Beetle Cabriolet (2012) - Auto VOLKSWAGEN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Beetle Cabriolet (2012) VOLKSWAGEN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Beetle Cabriolet (2012) VOLKSWAGEN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Beetle Cabriolet (2012) - VOLKSWAGEN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Beetle Cabriolet (2012) van het merk VOLKSWAGEN.
GEBRUIKSAANWIJZING Beetle Cabriolet (2012) VOLKSWAGEN
Markeert een verwijzing naar een paragraaf met belangrijke informatie en veiligheidsaanwijzingen ⚠ binnen een hoofdstuk, die u zou moeten lezen.

De pijl geeft aan, dat het onderwerp op de volgende pagina verder gaat.

De pijl geeft het einde van een onderwerp aan.

Het symbool markeert situaties, waarin de wagen onmiddellijk moet worden stilgezet.

Het symbool markeert een geregistreerd handelsmerk. Het ontbreken van dit teken garandeert niet dat begrippen vrij mogen worden gebruikt.

Symbolen van deze soort verwijzen naar

waarschuwingsaanwijzingen, binnen de-

zelfde paragraar of op de aangegeven bladzijde, die op mogelijk gevaar voor on- gevallen en verwondingen wijzen en hoe u dit kunt voorkomen.

Verwijzing naar een waarschuwingsaan-wijzing, binnen dezelfde paragraaf of op de aangegeven bladzijde, die op mogelijk gevaar voor beschadiging van uw wagen wijst en hoe u dit kunt voorkomen.

GEVAAR
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming zware verwondingen of zelfs de dood tot gevolg zul- len hebben.

WAARSCHUWING
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming zware verwondingen of zelfs de dood tot gevolg kunnen hebben.

VOORZICHTIG
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming lichte of zware verwondingen tot gevolg kunnen hebben.

LET OP
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaarlijke situaties, die bij veronachtzaming beschadigingen aan de wagen tot gevolg kunnen hebben.

In teksten met dit symbool staan aanwijzingen over het behoud van het milieu.

In teksten met dit symbool staat extra informatie.
Hartelijk dank voor uw vertrouwen
Met deze Volkswagen krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke comfortuitrustingen, die u in het dagelijkse verkeer zeker zult willen gebruiken.
Lees voor het eerste gebruik van uw wagen de informatie in dit instructieboekje goed door en neem deze in acht, zodat u de wagen snel en volledig leert kennen en mogelijke gevaren voor uzelf en anderen kunt herkennen en voorkomen.
Als u nog vragen heeft over uw wagen of u meent dat het instructieboekje niet volledig is, dan kunt u zich wenden tot uw Volkswagen Partner. Daar zijn vragen, opmerkingen en kritiek altijd welkom.
Wij wensen u veel plezier met uw Volkswagen en een goede reis.
Over dit instructieboekje 4
Wagenoverzicht 6
Buitenaanzichten
- Zijaanzicht 6
- Vooraanzicht 7
- Achteraanzicht 8
Interieur
- Overzicht van het bestuurdersportier ... 9
- Overzicht bestuurderszijde 10
- Overzicht middenconsole 12
- Overzicht bijrijderszijde 14
- Symbolen in de hemelbekleding ..... 14
Instrumentenpaneel
- Waarschuwings- en controlelampjes ... 15
- Instrumenten 18
- Volkswagen informatiesysteem 24
Voor het rijden 29
Voordat u wegrijdt
- Aanwijzingen voor het rijden 29
- Technische gegevens 32
Open en dicht
- Sleutelset 36
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem 40
- Portieren 49
- Achterklep 50
- Elektrische ruitbediening 53
-Cabrioletkap 56
Veilig en op de juiste wijze zitten
- Zithouding instellen 67
- Stoelfuncties 74
- Veiligheidsgordels 76
- Airbagsysteem 85
- Kinderzitjes (accessoires) 93
Licht en zicht
- Licht 101
- Bescherming tegen de zon 108
- Ruitenwissers en -sproeiers 109
- Spiegels 114
Transporteren
– Aanwijzingen voor het rijden 118
- Bagageruimte 122
- Dakdragers 125
– Rijden met aanhangwagen 126 - Opbergmogelijkheden 127
- Beker- en flessenhouders 132
- Asbakken en sigarettenaansteker ..... 134
-Stopcontacten 136
-Tolkaartlezer (ETC) 138
Praktische uitrustingen
Tijdens het rijden 139
Starten, schakelen, parkeren
- Motor starten en afzetten 139
- Schakelen 145
- Remmen, stoppen en parkeren ..... 154
- Milieubewust rijden 163
- Stuurinrichting 166
Bestuurdershulpsystemen
- Wegrijhulpsystemen 169
- ParkPilot 172
- Achteruitrijhulp (Rear Assist) 176
- Snelheidsregelsysteem (SRS) 180
- Bandencontrolesysteem 183
Klimaat
- Verwarmen, ventileren, koelen 186
Bij het tankstation
- Tanken 193
- Brandstof 197
Onderhouden, verzorgen, schoonmaken ....
In de motorruimte
- Voorbereidingen op werkzaamheden in de motorruimte 200
- Motorolie 205
- Motorkoelvloeistof 210
- Accu 214
Verzorging en onderhoud van de wagen
- Buitenzijde van de wagen verzorgen en schoonmaken 218
- Interieur verzorgen en schoonmaken ... 227
- Velgen en banden 233
-
Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen .. 246
-
Gebruikersinformatie 255
- Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem 258
Tips om het zelf te doen 260
Praktische aanwijzingen
- Vragen en antwoorden 260
- In noodgevallen 262
- Noodsluiten of -openen 265
- Wagengereedschap 271
-
Wieldoppen 273
-
Verwisselen van een wiel 276
- Bandenafdichtset 282
- Zekeringen 286
- Gloeilampjes vervangen 289
- Starthulp 300
- Aan- en afslepen 303
Gebruikte afkortingen 309
Trefwoordenlijst 310
Over dit instructieboekje
- Dit instructieboekje geldt voor alle modellen en uitvoeringen van de Beetle Cabriolet.
- Een alfabetisch geordende trefwoordenlijst vindt u aan het einde van het instructieboekje.
- Een overzicht van afkortingen achter in dit instructieboekje verklaart specifieke afkortingen en benamingen.
- Richtingsaanduidingen, zoals links, rechts, voor en achter, hebben normaliter betrekking op de rijrichting, tenzij iets anders is aangegeven.
- Afbeeldingen dienen ter oriëntatie en zijn als principeweergaven op te vatten.
- Dit instructieboekje is opgesteld voor wagens met links stuur. Bij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders gerangschikt dan op de afbeeldingen of in de tekst wordt weergegeven ⇒ pagina 10.
- Technische wijzigingen aan de wagen die na het ter perse gaan van dit boekje zijn doorgevoerd, zijn te vinden in een aanvulling, die aan de wagen-documentatie is bijgevoegd.
Beschreven zijn alle uitvoeringen en modellen, zonder deze als meeruitvoering of modelvarianten te kenmerken. Zo kunnen er uitrustingen beschreven zijn, die uw wagen mogelijkkerwijs niet heeft of die slechts in enkele landen verkrijgbaar zijn. In de verkoopdocumenten vindt u de uitrusting van uw wagen en voor meer informatie daarover kunt u uw Volkswagen Partner raadplegen.
Alle gegevens in dit instructieboekje komen overeen met de stand van de gegevens ten tijde van het ter perse gaan. Vanwege de continue ontwikkeling van de wagen zijn afwijkingen tussen de wagen en de gegevens in dit instructieboekje mogelijk. Uit de gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen in dit instructieboekje kunnen geen aanspraken worden afgeleid.
Mocht u de wagen verkopen of uitlenen, zorg er dan voor, dat de gehele wagendocumentatie zich altijd in de wagen bevindt.
Vaste onderdelen van de wagendocumentatie:
- Serviceplan
- Instructieboekje
Extra onderdelen van de wagendocumentatie (optioneel):
- Aanvulling
• Radio resp. navigatiesysteem
• Mobiele-telefoonvoorbereiding
• Overige bijlagen
△
Wagenoverzicht
Buitenaanzichten
Zijaanzicht

Afbeelding 1 Zijaanzicht van de wagen
Legenda bij Afbeelding 1:
① Tankklep 193
② Cabrioletkap 56
③ Portiergreep buitenzijde 49
④ Buitenspiegels 114
- Extra knipperlicht 101
⑤ Steunpunten voor de krik 276

Afbeelding 2 Overzicht voorzijde wagen
Legenda bij Afbeelding 2:
① Regen-lichtsensor aan de spiegelvoet voor:
- Ruitenwissers 109
② Voorruit
Ruitantenne 255
③ Ruitenwissers voor 109
④ Motorkap 200
⑤ Ontgrendelingshendel voor de motorkap 200
⑥Koplampen 101,289
⑦ Knipperlicht vóór 101,289
⑧ Mistlamp resp. bochtenverlichting 101,289
⑨ Sensoren vóór van de ParkPilot 172
⑩ Kentekenplaathouder voor
⑪ Montagegat voor het sleepoog vóór, achter een afdekking 303

Afbeelding 3 Overzicht achterzijde wagen
Legenda bij Afbeelding 3:
① Achterruit - Achterruitverwarming 186
② Derde remlicht ③ Volkswagen-embleem: - voor het openen van de achterklep 50 - Plaats van de camera van de achteruitrijhulp (Rear Assist) 176
④ Achterlichten 101,289
⑤ Montagegat voor het sleepoog achter, achter een afdekking 303
⑥ Sensoren achter van de ParkPilot 172
⑦ Kentekenplaathouder achter
⑧ Mistachterlicht 101,289
⑨ Kentekenplaatverlichting 289
⑩ Achterklep 50
Interieur
Overzicht van het bestuurdersportier

Afbeelding 4 Overzicht van de bedieningselementen in het bestuurdersportier (wagen met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Legenda bij Afbeelding 4:
① Controlelampje van het alarmsysteem resp. van de safebeveiliging 40
② Schakelaars voor de elektrische ruitbediening 📐, 🌐 53
③ Slotgreep 49
④ Knop voor het centraal ver- en ontgrendelen van de wagen Ⓞ - Ⓡ 40
⑤ Draaiknop voor het verstellen van de buitenspiegels 114
- Buitenspiegelverstelling L - O - R
- Buitenspiegelverwarming
- Buitenspiegels inklappen
⑥ Greep voor het ontgrendelen van de motorkap 200
⑦ Flessenhouder 132
⑧ Reflector
Overzicht bestuurderszijde

Afbeelding 5 Overzicht bestuurderszijde (wagen met links stuur)

Afbeelding 6 Overzicht bestuurderszijde (wagen met rechts stuur)
Legenda bij Afbeelding 5 en Afbeelding 6:
Knop voor interieurbewaking OFF 40
① Instrumentenpaneel:
- Instrumenten 18
- Display 18
- Waarschuwings- en controlelampjes 15
② Luchtrooster ← ||… → 186
③ Hendel voor ruitenwissers en ruitensproeiers 109
- Ruitenwissers voor de voorruit HIGH - LOW
- Intervalwissen voor de voorruit ...
- Ruitenwissers uitgeschakeld OFF
- "Tipwissen" 1x
- Ruitenwisser voorruit
- Wis-wasautomaat voor de voorruit
- Hendel met toetsen voor het bedienen van het Volkswagen informatiesysteem TRIP, OK/RESET 24
④ Bedieningselementen van het multifunctiestuurwiel 24
- Volume-instelling van de radio, navigatiemeldingen of een telefoongesprek + -
- Geluidsonderdrukking van de radio of activering van de spraakbediening
- Hoofdmenu van de telefoon oproepen of telefoonoproepen beantwoorden
- Audio, navigatie ◀ - ▷
- Toetsen voor het bedienen van het Volkswagen informatiesysteem - OK - , △ - ∇,
⑤ Claxon (werkt alleen bij ingeschakeld contact)
⑥ Contactslot 139
⑦ Pedalen 145
⑧ Bestuurdersairbag 85
⑨ Hendel voor de verstelbare stuurkolom 67
⑩ Opbergvak 127
⑪ Regelaar voor lichtbundelhoogteverstelling 10 101
⑫ Schakelaar voor kleurinstelling van de sfeerverlichting in de portieren ⚙ 101
⑬ Lichtsterkteregelaar voor instrumenten- en schakelaarverlichting 101
⑭ Hendel 101
- voor grootlicht
- voor dimlicht
- voor grootlichtsignaal
- voor knipperlichten ♦♦
- voor parkeerlicht P
- met toetsen voor bediening van het snelheidsregelsysteem (SRS) ON - CANCEL - OFF - RES/ + - SET/- 180
⑮ Lichtschakelaar 101
- Verlichting uitgeschakeld of automatische dagrijverlichting 0
- Stads- en dimlicht 30,
- Mistverlichting 10,0
Overzicht middenconsole
Bovenste gedeelte van de middenconsole

Afbeelding 7 Overzicht van het bovenste gedeelte van de middenconsole
Legenda bij Afbeelding 7:
① Extra instrumenten 19
② Radio of navigatiesysteem (af fabriek ingebouwd) ⇒ brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem
③ Toets voor rechterstoelverwarming 74
④ Bedieningselementen voor:
- Verwarmings- en ventilatiesysteem 186
- Airconditioning (handbediend) 186
- Climatronic 186
⑤ Knop voor in- en uitschakelen van de alarmlichten ▲ 262
⑥ Knop voor:
- Start-stopsysteem (A) 169
- ParkPilot P _ua 172
⑦ Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag 85
⑧ Toets voor linkerstoelverwarming 74
⑨ Luchtrooster ← |||·→ .... 186 ◀

Afbeelding 8 Overzicht van het onderste gedeelte van de middenconsole (wagen met links stuur)

Afbeelding 9 Overzicht van het onderste gedeelte van de middenconsole (wagen met rechts stuur)
Legenda bij Afbeelding 8 en Afbeelding 9:
① Hendel voor:
- Schakelbak 145
- Automatische versnellingsbak 145
② 12 volt stopcontact of sigarettenaansteker 136, 134
③ Bekerhouder in de middenconsole 132
④ Middenarmsteun voorin met opbergvak 67,127
⑤ Handremhendel 154
⑥ Startknop (vergrendel- en startsysteem Keyless Access) 139
⑦ Opbergvak 127
Overzicht bijrijderszijde

Afbeelding 10 Overzicht bijrijderszijde (wagen met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd

Afbeelding 11 Dashboard bij geopend bijrijdersportier (wagen met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Legenda bij Afbeelding 10 en Afbeelding 11:
① Luchtrooster ← |||·→ 186
② Openingshendel voor bovenste opbergvak 127
③ Inbouwplaats van de bijrijdersvoorairbag in het dashboard 85
④ Openingshendel voor onderste opbergvak met slot 127
⑤ In het opbergvak: knop voor bandencontrole (⊥), SET 183
⑥ Aan de zijkant in het dashboard: sleutelschakelaar voor het buiten werking stellen van de bijrijdersvoorairbag 85
Symbolen in de hemelbekleding

Afbeelding 12 In de dakconsole: Knop voor het openen en sluiten van de cabrioletkap
| Symbool | Betekenis |
| ∅, ∞, 0, ≈ | Binnenverlichting en leeslampjes ⇒ pagina 101 |
| ☆, i, ↙ | Module met drie toetsen ⇒ brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding |
| Knop ⇒ Afbeelding 12 voor het openen en sluiten van de cabrioletkap ⇒ pagina 56 |
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- en controlelampjes
De waarschuwings- en controlelampjes geven waarschuwingen ⚠, storingen ⏻ of bepaalde functies aan. Sommige waarschuwings- en controlelampjes gaan bij het inschakelen van het contact branden en moeten bij draaiende motor of tijdens het rijden weer uit gaan.
Afhankelijk van de wagenuitrusting kunnen er op het display in het instrumentenpaneel bovendien tekstmeldingen worden weergegeven, waarin extra informatie wordt gegeven of tot handelen wordt opgeroepen ⇒ pagina 18, Instrumenten.
Afhankelijk van de wagenuitvoering kan in plaats van een waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel een symbolische weergave zichtbaar zijn.
Bij sommige waarschuwings- en controlelampjes die gaan branden, klinken er bovendien akoestische signalen.
| Symbool | Betekenis ⇒⚠️ | Zie |
| [830H] | Symbolen op het display in het instrumentenpaneel: ⚫ Niet ver-der rijden!Bij overeenkomstige weergave: portier(en), achterklep of motor-kap geopend of niet goed gesloten. | Portieren ⇒ pagina49Achterklep ⇒ pagina50Motorruimte ⇒ pagina200 |
| [906S] | 💡 Niet verder rijden!Handrem aangetrokken. | ⇒ pagina 154 |
![]() | 💡 Niet verder rijden!Remvloeistofpeil te laag of storing in remsysteem. | |
| [44YA] | 💡 Niet verder rijden!Motorkoelvloeistofpeil te laag, koelvloeistoftemperatuur te hoog of storing in motorkoelsysteem. | ⇒ pagina 210 |
![]() | 💡 Niet verder rijden!Motoroliedruk te laag. | ⇒ pagina 205 |
![]() | 💡 Niet verder rijden!Storing in stuurinrichting of stuurinrichting uitgevallen. | ⇒ pagina 166 |
| [YABC] | Bestuurder en/of bijrijder heeft veiligheidsgordel niet om. | ⇒ pagina 76 |
![]() | Storing dynamo. | ⇒ pagina 214 |
| [XY5S] | Versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSG® oververhit. | ⇒ pagina 145 |
![]() | Remblokken voor versleten. | ⇒ pagina 154 |
![]() | Brandt: Storing in ESC of het ESC is door het systeem uitgeschakeld.OF: samen met het ABS-controlelampje Ⓞ: storing in ABS.OF: Massakabel van de accu is weer vastgemaakt. | |
| Knippert: ESC resp. ASR regelt. | ||
![]() | Storing in ABS of ABS uitgevallen. | |
![]() | Mistachterlicht ingeschakeld. | ⇒ pagina 101 |
![]() | Storing in katalysator. | ⇒ pagina 258 |
![]() | Brandt: voorgloeien van dieselmotor. | |
| Knippert: storing in motorregeling (dieselmotor). | ||
![]() | Storing in vermogensregeling. | |
![]() | Roetfilter verstopt met roet. | |
![]() | Storing in stuurinrichting. | ⇒ pagina 166 |
![]() | Bandenspanning te laag of storing in het bandenspanningscon- tolesysteem. | ⇒ pagina 183 |
![]() | Ruitensproeiervloeistofpeil te laag. | ⇒ pagina 109 |
![]() | Brandt: cabrioletkap wordt geopend of gesloten. | ⇒ pagina 56 |
| Knippert: functie van de cabrioletkap niet volledig afgesloten of storing in de cabrioletkap. | ||
| [68ZZ] | Brandstoftank bijna leeg. | ⇒ pagina 193 |
![]() | ||
![]() | Knippert: storing in motoroliesysteem. | ⇒ pagina 205 |
| Brandt: motoroliepeil te laag. | ||
![]() | Storing in airbag- en gordelspannersysteem. | ⇒ pagina 85 |
| Storing in koprolbescherming. | ||
![]() | Bijrijdersvoorairbag buiten werking gesteld (PASSENGER AIR BAG OFF %). | |
![]() | Bijrijdersvoorairbag in paraatheid gebracht (PASSENGER AIR BAG ON ☎). | |
![]() | Tankdop is niet correct gesloten. | ⇒ pagina 193 |
![]() | Knipperlicht links of rechts. | ⇒ pagina 101 |
| Alarmlichten ingeschakeld. | ⇒ pagina 262 | |
![]() | Brandt: rempedaal intrappen! | ⇒ pagina 139⇒ pagina 145⇒ pagina 154 |
| Knippert: de grendelknop in de keuzehendel is niet vergrendeld. | ||
![]() | Snelheidsregelsysteem (SRS) regelt. | ⇒ pagina 180 |
![]() | Grootlicht ingeschakeld of grootlichtsignaal bediend. | ⇒ pagina 101 |
![]() | Brandt: servicemelding. | ⇒ pagina 22 |
| Knippert: servicebeurt bereikt. | ||
![]() | Storing in automatische versnellingsbak. knippert afwisselend met keuzehendelstandindicatie, bv. D. | ⇒ pagina 145 |
| [38ZY] | Start-stopsysteem actief. | ⇒ pagina 169 |
![]() | Start-stopsysteem niet beschikbaar. | |
| Symbool | Betekenis ⇒ ⚠ | Zie |
![]() | Bij wagens met dieselmotor: motor start. | ⇒ pagina 139 |
![]() | Mobiele telefoon is via Bluetooth met de af fabriek ingebouwde mobiele-telefoonvoorbereiding verbonden. | ⇒ brochure Mobiele-telefoonvoorberei-ding |
![]() | Waarschuwing voor gladheid. Buitentemperatuur lager dan +4 °C (+39 °F). | ⇒ pagina 18 |

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings- lampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- De wagen zo op veilige afstand van het rijdende verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. droog gras, brandstof.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- Voordat u de motorkap opent, eerst de motor afzetten en voldoende laten afkoelen.
- De motorruimte van elke wagen is gevaarlijk en kan zware verwondingen veroorzaken pagina 200.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
Instrumenten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht van de instrumenten 18
Extra instrumenten 19
Weergaven op het display 20
Service-intervalindicatie 22
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Waarschuwings- en controlelampjes ⇒ pagina 15
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 24
- Weergave van de gekozen versnellingen (automatische versnellingsbak) pagina 145
- Gegevens over service-intervallen brochure Serviceplan.

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kunnen ongevallen en verwondingen worden veroorzaakt.
- Nooit tijdens het rijden de knoppen in het instrumentenpaneel bedienen.
Overzicht van de instrumenten

Afbeelding 13 Instrumentenpaneel in het dashboard

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 18 en volg deze op.
Uitleg over de instrumenten ⇒ Afbeelding 13:
① Toerenteller (omwentelingen x 1000 per minuut van de draaiende motor).
Het begin van het rode veld in de toerenteller geeft het voor alle versnellingen maximaal toelaatbare motortoerental aan voor een ingereden motor die op bedrijfstemperatuur is. Voordat de naald in het rode veld terechtkomt, moet u opschakelen, de keuzehendel in stand D zetten of de voet van het gaspedaal nemen ⇒ ⚠.
② Snelheidsmeter
③ Brandstofmeter ⇒ pagina 193
④ Resettoets voor de weergave van de dagteller (trip).
- Toets 0.0 / SET ongeveer één seconde indrukken om de dagteller terug te zetten op nul.
⑤ Weergaven op het display ⇒ pagina 20.
⑥ Steltoets voor de klok ^1) .
- Op de toets 📊/💡 drukken om de uren- of minutenweergave te markeren.
- Toets 0.0 / SET indrukken, om te verstellen. Om snel door te laten lopen, de toets ingedrukt houden.
- Opnieuw op de toets 📄/💡 drukken, om het instellen van de klok af te sluiten.
LET OP
- Bij koude motor hoge motortoerentallen, volgas en sterke motorbelasting vermijden.
LET OP (vervolg)
- De naald van de toerenteller mag slechts korte tijd in het rode veld staan. Anders kan er schade aan de motor ontstaan.

Vroeg opschakelen helpt brandstof te besparen en bedrijfsgeluiden te verminderen.
Extra instrumenten

Afbeelding 14 Boven de middenconsole: Extra instrumenten motorolietemperatuur ①, stopwatch ② en laaddruk ③

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Legenda bij Afbeelding 14:
rechts gaan. Dat kan geen kwaad, zolang het controlelampje ☐ of ☐ niet brandt of knippert ⇒ pagina 15.
② Stopwatch
- Analoge stopwatch tot 60 seconden
- Digitale stopwatch met weergave van de uren, minuten en seconden (tot 59 minuten en 59 seconden worden bij ingeschakeld contact de tiende seconden weergegeven).
- Digitale weergave van de gekozen stopwatchmodus.
③ Laaddrukmeter
De laaddrukmeter geeft de druk in het laad- luchttraject tussen compressor resp. turbo en motor weer. Hoe verder naar rechts de naald op de schaalverdeling staat, des te hoger is de druk in het laadluchttraject en des te groter is het vermogen dat de motor afgeeft. Het woord "Turbo" op de schaalverdeling betekent druk- vulling.
④ Toets voor start / stop /reset
① Motorlietemperatuurmeter
De motor heeft de bedrijfstemperatuur bereikt, als de naald zich bij een normale rijstijl in het middelste deel van de schaalverdeling stabiliseert. Bij sterke motorbelasting en hoge buitentemperaturen kan de naald ook verder naar
- Stopwatchmodus (STOP-WATCH): eenmaal toets [0.0 / SET] indrukken om de tijdmeting te starten, een twee keer indrukken om de tijdmeting te stoppen. Door nogmaals in te drukken, wordt de tijdmeting weer hervat.
- Snelheidsafhankelijke stopwatchmodus (SINCE-START): de tijdmeting start automatisch met akoestische terugkoppeling bij het wegrijden. Eenmaal indrukken om de tijdmeting te stoppen.
- Langer dan 2 seconden indrukken: de tijdmeting wordt teruggezet.
⑤ Toets voor de stopwatchmodus
Door de toets in te drukken, kan uit de 2 modi van de stopwatch worden gekozen.
De modus wordt na de selectie kort op het display weergegeven, daarna verschijnt de laatst gemeten tijd.
- Stopwatchmodus (STOP-WATCH).
- Snelheidsafhankelijke stopwatchmodus. De tijdmeting start automatisch met akoestische terugkoppeling bij het wegrijden (SINCE-START). Daarnaast is deze modus herkenbaar doordat een led in de stopwatch brandt.
LET OP
Na het starten van de koude motor hoge motortoerentallen, volgas en sterke motorbelasting vermijden.
△
Weergaven op het display

Afbeelding 15 A: Geopende motorkap, B: Geopende achterklep, C: Geopend linkervoorportier

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Op het display in het instrumentenpaneel ⇒ Afbeelding 13 ⑤ kan afhankelijk van de uitrusting van de wagen uiteenlopende informatie worden weergegeven:
- Geopend(e) portier, motorkap of achterklep
⇒ Afbeelding 15
• Waarschuwings- en informatieteksten
• Weergave kilometers
• Tijd - Buitentemperatuur
- Kompasweergave
• Weergave gekozen versnelling
• Keuzehendelstanden ⇒ pagina 145
• Schakeladvies (schakelbak) ⇒ pagina 145
- Multifunctie-indicatie (MFA) en menu's voor verschillende instellingen ⇒ pagina 24
• Service-intervalindicatie ⇒ pagina 22
- Statusweergave van het start-stopsysteem
⇒ pagina 169
Waarschuwings- en informatieteksten
Bij het inschakelen van het contact of tijdens het rijden worden enkele functies van de wagen en wagencomponenten gecontroleerd op hun toe-stand. Storingen worden door rode en gele waarschuwingssymbolen met waarschuwings- of informatieteksten op het display in het instrumentenpaneel weergegeven (⇒ pagina 15) en zo nodig ook akoestisch gesignaleerd. Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
| Soort melding | Sym-bool-kleur | Uitleg |
| Waarschuwingsmel-ding met prioriteit 1 | Rood | Symbool knippert of brandt – soms begeleid door waarschuwingstonen. ➕ Niet verder rijden! Er is sprake van gevaar ⇒ ⚠!Functie met storing controleren en de oorzaak verhelpen. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen. |
| Waarschuwingsmel-ding met prioriteit 2 | Geel | Symbool knippert of brandt – soms begeleid door waarschuwingstonen. Storingen of een tekort aan bedrijfsvloeistoffen kunnen schade aan de wagen veroorzaken en tot het stilvallen van de wagen leiden! ⇒ ⚠.Functies met storing zo snel mogelijk controleren. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen. |
| Informatietekst | – | Informatie over diverse gebeurtenissen aan de wagen. |
Weergave kilometers
De kilometerteller registreert de totaal afgelegde afstand van de wagen.
De dagteller (trip) geeft het aantal kilometers weer dat na de laatste keer terugzetten van de dagteller is afgelegd. De laatste positie geeft afstanden van 100 meter weer.
Buitentemperatuurmeter
Bij buitentemperaturen lager dan circa +4 °C (+39 °F) verschijnt in de buitentemperatuurmeter tevens een "ijskristalsymbool" (waarschuwing voor gladheid). Dit symbool knippert in het begin en brandt vervolgens tot de buitentemperatuur hoger is dan +6 °C (+43 °F) ⇒ ⚠.
Als de wagen stilstaat of met zeer lage snelheid rijdt, kan de weergegeven temperatuur door stralingswarmte van de motor iets hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur.
Het meetbereik is -40 °C (-40 °F) tot +50 °C (+122 °F).
Kompasweergave
Bij ingeschakeld contact en ingeschakeld navigatiesysteem wordt op het display in het instrumentenpaneel de actuele windstreek weergegeven.
Weergave gekozen versnelling
Bij de schakelbak kan op het display in het instrumentenpaneel eventueel de ingeschakelde versnelling worden weergegeven.
Keuzehendelstanden
De ingeschakelde rijstand wordt zowel aangegeven naast de keuzehendel als op het display in het instrumentenpaneel. In de standen D en S alsme-de in de tiptronic-stand wordt op het display eventueel de gekozen versnelling weergegeven.
Schakeladvies (schakelbak)
Op het display in het instrumentenpaneel kan tijdens het rijden een advies over de keuze van een brandstofbesparende versnelling weergegeven worden ⇒ pagina 145.
Statusweergave van het start-stopsysteem
Op het display in het instrumentenpaneel wordt informatie over de actuele status weergegeven ⇒ pagina 169.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings-lampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- De wagen zo op veilige afstand van het rijdende verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. droog gras, brandstof.

WAARSCHUWING
Wegen en bruggen kunnen bij buitentemperaturen boven het vriespunt glad zijn.
- Ook bij buitentemperaturen boven +4 °C (+39 °F) wanneer er geen "ijskristalsymbool" wordt weergegeven, kan het glad zijn.
- Nooit alleen op de buitentemperatuurmeter vertrouwen!

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Er zijn verschillende instrumentenpanelen. Daarom kan de uitvoering en weergave van splays variëren. Bij wagens zonder weergave
van waarschuwings- of informatieteksten op het display worden storingen uitsluitend door controle-lampjes weergegeven.

Als er meerdere waarschuwingsmeldingen zijn, verschijnen de symbolen achtereenvolgedurende enkele seconden. De symbolen verschijnen totdat de storing is verholpen.
△
Service-intervalindicatie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De weergave van de servicebeurt vindt plaats via het display in het instrumentenpaneel Afbeelding 13 ⑤.
Volkswagen maakt bij de servicetermijnen onder-scheid tussen servicesoorten met olie verversen, bv. Interval Service, en soorten zonder olie verversen, bv. Grote Onderhoud Service. De service-intervalindicatie informeert u alleen over de servicetermijnen, waarbij de olie wordt ververst. Alle andere servicetermijnen, zoals de volgende noodzakelijke Grote Onderhoud Service of de volgende Remvloeistof Service staan op de sticker op de portierstijl van de wagen of in het Serviceplan.
Bij wagens met Tijd- of afstandafhankelijke Service zijn vaste service-intervallen voorgeprogrammeerd.
Bij wagens met LongLife Service worden de intervallen individueel bepaald. Dankzij de technische vooruitgang kunnen de service-intervallen aanzienlijk worden verlengd. Met de LongLife Service introduceert Volkswagen een technologie, waarmee alleen een Interval Service hoeft te worden uitgevoerd, als dit echt nodig is. Hierbij wordt voor de bepaling van de service-intervallen (max. twee jaar) rekening gehouden met de specifieke gebruiksomstandigheden en de persoonlijke rijstijl van de bestuurder. De servicemelding wordt 20 dagen voor de berekende servicebeurt voor het eerst weergegeven. Het resterende aantal kilometers wordt altijd op 100 km afgerond resp. de resteren-de tijd op hele dagen. De actuele servicemelding kan pas vanaf 500 km na de laatste servicebeurt worden afgevraagd. Tot dan verschijnen er streepjes in de weergave.
Serviceherinnerning
Wanneer het binnenkort tijd is voor een service-beurt, verschijnt bij het inschakelen van het contact een serviceherinnering op het display.
Bij wagens zonder tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt een steeksleutelsymbool en een weergave km. De kilometers die worden weergegeven zijn het aantal kilometers, die u nog kunt rijden tot de volgende servicebeurt. Na enkele seconden verandert de weergave. Er verschijnt een kloksymbool en het aantal dagen tot de komende servicebeurt.
Bij wagens met tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt Servicebeurt over --- km of --- dagen.
Servicebeurt
Wanneer het tijd is voor een servicebeurt klinkt er bij het inschakelen van het contact een akoestisch signaal en verschijnt gedurende enkele seconden het knipperende steeksleutelsymbool. Bij wagens met tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt Servicebeurt nu!
Bij ingeschakeld contact, afgezette motor en stilstaande wagen kan de actuele servicemelding worden opgevraagd.
- De toets 📊/💡 in het instrumentenpaneel zo vaak indrukken dat het steeksleutelsymbool ➔ verschijnt.
• OF: Menu Instellingen kiezen. - In het submenu Service menupunt Info kiezen.
Wanneer de servicebeurt reeds plaats had moeten vinden, wordt dit door een minteken voor de kilometer- of dagteller aangegeven. Bij wagens met tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt Servicebeurt sinds --- km of --- dagen.
Service-intervalindicatie terugzetten
Als de servicebeurt niet door een Volkswagen Partner is uitgevoerd, kan de service-intervalindicatie als volgt worden teruggezet:
Bij wagens met tekstmeldingen:
Menu Instellingen kiezen.
In het submenu Service menupunt Reset kiezen.
Bevestigingsvraag met de toets OK/RESET in de rui- tenwisserhendel resp. de toets OK op het multi- functiestuurwiel bevestigen.
Bij wagens zonder tekstmeldingen:
Contact uitschakelen.
Toets 0.0 / SET indrukken en ingedrukt houden.
Toets 0.0 / SET loslaten en binnen ca. 20 seconden op de toets 📋 / ⏻ drukken.
De service-indicatie niet tussen de service-intervallen terugzetten, omdat dit tot foutieve weergaven leidt.
Wanneer bij LongLife Service de service-intervalindicatie handmatig wordt teruggezet, dan wordt de "tijd- of afstandafhankelijke service" geactiveerd. Het service-interval wordt dan niet meer individueel bepaald ⇒ brochure Serviceplan

De servicemelding gaat na enkele seconden uit, bij draaiende motor of door op de toets
OK/RESET
in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK
op het multifunctiestuurwiel te drukken.

Als de accukabels bij wagens met LongLife Service gedurende langere tijd losgemaakt
waren, kan de tijd tot de volgende servicebeurt niet worden berekend. De berekende gegevens in de service-indicatie kunnen daarom foutief zijn. In dat geval de maximaal toegestane service-intervallen opvolgen ⇒ brochure Serviceplan.
Volkswagen informatiesysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht van de menustructuur 24
Menu's in het instrumentenpaneel bedienen . 25
Hoofdmenu 26
Multifunctie-indicatie (MFA) 26
Menu Instellingen 28
Bij ingeschakeld contact kunnen via de menu's de verschillende functies van het display worden opgeroepen.
De omvang en vormgeving van de menu's van het Volkswagen informatiesysteem zijn afhankelijk van de wagenelektronica en de uitrusting van de wagen.
Een specialist kan afhankelijk van de wagenuitvoering meer functies programmeren of veranderen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Enkele menupunten kunnen alleen bij stilstaande wagen worden opgevraagd.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenspiegels ⇒ pagina 114
• Bestuurdershulpsystemen ⇒ pagina 169
Overzicht van de menustructuur

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De volgende menustructuur laat een voorbeeld van de opbouw van de menu's van het Volkswagen informatiesysteem op het display in het instrumentenpaneel zien. De daadwerkelijke omvang van de menu's en de benaming van afzonderlijke menupunten zijn afhankelijk van de wagenelektronica en de uitrusting van de wagen.
MFA (Multifunctie-indicatie) ⇒ pagina 26
Rijtijd
■ Actueel verbruik
■ Gemiddeld verbruik
■ Actieradius
Rijafstand
- Radio resp. navigatiesysteem brochure Radio resp. brochure Navigatiesysteem
- Mobiele-telefoonvoorbereiding⇒brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kunnen ongevallen en verwondingen worden veroorzaakt.
- Nooit tijdens het rijden de menu's op het display in het instrumentenpaneel oproepen.

Na het starten van de motor met volledig ont- laden accu of na vervanging van de accu kunnen systeeminstellingen (tijd, datum, persoonlijke comfortinstellingen en programmeringen) ontregeld of gewist zijn. Instellingen controleren en corrigeren, nadat de accu weer voldoende is geladen.
Kilometerstand
■ Gemiddelde snelheid
■ Digitale snelheidsweergave
■ Olietemperatuurmeter
■ Koelvloeistoftemperatuur
■ Snelheidswaarschuwing (Waarschuwing bij — km/h resp. Waarschuwing bij — mph)
Audio ⇒ brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem
Navigatie ⇒ brochure Navigatiesysteem
Wagenstatus
Instellingen ⇒ pagina 28
■ Multifunctie-indicatiegegevens
- Rijtijd
- Actueel verbruik
-
Gemiddeld verbruik
-
Gereden afstand
- Kilometerstand
- Gemiddelde snelheid
– Digitale snelheidsweergave - Olietemperatuurmeter
- Koelvloeistoftemperatuur
- Snelheidswaarschuwing
■ Taal
■ Tijd
■ Eenheden
Service
■ Fabrieksinstelling
△
Menu's in het instrumentenpaneel bedienen

Afbeelding 16 Wagens zonder multifunctiestuurwiel: Toets ① in de ruitenwisserhendel voor het bevestigen van menupunten en tuimelschakelaar ② om van menu te wisselen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Bij wagens met multifunctiestuurwiel Afbeelding 17 vervallen de toetsen in de ruitenwisserhendel Afbeelding 16. Het Volkswagen informatiesysteem wordt dan uitsluitend via de toetsen van het multifunctiestuurwiel bediend.
Zolang een waarschuwingsmelding met prioriteit 1 ⇒ pagina 18 wordt weergegeven, kunnen geen menu's worden opgevraagd. Sommige waarschuwingsmeldingen kunnen met de toets ① in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel ⇒ Afbeelding 17 worden bevestigd en uitgeschakeld.
Hoofdmenu openen
- Contact inschakelen.
- Als een melding of het wagenpictogram wordt weergegeven, toets Afbeelding 16 ① in de rui- tenwisserhendel resp. toets OK op het multifunctie- stuurwiel indrukken Afbeelding 17.

Afbeelding 17 Rechterzijde van het multifunctiestuurwiel: Toetsen voor het bedienen van de menu's in het instrumentenpaneel
- Bij bediening met ruitenwisserhendel: om het hoofdmenu te openen pagina 26 of om vanuit een ander menu naar het hoofdmenu terug te keren, tuimelschakelaar Afbeelding 16 ② ingedrukt houden.
- Bediening met multifunctiestuurwiel: hoofdmenu wordt niet in de lijst weergegeven. Om door de afzonderlijke hoofdmenupunten te bladeren, toets of meerdere keren indrukken ⇒ Afbeelding 17.
Submenu openen
- Boven of onder op de tuimelschakelaar ⇒ Afbeelding 16 ② in de ruitenwisserhendel drukken, resp. op het multifunctiestuurwiel op pijltoetsen △ of ▽ drukken tot het gewenste menupunt is gemarkeerd.
- Het gemarkeerde menupunt staat tussen de twee horizontale lijnen. Bovendien verschijnt rechts een driehoekje ◀.
- Om het submenupunt te openen, toets ① in de ruitenwisserhendel resp. toets OK op het multifunctiestuurwiel indrukken ⇒ Afbeelding 17.
Menuafhankelijke instellingen uitvoeren
- Met de tuimelschakelaar in de ruitenwisserhendel resp. de pijltoetsen op het multifunctiestuurwiel de gewenste wijzigingen doorvoeren. Eventueel ingedrukt houden om de waarden sneller te verhogen of te verlagen.
- Keuze met toets Afbeelding 16 ① in de rui- tenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel Afbeelding 17 markeren resp. bevestigen.
Naar het hoofdmenu terugkeren
- Met menu: in het submenu menupunt Terug kiezen om het submenu te verlaten.
- Bij bediening met ruitenwisserhendel: tuimelschakelaar Afbeelding 16 ② ingedrukt houden.
- Bij bediening met multifunctiestuurwiel: op de toets ➤ drukken ⇒ Afbeelding 17.
△
Hoofdmenu

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 24 en volg deze op.
| Menu | Functie | Zie |
| MFA | Informatie van de multifunctie-indicatie (MFA) | ⇒ pagina 26 |
| Audio | Zenderweergave in de radiofunctie.Titelweergave in de cd-functie.Titelweergave in de mediafunctie. | ⇒ brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem |
| Navigatiesysteem | Informatie van het ingeschakelde navigatiesysteem:Bij actieve routegeleiding worden richtingspijlen en de naderings-balken weergegeven. De weergegeven symbolen lijken op de symbolen van het navigatiesysteem.Als geen routegeleiding actief is, dan worden de rijrichting (kom-pasfunctie) en de naam van de straat waarin u rijdt weergegeven. | ⇒ brochure Navigatiesysteem |
| Wagenstatus | Actuele waarschuwings- of informatieteksten.Het menupunt verschijnt alleen als er waarschuwings- of informa-tieteksten zijn. Het aantal aanwezige teksten wordt op het display weergegeven. Voorbeeld: 1/1 of 2/2. | ⇒ pagina 18 |
| Instellingen | Verschillende instelmogelijkheden, bv. tijd, taal, eenheden. | ⇒ pagina 28 |
Multifunctie-indicatie (MFA)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
De multifunctie-indicatie geeft verschillende rij- en verbruikswaarden weer.
Tussen de weergaven van de multifunctie-indicatie wisselen
- Wagens zonder multifunctiestuurwiel: op de tuimelschakelaar TRP in de ruitenwisserhendel drukken ⇒ Afbeelding 16.
- Wagens met multifunctiestuurwiel: op toets △ of ▽ drukken ⇒ Afbeelding 17.
De MFA beschikt over twee automatisch werkende geheugens: 1 - ritgeheugen en 2 - reisgeheugen. Welk geheugen momenteel wordt weergegeven, is rechtsboven in de displayweergave leesbaar.
Bij ingeschakeld contact en weergegeven geheugen 1 of 2 op de toets OK/RESET ⇒ Afbeelding 16 in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK ⇒ Afbeelding 17 op het multifunctiestuurwiel drukken om tussen de beide geheugens te schakelen.
| 1 | Ritgeheugen. | Het geheugen verzamelt van het inschakelen tot het uitschakelen van het contact de rit- en verbruiksgegevens.Als de rit langer dan twee uur wordt onderbroken, wordt het geheugen automatisch gewist. Als de rit binnen 2 uur na uitschakelen van het contact wordt voortgezet, worden de nieuwe waarden toegevoegd. |
| 2 | Reisgeheugen. | Het geheugen verzamelt de ritgegevens van een willekeurig aantal afzonderlijke ritten tot in totaal 19 uur en 59 minuten resp. 99 uur en 59 minuten rijtijd of 1999,9 resp. 9999,9 gereden kilometers al naargelang de uitvoering van het instrumentenpaneel. Als een van deze maximumwaardena) wordt overschreden, wordt het geheugen automatisch gewist en begint weer bij 0. |
a) Varieert afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel.
- Het geheugen kiezen, dat u wilt wissen.
- De toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel circa 2 seconden ingedrukt houden.
Persoonlijk kiezen van de weergaven
In het menu Instellingen kunt u kiezen, welke van de mogelijke weergaven van de multifunctie-indicatie op het display in het instrumentenpaneel moet worden weergegeven. Bovendien kunnen de weergegeven meeteenheden worden gewijzigd ⇒ pagina 28.
Mogelijke weergaven
| Menu | Functie |
| Rijtijd | Rijtijd in uren (h) en minuten (min), die na het inschakelen van het contact is verstreken. |
| Actueel brandstofverbruik | De weergave van het actuele brandstofverbruik vindt tijdens het rijden plaats in l/100 km, bij draaiende motor en stilstaande wagen in l/h. |
| Gemiddeld verbruik | Het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km wordt na het inschakelen van het contact pas na ongeveer 100 meter weergegeven. Tot die tijd worden streepjes weergegeven. De weergegeven waarde wordt elke 5 seconden vernieuwd. |
| Actieradius | Geschatte afstand in km, die met de aanwezige tankinhoud bij gelijkblijvende rijstijl nog kan worden gereden. Voor de berekening wordt onder andere het actuele brandstofverbruik gebruikt. |
| Rijafstand | De na het inschakelen van het contact gereden afstand in km. |
| Afgelegde afstand | Totale afgelegde afstand van de wagen. |
| Gemiddelde snelheid | De gemiddelde snelheid wordt na het inschakelen van het contact pas na ca. 100 meter weergegeven. Tot die tijd worden streepjes weergegeven. De weergegeven waarde wordt elke 5 seconden vernieuwd. |
| Digitale snelheids-weergave | Momenteel gereden snelheid digitaal weergegeven. |
| Olietemperatuurmeter | Actuele motorolietemperatuur digitaal weergegeven. |
| Koelvloeistoftemperatuur | Actuele koelvloeistoftemperatuur digitaal weergegeven. |
| Waarschuwing bij --- km/h | Als de opgeslagen snelheid wordt overschreden (tussen 30 km/h (18 mph) en 250 km/h (155 mph)) wordt een akoestische en eventueel ook een optische waarschuwing weergegeven. |
Snelheid voor de snelheidswaarschuwing opslaan
- Weergave Waarschuwing bij --- km/h resp. Waarschuwing bij --- mph in de multifunctie-indicatie kiezen.
-
Op de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel drukken om de actuele snelheid op te slaan en de waarschuwing te activeren.
-
Zo nodig binnen ca. 5 seconden met de tuimelschakelaar TRIP in de ruitenwisserhendel of de toetsen △ of ▽ op het multifunctiestuurwiel de gewenste snelheid instellen. Daarna opnieuw op de toets OK/RESET resp. OK drukken of enkele seconden wachten. De snelheid is opgeslagen en de waarschuwing is geactiveerd.
- Om te deactiveren op toets OK/RESET resp. toets OK drukken. De opgeslagen snelheid wordt gewist.
Menu Instellingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 24 en volg deze op.
| Menu | Functie |
| Taal | Taal voor de teksten op het display en het navigatiesysteem instellen. |
| Multifunctie-in-dicatiegegevens | Instellen, welke multifunctie-indicatiegegevens op het display in het instrumenten-paneel moeten worden weergegeven ⇒ pagina 26. |
| Tijd | De uren en minuten van de klok op het display in het instrumentenpaneel en in het navigatiesysteem instellen. De tijd kan in 12- en 24-uursmodus worden weergegeven. Eventueel wordt middels een S boven in het display weergegeven dat de zo-mertijd is ingesteld. |
| Eenheden | Eenheden voor temperatuur- en verbruikswaarden alsmede afstanden instellen. |
| Service | Servicemeldingen opvragen of service-intervalindicatie terugzetten. |
| Fabrieksinstel-lingen | Sommige functies in het menu Instellingen worden op de fabrieksinstellingen teruggezet. |
| Terug | De weergave schakelt terug naar het hoofdmenu. |
Voor het rijden
Voordat u wegrijdt
Aanwijzingen voor het rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorbereidingen voor het rijden en rijveiligheid 29
Rijden in het buitenland 30
Rijden over ondergelopen wegen 31
Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de wagen kan het zinvol zijn om een bodembescherming te laten inbouwen. Een bodembescherming kan het risico van beschadigingen van de onderzijde van de wagen en de carterpan verminderen, wanneer bijvoorbeeld regelmatig over stoepranden, oprijlanen of onverharde wegen wordt gereden. Volkswagen adviseert de inbouw ervan door uw Volkswagen Partner te laten uitvoeren.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veilig en op de juiste wijze zitten ⇒ pagina 67
• Transporteren ⇒ pagina 118
• Starten, schakelen, parkeren ⇒ pagina 139
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 163
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 255

WAARSCHUWING
Rijden onder invloed van alcohol, drugs, medicamenten en andere verdovende middelen kan zware ongevallen en dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- Alcohol, drugs, medicamenten en andere verdovende middelen kunnen uw waarne- ming, reactietijden en rijveiligheid aanzienlijk beïnvloeden, wat het verlies van de controle over de wagen tot gevolg kan hebben.
△
Voorbereidingen voor het rijden en rijveiligheid

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 29 en volg deze op.
Checklist
Voor uw eigen veiligheid, de veiligheid van alle passagiers en die van andere verkeersdeelnemers dient u de volgende punten vóór en tijdens elke rit in acht te nemen ⇒ ⚠:
Foutloze werking van de verlichting en knipperlichten controleren.
Bandenspanning (⇒ pagina 233) en brandstofvoorraad (⇒ pagina 193) controleren.
√ Voor een helder en goed zicht door alle ruiten zorgen.
√ Voorwerpen en bagage veilig in de opbergvakken, in de bagageruimte en eventueel op het dak bevestigen ⇒ pagina 118.
√ De pedalen moeten altijd ongehinderd kunnen worden ingetrapt.
√ Kinderen in de wagen met een voor lichaamsgewicht en -lengte geschikt veiligheidssysteem veilig vastzetten ⇒ pagina 93.
√ Voorstoelen, hoofdsteunen en spiegels overeenkomstig uw lichaamslengte op de juiste wijze instellen ⇒ pagina 67.
Schoenen aantrekken, die uw voeten een goede grip geven voor de bediening van de pedalen.
Checklist (vervolg)
De vloermat in de voetenruimte aan bestuurderszijde moet de pedalen vrijlaten en goed zijn bevestigd.
Juiste zithouding voor het rijden aannemen en tijdens het rijden behouden. Dat geldt ook voor de passagiers ⇒ pagina 67.
Veiligheidsgordel voor het rijden op juiste wijze omgespen en tijdens het rijden omgegespt laten. Dat geldt ook voor de passagiers ⇒ pagina 76.
Niet meer personen meenemen dan er zitplaatsen en veiligheidsgordels zijn.
√ Nooit rijden als de rijvaardigheid bijvoorbeeld door medicijnen, alcohol of drugs negatief beïnvloed wordt.
Laat u nooit van het verkeer afleiden door bijvoorbeeld het doen van instellingen of het oproepen van menu's, door passagiers of door telefoongesprekken.
Snelheid en rijstijl altijd aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
√ Verkeersregels opvolgen en aangegeven snelheden aanhouden.
√ Op lange ritten regelmatig pauzeren - ten minste eens in de twee uur.
Dieren veilig vervoeren in de wagen met behulp van een systeem dat overeenkomt met het gewicht en formaat van de dieren.

WAARSCHUWING
Altijd de actuele verkeersregels en snelheidsbeperkingen in acht nemen en anticiperend rijden. Een juiste inschatting van de rijsituatie kan het verschil maken tussen het veilig bereiken van de reisbestemming en een ongeval met zware verwondingen.

Regelmatig onderhoud aan de wagen is niet alleen nodig voor het waardebehoud van de en, maar ook voor de bedrijfs- en verkeersvei-
ligheid. Laat daarom de onderhoudswerkzaamheden zoals beschreven in het Serviceplan uitvoeren. Bij zware gebruiksomstandigheden kan het nodig zijn dat sommige werkzaamheden eerder dan de volgende service moeten worden uitgevoerd. Zware omstandigheden zijn bijvoorbeeld vaak stoppen en optrekken, rijden in gebieden met veel stof. Meer informatie is verkrijgbaar bij een Volkswagen Partner of specialist.
Rijden in het buitenland

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 29 en volg deze op.
Checklist
In bepaalde landen gelden speciale veiligheidsnormen en voorschriften met betrekking tot uitlaatgassen die van de productieversie van de wagen kunnen afwijken. Volkswagen adviseert om vóór een buitenlandse rit bij uw Volkswagen Partner informatie in te winnen over de wettelijke voorschriften die gelden in het land van uw bestemming alsmede over de volgende zaken:
√ Moet de wagen technisch op de buitenlandse rit worden voorbereid, bijvoorbeeld de koplampen afplakken resp. de koplamp-asymmetrie veranderen?
Zijn de noodzakelijke gereedschappen, elektronicatesters en onderdelen voor service- en reparatiewerkzaamheden beschikbaar?
Zijn er in het land van uw bestemming Volkswagen Partners beschikbaar?
√ Voor benzinemotoren: is er loodvrije benzine met een toereikend octaangetal verkrijgbaar?
√ Voor dieselmotoren: is er zwavelarme diesel verkrijgbaar?
Zijn de juiste motorolie (⇒ pagina 205) en andere bedrijfsvloeistoffen volgens de specificaties van Volkswagen beschikbaar in het land van uw bestemming?
Checklist (vervolg)
√ Werkt het af fabriek ingebouwde navigatiesysteem met de aanwezige navigatiegegevens in het land van uw bestemming?
Zijn er speciale banden noodzakelijk voor het rijden in het land van uw bestemming?
LET OP
Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan uw wagen die het gevolg is van minderwaardige brandstof, ontoereikende service of een gebrek aan originele onderdelen.
Rijden over ondergelopen wegen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Om beschadigingen aan de wagen bij het rijden over bijvoorbeeld overstroomde wegen te voorkomen, op het volgende letten:
- Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen. Het water mag maximaal tot aan de onderzijde van de carrosserie komen ⇒ ⚠.
- Niet sneller dan stapvoets rijden.
- Nooit in het water stil blijven staan, achteruitrijden of de motor afzetten.
- Tegemoetkomende wagens maken golven, waardoor de waterspiegel voor de eigen wagen dusdanig kan stijgen dat veilig rijden door het water niet mogelijk is.
- Bij het rijden door water het start-stopsysteem altijd handmatig uitschakelen.
⚠ WAARSCHUWING
Na het rijden door water, modder enz. kan de remwerking vanwege de natte en in de winter bevroren remschijven en remblokken beïnvloed worden en de remweg langer worden.
- Voorzichtig remmen om de remmen "droog en ijsvrij te remmen". Daarbij geen verkeersdeelnemers in gevaar brengen of wettelijke voorschriften overtreden.
- Abrupte en plotselinge remmanoeuvres direct na het rijden door water vermijden.
LET OP
- Bij het rijden door water kunnen onderdelen van de wagen zoals bijvoorbeeld motor, versnellingsbak, onderstel of elektrische installatie ernstig worden beschadigd.
- Niet door zout water rijden, want zout kan corrosie veroorzaken. Alle onderdelen van de wagen die met zout water in aanraking zijn gekomen, onmiddellijk met zoet water afspoelen.
Technische gegevens

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Kenmerkende wagengegevens 32
Motorgegevens 33
Afmetingen 34
Rijprestaties 35
Met welke motor uw wagen is uitgerust, kunt u ook zien op de sticker met wagengegevens in het Serviceplan resp. in het kentekenbewijs.
U moet altijd uitgaan van de gegevens in het kentekenbewijs. Alle gegevens in dit instructieboekje gelden voor het basismodel. Door meeruitvoeringen of speciale type-uitvoeringen en ook bij speciale wagens en wagens voor andere landen kunnen de aangegeven waarden afwijken.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Transporteren ⇒ pagina 118
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 163
- Brandstof pagina 197
• Motorolie ⇒ pagina 205
• Motorkoelvloeistof ⇒ pagina 210
• Velgen en banden ⇒ pagina 233
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 255

WAARSCHUWING
Het negeren of overschrijden van de aangegeven waarden voor gewichten, belading, afmetingen en topsnelheid kan ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben.
Kenmerkende wagengegevens


Afbeelding 18 A: Sticker met wagengegevens: Op de voorbeeldafbeelding met motorcode CCZA ③ B: Typeplaatje

Afbeelding 19 Chassisnummer

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-
zins 22 on yolo days on
- Slotplaat achter (in de bagageruimte)
- Motorkap
• Rechterlangsdrager (in de motorruimte) - Achterklep
• Portierstijl (bijrijderszijde) - Bodemplaat (in de voetenruimte aan bijrijde zijde)
Sticker met wagengegevens
De sticker met wagengegevens Afbeelding 1 is bij de uitsparing voor het reservewiel in de ba geruimte geplakt en bevat de volgende gegeve
① Chassisnummer
② Model, motorvermogen, versnellingsbak
③ Motor- en versnellingsbakcode, laknummer terieuruitvoering. In het voorbeeld luidt de r torcode "CCZA" → Afbeelding 18
| Motorvermogen | Inspuit-techniek | MC | Maximaal koppel | Aantal cilinders, cilinderinhoud |
| 147 kW bij 5300 – 6200/ min | TSI® | CPLB | 280 Nm bij 1700 – 5200 1/min | 4 cilinders, 1984 cm ^3 |
| 155 kW bij 5300 – 6200/ min | TSI® | CPLA | 280 Nm bij 1700 – 5200 1/min | 4 cilinders, 1984 cm ^3 |
Dieselmotoren
| Motorvermogen | Inspuit-techniek | MC | Maximaal koppel | Aantal cilinders, cilinderinhoud |
| 77 kW bij 4400/min met roetfilter | TDI® | CAYC | 250 Nm bij 1500 – 2500/min | 4 cilinders, 1598 cm3 |
| 103 kW bij 4200/min met roetfilter | TDI® | CFFB | 320 Nm bij 1750 – 2500/min | 4 cilinders, 1968 cm3 |
Afmetingen
| Legenda bij Afbeelding 20: | Waarde | |
| F | Maximale hoogte gedurende bediening cabrioletkap in onbeladen toestanda) | 1953 mm |
| G | Hoogte bij geopende motorkap en leeggewichta) | 1780 mm |
| H | Bodemvrijheid in rijklare toestandb) tussen de assen | 136 mm |
| I | Wielbasis | 2538 mm |
| J | Lengte ( van bumper tot bumper) | 4278 mm |
| Minimale draaicirkel | 10,8 m | |
a) Leeggewicht zonder bestuurder, zonder belading.
b) Leeggewicht met bestuurder (75 kg) en bedrijfsvloeistoffen.
LET OP
- Parkeerplaatsen met hoge stoepranden of vaste begrenzingen voorzichtig in rijden. Deze uit de bodem stekende voorwerpen kunnen bij het in- en uitparkeren de bumper en andere wagenonderdelen beschadigen.
LET OP (vervolg)
- Rij voorzichtig door kuilen en over perci linritten, opritten, stoepranden en andere v werpen. Laaggelegen wagenonderdelen zo bumpers, spoilers en delen van het onderst de motor of het uitlaatsysteem kunnen bij h eroverheen riiden worden beschadigd
Open en dicht Sleutelset

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Sleutels 36
Controlelampje in sleutel 38
Batterij vervangen 38
Sleutel synchroniseren 39
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Instellingen via het Volkswagen informatiesys-

GEVAAR (vervolg)
- Direct de hulp van een arts inroepen als u het vermoeden heeft, dat een batterij is ingeslikt.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de sleutel of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Sleutels
Met de sleutel kan de wagen op afstand worden ont- en vergrendeld ⇒ pagina 40.
De zender met de batterij zit in de sleutel. De ontvanger zit in het interieur van de wagen. Het bereik van de sleutel bedraagt bij volle batterij enkele meters rondom de wagen.
Als de wagen niet met de radiografische afstandsbediening van de sleutel ont- of vergrendeld kan worden, moet de sleutel opnieuw worden gesynchroniseerd ⇒ pagina 39 of de batterij van de sleutel worden vervangen ⇒ pagina 38.
Er kunnen meerdere sleutels worden gebruikt.
sleutel werkt niet, als deze geen microchip bev een microchip die niet gecodeerd is. Dit geldt o voor sleutels die passend gefreesd zijn.
Nieuwe sleutels of reservesleutels zijn verkrijgt bij de Volkswagen Partner, bij specialisten of gtoriseerde sleuteldiensten, die gekwalificeerd z om een dergelijke sleutel te maken.
Nieuwe sleutels en vervangende sleutels moet vóór gebruik worden aangepast. Specialist opz ken.

LET OP
Elke sleutel bevat elektronische onderdelen Sleutel tegen beschadigingen, vocht en ste schokken beschermen.

Knoppen op de sleutel alleen indrukken a de betreffende functie daadwerkelijk nodi
Controlelampje in sleutel

Afbeelding 23 Controlelampje in sleutel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa en volg deze op.
Als een knop op de sleutel kort wordt ingedrukt, knippert het controlelampje Afbeelding 23 (pijl) eenmaal kort. Drukt u een knop langer in, dan knippert het controlelampje een paar keer, bv. bij het comfortopenen.
Als het controlelampje in de sleutel bij het indrukken van de knop niet gaat branden, moet de batterij in de sleutel worden vervangen ⇒ pagina 38.
Batterij vervangen
Sleutel synchroniseren

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Als u de knop 📞 vaak indrukt buiten het werkingsgebied, kunt u de wagen mogelijk niet meer ont- en vergrendelen met de sleutel met radiografische afstandsbediening. In dit geval moet de sleutel als volgt opnieuw worden gesynchroniseerd:
- Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 36.
-
Zo nodig afdekkap van de portiergreep van het bestuurdersportier verwijderen pagina 265.
-
Knop in de sleutel indrukken. Hierbij vla de wagen gaan staan.
- De wagen binnen een minuut met de uitge te sleutelbaard ontgrendelen. De synchronisat afgerond.
• Zo nodig afdekkap monteren.
Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Beschrijving van de centrale vergrendeling .. 40
Wagen van buitenaf ont- of vergrendelen .... 41
Wagen van binnenuit ont- of vergrendelen ... 42
Wagen met Keyless Access ont- of vergrendelen 43
Safebeveiliging 45
Alarmsysteem 46
Interieurbewaking en afsleepalarm 47
De centrale vergrendeling werkt alleen dan zoals voorgeschroven, als alle portieren en de achter-
• Cabrioletkap ⇒ pagina 56
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 265

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de centrale vergrendeling kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De centrale vergrendeling vergrendelt alle portieren. Een van binnenuit vergrendelde wagen kan onbedoeld openen van de portieren en binnendringen door onbevoegde personen voorkomen. In geval van nood of bij een ongeval maken vergrendelde portieren het voor hulnverlaners, achter moeilikker om
De portieren en de achterklep kunnen bij uitval van de sleutel of de centrale vergrendeling handmatig worden ont- resp. vergrendeld.
Zo nodig vergrendelt de wagen zichzelf automatisch vanaf een snelheid van ongeveer 15 km/h (10 mph) ⇒ pagina 24. Als de wagen is vergrendeld, brandt het controlelampje in de knop voor centrale vergrendeling ⇒ Afbeelding 28 geel.
Automatisch ontgrendelen (Auto Unlock)
Wanneer de sleutel uit het contact wordt getrokken, ontgrendelt de wagen indien gewenst automatisch alle portieren en de achterklep ⇒ pagina 24.
Wagen na een airbagactivering vergrende
Wanneer de airbags bij een ongeval worden ge tiveerd, wordt de gehele wagen ontgrendeld. At hankelijk van de mate van de beschadiging kan wagen na het ongeval als volgt worden vergren deld.
| Functie | Handeling |
| Wagen met de knop voor cen- | - Contact uitschakelen. |

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 40 en volg deze op.
| Functie | Handeling met de knoppen op de sleutel ⇒ Afbeelding 26 resp. ⇒ Afbeelding 27 |
| Wagen ontgrendelen. | Knop 📞 indrukken. Ingedrukt houden voor comfortopenen. |
| Wagen vergrendelen. | Knop 🔒 indrukken. Ingedrukt houden voor comfortsluiten. |
| Achterklep ontgrendelen. | Knop 🔔 indrukken ⇒ pagina 50. |
Let op: afhankelijk van de door een specialist ingestelde functie van de centrale vergrendeling worden pas bij tweemaal indrukken van de knop alle portieren en de achterklep ontgrendeld ⇒ pagina 24.
De sleutel ont- of vergrendelt de wagen alleen, als de batterij voldoende vermogen heeft en de sleutel
Bij geopend bestuurdersportier kan de wagen niet met de sleutel worden vergrendeld. Als de wagen wordt ontgrendeld en geen portier of achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen na enkele seconden weer automatisch. Deze functie voorkomt dat de wagen onbedoeld continu is ontgren-deld.
- Het is niet mogelijk om de portieren en de achterklep van buitenaf te openen, bijvoorbeeld bij het stilstaan voor een stoplicht.
- Portieren kunnen van binnenuit worden ontgrendeld en geopend door aan de slotgreep te trekken. Het controlelampje gaat uit. Zo nodig moet herhaaldelijk aan de slotgreep worden getrokken. De ongeopende portieren en de achterklep blijven vergrendeld en zijn van buitenaf niet te openen.
Als de wagen tot stilstand komt en u bij geactiv de automatische ontgrendeling pagina 40 de sleutel uit het contact trekt of de knop Afbeelding 28 indrukt, wordt de wagen ontgrdeld.
Wagen met Keyless Access ont- of vergrendelen

Als de wagen wordt ontgrendeld en geen portier of achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen na enkele seconden weer automatisch.
Portieren ontgrendelen en openen (Keyless Entry)
- Portiergreep van het bestuurders- of bijrijder-sportier beetpakken. Daarbij wordt het ontgrendelingsvlak Ⓐ aangeraakt.
- Portier openen.
Portieren sluiten en vergrendelen (Keyless Exit)
- Contact uitschakelen.
• Bestuurdersportier sluiten. - Sensor voor het vergrendelen Ⓑ aan de buitenzijde van de portiergreep van het bestuurders-of bijrijdersportier eenmaal bedienen. De wagen
Als bij vergrendelde wagen een sensor in de portiergreep onevenredig vaak wordt geactiveerd, bijvoorbeeld door schurende takken van een heg, schakelen alle naderingssensoren zichzelf gedurende enige tijd uit.
Als het alleen om de sensor aan de buitenzijde var het bestuurdersportier gaat, schakelt alleen deze zich uit.
De sensoren zijn weer actief, wanneer een van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:
- Er is enige tijd verstreken.
- OF: Wagen met de ☐-knop op de sleutel ont-grendelen.
• OF: Achterklep openen. - OF: Wagen met de sleutelbaard van de sleutel ontgrendelen.
De werking van de portiergreepsensoren kan door sterke vervuiling beperkt worden, bv. door zoutresten. Zo nodig de wagen schoonmaken ⇒ pagina 218.
Een wagen met automatische versnelling bak kan alleen worden vergrendeld als de keuzehendel in stand P staat.
Safebeveiliging

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 40 e volg deze op.
| Functie | Handeling |
| Wagen vergrendelen en safebeveiliging acti-veren | Eenmaal de knop op de sleutel indrukken ⇒ pagina |
| Tweemaal de knop op de sleutel indrukken ⇒ pagin 41. | |
| Tweemaal op de sensor voor het vergrendelen van he |

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de safebeveiliging of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit personen in de wagen achterlaten, als de wagen met de sleutel wordt vergrendeld. Bij geactiveerde safebeveiliging kunnen de portieren van binnenuit niet meer worden geopend!

WAARSCHUWING (vervolg)
- Vergrendelde portieren maken het voor hulpverleners in noodgevallen moeilijk om in het interieur te komen en de personen te helpen. Ingesloten personen zouden in een noodgeval niet door ontgrendelen van de portieren uit de wagen kunnen komen.
Alarmsysteem

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
- Opkrikken van de wagen (bij wagens met af-sleepalarm⇒pagina 47).
- Transporteren van de wagen op een veerboot of autotrein (bii wagens met afsleenalarm of interi-
Interieurbewaking en afsleepalarm

Afbeelding 31 Naast de bestuurdersstoel: Knop voor het uitschakelen van de interieurbewaking en het afsleepalarm

Afbeelding 32 In de dakconsole: Sensoren va de interieurbewaking
Wanneer bij het inschakelen van het alarm- systeem nog portieren zijn geopend of de ca- brioletkap of de achterklep nog is geopend, wordt alleen het alarmsysteem ingeschakeld. Pas na het sluiten van de portieren, cabrioletkap en de achter- klep zijn ook de interieurbewaking en het afsleep- alarm geactiveerd.
De interieurbewaking bewaakt bij geopende kap alleen het gebied rond de voorstoelen. Wanneer de kap gesloten is, wordt het gehele interieur bewaakt.
Portieren

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 49
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Sleutelset ⇒ pagina 36
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 40
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 265

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING (vervolg)
- Let er bij het sluiten op, dat het portier goed en volledig sluit. Het gesloten portier moet vlak aansluiten op de carrosseriedele eromheen.
- Portieren alleen openen of sluiten, als r mand zich in het zwenkgebied bevindt.

WAARSCHUWING
Een met de portiervanger opengehouden p tier kan bij harde wind en op hellingen van zelf sluiten en verwondingen veroorzaken.
Achterklep

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 50
Achterklep openen 51
Achterklep sluiten 52
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Centrale vergrendeling ⇒ pagina 40
• Transporteren ⇒ pagina 118
- Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 265

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit de achterklep openen, als daaraan lading zit, bijvoorbeeld een beladen bagagedrager. Ook gaat de achterklep mogelijk niet open, als daaraan lading, bijvoorbeeld fietsen, bevestigd is. Een geopende achterklep kan door het extra gewicht wel vanzelf omlaaggaan. Zo nodig de achterklep ondersteunen of de lading van tevoren verwijderen.
- De achterklep en alle portieren sluiten en vergrendelen, als de wagen niet wordt gebruikt. Overtuig u ervan dat niemand in de wagen achterbliift.
Afhankelijk van de wagenuitvoering kan in plaats van het waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel een symbolische weergave zichtbaar zijn. De weergave is ook bij uitgeschakeld contact zichtbaar. De weergave verdwijnt ongeveer 15 seconden nadat de wagen werd vergrendeld.

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten achterklep kan tijd het rijden plotseling open gaan en zware v wondingen tot gevolg hebben.
- Direct stoppen en de achterklep sluiten
- Na het sluiten van de achterklep contro ren of de vergrendeling juist in de slotplaa vastgeklikt.
Achterklep openen

Afbeelding 35 Geopende achterklep: Handgreep voor dichttrekken
Vergrendelen is alleen bij goed gesloten en vast-geklikte achterklep mogelijk.
- Via de centrale vergrendeling wordt ook de achterklep vergrendeld.
- Als de achterklep van een vergrendelde wagen met de knop op de sleutel werd ontgrendeld, wordt deze na het sluiten direct weer vergrendeld.
- Een gesloten, maar niet-vergrendelde achter-klep wordt bij een snelheid boven ongeveer 9 km/h (6 mph) automatisch vergrendeld.

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht sluiten van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruiten elektrisch openen of sluiten 53
Elektrische ruitbediening – functies ..... 54
Krachtbegrenzing van de elektrische ruitbediening 55
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 24
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 40

WAARSCHUWING (vervolg)
- Elektrisch bedienbare ruiten alleen openen of sluiten, als niemand zich in het werkingsgebied bevindt.
- Nooit kinderen of hulpbehoevende persen in de wagen achterlaten, als de wagen wordt vergrendeld. De ruiten kunnen in gen van nood niet meer worden geopend.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutel meenemen. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u de ruiten met de schakelaars in de portieren nog enige tijd openen of sluite zolang het hoetwurders of hirildere portier
uit het contact getrokken is en het bestuurdersportier geopend is, kunnen alle elektrisch bediende ruiten geopend of gesloten worden door de ruitbedieningsschakelaar in het bestuurdersportier te be-
dienen en vast te houden. Als u de ruitbedienings- schakelaar in het bestuurdersportier bedient en vasthoudt, start na enkele seconden het comfortopenen resp. -sluiten ⇒ pagina 54.
Elektrische ruitbediening – functies

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Automatisch openen van de ruiten
Bij het ontgrendelen van de wagen, bij het aantrekken van de portiergreep en na het uit het contact trekken van de sleutel zakken de gesloten ruiten in de portieren enkele millimeters ⇒ ⚠.
- Alle ruiten en portieren sluiten.
- Contact inschakelen.
- Schakelaar 📄 aantrekken en langer dan twee seconden in deze stand houden.
- Schakelaar 📄 loslaten en opnieuw aantrekken en aangetrokken houden. De sluit-openingsauto-maat is nu weer bedrijfsklaar.
De ruitbedieningsautomaten kunnen apart of voor meerdere ruiten gelijktijdig weer worden geacti-
Als er een storing in de elektrische ruitbedie- ning is, functioneren de sluit- en openingsau- tomaat alsmede de krachtbegrenzing niet goed. Specialist opzoeken.
Krachtbegrenzing van de elektrische ruitbediening

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
De krachtbegrenzing van de elektrische ruitbediening kan het gevaar voor verwondingen door bekneld raken bij het sluiten van de ruit verminderen ▲. Als het automatisch sluiten van een ruit stroef verloopt of wordt tegengewerkt door een obstakel, gaat de ruit meteen weer open.

WAARSCHUWING
Het sluiten van de elektrisch bedienbare ru ten zonder krachtbegrenzing kan zware ver wondingen tot gevolg hebben.
- Bij het sluiten van elektrisch bedienband ruiten altijd goed opletten.
- Niemand mag zich in het werkingsgebied van de elektrische ruitbediening bevinden, met name als deze zonder krachtbegrenzing
Cabrioletkap

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 57
Algemene aanwijzingen 58
Cabrioletkap openen of sluiten 59
Windscherm uit de bagageruimte nemen of opbergen 61
Windscherm in- of uitbouwen 62
Kaphoes (beschermhoes) in- of uitbouwen .. 64
Als de cabrioletkap niet meer beweegt ..... 65
WAARSCHUWING (vervolg)
Door de rijwind kan het dak verbuigen of afbreken en de inzittenden en andere personen in gevaar brengen.
- Nooit rijden, als de cabrioletkap niet volledig geopend resp. gesloten en vergrendeld is.
- Als de wagen met een niet volledig geopende resp. gesloten en vergrendelde cabrioletkap uit een gevarenzone moet worden verwijderd, altijd uitsluitend stapvoets rijden!
- Let er bij het openen en sluiten van de ca-
Bij het parkeren van de wagen met geopende cabrioletkap is het interieur niet tegen toegang door onbevoegden beschermd.
- Cabrioletkap vóór het verlaten van de wagen altijd sluiten.
- Voorwerpen die in de wagen blijven altijd in de vergrendelde bagageruimte bewaren.
De cabrioletkap kan alleen bij volledig ge ten achterklep worden geopend of geslot Tijdens het openen of sluiten van de cabrioletk kan de achterklep niet worden geopend.
Controlelampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 56 e volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Cabrioletkap wordt geopend of gesloten. | - |
| Displaytekst | Wat moet u doen? |
| Storing: kap. Werkplaats! | Een specialist raadplegen. Bij uitval van of een storing in één van de systeemcomponenten is openen en sluiten van de cabrioletkap niet mogelijk. Zo nodig de geopende cabrioletkap noodsluiten ⇒ pagina 265. |
| Storing: kap openen! | Cabrioletkap openen ⇒ pagina 59. Als de cabrioletkap niet meer kan worden bediend, cabrioletkap noodsluiten ⇒ pagina 265. |
| Storing: kap sluiten! | Cabrioletkap sluiten ⇒ pagina 59. Als de cabrioletkap niet meer kan worden bediend, cabrioletkap noodsluiten ⇒ pagina 265. |
| Onderspanning: motor starten! | De accu van de wagen is mogelijk te sterk ontladen om de cabrioletkap volledig te kunnen bedienen. De motor starten, zo nodig met starchulp ⇒ pagina 300 De cabrioletkap bij draaiende motor openen resp. sluiten. Volkswagen adviseert hierna een langere rit te maken om de accu weer op te laden. |
| Kap geopend. | De tekstmelding bevestigt, samen met een akoestisch signaal, een volledig afrosten krankdiening |
Checklist
De volgende technische voorwaarden moeten voor het openen of sluiten van de cabrioletkap zijn verv

Het contact moet zijn ingeschakeld ⇒ pagina 139.
De snelheid van de wagen mag maximaal 50 km/h (30 mph) bedragen.
De buitentemperatuur moet hoger zijn dan -10 °C (+15 °F).
De ladingstoestand van de accu moet voldoende zijn.
Indien de werking van de kap ten opzichte van de oorspronkelijke fabricagetoestand is gewijzigd, raadt Volkswagen dringend aan met een Volkswagen Partner contact op te nemen om de werking weer in de oorspronkelijke fabricagetoestand terug te brengen. Bouwkundige veranderingen en veranderingen in de wagensoftware moeten in het ⇒ brochure Serviceplan worden geregistreerd.

Bij wagens met Climatronic worden de a instellingen voor de werking bij geopendesloten cabrioletkap gescheiden opgeslagde cabrioletkap opnieuw wordt geopend re- ten, worden de hiervoor opgeslagen airchingen weer ingesteld ⇒ pagina 186.

WAARSCHUWING
Cabrioletkap sluiten
- Checklists in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren ⇒ pagina 58.
- Zo nodig de kaphoes verwijderen ⇒ pagina 64.
- Knop 📄 ⇒ Afbeelding 37 in de dakconsole aangetrokken houden tot de cabrioletkap en alle ruiten volledig gesloten zijn ⇒ ⚠: er is een akoestisch signaal hoorbaar en het controlelampje 📄 in het instrumentenpaneel gaat uit. Bovendien kan op het display in het instrumentenpaneel een melding worden weergegeven.
De kapbediening wordt onderbroken zodra u de schakelaar loslaat ⇒ ⚠.

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als de kap niet "normaal" kan worden gesloten, zo nodig de kap noodsluiten, om deze te vergrendelen.
- Let op de meldingen in het instrumentenpaneel, die u erover informeren of het sluiten en vergrendelen is gelukt.

LET OP
Als de kap vaak wordt geopend of gesloten, ontlaadt de accu zich. De motor laten draaien bij veelvuldig openen en sluiten van het dak on een ontladen accu te voorkomen.

LET OP
Bij geopende kap kan het interieur van de wagen door plotselinge neerslag nat worden en
Windscherm uit de bagageruimte nemen of opbergen


Afbeelding 38 A: Opbergvak voor het windscherm openen. B: Windscherm uit het opbergvak tevoors halen
Windscherm in- of uitbouwen

Afbeelding 39 Windscherm uitklappen
- De bovenzijde van het windscherm tot de aan-slag oprichten.
• Hoofdsteunen laten zakken.
Windscherm uitbouwen
- De bovenzijde van het windscherm in de richting van de achterzijde van de wagen naar beneden klappen.
- Handgreep vooraan in het midden van het windscherm in pijlrichting naar boven klappen Afbeelding 40 B ④ en vasthouden.
- Windscherm in het midden tegen de pijlrichting in Afbeelding 40 B ③ naar boven drukken.
- Beide pennen van het windscherm aan bijrijderszijde tegen de pijlrichting in Afbeelding 40 B ② (deelvergroting) uit de montagegaten in de zijbekleding verwijderen.
- Beide pennen van het windscherm aan be-

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette of verkeerd vastgezette voorwerpen kunnen tijdens het rijden, bij plotselinge remmanoeuvres en ongevallen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Geen voorwerpen los onder het windscherm leggen.
- Het windscherm niet als hoedenplank g bruiken. Op het windscherm neergelegde voorwerpen kunnen door windkracht door uit de wagen worden geslingerd.
- Windscherm nooit gebruiken voor het vastzetten van bagage.

WAARSCHUWING
Door ongecontroleerd of onjuist omhoog-, omlaag- of dichtklappen van het windsche
Kaphoes (beschermhoes) in- of uitbouwen


Afbeelding 41 Bij geopende cabrioletkap: Kaphoes in- of uitbouwen
Als de cabrioletkap niet meer beweegt

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 56 e volg deze op.
| Bijzonderheid | Mogelijke oplossing |
| Cabrioletkap kan niet worden geopend of gesloten. | - De technische voorwaarden voor de kapbediening in acht nen⇒ pagina 58.- Indien dan nog geen kapbediening mogelijk is, zo nodig de ge pend cabrioletkap noodsluiten ⇒ pagina 265.- Systeem door een specialist laten controleren. |
| Cabrioletkap blijft tijdens het openen resp. sluiten staan. | - Zo nodig de melding op het display in het instrumentenpaneel raadplegen ⇒ Tab. op pagina 57.- Knop ⇒ Afbeelding 37 aantrekken, om de cabrioletkap volledig sluiten en te vergrendelen.- Als de cabrioletkap niet volledig kan worden gesloten en vergrdeld, de cabrioletkap zo nodig noodsluiten ⇒ pagina 265.- Zo nodig deskundige hulp inschakelen en het systeem door e€ |

WAARSCHUWING (vervolg)
- Op de achterbank altijd de juiste zitpositie innemen en aanhouden.
- Geen voorwerpen in het werkingsgebied van de koprolbescherming leggen.
- Nooit voorwerpen, kinderzitjes of gordels aan de koprolbescherming bevestigen.
- Nooit stoel- of beschermhoezen gebruiken die de openingen van de koprolbescherming afdekken.
- Nooit de afdekkingen van de koprolbescherming verwijderen.

WAARSCHUWING
Bij een systeemstoring kan de koprolbescherming mogelijk niet optimaal, helemaal niet of onverhoeds activeren en verwondin-

LET OP
De geactiveerde koprolbescherming kan bij het openen of sluiten van de cabrioletkap beschadigingen aan de kapbekleding veroorzaken.
- Cabrioletkap niet openen of sluiten, wanneer de koprolbescherming is geactiveerd.
Veilig en op de juiste wijze zitten Zithouding instellen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Gevaar door een verkeerde zithouding ..... 68
Juiste zithouding 69
Mechanische bedieningselementen van de voorstoel 70
Hoofdsteun instellen 70
Hoofdsteun uit- en inbouwen 71
Stand van het stuurwiel verstellen 72
Middenarmsteun 73

WAARSCHUWING (vervolg)
de veiligheidsgordel kunnen anders niet b schermend werken, maar kunnen het risic van lichamelijk letsel bij een ongeval juist vergroten.

WAARSCHUWING
Vóór alle ritten altijd de stoel, de veiligheid gordel en de hoofdsteunen juist verstellen u ervan verzekeren dat alle passagiers de

WAARSCHUWING
Onjuist verstellen van de stoelen kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De stoelen alleen bij stilstaande wagen verstellen, omdat de stoelen anders tijdens het rijden onverwacht kunnen verschuiven en u de controle over de wagen kunt verliezen. Bovendien wordt bij het verstellen een verkeerde zithouding ingenomen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De voorstoelen alleen in hoogte, schuine stand en lengterichting verstellen, als zich niemand in het verstelbereik van de stoelen bevindt.
- Het verstelbereik van de voorstoelen mag niet door voorwerpen worden beperkt.
Gevaar door een verkeerde zithouding

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
- nooit op het puntje van de stoel gaan zitten
- nooit dwars op de stoel gaan zitten
Juiste zithouding

Afbeelding 43 De juiste afstand van de bestuurder tot het stuurwiel moet ten minste 25 cm bedra-

Afbeelding 44 Juist gordelverloop en juiste ho steuninstelling
Mechanische bedieningselementen van de voorstoel

Afbeelding 45 Bedieningselementen van linkervoorstoel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa en volg deze op.
De bedieningselementen van de rechtervoorstoel zijn in spiegelbeeld uitgevoerd.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 67 en volg deze op.
Alle zitplaatsen zijn met hoofdsteunen uitgerust.
Hoogte verstellen
- Hoofdsteun in pijlrichting omhoog- of bij ingedrukte knop Afbeelding 46 ① resp. Afbeelding 47 ① omlaagschuiven ▲.
- De hoofdsteun moet correct in een stand vastklikken.
Juiste stand van de hoofdsteun
Hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen.
Juiste stand van de hoofdsteun voor gro mensen
Hoofdsteun tot de aanslag omhoogschuiven.

WAARSCHUWING
Het rijden met uitgebouwde of verkeerd in stelde hoofdsteunen verhoogt bij ongeval en plotselinge rij- en remmanoeuvres het co van zware of fatale verwondingen.
- Altijd met juist ingebouwde en ingestel hoofdsteun rijden, als op de zitplaats een soon zit.
-
ledere inzittende moet de hoofdsteun d rect aanpassen aan zijn lichaamslengte, of het risico van verwondingen aan de nek b een ongeval te verminderen. Daarbij de hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in liin liat t
-
Zo nodig voor het ontgrendelen een plat voorwerp, bv. een plastic kaart, tussen de bekleding van de rugleuning en de afdekkap van de geleidingsstang van de hoofdsteun schuiven Afbeelding 48 ②.
- Hoofdsteun bij ingedrukte knop ① helemaal eruit trekken.
Hoofdsteun voorin inbouwen
- Hoofdsteun correct boven de hoofdsteungeleidingen houden en in de geleidingen van de betreffende rugleuning steken.
- Hoofdsteun bij ingedrukte knop ① omlaagschuiven.
• Rugleuning rechtop zetten ⇒ pagina 70. -
Hoofdsteunen aan de juiste zithouding aanpassen ⇒ pagina 70.
-
Hoofdsteun bij ingedrukte knop ① omlaagschuiven.
- Rugleuning van de achterbank naar achteren klappen en goed laten vastklikken.
- Hoofdsteunen aan de juiste zithouding aanpassen ⇒ pagina 70.

WAARSCHUWING
Het rijden met uitgebouwde of verkeerd ingestelde hoofdsteunen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.
- Altijd met juist ingebouwde en ingestelde hoofdsteun rijden, als op de zitplaats een persoon zit.
- Uitgebouwde hoofdsteunen meteen weer inbouwen, zodat de passagiers goed be-

WAARSCHUWING
Ondeskundig gebruik van de stuurwielstand-instelling en een verkeerde instelling van het stuurwiel kunnen zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- De hendel ① na het verstellen altijd stevig naar boven zwenken, opdat het stuurwiel tijdens het rijden niet onbedoeld van positie verandert.
- Het stuurwiel nooit onder het rijden instellen. Wanneer onder het rijden wordt vastgesteld, dat een verstelling nodig is, veilig de wagen stilzetten en het stuurwiel juist instellen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het verstelde stuurwiel moet altijd in de richting van de borstkas en nooit in de richting van het gezicht wijzen, om de bescher mende werking van de bestuurdersvoorair bag bij een ongeval niet in te perken.
- Stuurwiel tijdens het rijden altijd met be de handen aan de zijkant aan de buitenste rand (stand kwart over negen) vasthouden om verwondingen door een activerende be stuurdersvoorairbag te verminderen.
- Nooit het stuurwiel op twaalf uur of in e andere stand vasthouden, bv. in het midde van het stuurwiel. Als de bestuurdersairba geactiveerd wordt, kunnen zware verwond gen aan de armen, handen en het hoofd he gevolg zijn.
Stoelfuncties

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stoelverwarming 74
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Zithouding instellen ⇒ pagina 67
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 76
• Airbagsysteem ⇒ pagina 85
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 93
• Buitenspiegels ⇒ pagina 114

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de stoelfuncties kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Voor het begin van de rit altijd de juiste zithouding innemen en deze tijdens het rijden blijven aanhouden. Dat geldt ook voor alle passagiers.
- Handen, vingers en voeten of overige lichaamsdelen altijd uit de werkings- en verstelgebieden van de stoelen weghouden.

WAARSCHUWING
Personen die door medicijngebruik, door ver- lamming of vanwege chronische ziektes (bv. diabetes) een beperkte of geen pijn- of tem- peratuurwaarneming hebben, kunnen bij het gebruik van de stoelverwarming verbrandin- gen aan rug, zitvlak en benen oplopen, die een zeer lange genezingsduur met zich mee- brengen of niet meer volledig genezen. Be- zoek voor vragen over de eigen gezondheids- toestand een arts.
- Personen met een beperkte pijn- of temperatuurwaarneming mogen de stoelverwarming nooit gebruiken.

WAARSCHUWING
Het doorweekt worden van de stoelbekleding

WAARSCHUWING (vervolg)
- Niet met vochtige of natte kleding op de stoel gaan zitten.
- Geen vochtige of natte voorwerpen of kdingstukken op de stoel leggen.
- Geen vloeistoffen op de stoel morsen.

LET OP
- Om de verwarmingselementen van de st verwarming niet te beschadigen, niet op de tingen knielen of de zitting en rugleuning op andere manieren puntvormig belasten.
- Vloeistoffen, puntige voorwerpen en iso rende materialen, zoals bv. een beschermhe of kinderzitje, op de stoel kunnen de stoelve warming beschadigen.
- Bij geurontwikkeling de stoelverwarming
Veiligheidsgordels

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 77
Frontale botsingen en natuurkundige wetten . 78
Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzittenden? 79
Veiligheidsgordels bieden bescherming ..... 80
Gebruik van veiligheidsgordels 80
Veiligheidsgordel omgespen of losmaken ... 81
Gordelverloop 82
Gordeloprolautomaat, gordelspanner, gordelspankrachtbegrenzer 84

WAARSCHUWING (vervolg)
der en alle inzittenden moeten de veiligheids-gordels altijd correct zijn omgegespt als de wagen in beweging is.
- ledere inzittende in de wagen moet altijd vóór elke rit de juiste zithouding aannemen, de bij de zitplaats horende veiligheidsgordel correct omgespen en tijdens het rijden correct omgegespt laten. Dit geldt voor alle passagiers en ook in het stadsverkeer.
- Kinderen tijdens het rijden met een bij het lichaamsgewicht en de lichaamslengte passend veiligheidsysteem en juist omgeesente

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als het gordelweefsel of andere delen van de veiligheidsgordel beschadigd zijn, kunnen de veiligheidsgordels bij een ongeval of een plotselinge remmanoeuvre scheuren.
- Beschadigde veiligheidsgordels direct laten vervangen door nieuwe veiligheidsgordels die door Volkswagen voor de wagen zijn vrijgegeven. Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uitgerekt worden, moeten door een specialist worden vervangen. De vervanging kan nood-

WAARSCHUWING (vervolg)
zakelijk zijn, ook al lijkt er geen beschadig zichtbaar te zijn. Bovendien de verankering voor de veiligheidsgordels controleren.
- Nooit zelf proberen de veiligheidsgorde te repareren, aan te passen of uit te bouwe. Alle reparaties aan de veiligheidsgordels, oprolautomaten en de sloten alleen door e specialist laten uitvoeren.
Waarschuwingslampje

omgegespt. Het symbool 4 laat zien dat de passagier op deze zitplaats "zijn" veiligheidsgordel heeft omgegespt ⇒ Afbeelding 55.
Als op de zitplaatsen achterin een veiligheidsgordel wordt omgegespt of losgemaakt, wordt de gordelstatus gedurende circa 30 seconden weergegeven. De weergave kan worden uitgeschakeld door op de toets 0.0 / SET te drukken.
Als tijdens het rijden op de zitplaatsen achterin een veiligheidsgordel wordt losgemaakt, knippert de gordelstatusindicatie gedurende maximaal 30 seconden. Bij een snelheid van meer dan 25 km/h (15 mph) klinkt er bovendien een akoestisch sig- naal.

WAARSCHUWING
Niet-omgegespte of verkeerd omgegespte veiligheidsgordels verhogen het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen. De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt als de veiligheidsgordels juist worden gebruikt.
Frontale botsingen en natuurkundige wetten

Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzittenden?

Afbeelding 58 De niet-vastgegespte bestuurder vliegt naar voren

Afbeelding 59 De niet-vastgegespte passagie de zitplaats achterin vliegt naar voren op de va
Veiligheidsgordels bieden bescherming

Afbeelding 60 Vastgegespte bestuurder die bij een plotselinge remmanoeuvre door de correct
voorzijde en andere passieve veiligheidskenmerken van uw wagen, zoals bv. het airbagsysteem, een reductie van de bewegingsenergie. De energie die ontstaat, wordt dus minder en zodoende vermindert ook het risico van lichamelijk letsel.
De voorbeelden beschrijven frontale botsingen. Uiteraard reduceren de juist vastgegespte veiligheidsgordels ook in alle andere soorten aanrijdingen wezenlijk het gevaar voor verwondingen. Daarom moeten de veiligheidsgordels vóór elke rit worden omgegespt, zelfs al rijdt u maar een klein stukje. Let erop dat ook alle inzittenden goed zijn vastgegespt.
Ongevalsstatistieken hebben uitgewezen dat het juist omgespen van de veiligheidsgordels het risico van lichameliik letsel aanzienlijk verkleint en de
Checklist (vervolg)

Veiligheidsgordel en gordelbevestigingselement nooit uitbouwen, veranderen of repareren.
Veiligheidsgordel vóór elke rit correct omgespen en tijdens het rijden omgegespt laten.
Verdraaide veiligheidsgordel
Als u de veiligheidsgordel alleen stroef uit de gordeldoorvoer kunt trekken, kan het zijn dat de veiligheidsgordel binnen in de zijbekleding is verdraaid, doordat de gordel bij het losgespen van de gordel te snel is teruggevoerd:
- Veiligheidsgordel bij de slotgesp langzaam en voorzichtig volledig uittrekken.
- Verdraaiing in de veiligheidsgordel verwijderen en gordel langzaam met de hand terug geleiden.
Als u de verdraaiing in de veiligheidsgordel niet kunt verhelpen, de veiligheidsgordel desondanks omgespen. De verdraaiing mag zich dan niet in weer laten oprollen. Als het oprollen gepaard g met een "klikkend" geluid, dan is de gordelopro tomaat uitgerust met een bevestiging voor het derzitje.
Een ingeschakelde arrêtering moet worden los maakt, als een inzittende de veiligheidsgordel gespt.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de veiligheidsgordels verhoogt het risico van zware of dodelijke verwondingen.
- Controleer regelmatig of de veiligheids
Als de gordel helemaal werd uitgetrokken en bij het oprollen van de veiligheidsgordel een "klikkend" geluid hoorbaar is, is er sprake van een blokkeerbare veiligheidsgordel. De blokkering van de veiligheidsgordel mag alleen voor de bevestiging van bepaalde kinderveiligheidssystemen worden gebruikt ⇒ pagina 93, Kinderzitjes (accessoires). Een ingeschakelde arrêtering moet worden losgemaakt, als een inzittende de veiligheidsgordel omgespt.
Veiligheidsgordel omgespen
Veiligheidsgordel vóór elke rit omgespen.
- Voorstoel en hoofdsteun correct instellen ⇒ pagina 67.
- Rugleuning van stoel achterin rechtop laten vastklikken ⇒ ⚠.
• Gordel aan de slotgesp gelijkmatig over borst
Veiligheidsgordel losmaken
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen los- maken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot indrukken Afbeelding 62. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan in geval van een aanrijding zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt, wanneer de rugleuning in een rechte stand

Afbeelding 64 Juist gordelverloop bij zwangere vrouwen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheide aanwijzingen ▲ on pa-
• In hoogte verstelbare voorstoelen

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan zwaar lich melijk letsel in geval van een aanrijding of plotselinge rem- of rijmanoeuvres tot gevo hebben.
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt wanneer de rugleuning in een rechte stand staat en de veiligheidsgordel goed is omge gespt.
- De veiligheidsgordel zelf of een losse veiligheidsgordel kan zware verwondingen voorzaken, wanneer de veiligheidsgordel van harde lichaamsdelen richting zachte delen, bv. buik, schuift.
- Het schoudergoordelgedeelte van de vei
Gordeloprolautomaat, gordelspanner, gordelspankrachtbegrenzer

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
De veiligheidsgordels in de wagen zijn een onderdeel van het wagenveiligheidsconcept ⇒ pagina 88 en hebben de volgende belangrijke functies:
Gordeloprolautomaat
Elke veiligheidsgordel is uitgerust met een gordelo- prolautomaat bij het schoudergordelgedeelte. Wanneer langzaam aan de veiligheidsgordel wordt getrokken of bij normale rijomstandigheden wordt bij de schoudergordel volledige bewegingsvrijheid gegarandeerd. Bij snel uittrekken van de veilig- heidsgordel, plotseling remmen, bij het rijden in de bergen, in bochten en bij accelereren blokkeert de veerd en spannen de veiligheidsgordels tegen de uittrekrichting in. Een loszittende veiligheidsgordel wordt gespannen waardoor de voorwaartse beweging van de inzittenden resp. de beweging van de inzittenden in de richting van de klap wordt verminderd. De gordelspanner werkt samen met het airbagsysteem.
Bij activering kan fijn stof ontstaan. Dat is volledig normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.
Gordelspankrachtbegrenzers
De veiligheidsgordels voor de inzittenden op de voorstoelen zijn uitgerust met gordelspankrachtbegrenzers.
Bij een ongeval vermindert een gordelspankracht-
Airbagsysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Typen bijrijdersvoorairbagsystemen 86
Controlelampje 87
Beschrijving en werking van de airbags ..... 87
Voorairbags 89
Bijrijdersvoorairbag handmatig met de sleutelschakelaar buiten werking stellen en in paraatheid brengen 90
Zij-airbags 91
De wagen is uitgerust met een voorairbag voor de bestuurder en biiriider. De voorairbags kunnen ex-

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het airbagsysteem biedt de beste bescherming in combinatie met correct omge gespte veiligheidsgordels. Alleen dan wordt het risico van letsel verminderd ⇒ pagina 7 Veiligheidsgordels.
- ledere inzittende moet altijd vóór elke ri de juiste zithouding innemen, de bij de zitplaats horende veiligheidsgordel juist omg pen en tijdens het rijden juist omgegespt la ten. Dat geldt voor alle passagiers.

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING (vervolg)
- Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren. Specialisten hebben de noodzakelijke gereedschappen, elektronicatesters, reparatie-informatie en gekwalificeerd personeel.
- Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende airbagonderdelen in de wagen inbouwen.
- Nooit componenten van het airbagsysteem wijzigen.

WAARSCHUWING
Als de airbags worden geactiveerd, kan fijn stof ontstaan. Dat is normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.
- Het fijne stof kan de huid en het oogslijm-

WAARSCHUWING (vervolg)
dere ademhalingsaandoeningen lijden of hebben geleden. Om ademhalingsklachten te verminderen, de wagen verlaten of de ruiten of portieren openen om frisse lucht in te ade- men.
- Bij contact met het stof, voor de volgende maaltijd handen en gezicht met milde zeep en water wassen.
- Het stof niet in de ogen of in open wonden laten komen.
- Als er stof in de ogen is gekomen, deze met water uitspoelen.

WAARSCHUWING
Door schoonmaakmiddelen met oplosmidde- len wordt het oppervlak van de airbageenheid
Controlelampje

PASSENGER AIR BAG
OFF

PASSENGER AIR BAG

Afbeelding 65 Controlelampje in het dashboard: Variant A voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorbag, variant B voor in paraatheid zijnde bijrijdersvoorairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 85 e volg deze op.
| Brandt | Plaats | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Storing in airbag- en gordel- |
Elke geactiveerde airbag wordt door een gasgenerator gevuld. Hierdoor springen de betreffende airbagafdekkingen open en de airbags ontvouwen zich met grote kracht in milliseconden in de werkingsgebieden. Bij het neerkomen van de vastgegespte inzittende in de opgeblazen airbag stroomt het aanwezige gas weg om de inzittende op te vangen en af te remmen. Daardoor kan het risico van ernstig lichamelijk letsel en zelfs fatale verwondingen worden verminderd. Andere verwondingen zoals zwellingen, kneuzingen en schaafwonden kunnen door de geactiveerde airbag niet worden uitgesloten. Bij het ontvouwen van de geactiveerde airbag kan ook wrijvingswarmte ontstaan.
Airbags bieden geen bescherming voor de armen en de onderste lichaamsdelen.
De belangrijkste factoren voor het activeren van de airbags zijn het soort ongeval, de botshoek, de
Het airbagsysteem is onderdeel van het totale passieve veiligheidsconcept. De beste beschermende werking van het airbagsysteem kan alleen in combinatie met correct vastgegespte veiligheidsgordels en een juiste zithouding worden bereikt ⚠ ⇒ pagina 67.
Onderdelen van het veiligheidsconcept van de wagen
De volgende veiligheidsuitrustingen in de wagen vormen samen het wagenveiligheidsconcept, om het risico van ernstig lichamelijk letsel en zelfs fata le verwondingen te verminderen. Afhankelijk van de uitrusting kunnen enkele uitrustingen mogelijk niet in de wagen zijn ingebouwd of in sommige landen niet verkrijgbaar zijn.
- Geoptimaliseerde veiligheidsgordels op alle zitplaatsen.
- Bij over de kop slaan.
- Als de botssnelheid lager is dan de vereiste referentiewaarde in het regelapparaat.
Voorairbags

De airbagafdekkingen worden bij het activeren van de bestuurders- en bijrijdersvoorairbag uit het stuurwiel Afbeelding 66 resp. het dashboard Afbeelding 67 geklapt. De airbagafdekkingen blijven met het stuurwiel resp. het dashboard verbonden.

GEVAAR
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- Altijd de werkingsgebieden van de voor-airbags vrij laten.
- Nooit voorwerpen op de afdekkingen en in het werkingsgebied van de airbageenheid bevestigen, zoals bekerhouders of telefoonhouders.
• Tussen de inzittenden op de voorstoelen

GEVAAR (vervolg)
- De beklede plaat van het stuurwiel en het met schuim gevulde oppervlak van de voor-airbageenheid in het dashboard aan bijrijderszijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken.

WAARSCHUWING
De voorairbags ontvouwen zich vóór het stuurwiel ⇒ Afbeelding 66 en het dashboard ⇒ Afbeelding 67.
- Het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vasthouden aan de buitenzijde van het stuur op 'kwart over negen'.
-
Bestuurdersstoel zo verstellen dat er ten minste 25 cm ruimte tussen de borstkas en het midden van het stuurwiel is. Als u om li-
-
Met de sleutel de sleutelschakelaar aan de zijkant van het dashboard in de stand ON draaien Afbeelding 68.
- Het controlelampje PASSENGER AIR BAG ON 📋 in de middenconsole gaat branden en gaat na ongeveer 60 seconden uit ⇒ pagina 87.
- Sleutel uit de sleutelschakelaar trekken en het bijrijdersportier sluiten.
- Controleren of bij ingeschakeld contact het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF, in het dashboard niet brandt ⇒ pagina 87.
Herkenningskenmerk voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag
Een buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag wordt alleen aangegeven door het permanent brandende controlelampje PASSENGER AIR BAG
ligheidsredenen geen kinderveiligheidssysteen de bijrijdersstoel worden bevestigd. De bijrijder voorairbag zou kunnen worden geactiveerd bij ongeval.

WAARSCHUWING
De bijrijdersvoorairbag mag alleen in bijzondere gevallen buiten werking worden geste
- De bijrijdersvoorairbag alleen bij uitgeschakeld contact buiten werking stellen en paraatheid brengen, om schade aan het air bagsysteem te voorkomen.
- De verantwoordelijkheid voor de juiste stand van de sleutelschakelaar ligt bij de b stuurder.
- De bijrijdersvoorairbag alleen buiten we ing stellen, als in uitzonderingsgevallen op de biiriidersstoel een kinderzitie is bevesti

WAARSCHUWING
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- Altijd de werkingsgebieden van de zij-airbags vrij laten.
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voor-werpen bevinden.
- Geen accessoiredelen aan de portieren monteren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Alleen stoelbekledingen of stoelhoezen aanbrengen, die uitdrukkelijk voor het gebruik in de wagen zijn vrijgegeven. De zij-airbag kan zich anders bij een activering niet ontvouwen.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de bestuurders- en bijrijdersstoel kan de juiste werking van de zij-airbags belemmeren en ernstige verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de voorstoelen uit de wagen uitbouwen of onderdelen ervan aanpassen.
- Wanneer er te grote krachten op de wangen van de rugleuning worden uitgeoefend, kunnen de zij-airbags mogelijk niet optimaal, belamael niet of aanverpacht worden geotij
Kinderzitjes (accessoires)

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Algemene informatie over het vervoeren van kinderen in de wagen 93
Verschillende bevestigingssystemen 95
Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken ... 96
Kinderzitje op de zitplaatsen achterin gebruiken 97
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen . 97
Kinderzitje met onderste verankeringspunten bevestigen (Isofix, LATCH) 98
Kinderzitje met bevestigingsgordel Top Tether

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een kinderzitje met de rug naar hi dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel ve voeren bij in een werking gestelde bijrijder voorairbag.
- Kinderen t/m 12 jaar moeten altijd op die zitplaatsen achterin worden vervoerd.
- Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wager vastzetten.
- Kinderen altijd goed vastgespen en een
bevestiging ervan ⇒ Tab. op pagina 94. Zo kan in sommige landen bijvoorbeeld het gebruik van kinderzitjes op bepaalde zitplaatsen in de wagen verboden zijn.
De regels van de natuurkunde, die uitwerkingen op de wagen bij een botsing of bij een ander soort ongeval hebben, gelden ook voor kinderen ⇒ pagina 76. Anders dan bij volwassenen en jongeren zijn de spieren en botten van kinderen nog niet volledig ontwikkeld. Bij een ongeval bestaat er voor kinderen een groter gevaar van ernstige verwondingen dan voor volwassenen.
Omdat het lichaam van een kind nog niet volledig is ontwikkeld, moeten voor kinderen veiligheidssystemen worden gebruikt die speciaal aan hun grootte, gewicht en lichaamsbouw zijn aangepast. In veel landen gelden wetten die het gebruik van goedgekeurde kinderzitsystemen voor zuigelingen en kleine kinderen voorschrijven.
Alleen voor de betreffende wagen geschikte, goedgekeurde en toegelaten kinderzitjes gebruiken. Raadpleeg bij twijfel altijd een Volkswagen Partner of specialist.
Checklist
Kinderen in de wagen vervoeren ⇒ ⚠:

Volg de landspecifieke wettelijke bepalingen op.
Volkswagen adviseert kinderen onder de twaalf jaar altijd op de zitplaatsen achterin te vervoeren.
Niet elk kind past één op één in het zitje van zijn gewichtsgroep. Evenzo past niet elk zitje in elke wagen. U moet daarom altijd controleren of het kind goed in het kinderzitje past en of het zitje veilig in de wagen kan worden bevestigd.
Kinderzitjes die conform de ECE-R 44 norm zijn getest, hebben op het zitje het ECE-R 44 keurmerk: hoofdletter E in een cirkel, daaronder het testnummer.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren.

WAARSCHUWING
De zitplaats achterin is bij een ongeval altijd de veiligste plaats voor juist vastgegespte kinderen.
- Een geschikt kinderzitje die op de juiste wijze is ingebouwd en op de stoelen achte wordt geplaatst, biedt in de meeste ongeva situaties de beste bescherming voor kinde tot 12 jaar.
Verschillende bevestigingssystemen
De systemen omvatten de bevestiging van het kinderveiligheidssysteem met een bovenste bevestigingsgordel (Top Tether) en de onderste verankeringspunten in de stoel.
Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Niet in alle landen is het vervoer van kinderen op de bijrijdersstoel toegestaan. En niet elk kinderzitje is voor gebruik op de bijrijdersstoel toegelaten. De Volkswagen Partner heeft een actuele lijst met alle toegelaten kinderzitjes. Alleen voor de betreffende wagen toegelaten kinderzitjes gebruiken.
Geschikte kinderzitjes
Het kinderzitje moet door de fabrikant speciaal voor het gebruik op de bijrijdersstoel in wagens met voor- en zij-airbag zijn goedgekeurd.
Op de bijrijdersstoel kunnen universele kinderzijtes volgens ECE-R 44 voor groep 0, 0+, 1, 2 of 3 worden bevestigd.

GEVAAR
Kinderzitje op de zitplaatsen achterin gebruiken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Bij de bevestiging van een kinderzitje op een stoel achterin moet de stand van de voorstoel zo worden aangepast dat het kind voldoende ruimte heeft. Daarom de voorstoel aan de grootte van het kinderzitje en het kind aanpassen. Let daarbij ook op de juiste zithouding van de bijrijder ⚠ ⇒ pagina 67.
Geschikte kinderzitjes
Het kinderzitje moet door de fabrikant zijn vrijgegeven voor het gebruik op zitplaatsen achterin met zij-airbag.
- Als het Isofix-kinderzitje tot de categorie "u verseel" behoort, moet het kinderzitje met de derste verankeringspunten en de bevestigings del Top Tether worden vastgezet.
- Bij Isofix-kinderzitjes uit de categorie "semi verseel" of "wagenspecifiek" moet voor gebruik controleerd worden of het kinderzitje voor de vgen is vrijgegeven. Hiervoor levert de fabrikan het kinderzitje bij het Isofix-kinderzitje een lijst wagens, waarvoor het betreffende Isofix-kinde is vrijgegeven. U kunt eventueel om een actue lijst met wagens aan de fabrikant van het kinde tje vragen.

WAARSCHUWING
Een kind in het kinderzitje op de achterbar
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen
- Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje lezen en in acht nemen.
- Bij montage op de bijrijdersstoel de bijrijdersstoel geheel naar achteren schuiven en de rugleuning rechtop zetten pagina 67.
- Kinderzitje overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje op de stoel zetten.
- Veiligheidsgordel volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje vastgespen resp. door het kinderzitje leiden.
- Let erop dat de veiligheidsgordel niet verdraaid is.
- Slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot steken tot de slotgesp hoorbaar vastklikt.
- Bij wagens met blokkeerbare veiligheidsgor-
kind in het kinderzitje bevinden: gordelband achter de hoofdsteun van de naastgelegen zitplaats langs geleiden. Daarbij mag de blokkering van de veiligheidsgordel niet worden geactiveerd! Er mag dus bij het oprollen geen "klikkend" geluid hoorbaar zijn. Gordel door de gordeloprolautomaat laten oprollen.
Kinderzitje uitbouwen
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen los- maken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot indrukken. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.
- Kinderzitje uit de wagen halen.
Overzicht inbouw met Isofix
In overeenstemming met de Europese richtlijn ECE-R 16 worden in de volgende tabel de inbouw-mogelijkheden aan de onderste verankeringspun- ten van Isofix-kinderzitjes op de afzonderlijke zitplaatsen in de wagen opgesomd.
Het voor het kinderzitje toegestane lichaamsge wicht resp. de aanduiding van klasse A t/m G i kinderzitjes met de vrijgave "universeel" of "ser universeel" op het label op het kinderzitje aang geven.
| Groep (gewichtsgroep) | ||||||||||
| Groep 0: tot 10 kg | Groep 0: tot 10 kg | Groep 1: 9 tot 18 kg | ||||||||
| Groep 0+: tot 13 kg | ||||||||||
| Inbouwrichting | Achteruit ge-richt (tegen rijrich-ting in) | Achteruit gericht (tegen rijrichting in) | Achteruit ge-richt (tegen rijrich-ting in) | Vooruit gericht (in rijrichting) | ||||||
| Klasse | F | G | C | D | E | C | D | A | B | E |
| Inbouw bijrijdersstoel | Zitplaats zonder verankeringspunten, geen bevestiging met Isofix/LATCI | |||||||||
| Inbouw op zitplaatsen | II -SU | II -SU | II -SU | IUE/II -SU | ||||||
Kinderzitje met bevestigingsgordel Top Tether bevestigen

Afbeelding 73 Voorbeeld van een vastgehaakte bovenste bevestigingsgordel

Afbeelding 74 Vastgehaakte bovenste bevestigingsgordels in de bagageruimte.
Licht en zicht
Licht

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 101
Knipperlicht- en grootlichthendel 102
Licht in- en uitschakelen 103
Licht en zicht - functies 104
Koplampen afplakken resp. veranderen van de koplamp-asymmetrie 105
Lichtbundelhoogteverstelling, instrumenten- en schakelaarverlichting, sfeerverlichting in de vodien.

WAARSCHUWING
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moeilijk door and verkeersdeelnemers kan worden gezien, k en ongevallen en zware verwondingen he gevolg zijn.
- Het dimlicht bij duisternis, neerslag of slecht zicht altijd inschakelen.

WAARSCHUWING
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings- lampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. droog gras, brandstof, olie etc.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van het grootlicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben, omdat het grootlicht andere verkeersdeelnemers kan afleiden en verblinden.

Het knipperlicht werkt alleen bij ingeschakeld contact. De alarmlichten werken ook wan- het contact is uitgeschakeld ⇒ pagina 262.

Als er aan de wagen een knipperlicht uitv knippert het controlelampje ongeveer twe zo snel.

Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld dimlicht worden ingeschakeld.
Licht in- en uitschakelen

Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op 1 en volg deze op.
Readpleen de landspecifieke wetteliike benalin
Gasontladingslampen
Gasontladingslampen genereren een helder en gelijkmatig licht voor een betere verlichting van de rijbaan en een betere zichtbaarheid van een wagen voor de andere weggebruikers. Het licht van de gasontladingslampen ontstaat door een zeer hoge elektrische spanning tussen twee elektroden, die in een met gas gevulde glazen ballon zitten.
Na verloop van tijd kunnen de elektroden slijten, waardoor de afstand ten opzichte van elkaar groter wordt. Het regelapparaat van de gasontlading-slampen herkent de verandering en verhoogt de elektrische spanning, om nog steeds constant het heldere en gelijkmatige licht te genereren.
Gasontladingslampen kunnen echter ook door- branden. Voordat gasontladingslampen doorbran- den, flikkeren deze mogelijk of branden onregel-
matig. Op het display in het instrumentenpaneel kan, afhankelijk van de uitrusting, een overeenkomstige melding worden weergegeven.
Als gasontladingslampen flikkeren of onregelmatig branden, direct een specialist opzoeken en de ko-plampen laten controleren.

WAARSCHUWING
Het stadslicht of de dagrijverlichting is niet helder genoeg om de weg voldoende te ver- lichten en door andere verkeersdeelnemers te worden gezien.
- Het dimlicht bij duisternis, neerslag of slecht zicht altijd inschakelen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit met dagrijverlichting rijden, als de weg door de weers- en lichtomstandigheden onvoldoende wordt verlicht. De dagrijverlichting is niet helder genoeg om de weg voldoende te verlichten en door andere verkeersdeelnemers te worden gezien.
- Bij de dagrijverlichting worden de achterlichten niet mee ingeschakeld. Een wagen waarbij de achterlichten niet zijn ingescha-

WAARSCHUWING (vervolg)
keld, kan bij duisternis, regen of slecht zich door andere verkeersdeelnemers niet gezie worden.

Bij koude resp. natte weersomstandighed kunnen de koplampen, achterlichten en k
perlichten aan de binnenzijde tijdelijk beslaan. verschijnsel is normaal en heeft geen invloed de levensduur van de verlichting van uw wager
Koplampen afplakken resp. veranderen van de koplamp-asymmetrie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 101 en volg deze op.
den veranderd. Meer informatie is te verkrijgen een specialist. Volkswagen adviseert hiervoor van Volkswagen Partner.
③ Lichtbundelhoogteverstelling
De lichtbundelhoogteverstelling ③ past de licht-bundels van de koplampen afhankelijk van de af-stelwaarde traploos aan de belading van de wagen aan. Hierdoor heeft de bestuurder een zo goed mogelijk zicht en het tegemoetkomende verkeer wordt niet verblind ⇒ ⚠.
U kunt de koplampen alleen regelen bij ingeschakeld dimlicht.
Voor het instellen aan regelaar ③ draaien:
| Afstel-waarde | Beladinga) van de wagen |
| - | Voorstoelen bezet en bagageruimte leeg. |
| 1 | Alle zitplaatsen bezet en bagageruim-te leeg. |
| Alle zitplaatsen bezet en bagageruim- |
Verlichting van het instrumentenpaneel
Bij wagens met dagrijverlichting schakelt de ver- lichting van het instrumentenpaneel zichzelf uit bij duisternis en bijvoorbeeld bij het rijden door een tunnel. Hierdoor moet de bestuurder erop gewezer worden het dimlicht handmatig in te schakelen, zo- dat ook de achterlichten van de wagen zijn ingeschakeld ⇒ pagina 104.

WAARSCHUWING
Zware voorwerpen in de wagen kunnen ertoe leiden, dat de koplampen andere verkeers-deelnemers verblinden en afleiden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De lichtbundel altijd zodanig aan de belading van de wagen aanpassen, dat andere verkeersdeelnemers niet worden verblind.
Bagageruimteverlichting
Bij het openen en sluiten van de achterklep wordt automatisch een lampje in- of uitgeschakeld.
Sfeerverlichting in de hemelbekleding
De sfeerverlichting voorin in de hemelbekleding verlicht bij ingeschakeld stads- of dimlicht de bedieningselementen in de middenconsole van bovenaf.
Ook kan de voetenruimte verlicht zijn.
De leeslampjes gaan uit bij het vergrende van de wagen of na enkele minuten, als de sleutel uit het contact is getrokken. Dat voorkor het ontladen van de accu.
Bescherming tegen de zon

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zonnekleppen 108
Voorruit van isolerend glas 108

WAARSCHUWING
Omlaaggeklapte zonnekleppen kunnen het zicht belemmeren.
- Zonnekleppen altijd in de houder terugdrukken als ze niet meer nodig zijn.
Zonnekleppen

natural_image
Plain light gray gradient background with no visible text, symbols, or objects
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-
Ruitenwissers en -sproeiers

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 109
Ruitenwisserhendel 110
Ruitenwisserfuncties 111
Servicestand van de ruitenwissers vóór ..... 111
Regen-lichtsensor 112
Ruitensproeiervloeistofpeil controleren en bijvullen 113
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:

WAARSCHUWING (vervolg)
- De ruitensproeierinstallatie bij winterse temperaturen alleen gebruiken als de bescherming tegen bevriezing voldoende is.
- Gebruik de ruitensproeierinstallatie nog bij winterse temperaturen, zolang de voor niet met het ventilatiesysteem is verwarmd. De ruitensproeiervloeistof kan anders op de voorruit bevriezen en het zicht belemmere

WAARSCHUWING
Versleten of vuile ruitenwisserbladen verm
Ruitenwisserhendel

Afbeelding 80 Ruitenwisser voor bedienen
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 109 en volg deze op.
Ruitenwisserfuncties

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 109 volg deze op.
Gedrag van de ruitenwissers in verschillende situaties:
| Als de wagen stilstaat: | De ingeschakelde ruitenwisserstand schakelt tijdelijk terug n de volgende langzamere stand. |
| Tijdens de wis-wasautomaat: | De Climatronic schakelt gedurende ca. 30 seconden over in circulatiefunctie, om ervoor te zorgen dat de geur van de ruit sproeiervloeistof niet in het interieur van de wagen terechtko |
| Bij het intervalwissen: | De intervallen worden snelheidsafhankelijk aangestuurd. Ho hoger de snelheid, des te korter zijn de intervallen. |
Verwarmbare ruitensproeiers
De verwarming ontdooit alleen de bevroren ruitensproeiers, niet de slangen die de vloeistof bij de ruitensproeiers brengen. De verwarmbare ruiten-

Bij een obstakel op de voorruit probeert de ruitenwisser dit obstakel weg te schuiven het obstakel de ruitenwisser blijft blokkere de ruitenwisser. Obstakel verwijderen en
Regen-lichtsensor

Afbeelding 82 Ruitenwisserhendel: Regen-licht-sensor ① instellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-

Afbeelding 83 Gevoelige laag van de regen-licht- sensor
- Zoutresten – als er in de winter zoutresten op de ruit zitten, dan is het mogelijk dat de ruitenwis-
Ruitensproeiervloeistofpeil controleren en bijvullen

Afbeelding 84 In de motorruimte: Vuldop van het ruitensproeiervloeistofreservoir
Vulhoeveelheden
De vulhoeveelheid van het ruitensproeiervloeis reservoir bedraagt ongeveer 3,6 tot 4,5 liter.

WAARSCHUWING
Nooit antivries voor het koelcircuit of andes ongeschikte toevoegingen aan de ruitensproeiervloeistof toevoegen. Hierdoor kan een vette laag op de ruit ontstaan, die het zicht aanzienlijk beperkt.
- Schoon water in combinatie met een de Volkswagen aanbevolen ruitenreiniger gebruiken.
- Aan de ruitensproeiervloeistof zo nodig een geschikte bescherming tegen bevriezij tevegegen
Spiegels

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Binnenspiegel 115
Buitenspiegels 116
Voor de rijveiligheid is belangrijk, dat de bestuurder voor het begin van de rit de buitenspiegels en de binnenspiegel juist instelt ⇒ ⚠.
Via de buitenspiegels en de binnenspiegel kan de bestuurder het achteropkomende verkeer in de gaten houden en het eigen rijgedrag afstemmen op het achteropkomende verkeer. Bij het kijken door de buitenspiegels en de binnenspiegel kan niet de

WAARSCHUWING (vervolg)
- Let er altijd op, dat de spiegels juist ingesteld zijn en het zicht naar achteren niet door ijs, sneeuw, aanslag of andere voorwerpen wordt belemmerd.

WAARSCHUWING
In zelfdimmende spiegels zit een elektrolytvloeistof, die kan vrijkomen als het spiegelglas gebroken is.
- De vrijkomende elektrolytvloeistof kan huid, ogen en luchtwegen irriteren, vooral bij
Binnenspiegel



Afbeelding 85 Zelfdimmende binnenspiegel

In de behuizing van de binnenspiegel zitten 2 s soren:
- Een sensor op de naar het interieur wijzend

WAARSCHUWING (vervolg)
- Verstoring van de zelfdimmende werking van de binnenspiegel kan tot gevolg hebben dat de binnenspiegel niet kan worden gebruikt voor het precies bepalen van de afstand van achterliggende wagens of andere voorwerpen.

Bij geopende cabrioletkap kan onder bepaal- de omstandigheden de zelfdimmende bin- piegel dimmen, hoewel daar geen noodzaak bestaat. Zo nodig de zeldimmende functie uit- kelen.
Buitenspiegels


WAARSCHUWING (vervolg)
- Buitenspiegels alleen dan in- of uitklappen als zich niemand in het werkingsgebied bevindt.
- Bij het verstellen van de buitenspiegels altijd erop letten dat er geen vingers bekneld

Bij een storing kunnen de elektrisch verstelbare buitenspiegels mechanisch met de hand
worden versteld door op de rand van het spiegel- vlak te drukken.
△
Transporteren
Aanwijzingen voor het rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bagage opbergen 118
Met geopende achterklep rijden 119
Met een beladen wagen rijden 119
Wagenspecifieke gewichtsgegevens 120
Zware lading altijd veilig in de bagageruimte opbergen en ervoor zorgen, dat de achterbankleuningen goed en rechtop zijn vergrendeld. De wagen nooit te zwaar beladen. Zowel de lading als de verdeling

WAARSCHUWING (vervolg)
- Alle voorwerpen in de wagen veilig opbergen. Bagage en zware voorwerpen altijd in de bagageruimte opbergen.
-
Voorwerpen altijd met geschikte sjorbanden of spanbanden vastzetten, opdat de voorwerpen niet in het werkingsgebied van de zij-airbags of de voorairbags kunnen komen ten tijde van een rij- of remmanoeuvre.
• Voorwerpen zo in het interieur opbergen -
Zo nodig de lichtbundelhoogte van de koplampen aanpassen ⇒ pagina 101.
- Bandenspanning zo nodig overeenkomstig aan de belading aanpassen. Bandenspanning op de bandenspanningssticker aanhouden pagina 233.
- Bij wagens met bandencontrole zo nodig de nieuwe belading instellen ⇒ pagina 183.
LET OP
De verwarmingsdraden van de achterruit kunnen door schurende voorwerpen op de hoe plank worden beschadigd.
Met geopende achterklep rijden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-8 en volg deze op.
Het rijden met geopende achterklep brengt specia- le gevaren met zich mee. Alle voorwernen en de
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Als op de achterklep een bagagedrager gemonteerd, verwijder dan de bagagedrag en de eventuele lading hierop als met geopende achterklep moet worden gereden.
- Alle bagage veilig opbergen pagina 118.
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven.
- Plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Eerder dan gebruikelijk remmen.

WAARSCHUWING
Verschuivende lading kan de rijstabiliteit en de rijveiligheid van de wagen aanzienlijk benadelen en daardoor ongevallen en zware verwondingen veroorzaken.
- Lading zoals voorgeschreven vastzetten om verschuiven te voorkomen.
- Bij zware voorwerpen geschikte sjor- of spanbanden gebruiken.
- Achterbankleuning rechtop goed laten vastklikken.
Wagenspecifieke gewichtsgegevens

Lees eerst de informatie in de inleiding
een voor 90% gevulde brandstoftank en eventueel
Dieselmotoren
| Motorvermogen | MC | Soort ver-snellingsbak | Leegge-wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta-ne vooras-belasting | Toeges ne acht asbela ting |
| 77 kW met roetfilter, zonder start-stop-systeem | CAYC | SB5 | 1462 kg | 1850 kg | 1020 kg | 880 k |
| DSG®7 | 1479 kg | 1870 kg | 1040 kg | 880 k | ||
| 77 kW met roetfilter, met start-stopsys- teem | CAYC | SB5 | 1466 kg | 1850 kg | 1020 kg | 880 k |
| DSG®7 | 1483 kg | 1860 kg | 1030 kg | 880 k | ||
| 103 kW met roetfilter | CFFB | SB6 | 1482 kg | 1870 kg | 1040 kg | 880 k |
| DSG®6 | 1505 kg | 1900 kg | 1070 kg | 880 k |

WAARSCHUWING
Als de maximaal toegestane gewichten en asbelastingen worden overschreden, kan dit tot

WAARSCHUWING (vervolg)
- De belading en de verdeling van de ladi in de wagen hebben effect op het rijgedrag
Bagageruimte

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Rugleuning van de achterbank neer- en terugklappen 123
Tassenhaken 124
Zware lading altijd in de bagageruimte opbergen en ervoor zorgen, dat de achterbankleuningen goed en rechtop zijn vergrendeld. De wagen nooit te zwaar beladen. Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking ⇒ ⚠.
Aenvullendo informatico en

WAARSCHUWING (vervolg)
- Alle voorwerpen in de wagen veilig opbergen. Bagage en zware voorwerpen altijd in de bagageruimte opbergen.
- Voorwerpen altijd met geschikte sjorbanden of spanbanden vastzetten, zodat de voorwerpen niet door het interieur worden geslingerd en in het werkingsgebied van de zij-airbags of de voorairbags kunnen komen tijdens een plotselinge rij- of remmanoeuvre.
- Opbergvakken tijdens het rijden altijd gesloten houden.
Rugleuning van de achterbank neer- en terugklappen

Afbeelding 88 In de bagageruimte: Afstandsont-grendelinghendel voor linker- en rechterdeel van

WAARSCHUWING
Door ongecontroleerd of onachtzaam neer klappen en terugklappen van de achterbar leuning kunnen zware verwondingen word veroorzaakt.
- Let er bij het neerklappen van de achterbankleuning altijd op, dat zich geen person of dieren bij de achterbankleuning ophoud
- Nooit tijdens het rijden de achterbankle ning neerklappen en terugklappen.
- Let erop dat bij het terugklappen van dit achterbankleuning de veiligheidsgordel ni wordt ingeklemd of beschadigd.
- Handen, vingers en voeten of andere lichaamsdelen bij het neer- en terugklapper
Tassenhaken

Afbeelding 89 In de bagageruimte: Tassenhaken (pijlen)
- Tas aan één van de tassenhaken Afbeelding 89 (pijlen) hangen.

WAARSCHUWING
Gebruik de tassenhaak nooit voor het vastzetten van bagage. Bij plotselinge remmanoeuvres of een ongeval kan de tassenhaak afbreken.

LET OP
De tassenhaak mag maximaal met 2,5 kg worden belast.
Dakdragers
Informatie over dakdragers
Om technische redenen is de carrosserie van de wagen niet geschikt voor de bevestiging en het gebruik van dakdragers.

WAARSCHUWING
Wanneer er een dakdrager op de wagen wordt gemonteerd, kan dit ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een dakdrager op de wagen mon ren.
- Een dakdrager kan tijdens het rijden lo gaan zitten en van het dak van de wagen v len.

LET OP
Het bevestigen van dakdragers van welke s dan ook kan aanzienlijke schade aan de wa toebrengen.
Rijden met aanhangwagen
Informatie over het rijden met aanhangwagen
De wagen is niet goedgekeurd voor het rijden met een aanhangwagen. Af fabriek wordt de wagen niet met een trekhaak uitgerust en er kan ook naderhand geen trekhaak worden ingebouwd.

WAARSCHUWING
Het monteren van een trekhaak op de wagen kan bij gebruik van de wagen tot ongevallen leiden en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een trekhaak op de wagen monteren.
- De aanhangwagen zou tijdens het rijden van de wagen los kunnen raken.

LET OP
Montage van elk soort trekhaak kan ernstige schade aan de wagen veroorzaken.
Praktische uitrustingen
Opbergmogelijkheden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Opbergvak aan bestuurderszijde 128
Opbergvak in de middenconsole voorin ..... 128
Opbergvak in de middenconsole 128
Opbergvak in de middenarmsteun 129
Bovenste opbergvak aan bijrijderszijde ..... 129
Onderste opbergvak aan bijrijderszijde ..... 130
Overige opbergmogelijkheden 130

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit voorwerpen in het gebied achter achterbankleuning leggen.
- Geen voorwerpen in het werkingsgebie van de koprolbescherming leggen.

WAARSCHUWING
Voorwerpen in de voetenruimte van de be-stuurder kunnen de bediening van de peda- len belemmeren. Hierdoor kunt u de contra
Opbergvak aan bestuurderszijde

Afbeelding 90 Bestuurderszijde: Opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 127 en volg deze op.
Om te openen de greep Afbeelding 90 ① in pijlrichting trekken.
Om te sluiten de klep dichtdrukken, tot deze vastklikt.
Opbergvak in de middenconsole voorin
Opbergvak in de middenarmsteun

Afbeelding 93 In de middenarmsteun: Opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 127 en volg deze op.
Om te sluiten, de klep ② naar beneden leiden

WAARSCHUWING
De middenarmsteun kan de bewegingsvrijheid van de armen van de bestuurder belemeren en daardoor ongevallen en zware voor wondingen tot gevolg hebben.
- Opbergvak in de middenarmsteun tijde het rijden altijd gesloten houden.

WAARSCHUWING
Nooit een persoon of een kind op de middle armsteun vervoeren.
Onderste opbergvak aan bijrijderszijde

Afbeelding 95 Aan bijrijderszijde: A: onderste opbergvak, B: geopend opbergvak

WAARSCHUWING
Nooit voorwerpen in het gebied achter de achterbankleuning leggen.
- Nooit voorwerpen bij de koprolbescherming achter de achterbankleuning leggen. Voorwerpen in het gebied achter de achter-

WAARSCHUWING (vervolg)
bankleuning kunnen de werking van de krolbescherming belemmeren of bij activer rondvliegen, wat zware verwondingen of do dood tot gevolg kan hebben.
- Kledingstukken of andere voorwerpen achter de achterbankleuning beperken het zicht naar achteren, dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
Beker- en flessenhouders

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bekerhouders in de middenconsole voorin .. 132
Bekerhouders in de middenconsole achterin . 133
Flessenhouders
Er zitten flessenhouders in de open opbergvakken in het bestuurders- en bijrijdersportier. De flessen mogen maximaal 0,5 liter inhoud hebben ⇒ ⚠.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit zware bekers, levensmiddelen of andere zware voorwerpen in de beker- en flessenhouder plaatsen. Deze zware voorwerpen kunnen bij een ongeval door het interieur worden geslingerd en zware verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING
Gesloten drankflessen kunnen in de wagen door hitte exploderen en door vorst knappen.
- Nooit gesloten drankflessen in een sterk
Bekerhouders in de middenconsole achterin

Afbeelding 97 In de middenconsole achterin: Open bekerhouder

Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op 2 en volg deze op.
Drankje in de bekerhouder ⇒ Afbeelding 97 pl sen.
Asbakken en sigarettenaansteker

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Asbak in bekerhouder 134
Sigarettenaansteker 134
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Stopcontacten ⇒ pagina 136
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 246

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de asbakken en de sigarettenaansteker kan brand, brandschade en ernstige brandwonden veroorzaken.
- Nooit papier of andere voorwerpen in de asbak stoppen, die brand kunnen veroorza-ken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit kinderen zonder toezicht in de wagen laten. De sigarettenaansteker kan bij ingeschakeld contact gebruikt worden.

De sigarettenaansteker kan ook als 12 v stopcontact gebruikt worden ⇒ pagina 13
Stopcontacten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stopcontacten in de wagen 136
Op de stopcontacten in de wagen kunnen elektrische apparaten worden aangesloten.
De aangesloten apparaten moeten in perfecte staat zijn.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Sigarettenaansteker ⇒ pagina 134
- Associates, variegating van onderdalen, van

LET OP (vervolg)
- Alleen apparaten gebruiken, die conform de geldende richtlijnen betreffende de elektromag netische verdraagzaamheid getest zijn.
- Om schade door spanningswisselingen te voorkomen, moet u vóór het in- of uitschakelen van het contact en vóór het starten van de motor de op de 12 volt stopcontacten aangesloten verbruikers uitschakelen. Als het start-stopsysteem de motor automatisch afzet en opnieuw start, hoeven de aangesloten verbruikers niet uitgeschakeld te worden ⇒ pagina 170.
- Nooit elektrische verbruikers on een 12 volt

Afbeelding 101 12 volt stopcontact in de midden-console achterin

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-6 en volg deze op. Voor het in- of uitschakelen van het contact en starten van de motor aangesloten apparaten u schakelen, om schade door spanningsschommlingen te voorkomen.
Maximool organomen vermagen
Tolkaartlezer (ETC)

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Beschrijving van de werking 138
Bij ingeschakelde en in werking zijnde tolkaartsystemen worden bij het passeren van de tolpoorten de betalingen automatisch geregistreerd. De registratie wordt bevestigd door een akoestisch signaal. De registraties worden op gesproken wijze bekendgemaakt en samen met de plaatsvermelding op het beeldscherm van het navigatiesysteem weergegeven.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 246

WAARSCHUWING
Het bedienen van de tolkaartlezer tijdens het rijden kan u van het verkeer afleiden en ongevallen tot gevolg hebben.
Tijdens het rijden
Starten, schakelen, parkeren
Motor starten en afzetten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 140
Contactslot 140
Startknop 141
Motor starten 142
Motor afzetten 143
Elektronische wegrijblokkering 144

WAARSCHUWING
Het afzetten van de motor tijdens het rijden bemoeilijkt het stoppen van de auto. Hierd kunt u de controle over de wagen verliezen wat ongevallen en zware verwondingen to gevolg kan hebben.
- De rem- en stuurhulpsystemen, het air-bagsvsteem. de gordelspanners alsmede a

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een extra bodembeschermingslaag of corrosiewerend middel op uitlaatpijpen, katalysatoren, hitteschilden of het roetfilter aanbrengen.
△
Controlelampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 139 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Voorgloeien van de dieselmotor vóór het starten. | ⇒ pagina 142. |
![]() | Rempedaal niet ingetrapt. | Voor het starten van de motor, rempedaal in-trappen. |
Standen van de sleutel ⇒ Afbeelding 103
① Contact uitgeschakeld. De sleutel kan uit het contact worden getrokken.
① Contact ingeschakeld. Stuurslot kan gedeactiveerd worden.
② Motor starten. Sleutel loslaten, zodra de motor aanslaat. Bij het loslaten springt de sleutel in stand ① terug.
Onrechtmatige sleutel
Als een onrechtmatige sleutel in het contactslot is gestoken, kan deze als volgt worden verwijderd:
- Automatische versnellingsbak: grendelknop in de keuzehendel indrukken en loslaten. De sleutel kan uit het contact worden getrokken.
• Schakelbak: sleutel uit het contact trekken.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen alleen achter in de wagen. Deze: in een noodgeval niet in staat, de wagen ze standig te verlaten of zichzelf te redden. Af hankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage terperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleik kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken lang de wagen in beweging is. Het stuursk kan vergrendelen en de wagen kan niet me worden bestuurd.

Als de sleutel gedurende langere tijd bij a zette motor in het contact blijft zitten, wor
do poy entlodon
Contact in- of uitschakelen
- Startknop eenmaal kort indrukken zonder het rem- of koppelingspedaal in te trappen ⇒ ⚠.
Noodstartfunctie
Als geen geldige sleutel in de wagen is herkend, noodstartfunctie uitvoeren. Op het display in het instrumentenpaneel verschijnt een overeenkomstige weergave. Dat kan bijvoorbeeld bij een zwakke of ontladen batterij in de sleutel het geval zijn:
- Contactsleutel meteen na het indrukken van de startknop rechts tegen de stuurkolombekleding houden Afbeelding 105.
- Het contact wordt automatisch ingeschakeld en zo nodig wordt de motor gestart.
Noodafzetprocedure
Als de motor niet kan worden afgezet door kort op Na afloop van de tijd kan de motor zonder geldige sleutel binnen in de wagen niet meer worden ge- start.

WAARSCHUWING
Onbedoelde wagenbewegingen kunnen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij het inschakelen van het contact het rem- of koppelingspedaal niet intrappen, omdat anders de motor direct zou kunnen starten.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de sleutel of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
| Stap | Wagens zonder Keyless Access | Wagens met Keyless Access |
| 6. | Als de motor niet aanslaat, het starten afbreken en na ongeveer een minuut herhalen. | Als de motor niet aanslaat, het starten afbken en na ongeveer een minuut herhalen.nodig noodstartfunctie uitvoeren ⇒ pagina |
| 7. | Handrem loszetten als u wilt wegrijden ⇒ pagina 154. | |

WAARSCHUWING
Nooit de wagen bij draaiende motor verlaten. De wagen kan plotseling in beweging komen, in het bijzonder bij ingeschakelde versnelling of ingeschakelde rijstand en ongevallen en zware verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING
Een startversneller kan exploderen of een plotelinge toerontalverhosing van de motor

LET OP (vervolg)
- Bij koude motor hoge motortoerentallen volgas en sterke motorbelasting vermijden.
- De wagen om de motor te starten niet aan duwen of aanslepen. Onverbrande brandst kan de katalysator beschadigen.

Motor niet bij stilstand laten warmdraaier maar bij vrij zicht door de ruiten direct we Daardoor bereikt de motor sneller zijn be- temperatuur en is de uitstoot van schadel

WAARSCHUWING (vervolg)
- De stuurbekrachtiging werkt niet bij uitgeschakelde motor en er moet meer kracht voor het besturen van de wagen worden gebruikt.
- Als de sleutel uit het contactslot wordt getrokken, kan het stuurslot vergrendelen en kan de wagen niet meer worden bestuurd.

LET OP
Als de wagen langdurig met hoge motorbelasting werd gereden, kan de motor na het afzetten oververhit raken. Om motorschade te voor-

LET OP (vervolg)
komen, de motor ca. twee minuten in de neutra le stand laten draaien voordat deze wordt afgezet.

Bij wagens met automatische versnellingsbal kan de sleutel alleen in keuzehendelstand P et contact worden getrokken.

Nadat de motor is afgezet, kan de koelluchtventilator in de motorruimte ook wanneer het act is uitgeschakeld of de sleutel uit het cons getrokken nog enige minuten verder draai-ke koelluchtventilator schakelt zichzelf uit.
Elektronische wegrijblokkering

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 146
Pedalen 147
Schakelbak: versnelling inschakelen ..... 148
Automatische versnellingsbak: versnelling inschakelen 149
Met de tiptronic schakelen 151
Rijden met automatische versnellingsbak ... 151
Storing in de automatische versnellingsbak .. 152
Schakeladvies 153
De onmarkingen in het hoofdstuk over de auto-

WAARSCHUWING
Snel accelereren kan leiden tot tractieverli en slingeren, met name op gladde wegen. Hierdoor zou u de controle over de wagen kunnen verliezen, wat tot ongevallen en zv re verwondingen kan leiden.
- Kickdown of snel accelereren alleen ge bruiken, als het zicht, het weer, het wegdel en de verkeersomstandigheden dat toelate

WAARSCHUWING
Nooit de rem te vaak en te lang laten "aanl
Waarschuwings- en controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 145 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSG® oververhit. | Niet verder rijden!Versnellingsbak in stand P laten afkoelen.Als de waarschuwing niet verdwijnt, niet verder rijden, maar specialistische hulp inschakelen.Anders kan ernstige schade aan de versnel-lingsbak het gevolg zijn ⇒ pagina 152. |
![]() | Rempedaal niet ingetrapt. | Het rempedaal intrappen om een rijstand in te schakelen ⇒ pagina 154. |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | De grendelknop in de keuzehendel is niet vermeerdeld. We wilden wordt halammerd | Keuzehendelvergrendeling vergrendelen opasie 140 |
Pedalen

Afbeelding 106 Pedalen bij wagens met schakelbak: ① gaspedaal, ② rempedaal, ③ koppelingspedaal

Lees eerst de informatie in de inleiding

Afbeelding 107 Pedalen bij wagens met autorische versnellingsbak: ① gaspedaal, ② rempe

WAARSCHUWING (vervolg)
Schakelbak: versnelling inschakelen

Afbeelding 108 Schakelschema van de 5-versnelings schakelbak

Afbeelding 109 Schakelschema van de 6-versnelings schakelbak
LET OP (vervolg)
- Let erop dat de wagen volledig stilstaat voordat de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
- Koppelingspedaal bij het schakelen altijd helemaal intrappen.
LET OP (vervolg)
- Wagen op hellingen bij draaiende motor met "slippende" koppeling stilhouden.
Automatische versnellingsbak: versnelling inschakelen

Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op gina 145 en volg deze op.
De keuzehendel is voorzien van een keuzehen vergrendeling. Bij het verplaatsen van de keuzehendel uit stand P in een rijstand, het rempeda
Bij snel schakelen via stand N (bv. van R naar D) wordt de keuzehendel niet vergrendeld. Hierdoor wordt bijvoorbeeld het "losschommelen" bij vastgereden wagen mogelijk. Als de hendel bij niet-inge-trapt rempedaal langer dan ongeveer 1 seconde bij een snelheid onder ca. 5 km/h (3 mph) in stand N staat, wordt de keuzehendel vergrendeld.
In uitzonderlijke gevallen kan het bij wagens met versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSG® voorkomen dat de keuzehendelvergrendeling niet vergrendelt. De aandrijving wordt dan buiten werking gesteld om onbedoeld wegrijden te voorkomen. Het groene controlelampje knippert en daarnaast wordt een informatietekst weergegeven. Als volgt te werk gaan om de keuzehendelvergrendeling vast te klikken:
- Bij de 6-traps versnellingsbak: rempedaal intrappen en weer loslaten.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit tijdens het rijden de achteruitversnelling of de parkeervergrendeling inschakelen.

WAARSCHUWING
Onbedoelde wagenbewegingen kunnen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als bestuurder nooit de bestuurdersstoel bij draaiende motor en ingeschakelde rijstand verlaten. Als u bij draaiende motor de wagen moet verlaten, altijd de handrem aantrekken en de keuzehendel in stand P brengen.
- Bij draaiende motor en ingeschakelde rijstand D, S of R is het noodzakelijk de wagen met de voetrem tegen te houden. Ook bij stationair toerental wordt de krachtoverbren-
Met de tiptronic schakelen

Afbeelding 111 Keuzehendel in tiptronic-stand (wagen met links stuur). Wagen met rechts stuur in

Afbeelding 112 Stuurwiel met twee peddels v de tiptronic
Rijden op hellingen
Hoe steiler de helling is, des te lager moet de versnelling zijn die u kiest. Lagere versnellingen verhogen de remwerking van de motor. Wagen nooit in de neutrale stand N van bergen of heuvels omlaag laten rollen.
• Snelheid verminderen.
- Keuzehendel uit stand D naar rechts in de tiptronic-schakelweg drukken ⇒ pagina 151.
- Keuzehendel naar achteren drukken om terug te schakelen.
- OF: met de peddels aan het stuurwiel terug-
schakelen ⇒ pagina 151.
Bergopwaarts stoppen en wegrijden
Hoe steiler de helling is, des te lager moet de versnelling zijn die u kiest.
Bij kickdown wordt pas automatisch opgeschakeld naar de eerstvolgende hogere versnelling, als het maximale vastgelegde motortoerental wordt bereikt.

WAARSCHUWING
Snel accelereren kan leiden tot tractieverlies en slingeren, met name op gladde wegen. Hierdoor zou u de controle over de wagen kunnen verliezen, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden.
- Altijd de rijstijl aan het verkeer aanpassen.
- Kickdown of snel accelereren alleen gebruiken, als het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden dat toelaten en andere verkeersdeelnemers door de acceleratie van de wagen en de rijstijl niet in gevaar worden gebracht.
een tekstmelding in het instrumentenpaneel. Bovendien kan er een akoestische waarschuwing klinken. Stoppen en versnellingsbak laten afkoelen ⇒ ⚠.
De wagen beweegt ondanks ingeschakelde rijstand noch vooruit noch achteruit
Wanneer de wagen niet in de gewenste richting beweegt, is de rijstand door het systeem mogelijk niet correct ingeschakeld. Het rempedaal intrappen en de rijstand opnieuw kiezen.
Beweegt de wagen nog altijd niet in de gewenste richting, dan is er sprake van een systeemstoring. De hulp van een specialist inroepen en het systeem laten controleren.
LET OP
- Als de eerste keer wordt weergegeven de versnellingsbak oververhit is, moet de vgen veilig worden stilgezet of moet sneller 20 km/h (12 mph) worden gereden.
- Als de tekstmelding en de akoestische waarschuwing zich ongeveer elke 10 secor herhalen, de wagen onmiddellijk veilig stilz ten en de motor afzetten. Versnellingsbak I afkoelen.
- Om schade aan de versnellingsbak te vo komen, pas verder rijden als de akoestisch waarschuwing niet meer klinkt. Zolang de v snellingsbak oververhit is, het wegrijden va stilstand en stapvoets rijden voorkomen.
Remmen, stoppen en parkeren

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 155
Handrem 156
Parkeren 157
Informatie over de remmen 157
Remhulpsystemen 159
Remvloeistof 161
Tot de remhulpsystemen behoren het antiblokkeersysteem (ABS), de remassistent (BAS), het elektronische sperdifferentieel (EDS), de aandrijfslipregeling (ASR) en het elektronische stabilise-

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handrem aantrekken wanneer de wagen neergezet of geparkeerd wordt.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen. Zij zouden de handrem kunnen loszetten, de keuzehendel of versnellingshendel kunnen bedienen en zo de wagen in beweging zetten. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Anders kan de motor gestart en kunnen elektrische uitrustingen als de ruithe-
Waarschuwings- en controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 154 volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak ⇒ ⚠️ | Oplossing |
![]() | Handrem aangetrokken | Niet verder rijden!Handrem loszetten ⇒ pagina 156. |
![]() | Storing in remsysteem. | Niet verder rijden!Direct specialistische hulp inschakelen ⇒ pagina 158. |
| Remvloeistofpeil te laag | Niet verder rijden!Remvloeistofpeil controleren ⇒ pagina 163 | |
| Samen met ABS-controlelampje ⚠️: ABS uitgevallen. | Specialist opzoeken. De wagen kan ook z der ABS remmen. | |
| [GD4] | Remblokken voor versleten. | Direct een specialist opzoeken. Alle rembken controleren en zo nodig laten vervang |

WAARSCHUWING (vervolg)
storing in het remsysteem. Onmiddellijk stoppen en de hulp van een specialist inroepen ⇒pagina 161, Remvloeistof.
- Als het waarschuwingslampje voor het remsysteem (1) samen met het ABS-controle-lampje (2) brandt, kan de regelfunctie van het ABS zijn uitgevallen. Hierdoor kunnen de achterwielen tijdens het remmen relatief snel blokkeren. Als de achterwielen blokkeren kunt u de controle over de wagen verliezen! Indien mogelijk de snelheid verlagen en voor-zichtig met lage snelheid naar de dichtstbij-zijnde specialist rijden om het remsysteem te laten controleren. Op de weg daarnaartoe plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Als het ABS-controlelampje ⚙ niet uit gaat of tijdens het rijden gaat branden, werkt

WAARSCHUWING (vervolg)
de normale remmen worden gestopt (zonder ABS). De veiligheid die ABS biedt, is dan niet beschikbaar. Zo snel mogelijk een specialist opzoeken.
- Als het waarschuwingslampje ☐ afzonderlijk of samen met een tekstmelding op het display in het instrumentenpaneel gaat branden, meteen een specialist opzoeken en de remvoeringen laten controleren en versleten remvoeringen laten vervangen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
LET OP
Om ongewenste wagenbewegingen bij het af-zetten van de wagen te voorkomen, eerst de parkeerrem strak aantrekken en daarna de voet van het rempedaal halen.
Wanneer met aangetrokken handrem snel dan ongeveer 6 km/h (4 mph) wordt gere klinkt er een waarschuwingssignaal.
Parkeren

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-4 en volg deze op.
Neem bij het neerzetten en parkeren van een wagen de wettelijke bepalingen in acht.
Wagen neerzetten
- Bij een aflopende weg het stuurwiel zo draa dat de voorwielen naar de trottoirband zijn gekeerd.
- Bij een oplopende weg het stuurwiel zo dra en, dat de voorwielen naar het midden van de baan zijn gekeerd.
⚠ WAARSCHUWING
Nieuwe remblokken hebben tijdens de eerste 200 km à 300 km nog niet de optimale remwerking en moeten eerst "inremmen" ⇒ ⚠. De iets lagere remkracht kunt u echter compenseren door het rempedaal steviger in te trappen. Tijdens de inrijperiode is de remweg bij een noodstop langer dan bij ingereden remblokken. Tijdens de inrijperiode moet hard afremmen worden vermeden evenals situaties waarbij de remmen zwaar worden belast. Bijvoorbeeld wanneer te dicht op een voorligger wordt gereden.
De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en de rijstijl. Wanneer u vaak in de stad rijdt en vaak korte trajecten rijdt of een zeer sportieve rijstijl heeft, moet u de dikte van de remblokken vaker door een specialist laten controleren dan in het Serviceplan staat.
Rembekrachtiger
De rembekrachtiger werkt alleen bij draaiende motor en versterkt de pedaaldruk die de bestuurder op het rempedaal uitoefent.
Als de rembekrachtiger niet werkt of de wagen afgesleept wordt, moet het rempedaal krachtiger worden ingetrapt, omdat de remweg vanwege het ontbreken van remkrachtondersteuning langer wordt ⇒ ⚠.

WAARSCHUWING
Nieuwe remblokken hebben in het begin niet de optimale remwerking.
- Nieuwe remblokken hebben tot 320 km nog niet de volledige remwerking en moeten worden "ingereden". Daarbij kan een verminderde remwerking worden vergroot door

WAARSCHUWING
Het rijden zonder rembekrachtiger kan de remweg aanzienlijk verlengen en daardoor ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Wagen nooit bij afgezette motor laten rollen.
- Als de rembekrachtiger niet werkt of de wagen afgesleept wordt, moet het rempedaal krachtiger worden ingetrapt, omdat de remweg vanwege het ontbreken van remkrachtondersteuning langer wordt.

LET OP
- Nooit de remmen door lichte pedaaldruk laten "aanlopen", als niet werkelijk moet worden geremd. Langdurige druk op het rempedaal

LET OP (vervolg)
Hierdoor kan het remvermogen aanzienlijk den verminderd, de remweg aanzienlijk wor verlengd en onder omstandigheden tot een tale uitval van het remsysteem leiden.
- Voordat u een langer traject met steile hlingen omlaagrijdt, vermindert u de snelheik schakelt u naar een lagere versnelling terug kiest u een lagere rijstand. Daardoor wordt remwerking van de motor benut en worden remmen ontlast. Anders zouden de remmer oververhit kunnen raken en kunnen uitvalle Remmen alleen gebruiken voor het vertrage tot stilstand brengen van de wagen.

Bij het controleren van de remblokken vó moeten tegelijkertijd de remblokken achten gecontroleerd. De dikte van de remblokken regelmatig visueel worden gecontroleerd
Antiblokkeersysteem (ABS)
Het ABS voorkomt dat de wielen bij het remmen blokkeren tot kort voor stilstand van de wagen en helpt de bestuurder om de wagen te besturen en onder controle te houden. Dit betekent dat de wagen ook bij een noodstop minder slingert:
- Rempedaal krachtig intrappen en ingetrapt houden. De voet niet van het rempedaal nemen en de kracht op het rempedaal niet verminderen!
- Niet "pompend" remmen of de druk op het rempedaal verminderen!
- Blijven sturen terwijl het rempedaal krachtig wordt ingetrapt.
- Bij het loslaten van het rempedaal of het verminderen van de kracht op het rempedaal wordt het ABS uitgeschakeld.
De ingreen van het ABS wordt merkbaar door een
De XDS-functie is een uitbreiding op het elektronische sperdifferentieel. Daarbij reageert XDS niet op aandrijfslip, maar op de ontlasting van het voorwiel in de binnenbocht bij snel rijden door bochten. XDS geeft druk op de rem van het wiel in de binnenbocht om doordraaien te voorkomen. Daarmee wordt de tractie verbeterd en volgt de wagen langer het gewenste spoor.

WAARSCHUWING
Snel rijden op bevroren, gladde of natte we- gen kan tot verlies van de controle over de wagen leiden en zware verwondingen voor de bestuurder en passagiers tot gevolg hebben.
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden. De aangeboden hogere veiligheid door de remhulpsystemen ABS, BAS,

WAARSCHUWING
De effectiviteit van de ESC kan behoorlijk ge-reduceerd zijn als andere componenten en systemen die effect hebben op de rijdyna-miek niet volgens de voorschriften onderhou-den zijn of niet goed werken. Dit geldt ook, maar niet alleen voor de remmen, banden en andere voornoemde systemen.
- Altijd eraan denken dat veranderingen aan de wagen van invloed kunnen zijn op de werking van ABS, BAS, ASR, EDS en ESC.
- Veranderingen aan de vering van de wagen of het gebruik van niet-goedgekeurde velg-bandcombinaties kunnen een negatief effect hebben op de werking van ABS, BAS, ASR, EDS en ESC.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De werking van ESC is ook afhankelijk het gebruik van de juiste banden ⇒ pagina 233.

Alleen als alle vier wielen dezelfde bande hebben, kan de ESC resp. de ASR storin
functioneren. Een verschillende afrolomtrek va banden kan tot een ongewenste vermindering het motorvermogen leiden.

Bij een storing in het ABS vallen ook ESC ASR en EDS uit.

Als de beschreven systemen regelen, kunnen bedrijfsgeluiden optreden.
Een remvloeistof volgens VW-norm 501 14 voldoet aan de eisen van DIN ISO 4925 CLASS 4 of de US-norm FMVSS 116 DOT 4.
Remvloeistofpeil
Het remvloeistofpeil moet altijd tussen de MIN- en MAX-markering van het remvloeistofreservoir resp. boven de MIN-markering liggen ⇒ ⚠.
Het remvloeistofpeil kan niet bij elk model precies worden gecontroleerd, omdat motoronderdelen het zicht op het vloeistofpeil in het remvloeistofreservoir hinderen. Als het remvloeistofpeil niet goed kan worden afgelezen, de hulp van een specialist inroepen.
Het remvloeistofpeil zakt iets tijdens het rijden, omdat de remblokken slijten en de rem automatisch wordt gesteld.
Remyloestof varversen

WAARSCHUWING (vervolg)
werking, verlengen de remweg aanzienlijk en kunnen tot een totale uitval van het remsysteem leiden.
- Let er altijd op dat de juiste remvloeistof wordt gebruikt. Alleen remvloeistof gebruiken, die uitdrukkelijk voldoet aan de VW-norm 501 14.
- Elke andere remvloeistof of een remvloeistof die niet hoogwaardig is, kan de remfunctie belemmeren en de remwerking verminderen.
- Wanneer een remvloeistof volgens de VW-norm 501 14 niet beschikbaar is, alleen in uitzonderingsgevallen een hoogwaardige rem-vloeistof volgens DIN ISO 4925 CLASS 4 of de VS-norm FMVSS 116 DOT 4 gebruiken.
• De hiigevulde remyloelstof moet nieuw
Milieubewust rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zuinige rijstijl 163
Brandstofbesparend rijden 164
Het brandstofverbruik, de belasting van het milieu en de slijtage van motor, remmen en banden han-gen voornamelijk van drie factoren af:
- Persoonlijke rijstijl
- Gebruiksomstandigheden (weer, toestand van de weg)
• Technische voorwaarden
Met enkele eenvoudige middelen en afhankelijk van de eigen rijstijl is een brandstofbesparing t 25 % mogelijk.

WAARSCHUWING
Snelheid en veiligheidsafstand ten opzicht van voor u rijdende wagens altijd aanpass aan het zicht, het weer, het wegdek en de v keersomstandigheden.
- De koelfunctie van de airconditioning: als de airconditioning een zeer hoog temperatuurverschil tot stand moet brengen, heeft de airco veel energie nodig, die via de motor wordt gegenereerd. Daarom moet het verschil tussen de binnentemperatuur van de wagen en de buitentemperatuur niet overmatig groot zijn. Het kan nuttig zijn voordat u gaat rijden de wagen te luchten en even met geopende ruiten te rijden. Pas dan met de ruiten gesloten de airconditioning inschakelen. Bij hoge snelheden de ruiten gesloten houden. Rijden met de ruiten open verhoogt het brandstofverbruik.
- Stoelverwarming uitschakelen, als de stoel voldoende is verwarmd.
- Voor- en achterruitverwarming uitschakelen als de ruiten niet meer zijn beslagen en ijsvrij zijn.
Overige factoren, die het opgegeven brandstofverbruik verhogen (voorbeelden):
• Gestoorde motorregeling
• Rijden in de bergen
Bij de aanschaf van motorolie altijd de olienorm en de vrijgave door Volkswagen in acht nemen.
Onnodige ballast vermijden
Hoe lichter de wagen, des te zuiniger en milieu-vriendelijker deze is. Bij een extra gewicht van 100 kg stijgt het brandstofverbruik bijvoorbeeld tot 0,3 l/100 km.
Alle niet benodigde voorwerpen en onnodige ballast uit de wagen verwijderen.
Niet benodigde opbouw- en aanbouwdel verwijderen
Hoe aerodynamischer een wagen is, des te ge ger is het brandstofverbruik. Opbouw- en aan- bouwdelen, zoals dak- of fietsdragers, vermind ren het aerodynamische voordeel.
Daarom niet benodigde opbouwdelen en onge bruikte bagagedragersystemen verwijderen, vo wanneer er met hoge snelheden wordt geredel
Stuurinrichting

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes van de elektromechanische stuurbekrachtiging ..... 166 Informatie over de stuurinrichting ..... 167
De stuurbekrachtiging werkt hydraulisch of elektromechanisch. Beide varianten werken alleen als de motor draait.
De hydraulische stuurbekrachtiging werkt met hydraulische slangen, hydraulische olie, een pomp, een filter en andere onderdelen, die voor een continue oliedruk in het hydraulische systeem zorgen

WAARSCHUWING
Als de stuurbekrachtiging niet werkt, kan het stuurwiel alleen met veel kracht worden gedraaid en kan het besturen van de wagen zwaar worden.
- De stuurbekrachtiging werkt alleen als de motor draait.
- Laat uw wagen nooit met afgezette motor rollen.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken zo- lang de wagen in beweging is. Het stuurslot kan verarendelen en de wagen kan niet meer
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Storing in elektronische stuurkolomvergren-deling. | Niet verder rijden!Specialistische hulp inschakelen. |
![]() | Stuurkolom staat onder mechanische span-ning. | Stuurwiel iets heen-en-weerdraaien. |
| Stuurkolom niet ont- resp. vergrendeld. | Contact uitschakelen en opnieuw inschakeleLet eventueel op meldingen op het display in het instrumentenpaneel.Niet verder rijden, wanneer de stuurkolom grendeld blijft, nadat het contact is ingeschak keld. De hulp van een specialist inroepen. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampje en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wage tot stilstand brengen.

WAARSCHUWING
De tegenstuurhulp helpt samen met de ESC de bestuurder bij het sturen van de wagen in kritische rijsituaties. De bestuurder moet in elk geval de wagen besturen. De wagen wordt niet door de tegenstuurhulp bestuurd.
△
Bestuurdershulpsystemen Wegrijhulpsystemen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 169
Start-stopsysteem 170
Bergwegrijhulp 171
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 24
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 154

WAARSCHUWING
De intelligente techniek van de wegrijhulpsystemen kan de fysieke grenzen niet over winnen. Het door de wegrijhulpsystemen a geboden hogere comfort mag nooit aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's
- Onbedoelde wagenbewegingen kunnen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Ondanks wegrijhulpsystemen moet de l stuurder te allen tiide opmerkzaam bliiven.
Start-stopsysteem

Afbeelding 116 In de middenconsole: Knop voor start-stopsysteem

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-
- Bij wagens met Climatronic: de temperatuur in het interieur van de wagen ligt in de buurt van de vooringestelde temperatuurwaarden.
- Bij wagens met Climatronic: er is geen zeer hoge of zeer lage temperatuur ingesteld.
- De ontwasemingsfunctie van de airconditioning is niet ingeschakeld.
- Bij wagens met Climatronic: er is niet handmatig een hoge aanjagerstand gekozen.
- De ladingstoestand van de accu is voldoende.
- De temperatuur van de accu is niet te laag of te hoog.
- De wagen staat niet op een helling of berg.
- De voorwielen zijn niet sterk gedraaid.
- De achterwiiteranelling is niet ingeschokd

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij werkzaamheden in de motorruimte moet het start-stopsysteem zijn uitgeschakeld.

LET OP
Als het start-stopsysteem gedurende een zeer lange periode bij zeer hoge buitentemperaturen wordt gebruikt, kan de accu worden beschadigd.

In enkele gevallen kan het nodig zijn de motor handmatig met de sleutel opnieuw te let op de betreffende melding op het display instrumentenpaneel.
Bergwegrijhulp

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-9 en volg deze op.
De bergwegrijhulp ondersteunt het wegrijden of hellingen doordat de wagen actief wordt tegen houden.
ParkPilot

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
ParkPilot, akoestische waarschuwingssignalen aan de voor- en achterzijde 173
Weergave van de ParkPilot aan de voor- en achterzijde 174
De ParkPilot, akoestische waarschuwingssignalen aan de voor- en achterzijde, ondersteunt de bestuurder bij het manoeuvreren en inparkeren. Nadert de wagen aan de achterzijde een obstakel, dan is afhankelijk van de afstand een intervaltoon

WAARSCHUWING (vervolg)
- Ultrasoonsensoren hebben dode hoeken waarin personen en objecten niet kunnen worden waargenomen.
- Altijd de omgeving van de wagen in de gaten houden, omdat kleine kinderen, dieren en voorwerpen niet in alle gevallen door de ultrasoonsensoren worden herkend.
- Bepaalde oppervlakken van voorwerpen en kleding kunnen de signalen van de ultra-soonsensoren niet reflecteren. Deze voorwerpen en personen die zulke kleding dragen, kunnen niet af maar benadst door het aan
LET OP (vervolg)
- Geluidsbronnen kunnen leiden tot storingmeldingen van de ParkPilot, bijvoorbeeld ruw asfalt, kasseien, inductieslijpen, bouwmachines en storende geluiden van andere wagens.
- Naderhand op de wagen gemonteerde aanbouwdelen, zoals fietsdragers, kunnen de werking van de ParkPilot belemmeren.
Raadpleeg bij een storing in het systeem specialist. Volkswagen adviseert hiervoor Volkswagen Partner.
Volkswagen adviseert het gebruik van de ParkPilot op een plek of parkeerplaats m weinig verkeer te oefenen, om met het systeer de functies vertrouwd te raken.
ParkPilot, akoestische waarschuwingssignalen aan de voor- en achterzijde

Een storing in de ParkPilot wordt bij de eerste keer inschakelen door een korte aanhoue toon en door knipperen van het controle-
lampje in de knop aangegeven. De ParkPilot met de knop uitschakelen en direct door een specialist laten controleren.
Weergave van de ParkPilot aan de voor- en achterzijde


Afbeelding 120 Schermweergave van de ParkPilot (monochroom scherm)
Schermweergave
De weergegeven afbeelding geeft de geregistreerde gebieden in meerdere segmenten weer. Hoe dichter de wagen een obstakel nadert, des te dichter schuift het segment naar de weergegeven wa-
gen ⇒ Afbeelding 119 Ⓐ resp. ⇒ Afbeelding 120 Ⓐ. Uiterlijk als het op één na laatste segm wordt weergegeven, is de gevarenzone bereikt Niet verder rijden!
| Gedeelte van de wagen | Afstand van de wagen tot het ob- stakel | Akoestisch signaal | Segmentkleur bij h kend object (alleen het kleurenschen)⇒ Afbeelding 119 | ||
| A | Achter midden Achter buiten- zijde | Obstakel op de rijweg | Ca. 31 – 160 cm | Intervaltoon | Geel |
| Ca. 31 – 60 cm | |||||
| B | Vóór midden Vóór buitenzij- de | Ca. 31 – 120 cm Ca. 31 – 60 cm | |||
| A resp. B | Obstakel in de gevarenzo- | Ongeveer 0 – 30 cm | Aanhouden- de teer | Rood | |
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Aanwijzingen voor het gebruik 177
Inparkeren 179
Een camera in de achterklep ondersteunt de be-stuurder bij het achteruit inparkeren of manoeuvre- ren. Het camerabeeld wordt samen met door het systeem geprojecteerde oriëntatiehulp op het beeldscherm van het af fabriek ingebouwde radio-resp. navigatiesysteem weergegeven.
Aanvullende informatie en

WAARSCHUWING (vervolg)
- De cameralens schoon, sneeuw- en ijsvrij houden en niet afdekken.

WAARSCHUWING
De techniek van de achteruitrijhulp kan de fysieke en systeembepaalde grenzen niet overwinnen. Onoplettend of onbedoeld gebruik van de achteruitrijhulp kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben. Het systeem kan de oplettendheid van de bestuurder niet vervangen.
Aanwijzingen voor het gebruik

Afbeelding 121 In de achterklep: Inbouwplaats van de camera van de achteruitrijhulp

Afbeelding 122 Weergave van de achteruitrijh
Bijzonderheden
1) In de volgende gevallen de achteruitrijhulp niet gebruiken:
- Indien een onbetrouwbaar of onduidelijk beeld wordt weergegeven, bijvoorbeeld bij slecht zicht of vuile lens
- Indien de ruimte achter de wagen alleen onduidelijk of onvolledig te herkennen is.
- Indien de wagen achter zwaar beladen is.
- Indien de bestuurder niet met het systeem vertrouwd is.
- Indien de stand of inbouwhoek van de camera is gewijzigd, bijvoorbeeld na een aanrijding van achteren. Laat het systeem door een specialist controleren.
2) Gezichtsbedrog door de camera (voorbeelden)
De camera van de achteruitrijhulp levert slechts tweedimensionale beelden. Kuilen en uitstekende voor-werpen in de bodem of uitstekende delen aan andere wagens zijn door de ontbrekende ruimtelijke diepte op het beeldscherm moeilijker of helemaal niet herkenbaar.
Voorwerpen of een andere wagen kunnen op het beeldscherm dichterbij of verder weg lijken dan ze in werkelijkheid zijn:
- Wanneer u van een horizontale ondergrond een helling of berg on- of afriidt
Inparkeren

Afbeelding 123 Op het beeldscherm: Statische oriëntatielijnen van de parkeerruimte achter de wagen

Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op 6 en volg deze op.
Overzicht van de oriëntatiehulp
Het weergegeven gele gebied eindigt ongevee meter achter de wagen op de rijbaan.
Betekenis van de op het beeldscherm geprojecteerde oriëntatielijnen ^1) ⇒Afbeelding 123
Snelheidsregelsysteem (SRS)

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 180
Snelheidsregelsysteem bedienen 181
Het snelheidsregelsysteem (SRS) houdt een individueel opgeslagen snelheid bij vooruitrijden vanaf ca. 20 km/h (15 mph) ^1) constant.
Het snelheidsregelsysteem vertraagt alleen door het gaspedaal los te laten, niet door een remingreep ⇒ ⚠.
Aanvullende informatie en

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit het SRS in druk verkeer, bij te weinig afstand, op steile, bochtige of gladde wegen, bv. bij sneeuw, ijs, nattigheid of los grind, en op overstroomde wegen gebruiken.
- Nooit het snelheidsregelsysteem in het terrein of op onverharde wegen gebruiken.
- Snelheid en veiligheidsafstand ten opzichte van voor u rijdende wagens altijd aanpassen aan het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden.
- Om een ongewenste snelheidsregeling te
LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Snelheidsregelsysteem bedienen

Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op gina 180 en volg deze op.
Bergafwaarts rijden met het snelheidsregelsysteem
Als het snelheidsregelsysteem bergafwaarts de snelheid van de wagen niet constant kan houden, de wagen met het rempedaal afremmen en zo nodig terugschakelen.
Automatische uitschakeling
Het snelheidsregelsysteem wordt automatisch uitgeschakeld of tijdelijk onderbroken:
- Als door het systeem een fout wordt vastgesteld, die de functie van het snelheidsregelsysteem zou kunnen beïnvloeden.
-
Als langere tijd door gasgeven sneller dan de opgeslagen snelheid wordt gereden.
-
Wanneer het rem- of koppelingspedaal wordt ingetrapt.
- Als bij de schakelbak in een andere versnelling wordt geschakeld.
- Als de airbag wordt geactiveerd.
Bandencontrolesysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje bandencontrolesysteem ..... 183
Bandencontrole 185
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 24
• Transporteren ⇒ pagina 118
- Remmen, stoppen en parkeren pagina 154
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 218

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de bandenspanning aanhouden d staat aangegeven op de sticker (deze geldt voor koude banden) ⇒ pagina 233.
- Regelmatig de bandenspanning bij kou banden controleren. Zo nodig de bandenspanning bij koude banden voor de op de gen gemonteerde banden aanpassen.
- Banden regelmatig op tekenen van slijt of beschadigingen controleren.
- Nooit de voor de gemonteerde banden toegestane maximumsnelheid en draaglas
| Brandt | Mogelijke oorzaak ⇒ ⚠️ | Oplossing |
![]() | De bandenspanning van een of meerdere wielen is ten opzichte van de door de be-stuurder ingestelde bandenspanning aan-zienlijk verminderd of er is sprake van structurele schade aan de band. | ● Niet verder rijden! Direct de snelheid ver-minderen! Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. Heftige stuur- en remmanoeuvres vermijden!Alle wielen en de bandenspanning controle-ren. Beschadigde banden laten vervangen. |
![]() | Storing in systeem.Controlelampje brandt permanent. | Als bij een correcte bandenspanning na het uit- en weer inschakelen van het contact het controlelampje nog steeds brandt en het kali-breren van het bandencontrolesysteem niet mogelijk is, een specialist opzoeken. Systeem laten controleren. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij rijden met te lage bandenspanning krijgt de band een grotere vervorming te verwerken. Daardoor kan de band zo sterk op-

Het gedurende een langere tijd rijden op onverharde wegen of een sportieve rijstijl kan andencontrole tijdelijk uitschakelen. Het con-
trolelampje geeft een storing in het systeem aan maar gaat uit als de wegomstandigheden of de rijstijl veranderen.
Bandencontrole

Na wijziging van de bandenspanning of na verging van een of meerdere wielen moet de bank controle opnieuw gekalibreerd worden. Dat ge ook na het wisselen van de wielen, bv. van vo naar achteren.
- Contact inschakelen.
- Knop Afbeelding 125 indrukken tot een b vestigingstoon klinkt.
Het systeem kalibreert zichzelf tiidens het norr
Klimaat
Verwarmen, ventileren, koelen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bedieningselementen voor airconditioning ... 187
Bedieningselementen voor verwarmings- en ventilatiesysteem 189
Aanwijzingen voor het gebruik van de airconditioning 190
Luchtroosters 191
Circulatiefunctie 191
Weergave van de Climatronic-informatie

WAARSCHUWING
Slecht zicht door alle ruiten verhoogt het risico van botsingen en ongevallen, waarbij men zware verwondingen kan oplopen.
- Voor een goed zicht naar buiten moeten altijd alle ruiten vrij zijn van ijs, sneeuw en condens.
- De maximale verwarmingscapaciteit en het snelstmogelijk ontdooien van de ruiten kan alleen worden bereikt, wanneer de motor
Bij uitgeschakelde koelfunctie wordt de aangezogen buitenlucht niet ontvochtigd. Om te voorkomen dat de ruiten beslaan, adviseert Volkswagen om de koelfunctie (compressor) ingeschakeld te laten. Hiervoor toets A/C indrukken. Het controlelampje in de toets moet branden.
De maximale verwarmingscapaciteit en het snelstmogelijk ontdooien van de ruiten kunnen alleen worden bereikt, wanneer de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van ijs, sneeuw en bladeren zijn, opdat verwarming en airconditioning optimaal kunnen functie ren en het beslaan van de ruiten wordt voorkon
Bedieningselementen voor airconditioning

| Toets, regelaar | Aanvullende informatie airconditioning (handbediend) ⇒ Afbeelding 126 en Climatronic ⇒ Afbeelding 127. |
Temperatuur 1.![]() | Airconditioning (handbediend): regelaar draaien om de temperatuur overeenkomstig in te stellen.Climatronic: linker- en rechterzijde gescheiden instelbaar. Regelaar draaien om de temperatuur overeenkomstig in te stellen. |
Aanjager 2![]() | Airconditioning (handbediend): stand 0: aanjager en airconditioning (handbediend) uitgeschakeld, stand 4: hoogste aanjagerstand.Climatronic de kracht van de aanjager wordt automatisch geregeld. Regelaar draaien om de aanjager ook handmatig in te stellen. |
| Luchtverdeling 3 | Airconditioning (handbediend): regelaar traploos verdraaien, om de luchtstroom in de gewenste richting in te stellen.Climatronic: de luchtstroom wordt automatisch comfortabel ingesteld. Met de toetsen 3 is deze ook handmatig inschakelbaar. |
| 4 | Climatronic: displayweergaven van de ingestelde temperatuur voor de linker- en rechterzijde. |
Aisconditioning (handmation): optuonningsfunctie. Lichtstroom naar de vooruit
| Toets, regelaar | Aanvullende informatie airconditioning (handbediend) ⇒ Afbeelding 126 er Climatronic ⇒ Afbeelding 127. |
| SYNC | Climatronic: temperatuurinstellingen van de bestuurderszijde aan bijrijderszijde overnemen: als het controlelampje in de toets SYNC brandt, gelden de temperatu stellingen van de bestuurderszijde ook voor de bijrijderszijde. Toets indrukken of temperatuurregelaar voor de bijrijderszijde bedienen, om voor de bijrijderszijde andere temperatuurinstellingen in te stellen. In de toets brandt geen controlelampje. |
| AUTO | Climatronic: automatische regeling van temperatuur, aanjager en luchtverdeling Toets indrukken om de functie in te schakelen. In de toets AUTO brandt het contro lampje. |
| Uitschakelen.OFF | Airconditioning (handbediend): draaiknop voor aanjager op stand 0 draaien.Climatronic: toets OFF indrukken of aanjager handmatig op 0 zetten. Als het systeem is uitgeschakeld, brandt in de toets OFF het controlelampje. |
Bedieningselementen voor verwarmings- en ventilatiesysteem
| Toets, regelaar | Aanvullende informatie verwarmings- en ventilatiesysteem ⇒ Afbeelding 128. |
![]() | Luchtverdeling naar de voorruit en de voetenruimte. |
![]() | Achterruitverwarming: werkt alleen bij draaiende motor en schakelt zichzelf uiterlijk na 10 minuten vanzelf uit. |
![]() | Circulatiefunctie ⇒ pagina 191. |
![]() | Toetsen voor stoelverwarming ⇒ pagina 74. |
Instelling voor optimaal zicht
- Circulatiefunctie uitschakelen pagina 191.
• Aanjager ② op stand 1 of 2 zetten. -
Temperatuurregelaar ① in de middelste stand zetten.
-
Alle luchtroosters in het dashboard openen en richten pagina 191.
- Luchtverdeelregelaar ③ in gewenste stand draaien.
Bijzonderheden
Bij hoge luchtvochtigheid buiten en hoge omgevingstemperaturen kan condenswater van de verdamper van de airconditioning lekken en onder de wagen een waterplas vormen. Dit is normaal en geen teken van lekkage!
Door restvocht in de airconditioning kan het starten van de motor de voorruit besla Ontwasemingsfunctie inschakelen, om de voor zo snel mogelijk wasemvrij te maken.
Luchtroosters

In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat buitenlucht in het interieur van de wagen komt.
Bij zeer hoge buitentemperaturen is het raadzaam tijdelijk de handmatige circulatiefunctie te kiezen, om het interieur sneller te laten afkoelen.
Om veiligheidsredenen wordt de circulatiefunctie uitgeschakeld, als de toets 📊 resp. MAX 🌐 wordt ingedrukt of als de luchtverdeelregelaar op 🌐 wordt gedraaid ⇒ ⚠.
Handbediende circulatiefunctie bij airconditioning (handbediend) resp. verwarmings- en ventilatiesysteem ⇌ in- en uitschakelen
Inschakelen: toets ☐ zo vaak indrukken, dat het controlelampje in de toets brandt.
Uitschakelen: toets ☐ zo vaak indrukken, dat het contrololampie in de toets niet maar brandt
Automatische circulatiefunctie in- en uitschakelen
Inschakelen: toets 📞 zo vaak indrukken, dat het rechtercontrolelampje onder het symbool 📞A brandt.
Uitschakelen: toets 📞 zo vaak indrukken, dat het controlelampje onder het symbool 🔔A niet meer brandt.
Automatische circulatiefunctie tijdelijk uitschakelen
- Toets eenmaal indrukken om bij onaange-name geuren tijdelijk naar de handmatige circulatiefunctie te schakelen. Het linkercontrolelampje brandt.
- Toets na meer dan 2 seconden opnieuw in drukken, om de automatische circulatiefunctie weer te activeren. Het rechtercontrolelampje
Bij het tankstation
Tanken

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes en brandstofmeter 194
Controles bij het tanken 196
De tankklep zit aan de rechterachterzijde van de wagen.
Aanvullende informatie en

WAARSCHUWING (vervolg)
en een metaaloppervlak aanraken, voordat het vulpistool weer vastpakt. Hierdoor voor komt u elektrostatische ontlading, die von vorming tot gevolg kan hebben. Vonken kunnen brand bij het tanken veroorzaken.
- Nooit in de buurt van open vuur, vonke of gloeiende voorwerpen (bv. sigaretten) taken of een jerrycan vullen.
- Elektrostatische ontladingen en elektro
LET OP
- Gemorste brandstof meteen van alle wagen-onderdelen verwijderen, om beschadigingen van de wielkast, banden en lak te voorkomen.
- Het tanken van benzine bij een wagen met dieselmotor en het tanken van diesel bij een wagen met benzinemotor kan tot ernstige en dure schade aan de motor en het brandstofsysteem leiden. Deze schade valt niet onder de Volkswagen Garantie. Wanneer de wagen verkeerd getankt is, in geen geval de motor starten. Hulp van een specialist inroepen! De componenten van deze brandstofsoorten kunnen bij draaiende motor het brandstofsysteem en de motor zelf ernstig beschadigen.
LET OP (vervolg)
- Bij wagens met dieselmotor mag in geen ge val benzine, kerosine, stookolie of een andere afwijkende brandstof die niet uitdrukkelijk voor dieselmotoren is goedgekeurd, getankt worden noch hierop gereden worden. Andere brand- stoffen kunnen tot ernstige en dure schade aan de motor en het brandstofsysteem leiden, die niet onder de Volkswagen Garantie valt.
Brandstoffen kunnen de omgeving verontreinigen. Vrijgekomen bedrijfsvloeistoffen opvangen en vakkundig afvoeren en verwerken.
Een noodontgrendeling van de tankklep is niet mogelijk. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Een te geringe brandstofvoorraad kan leiden tot een onregelmatige brandstoftoevoer naar de motor, met name bij het rijden van een heuvelachtig traject.
- De stuurinrichting en alle bestuurders-hulpsystemen en remhulpsystemen werken niet wanneer de motor vanwege brandstofte-kort of onregelmatige brandstoftoevoer "stottert" of afslaat.
- Altijd brandstof tanken als de brandstof-tank nog maar voor 1/4 is gevuld, om te voorkomen dat de wagen als gevolg van brandstofgebrek stilvalt.

LET OP
- Brandende controlelampjes en de bijbeh rende beschrijvingen en aanwijzingen altijd acht nemen om beschadigingen aan de wag te voorkomen.
- Nooit de tank helemaal leegrijden. Door onregelmatige brandstoftoevoer kan een on branding uitblijven, waardoor onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomt katalysator of het roetfilter pagina 259 kan daardoor beschadigd raken!

De kleine pijl in de meter naast het benzir pompsymbool Afbeelding 130 geeft aan welke wagenzijde de tankklep zit.
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 193 en volg deze op.
| Vulhoeveelheid van de brandstoftank | |
| Benzine- en dieselmotoren | Ca. 55,0 l, daarvan ca. 7,0 l reserve |
Controles bij het tanken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 193 en volg deze op.
Checklist
Nooit werkzaamheden aan de motor en in de motorruimte uitvoeren wanneer u niet vertrouwd hent met
Brandstof

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Benzine 197
Diesel 198
De te tanken brandstofsoort is afhankelijk van het motortype van de wagen. Aan de binnenzijde van de tankklep zit af fabriek een sticker met de juiste brandstofsoort voor de betreffende wagen.
Volkswagen adviseert zwavelarme of zwavelvrije brandstof te tanken om een lager brandstofverbruik te realiseren en motorschade te voorkomen.

WAARSCHUWING
Op onjuiste wijze omgaan met brandstof k explosies, brand, ernstige brandwonden en verwondingen tot gevolg hebben.
- Brandstof is zeer explosief en licht ontvlambaar.
- Nooit in de buurt van open vuur, vonker of gloeiende voorwerpen (bv. sigaretten) m brandstof werken.
- Open vuur, hete delen en vonken uit de buurt houden van brandstoffen.
• Rij het omgaan met brandstof mobiele t
Het is gebleken dat niet alle benzinetoevoegingen (additieven) goed werken. Het gebruik van ongeschikte benzinetoevoegingen (additieven) kan ernstige motorschade veroorzaken en leiden tot beschadiging van de katalysator. Benzinetoevoegingen met metaalhoudende additieven mogen in geen geval worden gebruikt.
Metaalhoudende additieven kunnen voorkomen in benzinetoevoegingen die worden aangeboden om de klopvastheid te verbeteren of ter verhoging van het octaangetal ⇒ ⚠.
Volkswagen adviseert daarom het gebruik van "Volkswagen en Audi Originele brandstoftoevoegingen voor benzinemotoren". Bij de Volkswagen Partner zijn deze toevoegingen, evenals informatie over het gebruik ervan, verkrijgbaar.

LET OP
LET OP (vervolg)
en het brandstofsysteem ontstaan. Bovendien kan er sprake zijn van verminderd vermogen of zelfs afslaan van de motor.
- Het gebruik van ongeschikte benzinetoevoegingen (additieven) kan ernstige motor-schade veroorzaken en leiden tot beschadiging van de katalysator.
- Wanneer u in noodgevallen benzine met een te laag octaangetal moet tanken, mag de wager alleen met middelhoge toerentallen en lage motorbelasting worden gereden. Hoge motortoe-rentallen en sterke motorbelasting vermijden. Anders kan er schade aan de motor ontstaan! Zo spoedig mogelijk brandstof met een voldoende hoog octaangetal bijtanken.
- Brandstoffen die bij de benzinepomp als metaalhoudend zijn gemarkeerd. mogen niet
Als de diesel bij temperaturen onder -24 °C (-11,2 °F) desondanks zo stroperig is geworden dat de motor niet meer aanslaat, is het voldoende de wagen enige tijd in een verwarmde ruimte te zetten.

WAARSCHUWING
Nooit een startversneller gebruiken. Een startversneller kan exploderen of ervoor zorgen dat de motor plotseling met een hoog toerental gaat draaien, wat zware verwondingen en motorschade tot gevolg kan hebben.

LET OP
- Uw wagen is niet geschikt voor het gebruik van biodiesel. U mag in geen geval biodiesel tanken of de wagen hierop laten rijden. Anders kunnen beschadigingen aan het brandstofsystem en motorschade het gevolg zijn!

LET OP (vervolg)
- Het bijmengen van biodiesel in het kade van EN 590 of een gelijkwaardige norm (in Duitsland bv. DIN 51628) in de diesel door dieselproducent is toegestaan en veroorzaa geen schade aan de motor of het brandstof teem.
- De dieselmotor is uitsluitend ontwikkeld voor het gebruik van diesel. Daarom geen b zine, stookolie of andere ongeschikte brand stoffen gebruiken. De stoffen die in deze br stofsoorten zitten, kunnen het brandstofsys teem en de motor aanzienlijk beschadigen.
- Door het gebruik van dieseloliën met verhoogd zwavelgehalte kan de levensduur van het roetfilter aanzienlijk worden verminderd welke landen een verhoogd zwavelgehalte i diesel aanwezig is, kunt u bij uw Volkswagen
Onderhouden, verzorgen, schoonmaken
In de motorruimte
Voorbereidingen op werkzaamheden in de motorruimte

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 202
Wagen voor werkzaamheden in de motorruimte voorbereiden 202
Motorkap openen en sluiten 203
Vóór alle werkzaamheden in de motorruimte de

WAARSCHUWING (vervolg)
moet de wagen op een vlakke ondergrond staan, moeten de wielen geblokkeerd zijn en moet de sleutel uit het contactslot getrokken zijn.
- Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, deze met passende steunbokken goed ondersteunen. De krik mag hiervoor

WAARSCHUWING (vervolg)
- Handrem stevig aantrekken en de keu- zehendel in stand P resp. de versnellings- hendel in de neutrale stand zetten.
- Sleutel uit het contact trekken.
- Kinderen altijd bij de motorruimte weghouden en nooit zonder toezicht achterla- ten.
- Het motorkoelsysteem staat bij hete motor onder druk. Nooit de vuldop van het koel-vloeistofexpansiereservoir openen wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is. Er kan koelvloeistof naar buiten spuiten, wat ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg kan hebben.
- De vuldop langzaam en zeer voorzichtig linksom draaien en hierbij lichte neerwaartse druk op de dop uitoefenen.

WAARSCHUWING (vervolg)
regeld en kan automatisch worden ingesel keld – ook bij uitgeschakeld contact of uit contact getrokken sleutel.
- Als er werkzaamheden aan de motor meten worden uitgevoerd, terwijl er wordt gestart of terwijl de motor draait, bestaat er lvensbedreigend gevaar door draaiende de (bv. de geribde riem, de dynamo, de koelluchtventilator) en door de hoogspannings ontsteking. Altijd de grootste zorgvuldighe betrachten.
- Lichaamsdelen, sieraden, stropdassie losse kledingstukken en lange haren al uit de buurt houden van de draaiende d len van de motor. Vóór aanvang van de werkzaamheden sieraden en stropdas v wijderen, lange haren opsteken en alle

LET OP
Bij het bijvullen of verversen van bedrijfsvloeistoffen erop letten dat de juiste reservoirs worden gevuld. Het gebruik van verkeerde bedrijfsvloeistoffen kan leiden tot ernstige storingen en schade aan de motor!

Vloeistoffen die uit de wagen komen, zijn schadelijk voor het milieu. Controleer daarom
regelmatig de grond onder de wagen. Als op de grond vlekken van olie of andere bedrijfsvloeistoffen zichtbaar zijn, wagen door een specialist laten controleren. Weggelopen bedrijfsvloeistoffen vak-kundig afvoeren en verwerken.
Waarschuwingslampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 200 en volg deze op.
| Weerga-ve | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Als de weergave verschijnt: motorkap niet goed gesloten. | Niet verder rijden!Motorkap vergrendelen. |

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot zware verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.
Motorkap openen en sluiten

Wanneer de motorkap niet gesloten is, motorkap weer openen en correct sluiten.
Een correct gesloten motorkap ligt gelijk met de omliggende carrosserieedelen. Het controlelampje in het instrumentenpaneel zal niet meer branden ⇒ pagina 202.

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten motorkap kan tijdens het rijden opengaan en het zicht naar voren belemmeren. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Na het sluiten van de motorkap controle-ren of de vergrendeling juist in de slotplaat is vastgeklikt. De motorkap moet vlak aansluiten op de carrosseriedelen eromheen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als tijdens het rijden wordt vastgesteld dat de motorkap niet goed gesloten is, onmiddellijk de wagen tot stilstand brengen en de motorkap sluiten.
- Motorkap alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.

LET OP
- Om beschadiging van de motorkap en de ruitenwisserarmen te voorkomen, de motorkap alleen openen wanneer de ruitenwissers tegen de voorruit aan liggen.
- Voordat u gaat rijden de ruitenwisserarmen altijd tegen de ruit klappen.
Motorolie

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 205
Motoroliespecificatie 206
Motoroliepeil controleren en motorolie bijvullen 207
Motorolieverbruik 208
Olie verversen 209
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij het werken met motorolie altijd een I schermende bril dragen.
- Motorolie is giftig moet daarom buiten h bereik van kinderen worden bewaard.
- Motorolie alleen in de afgesloten origine verpakking bewaren. Dat geldt ook voor de oude olie bij het opslaan en afvoeren ervan
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken (motorolie te bewaren, omdat personen perongeluk hieruit zouden kunnen drinken.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings- lampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
Motoroliespecificatie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-5 en volg deze op.
De te gebruiken motorolie moet voldoen aan de
De motoroliekwaliteiten zijn niet alleen afgestemd op de eisen van de motoren en uitlaatgasreini-gingssystemen, maar ook op de brandstofkwaliteit. Bij alle verbrandingsmotoren komt de motorolie met verbrandingsresten en brandstof in contact,
LET OP
- Geen extra smeermiddel in de motorolie bijmengen. Schade die door zulke extra middelen ontstaat, is van garantie uitgesloten.
- Alleen de motorliespecificatie gebruiken die uitdrukkelijk door Volkswagen voor de motor is goedgekeurd. Het gebruik van andere motorolie kan leiden tot schade aan de motor!
- Als de genoemde motoriliesoorten (⇒ Tab. op pagina 206) niet beschikbaar zijn, mag in geval van nood een andere motoriliesoort wor-
LET OP (vervolg)
den bijgevuld. Om de motor niet te beschad gen, mag tot de volgende Kleine Onderhou Service enkel éénmalig maximaal 0,5 liter v de volgende motoroliesoorten worden bijge vuld:
- Benzinemotoren: norm ACEA A3/B4 o API SN (API SM).
– Dieselmotoren: norm ACEA C3 of API CJ-4.
Motoroliepeil controleren en motorolie bijvullen

⑧: er kan olie worden bijgevuld (ongeveer 0,5 l). Verder met stap 8 of 15.
©: beslist olie bijvullen (ongeveer 1,0 l). Verder met stap 8.
- Na het aflezen van het motoroliepeil de oliepeilstok op correcte wijze tot de aanslag in de geleidingspijp schuiven.
- Dop van de motorolievulopening losdraaien ⇒ Afbeelding 135.
- Alleen de door Volkswagen uitdrukkelijk voor de motor vrijgegeven motorolie in kleine hoeveelheden bijvullen (niet meer dan 0,5 l).
- Om te voorkomen dat er te veel motorolie wordt bijgevuld, moet telkens na het bijvullen even worden gewacht, zodat de motorolie in de carterpan tot aan de markering op de oliepeilstok kan stromen.
- Motoroliepeil opnieuw van de oliepeilstok aflezen voordat weer een nieuwe kleine hoeveelheid motorolie wordt bijgevuld. Nooit te veel motorolie bijvullen ⇒ ⚠.
- Het motoroliepeil moet na het bijvullen minimaal in het midden van gebied ⇒ Afbeelding 134 Ⓑ liggen, in elk geval nooit boven Ⓐ ⇒ Ⓔ.
- Na het bijvullen de dop van de motorilievulopening goed vastdraaien.
Olie verversen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-5 en volg deze op.
De motorolie moet volgens de gegevens in het Serviceplan regelmatig worden ververst.
Het verversen van de motorolie en het vervangen van het filter vereisen speciale gereedschappen en vakkennis en daarnaast moet de oude olie milieu-bewust worden verwerkt. Laat de werkzaamheden daarom altijd door een specialist uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Meer gegevens over de service-intervallen staan in het Serviceplan.
Toevoegingen in de motorolie kunnen nieuwe mo-

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd een beschermende bril dragen.
- Altijd de motor laten afkoelen om verbinding te voorkomen.
- Arm horizontaal houden wanneer de oli aftapplug met de vingers wordt losgedraai zodat weglopende olie niet langs de arm of laag kan lopen.
- Voor het opvangen van de oude olie een geschikt reservoir gebruiken. Dit reservoir moet groot genoeg zijn om de totale hoeveheid olie van de motor op te kunnen nemen
- Nooit lege blikken, flessen of andere ve pakkingen van levensmiddelen gebruiken motorolie te bewaren, omdat personen per
Motorkoelvloeistof

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje voor motorkoelvloeistof 210
Specificatie motorkoelvloeistof 211
Motorkoelvloeistofpeil controleren en motorkoelvloeistof bijvullen 212
Nooit werkzaamheden aan het koelsysteem van de motor verrichten, wanneer u niet vertrouwd bent met de noodzakelijke handelingen en u niet over de juiste bedrijfsmiddelen, bedrijfsvloeistoffen en gereedschappen beschikt ⇒ ⚠! Zo nodig alle

WAARSCHUWING
Motorkoelvloeistof is giftig!
- Motorkoelvloeistof alleen in de afgesloten originele verpakking op een veilige plek bewaren.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om motorkoelvloeistof te bewaren, omdat personen per ongeluk hieruit zouden kunnen drinken.
- Motorkoelvloeistof buiten het bereik van kinderen bewaren.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings- lampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampje en tekstmeldingen kan leiden tot beschadig gen aan de wagen.

LET OP
Na het starten van de koude motor hoge mo toerentallen, volgas en sterke motorbelastir vermijden.
Specificatie motorkoelvloeistof

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 210 en volg deze op.

WAARSCHUWING
Gebrekkige bescherming tegen bevriezing het motorkoelsysteem kan uitval van de m
Motorkoelvloeistofpeil controleren en motorkoelvloeistof bijvullen

Afbeelding 136 In de motorruimte: Markering op het motorkoelvloeistofexpansiereservoir

Afbeelding 137 In de motorruimte: Vuldop van het motorkoelvloeistofexpansiereservoir

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het motorkoelsysteem staat bij hete motor onder druk. Nooit de vuldop van het koel-vloeistofexpansiereservoir openen wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is. Er kan koelvloeistof naar buiten spuiten, wat ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg kan hebben.
- De vuldop langzaam en zeer voorzichtig linksom draaien en hierbij lichte neerwaartse druk op de dop uitoefenen.
- Altijd het gezicht, de handen en de armen met een grote, dikke doek beschermen tegen hete koelvloeistof of damp.
- Bij het bijvullen geen bedrijfsvloeistoffen op motoronderdelen of het uitlaatsysteem gieten. De gemorste bedrijfsvloeistoffen kunnen brand veroorzaken. Onder bepaalde om-

LET OP (vervolg)
delen ernstige corrosieschade in de motor oorzaken. Dit kan tot defect raken van de m leiden. Als ander water dan gedestilleerd wa is bijgevuld, moet de vloeistof in het motorl systeem direct volledig door een specialist worden ververst.
- Motorkoelvloeistof slechts tot aan de bovenkant van het gemarkeerde gebied bijvul Afbeelding 136. Overtollige motorkoelvlo stof wordt anders bij verwarming uit het mo koelsysteem gedrukt en kan beschadiginge tot gevolg hebben.
- Bij een groot motorkoelvloeistofverlies, torkoelvloeistof alleen bij geheel afgekoeld motor bijvullen. Een vrij groot verlies aan m torkoelvloeistof duidt op lekkage in het mot koelsysteem. Motorkoelsysteem direct door
Accu

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 215
Accuvloeistofpeil controleren 215
Accu laden, vervangen, accukabels los- of vastmaken 216
De accu maakt deel uit van de elektrische installatie van de wagen.
Nooit werkzaamheden aan de elektrische installatie verrichten, wanneer u niet vertrouwd bent met de noodzakelijke handelingen en de algemeen gel-

WAARSCHUWING
Bij werkzaamheden aan de accu en de elektrische installatie bestaat er gevaar voor zware verwondingen, brand en elektrische schokken. Vóór aanvang van de werkzaamheden altijd de volgende waarschuwingen en veiligheidsaanwijzingen doorlezen en opvolgen:
- Vóór aanvang van werkzaamheden aan de accu het contact en alle elektrische verbruikers uitschakelen en de massakabel van de accu losmaken.
- Kinderen altijd uit de buurt houden van
Waarschuwingslampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 214 volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Storing in dynamo. | Specialist opzoeken. Elektrische installatie la controleren.Niet noodzakelijke elektrische verbruikers uij schakelen. De accu wordt tijdens het rijden r door de dynamo geladen. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampje en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wage tot stilstand brengen.
| Kleurweergave | Handeling |
| Lichtgeel of kleurloos | Accuvloeistofpeil van de accu te laag. Accu bij een specialist laten controleren en zo nodig laten vervangen. |
| Zwart | Accuvloeistofpeil is in orde. |

WAARSCHUWING
Bij werkzaamheden aan de accu bestaat gevaar voor zware verwondingen, explosies en elektrische schokken.
- Altijd een beschermende bril en werkhandschoenen dragen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Accuvloeistof is zeer agressief. Als accuvloeistof in aanraking komt met de huid, kan men ernstige verwondingen oplopen. Als accuvloeistof in de ogen terechtkomt, kan men blind worden. Bij het werken aan de accu vooral de handen, armen en het gezicht tegen zuurspatten beschermen.
- De accu nooit schuin houden. Uit de ontgassingsopeningen kan accuvloeistof vrijkomen, wat tot verwondingen kan leiden.
- Nooit een accu openen.
- Bij zuurspatten op de huid of in de ogen, de betreffende plek meteen enkele minuten lang met koud water spoelen. Daarna onmiddellijk naar een arts gaan.
- Na inwendig gebruik van accuvloeistof di-
Wagens met Keyless Access (⇒ pagina 43): als na het vastmaken van de accukabels het contact niet kan worden ingeschakeld, de wagen van buitenaf vergrendelen en ontgrendelen. Daarna opnieuw proberen het contact in te schakelen. Als het contact niet kan worden ingeschakeld, een specialist inschakelen.
Automatisch uitschakelen van verbruikers
Door een intelligent energiemanagementsysteem worden bij sterke belasting van de accu automatisch verschillende maatregelen getroffen om het ontladen van de accu te voorkomen:
- Het stationair toerental wordt verhoogd, opdat de dynamo meer stroom levert.
- Zo nodig wordt het vermogen van grotere stroomverbruikers begrensd of desnoods worden ze helemaal uitgeschakeld.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Alleen onderhoudsvrije en lekvrije accu gebruiken die dezelfde eigenschappen, spificaties en afmetingen hebben als de af fabriek ingebouwde accu.
⚠ WAARSCHUWING
Bij het laden van de accu ontstaat een lich ontvlambaar knalgasmengsel.
- Accu alleen in goed geventileerde ruim opladen.
- Nooit een bevoren of ontdooide accu d laden. Een ontladen accu kan al bij een temperatuur van 0 °C (+32 °F) bevriezen.
- Accu beslist vervangen, als de accu een maal bevroren is geweest.
• Verkeerd vastgemaakte aansluitkabels
Verzorging en onderhoud van de wagen Buitenzijde van de wagen verzorgen en schoonmaken

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wagen wassen 219
Cabrioletkap verzorgen en schoonmaken ... 220
Wassen met een hogedrukreiniger 221
Ruiten en buitenspiegels schoonmaken ..... 222
Ruitenwisserbladen schoonmaken en vervangen 223
Wagenlak conserveren en polijsten 223
Chromen en aluminium sierdelen verzorgen

WAARSCHUWING (vervolg)
len kunnen ongevallen, zware verwondingen, brandwonden en vergiftigingen tot gevolg hebben.
- Onderhoudsmiddelen alleen in de afgesloten originele verpakking bewaren.
- Let op de bijsluiter van de verpakking.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om schoonmaakmiddelen te bewaren, omdat per-

Bij aankoop van schoonmaakmiddelen milieuvriendelijke producten kiezen.

Resten van onderhoudsmiddelen horen n bij het huisvuil. Let op de bijsluiter van de akking.
Wagen wassen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-8 en volg deze op.
Hoe langer insectenresten, uitwerpselen van vogels, boomhars, straat- en industriestof, teer, strooizout en andere agressieve stoffen op de lak blijven zitten, hoe groter de schadelijke werking ervan is. Hoge temperaturen die bijvoorbeeld door intensieve zonnestralen ontstaan, versterken de bijtende werking. Was ook de onderzijde van de
De spons of de washandschoen met korte tuss pozen grondig uitspoelen.
Wielen, dorpels en dergelijke als laatste school maken. Hiervoor een tweede spons gebruiken.

WAARSCHUWING
Scherpe delen aan de wagen kunnen verw dingen tot gevolg hebben.
- Bescherm handen en armen tegen sche pe onderdelen, als u bijvoorbeeld de onder
LET OP
Let beslist op de volgende punten, voordat u met de wagen een wasstraat in rijdt, om beschadigingen aan de wagen te voorkomen:
- Vergelijk de spoorbreedte van de wagen met de afstand van de geleidingsrails van de wasinstallatie om de velgen en banden niet te beschadigen!
- De regen-lichtsensor uitschakelen, voordat u met de wagen een wasstraat in rijdt.
- Vergelijk de hoogte en breedte van de wagen met de doorrijhoogte en - breedte van de wasinstallatie!
LET OP (vervolg)
- Buitenspiegels inklappen. Elektrisch inklappbare buitenspiegels in geen geval met de hand, maar alleen elektrisch inklappen en weer terugklappen!
- Om lakbeschadigingen aan de motorkap te voorkomen, de ruitenwissers na het afdrogen van de ruitenwisserbladen tegen de voorruit klappen. Niet laten vallen!
- Achterklep vergrendelen om onbedoeld openen door de wasinstallatie te voorkomen.
LET OP
Cabrioletkap nooit met een hogedrukreiniger schoonmaken. De afdichtrubbers van de cabrioletkap kunnen beschadigd raken.
LET OP (vervolg)
- Cabrioletkap nooit met benzine, vlekkenwater, benzol, lakverdunner, oplosmiddelen of andere agressieve substanties schoonmaken.
Geen schurende schoonmaakmiddelen of harde borstels gebruiken. - Parkeren onder bomen die agressieve harssoorten (bv. lindeboom) of pollen afgeven, vermijden.
LET OP (vervolg)
- Uitwerpselen van vogels onmiddelijk ver deren, omdat dit de cabrioletkap kan beschagen.
Wassen met een hogedrukreiniger

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 218 en volg deze op.
Vale hi het wassen van de wages met een hoge

WAARSCHUWING
Nadat de wagen is gewassen, kan de remwking vanwege vochtige resp. in de winter byroren remschiiven en remblokken vertraa
Ruiten en buitenspiegels schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-8 en volg deze op.
Ruiten en buitenspiegels schoonmaken
Ruiten en buitenspiegels met universele glasreini- gingsmiddelen op alcoholbasis inspuiten.
Glazen oppervlakken met een schone zeem of met een pluisvrije doek drogen. Op een zeem waarmee de lak is afgenomen, blijven vettige resten conserveringsmiddel achter. Daarmee zouden de glazen oppervlakken vuil gemaakt kunnen worden.
Rubber-, olie-, vet- of kitresten kunt u met een rui- tenreiniger of siliconenverwijderaar verwijderen ⇒ ⚠.

WAARSCHUWING
Vuile en beslagen ruiten verminderen het zicht en verhogen het risico van ongevallen en zware verwondingen.
- Alleen rijden, wanneer u goed zicht heeft door alle ruiten.
- IJs, sneeuw en aanslag aan de binnen- en buitenzijde van alle ruiten verwijderen.

LET OP
- In geen geval de aanbevolen schoonmaakmiddelen met andere schoonmaakmiddelen in het ruitensproeiervloeistofreservoir mengen. Anders kunnen de bestanddelen neerslaan en daardoor verstopping van de ruitensproeiers.
Ruitenwisserbladen schoonmaken en vervangen

Afbeelding 139 Ruitenwisserblad van de voorruit vervangen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-
Ruitenwisserbladen vervangen
- Ruitenwisserarmen vóór het optillen in de s cestand zetten ⇒ pagina 109.
- Voor het optillen van een ruitenwisserarm, alleen bij de ruitenwisserbladbevestiging vastpiken.
- Ontgrendelingsknop Afbeelding 139 ① in drukt houden en gelijktijdig het ruitenwisserblad pijlrichting lostrekken.
- Nieuw ruitenwisserblad van dezelfde lengt uitvoering op de ruitenwisserarm steken, tot d vastklikt.
- Ruitenwisserarmen op de voorruit terugplaas sen.
A. WILPSCHWING
Ook als in de automatische wasinstallatie regelmatig een wasbescherming wordt gebruikt, adviseert Volkswagen, de lak ten minste tweemaal per jaar met vaste was te beschermen.
Polijsten
Alleen als de lak van uw wagen dof is geworden en als u met conserveringsmiddelen geen glans meer kunt verkrijgen, is polijsten nodig.
Als het gebruikte polijstmiddel geen conserverende bestanddelen bevat, moet de lak vervolgens worden geconserveerd.
LET OP
- Om beschadigingen te voorkomen, mogen mat gelakte delen, kunststof delen, koplampglas en achterlichten niet met polijstmiddelen of vaste was worden behandeld.
- De wagenlak niet bij een vuile wagen of in een zanderige of stoffige omgeving polijsten.
Chromen en aluminium sierdelen verzorgen en schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-
LET OP (vervolg)
- Cross and cross-houdersiddalors met intercalves
Als de beschermende laklaag is beschadigd, bv. door steenslag, moet de schade zo spoedig mogelijk worden hersteld.
Rubber afdichtingen onderhouden

Rubber afdichtingen van de achterklep e de portieren © onderhouden
- Met een zachte, pluisvrije doek en veel wat het stof en vuil van de rubber afdichtingen van bagageruimte © verwijderen.
- Zo nodig ook het stof en vuil van de lak van contactoppervlak verwijderen.
• Rubber afdichtingen goed laten drogen. - Volkswagen raadt u aan droge rubber afdic gen spaarzaam te behandelen met een geschi

LET OP
Bij gebruik van portierslotontdooiers met vetoplossende substanties kan de portierslotcilinder gaan roesten.
Bodembescherming

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-8 en volg deze op.
De onderzijde van de wagen is tegen chemische en mechanische invloeden beschermd. Tijdens het rijden kan de beschermende laag aan de onderzijde van de wagen worden beschadigd. Daarom adviseert Volkswagen, de beschermende laag van de

VOORZICHTIG
De bodembeschermingslaag en corrosiewerende middelen kunnen door het hete uitlaatsysteem of door andere hete motoronderdelen vlam vatten.
- Geen bodembeschermingslaag of corrosioniewerende middelen op uitlaatpijpen, katalysatoren, hitteschilden of andere heet worden-
Interieur verzorgen en schoonmaken

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Omgang met stoelbekleding 228
Bekledingsstoffen, stoffen bekledingen en Alcantara® schoonmaken 228
Nappalederen bekledingen schoonmaken en verzorgen 230
Kunstleren bekledingen schoonmaken ..... 231
Opbergvakken, bekerhouders en asbakken schoonmaken 231
Kunststof onderdelen, hout en dashboard verzorgen en schoonmaken 231
Volliehaldesondale schanomaken 222

- Let op de bijsluiter van de verpakking.
- Nooit lege blikken, flessen of andere ve pakkingen van levensmiddelen gebruiken schoonmaakmiddelen te bewaren, omdat sonen de schoonmaakmiddelen die erin zi ten, niet altijd kunnen herkennen.
- Alle onderhoudsmiddelen buiten het be reik van kinderen houden.
- Bij het gebruik kunnen schadelijke dam pen ontstaan. Gebruik onderhoudsmiddel daarom alleen buiten of in goed geventilee
Omgang met stoelbekleding

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 227 en volg deze op.
Checklist
Let voor de omgang met en het behoud van de stoelbekleding op het volgende ⇒ ⚠:
Voordat u de wagen instapt, alle klittenbandsluitingen vastzetten die met stoelbekledingen of bekledingsstoffen in aanraking kunnen komen. Open klittenbandsluitingen kunnen de stoelbekledingen en bekledingsstoffen beschadigen.
Direct contact van scherpe voorwerpen en applicaties met de stoelbekledingen en bekledingsstoffen voorkomen om beschadigingen te voorkomen. Applicaties zijn bijvoorbeeld ritssluitingen, klink-nagels, strassteentjes aan kledingstukken en ceinturen.
Stof en vuildeeltjes in poriën, plooien en naden regelmatig verwijderen, zodat de oppervlakken van de stoelen niet door schuren permanente schade oplopen.
Kleding beslist op kleurechtheid controleren om verkleuringen op de stoelbekleding te voorkomen. Dit geldt vooral bij lichte bekleding.
- Voor de algemene schoonmaak een zachte spons of een universele, pluisvrije microvezeldoek gebruiken ⇒ ⚠.
- Alcantara®-oppervlakken met een licht vochtige katoenen of wollen doek of een universele, pluisvrije microvezeldoek schoonmaken ⇒ ⚠.
Bij oppervlakkige, gewone verontreiniging van de stoelbekledingen en bekledingsstoffen kan het schoonmaken met een universeel schuimvormend schoonmaakmiddel worden uitgevoerd.
Bij ernstige algemene verontreinigingen van de stoelbekledingen en bekledingsstoffen kunt u zich bij uw Volkswagen Partner over geschikte reini-gingsmogelijkheden laten informeren. Zo nodig een reinigingsspecialist inschakelen.
Vlekkenbehandeling
Bij het behandelen van vlekken kan het noodza lijk zijn, niet alleen de vlek, maar het hele oppe vlak te reinigen. Vooral als het oppervlak door a gemeen gebruik vervuild is. Anders kan het bel delde oppervlak lichter zijn dan het onbehande oppervlak. Bij twijfel een reinigingsspecialist in- schakelen.
| Soort vlek | Aanbevolen reiniging van zittingen en bekledingsstoffen |
| Ustleven en metodeel, ook | Diplinol met een deafloer rechtie welke en deafdeel, voor het |
Nappalederen bekledingen schoonmaken en verzorgen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-7 en volg deze op.
Raadpleeg bij vragen over schoonmaken en onderhoud van de leren uitrusting in de wagen een Volkswagen Partner of een andere specialist.
Behandeling en verzorging
Ongeprepareerd nappaleer is gevoelig, omdat het geen dekkende verflaag heeft.
- Regelmatig en na elke schoonmaakbeurt een verzorgende crème gebruiken, die bescherming tegen licht biedt en het leer impregneert. De crème voedt het leder, zorgt ervoor dat het leder kan ademen en voorkomt uitdroging. Tegelijkertijd wordt er
- Verse vlekken van balpen, inkt, lippenstift, schoenpoets etc. zo snel mogelijk verwijderen.
- Lederkleur onderhouden. Afwijkende plekken naar behoefte met een speciaal gekleurde ledercrème opfrissen.
- Met een zachte doek nawrijven.
Schoonmaken
Volkswagen adviseert voor de algemene schoonmaak een licht vochtige katoenen of wollen doek te gebruiken.
Let er altijd op dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden sijpelt.
Voor het reinigen van lederen bekledingen de volgende aanwijzingen in acht nemen ⇒ pagina 228,

Lichte verkleuringen door het gebruik zijn normaal.

Kunstleren bekledingen schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-7 en volg deze op.
Voor het reinigen van kunstlederen bekledingen de aanwijzingen in acht nemen ⇒ pagina 228, Schoonmaken van bekledingsstoffen van stoelzittingen met stoelverwarming en van stoelen met elektrische verstelmogelijkheid of airbagonderdelen.
Voor het schoonmaken van de kunstleren bekle- ding alleen water en neutrale schoonmaakmidde-

LET OP
Het kunstleer mag in geen geval met oplosr delen, boenwas, schoenpoets, vlekkenverw deraar en dergelijke worden behandeld. Dit oorzaakt uitharden en daardoor voortijdige breuk van het materiaal.
Veiligheidsgordels schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-7 en volg deze op.
Grof vuil op de gordel belemmert het oprollen van de automatische gordel en zodoende de werking van de veiligheidsgordel.
De veiligheidsgordels mogen voor het schoonma- ken nooit worden uitgebouwd.
- Grof vuil met een zachte borstel verwijderen ⇒ ▲.
- Verontreinigde veiligheidsgordel volledig uittrekken en gordel uitgerold laten.
- Veiligheidsgordel met mild zeepsop schoonma- ken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Veiligheidsgordels en hun onderdelen mogen nooit chemisch worden gereinigd of met bijtende vloeistoffen, oplosmiddelen alsmede scherpe voorwerpen in aanraking komen.
Daardoor wordt de stevigheid van het gordel-weefsel ernstig aangetast. - Een schoongemaakte veiligheidsgordel moet vóór het oprollen volledig droog zijn, omdat vocht de gordeloprolautomaat kan beschadigen en de werking ervan kan belemmeren.
- Nooit verontreinigingen en vloeistoffen in de invoertrechters van de gordelsloten laten komen. Hierdoor kan de werking van de gordelsloten en veiligheidsgordels worden be-
Velgen en banden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Omgang met velgen en banden 234
Velgen 235
Nieuwe banden en banden vervangen ..... 236
Bandenspanning 237
Profieldiepte en slijtagemerktekens 239
Schade aan de band 239
Reservewiel of noodreservewiel 241
Aanduiding op banden 242
Winterbanden 244
Sneeuwkettingen 245

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nieuwe banden moeten worden ingere- den, omdat nieuwe wielen in het begin ver minderde grip en remwerking hebben. Om ongevallen en zware verwondingen te voor komen, tijdens de eerste 600 km overeen- komstig voorzichtig rijden.
- Regelmatig de bandenspanning contro ren en altijd de aangegeven bandenspan- ningswaarde aanhouden. Een te lage band spanning kan de band zo sterk opwarmen, dat dit kan leiden tot loslating van het loop vlak en springen van de band.

Om technische redenen kunt u normaliter de velgen van andere wagens niet gebruiken.
Dit geldt soms zelfs voor velgen van hetzelfde model wagen. Raadpleeg de officiële wagenpapieren en raadpleeg zo nodig een Volkswagen Partner.

Omgang met velgen en banden

- Zo nodig de waarschuwingsmeldingen van het bandencontrolesysteem in acht nemen pagina 183.
- Beschadigde of versleten banden direct laten vervangen pagina 239.
- Banden regelmatig op verborgen schade controleren⇒ pagina 239.
- Nooit de draaglast en topsnelheid van de gemeenteerde handen overschrijden -page 242
Volkswagen adviseert banden die 6 jaar en ouder zijn, te laten vervangen door nieuwe banden. Dit geldt ook voor banden, inclusief de band van het reservewiel, die uiterlijk nog bruikbaar lijken en waarvan de profieldieptes nog niet de wettelijk voorgeschreven minimumwaarde hebben bereikt ⇒ ▲.
De leeftijd van elke band kan worden bepaald met de productiedatum, die een onderdeel is van het bandenidentificatienummer (TIN) ⇒ pagina 242.
Banden opslaan
Wielen markeren voordat deze worden verwijderd, zodat deze bij het opnieuw monteren dezelfde draairichting kunnen behouden (links, rechts, voor, achter). Verwijderde velgen resp. banden koel, droog en zo donker mogelijk bewaren. Op de velg gemonteerde banden niet loodrecht neerzetten.
⚠ WAARSCHUWING
Oude banden kunnen - ook als deze nog n zijn gebruikt - vooral bij hoge snelheden p seling lucht verliezen of klappen en daarde ongevallen en zware verwondingen veroor ken.
- Banden die ouder zijn dan zes jaar alleen in noodgevallen en met de grootste terughdendheid gebruiken en hiermee voorzichtijrijden.

Oude banden altijd volgens de voorschrijf en vakkundig afvoeren en verwerken.
Velgen met vastgeschroefde sierelementen
Velgen kunnen van losse sierelementen zijn voorzien, die met zelfborgende bouten aan de velg zijn gemonteerd. Beschadigde sierelementen alleen door een specialist laten vervangen. Volkswagen adviseert hiervoor een Volkswagen Partner ⇒ ⚠.
Markering van velgen
Op basis van wettelijke eisen in sommige landen moet nieuwe velgen gegevens over bepaalde velgeigenschappen bevatten. Afhankelijk van het land kunnen de volgende gegevens op de velg staan:
- Conformiteitszegel
- Velgmaat
• Naam van de fabrikant of het merk
• Productiedatum (maand/jaar)
• Land van herkomst

WAARSCHUWING
Verkeerd losmaken en vastdraaien van de bouten bij velgen met vastgeschroefde velgringen kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de schroefverbindingen van velgen met vastgeschroefde velgring losmaken.
- Alle werkzaamheden aan velgen met vastgeschroefde velgring door een specialist laten uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Extra bij wagens met bandencontrole
Bij wagens met bandencontrole moet na elke keer dat er een wiel wordt gemonteerd het systeem opnieuw worden "ingeleerd", onafhankelijk ervan, of het om het tot dan toe op deze plaats gemonteerde wiel of om een ander wiel gaat ⇒ pagina 183.
Meer informatie over het bandencontrolesysteem, de werking ervan en wat u moet weten ⇒ pagina 183.

WAARSCHUWING
Nieuwe banden moeten worden ingereden, omdat nieuwe wielen in het begin verminderde grip en remwerking hebben.
- Om ongevallen en zware verwondingen te voorkomen, tijdens de eerste 600 km overeenkomstig voorzichtig rijden.

WAARSCHUWING (vervolg)
van het onderstel, de carrosserie en remle dingen schuren, wat defect raken van het remsysteem en loslaten van het loopvlak e daarmee een klapband tot gevolg kan heb- ben.
- De daadwerkelijke afmetingen van de b den mogen niet groter zijn dan de afmeting van de door Volkswagen goedgekeurde ba den. De banden mogen niet langs onderde van de wagen schuren.

Hoewel de gegevens over de grootte op band hetzelfde kunnen zijn, kunnen de da
werkelijke afmetingen van de verschillende ba dentypen van deze nominale waarden afwijker kan de vorm van de band aanzienlijk verschille

Bii banden die door Volkswagen ziin vriio
De aangegeven bandenspanning geldt voor een koude band. De bandenspanning is bij warme banden hoger dan bij koude banden.
Laat daarom nooit lucht uit een warme band ont-snappen om de bandenspanning aan te passen. In dat geval wordt de bandenspanning zo laag, dat dit een klapband zou kunnen veroorzaken.
Bandenspanning controleren
De bandenspanning alleen controleren, als de banden niet meer dan enkele kilometers met lage snelheid in de laatste drie uur hebben gereden.
- Bandenspanning regelmatig en altijd bij koude banden controleren. Altijd alle banden controleren, ook de band van het reservewiel, indien aanwezig. In koudere gebieden moet de bandenspanning vaker worden gecontroleerd, maar alleen wanneer nog niet met de wagen is gereden. Altijd een goed
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
klappen van de band of het loslaten van het loopvlak, waardoor de controle over de wagen wordt verloren.
- Een te lage of te hoge bandenspanning verkort de levensduur van de banden en verslechtert het rijgedrag van de wagen.
- Controleer regelmatig de bandenspanning; echter ten minste eenmaal per maand en daarnaast vóór elke langere rit.
- Alle banden moeten de juiste banden-spanning hebben die overeenkomt met de belading.
- Nooit de verhoogde luchtdruk bij warme banden verminderen.
LET OP
Profieldiepte en slijtagemerktekens

Afbeelding 143 Bandenprofiel: Slijtagemerktekens

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-
Slijtagemerktekens in de band
Op de bodem van de profielgroeven zitten dwa op de rijrichting 1,6 mm hoge slijtagemerkteken ⇒Afbeelding 143. Deze slijtagemerktekens zijn meerdere malen op dezelfde afstanden op het loopvlak geplaatst. Markeringen op de wangen de band (bv. de letters "TWI" of symbolen) gev de plaats van de slijtagemerktekens aan.
De slijtagemerktekens geven aan of een band sleten is. Uiterlijk wanneer het profiel van de ba tot de slijtagemerktekens is afgesleten, moet d band worden vervangen.

WAARSCHUWING
Versleten banden vormen een veiligheidsri so en kunnen artes leiden dat u de control
Binnengedrongen vreemde voorwerpen in de band
- Binnengedrongen vreemde voorwerpen in de band laten, als deze tot in de band zijn doorgedrongen! Voorwerpen die tussen de blokjes profiel van de band klem zitten, kunnen daarentegen worden verwijderd.
- Bij wagens met reserve- of noodreservewiel: zo nodig beschadigde band vervangen pagina 276. Voor het vervangen van de beschadigde band zo nodig deskundige hulp inschakelen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
- Bij wagens met bandenafdichtset: beschadigd wiel zo nodig met de bandenafdichtset afdichten en oppompen ⇒ pagina 282. Specialist opzoeken. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Dij wages met mobilitatechanden vraamde voor
Onbalans in de wielen – De wielen van een nieuwe wagen zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan echter door verschillende invloeden een onbalans ontstaan die merkbaar is aan onrust in het stuurwiel. Een onbalans heeft ook invloed op de slijtage van de stuurinrichting en de wielophanging. Laat daarom in een dergelijk geval de wielen opnieuw balanceren. Een nieuwe band moet na de montage opnieuw worden gebalanceerd.
Afstellingen van het onderstel – Een verkeerde af- stelling van het onderstel schaadt de rijveiligheid en zorgt voor verhoogde bandenslijtage. Laat bij sterke bandenslijtage de uitlijning door een specia- list controleren.

WAARSCHUWING
Ongebruikelijke trillingen of eenzijdig trekken van de wagen tijdens het rijden kunnen op
Reservewiel of noodreservewiel

Afbeelding 144 In de bagageruimte: Handwiel voor de bevestiging van het reservewiel
Dit wiel zo snel mogelijk weer door een normaat wiel vervangen.
Volg de aanwijzingen voor het rijden op:
- Niet sneller dan 80 km/h (50 mph) rijden!
- Accelereren met volgas, sterk remmen en h snel nemen van bochten voorkomen!
- Geen sneeuwkettingen op het noodreserve gebruiken ⇒ pagina 245.
- Na de montage van het reservewiel resp. ni reservewiel zo snel mogelijk de bandenspannir controleren ⇒ pagina 237.
De bandenspanning van het reservewiel resp. noodreservewiel moet tegelijk met die van de c rige banden worden gecontroleerd, ten minste opmeel een magd. Het reservewiel krijgt de

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit met meer dan één noodreservewiel rijden.
- Na de montage van het noodreservewiel moet de bandenspanning zo snel mogelijk worden gecontroleerd ⇒ pagina 237.
- Op het noodreservewiel kunnen geen sneeuwkettingen worden gebruikt.

Indien mogelijk het reservewiel, noodreserve-wiel of het verwisselde wiel veilig in de bagamte bevestigen. Bij wagens met bandenaf-set kan het vervangen wiel niet worden vast-
Aanduiding op banden

| Aanduiding op band (voorbeeld) | Betekenis | |
| XL | Band met versterkte uitvoering ("Reinforced"). | |
| M+S of M/S of ⬆ | Code voor banden die geschikt zijn voor gebruik 's winters (modd en sneeuwbanden) ⇒ pagina 244. | |
| RADIAL TUBELESS | Tubeless radiaalband | |
| E4 ... | Code die voldoet aan internationale voorschriften (E) met het num mer van het goedkeuringsland. Aansluitend volgt het meercijferige goedkeuringsnummer. | |
| DOT BT RA TY5 1709 | Bandenidentificatienummer ( TIN^a ) – eventueel alleen op de binnen de van de band) en productiedatum: | |
| DOT | De band voldoet aan de wettelijke eisen van het Minister van Verkeer van de VS dat verantwoordelijk is voor de ver ligheidsnormen van banden (Department of Transportati | |
| BT | Code van de fabriek | |
| RA | Gegevens van de bandenfabrikant over de bandenmaat | |
| TY5 | Bandenkenmerken van de fabrikant | |
95 690 kg
97 730 kg
99 775 kg
Snelheidscode
De snelheidscode geeft aan met welke maximumsnelheid met de band mag worden gereden.
P max. 150 km/h (93 mph)
Q max. 160 km/h (99 mph)
R max. 170 km/h (106 mph)
S max. 180 km/h (112 mph)
T max. 190 km/h (118 mph)
U max. 200 km/h (124 mph)
H max. 210 km/h (130 mph)
V max. 240 km/h (149 mph)
Z boven 240 km/h (149 mph)
W max. 270 km/h (168 mph)
Y max. 300 km/h (186 mph)
Sommige bandenfabrikanten gebruiken voor banden met een maximale topsnelheid van meer dan 240 km/h (149 mph) de lettercombinatie "ZR".
Winterbanden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-
- Alleen winterbanden van hetzelfde type radiaalband, hetzelfde formaat (afrolomtrek) en met het-
Bij wagens met bandencontrole moet na verwisselen van een wiel het systeem opnieuw worden "ingeleerd" ⇒ pagina 183.
Vraag de toegelaten winterbandenmaten nodig op bij een Volkswagen Partner.
Sneeuwkettingen
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 233 en volg deze op.
Volg de wettelijke en lokale voorschriften alsmede de toegelaten maximumsnelheid bij het rijden met sneeuwkettingen op.
Bij winterse wegomstandigheden verbeteren snee- uwkettingen niet alleen de tractie, maar ook het remgedrag.
monteren. Het vrijgekomen achterwiel dan in plaats van het beschadigde voorwiel monteren Hierbij op de draairichting van de band letten. Volkswagen adviseert om eerst de sneeuwkett om de band te leggen en daarna pas het wiel to monteren.
⚠ WAARSCHUWING
Het gebruik van ongeschikte sneeuwkettingen of het onjuist monteren van sneeuwketingen kan ongevallen en zware verwondin
Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Inrijden 246
Accessoires en onderdelen 247
Bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen ..... 248
Reparaties en technische wijzigingen ..... 248
Reparaties en beschadigingen aan het airbagsysteem 249
Naderhand inbouwen van zendontvangapparatuur 250
Opgeslagen informatie in de regelapparaten . 250
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 218
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 227
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 255
• ⇒ brochure Radio
• ⇒ brochure Navigatiesysteem
• ⇒ brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding

WAARSCHUWING
Motor inrijden
Een nieuwe motor moet tijdens de eerste 1500 kilometer worden ingereden. Tijdens de eerste bedrijfsuren heeft de motor een hogere inwendige wrijving dan later, wanneer alle bewegende delen aan elkaar zijn aangepast.
De rijstijl gedurende de eerste 1500 kilometer beinvloedt ook de motorkwaliteit. Ook daarna moeten – met name bij koude motor – hoge motortoerentallen worden vermeden om de slijtage van de motor te beperken en de levensduur van de motor te verlengen. Niet met een te laag toerental rijden. Al- tijd terugschakelen als de motor niet meer soepel draait. Tot 1000 kilometer geldt:
- Geen volgas geven.
- De motor niet met meer dan 2/3 van het maximumtoerental belasten.
Van 1000 t/m 1500 kilometer de rijprestatie g delijk verhogen tot de volledige snelheid en het hoogste motortoerental.
Nieuwe banden en remblokken inrijden
- Nieuwe banden en banden vervangen
⇒ pagina 233
• Informatie over de remmen ⇒ pagina 157

Wanneer u de nieuwe motor voorzichtig i rijdt, wordt de levensduur van de motor la erwijl het motorolieverbruik geringer is.
Bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-6 en volg deze op.
Alle bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen, zoals getande riem, banden, motorkoelvloeistof, motorolie, maar ook bougies en accu's, worden voortdurend verder ontwikkeld. Laat bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen daarom door een specialist vervangen. Een Volkswagen Partner is altijd over actuele wijzigingen geïnformeerd.

WAARSCHUWING
Ongeschikte bedrijfsvloeistoffen en bedrijfs-middelen alsmede het onjuiste gebruik ervan kunnen ongevallen, ernstige verwondingen,

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de informatie en de waarschuwingen op de verpakkingen van de bedrijfsvloeistof-fen lezen en in acht nemen.
- Bij het gebruik van producten die schadelijke dampen afgeven, altijd in de buitenlucht of in een goed geventileerde omgeving werken.
- Nooit brandstof, terpentine, motorolie, nagellakverwijderaar of andere vervluchtigende vloeistoffen gebruiken voor de verzorging van de wagen. Deze stoffen zijn giftig en licht ontvlambaar. Ze kunnen brand en explosies veroorzaken!

LETR
Aanwijzing voor wagens met bijzondere aanbouw- en opbouwdelen
De fabrikanten van aan- en opbouwdelen garanderen dat de bij aan- en opbouwdelen (aanpassingen) geldende milieuwetten en -voorschriften in acht worden genomen, in het bijzonder EU-richtlijn 2000/53/EG met betrekking tot autowrakken en EU-richtlijn 2003/11/EG met betrekking tot beperkingen voor het in omloop brengen en toepassen van bepaalde gevaarlijke (grond)stoffen.
De montagebijlagen van de aanpassingen moeten door de bezitter van de wagen worden bewaard en wanneer de wagen wordt gesloopt bij de overdracht van de wagen aan het uitvoerende demontagebedrijf worden overhandigd. Op deze manier moet milieuvriendelijke verwerking, ook bij omgebouwde wagens, worden gegarandeerd.
Renaraties aan de voorruit
het zichtbereik van de camera of sensoren beschadigd is, bv. door steenslag, moet de voorn worden vervangen. Het herstellen van de steerslagschade kan leiden tot storingen in de uitrus gen.
Na het vervangen van de voorruit moeten de camera en sensoren door een specialist afgestel gekalibreerd worden.

WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde reparaties en wi gingen kunnen schade en storingen aan d wagen tot gevolg hebben en de doeltreffer heid van de bestuurdershulpsystemen bel meren. Dit kan tot ongevallen en zware ver wondingen leiden.
- Laat reparaties en wijzigingen aan de w gen alleen door een specialist uitvoeren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende airbagonderdelen in de wagen inbouwen.

WAARSCHUWING
Een wijziging aan de wielophanging van de wagen inclusief het gebruik van niet toegelaten velg-bandcombinaties kan de werking

WAARSCHUWING (vervolg)
van de airbag veranderen en het risico van een zware of dodelijke verwonding bij een ongeval verhogen.
- Nooit onderdelen van de wielophanging inbouwen, die niet dezelfde eigenschappen hebben als de in de wagen ingebouwde originele onderdelen. - Nooit velg-bandcombinaties gebruiken die niet door Volkswagen zijn goedgekeurd.
Naderhand inbouwen van zendontvangapparatuur

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 246 en volg deze op.
Wettelijke voorschriften en de instructies en aanwijzingen in de instructieboekjes van de zendontvangapparatuur in acht nemen.
Doordat de betreffende gegevens worden opgeslagen, wordt een specialist in staat gesteld de opgetreden storingen te herkennen en te verhelpen. Bij de opgeslagen gegevens kan het onder andere om de volgende gegevens gaan:
- Motor- en versnellingsbakrelevante gegevens
- Snelheid
- Rijrichting
- Remkracht
Gordel
De ingebouwde regelapparaten nemen in geen geval gesprekken in de wagen op. Bewegingsprofielen over gereden trajecten kunnen en mogen niet worden opgesteld met de opgeslagen gegevens.
Bij het gebruik van de wagen zijn situaties denkbaar, waarin de opgeslagen gegevens alleen of in combinatie met andere informatie (opgevolverles Het inbouwen van een dergelijk ongevalgegevige geheugen mag alleen met toestemming van de genaar plaatsvinden en is in enkele landen welijk geregeld.
Herprogrammeren van regelapparaten
Alle gegevens voor het aansturen van componten zijn opgeslagen in de regelapparaten. Somge comfortfuncties zoals comfortknipperen, één portierontgrendeling en displayweergaven kunnen met speciale apparatuur in de werkplaats gehe programmeerd worden. Als de comfortfuncties herprogrammeerd worden, komen de betreffen gegevens en beschrijvingen in de wagendocurtatie niet meer overeen met de gewijzigde fund Volkswagen adviseert uitgevoerde herprogramringen te laten documenteren in het Serviceplaat onder "Ruimte voor aanvullingen door de werkplaats".
Gebruik van een mobiele telefoon in de wagen zonder aansluiting op de buitenantenne

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-6 en volg deze op.
Mobiele telefoons zenden en ontvangen zowel tijdens het bellen als in de standby modus radiogolven, ook wel hoogfrequentenergie genoemd. In de actuele wetenschappelijke vakliteratuur wordt erop gewezen dat radiogolven schadelijk kunnen zijn voor het menselijk lichaam, als deze bepaalde grenswaarden overschrijden. Overheidsinstanties en internationale commissies hebben grenswaarden en richtlijnen vastgelegd voor de elektromagnetische straling die door mobiele telefoons mag worden afgegeven. Blijft de straling onder deze
Een mobiele telefoon, die op een in de wagen ge-integreerde telefoonbuitenantenne of een externe telefoonbuitenantenne is aangesloten, vermindert de elektromagnetische straling die door mobiele telefoons wordt afgegeven en op het menselijk li-chaam inwerkt. Bovendien wordt daardoor de kwaliteit van de verbinding verbeterd.
Als een mobiele telefoon in de wagen zonder deze handsfreeset wordt gebruikt, is deze niet veilig in de wagen bevestigd en niet op de buitenantenne van de wagen aangesloten. Bovendien wordt de mobiele telefoon niet door de houder opgeladen. Het eveneens mogelijk dat bestaande telefoonverbindingen worden verbroken en de kwaliteit van de verbinding wordt beïnvloed.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Tussen de antenne van de mobiele telefoon en een pacemaker een afstand van ten minste 20 centimeter aanhouden, omdat mobiele telefoons de werking van pacemakers kunnen beïnvloeden.
- Een ingeschakelde mobiele telefoon niet in de binnenzak direct op de pacemaker dragen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Schakel mobiele telefoons bij verdenkin van interferenties met een pacemaker of een ander medisch apparaat direct uit.
Steunpunten voor het omhoogbrengen van de wagen

WAARSCHUWING (vervolg)
- De steunpunten van de wagen moeten op een zo groot mogelijk oppervlak en centrisch op de dragers van de hefbrug rusten.
- Nooit bij omhooggebrachte wagen de motor starten! Door motortrillingen kan de wagen van de hefbrug vallen.
- Als onder een omhooggebrachte wagen moet worden gewerkt, de wagen met geschikte steunbokken borgen, die voldoende draagkracht hebben.
- Gebruik de hefbrug nooit als uitstaphulp.
- Altijd erop letten dat het wagengewicht niet groter is dan het draagvermogen van de hefbrug.

LET OP
- Breng de wagen nooit omhoog bij de carter pan, de versnellingsbak, de achteras of de vooras.
- Om beschadigingen aan de onderkant van de wagen te voorkomen, bij het omhoogbrengen beslist een rubber tussenlaag gebruiken. Let er bovendien op dat de hefbrugarmen vrij kunnen bewegen.
- De hefbrugarmen mogen de dorpels of andere wagendelen niet raken.
Gebruikersinformatie

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stickers en plaatjes 255
Gebruik van de wagen in andere landen en werelddelen 255
Radio-ontvangst en antenne 256
Volkswagen reparatie-informatie 256
Conformiteitsverklaring 256
Terugname van oude wagens en slopen .... 257
Conformiteitsverklaring velgen en banden ... 257
Aanvullende informatie en
waerechuwingsaanwiizingen:

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de wagen verhoogt het gevaar voor ongevallen en verwondingen.
- Neem de wettelijke bepalingen in acht.
- Instructieboekje raadplegen.

LET OP
Onjuist gebruik van de wagen kan beschadigen aan de wagen tot gevolg hebben.
- Neem de wettelijke bepalingen in acht.
- Onderhoudswerkzaamheden volgens he
Als de wagen in een ander land wordt verkocht of in een ander land voor een langere periode wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met de in het betreffende land geldende wettelijke voorschriften.
Zo nodig moeten bepaalde uitrustingen naderhand worden in- of uitgebouwd en functies worden ge- deactiveerd. Dit kan ook gelden voor de omvang van een servicebeurt en servicesoort. Dit geldt met name, als de wagen gedurende een langere periode in een andere klimaatzone wordt gebruikt.
Op grond van wereldwijd verschillende frequentie- banden kunnen af fabriek geleverde radio's of na- vigatiesystemen in andere landen mogelijkkerwijs niet goed functioneren.
Radio ontvangst on antenna
LET OP
- Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan uw wagen die het gevolg is van minderwaardige brandstof, ontoereikende service of een gebrek aan originele onderdelen.
- Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld, wanneer de wagen niet of onvoldoende voldoet aan de geldende wettelijke eisen in andere landen en werelddelen.
Op radiotechnologie gebaseerde uitrustingen
• Elektronische wegrijblokkering
- Sleutel voor de wagen
• Vergrendel- en startsysteem Keyless Access
Elektrische uitrustingen
• 12 volt stopcontact
Terugname van oude wagens en slopen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-5 en volg deze op.
Terugnemen van oude wagens
Volkswagen heeft al voorzieningen getroffen voor het tijdstip waarop de wagen, rekening houdend met de milieueisen, wordt gerecycled. Voor terug-
Terugname van een oude wagen is kosteloos, der voorbehoud van de nationale wettelijke vo- schriften.
Meer informatie over het terugnemen en recycl van oude wagens is verkrijgbaar bij een Volkswagen Partner.
Slopen
Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 258
Katalysator 259
Roetfilter 259
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Schakelen ⇒ pagina 145
• Tanken ⇒ pagina 193
• Brandstof ⇒ pagina 197
• Motorolie ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
De onderdelen van het uitlaatsysteem worden zeer heet. Daardoor kan brand worden veroorzaakt.
- De wagen zo neerzetten, dat de onderdelen van het uitlaatsysteem niet met licht ontvlambare materialen (bv. droog gras) onder de wagen in aanraking kunnen komen.
- Nooit een extra bodembeschermingslaag of corrosiewerend middel op uitlaatpijpen, katalysatoren, hitteschilden of het roetfilter aanbrengen.
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Neem de wettelijke bepalingen in het verkeer bij het schoonmaken van het roetfilter in acht.
- Rijadvies alleen opvolgen als het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden dat toelaten.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Andere verkeersdeelnemers niet in gev brengen.

LET OP
Brandende controlelampjes en de bijbehore beschrijvingen en aanwijzingen altijd in ach nemen om beschadigingen aan de wagen to voorkomen.

Zolang de controlelampjes 📄, 📋 of EPC b den, moet met motorstoringen, verhoogd
brandstofverbruik en vermogensvermindering de motor rekening worden gehouden.
Katalysator
Tips om het zelf te doen
Praktische aanwijzingen
Vragen en antwoorden
Wanneer bij het gebruik van uw wagen een ver- moedelijke storing of beschadiging aan de wagen optreedt, voordat u een Volkswagen Partner of een specialist opzoekt de volgende aanwijzingen
lezen en in acht nemen. Daarnaast kunnen de tref- woorden "Bijzonderheden" of "Checklist" u wellicht verder helpen.
| Bijzonderheid | Mogelijke oorzaken o.a. | Mogelijke oplossing |
| Motor slaat niet aan. | Accu is ontladen. | - Starthulp uitvoeren ⇒ pagina 300.- Accu laden ⇒ pagina 214. |
| Er wordt een onjuiste wagen-sleutel gebruikt. | Rechtmatige sleutel gebruiken ⇒ pagina 36. | |
| Rijbaan wordt niet juist verlicht. | –Koplamp is afgesteld voor links- of rechtsrijdend verkeer.–Koplamp niet correct afgesteld.–Gloeilampjes uitgevallen.–Dimlicht niet ingeschakeld. | –Koplamp-asymmetrie veranderen vo links- of rechtsrijdend verkeer ⇒ pagin 101.–Lichtbundelhoogte afstellen ⇒ pagin 101.–Gloeilampjes vervangen ⇒ pagina 2–Dimlicht inschakelen ⇒ pagina 101. |
| Elektrische verbruikers werken niet. | Lage accustatus. | Accu opladen ⇒ pagina 214. |
| Lage brandstofvoorraad. | Tanken ⇒ pagina 193. | |
| Zekering doorgebrand. | Zekering controleren en zo nodig ven gen ⇒ pagina 286. | |
| –Stadsverkeer.–"Onrustig gaspedaal". | –Stadsverkeer mijden.–Anticiperend rijden.–Gelijkmatig gas geven. | |
| Elektrische verbruikers ingeschakeld. | Niet benodigde verbruikers uitschakel |
In noodgevallen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Uzelf en de wagen in veiligheid brengen .... 262 EHBO-set, gevarendriehoek en brandblusser 263
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 154
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 265
• Wagengereedschap ⇒ pagina 271
• Verwisselen van een wiel ⇒ pagina 276

WAARSCHUWING
Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. De wagen op een veilige afstand van de overige verkeersdeelnemers neerzetten. In noodsituaties alle portieren vergrendelen. Alarmlichten inschakelen om de andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- Nooit kinderen, gehandicapten of hulpbe-
Checklist (vervolg)
- Gevarendriehoek neerzetten, om andere verkeersdeelnemers op de wagen te attenderen.
- Motor voldoende laten afkoelen en zo nodig de hulp van een specialist inroepen.
Bij ingeschakelde alarmlichten kan, bijvoorbeeld tijdens het afslepen, nog wel een verandering van richting of rijbaan worden aangegeven door de knipperlichthendel te bewegen. Het alarmknippe-ren wordt dan tijdelijk onderbroken.
Alarmlichten inschakelen, wanneer:
- het voorliggende verkeer plotseling langzamer gaat rijden of de staart van een file wordt bereikt, om het achteropkomende verkeer te waarschuwen,
• er sprake is van een noodgeval,
• de wagen stilvalt, - word can of a person
WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist van gen en de algemeen geldende veiligheidsr gels in acht nemen.
⚠ WAARSCHUWING
De onderdelen van het uitlaatsysteem won zeer heet. Dit kan leiden tot brand en zwan verwondingen.
- De wagen zo neerzetten, dat de onderdlen van het uitlaatsysteem niet met licht of vlambare materialen onder de wagen in aan raking kunnen komen. bv. droog gras. bran

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-2 en volg deze op.
Gevarendriehoek
In de bagageruimte kan een houder voor een ge- varendriehoek zitten.
Een gevarendriehoek in de afgebeelde uitvoering past in de houder van de achterste bagageruimte-wand ⇒ Afbeelding 150. De driehoek wordt met twee spanbanden bevestigd.
EHBO-set
Een EHBO-set past in de houder links in de bagageruimte Afbeelding 149. Hij wordt met een spanband bevestigd.
De EHBO-set moet aan de wettelijke eisen voldoen. Op de uiterste gebruiksdatum letten.
Brandblusser
Een brandblusser kan aan een houder in de voetenruimte voor de bestuurders- of bijrijdersstoel zitten.
De brandblusser moet aan de geldende wettelijke voorschriften voldoen, altijd gebruiksklaar zijn en regelmatig gecontroleerd worden. Zie het controlezegel op de brandblusser.

WAARSCHUWING
Losse voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- of remmanoeuvres of bij een ongeval door het interieur van de wagen vliegen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Brandblusser, EHBO-set en gevarendriehoek altijd veilig in de houders bevestigen.
Noodsluiten of -openen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bestuurdersportier handmatig ont- of vergrendelen 266
Bijrijdersportier handmatig vergrendelen .... 266
Achterklep vanuit het interieur ontgrendelen . 267
Cabrioletkap met de hand noodsluiten ..... 268
Noodontgrendelen van de keuzehendelvergrendeling 269
De portieren, de achterklep en de cabrioletkap kunnen bijvoorbeeld bij het uitvallen van de sleutel, de centrale vergrendeling of een storing handmatig

WAARSCHUWING (vervolg)
- Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lag temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.

WAARSCHUWING
Het werkingsgebied van de portieren, de c brioletkap en de achterklep is gevaarlijk en kan verwondingen veroorzaken.
Bestuurdersportier handmatig ont- of vergrendelen

Afbeelding 151 Portiergreep van bestuurdersportier: Verborgen slotcilinder
- Sleutelbaard uit de sleutel klappen ⇒ pagina 36.
- Sleutelbaard van onderaf in de opening van de afdekkap in de portiergreep van het bestuurder-sportier steken Afbeelding 151 (pijl) en afdekkap van onder naar boven eraf wippen.
- Sleutelbaard in de slotcilinder steken en wagen ont- resp. vergrendelen.
Bijzonderheid bij het ontgrendelen:
- Het alarmsysteem blijft bij ontgrendelde wagen ingeschakeld. Er wordt echter nog geen alarm geactiveerd ⇒ pagina 40.
- Het alarm wordt pas geactiveerd wanneer het bestuurdersportier wordt geopend.
- Contact inschakelen resn. bij wagens met
Achterklep vanuit het interieur ontgrendelen


Afbeelding 153 Onder in de bestuurdersportierstijl: Afdekkap van de noodontgrendeling (wagen met I stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Cabrioletkap met de hand noodsluiten


Afbeelding 155 Cabrioletkap noodsluiten (1)
- Afdekkap vooraan onder de cabrioletkap voorzichtig met de schroevendraaier verwijderen Afbeelding 156 C ③. Daarachter zit de noodvergrendeling.
- Noodbedieningsgreep in de opening van de noodontgrendeling steken en draaien, tot deze vastklikt Afbeelding 156 D ④ (kleine pijl).
- Bout in het midden van de noodbedieningsgreep met de schroevendraaier rechtsom vastdraaien Afbeelding 156 D ④.
- Noodbedieningsgreep linksom draaien, om de kaphaken te openen.
- Cabrioletkap aan de noodbedieningsgreep naar beneden trekken en rechtsom draaien, tot de cabrioletkap volledig is vergrendeld. Het controle-lampje ≈ gaat uit.
- Bout in het midden van de noodbedieningsgreen met de schroevendraaier linksom losdraaien
⚠ WAARSCHUWING
Een onvergrendelde cabrioletkap kan door rijwind worden geopend. Dit kan tot ongeven en zware verwondingen leiden.
- Nooit met onvergrendelde cabrioletkap den.
⚠ VOORZICHTIG
Bij handmatig sluiten van de cabrioletkap staat het gevaar dat u in de wegende onder delen van de cabrioletkap grijpt. Dit kan ve wondingen tot gevolg hebben.
- Let er bij het handmatig sluiten altijd op dat u niet met uw handen klem komt te zitt
- Let er bij het omlaagdrukken van de cabrioletkap op het voorruitframe altijd op, d u niet uzelf of andere personen inklemt.
Afdekking van de schakelcoulisse verwijderen
- Afdekking bij de keuzehendelhoes naar boven trekken Afbeelding 157.
- Hoes naar boven over de keuzehendel omslaan ⇒ ⚠.
Noodontgrendelen van de keuzehendelvergrendeling
- Ontgrendelingshendel Afbeelding 158 in pijlrichting drukken en in deze stand houden.
- Grendelknop voor in de keuzehendelgreep indrukken en keuzehendel in stand N brengen.

WAARSCHUWING
Nooit de keuzehendel uit de stand P nemen, zolang de handrem niet vast is aangetrokken.
Dii hollingen kan de wagon anders onvoor

LET OP
Als de wagen met afgezette motor en keuzehendel in stand N voor een lange periode of met hoge snelheid rolt (bv. bij het afslepen), wordt de automatische versnellingsbak beschadigd.
Wagengereedschap

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Opbergplaats 271
Onderdelen 272
Bij het in veiligheid brengen van de wagen bij pech de wettelijke bepalingen van het betreffende land in acht nemen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Cabrioletkap ⇒ pagina 56
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de

WAARSCHUWING
Als het wagengereedschap, de bandenafdichtset en het reservewiel niet goed zijn vestigd, kunnen deze bij plotselinge rij- of remmanoeuvres of bij een ongeval door het interieur van de wagen vliegen en zware van wondingen veroorzaken.
- Verzeker u er altijd van dat het wagengo reedschap, de bandenafdichtset en het resvewiel resp. noodreservewiel goed in de baggeruimte zijn bevestigd.
Onderdelen

Afbeelding 160 Onderdelen van het wagenge-reedschap
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 271 en volg deze op.
De omvang van het wagengereedschap is afhankelijk van de wagenuitvoering. Hieronder wordt de maximale omvang beschreven.
Wieldoppen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Naafdop 273
Wieldop 274
Doppen van de wielbouten 275
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 218
• Wagengereedschap ⇒ pagina 271
• Verwisselen van een wiel ⇒ pagina 276

WAARSCHUWING (vervolg)
- Onjuist gemonteerde wieldoppen kunne tijdens het rijden losraken en andere verkeersdeelnemers in gevaar brengen.
- Geen beschadigde wieldoppen gebruikel
- Verzeker u er altijd van dat de luchttoevoer voor de koeling van de remmen niet of derbroken of belemmerd wordt. Dat geldt o bij het naderhand aanbrengen van wieldop pen. Onvoldoende ventilatie van het remsy teem kan een aanzienlijk langere remweg te gevolg hebben.
Wagens met draaibare naafdop
- Om te verwijderen de naafdop naar links of rechts draaien tot deze van de velg loskomt Afbeelding 162.
-
Achter een rand vastpakken en de naafdop eraf trekken.
-
Om te plaatsen de naafdop in het midden op de velg steken.
- Naafdop tegen de velg drukken tot de dop voelbaar vastklikt.
Wieldop

Doppen van de wielbouten

Afbeelding 165 Doppen van de wielbouten los-trekken

Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op
gina 273 en volg deze op.
- Draadbeugel uit het wagengereedschap ha ⇒ pagina 271.
- Draadbeugel door de opening in de dop sta ⇒ Afbeelding 165 en in pijlrichting eraf trekken
De doppen dienen ter bescherming van de wie bouten en moeten weer worden teruggeplaats nadat u een wiel heeft verwisseld.
De antidiefstalwielbout heeft een afwijkende Deze past alleen op de antidiefstalwielbout en op de gewone wielbouten.
Verwisselen van een wiel

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorbereidingen voor het verwisselen van een wiel 277
Wielbouten 277
Wagen met de krik omhoogbrengen 279
Wiel verwisselen 280
Na het verwisselen van een wiel 281
Sommige wagenuitvoeringen of modellen worden af fabriek zonder krik en wielsleutel geleverd. In dat geval het verwisselen van een wiel door een specialist laten uitvoeren.

WAARSCHUWING
Het verwisselen van een wiel kan gevaarlijk zijn, vooral als het langs de kant van de weg wordt uitgevoerd. Om het risico van ernstig letsel te verminderen, het volgende in acht nemen:
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. De wagen op een veilige afstand van de overige verkeersdeelnemers neerzetten, om het wiel te kunnen verwisselen.
- Alle passagiers en met name kinderen
Voorbereidingen voor het verwisselen van een wiel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 276 volg deze op.
Checklist
De volgende handelingen altijd in de aangegeven volgorde uitvoeren als voorbereiding voor het verwislen van een wiel ⇒ ⚠:
- De wagen bij pech zo mogelijk op veilige afstand van het verkeer op een vlakke, stevige ondergrond neerzetten.
- Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 154.
- Automatische versnellingsbak: Keuzehendel in stand P zetten ⇒ pagina 145.
- Motor afzetten en sleutel uit het contact trekken ⇒ pagina 139.
- Schakelbak: versnelling inschakelen ⇒ pagina 145.
- Alle inzittenden uit laten stappen en in veiligheid brengen, bijvoorbeeld achter de vangrail.
- Het tegenoverliggende wiel met een steen of iets dergelijks blokkeren.
Als een wielbout niet kan worden losgedraaid, dan u kunt voorzichtig met een voet op het uiteinde van de wielsleutel drukken. Daarbij kunt u zich het beste aan de wagen vasthouden en zorgen dat u stevig staat.
Wielbouten losdraaien
- Wielsleutel tot de aanslag op de wielbout schuiven Afbeelding 166.
- Uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de wielbout ongeveer één omwenteling linksom draaien ⇒ ⚠.
Antidiefstalwielbout losdraaien
- De adapter voor de antidiefstalwielbout uit het wagengereedschap nemen.
- Adapter tot de aanslag in de antidiefstalwielbout schuiven.
Roestige en moeilijk draaiende wielbouten moeten voor het controleren van het aantrekmoment worden vernieuwd en de schroefgangen in de wielnaaf moeten worden schoongemaakt.
Nooit de wielbouten en de schroefgangen in de wielnaven met vet of olie insmeren. Ook met het voorgeschreven aantrekmoment kunnen ze dan tijdens het rijden losdraaien.

WAARSCHUWING
Verkeerd aangetrokken wielbouten kunnen tijdens het rijden los komen te zitten, waardoor de controle over de wagen kan worden verloren, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden.
- Alleen die wielbouten gebruiken, die bij de betreffende velg horen.
- Naatvasschillands wielhauten schwiken
Wagen met de krik omhoogbrengen

Afbeelding 168 Steunpunten voor de krik
Checklist (vervolg)
- Zorg ervoor dat de krikvoet met het volledige oppervlak stevig op de grond staat en zich loodrecht precies onder het steunpunt ⇒ Afbeelding 169 bevindt.
- De krik richten en tegelijkertijd de krikklauw verder omhoogdraaien, tot de klauw om de rand onder de wagen ⇒ Afbeelding 169 grijpt.
- Wagenkrik verder omhoogdraaien tot het wiel net vrij van de grond is.

WAARSCHUWING
Als de krik verkeerd wordt gebruikt, is het mogelijk dat de wagen van de krik af glijdt, wat zware verwondingen tot gevolg kan hebben. Om het risico van lichamelijk letsel te verminderen, het volgende in acht nemen:
- Alleen een krik gebruiken, die door Volkswagen voor uw wagen is vrijgegeven. Andere krikken zouden kunnen wegglijden, ook die voor andere Volkswagen-modellen.

- Nooit met een lichaamsdeel, bv. met arm of been, onder de wagen komen, als deze alleen door een krik omhoog wordt gehouden.
- Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, deze met passende steunbokken goed ondersteunen.
-
Nooit de wagen omhoogbrengen, als de motor draait of de wagen scheef staat of op een aflopende rijbaan.
-
Alle overige wielbouten rechtsom erin draaien en met behulp van de inbus in de schroevendraai-ergreep licht vastdraaien.
- Wagen met de krik op de grond laten zakken.
- Alle wielbouten met de wielsleutel stevig rechtsom aantrekken ▲. De wielbouten daarbij altijd kruislings aantrekken.
- Zo nodig de doppen, de naafdop of de wieldop monteren pagina 273.

WAARSCHUWING
Bij een verkeerd aantrekmoment of ondeskundig behandelde wielbouten kan de cont le over de wagen worden verloren, wat ong vallen en zware verwondingen tot gevolg k hebben.
- Altijd alle wielbouten en schroefgangen de wielnaven schoon, olie- en vetvrij houd De wielbouten moeten soepel met het voor geschreven aantrekmoment zijn aangetrokken.
- De inbus in de schroevendraaiergreep a een gebruiken om wielbouten te draaien, om deze los te draaien of aan te trekken.
Na het verwisselen van een wiel
Bandenafdichtset

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Onderdelen van de bandenafdichtset 283
Voorbereidingen 283
Banden afdichten en oppompen 284
Controle na 10 minuten rijden 285
Met de bandenafdichtset (Tire Mobility Set) kunnen beschadigingen aan de banden tot 4 mm doorsnede die door scherpe voorwerpen zijn veroorzaakt, veilig gedicht worden. Het scherpe voorwerp (bv. een schroef of een spijker) niet uit de band verwijderen!

WAARSCHUWING
Het gebruik van een bandenafdichtset kan gevaarlijk zijn, vooral wanneer de band gevuld wordt langs de kant van de weg. Om het risico van ernstig letsel te verminderen, het volgende in acht nemen:
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. De wagen op een veilige afstand van de overige verkeersdeelnemers neerzetten, om de band te kunnen vullen.
- De ondergrond moet vlak en stevig zijn.

WAARSCHUWING (vervolg)
- 10 minuten met een snelheid van maxi-maal 80 km/h (50 mph) rijden. Daarna de band controleren.

Gebruikt of verlopen afdichtmiddel volgens de wettelijke voorschriften afvoeren.

Nieuwe flesjes zijn verkrijgbaar bij uw Vol wagen Partner.

De aparte gebruiksaanwijzing van de fabi kant van de bandenafdichtset in acht nen
Onderdelen van de bandenafdichtset

① Ventielsleutel
② Sticker met de snelheidsaanduiding "max. 80 km/h" of "max. 50 mph"
③ Vulslang met vuldop
④ Luchtcompressor
⑤ Bandenvulslang
Checklist (vervolg)
- Schakelbak: versnelling inschakelen ⇒ pagina 145.
- Alle inzittenden uit laten stappen en in veiligheid brengen, bijvoorbeeld achter de vangrail.
- Alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek neerzetten ⇒ pagina 262. De wettelijke voorschriften in acht nemen.
- Controleren, of een reparatie met de bandenafdichtset mogelijk is ⇒ pagina 282.
- Bij beladen bagageruimte: bagage verwijderen.
- Bandenafdichtset uit het wagengereedschap halen.
- De sticker Afbeelding 171 ② uit de bandenafdichtset in het blikveld van de bestuurder op het dashboard plakken.
- Vreemde voorwerpen (bv. een schroef of een spijker) niet uit de band verwijderen.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.

WAARSCHUWING
De luchtcompressor en de bandenvulslang kunnen bij het oppompen heet worden.
- Handen en huid tegen hete delen beschermen.
- Hete vulslang en hete luchtcompressor niet op brandbare materialen leggen.
- Vóór het opbergen het apparaat sterk la- ten afkoelen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Wanneer de band niet tot minimaal 2,0 l (29 psi / 200 kPa) kan worden opgepompt, de beschadiging te groot. Het afdichtmidd is niet in staat, de band te dichten. Niet ver der rijden! De hulp van een specialist inroepen.

LET OP
De luchtcompressor na uiterlijk 8 minuten I tijd uitschakelen, zodat deze niet oververhit raakt! De luchtcompressor enkele minuten ten afkoelen, voordat u deze opnieuw insch kelt.
Controle na 10 minuten rijden
Zekeringen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zekeringen in de wagen 287
Doorgebrande zekeringen vervangen ..... 288
Vanwege voortdurende ontwikkelingen van de wagen, de uitrustingsafhankelijke toewijzing van de zekeringen en de gemeenschappelijke onderbrenging van meerdere verbruikers onder jén zekering is een actueel zekeringenoverzicht van een elektrische verbruiker op het moment van ter perse gaan van dit instructieboekje niet mogelijk. Informatie over details van het zekeringenoverzicht kunt u op-

WAARSCHUWING (vervolg)
- Kortsluiting in de installatie voorkomen.

WAARSCHUWING
Het gebruik van verkeerde zekeringen, het repareren van zekeringen en het overbruggen van een stroomcircuit kan leiden tot brand en zware verwondingen.
- Nooit zekeringen met een hoger amperage gebruiken. Zekeringen alleen door zekeringen van gelijk amperage (dezelfde kleur en dezelfde opdruk) en grootte vervangen.
Zekeringen in de wagen

Afbeelding 172 Bestuurderszijde van het dashboard: Afdekking van de zekeringenhouder

Afbeelding 173 In de motorruimte: Afdekking de zekeringenhouder
Doorgebrande zekeringen vervangen

Afbeelding 174 Doorgebrande zekering: A: Platte zekering, B: Blokzekering

Afbeelding 175 Zekering met kunststoftang eruit trekken of insteken: A: Platte zekering, B: Blokze-
Gloeilampjes vervangen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Informatie over het vervangen van gloeilampjes 290
Koplamp uitbouwen 291
Gloeilampjes in de koplamp vervangen ..... 291
Koplamp inbouwen 293
Gloeilampjes in de voorbumper vervangen (Beetle) 294
Gloeilampjes in de voorbumper vervangen (Beetle R-Line) 295
Subwoofer uit- en inbouwen 296
• Wagengereedschap ⇒ pagina 271
• Zekeringen ⇒ pagina 286

WAARSCHUWING
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moeilijk door and verkeersdeelnemers kan worden gezien, kunnen ongevallen worden veroorzaakt.

WAARSCHUWING
Het op onjuiste wijze vervangen van gloei-lampjes kan ongevallen en zware verwond

LET OP
Wanneer u na het vervangen van een gloei-lampje de rubber afdekkingen of kunststof kappen niet goed op het koplamphuis monteert, kan schade aan de elektrische installatie ont-staan door binnendringend water.

Bij dagrijverlichting resp. stadslicht in ledtech niek is het vervangen van de leds niet moge- de hulp van een specialist inroepen.
Informatie over het vervangen van gloeilampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 289 en volg deze op.
Checklist
Bij het vervangen van gloeilampjes altijd de volgende handelingen in de aangegeven volgorde uitvoeren ⇒ ⚠:
- De wegen ze mogelijk en veilige afetond van het verkeer en een vlakke, stavige ondergrond naar
Koplamp uitbouwen

Afbeelding 176 In de motorruimte: Ontgrendelingshendel van de linkerkoplamp
Lees eerst de informatie in de inleid en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op gina 289 en volg deze op.
Voor het vervangen van de lamp moet de betrie fende koplamp worden uitgebouwd.

Afbeelding 178 In de koplamp: Fitting stadslicht / dagrijverlichting inbouwen
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa gina 289 en volg deze op.
Als gasontladingslampen moeten worden vervangen, altijd een specialist inschakelen.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren:
Koplamp inbouwen

Afbeelding 179 Geleidingen ① en steker ② voor het inbouwen van de linkerkoplamp

Afbeelding 180 In de motorruimte: Ontgrendelingshendel van de linkerkoplamp
Gloeilampjes in de voorbumper vervangen (Beetle)

Afbeelding 181 Links in de voorbumper: Lamp uitbouwen

Afbeelding 182 Gloeilampje in de lamp vervangen
Gloeilampjes in de voorbumper vervangen (Beetle R-Line)

Afbeelding 183 Links in de voorbumper: Lamp uitbouwen

Afbeelding 184 Gloeilampje in de koplamp ve vangen
Subwoofer uit- en inbouwen

Afbeelding 185 Rechts in de bagageruimte: Subwoofer uitbouwen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-9 en volg deze op.
Voor het vervangen van gloeilampjes in het achterlicht in de carrosserie moet bij sommige type-uitvoeringen de subwoofer worden uitgebouwd.
Gloeilampjes van het achterlicht in de carrosserie vervangen

Afbeelding 186 A: Afdekking van de zijbekleding achterin in bagageruimte openen. B: Achterlicht uitbwen
Gloeilampje vervangen
| 8. | Bevestigingsbouten ⇒ Afbeelding 187 A (pijlen) met de schroevendraaier uit het wagengereedschap eruit draaien ⇒ pagina 271. |
| 9. | Fitting uit het achterlicht verwijderen. |
| 10. | Defect gloeilampje vervangen door een identiek nieuw gloeilampje ⇒ Afbeelding 187 B. |
| 11. | Fitting weer in het achterlicht plaatsen. Bevestigingsbouten ⇒ Afbeelding 187 A (pijlen) met de schroevendraaier vastdraaien. |
Achterlicht inbouwen
| 12. | Achterlicht voorzichtig in de opening in de carrosserie plaatsen. |
| 13. | Met één hand het achterlicht op de inbouwpositie houden en met de andere hand de bevestigingsbout ⇒ Afbeelding 186 B 1 vastdraaien. |
| 14. | Controleren of het achterlicht correct is ingebouwd en goed vastzit. |
| 15. | Steker ⇒ Afbeelding 186 B 4 op de fitting aansluiten en rode zekering ⇒ Afbeelding 186 B 2 tegen de pijlrichting drukken. |
| 16. | Afdekking in de zijbekleding achterin sluiten. |

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 289 volg deze op.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren:
| 1. | Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren ⇒ pagina 290. |
| 2. | Met de platte punt van de schroevendraaier uit het wagengereedschap ⇒ pagina 271 in pijlri ting in de uitsparing van de kentekenplaatverlichting drukken ⇒ Afbeelding 188. |
| 3. | Kentekenplaatverlichting iets eruit trekken. |
| 4. | Vergrendeling van de steker in pijlrichting ⇒ Afbeelding 189 Ⓐ indrukken en de steker lostre ken. |
| 5. | Fitting in pijlrichting Ⓑ draaien en met het gloeilampje eruit trekken. |
| 6. | Defect gloeilampje vervangen door een identiek nieuw gloeilampje. |
| 7. | Fitting in de kentekenplaatverlichting plaatsen en tegen de pijlrichting Ⓑ in tot de aanslag dr en. |
| 8. | Steker op de fitting steken. |
Starthulp

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Starthulp uitvoeren 301
Als de motor niet aanslaat, omdat de accu ontladen is, dan kan de accu van een andere wagen voor het starten gebruikt worden. Voor de starchulp zo nodig het kijkglas van de accu controleren ⇒ pagina 214.
Voor de starchulp hebt u geschikte startkabels volgens DIN 72553 nodig (zie de gegevens van de kabelfabrikant). De kabeldoorsnede moet bij wagens met benzinemotor ten minste 25 mm ^2 en bij

WAARSCHUWING (vervolg)
- De stroomgevende accu moet dezelfde spanning (12 volt) en ongeveer dezelfde capaciteit (zie tekst op de accu) hebben als de ontladen accu.
- Nooit een bevoren of ontdooide accu opladen. Een ontladen accu kan al bij een temperatuur van 0 °C (+32 °F) bevriezen.
- Een bevroren of ontdooide accu moet worden vervangen.
- Bij de starchulp ontstaat in de accu een zeer explosief knalgasmengsel. Vuur, vonken,
Starthulp uitvoeren

Afbeelding 190 Schema voor het vastmaken van de startkabels bij starchulp door wagens zonder

Afbeelding 191 Schema voor het vastmaken de startkabels bij starchulp door wagens met s
- Voor het losmaken van de startkabels het dimlicht uitschakelen, indien ingeschakeld.
- In de wagen met de ontladen accu de aanjager en de achterruitverwarming inschakelen, zodat spanningspieken die optreden wanneer de startkabels worden losgemaakt, worden afgebouwd.
- Startkabels bij draaiende motoren in precies de omgekeerde volgorde losmaken, als hierboven beschreven.
• Accuafdekking sluiten. - Eventueel het sleepoog vóór eruit draaien ⇒ pagina 305.

WAARSCHUWING
Een ondeskundig uitgevoerde starchulp kan een explosie van de accu en zware verwondingen tot gevolg hebben. Om het risico van

WAARSCHUWING (vervolg)
werkzaamheden aan de accu, altijd de waarschuwingen en veiligheidsaanwijzingen doorlezen en opvolgen ⇒ pagina 214, Accu.
- Altijd een geschikte beschermende bril dragen en nooit over de accu buigen.
- Startkabels in de juiste volgorde vastma- ken – eerst de pluskabel, dan de minkabel.
- Nooit de minkabel aan delen van het brandstofsysteem of aan de remleidingen vastmaken.
- De niet-geïsoleerde delen van de pooltangen mogen elkaar niet raken. Bovendien mag de op de pluspool van de accu aangesloten kabel niet met elektrisch geleidende delen van de wagen in aanraking komen.
- Het kijkvenster van de accu controleren.
Aan- en afslepen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Aanwijzingen voor het aanslepen 304
Aanwijzingen voor het afslepen 304
Sleepoog voor monteren 305
Sleepoog achter monteren (Beetle) 306
Sleepoog achter monteren (Beetle R-Line) .. 307
Aanwijzingen bij het afslepen 307
Bij het aan- of afslepen de wettelijke voorschriften in acht nemen.
Een wagen met een ontladen accu mag om

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als tijdens het afslepen de wagen stroo loos zou raken, direct stoppen met afslepe en deskundige hulp inschakelen.

WAARSCHUWING
De wagen nooit afslepen als de cabrioletka niet helemaal is gesloten, geopend of vergrendeld! Het gevaar bestaat, dat de cabrio letkap door de rijwind wordt geopend. Dit tot verwondingen en schade aan de wagen leiden.
Aanwijzingen voor het aanslepen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
In principe mag de wagen niet worden aangesleept. In plaats daarvan starchulp gebruiken ⇒ pagina 300.
De volgende wagens mogen om technische redenen niet worden aangesleept.
• Wagens met automatische versnellingsbak
- Wagens met vergrendel- en startsysteem Keyless Access, omdat de elektronische stuurkolomvergrendeling mogelijk niet ontgrendelt.
- Bij een wagen met een ontladen accu werken de motorregelapparaten mogelijk niet optimaal.
- Contact en alarmlichten inschakelen.
- Als beide wagens in beweging zijn, de koppeling loslaten.
- Zodra de motor is aangeslagen het koppelingspedaal intrappen en uit de versnelling schakelen, om te voorkomen dat tegen de trekkende wagen aan wordt gereden.

LET OP
Er kan onverbrande brandstof in de katalysator komen, wanneer de wagen wordt aangesleept. Dit kan tot beschadigingen leiden.
Let bij het afslepen van een andere wagen op het volgende:
- Neem de wettelijke bepalingen in acht.
- Neem de aanwijzingen over afslepen in de wagendocumentatie van de andere wagen in acht.
De wagen kan alleen worden afgesleept, wanneer de elektronische stuurkolomvergrendeling is losgezet. Bij stroomuitval of storir in de elektrische installatie moet u zo nodig via starchulp de motor starten om de elektronische stuurkolomvergrendeling los te zetten.
Sleepoog voor monteren

Afbeelding 194 Rechts in de achterbumper: Afdekking verwijderen

Afbeelding 195 Rechts in de achterbumper: Sleepoog erin schroeven
Sleepoog achter monteren (Beetle R-Line)

Afbeelding 196 Rechts in de achterbumper: Afdekking verwijderen

Afbeelding 197 Rechts in de achterbumper: Sleepoog erin schroeven
Bestuurder van de getrokken wagen:
- Contact ingeschakeld laten, zodat het stuurwiel niet geblokkeerd is en de knipperlichten, de claxon, de ruitenwissers en de ruitensproeierinstallatie kunnen worden ingeschakeld.
- Omdat de stuurbekrachtiging bij niet-draaiende motor niet werkt, moet u meer kracht voor het sturen gebruiken.
- Voor het remmen is aanzienlijk meer pedaalkracht nodig, omdat de rembekrachtiger niet werkt. Niet tegen de trekkende wagen aanrijden.
- Informatie en aanwijzingen in het instructieboekje van de te trekken wagen in acht nemen.
Bestuurder van de trekkende wagen
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven. Plotselinge manoeuvres vermijden.
- Eerder dan gewoonlijk en met lichte pedaaldrul remmen.
- Informatie en aanwijzingen in het instructieboekje van de getrokken wagen in acht nemen.
Gebruikte afkortingen
| Afkorting | Betekenis |
| 1/min | Omwentelingen per minuut van de motor (toerental) |
| AB6 | 6-traps automatische versnellingsbak |
| ABS | Antiblokkeersysteem |
| ASR | Aandrijfslipregeling |
| BAS | Remassistent |
| ccm | Kubieke centimeter. Maateenheid voor aanduiding van de cilinderinhoud. |
| CO_2 | Koolstofdioxide |
| DIN | Duits Instituut voor Normalisatie |
| DRF | Roetfilter |
| DSG® | Versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSG®. |
Trefwoordenlijst
A
Aan- en opbouwdelen 248
Aandrijfslipregeling (ASR) 160
Aanduwen 139
Aanhangwagen
ParkPilot 173
Rijden met aanhangwagen 126
Aanpassingen 248,255
Aanslepen 139, 303, 304
Aantal zitplaatsen 67
Aantrekmoment
Wielbouten 278
Aanwijzingen voor het rijden 29
Bij beladen wagen 118
Achteruitrijhulp 176
Aanwijzingen voor het gebruik 177
Bijzonderheden 178
Inparkeren 179
Scherm 177
Afmetingen 34
Afsleepalarm 47
Afslepen 303
Aanwijzingen 307
Afsleepverbod 304
Automatische versnellingsbak 304
Bijzonderheden 303, 304
De eigen wagen 304
Een andere wagen 305
Schakelbak 304
Sleenkabel 304
Interieurbewaking 47
Kans op loos alarm 47
Alcantara 228
Aluminium verzorgen 224
Antenne 256
Antiblokkeersysteem (ABS) 160
Antidiefstalwielbouten 272, 276, 277
Armsteun 73
Asbakken 134
Voorin 134
Aslasten 120
ASR
Zie: Remhulpsystemen 160
Automatische dagrijverlichting 104
Kick-downfunctie 151
Bandenslijtage
Bandenspanning
Controleren
Noodreservewiel
Reservewiel
Bandenspanningscontrolesysteem
Bandenspanning
BAS
Zie: Remhulpsystemen
Batterij
In sleutel vervangen ....
Bedieningselementen
Mechanische voorstoel
Bedrijfsmiddelen
Bedrijfsvloeistoffen
Beide zijden parkeerlicht
Beker- en flessenhouders
Flessen
Motor draait niet mooi rond 197
Motor schokt 197
Parkeren 35,154,157
ParkPilot 173
Radio-ontvangst 256
Roetfilter 199
Rookontwikkeling 198
Sleutel uit het contact trekken 141
Spiegels inklappen 116
Wagen wassen 44,219
Wasstraat 220
Water onder wagen 191
Binnenspiegel 115
Binnenverlichting 106
Biodiesel 199
BlueMotion
Technische voorwaarden voor kapbediening (checklist) 59
Verzorgen 220
Voorwaarden voor kapbediening opvolgen (checklist) 58
Windscherm 62
Winterse omstandigheden 56
Centrale vergrendeling 40
Alarmsysteem 46
Beschrijving 40
Eénportierontgrendeling 40
Keyless Access 43
Knop voor centrale vergrendeling 42
Safebeveiliging 45
Van binnenuit ont- of vergrendelen ..... 42
Van buitenaf ont- of vergrendelen 41
Chassisnummer 32
Checklist
Uittrekblokkering 141
Controlelampje
Airbagsysteem 87
Bandencontrolesysteem 183
Brandstofvoorraad 194
ESC 155
In het bestuurdersportier 45
Kap 57
Katalysator 258
Licht 101
Motor en contact 140
Motorkoelvloeistof 210
Motorolie controleren 205
Motoroliesensor 205
Motorregeling 258
Dimlicht
Display 18
Instrumentenpaneel
Meldingen over cabrioletkap ....
Draaglast van de band 242,
Draairichtinggebonden banden .....
DSG
Zie: Remhulpsystemen
Eénportierontgrendeling ....
Geanodiseerde oppervlakken 224
Gebruikersinformatie 255
Geheugen 250
Geluiden
Banden 244
Motor 143,198
Remhulpsystemen 161
Gereedschap
Zie: Wagengereedschap 271
Gevarendriehoek 263, 264
Gewichten 120
Gloeilampjes vervangen 289
Achterlichten 297
Checklist 290
In de carrosserie 297
In de koplamp 291
In de voorbumper 294
In de voorbumper (Beetle R-Line) ..... 295
Start-stop 170
Waarschuwingslampjes 169

IJs verwijderen 222
Uzelf en de wagen in veiligheid brengen . 262
Verbandkussen 263
Inrijden
Banden 236
De eerste kilometers 246
Motor 246
Katalysator 259
Controlelampje 258
Storing 259
Kenmerkende wagengegevens 32
Keuzehendelvergrendeling 149
Keyless Access
Bijzonderheden 44
Go 141
Keyless Entry 43
Keyless Exit 43
Keyless Go 43
Startknop 141
Wagen ont- of vergrendelen 43
Kick-downfunctie 151
Kilometerteller 18
Kinderen in de wagen vervoeren 93
Checklist 94
Kinderzitje 93
Leeslampje
Licht
Automatische dagrijverlichting .....
Binnenverlichting
Controlelampje
Dagrijverlichting
Dimlicht
Functies
Gasontladingslampen
Grootlichthendel
Inschakelen
Instrumentenverlichting
Knipperlichthendel
Leeslampjes
Lichtbundelhoogteverstelling ....
Lichtschakelaar
Mistlamp
Parkeerlicht
Parkeerlicht aan beide ziiden ....
Voorgloeien 142
Wegrijblokkering 144
Motorgegevens 33
Motorkap
Openen 203
Sluiten 203
Waarschuwingslampje 202
Motorkoelvloeistof 210
Bijvullen 212
Controlelampje 210
G12 Plus-Plus 211
Koelvloeistofpeil controleren 212
Specificatie 211
Vulopening 212
Waarschuwingslampje 210
Motorolie 205
Bijvullen 207
Controlelampje 205
Motoriopencil controlleren 207
Noodstop 26
0
Octaangetal 19
Olie
Zie: Motorola 20
Oliepeil controleren 20
Oliepeilstok 201
Omhoogbrengen van de wagen
Met de krik 27
Met hefbrug 25:
On-Board-Diagnostic System (OBD) ..... 25
Onderdelen 24
Onderste gedeelte van de middenconsole 13
Vooraanzicht 7
Waarschuwingslampjes 15
Zijaanzicht 6
P
Paniekknop 36
Parkeerhulp 173
Zie ParkPilot 173
Zie: ParkPilot 172
Parkeerlicht 104
Parkeren 154, 157
ParkPilot 172
Hogedrukreiniger gebruiken 221
Storing 173,174
Weergave van de voor- en achterziide 174
Rembekrachtiger 158
Remblokken inrijden
Zie ook: Rem
Remhulpsystemen
Remsysteem
Storing
Remvloeistof
Specificatie
Reparaties 246
Airbagsysteem
Hefbrug
Plaatjes
Stickers
Voorruit
Reservesleutels
Zie: Sleutels
Reservewiel
Aanwijzingen voor het rijden
Ruitensproeiervloeistof
Bijvullen 113
Controleren 113
Reinigingsmiddel 113
Ruitenreiniger 113
Ruitensproeiervloeistofpeil
Controlelampje 109
Ruitenwisserbladen
Schoonmaken 223
Vervangen 223
Ruitenwissers
Functies 111
Regen-lichtsensor 112
Ruitenwisserhendel 110
Servicestand 111
Verwarmbare sproeiers 111
Wisserblad optillen 111
Wisserblad wegklappen 111
Sleutel met radiografische afstandsbedie- ning
Zie: Sleutels 36
Sleutels
Paniekknop 36
Synchroniseren 39
Toekennen 36
Sleutelschakelaar
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen. 90
Sleutelset
Slijtagemerktekens 239
Slopen
Sloten ijsvrij maken 225
Slotgreep
Sluiten
Achterklep 52
Cabrioletkap 60
Met Keyless Access 43
Steenslagschade herstellen (aanwijzing) . 249
Sticker met wagengegevens 32
Stickers 255
Stoelbekleding
Alcantara schoonmaken 228
Bekledingsstof schoonmaken 228
Checklist 228
Kunstleer 231
Nappaleder verzorgen en schoonmaken . 230
Omgang 228
Omgang met stoelbekleding 228
Stoffen bekledingen schoonmaken ..... 228
Stoelen 67
Aantal zitplaatsen 67
Achterbankleuning 123
Hoofdsteun inbouwen 71
Hoofdsteun uitbouwen 71
Juiste zithouding 69
Mechanische voorstoel 70
Symbolen
Zie: Controlelampje
Zie: Waarschuwingslampje
Systemen
Aandrijfslipregeling (ASR)
ABS
Achteruitrijhulp
Antiblokkeersysteem (ABS)
ASR
Bandencontrole
Bandencontrolesysteem
BAS
Bergwegrijhulp
EDS
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) ....
Vulhoeveelheden 113,196
Technische wijzigingen 248
Hefbrug 253
Plaatjes 255
Stickers 255
Tegenstuurhulp 167
Temperatuurmeter
Buitentemperatuur 21
Motorkoelvloeistof 210
Terreinrijden
Bodembescherming 29
Terugname van oude wagens 257
Tijd instellen
Digitale klok 18
Niet vastgegespt 79
Omgespen 8
Schoonmaken 23
Verdraaide gordel 8
Waarschuwingslampje 71
Veiligheidsgordels bieden bescherming ... 80
Veiligheidsuitrustingen 88
Velgen 235
Markering 23€
Schoonmaken 224
Vastgeschroefde sierelementen ..... 236
Vastgeschroefde velgringen 235
Velgen en banden 233
Aanduiding 242
Aanduiding op banden 242
Bandenidentificatienummer (TIN) ..... 243
Banden opslaan 235
Bandenslijtage 240
Bandensnanning 237
Vergrendelen
Met Keyless Access 43
Verkoop van de wagen 4
In andere landen / werelddelen 255
Vermoedelijke storingen 260
Versnelling inschakelen
Automatische versnellingsbak 149
Schakelen 148
Versnellingsbak met 2-voudige koppeling
Storing 152
Zie: automatische versnellingsbak ..... 151
Verstellen
Stuurwiel 72
Vervanging van onderdelen 246,247
Vervoeren
Stoelen met elektrische verstelmogelijkheid
Stoelen zonder airbagonderdelen .....
Stoelzittingen met stoelverwarming
Stoffen bekledingen
Veiligheidsgordels schoonmaken
Velgen schoonmaken
Wagenlak
Wagen wassen
Wasstraat
Zitting zonder stoelverwarming
Vloermatten
Volkswagen informatiesysteem
Menustructuur
Weergaven
Voorairbags
Zie: Airbagsysteem
Voorbereidende handelingen
Accu
Rempedaal intrappen 155
Remsysteem 155
Schakelen 146
Start-stopsysteem 169
Stuurkolomvergrendeling 166
Veiligheidsgordels 77
Waarschuwingssignalen
Licht 103
Waarschuwingstonen
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 15
Waarschuwing voor gladheid 21
Wagen
Beladen 118
In veiligheid brengen bij pech 262
Met Keyless Access ont- of vergrendelen . 43
Op hellingen parkeren 157
Recycling 257
Terugname 257
Van hinnenuit ont- of vergrendelen 42
Wielbouten 276, 27
Aantrekmoment 278
Doppen 27
Wieldoppen 273
Doppen van de wielbouten 275
Naafdop 273
Wieldop 274
Wiel verwisselen 276
Meer dan een band beschadigd 276
Na het verwisselen van een wiel 281
Voorbereidende handelingen 277
Wagen omhoogbrengen 279
Wielbouten 277
Wiel verwisselen 280
Wijzigingen 248
Wijzigingen aan de wagen 246
Plaatjes 255
Stickers 255
Windscherm
Uitvoeringen 287
Vervangen 288
Voorbereidingen voor het vervangen .... 288
Zekeringenhouder 287
Zendontvangapparaat 250
Zij-airbags
Zie: Airbagsysteem 91
Zitbank 123
Zithouding
Verkeerde zithouding
Zitplaatsen
Zitten
Hoofdsteun instellen
Stand van het stuurwiel verstellen .....
Zonnekleppen




















































