C 400 X (2025) - Motorfiets BMW - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis C 400 X (2025) BMW in PDF-formaat.
| Producttype | Motorfiets (Scooter) |
| Merk | BMW |
| Model | C 400 X (2025) |
| Categorie | Scooter |
| Lengte (over kentekenplaathouder) | 2200 mm |
| Hoogte (boven kuipruit, zonder spiegel) | 1327 mm |
| Breedte (zonder aanbouwdelen) | 811 mm |
| Zithoogte (berijdersbuddyseat, onbeladen) | 775 mm |
| Leeggewicht (DIN, rijklaar) | 206 kg |
| Maximaal toelaatbaar totaalgewicht | 412 kg |
| Maximale belading | 206 kg |
| Brandstoftankinhoud | Ca. 12,8 liter (reserve ca. 3 liter) |
| Aanbevolen brandstof | Super loodvrij 95 ROZ/RON (E10/E15) |
| Maximumsnelheid | 129 km/h (zonder topcase), 130 km/h (met topcase) |
| Bandenspanning voor (solo) | 2,2 bar (koude banden) |
| Bandenspanning achter (solo) | 2,4 bar (koude banden) |
| Bandenspanning voor (met duo/belading) | 2,4 bar (koude banden) |
| Bandenspanning achter (met duo/belading) | 2,6 bar (koude banden) |
| Accu (spanning/capaciteit) | 12 V / 9 Ah (AGM, onderhoudsvrij) |
| Veiligheidssystemen | ABS, DTC, MSR, Dynamic Brake Control, RDC (optioneel) |
| Optionele accessoires | Keyless Ride, handvat- en stoelverwarming, topcase, navigatievoorbereiding, diefstalbeveiliging (DWA) |
| Onderhoudsinterval | Jaarlijks of elke 10.000 km (wat zich eerst voordoet) |
| Verlichting | Alle lichtbronnen LED |
| Kleur opties | Informatie niet gespecificeerd in deze handleiding |
Veelgestelde vragen - C 400 X (2025) BMW
Gebruikersvragen over C 400 X (2025) BMW
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding C 400 X (2025) - BMW en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. C 400 X (2025) van het merk BMW.
GEBRUIKSAANWIJZING C 400 X (2025) BMW
Afgiftedatum kentekenbewijs deel 1
Kenteken
Dealergegevens
Contactpersoon in de werkplaats
Mevrouw/de heer
Telefoonnummer
Dealeradres/telefoon (firmastempel)
UW BMW.
Wij zijn blij dat u voor een voertuig van BMW Motorrad hebt gekozen en begroeten u in de kring van BMW berijders. Maakt u zich vertrouwd met uw nieuwe voertuig, zodat u zich zeker en veilig in het verkeer kunt bewegen.
Over deze handleiding
Lees deze handleiding door voordat u uw nieuwe BMW start. Hierin vindt u belangrijke opmerkingen over de bediening van het voertuig, die het u mogelijk maken van alle technische voordelen van uw BMW te profiteren.
Daarnaast ontvangt u informatie over het onderhoud en de verzorging die de gebruiks- en verkeersveiligheid en een zo goed mogelijk waardebehoud van uw voertuig bevordert.
Als u uw BMW ooit wilt verkopen, vergeet dan niet ook de handleiding te overhandigen. Deze vormt een belangrijk onderdeel van uw voertuig.
Veel plezier met uw BMW en fijne en vooral veilige ritten worden u toegewenst door
BMW Motorrad.
01 ALGEMENE AANWIJZINGEN 2
Overzicht 4
Afkortingen en symbolen 4
Uitvoering 5
Meer informatiebronnen 6
Certificaten en type- goedkeuringen 6
Gegevensgeheugen 6
02 OVERZICHTEN 14
Overzicht links 16
Overzicht rechts 17
Onder de buddyseat 18
Combischakelaar links 19
Controle- en waarschu- wingslampjes
Menuscherm 27
Aanzicht Pure Ride 28
Aanzicht Mijn voertuig 30
Controlelampjes 33
04 INSTRUMENTENPA- NEEL 58
Waarschuwing 60
Bedieningselementen 60
Mijn voertuig 62
Instellingen 63
Softwareversie weer- geven 72
Licentie-informatie weergeven 72
05 GEBRUIK 74
Contact-stuurslot 76
Contact met Key- less Ride 77
Nooduitschakelings- schakelaar 82
Verlichting 82
Dynamische tractie-controle (DTC) 86
Diefstalbeveiligingsin- stallatie (DWA) 86
Verwarming 90
Buddyseat 91
Opbergvakken 92
06 INSTELLING 96
Spiegels 98
Koplamp 98
Veervoorspanning 99
07 RIJDEN 100
Veiligheidsaanwijzingen 102
Controlelijst in acht
nemen 105
Starten 105
Rijden 106
Inrijden 106
Remmen 107
Scooter neerzetten 110
Tanken 110
Voertuig voor trans- port bevestigen 116
08 TECHNIEK IN DETAIL 118
Algemene
aanwijzingen 120
Anti-blokkeersysteem
(ABS) 120
Dynamische tractie-controle (DTC) 123
Motorsleepmoment- regeling (MSR) 124
Dynamic Brake Control 125
Bandenspanningscon- trole RDC 126
09 ONDERHOUD 128
Algemene
aanwijzingen 130
Standaard gereed-
schapset 131
Voorwielstandaard 131
Motorolie 132
Remsysteem 134
Koelvloeistof 138
Banden 139
Velgen en banden 139
Wielen 140
Zekeringen 152
Lampen 156
Accu 156
Kuipdelen 162
Diagnosecontactdoos 164
10 ACCESSOIRES 166
Algemene
aanwijzingen 168
Contactdoos 168
USB-laadaansluiting 169
Topcase 170
Navigatiesysteem 175
11 VERZORGING 180
Onderhoudsmiddelen 182
Wassen 182
Reiniging van kwetsbare voertuigonder-
delen 184
Lakonderhoud 185
Conservering 185
Scooter buiten gebruik stellen 186 Scooter in gebruik nemen 186
Recycling 204 BMW Motorrad Service 204 BMW Motorrad onderhoudshistorie 205 BMW Motorrad mobiliteitsdiensten 205
Onderhoudswerk- zaamheden 206 Onderhoudsschema 207 BMW Motorrad inrij- controle 208 Onderhoudsbevesti- gingen 209 Servicebevestigingen 221
BIJLAGE 224
ALGEMENE AANWIJZINGEN
01
OVERZICHT 4
AFKORTINGEN EN SYMBOLEN 4
UITVOERING 5
4 ALGEMENE AANWIJZINGEN
OVERZICHT
In hoofdstuk 2 van deze handleiding vindt u een eerste overzicht van uw Scooter. In hoofdstuk 14 worden alle uitgevoerde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden gedocumenteerd. Voor coulanceregelingen is het absoluut noodzakelijk dat kan worden aangetoond dat de vereiste onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Als u uw Scooter op een dag wilt verkopen, denk er dan aan om ook de handleiding mee te geven aan de nieuwe eigenaar; deze vormt namelijk een belangrijk onderdeel van uw voertuig.
AFKORTINGEN EN SYMBOLEN

VOORZICHTIG
Gevaar
met laag risico. Niet vermijden kan leiden tot gering of matig letsel.

WAARSCHUWING
Ge-
vaar met gemiddeld risico. Niet vermijden kan leiden tot de dood of ernstig letsel.

GEVAAR Gevaar met
hoog risico. Niet vermijden leidt tot de dood of ernstig letsel.

LET OP Bijzondere
aanwijzingen en veiligheidsmaatregelen. Niet opvolgen kan de motorfiets of accessoires beschadigen en daarmee tot uitsluiting van de garantie leiden.

Speciale aanwijzingen
voor een betere hantering bij bedienings-, controle- en afstelprocedures alsmede verzorgingswerkzaamheden.
• Werkinstructie.
» Resultaat van een re-paratieactiviteit.
Verwijst naar een pagina met extra informatie.
Geeft het einde van accessoire- of uitrustingsafhankelijke informatie aan.

Aanhaalmoment.

SU Speciale uitrusting. BMW Motorrad speci- ale uitrustingen wor- den al bij de productie van de voertuigen in- gebouwd.
OA Optionele accessoires. BMW Motorrad optionele accessoires kunnen bij uw BMW Motorrad Partner worden verkregen en achteraf worden gemonteerd.
EWS Elektronische wegrij-beveiliging.
DWA Diefstalbeveiligingsinstallatie.
ABS Antiblokkeersysteem.
DTC Dynamische tractie-controle.
Bij de aanschaf van uw Scooter hebt u gekozen voor een model met een individuele uitrusting. Deze handleiding beschrijft alle door BMW aangeboden speciale uitrustingen (SU) en optionele accessoires (OA). Wij
vragen uw begrip voor het feit dat er ook uitrustingsvarianten worden beschreven die u mo- gelijk niet hebt geselecteerd. Tevens zijn landspecifieke af- wijkingen van de afgebeelde Scooter mogelijk. Mocht uw Scooter uitrustin- gen bevatten die niet in deze handleiding zijn beschreven, dan worden deze in een afzon- derlijke handleiding beschreven.
TECHNISCHE GEGEVENS
Alle gegevens t.a.v. maten, gewichten en prestaties in de handleiding hebben betrekking op het Deutsches Institut für Normung e. V. (DIN) en zijn inclusief de hierdoor gehanteerde toleranties.
Technische gegevens en specificatie in deze handleiding dienen ter indicatie. De voertuigspecifieke gegevens kunnen daarvan afwijken, bijv. op grond van geselecteerde speciale opties, de landuitvoeringen of landspecifieke meetprocedures. Gedetailleerde waarden kunnen worden ontleend aan de kentekenbewijsdocumenten of bij uw BMW Motorrad Partner of een andere gekwalificeerde servicepartner of vakwerkplaats worden op-
6 ALGEMENE AANWIJZINGEN
gevraagd. De specificaties in de voertuigpapieren hebben steeds prioriteit boven de specificaties in deze handleiding.
ACTUALITEIT
Het hoge veiligheids- en kwaliteitsniveau van BMW Scootern wordt door een continue doorontwikkeling van de constructie, uitvoering en accessoires gegarandeerd. Hierdoor kunnen eventuele afwijkingen tussen deze handleiding en de Scooter ontstaan. Ook vergissingen kan BMW Motorrad niet helemaal uitsluiten. Daarom verzoeken wij u er begrip voor te hebben dat eventuele aanspraken op grond van de in deze handleiding voorkomende gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen niet kunnen worden aanvaard.
MEER
INFORMATIEBRONNEN
BMW Motorrad Partner
Bij eventuele vragen is uw BMW Motorrad Partner u graag van dienst.
Internet
U vindt de handleiding voor uw voertuig, bedienings- en inbouwhandleidingen voor mogelijke accessoires en algemene informatie over BMW Motorrad bijv. over de techniek, op
bmw-motorrad.com/manuals.
CERTIFICATEN EN TYPE-GOEDKEURINGEN
De certificaten voor het voertuig en de officiële typegoedkeuring voor mogelijke accessoires zijn te vinden op bmw-motorrad.com/certification.
GEGEVENSGEHEUGEN
Algemeen
In het voertuig zijn regeleenheden gemonteerd. Regeleenheden verwerken gegevens die ze bijv. ontvangen van voertuigsensoren, zelf genereren of onderling uitwisselen. Sommige regeleenheden zijn nodig voor het veilig functioneren van het voertuig of ondersteunen bij het rijden, bijv. hulpsystemen. Daarenboven maken regeleenheden comfort- of Info-tainmentfuncties mogelijk.
Informatie over opgeslagen of uitgewisselde gegevens is ver-
krijgbaar bij de fabrikant van het voertuig, bijv. via een afzonderlijke brochure.
Persoonsgebondenheid
Elk voertuig is voorzien van een eenduidig voertuigidentificatienummer. Landspecifiek kan met behulp van het voertuigidentificatienummer, het kenteken en de verantwoordelijke autoriteiten de houder van het voertuig worden bepaald. Bovendien zijn er andere mogelijkheden om uit de in het voertuig vergaarde gegevens de berijder of voertuigbezitter af te leiden, bijv. via de ConnectedDrive account die wordt gebruikt.
Rechten m.b.t. gegevensbeveiliging
Voertuiggebruikers hebben conform het geldende recht inzake gegevensbeveiliging be-paalde rechten ten aanzien van de fabrikant van het voertuig of ten aanzien van onderne- mingen die persoonsgebonden gegevens vergaren of verwer- ken.
Voertuiggebruikers hebben een kosteloos en omvattend recht op informatie ten aanzien van instanties die persoonsgebonden gegevens over de voertuig- gebruiker opslaan.
Deze instanties kunnen zijn:
-Fabrikant van het voertuig
-Gekwalificeerde
BMW Motorrad Partners
-Vakwerkplaatsen
-Serviceproviders
Voertuiggebruikers mogen vra- gen om informatie welke per- soonsgebonden gegevens zijn opgeslagen, voor welk doel de gegevens worden gebruikt en waarvandaan de gegevens af- komstig zijn. Voor het verkrij- gen van deze informatie moet een bewijs van houderschap of gebruik worden overlegd.
Het recht op informatie om- vat tevens informatie met be- trekking tot gegevens die aan andere ondernemingen of in- stanties zijn doorgegeven.
Op de webpagina van de fabrikant van het voertuig vindt u de telkens toepasselijke privacyverklaringen. Deze privacyverklaringen bevatten informatie over het recht op wissen of corrigeren van gegevens.
De fabrikant van het voertuig vermeldt op internet ook zijn contactgegevens en die van de toezichthouder voor gegevensbescherming.
8 ALGEMENE AANWIJZINGEN
De voertuigbezitter kan bij een BMW Motorrad Partner, een andere gekwalificeerde serv-icepartner of een vakwerkplaats eventueel tegen betaling de in het voertuig opgeslagen gegevens laten uitlezen.
Voor het uitlezen wordt de wettelijk voorgeschreven 12V-stekker voor diagnosecontact-doos (OBD) in het voertuig ge-bruikt.
Wettelijke vereisten inzake de openbaarmaking van gegevens
De fabrikant van het voertuig is in het kader van het geldende recht verplicht om bij hem opgeslagen gegevens aan de autoriteiten beschikbaar te stellen. Dit beschikbaar stellen van gegevens in de vereiste mate gebeurt in specifieke gevallen, bijv. voor het ophelderen van een misdrijf.
Overheidsinstanties zijn in het kader van het geldende recht bevoegd om in specifieke gevallen zelf gegevens uit het voertuig uit te lezen.
Bedrijfsgegevens in het voertuig
Voor het bedrijf van het voer- tuig verwerken regeleenheden gegevens.
Hiertoe behoren bijv.:
-Statusmeldingen van het voertuig en de afzonderlijke componenten ervan, bijv. wieltoerental, wielomtreksnelheid, bewegingsvertraging
- Omgevingsomstandigheden, bijv. temperatuur
De verwerkte gegevens worden alleen in het voertuig zelf verwerkt en zijn doorgaans vluchtig. De gegevens worden niet langer dan de bedrijfstijd opgeslagen.
Elektronische componenten, bijv. regeleenheden, bevatten componenten voor het opslaan van technische informatie. Deze kunnen informatie over voertuigtoestand, componentbelasting, voorvallen of storingen tijdelijk of permanent opslaan.
Deze informatie documenteert in het algemeen de toestand van een component, een module, een systeem of de omgeving, bijv.:
bedrijfstoestanden van systeemcomponenten, bijv. vulpeilen, bandenspanningswaarden
- storingen en functiestoringen in belangrijke systeemcomponenten, bijv. licht en remmen
- reacties van het voertuig in speciale rijsituatie, bijv. active-ren van de rijdynamieksystemen
-informatie over voorvallen met schade aan het voertuig
De gegevens zijn noodzakelijk voor het uitvoeren van de re-geleenheidfuncties. Bovendien dienen deze voor het herkennen en het verhelpen van storingen en het optimaliseren van voertuigfuncties door de fabrikant van het voertuig.
Deze gegevens zijn grotendeels vluchtig en worden in het voertuig zelf verwerkt. Slechts een klein deel van de gegevens wordt afhankelijk van de aanleiding opgeslagen in voorval- of storingsgeheugens.
Bij een beroep op onderhouds- activiteiten, bijv. reparaties, on- derhoudsprocessen, garantie- claims en kwaliteitsborgings- maatregelen, kan deze techni- sche informatie samen met het voertuigidentificatienummer uit het voertuig worden uitgelezen. Het uitlezen van de informatie kan door een BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats gebeuren. Voor het uitlezen wordt de wettelijk voorge-schreven 12V-stekker voor On-Board-Diagnose (OBD) in het voertuig gebruikt.
De gegevens worden door de betreffende functionarissen van het dealernetwerk ver-gaard, verwerkt en gebruikt. De gegevens documenteren technische toestanden van het voertuig, helpen bij het storing-zoeken, het nakomen van ga-rantieverplichtingen en bij de kwaliteitsverbetering.
Daarenboven heeft de fabrikant productobservatieplichten krachtens het productaansprakelijkheidsrecht. Voor het na-komen van deze plichten heeft de fabrikant van het voertuig technische gegevens uit het voertuig nodig. De gegevens uit het voertuig kunnen ook worden gebruikt om garantieclaims van de klant te controle-ren.
Storings- en eventdatarecorders in het voertuig kunnen in het kader van reparatie- of servicewerkzaamheden bij een BMW Motorrad Partner of een
10 ALGEMENE AANWIJZINGEN
vakwerkplaats worden teruggezet.
Gegevensinvoer en gegevensoverdracht in het voertuig
Algemeen
Afhankelijk van de uitvoering kunnen comfortinstellingen en persoonlijke instellingen in het voertuig worden opgeslagen en te allen tijde worden gewijzigd of gereset.
Gegevens kunnen evt. in het entertainment- en communica- tiesysteem van het voertuig worden ingevoerd, bijv. via een smartphone.
Daartoe behoren afhankelijk van de betreffende uitvoering:
-Multimediagegevens, zoals muziek voor afspelen
-Adresboekgegevens voor gebruik in combinatie met een communicatiesysteem of een geïntegreerd navigatiesysteem
-Ingevoerde navigatiebestemmingen
-Gegevens m.b.t. het gebruik van internetservices. Deze gegevens kunnen lokaal in het voertuig worden opgeslagen, of ze staan op een apparaat dat met het voertuig is verbonden, bijv. smartphone, USB-stick, MP3-speler. Als
deze gegevens in het voertuig worden opgeslagen, kunnen deze te allen tijde worden gewist.
Deze gegevens worden uitsluitend op persoonlijke wens in het kader van het gebruik van onlinediensten doorgegeven aan derden. Dit is afhankelijk van de geselecteerde instellingen bij het gebruik van de diensten.
Integratie van mobiele eindapparaten
Afhankelijk van de uitvoering kunnen met het voertuig verbonden mobiele eindapparaten, bijv. smartphones, via de bedieningselementen van het voertuig worden aangestuurd. Daarbij kunnen beeld en geluid van het mobiele eindapparaat via het multimediasysteem worden uitgevoerd. Tegelijkertijd wordt er bepaalde informatie aan het mobiele eindapparaat overgedragen. Afhankelijk van het soort integratie behoren daartoe bijv. positie-gegevens en andere algemene voertuiginformatie. Dit maakt het optimaal gebruiken van ge-selecteerde apps mogelijk, bijv. voor navigatie of het afspelen van muziek.
Het soort verdere gegevensverwerking wordt bepaald door de provider van de desbetreffende gebruikte app. De omvang van de mogelijke instellingen hangt af van de betreffende app en het besturingssysteem van het mobiele eindapparaat.
Diensten
Algemeen
Als het voertuig een draadloze verbinding heeft, maakt deze het uitwisselen van gegevens tussen het voertuig en andere systemen mogelijk. De draadloze verbinding wordt mogelijk gemaakt door een zend- en ontvangstmodule in het voertuig zelf of via persoonlijk ingebrachte mobiele eindapparaten, bijv. smartphones. Via deze draadloze verbinding kunnen zogenaamde onlinefuncties worden gebruikt. Dit zijn onder meer onlinediensten en apps van de fabrikant van het voertuig of van andere providers.
Diensten van de voertuigfabrikant
Bij online-diensten van de fabrikant van het voertuig worden de betreffende functies beschreven in de betreffende bron, bijv. handleiding, webpagina van de fabrikant. Deze bevat ook de relevante informatie over rechten m.b.t. gegevensbeveiliging. Voor het verlenen van onlinediensten kunne persoonsgebonden gegevens worden gebruikt. Gegevens worden uitgewisseld via een veilige verbinding, bijv. met de daarvoor bedoelde IT-systemen van de fabrikant van het voertuig. Het vergaren, verwerken en gebruiken van persoonsgebonden gegevens tot verder dan het verlenen van diensten gebeurt uitsluitend op basis van een wettelijk toestemming, een contractuele afspraak of op grond van een inwilliging. Het is ook mogelijk om de gehele gegevensverbinding te laten activeren of deactiveren. De wettelijk voorgeschreven functies zijn hiervan uitgesloten.
Diensten van andere providers
Bij het gebruik van onlinediensten van andere providers vallen deze diensten onder de verantwoordelijkheid en de gegevensbeveiligings- en gebruiks- voorwaarden van de betreffende provider. De fabrikant van het voertuig heeft geen invloed op de daarbij uitgewisselde content. Informatie over het soort, de omvang en
12 ALGEMENE AANWIJZINGEN
het doel van het vergaren en gebruiken van persoonsgebonden gegevens in het kader van diensten van derden kan worden opgevraagd bij de betreffende provider.
OVERZICHTEN
02
OVERZICHT LINKS 16
OVERZICHT RECHTS 17
ONDER DE BUDDYSEAT 18
COMBISCHAKELAAR LINKS 19
COMBISCHAKELAAR RECHTS 20
COCKPIT 21
COCKPIT 22
INSTRUMENTENPANEEL 23
16 OVERZICHTEN
OVERZICHT LINKS

1 Remvloeistofreservoir voor de achterwielrem (137)
2 Onder het accudeksel:
Accu (156)
Zekeringen (152)
Diagnosecontactdoos
(164)
3 Handgreep duopassagier
4 Instelling van de veervoor-
spanning (99)
5 Chassisnummer (frame links op coulisselager)
6 voetsteun passagier
7 Treeplanken voor berijder
8 Brandstofvulopening (111) (113)
9 Koelvloeistofexpansiere-
servoir (onder kuipzijdeel
links) (138)
OVERZICHT RECHTS

1 Remvloeistofreservoir voor de voorwielrem (137)
2 Koelvloeistofniveauanduiding (138)
3 Typeplaatje (op de framebuis rechts)
Voertuigidentificatienummer (op de framebuis rechts)
4 Treeplanken voor berijder
5 voetsteun passagier
6 Olievulopening en oliepeil-
staaf (132)
7 Noodontgrendeling voor buddyseat Buddyseat bedienen. (91)
8 Handgreep duopassagier
18 OVERZICHTEN
ONDER DE BUDDYSEAT

1 Handleiding
2 Boordgereedschap (131)
3 Tabel met laadvermogens
Bandenspanningstabel
Aanwijzing voor het ge-
bruik van accessoires
4 Ontgrendeling van het achterste opbergvak (BMW flexcase) (93)
COMBISCHAKELAAR LINKS

1 Grootlicht en lichtsignaal (82)
2 Alarmlichtinstallatie (84)
3 Verstraler
-met LED-verstraler ^OA Verstraler. (85)
4 Richtingaanwijzers (85)
5 Claxon
6 Tuimeltoets MENU (61)
7 Multi-Controller (60)
8 Dagrijverlichting ( 83)
20 OVERZICHTEN
COMBISCHAKELAAR RECHTS

1 Handvatverwarming (90)
2 Stoelverwarming (90)
3 Nooduitschakelingsschakelaar (82)
4 Startknop (105)
COCKPIT
-zonder Keyless Ride ^SU

1 Contact-stuurslot (76)
2 Ontgrendeling opbergvak rechts (92)
3 Opbergvak rechts (92)
Contactdoos (in het op-
bergvak) (168)
USB-oplaadbus (in het
opbergvak) (169)
4 Ontgrendeling van buddy-seat (91)
5 Opbergvak links (92)
6 Ontgrendeling opbergvak links (92)
22 OVERZICHTEN
COCKPIT
-met Keyless Ride SU

1 Besturingseenheid voor Keyless Ride (77)
2 Ontgrendeling opbergvak rechts (92)
3 Opbergvak rechts (92)
Contactdoos (in het op-
bergvak) (168)
USB-oplaadbus (in het
opbergvak) (169)
4 Ontgrendeling van buddy-seat (91)
5 Opbergvak links (92)
6 Ontgrendeling opbergvak links (92)
INSTRUMENTENPANEEL

1 Controle- en waarschu-
wingslampjes (26)
2 Instrumentenpaneel (28)
3 Controlelampje
-met alarmsysteem (DWA) ^SU Alarmsignaal (87)
Keyless Ride
-met Keyless Ride ^SU Het contact inschakelen. (78)
4 Fotodiode (voor de automatische meting van de omgevingslichtsterkte)
AANDUIDINGEN
03
CONTROLE- EN WAARSCHUWINGSLAMPJES 26
MENUSCHERM 27
AANZICHT PURE RIDE 28
AANZICHT MIJN VOERTUIG 30
CONTROLELAMPJES 33
26 AANDUIDINGEN
1 Richtingaanwijzers links (85)
2 Grootlicht (82)
3 Algemeen waarschu-
wingslampje (38)
4 Richtingaanwijzer rechts (85)
5 Waarschuwingslampje storing aandrijflijn Storing aandrijfsysteem (46)
6 DTC (53)
7 ABS (52)
8 Dagrijverlichting (83)
9 met LED-verstraler OA
Verstraler. (85)
1 Menugedeelte
2 Snelheidsmeter
3 Speed Limit Info (70)
4 Statusregel bestuurdersin-
formatie (63)
5 Klok (64)
6 Verbindingsstatus Bluetooth-koppeling uitvoeren. ( 66)
7 Stomschakeling (64)
8 Bedieningshulp
9 Buddyseatverwarming be-rijder (90)
10 Handvatverwarming (90)
11 Automatisch dagrijlicht (84)
12 Waarschuwing buitentemperatuur (40)
13 Buitentemperatuur
28 AANDUIDINGEN
1 Snelheidsmeter
2 Statusregel bestuurdersin-
formatie (63)
3 Speed Limit Info (70)
4 Klok (64)
5 Verbindingsstatus (66)
6 Stomschakeling (64)
7 Bedieningshulp
8 Buddyseatverwarming be-rijder (90)
9 Handvatverwarming (90)
10 Automatisch dagrijlicht (84)
11 Waarschuwing buitentemperatuur (40)
12 Buitentemperatuur
Actieradius

De actieradius 1 geeft aan welke afstand nog met de resterende brandstof kan worden afgelegd. De berekening geschiedt aan de hand van het gemiddeld verbruik en de brandstofhoeveelheid.
-Als het voertuig op de zijstandaard staat, kan de brandstofhoeveelheid in verband met de schuine stand niet correct worden bepaald. Daarom wordt de actieradius alleen opnieuw berekend als de zijstandaard is ingeklapt.
-De actieradius wordt samen met een waarschuwing weergegeven zodra de brandstof-reserve wordt aangesproken.
-Na het tanken wordt de actieradius opnieuw berekend als de brandstofhoeveelheid groter is dan de brandstofreserve.
-De berekende actieradius betreft slechts een globale waarde.
30 AANDUIDINGEN
1 Check-Control-display Weergave (33)
2 Koelvloeistoftemperatuur (45)
3 Actieradius (29)
4 Kilometerteller
5 Onderhoudsmelding (55)
6 Bandenspanning achter (31)
7 Boordnetspanning (158)
8 Motoroliepeil (45)
9 Bandenspanning voor (31)
Boordcomputer en tripboordcomputer

De schermmenu's BOORDCOM- PUTER en REISBOORDCOMP. geven voertuig- en ritgegevens zoals bijv. gemiddelde waarden weer.
Bandenspanning
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA
Voor de weergave van de bandenspanningen is er naast het menuvenster MIJN VOERTUIG en de Check-Control-meldingen ook het beeldvenster BAN-DENSPANNING:

De waarden links hebben be- trekking op het voorwiel, de waarden rechts op het achter- wiel.
Boven de werkelijke en voorgeschreven bandenspanningen wordt het drukverschil weergegeven.
Meteen na het inschakelen van het contact worden er alleen streepjes weergegeven. De overdracht van de bandenspanningswaarden begint pas nadat de volgende minimumsnelheid voor het eerst is overschreden:

RDC-sensor is niet actief
min. 30 km/h (Pas na over- schrijding van de minimum- snelheid verzendt de RDC- sensor zijn signaal aan de motorfiets.)
32 AANDUIDINGEN
De bandenspanningen worden op het instrumentenpaneel met temperatuurcompensatie weergegeven en hebben altijd betrekking op de volgende luchttemperatuur in de band:
20 °C
Als bovendien het band-symbool geel of rood wordt weergegeven, betreft het een waarschuwing. Het druk-verschil wordt gemarkeerd met een uitroepteken in dezelfde kleur.
Als de betreffende waarde binnen het grensgebied van de toelaatbare tolerantie ligt, brandt bovendien het algemene waarschuwingslampje geel.
Als de gemeten banden-spanning buiten de toe-gestane tolerantie ligt, knippert het algemene waarschuwings-lampje rood.
Uitgebreide informatie over de BMW Motorrad RDC vindt u in het hoofdstuk "Techniek in detail" vanaf pagina (126).
Onderhoudsbehoefte

Als de resterende tijd tot aan het volgende onderhoud minder dan een maand is of als het volgende onderhoud binnen 1000 km noodzakelijk is, dan verschijnt er een witte Check-Control-melding.
CONTROLELAMPJES
Weergave
Waarschuwingen worden door het betreffende waarschu-wingslampje weergegeven.
Waarschuwingen worden door middel van het algemene waarschuwingslampje in combinatie met een dialoogveld in het instrumentenpaneel weergegeven. Afhankelijk van de ernst van de waarschuwing gaat het algemene waarschuwingslampje rood of geel branden.

Het algemene waarschu- wingslampje wordt samen met de waarschuwing met de hoogste prioriteit weergegeven. Een overzicht van de mogelijke waarschuwingen vindt u op de volgende pagina's.

Check-Control-display
De meldingen op het display zien er verschillend uit. Afhankelijk van de prioriteit worden er verschillende kleuren en tekens gebruikt:
-Groene CHECK OK 1: Geen melding, waarde optimaal.
-Witte cirkel met kleine letter "i" 2: Informatie.
-Gele gevarendriehoek 3: Waarschuwingsmelding, waarde niet optimaal.
-Rode gevarendriehoek 3: Waarschuwingsmelding, waarde kritisch
34 AANDUIDINGEN

Weergave van waarden
De symbolen 4 zien er ver- schillend uit. Afhankelijk van de beoordeling worden er ver- schillende kleuren gebruikt. In plaats van numerieke waar- den 7 met eenheden 8 worden er ook teksten 6 weergegeven:
Kleur van het symbool
-Groen: (OK) Huidige waarde is optimaal.
-Blauw: (Cold!) Huidige temperatuur is te laag.
-Geel: (Low!/High!) Huidige waarde is te laag of te hoog.
-Rood: (Hot!/High!) Huidige temperatuur of waarde is te hoog.
-Wit: (---) Er is geen geldige waarde aanwezig. In plaats van de waarde worden er streepjes 5 weergegeven.
De beoordeling van de afzonderlijke waarden is deels pas vanaf een bepaalde ritduur of snelheid mogelijk.
Als een meetwaarde nog niet
weergegeven kan worden, om- dat niet aan de voorwaarden voor de meting is voldaan, wor- den in plaats daarvan streepjes weergegeven. Zolang er geen geldige meetwaarde beschik- baar is, volgt er ook geen be- oordeling in de vorm van een gekleurd symbool.

Check-Control-dialoogvenster
Meldingen worden als Check-Control-dialoogvenster 1 weer-gegeven.
-Als het symbool 2 actief wordt weergegeven, kan de melding worden bevestigd door de Multi-Controller naar links te drukken.
-Check-Control-meldingen worden dynamisch als extra tabblad aan de pagina's in het menu Mijn Motor toegevoegd. Zo lang de storing bestaat, kan de melding opnieuw worden opgeroepen.
Overzicht waarschuwingsindicaties
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes
![]() | wordt weergegeven. | Waarschuwing buitentemperatuur (40) | ||
![]() | brandt geel. R | ![]() | og. sleutel niet in bereik. | Radiografische sleutel buiten het ontvangstbereik (40) |
![]() | brandt geel. K | ![]() | ess Ride uitgevallen! | Keyless Ride uit-gevallen (41) |
![]() | brandt geel. B | ![]() | radiogr. sl. bij 50%. Batt. radiogr. sl. bijna leeg. | Batterij van de radiografische sleutel vervangen (41) |
![]() | ||||
![]() | wordt geel weerge-geven. | Boordnetspanning te laag (41) | ||
![]() | Boordnetspan-ning laag. | |||
![]() | brandt rood. v | ![]() | rood weerge-geven. | Boordnetspanning kritisch (42) |
![]() | Boordnetspan-ning kritiek! | |||
![]() | knippert geel. | ![]() | wordt rood weerge-geven. | Laadspanning kri-tisch (42) |
![]() | Accuspanning kritiek! | |||
![]() | brandt geel. D | ![]() | fecte lamp wordt weergegeven. | Lampstoring (43) |
36 AANDUIDINGEN
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes
![]() | DWA-accucapaciteit zwak. | DWA-accu zwak (44) | ||
![]() | DWA-accu ontladen. | DWA-accu leeg (44) | ||
![]() | DWA uitgevallen. | DWA uitgevallen (44) | ||
![]() | Motoroliepeil.Motoroliepeilnagaan. | Motoroliepeil te laag (45) | ||
![]() | brandt rood. F | ![]() | vloeistof-temp. te hoog! | Koelvloeistoftem-peratuur te hoog (45) |
![]() | wordt weer-gegeven of knippert. | ![]() | Aandrijving! | Storing aandrijfsysteem (46) |
![]() | knippert rood. | ![]() | Ernstige storing in de motorregeling! | Ernstige storing aandrijfsysteem (46) |
![]() | knippert. | |||
![]() | brandt geel. G | ![]() | communicatie met motorregeling. | Motorregeling uit-gevallen (46) |
![]() | brandt geel. S | ![]() | ng in de motorregeling. | Motor in noodloopfunctie (47) |
| knippert geel. | ![]() | Ernstige storing in de motorregeling! | Ernstige storing in de motorregeling (47) | |
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes
![]() | brandt geel. w | ![]() | geel weerge-geven. | Bandenspanning in het grensgebied van de toelaatbare tolerantie (48) |
![]() | Bandenspanning niet op voorge-schr. | |||
![]() | knippert rood. | ![]() | wordt rood weerge-geven. | Bandenspanning buiten de toelaat-bare tolerantie (48) |
![]() | Bandenspanning niet op voorge-schr. | |||
![]() | Ban-densp.controle.Drukverlies. | |||
![]() | "----" | Overdrachtssto-ring (49) | ||
![]() | brandt geel. " | ![]() | Sensor defect of systeemstoring (50) | |
![]() | brandt geel. Batterij RDC-sensoren bijna leeg. | Batterij van de bandenspan-ningsensor zwak (50) | ||
![]() | brandt geel. B | ![]() | en-spann.controleuitgevallen! | Bandenspan-ningscontrole (RDC) uitgeval-len (51) |
![]() | Bewaking zij-standaard de-fect. | Zijstandaardbe-waking defect (51) | ||
38 AANDUIDINGEN
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes

knippert.
ABS-zelfdiagnose niet beëindigd (51)

brandt geel.

ABS beperkt be- schikbaar!
ABS-storing (51)

brandt.

brandt geel.

ABS uitgevallen! ABS uitgevallen (52)

brandt.

brandt geel.

ABS Pro uitge- vallen!
ABS Pro uitgeval- len (52)

brandt.

knippert snel.
DTC-ingreep (53)

knippert langzaam.
DTC-zelfdiagnose niet beëindigd (53)

brandt geel.

Tractieregeling uitgevallen!
DTC-storing (53)

brandt.

Motorst. niet mogel. BMW flex- case open. BMW flexcase slui- ten.
BMW flexcase geopend (54)
Controle- en Meldingtekst Betekenis waarschuwings- lampjes

Tankreserve be- reikt. Meteen naar tankstation rijden.
Brandstofreserve bereikt (54)

knippert groen.
Alarmknipperlichten ingeschakeld (55)

knippert groen.

wordt wit weergege- ven.
Onderhoud nodig (55)
Onderhoud nodig!

brandt geel. w

geel weerge- geven.
Onderhoudsaf-spraak overschre-den (55)
Onderhoud te laat!
40 AANDUIDINGEN
Buitentemperatuur
De buitentemperatuur wordt in de statusregel van het instrumentenpaneel weergegeven. Als het voertuig stilstaat kan de warmte van de motor de meting van de omgevingstemperatuur beïnvloeden. Als de invloed van de motorwarmte te groot wordt, verschijnen er tijdelijk streepjes in plaats van de waarde.

Als de buitentemperatuur tot onder de grenswaarde circa 3 °C zakt, is er gevaar ijzelvorming.
Als deze temperatuur voor de eerste keer wordt onderschreden, knippert het ijskristalsymbool in de statusregel van het instrumentenpaneel.
Waarschuwing buitentemperatuur

wordt weergegeven.
Mogelijke oorzaak:

De bij de motorfiets ge- meten buitentempera- is lager dan:
circa 3 °C

WAARSCHUWING
Gevaar van gladheid ook via circa 3 °C
Gevaar voor een ongeval
- Bij lage buitentemperaturen moet op bruggen en schaduwrijke wegen rekening worden gehouden met gladheid.
- Vooruitziend rijden.
Radiografische sleutel buiten het ontvangstbereik
-met Keyless Ride ^SU

brandt geel.

Radiog. sleutel niet in bereik. Contact opnieuw inschakelen niet mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
Storing in de communicatie tussen radiografische sleutel en motorelektronica.
- De batterij in de radiografische sleutel controleren. - met Keyless Ride ^SU
- Batterij van de radiografische sleutel vervangen. (80) - De reservesleutel voor de rest van de rit gebruiken.
-met Keyless Ride ^SU
- Batterij van radiografische sleutel is leeg of verlies van radiografische sleutel. (80)
- Blijf rustig als tijdens de rit het Check-Control-dialoogvenster verschijnt. U kunt doorrijden, de motor wordt niet uitgeschakeld.
- Een defecte radiografische sleutel door een BMW Motorrad Partner laten vervangen.
Keyless Ride uitgevallen
-met Keyless Ride ^SU

brandt geel.

Keyless Ride uit- gevallen! Motor niet afzetten. Evt. geen nieuwe motorstart mogelijk.
Mogelijke oorzaak:
De Keyless Ride-regeleenheid heeft een communicatiestoring geregistreerd.
- De motor niet afzetten. Zo snel mogelijk een vakwerkplaats opzoeken, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
» Starten van de motor met Keyless Ride is niet meer mogelijk.
» DWA niet meer activeerbaar.
Batterij van de radiografische sleutel vervangen
-met Keyless Ride ^SU

brandt geel.

Batt. radiogr. sl. bij 50%. Geen func- beperking.

Batt. radiogr. sl. bijna leeg. Functie beperkt. Batterij vervangen.
Mogelijke oorzaak:
- De batterij van de radiografische sleutel heeft niet meer de volledige capaciteit. De werking van de radiografische sleutel is nog voor een beperkte tijd gewaarborgd.
- Batterij van de radiografische sleutel vervangen. (80)
Boordnetspanning te laag

wordt geel weergegeven.

Boordnetspanning laag. Onnodige ver- kers uitschakelen.
De boordnetspanning is te laag. Bij doorrijden ontlaadt de voertuigelektronica de accu.
42 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
Verbruikers met hoog stroomverbruik, bijv. verwarmingsvesten in gebruik, te veel verbruikers tegelijkertijd in gebruik, of accu defect.
- Niet benodigde verbruikers uitschakelen of losnemen van boordnet.
- Wanneer de storing nog steeds aanwezig is, of optreedt zonder dat verbruikers zijn aangesloten, de storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
wordt rood weergegeven.

Boordnetspanning kritiek! Verbrui- s zijn uitgeschakeld. Accutoestand controle- ren.

WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsystemen
Gevaar voor ongevallen
• Niet verder rijden.
De accu wordt niet opgeladen. Bij doorrijden onlaadt de voertuigelektronica de accu.

Als de 12 V-accu verkeerd wordt ingebouwd of de klemmen worden omgewisseld (bijv. bij starchulp), kan dit er- toe leiden dat de zekering voor de dynamoregelaar doorbrandt. Mogelijke oorzaak:
Dynamo of aandrijving van de dynamo defect.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
wordt rood weergegeven.

Accuspanning kri- tiek! Gevaar voor evallen. Niet verder den.

WAARSCHUWING
Uitval van de voertuigsystemen
Gevaar voor ongevallen
• Niet verder rijden.
De accu wordt niet opgeladen. Bij doorrijden ontladt de voer- tuigelektronica de accu. Mogelijke oorzaak:
Dynamo of aandrijving van de dynamo defect.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Lampstoring

brandt geel.

De defecte lamp wordt weergegeven:

Grootlicht defect!

Richtingaanwijzer linksvoor defect!
of. Richtingaanwijzer rechtsvoor defect!

Dimlicht defect!

Stadslicht voor de- fect!

Dagrijlicht defect!

Achterlicht defect!

Remlicht defect!
-met LED-verstraler ^OA
i Verstraler links defect! of. Verstraler rechts defect!
Kentekenverlichting defect!
Richtingaanwijzer linksachter defect!
of. Richtingaanwijzer rechtsachter defect!
-Door specialist laten controleren.
WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet ge- zien in het wegverkeer door uitvallen van de verlichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
- Defecte lampen zo snel mogelijk vervangen; bij voorkeur altijd een set geschikte reservelampen meenemen.
Mogelijke oorzaak:
Meerdere lampen voor en achter defect.
- Lees de eerder vermelde storingsbeschrijvingen.
44 AANDUIDINGEN
DWA-accu zwak
DWA-accucapaciteit zwak. Geen beperkingen. Maak een afspraak bij een specialist.

Deze storingsmelding wordt gedurende korte tijd alleen aansluitend op de Pre-Ride-Check weergegeven. Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft niet meer zijn volledige capaciteit. De werking van de DWA is bij een losgekoppelde motorfietsaccu nog slechts beperkt gewaarborgd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
DWA-accu leeg
DWA-accu ontladen. Autoalarm niet actief. Maak een afspraak bij een specialist.

Deze storingsmelding wordt gedurende korte tijd alleen aansluitend op de Pre-Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-accu heeft geen capaciteit meer. De werking van de DWA is bij een losgekoppelde voertuigaccu niet meer gewaarborgd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
DWA uitgevallen
-met alarmsysteem (DWA) ^SU

DWA uitgevallen.
Door specialist laten controleren.
Mogelijke oorzaak:
De DWA-regeleenheid heeft een communicatiestoring geregistreerd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
» De DWA kan niet meer worden geactiveerd of gedeactiveerd.
» Vals alarm mogelijk.
De elektronische oliepeil- controle analyseert het olieniveau in de motor met OK of Low!
Voor de elektronische oliepeil-controle moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan en eventueel zijn meerdere metingen nodig:
-De berijder zit op het voertuig en er is van tevoren ten minste min. 10 km/h met het voertuig gereden.
-Motor draait minstens 20 seconden stationair.
-De motor is op bedrijfstemperatuur.
-Voertuig staat verticaal en op een vlakke ondergrond.
-De zijstandaard is ingeklapt en het voertuig staat niet op de middenbok.
-De veerpoot is correct aan de ladingstoestand aangepast of D-ESA staat in de beladingsmodus Auto.
Als de meting onvolledig is of er niet aan de genoemde voorwaarden is voldaan, kan het oliepeil niet worden gemeten. Er verschijnen streepjes (---) in plaats van de aanwijzing.
Motoroliepeil te laag

Motoroliepeil. Motoroliepeil nagaan.
Mogelijke oorzaak:
De elektronische oliepeilsensor heeft een te laag motoroliepeil geconstateerd. Bij de volgende tankstop het motoroliepeil met de oliepeilstaaf controleren:
- Motoroliepeil controleren (132).
Bij een te laag oliepeil:
- Motorolie bijvullen.
Koelvloeistoftemperatuur te hoog

brandt rood.

Koelvloeistoftemp. te hoog! Koelvloeifpeil contr. Voor peling met deellast der rijden.

LET OP
Rijden met oververhitte motor
Motorschade
- Beslist de hieronder vermelde punten in acht nemen.
Mogelijke oorzaak:
Het koelvloeistofpeil is te laag.
• Koelvloeistofpeil controleren. (138)
Als het koelvloeistofpeil te laag is:
46 AANDUIDINGEN
- Koelsysteem door een specialist laten controleren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
De koelmiddel- of motorolie- temperatuur is te hoog.
- Zo mogelijk de motor in deellast laten draaien om hem af te koelen.
- Als de koelvloeistof- of motorolietemperatuur vaker te hoog is, de storing zo snel mogelijk laten verhelpen door een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Storing aandrijfsysteem

wordt weergegeven of knippert.

Aandrijving! Door specialist laten
controleren.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een storing geregistreerd.
- Zodra het mogelijk is, storing door een specialist laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Verder rijden mogelijk, de uitstoot van schadelijke stoffen ligt boven de voorgeschreven waarden.
Ernstige storing aandrijfsysteem

knippert rood.

knippert.

Ernstige storing in de motorregeling!
Rustig verder rijden mog. Schade mogelijk. Door specialist laten control.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een storing vastgesteld die tot de beschadiging van het uit-laatsysteem kan leiden.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Het is mogelijk verder te rijden, maar dit is niet aan te raden.
Motorregeling uitgevallen

brandt geel.

Geen communicatie met motorregeling.
Meerdere syst. betrokken. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De communicatie met de motorregeleenheid is uitgevallen.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Motor in noodloopfunctie

brandt geel.

Storing in de motorregeling. Rustig verder rijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specia- list.

WAARSCHUWING
Ongebruikelijk rijgedrag tijdens de noodfunctie van de motor
Gevaar voor ongevallen
- Sterk accelereren en inhaalmanoeuvres vermijden.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een storing geregistreerd. In uitzonderingsgevallen slaat de motor af en kan niet meer worden gestart. Anders draait de motor in de noodfunctie.
- Verder rijden mogelijk, het motorvermogen staat ech-
ter niet zoals gewend ter beschikking.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Ernstige storing in de motorregeling

knippert geel.

Ernstige storing in de motorregeling!
Rustig verder rijden mog. Schade mogelijk. Door specialist laten control.

WAARSCHUWING
Beschadiging van de motor in de noodloopfunctie
Gevaar voor een ongeval
- Rijd langzaam, vermijd abrupt accelereren en inhaalmanoeuvres.
- Laat het voertuig indien mogelijk ophalen en laat de storing repareren door een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
48 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een uitval gediagnosticeerd die tot ernstige gevolgstoringen kan leiden. De motor bevindt zich in de noodloopfunctie.
- Hoge belastingen en toeren- tallen zo mogelijk vermijden.
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
»Het is mogelijk verder te rijden, maar dit is niet aan te raden.
Bandenspanning in het grensgebied van de toelaatbare tolerantie
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA

brandt geel.

wordt geel weergegeven.

Bandenspanning niet op voorgeschr. Bandenspanning controle- ren.
Mogelijke oorzaak:
De gemeten bandenspanning ligt in het grensgebied van de toegestane tolerantie.
• Bandenspanning corrigeren.
• Vóór het aanpassen van de bandenspanning de informatie
over de temperatuurcompensatie en over het aanpassen van de bandenspanning in het hoofdstuk Techniek in detail ter harte nemen:
» Temperatuurcompensatie (126)
»Aanpassing van de banden-spanning (127)
» De voorgeschreven banden-
spanningswaarden zijn op de
volgende plaatsen te vinden:
-Achterkant omslag van de handleiding
-Instrumentenpaneel in het aanzicht BANDENSPANNING
-Bandenspanningstabel
Bandenspanning buiten de toelaatbare tolerantie
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA

knippert rood.

wordt rood weergegeven.

Bandenspanning niet op voorgeschr. Metstoppen! Bandenning controleren.

Bandensp.controle. Drukverlies. Meteen open! Bandenspanning troleren.

WAARSCHUWING
Bandenspanning buiten de toelaatbare tolerantie.
Gevaar voor ongevallen, verslechtering van de rijeigen-schappen van het voertuig.
• Rijstijl aanpassen.
Mogelijke oorzaak:
De gemeten bandenspanning ligt buiten de toegestane tolerantie.
- Banden op beschadigingen en bruikbaarheid controleren. Is de band nog bruikbaar:
- Bij de volgende gelegenheid de bandenspanning corrigeren.
- Vóór het aanpassen van de bandenspanning de informatie over de temperatuurcompensatie en over het aanpassen van de bandenspanning in het hoofdstuk Techniek in detail ter harte nemen:
» Temperatuurcompensatie (126)
» Aanpassing van de banden-spanning (127)
» De voorgeschreven banden-spanningswaarden zijn op de volgende plaatsen te vinden:
-Achterkant omslag van de handleiding
-Instrumentenpaneel in het aanzicht BANDENSPANNING
-Bandenspanningstabel
- De band bij een vakwerkplaats op beschadigingen laten controleren, bij voorkeur bij een BMW Motorrad Partner.
Bij eventuele twijfel over de bruikbaarheid van de band:
• Niet verder rijden.
• Pechdienst informeren.
Overdrachtsstoring
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA

Mogelijke oorzaak:
Het voertuig heeft de mini- mumsnelheid niet bereikt (126).

RDC-sensor is niet actief
min. 30 km/h (Pas na over- schrijding van de minimum- snelheid verzendt de RDC- sensor zijn signaal aan de motorfiets.)
• RDC-weergave in het oog houden bij hogere snelheid. Pas als daarnaast het algemene waarschuwingslampje gaat branden, gaat het om
50 AANDUIDINGEN
een permanente storing. In dit geval:
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Mogelijke oorzaak:
De radioverbinding met de RDC-sensoren is verstoord.
Mogelijke oorzaak is radiografische apparatuur in de omgeving die de verbinding tussen de RDC-regeleenheid en de sensoren stoort.
- RDC-weergave in een andere omgeving observeren. Pas als daarnaast het algemene waarschuwingslampje gaat branden, gaat het om een permanente storing. In dit geval:
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Er zijn wielen zonder RDC-sensoren gemonteerd.
- Wielen met RDC-sensoren achteraf aanbrengen.
Mogelijke oorzaak:
Een of twee RDC-sensoren zijn uitgevallen of er is een systeemstoring aanwezig.
- De storing bij een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Batterij van de bandenspanningssensor zwak
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA

brandt geel.

Batterij RDC- sensoren bijna leeg.
Functie beperkt. Door een specialist laten controleren.

Deze storingsmelding wordt gedurende korte lleen aansluitend op de Ride-Check weergegeven.
Mogelijke oorzaak:
De batterij van de bandenspanningssensor heeft niet meer zijn volledige capaciteit. De werking van de bandenspan-
ningscontrole is nog voor een beperkte tijd gewaarborgd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Bandenspanningscontrole (RDC) uitgevallen
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA

brandt geel.

Bandenspann.controle uitgevallen! Functie beperkt. Door een specialist laten controleren.
Mogelijke oorzaak:
De RDC-regeleenheid heeft een communicatiestoring geregistreerd.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
» Bandenspanningswaarschuwingen niet beschikbaar.
Zijstandaardbewaking defect

Bewaking zijstan- daard defect. Ver- rijden mogelijk. In nd motorstop! Door cialist laten contro- en.
Mogelijke oorzaak:
De zijstandaardschakelaar of de bedrading daarvan is be- schadigd. De motor wordt uit- geschakeld als langzamer dan 5 km/h wordt gereden. In dat geval is rijden niet meer moge- lijk.
- Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ABS-zelfdiagnose niet beëindigd

knippert.
Mogelijke oorzaak:
De zelfdiagnose is niet beëindigd, de ABS-functie is niet beschikbaar. Om de ABS-zelf-diagnose te kunnen afsluiten, moet de Scooter ten minste 5 km/h rijden.
- Langzaam wegrijden. Er rekening mee houden dat tot het afsluiten van de zelfdiagnose de ABS-functie niet beschikbaar is.
ABS-storing

brandt geel.

brandt.
52 AANDUIDINGEN

ABS beperkt beschik- baar! Rustig doorrijden mog. Rij voor- zichtig naar de dichtst- bijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een storing opgemerkt. De ABS-functie is beperkt beschikbaar.
- Verder rijden mogelijk. Nadere informatie over bijzondere situaties die tot een ABS-storingsmelding kunnen leiden in acht nemen (121).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ABS uitgevallen

brandt geel.

brandt.

ABS uitgevallen! Rustig doorrijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specialist.
Mogelijke oorzaak:
De ABS-regeleenheid heeft een storing opgemerkt. De ABS-functie is niet beschikbaar.
- Verder rijden mogelijk. Nadere informatie over bijzondere situaties die tot een ABS-storingsmelding kunnen leiden in acht nemen (121).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ABS Pro uitgevallen

brandt geel.

brandt.
ABS Pro uitgevallen! Rustig verder rijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz specialist.
Mogelijke oorzaak:
De bewaking van de ABS Pro- functie heeft een storing op- gemerkt. De ABS Pro-functie is niet beschikbaar. De ABS- functie blijft beschikbaar. ABS ondersteunt alleen bij het rem- men bij rechtuitrijden.
- Verder rijden mogelijk. Nadere informatie over bijzondere situaties die een
ABS Pro-storingsmelding kunnen veroorzaken in acht nemen (121).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
DTC-ingreep

knippert snel.
Mogelijke oorzaak:
De DTC heeft een instabiliteit van het achterwiel herkend en vermindert het koppel. Het controle- en waarschu- wingslampje knippert langer dan dat de DTC-ingreep duurt. Daarmee heeft de berijder ook na de kritieke rijsituatie nog een optische bevestiging van de uitgevoerde regeling.
- Verder rijden mogelijk. Voor- uitziend rijden.
DTC-zelfdiagnose niet beëindigd

knippert langzaam.
Mogelijke oorzaak:

DTC-zelfdiagnose niet voltooid
De DTC-functie is niet beschikbaar, omdat de zelf-diagnose niet is afgesloten. (Voor de controle van de wieltoerentsensoren moet de motorfiets een minimum-snelheid met draaiende motor bereiken: min. 5 km/h)
- Langzaam wegrijden. Er rekening mee houden dat tot het afsluiten van de zelfdiagnose de DTC-functie niet beschikbaar is.
DTC-storing

brandt geel.

brandt.

Tractieregeling uitgevallen! Rustig
doorrijden mog. Rij voorzichtig naar de dichtstbijz. specia- list.
Mogelijke oorzaak:
De motorregeleenheid heeft een DTC-storing herkend.
54 AANDUIDINGEN

LET OP
Beschadiging van onderde- len
Beschadiging van bijv. senso- ren met daaruit resulterende storingen
- Geen voorwerpen onder het bestuurderszadel of de duo-buddyseat meenemen.
- Boordgereedschap vastzetten.
• Giermomentsensor niet beschadigen.
- Er rekening mee houden dat de DTC-functie en andere rij-dynamieksystemen niet beschikbaar zijn.
- Verder rijden mogelijk. Uitgebreide informatie over situaties die tot een DTC-storing kunnen leiden in acht nemen (123).
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
BMW flexcase geopend

Motorst. niet mogel. BMW flexcase open.
BMW flexcase sluiten.
Mogelijke oorzaak:
• BMW flexcase afsluiten.
- Achterste opbergvak (BMW flexcase) sluiten.
(93)
Brandstofreserve bereikt

Tankreserve be- reikt. Meteen naar kstation rijden.

WAARSCHUWING
Onregelmatig draaien, of uitschakeling van de motor vanwege brandstofgebrek
Gevaar voor ongevallen, be- schadiging van de katalysator
- De benzinetank niet leegrijden.
Mogelijke oorzaak:
In de brandstoftank bevindt zich nog maximaal de brand-stofreserve.

Reservehoeveelheid
circa 3 l
-zonder Keyless Ride ^SU
- Tanken. (111)
-met Keyless Ride ^SU
• Tanken. (113)
Alarmknipperlichten ingeschakeld

knippert groen.

knippert groen.
Mogelijke oorzaak:
De alarmknipperlichten zijn door de bestuurder ingeschakeld.
- Alarmlichtinstallatie bedienen. (84)
Onderhoudsmelding

Als de servicetermijn is overschreden, gaat naast de datum- resp. kilometer-weergave ook het algemene waarschuwingslampje geel branden.
Als de servicetermijn is over- schreden, verschijnt er een gele Check-Control-melding. Bo- vendien worden de weergaven voor onderhoud, onderhoudsaf- sprak en resterende afstand in de menuvensters MIJN VOER- TUIG en BENODIGD ONDER- HOUD gemarkeerd met uitroep- tekens.

Als de onderhoudsmelding al meer dan één maand voor de onderhouds- datum wordt weergegeven, dan moet de actuele datum op- nieuw worden ingesteld. Deze
situatie kan zich voordoen wanneer de accu losgekoppeld is geweest.
Onderhoud nodig

wordt wit weergegeven.
Onderhoud nodig! Onder- houd bij een specialist laten uitvoeren.
Mogelijke oorzaak:
Op grond van de afgelegde afstand of de datum is het tijd voor een onderhoudsbeurt.
- Onderhoud regelmatig door een vakwerkplaats laten uitvoeren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
»De bedrijfs- en verkeersveiligheid van het voertuig blijven behouden.
»Het best mogelijke waardebehoud van het voertuig wordt verzekerd.
Onderhoudsafspraak overschreden

brandt geel.

wordt geel weergegeven.
Onderhoud te laat! Onderhoud bij een specialist laten uitvoeren.
56 AANDUIDINGEN
Mogelijke oorzaak:
Onderhoud is op basis van de rijprestaties of de datum te laat.
- Onderhoud regelmatig door een vakwerkplaats laten uitvoeren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
»De bedrijfs- en verkeersveiligheid van het voertuig blijven behouden.
»Het best mogelijke waardebehoud van het voertuig wordt verzekerd.
INSTRUMENTEN- PANEEL
04
WAARSCHUWING 60
BEDIENINGSELEMENTEN 60
MIJN VOERTUIG 62
INSTELLINGEN 63
BLUETOOTH PAIRING 65
BEDIENINGSFOCUS 67
NAVIGATIE 68
MEDIA 71
TELEFOON 71
SOFTWAREVERSIE WEERGEVEN 72
LICENTIE-INFORMATIE WEERGEVEN 72
60 INSTRUMENTENPANEEL
WAARSCHUWING

WAARSCHUWING
Bediening van een smart- phone tijdens de rit
Gevaar voor een ongeval
- Het geldende wegenverkeersreglement in acht ne-men.
- Tijdens de rit geen smartphone gebruiken. Uitgezonderd zijn toepassingen zonder bediening, zoals telefonie via een handsfree-systeem.

WAARSCHUWING
Afleiding van de verkeers- situatie en verlies van de controle
Gevaar voor ongevallen door de bediening van geïntegreerde informatiesystemen en communicatieapparaten tijdens het rijden
- Bedien deze systemen of apparaten alleen als de verkeerssituatie het toelaat.
- Stop indien nodig en bedien de systemen of apparaten terwijl u stilstaat.
BEDIENINGSELEMENTEN
Multi-Controller

flowchart
graph TD
A["A"] --> B["B"]
B --> C["C"]
C --> D["D"]
D --> E["1"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
style D fill:#fcc,stroke:#333
style E fill:#ffc,stroke:#333
1 Multi-Controller
A Cursor in lijsten omhoog bewegen Volume hoger zetten
B Cursor in lijsten omlaag bewegen Volume verlagen
C Functie overeenkomstig terugmelding activeren Selectie/instelling bevestigen Door menuvensters blade- ren
D Functie overeenkomstig terugmelding activeren of opnieuw activeren Na de instellingen terug- keren naar het menu- scherm Een niveau in de hiërar- chie omhoog gaan Door menuvensters blade- ren
Tuimeltoets MENU

MENU 1 kort aan de bovenzijde indrukken:
-In de menu weergave: Een niveau in de hiërarchie omhoog gaan.
-In de weergave Pure Ride: Weergave voor statusregel berijdersinformatie wijzigen.
MENU 1 lang aan de bovenzijde indrukken:
-In de menu weergave: Weergave Pure Ride openen.
- In de weergave Pure Ride: Waarde van boordcomputer resetten.
-De bedieningsfocus naar de Navigator wisselen.
MENU 1 kort aan de onderzijde indrukken:
—Een niveau in de hiërarchie omlaag gaan.
-Selectie/instelling bevestigen.
MENU 1 lang aan de onderzijde indrukken:
- Teruggaan naar het laatst geopende menu, nadat eerst van menu is gewisseld door lang op de bovenzijde te drukken.
Navigatie aanwijzingen worden weergegeven als dialoog wanneer het menu Navigatie niet is geopend. De bediening van de tuimeltoets MENU is tijdelijk beperkt.
Scherm Pure weergeven
- De tuimeltoets MENU lang aan de bovenzijde indrukken.
Aanzicht Urban

Als extra informatie wordt in het scherm Urban ook het motortoerental met een getallen-weergave 1 en een balken-weergave 2 getoond.
Deze kan via het hoofdmenu worden opgeroepen.
62 INSTRUMENTENPANEEL
Menu's
Voorwaarde
Het scherm Pure Ride verschijnt.

- De tuimeltoets MENU 2 lang aan de bovenzijde indrukken, om aanzicht Pure Ride op te roepen.
- De tuimeltoets MENU 2 kort omlaagdrukken.
- Multi-Controller 1 meerdere malen kort naar rechts drukken, tot het gewenste menupunt gemarkeerd is.
- De tuimeltoets MENU 2 kort omlaagdrukken, om het betreffende menu te openen.
MIJN VOERTUIG
Boordcomputer oproepen
- Menu Mijn Motor oproepen.
- Naar rechts bladeren totdat het schermmenu BOORDCOMPUTER verschijnt.
Boordcomputer terugzetten
- Menu Mijn Motor oproepen.
- Schermmenu BOORDCOMPUTER oproepen.
- De tuimeltoets MENU omlaagdrukken.
- Alle waarden terugzetten of Afzond. waarden terugz. selecteren en bevestigen.
- Alternatief: Naar het aanzicht Pure Ride wisselen.
- De tuimeltoets MENU telkens kort aan de bovenzijde indrukken, om de waarde in de bovenste statusregel te selecteren.
- De tuimeltoets MENU lang aan de bovenzijde indrukken, om de geselecteerde waarde terug te zetten.
De volgende waarden kunnen afzonderlijk worden teruggezet:
-Pauze
-Rit
-Actueel (TRIP 1)
-Snelheid
-Verbr.
Tripboordcomputer oproepen
- Boordcomputer oproepen. (62)
- Naar rechts bladeren totdat het schermmenu REIS-BOORDCOMP. verschijnt.
Tripboordcomputer resetten
- Menu Mijn Motor oproepen.
- Schermmenu REISBOARD-COMP. oproepen.
- De tuimeltoets MENU omlaagdrukken.
- Autom. terugzetten of Alle waardes terugzetten selecteren en bevestigen.
»Als Autom. terugzetten is geselecteerd, wordt de tripboordcomputer automatisch teruggezet, als er na het uitschakelen van het contact minstens 6 uur zijn verstreken en de datum is veranderd.
INSTELLINGEN
Inhoud van de statusregel bestuurdersinformatie selecteren
- Naar het aanzicht Pure Ride wisselen.
» In het instrumentenpaneel verschijnt alle voor het rijden op de openbare weg noodzakelijke informatie van de boordcomputer (bijv. TRIP 1) en tripboordcomputer (bijv. TRIP 2). De informatie kan in de bovenste statusregel worden weergegeven.
- Het menu Instellingen, Weergave, Inhoud statusregel oproepen.
- De gewenste meldingen in-schakelen.
»Tussen de geselecteerde meldingen kan naar de bovenste statusregel worden gewisseld. Als geen meldingen zijn geselecteerd, wordt alleen de actieradius weergegeven.
Weergave van de bovenste statusregel wisselen
- Inhoud van de statusregel bestuurdersinformatie selecteren. (63)

- Naar het aanzicht Pure Ride wisselen.
- Toets 1 telkens kort indrukken om de waarde in de bovenste statusregel 2 te selecteren.
De volgende waarden kunnen worden weergegeven:

Kilometerteller

Dagteller 1
64 INSTRUMENTENPANEEL

Dagteller 2

Verbruik 1 (doorsnede)

Verbruik 2 (doorsnede)

Rijtijd 1

Rijtijd 2

Pauzetijd 1

Pauzetijd 2

snelheid 1 (doorsnede)

snelheid 2 (doorsnede)

Actieradius

Brandstofpeil
Volume instellen
- Helmen van berijder en duo-passagier verbinden. (67)
• Volume hoger zetten: De Multi-Controller omhoogdraaien.
• Volume lager zetten: De Multi-Controller omlaagdraaien.
• Stomschakeling: De Multi-Controller helemaal omlaagdraaien.
Systeeminstellingen uitvoeren
- Het menu Instellingen, Systeeminstellingen oproepen.
» De volgende systeeminstellingen kunnen hier uitgevoerd worden:
-Datum en tijd
-Eenheden
-Taal
GPS-synchronisatie in- of uitschakelen
-met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
Voorwaarde
De ConnectedRide Navigator of een mobiel eindapparaat is via de navigatievoorbereiding met het voertuig verbonden.
- Het menu Instellingen, Systeeminstellingen, Datum en tijd oproepen.
• GPS-synchronisatie in-of uitschakelen.
» De tijd wordt door Navigator of het mobiele eindapparaat overgenomen.
Helderheid instellen
- Het menu Instellingen, Weergave, Helderheid op-roepen.
- Helderheid instellen.
» De helderheid van het display wordt gedimd naar de ingestelde waarde als de omgevingshelderheid onder een gedefinieerde drempelwaarde komt.
- Menu Instellingen oproepen.
- Alles terugzetten selecteren en bevestigen.
De instellingen van de volgende menu's worden op de fabrieks-instelling teruggezet:
-Voertuiginstellingen
-Systeeminstellingen
-Verbindingen
-Weergave
-Informatie
» De koppeling van het voertuig met het actuele BMW Motorrad Connected-Ride account wordt teruggezet.
BLUETOOTH PAIRING Bluetooth-koppeling
Voordat twee Bluetooth-apparaten verbinding met elkaar kunnen maken, moeten ze elkaar herkend hebben. Deze procedure van wederzijdse herkenning noemt men "Koppeling". Eenmaal herkende apparaten worden opgeslagen, zodat de Bluetooth-koppeling alleen bij het eerste contact moet worden uitgevoerd.
Bij sommige mobiele eindapparaten, bijv. met het besturingssysteem iOS, moet voorafgaand aan het gebruik de BMW Motorrad Connected app worden geopend.
Bij de Bluetooth-koppeling zoekt het instrumentenpaneel binnen zijn ontvangstbereik naar andere apparaten ge- schikt voor Bluetooth. Opdat een tweede apparaat herkend kan worden, moet aan de vol- gende voorwaarden worden voldaan:
-de Bluetooth-functie van het apparaat moet geactiveerd zijn
-het apparaat moet voor andere "zichtbaar" zijn
66 INSTRUMENTENPANEEL
-het apparaat moet als ontvan- ger het A2DP-profiel onder- steunen
- andere voor Bluetooth geschikte apparaten moeten uitgeschakeld zijn (bijv. mobiele telefoons en navigatiesystemen).
Raadpleeg de handleiding van uw communicatiesysteem voor de benodigde stappen.
Bluetooth-koppeling uitvoeren
- Het menu Instellingen, Verbindingen oproepen.
»In het menu VERBINDINGEN kunnen Bluetooth-verbindingen worden geconfigureerd, beheerd en gewist. De volgende Bluetooth-verbindingen worden weergegeven:
-Mobiel apparaat
-Best. helm
-Pass. helm
De verbindingsstatus voor mobiele eindapparaten wordt weergegeven.
Mobiel eindapparaat verbinden
- Bluetooth-koppeling uitvoeren. (66)
-
Bluetooth-functie van het mobiele eindapparaat activeren (zie handleiding van het mobiele eindapparaat).
-
Mobiel apparaat selecteren en bevestigen.
• NIEUW MOB. APP. KOPP. selecteren en bevestigen.
Er wordt naar mobiele eindapparaten gezocht.

Het Bluetooth-symbool knippert tijdens de Blue- n-koppeling in de onderste sregel.
Zichtbare mobiele eindapparaten worden weergegeven.
- Mobiel eindapparaat selecteren en bevestigen.
- Aanwijzingen op het mobiele eindapparaat in acht nemen.
- Bevestigen dat de codes overeenkomen.
» De verbinding wordt tot stand gebracht en de verbindings-status wordt bijgewerkt.
»Als de verbinding niet tot stand wordt gebracht, kan de storingstabel in het hoofdstuk "Technische gegevens" u verder helpen. (191)
» Afhankelijk van het mobiele eindapparaat worden tele-foongegevens automatisch overgedragen aan het voertuig.
» Telefoongegevens (72)
»Als het telefoonboek niet wordt weergegeven, kan de storingstabel in het hoofdstuk
"Technische gegevens" u verder helpen. (192)
» Als de Bluetooth-verbinding niet naar behoren werkt, kan de storingstabel in het hoofdstuk "Technische gegevens" u verder helpen. (191)
Helmen van berijder en duopassagier verbinden
- Bluetooth-koppeling uitvoeren. (66)
- Best. helm of Pass. helm selecteren en bevestigen.
- Communicatiesysteem van de helm zichtbaar maken.
- NIEUWE BEST. HELM KOPP. of NIEUWE PASS. HELM KOPP. selecteren en bevestigen.
Er wordt naar helmen gezocht.

Het Bluetooth-symbool knippert tijdens de Blue- n-koppeling in de onderste sregel.
Zichtbare helmen worden weergegeven.
- Helm selecteren en bevestigen.
» De verbinding wordt tot stand gebracht en de verbindings-status wordt bijgewerkt.
» Als de verbinding niet tot stand wordt gebracht, kan de storingstabel in het hoofdstuk
"Technische gegevens" u verder helpen. (191)
»Als de Bluetooth-verbinding niet naar behoren werkt, kan de storingstabel in het hoofdstuk "Technische gegevens" u verder helpen. (191)
Verbindingen wissen
- Het menu Instellingen, Verbindingen oproepen.
- Verbindingen wissen selecteren.
- Om een enkele verbinding te wissen, de verbinding selecteren en bevestigen.
- Om alle verbindingen te wissen, Alle verbindingen wissen selecteren en bevestigen.
BEDIENINGSFOCUS
—met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
Bedieningsfocus wijzigen
Wanneer de Navigator is aangesloten, kan tussen de bediening van de Navigator en het instrumentenpaneel worden gewisseld.
Bedieningsfocus wijzigen
Als ConnectedRide Navigator een ingeschakeld en met het voertuig verbonden is, schakelt de wijzigingen van de
68 INSTRUMENTENPANEEL
bedieningsfocus automatisch over op de Navigator.
- Navigatietoestel veilig bevestigen. (175)
- De tuimeltoets MENU lang aan de bovenzijde indrukken.
» Dialoogmenu met voortgangsaanduiding wordt weergegeven.
De volgende selectie is mogelijk:
- Navigator bedienen
-Pure Ride weergave
In de weergave Pure Ride:
- Navigator bedienen
-BC waardes resetten - De tuimeltoets MENU aan de bovenkant ingedrukt houden, tot de voortgangsaanduiding zijn maximum heeft bereikt of Navigator bedienen bevestigen.
»Wijziging van de bedienings-focus naar de Navigator.
» Navigatiesysteem bedienen (178)
- Om de bedieningsfocus naar het instrumentenpaneel te wijzigen, de tuimeltoets MENU kort aan de onderzijde indrukken.
NAVIGATIE
Voorwaarde
Het voertuig is via Bluetooth met een compatibel mobiel eindapparaat verbonden.
Op het verbonden mobiele eindapparaat is de BMW Motorrad Connected App geïnstalleerd.

Bij sommige mobiele eindapparaten, bijv. met het besturingssysteem iOS, moet voorafgaand aan het gebruik de BMW Motorrad Connected app worden geopend.
Doeladres invoeren
- Mobiel eindapparaat verbinden. (66)
• BMW Motorrad Connected app oproepen en routebegeleiding starten. - Menu Navigatie oproepen.
»Actieve routebegeleiding wordt weergegeven.
»Als de actieve routebegeleiding niet wordt weergegeven, kan de storingstabel in het hoofdstuk "Technische gegevens" u verder helpen.
Bestemming uit laatste bestemmingen selecteren
- Het menu Navigatie, Laatste bestemmingen oproepen.
- Bestemming selecteren en bevestigen.
- Routebegeleiding starten selecteren.
Bestemming uit favorieten selecteren
- Het menu FAVORIETEN toont alle bestemmingen die in de BMW Motorrad Connected App als favoriet zijn opgeslagen. In het instrumentenpaneel kunnen geen nieuwe favorieten worden aangemaakt.
- Het menu Navigatie, Favorieten oproepen.
- Bestemming selecteren en bevestigen.
- Routebeg. starten selecteren.
Speciale bestemmingen invoeren
- Speciale bestemmingen, bijv. bezienswaardigheden, kunnen op de kaart worden weergegeven.
- Het menu Navigatie, POIs oproepen.
De volgende plaatsen kunnen worden geselecteerd:
-Op de standplaats
-Op de plaats van be-
stem.
-Langs de route
- Selecteren op welke locatie de speciale bestemmingen worden gezocht.
De volgende speciale bestemming kan bijvoorbeeld worden geselecteerd:
-Tankstation
- Speciale bestemming selecteren en bevestigen.
- Routebegeleiding starten selecteren en bevestigen.
Routecriteria vastleggen
- Het menu Navigatie, Routecriteria oproepen.
De volgende criteria kunnen worden geselecteerd:
-Soort route
-Vermijdingen
•Gewenste Soort route selecteren.
•Gewenste Vermijdingen in- of uitschakelen.
Het aantal ingeschakelde ver- mijdingen wordt tussen haakjes weergegeven.
Route-info weergeven
- Menu Navigatie, Instellingen oproepen en vervolgens menupunt Route-info selecteren.
Er kan worden gekozen uit de volgende opties:
70 INSTRUMENTENPANEEL
-Bestemm.
-Routepunt
• Gewenste optie selecteren.
» De resterende afstand en tijd worden weergegeven.
Routebegeleiding bewerken
- Het menu Navigatie, Nw. bestemm. oproepen.
Er kan uit de volgende bestemmingen worden gekozen:
-Laatste bestemmingen
-Favorieten
-POIs
- Bestemming selecteren uit een van de drie bestemmingscategorieën.
- Routebegeleiding bewerken in bestemmingsinvoer selecteren.
- Als routepunt toevoegen selecteren, om het geselecteerde doel als waypoint toe te voegen.
- Routebeg. starten selecteren, om de actuele bestemming te overschrijven.
Routebegeleiding beëindigen
- Het menu Navigatie, Ac-tieve routebegeleiding oproepen.
- Routebegeleid. beëin- digen selecteren en bevesti- gen.
Gesproken aanwijzingen in- of uitschakelen
- Helmen van berijder en duo-passagier verbinden. (67)
- De navigatie kan door een computerstem worden voorgelezen. Daarvoor moeten de Gesproken aanwijzingen ingeschakeld zijn.
- Het menu Navigatie, Actieve routebegeleiding oproepen.
- Gesproken aanwijzingen in- of uitschakelen.
Laatste gesproken aanwijzing herhalen
- Het menu Navigatie, Achieve routebegeleiding oproepen.
- Actuele gespr. aanwijzing selecteren en bevestigen.
Speed Limit Info in- of uitschakelen Voorwaarde
Voertuig is met de Navigator of een compatibel mobiel eindapparaat verbonden. Op het mobiele eindapparaat is de BMW Motorrad Connected App geïnstalleerd.
- Speed Limit Info geeft de momenteel toegestane maximumsnelheid aan.
- Het menu Instellingen, Weergave oproepen.
- Speed Limit Info in- of uitschakelen.
MEDIA
Voorwaarde
Het voertuig is met een compatibel mobiel eindapparaat en met een compatibele helm verbonden.
Audioweergave aansturen

- Menu Media oproepen.
• Volume instellen. (64)
• Vorige titel: De Multi-Controller 1 kort naar rechts drukken.
• Vorige titel of begin van huidige titel: De Multi-Control-ler 1 kort naar links drukken. - Versneld doorspoelen: De Multi-Controller 1 lang naar rechts drukken.
- Versneld terugspoelen: De Multi-Controller 1 lang naar links drukken.
- Contextmenu oproepen: Toets 2 omlaag drukken.
Afhankelijk van het mobiele eindapparaat kan de omvang van de Connectivity-functies beperkt zijn.
»In het contextmenu kunnen de volgende functies worden gebruikt:
-Weergave starten of
Pauze.
-Voor het zoeken en weergeven de categorie Nu afgespeeld, Alle artiesten, Alle albums of Alle titels selecteren.
-Afspeellijsten selecteren.
In het submenu Audio-in-stellingen kunt u de vol-gende instellingen configureren:
-Willekeurig afspelen in-
of uitschakelen.
-Herhalen: Uit, Eén (huidige titel) of Alle selecteren.
TELEFOON
Voorwaarde
Het voertuig is met een compatibel mobiel eindapparaat en met een compatibele helm verbonden.
72 INSTRUMENTENPANEEL
Telefoneren

- Menu Telefoon oproepen.
- Oproep aannemen: De Multi-Controller 1 naar rechts drukken.
- Oproep weigeren: De Multi-Controller 1 naar links drukken.
• Gesprek beëindigen: De Multi-Controller 1 naar links drukken.
Stomschakeling
Bij actieve gesprekken kan het geluid van de microfoon in de helm onderdrukt worden.
Gesprekken met meerdere deelnemers
Tijdens een gesprek kan een tweede oproep worden aan- genomen. Het eerste gesprek wordt in de wacht gezet. Het aantal actieve oproepen wordt in het menu Telefoon weer- gegeven. Er kan tussen twee gesprekken worden omgeschakeld.
Telefoongegevens
Afhankelijk van het mobiele eindapparaat worden na de Bluetooth-koppeling (65) telefoongegevens automatisch naar het voertuig overgedragen.
Telefoonboek: Lijst met in het mobiele eindapparaat opgeslagen contacten
Gesprekkenlijst: Lijst met oproepen met het mobiele eindapparaat
Favorieten: Lijst met in het mobiele eindapparaat opgeslagen favorieten
- Het menu Instellingen, Informatie, Software-versie oproepen.
LICENTIE-INFORMATIE WEERGEVEN
- Het menu Instellingen, Informatie, Licenties oproepen.
GEBRUIK
05
CONTACT-STUURSLOT 76
U ontvangt twee contactsleutels.
-met topcase ^OA
Desgewenst kan ook de top-case met dezelfde contact-sleutel worden bediend. Daar- voor contact opnemen met een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad vakwerkplaats.
Stuurslot vergrendelen
- Het stuur tot de aanslag naar links draaien.

- Contactsleutel in positie 3 draaien, hierbij het stuur iets bewegen.
»Contact, verlichting en alle circuits uitgeschakeld.
»Stuurslot vergrendeld.
»De contactsleutel kan worden verwijderd.
Contact inschakelen

- De contactsleutel in de stand ON draaien.
» Stadslicht en alle circuits ingeschakeld.
» De motor kan worden gestart.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd. (105)
Contact uitschakelen

- De contactsleutel in de stand OFF draaien.
» Licht wordt uitgeschakeld, stadslicht en verlichting van het achterste opbergvak blijven nog korte tijd branden.
» Stuurslot ontgrendeld.
» De contactsleutel kan worden verwijderd.
CONTACT MET KEY- LESS RIDE
-met Keyless Ride ^SU
Contactsleutel

Het controlelampje van de radiografische sleutel knippert, zo lang de radiografische sleutel gezocht wordt. Als de radiografische sleutel wordt herkend, dooft deze. Als de radiografische sleutel niet wordt herkend, brandt deze korte tijd.
U ontvangt een radiografische sleutel en een reservesleutel. Bij verlies van een sleutel de aanwijzingen over de elektronische wegrijbeveiliging (EWS) in acht nemen (79).
Contact, tankdop en alarmsysteem worden aangestuurd met de radiografische sleutel. Buddyseatvergrendeling en topcase kunnen handmatig worden bediend.

Bij het overschrijden van de actieradius van de ra-rafische sleutel (bijv. in dease) kan het voertuig niet len gestart.
Als de radiografische sleutel nog steeds niet werkt, wordt
het contact na ca. 1,5 minuten uitgeschakeld om de accu te sparen.
De radiografische sleutel niet in het opbergvak bewaren.
In bepaalde omstandigheden kan het signaal van de radiografische sleutel niet door de antenne worden ontvangen, en kan de buddyseat niet meer worden geopend.
We adviseren u de radiografische sleutel op het lijf te dragen (bijv. in de jaszak) of de reservesleutel bij u te dragen.
| Bereik van radiografische Keyless Ride-sleutel |
| -met Keyless Ride ^SU |
| circa 1 m◀ |
Stuurslot vergrendelen Voorwaarde
Stuur is naar links gedraaid. Radiografische sleutel is in ont- vangstgebied.
78 GEBRUIK

• Toets 1 ingedrukt houden.
»Het stuurslot vergrendelt hoorbaar.
» Contact, verlichting en alle circuits uitgeschakeld.
- Om het stuurslot te ontgren- delen toets 1 kort indrukken.
Contact inschakelen Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont- vangstgebied.

- Het contact kan op twee manieren worden geactiveerd.
Variant 1:
• De toets 1 kort indrukken.
» Stadslicht en alle circuits zijn ingeschakeld.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd. (105)
»Als het instrumentenpaneel na het inschakelen van het contact donker blijft, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens verder helpen. (190)
Variant 2:
- Stuurslot is vergrendeld, toets 1 ingedrukt houden.
» Het stuurslot wordt ontgren- deld.
» Stadslicht en alle circuits ingeschakeld.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd. (105)
»Als het instrumentenpaneel na het inschakelen van het contact donker blijft, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens verder helpen. (190)
Contact uitschakelen Voorwaarde
Radiografische sleutel is in ont- vangstgebied.

- Het contact kan op twee manieren worden gedeactiveerd.
Variant 1:
• De toets 1 kort indrukken.
» Licht wordt uitgeschakeld, stadslicht en verlichting van het achterste opbergvak blijven nog korte tijd branden.
» Stuurslot is ontgrendeld.
Variant 2:
- Het stuur tot de aanslag naar links draaien.
• Toets 1 ingedrukt houden.
» Licht wordt uitgeschakeld, stadslicht en verlichting van het achterste opbergvak blijven nog korte tijd branden.
» Het stuurslot wordt vergren- deld.
Elektronische wegrijbeveiliging (EWS)
De elektronica in de Scooter analyseert via een ringantenne in het radiografische slot de gegevens die in de radiografische sleutel zijn opgeslagen. Pas als de radiografische sleutel als "bevoegd" is herkend, geeft de motorregeleenheid het starten vrij.
Als er een extra contact-sleutel aan de voor het starten gebruikte radiografische sleutel is bevestigd, kan de werking van de elektronica nadelig worden beïnvloed en wordt het starten van de motor niet vrijgegeven. Op het multifunctioneel display verschijnt de waarschuwing met het sleutelsymbool.
Bewaar extra contactsleutels altijd apart van de radiografische sleutel.
Mocht u een radiografische sleutel verliezen, dan kunt u deze bij uw BMW Motorrad Partner laten blokkeren. Daartoe moet u alle andere bij de Scooter behorende contactsleutels meebrengen.
Met een geblokkeerde radiografische sleutel kan de motor niet meer worden gestart, maar een geblokkeerde radiografische sleutel kan wel weer worden vrijgeschakeld.
Extra sleutels zijn alleen via een BMW Motorrad Partner verkrijgbaar. Deze is verplicht uw legitimatie te controleren, omdat de radiografische sleutels
80 GEBRUIK
onderdeel van een veiligheids- systeem vormen.
Batterij van radiografische sleutel is leeg of verlies van radiografische sleutel

- Bij verlies van de sleutel de aanwijzingen met betrekking tot de elektronische wegrijblokkering (EWS) in acht ne-men.
- Als de radiografische sleutel tijdens het rijden wordt verloren, kan het voertuig worden gestart met de reservesleutel.
- Als de batterij van de radiografische sleutel leeg is, kan het voertuig worden gestart door het accudeksel met de radiografische sleutel aan te raken.
- De reservesleutel 1 of de lege radiografische sleutel 2 bij het accudeksel ter hoogte van de antenne 3 houden.

De reservesleutel of de lege radiografische sleutel moet tegen het accudeksel liggen.
Tijd waarbinnen de motor moet worden gestart. Daarna moet een nieuwe ontgrendeling plaatsvinden.
30 s
» De Pre-Ride-Check wordt uitgevoerd.
-De radiografische sleutel is herkend.
-De motor kan worden gestart.
- Motor starten. (105)
Batterij van de radiografische sleutel vervangen
Als de radiografische sleutel bij het kort of lang indrukken van de toets niet reageert:
- De batterij van de radiografische sleutel heeft niet de volledige capaciteit.
Batt. radiogr. sl. bijna leeg. Functie beperkt. Batterij vervangen.

GEVAAR
Inslikken van een batterij
Gevaar voor letsel of levens- gevaar
- Een voertuigsleutel heeft als batterij een knoopcel. Batterijen of knoopcellen kunnen worden ingeslikt en binnen twee uur leiden tot ernstig of dodelijk letsel, bijv. door interne verbranding of letsel door zuur.
- Voertuigsleutels en batterijen buiten het bereik van kinderen bewaren.
- Wanneer wordt vermoed dat een batterij of een knoopcel is ingeslikt of zich in een lichaamsdeel bevindt, direct medische assistentie zoeken.
- Batterij vervangen.

• Knop 1 indrukken.
» De sleutelbaard klapt open.
- Batterijkapje 2 naar boven drukken.
• De batterij 3 uitbouwen. - De oude batterij volgens de wettelijke bepalingen afvoeren, de batterij niet met het huisvuil weggooien.

LET OP
Ongeschikte of onjuist ge- plaatste batterijen
Onderdeelschade
- Voorgeschreven batterij gebruiken.
- Bij het plaatsen van de batterij op de juiste polariteit letten.
- De nieuwe batterij met de pluspool naar boven aanbrengen.

Accutype
Voor Keyless Ride-radiografische sleutel
CR 2032
• Batterijkapje 2 inbouwen.
»De rode LED in het instrumentenpaneel knippert.
»De radiografische sleutel werkt weer.
82 GEBRUIK
NOODUITSCHAKELINGS- SCHAKELAAR

Bedienen van de noodstop- schakelaar tijdens het rijden
Gevaar voor vallen door blokkerend achterwiel
- De noodstopschakelaar nooit tijdens het rijden bedienen.
Met behulp van de nooduit- schakelingsschakelaar kan de motor op eenvoudige wijze snel worden afgezet.

a Motor uitgeschakeld
b Bedrijfsstand
VERLICHTING
Dimlicht en stadslicht
Het stadslicht wordt automatisch tegelijk met het contact ingeschakeld.

Het stadslicht belast de accu. Het contact slechts tondig inschakelen.
Het dimlicht wordt na het starten van de motor automatisch ingeschakeld.
Overdag kan als alternatief voor het dimlicht het dagrijlicht worden ingeschakeld.
Grootlicht en lichtsignaal
• Het contact inschakelen.
(76)

- Schakelaar 1 naar voren drukken om het grootlicht in te schakelen.
- Schakelaar 1 naar achteren trekken om het lichtsignaal te bedienen.
Parkeerlicht
• Het contact uitschakelen.

- Direct na het uitschakelen van het contact de toets 1 naar links drukken en vasthouden, tot het parkeerlicht wordt ingeschakeld.
- Contact in- en weer uitschakelen om het parkeerlicht uit te schakelen.
Dagrijlicht bedienen
-met Keyless Ride ^SU
- Het contact inschakelen. (78)

• Toets 1 indrukken om het dagrijverlichting in te schakelen.

Het dagrijlichtsymbool wordt weergegeven.
»Het dimlicht en de achtergrondverlichting van het instrumentenpaneel worden uitgeschakeld.
- In het donker of in tunnels: Toets 1 opnieuw bedienen om het dagrijlicht uit te schakelen en het dimlicht in te schakelen.
Het dagrijlicht kan in vergelijking met het dimlicht beter worden waargenomen door het tegemoetkomend verkeer. Daardoor verbetert de zichtbaarheid overdag.
84 GEBRUIK
Automatisch dagrijlicht

WAARSCHUWING
Automatisch dagrijlicht vervangt niet de persoonlijke beoordeling van de lichtomstandigheden
Gevaar voor een ongeval
- Het automatische dagrijlicht uitschakelen bij slechte lichtomstandigheden.

De omschakeling tussen dagrijlicht en dimlicht, incl.
stadslicht voor kan automatisch gebeuren.
- In het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Verlichting de functie Automat. dagrijlicht inschakelen.

Het controlelampje voor het automatische dagrij-
licht licht op.
»Als het omgevingslicht onder een bepaalde waarde daalt, wordt het dimlicht automatisch ingeschakeld (bv. in tunnels). Als wordt vastgesteld dat er voldoende omgevingslicht is, wordt de dagrijverlichting weer ingeschakeld.

Als het dagrijlicht actief is, brandt het controlelampje van het dagrijlicht.
Handmatige bediening van het licht bij ingeschakelde automaat
-Als de toets van het dagrijlicht wordt ingedrukt, wordt het dagrijlicht uitgeschakeld en worden het dimlicht en het stadslicht voor ingeschakeld (bv. bij het inrijden van tunnels, als de dagrijlichtautomaat vanwege het omgevingslicht vertraagd reageert).
-Als de toets voor het dagrijlicht opnieuw wordt ingedrukt, wordt de dagrijlichtautomaat weer geactiveerd, d.w.z. het dagrijlicht wordt weer ingeschakeld als er voldoende omgevingslicht aanwezig is.
Alarmlichtinstallatie bedienen
• Het contact inschakelen.

De waarschuwingsknip- perlichten belasten de . De waarschuwingsknip- chten slechts voor een be- te tijdsduur inschakelen.

Wanneer bij ingeschakelde alarmlichtinstal-een richtingaanwijzer-wordt ingedrukt, dan ver-t de knipperfunctie gedu-e het indrukken de waar-wingsfunctie. Als de rich-anwijzerknop niet meer
wordt ingedrukt, is de waar- schuwingsfunctie weer actief.

- De toets 1 bedienen om de alarmlichtinstallatie in te schakelen.
» Het contact kan worden uitgeschakeld. - Contact inschakelen en toets 1 opnieuw indrukken om de alarmknipperlichten uit te schakelen.
Richtingaanwijzer bedienen
- Het contact inschakelen. (76)
- Het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Verlichting oproepen.
- Comfortknipperen in- of uitschakelen.

- De toets 1 naar rechts drukken om de richtingaanwijzers in te schakelen.
»Wanneer de comfort-richting-aanwijzers zijn ingeschakeld, dan worden de richtingaan-wijzers na het bereiken van de snelheidsafhankelijke af-stand automatisch uitgeschakeld. - Alternatief: De toets 1 indrukken, om de richtingaanwijzers uit te schakelen.
Verstraler
-met LED-verstraler ^OA
De verstralers zijn toegestaan als mistlampen en mogen alleen worden gebruikt bij slechte weersomstandigheden. Het landspecifieke wegenverkeersreglement in acht nemen.
- Motor starten. (105)
86 GEBRUIK

- De toets 1 indrukken om de verstralers in te schakelen.

Het controlelampje voor de extra verstraler brandt.
- De toets 1 opnieuw indrukken om de verstralers uit te schakelen.
DYNAMISCHE TRACTIECON- TROLE (DTC)
DTC-functie uit- en inschakelen
-met Keyless Ride SU
- Het contact inschakelen.
(78)
- Menu Instellingen, Assist oproepen en vervolgens menupunt DTC selecteren.
- DTC deactiveren om de dynamische tractiecontrole (DTC) eenmalig uit te schakelen tot de volgende keer dat het contact wordt uitgeschakeld.
brandt.

• DTC activeren om de dynamische tractiecontrole (DTC) in
te schakelen. Alternatief: Het contact uit- en opnieuw in- schakelen.

dooft, bij een niet afgesloten zelfdiagnose begint het DTC-controle- en waar- schuwingslampje te knipperen.
- Zie voor meer informatie over de Dynamische tractiecontrole (DTC) het hoofdstuk Techniek in detail (123).
DIEFSTALBEVEILIGINGSIN- STALLATIE (DWA)
-met alarmsysteem (DWA) ^SU
DWA activeren
- Het contact inschakelen.
(76)
• DWA instellen. (89)
-zonder Keyless Ride ^SU
• Het contact uitschakelen.
»Als de DWA is geactiveerd, wordt de DWA automatisch geactiveerd na uitschakelen van het contact.
» De activering vraagt circa 30 seconden.
» De richtingaanwijzers knippe- ren tweemaal.
» De bevestigingstoon klinkt tweemaal (indien geprogrammeerd).
» De diefstalbeveiligingsinstallatie is actief.
-met Keyless Ride ^SU

• Het contact uitschakelen.
- De toets 1 op de radiografische sleutel tweemaal indrukken.
» De activering vraagt circa 30 seconden.
» De richtingaanwijzers knippe-
ren tweemaal.
» De bevestigingstoon klinkt tweemaal (indien geprogrammeerd).
» De diefstalbeveiligingsinstallatie is actief.

- Om de hellingshoeksensor te deactiveren (bijvoorbeeld als de motorfiets met een trein wordt getransporteerd en de sterke bewegingen een alarm
kunnen activeren), de toets 1 op de radiografische sleutel tijdens de activeringsfase opnieuw indrukken.
» De richtingaanwijzers knippe-
ren driemaal.
»De bevestigingstoon klinkt driemaal (indien geprogrammeerd).
»Hellingssensor is gedeactiveerd.
Alarmsignaal
Het DWA-alarm kan worden geactiveerd door:
-Bewegingssensor
-Opstarten met een onbevoegde sleutel
-Loskoppeling van de DWA van de voertuigaccu (de DWA-accu neemt de stroom- voorziening over - alleen alarmtoon, richtingaanwijzers knipperen niet)
Wanneer de contactsleutel zich in het ontvangstgebied bevindt, wordt een door de hellingshoeksensor geactiveerd alarm onderdrukt.
Is de DWA-accu ontladen, dan blijven alle functies behouden, alleen de activering van het alarm bij loskoppeling van de voertuigaccu is niet meer mogelijk.
88 GEBRUIK
De duur van het alarm bedraagt circa 26 seconden. Tijdens het alarm klinkt een alarmtoon en knipperen de richtingaanwijzers. Het soort alarmtoon kan door een BMW Motorrad Partner worden ingesteld.
-met Keyless Ride SU

Een geactiveerd alarm kan te allen tijde door het indrukken van de toets 1 van de radiografische sleutel worden afgebroken, zonder de DWA te deactiveren.
Als in afwezigheid van de be- rijder een alarm werd geacti- veerd, dan wordt deze bij het inschakelen van het contact door een eenmalige alarmtoon hierop geattendeerd. Vervol- gens signaleert de DWA-lichtdi- ode gedurende een minuut de reden voor het alarm.
Lichtsignalen van het controlelampje:
-1x knipperen: Bewegingssensor 1
-2x knipperen: Bewegingssensor 2
-3x knipperen: Contact ingeschakeld met niet-geautoriseerde contactsleutel
-4x knipperen: Scheiding van de DWA van de voertuigaccu
-5x knipperen: Bewegingssensor 3
DWA deactiveren
-zonder Keyless Ride ^SU
- Noodstopschakelaar in bedrijfsstand.
• Het contact inschakelen.
»Richtingaanwijzers knipperen eenmaal.
» Bevestigingstoon klinkt eenmaal (indien geprogrammeerd).
» De diefstalbeveiligingsinstallatie is uitgeschakeld.
-met Keyless Ride ^SU

- Toets 1 op de radiografische sleutel eenmaal indrukken.
Wanneer de alarmfunctie via de radiografische sleutel wordt gedeactiveerd en het contact vervolgens niet wordt ingeschakeld, wordt de alarmfunctie na circa 30 seconden automatisch weer actief, wanneer Automatisch active-ren ingeschakeld is.
» Richtingaanwijzers knipperen eenmaal.
» Bevestigingstoon klinkt eenmaal (indien geprogrammeerd).
» De diefstalbeveiligingsinstallatie is uitgeschakeld.
De DWA instellen Voorwaarde
De Scooter staat stil.
- Het contact inschakelen. (76)
- Het menu Instellingen, Voertuiginstellingen, Alarmsysteem oproepen.
»De volgende instellingen zijn mogelijk:
-Waarsch. sign. aanpassen
-Hellingssensor in- en uit- schakelen
-Activatietoon in- en uit- schakelen
-Automatisch activeren in- en uitschakelen
»Instelmogelijkheden (89)
Instelmogelijkheden
Waarsch. sign.: Aanzwellende en afnemende of intermitterende alarmtoon instellen. Hellingssensor: Hellingshoeksensor deactiveren om de transportmodus te activeren. In de transportmodus wordt de hellingshoek van het voertuig niet meer bewaakt.
Bij het transport van de motorfiets de hellings-hoeksensor deactiveren, om te voorkomen dat de DWA wordt geactiveerd.
Activatietoon: Bevestigingsalarmtoon na het activeren/deactiveren van de DWA naast het oplichten van de richting-aanwijzers.
Automatisch activeren: Automatische activering van de
90 GEBRUIK
alarmfunctie bij het uitschake- len van het contact.
Fabrieksinstellingen
Het alarmsysteem wordt met de volgende fabrieksinstellingen geleverd:
-Bevestigingsalarmtoon na het activeren/deactiveren van de DWA: Nee.
-Alarmtoon: intermitterend.
VERWARMING
De handvatverwarming is alleen bij draaiende motor elijk.

- Toets 1 zo vaak indrukken tot de gewenste verwarmingsstand op het display wordt weergegeven.
De grepen kunnen op drie niveaus worden verwarmd. De derde stand dient voor het snel verwarmen van de handgrepen, vervolgens moet weer de tweede of eerste stand worden ingeschakeld. De volgende weergaven zijn mogelijk:

hoog verwarmingsvermo- gen

gemiddeld verwarmings- vermogen

laag verwarmingsvermo- gen
Buddyseatverwarming bedienen
-met buddyseatverwarming ^SU
- Motor starten.

De buddyseatverwarming kan alleen bij draaiende or worden ingeschakeld.

- Toets 1 zo vaak indrukken tot de gewenste verwarmingsstand op het display wordt weergegeven.
De buddyseat kan in drie standen worden verwarmd. De derde stand dient voor het snel verwarmen van de bud-
dyseat, vervolgens moet weer de tweede of eerste stand worden ingeschakeld. De volgende weergaven zijn mogelijk:

hoog verwarmingsvermo- gen

gemiddeld verwarmings- vermogen

laag verwarmingsvermo- gen
BUDDYSEAT
Buddyseat bedienen
• Het contact inschakelen.

• De toets 1 indrukken.
» Buddyseat wordt ontgrendeld.
-zonder Keyless Ride ^SU

- De buddyseat kan ook zonder inschakelen van het contact worden ontgrendeld. Stop hiervoor de contactsleutel 2 in het slot 3 aan de zijbekleding rechts en draai deze rechtsom.
»Buddyseat wordt ontgrendeld.
—met Keyless Ride ^SU

- De buddyseat kan ook zonder inschakelen van het contact worden ontgrendeld. Stop hiervoor de radiografische sleutel 2 in het slot 3 aan de zijbekleding rechts en draai deze rechtsom.
92 GEBRUIK
» Buddyseat wordt ontgrendeld.

- Buddyseat 4 achter optillen en openklappen.

- Om te sluiten, buddyseat 4 achter in de vergrendeling drukken.
OPBERGVAKKEN
Voorste opbergvakken bedienen
-zonder Keyless Ride ^SU

- Om een opbergvak te openen, drukt u op de betreffende toets 1.
- Om een opbergvak te sluiten, betreffende klep in de vergrendeling drukken.
De opbergvakken kunnen niet worden vergrendeld.
• Opbergvak rechts: USB-laad-aansluiting (169)
Voorste opbergvakken bedienen
-met Keyless Ride ^SU
• Het contact inschakelen.

- Om een opbergvak te openen, drukt u op de betreffende toets 1.
- Om een opbergvak te sluiten, betreffende klep in de vergrendeling drukken.
- Na uitschakelen van het contact worden beide opbergvakken na een nalooptijd vergrendeld.
| Nalooptijd voor het open- nen van de opbergvak-ken | |
| 60 s | |
• Opbergvak rechts: USB-laad-aansluiting (169)
Achterste opbergvak (BMW flexcase) bedienen
• Buddyseat bedienen. (91)
De verlichting van het opbergvak wordt door het inschakelen van het contact ingeschakeld.
Na uitschakelen van het contact blijft de verlichting van het opbergvak nog korte tijd branden.

- De ontgrendelingshendel 1 naar voren trekken om het opbergvak te vergroten, bijv. voor het opbergen van een motorhelm.
»De bodem 2 gaat omlaag.
» Bij neergelaten bodem kan het voertuig niet worden ge- start.
Als het contact ingeschakeld is, wordt Motorst.
niet mogel. BMW flexcase open. BMW flexcase sluiten. weergegeven.

- De BMW flexcase biedt plaats voor een integraalhelm.
94 GEBRUIK

Lading van de flexcase
max. 5 kg

- In het voorste deel van het opbergvak kan zoals afgebeeld een jethelm worden opgeborgen.

Lading van het voorste opbergvak
max. 3 kg
• De buddyseat sluiten.

- Om verder te rijden, de buddyseat openen.
• Opbergvak leegmaken.
- De bodem 2 aan de hendel 3 omhoog in de vergrendeling trekken.
Als het contact ingeschakeld is, verdwijnt Motorst. niet mogel. BMW flexcase open. BMW flex-case sluiten..
- De buddyseat sluiten. » U kunt verder rijden.
INSTELLING
06
SPIEGELS 98
KOPLAMP 98
VEERVOORSPANNING 99
98 INSTELLING
SPIEGELS
Spiegels instellen

- Spiegel door licht drukken op de rand in de gewenste stand brengen.
Spiegelarm instellen

- De rubber kap 1 naar boven schuiven.
- Contramoer 4 evt.losdraaien (linkse schroefdraad), spiegel 2 uitlijnen en met contra-moer 4 bevestigen, daarbij aan adapter 3 tegenhouden.

Spiegel links (contra- moer) aan adapter
M10
22 Nm (Linkse schroefdraad)
- De rubber kap 1 naar beneden schuiven.
KOPLAMP
Koplampinstelling rechts-/linksrijdend verkeer
Dit voertuig is uitgerust met een symmetrisch dimlicht. Bij ritten in landen waar aan de andere kant van de weg wordt gereden dan in het land van toelating van het motorvoertuig, zijn geen andere maatregelen nodig.
Lichtbundel en veervoorspanning
De lichtbundel blijft vanwege de aanpassing van de veervoorspanning aan de ladingstoestand in de regel constant. Alleen bij zeer zware belading kan de aanpassing van de veervoorspanning onvoldoende zijn. In dit geval moet de lichtbundel aan het gewicht worden aangepast.
Bestaat er twijfel over de correcte afstelling van de lichtbundel, de afstelling door een vakwerkplaats laten controleren, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
VEERVOORSPANNING
Instelling
De veervoorspanning van het achterwiel moet aan de belading van de Scooters worden aangepast. Een verhoging van de belading vereist een verhoging van de veervoorspanning, minder gewicht een overeenkomstig lagere veervoorspanning.
Veervoorspanning achterwiel instellen
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Voor een hogere veervoor-spanning, instelringen 1 met boordgereedschap in richting van de pijl A draaien.
- Voor een lagere veervoor-spanning, instelringen 1 met boordgereedschap in richting van de pijl B draaien.
| Basisafstelling van de veervoorspanning achter |
| Stap 1 (volgetankt, met be-stuurder 85 kg) |
| Stap 1 (Sologebruik zonder belading) |
| Stap 3 (Sologebruik met be-lading) |
| Stap 5 (Rijden met duopassa-gier en belading) |
- Ervoor zorgen dat op beide veerpoten dezelfde waarden worden ingesteld.
RIJDEN
07
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN 102
CONTROLELIJST IN ACHT NEMEN 105
STARTEN 105
RIJDEN 106
INRIJDEN 106
REMMEN 107
SCOOTER NEERZETTEN 110
TANKEN 110
VOERTUIG VOOR TRANSPORT BEVESTIGEN 116
102 RIJDEN
VEILIGHEIDSAANWIJZINGEN
Rijdersuitrusting
Geen rit zonder de juiste kle- ding:
-Helm
-Pak
-Handschoenen
-Laarzen
Dit geldt ook voor korte afstanden en in welk jaargetijde dan ook. Uw BMW Motorrad partner kan u adviseren en heeft voor elk gebruiksdoel de juiste kleding.

WAARSCHUWING
Omwikkeling van losse kle- dingstukken, bagage of rie- men rond niet-afgedekte ro- terende voertuigonderdelen (wielen, cardanas)
Gevaar voor een ongeval
- Ervoor zorgen dat los gedragen kledingstukken zich niet rond niet-afgedekte roterende voertuigonderdelen kunnen wikkelen.
- Bagage, span- en sjorbanden uit de buurt van nietafgedekte roterende voertuigonderdelen houden.
Belading

WAARSCHUWING
Stabiliteit tijdens het rijden beïnvloed door overbelading, of ongelijkmatig aan- gebrachte belading
Kans op ongevallen
- Het maximaal toelaatbaar totaalgewicht niet overschrijden en de aanwijzingen voor het beladen in acht nemen.
- Afstelling van de veervoor-spanning aanpassen aan het totaalgewicht.
- Toelaatbaar totaalgewicht van het bagagerek in acht nemen.

Maximale belading van het bagagerek
max. 16,5 kg
- Maximale belading van de topcase in acht nemen.

Maximale belading van de topcase
max. 10 kg
Snelheid

Om de levensduur van de banden te verlengen en nale grip te garanderen, t u koude banden voorzich- varmrijden. Vermijd hard lereren als de banden koud
zijn. Vergroot de overhelhoek langzaam tijdens het warmrijden.

Om oververhitting van de banden te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u te voorkomen dat u lange tijd met de maximum- snelheid rijdt.
Bij het rijden met hoge snelheden kunnen verschillende omstandigheden het rijgedrag van het voertuig negatief beïnvloeden. Hieronder vallen onder andere:
-Instellen van het onderstel
-Ongelijkmatig verdeelde bagage
-Losse kleding
-Te lage bandenspanning
-Slecht bandenprofiel
Kans op vergiftiging
Uitlaatgassen bevatten het kleur- en geurloze maar giftige koolmonoxide.

WAARSCHUWING
Uitlaatgassen met gevaar voor de gezondheid
Verstikkingsgevaar
• Uitlaatgassen niet inademen.
- De motor niet in een afge-
sloten ruimte laten draaien.

WAARSCHUWING
Inademing van schadelijke dampen
Gevaar voor de gezondheid
- Dampen van bedrijfsstoffen en kunststoffen niet inade- men.
- Het voertuig alleen in de openlucht gebruiken.
Verbrandingsgevaar

VOORZICHTIG
Sterk opwarmen van de motor en het uitlaatsysteem tijdens het rijden
Verbrandingsgevaar
- Na het afzetten van de motorfiets erop letten dat geen personen of voorwerpen met de motor en het uitlaatsysteem in aanraking komen.

WAARSCHUWING
- De radiateurdop niet openen bij hete koelvloeistof.
- Het koelvloeistofpeil uitsluitend op het expansiereservoir controleren en zo nodig bijvullen.
104 RIJDEN
Katalysator
Als door overslaande verbrandingen onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomt, is er kans op oververhitting en beschadiging.
Met het volgende dient rekening te worden gehouden:
-Brandstoftank niet leegrijden.
—Motor niet gedurende een langere periode in de toe- rentalbegrenzer laten draaien.
-Motor bij overslaande ver-
brandingen direct afzetten.
-Alleen loodvrije brandstof tan- ken.
-Houd de voorgeschreven onderhoudsbeurten beslist aan.

LET OP
Onverbrande brandstof in de katalysator
Beschadiging van de katalysator
- De aangegeven punten ter bescherming van de katalysator in acht nemen.
Gevaar voor oververhitting

LET OP
Langere tijd laten draaien van de motor bij stilstand
Oververhitting door ontoe- reikende koeling, in extreme gevallen brand aan de motor- fiets
- De motor niet onnodig stationair laten draaien.
- Na het starten direct wegrijden.
Manipulaties

LET OP
Manipulaties aan de Scooter (bijv. motorregeleenheid, gasklep, koppeling)
Beschadiging van de betroffen onderdelen, uitvallen veiligheidsrelevante functies. Bij schades die veroorzaakt zijn door wijzigingen, vervalt de garantie.
- Geen manipulaties uitvoeren.
CONTROLELIJST IN ACHT NEMEN
- De volgende controlelijst gebruiken om uw motorfiets regelmatig te controleren.
Voorwaarde
Voor het begin van elke rit:
- Werking van het remsysteem controleren.
- Werking van de verlichting en signaalinrichting controleren.
- Bandenprofieldiepte controle-ren. (140)
- Bandenspanning controlleren. (139)
- Veilige bevestiging van top-case en bagage controleren.
Voorwaarde
Bij iedere derde tankstop:
• Veervoorspanning bij het achterwiel instellen. (99)
- Motoroliepeil controleren. (132)
- Remvoeringdikte voor controleren. (134)
- Remvoeringdikte achter controleren. (135)
- Remvloeistofpeil voor- en achterwielrem controleren. (137)
• Koelvloeistofpeil controleren.
(138)
STARTEN
Motor starten
• Het contact inschakelen.
» Pre-Ride-Check en zelfdiagnose worden uitgevoerd. (105)
- Rem bedienen.
Bij een uitgeklapte zijstandaard kan de Scooter niet worden gestart. Als bij draaiende motor de zijstandaard wordt uitgeklapt, slaat de motor af.

• De startknop 1 indrukken.
»De motor slaat aan.
»Als de motor niet aanslaat, kan de storingstabel uitkomst bieden. (190)
Pre-Ride-Check en zelfdiagnose
Na het inschakelen van het contact voert het instrumentenpaneel een controle van de weergave-elementen en de controle- en waarschuwingslampjes uit. Tijdens de Pre-
106 RIJDEN
Ride-Check gaan alle controle- en waarschuwingslampjes tij- delijk branden.
»Als het instrumentenpaneel na het inschakelen van het contact donker blijft, kan de storingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens verder helpen. (190)
» De zelfdiagnose controleert de bedrijfsklare toestand van het BMW Motorrad ABS, en van de BMW Motorrad DTC. knippert.
knippert.


knippert langzaam.
» De controle- en waarschu-
wingslampjes doven nadat
een rijsnelheid van 5 km/h
wordt bereikt.
» De zelfdiagnose is beëindigd.
Als na afsluiting van de zelf- diagnose een storingsmelding wordt getoond:
- De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
RIJDEN
Bij motortoerentallen lager dan circa 1.500 omw/min blijft de centrifugaalkoppeling geopend en blijft de Scooter staan. Als het motortoerental hoger wordt, sluit de koppeling en rijdt de Scooter weg.
In het bereik van circa 50...circa 120 km/h accelereert de motor bij volledig geopende gasklep met een licht stijgend toerental in het bereik van het maximale koppel. De verandering van de snelheid wordt bereikt door de CVT. Hierdoor verandert het motorgeluid in dit snelheidsbereik slechts weinig.
Snelheden boven circa 120 km/h worden bereikt door het verhogen van het motortoerental.
INRIJDEN
Motor
- Tot de inrijcontrole in vaak veranderende belastingsgebieden rijden.
- Kies indien mogelijk bochtige en licht geaccidenteerde wegen, bij voorkeur geen autosnelwegen.
• Inrijtoerental in acht nemen.

inrijtoerental
max. 7000 min ^-1 (op de eerste 1000 km)
- Let op het afgelegde aantal kilometers waarna de inrijcontrole moet plaatsvinden.

Kilometrage tot de inrij-controle
500...1200 km
Remvoeringen
Nieuwe remblokken moeten worden ingereden, voordat deze hun optimale remvertraging bereiken. De verminderde remwerking kan door krachtiger knijpen in de remhendel worden gecompenseerd.

WAARSCHUWING
Nieuwe remblokken
Verlenging van de remweg, gevaar voor ongevallen
• Vroeg remmen.
Banden
Nieuwe banden hebben een glad oppervlak. Ze moeten dan ook met een beheerste rijstijl door het inrijden met wisse- lende overhellingshoeken wor- den ingereden. Pas na het inrij-
den is de volledige grip van het loopvlak bereikt.
Neem de informatie van de bandenfabrikant in acht over het correct inrijden van nieuwe banden.

WAARSCHUWING
Verlies van grip van nieuwe banden bij een natte rijbaan en bij extreme schuinligging
Gevaar voor ongevallen
- Anticiperend rijden en extreme schuinligging vermijden.
REMMEN
Hoe wordt de kortst mogelijke remweg bereikt?
Bij een remactie verandert de dynamische lastverdeling tussen voor- en achterwiel. Hoe sterker wordt afgeremd, hoe zwaarder het voorwiel wordt belast. Hoe hoger de wiellast, hoe groter de remkracht die kan worden overgedragen.
Om de kortst mogelijke remweg te bereiken, moet de voorwielrem krachtig en progressief worden bediend. Daardoor wordt de dynamische belastingverhoging op het voorwiel optimaal benut. Bij de vaak geofende "noodstop", waarbij
108 RIJDEN
de remdruk zo snel mogelijk en met alle kracht wordt opgewekt, kan de dynamische aslastverdeling de vertraging niet volgen en kan de remkracht niet volledig op de rijbaan worden overgebracht. Dit kan leiden tot het blokkeren van het voorwiel.
Het blokkeren van het voorwiel wordt door het BMW Motorrad ABS verhinderd.
Noodstop
Als bij voldoende snelheid sterk wordt afgeremd, worden de achteropkomende verkeers-deelnemers bovendien gewaarschuwd door het snel knippe-ren van het remlicht.
Als daarbij tot <15 km/h wordt afgeremd, wordt de alarmlicht-installatie ingeschakeld. Vanaf een snelheid van 20 km/h wordt de alarmlichtinstallatie automatisch weer uitgeschakeld.
Pasafdalingen

WAARSCHUWING
Bij pasafdalingen overwe- gend remmen met de ach- terwielrem
Remkrachtverlies, onherstelbare schade aan de remmen door oververhitting
- Voor- en achterwielrem bedienen en motorremwerking gebruiken.
Natte en verontreinigde remmen

WAARSCHUWING
Slechtere werking van de remmen door vocht en vuil
Gevaar voor ongevallen
- Remmen droog- resp. schoonremmen, zo nodig reinigen.
- Vroegtijdig remmen tot de volledige remwerking weer beschikbaar is.
Vocht en vuil op de remschijven en de remblokken leiden tot een vermindering van de remwerking.
In de volgende situaties moet rekening worden gehouden met een vertraagde of slechtere remwerking:
-Bij het rijden in de regen en door plassen.
-Na een wasbeurt van het voertuig.
-Bij het rijden op gepekelde wegen.
-Na werkzaamheden aan de remmen door restanten olie of vet.
-Bij het rijden op modderige wegen of bij terreinritten.
ABS Pro
Natuurkundige grenzen

WAARSCHUWING
Remmen in bochten
Gevaar voor vallen ondanks ABS Pro
- Een aangepaste rijstijl blijft altijd de verantwoordelijkheid van de berijder.
- Het extra veiligheidspotentieel niet door een riskante rijstijl weer beperken.
ABS Pro en de ondersteunende functie van de Dynamic Brake Control zijn in alle rijmodi behalve Enduro PRO beschikbaar.
Vallen kan niet worden uitgesloten
Hoewel ABS Pro en Dynamic Brake Control voor de berijder een waardevolle ondersteuning en een enorme veiligheids-
toename bij het remmen bij scheefstand vormen, kunnen de natuurkundige grenzen op geen enkele wijze opnieuw worden gedefinieerd. Net als voorheen is het mogelijk dat deze grenzen door een verkeerde in-schatting of een rijfout worden overschreden. In extreme gevallen kunt u hierdoor vallen.
Gebruik op openbare wegen
Op de openbare weg helpen ABS Pro en Dynamic Brake Control bij een nog veiliger gebruik van de motorfiets. Tijdens het remmen vanwege onverwacht optredende gevaren in bochten voorkomt ABS Pro het blokkeren en wegglijden van de wielen binnen de natuurkundige grenzen. Bij een noodstop verhoogt Dynamic Brake Control de remwerking en grijpt in als tijdens het remmen onbedoeld de gashendel wordt bediend.

ABS Pro is niet ontwikkeld voor het vergroten van het liduele remvermogen bij efstand.
110 RIJDEN
SCOOTER NEERZETTEN
Zijstandaard
- Motor uitschakelen.

LET OP
Slechte staat van de onder- grond onder de standaard
Onderdeelschade door omval- len
- De standaard moet altijd op een vlakke en vaste ondergrond rusten.
- De zijstandaard uitklappen en de Scooter neerzetten.

LET OP
Belasting van de zijstandaard met extra gewicht
Onderdeelschade door omval- len
- Niet op de motorfiets gaan zitten als deze op de zijstandaard staat.
- Indien de schuinte van de weg dit toelaat, het stuur naar links draaien.
Middenbok
- Motor uitschakelen.

LET OP
Slechte staat van de ondergrond onder de standaard
Onderdeelschade door omval- len
- De standaard moet altijd op een vlakke en vaste ondergrond rusten.

LET OP
Inklappen van de middenbok bij sterke bewegingen
Onderdeelschade door omval- len
- Bij een uitgeklapte middenbok niet op de motorfiets plaatsnemen.
- De middenbok uitklappen en de Scooter op de middenbok plaatsen.
TANKEN
Brandstofkwaliteit Voorwaarde
Brandstof moet voor een optimaal brandstofverbruik zwavelvrij of in ieder geval zwavelarm zijn.

LET OP
Tanken van loodhoudende benzine
Beschadiging van de katalysator
- Geen loodhoudende brandstof of brandstof met metaalhoudende additieven (bijv. mangaan of ijzer) tanken.
- Maximale ethanolaandeel van de brandstof aanhouden.

Brandstofadditieven reinigen de brandstofinspuien de verbrandingszone. Bij het tanken van brandstoffen van mindere kwaliteit of bij langere standtijden moeten brandstofadditieven worden gebruikt. Meer informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.

Aanbevolen brandstof- kwaliteit

Super loodvrij (max. 15% ethanol, E10/E15)

95 ROZ/RON 90 AKI
-met normale benzine lood-vrij SU

Aanbevolen brandstof- kwaliteit
Normaal loodvrij (max. 15% ethanol, E15) 91 ROZ/RON 87 AKI
»Op de volgende symbolen in de tankdop en op de pomp letten:


»Na het tanken van brandstoffen van een mindere kwaliteit kunnen er evt. soms kloppende geluiden worden waargenomen.
Tanken
-zonder Keyless Ride ^SU

WAARSCHUWING
Brandstof is licht ontvlam- baar
Brand- en explosiegevaar
- Bij werkzaamheden aan de benzinetank niet roken en van open vuur verwijderd blijven.
112 RIJDEN

WAARSCHUWING
Weglekken van brandstof door uitzetting bij warmte en te ver gevulde brandstof-tank
Kans op ongevallen
- De benzinetank niet teveel vullen.

LET OP
Brandstof op kunststof oppervlakken
Beschadiging van oppervlakken (worden lelijk of dof)
- Kunststof oppervlakken on-middellijk na contact met brandstof reinigen.
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- De tankdop met de contact-sleutel 2 rechtsom ontgrendelen en openen.

- Brandstof maximaal tot de onderzijde van de vulnippel tanken.
Als er wordt getankt na- dat het peil onder de re- servehoeveelheid is gedaald, moet de hoeveelheid brandstof na het tanken groter zijn dan de brandstofreserve om het nieuwe peil te kunnen herken- nen en het brandstofreserve- controlelampje uit te schakelen.
De in de technische gegevens aangegeven "Nuttige tankinhoud" is de hoeveelheid brandstof waarmee de tank kan worden gevuld wanneer de tank leeggereden is, dus wanneer de motor door brandstofgebrek is gestopt.

Nuttige tankinhoud
circa 12,8 l

Reservehoeveelheid
circa 3 l
- De tankdop 2 krachtig aan-drukken en sluiten.
- Sleutel verwijderen en klepje sluiten.
Tanken
-met Keyless Ride ^SU
Voorwaarde
Stuurslot is ontgrendeld.

WAARSCHUWING
Brandstof is licht ontvlam- baar
Brand- en explosiegevaar
- Bij werkzaamheden aan de benzinetank niet roken en van open vuur verwijderd blijven.

WAARSCHUWING
Weglekken van brandstof door uitzetting bij warmte en te ver gevulde brandstof-tank
Kans op ongevallen
- De benzinetank niet teveel vullen.

LET OP
Brandstof op kunststof oppervlakken
Beschadiging van oppervlakken (worden lelijk of dof)
- Kunststof oppervlakken on-middellijk na contact met brandstof reinigen.
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
-met Keyless Ride ^SU
- Het contact uitschakelen. (78)

Na het uitschakelen van het contact kan de tankdop binnen de vastgelegde ver- tragingstijd worden geopend, ook zonder radiografische sleu- tel in het ontvangstgebied.
114 RIJDEN

Nalooptijd voor openen van de tankdop
2 min
»De tankdop kan op 2 manie-ren worden geopend:
-Binnen de nalooptijd.
-Na afloop van de nalooptijd.
Variant 1
-met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Binnen de nalooptijd

- Nok 1 van de tankdop langzaam omhoogtrekken.
» De tankdop ontgrendelt. - De tankdop geheel openen.
Variant 2
-met Keyless Ride SU
Voorwaarde
Na afloop van de nalooptijd
- Radiografische sleutel in ont-
vangstgebied brengen.
• Nok 1 langzaam omhoog trekken en weer loslaten.
»Het controlelampje van de radiografische sleutel knip-
pert, zo lang de radiografische sleutel gezocht wordt.
- Nok 1 van de tankdop op-nieuw langzaam omhoogtrek-ken.
» De tankdop ontgrendelt. - De tankdop geheel openen.

- Brandstof van de hierboven aangegeven kwaliteit tot maximaal de onderzijde van de brandstofvulnippel tanken.
Als er wordt getankt na- dat het peil onder de re- servehoeveelheid is gedaald, moet de hoeveelheid brandstof na het tanken groter zijn dan de brandstofreserve om het nieuwe peil te kunnen herken- nen en het brandstofreserve- controlelampje uit te schakelen.
De in de technische gegevens aangegeven "Nuttige tankinhoud" is de hoeveelheid brandstof waarmee de tank kan worden gevuld wanneer de tank leeggereden
is, dus wanneer de motor door brandstofgebrek is gestopt.

Nuttige tankinhoud
circa 12,8 l

Reservehoeveelheid
circa 3 l
- Lip van de tankdop omhoog trekken.
- Tankdop krachtig omlaag drukken.
» De tankdop vergrendelt hoorbaar.
» De tankdop vergrendelt automatisch na afloop van de nalooptijd.
» De vastgeklikte tankdop vergrendelt direct bij het vastzetten van het stuurslot of het inschakelen van het contact.
Tankdop noodontgrendeling openen
-met Keyless Ride ^SU
Tankdop kan niet worden geopend.
- Het defect zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

•Schroeven 1 uitbouwen.
- De noodontgrendeling 2 verwijderen.
» De tankdop ontgrendelt.
- De tankdop geheel openen.
•Tanken. (113)
• Tankdop noodontgrendeling sluiten. (115)
Tankdop noodontgrendeling sluiten
-met Keyless Ride ^SU
Voorwaarde
De tankdop is dichtgeklapt.

•Schroeven 1 inbouwen.
116 RIJDEN
VOERTUIG VOOR TRAN- PORT BEVESTIGEN
- Alle onderdelen waar spanbanden langs worden geleid tegen krassen beschermen, bijvoorbeeld met tape of zachte doeken.

Omvallen van de motorfiets
Onderdeelschade door omval- len
- Ervoor zorgen dat de motorfiets niet kan omvallen, bij voorkeur met ondersteuning door een tweede persoon.
- Het voertuig op het transport-plateau duwen, niet op de zij-standaard of de middenbok zetten.

Inklemmen van onderdelen
Onderdeelschade
- Onderdelen, zoals bijv. remleidingen of kabelbomen, niet inklemmen.
- De spanbanden voor aan beide zijden kruislings rond de vorkbrug leggen en spannen.
- Daarbij erop letten dat er geen druk op de remleidingen wordt uitgeoefend.
- Het voorspatbord met zachte doeken beschermen.

- De spanbanden achter rondom de handgrepen duopassagier leggen en spannen.
- Alle spanbanden gelijkmatig spannen, het voertuig daarbij zo sterk mogelijk inveren.
TECHNIEK IN DETAIL
08
ALGEMENE AANWIJZINGEN 120
ANTI-BLOKKEERSYSTEEM (ABS) 120
DYNAMISCHE TRACTIECONTROLE (DTC) 123
MOTORSLEEPMOMENTREGELING (MSR) 124
DYNAMIC BRAKE CONTROL 125
BANDENSPANNINGSCONTROLE RDC 126
120 TECHNIEK IN DETAIL
ALGEMENE AANWIJZINGEN
Meer informatie over het onderwerp techniek onder:
bmw-motorrad.com/technik
De maximaal op de rijbaan overdraagbare remkracht is o.a. afhankelijk van de wrijvingscoëfficiënt van het oppervlak van het wegdek. Grind, ijs en sneeuw en een nat wegdek hebben een aanzienlijk slechtere wrijvingswaarde dan een droog en schoon wegdek. Hoe slechter de wrijvingscoëfficiënt van de rijbaan, hoe langer de remweg wordt.
Indien bij een verhoging van de remdruk door de berijder de maximaal overdraagbare remkracht wordt overschreden, beginnen de wielen te blokkeren en gaat de rijstabiliteit verloren. Een val kan het gevolg zijn. Voordat deze situatie optreedt, grijpt het ABS in en past de remdruk aan de maximaal overdraagbare remkracht aan, zodat de wielen blijven draaien en de rijstabiliteit behouden blijft, ongeacht de toestand van het wegdek.
Wat gebeurt er bij oneffenheden in de rijbaan?
Door oneffenheden in het wegdek kan kortstondig contactverlies tussen band en wegdek ontstaan en wordt de overdraagbare remkracht tot nul gereduceerd. Indien in deze situatie wordt geremd, moet het ABS de remdruk reduceren om de rijstabiliteit bij het herstel van het contact met het wegdek te garanderen. Op dat moment moet het BMW Motorrad ABS uitgaan van extreem lage wrijvingscoëfficiënten (grind, ijzel, sneeuw), zodat de wielen in alle denkbare situaties blijven draaien om de rijstabiliteit te waarborgen. Na het herkennen van de werkelijke omstandigheden regelt het systeem de optimale remdruk in.
Omhoogkomen van het achterwiel
Bij een hoge grip tussen de banden en de straat wordt het voorwiel zelfs bij sterk remmen pas zeer laat of helemaal niet geblokkeerd. Overeenkomstig moet ook de ABS-regeling pas zeer laat of helemaal niet ingrijpen. In dit geval kan het achterwiel loskomen, wat kan
leiden tot het over de kop slaan van de Scooters.

WAARSCHUWING
Omhoog komen van het achterwiel door krachtig remmen
Kans op ongevallen
- Houd er bij het remmen rekening mee dat de ABS-regeling niet in alle gevallen kan voorkomen dat het achterwiel omhoogkomt.
Hoe is de BMW Motorrad ABS ontworpen?
Het BMW Motorrad ABS waarborgt binnen de grenzen van de natuurkundige wetten de rijstabiliteit op elke ondergrond. Het systeem is niet ontworpen voor speciale eisen zoals die gelden voor wedstrijdgebruik in het terrein of op het circuit.
Bijzondere situaties
Voor het herkennen van de blokkeerneiging worden o.a. de toerentallen van het voor- en achterwiel vergeleken. Indien over een langere periode niet aannemelijke waarden worden herkend, wordt om veiligheidsredenen de ABS-functie uitgeschakeld en een ABS-storing weergegeven. Voorwaarde voor een storingsmelding is een afgesloten zelfdiagnose.
Behalve problemen van het BMW Motorrad ABS kunnen ook ongebruikelijke rijsituaties tot een storingsopslag leiden.
Ongebruikelijke rijmodi
-Het achterwiel laten draaien bij bediende voorwielrem (burn out). -Gedurende een langere periode glijdend achterwiel op gladde weg, bijv. bij het vertragen met de remwerking van de motor.
Indien vanwege een van de hierboven beschreven rijsituaties een storingsmelding ontstaat, kan de ABS-functie door het uit- en inschakelen van het contact weer worden geactiveerd.
122 TECHNIEK IN DETAIL
Welke rol speelt regelmatig onderhoud?

WAARSCHUWING
Niet regelmatig onderhouden remsysteem
Gevaar voor ongevallen
- Om er zeker van te zijn, dat de staat van onderhoud van het BMW Motorrad ABS optimaal is, moeten de voorge-schreven onderhoudsintervallen beslist worden aange-houden.
Reserves voor de veiligheid
Het BMW Motorrad ABS mag door het vertrouwen op een kortere remweg geen aanleiding zijn om risico's te nemen. Het is in eerste instantie een veiligheidsreserve voor noodsituaties.
Let op in de bochten! Het remmen in een bocht is onderworpen aan bijzondere natuurkundige wetmatigheden die ook het BMW Motorrad ABS niet buiten spel kan zetten.
Doorontwikkeling van ABS tot ABS Pro
Tot dusverre zorgde het BMW Motorrad ABS voor een zeer hoge mate van veiligheid bij het remmen bij het rechtuit rijden. Nu biedt ABS Pro ook bij het remmen in bochten meer veiligheid. Het ABS Pro voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs bij plotseling remmen. Het ABS Pro vermindert, met name bij remmen door een schrikreactie, abrupte stuurkrachtwijzigingen en daardoor het ongewenst oprichten van het voertuig.
ABS-regeling
Technisch gezien past de ABS Pro die ABS-regeling zich, afhankelijk van de betreffende rijsituatie, aan de maximum overhelhoek van de motorfiets aan. Voor de bepaling van de scheefstand van de motorfiets worden signalen van het rol- en het giermoment en de dwarsversnelling gebruikt. Als de scheefstand toeneemt, wordt de remdrukgradiënt bij het rembegin steeds verder ge- limiteerd. Hierdoor vindt de drukopbouw langzamer plaats. Bovendien vindt de drukmodu-
latie bij de ABS-regeling gelijk-matiger plaats.
Voordelen voor de berijder
De voordelen van ABS Pro voor de berijder zijn een gevoelig aanspreken en een hoge rem- en rijstabiliteit bij optimale ver- traging, ook in bochten.
DYNAMISCHE TRACTIECON- TROLE (DTC)
Hoe werkt de tractiecontrole?
De tractiecontrole vergelijkt de wielomtreksnelheden van het voor- en achterwiel. Uit het verschil in snelheid worden de slip en daarmee de stabiliteitsreserves aan het achterwiel berekend. Als een bepaalde sliplimiet wordt overschreden, wordt het motorkoppel door de motorregeling aangepast. De Dynamische tractiecontrole (DTC) houdt rekening met de scheefstand en zorgt door de informatie over de scheefstand en acceleratie voor een nauwkeurigere en comfortabelere regeling
BMW Motorrad DTC is een be- rijdersassistentsysteem en is voor gebruik op de openbare weg ontwikkeld. Vooral in het grensgebied van de natuurkundige wetten heeft de berijder duidelijk invloed op de regel- mogelijkheden van de DTC (ge- wichtsverplaatsing in bochten, losse lading).
Het systeem is niet ontworpen voor speciale eisen zoals die gelden voor wedstrijdgebruik in het terrein of op het circuit. Voor deze gevallen kan de BMW Motorrad DTC worden uitgeschakeld.

WAARSCHUWING
Gevaarlijk rijgedrag
Gevaar voor ongevallen on- danks DTC
- Een aangepaste rijstijl blijft altijd de verantwoordelijkheid van de berijder.
- Het extra veiligheidspotentieel niet door een riskante rijstijl weer beperken.
Bijzondere situaties
Bij toenemende scheefstand wordt het acceleratievermo-gen overeenkomstig de natuur-kundige wetten steeds verder ingeperkt. Daardoor is het mo-gelijk dat vanuit scherpe boch- ten vertraagd wordt geaccele-reerd.
124 TECHNIEK IN DETAIL
Als deze waarden voor de scheefstand gedurende langere tijd als niet-aannemelijk worden herkend, wordt een vervangingswaarde voor de scheefstand gebruikt resp. wordt de DTC uitgeschakeld. In deze gevallen wordt een DTC-storing weergegeven. Voorwaarde voor een storingsmelding is een afgesloten zelfdiagnose.
Bij de volgende bijzondere rij- omstandigheden is het mogelijk dat de tractieregeling automatisch wordt uitgeschakeld.
Ongebruikelijke rijsituaties:
-Gedurende langere tijd op het achterwiel rijden (wheelie).
-Het achterwiel laten draaien bij bediende voorwielrem (burn-out).
-Warmdraaien op een hulpstandaard met ingeschakelde neutraalstand of ingeschakelde versnelling.
Als het voorwiel bij een extreme acceleratie het weg-contact verliest, vermindert de DTC afhankelijk van de rijmodus, resp. de DTC-instelling het motorkoppel, tot het voorwiel weer de weg raakt.
BMW Motorrad raadt bij het opheffen van het voorwiel aan de gashendel iets terug te draaien om zo snel mogelijk opnieuw in een stabiele rijtoestand te komen.
MOTORSLEEPMOMENTRE- GELING (MSR)
Hoe werkt de motorsleepmo- mentregeling?
De motorsleepmomentregeling heeft de taak om instabiele rij-omstandigheden door een te hoog sleepmoment op het achterwiel te voorkomen. Afhankelijk van de rijbaantoestand en rijdynamiek kan een te hoog sleepmoment de slip op het achterwiel aanzienlijk vergroten en de rijstabiliteit verminderen. De motorsleepmomentregeling begrenst te veel slip op het achterwiel tot een veilige, van de modus en overhellingshoek afhankelijke doelslip.
Oorzaken voor te veel slip op het achterwiel:
-Afremmen op de motor op een rijbaan met een lage wrijvingscoëfficiënt (bijv. natte bladeren).
-Hard aanremmen bij een sportieve rijstijl.
Net als de tractiecontrole DTC vergelijkt de motorsleepmo- mentregeling de wielomtrek-
snelheden van het voor- en achterwiel. Aan de hand van aanvullende informatie over de overhelling kan de motorsleep-momentregeling de slip resp. de stabiliteitsreserve van het achterwiel bepalen.
Wanneer de slip groter is dan de betreffende grenswaarde, wordt het motorkoppel door het licht openen van de gas-klep verhoogd. De slip wordt verminderd en de motorfiets gestabiliseerd.
DYNAMIC BRAKE CONTROL
Functie van de Dynamic Brake Control
De functie van de Dynamic Brake Control ondersteunt de berijder bij een noodstop.
Herkenning van een noodstop
—Een noodstop wordt herkend als de voorwielrem snel en krachtig wordt bediend.
Gedrag bij een noodstop
-Als bij een snelheid van meer dan min. 10 km/h een noodstop wordt uitgevoerd, is naast de ABS-functie ook de Dynamic Brake Control actief.
-Bij gedeeltelijk remmen met hoge remdrukgradiënten verhoogt de Dynamic Brake Control de integrale remdruk op
het achterwiel. De remweg wordt korter en er kan gecontroleerd worden geremd.
Gedrag bij onbedoeld bedienen van de gashendel
-Als bij een noodstop onbe-doeld de gashendel wordt be-diend (hendelstand > 5%), wordt de eigenlijk geacti-veerde remwerking door de Dynamic Brake Control ge-waarborgd door het open-draaien van de gashendel te negeren. De werking van de noodstop wordt gewaar-borgd.
- Als tijdens de ingreep van de Dynamic Brake Control het gas wordt gesloten (gashendelstand < 5%), wordt het door het ABS-remsystem ge-vraagde motorkoppel hersteld.
-Als de remingreep bij gevaar wordt beëindigd en de gashendel nog steeds wordt bediend, regelt de Dynamic Brake Control het motorkoppel gecontroleerd terug naar de bestuurderswens.
126 TECHNIEK IN DETAIL
BANDENSPANNINGSCONTROLE RDC
-met bandenspanningscontrole (RDC) ^OA
Werking
In elke band bevindt zich een sensor die de temperatuur en de spanning in de band meet en deze informatie naar de regeleenheid stuurt.
De sensoren zijn uitgerust met een centrifugaalregelaar die de overdracht van de meetwaarden na het eerste overschrijden van de minimumsnelheid vrij- geeft.

Minimumsnelheid voor de registratie van de
RDC-meetwaarden:
min. 30 km/h
Voor de eerste ontvangst van de bandenspanning wordt op het display "--" weergegeven voor elke band. Nadat de motorfiets stilstaat worden de meetwaarden nog enige tijd door de sensoren doorgegeven.

De overdrachtduur van de meetwaarde na stil- d van de motorfiets:
min. 15 min
Als een RDC-regeleenheid is ingebouwd, maar hebben de
wielen geen sensoren, dan wordt een storingsmelding weergegeven.
Bandenspanningsbereiken
De RDC-regeleenheid maakt onderscheid tussen drie op de motorfiets afgestemde bandenspanningsbereiken:
-Bandenspanning binnen de toelaatbare tolerantie
-Bandenspanning in het grensgebied van de toelaatbare tolerantie
-Bandenspanning buiten de toelaatbare tolerantie
Temperatuurcompensatie
De bandenspanning is temperatuurafhankelijk: Deze neemt toe naarmate de bandentemperatuur toeneemt resp. daalt naarmate de bandentemperatuur afneemt. De bandentemperatuur is afhankelijk van de buitentemperatuur en de rijstijl en duur van de rit.
Op het multifunctioneel display worden de bandenspanningen met temperatuurcompensatie weergegeven, waarbij ze altijd betrekking hebben op een bandentemperatuur van 20 °C.
Bij de bandenspanningsmeters van tankstations vindt geen temperatuurcompensatie plaats, de gemeten ban-
denspanning is afhankelijk van de bandentemperatuur. Daardoor komen de daar weergegeven waarden in de meeste gevallen niet overeen met de waarden die op het display weergegeven worden.
Aanpassing van de bandenspanning
Vergelijk de RDC-waarde in het instrumentenpaneel met de waarde op de achterkant van de omslag van de handleiding. De afwijking tussen beide waarden moet met de bandenspanningsmeter van het tankstation worden gecompenseerd.
| Voorbeeld |
| Volgens de handleiding moet de bandenspanning de vol-gende waarde hebben: |
| 2,5 bar |
| In het instrumentenpaneel wordt de volgende waarde weergegeven: |
| 2,3 bar |
| Het volgende ontbreekt dus: |
| 0,2 bar |
| Het testapparaat in het tank-station toont: |
| 2,4 bar |

Voorbeeld
Om de juiste bandenspanning te bereiken, moet deze naar de volgende waarde worden verhoogd:
2,6 bar
ONDERHOUD
09
ALGEMENE AANWIJZINGEN 130
STANDAARD GEREEDSCHAPSSET 131
VOORWIELSTANDAARD 131
MOTOROLIE 132
REMSYSTEEM 134
KOELVLOEISTOF 138
BANDEN 139
VELGEN EN BANDEN 139
WIELEN 140
ZEKERINGEN 152
LAMPEN 156
ACCU 156
KUIPDELEN 162
DIAGNOSECONTACTDOOS 164
130 ONDERHOUD
ALGEMENE AANWIJZINGEN
In het hoofdstuk Onderhoud worden werkzaamheden voor het controleren en vervangen van slijtagedelen beschreven die eenvoudig uit te voeren zijn.
Indien bij de montage rekening moet worden gehouden met speciale aanhaalkoppelwaarden, dan worden deze eveneens vermeld. Een overzicht van alle benodigde aanhaalkoppelwaarden vindt u in het hoofdstuk Technische gegevens.
Voor het uitvoeren van een aantal van de beschreven werkzaamheden zijn speciale gereedschappen en een gedegen vakkennis vereist. Bij twijfel contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Micro-ingekapselde bouten
De micro-inkapseling is een chemische schroefdraadborging. Hierbij wordt door een lijdstof een vaste verbinding gemaakt tussen een schroef en een moer of een onderdeel. Micro-ingekapselde bouten zijn daarom slechts geschikt voor eenmalig gebruik.
Zowel bij uit- als inbouw moet de schroefdraadboring altijd worden gereinigd. Na het uit-bouwen moet de lijm uit de binnenschroefdraad worden verwijderd. Bij het inbouwen moet een nieuwe micro-inge-kapselde bout worden gebruikt. Vóór het uitbouwen ervoor zorgen dat geschikt gereedschap voor het reinigen van de schroefdraad en een vervan-gende bout beschikbaar zijn. Bij een ondeskundige bewerking kan de borgingsfunctie van de schroef niet meer ge-waarborgd zijn, waardoor u zichzelf in gevaar brengt!
Kabelbinders voor eenmalig gebruik
Soms zijn bedrading en leidingen met kabelbinders voor eenmalig gebruik bevestigd.
Om bij de uitbouw beschadigingen aan bedrading en leidingen te vermijden, moet een geschikt gereedschap, bijvoorbeeld een zijkniptang worden gebruikt.
Bij het weer inbouwen moeten losgemaakte bedrading en leidingen weer met nieuwe kabelbinders voor eenmalig gebruik worden bevestigd.
Uitstekende uiteinden moeten met een kabelbindertang worden afgeknipt.
STANDAARD GEREED- SCHAPSSET

1 Haaksleutel
-Veervoorspanning bij het achterwiel instellen. (89)
2 Omkeerbare schroeven-draaier
Kruiskop PH1 en Torx T25
-Bekledingspanelen uitbouwen.
-Accudeksel uitbouwen. (162)
3 Steeksleutel
Sleutelwijdte 10/16 mm
—Accu uitbouwen (160).
4 Steeksleutel
Sleutelwijdte 14 mm
-Spiegelarm instellen. (98)
VOORWIELSTANDAARD
Voorwielstandaard aanbrengen
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Basisstandaard met voorwielbevestiging gebruiken. De basisstandaard en zijn accessoires zijn bij uw BMW Motorrad Partner verkrijgbaar.

• Bouten 1 losdraaien.
- De beide bevestigingen 2 zo ver naar buiten schuiven tot de voorwielgeleiding er tussen past.
- De gewenste hoogte van de voorwielstandaard met behulp van de fixeerpennen 3 instellen.
- De voorwielstandaard in het midden van het voorwiel plaatsen en tegen de vooras schuiven.
132 ONDERHOUD

- De bevestigingen 2 links en rechts zo uitrichten dat de voorwielgeleiding goed erop ligt.
- De bevestigingsbouten 1 links en rechts aantrekken.

Inklappen van de middenbok als de motorfiets te ver omhoog wordt gebracht
Onderdeelschade door omval- len
- Bij het optillen erop letten dat de middenbok op de grond blijft.
-
Zo nodig de hoogte van de voorwielstandaard aanpassen.
-
De voorwielstandaard gelijkmatig omlaag drukken om de Scooter op te tillen.
- Ervoor zorgen dat de Scooters veilig staat.
MOTOROLIE
Motoroliepeil controleren
Om het oliepeil correct te bepalen, moet het voertuig op de middenbok staan.
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten
dat de ondergrond vlak en stevig is.

LET OP
Verkeerde interpretatie van het oliepeil, omdat het olie- peil temperatuurafhankelijk is (hoe hoger de tempera- tuur, hoe hoger het oliepeil) Motorschade door fout bij het vullen
- Het oliepeil na een langere rit resp. bij warme motor controleren.
- De motor stationair laten draaien, tot de ventilator gaat draaien, vervolgens nog twee minuten inactief laten draaien.
- De motor uitschakelen en twee minuten wachten, zodat de olie zich kan verzamelen.
- De omgeving van de olievul-opening reinigen.

Omvallen van de motorfiets
Onderdeelschade door omval- len
- Ervoor zorgen dat de motorfiets niet kan omvallen, bij voorkeur met ondersteuning door een tweede persoon.
• De oliepeilstok 1 uitbouwen.

- Het meetbereik 2 van de oliepeilstok met een droge doek reinigen.
134 ONDERHOUD
- De oliepeilstok op de olievul-opening aanbrengen, maar niet erin draaien.
- De oliepeilstok verwijderen en het oliepeil aflezen.


Voorgeschreven motor- oliepeil
Tussen MIN- en MAX-marke- ring (Motor op bedrijfstem- peratuur, oliepeilstaaf alleen neerleggen, niet erin schroe- ven.)
Bij een oliepeil onder de MIN- markering:
- Motorolie tot het voorge-schreven peil bijvullen.

Bijvulhoeveelheid motor- olie
max. 0,4 l (Verschil tussen MIN en MAX)
Bij een oliepeil boven de MAX-markering:
- Olieniveau bij een vakwerkplaats laten corrigeren, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
- De oliepeilstok erin draaien en met de hand vastdraaien.
REMSYSTEEM
Remfunctie controleren
• Rechter remhendel bedienen.
» Er moet een duidelijk druk-
punt voelbaar zijn.
• Remhendel links bedienen.
» Er moet een duidelijk druk-
punt voelbaar zijn.
Zijn geen duidelijke drukpunten merkbaar:
- De remmen bij een vakwerkplaats laten controleren, bij voorkeur bij een BMW Motorrad Partner.
Remvoeringdikte voor controleren
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Remblokdikte visueel controleren. Stuur naar rechts draaien.
- Kijkrichting: Vanaf de achterzijde op de remblokken 1.
- Stuur naar links draaien en de remvoeringdikte aan de rechterzijde op dezelfde wijze controleren.

Slijtagegrens remvoering, voor
≥1 mm (Alleen remvoering zonder rugplaat. Slijtagemarkeringen (groeven) moeten duidelijk zichtbaar zijn.)
Als de slijtagemarkeringen niet meer duidelijk zichtbaar zijn:

WAARSCHUWING
Onderschrijden van de mini- male remblokdikte
Verminderde remwerking, beschadiging aan de remmen
- Om de bedrijfszekerheid van het remsysteem te waarbor-gen mogen de remblokken niet dunner worden dan de minimaal toelaatbare dikte.
- Remblokken door een vakwerkplaats laten vernieuwen, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
- BMW Motorrad beveelt aan alleen originele remblokken van BMW Motorrad te monteren.
Remvoeringdikte achter controleren
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
136 ONDERHOUD

- Remblokdikte visueel controleren. Kijkrichting: Vanaf de achterzijde op de remblokken 1.

Slijtagegrens remvoering, achter
min. 1 mm (Alleen remvoering zonder rugplaat. De slijtagemarkeringen (groeven) moeten duidelijk zichtbaar zijn.)
Als de slijtagemarkeringen zijn bereikt:

WAARSCHUWING
Onderschrijden van de mini- male remblokdikte
Verminderde remwerking, beschadiging aan de remmen
- Om de bedrijfszekerheid van het remsysteem te waarbor-gen mogen de remblokken niet dunner worden dan de minimaal toelaatbare dikte.
- Remblokken door een vakwerkplaats laten vernieuwen, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
- BMW Motorrad beveelt aan alleen originele remblokken van BMW Motorrad te monteren.
Remvloeistofpeil
Het remvloeistofpeil kan worden gecontroleerd bij de inspectieglazen van de remvloeistofreservoirs. Het remvloeistofreservoir voor de voorwielrem bevindt zich rechts, het remvloeistofreservoir voor de achterwielrem links.
Remvloeistofpeil voor- en achterwielrem controleren

WAARSCHUWING
Te weinig of verontreinigde remvloeistof in het remvloeistofreservoir
Duidelijk verminderd remver- mogen door lucht, verontrei- nigingen of water in het rem- systeem
- Onmiddellijk stoppen met rijden totdat het defect verholpen is.
- Het remvloeistofpeil regelmatig controleren.
- De dop van het remvloeistofreservoir vóór het openen reinigen.
- Alleen remvloeistof uit een verzegelde flacon gebruiken.
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Het stuur zo uitrichten zetten, dat het remvloeistofreservoir horizontaal staat.

- Remvloeistofpeil aflezen in het inspectieglas 1 van het linker resp. rechter remvloeistofreservoir.

Door de slijtage van de remblokken daalt het rem- stofpeil in het reservoir.


Remvloeistofpeil
Remvloeistof, DOT4
Het remvloeistofpeil mag niet onder de MIN-markering ko-men. (Remvloeistofreservoir horizontaal)
138 ONDERHOUD
Als het remvloeistofpeil tot onder het toegestane peil daalt:
- Het defect zo snel mogelijk door een vakwerkplaats laten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
KOELVLOEISTOF
Koelvloeistofpeil controleren
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- Kijkrichting: vanaf de voorzijde onder de frontbeplating. Koelvloeistofpeil bij het koel-vloeistofexpansiereservoir 1 aflezen.

Voorgeschreven koel-vloeistofpeil in expansie-reservoir
Tussen MIN- en MAX-marke- ring (bij koude motor)
Als het koelvloeistofpeil tot onder het toegestane peil daalt:
• Koelvloeistof bijvullen.
Koelvloeistof bijvullen
- Kuipzijdeel uitbouwen. (163)

- Sluiting 1 van het koelvloeistofexpansiereservoir openen en koelvloeistof bijvullen tot het voorgeschreven niveau.
- Koelvloeistofpeil controleren. (138)
- Sluiting 1 van het koelvloeistofexpansiereservoir sluiten.
• Kuipzijdeel inbouwen. (163)
BANDEN
Bandenspanning controlleren

WAARSCHUWING
Onjuiste bandenspanning.
Slechtere rijeigenschappen van het voertuig. Kortere levensduur van de banden.
- Zorg voor een correcte bandenspanning.

WAARSCHUWING
Zelfstandig openen van verticaal ingebouwde binnenventielen bij hoge snelheden
Plotseling verlies van de bandenspanning
- Ventieldopjes met rubber af-dichting gebruiken en deze goed vastschroeven.
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- De bandenspanning aan de hand van de volgende gegevens controleren.

Bandenspanning voor
2,2 bar (Solo, bij koude banden)
2,4 bar (Rijden met duopassagier en belading; bij koude banden)

Bandenspanning achter
2,4 bar (Solo, bij koude banden)
2,6 bar (Rijden met duopas-sagier en belading; bij koude banden)
Als de bandenspanning te laag is:
• Bandenspanning corrigeren.
VELGEN EN BANDEN
Velgen controleren
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Velgen visueel op defecten controleren.
- Beschadigde velgen door een vakwerkplaats laten controleren en eventueel laten vernieuwen, bij voorkeur door een BMW Motorrad Partner.
140 ONDERHOUD
Bandenprofieldiepte controleren

WAARSCHUWING
Rijden met sterk versleten banden
Gevaar voor ongevallen door verslechterd rijgedrag
- Eventueel de banden vóór het bereiken van de wettelijk voorgeschreven minimale profieldiepte vervangen.
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is. - Bandenprofieldiepte in de hoofdprofielgroeven met slij-tagemarkeringen meten.
Op elke band zijn slijtage-markeringen in de hoofd-profielgroeven geïntegreerd. Indien de slijtagemarkeringen zichtbaar zijn, is de band volledig versleten. De posities van de slijtagemarkeringen zijn op de zijkant van de band aangegeven, bijv. door de letters TI, TWI of door een pijl.
Als de minimale profieldiepte is bereikt:
- Betreffende band(en) vervangen.
WIELEN
Aanbevolen banden
Voor elke bandenmaat zijn bepaalde bandenmerken door BMW Motorrad getest, als verkeersveilig beoordeeld en goedgekeurd. Van andere banden kan BMW Motorrad de geschiktheid van het product niet beoordelen en daarom niet instaan voor de rijveiligheid. BMW Motorrad adviseert, alleen banden te gebruiken, die door BMW Motorrad zijn getest en goedgekeurd. Uitgebreide informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.
Invloed van de wielmaten op het rijwielregelsysteem
De wielmaat speelt een belang- rijke rol bij het onderstelregel- systeem ABS. Met name de diameter en breedte van de wielen zijn als basis voor alle noodzakelijke berekeningen in de regeleenheid opgeslagen. Een wijziging van deze maten door de ombouw naar andere dan de standaard gemonteerde wielen kan ernstige gevolgen voor het regelkarakter van deze systemen hebben.
Ook de voor de wieltoerental-herkenning benodigde sensor-
ringen moeten bij de gemon- teerde regelsystemen passen en mogen niet worden vervan- gen.
Neem voordat u uw Scooter met andere wielen uitrust, contact op met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner. In enkele gevallen kunnen de in de regeleenheden opgeslagen gegevens aan de nieuwe wielmaten worden aangepast.
Voorwiel uitbouwen
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.

- De gedeelten van de velg afplakken die bij het verwijderen van de remklauwen kunnen worden beschadigd.
- Remleiding uit de houders 1 losmaken.

LET OP
Ongewenst samendrukken van de remblokken
Onderdeelschade bij het aanbrengen van de remklauw of bij het uit elkaar drukken van de remblokken
- De remmen bij een uitgebouwde remklauw niet bedienen.
- De bouten 2 van de remklauwen links en rechts uitbouwen.

- Remblokken 3 door draaiende bewegingen van de rem-klauw 4 tegen de remschijf 5 iets uit elkaar drukken.
- Remklauwen naar achteren en naar buiten toe voorzichtig van de remschijven trekken.
- Remblokken 3 door draaiende bewegingen van de remklauw 4 tegen de remschijf 5 iets uit elkaar drukken. - Remklauwen naar achteren en naar buiten toe voorzichtig van de remschijven trekken.
142 ONDERHOUD
- Scooter voor optillen totdat het voorwiel vrij draait, bij voorkeur met een BMW Motorrad voorwielstandaard.
- Voorwielstandaard aanbrengen. (131)

• Bout 1 uitbouwen.
•Klembout 2 losdraaien.

•Klembout 3 losdraaien.
- De steekas 4 aan de linker-zijde iets naar binnen drukken, om deze aan de rechterzijde beter te kunnen vastpakken.
- De steekas 4 uitbouwen, daarbij het wiel ondersteunen.

LET OP
Onjuiste uitbouw van voor- wiel
Beschadiging van wieltoerentalsensor
- Bij het naar buiten rollen van het voorwiel op de wieltoe-rentalsensor letten.
- Voorwiel naar voren rollen en verwijderen.
Voorwiel inbouwen

WAARSCHUWING
Gebruik van een niet standaard wiel
Storingen bij regelingrepen van ABS en DTC
- Opmerkingen over de invloed van de wielmaten op de rijwielregelsystemen ABS en DTC aan het begin van dit hoofdstuk in acht nemen.

LET OP
Aantrekken van boutverbindingen met verkeerd aan-haalmoment
Beschadiging of loskomen van boutverbindingen
- Aanhaalmomenten altijd la- ten controleren door een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

- Afstandsbus 5 zo nodig reinigen en smeren.

Smeermiddel
Optimoly TA
- Evt. afstandsbus 5 aan de linkerzijde in de wielnaaf plaatsen.

LET OP
Voorwiel tegen de draairich- ting inbouwen
Gevaar voor ongevallen
- De richtingspijlen op de banden of de velgen in acht nemen.

LET OP
Onjuiste inbouw van voor- wiel
Beschadiging van wieltoerentalsensor
- Bij het naar binnen rollen van het voorwiel op de wiel-toerentalsensor letten.
- Voorwiel in de voorwielgeleiding rollen.

- Het voorwiel optillen, de stee-kas 4 inbouwen.

- De bout 1 met het voorge-schreven koppel inbouwen. De steekas daarbij aan de rechterzijde tegenhouden.
| Bout in steekas voor |
| M12 x 20 |
| 32 Nm |

- De klembouten 3 en 2 met het voorgeschreven koppel aantrekken.
| Klembout (steekas) in telescoopvork |
| M8 x 30 |
Klembout (steekas) in telescoopvork
19 Nm
- Voorwielstandaard verwijderen.

- De remklauw 4 over de remschijf aanbrengen, daarbij ervoor zorgen dat de remschijf 5 tussen de remvoeringen 3 bevindt. - Remklauw aan de andere zijde op dezelfde manier inbouwen.

- Bouten 2 links en rechts in-bouwen totdat de boutkop contact maakt, maar niet aan-trekken.
- Remmen meerdere keren bedienen tot remblokken aanliggen, remhendel met rubberband vastzetten.
- Bouten 2 links en rechts met koppel aantrekken.

Remklauw op vorkpoot
$$ \mathrm{M8} \times 5 0 - 1 0. 9 $$
32 Nm
- Remleiding in de houders 1 bevestigen.
• Remhendel losmaken. - Bouten 2 links en rechts nogmaals met koppel natrekken.

Remklauw op vorkpoot
$$ \mathrm{M8} \times 5 0 - 1 0. 9 $$
32 Nm
- Plakstroken van de velg verwijderen.
Achterwiel uitbouwen

VOORZICHTIG
Hete motor en/of heet uit- laatsysteem
Verbrandingsgevaar
- Vóór aanvang van de werkzaamheden motor en uitlaatsysteem eerst laten afkoelen.
- De Scooter op de middenbok plaatsen en daarbij erop letten
dat de ondergrond vlak en stevig is.
- De gedeelten van de velg afplakken die kunnen worden beschadigd.

• Bout 1 uitbouwen.
- De afdekking voor de uitlaatdemper 2 optillen.

- De afdekking voor de uitlaatdemper 2 naar achter schuiven en verwijderen.
146 ONDERHOUD

- De bout 4 van de klem 5 los-draaien.
- Bouten 6 met onderlegringen uitbouwen.
- De uitlaatdemper 7 van het uitlaatspruitstuk lostrekken en uitbouwen.

- De achterwielrem met de handhendel bedienen en de handhendel met rubberband vastzetten.
»Het achterwiel kan niet draaien. - De afdekking 1 voorzichtig losdrukken en uitbouwen.
- De moer 2 en onderlegring 3 uitbouwen.
- De rubberband van de achterwielrem verwijderen.

•Schroeven 1 uitbouwen.
• Achterspatbord 2 optillen.

- Remslang uit houder 3 losma- ken.
- Bout 4 verwijderen en houder voor remslang 5 losmaken.
- Remklauw 6 tegen de rem-
schijf drukken.
» De remzuiger wordt teruggedrukt.
•Schroeven 7 uitbouwen. - Remklauw 6 omhoog van de remschijf trekken en op-zij hangen.

- Buddyseat openen.
- De ontgrendelingshendel 1 naar voren trekken en de klep van het opbergvak 2 openen.

•Schroef 3 uitbouwen.
- De veerpoot 4 naar achter draaien.

- Moer 1 van de bovenste veerpootbevestiging losdraaien, daarbij bout 2 met zeskantsleutel tegenhouden.

•Schroeven 1 uitbouwen.

- De achterbrug 2 losmaken, daarbij ervoor zorgen dat de kabel 3 van de wieltoerental-sensor niet wordt beschadigd.
148 ONDERHOUD

- De kabel 3 van de wieltoerentalsensor en de remslang 4 tussen de olievulpijp 5 en het achterspatbord 6 doorvoeren.
» De kabel 3 staat niet onder spanning.
• De achterbrug 2 wegleggen.

• Afstandsbus 1 verwijderen.
- Achterwiel 2 van uitgaande as lostrekken en verwijderen.
Achterwiel inbouwen

LET OP
Aantrekken van boutverbindingen met verkeerd aan-haalmoment
Beschadiging of loskomen van boutverbindingen
- Aanhaalmomenten altijd laten controleren door een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

• De uitgaande as reinigen.
- De vertanding van de uit-gaande as smeren.

Smeermiddel
Pasta MP 3
»Geen smeermiddel aanbren-gen op de schroefdraad van de uitgaande as.
- Achterwiel 2 op de uitgaande as schuiven en door draaien in de vertanding te laten vast-klikken.
• De afstandsbus 1 inbouwen.

- Achterwieldraagarm 2 met kabel 3 voor wieltoerentsensor en remslang 4 terugvoeren.

- Achterbrug 2 aanbrengen, let daarbij op het correct plaatsen van de kabel 3 voor de wieltoerentsensor.

- Bouten 1 aanbrengen en met koppel aantrekken.
Subframe rechts aan aandrijfeenheidswing-arm
M10 × 50 38 Nm

- De veerpoot 4 naar voren draaien en aanbrengen. - Bouten 3 aanbrengen en met koppel aantrekken.
Veerpoot op subframe M10 x 50 38 Nm
150 ONDERHOUD

• Moer 1 vernieuwen.
- Bouten 2 met zeskantsleutel tegenhouden en moeren 1 met koppel aantrekken.
| Veerpoot op frame |
| M10 x 50 |
| Boutborgmiddel: mechanisch |
| 38 Nm |
- De klep van het opbergvak sluiten.
• De buddyseat sluiten.

• Schroefdraad reinigen.
- De remklauw 6 over de rem-
schijf aanbrengen, daarbij
ervoor zorgen dat de rem-
schijf 8 tussen de remvoeringen 9 bevindt.

- Remklauw 6 positioneren, neue bouten 7 erin bouwen en met koppel aantrekken.
| Remklauw achter op achterbrug |
| M8 x 30 - 10.9 |
| Boutborgmiddel: Micro-inge-kapseld |
| 32 Nm |
- De houder van de remslang 5 aanbrengen, de bout 4 monteren en met het voorgeschreven koppel vastzetten.
| Remslanghouder op subframe |
| M6 x 12 |
| 8 Nm |
- De remslang in de houder 3 bevestigen.

- Het achterspatbord 2 positioneren.
• Schroeven 1 inbouwen.

Achterspatbord aan aan- drijflijnswingarm
M6 x 16
8 Nm

- De achterwielrem meerdere malen bedienen, opdat de remvoeringen aanliggen.
- De achterwielrem met de handhendel bedienen en de handhendel met rubberband vastzetten.
» Het achterwiel kan niet draaien.
- De onderlegring 3 aanbren-gen.
- Nieuwe moer 2 monteren en met het voorgeschreven koppel aantrekken.

Achterwiel op uitgaande as
M16
Boutborgmiddel: mechanisch 115 Nm
• De afdekking 1 inbouwen.
- De rubberband van de achterwielrem verwijderen.

- De afdichting in de uitlaatdemper 7 controleren, zo nodig vernieuwen.
- De uitlaatdemper 7 op het uitlaatspruitstuk schuiven en aanbrengen.
- De bouten 4 met de onderlegringen monteren en met het voorgeschreven koppel aantrekken.
152 ONDERHOUD

Uitlaatdemper op sub-frame
M8 × 50
21 Nm
•Klem 5 vernieuwen.
- De bout 4 van de klem 5 met het voorgeschreven koppel aantrekken.

Einddemper op uit- laatspruitstuk
M8 × 40
25 Nm

- De afdekking voor de uitlaatdemper 2 op de houders vasthaken.

- De afdekking voor de uitlaatdemper 2 aanbrengen.
• Schroef 1 inbouwen. - Plakstroken van de velg verwijderen.
ZEKERINGEN
Zekering uitbouwen

LET OP
Overbrugging van defecte zekeringen
Kortsluitings- en brandgevaar
- Geen defecte zekeringen overbruggen.
- Defecte zekeringen vervangen door nieuwe zekeringen.
• Het contact uitschakelen.
- Accudeksel uitbouwen. (162)

- Om de zekering van de stekkerplaatsen 2 tot 7 te verwijderen, vergrendelingen 6 indrukken en deksel 7 van de zekeringenhouder uitbouwen.

- Vergrendelingen 3 losmaken. - Afdekking 4 naar boven uitzwenken.

- Betreffende zekering uit de zekeringenhouder trekken.

- Om de hoofdzekering te verwijderen, zekering 5 uit de zekeringenhouder trekken.
154 ONDERHOUD
Zekering inbouwen

- Defecte zekeringen uit de zekeringenhouder vervangen door een zekering met de vereiste stroomsterkte.

Bij het regelmatig uit- vallen van de zekeringen de elektrische installatie la- ten controleren door een vak- werkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.

Hoofdzekering
30 A (Spanningsregelaar)

Zekering 1
vrij

Zekering 2
7,5 A (Diagnoseaansluiting, contactslot, Keyless Ride, alarmsysteem)
![]() | Borging 3 |
| 7,5 A (Combischakelaar links, achterlicht, helmvakverlich-ting, opbergvakvergrendeling, functiesatelliet) | |
![]() | Borging 4 |
| 4 A (Remlichtschakelaar) | |
![]() | Borging 5 |
| 4 A (Brandstofpomprelais) | |
![]() | Borging 6 |
| 7,5 A (Ventilatorrelais) | |
![]() | Borging 7 |
| 7,5 A (Bobine, inspuitventiel, tankontluchtingsklep) | |
![]() | Borging 8 |
| [vrij | |

- Defecte hoofdzekering 5 door een zekering met de vereiste stroomsterkte vervangen.


• Diagnosestekker 2 inbouwen.
»De vergrendelingen 1 klikken hoorbaar vast.
- Accudeksel inbouwen.
(162)
156 ONDERHOUD
LAMPEN
LED-lamp

WAARSCHUWING
De motorfiets wordt niet ge- zien in het wegverkeer door uitvallen van de verlichting van de motorfiets
Veiligheidsrisico
- Een defecte gloeilamp zo snel mogelijk vervangen. Hiervoor contact opnemen met een specialist, bij voorkeur een BMW Motorrad dealer.
Alle lampen van het voertuig zijn LED-lampen. De LED-lampen gaan langer mee dan de aangenomen levensduur van het voertuig. Bij een eventueel defecte LED-lamp contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
ACCU
Onderhoudsaanwijzingen
Vakkundig onderhoud, lading en opslag verlengen de levensduur van de accu en zijn een voorwaarde voor eventuele garantieclaims.
Voor een lange levensduur van de accu moeten de volgende richtlijnen worden aangehouden:
-De bovenzijde van de accu goed schoon en droog houden.
-Voor het opladen van de accu beslist de oplaadaanwijzingen op de volgende pagina's in acht nemen.
-De accu niet ondersteboven houden.

Accu
AGM, onderhoudsvrij

LET OP
Ontladen van de verbon- den accu door de voertui- gelektronica (bijvoorbeeld de klok)
Diep ontladen van de accu, daardoor geen aanspraak meer op garantie
- Als langer dan 4 weken niet wordt gereden: Een druppellader op de accu aansluiten.
BMW Motorrad heeft een speciaal op de elektro-nica van uw motorfiets afge-stemde druppellader ontwik-keld. Met dit apparaat kan de lading van de accu op peil wor-den gehouden, ook als de mo-
torfiets langere tijd niet wordt gebruikt. Voor meer informatie contact opnemen met een BMW Motorrad Partner.
Starthulp

LET OP
Te krachtige stroom bij het starten van de Scooter met behulp van een externe accu
Kabelbrand of schade in de voertuigelektronica
- Scooter niet via de contactdoos, maar uitsluitend via de accupool starten met behulp van een externe accu.

LET OP
Contact tussen de pooltangen van de startkabels en motorfiets
Gevaar voor kortsluiting
- Startkabels met volledig geïsoleerde poolklemmen gebruiken.

LET OP
Starten met hulp van een externe accu met een spanning hoger dan 12 V
Beschadiging van de elektronica van de motorfiets
- De accu van het stroomleverende voertuig moet een spanning van 12 V hebben.
- Scooter neerzetten en erop letten dat de ondergrond vlak en stevig is.
- Accudeksel uitbouwen. (162)
- Accusteun uitbouwen. (160)
- Tijdens de starchulp de accu niet van het boordnet losma- ken.
- Met de rode startkabel het accuplusaansluitpunt van de ont-laden accu met de pluspool van de hulpaccu verbinden.
- De zwarte startkabel op de massapool van de hulpaccu en daarna op de massapool van de ontladen accu aansluiten.
- Motor van het stroomleverende voertuig tijdens de starchulp met licht verhoogd toerental laten lopen.
158 ONDERHOUD

Geen startspray of der- gelijke hulpmiddelen voor het starten van de motor gebruiken.
- De motor van de motorfiets met de ontladen accu normaal starten. Bij het mislukken van de startpoging, ter bescherming van de startmotor en de hulpaccu, pas na enkele minuten weer een nieuwe startpoging ondernemen.
- Beide motoren enkele minuten laten draaien, voordat de startkabels worden losgemaakt.
- Startkabels eerst van de massapool en dan van de pluspool loskoppelen.
- Accusteun inbouwen. (161)
- Accudeksel inbouwen. (162)
Aangesloten accu opladen

LET OP
Opladen van de aangesloten accu aan de accupolen
Beschadiging van de elektronica van de motorfiets
- De accu voor het opladen losmaken van de accupolen.

LET OP
Opladen van een geheel ont- laden accu via contactdoos of extra contactdoos
Beschadiging van de voertui- gelektronica
- Een volledig ontladen accu (accuspanning lager dan 12 V, bij ingeschakeld contact blijven controlelampjes en multifunctioneel display uit) altijd direct op de polen van de losgekoppelde accu opladen.
- Verbonden accu alleen via de contactdoos in het rechter opbergvak laden.

LET OP
Op de contactdoos aangesloten, in de handel verkrijgbare laders
Beschadiging van lader en frame elektronica
- Uitsluitend van BMW Motorrad vrij-gegeven laders gebruiken.
- De handleiding van de acculader in acht nemen.
Losgemaakte accu opladen
- Accudeksel uitbouwen. (162)
- Accusteun uitbouwen. (160)

Ondeskundig losmaken van de accu
Gevaar voor kortsluiting
- Losmaakvolgorde aanhouden.
- Eerst accumassakabel 1 losnemen.
• Daarna accupluskabel 2 losne- men. - Accu met een geschikte acculader opladen.
- De handleiding van de acculader in acht nemen.
- Na beëindiging van het op- laden poolklemmen van de acculader losmaken van de occupolen.
Als gedurende langere tijd niet wordt gereden, moet de accu regelmatig worden bijgeladen. Hiertoe het behandelingsvoorschrift voor de accu opvolgen. Vóór het weer in gebruik nemen de accu volledig opladen.

Onjuist aankoppelen van de accu
Gevaar voor kortsluiting
• Inbouwvolgorde aanhouden.
- Eerst accupluskabel 2 verbinden.
- Daarna accumassakabel 1 verbinden.
- Accusteun inbouwen. (161)
- Accudeksel inbouwen. (162)
160 ONDERHOUD
Accusteun uitbouwen

- Vergrendelingen 1 links en rechts indrukken en accus- teun 2 omhoog klappen.
- Accusteun 1 achter bij het accuvak loshaken, met NF-antenne 3 eruit trekken en opzij leggen.
Accu uitbouwen
• Het contact uitschakelen.
- Zo nodig het alarmsysteem uitschakelen.
- Accudeksel uitbouwen. (162)
- Accusteun uitbouwen. (160)

Ondeskundig losmaken van de accu
Gevaar voor kortsluiting
- Losmaakvolgorde aanhouden.
- Eerst accumassakabel 1 uitbouwen.
- Daarna accupluskabel 2 uitbouwen.
- Batterij 3 uit het batterijvak verwijderen.
Accu inbouwen

- Batterij 3 in het batterijvak plaatsen, pluspool aan de linkerzijde.

LET OP
Onjuist aankoppelen van de accu
Gevaar voor kortsluiting
• Inbouwvolgorde aanhouden.
- Eerst de accupluskabel 2 inbouwen.
• Daarna de accumassakabel 1 inbouwen. - Accusteun inbouwen. (161)
- Accudeksel inbouwen. (162)
- Systeeminstellingen uitvoeren. (64)
Accusteun inbouwen

- Accusteun 2 met NF-antenne 3 aanbrengen en achter aan het batterijvak vasthaken.
- Accusteun 2 omlaag klappen, tegelijkertijd vergrendelingen 1 indrukken en laten vastklikken.

Accudeksel uitbouwen

•Schroeven 1 uitbouwen.

- Accudeksel 2 aan de randen iets optillen.
- Bevestigingsklemmen 3 van het accudeksel 2 uit de bevestigingen trekken.
Accudeksel monteren

• Controleren of alle bevestigingsklemmen 3 op het accudeksel 2 zitten.
- Accudeksel 2 onder inhaken en bevestigingsklemmen 3 gelijkmatig in de bevestigingen drukken.

•Schroeven 1 inbouwen.
Kuipzijdeel uitbouwen

- Schroeven 1 voor kuipzijdeel uitbouwen.
De hier beschreven stappen voer het kuipzijdeel aan de linkerzijde gelden ook voor de rechterzijde.

- Het kuipzijdeel 2 aan de ran-den iets optillen.
- De bevestigingsklemmen 3 van het kuipzijdeel 2 zo gelijkmatig mogelijk uit de bevestigingen trekken.
Kuipzijdeel inbouwen

- Controleren of alle bevestigingsklemmen 3 op het kuipzijdeel 2 ingebouwd zijn.
- Kuipzijdeel 2 aanbrengen en bevestigingsklemmen 3 gelijkmatig in de bevestigingen drukken.
De hier beschreven stappen voer het kuipzijdeel aan de linkerzijde gelden ook voor de rechterzijde.

- Schroeven 1 voor kuipzijdeel monteren.
164 ONDERHOUD
DIAGNOSECONTACTDOOS
Diagnosecontactdoos losmaken
- Accudeksel uitbouwen. (162)

• Vergrendelingen 1 indrukken.
- De diagnosestekker 2 uit houder 3 losmaken.
»De interface voor het Diagnose- en Informatie-Systeem kan op de diagnosestekker 2 worden aangesloten.
Diagnosestekker inbouwen
- Interface voor Diagnose- en Informatie-Systeem loskoppelen.

ALGEMENE AANWIJZINGEN 168
CONTACTDOOS 168
USB-LAADAAANSLUITING 169
TOPCASE 170
NAVIGATIESYSTEEM 175
ALGEMENE AANWIJZINGEN

VOORZICHTIG
Gebruik van producten van derden
Veiligheidsrisico
- BMW Motorrad kan niet voor ieder product dat door derden wordt geleverd beoordelen of het zonder veiligheidsrisico op BMW motorfietsen kan worden ge-monteerd. Deze garantie wordt ook niet gegeven wanneer in bepaalde landen van overheidswege deze toestemming wel is ver-leend. Bij de in het kader hiervan uitgevoerde tests wordt niet altijd rekening gehouden met alle mogelijke bedrijfsomstandigheden van BMW motorfietsen en deze zijn daarom niet altijd voldoende.
- Voor uw eigen veiligheid vervangingsonderdelen en accessoires gebruiken die door BMW voor uw motorfiets zijn goedgekeurd.
De onderdelen en de accessoires van BMW worden grondig gecontroleerd op veiligheid, functie en geschiktheid.
BMW neemt daarvoor de volledige productaansprakelijkheid. Voor onderdelen en accessoires die niet zijn goedgekeurd kan BMW geen verantwoordelijkheid nemen.
Bij het aanbrengen van alle wijzigingen de wettelijke voorschriften in acht nemen. Houdt u zich aan de officiële typegoedkeuring.
Uw BMW Motorrad Partner geeft deskundig advies bij de keuze van originele BMW onderdelen, accessoires en overige producten.
Meer informatie over accessoires onder:
bmw-motorrad.com/equipment
CONTACTDOOS
Aanwijzingen voor het gebruik van de contactdoos:
Aansluiting elektrische apparaten
-Op de contactdoos aangesloten apparatuur kan alleen bij ingeschakeld contact worden gebruikt.
-De contactdozen worden slechts 60 seconden na uit-schakelen van het contact van spanning voorzien.
Kabelligging
Bij de plaatsing van de bedra- ding van de contactdoos naar de extra apparaten, rekening houden met het volgende:
—Bedrading mag de berijder niet hinderen.
-Bedrading mag de stuuruit-slag en de rijeigenschappen niet beperken.
-Bedrading mag niet worden ingeklemd.
Automatische uitschakeling
-De contactdoos wordt tijdens de startprocedure automatisch uitgeschakeld.
-Uiterlijk 15 minuten na het afzetten van het contact worden deze uitgeschakeld om het boordnet te ontlasten. Extra apparaten met ene laag stroomverbruik worden mogelijk niet herkend door de voertuigelektronica. In deze gevallen worden contactdozen mogelijk al korte tijd na het afzetten van de ontsteking uitgeschakeld.
-Bij te lage accuspanning wordt de contactdoos uitgeschakeld, om de startcapaciteit voor het voertuig te behouden.
-Bij overschrijding van de maximumbelasting zoals vermeld in de technische
gegevens, wordt de contact- doos uitgeschakeld.
USB-LAADAAANSLUITING
Aanwijzingen voor het gebruik:
Laadstroom
Het betreft een 5 V USB-laadaansluiting, die maximaal 2,4 A laadstroom beschikbaar stelt.
Automatische uitschakeling
Onder de volgende om- standigheden worden de USB-laadaansluitingen automa- tisch uitgeschakeld:
-Bij een te lage accuspanning, om de startcapaciteit van de motorfiets te garanderen.
-Bij overschrijding van de maximumbelasting zoals vermeld in de technische gegevens.
-Tijdens de startprocedure.
Aansluiting elektrische apparaten
Op USB-laadaansluitingen aan-gesloten apparatuur kan alleen bij ingeschakeld contact wor-den gebruikt. Uiterlijk 15 min-uten na het afzetten van het contact worden deze uitge-schakeld om het boordnet te ontlasten.
Om de aangesloten apparatuur te beschermen, moet het appa-
170 ACCESSOIRES
raat wanneer in de regen wordt gereden worden losgemaakt. Wanneer geen apparatuur is aangesloten moet het deksel gesloten zijn, om vervuiling te vermijden.
Kabelligging
Bij de kabelligging tussen USB-laadaansluitingen en accessoires op het volgende letten:
—Bedrading mag de berijder niet hinderen.
-Bedrading mag de stuuruit-
slag en de rijeigenschappen
niet beperken.
—Bedrading mag niet worden ingeklemd.
TOPCASE
-met topcase OA
Topcase openen

- De sleutel in het topcaseslot in positie 1 draaien.

- Het topcaseslot naar voren duwen.
»Ontgrendelingsklep 2 springt open.

- Ontgrendelingsklep 2 naar achter trekken.
» Het topcasedeksel springt open.
• Topcasedeksel openen.
Topcase sluiten Voorwaarde
Ontgrendelingsklep is uitge- klapt.

- Topcasedeksel sluiten en in de vergrendeling duwen. Erop letten dat de inhoud niet wordt ingeklemd.
» De topcasedeksel klikt hoor- baar vast.
• Ontgrendelingsklep 2 sluiten.
» Ontgrendelingsmotor 2 klikt hoorbaar vast.

- Eventueel reservesleutel in topcaseslot naar positie LOCK draaien en lostrekken.
- De beschermkap 1 uit de magnetische verbinding 2 verwijderen.

- De sleutel in het topcaseslot in positie RELEASE draaien.
» De vergrendelingsbeugel springt open.

- Vergrendelingsbeugel 1 volledig openklappen.

- De magnetische verbinding 2 van de topcase en topcase-houder op verontreiniging en beschadiging controleren.
- De haak 3 veilig in de bevestigingen 1 aanbrengen.

- Eventueel reservesleutel in topcaseslot naar positieLOCK draaien en lostrekken.
Topcase verwijderen

-met topcase OA
• Topcase openen. (170)
-met topcase OA
- Beschermkap ontgrendelen.
(171)
- Beschermkap 1 uit de houder in het topcasedeksel 2 verwijderen.
-met topcase OA
• Topcase sluiten. (170)
174 ACCESSOIRES

- De sleutel in het topcaseslot in positie RELEASE draaien.
» De vergrendelingsbeugel springt open.

- Vergrendelingsbeugel 1 volledig openklappen.
- Topcase aan de vergrendelingsbeugel 1 uit de topcasehouder verwijderen.
- De magnetische verbinding van de topcase tegen beschadiging, vuil en corrosie beschermen.

Maximale lading en maximumsnelheid
Maximale lading en maximum- snelheid in acht nemen.
Voor de hier beschreven combinatie gelden de volgende waarden:
![]() | Topsnelheid bij ritten met beladen topcase |
| max. | 130 km/h |
![]() | Maximale belading van de topcase |
| max. | 10 kg |
NAVIGATIESYSTEEM
ConnectedRide Mount installeren met mechanische of elektrische vergrendeling
Afhankelijk van de productiedatum en de landuitvoering kan de ConnectedRide Mount met mechanische of elektrische vergrendeling zijn uitgerust.
Navigatiesysteem veilig bevestigen
-met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
Voorwaarde
• De vergrendeling 1 indrukken.
» ConnectedRide Mount is ge-
deblokkeerd en de afdek-
king 2 kan in een draaiende
beweging naar voren afgeno-
men worden.

- Navigatietoestel 1 in bevestiging 2 plaatsen.

- Navigatietoestel 1 naar voren zwenken en bij de bovenste rand in de vergrendeling 3 drukken.
»Navigatietoestel klikt vast. - Correcte bevestiging van het navigatietoestel in de ConnectedRide Mount controleren.
»De rode markering voor de ontgrendeling is niet zichtbaar.
176 ACCESSOIRES
Navigatietoestel afnemen en afdekking plaatsen
-met voorbereiding voor navigatiesysteem SU
Voorwaarde
• Op ontgrendeling 2 drukken.
»De rode markering 3 toont de ontgrendeling.
• Navigatietoestel 1 uitbouwen.

- Afdekking 1 in het onderste gedeelte plaatsen en in een draaiende beweging naar boven zwenken.
» De afdekking vergrendelt hoorbaar.
» De rode markering voor de ontgrendeling is niet zichtbaar.
Navigatiesysteem veilig bevestigen
-met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
Voorwaarde
Met elektrische vergrendeling.
-met Keyless Ride ^SU
• Het contact inschakelen.
(78)

• De toets 1 lang indrukken.
» ConnectedRide Mount is ge-
deblokkeerd en de afdek-
king 2 kan in een draaiende
beweging naar voren afgeno-
men worden.

- Het navigatietoestel 2 in de bevestiging onder 1 plaatsen en in een draaiende beweging naar achteren zwenken.
» Het navigatiesysteem vergren- delt hoorbaar in de vergren- deling 3. - Stevig vastzitten van het navigatiesysteem 2 in de ConnectedRide Mount controleren.
-met Keyless Ride ^SU - Het contact uitschakelen. (78)
Navigatietoestel afnemen en afdekking plaatsen
-met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
Voorwaarde
Met elektrische vergrendeling.
LET OP
Stof en vuil op contacten van de ConnectedRide Mount
Beschadiging van de contacten
- Na afloop van elke rit de afdekking weer inbouwen.
-met Keyless Ride ^SU
• Het contact inschakelen.
(78)

• De toets 1 lang indrukken.
»De ConnectedRide Mount is gedeblokkeerd en het navigatiesysteem 2 kan in een draaiende beweging naar vo-ren afgenomen worden.
178 ACCESSOIRES

- De afdekking 2 in de bevestiging onder 1 plaatsen en in een draaiende beweging naar achteren zwenken.
» De afdekking vergrendelt hoorbaar in de vergrendeling 3.
-met Keyless Ride SU
• Het contact uitschakelen.
(78)
ConnectedRide Mount instellen
—met voorbereiding voor navigatiesysteem SU
—met Keyless Ride SU
• Het contact inschakelen.
(78)

• De toets 1 lang indrukken.
» ConnectedRide Mount is ge-
deblokkeerd en de afdek-
king 2 kan in een draaiende
beweging naar voren afgeno-
men worden.

• Bouten 1 losdraaien.
- ConnectedRide Mount 2 in helling uitlijnen, daarbij de kabel 3 in acht nemen.
• Bouten 1 aantrekken.
Navigatiesysteem bedienen
—met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
De volgende beschrijving geldt voor de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator.
Alleen de nieuwste versie van het BMW Motorrad communicatiesysteem wordt ondersteund. Eventueel is een software-update voor het BMW Motorrad communicatiesysteem noodzakelijk. Wendt u zich in dat geval tot uw BMW Motorrad Partner.
Als de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator is ingebouwd en de bedienings- focus op de Navigator is gezet (67), kunnen sommige functies rechtstreeks vanaf het stuur worden bediend. Als de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator is verbonden, worden automa- tisch alle verbindingen op het voertuig verbroken en via de Navigator opnieuw opgebouwd. De functies Navigatie, Media en Telefoon worden nu via de Navigator aangestuurd.

flowchart
graph TD
A["Component ①"] --> B["Flow Arrow ②"]
B --> C["Arrow ①"]
C --> D["Arrow ②"]
D --> E["Arrow ②"]
Het navigatiesysteem kan worden bediend via de Multi-Controller 1 en de tuimeltoets MENU 2.
Speciale functie
-met voorbereiding voor navigatiesysteem ^SU
De ConnectedRide Navigator beschikt over een automatische omschakeling van de bedie-ningsfocus. Meer informatie vindt u in de handleiding van de ConnectedRide Navigator.
Beveiligingsinstellingen
De veiligheidsaanwijzingen in de handleiding van de BMW Motorrad ConnectedRide Navigator in acht nemen.
VERZORGING
11
ONDERHOUDSMIDDELEN 182
WASSEN 182
REINIGING VAN KWETSBARE VOERTUIGONDERDE-
LEN 184
LAKONDERHOUD 185
CONSERVERING 185
Gebruik van ongeschikte reinigings- en onderhoudsmiddelen
Beschadiging van onderdelen van de motorfiets
- Geen oplosmiddelen zoals nitroverdunner, koudreiniger, brandstof e.d. of alcohol-houdende middelen gebruiken.

LET OP
Gebruik van sterk zure of sterk alkalische reinigings-middelen
Beschadiging van onderdelen van de motorfiets
- Verdunningsverhouding op de verpakking van de reini-gingsmiddelen in acht ne-men.
- Geen sterk zure of sterk alkalische reinigingsmiddelen gebruiken.
BMW Motorrad adviseert reinigings- en onderhoudsmiddelen te gebruiken die bij uw BMW Motorrad Partner verkrijgbaar zijn. BMW Care Products zijn op materialen in la-
boratoria en in de praktijk ge- test en maken een prima ver- zorging en optimale bescherm- ming van de op uw motorfiets toegepaste materialen moge- lijk.
WASSEN

WAARSCHUWING
Vochtige remschijven en remblokken na het wassen van de motorfiets, na het rij- den door water of bij regen
Verminderde remwerking, gevaar voor ongevallen
- Vroegtijdig remmen tot de remschijven en -blokken zijn gedroogd of drooggeremd.

LET OP
Beschadiging veroorzaakt door hoge waterdruk van hogedrukreinigers of stoom-reinigers
Corrosie of kortsluiting, beschadiging van stickers, af-dichtingen, hydraulisch rem-systeem, elektrische installatie en buddyseat
- Cockpit en schakelaars niet met hogedruk- of stoomreinigers reinigen.
- Hogedruk- of stoomreini- gers voorzichtig gebruiken.
BMW Motorrad adviseert om insecten en hardnekkige vervuilingen op gelakte onderdelen vóór het wassen met BMW Insectenverwijderaar te behandelen.
Om vlekvorming te voorko- men het voertuig niet direct na sterke zonnestraling of in de zon wassen.
Vorkpoten regelmatig van ver- vuilingen reinigen.
Vooral tijdens de wintermaanden of bij het rijden op wegen waarop zout is gestrooid het voertuig vaker wassen.

LET OP
Sterkere inwerking van het zout door warm water
Corrosie
- Bij het verwijderen van strooizout alleen koud water gebruiken.
Om strooizout te verwijderen, het voertuig en eventueel de aanbouwdelen na het beëindigen van de rit direct met koud water reinigen.

Nadat in de regen is ge- reden, bij een hoge lucht- tigheid of nadat de mo- ets is gewassen, kan er ensatie optreden aan de enzijde van de koplamp.
De koplamp kan daarbij tijdelijk beslaan. Contact opnemen met een vakwerkplaats, bij voor- keur een BMW Motorrad Part- ner, wanneer zich voortdurend vocht in de koplamp verzamelt.
184 VERZORGING
REINIGING VAN KWETSBARE VOERTUIGONDERDELEN
Kunststoffen

LET OP
Gebruik ongeschikte reini- gingsmiddelen
Beschadiging van kunststof oppervlakken
- Geen reinigingsmiddelen met alcohol of oplosmiddelen, of schurende reinigingsmiddelen gebruiken.
- Geen insectensponzen of sponzen met een hard oppervlak gebruiken.
Kuipdelen
Bekledingspanelen met water en BMW Motorrad reinigingsmiddel reinigen.
Kuipruiten en lampglazen van kunststof
Vuil en insecten met een zachte spons en veel water verwijderen.

Hardnekkig vuil en insecten inweken door er een doek op te leggen.

Reiniging alleen met wa- ter en spons.

Geen chemische reini- gingsmiddelen gebruiken.
Instrumentenpaneel
Het instrumentenpaneel met warm water en afwasmiddel reinigen. Aansluitend met een schone doek, bijvoorbeeld met een stuk papier, afdrogen.
Chroom
Chroomdelen zorgvuldig met ruim water en motorfietsreiniger uit de verzorgingslijn BMW Motorrad Care Products reinigen. Dit geldt met name bij inwerking van strooizout. Gebruik voor een extra behandeling BMW Motorrad metaal-polijstmiddel.
Radiateur
De radiateur regelmatig reinigen om oververhitting door onvoldoende koeling te voorkomen.
Gebruik hiertoe bijv. een tuinslang met weinig waterdruk.

LET OP
Verbuigen van radiateurlamellen
Beschadiging van de radiateurlamellen
- Bij het reinigen erop letten dat de radiateurlamellen niet verbuigen.
Rubber
Rubberonderdelen met water of BMW onderhoudsmiddel voor rubber behandelen.

LET OP
Gebruik van siliconenspray voor het onderhouden van afdichtrubbers
Beschadiging van afdichtrubbers
- Gebruik geen siliconensprays of onderhoudsmiddelen die siliconen bevatten.
LAKONDERHOUD
Langdurige inwerking van schadelijke stoffen op de lak wordt voorkomen door het regelmatig wassen van uw voertuig, vooral in gebieden met hoge luchtvervuiling of natuurlijke verontreiniging, zoals boomhars of stuifmeelpollen.
Sterk agressieve stoffen direct verwijderen, anders kan lakbeschadiging of lakverkleuring ontstaan. Hiertoe behoren bijv. gemorste brandstof, olie, vet, remvloeistof, vogeluitwerpselen. Hier adviseren we BMW Motorrad reinigingsmiddel en daarna BMW Motorrad glanspolijstmiddel om te conserveren.
Verontreinigingen van het lakoppervlak zijn na het wassen van het voertuig goed herkenbaar. Deze plekken met wasbenzine of spiritus op een schone doek of poetswatten direct verwijderen. BMW Motorrad adviseert om teervlekken met BMW teerverwijderaar te verwijderen. Vervolgens de lak op deze plaatsen conserveren.
CONSERVERING
Als er geen water meer van de lak afparelt, moet deze worden geconserveerd.
BMW Motorrad adviseert om voor lakconservering BMW Motorrad glanspolijstmiddel of producten te gebruiken die Carnaubawas of synthetische was bevatten.
186 VERZORGING
- Scooter reinigen.
- De Scooter voltanken en zo nodig brandstofadditief toevoegen. BMW Motorrad adviseert het gebruik van ADVANTEC Protect Original BMW Fuel Additive om de brandstof te beschermen tegen veroudering.
• Accu uitbouwen (160).
- Remhendel met geschikt smeermiddel inspuiten.
- Blanke en verchroomde onderdelen met zuurvrij vet (vaseline) conserveren.
- De Scooter in een droge ruimte zodanig neerzetten, dat beide wielen onbelast zijn.
SCOOTER IN GEBRUIK NE- MEN
- De aangebrachte conserveringslaag verwijderen.
- Scooter reinigen.
• Accu inbouwen. (161)
• Controlelijst. (105)
TECHNISCHE GEGEVENS
12
STORINGSTABEL 190
BOUTVERBINDINGEN 193
BRANDSTOF 195
MOTOROLIE 195
MOTOR 196
KOPPELING 196
TRANSMISSIE 196
CARDAN 196
FRAME 197
ONDERSTEL 197
REMMEN 197
Motor slaat niet of pas na doorstarten aan.
Oorzaak Verhelpen
| Zijstandaard uitgezet Zijstandaard inklappen. | |
| Starten zonder bedienen van de remmen | Bij het starten een remhendel bedienen. |
| BMW flexcase open | BMW flexcase afsluiten. |
| Brandstoftank leeg Tanken. | |
| Accu leeg Accu opladen. ( 159) | |
Het instrumentenpaneel blijft na het inschakelen van het contact donker.
Oorzaak Verhelpen
| Er is een softwarefout aanwezig die tot een storing van het instrumentenpaneel leidt. | Het contact uit- en opnieuw inschakelen. |
| Het instrumentenpaneel is beschadigd. | De storing zo snel mogelijk door een vakwerkplaats la- ten verhelpen, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner. |
Bluetooth-verbinding wordt niet tot stand gebracht.
Oorzaak Verhelpen
| Benodigde stappen voor de Bluetooth-koppeling zijn niet uitgevoerd. | Lees in de handleiding van het communicatiesysteem welke stappen noodzakelijk zijn voor de Bluetooth-koppeling. |
| Communicatiesysteem wordt ondanks geslaagde Bluetooth-koppeling niet automatisch verbonden. | Het communicatiesysteem van de helm uitschakelen en na een tot twee minuten opnieuw verbinden. |
| In de helm zijn te veel Blue-tooth-apparaten opgeslagen. | Alle Bluetooth-koppelingsge-gevens in helm wissen (zie handleiding van het commu-nicatiesysteem). |
| Er zijn nog meer voertuigen in de buurt met apparaten die geschikt zijn voor Bluetooth. | Gelijktijdige Bluetooth-koppe-ling met meerdere voertuigen vermijden. |
Storing van de Bluetooth-verbinding.
Oorzaak Verhelpen
| De Bluetooth-verbinding met het mobiele eindapparaat wordt onderbroken. | Energiespaarstand uitschake-len. |
| De Bluetooth-verbinding met de helm wordt onderbroken. | Het communicatiesysteem van de helm uitschakelen en na een tot twee minuten opnieuw verbinden. |
| Het volume in de helm kan niet worden ingesteld. | Het communicatiesysteem van de helm uitschakelen en na een tot twee minuten opnieuw verbinden. |
Telefoonboek wordt niet in het instrumentenpaneel weergegeven.
Oorzaak Verhelpen
| Het telefoonboek is nog niet aan het voertuig overgedragen. | Bij de Bluetooth-koppeling op het mobiele eindapparaat moet u de overdracht van de telefoongegevens (72) be-vestigen. |
Actieve routebegeleiding wordt niet in het instrumentenpaneel weergegeven.
Oorzaak Verhelpen
| Navigatie uit de BMW Motorrad Connec-ted App is niet overgedragen. | Voordat u gaat rijden de BMW Motorrad Connec-ted App op het verbonden mobiele eindapparaat openen. |
| De routebegeleiding kan niet worden gestart. | Ervoor zorgen dat het mobiele eindapparaat een gegevensver-binding heeft en het kaartma-teriaal op het mobiele eindap-paraat controleren. |
BOUTVERBINDINGEN
Remmen Waarde Geldig
| Remklauw op vork-poot | ||
| M8 x 50 - 10.9 | 32 Nm | |
| Remklauw achter op achterbrug | ||
| M8 x 30 - 10.9, Bout vernieuwen Micro-ingekapseld | 32 Nm | |
| Remslanghouder op subframe | ||
| M6 x 12 8 Nm |
Voorwiel Waarde Geldig
| Bout in steekas voor | ||
| M12 x 20 32 Nm | ||
| Klembout (steekas) in telescoopvork | ||
| M8 x 30 19 Nm |
Achterwiel Waarde Geldig
| Achterwiel op uit-gaande as | ||
| M16, Moer vernieuwen mechanisch | 115 Nm | |
| Subframe rechts aan aandrijfeenheidswing-arm | ||
| M10 x 50 38 Nm |
Achterwiel Waarde Geldig
| Veerpoot op sub-frame | ||
| M10 x 50 38 Nm | ||
| Veerpoot op frame | ||
| M10 x 50, Moer ver-nieuwen, bout kan op-nieuw worden gebruikt mechanisch | 38 Nm |
Uitlaatsysteem Waarde Geldig
| Uitlaatdemper op sub-frame | ||
| M8 x 50 21 Nm | ||
| Einddemper op uit-laatspruitstuk | ||
| Klem, M8 x 40 25 Nm |
BRANDSTOF
| Aanbevolen brandstofkwaliteit | E5 Super loodvrij (max. 15% ethanol, E10/E15)E10 95 ROZ/RON90 AKI |
| -met normale benzine lood-vrijSU | Normaal loodvrij (max. 15% ethanol, E15)91 ROZ/RON87 AKI |
| Nuttige tankinhoud circa 12,8 l | |
| Reservehoeveelheid circa 3 l | |
| Benzineverbruik | 3,5 l/100 km, volgens WMTC |
| CO2-emissie 81 g/km, volgens | WMTC |
| Emissienorm EU5, gemeten volgens | WMTC |
MOTOROLIE
| Motorolie-inhoud circa 1,8 l, met filtervervanging | |
| Specificatie | SAE 5W-40, API SJ / JASO MA2, Additieven (bijv. op molybdeen-basis) zijn niet toegestaan, omdat gecoate onderdelen van de motor hierdoor worden aangetast, BMW Motorrad adviseert BMW Motorrad ADVANTEC Ultimate |
| Bijvulhoeveelheid motorolie | max. 0,4 l, Verschil tussen MIN en MAX |
| Plaats van de motornummers | Carter, links naast oliefilter |
| Motortype A81A03B | |
| Motorconstructie Aandrijfeenheidswingarm meteencilinder viertaktmotor, vierkleppen met tuimelaars | |
| Cilinderinhoud 350 cm | 3 |
| Compressieverhouding 11,5 : 1 | |
| Nominaal vermogen | 25 kW, bij toerental:7500 min-1 |
| Koppel 35 Nm, bij toerental: | 5750 min-1 |
| Max. toerental max. 9400 min | -1 |
| Stationair toerental 1450 | ±50 min-1, Motor op bedrijfstemperatuur |
KOPPELING
| Koppelingsconstructie Centrifugaalkoppeling |
TRANSMISSIE
| Constructie versnellingsbak CVT | (Continuously Variable Transmission) |
CARDAN
| Overbrengingsverhouding van de cardan | 8,71 |
FRAME
| Locatie van het framenummer | Frame rechtsvoor bij balhoofd |
| Plaats van het typeplaatje | Frame rechts, midden, boven |
ONDERSTEL
| Voorwielophanging - constructie | Telescoopvork |
| Veerweg voor | 110 mm, aan het voorwiel |
| Achterwielophanging - constructie | Aandrijfeenheidswingarm met vastgeschroefd subframe |
| Veeruitslag aan achterwiel | 112 mm, op het achterwiel |
REMMEN
| Voorwiel | |
| Voorwielrem - constructie | Dubbele schijfrem, star, diameter 265 mm, vaste remklauw met 4 zuigers |
| Remvoeringmateriaal, voor Organisch | |
| Dikte remschijf, voor | 5,0 mm, Nieuw4,5 mm, Slijtagegrens |
| Achterwiel | |
| Achterwielrem - constructie | Enkele schijfrem, diameter265 mm, zwevende klauw met1 zuiger |
| Remvoeringmateriaal, achter Organisch | |
| Dikte remschijf, achter | 5,0 mm, Nieuw4,5 mm, Slijtagegrens |
| Snelheidscategorie banden voor/achter | S, ten minste noodzakelijk: 180 km/h |
| Voorwiel | |
| Velgmaat voorwiel 3,50" x 15" | |
| Bandcodering, voor 120/70-15 | |
| Draagvermogenkengetal voor-banden | 56 |
| Toegestane onbalans voorwiel max. 5 g | |
| Wielbelasting voor bij leeggewicht | 89 kg |
| Achterwiel | |
| Velgmaat achterwiel 4,25" x 14" | |
| Bandenopschrift, achter 150/70-14 | |
| Draagvermogenkengetal achterbanden | 66 |
| Toegestane onbalans achter-wiel | max. 5 g |
| Wielbelasting achter bij leeggewicht | 118 kg |
| Bandenspanning | |
| Bandenspanning voor | 2,2 bar, Solo, bij koude banden 2,4 bar, Rijden met duopassagier en belading; bij koude banden |
| Bandenspanning achter | 2,4 bar, Solo, bij koude banden 2,6 bar, Rijden met duopassagier en belading; bij koude banden |
ELEKTRISCHE INSTALLATIE
| Elektrische belastbaarheid van contactdozen | max. 10 A, alle contactdozen in totaal |
| Zekeringen | |
| Hoofdzekering 30 A, Spanningsregelaar | |
| Zekering 1 vrij | |
| Zekering 2 7,5 A, Diagnoseaansluiting, contactslot, Keyless Ride, alarmsysteem | |
| Borging 3 | 7,5 A, Combischakelaar links, achterlicht, helmvakverlichting, opbergvakvergrendeling, func-tiesatelliet |
| Borging 4 4 A, Remlichtschakelaar | |
| Borging 5 4 A, Brandstofpomprelais | |
| Borging 6 7,5 A, Ventilatorrelais | |
| Borging 7 7,5 A, Bobine, inspuitventiel, tankontluchtingsklep | |
| Borging 8 vrij | |
| Accu | |
| Accu AGM, onderhoudsvrij | |
| Nominale accuspanning 12 V | |
| Accucapaciteit 9 Ah | |
| Bougies | |
| Fabrikant en benaming bou-gies | NGK LMAR8J-9E |
| Lampen | |
| Alle lichtbronnen LED | |
| Lengte 2200 mm, over kentekenplaat-houder | |
| Hoogte 1327 mm, boven kuipruit, zon-der spiegel, bij DIN-leeggewicht | |
| Breedte 811 mm, zonder aanbouwde-len837 mm, met handbescherming | |
| Zithoogte berijders-buddyseat | 775 mm, zonder berijder, bij DIN-leeggewicht van het voertuig |
| Stapbooglengte berijder | 1762 mm, zonder berijder, bij DIN-leeggewicht van het voertuig |
GEWICHTEN
| Leeggewicht van het voertuig | 206 kg, DIN-leeggewicht van het voertuig, rijklaar, tank 90% gevuld, zonder speciale opties |
| Maximaal toelaatbaar totaalgewicht | 412 kg |
| Maximale belading 206 kg |
RIJGEGEVENS
| Maximumsnelheid 129 km/h | |
| -met topcase^OA | 130 km/h |
SERVICE
13
RECYCLING 204
BMW MOTORRAD SERVICE 204
BMW MOTORRAD ONDERHOUDSHISTORIE 205
Afvoer van een voertuig
BMW Motorrad raadt aan het voertuig aan het einde van zijn levenscyclus in te leveren bij een door de fabrikant aangewezen inzamelpunt.
Voor de afvoer en recycling in het algemeen zijn de respectievelijke nationale wettelijke bepalingen van toepassing. Informatie over recycling en duurzaamheid vindt u op de landspecifieke website van de fabrikant. Aanvullende informatie is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner of een andere gekwalificeerde Service Partner of een vakwerkplaats.
BMW MOTORRAD SERVICE
Via ons uitgebreide dealer- netwerk staat BMW Motorrad u en uw Scooter wereldwijd bij in 100 landen. Die BMW Motorrad Partners beschikken over de technische informatie en de technische kennis om alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan uw BMW Scooter betrouwbaar te kunnen uitvoeren.
De dichtstbijzijnde BMW Motorrad Partner vindt u op onze website onder:
bmw-motorrad.com

WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden
Gevaar voor ongevallen door gevolgschade
- BMW Motorrad adviseert de betreffende werkzaamheden aan uw Scooter door een specialist te laten uitvoeren, bij voorkeur een BMW Motorrad Partner.
Om zeker te stellen dat uw BMW Scooter altijd optimaal blijft, beveelt BMW Motorrad u aan de voor uw Scooter voor-ziene onderhoudsintervallen aan te houden.
Laat alle uitgevoerde onderhouds- en reparatiewerkzaamheden in het hoofdstuk "Service" in deze handleiding bevestigen. Voor coulanceregelingen buiten de garantieperiode is het absoluut noodzakelijk dat kan worden aangetoond dat de vereiste onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Informatie over de BMW Motorrad Service is verkrijgbaar bij uw BMW Motorrad Partner.
BMW MOTORRAD ONDER-HOUDSHISTORIE
Vermeldingen
De verrichte onderhoudswerkzaamheden worden ingevoerd in de onderhoudsbewijzen. De vermeldingen zijn net als een onderhoudsboekje het bewijs van een regelmatig onderhoud. Bij een vermelding in de elektronische onderhoudshistorie van het voertuig worden onderhoudsrelevante gegevens in de centrale IT-systemen van BMW AG, München opgeslagen.
De in de onderhoudshistorie vermelde gegevens zijn na het overgaan op een nieuwe voertuigbezitter ook beschikbaar ter inzage door de nieuwe voertuigbezitter. Een BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats kan de in de elektronische onderhoudshistorie vermelde gegevens inzien.
Bezwaar
De voertuigbezitter kan bij een BMW Motorrad Partner of een vakwerkplaats bezwaar maken tegen de vermelding in de elektronische onderhoudshistorie met de daarmee verbonden opslag van de gegevens in het voertuig en de gegevensoverdracht aan de voertuigfabrikant met betrekking tot zijn/haar tijd als voertuigbezitter. Er volgt dan geen vermelding in de onderhoudshistorie van het voertuig.
Bij nieuwe BMW motorfietsen kunt u met de BMW Motorrad mobiliteitsdiensten in geval van pech gebruikmaken van verschillende diensten (bijv. Mobile Service, pechhulp, transport van het voertuig). Informeer bij uw BMW Motorrad Partner, welke mobiliteitsdiensten worden aangeboden.
206 SERVICE
ONDERHOUDSWERKZAAM- HEDEN
BMW overdrachtscontrole
De BMW overdrachtscontrole wordt door uw BMW Motorrad Partner uitgevoerd voordat het voertuig aan u wordt afgeleverd.
BMW inrijcontrole
De BMW inrijcontrole moet worden uitgevoerd tussen 500 km en 1200 km.
BMW Motorrad Service
Het BMW Motorrad onderhoud wordt eenmaal per jaar uitgevoerd. De omvang van het onderhoud kan afhankelijk van het bouwjaar van het voertuig en de afgelegde afstand variëren. Uw BMW Motorrad Partner bevestigt het uitgevoerde onderhoud en vult de termijn voor het volgende onderhoud in. Bij berijders die jaarlijks veel kilometers rijden, kan het noodzakelijk zijn het onderhoud al vóór de ingevulde termijn te laten uitvoeren. Voor deze gevalen wordt in de onderhoudsbevestiging bovendien een overeenkomstige maximale afstand ingevuld. Wordt deze afstand voor de volgende onderhoudsafpraak bereikt, dan moet de onderhoudsbeurt eerder wor- den uitgevoerd.
De voor uw voertuig noodzakelijke onderhoudsomvang vindt u in het volgende onderhoudsschema:
ONDERHOUDSSCHEMA
1 BMW Motorrad Inrijcontrole (inclusief olieverversing en oliefiltervervanging)
2 BMW Motorrad Service standaardomvang
3 Olieverversing in motor met filter
4 Filter voor CVT reinigen/controleren
5 Luchtfilterelement vervangen
6 Balhoofdlager controleren
7 CVT-riem en rolgewichten met glijschoenen vervangen
8 Alle bougies vervangen
9 Klepspeling controleren
10 Bevestiging voor ophan-grubber vervangen
11 Olieverversing in de tele-scoopvork
12 Koppeling controleren (koppeling uitgebouwd)
13 Remvloeistof in het gehele systeem verversen
a Jaarlijks of elke 10000 km (wat zich het eerst voordoet)
b Voor het eerst na een jaar, daarna elke twee jaar
BMW MOTORRAD INRIJCONTROLE
BMW Motorrad inrijcontrole
Hierna worden de werkzaamheden van de BMW Motorrad inrij-controle opgesomd. De daadwerkelijke onderhoudsomvang voor uw motorfiets kan hiervan afwijken.
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-Onderhoudsdatum en resterende afstand instellen
-Olieverversing in motor met filter
-Remvloeistofpeil voor/achter controleren
-Koelvloeistofpeil controleren
-Bandenspanning en -profieldiepte controleren
-Balhoofdlager controleren
-Verlichting, richtingaanwijzers en claxon controleren
- Functiecontrole motorstartonderdrukking
—Eindcontrole en controleren op verkeersveiligheid
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-BMW onderhoud in de boorddocumentatie bevestigen
ONDERHOUDSBEVESTIGINGEN
BMW Motorrad Service standaardomvang
Hieronder volgen de activiteiten die deel uitmaken van de Service standaardomvang van BMW Motorrad Service. De daadwerkelijke onderhoudsomvang voor uw motorfiets kan hiervan afwijken.
—Laadtoestand van de accu controleren
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
-Visuele controle van de remleidingen, remslangen en aansluitingen
-Remvloeistofniveau voor en achter controleren
-Remblokken en remschijven voor op slijtage controleren
-Remblokken en remschijf achter op slijtage controleren
-Koelvloeistofpeil controleren
-Ophangrubber links en rechts controleren
-Bandenspanning en -profieldiepte controleren
-Verlichting, richtingaanwijzers en claxon controleren
- Functiecontrole motorstartonderdrukking
-Eindcontrole en controleren op verkeersveiligheid
-Voertuigtest met BMW Motorrad diagnosesysteem uitvoeren
—Onderhoudsdatum en resterende afstand instellen
-BMW Motorrad onderhoud in de boorddocumentatie bevestigen
210 SERVICE
BMW Motorrad overdrachtscontrole
uitgevoerd
op
Stempel, handtekening
BMW Motorrad inrijcontrole
uitgevoerd
op bij km
Volgende servicebeurt uiterlijk
op of, indien dit eerder wordt bereikt bij km
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km____
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km____
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
BMW Motorrad Service
uitgevoerd
op
bij km
Volgende servicebeurt
uiterlijk
op
of, indien dit eerder wordt
bereikt
bij km
Uitgevoerde werkzaamheden
Ja Nee
BMW Motorrad Service
Olieverversing in motor met filter
CVT-stofffilter vóór reinigen
Luchtfilterelement vervangen
Balhoofdlager controleren
CVT-riem vervangen
Alle bougies vervangen
Klepspeling controleren
Bevestiging voor ophangrubber vervangen
Olieverversing in de telescoopvork
Koppeling controleren
Remvloeistof in complete systeem verversen
Aanwijzingen
Stempel, handtekening
SERVICEBEVESTIGINGEN
De tabel dient als bewijs voor het uitvoeren van de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, het inbouwen van optionele accessoires en het uitvoeren van speciale maatregelen.
| Uitgevoerde werkzaamheden | bij km Datum |
222 SERVICE
| Uitgevoerde werkzaamheden | bij km Datum |
DECLARATION OF CONFORMITY 225 BATTERY DIRECTIVE 228
Accu's zijn in het algemeen onderworpen aan de accuverordening 2023/1542/EU. Verbruikersinformatie over de accu's vindt u in de betreffende hoofdstukken van deze handleiding.
In de volgende componenten zijn accu's geïntegreerd:
Technical information
| Component | Type Contact | |
| RDC-sensor | 17109 | LID TECHNOLOGIES, 3 rue Giotto, 31520 Ramonville, Saint Agne, FrankrijkE-mail: contact@lid.techwww.lid.tech |
| RDC-sensor | 171090 | LID TECHNOLOGIES, 3 rue Giotto, 31520 Ramonville, Saint Agne, FrankrijkE-mail: contact@lid.techwww.lid.tech |
| KLR Key HUF5794 | Huf Hülsbeck & Fürst GmbH & Co. KG, Steeger Str.17, 42551 Velbert, DuitslandE-mail: info@huf-group.comwww.huf-group.com | |
| KLR Key ZB002 | ZADI S.p.A., Via Carlo Marx 138, 41012 Carpi (MO), ItaliëE-mail: info@zadi.comwww.zadi.com | |
| KLR Key ZB006 | ZADI S.p.A., Via Carlo Marx, 138 41012 Carpi (MO), ItaliëE-mail: info@zadi.comwww.zadi.com | |
| DWA8 ECU | DWA8 | Meta System S.p.A, Via Tancredi Galimberti 5, 42124 Reggio Emilia, Italiëwww.metasystemcorporation.com |
| DWA8 RC | TXBMWMR | Meta System S.p.A, Via Tancredi Glimberti 5, 42124 Reggio Emilia, Italwww.metasystemcorporation.com |
| DWA9 DWA9 | Bury Sp. z o.o., ul. Wojska Polskieg4, 39-300 Mielec, PolenE-mail: info@bury.comwww.bury.com | |
230 TREFWOORDENREGISTER
A
Aanhaalmomenten, 193
ABS
Controlelampjes, 51, 52
Onderhoudsaanwijzingen, 156
Positie op het voertuig, 16
Afkortingen en symbolen, 4
Positie op het voertuig, 18
Boordnetspanning, 41, 42
Bougies, 199
Boutverbindingen, 193
Brandstof
Brandstofkwaliteit, 110, 111
Brandstofvulnippel, 16
Tanken, 111, 113, 114
Buitentemperatuur, 40
C
Cardan, 196
Check-Control, 33
Claxon, 19
Combischakelaar
Overzicht links, 19
Overzicht rechts, 20
Contact, 76
Contactdoos
Aanwijzingen voor het
gebruik, 168
Positie op het voertuig, 21, 22
Controlelampjes
ABS, 51, 52
BMW flexcase, 54
Boordnetspanning, 41, 42
Brandstofreserve, 54
DTC, 53
DWA, 44
Ernstige storing aandrijfsysteem, 46
Instrumentenpaneel, 23
Koelvloeistoftemperatuur, 45
Lampstoring, 43
Mijn voertuig, 30
Motorbesturing, 46, 47
Motorelektronica, 47
Motoroliepeil, 45
Opbergvak, 54
Overzicht, 26
RDC, 48, 49, 50, 51
Service, 55
Waarschuwing buitentemperatuur, 40
Waarschuwingslampje storing aandrijflijn, 46
Weergave, 33
Zijstandaard, 51
Controlelijst, 105
CVT
rijden, 106
Diefstalbeveiligingsinstallatie bedienen, 86
DTC, 86
Controlelampjes, 53
Tabel met laadvermogens, 18
Veervoorspanning, 99
Instrumentenpaneel
Omgevingslichtsensor, 23
Overzicht, 23, 27, 28
232 TREFWOORDENREGISTER
K
Keyless Ride
Batterij leeg of verlies van radiografische sleutel, 80 Contact, 78
Controlelampjes, 40, 41
Elektronische wegrijbeveili- ging (EWS), 79
Stuurslot vergrendelen, 77
Tankdop ontgrendelen, 113, 114
Koelvloeistof
bijvullen, 138
Brandstofvulnippel, 16
Controlelampjes, 45
Niveau-aanduiding, 17
Vulpeil controleren, 138
Koplamp, 98
Lichtbundel, 98
Koppeling
Centrifugaalkoppeling, 106
Mobiliteitsdiensten, 205
Motor
Controlelampjes, 46, 47
neerzetten, 82
starten, 105
Waarschuwingslampje storing aandrijflijn, 46
Motorolie
bijvullen, 132
Controlelampjes, 45
Positie op het voertuig, 20
O
Onderhoudsbevestigingen, 209
Onderhoudsschema, 207
Onderhoudstermijnen, 206
Opbergvak
bedienen, 92, 93
Controlelampjes, 54
Ontgrendeling achter, 18
Positie op het voertuig, 21, 22
Overzicht waarschuwingsindicaties, 35
Overzichten
Cockpit, 21, 22
Controle- en waarschuwings- lampjes, 26
Instrumentenpaneel, 23, 27, 28
linker combischakelaar, 19
linker voertuigzijde, 16
Mijn voertuig, 30
onder de buddyseat, 18
rechter combischakelaar, 20
rechter voertuigzijde, 17
P
Parkeerlicht, 83
Pre-Ride-Check, 105
R
Radiografische sleutels
Accu vervangen, 80
RDC
Controlelampjes, 48, 49, 50, 51
ABS Pro afhankelijk van
rijmodus, 109
Dynamic Brake Control
afhankelijk van rijmodus, 109
Veiligheidsaanwijzingen, 107
Werking controleren, 134
Remvloeistof
Reservoir, 16, 17
Vulpeil controleren, 137
Richtingaanwijzers
bedienen, 82
Bedieningselement, 19
Rijgegevens, 201
Rijwielgedeelte, 197
S
Scooter
Buiten gebruik stellen, 186
In gebruik nemen, 186
neerzetten, 110
reinigen, 180
vastbinden, 116
verzorging, 180
Service
BMW Motorrad Service, 204
Controlelampjes, 55
Onderhoudshistorie, 205
Sleutel, 76, 77
Snelheidsmeter, 61
Speed Limit Info, 70
Spiegels, 98
Startblokkering, 79
Starten
Bedieningselement, 20
Motor, 105
Starthulp, 157
Statusregel boven, 63
instellen, 63
Storingstabel, 190
Stuurslot, 76
T
Tankdop noodontgrendeling, 115
234 TREFWOORDENREGISTER
Tanken
Brandstofkwaliteit, 110, 111
Tanken, 111, 113, 114
Telefoon, 71
Toerenteller, 61
Topcase, 170
Tractiecontrole, 123
DTC, 123
Transport, 116
U
USB-laadaansluiting, 21, 22
V
Veervoorspanning
Instelelement, 16
instellen, 99
Veiligheidsaanwijzingen
over het remmen, 107
over het rijden, 102
Verlichting
bedienen, 82
Bedieningselement, 19
Dagrijlicht bedienen, 83
Dagrijverlichting, 84
Dimlicht, 82
Grootlicht, 82
Koplamp instellen, 98
Lichtsignaal, 82
Parkeerlicht, 83
Stadslicht, 82
Verstraler, 85
Versnellingsbak, 196
Verzorging
Chroom, 184
Kuipdelen, 184
Kuipruit, 184
Kunststoffen, 184
Lakconservering, 185
Onderhoudsmiddelen, 182
Radiateur, 184
Rubber, 185
Wassen, 182
Voertuigidentificatienum-
mer, 17
Voetsteunen passagier, 16, 17
Voorwielstandaard, 131
W
Waarschuwingslampje storing
aandrijving, 46
Waarschuwingslampjes
Instrumentenpaneel, 23
Overzicht, 26
Wielen
inbouwen, 142, 148
Wielmaat veranderen, 140
Z
Zekeringen
Positie op het voertuig, 16
Afhankelijk van de uitvoering en de accessoires van uw motorfiets, maar ook bij speciale uitvoeringen voor bepaalde landen, kunnen afwijkingen t.a.v. afbeeldingen en teksten op-treden. Hieruit kunnen geen aanspraken worden afgeleid. De opgegeven maten, gewichten en verbruiks- en prestatie-opgaven kunnen binnen de gebruikelijke toleranties in geringe mate afwijken. Wijzigingen in constructie, uit-rusting en accessoires voorbehouden. Vergissingen voorbehouden.
© 2025 Bayerische Motoren Werke Aktiengesellschaft 80788 München, Duitsland Reproductie, ook gedeeltelijk, is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van BMW Motorrad, Aftersales. Originele handleiding, gedrukt in Duitsland.
Brandstof
| Aanbevolen brandstofkwaliteit | Super loodvrij (max. 15% ethanol, E10/E15)95 ROZ/RON90 AKI |
| -met normale benzine loodvrij | Normaal loodvrij (max. 15% ethanol, E15)91 ROZ/RON87 AKI |
| Nuttige tankinhoud circa 12,8 l | |
| Reservehoeveelheid circa 3 l | |
| Bandenspanning | |
| Bandenspanning voor 2,2 bar, | Solo, bij koude banden2,4 bar, Rijden met duopassagier en belading; bij koude banden |
| Bandenspanning achter 2,4 bar, | Solo, bij koude banden2,6 bar, Rijden met duopassagier en belading; bij koude banden |
Meer informatie rondom uw motorfiets vindt u op: bmw-motorrad.com























































