en controller indrukken.
Om andere weekdagen te selecteren, de werkwijze herhalen. -
Tijd instellen.
Controller draaien tot het gewenste tijdstip is ingesteld en controller indrukken.
Er kunnen tot drie starttijden worden ingesteld.
Starttijd activeren
-
"Vertrektijd"
De ingestelde starttijden worden weergegeven. -
Bijv. "Vertrektijd 1 activeren"
Er kunnen tot drie starttijden worden geactiveerd.
Klimaatregeling
Algemeen
De volgende instellingen voor de klimaataan- passing van de auto zijn mogelijk:
Standklimaataanpassing onmiddellijk activeren, zie pagina 128.
Bij geactiveerde standklimaataanpassing verlaagt de actieradius.
Geplande klimaataanpassing voor ingestelde starttijd, zie pagina 128.
Ontladen hoogspannings- en voertuigaccu
Algemeen
De auto beschikt naast de hoogspanningsaccu over een voertuigaccu met 12 V, die nodig is voor de werking van de boordelektronica.
Bij ontladen hoogspanningsaccu en ontladen voertuigaccu is geen bedrijf van het voertuig mogelijk.
Voertuig in gebruik nemen
Om het voertuig opnieuw in gebruik te nemen, op gebruikelijke wijze opladen.
Indien op die plaats geen opladen mogelijk is, contact opnemen met de servicedienst.
Auto opladen bij ontladen voertuigaccu
- Auto tegen wegrollen beveiligen.
- Laadaansluitklep zo nodig handmatig ontgrendelen, zie pagina 156.
- Evt. laadkabel aansluiten op het stopcontact of op de aansluiting aan het AC-laadstation.
- Laadkabel overeenkomstig de laadbusaansluiting insteken.
Opladen wordt gestart. De laadstatus wordt niet getoond. De auto op dat moment niet openen.
Na enkele minuten is de voertuigaccu iets opgeladen. De boordelektronica is opnieuw gebruiksklaar. De auto kan opnieuw geopend worden. De laadstatus en laadtoestand van de hoogspanningsaccu kan opnieuw weergegeven worden.
Auto opnieuw opladen tot de gewenste actie- radius mogelijk is.
Wanneer de voertuigaccu niet opgeladen kan worden, contact opnemen met de service-dienst.
Tanken
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Opmerkingen
Voor het gebruik van de range extender moet voldoende brandstof getankt zijn. Bij geactiveerde range extender wordt de huidige laadtoestand behouden. De auto heeft een grotere actieradius.

Tanken enkel bij motorstilstand en keu- zehendelstand P/N
Tanken enkel bij motorstilstand en in keuze-hendelstand P/N, anders kan er druk worden opgebouwd in de brandstoftank waardoor het vulpistool vroegtijdig kan afslaan.
Tankontluchting
Principe
De auto is uitgerust met een speciale brand-stoftank. De tank is ontworpen voor bijzondere eisen die ontstaan bij gebruik met range extender.
Algemeen
In de brandstoftank kan een overdruk gevormd worden door benzinedampen; die wordt voor het openen van de tankdop afgebouwd.
Tankontluchting
De toets bevindt zich aan de bestuurderszijde.

- Rijden-stand-by uitschakelen.

- Toets indrukken om de drukvereffening te starten.
De status van de tankontluchting wordt aangeduid op het instrumentenpaneel. In zeldzame gevallen kan de tankontluchting verschillende seconden duren.
Na afloop van de tankontluchting wordt de tankdop vrijgegeven voor het openen.
- Tankklep openen.
Wanneer het openen van de tankklep niet binnen 10 minuten na vrijgegeven tankdop plaatsvindt, wordt de tankklep opnieuw vergrendeld. Toets opnieuw indrukken.
Tanksluiting
Openen
- Tankklep bij de achterste rand aanraken.

- Tankdop tegen de wijzers van de klok in draaien.

- Tankdop in de houder op de klep aanbren-gen.

-
Tankdop aanbrengen en rechtsom vastdraaien tot duidelijk een klik hoorbaar is.
-
Tankklep sluiten.

Bevestigingsband niet samendrukken De aan de tankdop bevestigde band niet en, anders kan de tankdop niet correct en gesloten en kunnen motorbrandstof- pen ontsnappen.
Klep van de tankdop handmatig ontgrendelen
Bijvoorbeeld bij een elektrisch defect.
- Voorkap openen, zie pagina 174.
- Aan groene knop met het benzinepomp-symbool trekken. Klep van de tankdop wordt ontgrendeld.

Bij het tanken letten op
Bij het tanken het vulpistool in de vulbuis han-gen. Als het vulpistool tijdens het tanken wordt opgetild, leidt dit tot:
Vroegtijdig onderbreken.
▶ Verminderde terugvoer van brandstofdampen.
De brandstoftank is vol wanneer het vulpistool voor de eerste keer afslaat.

Brandstoftank niet te veel vullen Brandstoftank niet te veel vullen, anders
kan door het naar buiten stromen van brandstof schade voor het milieu en aan de auto ontstaan.

Werken met brandstoffen De bij tankstations geldende veiligheids- s in acht nemen.

Niet tegelijk opladen en tanken
Bij ingestoken laadkabel niet tanken en voldoende afstand houden tot licht ontvlambare stoffen, anders bestaat bij het verkeerd insteken of lostrekken van de laadkabel het gevaar van lichamelijk letsel of schade, bijv. door het ontvlammen van brandstof.
Brandstof
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Brandstofkwaliteit
Benzine
De benzine moet voor een optimaal brandstofverbruik zwavelvrij of in ieder geval zwavelarm zijn.
Brandstoffen die bij de brandstofpomp als metaalhoudend zijn gekenmerkt, mogen niet worden gebruikt.

Alleen loodvrije benzine zonder metalen toevoegingen tanken
Geen loodhoudende benzine of benzine met metalen toevoegingen, bijv. mangaan of ijzer tanken, anders ontstaat er substantiële schade aan de katalysator en andere onderdelen.
Er kunnen brandstoffen met een maximaal ethanolaandeel van 10 %, dus E10, worden getankt.

Geen ethanol tanken dat het maximale ethanolaandeel overschrijdt
Geen ethanol tanken dat het maximale ethanolaandeel overschrijdt, d.w.z. geen brandstof met meer dan 10 % ethanol, Flex Fuel of andere alcoholen tanken, anders ontstaat schade aan de motor en brandstoftoevoer.
De motor heeft een pingelregeling. Vandaar dat verschillende benzinekwaliteiten kunnen worden getankt.
Benzinekwaliteit
Superbenzine met ROZ 95.
Minimumkwaliteit
Benzine loodvrij met ROZ 91.

Minimumkwaliteit
Geen benzine die de aangegeven mini- mumkwaliteit niet haalt tanken, anders is de motorwerking niet gegarandeerd.
BMW beveelt BP brandstoffen aan

Velgen en banden
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Bandenspanning
Informatie over veiligheid
De conditie van de banden en de bandenspanning hebben invloed op:
▶ Levensduur van de banden.
Rijveiligheid.
Rijcomfort.
Bandenspanning controleren
Banden vertonen een natuurlijk, gelijkmatig drukverlies.

De bandenspanning regelmatig controle- ren
De bandenspanning regelmatig controleren en zo nodig corrigeren: minstens tweemaal per maand en vóór een lange rit. Een verkeerde bandenspanning kan een nadelige invloed op de koersstabiliteit of een beschadiging van de band tot gevolg hebben en daardoor tot ongevallen leiden.
Banden worden warm tijdens het rijden en door de stijgende bandtemperatuur stijgt ook de bandenspanning. De specificaties inzake de bandenspanning hebben betrekking op koude banden of banden op omgevingstemperatuur.
Bandenspanning daarom alleen met koude banden controleren.
Na aanpassing van bandenspanning:
De bandenpechwaarschuwing opnieuw initialiseren.
- De bandenspanningscontrole opnieuw initialiseren.
Bandenspanningen

De bandenspanningen voor vrijgegeven bandmaten bevinden aan de zijde van de bestuurder aan het achterportier.
Als de snelheidsletter van de band niet te vinden is, dan geldt de bandenspanning van de betreffende bandenmaat. De drukspecificaties gelden voor banden op omgevingstemperatuur.
Bandenmaat
De bandenspanningen gelden voor de vrijge- geven bandenmaten en aanbevolen banden- merken.
Meer informatie over wielen en banden kunt u opvragen bij de servicedienst.
Bandenprofiel
Zomerbanden
Profieldiepte mag niet minder zijn dan 3 mm.
Bij een profieldiepte van minder dan 3 mm bestaat groot gevaar voor aquaplaning.
Winterbanden
Diepte van het bandenprofiel mag niet minder zijn dan 4 mm.
Bij een profieldiepte van minder van 4 mm is winterbestendigheid beperkt.
Minimale profieldiepte

Slijtagemarkeringen zijn verdeeld over de omtrek van de band en hebben de wettelijke minimale hoogte van 1,6 mm.
Ze zijn op de zijkant van de band met TWI, Tread Wear Indicator, gemarkeerd.
Bandbeschadiging
Algemeen
De banden regelmatig op beschadigingen, ingedrongen voorwerpen en slijtage controleren.
Opmerkingen
Aanwijzingen voor bandenbeschadiging of overige defecten aan de auto:
Ongebruikelijke trillingen tijdens het rijden.
Ongebruikelijk rijgedrag, zoals sterk trekken naar links of rechts.
Beschadigingen kunnen bijvoorbeeld veroorzaakt worden door over stoepranden heen te rijden, schade aan de weg e.d.

Bij beschadiging van de banden
Bij een aanwijzing op beschadiging van de band meteen de snelheid verlagen en de velgen en banden direct laten controleren, anders bestaat er een verhoogd gevaar op ongevallen.
Daarvoor voorzichtig naar de dichtstbijzijnde service rijden. Auto evt. naar daar slepen of laten brengen, anders kan schade aan de banden levensgevaar opleveren voor de inzitten-den en andere verkeersdeelnemers

Reparatie van een beschadigde band
De fabrikant van uw auto raadt om veiligheidsredenen aan beschadigde banden niet te repareren, maar te vervangen. Anders kan gevolgschade niet worden uitgesloten.
Leeftijd van de banden
Aanbeveling
Onafhankelijk van de slijtage, de banden uiterlijk na 6 jaar vervangen.
Productiedatum
Op de zijkant van de band:
DOT ... 1013: de band is in de 10e week van 2013 geproduceerd.
Vervangen van wielen en banden
Montage

Aanwijzingen voor het monteren van banden
Montage incl. balanceren alleen toevertrouwen aan de servicedienst.
Bij ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden bestaat het gevaar van gevolgschade en de daarmee verbonden veiligheidsrisico's.
Wielbandcombinatie
De servicedienst kan u informeren over de juiste wiel-bandcombinaties voor uw auto.
Door verkeerde wiel-bandcombinaties worden verschillende systemen qua werking beïnvloed, bijv. ABS of DSC.
Om de goede rij-eigenschappen te behouden mogen alleen banden van hetzelfde merk en met hetzelfde profiel worden gemonteerd.
Na bandenpech moet zo snel mogelijk weer de oorspronkelijke wiel-bandcombinatie worden gemonteerd.

Vrijgegeven velgen en banden
De fabrikant van uw auto adviseert om alleen velgen en banden te gebruiken die voor het betreffende autotype werden vrijgegeven.
Er kan bv. als gevolg van toleranties ondanks gelijke bandenmaat, contact met de carrosserie ontstaan en daardoor kunnen zware ongevallen worden veroorzaakt.
Bij niet goedgekeurde velgen en banden kan de fabrikant van uw auto niet bepalen of ze geschikt zijn en daardoor niet instaan voor de veiligheid.
Aanbevolen bandenmerken

Per bandenmaat worden bepaalde banden-merken door de fabrikant van uw auto aanbevolen. Deze kunnen worden herkend aan een ster op de zijwand van de band.
Bij deskundig gebruik voldoen deze banden aan de hoogste standaarden voor wat betreft de veiligheid en de rij-eigenschappen.
Nieuwe banden
Direct na de productie is de grip van nieuwe banden nog niet optimaal.
Gedurende de eerste 300 km defensief rijden.
Coverbanden
De fabrikant van uw auto raadt u aan geen co-verbanden te gebruiken.

Coverbanden
Door mogelijkkerwijze verschillende karkassen die al wat ouder zijn, kan de levensduur worden beperkt en zodoende de rijveiligheid in het geding zijn.
Winterbanden
Voor gebruik op een winters wegdek worden winterbanden aanbevolen.
Zogenaamde banden voor het gehele jaar met M+S-codering hebben weliswaar betere wintereigenschappen dan zomerbanden, bereiken echter in het algemeen niet het prestatievermogen van winterbanden.
Maximumsnelheid van winterbanden
Als de maximumsnelheid van de auto hoger is dan de snelheid die voor de winterbanden is toegestaan, moet een overeenkomstige sticker in het zicht van de bestuurder worden aangebracht. Deze sticker is bij de bandenspecialist of bij de servicedienst verkrijgbaar.

Maximumsnelheid voor winterbanden
De maximumsnelheid voor de betreffende winterbanden aanhouden, anders kunnen er beschadigingen aan de banden en daardoor ongevallen ontstaan.
Verwisselen van de wielen tussen de assen
De fabrikant van uw auto raadt of om de voorste wielen te wisselen naar achteren of omgekeerd.
Daardoor kunnen de rijeigenschappen worden beïnvloed.
Opslag
Verwijderde wielen of banden moeten koel, droog en zo mogelijk in het donker worden bewaard.
Bescherm banden tegen olie, vet en brandstof. De op de zijkant van de band weergegeven maximumbandenspanning niet overschrijden.
Bandenpech verhelpen

Veiligheidsmaatregelen in geval van pech Auto zo ver mogelijk uit de buurt van de verkeersstroom en op een vaste ondergrond parkeren.
Alarmknipperlichten inschakelen.
Voertuig beveiligen tegen wegrollen, daarvoor de parkeerrem vastzetten.
Alle inzittenden laten uitstappen en buiten het gevarenbereik brengen, bijvoorbeeld achter de vangrails.
Eventueel gevarendriehoek op de juiste afstand neerzetten.
Let op de wettelijke bepalingen.
Mobility System
Principe
Met het Mobility System kan beperkte schade aan een band afgedicht worden, zodat de bestuurder verder kan rijden. Daarvoor wordt vloeibaar afdichtmiddel in de banden gepompt, dat hard wordt en zo schade langs binnen afsluit.
De compressor kan gebruikt worden om de bandenspanning te controleren.
Opmerkingen
Aanwijzingen voor de toepassing van het Mobility System op de compressor en de afdichtmiddelhouder in acht nemen.
Bij beschadiging van de band vanaf een grootte van 4 mm werkt de toepassing van het Mobility System mogelijk niet.
▶ Contact opnemen met de servicedienst als de band niet rijklaar kan worden gemaakt.
Vreemde voorwerpen die in de band zijn terechtgekomen, zo mogelijk laten zitten.
▷ Stickers voor de snelheidsbegrenzing van de afdichtmiddelhouder lostrekken en op het stuurwiel plakken.
Locatie
Het Mobility System bevindt zich in het opbergvak onder de voorkap.
Afdichtmiddelhouder

Afdichtmiddelhouder, pijl 1.
▷ Vulslang, pijl 2.
Houdbaarheidsdatum op de afdichtmiddelhouder in acht nemen.
Compressor

1 Aan/uit-schakelaar
2 Bevestiging voor fles
3 Bandenspanning verkleinen
4 Weergave van bandenspanning
5 Compressor
6 Stekker/bedrading voor contactdoos
7 Verbindungsslang — opgeborgen in de compressorbodem
Afdichtmiddel in de band gieten
- Afdichtmiddelhouder schudden.

- Verbindingsslang volledig uit de compres- sorbehuizing nemen. Slang niet buigen.

- Verbindingsslang hoorbaar vastklikken op de aansluiting van de afdichtmiddelhouder.

- Afdichtmiddelhouder in verticale stand hoorbaar vastklikken in de bevestiging aan de behuizing van de compressor.

- Verbindingsslang op het ventiel van het defecte wiel schroeven.

- Bij een uitgeschakelde compressor de stekker in een contactdoos in de auto aanbrengen.

- Bij ingeschakelde gereedheid of rijdenstand-by de compressor inschakelen.

Compressor ca. 3 tot 8 minuten laten lopen om het afdichtmiddel in de band te gieten en een bandenspanning van ca. 2,5 bar te verkrijgen. Bij het aanbrengen van het afdichtmiddel kan de bandenspanning tijdelijk oplopen tot ca. 5 bar. Compressor in deze fase niet uitschakelen.

Compressor na 10 minuten uitschakelen Compressor niet langer dan 10 minuten laten lopen, anders raakt het apparaat oververhit en wordt het mogelijk beschadigd.
Indien er geen bandenspanning van 2 bar kan worden verkregen:
- Compressor uitschakelen.
- Vulslang van het wiel losdraaien.
- 10 m voor- achteruitrijden om het afdicht-middel in de band te verdelen.
- Banden opnieuw oppompen met compressor.
Contact opnemen met de servicedienst als er geen bandenspanning van 2 bar kan worden verkregen.
Mobility System opbergen
- Verbindingsslang van de afdichtmiddelhouder aftrekken van het wiel.
- Verbindingsslang van de afdichtmiddelhouder aftrekken.
- Lege afdichtmiddelhouder en verbindings-slang inpakken om vervuiling van de bagageruimte te vermijden.
- Mobility System weer in de auto opbergen.
Afdichtmiddel verdelen
Onmiddellijk ca. 10 km rijden, zodat het af-dichtmiddel zich gelijkmatig in de band ver-deelt.
Snelheid van 80 km/h niet overschrijden. Indien mogelijk niet langzamer rijden dan 20 km/h.
Bandenspanning corrigeren
- Op een geschikte plaats stoppen.
- Verbindingsslang op ventiel van de band schroeven.

- Verbindingsslang direct op compressor aanbrengen.

- Stekker in een contactdoos in de auto aanbrengen.

Druk verhogen: bij ingeschakelde gereedheid of rijden-stand-by de compressor inschakelen.
Druk verlagen: toets op de compressor indrukken.
Doorrijden
Toegestane maximumsnelheid van 80 km/h niet overschrijden.
Bandenpechwaarschuwing, zie pagina 92, opnieuw initialiseren.
Bandenspanningscontrole, zie pagina 90, opnieuw initialiseren.
De defecte band en de afdichtmiddelhouder van het Mobility System zo snel mogelijk laten vervangen.
Sneeuwkettingen
Sneeuwkettingen met fijne schakels
Slechts bepaalde sneeuwkettingen met fijne schakels zijn door de fabrikant van de auto getest, als verkeersveilig beoordeeld en goedgekeurd.
Informatie over de goedgekeurde sneeuwket- tingen vindt u bij de servicedienst.
Gebruik
Het gebruik is uitsluitend paarsgewijs toege- staan op de achterwielen voor de volgende wielmaten:
155/70 R 19
Aanwijzingen van de kettingfabrikant in acht nemen.
Controleer of de sneeuwkettingen altijd voldoende gespannen zijn. Zo nodig de kettingen naspannen overeenkomstig de opgaven van de fabrikant.
Met sneeuwkettingen de bandenpechwaarschuwing niet initialiseren, omdat dit tot onjuiste weergaven kan leiden.
Met sneeuwkettingen de bandenspannings- controle niet initialiseren, omdat dit tot onjuiste weergaven kan leiden.
Bij het rijden met sneeuwkettingen evt. de dynamische tractiecontrole voor korte tijd active-ren.
Maximale snelheid met sneeuwkettingen
Met sneeuwkettingen 50 km/h niet overschrijden.
Onder de voorkap
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Belangrijke zaken onder de voorkap

1 Tank voor sproeiervloeistof
Met range extender: noodontgrendeling tankklep
Het laadkabelvak in het midden dient om de standaard laadkabel en de AC-snellaadkabel op te slaan.
2 Koelmiddelreservoir voor airco
3 Koelmiddelreservoir voor aandrijving
4 Accu
Voorkap
Opmerkingen

Werken onder de voorkap
Geen werkzaamheden aan de auto uitvoeren zonder de noodzakelijke kennis.
Laat indien u de in acht te nemen voorschriften niet kent, de werkzaamheden aan de auto alleen door de service uitvoeren.
Anders bestaat bij ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden het gevaar van gevolgschade en de daarmee verbonden veiligheidsrisico's.

Wisserarmen inklappen
Voor het openen van de voorkap controleren of de wisserarmen op de ruit liggen, anders kunnen er beschadigingen ontstaan.
Voorkap openen
Met de afstandsbediening
Toets van de afstandsbediening en.
2. Ontgrendelingshendel indrukken en voorkap openen.


Aan de zijde van de bestuurder
- De toets aan bestuurderszijde indrukken.

- Ontgrendelingshendel indrukken en voorkap openen.

Controle- en waarschuwingslampjes
Bij geopende voorkap wordt een Check-Control-melding weergegeven.
Voorkap sluiten

Vanaf een hoogte van ca. 40 cm laten vallen en nadrukken om de voorkap opnieuw volledig te vergrendelen.
De voorkap moet hoorbaar vastklikken.
Geopende voorkap tijdens het rijden Als u tijdens het rijden constateert dat de voorkap niet goed is vergrendeld, direct stoppen en goed sluiten.
Inklemgevaar Let erop dat bij het sluiten van de voor- kap de omgeving van het kapslot vrij is, anders kan lichamelijk letsel worden veroorzaakt.
Motorolie
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Algemeen
Het motorolieverbruik hangt af van hoe vaak de range extender gebruikt wordt. Daarom regelmatig, na elke tankbeurt, het motoroliepeil controleren.
Oliepeil controleren
Opmerking
Het oliepeil controleren bij bedrijfswarme range extender.
Range extender handmatig starten, zie pagina 65.
Controleren
- Auto horizontaal parkeren.
- Motor afzetten.
- Inlegbodem in de bagageruimte uitnemen.

- Deksel tegen de klok in draaien en verwijderen.

- Na ca. 5 minuten de peilstok uittrekken en met een pluisvrije doek, papieren zakdoek of iets dergelijks schoonmaken.

- De peilstok voorzichtig tot aan de aanslag in de meetbuis schuiven en weer uittrekken.
Het oliepeil moet tussen de beide marke- ringen van de peilstok liggen.
Motorolie bijvullen of verversen
Zo nodig motorolie laten bijvullen of verversen door de servicedienst.
BMW recommends
Castrol
Koelvloeistof
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Opmerkingen

Gevaar voor verbranding bij hete motor
Het koelsysteem bij hete motor niet openen, het ontwijkende koelmiddel kan verbrandingen veroorzaken.

Geschikte toevoegingen
Gebruik alleen geschikte toevoegingen, anders kan schade aan de motor worden veroorzaakt. De toevoegingen zijn schadelijk voor de gezondheid.
De koelvloeistof bestaat uit water en koelmid- deltoevoeging.
Niet alle in de handel verkrijgbare toevoegin- gen zijn voor de auto geschikt. Informatie over de geschikte toevoegingen vindt u bij de servi- cedienst.
Koelvloeistofreservoir
De auto beschikt over twee koelvloeistofreservoirs, die zich onder de voorkap bevinden.
Om de veilige werking van de auto te garanderen, steeds het koelvloeistofpeil van beide reservoirs controleren.
Voorkap openen, zie pagina 174.

1 Koelmiddelreservoir voor airco
2 Koelmiddelreservoir voor aandrijving
Koelvloeistofpeil
Koelmiddelreservoir voor airco
Controleren
-
Motor laten afkoelen.
-
Sluiting van het koelvloeistofreservoir te- gen de wijzers van de klok in een beetje opendraaien zodat de overdruk kan ont- snappen, daarna openen.

Het koelvloeistofpeil is correct, als het tussen de min- en max-markering in het reservoir staat.
Bijvullen
-
Langzaam tot het correcte peil vullen, niet te veel bijvullen.
-
Sluiting dichtdraaien.
-
Oorzaak van het koelmiddelverlies zo snel mogelijk laten verhelpen door de service-dienst.
Koelmiddelreservoir voor aandrijving
Controleren
-
Motor laten afkoelen.
-
Koelvloeistofpeil controleren.
De markeringen zijn aan de zijkant op het koelvloeistofreservoir aangebracht. Het koelvloeistofpeil is correct, als het tussen de min- en max-markering staat.
Bijvullen
- Sluiting van het koelvloeistofreservoir te- gen de wijzers van de klok in een beetje opendraaien zodat de overdruk kan ont- snappen, daarna openen.

-
Langzaam tot het correcte peil vullen, niet te veel bijvullen.
-
Sluiting dichtdraaien.
-
Oorzaak van het koelmiddelverlies zo snel mogelijk laten verhelpen door de service-dienst.
Afvalverwerking

Bij het afvoeren van koelvloeistof met toevoegingen voor koelvloeistoffen moeten de betreffende milieuvoorschriften in acht worden genomen.
Onderhoud
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
BMW onderhoudssysteem
Het onderhoudssysteem wijst u op vereiste onderhoudsmaatregelen en helpt u zo uw auto verkeers- en bedrijfsveilig te houden.
Opmerking

Onderhoud en reparatie
Onderhoud en reparatie van de auto alleen laten uitvoeren door de Service of door een werkplaats die volgens de BMW voorschriften werkt en met personeel dat hiervoor is geschoold. Anders bestaat vanwege de hoogspanning van het systeem gevaar van levensgevaarlijk letsel door een elektrische schok.
Sensoren en speciale algoritmen houden rekening met het gebruik van uw auto. Condition Based Service bepaalt daarmee het noodzakelijk onderhoud.
Met het systeem kan dus de omvang van het onderhoud worden aangepast aan het individuele gebruiksprofiel.
Op het Control Display kan gedetailleerde informatie over servicebehoefte, zie pagina 77, weergegeven worden.
Servicegegevens in de afstandsbediening
Informatie over het noodzakelijk onderhoud wordt continu in de afstandsbediening opgeslagen. De servicedienst leest deze gegevens en stelt u een passende onderhoudsbeurt voor.
Overhandig de serviceadviseur daarom de afstandsbediening waarmee het laatst werd gereden.
Stilstandtijden
Er wordt geen rekening gehouden met stilstandtijden met losgekoppelde voertuigaccu.
Daarom de tijdafhankelijke onderhoudswerkzaamheden, zoals remvloeistof en evt. de motorolie en het micro-/actief-koolstofffilter, door de servicedienst laten uitvoeren.
Service geschiedenis
Onderhoudswerkzaamheden bij de service uitvoeren en in de autogegevens laten invoeren. De vermeldingen zijn net zoals het onderhoudsboekje het bewijs van regelmatig onderhoud.
Ingevoerd onderhoud op de Control Display weergeven, zie pagina 78.
Overzicht: onderhoudsbeurten
De omvang en intervallen kunnen verschillen naargelang de exportvariant. Verdere informatie is bij de service verkrijgbaar.
Standaardomvang
Onderhoudswerkzaamheden
Check-Control-meldingen controleren.
Controle- en waarschuwingsmeldingen controleren.
Dikte remvoering controleren.
Motorolie
Geldt enkel voor voertuigen met range extender.
Onderhoudswerkzaamheden
Motorolie en oliefilter vervangen.
Servicemelding volgens fabrieksvoorschrift resetten.
Rem vooraan
Onderhoudswerkzaamheden
Remvoeringen en remvoeringssensor vervangen, remschachten reinigen.
Remschijven: oppervlakte en dikte controle- ren.
Rem achteraan
Onderhoudswerkzaamheden
Remvoeringen en remvoeringssensor vervangen, remschachten reinigen.
Remschijven: oppervlakte en dikte controle- ren.
Werking van parkeerrem controleren.
Remvloeistof
Onderhoudswerkzaamheden
Remvloeistof verversen.
Servicemelding volgens fabrieksvoorschrift resetten.
Auto-check
Onderhoudswerkzaamheden
Aircosysteem/Airconditioning: microfilter vervangen.
Claxon, lichtsignaal en waarschuwingsknipperlichtinstallatie controleren.
Instrumenten-/tekstveldverlichting, verlichting interieur, bagageruimte en dashboard-kastje en verwarmingsventilator controleren.
Verlichtingsinstallatie controleren.
Veiligheidsgordels: toestand van gordelband, werking van oprolmechanisme, gordelblokkering en gordelslot controleren.
Werking en instelling ruitenwisser- en wasinstallatie controlleren.
Mobility System: houdbaarheidsdatum op de lekstopbus controleren.
Banden: profieldiepte, oppervlakte, uitwen-dige toestand en vuldruk controleren.
Bandenpechwaarschuwing RPA initialiseren.
Bandenspanningscontrole RDC initialiseren.
Koelvloeistofpeil en -concentratie controle- ren.
Ruitenwissersysteem: vloeistofpeil controle- ren.
Remleidingen en - aansluitingen: controleren op dichtheid, beschadiging en juiste positie.
Onderhoudswerkzaamheden
Onderkant incl. alle zichtbare delen: controle- ren op schade, juiste positie, dichtheid, incl. dichtheid schokdempers en montage veren in uitgeveerde toestand.
Stuurcomponenten: spelingvrijheid, schade en slijtage controleren.
Controleren op verkeersveiligheid, proefrit: remmen, stuurbekrachtiging, schokdempers, transmissie.
Aanwezigheid gevarendriehoek, verkeersvest en EHBO-tas controleren. Houdbaarheidsdatum op EHBO-tas controleren.
Servicemelding volgens fabrieksvoorschrift resetten.
Afzonderlijke berekening
Vervangingswerkzaamheden, reserveonderdelen, bedrijfsstoffen en materiaal onderhevig aan slijtage worden afzonderlijk berekend. Verdere informatie is bij de service verkrijgbaar.
Contactdoos voor On-Board Diagnose OBD
Opmerking

Contactdoos voor On-Board Diagnose
De contactdoos voor On-Board Dia-
gnose mag enkel gebruikt worden door de servicedienst, door een werkplaats die werkt volgens de voorschriften van de autofabrikant en met personeel dat hiervoor is geschoold, of door andere bevoegde personen, anders kan het gebruik leiden tot functiestoringen van de auto.
Positie

Aan de bestuurderszijde is er een OBD-contactdoos voor het lezen van de voertuiggegevens. Bij auto's met range extender worden daarnaast ook onderdelen gecontroleerd die bepalend zijn voor de emissiesamenstelling.
Emissies
Geldt enkel voor voertuigen met range exten- der.

▶ Het waarschuwingslampje knippert:
Motorstoring die tot beschadiging van de katalysator kan leiden. Auto onmiddellijk laten controleren.
▶ Het waarschuwingslampje brandt:
Verslechtering van de emissies. Auto zo spoedig mogelijk laten controleren.
Terugname van de auto
De fabrikant van uw auto adviseert, de auto bij een door de BMW Group aangeduid terugnamepunt in te leveren. Voor de terugname zijn de betreffende nationale wettelijke voorschriften van toepassing. Informatie hieromtrent vindt u bij uw servicedienst.
Vervangen van onderdelen
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Vervangen van de wisserbladen
Opmerking

Wissers niet zonder wisserbladen inklappen
Wissers niet inklappen, zolang geen wisserbladen gemonteerd zijn, anders kan de ruit worden beschadigd.
Voorste wisserbladen vervangen
- Wisserarm uitklappen en vasthouden.
- Borgveer samendrukken, pijlen 1, en het wisserblad uitklappen, pijl 2.

- Wisserblad naar voren uit de vergrendeling halen.
- Nieuw wisserblad in omgekeerde volgorde plaatsen tot deze vastklikt.
- Wissers inklappen.

Voor het openen van de voorkap de wissers inklappen
Voor het openen van de voorkap controleren of de wisserarmen met de wisserbladen op de ruit liggen, anders kunnen er beschadigingen ontstaan.
Achterste wisserblad vervangen
- Wisser geheel naar boven halen en het wisserblad aftrekken, zie pijl.

- De nieuwe wisser bevestigen en naar beneden drukken, totdat deze vastklikt.
- Ruitenwisser inklappen.
Vervangen van lampen
Opmerkingen
Lampen en verlichtingen
Verlichting en gloeilampen dragen in hoge mate bij aan de verkeersveiligheid.
De fabrikant van de auto raadt aan werkzaamheden waarmee u niet vertrouwd bent of die niet in deze handleiding zijn beschreven, door uw servicedienst te laten uitvoeren.
Een doos met reservelampen is verkrijgbaar bij de servicedienst.

Gevaar voor verbranding
Gloeilampen alleen in afgekoelde toestand vervangen, anders kunnen verbrandingen optreden.

Werkzaamheden aan de verlichting
Bij alle werkzaamheden aan de verlichting de betroffen lampen uitschakelen, anders kan kortsluiting worden veroorzaakt.
Indien van toepassing de bijgevoegde gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de lamp beslist in acht nemen, om verwondingen en beschadigingen bij het lampen vervangen te voorkomen.

Lampen niet aanvatten
Het glas van nieuwe lampen niet met de blote hand aanvatten, zelfs geringe verontreini-gingen kunnen zich inbranden en de levens-duur van de lamp verminderen.
Gebruik een schone doek, papieren servet e.d. of vat de lamp aan de sokkel aan.
Lichtdioden LEDs
Bedieningsonderdelen, weergaveonderdelen en andere uitrustingen hebben achter een afdekking lichtdioden als lichtbron.
Deze zijn verwant met de gewone lasers en worden als licht uitstralende diode van klasse 1 gekenmerkt.

Afdekkingen niet verwijderen
De afdekkingen niet verwijderen en niet gedurende meerdere uren direct in de ongefilterde straal kijken, omdat anders het netvlies van het oog geïrriteerd kan raken.
Koplampenglas
Bij koel of vocht weer kan de buitenverlichting beslaan. Bij rijden met ingeschakeld licht verdwijnt de wasem na korte tijd. Het koplampenglas moet niet worden vervangen.
Als de koplampen ondanks rijden met ingeschakeld licht niet ontdooien en er zich in toenemende mate vocht vormt, bijv. waterdruppels in de lamp, deze door de Service laten controleren.
Koplampinstelling
De instellingen van de koplampen kunnen beinvloed worden door het vervangen van lampen. Daarom na een vervanging de koplampinstelling laten controleren door de service en zo nodig laten corrigeren.
Frontlampen, lamp vervangen
Overzicht
Halogeen-koplampen met LED-
lichtelementen

Met LED-koplampen zijn alle frontlampen alsmede zijdelingse richtingaanwijzers in LED-techniek uitgevoerd.
Wendt u bij een defect tot de servicedienst.
Lamp vervangen
Halogeenkoplampen
Aanwijzingen betreffende lampen en verlichtingen, zie pagina 182, in acht nemen.
Lamp 55 watt, H7.
- Afdekking voor de koplampen omhoogklappen.

- Deksel tegen de klok in draaien en eruit nemen.

- Lamphouder licht naar binnen drukken, langs rechts uit de verankering losmaken en omlaagklappen.
- Lamp tegen de klok in draaien en eruit ne- men.
- Voor het plaatsen van lamp en lamphouder in omgekeerde volgorde te werk gaan. Let erop dat de lamphouder vergrendelt.
- Koplampbehuizing met deksel sluiten. Let erop dat het deksel vergrendelt.
Toegang tot knipperlicht en grootlicht
Aanwijzingen betreffende lampen en verlichtingen, zie pagina 182, in acht nemen.

In de wielkast de afdekking tegen de klok in draaien en eraf nemen.
Richtingaanwijzers
Lamp 24 watt, PSY24W.
- De linker lamphouder linksom draaien en wegnemen.

-
Lamp licht in de fitting drukken, tegen de klok in draaien en verwijderen.
-
Nieuwe lamp en lamphouder in omgekeerde volgorde inbouwen.
- Afdekking in de wielkast aanbrengen.
Grootlicht
Gloeilamp 55 watt, H11.
- De rechter lamphouder linksom draaien en wegnemen.

- Lamp licht in de fitting drukken, tegen de klok in draaien en verwijderen.
- Nieuwe lamp en lamphouder in omgekeerde volgorde inbouwen.
- Afdekking in de wielkast aanbrengen.
Knipperlicht in de buitenspiegel
Aanwijzingen betreffende lampen en verlichtingen, zie pagina 182, in acht nemen.
De knipperlichten in de buitenspiegels zijn van LED-techniek voorzien. Wendt u bij een defect tot de servicedienst.
Achterlichten
Aanwijzingen betreffende lampen en verlichtingen, zie pagina 182, in acht nemen.
De achterlichten in de achterklep zijn van LED-techniek voorzien.
De lichten in de bumper bevatten de functie van het mistachterlicht en achteruitrijlicht.
Daarnaast nemen de lichten in de bumper ook de functie van de achterlichten over wanneer de achterklep geopend is.
Wendt u bij een defect tot de servicedienst.
Wiel verwisselen
Opmerkingen
Wegens de uitrusting van de auto is geen re- servewiel ter beschikking.
Bij gebruik van bandenafdichtmiddel is het niet noodzakelijk om de band direct te wisselen bij spanningsverlies in het geval van pech.
Passend gereedschap voor het verwisselen van wielen vindt u als toebehoren bij de servicedienst.
Kriksteunpunten

De kriksteunpunten bevinden zich achter de afgebeelde posities.
Accu
De accu van de auto heeft 12 V. De accu voorziet de boordelektronica van energie.
Informatie over het hoogspanningssysteem, zie pagina 154.
Onderhoud
De accu is onderhoudsvrij. Het zuur waarmee de accu gevuld is volstaat voor de volledige levensduur van de accu.
Met uw vragen over de accu kunt u steeds te-recht bij uw servicedienst.
Vervangen van de accu

Alleen accutypen gebruiken die door de fabrikant van uw auto zijn goedgekeurd
Alleen accutypen gebruiken die door de fabrikant van uw auto zijn goedgekeurd, anders kan schade aan de auto optreden en zijn systemen of functies niet of slechts beperkt beschikbaar.
De voertuigaccu na het vervangen door uw servicedienst op de auto laten aanmelden, zo- dat alle comfortfuncties onbeperkt beschik- baar zijn en evt. betreffende Check-Control- meldingen van deze comfortfuncties niet meer worden weergegeven.
Accu opladen

Geen laders gebruiken
De accu niet opladen met externe laders, anders bestaat het gevaar voor materiële schade, bijv. aan de voertuigelektronica.
Ontladen accu opladen, zie pagina 161.
Stroomonderbreking
Na een stroomonderbreking van voorbijgaande aard moeten enkele uitrustingen opnieuw worden geïntialiseerd.
Individuele instellingen moeten opnieuw worden geactualiseerd:
▶ De tijd: actualiseren.
▶ Datum: actualiseren.
Radiozender: opnieuw opslaan.
▷ Navigatiesysteem: wachten tot de navigatie bedrijfsklaar is.
Lege accu verwerken

Oude accu's door de servicedienst la- ten afvoeren of op een verzamelpunt afgeven.
Gevulde accu's moeten tijdens het vervoer en de opslag rechtop staan. Tijdens het transport tegen kantelen beveiligen.
Zekeringen
Opmerkingen

Zekeringen vervangen
Doorgebrande zekeringen nooit repareren of vervangen door een zekering met een andere kleur of ampèrage, om te voorkomen dat door overbelaste elektrische bedrading brand in de auto ontstaat.
Zekering vervangen
De zekeringen bevinden zich in de passagiers- ruimte aan de onderzijde van het dashboard.
- Voor het openen schroeven losdraaien, pijlen 1.

- Zekeringenbord naar beneden klappen, pijl 2.
Gegevens betreffende de zekeringtoewijzing vindt u op een afzonderlijk vouwblad. - Betreffende zekering vervangen.
- De montage vindt in omgekeerde volgorde van de demontage plaats.
Hulp in geval van nood
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Waarschuwingsknipperlicht

De toets bevindt zich in de middenconsole.
Intelligente noodoproep
Voorwaarden
Stand-by van de radio is ingeschakeld.
Noodoproepsysteem is bedrijfsklaar.
In het voertuig geïntegreerde SIM-kaart is geactiveerd.
Algemeen
SOS-toets uitsluitend bij noodgevallen gebruiken.
Ook als er geen noodoproep via BMW mogelijk is, kan het zijn dat een noodoproep naar een openbaar alarmnummer tot stand wordt ge-
bracht. Dit is onder andere afhankelijk van het mobiele netwerk en de nationale wetgeving.
Opmerkingen

Noodoproep niet gewaarborgd
De noodoproep kan om technische redenen onder ongunstige omstandigheden niet worden gewaarborgd.
Noodoproep versturen

- Voor het openen de afsluitklep aantippen.
- De sos-toets indrukken tot LED in de toets licht.
▶ LED licht: noodoproep geactiveerd.
Als een onderbrekingscontrole op het Control Display wordt weergegeven, kan de noodoproep worden afgebroken.
Indien de omstandigheden dit toelaten, in de auto wachten tot de spraakverbinding tot stand is gekomen.
▶ LED knippert, als de verbinding met het alarmnummer tot stand is gebracht.
Bij een noodoproep via BMW worden gegevens die voor het bepalen van de vereiste reddingsmaatregelen dienen, bijv. de actuele positie van de auto, indien deze kan worden bepaald, aan de alarmcentrale doorgegeven. Als wedervragen van de noodoproepcentrale onbeantwoord blijven
worden automatisch reddingsmaatregelen genomen.
Wanneer de LED knippert maar de alarmcentrale niet meer te horen is via de luidsprekers, kunt u echter voor de alarmcentrale toch nog te horen zijn.
Noodoproep automatisch activeren
Als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, wordt onmiddellijk na een zwaar ongeval automatisch een noodoproep verstuurd. De automatische noodoproep wordt niet belemmerd door het drukken op de SOS-toets.
Gevarendriehoek

De gevarendriehoek is aan de binnenzijde van de achterklep ondergebracht.
Om deze te verwijderen de houders losmaken.
EHBO-tas
Opmerking
De houdbaarheid van enkele artikelen is beperkt.
Vervaldatum van de inhoud regelmatig controleren en evt. tijdig vervangen.
Locatie
De EHBO-tas bevindt zich achteraan in de bagageruimte.
Mobile Service
Hulp
De Mobile Service is in veel landen 24 uur per dag telefonisch bereikbaar. In geval van pech krijgt u daar ondersteuning.
Hulpdienst
Voor de pechhulp kan via iDrive het telefoon-nummer worden getoond of kan direct een verbinding met de Mobile Service worden opgebouwd.
Starthulp
Accu niet overbruggen of direct opladen De accu niet met een conventionele starthulp overbruggen of direct opladen, anders bestaat wegens de hoogspanning van het aandrijfsysteem levensgevaar door elektrische schok.
Bij ontladen hoogspanningsaccu en ontladen voertuigaccu is geen bedrijf van het voertuig mogelijk. In dat geval geen starchulp toepassen, maar het voertuig op de gebruikelijke manier opladen via de laadkabel, zie pagina 161.
Wegslepen
Transporteren van uw auto
Opmerking
Uw auto mag niet worden weggesleepd. Daarom in geval van nood contact opnemen met de servicedienst.
Auto niet wegslepen Uw auto mag alleen op een laadvlak worden getransporteerd omdat anders beschadi- gen kunnen worden veroorzaakt.
Takelwagen

De auto niet opheffen
De auto niet aan het sleepoog of aan de- len van de carrosserie of het onderstel optake- len, omdat deze anders beschadigd kunnen ra- ken.
Het vooraan vastgedraaide sleepoog alleen voor het rangeren gebruiken.
Auto duwen
Om een auto die blijft steken uit een gevarenzone te halen, kan hij over een korte afstand met een snelheid van maximaal 10 km/h geduwd worden.
De auto kan enkel in keuzehendelstand N ge-duwd worden.
Als volgt te werk gaan zodat de auto kan rollen:
-
Stand-by van de radio of rijden-stand-by inschakelen, zie pagina 60.
-
Rempedaal intrappen.
-
Keuzehendelstand N inschakelen.
Bij elektrische storingen kan de keuzehendelstand mogelijk niet gewijzigd worden.
Slepen door andere voertuigen
Algemeen

Licht trekkend voertuig
De trekkende auto mag niet lichter zijn dan de te slepen auto, anders kunt u de controle over de auto's verliezen.

Sleepstang/wegsleepkabel correct be- vestigen
De sleepstang of wegsleepkabel aan de sleepogen bevestigen, omdat bij bevestiging aan andere onderdelen van de auto beschadigingen kunnen optreden.
▶ Afhankelijk van de wettelijke bepalingen de waarschuwingsknipperlichtinstallatie in-schakelen.
Als de elektrische installatie is uitgevallen, de weg te slepen auto herkenbaar maken door bv. een bord of gevarendriehoek achter de achterruit te plaatsen.
Sleepstang
De sleepogen moeten bij beide auto's aan dezelfde zijde zitten.
Wanneer de sleepstang alleen schuin kan worden aangebracht moet op het volgende worden gelet:
Stuurhoek is bij het rijden in de bochten beperkt.
▶ Schuine stand van de sleepstang veroorzaakt zijdelings gerichte kracht.
Wegsleepkabel
Erop letten dat de wegsleepkabel bij het wegrijden van de trekkende auto strak staat.
Bij het slepen nylonkabels gebruiken, omdat dit materiaal te abrupte trekbelasting voorkomt.

Wegsleepkabel correct bevestigen
De wegsleepkabel uitsluitend aan de sleepogen bevestigen, omdat bij bevestiging aan andere onderdelen van de auto beschadigingen kunnen optreden.
Sleepoog
Het schroefbare sleepoog steeds meevoeren. Deze kan aan de voor- of achterzijde van de auto worden aangebracht. Het bevindt zich in het opbergvak onder de voorkap.

Sleepoog, aanwijzingen voor gebruik
Alleen het bij de auto behorende sleepoog gebruiken en deze tot de aanslag vastdraaien.
▶ Het sleepoog alleen gebruiken voor het slepen over een verharde weg.
▶ Het vooraan vastgedraaide sleepoog alleen voor het rangeren gebruiken.
▶ Voorkom dwarsbelastingen van het sleepoog, de auto bijv. niet aan het sleepoog opheffen.
Anders kunnen sleepoog en auto worden beschadigd.
Schroefdraad

Op de markering aan de rand van de afdekking drukken om deze naar buiten te duwen.
Veiligheid van het hoogspanningssysteem
Werkzaamheden aan het hoogspanningssysteem
Het hoogspanningssysteem van de auto is een gesloten systeem. De veiligheid is gegarandeerd zolang geen werkzaamheden worden uitgevoerd aan de technische componenten.
Wijzigingen en werkzaamheden aan de auto, bijv. ook het monteren van accessoires, uitsluitend laten uitvoeren door een BMW dealer of door een werkplaats die werkt volgens de BMW voorschriften en met personeel dat hiervoor is geschoold.

Onderhoud en reparatie
Onderhoud en reparatie van de auto alleen laten uitvoeren door de Service of door een werkplaats die volgens de BMW voorschriften werkt en met personeel dat hiervoor is geschoold. Anders bestaat vanwege de hoogspanning van het systeem gevaar van levensgevaarlijk letsel door een elektrische schok.
Hoogspanningssysteem: contact met water
Het hoogspanningssysteem is ook in de volgende voorbeeldsituaties veilig:
Water in de voetenruimte, bijv. na een re-genbui met geopend glazen dak.
Er stroomt vloeistof in de bagageruimte.
In deze gevallen bestaat geen gevaar door een elektrische schok levensgevaarlijk gewond te raken. Andere schade aan de auto is mogelijk.
Hoogspanningssysteem: automatische deactivering
Bij ongevallen wordt het hoogspanningssysteem automatisch uitgeschakeld om de inzittenden en andere verkeersdeelnemers niet in gevaar te brengen.
Houd u aan de aanwijzingen voor Gedrag na een ongeval, zie pagina 190.
Gedrag na een ongeval
Algemeen

Na een ongeval
Na een ongeval de hoogspanningscomponenten zoals bijvoorbeeld de oranje hoogspanningsleidingen of onderdelen die contact maken met vrijliggende hoogspanningskabels niet aanraken. Anders bestaat vanwege de hoogspanning van het systeem gevaar van le-
vensgevaarlijk letsel door een elektrische schok.

Uittredende vloeistof
Uit de hoogspanningsaccu vrijkomende vloeistoffen niet aanraken anders kan huidlet-sel ontstaan.
Mocht u met uw auto bij een ongeval betrokken raken, dan dient u wat betreft het hoogspanningssysteem de volgende extra veiligheidsmaatregelen in acht te nemen:
Plaats van het ongeval afschermen.
▶ Reddingswerkers, politie en brandweer onmiddellijk op de hoogte brengen dat het om een auto met een hoogspanningssysteem gaat.
▶ Keuzehendelstand P inschakelen, parkeerrem bedienen en gereedheid of rijdenstand-by uitschakelen.
Auto na verlaten vergrendelen.
▶ Uit de hoogspanningsaccu vrijkomende gassen niet inademen, evt afstand tot de auto bewaren.
Reiniging
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Het wassen van de auto
Opmerkingen

Laadaansluitklep sluiten
De laadaansluitklep tijdens het wassen sluiten, anders kan de auto beschadigd raken.

Stoomreiniger of hogedrukreiniger
Bij gebruik van stoomreinigers of hogedrukreinigers voldoende afstand aanhouden en een maximale temperatuur van 60 °C in acht nemen.
Tot het glazen dak en de laadaansluitklep een afstand van minstens 80 cm in acht houden.
Bij een te korte afstand, een te hoge druk of te hoge temperatuur bestaat de kans op onmiddellijke beschadigingen of beschadigingen die pas op een later tijdstip naar voren komen.
De bedieningsinstructies voor de hogedrukreiniger in acht nemen.

Reiniging van sensoren/camera's met hogedrukreinigers
Met hogedrukreinigers niet langdurig en met een afstand van minstens 30 cm op sensoren en camera's aan de buitenkant van de auto zoals bijv. Park Distance Control spuiten.

Laadaansluiting laten reinigen door geschoold personeel
Bij verontreiniging van de laadaansluiting de reiniging enkel laten uitvoeren door personeel dat daarvoor opgeleid is, anders bestaat gevaar voor letsel door de hoge spanning.
▶ Regelmatig vreemde voorwerpen, bijv. loof, bij geopende voorkap in het bereik onder de voorruit verwijderen.
Zeker in de winter de auto vaker wassen.
Sterke verontreiniging en strooizout kunnen tot schade aan de auto leiden.
Automatische wasinstallaties of wasstraten
Opmerkingen
Wasinstallaties met lappen of installaties met zachte borstels verdienen de voorkeur om lakbeschadigingen te voorkomen.
▶ Wielen en banden mogen niet door transportinrichtingen worden beschadigd.
Buitenspiegels inklappen anders kunnen zijn, door de breedte van de auto, worden beschadigd.
Regensensor, zie pagina 68, deactiveren, om een onbedoeld wissen te voorkomen.
In veel gevallen kan, afhankelijk van de interieurbeveiliging van het alarmsysteem, een ongewenst alarm geactiveerd worden. Neem de aanwijzingen ter vermijding van ongewenste alarmen, zie pagina 45, in acht.

Geleiderails in wasstraten
Reinigingsinstallaties of wasstraten vermijden waarvan de geleiderails hoger zijn dan 10 cm, carrosserieonderdelen kunnen worden beschadigd.
In een wasstraat binnenrijden
De volgende stappen aanhouden, zodat de auto in een wasstraat kan rollen.
- In de wasstraat rijden.
- Keuzehendelstand N inschakelen.
- Voet van het rempedaal nemen.
- Start-/stopknop indrukken.
De gereedheid blijft op deze manier ingeschakeld en een Check-Control-melding wordt weergegeven.
Voor het inschakelen van het rijden-stand-by:
- Rempedaal indrukken.
- Start-/stopknop indrukken.
Het drukken op de start-/stopknop zonder intrappen van de rem schakelt de gereedheid uit.
Keuzehendelstand
Keuzehendelstend P wordt automatisch ingeschakeld:
Bij uitgeschakelde gereedheid.
▶ Na ca. 15 minuten.
Koplampen
Niet droog wrijven en geen schurende of etsende reinigingsmiddelen gebruiken.
▶ Verontreinigingen, bv. insecten, met shampoo in de week zetten en met water afspoelen.
▶ IJsvorming met ontdooiingsspray ontdooien, geen ijskrabber gebruiken.
Na wassen van de auto
Na het wassen van de auto de remschijven kort droogremmen, anders kan de remwerking kortstondig minder zijn en kunnen de remschijven corroderen.
Resten op de ruiten helemaal verwijderen, om vermindering van het zicht door sliertvorming te voorkomen en wissergeluiden alsmede wiserbladslijtage te verlagen.
Auto-onderhoud
Onderhoudsmiddelen
BMW raadt u aan reinigings- en onderhoudsmiddelen van BMW te gebruiken, omdat deze getest en goedgekeurd zijn.

Onderhouds- en reinigingsmiddelen
Aanwijzingen op de verpakking in acht nemen.
Bij reinigen van het interieur de portieren of ruiten openen.
Alleen middelen gebruiken die voor het reinigen van auto's zijn bedoeld.
Reinigingsmiddelen kunnen stoffen bevatten die gevaarlijk of schadelijk voor de gezondheid zijn.
Autolak
Regelmatig onderhoud draagt bij tot rijveiligheid en waardebehoud. Milieu-invloeden in omgevingen met hogere luchtvervuiling of natuurlijke verontreinigingen, zoals boomhars of pollen, kunnen op de voertuiglak inwerken. Frequentie en omvang van het onderhoud daarop afstemmen.
Agressieve stoffen, zoals overgelopen brandstof, olie, vet of vogelpoep direct verwijderen, om lakveranderingen of -verkleuringen te voorkomen.
Lederonderhoud
Het leder geregeld met een doek of stofzuiger reinigen.
Stof en straatvuil schuren anders in poriën en vouwen en leiden tot een sterke slijtage alsmede tot een vroegtijdige verharding van het lederoppervlak.
Om verkleuringen door bijv. kleding te vermijden, leder ongeveer om de twee maanden verzorgen.
Lichtgekleurd leder vaker reinigen omdat vuil daarop duidelijker zichtbaar is.
Lederverzorgingsmiddel gebruiken, omdat vuil en vet anders langzaam de beschermende laag van het leder aantasten.
Geschikte onderhoudsmiddelen zijn bij de service verkrijgbaar.
Bekledingsstofonderhoud
Regelmatig met een stofzuiger afzuigen.
Bij sterke verontreinigingen, bv. drankvlekken, een zachte spons of een microvezeldoek met geschikte interieurreiniger gebruiken.
Grote bekledingsvlakken tot aan de naden reinigen. Krachtig wrijven vermijden.

Beschadiging door klittebandsluitingen
Geopende klittebandsluitingen aan broe-
ken of andere kledingstukken kunnen de stoelbekleding beschadigen. Let erop, dat klitte-bandsluitingen gesloten zijn.
Onderhoud van speciale delen
Lichtmetalen velgen
Bij reiniging van het voertuig enkel neutraal reinigingsmiddel voor velgen met een pH-waarde van 5 tot 9 gebruiken. Geen bijtende reinigingsmiddelen of stoomreinigers boven 60 °C gebruiken. Aanwijzingen van de fabrikant in acht nemen.
Agressieve, zuurhoudende of alkalische reinigingsmiddelen kunnen de beschermlaag van naburige onderdelen zoals bijv. remschijven aantasten.
Chroomachtige oppervlakken
Onderdelen zoals bijv. radiatorgrille of portier-grepen vooral bij contact met strooizout met voldoende water en evt. shampoo zorgvuldig reinigen.
Rubberdelen
Behalve met water alleen met glijmiddel voor rubber behandelen.
Voor het onderhoud van afdichtrubbers geen siliconenhoudend onderhoudsmiddel gebruiken, om beschadigingen of geluiden te voorkomen.
Delen van edel hout
Houten panelen en uit hout vervaardigde delen mogen uitsluitend met een vochtige doek worden gereinigd. Vervolgens met een zachte doek drogen.
Kunststof onderdelen
Daartoe behoren:
▶ Oppervlakken van kunstleer.
▶ Hemelbekleding.
▶ Verlichtingsglas.
▶ Dekglas van het instrumentenpaneel.
▶ Gelakte delen in het interieur.
Koolstofdelen in het interieur.
Gebruik voor de reiniging een microvezeldoek.
De doek evt. licht met water bevochtigen.
Hemelbekleding niet te nat maken.

Geen alcohol-/oplosmiddelhoudende reinigingmiddelen
Geen alcoholhoudende of oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen, zoals nitroverdunner, koudreiniger, benzine of iets dergelijks gebruiken, de oppervlakken kunnen ander worden beschadigd.
Veiligheidsgordels
Vervuilde gordels rollen niet goed op, waardoor de veiligheid nadelig wordt beïnvloed.

Chemische reiniging
Niet chemisch laten reinigen, omdat het weefsel hierdoor kan worden aangetast.
Alleen met mild zeepsop in ingebouwde toe-stand schoonmaken.
Veiligheidsgordels altijd in volkomen droge toestand oprollen.
Vloerbedekking en vloermatten

Geen voorwerpen in het bewegingsveld van de pedalen
Vloermatten, tapijt en andere voorwerpen mo- gen niet in het bewegingsbereik van de peda- len komen, omdat deze anders tijdens de rit de werking van de pedalen zouden kunnen be- lemmeren.
Leg geen extra vloermatten op de aanwezig of op andere voorwerpen.
Gebruik alleen vloermatten die voor de auto vrijgegeven zijn en adequaat bevestigd kunnen worden.
Hierbij in acht nemen dat de vloermatten weer veilig worden bevestigd, nadat deze werden verwijderd, bijv. door reiniging.
Voor het reinigen kunnen de vloermatten uit de auto worden genomen.
Vloertapijt bij sterkere vervuiling met een microvezeldoek en water of textielreiniger schoonmaken. Hierbij in de rijrichting vooruit en achteruit wrijven, het tapijt kan anders vervilten.
Sensoren/camera's
Gebruik voor de reiniging van sensoren of camera's een met een beetje glasreiniger bevochtigde doek.
Displays/beeldschermen
Gebruik voor de reiniging van de displays een antistatische microvezeldoek.

Reiniging van displays
Geen chemische of huishoudelijke schoonmaakmiddelen gebruiken.
Houd alle vloeistoffen en vocht verwijderd van het toestel.
Anders kunnen het oppervlak of elektrische onderdelen worden beschadigd.
Bij het schoonmaken niet te hard drukken en geen krassende materialen gebruiken, anders kunnen beschadigingen ontstaan.
Lange stilstandtijden en buiten bedrijf stellen van de auto

Auto niet voor langere tijd met te geringe laadtoestand laten staan
Voor langere stilstandfase m.b.v. de laadtoestandsweergave er zeker van zijn, dat de hoogspanningsaccu helemaal opgeladen is. Auto voor langere stilstandfasen parkeren en laadstekker in een geschikte stroombron steken. Regelmatig de laadtoestand controleren. Anders kan de hoogspanningsaccu beschadigd raken door het overmatig ontladen.
Bij stilstandtijden van meerdere weken de auto zo veel mogelijk met volledig opgeladen hoogspanningsaccu stilzetten.
De auto niet langer dan 14 dagen stilzetten wanneer de elektrische actieradius minder dan 10 km bedraagt.
Bij stilstandfasen tot drie maanden de auto zo mogelijk aangesloten op een geschikte stroombron of bijna volledig opgeladen parke- ren.
Opmerking
De servicedienst informeert u over wat in acht moet worden genomen als de auto langer dan drie maanden moet worden stilgezet.

Het hoofdstuk bevat de technische gegevens en het trefwoordenregister, waarmee u snel de gezochte informatie kunt vinden.
Technische gegevens
Uitrusting van de auto
In dit hoofdstuk worden alle standaard-, export- en speciale uitrustingen beschreven, die in de modelserie aangeboden worden. Er worden daarom ook uitrustingen beschreven, die in een auto, bijv. vanwege de gekozen speciale uitrusting of de exportvariant, niet beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor veiligheidsrelevante functies en systemen.
Maten
| BMW i3 | |
| Breedte met spiegel | 2039 mm |
| Breedte zonder spiegel | 1775 mm |
| Hoogte | 1597 mm |
| Lengte | 3999 mm |
| Wielbasis | 2570 mm |
| Kleinste draaicirkel | ∅: 9,86 m |
Gewichten
Waarden voor de / gelden voor auto's met range extender, waarden na de / voor auto's zonder range extender.
| BMW i3 | ||
| Leeggewicht rijklaar, met 75 kg belading, bij 90 % gevulde tank, zonder speciale uitrusting | kg | 1390/1270 |
| Maximaal toelaatbaar totaalgewicht kg | 1730/1620 | |
| Belading kg | 415/425 | |
| Toelaatbare asbelasting voor kg | 765/750 | |
| Toelaatbare asbelasting achter kg | 1000/910 | |
| Volume kofferruimte Liter | 260-1100 | |
Hoogspanningsaccu
| Opmerking | |
| Type Lithium-ion | |
| Capaciteit | 22 kWh |
| Nominale spanning | 360 V |
Inhouden
| Liter Opmerking | |
| Brandstoftank Benzine: 9 Bij optionele range ex- | tender |
Bijlage
Hier worden eventuele actualiseringen van de handleiding van de auto beschreven.
File-assistent
Opmerkingen

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Ook een actief systeem ontlast de bestuurder niet van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het rijden, in het bijzonder voor het volgen van de rijstrook, aanpassen van de snelheid, aanhouden van de afstand en afstemmen van het rijgedrag op de verkeersomstandigheden.
Wegens technische beperkingen kan het systeem niet in alle verkeerssituaties zelfstandig op gepaste wijze reageren.
Het rijproces, de omgeving en de verkeersomstandigheden continu en aandachtig in het oog houden en zo nodig actief ingrijpen, bijv. door te remmen, sturen of uit te wijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.

Ongunstige weersomstandigheden
Bij weinig licht of ongunstige weersomstandigheden, bijv. bij regen, sneeuwval, smel- tende sneeuw, nevel of tegenlicht, kan de de- tectie van voertuigen en rijbaanbegrenzingen verminderen en kunnen kortstondige onder- brekingen van reeds gedetecteerde voertuigen plaatsvinden. Oplettend rijden en reageren op de heersende verkeerssituatie. Evt. actief in- grijpen, bijv. door remmen, sturen of uitwijken, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Parkeerassistent
Opmerkingen

Persoonlijke verantwoordelijkheid
Ook een actief systeem ontlast de bestuurder niet van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het rijden.
Wegens technische beperkingen kan het systeem niet in alle verkeerssituaties zelfstandig op gepaste wijze reageren.
Het rijproces, de omgeving en de verkeerssi- tuatie continu en aandachtig in het oog houden en zo nodig actief ingrijpen, anders bestaat er gevaar voor ongevallen.
Grenzen van de ultrasoonmeting
Het herkennen van voorwerpen kan worden beperkt aan de grenzen van de natuurkundige ultrasone meting, zoals bij de volgende omstandigheden:
Bij kleine kinderen en dieren.
Bij personen met een bepaalde kleding, bijv. mantel.
Veiligheidssystemen voor kinderen
In aanvulling tot de beschijvingen in de handleidingen de volgende informatie in acht ne- men.
Geschikte zitplaatsen
Gebruik van de kinderzitjes van de categorie universeel, die met de autogordel worden bevestigd.
| Groep Gewicht van het kind Leeftijd bij benadering Passagiers-stoel | Achterstoelen | |
| 0 tot 10 kg tot 9 maanden U U | ||
| 0+ tot 13 kg tot 18 maanden U U | ||
| I 9 - 18 kg tot 4 jaar U U | ||
| II 15 - 25 kg tot 7 jaar U U | ||
| III 22 - 36 kg vanaf 7 jaar U U | ||
| U: geschikt voor kinderzitjes van de categorie universeel, die voor gebruik in deze gewichts-groep zijn goedgekeurd. | ||
Juiste ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen
De volgende ISOFIX-veiligheidssystemen voor kinderen mogen achterin worden gebruikt. De desbetreffende grootteklasse en groottecate-
gorie bevinden zich op de kinderzitjes op een etiket als letter of ISO-aanduiding.
| Groep Gewicht | van het kind | Leeftijd bij benadering | Klasse/categorie Passagiers-stoel | Achter-stoelen |
| 0 | tot 10 kg | ca. 9 maanden | E - ISO/R1 | X IL |
| 0+19 - 18 kg tot ca. 4 jaar D - ISO/R2 – a) | tot 13 kg | ca. 18 maanden | E - ISO/R1D - ISO/R2C - ISO/R3X | X ILILILIL |
| C - ISO/R3 – a) | IL | |||
| B - ISO/F2 | IL, IUF | |||
| B1 - ISO/F2X | IL, IUF | |||
| A - ISO/F3 | IL, IUF |
IL: de stoel is met inachtneming van de voertuiglijst, die bij het kinderzitje wordt bijgeleverd, geschikt voor inbouw van een ISOFIX-kinderzitje van de categorie semi-universeel.
IUF: de stoel is voor inbouw van een ISOFIX-kinderzitje met de goedkeuring "universeel" geschikt en voor bevestiging met de bevestigingsgordel TOP TETHER.
X: de stoel is niet uitgerust met ISOFIX-bevestigingsogen.
a) bij gebruik van kinderzitjes van de klasse/kategorie C - ISO/R3, D - ISO/R2 indien nodig de lengteafstelling van de voorstoel aanpassen.
Alles van A tot Z
Trefwoordenregister
A
Aanbevolen bandenmer- ken 168
Aanbevolen brandstof 165
Aandrijfslipregeling, zie DSC 99
Aandrijfweergave 76
Aanduiding, buitentemperatuur 75
Aansluiting van elektrische apparaten 130
Aansteker 130
Aanvullende tekstmelding 73
Aanwijzing brandstofmeter, range extender 74
ABS, anti-blokkeersysteem 99
ACC, actieve snelheidsregeling met stop & go 102
Accessoires en onderdelen 7
Accu, 12 V 185
Acculaadtoestandsweergave 76
Accu laden, zie Auto opla- den 154
Accu, vervangen 186
Accu, voertuig 185
Achterklep via afstandsbedie- ning 39
Achterlichten, vervangen van lampen 185
Achteruitkijkspiegel 53
Achteruitrijcamera 116
Actief koolstofffilter 127
Actieradius 75
Actieradius verhogen 146
Actieradius verhogen met range extender 65
Actieve snelheidsregeling met stop & go, ACC 102
Actualiseringen na sluiting van de redactie 6, 7
Actualiseringen, zie Bijlage 200
Actualiteit van de handleiding 7
Afbuigautomatiek 54
Afdalingen 142
Afdichtmiddel 169
Afgezette auto, condenswater 143
Afstandsbediening/sleutel 34
Afstandsbediening, storing 39
Afstandswaarschuwing, zie PDC 114
Afvalverwerking, koelvloei- stof 178
Airbags 87
Airbagschakelaar, zie Sleutelschakelaar voor passagiers-airbags 89
Airbags, controle-/waarschu-wingslampjes 88
Airconditioning, automa- tisch 125
Aircosysteem 123
Alarminstallatie 44
Alarm, ongewild 45
Anti-blokkeersysteem, ABS 99
Antivries, sproeiervloeistof 69
Aquaplaning 141
Asbak 130
AUC automatische luchtrecirculatieregeling 127
Auto buiten bedrijf stellen 195
Auto, inrijden 140
AUTO-intensiteit 126
Autokrik 185
Autolak 193
Automatische deactivering van het hoogspanningssysteem 190
Automatische luchtrecirculatieregeling AUC 127
Automatische snelheidsregeling met stop & go 102
Automatische verlichtingsregeling 85
Bagageruimteafdekking 131
Bagageruimte, opbergvakken 136
Bagageruimte vergroten 132
Bandbeschadiging 167
Bandenafdichtmiddel 169
Banden, alles over wielen en banden 166
Bandenpech verhelpen 169
Bandenpechwaarschuwing RPA 92
Bandenpech, waarschu- wingslampje 91, 92
Bandenprofiel 166
Bandenspanning 166
Bandenspanningbwaking, zie RPA 92
Bandenspanningscontrole RDC 90
Banden voor het gehele jaar, zie Winterbanden 168
Bandenvuldrukcontrole, RDC 90
Bedieningsprincipe iDrive 16
Beeldscherm, zie Control Display 16
Bekerhouder 135
Belangrijke zaken onder de voorkap 173
Benzine 165
Benzinekwaliteit 165
Bergen, auto 195
Bestuurdersassistentie, zie Intelligent Safety 93
Beveiligingsfunctie, glazen dak 47
Beveiligingsfunctie, ruiten 46
Beveiliging tegen bevriezing, sproeiervloeistof 69
Bevestigingsbanden, lading vastzetten 145
Bevestigingsmateriaal, lading vastzetten 145
Bevestigingsogen, lading vastzetten 145
Bevestigingssignalen 43
Bijlage 200
Binnenspiegel 54
Blikjeshouder, zie Bekerhouder 135
BMW diensten, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
BMW eDRIVE 28
BMW homepage 6
BMW internetpagina 6
BMW onderhoudssystem 179
Bochtlijnen, achteruitrijcamera 118
Boordcomputer 80
Boordmonitor, zie Control Display 16
Botsingswaarschuwing met City-remfunctie 94
Brandstof 165
Brandstofkwaliteit 165
Brandstofmeter, range exten- der 74
Brandstofverbruiksmeter 77
Buiten bedrijf stellen, auto 195
Buitenluchtfilter 127
Buitenlucht, zie AUC 127
Buitenspiegel, automatisch dimmend 54
Buitenspiegel passagierskant neerkantelen 53
Buitenspiegels 53
Buitentemperatuurwaarschuwing 75
C
Camera's, onderhoud 195
Camera, achteruitrijcamera 116
Center-Lock, zie toets voor centrale vergrendeling 37
Centraal beeldscherm, zie Control Display 16
Centrale sleutel, zie Afstandsbediening 34
Centrale vergrendeling 37
CHARGE, Energieterugwinning 29
Check-Control 72
Chroomachtige delen, onder- houd 194
Claxon 12
Colonne-assistent, zie File-assistent 108
Combinatieschakelaar, zie Knipperlicht 66
Combinatieschakelaar, zie Ruitenwisserinstallatie 67
Comfort Access, zie Comfort-toegang 42
Comfortopenen 38
COMFORT-programma, rij-dynamiek 100
Comfortsluiten 38
Comforttoegang 42
Compressor 169
Computer, zie boordcomputer 80
Condenswater onder de auto 143
ConnectedDrive, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Contactdoos 130
Contactdoos, On-Board Diagnose OBD 181
Contact met water, hoog-spanningssysteem 190
Contactsleutel, zie Afstandsbediening 34
Control Display 16
Control Display, instellingen 82
Controle- en waarschuwings- lampjes 72
Controller 16
Corrosie van de remschijven 142
Coverbanden 168
Cupholder, bekerhouder 135
D
Dagrijlicht 85
Dagteller 74
Dashboardkastje 134
Defrost, zie Ruiten ont- dooien 124, 127
Diefstalbeveiligingsinstallatie, zie Alarminstallatie 44
Diefstalbeveiligingsinstallatie, zie Centrale vergrende- ling 37
Digitale klok 75
Dimlicht 84
Dimmende binnenspiegel 55
Dimmende buitenspiegel 54
Displays reinigen 195
Displayverlichting, zie Instrumentenverlichting 86
Door water rijden 142
Draai-drukregelaar, zie Controller 16
Druk, banden 166
DSC dynamische stabiliteits-controle 99
DTC dynamische tractiecon- trole 100
Dynamische stabiliteitscontrole DSC 99
Dynamische tractiecontrole DTC 100
E
ECO PRO 147
ECO PRO+ 147
ECO PRO rijstijlanalyse 150
ECO PRO tip 148
ECO PRO, vooruitkijkassis- tent 149
Edel hout, onderhoud 194
eDRIVE aandrijfsysteem, ri- jaanwijzingen 140
eDRIVE, elektrisch rijden 28
eDRIVE-systeem, over- zicht 28
eDRIVE-systeem, weergaven 76
Eenheden, maten 83
Eerste hulpset 188
EfficientDynamics 149
EHBO-tas 188
Eigen veiligheid 7
Elektrische actieradius 75
Elektrische glazen dak 46
Elektrisch rijden 63
Elektrisch rijden, eDRIVE 28
Elektronisch stabiliteitsprogramma ESP, zie DSC 99
Energieterugwinning, CHARGE 29
Energieterugwinning, stabiliteitsregelingssystemen 99
Energieterugwinning, weer-gave 76
ESP elektronisch stabiliteits-programma, zie DSC 99
Externe start 188
F
File-assistent 108
Flessenhouder, zie Bekerhouder 135
Foutindicaties, zie Check-Control 72
Frontlampen 183
Functions, eDRIVE 28
G
Gebruikte symbolen 6
Gedeeld scherm, split-screen 21
Gedrag na een ongeval 190
Geïntegreerde sleutel 34
Gemiddelde snelheid 81
Gemiddeld verbruik 81
Gesleept worden, zie Wegslepen 188
Gevarendriehoek 188
Glazen dak, elektrisch 46
Gloeilampen vervangen, zie Vervangen van lampen 182
Gordelherinnering voor be- stuurders- en passagiers- stoel 51
Gordels, veiligheidsgordels 51
GPS-plaatsbepaling, voer-tuigpositie 83
Grootlicht 67
H
Handmatige bediening, achteruitrijcamera 117
Handmatige bediening, buitenspiegel 53
Handmatige bediening, Park Distance Control PDC 115
Handmatige bediening, portierslot 40
Handmatige bediening, tank-klep 163
Handmatige luchthoeveel- heid 124, 127
Handmatige luchtverde- ling 124, 126
Handrem zie parkeerrem 65
Heet uitlaatsysteem 141
Helderheid, van het Control Display 83
Hellingshoeksensor 45
Hemelbekleding 15
Homepage 6
Hoofdairbags 87
Hoofdsteunen 49
Hoofdsteunen, achterin 52
Hoofdsteunen, voorin 52
Hoogspanningsaccu, laadtoe-standsweergave 76
Hoogspanningsaccu, ontlading 141
Hoogspanningsaccu, ver- hit 65
Hoogspanningssysteem, automatische deactive-ring 190
Hoogspanningssysteem, contact met water 190
Hoogspanningssysteem, veiligheid 190
Hoogspanningssysteem, weergaven 76
Hoogwater 142
Hoorn, claxon 12
Houder voor dranken 135
Hout, onderhoud 194
Hulp bij het wegrijden 101
Hulp bij pechgeval 187
Hulpdienst, Mobile Service 188
|
iDrive 16
IJzel, zie Buitentemperatuur-waarschuwing 75
Individuele instellingen, zie Personal Profile 35
In een wasstraat binnenrijden 192
Info display, zie boordcomputer 80
Initialiseren, bandenpech-waarschuwing RPA 92
Initialiseren, bandenspan- ningscontrole RDC 90
Inrijden, rijaanwijzingen 140
Inschakelen, rijden-stand-by 61
Instapverlichting 84
Instellingen op Control Dis- play 82
Instellingen, spiegels 53
Instellingen, stoelen/hoofd- steunen 49
Instellingen, stuurwiel 55
Instellingen, ver-/ontgrendelen 43
Instrumentenpaneel 71
Instrumentenverlichting 86
Intelligente noodoproep 187
Intelligent Safety 93
Intensiteit, AUTO-programma 126
Interieurbeveiliging 45
Interieurverlichting 86
Interieurverlichting via af- standsbediening 38
Internetpagina 6
Intervalmelding, servicebe- hoefte 77
ISOFIX kinderzitjesbevesti- ging 57
J
Juiste plaats voor kinderen 56
K
Katalysator, zie Heet uitlaatsysteem 141
Kenmerken van vrijgegeven banden 168
Keuzelijst op instrumenten- paneel 80
Keyless-Go, zie Comforttoe-gang 42
Key Memory, zie Personal Profile 35
Kilometerteller 74
Kinderen veilig vervoeren 56
Kinderzitje 56
Kinderzitjes, montage 56
Klank, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Klassen van kinderzitjes, ISO-FIX 57
Kleerhaken 136
Klep van de tankdop 163
Klimaatregeling 123, 125
Klok 75
Koelfunctie 123, 125
Koelmiddel 177
Koelsysteem 177
Koelvloeistof 177
Koersstabiliteitsregelsystemen 99
Kofferdeksel 41
Koplampen 183
Koplampen instellen 85
Koplampen, onderhoud 193
Koplampreinigingsinstallatie 67
Kort knipperen 66
Kriksteunpunten 185
Kunststof, onderhoud 194
L
Laadscherm 72
Laadstatus, zie Weergave van de oplaadstatus 157
Laadtoestandsweergave, hoogspanningsaccu 76
Laden, zie Auto opladen 154
Lading 144
Lak, auto 193
Lampen 182
Lampglazen 183
Lamp, passagiersairbags 89
Lamp vervangen, voor- aan 183
Lampvervanging, achterlichten 185
Lampvervanging, halogeen-koplamp 184
Langere stilstandfases 195
Lange stilstandtijden en buiten bedrijf stellen van de auto 195
Leder, onderhoud 193
LEDs lichtdioden 183
Leeftijd van de banden 167
Lege accu verwerken 186
Letters en cijfers invoeren 22
Licht 84
Lichtdioden LEDs 183
Lichtmetalen velgen, verzorging 194
Lichtschakelaar 84
Lichtsignaal 67
Linksrijdend verkeer, lichtinstelling 85
Loos alarm, zie Ongewild alarm 45
Luchtcirculatie, zie Luchtre-circulatie 124, 127
Lucht drogen, zie Koelfunc- tie 123, 125
Luchtdruk, banden 166
Luchthoeveelheid, aircosys- teem 124
Luchthoeveelheid, automatische airconditioning 127
Luchtrecirculatie 124, 127
Luchtuitstroomopening, zie Ventilatie 128
Luchtverdeling, handma- tig 124, 126
Luchtverdeling, individu-eel 124, 126
M
Maateenheden 83
Manoeuvreerlijnen, achteruit-rijcamera 117
Maximaal koelen 126
Maximumsnelheid, weer-gave 79
Maximumsnelheid, winter- banden 168
Meldingen, zie Check-Control 72
Melding van banden- pech 91, 92
Menu's bedienen, iDrive 16
Menu's, zie iDrive bedie- ningsprincipe 17
Menu EfficientDynamics 149
Menu op instrumentenpaneel 80
Microfilter 125, 127
Middenarmsteun 135
Middenconsole 14
Minimumprofiel, banden 167
Mistachterlicht 85
Mobiele communicatieapparatuur in de auto 141
Mobile Service 188
Mobility System 169
Modus ECO PRO 147
Momenteel verbruik 77
Monitor, zie Control Display 16
Montage van het veiligheids- systeem voor kinderen 56
Motorkoelvloeistof 177
Motorolie 175
Motorolie bijvullen 175
Motorstart, starchulp 188
Multifunctioneel stuurwiel, toetsen 12
Multimedia, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
N
Navigatie, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Na wassen van de auto 193
Neerkantelen, buitenspiegel passagierskant 53
Nekstukken, achterin, zie Hoofdsteunen 52
Nekstukken, voorin, zie Hoofdsteunen 52
Neutraal reinigingsmiddel, zie reinigingsmiddel voor vel-gen 194
Nieuwe wielen en ban- den 167
Noodherkenning, afstandsbediening 35
Noodladen, zie Backup-la- den 161
Noodontgrendeling, portier-slot 40
Noodontgrendeling, tank-klep 163
Noodoproep 187
Noodstartfunctie, starten van de motor 35
Noodzakelijk onderhoud 179
Nylonkabel voor het slepen/wegslepen 189
0
OBD, zie On-Board Diagnose OBD 181
Obstakelmarkering, achteruit-rijcamera 118
Octaangetal, zie Benzinekwaliteit 165
Odometer, zie Kilometertel- ler 74
Office, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Ogen voor het vastzetten van de bagage, lading vastzetten 145
Olie 175
Olie bijvullen 175
Oliepeil controleren 175
Olieverversingsinterval, servicebehoefte 77
Omgespen, zie Veiligheids-gordels 51
On-Board Diagnose OBD 181
Onderdelen en accessoires 7
Onderhoud 179
Onderhoud, auto 193
Onderhoud, servicebe- hoefte 77
Onderhoudsmiddelen 193
Onderhoudssysteem BMW 179
Onderhoud van bekledings- stof 194
Ongewild alarm 45
Ontdooien, zie Ruiten ont- dooien 124, 127
Ontgrendelen/vergrendelen met afstandsbediening 38
Ontgrendelen/vergrendelen van binnenuit 40
Ontgrendelen/vergrendelen via portierslot 39
Ontgrendelen, instellingen 43
Oog voor het slepen, zie Sleepoog 189
Opbergmogelijkheden 134
Opbergvakken 134
Opbergvakken in de portie- ren 134
Openen en sluiten 34
Openen en sluiten, met af- standsbediening 38
Openen en sluiten, van binnenuit 40
Openen en sluiten, via portierslot 39
Oplaadstatus, zie Weergave van de oplaadstatus 157
Opladen, zie Auto opla- den 154
Opmerkingen 6
Opslag, banden 169
Overbruggen, zie start-hulp 188
Overwinteren, verzorging 195
P
Panne, bandenpechwaarschuwing RPA 92
Parkeerwaarschuwing, zie PDC 114
Pech, vervangen van een wiel 185
Personal Profile 35
Personenwaarschuwing met City-remfunctie 96
Plaats voor kinderen 56
Pleister, zie EHBO-tas 188
Portiersleutel, zie Afstandsbediening 34
Portierslot 39
Praktische tips voor het rijden 141
Profiel, banden 166
Profile, zie Personal Profile 35
R
Radiografische sleutel, zie Af- standsbediening 34
Radio, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Range extender, aanwijzing brandstofmeter 74
Range extender, actieradius verhogen 65
Range extender, onderhouds-loop 65
RDC bandenspanningscontrole 90
Rechtsrijdend verkeer, lichtinstelling 85
Recuperatie, energieterug-winning 29
Recycling 181
Regelsystemen, koersstabiliteit 99
Regensensor 68
Reiniging displays 195
Reinigingsmiddel voor vel- gen 194
Reinigingsvloeistof 69
Reis-boardcomputer 82
Remassistent 99
Remmen, aanwijzingen 142
Remschijven inrijden 140
Remvoeringen inrijden 140
Reservewaarschuwing, zie actieradius 75
Reservezekering 186
Reset, bandenspanningscontrole RDC 90
RES-toets 105
Resttraject 75
Richtingaanwijzer, zie Knip- perlicht 66
Rijaanwijzing, ECO PRO 148
Rijaanwijzingen, alge- meen 141
Rijaanwijzingen, eDRIVE-aandrijfsysteem 140
Rijden in detail 63
Rijden-stand-by inschake- len 61
Rijden-stand-by uitschake- len 63
Rijden, start-/stopknop 60
Rijden, zie Rijden-stand-by in detail 61
Rijervaring-schakelaar 100
Rijmodus 100
RON benzinekwaliteit 165
Rondom de hemelbekle- ding 15
Rondom de middenconsole 14
Rondom het stuurwiel 12
RPA bandenpechwaarschuwing 92
Rubber, onderhoud 194
Ruitbediening 45
Ruitensproeiermonden 68
Ruitensproeiers, ruiten 68
Ruitenwisser 67
Ruitenwisserinstallatie 67
Ruitenwisser, uitgeklapte stand 69
Ruitreinigingsinstallatie 67
S
Schade, banden 167
Schakelaars, zie Bedienings- organen 12
Schakelaar voor rijdyna- miek 100
Schroefdraad voor sleep- oog 190
Schuif-/kanteldak 46
Secundaire lichten, achter- aan 185
Sensoren, onderhoud 195
Sigarettenaansteker 130
Signalen bij het ontgrendelen 43
Sleepoog 189
Sleeptouw voor het slepen/wegslepen 189
Slepen, zie Wegslepen 188
Sleutel/afstandsbediening 34
Sleutelschakelaar voor passagiersairbags 89
Slot, portier 39
Sluiten/openen met afstandsbediening 38
Sluiten/openen van binnen- uit 40
Sluiten/openen via portier-slot 39
Sneeuwkettingen 172
Snelheidsbeperking, weer-gave 79
Snelheidslimiet in de boord-computer 81
Snelheidslimietinfo 79
Snelheidslimietinfo, boord-computer 81
Snelheidsregeling 111
Snelheidsregeling, actief met stop & go 102
SOS-toets 187
Spanningscontrole, banden 90
Spanningwaarschuwing RPA, banden 92
Speciale uitrustingen, standaard uitrustingen 6
Spiegels 53
Splitscreen 21
Spraakgestuurd systeem 23
Sproeiervloeistof 69
Stabiliteitsregelsystemen 99
Stadslicht 84
Standen van het rijpedaal 63
Standklimaataanpassing 128
Stang voor het slepen/aanslepen 189
Start-/stopknop 60
Starten van de motor bij sto- ring 35
Startfunctie bij storing 35
Starthulp 188
Starthulp, zie Backup-la- den 161
Starthulp, zie DSC 99
Starttijden, standklimaataan- passing 128
Statusinformatie, iDrive 20
Stoelen 49
Stoelverwarming, voorin 50
Stoeprandautomatiek 53
Storingsindicaties, zie Check-Control 72
Stroomonderbreking 186
Stuurwiel, instellen 55
Symbolen 6
T
Taal, op het Control Dis- play 83
Tankdop 163
Tanken 162
Tankontgrendeling, zie Tankontluchting 162
Tankontluchting 162
Tapijt, onderhoud 195
Technische wijzigingen, zie Eigen veiligheid 7
Tekstmelding, aanvullend 73
Telefoon, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Temperatuuraanduiding, buitentemperatuur 75
Temperatuur, aircosysteem 124
Temperatuur, automatische airconditioning 126
Tempomaat, zie Actieve snel-heidsregeling 102
Tempomaat, zie Snelheidsregeling 111
Terugzetten, bandenspan- ningscontrole RDC 90
Toeristenfunctie, zie Rechts-/linksrijdend verkeer 85
Toestandsweergave, banden 90
Toetsen met voorkeurzenders, iDrive 21
Toetsen op het stuurwiel 12
Toets RES 105
Touchpad 19
Tractiecontrole 100
TRACTION-programma, rij-dynamiek 100
U
Uitgebreide BMW online diensten, zie handleiding over navigatie, entertainment, communicatie
Uitgeklapte stand, ruitenwisser 69
Uitlaatsysteem 141
Uitrusting van de auto 6
Uitschakelen, rijden-stand-by 63
Uitstapverlichting 84
Uitvalmelding, zie Check-Control 72
USB-interface 131
V
Veiligheidsgordels 51
Veiligheidsgordels, onder- houd 194
Veiligheidssystemen, airbags 87
Veiligheidssystemen voor kinderen 56
Veiligheid van het hoogspanningssysteem 190
Veilig remmen 142
Veilig zitten 49
Ventilatie 128
Ventilator, zie Luchthoeveel- heid 124, 127
Ventileren, zie Standklimaat- aanpassing 128
Ventileren, zie Ventilatie 128
Veranderingen, technische, zie Eigen veiligheid 7
Verbruik, zie Gemiddeld verbruik 81
Verchroomde delen, onderhoud 194
Vergrendelen/ontgrendelen met afstandsbediening 38
Vergrendelen/ontgrendelen van binnenuit 40
Vergrendelen/ontgrendelen via portierslot 39
Vergrendelen, automa- tisch 44
Vergrendelen, instellingen 43
Vergrendeling, centraal 37
Verlichting 84
Verlichtingsregeling, automatisch 85
Verlichting via afstandsbedie- ning 38
Vermogensweergave 76
Vervangen van banden 167
Vervangen van de accu, accu 186
Vervangen van lampen 182
Vervangen van wielen 167
Vervangen van wielen/ banden 167
Vervanging van de batterij, af- standsbediening auto 34
Vervoeren van kinderen 56
Verwerking, accu auto 186
Verwisselen van een wiel 185
Verzorging displays 195
Vloerbedekking, onder- houd 195
Vloermatten, onderhoud 195
Vocht in koplampen 183
Vochtwater 69
Voertuigaccu 185
Voertuigpositie, GPS-plaats-bepaling 83
Voetgangersbescherming, motorgeluid 64
Voetrem 142
Voor-airbags 87
Voorkap 41
Voorkap via afstandsbedie- ning 38
Vooruitkijkassistent 149
Vuldruk, banden 166
Vuldrukwaarschuwing RPA, banden 92
Vulspanningscontrole, banden 90
W
Waarschuwingsindicaties 72
Waarschuwingsknipper- licht 187
Waarschuwingslampjes 72
Waarschuwingsmeldingen, zie Check-Control 72
Waarschuwing voor gladheid, zie Buitentemperatuurwaarschuwing 75
Wagensleutel, zie Afstandsbediening 34
Wasbeurt, auto 192
Wasem op ruiten 124, 127
Wasinstallatie 192
Wassen van de auto 192
Wasstraat 192
Water, hoogspanningssystem 190
Water op wegen 142
Weergave ECO PRO 147
Weergaven 71
Weergaven, eDRIVE-systeem 76
Weergaven, hoogspannings- systeem 76
Weergave voor vermogen en energieterugwinning 76
Wegrijassistent 101
Wegrijhulp in de bergen, zie Wegrijassistent 101
Wegslepen 188
Werken onder de voor- kap 173
Werkzaamheden aan het hoogspanningssysteem 190
Wielen, alles over wielen en banden 166
Wielen, bandenpechwaarschuwing RPA 92
Wijzigingen, technische, zie Eigen veiligheid 7
Winterbanden, juiste banden 168
Winterbanden, profiel 167
Wisserbladen vervangen 182
Wordmatch-principe, navigatie 22
Z
Zekering 186
Zij-airbags 87
Zomerbanden, profiel 166
Zware bagagestukken, lading opbergen 144