Sharan (2013) - Auto VOLKSWAGEN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Sharan (2013) VOLKSWAGEN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Sharan (2013) VOLKSWAGEN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Sharan (2013) - VOLKSWAGEN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Sharan (2013) van het merk VOLKSWAGEN.
GEBRUIKSAANWIJZING Sharan (2013) VOLKSWAGEN
Markeert een verwijzing naar een paragraaf met belangrijke informatie en veiligheidsaanwijzingen ⚠ binnen een hoofdstuk, die u zou moeten lezen.

De pijl geeft aan, dat het onderwerp op de volgende pagina verder gaat.

De pijl geeft het einde van een onderwerp aan.

Het symbool markeert situaties, waarin de wagen onmiddellijk moet worden stilgezet.

Het symbool markeert een geregistreerd handelsmerk. Het ontbreken van dit teken garandeert niet dat begrippen vrij mogen worden gebruikt.

Symbolen van deze soort verwijzen naar

waarschuwingsaanwijzingen, binnen de-

zelfde paragraaf of op de aangegeven bladzijde, die op mogelijk gevaar voor on- gevallen en verwondingen wijzen en hoe u dit kunt voorkomen.

Verwijzing naar een waarschuwingsaan-wijzing, binnen dezelfde paragraaf of op de aangegeven bladzijde, die op mogelijk gevaar voor beschadiging van uw wagen wijst en hoe u dit kunt voorkomen.

GEVAAR
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming zware verwondingen of zelfs de dood tot gevolg zul- len hebben.

WAARSCHUWING
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming zware verwondingen of zelfs de dood tot gevolg kunnen hebben.

VOORZICHTIG
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming lichte of zware verwondingen tot gevolg kunnen hebben.

LET OP
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaarlijke situaties, die bij veronachtzaming beschadigingen aan de wagen tot gevolg kunnen hebben.

In teksten met dit symbool staan aanwijzingen over het behoud van het milieu.

In teksten met dit symbool staat extra informatie.
Hartelijk dank voor uw vertrouwen
Met deze Volkswagen krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke comfortuitrustingen, die u in het dagelijkse verkeer zeker zult willen gebruiken.
Lees voor het eerste gebruik van uw wagen de informatie in dit instructieboekje goed door en neem deze in acht, zodat u de wagen snel en volledig leert kennen en mogelijke gevaren voor uzelf en anderen kunt herkennen en voorkomen.
Als u nog vragen heeft over uw wagen of u meent dat het instructieboekje niet volledig is, dan kunt u zich wenden tot uw Volkswagen Partner. Daar zijn vragen, opmerkingen en kritiek altijd welkom.
Wij wensen u veel plezier met uw Volkswagen en een goede reis.
Volkswagen AG

GEVAAR
Belangrijke veiligheidsaanwijzingen voor de bijrijdersvoorairbag opvolgen ⇒ pagina 114, Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken.
Inhoudsopgave
Over dit instructieboekje 4
Wagenoverzicht 5
Buitenaanzichten
- Zijaanzicht 5
- Vooraanzicht 6
- Achteraanzicht 7
Interieur
- Overzicht van het bestuurdersportier ... 8
- Overzicht bestuurderszijde 10
- Overzicht middenconsole 12
- Overzicht bijrijderszijde 14
- Symbolen in de hemelbekleding ..... 14
Instrumentenpaneel
- Waarschuwings- en controlelampjes ... 15
- Instrumenten 19
- Volkswagen informatiesysteem 25
Voor het rijden 34
Voordat u wegrijdt
-Aanwijzingen voor het rijden 34
- Technische gegevens 37
Open en dicht
- Sleutelset 42
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem 46
- Portieren 56
- Schuifdeuren 57
- Achterklep 61
- Elektrische ruitbediening 66
- Elektrisch panoramaschuif-kanteldak ... 70
Veilig en op de juiste wijze zitten
- Zithouding instellen 74
- Stoelfuncties 84
- Veiligheidsgordels 90
- Airbagsysteem 101
- Kinderzitjes (accessoires) 111
- Geïntegreerd kinderzitje 121
Licht en zicht
-Licht 125
- Bescherming tegen de zon 135
- Ruitenwissers en -sproeiers 137
- Spiegels 143
Transporteren
-Aanwijzingen voor het rijden 147
- Bagageruimte 152
- Dakdragersysteem 165
- Rijden met aanhangwagen 168
Praktische uitrustingen
- Opbergmogelijkheden 181
- Beker- en flessenhouders 189
- Asbakken en sigarettenaansteker ..... 191
-Stopcontacten 193
Tijdens het rijden 196
Starten, schakelen, parkeren
- Motor starten en afzetten 196
- Schakelen 202
- Remmen, stoppen en parkeren 211
- Milieubewust rijden 221
- Stuurinrichting 224
Bestuurdershulpsystemen
- Wegrijhulpsystemen 226
- ParkPilot 230
- Achteruitrijcamera (Rear Assist) 235
- Inparkeersysteem (Park Assist) 240
- Snelheidsregelsysteem (SRS) 247
- Lane Assist 251
- Verkeerstekenherkenning (Sign Assist) . 254
- Vermoeidheidsherkenning (aanbevolen rusttijd) 257
- Dynamische onderstelregeling (DCC) .. 259
- Bandencontrolesysteem 260
Klimaat
- Verwarmen, ventileren, koelen 263
- Interieurvoorverwarming (extra verwarming) 270
Bij het tankstation
-Tanken 275
- Brandstof 280
- Selective Catalytic Reduction (AdBlue) . 283
Onderhouden, verzorgen, schoonmaken
In de motorruimte
- Voorbereidingen op werkzaamheden in de motorruimte 287
-
Motorolie 292
-
Motorkoelvloeistof 297
- Accu 301
Verzorging en onderhoud van de wagen
- Buitenzijde van de wagen verzorgen en schoonmaken 306
- Interieur verzorgen en schoonmaken ... 315
- Velgen en banden 321
- Wieldoppen 334
- Verwisselen van een wiel 337
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen .. 343
- Mobiele onlinediensten 352
- Gebruikersinformatie 355
- Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem 358
Tips om het zelf te doen 361
Praktische aanwijzingen
- Vragen en antwoorden 361
-
In noodgevallen 363
-
Noodsluiten of -openen 366
-Wagengereedschap 371 - Bandenafdichtset 374
-Zekeringen 378
-Gloeilampjes vervangen 381 - Starthulp 391
-Aan-en afslepen 394
Gebruikte afkortingen 399
Trefwoordenlijst 401
Over dit instructieboekje
- Dit instructieboekje geldt voor alle modellen en uitvoeringen van de Sharan.
- Een alfabetisch geordende trefwoordenlijst vindt u aan het einde van het instructieboekje.
- Een overzicht van afkortingen achter in dit instructieboekje verklaart specifieke afkortingen en benamingen.
- Richtingsaanduidingen, zoals links, rechts, voor en achter, hebben normaliter betrekking op de rijrichting, tenzij iets anders is aangegeven.
- Afbeeldingen dienen ter oriëntatie en zijn als principeweergaven op te vatten.
- Dit instructieboekje is opgesteld voor wagens met links stuur. Bij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders gerangschikt dan op de afbeeldingen of in de tekst wordt weergegeven pagina 10.
- Technische wijzigingen aan de wagen die na het ter perse gaan van dit boekje zijn doorgevoerd, zijn te vinden in een aanvulling, die aan de wagen-documentatie is bijgevoegd.
Beschreven zijn alle uitrustingen en modellen, zonder deze als meeruitvoeringen of modelvarianten te kenmerken. Zo kunnen er uitrustingen beschreven zijn, die uw wagen mogelijkkerwijs niet heeft of die slechts in enkele landen verkrijgbaar zijn. In de verkoopdocumenten vindt u de uitrusting van uw wagen en voor meer informatie daarover kunt u uw Volkswagen Partner raadplegen.
Alle gegevens in dit instructieboekje komen overeen met de stand van de gegevens ten tijde van het ter perse gaan. Vanwege de continue ontwikkeling van de wagen zijn afwijkingen tussen de wagen en de gegevens in dit instructieboekje mogelijk. Uit de gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen in dit instructieboekje kunnen geen aanspraken worden afgeleid.
Mocht u de wagen verkopen of uitlenen, zorg er dan voor, dat de gehele wagendocumentatie zich altijd in de wagen bevindt.
Vaste onderdelen van de wagendocumentatie:
- Serviceplan
- Instructieboekje
Extra onderdelen van de wagendocumentatie (optioneel):
- Aanvulling
• Radio resp. navigatiesysteem
• Mobiele-telefoonvoorbereiding
• Overige bijlagen
△
Wagenoverzicht
Buitenaanzichten
Zijaanzicht

Afbeelding 1 Overzicht van de rechterzijde van de wagen. De posities ③, ④, ⑤, ⑥, ⑦ en ⑧ zijn op dezelfde plek ook aan de linkerwagenzijde aanwezig.
Legenda bij Afbeelding 1:
① Dakantenne 355
② Tankklep 275
③ Portiergreep buitenzijde 56
④ Buitenspiegel 143
- Extra knipperlicht 125
- Omgevingsverlichting 125
⑤ Sensor van het inparkeersysteem (Park Assist) 240
⑥ Steunpunten voor de krik 337
⑦ Rail van de zijschuifdeur 57
⑧ Zijruit met geïntegreerde antenne ⇒ brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem

Afbeelding 2 Overzicht voorzijde wagen
Legenda bij Afbeelding 2:
① Sensor of cameravenster op de spiegelvoet voor:
- Regen-lichtsensor 137
- Grootlichtregeling resp. automatische grootlichtregeling 125
- Lane Assist 251
- Verkeerstekenherkenning (Sign Assist) 254
② Voorruit
- Voorruitverwarming 263
③ Ruitenwissers voor 137,306
④ Motorkap 287
⑤ Ontgrendelingshendel voor de motorkap 287
⑥Koplampen 125,381
⑦ Sensoren vóór van de ParkPilot resp. het inparkeersysteem (Park Assist) 230, 240
⑧ Kentekenplaathouder vóór
⑨ Mistlampen resp. bochtenverlichting 125,381
⑩ Montagegat voor het sleepoog vóór, achter een afdekking 394
⑪ Koplampsproeiers 137
Achteraanzicht

Afbeelding 3 Overzicht achterzijde wagen
Legenda bij Afbeelding 3:
① Dakantenne 355
② Derde remlicht
③ Achterruit
- Achterruitverwarming 263
④ Achterruitwisser 137, 306
⑤ Achterlichten 125,381
⑥ Knop voor het openen van de achterklep en het bereik van de achteruitrijcamera (Rear Assist) alsmede de kentekenplaatverlichting 61,235
⑦ Kentekenplaathouder achter
⑧ Sensoren achter van de ParkPilot resp. het inparkeersysteem (Park Assist) 230, 240
⑨ Plaats van de trekhaak 168
⑩ Montagegat voor het sleepoog achter, achter een afdekking 394
⑪ Achterklep 61
Interieur
Overzicht van het bestuurdersportier

Afbeelding 4 Overzicht van de bedieningselementen in het bestuurdersportier (wagens met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Legenda bij Afbeelding 4:
① Controlelampje van het alarmsysteem resp. van de safebeveiliging 46
② Slotgreep 56
③ Knop voor het centraal ver- en ontgrendelen van de wagen Ⓠ - Ⓠ 46
④ Schakelaar voor het verstellen van de buitenspiegels 143
- Buitenspiegelverstelling L - R - 0
- Buitenspiegelverwarming
- Buitenspiegels inklappen 📁
⑤ Knoppen voor:
⑥ Reflector
⑦ Opbergvak met flessenhouder 181, 189
⑧ Opbergvak met opbergmogelijkheid voor een veiligheidsvest 363
Overzicht bestuurderszijde

Afbeelding 5 Overzicht bestuurderszijde (wagen met links stuur)

Afbeelding 6 Overzicht bestuurderszijde (wagen met rechts stuur)
Legenda bij Afbeelding 5 en Afbeelding 6:
Knop voor interieurbewaking 46
① Lichtschakelaar 125
- Verlichting uitgeschakeld of automatische dagrijverlichting
- Automatische aansturing rijverlichting AUTO
- Stads- en dimlicht ≈0, ≈0
- Mistverlichting 10,0
② Lichtsterkteregelaar voor instrumenten- en schakelaarverlichting 125
③ Regelaar voor lichtbundelhoogteverstelling 125
④ Hendel voor 125
- Grootlicht
- Grootlichtsignaal
- Knipperlichten
- Parkeerlicht P
- Toets voor bestuurdershulpsystemen 25
⑤ Luchtrooster 263
⑥ Bedieningselementen van het multifunctiestuurwiel 25
- Volume-instelling van de radio, navigatiemeldingen of een telefoongesprek +4-2
- Geluidsonderdrukking van de radio of activering van de spraakbediening
- Hoofdmenu van telefoon oproepen of telefoonoproepen beantwoorden
- Toetsen voor het bedienen van het Volkswagen informatiesysteem - △ - ▽ - √, OK, ⊃
⑦ Instrumentenpaneel:
- Instrumenten 19
- Display 19
- Waarschuwings- en controlelampjes 15
⑧ Hendel voor ruitenwissers en ruitensproeiers 137
- Ruitenwissers voor de voorruit HIGH - LOW
- Intervalwissen voor de voorruit...
- "Tipwissen" 1x
- Ruitenwisser voorruit
- Wis-wasautomaat voor de voorruit
- Achterruitwisser
- Wis-wasautomaat voor de achterruit
- Hendel met toetsen voor het bedienen van het Volkswagen informatiesysteem TRIP-, OK/ RESET 25
⑨ Claxon (werkt alleen bij ingeschakeld contact)
⑩ Contactslot 196
⑪ Pedalen 202
⑫ Bestuurdersvoorairbag 101
⑬ Hendel voor de verstelbare stuurkolom 74
⑭ Hendel voor het snelheidsregelsysteem (SRS) OFF - CANCEL - ON - RESUME / -SPEED- / -SET- 247
⑮ Afdekking zekeringenhouder 378
⑯ Greep voor het ontgrendelen van de motorkap 287
Overzicht middenconsole
Bovenste gedeelte van de middenconsole

Afbeelding 7 Overzicht van het bovenste gedeelte van de middenconsole
Legenda bij Afbeelding 7:
① Opbergvak 181
② Radio of navigatiesysteem (af fabriek ingebouwd) ⇒ brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem
③ Knop voor in- en uitschakelen van de alarmlichten ▲ 363
④ Bedieningselementen voor:
- Airconditioning (handbediend) 263
- Climatronic 263
- Interieurvoorverwarming (extra verwarming). 270
⑤ Toets voor rechterstoelverwarming 84
⑥ Toets voor linkerstoelverwarming 84
Onderste gedeelte van de middenconsole

Afbeelding 8 Overzicht van het onderste gedeelte van de middenconsole (wagen met links stuur)

Afbeelding 9 Overzicht van het onderste gedeelte van de middenconsole (wagen met rechts stuur)
Legenda bij Afbeelding 8 en Afbeelding 9:
① Knoppen voor:
- Aandrijfslipregeling (ASR) 211
- Start-stopsysteem 226
- ParkPilot P _4 230
- Inparkeersysteem (Park Assist) 240
- Bandencontrole (⊥) SET 260
- Dynamische onderstelregeling (DCC) C - Q - S 259
- Openen van de achterklep 61
- Openen en sluiten van de elektrisch bedienbare schuifdeuren 57
② Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag 101
③ 12 volt stopcontact 193
④ Hendel voor:
- Schakelbak 202
- Automatische versnellingsbak 202
⑤ Knop voor de elektronische parkeerrem (P) 211
⑥ Knop voor Auto Hold AUTO HOLD 226
⑦ Startknop (sleutelloos vergrendel- en startsysteem Keyless Access) 196 ◀
Overzicht bijrijderszijde

Afbeelding 10 Overzicht bijrijderszijde (wagen met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Legenda bij Afbeelding 10:
① Slotgreep voor opbergvak met slot 181
② Inbouwplaats van de bijrijdersvoorairbag in het dashboard 101
③ Luchtrooster 263
④ Sleutelschakelaar in het opbergvak voor buiten werking stellen van de bijrijdersvoorairbag . 101
Symbolen in de hemelbekleding
| Symbool | Betekenis |
| Binnenverlichting en leeslampjes ⇒ pagina 125 | |
| Elektrisch panoramaschuif-kanteldak ⇒ pagina 70 | |
| Module met drie toetsen ⇒ brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding |
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- en controlelampjes
De waarschuwings- en controlelampjes geven waarschuwingen ▲, storingen ⚫ of bepaalde functies aan. Sommige waarschuwings- en controlelampjes gaan bij het inschakelen van het contact branden en moeten bij draaiende motor of tijdens het rijden weer uit gaan.
Afhankelijk van de type-uitvoering kunnen er op het display in het instrumentenpaneel bovendien tekstmeldingen worden weergegeven, waarin extra informatie wordt gegeven of tot handelen wordt opgeroepen ⇒ pagina 19, Instrumenten.
Afhankelijk van de wagenuitrusting kan in plaats van een waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel een symbolische weergave zichtbaar zijn.
Bij sommige waarschuwings- en controlelampjes die gaan branden, klinken er bovendien akoestische signalen.
Controlelampjes die in de lichtschakelaar gaan branden, worden in het hoofdstuk "Licht" beschreven ⇒ pagina 125.
| Symbool | Betekenis ⇒ ▲ | Zie |
![]() | Niet verder rijden!Elektronische parkeerrem ingeschakeld. | ⇒ pagina 211 |
![]() | Niet verder rijden!Remvloeistofpeil te laag of storing in remsysteem. | |
![]() | Niet verder rijden!Motorkoelvloeistofpeil te laag, koelvloeistoftemperatuur te hoog of storing in motorkoelsysteem. | ⇒ pagina 297 |
![]() | Niet verder rijden!Motoroliedruk te laag. | ⇒ pagina 292 |
![]() | Niet verder rijden!Ten minste één portier staat open of is niet correct gesloten. | ⇒ pagina 56 |
![]() | Niet verder rijden!Achterklep staat open of is niet correct gesloten. | ⇒ pagina 61 |
![]() | Brandt:Niet verder rijden!Storing in elektromechanische stuurinrichting of elektromechani-sche stuurinrichting uitgevallen. | ⇒ pagina 224 |
| Knippert:Niet verder rijden!Storing in elektromechanische stuurinrichting. | ||
![]() | Motor kan niet meer worden gestart!AdBlue-peil te laag of storing in AdBlue-systeem. | ⇒ pagina 283 |
![]() | Bestuurder en/of bijrijder heeft veiligheidsgordel niet om. | ⇒ pagina 90 |
| OF: Voorwerpen liggen op de bijrijdersstoel. | ||
![]() | Op de zitplaatsen achterin heeft een inzittende de veiligheidsgor-del niet omgegespt. | |
![]() | Rempedaal intrappen! | Schakelen ⇒ pagina 202Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 211 |
![]() | Storing dynamo. | ⇒ pagina 301 |
![]() | Versnellingsbak met 2-voudige koppeling DSG® oververhit. | ⇒ pagina 202 |
| Symbool | Betekenis ⇒ ⚠ | Zie |
![]() | Remblokken versleten. | ⇒ pagina 211 |
| [26ZZ] | Brandt: storing in elektronische stabiliseringscontrole of elektronische stabiliseringscontrole door systeem uitgeschakeld.OF: Samen met ABS-controlelampje Ⓞ: storing in ABS.OF: Massakabel van de accu is weer vastgemaakt. | |
| Knippert: ESC resp. ASR regelt. | ||
![]() | ASR handmatig uitgeschakeld. | |
![]() | Storing in ABS of ABS uitgevallen. | |
![]() | Storing in elektronische parkeerrem. | ⇒ pagina 211 |
![]() | Mistachterlicht ingeschakeld. | ⇒ pagina 125 |
![]() | Brandt: rijverlichting geheel of gedeeltelijk uitgevallen. | ⇒ pagina 381 |
| OF: Brandt: storing in bochtenverlichting. | ⇒ pagina 125 | |
| Knippert gedurende circa 5 seconden elke keer dat het contact wordt ingeschakeld: reismodus ingeschakeld. | ||
![]() | Storing in katalysator. | ⇒ pagina 358 |
![]() | Brandt: voorgloeien van dieselmotor. | |
| Knippert: storing in motorregeling (dieselmotor). | ||
| [X76S] | Storing in motorregeling (Electronic Power Control). | |
![]() | Roetfilter verstopt met roet. | |
![]() | Brandt: elektromechanische stuurinrichting werkt verminderd. | ⇒ pagina 224 |
| Knippert: stuurkolom intern verdraaid of stuurkolom niet ont-resp. vergrendeld. | ||
![]() | Brandt: bandenspanning te laag. | ⇒ pagina 260 |
| Knippert: storing in bandenspanningscontrole. | ||
| [CHBY] | Ruitensproeiervloeistofpeil te laag. | ⇒ pagina 137 |
![]() | Brandstoftank bijna leeg. | ⇒ pagina 275 |
![]() | Brandt: motoroliepeil te laag. | ⇒ pagina 292 |
| Knippert: storing in het motoroliesysteem. | ||
![]() | Storing in het airbag- en gordelspannersysteem. | ⇒ pagina 101 |
| [86Z7] | Bijrijdersvoorairbag buiten werking gesteld (PASSENGER AIR BAG OFF %) of storing in airbagsysteem. | ⇒ pagina 101 |
| [WHXXH] | AdBlue-voorraad te laag of storing in het AdBlue-systeem of ge-vuld met AdBlue die niet aan de norm voldoet. | ⇒ pagina 283 |
![]() | Storing in start-stopfunctie. | ⇒ pagina 226 |
![]() | Lane Assist ingeschakeld, maar niet actief. | ⇒ pagina 251 |
| Symbool | Betekenis ⇒ ⚠️ | Zie |
![]() | Knipperlicht links of rechts. | ⇒ pagina 125 |
| Alarmlichten ingeschakeld. | ⇒ pagina 363 | |
![]() | Brandt: rempedaal niet ingetrapt. | Schakelen ⇒ pagina 202Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 211 |
| Knippert: de grendelknop in de keuzehendel is niet vergrendeld. | ||
![]() | Snelheidsregelsysteem regelt. | ⇒ pagina 247 |
![]() | Lane Assist ingeschakeld, actief. | ⇒ pagina 251 |
![]() | Grootlicht ingeschakeld of grootlichtsignaal bediend. | ⇒ pagina 125 |
![]() | AdBlue-voorraad te laag of storing in het AdBlue-systeem of ge-vuld met AdBlue die niet aan de norm voldoet. | ⇒ pagina 283 |
![]() | Grootlichtregeling (Light Assist) resp. automatische grootlichtre-geling (Dynamic Light Assist) ingeschakeld. | ⇒ pagina 125 |
![]() | Start-stopsysteem actief. | ⇒ pagina 226 |
| Oproep om de motor handmatig te starten in de start-stopfunctie. | ||
| Oproep om het contact uit te schakelen in de start-stopfunctie.Waarschuwing voor uitstappen. | ||
![]() | Start-stopsysteem niet beschikbaar. | |
![]() | Motor start. | ⇒ pagina 196 |
![]() | Brandt: servicemelding. | ⇒ pagina 19 |
| Knippert: servicebeurt bereikt. | ||
![]() | Storing in automatische versnellingsbak. | ⇒ pagina 202 |
| [beva] | Mobiele telefoon is via Bluetooth met de af fabriek ingebouwde mobiele-telefoonvoorbereiding verbonden. | ⇒ hoofdstuk Mobiele-telefoonvoorberei-ding |
| [TH40] | Ladingstoestand van de batterij van de mobiele telefoon. Alleen bij af fabriek ingebouwde mobiele-telefoonvoorbereiding. | |
| [3D48] | Waarschuwing voor gladheid. Buitentemperatuur lager dan +4 °C (+39 °F). | ⇒ pagina 19 |

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings- lampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare

WAARSCHUWING (vervolg)
materialen onder de wagen in aanraking ko- men, bv. kreupelhout, bladeren, droog gras, gemorste brandstof, olie etc.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- Voordat u de motorkap opent, eerst de motor afzetten en voldoende laten afkoelen.
- De motorruimte van elke wagen is gevaarlijk en kan zware verwondingen veroorzaken pagina 287.
LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
Instrumenten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht van de instrumenten 19
Weergaven op het display 20
Service-intervalindicatie 22
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
-
Waarschuwings- en controlelampjes ⇒ pagina 15
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 25 -
Weergave van de gekozen versnellingen (automatische versnellingsbak) pagina 202
- Gegevens over service-intervallen brochure Serviceplan.

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kunnen ongevallen en verwondingen worden veroorzaakt.
- Nooit tijdens het rijden de knoppen in het instrumentenpaneel bedienen.
Overzicht van de instrumenten

Afbeelding 11 Instrumentenpaneel in het dashboard

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 19 en volg deze op.
Uitleg over de instrumenten ⇒ Afbeelding 11:
① Steltoets voor de klok ^1) .
- Op de toets 📋/💡 drukken om de uren- of minutenweergave te markeren.
- Om de klok vooruit te zetten de toets 0.0 / SETT ⑦ indrukken. Om snel door te laten lopen, de toets ingedrukt houden.
- Toets 📞/ Ⓑ opnieuw indrukken, om het instellen van de klok af te sluiten.
② Toerenteller (omwentelingen x 1000 per minuut van de draaiende motor).
Het begin van het rode veld in de toerenteller geeft voor alle versnellingen het maximaal toelaatbare motortoerental aan voor een ingereden motor die op bedrijfstemperatuur is. Voordat de naald in het rode veld terechtkomt, moet u opschakelen, de keuzehendel in stand D zetten of de voet van het gaspedaal nemen ⇒①.
③ Koelvloeistoftemperatuurmeter ≧ ⇒ pagina 297
④ Weergaven op het display ⇒ pagina 20.
⑤ Brandstofmeter ⇒ pagina 275
⑥ Snelheidsmeter
⑦ Terugsteltoets voor de weergave van de dagteller (trip).
- Op de toets 0.0 / SET drukken, om op nul terug te zetten.

LET OP
- Bij koude motor hoge motortoerentallen, volgas en sterke motorbelasting vermijden.

LET OP (vervolg)
- De naald van de toerenteller mag slechts korte tijd in het rode veld staan. Anders kan er schade aan de motor ontstaan.

Vroeg opschakelen helpt brandstof te bespa- ren en bedrijfsgeluiden te verminderen.

Weergaven op het display

Afbeelding 12 A: geopende motorkap, B: geopende achterklep, C: geopend linkervoorportier, D: geopende rechterschuifdeur.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Op het display in het instrumentenpaneel ⇒ Afbeelding 11 ④ kan afhankelijk van de uitrusting van de wagen uiteenlopende informatie worden weergegeven:
- Geopende portieren, motorkap of achterklep
⇒ Afbeelding 12
• Waarschuwings- en informatieteksten
• Weergave kilometers
• Tijd - Radio- en navigatieaanwijzingen brochure Radio resp. brochure Navigatiesysteem
- Telefoonaanwijzingen brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding
• Buitentemperatuur
• Keuzehendelstanden ⇒ pagina 202
• Schakeladvies ⇒ pagina 202
- Multifunctie-indicatie (MFA) en menu's voor verschillende instellingen ⇒ pagina 25
• Service-intervalindicatie ⇒ pagina 22
- Tweede snelheidsweergave (Menu Instel-1ingen) pagina 25
- Statusweergave van het start-stopsysteem
⇒pagina 22
- Herkende verkeerstekens door de verkeerstekenherkenning ⇒ pagina 254
Geopende portieren, motorkap en achterklep
Na het ontgrendelen van de wagen en tijdens het rijden worden op het display in het instrumentenpaneel geopende portieren, een geopende motorkap of achterklep aangegeven en zo nodig ook
akoestisch gesignaleerd. Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
| Legenda voor Afbeelding 12 | Zie | |
| A | Niet verder rijden!Motorkap staat open of is niet correct gesloten. | ⇒pagina 287 |
| B | Niet verder rijden!Achterklep staat open of is niet correct gesloten. | ⇒pagina 61 |
| C | Niet verder rijden!Bestuurders- of bijrijdersportier staat open of is niet correct gesloten. | ⇒pagina 56 |
| D | Niet verder rijden!Schuifdeur staat open of is niet correct gesloten. | ⇒pagina 57 |
Waarschuwings- en informatieteksten
Bij het inschakelen van het contact of tijdens het rijden worden enkele functies van de wagen en wagencomponenten gecontroleerd op hun toe-stand. Storingen worden door rode en gele waar-
schuwingssymbolen met tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel weergegeven (⇒ pagina 15) en zo nodig ook akoestisch gesignaleerd. Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
| Soort melding | Sym-bool-kleur | Uitleg |
| Waarschuwingsmel-ding met prioriteit 1 | Rood | Symbool knippert of brandt – soms begeleid door waarschuwingstonen.😊 Niet verder rijden! Er is sprake van gevaar ⇒ ⚠!Functie met storing controleren en de oorzaak verhelpen. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen. |
| Waarschuwingsmel-ding met prioriteit 2 | Geel | Symbool knippert of brandt – soms begeleid door waarschuwingstonen. Storingen of een tekort aan bedrijfsvloeistoffen kunnen schade aan de wagen veroorzaken en tot het stilvallen van de wagen leiden ⇒ ⚠!Functie met storing zo snel mogelijk controleren. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen. |
| Informatietekst | – | Informatie over diverse gebeurtenissen aan de wagen. |
Weergave kilometers
De kilometerteller registreert de totaal afgelegde afstand van de wagen.
De dagteller (trip) geeft het aantal kilometers weer dat na de laatste keer terugstellen van de dagteller is afgelegd. Het laatste cijfer geeft elke 100 meter (1/10 mijlen) weer.
Buitentemperatuurmeter
Bij buitentemperaturen lager dan +4 °C (+39 °F) verschijnt in de weergave voor buitentemperatuur extra een "ijskristalsymbool" (waarschuwing voor gladheid). Dit symbool knippert in het begin en brandt vervolgens tot de buitentemperatuur hoger is dan +6 °C (+43 °F) ⇒ ⚠.
Bij stilstaande wagen, draaiende interieurvoorverwarming (⇒ pagina 270), of als met zeer lage snelheid wordt gereden, kan de weergegeven temperatuur door stralingswarmte van de motor iets hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur.
Het meetbereik is -40 °C (-40 °F) tot +50 °C (+122 °F).
Keuzehendelstanden (automatische versnellingsbak)
De ingeschakelde rijstand wordt zowel aangegeven naast de keuzehendel als op het display in het instrumentenpaneel. In de standen D en S alsme-de in de tiptronic-stand wordt op het display eventueel de gekozen versnelling weergegeven.
Schakeladvies
Op het display in het instrumentenpaneel kan tijdens het rijden een advies over de keuze van een brandstofbesparende versnelling weergegeven worden ⇒ pagina 202.
Tweede snelheidsweergave (mph of km/h)
Tijdens het rijden kan de snelheid, naast de weergave van de snelheidsmeter, in een andere eenheid (mph of km/h) op het display in het instrumentenpaneel worden weergegeven. Hiervoor in het menu Instellingen het menupunt Tweede snelheid markeren ⇒ pagina 25.
Wagens zonder menuweergave in het instrumentenpaneel:
- Motor starten.
- Toets 1/2 driemaal indrukken. De kilometer-teller op het display in het instrumentenpaneel knippert.
- Toets 0.0 / SET eenmaal indrukken. In plaats van de kilometerteller wordt kort "mph" resp. "km/h" weergegeven.
- Daarmee is de tweede snelheidsweergave geactiveerd. Het deactiveren gebeurt op dezelfde manier.
Bij type-uitvoeringen voor landen waar een permanente weergave van de tweede snelheid wettelijk verplicht is, kan de tweede snelheidsweergave niet worden uitgeschakeld.
Statusweergave van het start-stopsysteem
Op het display in het instrumentenpaneel wordt informatie over de actuele status weergegeven ⇒ pagina 226.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. kreupelhout, bladeren, droog gras, gemorste brandstof, olie etc.

WAARSCHUWING
Wegen en bruggen kunnen bij buitentemperaturen boven het vriespunt glad zijn.
- Ook bij buitentemperaturen boven +4 °C (+39 °F) wanneer er geen "ijskristalsymbool" wordt weergegeven, kan het glad zijn.
- Nooit alleen op de buitentemperatuurmeter vertrouwen!

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Er zijn verschillende instrumentenpanelen.
Daarom kan de uitvoering en weergave van de displays variëren. Bij wagens zonder weergave van waarschuwings- of informatieteksten op het display worden storingen uitsluitend door controle-lampjes weergegeven.

Als er meerdere waarschuwingsmeldingen zijn, verschijnen de symbolen achtereenvolgens gedurende enkele seconden. De symbolen blijven verschijnen totdat de storing is verholpen.
△
Service-intervalindicatie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De weergave van de servicebeurt vindt plaats via het display in het instrumentenpaneel Afbeelding 11 ④.
Bij Volkswagen wordt bij de servicetermijnen onderscheid gemaakt tussen Olieservice en Inspecties. De service-intervalindicatie informeert u over de volgende servicetermijn waarbij de olie moet worden ververst en over de volgende noodzakelijke Inspectie. De servicetermijnen staan ook in het Serviceplan.
Welke servicetermijn actueel wordt weergegeven, is bij wagens zonder tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel rechtsboven in de displayweergave afleesbaar:
• 1: Olieservice
• 2: Inspectie.
Bij wagens met vaste Olieservice zijn vaste service-intervallen voorgeprogrammeerd.
Bij wagens met variabele Olieservice worden de intervallen individueel bepaald. Dankzij de technische vooruitgang kunnen de service-intervallen aanzienlijk worden verlengd. Met de variabele Olieservice introduceert Volkswagen een technologie, waarmee alleen een Olieservice hoeft te worden uitgevoerd, als de wagen dit echt nodig heeft. Hierbij wordt voor de bepaling van de Olieservice (max. twee jaar) ook rekening gehouden met de individuele gebruiksomstandigheden en de persoonlijke rijstijl. De servicemelding wordt 20 dagen voor de berekende servicebeurt voor het eerst weergegeven. Het resterende aantal kilometers wordt altijd op 100 km afgerond resp. de resterende tijd op hele dagen. De actuele servicemelding kan pas vanaf 500 km na de laatste servicebeurt worden afgevraagd. Tot die tijd verschijnen er streepjes in de weergave.
Serviceherinnerning
Wanneer het binnenkort tijd is voor een service-beurt, verschijnt bij het inschakelen van het contact een serviceherinnering.
Bij wagens zonder tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt een steeksleutelsymbool met een weergave in km en een kloksymbool met een weergave in dagen tot de noodzakelijke servicetermijn. De kilometers die worden weergegeven zijn het aantal kilometers, die u nog kunt rijden tot de volgende servicebeurt. Bovendien wordt rechtsboven in de displayweergave aangegeven, voor welke servicetermijn de herinnering geldt (1 voor Olieservice, 2 voor Inspectie).
Als de serviceherinnering voor beide servicetermijnen wordt weergegeven (weergave 1 en 2 rechtsboven op het display in het instrumentenpaneel), is bij wagens zonder tekstmeldingen het aantal kilometers en de weergave in dagen voor de eerstvolgende servicetermijn geldig.
Bij wagens met tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt 01ieservice of Inspectie over --- km of --- dagen.
Servicesoort
Wanneer het tijd is voor een servicebeurt klinkt er bij het inschakelen van het contact een akoestisch signaal en verschijnt gedurende enkele seconden het knipperende steeksleutelsymbool. Bij wagens met tekstmeldingen op het display in het instrumentenpaneel verschijnt 01ieservice nu! of Inspectie nu!.
Bij ingeschakeld contact, afgezette motor en stilstaande wagen kan de actuele servicemelding worden opgevraagd.
- Toets 📄/💡 in het instrumentenpaneel zo vaak indrukken, dat het steeksleutelsymbool ➔ en rechtsboven in de displayweergave het getal 1 worden weergegeven De weergegeven waarden gelden voor de Olieservice.
- Toets van het instrumentenpaneel opnieuw indrukken. Het steeksleutelsymbool en het getal 2 rechtsboven in de displayweergave worden weergegeven. De weergegeven waarden gelden voor de Inspectie.
• OF: Menu Instellingen kiezen.
- In het submenu Service menupunt Info kiezen.
Wanneer de servicebeurt reeds plaats had moe- ten vinden, wordt dit door een minteken voor de ki- lometer- of dagteller aangegeven.
Als de Olieservice niet door een Volkswagen Partner is uitgevoerd, kan deze als volgt worden teruggezet:
Bij wagens met tekstmeldingen:
Contact uitschakelen.
Toets 0.0/SET in het instrumentenpaneel indrukken en ingedrukt houden.
Bevestigingsvraag in het instrumentenpaneel met de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel bevestigen.
Bij wagens zonder tekstmeldingen:
Contact uitschakelen.
Toets 0.0/SET in het instrumentenpaneel indrukken en ingedrukt houden.
Toets 0.0/SET loslaten en binnen ca. 20 seconden op de toets 📄/💡️ drukken.
De service-indicatie niet tussen de service-intervallen terugzetten, omdat dit tot foutieve weergaven leidt.
Wanneer bij variabele Olieservice de service-intervalindicatie handmatig wordt teruggezet, wordt de "vaste Olieservice" geactiveerd. Het service-interval wordt niet meer individueel bepaald ⇒ brochure Serviceplan
Inspectie terugzetten
Als de Inspectie niet door een Volkswagen Partner is uitgevoerd, kan deze als volgt worden teruggezet:
Bij wagens met tekstmeldingen:
| Contact uitschakelen. |
| Alarmlichten inschakelen |
| Toets 0.0/SET in het instrumentenpaneel indrukken en ingedrukt houden. |
| Contact weer inschakelen. |
| Toets 0.0/SET loslaten. |
| Bevestigingsvraag in het instrumentenpaneel met de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel bevestigen. |
| Alarmlichten uitschakelen. |
Bij wagens zonder tekstmeldingen:
| Contact uitschakelen. |
| Alarmlichten inschakelen |
| Toets 0.0/SET in het instrumentenpaneel indrukken en ingedrukt houden. |
| Contact weer inschakelen. |
| Toets 0.0/SET loslaten en binnen ca. 20 seconden op de toets 2/3 drukken. |
| Alarmlichten uitschakelen. |
De servicemelding gaat na enkele seconden uit bij draaiende motor of door op de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel te drukken.
Als de massakabel van de accu bij wagens met variabele Olieservice gedurende langere tijd losgemaakt was, kan de tijd tot de volgende noodzakelijke Olieservice niet worden berekend. De berekende gegevens in de service-indicatie kunnen daarom foutief zijn. In dat geval de maximaal toegestane service-intervallen opvolgen → brochure Serviceplan.
Volkswagen informatiesysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht van de menustructuur 25
Menu's in het instrumentenpaneel bedienen . 27
Toets voor bestuurdershulpsystemen 28
Hoofdmenu 28
Menu multifunctie-indicatie (MFA) 29
Menu Instellingen 31
Submenu Comfort 32
Submenu Licht & zicht 32
Submenu Hulpsystemen 33
Persoonlijke comfortinstellingen 33
Met het Volkswagen informatiesysteem kunnen bij ingeschakeld contact op het display in het instrumentenpaneel verschillende functies en informatie worden opgevraagd.
De omvang en vormgeving van de menu's van het Volkswagen informatiesysteem is afhankelijk van de wagenelektronica en de uitrusting van de wagen.
Een specialist kan afhankelijk van de wagenuitrust- ting meer functies programmeren of veranderen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Enkele menupunten kunnen alleen bij stilstaande wagen worden opgevraagd.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenspiegel ⇒ pagina 143
• Bestuurdershulpsystemen ⇒ pagina 226
- Interieurvoorverwarming (extra verwarming)
⇒ pagina 270
• Radio ⇒ brochure Radio
- Navigatiesysteem brochure Navigatiesysteem
- Mobiele-telefoonvoorbereiding brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kunnen ongevallen en verwondingen worden veroorzaakt.
- Nooit tijdens het rijden de menu's op het display in het instrumentenpaneel oproepen.
Na het starten van de motor met volledig ont- laden accu of na vervanging van de accu kunnen systeeminstellingen (tijd, datum, persoon- lijke comfortinstellingen en programmeringen) ont- regeld of gewist zijn. Instellingen controleren en corrigeren, nadat de accu weer voldoende is gela- den.
Overzicht van de menustructuur

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
MFA (Multifunctie-indicatie) ⇒ pagina 29
Rijtijd
■ Actueel verbruik
■ Gemiddeld verbruik
■ Actieradius
■ AdBlue-actieradius (SCR-actieradius, actieradius ♂)
■ Gereden afstand
■ Gemiddelde snelheid
■ Digitale snelheidsweergave
■ Olietemperatuur
■ Snelheidswaarschuwing (Waarschuwing bij --- km/h resp. Waarschuwing bij --- mph)
Sign Assist ⇒ pagina 254, Verkeerstekenherkenning (Sign Assist)
Lane Assist ⇒ pagina 251, Lane Assist
Audio ⇒ brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem
Navigatie ⇒ brochure Navigatiesysteem
Telefoon ⇒ brochure Mobiele-telefoonvoorbereiding
Interieurvoorverwarming ⇒ pagina 270
■ Activeren
- Programma aan / Programma uit
- Gekozen starttijd 1
- Gekozen starttijd 2
- Gekozen starttijd 3
- Deactiveren
- Terug
■ Starttijd 1-3
- Weekdag
- Uur
- Minuut
- Activeren
- Terug
■ Werkingstijd (duur)
Bedrijfsfunctie
- Verwarmen
- Ventileren
- Terug
Weekdag
■ Fabrieksinstelling (fabrieksinstel.)
Hulpsystemen ⇒ pagina 28
■ Sign Assist aan / uit
■ Lane Assist aan / uit
■ Bochtenverlichting aan / uit
■ Vermoeidheidsherk. aan / uit
Wagenstatus (Wgnstatus)) ⇒ pagina 28
Instellingen ⇒ pagina 31
■ Hulpsystemen ⇒ pagina 33
- Sign Assist
Systeem aan / uit
Functie voor het rijden met aanhangwagen aan / uit Terug - Lane Assist
Systeem aan / uit Terug
■ Spraak/taal
■ Multifunctie-indicatiegegevens
- Rijtijd aan / uit
- Actueel verbruik (act. verbr.) aan / uit
- Gemiddeld verbruik (∅-verbruik) aan / uit
- Gereden afstand aan / uit
- Gemiddelde snelheid (∅-snelheid) aan / uit
- Digitale snelheidsweergave (digitale snelheid) aan / uit
-
Digitale olietemperatuurmeter (olietemperatuur) aan / uit
-
Snelheidswaarschuwing (v-waarschuwing) aan / uit
- Terug
■ Comfort ⇒ pagina 32
- Easy Open aan/uit
-
Centrale vergrendeling (centrale vergrend.) Automatisch vergrendelen (Aut. vergrendelen) aan / uit
Automatisch ontgrendelen (Aut. ontgrendelen) aan / uit
Portierontgrendeling (alle portieren, afzonderlijk portier, wagenzijde, individueel) Terug -
Ruitbediening (ruitbed.)
Uit
Alle
Bestuurder
Terug
- Spiegelkanteling (spiegelkant.) aan / uit
- Spiegelverstelling (spiegelverst.)
Afzonderlijk
Synchroon
Terug
- Fabrieksinstelling (fabrieksinstel.)
- Terug
■ Licht & zicht ⇒ pagina 32
- Coming home
- Leaving home
- Voetenruimteverlichting
- Comfortknipperen (comfortknip.) aan / uit
- Reismodus aan / uit
- Fabrieksinstelling (fabrieksinstel.)
- Terug
■ Tijd
- Uren
- Minuten
- 24h-modus aan / uit
- Zomertijd aan / uit
- Terug
Winterbanden
- --- km/h (resp. --- mph)
- Systeem aan / uit
-
- 10 km/h (5 mph)
-
- 10 km/h (5 mph)
- Terug
■ Eenheden
- Temperatuur
- Verbruik/afstand
- Luchtdruk
- Terug
■ Bandenspanningscontrole (Bandensp. contr.)
- Opnieuw opslaan
- Terug
■ Tweede snelheid (tweede snelh.) aan / uit
Service
- Info
- Terug
■ Fabrieksinstelling (fabrieksinstel.)

Menu's in het instrumentenpaneel bedienen

Afbeelding 13 Wagens zonder multifunctiestuurwiel: Toets ① in de ruitenwisserhendel voor het bevestigen van menupunten en tuimelschakelaar ② om van menu te wisselen

Afbeelding 14 Rechterzijde van multifunctiestuur-wiel: Toetsen voor het bedienen van menu's op het display in het instrumentenpaneel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Bij wagens met multifunctiestuurwiel Afbeelding 14 vervallen de toetsen in de ruitenwisserhendel Afbeelding 13. De multifunctie-indicatie wordt dan uitsluitend via de toetsen in het multifunctiestuurwiel bediend.
Zolang een waarschuwingsmelding met prioriteit 1 ⇒ pagina 19 wordt weergegeven, kunnen geen menu's worden opgevraagd. Alle waarschuwingsmeldingen verdwijnen na enkele seconden vanzelf weer. Sommige waarschuwingsmeldingen kunnen bovendien met de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel ⇒ Afbeelding 14 bevestigd en uitgeschakeld worden.
Hoofdmenu openen
- Contact inschakelen.
-
Als een melding of het wagenpictogram wordt weergegeven, op de toets OK/RESET ⇒ Afbeelding 13 ① in de ruitenwisserhendel resp. op de toets OK op het multifunctiestuurwiel drukken ⇒ Afbeelding 14.
-
Bij bediening met ruitenwisserhendel: om het hoofdmenu te openen pagina 28 of om vanuit een ander menu naar het hoofdmenu terug te keren, tuimelschakelaar Afbeelding 13 ② ingedrukt houden.
- Bediening met multifunctiestuurwiel: hoofdmenu wordt niet geopend. Om door de afzonderlijke hoofdmenupunten te bladeren, de toets of meerdere keren indrukken Afbeelding 14.
Submenu openen
- Boven of onder op de tuimelschakelaar ⇒ Afbeelding 13 ② in de ruitenwisserhendel drukken, resp. op het multifunctiestuurwiel op pijltoetsen △ of ▽ drukken tot het gewenste menupunt is gemarkeerd.
- Het gemarkeerde submenupunt staat tussen de twee horizontale lijnen. Bovendien verschijnt rechts een driehoekje:
- Om het submenupunt te openen, toets ① in de ruitenwisserhendel resp. toets OK op het multifunctiestuurwiel indrukken ⇒ Afbeelding 14.
Als er in het submenu binnen enkele seconden geen keuze volgt, wordt naar het vorige menu teruggekeerd.
Menuafhankelijke instellingen uitvoeren
- Met de tuimelschakelaar in de ruitenwisserhendel resp. de pijltoetsen △ of ▽ op het multifunctiestuurwiel de gewenste wijzigingen doorvoeren. Eventueel ingedrukt houden om de waarden sneller te verhogen of te verlagen.
- Keuze met toets Afbeelding 13 ① in de rui- tenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunc- tiestuurwiel markeren resp. bevestigen.
Naar het hoofdmenu terugkeren
- Met menu: in het submenu menupunt Terug kiezen om het submenu te verlaten.
- Bij bediening met ruitenwisserhendel: tuimelschakelaar ② ingedrukt houden.
- Bij bediening met multifunctiestuurwiel: op de toets 📋 drukken ⇒ Afbeelding 14.
△
Toets voor bestuurdershulpsystemen

Afbeelding 15 Op knipperlicht- en grootlichthen- del: Toets voor bestuurdershulpsystemen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Met de toets in de knipperlicht- en grootlichthendel kunnen de in het menu Hu1psystemen weergegeven bestuurdershulpsystemen worden in- of uitgeschakeld ⇒ pagina 226.
Afzonderlijke bestuurdershulpsystemen in- of uitschakelen
- Toets Afbeelding 15 (pijl) kort indrukken om het menu Hulpsystemen te openen.
- Bestuurdershulpsysteem kiezen en in- of uitschakelen pagina 27. Een "vinkje" geeft aan dat een bestuurdershulpsysteem is ingeschakeld.
- Vervolgens de keuze met de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel bevestigen ⇒ pagina 27.
Alle bestuurdershulpsystemen in- of uitschakelen
- Toets Afbeelding 15 (pijl) langer dan een seconde indrukken, om de in het menu Hulpsystemen gekozen bestuurdershulpsystemen gelijktijdig in- of uit te schakelen.
- Als er in het menu Hulpsystemen geen bestuurdershulpsysteem ingeschakeld was, worden alle bestuurdershulpsystemen ingeschakeld.
△
Hoofdmenu

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 25 en volg deze op.
| Hoofdmenu | Functie | Zie |
| MFA | Informatie en instelmogelijkheden van de multifunctie-indicatie (MFA). | ⇒pagina 29 |
| Sign Assist | Informatie van de verkeerstekenherkenning (Sign Assist). | ⇒pagina 254 |
| Lane Assist | Informatie van de Lane Assist. | ⇒pagina 251 |
| Audio | Zenderweergave in de radiofunctie.Titelweergave in de cd-functie.Titelweergave in de mediafunctie. | ⇒brochure Radio resp. ⇒ brochure Navigatiesysteem ▶ |
| Navigatie | Informatie van het ingeschakelde navigatiesysteem: Bij actieve routegeleiding worden richtingspijlen en de naderings-balken weergegeven. De weergegeven symbolen lijken op de symbolen van het navigatiesysteem.Als geen routegeleiding actief is, dan worden de rijrichting (kom-pasfunctie) en de naam van de straat waarin u rijdt weergegeven. | ⇒ brochure Navigatiesysteem |
| Telefoon | Informatie en instelmogelijkheden voor de mobiele-telefoonvoorbereiding. | ⇒ brochure Mobiele-telefoonvoorbe-reiding |
| Interieurvoor-verwarming | Informatie en instelmogelijkheden voor de interieurvoorverwar-ming: Interieurvoorverwarming in- of uitschakelen. Inschakeltijden en bedrijfsfunctie kiezen. | ⇒ pagina 270 |
| Hulpsystemen | In- en uitschakelen van de bestuurdershulpsystemen. | ⇒ pagina 28⇒ pagina 226⇒ pagina 125 |
| Wagenstatus | Actuele waarschuwings- of informatieteksten.Het menupunt verschijnt alleen als er waarschuwings- of informa-tieteksten zijn. Het aantal aanwezige meldingen wordt op het dis-play weergegeven. Voorbeeld: 1/1 of 2/2. | ⇒ pagina 19 |
| Instellingen | Verschillende instelmogelijkheden, bijvoorbeeld instellingen voor comfort, licht & zicht, tijd, snelheidswaarschuwing voor winterban-den, taal en eenheden. | ⇒ pagina 31 |
Menu multifunctie-indicatie (MFA)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-
gina 25 en volg deze op.
De multifunctie-indicatie geeft verschillende rij- en verbruikswaarden weer.
Tussen de weergaven van de multifunctie-indicatie wisselen
- Wagens zonder multifunctiestuurwiel: op de tuimelschakelaar in de ruitenwisserhendel drukken.
- Wagens met multifunctiestuurwiel: op toets △ of ▽ drukken.
De multifunctie-indicatie (MFA) is uitgerust met twee automatisch werkende geheugens: 1 - ritgeheugen en 2 - reisgeheugen. Rechtsboven op het display staat het nummer van het weergegeven geheugen.
Bij ingeschakeld contact en weergegeven geheugen 1 of 2 de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel indrukken, om tussen de beide geheugens te wisselen.
| 1 resp. Sinds start | Ritgeheugen. | Het geheugen verzamelt van het inschakelen tot het uitschakelen van het contact de rit- en verbruiksgegevens.Als de rit langer dan twee uur wordt onderbroken, wordt het geheu-gen automatisch gewist. Als de rit binnen 2 uur na uitschakelen van het contact wordt voortgezet, worden de nieuwe waarden toege-voegd. |
| 2 resp. Lange tijd | Reisgeheugen. | Het geheugen verzamelt de ritgegevens van een willekeurig aantal afzonderlijke ritten tot in totaal 19 uur en 59 minuten resp. 99 uur en 59 minuten rijtijd of 1999,9 resp. 9999,9 gereden kilometers, al naargelang de uitvoering van het instrumentenpaneel. Als een van deze maximumwaardena) wordt overschreden, wordt het geheugen automatisch gewist en begint weer bij 0. |
a) Varieert afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel.
- Het geheugen kiezen, dat u wilt wissen.
- De toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel circa 2 seconden ingedrukt houden.
Persoonlijk kiezen van de weergaven
In het menu Instellingen submenu Multi-functie-indicatiegegevens kunt u kiezen, welke van de mogelijke weergaven van de multi-
functie-indicatie op het display in het instrumentenpaneel moet worden weergegeven. Bovendien kunnen de weergegeven meeteenheden worden gewijzigd ⇒ pagina 31.
| Menu | Functie |
| Rijtijd | Rijtijd in uren (h) en minuten (min), die na het inschakelen van het contact is verstreken. |
| Verbruik | De weergave van het actuele brandstofverbruik vindt tijdens het rijden plaats in l/100 km, bij draaiende motor en stilstaande wagen in l/h. |
| Gemiddeld verbruik | Het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km wordt na het inschakelen van het contact pas na ongeveer 100 meter weergegeven. Tot die tijd worden streepjes weergegeven. De weergegeven waarde wordt elke 5 seconden vernieuwd. |
| Actieradius | Geschatte afstand in km, die met de aanwezige tankinhoud bij gelijkblijvende rijstijl nog kan worden gereden. Voor de berekening wordt onder andere het actuele brandstofverbruik gebruikt.De resterende actieradius is niet via het submenu MFA-data oproepbaar. |
| SCR-actieradius OF: Actieradius | Geschatte afstand in km, die met de nog aanwezige AdBlue-tankinhoud bij gelijkblijvende rijstijl kan worden gereden. De weergave verschijnt pas vanaf een resterende actieradius van 2400 km.De AdBlue-actieradius is niet via het submenu MFA-data oproepbaar. |
| Gereden afstand | De na het inschakelen van het contact gereden afstand in km. |
| Gemiddelde snelheid | De gemiddelde snelheid wordt na het inschakelen van het contact pas na ca. 100 meter weergegeven. Tot die tijd worden streepjes weergegeven.De weergegeven waarde wordt elke 5 seconden vernieuwd. |
| Digitale snelheids-weergave | Actueel gereden snelheid digitaal weergegeven. |
| Olietemperatuur | Actuele motorlietemperatuur digitaal weergegeven. |
| Waarschuwing bij --- km/hresp. Waarschuwing bij --- mph | Als de opgeslagen snelheid wordt overschreden (tussen 30 km/h (18 mph) en 250 km/h (155 mph)) wordt een akoestische en eventueel ook een opti-sche waarschuwing weergegeven. |
Snelheid voor de snelheidswaarschuwing opslaan
• Waarschuwing bij --- km/h kiezen.
- Op de toets OK/RESET in de ruitenwisserhendel resp. de toets OK op het multifunctiestuurwiel drukken om de actuele snelheid op te slaan en de waarschuwing te activeren.
- Zo nodig binnen ca. 5 seconden met de tuimelschakelaar in de ruitenwisserhendel of de toetsen △ of ▽ op het multifunctiestuurwiel de gewenste
snelheid instellen. Hierna opnieuw toets OK/RESET op de ruitenwisserhendel resp. toets OK op het multifunctiestuurwiel drukken of enkele seconden wachten. De snelheid is opgeslagen en de waarschuwing is geactiveerd.
- Om te deactiveren op toets OK/RESET op de ruitenwisserhendel resp. op toets OK op het multifunctiestuurwiel drukken. De opgeslagen snelheid wordt gewist.
Menu Instellingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 25 en volg deze op.
| Menu Instellingen | Functie |
| Hulpsystemen | Instellingen voor verschillende bestuurdershulpsystemen ⇒ pagina 33. |
| Spraak/taal | Taal voor de teksten op het display en in het navigatiesysteem instellen. |
| Multifunctie-indicatiegegevens | Instellen, welke multifunctie-indicatiegegevens op het display in het instrumentenpaneel moeten worden weergegeven ⇒ pagina 29. |
| Comfort | Instellingen voor de comfortfuncties van de wagen ⇒ pagina 32. |
| Licht & zicht | Instellingen voor de wagenverlichting ⇒ pagina 32. |
| Tijd | De uren en minuten van de klok in het instrumentenpaneel en in het navigatiesysteem instellen. De tijd kan in 12- en 24-uursmodus worden weergegeven. Eventueel wordt middels een S boven in het display weergegeven dat de zomertijd is ingesteld. |
| Winterbanden | Optische en akoestische snelheidswaarschuwing instellen. De functie alleen gebruiken als er winterbanden gemonteerd zijn, die niet geschikt zijn voor de topsnelheid van de wagen. |
| Eenheden | Eenheden voor temperatuur- en verbruikswaarden alsmede afstanden instellen. |
| Bandensp. contr. | Bandenspanning van alle banden opnieuw opslaan in het bandenspanningscontrolesysteem. |
| Tweede snelheid | Weergave van de tweede snelheid in- of uitschakelen. |
| Fabrieksinstelling | Zet functies in het menu Instellingen op de fabrieksinstellingen terug. |
| Terug | De weergave schakelt terug naar het hoofdmenu. |

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 25 en volg deze op.
| Submenu Comfort | Functie | |
| Easy Open | Achterklep met sensorgestuurde opening (Easy Open) in- of uitschakelen ⇒ pagina 46. | |
| Centrale vergrendeling⇒pagina 46 | Autom.ver-grendelen | (Auto Lock): automatisch vergrendelen van alle portieren en de achterklep bij een snelheid van ca, 15 km/h (10 mph). Voor het ontgrendelen bij stilstand van de wagen op de knop voor centrale vergrendeling drukken, de slotgreep bedienen of de sleutel uit het contact trekken, als de functie ontgrendelen is geactiveerd. |
| Autom. ont-grendelen | (Auto Unlock): alle portieren en de achterklep worden ontgrendeld als de sleutel uit het contact wordt getrokken. | |
| Portieront-grendeling | Bij het ontgrendelen van de wagen met de sleutel worden afhankelijk van de instelling de volgende portieren ontgrendeld:- Alle portieren: alle portieren worden ontgrendeld.- Eén portier: bij het ontgrendelen van de wagen met de sleutel wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld. Pas bij twee-maal indrukken van de toets ☑ worden alle portieren en de achterklep ontgrendeld.- Wagenzijde: de portieren aan bestuurderszijde worden ontgrendeld.Bij wagens met Keyless Access ⇒ pagina 46 worden door aan-raken van de portiergreep het bestuurdersportier en de portieren aan die wagenzijde ontgrendeld, waar zich de geldige sleutel bevindt. | |
| Ruitbed. | Instelling voor de ruitbediening: bij het ont- of vergrendelen kunnen alle ruiten worden geopend of gesloten. De functie voor het openen kan alleen voor het bestuurdersportier worden ingeschakeld ⇒ pagina 66. | |
| Spiegelkanteling | Kantelen van de bijrijdersspiegel bij het achteruitrijden. Maakt bijvoorbeeld zicht op de stoeprand mogelijk ⇒ pagina 143. | |
| Spiegelverstell. | Bij het instellen van de buitenspiegel aan bestuurderszijde wordt met de instelling Synchroon gelijktijdig de buitenspiegel aan bijrijderszijde ingesteld. | |
| Fabrieksinstel-ling | Sommige functies in het submenu Comfort worden op de fabrieksinstellingen teruggezet. | |
| Terug | De weergave schakelt terug naar menu Instellingen. | |
Submenu Licht & zicht

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 25 en volg deze op.
| Submenu Licht & zicht | Functie |
| Coming home | Instellen, hoe lang de verlichting na het vergrendelen resp. ontgrendelen van de wagen moet blijven branden of de functie in- of uitschakelen ⇒ pagina 132. |
| Leaving home | |
| Voetenruimtever- lichting | De voetenruimteverlichting wordt bij het inschakelen van het dimlicht of de rijver- lichting automatisch mee ingeschakeld. De helderheid van de voetenruimteverlich- ting in combinatie met het dimlicht of de rijverlichting kan in het menu worden inge- steld. |
| Comfortknipperen | Comfortknipperen in- of uitschakelen. Als comfortknipperen is ingeschakeld, dan worden bij kort aanraken van de knipperlicht- en grootlichthendel ten minste drie knippersignalen gegeven ⇒ pagina 125. |
| Reismodus | Reismodus in- of uitschakelen. Bij ingeschakelde reismodus schakelen de koplampen van een wagen met links stuur om voor linksrijdend verkeer resp. de koplampen van een wagen met rechts stuur voor rechtsrijdend verkeer. In landen instellen, waar aan de andere kant van de weg wordt gereden. De reismodus mag alleen gedurende een korte periode worden gebruikt en moet direct worden uitgeschakeld, indien deze niet meer nodig is. |
| Fabrieksinstelling | Hiermee kunt u de functies in het menu Licht & zicht op de fabrieksinstelling terugzetten. |
| Terug | De weergave schakelt terug naar menu Instellingen. |
Submenu Hulpsystemen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 25 en volg deze op.
| Submenu Hulp-systemen | Functie |
| Sign Assist | Verkeerstekenherkenning in- of uitschakelen ⇒ pagina 254 en instelling voor het rijden met aanhangwagen uitvoeren. |
| Lane Assist | Lane Assist in- of uitschakelen ⇒ pagina 251. |
Persoonlijke comfortinstellingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- is en volg deze op.
Als twee personen een wagen gebruiken, adviseert Volkswagen dat iedere persoon steeds de "eigen" sleutel gebruikt. Bij het uitschakelen van het contact resp. bij het vergrendelen van de wagen worden persoonlijke comfortinstellingen automatisch opgeslagen en aan de sleutel toegekend ⇒ pagina 25.
De waarden van de persoonlijke comfortinstellingen van de volgende menupunten worden aan de sleutel toegekend:
Menu Interieurvoorverwarming
Menu Instellingen
Klok
■ Taal
■ Eenheden
Menu Instellingen - Comfort
■ Centrale vergrendeling (éénportierontgrendeling, Auto Lock)
■ Comfortbediening van de ruiten
■ Spiegelkanteling
■ Coming home en leaving home
■ Voetenruimteverlichting
■ Comfortknipperen
Menu Instellingen - Licht & zicht
De opgeslagen instellingen worden uiterlijk bij het inschakelen van het contact automatisch weer opgeroepen. Zie ook de informatie en aanwijzingen voor de stoel met geheugenfunctie ⇒ pagina 84.
△
Voor het rijden
Voordat u wegrijdt
Aanwijzingen voor het rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorbereidingen voor het rijden en rijveiligheid 34
Rijden in het buitenland 35
Rijden over ondergelopen wegen 36
Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de wagen kan het zinvol zijn om een bodembescherming te laten inbouwen. Een bodembescherming kan het risico van beschadigingen van de onderzijde van de wagen en de carterpan verminderen, wanneer bijvoorbeeld regelmatig over stoepranden, oprijlanen of onverharde wegen wordt gereden. Volkswagen adviseert de inbouw ervan door uw Volkswagen Partner te laten uitvoeren.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veilig en op de juiste wijze zitten ⇒ pagina 74
• Transporteren ⇒ pagina 147
• Starten, schakelen, parkeren ⇒ pagina 196
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 221
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 355

WAARSCHUWING
Rijden onder invloed van alcohol, drugs, medicamenten en andere verdovende middelen kan zware ongevallen en dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- Alcohol, drugs, medicamenten en andere verdovende middelen kunnen uw waarne- ming, reactietijden en rijveiligheid aanzienlijk beïnvloeden, wat het verlies van de controle over de wagen tot gevolg kan hebben.
Voorbereidingen voor het rijden en rijveiligheid

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 34 en volg deze op.
Checklist
Voor uw eigen veiligheid, de veiligheid van alle passagiers en andere verkeersdeelnemers moeten de volgende punten voor elke rit worden opgevolgd ⇒ ⚠:
Foutloze werking van de verlichting en knipperlichten controleren.
Bandenspanning (⇒ pagina 321) en brandstofvoorraad (⇒ pagina 275) controleren.
√ Voor een helder en goed zicht door alle ruiten zorgen.
√ Voorwerpen en bagage veilig in de opbergvakken, in de bagageruimte en eventueel op het dak bevestigen ⇒ pagina 147.
De pedalen moeten altijd ongehinderd kunnen worden ingetrapt.
√ Kinderen in de wagen met een voor lichaamsgewicht en -lengte geschikt veiligheidssysteem veilig vastzetten ⇒ pagina 111.
√ Voorstoelen, hoofdsteunen en spiegels overeenkomstig uw lichaamslengte op de juiste wijze instellen ⇒ pagina 74.
Schoenen aantrekken, die uw voeten een goede grip geven voor de bediening van de pedalen.
Checklist (vervolg)
√ De vloermat in de voetenruimte aan bestuurderszijde moet het pedaalbereik vrijlaten en goed zijn vastgemaakt.
Juiste zithouding voor het rijden aannemen en tijdens het rijden behouden. Dat geldt ook voor de passagiers ⇒ pagina 74.
Veiligheidsgordel voor het rijden op juiste wijze omgespen en tijdens het rijden omgegespt laten. Dat geldt ook voor de passagiers ⇒ pagina 90.
Niet meer personen meenemen dan er zitplaatsen en veiligheidsgordels zijn.
√ Niet rijden als de rijvaardigheid bijvoorbeeld door medicijnen, alcohol of drugs negatief beïnvloed wordt.
√ Nooit laten afleiden van het verkeer bijvoorbeeld door instellingen en het openen van menu's, door passagiers of telefoongesprekken.
Snelheid en rijstijl altijd aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandighe- den.
√ Verkeersregels opvolgen en aangegeven snelheden aanhouden.
√ Op lange ritten regelmatig pauzeren - ten minste eens in de 2 uur.
Dieren veilig vervoeren in de wagen met behulp van een systeem dat overeenkomt met het gewicht en formaat van de dieren.

WAARSCHUWING
Altijd de verkeersregels en snelheidsbeperkingen in acht nemen en anticiperend rijden. Een juiste inschatting van de rijsituatie kan het verschil maken tussen het veilig bereiken van de reisbestemming en een ongeval met zware verwondingen.

Regelmatig onderhoud aan de wagen is niet alleen nodig voor het waardebehoud van de n, maar ook voor de bedrijfs- en verkeersvei-
ligheid. Laat daarom de onderhoudswerkzaamheden zoals beschreven in het Serviceplan uitvoeren. Bij zware gebruiksomstandigheden kan het nodig zijn dat sommige werkzaamheden eerder dan de volgende service moeten worden uitgevoerd. Zware omstandigheden zijn bijvoorbeeld vaak stoppen en optrekken, veel rijden met aanhangwagen en rijden in gebieden met veel stof. Meer informatie krijgt u bij een Volkswagen Partner of een specialist.
△
Rijden in het buitenland

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 34 en volg deze op.
Checklist
In bepaalde landen gelden speciale veiligheidsnormen en voorschriften met betrekking tot uitlaatgassen die van de productieversie van de wagen kunnen afwijken. Volkswagen adviseert om vóór een buitenlandse rit bij uw Volkswagen Partner informatie in te winnen over de wettelijke voorschriften die gelden in het land van uw bestemming alsmede over de volgende zaken:
√ Moet de wagen technisch op de buitenlandse rit worden voorbereid, bijvoorbeeld de koplampen afplakken resp. de koplamp-asymmetrie veranderen?
Zijn de benodigde gereedschappen, diagnoseapparaten en onderdelen voor service- en reparatiewerkzaamheden beschikbaar?
Zijn er in het land van uw bestemming Volkswagen Partners beschikbaar?
√ Voor benzinemotoren: is er loodvrije benzine met een toereikend octaangetal verkrijgbaar?
√ Voor dieselmotoren: is er zwavelarme diesel verkrijgbaar?
Zijn de juiste motorolie (⇒ pagina 292) en andere bedrijfsvloeistoffen volgens de specificaties van Volkswagen beschikbaar in het land van uw bestemming?
Checklist (vervolg)

Werkt het af fabriek ingebouwde navigatiesysteem met de aanwezige navigatiegegevens in het land van uw bestemming?

Zijn speciale banden nodig voor het rijden in het land van uw bestemming?
LET OP
Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan uw wagen die het gevolg is van minderwaardige brandstof, ontoereikende service of een gebrek aan originele onderdelen.
Rijden over ondergelopen wegen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Om beschadigingen aan de wagen bij het rijden over bijvoorbeeld overstroomde wegen te voorkomen, op het volgende letten:
- Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen. Het water mag maximaal tot aan de onderzijde van de carrosserie komen ⇒ ⚫.
- Niet harder dan stapvoets rijden.
- Nooit in het water stil blijven staan, achteruitrijden of de motor afzetten.
- Tegemoetkomende wagens maken golven, waardoor de waterspiegel voor de eigen wagen dusdanig kan stijgen dat veilig rijden door het water niet mogelijk is.
- Bij het rijden door water het start-stopsysteem altijd handmatig deactiveren pagina 226.
⚠ WAARSCHUWING
Na het rijden door water, modder enz. kan de remwerking vanwege de natte en in de winter bevroren remschijven en remblokken beïnvloed worden en de remweg langer worden.
- Voorzichtig remmen om de remmen "droog en ijsvrij te remmen". Daarbij geen verkeersdeelnemers in gevaar brengen of wettelijke voorschriften overtreden.
- Na door water te zijn gereden abrupte en plotselinge remmanoeuvres vermijden.
LET OP
- Bij het rijden door water kunnen onderdelen van de wagen, bijvoorbeeld motor, versnellingsbak, onderstel of elektrische installatie ernstig worden beschadigd.
- Niet door zout water rijden, want zout kan corrosie veroorzaken. Alle onderdelen van de wagen die met zout water in aanraking zijn gekomen, onmiddellijk met zoet water afspoelen.
Technische gegevens

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Kenmerkende wagengegevens 38
Motorgegevens 39
Afmetingen 40
Rijprestaties 41
Met welke motor uw wagen is uitgerust, kunt u ook zien op de sticker met wagengegevens in het Serviceplan resp. in het kentekenbewijs.
U moet altijd uitgaan van de gegevens in het kentekenbewijs. Alle gegevens in deze handleiding gelden voor het basismodel. Door meeruitvoeringen of verschillende type-uitvoeringen en ook bij speciale wagens en wagens voor andere landen kunnen de aangegeven waarden afwijken.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Transporteren ⇒ pagina 147
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 221
- Brandstof pagina 280
• Motorolie ⇒ pagina 292
• Motorkoelvloeistof ⇒ pagina 297
• Velgen en banden ⇒ pagina 321
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 355

WAARSCHUWING
Het negeren of overschrijden van de aangegeven waarden voor gewichten, belading, afmetingen en topsnelheid kan ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben.
Kenmerkende wagengegevens
A

B

BTT-0478
Afbeelding 16 A: Sticker met wagengegevens op de voorbeeldafbeelding met motorcode CCZB ③. B: Typeplaatje

Afbeelding 17 Links bij de voorruit: Chassisnummer

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Chassisnummer
Het chassisnummer kan van buitenaf door een kijkvenster in de voorruit worden afgelezen Afbeelding 17. Het kijkvenster zit aan de zijkant onderaan op de voorruit. Het chassisnummer is tevens ingeslagen in de rechterwatergoot. Deze zit tussen de veerpootsteun en het spatscherm. Om bij het chassisnummer te komen, moet u de motorkap openen pagina 287.
Sticker met wagengegevens
De sticker met wagengegevens Afbeelding 16 A bevindt zich in de bagageruimte en bevat de volgende gegevens:
① Chassisnummer
② Model, motorvermogen, versnellingsbak
③ Motor- en versnellingsbakcode, laknummer, interieuruitvoering. In het voorbeeld luidt de motorcode "CCZB".
④ Meeruitvoeringen, PR-nummers
Deze wagengegevens vindt u ook in het Serviceplan.
Typeplaatje
Het typeplaatje Afbeelding 16 B is na het openen van het bestuurdersportier te zien onder op de portierstijl. Wagens voor bepaalde landen hebben geen typeplaatje.
Het typeplaatje bevat de volgende gegevens:
⑤ Maximaal toegestaan gewicht
⑥ Toegestaan treingewicht (wagen + aanhang-wagen)
⑦ Toegestane voorasbelasting
⑧ Toegestane achterasbelasting

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 37 en volg deze op.
Om toelatingstechnische resp. belastingtechnische redenen kunnen vermogens en rijprestaties van sommige motoren in andere landen afwijken van de gegevens in deze brochure.
Benzinemotoren
| Motorvermogen | Insput-techniek | MC | Maximaal koppel | Aantal cilinders, cilinderinhoud |
| 110 kW bij 5800/min | TSI® | CTHA | 240 Nm bij 1500 – 4000/min | 4 cilinders, 1390 cm3 |
| 147 kW bij 5100 – 6000/ min | TSI® | CCZA | 280 Nm bij 1700 – 5000/min | 4 cilinders, 1984 cm3 |
Dieselmotoren
| Motorvermogen | Insput-techniek | MC | Maximaal koppel | Aantal cilinders, cilinderinhoud |
| 85 kW bij 4200/min met roetfilter | TDI® | CFFE | 280 Nm bij1750 – 2750/min | 4 cilinders, 1968 cm3 |
| 100 kW bij 4200/min BlueMotion met roetfilter | TDI® | CFFA | 320 Nm bij1750 – 2500/min | 4 cilinders, 1968 cm3 |
| 103 kW bij 4200/min BlueMotion met roetfilter | TDI® | CFFB | 320 Nm bij1750 – 2500/min | 4 cilinders, 1968 cm3 |
| 125 kW bij 4200/min met roetfilter | TDI® | CFGB | 350 Nm bij1750 – 2500/min | 4 cilinders, 1968 cm3 |
| 130 kW bij 4200/min met roetfilter | TDI® | CFGC | 380 Nm bij1750 – 2500/min | 4 cilinders, 1968 cm3 |
Afmetingen

Afbeelding 18 Afmetingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Alle gegevens in de tabel gelden voor het Duitse basismodel.
Door andere velgen- en bandenmaten, meeruitvoeringen of speciale type-uitvoeringen, het achteraf inbouwen van accessoires en ook bij speciale wagens en wagens voor andere landen kunnen de aangegeven waarden afwijken.
| Legenda bij Afbeelding 18: | Waarde | |
| A | Spoorbreedte vooraan | 1569 mm |
| Spoorbreedte achteraan | 1617 mm | |
| B | Breedte (zonder buitenspiegels) | 1904 mm |
| C | Breedte (van buitenspiegel tot buitenspiegel) | 2081 mm |
| D | Hoogte bij leeggewichta) tot bovenkant dak | 1720 mm |
| Hoogte bij leeggewichta) met dakreling | 1740 mm | |
| Hoogte bij leeggewichta) met navigatieantenne | 1753 mm | |
| E | Hoogte bij geopende achterklep en leeggewichta) | 2052 mm |
| F | Hoogte bij geopende motorkap en leeggewichta) | 1738 mm |
| G | Bodemvrijheid in rijklare toestandb) tussen de assen | 163 mm |
| H | Wielbasis | 2920 mm |
| I | Lengte (van bumper tot bumper) | 4854 mm |
| J | Lengte met af fabriek gemonteerde trekhaak | 4952 mm |
| Minimale draaicirkel | 11,9 m | |
a) Leeggewicht zonder bestuurder, zonder belading.
b) Leeggewicht met bestuurder (75 kg) en bedrijfsvloeistoffen.

LET OP
- Parkeerplaatsen met hoge stoepranden of vaste begrenzingen voorzichtig in rijden. Deze uit de bodem stekende voorwerpen kunnen bij het in- en uitparkeren de bumper en andere wagenonderdelen beschadigen.

LET OP (vervolg)
- Rij voorzichtig door kuilen en over perceelinritten, opritten, stoepranden en andere voorwerpen. Laaggelegen wagenonderdelen zoals bumpers, spoilers en delen van het onderstel, de motor of het uitlaatsysteem kunnen bij het eroverheen rijden worden beschadigd.
Geldt niet voor China
Rijprestaties

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 37 en volg deze op.
Om toelatingstechnische resp. belastingtechnische redenen kunnen vermogens en rijprestaties van sommige motoren in andere landen afwijken van de gegevens in deze brochure.
Benzinemotoren
| Motorvermogen | MC | Soort versnellingsbak | Topsnelheid |
| 110 kW | CTHA | SB6 | 197 km/h^a) |
| DSG®6 | 197 km/h^b) | ||
| 147 kW | CCZA | DSG®6 | 218 km/h^b) |
a) De topsnelheid wordt in de 5e versnelling bereikt.
b) De topsnelheid wordt in de 6e versnelling bereikt.
Dieselmotoren
| Motorvermogen | MC | Soort versnellingsbak | Topsnelheid |
| 85 kW met roetfilter | CFFE | SB6 | 184 km/ha) |
| 100 kW BlueMotion met roetfil-ter | CFFA | SB6 | 192 km/ha) |
| DSG®6 | 189 km/hb) | ||
| 103 kW BlueMotion met roetfil-ter | CFFB | SB6 | 194 km/ha) |
| DSG®6 | 191 km/hb) | ||
| SB6 4MOTION | 191 km/hb) | ||
| 125 kW met roetfilter | CFGB | SB6 | 207 km/ha) |
| DSG®6 | 204 km/hb) | ||
| 130 kW met roetfilter | CFGC | SB6 | 208 km/ha) |
| DSG®6 | 205 km/hb) |
a) De topsnelheid wordt in de 5e versnelling bereikt.
b) De topsnelheid wordt in de 6e versnelling bereikt.

De rijprestaties zijn bepaald zonder prestatie- remmende meeruitvoeringen zoals dakdra-
gers of spatlappen.
△
Open en dicht
Sleutelset

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Sleutels 42
Controlelampje in sleutel 43
Batterij vervangen 44
Sleutel synchroniseren 44
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Instellingen via het Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 25
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem ⇒ pagina 46
• Motor starten en afzetten ⇒ pagina 196
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 355
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 366

GEVAAR
Als batterijen met een diameter van 20 mm of andere lithiumbatterijen ingeslikt worden, kunnen binnen zeer korte tijd zware of zelfs dodelijke verwondingen ontstaan.
- De sleutel, alsmede sleutelhangers met batterijen, reservebatterijen, knoopcellen en andere batterijen, die groter zijn dan 20 mm buiten het bereik van kinderen bewaren.

GEVAAR (vervolg)
- Direct de hulp van een arts inroepen als u het vermoeden heeft, dat een batterij is ingeslikt.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de sleutel of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Kinderen of onbevoegde personen kunnen de portieren en de achterklep vergrendelen, de motor starten of het contact inschakelen en hierdoor de elektrische uitrustingen bedienen, zoals de ruitbediening.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen alleen achter in de wagen. Deze zijn in een noodgeval niet in staat, de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden. Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken zo- lang de wagen in beweging is. Het stuurslot kan vergrendelen en de wagen kan niet meer worden bestuurd.
Sleutels

Afbeelding 19 Sleutel

Afbeelding 20 Sleutel voor wagens met elektrisch bedienbare schuifdeuren

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa- en volg deze op.
Sleutels
Met de sleutel kan de wagen op afstand worden ont- en vergrendeld.
De zender met de batterijen is ondergebracht in de sleutel met radiografische afstandsbediening. De ontvanger zit in het interieur van de wagen. Het bereik van de sleutel bedraagt bij volle batterijen enkele meters rondom de wagen.
Als de wagen niet met de sleutel ont- of vergren-deld kan worden, moet de sleutel opnieuw worden gesynchroniseerd ⇒ pagina 44 of de batterij van de sleutel worden vervangen ⇒ pagina 44.
Er kunnen meerdere sleutels worden gebruikt.
Sleutelbaard uit- en inklappen
Door op de knop Afbeelding 19 ① resp. Afbeelding 20 ① te drukken wordt de sleutelbaard ontgrendeld en uitgeklapt.
Om in te klappen knop ① indrukken en tegelijkertijd de sleutelbaard terugdrukken, tot deze vergrendelt.
Reservesleutels
Voor de aanschaf van reservesleutels heeft u het chassisnummer van de wagen nodig.
Elke nieuwe sleutel moet een microchip bevatten en met de gegevens van de elektronische wegrijblokkering van de wagen worden gecodeerd. Een sleutel werkt niet, als deze geen microchip bevat of een microchip die niet gecodeerd is. Dit geldt ook voor sleutels die passend gefreesd zijn.
Nieuwe sleutels of reservesleutels zijn verkrijgbaar bij de Volkswagen Partner, bij specialisten of geautoriseerde sleuteldiensten, die gekwalificeerd zijn om een dergelijke sleutel te maken.
Nieuwe sleutels en vervangende sleutels moeten vóór gebruik worden aangepast. Specialist opzoe- ken.

LET OP
Elke sleutel bevat elektronische onderdelen. Sleutel tegen beschadigingen, vocht en sterke schokken beschermen.
Knoppen op de sleutel alleen indrukken als u de betreffende functie daadwerkelijk nodig heeft. Als een knop onnodig wordt ingedrukt, kan dit ertoe leiden dat de wagen onbedoeld wordt ont-grendeld of een alarm geactiveerd wordt. Dit geldt ook, als u denkt dat u zich buiten het werkingsgebied bevindt.
De werking van de sleutel kan door andere zenders in de buurt van de wagen, die in hetzelfde frequentiebereik werken (bv. zendapparatuur, mobiele telefoons), tijdelijk worden beïnvloed.
Obstakels tussen de sleutel en de wagen, slechte weersomstandigheden en leegraken-de batterijen verminderen het zendbereik.
Als u de knoppen op de sleutel Afbeelding 19 resp. Afbeelding 20 of één van de knoppen voor centrale vergrendeling pagina 46 binnen korte tijd meerdere keren achter elkaar bedient, schakelt de centrale vergrendeling zichzelf kort uit, om zich tegen overbelasting te beschermen. De wagen is dan ontgrendeld. Wagen zo nodig vergrendelen.
Controlelampje in sleutel

Afbeelding 21 Controlelampje in sleutel
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 42 en volg deze op.
Als een knop op de sleutel kort wordt ingedrukt, knippert het controlelampje Afbeelding 21 (pijl) eenmaal kort. Drukt u een knop langer in, dan knippert het controlelampje een paar keer, bv. bij het comfortopenen.
Als het controlelampje in de sleutel bij het indrukken van de knop niet gaat branden, moet de batterij in de sleutel worden vervangen ⇒ pagina 44.
△
Batterij vervangen

Afbeelding 22 Sleutel: Afdekking van batterijvak openen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa- en volg deze op.
Volkswagen adviseert, het vervangen van de batterij door een Volkswagen Partner of een specialist te laten uitvoeren.
De batterij zit aan de achterzijde van de sleutel onder een afdekking.
Batterij vervangen
- Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 43.
- Afdekking aan de achterzijde van de sleutel ⇒ Afbeelding 22 in pijlrichting verwijderen ⇒ Ⓞ.
- Batterij met een geschikt dun voorwerp uit het batterijvak wippen Afbeelding 23.
- Nieuwe batterij zoals afgebeeld plaatsen Afbeelding 23 en tegen de pijlrichting in in het batterijvak drukken ⚠.
- Afdekking zoals afgebeeld aanbrengen ⇒ Afbeelding 22 en tegen de pijlrichting in op de sleutel drukken tot deze vastklikt.

Afbeelding 23 Sleutel: Batterij verwijderen
LET OP
- Als de batterij niet goed wordt vervangen, kan de sleutel beschadigd raken.
- Ongeschikte batterijen kunnen de sleutel beschadigen. Een lege batterij alleen vervangen door een nieuwe batterij met dezelfde spanning, dezelfde grootte en dezelfde specificatie.
- Let bij het aanbrengen van de batterij op de juiste polariteit.

Ontladen batterijen op de daarvoor bestemde plaatsen inleveren.

De batterij in de sleutel kan perchloraat bevatten. Neem de wettelijke bepalingen en schriften bij het werken met en afvoeren van onderdelen in acht.
Sleutel synchroniseren

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa- en volg deze op.
Als u de knop 📋 vaak indrukt buiten het werkingsgebied, kunt u de wagen mogelijk niet meer met de sleutel met radiografische afstandsbediening ont- en vergrendelen. In dit geval moet de sleutel als volgt opnieuw worden gesynchroniseerd:
- Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 43.
- Afdekkap van de portiergreep van het bestuurdersportier verwijderen ⇒ pagina 366
-
Knop in de sleutel indrukken. Hierbij vlak bij de wagen gaan staan.
-
De wagen binnen een minuut met de uitgeklapte sleutelbaard ontgrendelen. De synchronisatie is afgerond.
- Afdekkap op de portiergreep van het bestuurdersportier monteren en zo nodig de sleutelbaard van de sleutel inklappen.
- De wagen binnen een minuut met de uitgeklapte sleutelbaard ontgrendelen. De synchronisatie is afgerond.
- Afdekkap op de portiergreep van het bestuurdersportier monteren en zo nodig de sleutelbaard van de sleutel inklappen.
Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 46
Beschrijving van de centrale vergrendeling .. 47
Wagen van buitenaf ont- of vergrendelen .... 48
Wagen van binnenuit ont- of vergrendelen ... 49
Wagen met Keyless Access ont- of vergrendelen 49
Safebeveiliging 52
Alarmsysteem 53
Interieurbewaking en afsleepalarm 54
De centrale vergrendeling werkt alleen dan zoals voorgeschreven, als alle portieren en de achterklep volledig zijn gesloten. Bij geopend bestuurdersportier kan de wagen niet met de sleutel worden vergrendeld.
Bij wagens met sleutelloos vergrendel- en startsysteem Keyless Access kan de wagen alleen worden vergrendeld, wanneer het contact is uitgeschakeld en het bestuurdersportier is gesloten.
Langere perioden van stilstand van een ontgren- delde wagen (bv. in de eigen garage) kunnen ertoe leiden, dat de accu ontladt en de motor niet meer kan worden gestart.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
- Persoonlijke comfortinstellingen in het Volkswagen informatiesysteem pagina 25
• Sleutelset ⇒ pagina 42
• Portieren ⇒ pagina 56
• Schuifdeuren ⇒ pagina 57 - Achterklep pagina 61
• Elektrische ruitbediening ⇒ pagina 66
• Elektrisch panoramaschuif-kanteldak ⇒ pagina 70
• Rijden met aanhangwagen ⇒ pagina 168
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 366

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de centrale vergrendeling kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De centrale vergrendeling vergrendelt alle portieren. Een van binnenuit vergrendelde wagen voorkomt onbedoeld openen van de portieren en binnendringen door onbevoegde personen. In geval van nood of bij een ongeval maken vergrendelde portieren het voor hulpverleners echter moeilijker om in het interieur te komen om de personen te helpen.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen. Met de knop voor centrale vergrendeling kunnen alle portieren van binnenuit worden vergrendeld. Dat kan ertoe leiden, dat ze zichzelf in de wagen insluiten. Ingesloten personen kunnen aan zeer hoge of zeer lage temperaturen worden blootgesteld.
- Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Nooit personen in een vergrendelde wagen achterlaten. Deze zijn in een noodgeval niet in staat, de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden.
Controlelampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
In het bestuurdersportier zit het controlelampje van de centrale vergrendeling ⇒ pagina 8.
Afhankelijk van de wagenuitrusting kan de wagen over een alarmsysteem en safebeveiliging ⇒ pagina 52 beschikken.
| Na het vergrendelen van de wagen | Betekenis | |
| zonder alarmsysteem | met alarmsysteem en safebe-veiliging | |
| Rode ledlampje knippert gedurende ongeveer twee seconden met korte tussenpozen, daarna langzamer. | De wagen is vergren-deld. | De wagen is vergrendeld en sa-febeveiliging is geactiveerd. |
| Rode ledlampje knippert gedurende ongeveer twee seconden en gaat uit. Na ongeveer 30 seconden knippert het lampje weer. | — | De wagen is vergrendeld en sa-febeveiliging is gedeactiveerd. |
| Rode ledlampje knippert gedurende ongeveer twee seconden met korte tussenpozen. Daarna brandt het lampje gedurende ongeveer 30 seconden permanent. | Storing in het vergren-delsysteem. Specialist opzoeken. | Storing in het vergrendelsys-teem. Specialist opzoeken. |

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Beschrijving van de centrale vergrendeling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De centrale vergrendeling maakt centraal ont- en vergrendelen van alle portieren, de achterklep en de tankklep mogelijk:
• Van buitenaf met de sleutel ⇒ pagina 48.
- Van buitenaf met Keyless Access ⇒ pagina 49.
- Van binnenuit met de knop voor centrale vergrendeling pagina 49
Via het submenu Comfort in het menu Instel- lingen of bij een specialist kunnen bijzondere functies van de centrale vergrendeling worden in- of uitgeschakeld ⇒ pagina 25.
De portieren, de achterklep en de tankklep kunnen bij uitval van de sleutel of de centrale vergrendeling handmatig worden ont- resp. vergrendeld.
Zo nodig vergrendelt de wagen zichzelf automatisch vanaf een snelheid van ongeveer 15 km/h (10 mph) ⇒ pagina 25. Als de wagen is vergrendeld, brandt het controlelampje in de knop voor centrale vergrendeling ⇒ Afbeelding 26 geel.
Automatisch ontgrendelen (Auto Unlock)
Wanneer de sleutel uit het contact wordt getrokken, ontgrendelt de wagen indien gewenst automatisch alle portieren en de achterklep ⇒ pagina 25.
Wagen na een airbagactivering vergrendelen
Wanneer de airbags bij een ongeval worden geactiveerd, wordt de gehele wagen ontgrendeld. Afhankelijk van de mate van de beschadiging kan de wagen na het ongeval als volgt worden vergrendeld.
| Functie | Handeling |
| Wagen met de knop voor centrale vergrendeling vergrendelen: | - Contact uitschakelen.- Eén wagenportier eenmalig openen en sluiten.- Knop voor centrale vergrendeling Ⓞ indrukken. |
| Wagen met de sleutel vergrendelen: | - Contact uitschakelen.OF: Sleutel uit het contact trekken.- Eén wagenportier eenmalig openen.- Wagen met de sleutel vergrendelen. |

Als u de knoppen op de sleutel Afbeelding 24 resp. Afbeelding 25 of een van de knop-
pen voor centrale vergrendeling ⇒ Afbeelding 26

binnen korte tijd meerdere keren achter elkaar bedient, schakelt de centrale vergrendeling zichzelf kort uit, om zich tegen overbelasting te beschermen. De wagen is dan gedurende ongeveer 30 se-
conden ontgrendeld. Als u gedurende deze tijd noch een portier noch de achterklep opent, wordt de wagen aansluitend automatisch vergrendeld.
△
Wagen van buitenaf ont- of vergrendelen

Afbeelding 24 Knoppen op de sleutel

Afbeelding 25 Knoppen op sleutel bij wagens met elektrisch bedienbare schuifdeuren

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 46 en volg deze op.
| Functie | Handeling met de knoppen op de sleutel ⇒ Afbeelding 24 resp. ⇒ Afbeelding 25 |
| Wagen ontgrendelen. | Knop Ⓞ indrukken. Ingedrukt houden voor comfortopenen. |
| Wagen vergrendelen. | Knop Ⓗ indrukken. Ingedrukt houden voor comfortsluiten. Bij wagens met safebeveiliging knop Ⓗ eenmaal indrukken, om de wagen met safebeveiliging te vergrendelen ⇒ pagina 52.Knop Ⓗ tweemaal indrukken, om de wagen zonder safebeveili-ging te vergrendelen. |
| Achterklep ontgrendelen. | Knop Ⓞ indrukken ⇒ pagina 61. |
| Elektrisch bedienbare schuifdeur openen. | Knop Ⓗ indrukken ⇒ pagina 57. De hele wagen wordt ont-grendeld. |
Let op: afhankelijk van de ingestelde functie van de centrale vergrendeling in het submenu Comfort worden pas bij tweemaal indrukken van de knop alle portieren en de achterklep ontgrendeld ⇒ pagina 25.
De sleutel ont- of vergrendelt de wagen alleen, als de batterij voldoende vermogen heeft en de sleutel zich in een bereik van enkele meters rond de wagen bevindt.
- Bij het vergrendelen van de wagen knipperen alle knipperlichten ter bevestiging eenmaal.
- Bij het ontgrendelen van de wagen knipperen alle knipperlichten ter bevestiging tweemaal.
Als de knipperlichten niet ter bevestiging knippe- ren, is ten minste één van de portieren of de ach- terklep niet goed gesloten.
Bij geopend bestuurdersportier kan de wagen niet met de sleutel worden vergrendeld. Als de wagen wordt ontgrendeld en noch een portier noch de achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen na enkele seconden weer automatisch. Deze functie voorkomt dat de wagen onbedoeld continu is ontgrendeld.
Comfortopenen en -sluiten
- Zie elektrische ruitbediening - functies ⇒ pagina 66.
- Zie elektrisch panoramaschuif-kanteldak - func-tie ⇒ pagina 70.
Wagen van binnenuit ont- of vergrendelen

Afbeelding 26 In het bestuurdersportier: Knop voor centrale vergrendeling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Knop indrukken ⇒ Afbeelding 26:

Wagen ontgrendelen.

Wagen vergrendelen.
De knop voor centrale vergrendeling werkt zowel bij in- als ook bij uitgeschakeld contact alleen, als alle portieren gesloten zijn.
Als de wagen met de sleutel is vergrendeld, is de knop voor centrale vergrendeling buiten werking.
Wanneer de wagen met de knop voor centrale vergrendeling wordt vergrendeld, geldt het volgende:
- Het controlelampje in de knop brandt geel Afbeelding 26, wanneer alle portieren zijn gesloten en vergrendeld.
- Bij wagens met safebeveiliging: safebeveiliging wordt niet geactiveerd ⇒ pagina 52.
- Alarmsysteem wordt niet geactiveerd.
- Het is niet mogelijk om de portieren en de achterklep van buitenaf te openen, bijvoorbeeld bij het stilstaan voor een stoplicht.
- Portieren kunnen van binnenuit worden ontgrendeld en geopend door aan de slotgreep te trekken. Het controlelampje gaat uit. Zo nodig moet herhaaldelijk aan de slotgreep worden getrokken. De ongeopende portieren en de achterklep blijven vergrendeld en zijn van buitenaf niet te openen.
Als de wagen tot stilstand komt en u de sleutel, bij ingeschakeld automatisch ontgrendelen ⇒ pagina 47, uit het contact trekt of de knop Ⓞ ⇒ Afbeelding 26 indrukt, ontgrendelt de wagen.
△
Wagen met Keyless Access ont- of vergrendelen

Afbeelding 27 Sleutelloos vergrendel- en startsysteem Keyless Access: (A) benaderingsgebieden (B) Achterklep met sensorgestuurde opening (Easy Open) openen

Afbeelding 28 Sleutelloos vergrendel- en start-systeem Keyless Access: Sensor Ⓐ voor het ont-grendelen aan de binnenzijde van de portiergreep en sensor Ⓑ voor het vergrendelen aan de buiten-zijde van de portiergreep

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Keyless Access is een sleutelloos vergrendel- en startsysteem, waarmee de wagen zonder actief gebruik van de sleutel kan worden ont- resp. vergrendeld. Hiervoor hoeft alleen een geldige sleutel in het benaderingsgebied van de wagen ⇒ Afbeelding 27 A aanwezig te zijn en één van de sensoren in de portiergrepen ⇒ Afbeelding 28 aangeraakt of de knop in de achterklep ⇒ pagina 61 bediend te worden ⇒ ⚫.
Basisinformatie
Als zich een geldige sleutel in een benaderingsgebied Afbeelding 27 A bevindt, verleent het sleutelloze vergrendel- en startsysteem Keyless Access deze sleutel toegang, zodra een sensor in een portiergreep wordt aangeraakt of de knop in de achterklep wordt ingedrukt. Vervolgens zijn de volgende functies mogelijk, zonder de sleutel actief te gebruiken:
• Keyless-Entry: ontgrendeling van de wagen via één van de vier portiergrepen of de knop in de achterklep.
• Keyless Go: motor starten en rijden. Hiertoe moet zich een geldige sleutel in de wagen bevinden en de startknop worden ingedrukt ⇒ pagina 196.
• Keyless Exit: vergrendeling van de wagen via de vier portiergrepen.
- Easy Open: openen van de achterklep met een voetbeweging onder de achterbumper.
De centrale vergrendeling en het vergrendelsysteem werken hetzelfde als bij het normale ont- en vergrendelingssysteem. Alleen de bedieningselementen zijn anders.
Het ontgrendelen van de wagen wordt weergegeven door tweemaal knipperen van alle knipperlichten, het vergrendelen door eenmaal knipperen.
Als de wagen wordt ontgrendeld en noch een portier noch de achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen na enkele seconden weer.
Portieren ontgrendelen en openen (Keyless Entry)
- Portiergreep omvatten. Hierbij wordt de sensor Afbeelding 28 (pijl) in de portiergreep aange-raakt en de wagen ontgrendeld.
- Portier openen.
Bij wagens zonder safebeveiliging: portieren sluiten en vergrendelen (Keyless Exit)
- Contact uitschakelen.
• Bestuurdersportier sluiten. - Sensorvlak buiten in de portiergreep Ⓑ (pijl) eenmaal aanraken. Het portier, waarvan de portiergreep wordt aangeraakt, moet gesloten zijn.
Bij wagens met safebeveiliging: portieren sluiten en vergrendelen (Keyless Exit)
- Contact uitschakelen.
• Bestuurdersportier sluiten. - Sensorvlak buiten in de portiergreep Ⓑ (pijl) eenmaal aanraken. De wagen wordt met safebeveiliging vergrendeld ⇒ pagina 52. Het portier, waarvan de portiergreep wordt aangeraakt, moet gesloten zijn.
- Sensor in de portiergreep Ⓑ (pijl) tweemaal aanraken, om de wagen zonder safebeveiliging te vergrendelen⇒ pagina 52.
Achterklep ontgrendelen en vergrendelen
Als de wagen vergrendeld is en zich een geldige sleutel in het benaderingsgebied Afbeelding 27 A van de achterklep bevindt, ontgrendelt de achterklep bij het openen automatisch.
Achterklep zoals een normale achterklep openen of sluiten ⇒ pagina 61.
De achterklep wordt na het sluiten automatisch vergrendeld. Indien sprake is van één van de volgende omstandigheden wordt de achterklep na het sluiten niet automatisch vergrendeld:
- De wagen is compleet ontgrendeld.
- Er bevindt zich een geldige sleutel in de wagen.
Achterklep met sensorgestuurde opening (Easy Open)
Als er zich een geldige sleutel in een benaderingsgebied ⇒ Afbeelding 27 A bevindt, kan de achterklep met een voetbeweging in het sensorbereik ⇒ Afbeelding 27 B onder de achterbumper ont-grendeld en geopend worden.
- Contact uitschakelen.
- In het midden achter de achterbumper gaan staan.
- Voet en scheenbeen in een snelle beweging zo dicht mogelijk langs de bumper bewegen. Het scheenbeen moet zich in het bovenste en de voet in het onderste sensorbereik bevinden ① B.
- Voet en scheenbeen weer snel uit de sensorbereiken verwijderen ② B. De achterklep gaat vanzelf open.
- Als de achterklep niet opent, handeling na enkele seconden herhalen.
Het openen van de achterklep met Easy Open wordt bevestigd door het eenmalig oplichten van het derde remlicht.
De achterklep vergrendelt automatisch na het sluiten, wanneer de wagen eerder was vergrendeld en er geen geldige sleutel in de wagen aanwezig is.
In de volgende situaties is Easy Open niet of slechts beperkt beschikbaar (voorbeelden):
- Wanneer de achterbumper ernstig vervuild is.
- Wanneer er zich zouthoudend water op de achterbumper bevindt, bv. na ritten op met zout bestrooide wegen.
- Wanneer de elektrisch ontgrendelbare kogel-kop naar buiten gezwenkt is.
- Wanneer de elektrisch ontgrendelbare kogel-kop niet vastgeklikt is.
- Wanneer de wagen met een naderhand van een trekhaak is uitgerust.
Bij zware neerslag wordt Easy Open zo nodig automatisch gedeactiveerd om foutief activeren, bv. door afstromend water, te voorkomen.
Easy Open kan in het menu Instellingen - Comfort in het Volkswagen informatiesysteem permanent worden in- of uitgeschakeld ⇒ pagina 25.
Handelwijze bij het vergrendelen met een tweede sleutel
Als zich een sleutel in het interieur bevindt en de wagen van buitenaf met een tweede geldige sleutel wordt vergrendeld, wordt de binnenliggende sleutel geblokkeerd voor het starten van de motor ⇒ pagina 196. Om het starten van de motor vrij te geven, de knop Ⓞ indrukken op de sleutel die binnen ligt ⇒ Afbeelding 24 resp. ⇒ Afbeelding 25.
Automatisch uitschakelen van de sensoren
Als de wagen langere tijd niet wordt ont- of vergrendeld, schakelen de naderingssensoren van het bijrijdersportier automatisch uit.
Als bij vergrendelde wagen een sensor buiten in de portiergreep onevenredig vaak wordt geactiveerd, bijvoorbeeld door schurende takken van een heg, schakelen alle naderingssensoren zichzelf gedurende enige tijd uit. Als het alleen om de sensor buiten van het bestuurdersportier gaat, schakelt alleen deze zichzelf uit.
De sensoren zijn weer actief, wanneer een van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:
• Er is enige tijd verstreken.
- OF: Wagen met de ☐-knop op de sleutel ont-grendelen.
• OF: Achterklep openen.
Comfortfuncties
Voor het comfortsluiten van alle elektrisch bediende ruiten en het elektrische panoramaschuif-kanteldak de vinger enkele seconden op de sensor voor vergrendelen Afbeelding 28 (B) op de buitenzijde van de portiergreep van het bestuurders-of bijrijdersportier houden, tot de ruiten resp. het elektrische panoramaschuif-kanteldak zijn gesloten.
Het openen van het portier bij het aanraken van de sensor gebeurt overeenkomstig de geactiveerde instellingen in het menu Instellingen - Comfort ⇒ pagina 25.

VOORZICHTIG
Wanneer zich een geldige wagensleutel in het benaderingsbereik van de achterklep bevindt, kan de Easy Open-functie in sommige gevalen onopzettelijk geactiveerd worden en de achterklep openen, bv. bij het vegen onder de achterbumper, bij het wassen van de auto, door een sterke water- of stoomstraal of bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden in de buurt van de achterbumper. Een onbedoeld openende achterklep kan verwondingen aan personen in het zwenkbereik van de klep of schade aan zaken veroorzaken.
- Altijd erop letten, dat er zich geen geldige sleutel onbedoeld in het benaderingsbereik van de wagen bevindt.

VOORZICHTIG (vervolg)
- Vóór alle onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan de wagen altijd de Easy Open-functie uitschakelen via het Volkswagen-informatiesysteem.
- Vóór het wassen van uw auto altijd de Easy Open-functie uitschakelen via het Volkswagen-informatiesysteem.
- Vóór het monteren van een fietsdrager of het bevestigen van een aanhanger altijd de Easy Open-functie uitschakelen via het Volkswagen-informatiesysteem.

LET OP
Door een sterke water- of stoomstraal kunnen de sensoren in de portiergrepen worden geactiveerd, als er zich een geldige sleutel in het benaderingsgebied bevindt. Als er minstens een ruit geopend is en de sensor Ⓑ in een portier-greep permanent wordt geactiveerd, sluiten alle ruiten. Als de water- of stoomstraal kort van de

LET OP (vervolg)
sensor Ⓐ in de portiergreep wordt verwijderd en weer teruggebracht, gaan mogelijk alle ruiten open ⇒ pagina 51, Comfortfuncties.

Bij een zwakke of ontladen accu resp. batterij in de sleutel kan de wagen mogelijk niet via ess Access worden ont- of vergrendeld. U de wagen dan handmatig ont- of vergrendelen gina 366.

Wanneer er zich geen geldige sleutel in de wagen bevindt of deze niet wordt herkend, op het display van het instrumentenpaneel overeenkomstige melding weergegeven. Dit het geval zijn, wanneer de sleutel door een anendsignaal word afgeschermd of door een werp wordt afgedekt, bv. door accessoires draagbare apparaten of door een aluminium

De werking van de portiergreepsensoren kan door sterke vervuiling beperkt worden, voor zoutresten. Zo nodig de wagen schoon- en ⇒ pagina 306.

Een wagen met automatische versnellingsbak kan alleen worden vergrendeld als deehendel in stand P staat.
Safebeveiliging

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Afhankelijk van de wagenuitrusting kan de wagen over safebeveiliging en een alarmsysteem ⇒ pagina 53 beschikken.
| Functie | Handeling |
| Wagen vergrendelen en safebeveiliging acti-veren | Eenmaal de knop op de sleutel indrukken ⇒ pagina 48. |
| Wagen vergrendelen zonder de safebeveili-ging te activeren. | Tweemaal de knop op de sleutel indrukken ⇒ pagina 48. |
| Tweemaal de sensor voor het vergrendelen van het sleu-telloos vergrendel- en startsysteem Keyless Access aan de buitenzijde van de portiergreep aanraken ⇒ pagina 49. | |
| Knop voor centrale vergrendeling in het bestuurder-sportier eenmaal indrukken ⇒ pagina 49. |
De safebeveiliging stelt bij vergrendelde wagen de portiergrepen buiten werking, om inbraakpogingen aan de wagen te bemoeilijken. De portieren kunnen niet meer van binnenuit worden geopend ⇒ ⚠.
Afhankelijk van de wagen kan bij het uitschakelen van het contact op de geactiveerde safebeveiliging worden gewezen op het display in het instrumentenpaneel (SAFE-vergrendeling resp. SAFE-LOCK).
Safebeveiliging uitschakelen
De safebeveiliging kan op één van de volgende manieren worden uitgeschakeld:
- Tweemaal de knop op de sleutel indrukken.
- Tweemaal de sensor voor het vergrendelen van het sleutelloos vergrendel- en startsysteem Keyless Access aan de buitenzijde van de portier-greep aanraken pagina 49.
- Contact inschakelen.
- Op de startknop van het sleutelloos vergrendelen startsysteem Keyless Access drukken.
Als de safebeveiliging is gedeactiveerd, geldt het volgende:
- De wagen kan van binnenuit met de slotgreep worden ontgrendeld en geopend.
• Het alarmsysteem is actief. - De interieurbewaking en het afsleepalarm zijn gedeactiveerd.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de safebeveiliging of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit personen in de wagen achterlaten, als de wagen met de sleutel wordt vergrendeld. Bij geactiveerde safebeveiliging kunnen de portieren van binnenuit niet meer worden geopend!
- Vergrendelde portieren maken het voor hulpverleners in noodgevallen moeilijk om in het interieur te komen en de personen te helpen. Ingesloten personen zouden in een noodgeval niet door ontgrendelen van de portieren uit de wagen kunnen komen.
△
Alarmsysteem

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Afhankelijk van de wagenuitrusting kan de wagen over een alarmsysteem en safebeveiliging ⇒ pagina 52 beschikken.
Met hulp van het alarmsysteem worden inbraakpogingen en diefstal van de wagen bemoeilijkt.
Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen van de wagen met de sleutel automatisch ingeschakeld.
Wanneer wordt het alarm geactiveerd?
Het alarmsysteem geeft gedurende ongeveer 30 seconden akoestische en maximaal vijf minuten optische waarschuwingssignalen, als bij de vergrendelde wagen de volgende onbevoegde handelingen worden uitgevoerd:
- Bij wagens met zichtbare slotcilinder: openen van een met de sleutel mechanisch ontgrendeld portier en het niet-inschakelen van het contact binnen 15 seconden.
- Bij wagens met verborgen slotcilinder: openen van een met de sleutel mechanisch ontgrendeld portier.
- Openen van een portier.
- Openen van de motorkap.
- Openen van de achterklep.
- Inschakelen van het contact met een ongeldige sleutel.
-
Losmaken van de accukabels.
-
Beweging in de wagen, bij wagens met interieurbewaking pagina 54.
- Afslepen van de wagen, bij wagens met af-sleepalarm pagina 54.
- Omhoogbrengen van de wagen, bij wagens met afsleepalarm pagina 54.
- Transporteren van de wagen op een veerboot of autotrein, bij wagens met afsleepalarm of interieurbewaking pagina 54.
- Loskoppelen van een in het alarmsysteem ge-integreerde aanhangwagen pagina 168.
Alarm uitschakelen
Wagen via de ontgrendelingsknop op de sleutel ontgrendelen of het contact met een geautoriseerde sleutel inschakelen. Bij wagens met Keyless Access kan het alarm ook door beetpakken van de portiergreep worden uitgeschakeld ⇒ pagina 49.

Het alarm wordt opnieuw geactiveerd, als na afloop van het alarm nog een keer in hetzelf- een ander beveiligd gedeelte wordt binnen- ongen. Bijvoorbeeld wanneer na het openen een portier ook de achterklep wordt geopend.

Het alarmsysteem wordt bij het vergrendelen van binnenuit met de knop voor centrale verdeling niet geactiveerd.

Als het bestuurdersportier met de sleutel me- chanisch wordt ontgrendeld, is alleen het be- dersportier ontgrendeld, niet de gehele wa- Pas na inschakelen van het contact worden portieren vrijgegeven – maar niet ontgrendeld wordt de knop voor centrale vergrendeling ge- eerd.
Interieurbewaking en afsleepalarm

Afbeelding 29 Naast de bestuurdersstoel: Knop voor het uitschakelen van de interieurbewaking en het afsleepalarm

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De interieurbewaking activeert bij vergrendelde wagen het alarm, wanneer in het interieur bewegingen worden herkend.
Het afsleepalarm activeert, wanneer herkend wordt dat de wagen omhoog wordt gebracht.
Interieurbewaking en afsleepalarm inschakelen
Opbergvak in de dakconsole Afbeelding 30 ① sluiten, omdat anders de werking van de interieurbewaking (pijlen) niet volledig is gewaarborgd.
Wagen met de sleutel vergrendelen. Bij ingeschakeld alarmsysteem zijn ook de interieurbewaking en het afsleepalarm ingeschakeld.
Interieurbewaking en afsleepalarm uitschakelen
Om uit te schakelen moet de oriëntatieverlichting in de knop ⇒ Afbeelding 29 branden. Om de oriëntatieverlichting in te schakelen, sleutel uit het contact trekken en het bestuurdersportier openen.

Afbeelding 30 In de dakconsole: Sensoren van de interieurbewaking bij het opbergvak
- Knop indrukken Afbeelding 29. In de knop gaat een geel controlelampje branden, totdat de wagen vergrendeld is.
- Alle portieren en de achterklep sluiten.
- Wagen met de sleutel vergrendelen. De interieurbewaking en het afsleepalarm worden tot het volgende vergrendelen van de wagen uitgeschakeld.
Schakelt u bijvoorbeeld in de volgende situaties vóór het vergrendelen van de wagen de interieurbewaking en het afsleepalarm uit:
- Als zich tijdelijk personen of dieren in het interieur ophouden.
- Als de wagen moet worden verladen.
- Als de wagen wordt vervoerd, bv. op een veerboot.
- Als de wagen met omhooggebrachte as moet worden afgesleept.
- Als de wagen in een dubbeldeksgarage moet worden geparkeerd.
- Als de wagen in een wasstraat moet worden neergezet.
Kans op loos alarm
De interieurbewaking werkt alleen optimaal als de wagen volledig gesloten is. Neem de wettelijke be- palingen in acht. In de volgende gevallen kan loos alarm optreden:
- Als één of meerdere ruiten geheel of gedeeltelijk geopend zijn.
- Als het elektrische panoramaschuif-kanteldak geheel of gedeeltelijk is geopend.
- Als er voorwerpen, zoals losse papieren of spiegelhangers (bv. interieurverfrissers), in de wagen achterblijven.
- Bij bewegingen in de wagen bij bevestigd scheidingsnet (interieurvoorverwarmingsfunctie).
-
Door het trilalarm van een in de wagen aanwezige mobiele telefoon.
-
Als de wagen wordt vervoerd, bv. op een veerboot.
- Als de wagen in een dubbeldeksgarage wordt geparkeerd.
- Als de wagen in een wasstraat staat.
Wanneer bij het inschakelen van het alarm- systeem nog portieren zijn geopend of de achterklep nog is geopend, wordt alleen het alarm- systeem ingeschakeld. Pas na het sluiten van de portieren en de achterklep zijn ook de interieurbewaking en het afsleepalarm ingeschakeld.
Portieren

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 56
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
• Instrumenten ⇒ pagina 19
- Sleutelset pagina 42
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 46
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 366

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten portier kan tijdens het rijden plotseling opengaan en zware verwondingen veroorzaken.
- Direct stoppen en het portier sluiten.
- Let er bij het sluiten op, dat het portier goed en volledig sluit. Het gesloten portier moet vlak aansluiten op de carrosseriedelen eromheen.
- Portieren alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.

WAARSCHUWING
Een met de portiervanger opengehouden portier kan bij harde wind en op hellingen vanzelf sluiten en verwondingen veroorzaken.
- Portieren bij het openen en sluiten altijd bij de portiergreep vasthouden.
△
Waarschuwingslampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 56 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Ten minste één portier staat open of is niet correct gesloten. | Niet verder rijden!Betreffende portier openen en opnieuw sluiten. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Als een portier open of niet goed gesloten is, dan brandt het waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel.
Afhankelijk van de wagenuitvoering kan in plaats van het waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel een symbolische weergave
zichtbaar zijn. De weergave is ook bij uitgeschakeld contact zichtbaar ⇒ pagina 19. De weergave verdwijnt ongeveer 15 seconden nadat de wagen werd vergrendeld.

Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
Schuifdeuren

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 57
Schuifdeur handmatig openen of sluiten ..... 58
Schuifdeur elektrisch openen of sluiten ..... 58
Krachtbegrenzing van de elektrisch bedienbare schuifdeuren 59
Elektrische kindersloten 60
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
• Instrumenten ⇒ pagina 19 - Sleutelset pagina 42
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 46
- Tanken ⇒ pagina 275
• Noodsluiten of -openen → pagina 366

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten schuifdeur kan tijdens het rijden plotseling opengaan en zware verwondingen veroorzaken.
- Direct stoppen en de schuifdeur sluiten.
- Let er bij het sluiten op, dat de schuifdeur goed en volledig sluit. De gesloten schuifdeur moet vlak aansluiten op de carrosserie-delen eromheen.
- Schuifdeuren alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.

WAARSCHUWING
Het openen van schuifdeuren tijdens het rijden is gevaarlijk. De schuifdeur kan door de bewegings- of vertragingsenergie van de wagen zelfstandig open- of dichtschuiven, wat zware verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Schuifdeuren nooit openen, als de wagen in beweging is.
Waarschuwingslampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 57 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Ten minste één portier staat open of is niet correct gesloten. | Niet verder rijden!Betreffende portier openen en opnieuw sluiten. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Als een portier open of niet goed gesloten is, dan brandt het waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel.
Afhankelijk van de wagenuitvoering kan in plaats van het waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel een symbolische weergave
zichtbaar zijn. De weergave is ook bij uitgeschakeld contact zichtbaar ⇒ pagina 19. De weergave verdwijnt ongeveer 15 seconden nadat de wagen werd vergrendeld.

Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
Schuifdeur handmatig openen of sluiten

Afbeelding 31 In de schuifdeur: Deurgreep ①
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 57 en volg deze op.
| Functie | Handeling |
| Schuifdeur van buitenaf openen. | Bij ontgrendelde schuifdeur aan de deurgreep aan de buitenzijde trekken en de schuifdeur volledig openen ⇒ ⚠️. |
| Schuifdeur van binnenuit openen. | Bij ontgrendelde schuifdeur aan de deurgreep aan de binnenzijde ⇒ Afbeelding 31 Ⓞ trekken en de schuifdeur volledig openen ⇒ ⚠️. |
| Schuifdeur sluiten. | Wagens zonder sluithulp: aan de deurgreep aan de binnen- of buitenzijde trekken en de schuifdeur met een lichte zet dichtschuiven. Let erop dat de schuifdeur volledig is gesloten. |
| Wagens met sluithulp: aan de deurgreep aan de binnen- of buitenzijde trekken en de schuifdeur met een lichte zet zo ver dichtschuiven, dat de schuifdeur automatisch met de sluithulp wordt gesloten. |

WAARSCHUWING
Een niet goed geopende schuifdeur kan plotseling sluiten en zware verwondingen veroorzaken.
• Schuifdeuren altijd volledig openen.

LET OP
Een geopende tankklep kan worden beschadigd, als de rechterschuifdeur wordt geopend.
- Voor het openen van de rechterschuifdeur er op letten, dat de tankklep is gesloten.
<
Schuifdeur elektrisch openen of sluiten

Afbeelding 32 In het onderste gedeelte van de middenconsole, op de sleutel of in de binnenbekleding vóór de schuifdeur: Knop voor het openen en sluiten van een elektrisch bedienbare schuifdeur
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 57 en volg deze op.
Elke elektrisch bedienbare schuifdeur kan met enige kracht ook handmatig worden geopend en gesloten.
| Functie | Handeling |
| Schuifdeur elektrisch openen. | Op toets in het onderste gedeelte van de middenconsole of op de binnenbekleding vóór de schuifdeur drukken ⇒ Afbeelding 32.OF: Toets van de sleutel ingedrukt houden ⇒ Afbeelding 32.De schuifdeur opent met krachtbegrenzing, zolang niet opnieuw op de toets wordt gedrukt. |
| Kort aan de deurgreep aan de binnen- of buitenzijde trekken. De schuifdeur opent automatisch. | |
| Schuifdeur elektrisch sluiten. | Knop in het onderste gedeelte van de middenconsole, op de sleutel of in de binnenbekleding vóór de schuifdeur indrukken ⇒ Afbeelding 32.De schuifdeur sluit met krachtbegrenzing zolang de knop niet opnieuw wordt ingedrukt. Tijdens het sluiten klinken waarschuwingssignalen. |
| Kort aan de deurgreep aan de binnen- of buitenzijde trekken. De schuifdeur sluit met krachtbegrenzing. Tijdens het sluiten klinken waarschuwingssignalen. |
Bij geopende tankklep is de elektrisch bedienbare rechterschuifdeur aan de binnenzijde geblokkeerd. Deze kan dan alleen handmatig vanaf de buitenzijde worden geopend.
Als de ruit van een elektrisch bedienbare schuifdeur geopend is, gaat deze schuifdeur niet volledig open.
Als de toets in de sleutel bij vergrendelde wagen wordt ingedrukt, wordt de hele auto ontgrendeld.
Krachtbegrenzing van de elektrisch bedienbare schuifdeuren
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 57 en volg deze op.
De krachtbegrenzing van de elektrische bedienbare schuifdeuren kan het gevaar van verwondingen door knellen bij het openen en sluiten van de schuifdeuren verminderen ⇒ ⚠.
Als het sluiten van een schuifdeur door zwaar bewegen of een obstakel wordt belemmerd, dan gaat de schuifdeur meteen weer open.
Als het openen van een schuifdeur door zwaar bewegen of een obstakel wordt belemmerd, dan stopt de schuifdeur op deze plek.
- Controleren waarom de schuifdeur niet opent of sluit.
- Opnieuw proberen de schuifdeur te openen of te sluiten.
- Zo nodig de schuifdeur noodopenen of -sluiten ⇒ pagina 366.
! WAARSCHUWING
Het sluiten van de elektrisch bedienbare schuifdeuren zonder krachtbegrenzing kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij het sluiten van elektrisch bedienbare schuifdeuren altijd goed opletten.
- Niemand mag zich in het werkingsgebied van de elektrisch bedienbare schuifdeuren bevinden, met name als deze zonder krachtbegrenzing worden gesloten.
- De krachtbegrenzing voorkomt niet dat vingers of andere lichaamsdelen tegen het deurframe worden gedrukt en daardoor kunnen worden verwond.

flowchart
graph TD
A["Component 1"] --> C["Central Device"]
B["Component 2"] --> C["Central Device"]
C --> D["Storage 1"]
C --> E["Storage 2"]
Afbeelding 33 In het bestuurdersportier: Knoppen voor de elektrische kindersloten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De elektrische kindersloten voorkomen dat de schuifdeuren en de ruiten in de schuifdeuren van binnenuit kunnen worden geopend, zodat bijvoorbeeld kinderen tijdens het rijden niet per ongeluk een deur openen. De schakelaars van de ruitbediening en de slotgreep kunnen per zijde buiten werking worden gesteld, om een volwassene naast een kind op de achterbank geen beperkingen op te leggen. De linkerknop Afbeelding 33 ① resp. de rechterknop ② schakelt de kinderbeveiliging linksresp. rechtsachter in.
Elektrische kinderbeveiliging in- of uitschakelen
| Functie | Handeling |
| Inschakelen: | Knop 1 of 2 indrukken. |
| Uitschakelen: | De betreffende knop opnieuw in-drukken. |
Het gele controlelampje ⬤ gaat branden als de functie is ingeschakeld.

WAARSCHUWING
Als de elektrische kinderbeveiliging is ingeschakeld, kan het betreffende portier niet van binnenuit worden geopend.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen, wanneer de portieren worden vergrendeld. Dat kan ertoe leiden, dat deze personen zichzelf in de wagen insluiten. In een noodgeval zouden zijn niet in staat zijn de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te helpen. Ingesloten personen kunnen aan zeer hoge of zeer lage temperaturen worden blootgesteld.
- Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
Achterklep

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 62
Achterklep openen 62
Achterklep sluiten 63
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
• Centrale vergrendeling ⇒ pagina 46
• Ruitenwissers en -sproeiers ⇒ pagina 137
• Transporteren ⇒ pagina 147
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 366

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht ontgrendelen, openen of sluiten van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Achterklep alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.
- Achterklep nooit met de hand op de achterruit dichtdrukken. De achterruit zou kunnen versplinteren en verwondingen veroorzaken.
- Na het sluiten van de achterklep controle-ren, of deze is gesloten en vergrendeld, zoals voorgeschreven, zodat de achterklep tijdens het rijden niet vanzelf open kan gaan. De gesloten achterklep moet vlak aansluiten op de carrosserieedelen eromheen.
- De achterklep tijdens het rijden altijd gesloten houden, zodat er geen giftige uitlaatgassen in het interieur kunnen binnendringen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit de achterklep openen, als daaraan lading zit, bijvoorbeeld op een bagagedrager. Ook gaat de achterklep mogelijk niet vanzelf open, als daaraan lading, bijvoorbeeld fietsen, bevestigd is. Een geopende achterklep kan door het extra gewicht vanzelf omlaaggaan. Zo nodig de achterklep ondersteunen of de lading van tevoren verwijderen.
- De achterklep en alle portieren sluiten en vergrendelen, als de wagen niet wordt gebruikt. Overtuig u ervan dat niemand in de wagen achterblijft.
- Nooit kinderen zonder toezicht in en aan de wagen laten spelen, vooral als de achterklep is geopend. Kinderen kunnen in de bagageruimte komen, de achterklep sluiten en zichzelf zo insluiten. Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen. Deze kunnen met de sleutel of de knop voor centrale vergrendeling de wagen vergrendelen en zichzelf daardoor insluiten.

LET OP
Vóór het openen van de achterklep controleren, of er voldoende ruimte is voor het openen en sluiten van de achterklep, bijvoorbeeld bij aangekoppelde aanhangwagen of in garages.

LET OP
Nooit de gasdrukveer resp. de achterklepaandrijving (bij automatisch openende achterklep) voor het fixeren van lading gebruiken of om deze tegen te houden. Dit kan tot beschadigingen leiden en het sluiten van de achterklep onmogelijk maken.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 61 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Achterklep geopend of niet correct gesloten. | Niet verder rijden!Achterklep openen en opnieuw sluiten. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Als de achterklep geopend of niet goed gesloten is, brandt het waarschuwingslampje ⇌ op het display in het instrumentenpaneel.
Afhankelijk van de wagenuitvoering kan in plaats van het waarschuwingslampje op het display in het instrumentenpaneel een symbolische weergave zichtbaar zijn. De weergave is ook bij uitgeschakeld contact zichtbaar. De weergave verdwijnt ongeveer 15 seconden nadat de wagen werd vergrendeld.

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten achterklep kan tijdens het rijden plotseling opengaan en zware verwondingen veroorzaken.
- Direct stoppen en de achterklep sluiten.
- Na het sluiten van de achterklep controle- ren of de vergrendeling juist in de slotplaat is vastgeklikt.

Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
Achterklep openen

Afbeelding 34 In het onderste gedeelte van de middenconsole: Ontgrendelingsknop van de achterklep

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Vóór het openen van de achterklep altijd de bagage die op de bagagedrager aan de achterklep is bevestigd verwijderen ⇒ ⚠.
Met de sleutel openen
Knop op de sleutel indrukken tot de achterklep vanzelf opengaat.

Afbeelding 35 In de achterklep: Knop voor het openen van de achterklep
Met de knop in de middenconsole openen
De knop in de middenconsole ingedrukt houden ⇒ Afbeelding 34. De achterklep gaat vanzelf open.
De knop in de middenconsole werkt ook wanneer het contact is uitgeschakeld.
Achterklep met sensorgestuurde opening (Easy Open) openen
Bij wagens met Keyless Access kan de achterklep met een voetbeweging in het sensorbereik onder de achterbumper worden geopend ⇒ pagina 46.
Met de knop in de achterklep openen
- Wagen ontgrendelen of een portier openen.
- Achterklep met de knop Afbeelding 35 (pijl) iets optillen en openen.

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht ontgrendelen of openen van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij een op de achterklep gemonteerde bagagedrager met lading kan een ontgrendelde achterklep niet altijd als zodanig worden herkend. Een ontgrendelde achterklep kan tijdens het rijden plotseling open gaan.

Bij buitentemperaturen onder 0 °C (+32 °F) kunnen de gasdrukveren de achterklep niet altijd automatisch openen. In dit geval de achterklep met de hand naar boven duwen.

Achterklep sluiten

Afbeelding 36 Geopende achterklep: Handgreep voor dichttrekken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Achterklep sluiten
- In de handgreep in de binnenbekleding van de achterklep grijpen Afbeelding 36 (pijl).
- Achterklep met een zwaai omlaagtrekken, tot deze in het slot vastklikt.
- Door aan de achterklep te trekken controleren of deze ook goed is vastklikt.
Achterklep vergrendelen
Als de wagen wordt ontgrendeld en geen portier of achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen na ca. 30 seconden weer automatisch. Deze functie voorkomt dat de wagen onbedoeld continu is ontgrendeld.
Vergrendelen is alleen bij goed gesloten en vast-geklikte achterklep mogelijk.
- Via de centrale vergrendeling wordt ook de achterklep vergrendeld.
- Als de achterklep van een vergrendelde wagen met de knop op de sleutel werd ontgrendeld, wordt deze na het sluiten direct weer vergrendeld.
- Een gesloten, maar niet vergrendelde achter-klep wordt bij een snelheid boven ongeveer 9 km/h (6 mph) automatisch vergrendeld.

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht sluiten van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit kinderen zonder toezicht in en aan de wagen laten spelen, vooral als de achterklep is geopend. Kinderen kunnen in de bagageruimte komen, de achterklep sluiten en zichzelf zo insluiten. In een afgesloten wagen kan het, afhankelijk van het jaargetijde, zo extreem warm worden of afkoelen dat dit tot zware verwondingen, ziekte of zelfs de dood kan leiden.

Vóór het sluiten van de achterklep controle- ren of de sleutel niet in de bagageruimte ligt.


Afbeelding 37 Knop in de geopende achterklep

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Achterklep openen
- Knop op de sleutel indrukken tot de achterklep vanzelf opengaat.
- OF: Knop in de middenconsole ca. 1 seconde lang indrukken Afbeelding 34.
- OF: Knop Afbeelding 35 (pijl) in de achterklep bedienen.
Als het automatisch openen van de achterklep door zwaar bewegen of een obstakel wordt belemmerd, wordt het openen direct onderbroken.
Als de af fabriek ingebouwde trekhaak elektrisch met de aanhangwagen is verbonden, kan de elektrisch bediende achterklep alleen via de knop in de achterklep worden bediend. De knoppen in de middenconsole en op de sleutel zijn geblokkeerd.
De achterklep kan ook met wat extra kracht met de hand worden geopend.
Achterklep sluiten
- Knop op de sleutel ongeveer een seconde lang ingedrukt houden.
- OF: Knop in de middenconsole ca. 1 seconde lang indrukken Afbeelding 34.
- OF: Knop Afbeelding 35 (pijl) in de achterklep bedienen.
- OF: Knop in de geopende achterklep indrukken ⇒ Afbeelding 37 ⇒ ▲.
• OF: Achterklep met de hand omlaagbewegen.
De achterklep gaat vanzelf omlaag naar de eindpositie en wordt met de sluithulp automatisch gesloten ⇒ ⚠.
Als het automatische sluiten van de achterklep door zwaar bewegen of een obstakel wordt belemmerd, opent de achterklep meteen weer een beetje.
Controleren waarom de achterklep niet kon worden gesloten.
Opnieuw proberen de achterklep te sluiten.
Openen of sluiten onderbreken
Het openen en sluiten van de achterklep kan worden onderbroken door één van de knoppen in te drukken. Wordt één van de knoppen nogmaals ingedrukt, dan beweegt de achterklep in tegenovergestelde richting terug.
De achterklep kan dan met de hand verder worden geopend resp. gesloten. Hiervoor moet extra kracht worden uitgeoefend.
Openingshoek opslaan
De achterklep moet minstens half geopend zijn, om een openingshoek op te slaan.
- Openen in de gewenste openingsstand onderbreken ⇒ pagina 64.
- Knop Afbeelding 37 in de geopende achterklep gedurende minstens 3 seconden indrukken. De openingshoek wordt opgeslagen.
Het opslaan wordt bevestigd door het knipperen van de alarmlichten en een signaaltoon.
Om de achterklep weer geheel te openen, moet de opgeslagen openingshoek opnieuw opgeslagen worden.
- Achterklep ontgrendelen en tot de opgeslagen hoogte openen.
- Achterklep met de hand tot de aanslag omhoogdrukken. Hiervoor moet extra kracht worden uitgeoefend.
- Knop Afbeelding 37 in de geopende achterklep gedurende minstens 3 seconden indrukken.
- De openingshoek is weer op de fabrieksinstelling teruggezet.

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht sluiten van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit kinderen zonder toezicht in en aan de wagen laten spelen, vooral als de achterklep is geopend. Kinderen kunnen in de bagageruimte komen, de achterklep sluiten en

WAARSCHUWING (vervolg)
zichzelf zo insluiten. In een afgesloten wagen kan het, afhankelijk van het jaargetijde, zo extreem warm worden of afkoelen dat dit tot zware verwondingen, ziekte of zelfs de dood kan leiden.

WAARSCHUWING
De achterklep kan niet geheel openen, resp. een geopende achterklep kan niet zelfstandig zakken, wanneer er zich een zware sneeuwlast of een gemonteerde bagagedrager op bevindt. In dit geval moet een geopende achterklep extra ondersteund worden.

LET OP
- Bij gebruik van een aanhangwagen controleren, of er genoeg ruimte is om de achterklep te openen en te sluiten.

LET OP (vervolg)
- Vóór het openen van de achterklep moet een aan de achterklep gemonteerd dakdrager-systeem (bv. fietsdrager) worden verwijderd.

LET OP
Wanneer het systeem vaak wordt bediend, wordt het uitgeschakeld, om oververhitting te voorkomen.
- Zodra het systeem weer is afgekoeld, kan de functie weer gebruikt worden. In deze tijd kan de achterklep met iets meer kracht met de hand geopend resp. gesloten worden. - Wanneer bij geopende achterklep de accukabels worden losgemaakt resp. de accu leegraakt of de zekering defect raakt, moet het achterklepsysteem opnieuw worden geïnitialiseerd. Hierbij moet de achterklep eenmaal worden gesloten.

Vóór het sluiten van de achterklep controle- ren of de sleutel niet in de bagageruimte ligt.
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruiten elektrisch openen of sluiten 67
Elektrische ruitbediening – functies ..... 67
Krachtbegrenzing van de elektrische ruitbediening 68
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 25
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 46
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 306

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de elektrische ruitbediening of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Elektrisch bedienbare ruiten alleen openen of sluiten, als niemand zich in het werkingsgebied bevindt.
- Nooit kinderen of hulpbehoevende personen in de wagen achterlaten, als de wagen wordt vergrendeld. De ruiten kunnen in geval van nood niet meer worden geopend.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u de ruiten met de schakelaars in de portieren nog enige tijd openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.
- Bij het vervoeren van kinderen op de stoelen achterin moeten de ruitbedieningsschakelaars achterin met de knop voor de elektrische kindersloten buiten werking worden gesteld, zodat de ruiten achterin niet kunnen worden geopend of gesloten.

LET OP
Bij geopende ruiten kan het interieur van de wagen door plotselinge neerslag nat worden en kan er schade aan de wagen ontstaan.
Ruiten elektrisch openen of sluiten

flowchart
graph TD
A["Component 1"] --> B["Component 2"]
B --> C["Component 3"]
C --> D["Component 4"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#bbf,stroke:#333
style C fill:#bfb,stroke:#333
style D fill:#ffb,stroke:#333
Afbeelding 38 In het bestuurdersportier: Schakelaars voor het bedienen van de ruiten voorin en achterin en knoppen voor de elektrische kindersloten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Schakelaars in het bestuurdersportier
Legenda bij Afbeelding 38:
① Schakelaars voor de ruiten in de voorportieren.
② Schakelaars voor de ruiten in de schuifdeuren.
③ Knoppen voor het blokkeren van de schuifdeuren en de ruitbediening in de schuifdeuren.
Ruiten openen of sluiten
| Functie | Handeling |
| Openen: | Schakelaarindrukken. |
| Sluiten: | Schakelaaraantrekken. |
| Sluit-ope-ningsauto-maat stop-pen: | Schakelaar voor de betreffende ruit opnieuw indrukken of aantrekken. |
| Rechter- of linkerruit-schakelaar achterin deactiveren: | Knopvoor de elektrische kin-dersloten indrukken, om de ruitbe-dieningsschakelaars in de schuif-deuren buiten werking te stellen en de schuifdeuren te blokkeren⇒pagina 57. Het controlelampje in de toets brandt. |
Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u de rui- ten met de schakelaars in de portieren nog enige tijd openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.
△
Elektrische ruitbediening – functies

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Sluit-openingsautomaat
De sluit-openingsautomaat maakt volledig openen en sluiten van de ruiten mogelijk. Daarbij hoeft de betreffende ruitbedieningsschakelaar niet te worden vastgehouden.
Voor sluitautomaat: schakelaar voor de betreffende ruit kort tot in de tweede stand naar boven trekken.
Voor openingsautomaat: schakelaar voor de betreffende ruit kort tot in de tweede stand naar beneden drukken.
Sluit-openingsautomaat stoppen: opnieuw op de schakelaar voor de betreffende ruit drukken resp. aan de schakelaar trekken.
Weer activeren van de sluit-openingsautomaat
Als de accu bij niet volledig gesloten ruit losgekoppeld of ontladen was, is de sluit-openingsautomaat uitgeschakeld en moet deze opnieuw worden geactiveerd.
- Alle ruiten en portieren sluiten.
- Schakelaar voor de betreffende ruit omhoogtrekken en ten minste een seconde lang in deze stand houden.
- Schakelaar loslaten en opnieuw naar boven trekken en aangetrokken houden. De sluit-openingsautomaat is nu weer bedrijfsklaar.
De ruitbedieningsautomaten kunnen apart of voor meerdere ruiten gelijktijdig weer worden geactiveerd.
Comfortopenen en -sluiten
De ruiten kunnen van buitenaf met de sleutel worden geopend en gesloten:
- Ont- of vergrendelingsknop van de sleutel ingedrukt houden. Alle ruiten met elektrische ruitbediening worden geopend resp. gesloten.
- Om de functie te onderbreken, ont- of vergren-delingsknop loslaten.
Bij het comfortsluiten sluiten de ruiten en het elektrische panoramaschuif-kanteldak gelijktijdig.
Via het menu Instellingen - Comfort kunnen verschillende instellingen voor de bediening van de ruiten worden uitgevoerd ⇒ pagina 25.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de elektrische ruitbediening of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Elektrisch bedienbare ruiten alleen openen of sluiten, als niemand zich in het werkingsgebied bevindt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit kinderen of hulpbehoevende personen in de wagen achterlaten, als de wagen wordt vergrendeld. De ruiten kunnen in geval van nood niet meer worden geopend.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u de ruiten met de schakelaars in de portieren nog enige tijd openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.
- Bij het vervoeren van kinderen op de stoelen achterin moeten de ruitbedieningsschakelaars achterin met de knop voor de elektrische kindersloten buiten werking worden gesteld, zodat de ruiten achterin niet kunnen worden geopend of gesloten.

Als er een storing in de elektrische ruitbediening is, functioneren de sluit- en openingsau-
tomaat alsmede de krachtbegrenzing niet goed.
Specialist opzoeken.
△
Krachtbegrenzing van de elektrische ruitbediening

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De krachtbegrenzing van de elektrische ruitbediening kan het gevaar voor verwondingen door bekneld raken bij het sluiten van de ruit verminderen ▲. Als het automatisch sluiten van een ruit stroef verloopt of wordt tegengewerkt door een obstakel, gaat de ruit meteen weer open.
• Controleren waarom de ruit niet is gesloten.
- Opnieuw proberen de ruit te sluiten.
- Als binnen 10 seconden nadat de ruit voor het eerst is gestopt en weer geopend, het automatisch sluiten van de ruit opnieuw stroef verloopt of wordt tegengewerkt door een obstakel, dan is de sluitautomaat daarna gedurende 10 seconden buiten werking.
- Als de ruit nog steeds stroef sluit of door een obstakel niet kan worden gesloten, stopt het sluiten van de ruit in de betreffende stand. Als u de schakelaar binnen ongeveer 10 seconden nogmaals bedient, sluit de ruit zonder krachtbegrenzing
Ruiten zonder krachtbegrenzing sluiten
- Ruiten binnen ongeveer 10 seconden opnieuw proberen te sluiten door de schakelaar aangetrokken te houden. De krachtbegrenzing is hierbij tijdens een gering gedeelte van de sluitweg uitgeschakeld!
- Als het sluiten langer dan ongeveer 10 seconden duurt, is de krachtbegrenzing weer actief. De ruit stopt dan weer als deze opnieuw stroef loopt of bij een obstakel.
- Als de ruit niet kan worden gesloten, een specialist opzoeken.

WAARSCHUWING
Het sluiten van de elektrisch bedienbare ruiten zonder krachtbegrenzing kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij het sluiten van elektrisch bedienbare ruiten altijd goed opletten.
- Niemand mag zich in het werkingsgebied van de elektrische ruitbediening bevinden, met name als deze zonder krachtbegrenzing wordt gesloten.
- De krachtbegrenzing voorkomt niet dat vingers of andere lichaamsdelen tegen het ruitframe worden gedrukt en daardoor kunnen worden verwond.

De krachtbegrenzing werkt ook bij het com- fortsluiten van de ruiten met de sleutel
⇒pagina 67.
△
Elektrisch panoramaschuif-kanteldak

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Elektrisch panoramaschuif-kanteldak openen of sluiten 71
Rolgordijn openen of sluiten 72
Elektrisch panoramaschuif-kanteldak – werking 72
Krachtbegrenzing van het elektrische panoramaschuif-kanteldak en het rolgordijn .. 73
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 25
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 46
- Verzorging en onderhoud van de wagen
⇒ pagina 306
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 366

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van het elektrische panoramaschuif-kanteldak of gebruik zonder toezicht kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Elektrisch panoramaschuif-kanteldak en rolgordijn alleen openen of sluiten, als niemand zich in het werkingsgebied bevindt.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen.
- Nooit kinderen of hulpbehoevende personen in de wagen achterlaten, vooral niet als ze bij de sleutel van de wagen kunnen. Onop-

WAARSCHUWING (vervolg)
lettend gebruik van de sleutel kan ertoe leiden dat de wagen wordt vergrendeld, de motor wordt gestart, het contact wordt ingeschakeld en het elektrische panoramaschuif-kan-teldak wordt bediend.
- Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u het elektrische panoramaschuif-kanteldak nog enige tijd openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.

LET OP
- Om beschadigingen te voorkomen, moet bij winterse temperaturen vóór het openen of omhoogzetten van het elektrische panorama-schuif-kanteldak het wagendak vrijgemaakt worden van ijs en sneeuw.
- Het elektrische panoramaschuif-kanteldak vóór het verlaten van de wagen en bij beginnende neerslag altijd sluiten. Beginnende neerslag komt bij geopend of omhooggezet elektrisch panoramaschuif-kanteldak in het interieur en kan de elektrische installatie ernstig beschadigen. Dit zou kunnen leiden tot vervolgschade aan de wagen.

Bladeren en andere losse voorwerpen regel- matig met de hand of een stofzuiger uit de dingsrails van het elektrische panorama- if-kanteldak verwijderen.

Bij een storing in het elektrische panorama- schuif-kanteldak werkt de krachtbegrenzing goed. Specialist opzoeken.
Elektrisch panoramaschuif-kanteldak openen of sluiten

flowchart
graph TD
A["A"] --> B["B"]
B --> C["C"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
Afbeelding 39 In de hemelbekleding: Schakelaar draaien om te openen of sluiten

Afbeelding 40 In de hemelbekleding: Voor het omhoogzetten en sluiten, schakelaar indrukken en omhoogtrekken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Voor het omhoogzetten van het elektrische panoramaschuif-kanteldak moet de draaischakelaar in stand ⇒ Afbeelding 39 Ⓐ staan.
Het elektrische panoramaschuif-kanteldak werkt alleen bij ingeschakeld contact. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u het elektrische panoramaschuif-kanteldak nog enkele minuten openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.
| Functie | Stand van de draaischakelaar | Handeling |
| ⇒ Afbeelding 39 | ||
| Schuifdak geheel openschuiven: | © | Draaischakelaar in de gewenste stand draai-en. |
| Schuifdak in comfortstand zetten: | ® | |
| Schuifdak geheel sluiten: | A | |
| ⇒ Afbeelding 40 | ||
| Kanteldak geheel omhoogzetten: | ® | Draaischakelaar aan achterzijde kort indruk-ken (pijl). |
| Sluit-openingsautomaat stoppen: | ® resp. E | Schakelaar aan achterzijde opnieuw kort in-drukken of omhoogtrekken. |
| Kanteldak geheel sluiten: | ® | Draaischakelaar aan achterzijde kort aantrek-ken (pijl). |
| Tussenstand instellen: | ® resp. E | Draaischakelaar aan achterzijde ingedrukt of aangetrokken houden, tot de gewenste stand is bereikt. |

Afbeelding 41 In de hemelbekleding: Knop voor rolgordijn
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 70 en volg deze op.
| Functie | Handeling |
| Helemaal openen (sluit-ope-ningsautomaat): | Knop ⇒ Afbeelding 41 1 kort indrukken. |
| Sluit-openingsautomaat stop-pen: | Knop 1OF: Knop 2 kort indrukken. |
| Tussenstand instellen: | Knop 1 resp. knop 2 ingedrukt houden, tot de stand is bereikt. |
| Helemaal sluiten (sluit-ope-ningsautomaat): | Knop 2 kort indrukken. |
Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u het rolgrodijn nog enkele minuten openen of sluiten, zo- lang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.
Elektrisch panoramaschuif-kanteldak – werking

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Comfortopenen en -sluiten
Het elektrische panoramaschuif-kanteldak kan van buitenaf met de sleutel worden geopend en gesloten:
- Ont- of vergrendelingsknop van de sleutel ingedrukt houden. Het elektrische panoramaschuifkanteldak wordt omhooggezet resp. gesloten.
- Ont- of vergrendelingsknop loslaten om de functie te onderbreken.
Bij het comfortsluiten worden de ruiten en het elektrische panoramaschuif-kanteldak gelijktijdig gesloten.

Bij het comfortsluiten van buitenaf blijft de draaischakelaar van het elektrische panorama- huif-kanteldak in de laatstgekozen stand en moet deze aan het begin van de rit weer euw worden ingesteld.
Krachtbegrenzing van het elektrische panoramaschuif-kanteldak en het rolgordijn

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De krachtbegrenzing kan het gevaar voor verwondingen door knellen bij het sluiten van het elektrische panoramaschuif-kanteldak en het rolgordijn verminderen ▲. Als het elektrische panoramaschuif-kanteldak of het rolgordijn bij het sluiten stroef verloopt of wordt tegengewerkt door een obstakel, gaat het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn meteen weer open.
- Nagaan waarom het elektrische panorama-schuif-kanteldak en het rolgordijn niet zijn gesloten.
- Opnieuw proberen om het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn te sluiten.
- Als het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn nog steeds stroef sluit of door een obstakel niet kan worden gesloten, gaat het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn direct weer open. Na het openen kan gedurende korte tijd het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn zonder krachtbegrenzing worden gesloten.
Zonder krachtbegrenzing sluiten
- Schakelaar Afbeelding 39 moet in stand "Gesloten" (A) zijn gedraaid.
-
Elektrisch panoramaschuif-kanteldak: binnen ca. 5 seconden na het activeren van de krachtbegrenzing de schakelaar achteraan zo lang omhoogtrekken Afbeelding 40 (pijl (E)), tot het elektrische panoramaschuif-kanteldak volledig is gesloten.
-
Rolgordijn: binnen ca. 5 seconden na het activeren van de krachtbegrenzing knop Afbeelding 41 ② blijven indrukken tot het rolgordijn volledig is gesloten.
- Het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn sluit nu zonder krachtbegrenzing!
- Wanneer het elektrische panoramaschuif-kanteldak nog steeds niet kan worden gesloten, een specialist opzoeken.

WAARSCHUWING
Het sluiten van het elektrische panorama-schuif-kanteldak of het rolgordijn zonder krachtbegrenzing kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij het sluiten van het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. het rolgordijn altijd goed opletten.
- Niemand mag zich in het werkingsgebied van het elektrische panoramaschuif-kanteldak resp. rolgordijn bevinden, met name als dit zonder krachtbegrenzing wordt gesloten.
- De krachtbegrenzing voorkomt niet dat vingers of andere lichaamsdelen tegen het dakframe worden gedrukt en daardoor kunnen worden verwond.

De krachtbegrenzing werkt ook tijdens het comfortsluiten van de ruiten en het elektri-panoramaschuif-kanteldak met de sleutel gina 67.
Veilig en op de juiste wijze zitten
Zithouding instellen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Gevaar door een verkeerde zithouding ..... 75
Juiste zithouding 76
Mechanische bedieningselementen van de voorstoel 77
Elektrische bedieningselementen van de voorstoel 78
Stoelen achterin instellen 79
Hoofdsteun instellen 80
Hoofdsteun uit- en inbouwen 81
Stand van het stuurwiel verstellen 82
Middenarmsteun 83
Aantal zitplaatsen
Uw wagen heeft afhankelijk van de uitrusting 5 tot 7 zitplaatsen. Elke zitplaats is uitgerust met een veiligheidsgordel.
| Uitrusting | Zitplaatsen voorin | Zitplaatsen op tweede zitrij | Zitplaatsen op derde zitrij |
| 5-zitter | 2 | 3 | - |
| 6-zitter | 2 | 2 | 2 |
| 7-zitter | 2 | 3 | 2 |
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Stoelfuncties ⇒ pagina 84
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 90
• Airbagsysteem ⇒ pagina 101
- Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 111
• Bagageruimte ⇒ pagina 152
• Opbergmogelijkheden ⇒ pagina 181

WAARSCHUWING
Een verkeerde zithouding in de wagen kan bij plotselinge rij- en remmanoeuvres, bij een ongeval en bij activering van de airbags het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen vergroten.
- Voor het begin van de rit moeten alle inzit-tenden de juiste zithouding innemen en deze tijdens het rijden blijven aanhouden. Dit geldt ook voor het omgespen van de veiligheids-gordel.
- Nooit meer personen meenemen dan er zitplaatsen met veiligheidsgordels in de wagen aanwezig zijn.
- Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten pagina 111, pagina 101.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte houden. Voeten nooit op de stoel of het dashboard leggen resp. uit het raam steken. De airbag en de veiligheidsgordel kunnen dan geen bescherming bieden, waardoor bij een ongeval een groter gevaar bestaat voor lichamelijk letsel.

WAARSCHUWING
Vóór alle ritten altijd de stoel, de veiligheids-gordel en de hoofdsteunen juist verstellen en u ervan verzekeren dat alle passagiers de gordel juist omgegespt hebben.
- Bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven.
- Bestuurdersstoel zo verstellen dat er ten minste 25 cm ruimte tussen de borstkas en het midden van het stuurwiel is. Bestuurdersstoel zo in lengterichting verstellen, dat u de pedalen met licht gebogen benen geheel kunt intrappen en de afstand tot het dashboard bij de knieën ten minste 10 cm bedraagt. Als u om lichamelijke redenen niet aan deze eis kunt voldoen, neem dan beslist contact op met een specialist om eventueel speciale aanpassingen te laten aanbrengen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit met te ver naar achteren gekantelde rugleuning rijden. Hoe sterker de rugleuning naar achteren gekanteld is, hoe groter het gevaar voor lichamelijk letsel is door een verkeerd gordelverloop of verkeerde zithouding.
- Nooit met naar voren gekantelde rugleuning rijden. Een geactiveerde voorairbag kan de rugleuning naar achteren slaan en de passagiers op de zitplaatsen achterin verwonden.
- De grootstmogelijke afstand tot het stuurwiel en het dashboard innemen en aanhouden.
- Altijd rechtop zitten met de rug tegen de rugleuning bij een juist ingestelde voorstoel. Geen lichaamsdelen op of in de buurt van de inbouwplaats van de airbag houden.
• Passagiers op de zitplaatsen achterin die niet rechtop zitten lopen een verhoogd risico van ernstig lichamelijk letsel, omdat de veiligheidsgordels hun werk dan niet goed kunnen doen.

WAARSCHUWING
Onjuist verstellen van de stoelen kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De stoelen alleen verstellen wanneer de wagen stilstaat, omdat de stoelen anders tijdens het rijden onverwachts kunnen verschuiven en u de controle over de wagen kunt verliezen. Bovendien wordt bij het verstellen een verkeerde zithouding ingenomen.
- De voorstoelen alleen in hoogte, kanteling en lengterichting verstellen, als zich niemand in het verstelbereik van de stoelen bevindt.
- Het verstelbereik van de stoelen mag niet door voorwerpen worden beperkt.
- De stoelen achterin alleen in hoogte en lengterichting verstellen, als zich niemand in het verstelbereik van de stoelen bevindt.
- Het verstel- en vergrendelingsgebied van de stoelen mag niet vuil zijn.
Gevaar door een verkeerde zithouding

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Als de veiligheidsgordels niet gedragen of verkeerd omgegespt worden, wordt daarmee het risico van ernstig lichamelijk letsel of zelfs fatale verwondingen verhoogd. Veiligheidsgordels kunnen alleen bij juiste gordelverloop hun optimale beschermende werking bereiken. Een verkeerde zithouding belemmert de beschermende werking van de veiligheidsgordels aanzienlijk. Het gevolg kan zware of zelfs dodelijke verwondingen zijn. Het risico van zwaar lichamelijk letsel met zelfs fatale gevolgen wordt vooral vergroot als een airbag die wordt geactiveerd een inzittende treft die een verkeerde zithouding heeft ingenomen. De bestuurder heeft de verantwoordelijkheid voor alle inzittenden en vooral voor kinderen die in de wagen worden vervoerd.
De volgende opsomming omvat voorbeelden van zithoudingen die voor alle inzittenden gevaarlijk kunnen zijn.
Wanneer de wagen in beweging is:
- Nooit in de wagen staan.
- Nooit op de stoelen staan.
-
Nooit op de stoelen knielen.
-
Nooit uw rugleuning sterk naar achteren kante- len.
- Nooit tegen het dashboard leunen.
- nooit op de zitplaatsen in de passagiersruimte gaan liggen
- Nooit op het puntje van de stoel gaan zitten.
- Nooit dwars op de stoel gaan zitten.
- Nooit uit de ruiten leunen.
- Nooit de voeten uit het raam steken.
- Nooit de voeten op het dashboard leggen.
- Nooit de voeten op de stoelzitting of de stoel-leuning leggen.
- Nooit in de voetenruimte meerijden.
- nooit op de armsteun gaan zitten
- Nooit zonder omgegespte veiligheidsgordel op een zitplaats meerijden.
- Nooit in de bagageruimte verblijven.

WAARSCHUWING
Elke verkeerde zithouding in de wagen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Alle inzittenden moeten tijdens het rijden altijd de juiste zithouding aanhouden en de gordel dragen.
- Door verkeerde zithoudingen, het niet dragen van de veiligheidsgordel of een te geringe afstand aanhouden tot de airbag stellen de inzittenden zich bloot aan levensgevaarlijke

WAARSCHUWING (vervolg)
risico's van lichamelijk letsel, met name wanneer de airbags worden geactiveerd en daarbij een inzittende treffen die een verkeerde zithouding heeft ingenomen.
△
Juiste zithouding

Afbeelding 42 De juiste afstand van de bestuurder tot het stuurwiel moet ten minste 25 cm bedragen. Bij de knieën moet de afstand tot het dashboard ten minste 10 cm bedragen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Hierna wordt de juiste zithouding voor de bestuurder en de passagiers beschreven.
Personen die om lichamelijke redenen niet de juiste zithouding kunnen innemen, zouden bij een specialist moeten informeren naar mogelijke speciale aanpassingen. Alleen met de juiste zithouding verkrijgt men de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordel en de airbag. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Voor uw eigen veiligheid en om verwondingen bij een plotseling remmanoeuvre of ongeval tot een minimum te beperken, adviseert Volkswagen de volgende zithoudingen:

Afbeelding 43 Juist gordelverloop en juiste hoofdsteuninstelling
Voor alle inzittenden geldt:
- Hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet steeds zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen ⇒ Afbeelding 42 en ⇒ Afbeelding 43.
- Bij kleine mensen de hoofdsteun helemaal omlaagschuiven, ook indien het hoofd zich daarna onder de bovenkant van de hoofdsteun bevindt.
- Bij grote mensen de hoofdsteun tot de aanslag omhoogschuiven.
- Rugleuning rechtop zetten, zodat de rug volledig tegen de rugleuning aan ligt.
- Tijdens het rijden beide voeten in de voetenruimte laten.
- Veiligheidsgordels juist instellen en omgespen ⇒ pagina 90.
Voor de bestuurder geldt bovendien:
- Stuurwiel zodanig verstellen dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen ten minste 25 cm bedraagt Afbeelding 42 en dat het stuurwiel met beide handen en licht gebogen armen aan de zijkant aan de buitenrand kan worden vastgepakt.
- Het verstelde stuurwiel moet altijd in de richting van de borstkas en nooit in de richting van het gezicht wijzen.
-
Bestuurdersstoel zo in lengterichting verstellen, dat u de pedalen met licht gebogen benen kunt intrappen en de afstand tot het dashboard bij de knieën ten minste 10 cm bedraagt ⇒ Afbeelding 42.
-
Bestuurdersstoel zo in hoogte verstellen dat u het bovenste punt van het stuurwiel kunt bereiken.
- Altijd beide voeten in de voetenruimte laten, om te allen tijde de controle over de wagen te behouden.
Voor de bijrijder geldt bovendien:
- Bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven, zodat de airbag in geval van activering de beste beschermende werking kan bieden.

Mechanische bedieningselementen van de voorstoel

Afbeelding 44 Bedieningselementen van linkervoorstoel
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 74 en volg deze op.
De bedieningselementen van de rechtervoorstoel zitten in spiegelbeeld.
Mechanische en elektrische bedieningselementen van de stoel kunnen gecombineerd zijn.
| Afbeelding 44 | Functie | Handeling |
| 1 | Voorstoel naar voren of achteren schuiven. | Aan de hendel trekken en voorstoel verschuiven. De voorstoel moet na het loslaten van de hendel vergren-delen! |
| 2 | Lendensteun instellen | De stand van de hendel veranderen. |
| 3 | Rugleuning instellen. | Handwiel draaien. |
| 4 | Zithoogte instellen. | De hendel zo nodig meerdere keren naar boven of be-neden bewegen. |
Elektrische bedieningselementen van de voorstoel

flowchart
graph TD
A["Component A"] --> B["Component B"]
B --> C["Component C"]
C --> D["Central Node 1"]
D --> E["Arrow 2"]
E --> F["Arrow 2"]
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#bbf,stroke:#333
style C fill:#bfb,stroke:#333
style D fill:#ffb,stroke:#333
style E fill:#fbb,stroke:#333
Afbeelding 45 Linkervoorstoel in lengterichting, hoogte en schuine stand van de zitting alsmede stoelleuning verstellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De bedieningselementen van de rechtervoorstoel zitten in spiegelbeeld.

Afbeelding 46 Lendensteun instellen
Mechanische en elektrische bedieningselementen van de stoel kunnen gecombineerd zijn.
Afbeelding 45 Schakelaar in pijlrichting drukken:
| 1 | A | Stoel naar voren of achteren schuiven. |
| B en C | Stoel hoger of lager instellen. | |
| B of C | Schuine stand van de zitting instellen. | |
| 2 | Naar voren of achteren. | Schuine stand van de rugleuning instellen. |
Afbeelding 46 Op betreffende deel van schakelaar drukken:
| 1 of 2 | Welving van de lendensteun instellen. |
| 3 of 4 | Lendensteun in hoogte instellen. |

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de elektrisch bedienbare voorstoelen of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De elektrische verstelling van de voorstoelen werkt ook wanneer het contact is uitgeschakeld. Laat nooit kinderen of hulpbe-hoevende personen achter in de wagen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- In geval van nood de elektrische verstelling door het indrukken van een andere knop onderbreken.

LET OP
Om de elektrische onderdelen in de voorstoelen niet te beschadigen, niet op de voorstoelen knielen of de zitting en rugleuning op andere wijze puntvormig belasten.

Bij te geringe ladingstoestand van de accu kan de stoel mogelijk niet elektrisch wordeneld.

Bij het starten van de motor wordt het eventueel verstellen van de stoel afgebroken.
Stoelen achterin instellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 74 en volg deze op.
Afbeelding 47 Stoelen achterin instellen
| Afbeelding 47 | Functie | Handeling |
| 1 | Alleen in de tweede zitrij: Schuine stand van de rugleuning van de stoelen verstellen. | Aan de hendel trekken en de rugleuning in de gewenste stand zetten ⇒1. De rugleuning moet na het loslaten van de hendel vergrendelen! De middelste zitplaats heeft een lus in plaats van een hendel. De lus wordt op dezelfde manier bediend als de hendel. |
| 2 | Alleen op de tweede zitrij bij de 6-zitter: armleuning instellen. | Aan het handwiel onder de armleuning draaien. |
| 3 | Alleen op de tweede zitrij: stoel naar voren of achteren schuiven. | Aan de hendel trekken en de stoel verschuiven. De stoel moet na het loslaten van de hendel vergrendelen! |
LET OP
Als de rugleuning op de tweede zitrij helemaal naar achteren wordt gekanteld, kan een daarachter aangebrachte bagageruimteafdekking
④ LET OP (vervoig)
worden beschadigd. Vóór het kantelen van de rugleuning de bagageruimteafdekking verwijderen.
LET OP
Voorwerpen in de bagageruimte kunnen bij het verschuiven van de stoelen achterin in lengterichting beschadigingen veroorzaken.


Afbeelding 48 Hoofdsteun voorin instellen A: Zonder verstelmogelijkheid in lengterichting, B: Met verstelmogelijkheid in lengterichting

Afbeelding 49 L-vormige hoofdsteun achterin in- stellen.
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 74 en volg deze op.
Alle zitplaatsen zijn met hoofdsteunen uitgerust.
Hoogte verstellen
- Hoofdsteun in pijlrichting omhoog- of bij ingedrukte knop ⇒ Afbeelding 48 ① resp. ⇒ Afbeelding 49 ① omlaagschuiven ⇒ ⚠.
- De hoofdsteun moet correct in een stand vastklikken. Op de tweede zitrij zijn er drie standen, op de derde zitrij twee.
Hoofdsteun voorin in lengterichting verstellen
- Hoofdsteun in pijlrichting naar voren of bij ingedrukte knop Afbeelding 48 ① B naar achteren verschuiven.
- De hoofdsteun moet correct in een stand vastklikken.
Juiste hoofdsteuninstelling
Hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen.
Hoofdsteuninstelling voor kleine mensen
De hoofdsteun tot de aanslag omlaagschuiven, ook als het hoofd zich daarna onder de bovenkant van de hoofdsteun bevindt. In de onderste stand kan er een kleine kier aanwezig zijn tussen de hoofdsteun en de rugleuning.
Hoofdsteuninstelling voor grote mensen
Hoofdsteun tot de aanslag omhoogschuiven.

WAARSCHUWING
Het rijden met uitgebouwde of verkeerd ingestelde hoofdsteunen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.
- Altijd met juist ingebouwde en ingestelde hoofdsteun rijden, als op de zitplaats een persoon zit.
- ledere inzittende moet de hoofdsteun correct aanpassen aan zijn lichaamslengte, om het risico van verwondingen aan de nek bij een ongeval te verminderen. Daarbij de hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen.
- Nooit de hoofdsteun tijdens het rijden instellen.
A

Afbeelding 50 Hoofdsteun voorin uitbouwen A: Zonder verstelmogelijkheid in lengterichting, B: Met verstelmogelijkheid in lengterichting

Afbeelding 51 Hoofdsteun van de tweede of derde zitrij uitbouwen.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Alle zitplaatsen zijn met hoofdsteunen uitgerust.
Hoofdsteunen voorin uitbouwen bij wagens zonder in lengterichting verstelbare hoofdsteunen
- Zo nodig de rugleuning zo verstellen, dat de hoofdsteun kan worden uitgebouwd.
• Hoofdsteun helemaal omhoogschuiven ⇒ ⚠. - Hoofdsteun bij volledig ingedrukte knop ⇒ Afbeelding 50 ① A helemaal eruit trekken.
Hoofdsteunen voorin inbouwen bij wagens zonder in lengterichting verstelbare hoofdsteunen
- Hoofdsteun correct boven de hoofdsteungeleidingen houden en in de geleidingen van de betreffende rugleuning steken.
- Hoofdsteun bij volledig ingedrukte knop ① A zo ver mogelijk omlaagschuiven.
- Hoofdsteun aan de juiste zithouding aanpassen en laten vergrendelen ⇒ pagina 80.
Hoofdsteunen voorin uitbouwen bij wagens met in lengterichting verstelbare hoofdsteunen
- Zo nodig de rugleuning zo verstellen, dat de hoofdsteun kan worden uitgebouwd.
- Hoofdsteun helemaal naar boven en achter schuiven ⇒ ⚠.
- Een vlak voorwerp, bijvoorbeeld een plastic kaartje ② B, aan beide zijden tussen de bekleding van de stoelleuning en de afdekkap van de stang van de hoofdsteun schuiven en gelijktijdig met lichte druk de stangen ontgrendelen.
- Hoofdsteun helemaal eruit trekken.
Hoofdsteunen voorin inbouwen bij wagens met in lengterichting verstelbare hoofdsteunen
- Beide stangen van de hoofdsteun zo ver mogelijk eruit trekken.
-
Hoofdsteun correct boven de hoofdsteungeleidingen houden en in de geleidingen van de betreffende rugleuning steken.
-
Hoofdsteun naar beneden schuiven tot beide stangen vastgeklikt zijn.
- Hoofdsteun aan de juiste zithouding aanpassen en laten vergrendelen ⇒ pagina 80.
Hoofdsteunen van de tweede of derde zitrij uitbouwen
- Rugleuning van de stoel naar voren klappen ⇒ pagina 152.
- Hoofdsteun helemaal omhoogschuiven ⇒ ⚠.
- Hoofdsteun bij ingedrukte knop ⇒ Afbeelding 51 ① helemaal eruit trekken.
- Rugleuning van de stoel naar achteren klappen en goed laten vergrendelen.
Hoofdsteunen van de tweede of derde zitrij inbouwen
- Rugleuning van de stoel naar voren klappen ⇒ pagina 152.
- Hoofdsteun correct boven de hoofdsteungeleidingen houden en in de geleidingen van de betreffende rugleuning steken.
-
Hoofdsteun bij ingedrukte knop ① omlaagschuiven.
-
Rugleuning van de stoel naar achteren klappen en goed laten vergrendelen.
- Hoofdsteunen aan de juiste zithouding aanpassen pagina 80.

WAARSCHUWING
Het rijden met uitgebouwde of verkeerd ingestelde hoofdsteunen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.
- Altijd met juist ingebouwde en ingestelde hoofdsteun rijden, als op de zitplaats een persoon zit.
- Uitgebouwde hoofdsteunen direct weer inbouwen, zodat de passagiers goed kunnen worden beschermd.

LET OP
Let er bij het uit- en inbouwen van de hoofdsteun op dat de hoofdsteun niet tegen de hemelbekleding,de rugleuning van de voorstoel of andere delen van de wagen stoot. Dit zou kunnen leiden tot beschadigingen.
Stand van het stuurwiel verstellen

Afbeelding 52 Onder het stuurwiel in de stuurkolombekleding: Hendel voor de mechanische ver-stelling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Stuurwiel vóór de rit en alleen bij stilstaande wagen verstellen.
- De hendel Afbeelding 52 ① naar beneden zwenken.
- Stuurwiel zo verstellen dat het met beide handen en licht gebogen armen aan de zijkant aan de buitenste rand (stand kwart over negen) kan worden vastgehouden.
- De hendel stevig naar boven drukken tot deze vlak ligt tegen de stuurkolom ▲.

WAARSCHUWING
Ondeskundig gebruik van de stuurwielstand-instelling en een verkeerde instelling van het stuurwiel kunnen zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- De hendel ① na het verstellen altijd stevig naar boven zwenken, opdat het stuurwiel tijdens het rijden niet onbedoeld van positie verandert.
- Het stuurwiel nooit onder het rijden instellen. Wanneer onder het rijden wordt vastgesteld, dat een verstelling nodig is, veilig de wagen stilzetten en het stuurwiel juist instellen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het verstelde stuurwiel moet altijd in de richting van de borstkas en nooit in de richting van het gezicht wijzen, om de beschermende werking van de bestuurders- voorairbag bij een ongeval niet in te perken.
- Stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen aan de zijkant aan de buitenste rand (stand kwart over negen) vasthouden, om verwondingen door een activerende bestuurdersvoorairbag te verminderen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit het stuurwiel op twaalf uur of in een andere stand vasthouden, bv. in het midden van het stuurwiel. Als de bestuurdersairbag geactiveerd wordt, kunnen zware verwondingen aan de armen, handen en het hoofd het gevolg zijn.
△
Middenarmsteun

Afbeelding 53 Middenarmsteun voorin

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Middenarmsteun verstellen
Om de middenarmsteun omhoog te brengen deze in pijlrichting Afbeelding 53 stapsgewijs naar boven drukken.
Om de middenarmsteun te laten zakken, deze helemaal naar boven trekken. Daarna de middenarmsteun naar beneden laten zakken.
Voor het in lengterichting verstellen, de midden-armsteun in pijlrichting helemaal naar voren resp. naar achteren verschuiven tot deze vergrendelt.

WAARSCHUWING
De middenarmsteun kan de bewegingsvrijheid van de armen van de bestuurder belemmeren en daardoor ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Opbergvakken in de armsteun tijdens het rijden altijd gesloten houden.
- Nooit een persoon of een kind op de middenarmsteun vervoeren. Deze verkeerde zitpositie kan tot zware verwondingen leiden.
△
Stoelfuncties

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stoelverwarming 84
Geheugenstoel 86
Instaphulp voor de derde zitrij 87
Bijrijdersstoelleuning neerklappen 88
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Zithouding instellen ⇒ pagina 74
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 90
• Airbagsysteem ⇒ pagina 101
- Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 111
• Geïntegreerd kinderzitje ⇒ pagina 121
• Buitenspiegel ⇒ pagina 143
• Bagageruimte ⇒ pagina 152

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de stoelfuncties kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Voor het begin van de rit altijd de juiste zithouding innemen en deze tijdens het rijden blijven aanhouden. Dat geldt ook voor alle passagiers.
- De geheugenstoel alleen bij stilstaande wagen verstellen.
- Handen, vingers en voeten of overige lichaamsdelen altijd uit de werkings- en verstelgebieden van de stoelen weghouden.
Stoelverwarming

Afbeelding 54 In de middenconsole: Toetsen voor de stoelverwarming van de voorstoelen (variant 1)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De zittingen kunnen bij ingeschakeld contact elektrisch worden verwarmd. Bij sommige stoeluitvoeringen wordt daarnaast de rugleuning verwarmd.
Wanneer een van de volgende situaties van toe- passing is, de stoelverwarming niet inschakelen:
- De stoel wordt niet gebruikt.
- De stoel is van een beschermhoes voorzien.
- Er is een kinderzitje op de stoel geïnstalleerd.
• De zitting is vochtig of nat. - De binnen- of buitentemperatuur is hoger dan +25 °C (+77 °F).

Afbeelding 55 In de middenconsole: Toetsen voor de stoelverwarming van de voorstoelen (variant 2)
Elke keer dat het contact wordt uitgeschakeld, worden ook beide stoelverwarmingen uitgeschakeld. De stoelverwarming moet indien gewenst na het inschakelen van het contact opnieuw worden ingeschakeld.
| Functie | Handeling ⇒ Afbeelding 54 resp. ⇒ Afbeelding 55. |
| Inschakelen: | Toets ☑ of ☑ indrukken. De stoelverwarming wordt ingeschakeld en verwarmt maximaal. Alle controlelampjes branden. |
| Verwarmings-niveau instellen: | Toets ☑ of ☑ herhaaldelijk in-drukken tot het gewenste verwar-mingsvermogen is ingesteld. |
| Uitschakelen: | Toets ☑ of ☑ zo vaak indrukken dat er geen controlelampje meer in de toets brandt.OF: Contact uitschakelen. |

WAARSCHUWING
Personen die door medicijngebruik, door ver- lamming of vanwege chronische ziektes (bv. diabetes) een beperkte of geen pijn- of tem- peratuurwaarneming hebben, kunnen bij het gebruik van de stoelverwarming verbrandin- gen aan rug, zitvlak en benen oplopen, die een zeer lange genezingsduur met zich mee- brengen of niet meer volledig genezen. Voor vragen over de eigen gezondheidstoestand een arts raadplegen.
- Personen met een beperkte pijn- of temperatuurwaarneming mogen de stoelverwarming nooit gebruiken.

WAARSCHUWING
Het doorweekt worden van de stoelbekleding kan tot storingen in de stoelverwarming leiden en de kans op brandwonden verhogen.
- Let erop, dat de zitting droog is voordat de stoelverwarming gebruikt wordt.
- Niet met vochtige of natte kleding op de stoel gaan zitten.
- Geen vochtige of natte voorwerpen of kle- dingstukken op de stoel leggen.
- Geen vloeistoffen op de stoel morsen.

LET OP
- Om de verwarmingselementen van de stoelverwarming niet te beschadigen, niet op de zittingen knielen of de zitting en rugleuning op andere manieren puntvormig belasten.
- Vloeistoffen, puntige voorwerpen en isolerende materialen, zoals bv. een beschermhoes of kinderzitje, op de stoel kunnen de stoelverwarming beschadigen.
- Bij geurontwikkeling de stoelverwarming direct uitschakelen en door een specialist laten controleren.

De stoelverwarming niet langer dan nodig ingeschakeld laten. Anders wordt onnodig
brandstof verbruikt.
△

Afbeelding 56 Geheugentoetsen aan buitenzijde van bestuurdersstoel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Geheugentoetsen
Aan elke geheugentoets kunnen individuele instellingen voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels worden toegekend.
Bestuurdersstoel- en buitenspiegelinstellingen voor vooruitrijden opslaan
• Elektronische parkeerrem inschakelen.
- Versnellingsbak in neutrale stand zetten.
- Contact inschakelen.
- Bestuurdersstoel en buitenspiegels instellen.
- Toets SET langer dan een seconde indrukken
⇒ Afbeelding 56.
- Binnen ongeveer 10 seconden gewenste geheugentoets indrukken. Een gongsignaal bevestigt het opslaan.
Bijrijdersbuitenspiegelinstellingen voor het achteruitrijden opslaan
• Elektronische parkeerrem inschakelen.
- Versnellingsbak in neutrale stand zetten.
- Contact inschakelen.
• Gewenste geheugentoets indrukken.
- Achteruitversnelling inschakelen.
- Bijrijdersbuitenspiegel verstellen, zodat bijvoorbeeld de stoeprand goed kan worden gezien.
- De ingestelde spiegelstand wordt automatisch opgeslagen en aan de sleutel toegekend, waarmee de wagen werd ontgrendeld.
Bestuurdersstoel- en buitenspiegelinstellingen opvragen
- Bij stilstaande wagen en ingeschakeld contact betreffende geheugentoets kort indrukken.
- OF: Bij uitgeschakeld contact betreffende geheugentoets ingedrukt houden tot de opgeslagen stand is bereikt.
Geheugenfunctie van de sleutel activeren
• Bestuurdersportier ontgrendelen.
- Willekeurige geheugentoets Afbeelding 56 indrukken en ingedrukt houden tot de activatie is afgerond.
- Zo nodig afwachten tot de stoel naar de op de geheugentoets opgeslagen stoelstand is geschoven, daarbij de geheugentoets blijven indrukken.
- Binnen 10 seconden bij nog steeds ingedrukte geheugentoets gelijktijdig de ontgrendelingsknop op de sleutel indrukken. Een gongsignaal bevestigt de activering.
Geheugenfunctie van de sleutel deactiveren
Voorwaarde: een willekeurige geheugenpositie is opgeslagen.
- Toets SET Afbeelding 56 indrukken en blijven indrukken tot de deactivatie is beeindigd.
- Binnen 10 seconden bij nog steeds ingedrukte geheugentoets gelijktijdig de ontgrendelingsknop op de sleutel indrukken. Een gongsignaal bevestigt de deactivering.
Bestuurdersstoel- en buitenspiegelinstellingen aan een sleutel toekennen
- Geheugenfunctie van de sleutel activeren.
- Wagen met dezelfde sleutel ontgrendelen.
- Buitenspiegels en bestuurdersstoel instellen.
- Wagen met de vergrendelingsknop in de sleutel vergrendelen, om instellingen op te slaan.
Na het opslaan nemen de bestuurdersstoel en buitenspiegels altijd automatisch de opgeslagen stand in, als de wagen met de ontgrendelingsknop op de sleutel wordt ontgrendeld en het bestuurder-sportier wordt geopend.
De bijrijdersbuitenspiegel verlaat de opgeslagen stand voor achteruitrijden automatisch, wanneer met ten minste 15 km/h (9 mph) vooruit wordt gereden of wanneer de draaiknop vanuit stand R in een andere stand wordt gedraaid, ⇒ pagina 143.

Afbeelding 57 Tweede zitrij: Bedieningselementen van de instaphulp

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Om bij 6- en 7-zitters het instappen naar resp. het uitstappen vanaf de derde zitrij makkelijker te maken, kunt u de buitenste stoelen op de tweede zitrij naar voren klappen.
Stoel op de tweede zitrij naar voren klappen
- Zo nodig de gordellus openen en de veiligheidsgordel met de hand teruggeleiden.
- Zo nodig de zijhoofdsteun van het geïntegreerde kinderzitje verwijderen ⇒ pagina 121.
- Zo nodig de armsteun omhoogklappen.
- Zo nodig voorwerpen uit de voetenruimte van de tweede zitrij verwijderen ⇒ Ⓞ.
- Hoofdsteun helemaal omlaagschuiven ⇒ pagina 74.
- Hendel Afbeelding 57 ① naar voren drukken en de rugleuning naar voren klappen. De complete stoel klapt naar voren ▲ en kan in lengterichting nog verder naar voren worden geschoven.
• Voorzichtig in- en uitstappen ⇒ ⚠
Stoel op de tweede zitrij terugklappen
- Hendel ① aantrekken en de rugleuning naar achteren rechtop klappen. De complete stoel klapt naar achteren ⇒ ⚠.
- De stoel moet goed vergrendeld zijn. De rode marking ② mag niet meer zichtbaar zijn ⇒ ⚠.

Afbeelding 58 Tweede zitrij: Lus voor de nooduit- stapfunctie voor de derde zitrij.
Nooduitstapfunctie voor de derde zitrij
Mocht hendel ① niet meer werken, bijvoorbeeld na een ongeval, dan kunnen de stoelen op de tweede zitrij vanaf de derde zitrij naar voren worden geklapt, zodat de derde zitrij makkelijker kan worden verlaten ⇒ ⚠.
- Lus Afbeelding 58 ③ naar achteren trekken en de rugleuning naar voren klappen. De complete stoel klapt naar voren ▲.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de instaphulp of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de instaphulp tijdens het rijden gebruiken.
- Bij het terugklappen van de stoelen niet de veiligheidsgordel vastklemmen of beschadigen.
- Handen, vingers en voeten of overige lichaamsdelen bij het neerklappen en terugklappen uit de werkingsgebieden van de stoelscharnieren en het stoelmechanisme weghouden.
- Vloermatten of andere voorwerpen kunnen in de scharnieren van de rugleuning of de stoel vastraken. Dit zou ertoe kunnen leiden, dat de rugleuning of de stoel niet goed vergrendelt, wanneer deze in de rechte stand wordt teruggeklapt.
- Elke achterbankleuning moet altijd goed rechtop vergrendeld zijn, zodat de beschermende werking van de veiligheidsgordels op de zitplaatsen achterin is gegarandeerd. Als

WAARSCHUWING (vervolg)
een zitplaats wordt gebruikt en de betreffende rugleuning niet goed is vastgeklikt, beweegt de inzittende met de rugleuning bij plotselinge rem- en rijmanoeuvres alsmede bij ongevallen naar voren.
- Een rode marking op de stoel ⇒ Afbeelding 57 ② geeft aan dat de rugleuning niet is vastgeklikt. De rode marking mag in vastgeklikte toestand niet zichtbaar zijn.
- Als de rugleuning of de stoel naar voren is geklapt of niet goed is vergrendeld, mogen op deze zitplaatsen nooit personen of kinderen worden vervoerd.
- Bij het in- en uitstappen nooit op de naar voren geklapte stoel van de tweede zitrij steunen of of de stoel vasthouden.

WAARSCHUWING
Als op alle zitplaatsen van de tweede zitrij kinderzitjes zijn aangebracht, kunnen de stoelen van de tweede zitrij bij een ongeval

WAARSCHUWING (vervolg)
niet vanaf de derde zitrij naar voren worden geklapt. Personen die op de zitplaatsen van de derde zitrij zitten, zijn dan in een noodgeval niet in staat om de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden.
- Nooit tegelijkertijd op alle zitplaatsen van de tweede zitrij kinderzitjes aanbrengen, als personen op de derde zitrij worden vervoerd.

LET OP
Vóór het naar voren klappen en terugklappen van de rugleuning de voorstoelen zo verstellen, dat de hoofdsteun of vulling van de rugleuning niet tegen de voorstoelen stoot.

LET OP
Voorwerpen in de voetenruimte van de tweede zitrij kunnen bij het naar voren klappen van de stoel beschadigd raken. Vóór het naar voren klappen van de stoel de voorwerpen verwijderen.
△
Bijrijdersstoelleuning neerklappen

Afbeelding 59 Bijrijdersstoelleuning neerklappen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
De bijrijdersstoelleuning kan neergeklapt en in een horizontale stand vergrendeld worden.
Als op de neergeklapte bijrijdersstoel voorwerpen worden vervoerd, moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking zijn gesteld ⇒ pagina 101.
Bijrijdersstoelleuning neerklappen
- Voorwerpen van de zitting van de bijrijdersstoel verwijderen ⇒ ⚠.
- Bijrijdersstoelhoogte helemaal naar beneden verstellen pagina 74.
- Hoofdsteun helemaal omlaagschuiven ⇒ pagina 74.
- Bijrijdersstoelleuning in pijlrichting Afbeelding 59 ① ontgrendelen.
- Bijrijdersstoelleuning in pijlrichting ② naar vo-ren in horizontale stand klappen.
- De bijrijdersstoelleuning moet in de neergeklapte stand goed vastklikken.
Bijrijdersstoelleuning terugklappen
- Bij het terugklappen mogen zich geen voorwerpen of lichaamsdelen bij de scharnieren bevinden.
- Om de bijrijdersstoelleuning terug te klappen, de leuning opnieuw ontgrendelen ①.
- Bijrijdersstoelleuning naar achteren in de rechtopstand zetten. De bijrijdersstoelleuning moet goed vastklikken.
- De bijrijdersstoelleuning moet in de omhooggeklapte stand goed vergrendelen.

WAARSCHUWING
Door ongecontroleerd of onachtzaam neerklappen en terugklappen van de bijrijdersstoelleuning kunnen zware verwondingen worden veroorzaakt.
- De bijrijdersstoelleuning alleen bij stilstaande wagen neerklappen en terugklappen.
- Zolang de rugleuning van de bijrijdersstoel naar voren is geklapt, moet de voorairbag buiten werking gesteld zijn en het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF ♦; branden.
- Handen, vingers en voeten of overige lichaamsdelen bij het neerklappen en terugklappen uit de werkingsgebieden van de stoelscharnieren en het stoelmechanisme weghouden.
- Vloermatten of andere voorwerpen kunnen in de scharnieren van de bijrijdersstoelleuning vastraken. Dit zou ertoe kunnen lei-

WAARSCHUWING (vervolg)
den, dat de bijrijdersstoelleuning niet juist vergrendelt, wanneer deze in de rechte stand wordt teruggeklapt.
- Bij het terugklappen moet de bijrijdersstoelleuning goed in de rechte stand zijn vergrendeld. Een niet goed vergrendelde bijrijdersstoelleuning kan plotseling gaan bewegen en zware verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING
De open stoelverankeringen en scharnieren van de neergeklapte bijrijdersstoelleuning kunnen bij een remmanoeuvre of een ongeval zware verwondingen veroorzaken.
- Bij neergeklapte bijrijdersstoelleuning mo-gen op de bijrijdersstoel nooit personen of kinderen worden vervoerd.
- Bij neergeklapte bijrijdersstoelleuning mag op de tweede zitrij alleen de buitenste zitplaats achter de bestuurdersstoel worden bezet. Dat geldt ook voor kinderen in kinder-zitjes.
Veiligheidsgordels

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 91
Frontale botsingen en natuurkundige wetten . 92
Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzittenden? 93
Veiligheidsgordels bieden bescherming ..... 94
Gebruik van veiligheidsgordels 94
Veiligheidsgordel omgespen of losmaken ... 95
Veiligheidsgordel met 2 gordelsloten omgespen of losmaken 96
Gordelverloop 97
Gordelhoogteverstelling 99
Gordeloprolautomaat, gordelspanner, gordelspankrachtbegrenzer 99
Onderhoud en afvoer van gordelspanners ... 100
Regelmatig de toestand van alle veiligheidsgordels controleren. Bij beschadigingen aan het gordel-weefsel, de gordelverbindingen, de oprolautomaat of het slot, de betreffende veiligheidsgordel direct door een specialist laten vervangen ▲. De specialist moet de juiste onderdelen gebruiken die bij de wagen, de uitrusting en het modeljaar passen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Zithouding instellen ⇒ pagina 74
• Airbagsysteem ⇒ pagina 101
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 111
• Geïntegreerd kinderzitje ⇒ pagina 121
• Opbergmogelijkheden ⇒ pagina 181
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 315
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 343

WAARSCHUWING
Niet-omgegespte of verkeerd omgegespte veiligheidsgordels verhogen het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen. De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt als de veiligheidsgordels juist worden gebruikt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Veiligheidsgordels zijn het meest effectieve middel om het gevaar voor ernstig en do-delijk letsel bij ongevallen te beperken. Voor de veiligheid van de bestuurder en alle inzit-tenden moeten de veiligheidsgordels altijd correct zijn omgegespt als de wagen in beweging is.
- ledere inzittende moet altijd vóór elke rit de juiste zithouding innemen, de bij de zitplaats horende veiligheidsgordel juist omgespen en tijdens het rijden juist omgegespt laten. Dit geldt voor alle passagiers en ook in het stadsverkeer.
- Kinderen tijdens het rijden met een bij het lichaamsgewicht en de lichaamslengte passend veiligheidssysteem en juist omgegespte veiligheidsgordels in de wagen vastzetten ⇒ pagina 111.
- Pas wegrijden, als alle passagiers de veiligheidsgordel juist hebben omgegespt.
- Slotgesp altijd alleen in het gordelslot van de bijbehorende stoel steken en goed laten vergrendelen. Het gebruik van een niet bij de stoel horend gordelslot vermindert de beschermende werking en kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit vreemde voorwerpen en vloeistoffen in de invoertrechters van de gordelsloten laten komen. Hierdoor kan de werking van de gordelsloten en veiligheidsgordels worden belemmerd.
- Nooit de veiligheidsgordel tijdens het rijden afdoen.
- Altijd slechts één persoon met een veiligheidsgordel vastgespen.
- Nooit kinderen of baby's op schoot meenemen en nooit samen gebruikmaken van een veiligheidsgordel.
- Niet met dik makende, losse kleding rijden, bv. jas over een colbert, omdat daardoor de optimale bevestiging en werking van de veiligheidsgordel worden belemmerd.

WAARSCHUWING
Beschadigde veiligheidsgordels vormen een groot gevaar en kunnen zware of dodelijke verwondingen veroorzaken.
- Nooit de veiligheidsgordel door inklemmen in het portier of het stoelmechanisme beschadigen.
- Als het gordelweefsel of andere delen van de veiligheidsgordel beschadigd zijn, kunnen de veiligheidsgordels bij een ongeval of een plotselinge remmanoeuvre scheuren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Beschadigde veiligheidsgordels direct laten vervangen door nieuwe veiligheidsgordels die door Volkswagen voor de wagen zijn vrijgegeven. Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uitgerekt worden, moeten door een specialist worden vervangen. De vervanging kan noodzakelijk zijn, ook al lijkt er geen beschadiging zichtbaar te zijn. Bovendien de verankeringen voor de veiligheidsgordels controleren.
- Nooit zelf proberen de veiligheidsgordels te repareren, aan te passen of uit te bouwen. Alle reparaties aan de veiligheidsgordels, de oprolautomaten en de sloten alleen door een specialist laten uitvoeren.
Waarschuwingslampje

Afbeelding 60 Waarschuwingslampje in het instrumentenpaneel

Afbeelding 61 Voorbeeld van de weergave van de gordelstatus voor de zitplaatsen achterin (hier bij de 7-zitter) in het instrumentenpaneel: boven tweede zitrij, onder derde zitrij

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 90 en volg deze op.
| Brandt of knip-pert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Niet-omgegespte veiligheidsgordel van de bestuurder en bijrijder, indien de bijrijders-stoel bezet is. | Veiligheidsgordels omgespen. |
| Voorwerpen liggen op de bijrijdersstoel. | Voorwerpen van de bijrijdersstoel halen en veilig opbergen. | |
![]() | Op de zitplaatsen achterin heeft een inzit-tende de veiligheidsgordel niet omgegespt. | Veiligheidsgordels omgespen. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Wanneer de veiligheidsgordels bij het begin van de rit en bij een snelheid van meer dan ongeveer 25 km/h (15 mph) niet zijn omgegespt of worden de veiligheidsgordels tijdens het rijden losgemaakt, dan klinkt er gedurende enkele seconden een akoestisch signaal. Bovendien knippert het waarschuwingslampje A.
Het waarschuwingslampje 4 gaat pas uit, als de bestuurder en bijrijder de veiligheidsgordels bij ingeschakeld contact hebben omgegespt.
Gordelstatusindicatie voor de zitplaatsen achterin
De gordelstatusindicatie Afbeelding 61 laat de bestuurder bij het inschakelen van het contact op het display in het instrumentenpaneel zien of de passagiers op de zitplaatsen achterin de veiligheidsgordels hebben omgegespt. Het symbool 4 laat zien dat de passagier op deze zitplaats "zijn" veiligheidsgordel heeft omgegespt.
Als op de zitplaatsen achterin een veiligheidsgordel wordt omgegespt of losgemaakt, wordt de gordelstatus gedurende circa 30 seconden weergegeven. De weergave kan worden uitgeschakeld door op de toets 0.0 / SET in het instrumentenpaneel te drukken.
Als tijdens het rijden op de zitplaatsen achterin een veiligheidsgordel wordt losgemaakt, knippert de gordelstatusindicatie gedurende maximaal 30 seconden. Bij een snelheid van meer dan 25 km/h (15 mph) klinkt er bovendien een akoestisch sig- naal.

WAARSCHUWING
Niet-omgegespte of verkeerd omgegespte veiligheidsgordels verhogen het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen. De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt als de veiligheidsgordels juist worden gebruikt.
△
Frontale botsingen en natuurkundige wetten

Afbeelding 62 Een wagen rijdt met niet-vastgegespte inzittenden op een muur af

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Het natuurkundige principe van een frontale bot-sing is gemakkelijk te verklaren. zodra de wagen in beweging is gekomen ⇒ Afbeelding 62, ontstaat zowel bij de wagen als bij de inzittenden van de wagen bewegingsenergie, de zogenaamde "kinetische energie".
Hoe hoger de rijsnelheid en het gewicht, des te meer energie bij een ongeval moet worden afgebouwd.

Afbeelding 63 De wagen botst met niet-vastge-gespte inzittenden tegen de muur
De snelheid van de wagen is echter de belangrijkste factor. Als bijvoorbeeld de snelheid van ongeveer 25 km/h (15 mph) naar ongeveer 50 km/h (31 mph) wordt verdubbeld, wordt de bewegingsenergie verviervoudigd!
De hoeveelheid "kinetische energie" is sterk afhankelijk van de snelheid van de wagen en van het gewicht van de wagen en de inzittenden. Bij stijgende snelheid en toenemend gewicht moet bij een ongeval meer energie worden afgebouwd.
Inzittenden van de wagen die hun veiligheidsgordels niet hebben omgegespt, zijn dus niet met de wagen "verbonden". Bij een frontale botsing zullen
deze personen daarom met dezelfde snelheid verder bewegen als waarmee de wagen zich voor de botsing heeft bewogen, tot iets ze stopt! Omdat de inzittenden van de wagen in ons voorbeeld geen veiligheidsgordels hebben omgegespt, wordt bij een botsing de totale bewegingsenergie van de inzittenden van de wagen alleen door de botsing tegen de muur afgebouwd → Afbeelding 63.
Bij een snelheid van ongeveer 30 tot 50 km/h (19 - 31 mph) komen er bij een botsing krachten vrij op het lichaam die makkelijk een ton (1000 kg) te bo-
ven kunnen gaan. De op uw lichaam werkende krachten worden bij hogere snelheden zelfs nog groter.
Dit voorbeeld geldt niet alleen voor frontale botsingen, maar ook bij alle soorten botsingen en aanrijdingen.
△
Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzittenden?

Afbeelding 64 De niet-vastgegespte bestuurder vliegt naar voren

Afbeelding 65 De niet-vastgegespte passagier op de zitplaats achterin vliegt naar voren op de vastgegespte bestuurder
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 90 en volg deze op.
Veel mensen geloven dat men het lichaam bij een lichte aanrijding met de handen kan ondersteunen. Dat is onterecht!
Al bij lage botssnelheden komen op het lichaam krachten vrij die niet meer met de armen en handen kunnen worden afgeweerd. Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren geslingerd en stoten zij ongecontroleerd tegen delen in het interieur, zoals het stuurwiel, het dashboard of de voorruit ⇒ Afbeelding 64.
Het airbagsysteem is geen vervanging van de veiligheidsgordel. Bij activering van de airbag bieden de airbags alleen een extra bescherming. Airbags worden niet bij alle ongevallen geactiveerd. Ook als de wagen met een airbagsysteem is uitgerust, moeten alle inzittenden inclusief de bestuurder de veiligheidsgordel hebben omgegespt en deze tij-
dens het rijden op juiste wijze dragen. Daardoor vermindert het gevaar voor zware of dodelijke verwondingen bij een ongeval, onafhankelijk van het feit of een airbag voor die zitplaats aanwezig is.
Een airbag activeert slechts eenmaal. Om de best mogelijke beschermende werking te bereiken, moeten de veiligheidsgordels altijd juist zijn omgegespt, zodat u ook bij ongevallen zonder airbagactivering bent beschermd. Inzittenden die geen veiligheidsgordel hebben omgegespt, kunnen uit de wagen worden geslingerd en daardoor ernstig of dodelijk letsel oplopen.
Ook voor inzittenden op de zitplaatsen achterin is het belangrijk de gordel juist om te gespen omdat zij bij een aanrijding ongecontroleerd door de wagen worden geslingerd. Een niet-vastgegespte passagier op een van de zitplaatsen achterin brengt dus niet alleen zichzelf, maar ook de bestuurder en de andere personen in de wagen in gevaar ⇒ Afbeelding 65.

Afbeelding 66 Vastgegespte bestuurder die bij een plotselinge remmanoeuvre door de correct vastgegespte veiligheidsgordel wordt opgevangen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Juist vastgegespte veiligheidsgordels kunnen een groot verschil maken. Juist vastgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden in de wagen in de juiste zithouding en reduceren in aanzienlijke mate de bewegingsenergie in geval van een ongeval. De veiligheidsgordels helpen ook ongecontroleerde bewegingen te voorkomen die u zwaar lichamelijk letsel kunnen toebrengen. Tevens reduceren correct omgegespte veiligheidsgordels het gevaar uit de wagen te worden geslingerd ⇒ Afbeelding 66.
Inzittenden met correct omgegespte veiligheids-gordels profiteren in hoge mate van het feit dat de bewegingsenergie optimaal via de gordels wordt opgevangen. Ook garanderen de structuur van de
voorzijde en andere passieve veiligheidskenmerken van uw wagen, zoals bv. het airbagsysteem, een reductie van de bewegingsenergie. De energie die ontstaat, wordt dus minder en zodoende vermindert ook het risico van lichamelijk letsel.
De voorbeelden beschrijven frontale botsingen. Uiteraard reduceren de juist vastgegespte veiligheidsgordels ook in alle andere soorten aanrijdingen wezenlijk het gevaar voor verwondingen. Daarom moeten de veiligheidsgordels vóór elke rit worden omgegespt, zelfs al rijdt u maar een "klein stukje". Let erop dat ook alle inzittenden goed zijn vastgegespt.
Ongevalsstatistieken hebben uitgewezen dat het juist omgespen van de veiligheidsgordels het risico van lichamelijk letsel aanzienlijk verkleint en de kans een zwaar ongeval te overleven vergroot. Juist vastgegespte veiligheidsgordels verhogen bovendien de optimale beschermende werking van airbags die in geval van een aanrijding worden geactiveerd. Vanwege deze reden is in de meeste landen het dragen van de veiligheidsgordels wettelijk verplicht.
Hoewel de wagen met airbags is uitgerust, moeten de veiligheidsgordels worden omgegespt. De voor-airbags worden bijvoorbeeld slechts bij enkele soorten frontale botsingen geactiveerd. De voorairbags worden niet geactiveerd bij lichte frontale aanrijdingen, lichte aanrijdingen van opzij, aanrij- dingen van achteren, een koprol en bij aanrijdingen waarbij de airbagactiveringswaarde in het regelapparaat niet werd overschreden.
Draag daarom altijd de veiligheidsgordel en let erop dat alle passagiers de veiligheidsgordel vóór het rijden juist hebben omgegespt!
Gebruik van veiligheidsgordels

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 90 en volg deze op.
Checklist
Gebruik van de veiligheidsgordel ⇒ ⚠:
Regelmatig de toestand van alle veiligheidsgordels controleren.
Veiligheidsgordels schoon houden.
√ Geen vreemde voorwerpen en vloeistoffen op de gordel, in de slotgesp en in de invoertrechter van het gordelslot laten komen.
Veiligheidsgordel en slotgesp niet inklemmen of beschadigen, bijvoorbeeld bij het sluiten van het portier.
Checklist (vervolg)

Veiligheidsgordel en gordelbevestigingselement nooit uitbouwen, veranderen of repareren.

Veiligheidsgordel vóór elke rit correct omgespen en tijdens het rijden omgegespt laten.
Verdraaide veiligheidsgordel
Als u de veiligheidsgordel alleen stroef uit de gordeldoorvoer kunt trekken, kan het zijn dat de veiligheidsgordel binnen in de zijbekleding is verdraaid, doordat de gordel bij het losgespen van de gordel te snel is teruggevoerd:
- Veiligheidsgordel bij de slotgesp langzaam en voorzichtig volledig uittrekken.
- Verdraaiing in de veiligheidsgordel verwijderen en gordel langzaam met de hand terug geleiden.
Als u de verdraaiing in de veiligheidsgordel niet kunt verhelpen, de veiligheidsgordel desondanks omgespen. De verdraaiing mag zich dan niet in een deel van de gordel bevinden, dat direct tegen het lichaam aan ligt! Zo snel mogelijk een specialist opzoeken om de verdraaiing te laten verhelpen.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de veiligheidsgordels verhoogt het risico van zware of dodelijke verwondingen.
- Controleer regelmatig of de veiligheids-gordels en bijbehorende onderdelen in onbe-rispelijke staat zijn.
- Veiligheidsgordel altijd schoonhouden.
- Gordel niet inklemmen, beschadigen of langs scherpe randen laten schuren.
- Gordelslot en invoertrechter voor de slotgesp altijd vrij houden van vreemde voorwerpen en vloeistoffen.
△
Veiligheidsgordel omgespen of losmaken

Afbeelding 67 Slotgesp van de veiligheidsgordel in het gordelslot steken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Correct omgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden bij een remmanoeuvre of ongeval in de juiste positie, om maximale bescherming te kunnen bieden ⇒ ⚠.
Als de gordel helemaal werd uitgetrokken en bij het oprollen van de veiligheidsgordel een "klikkend" geluid hoorbaar is, is er sprake van een blokkeerbare veiligheidsgordel. De blokkering van de veiligheidsgordel mag alleen voor de bevestiging van bepaalde kinderveiligheidssystemen worden gebruikt ⇒ pagina 111, Kinderzitjes (accessoi-

Afbeelding 68 Slotgesp van het gordelslot losma- ken
res). Een ingeschakelde arrêtering moet worden losgemaakt, als een inzittende de veiligheidsgordel omgespt.
Veiligheidsgordel omgespen
Veiligheidsgordel vóór elke rit omgespen.
- Voorstoel en hoofdsteun correct instellen ⇒ pagina 74.
- Rugleuning van stoel achterin rechtop laten vastklikken ⇒ ⚠.
-
Gordel aan de slotgesp gelijkmatig over borst en bekken trekken. Daarbij de gordel niet verdraaien ▲.
-
Slotgesp in het bij de zitplaats horende gordelslot vaststeken Afbeelding 67.
- Aan de veiligheidsgordel trekken om te contro- leren of de slotgesp goed in het slot is vergrendeld.
Veiligheidsgordel losmaken
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot indrukken ⇒ Afbeelding 68. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan in geval van een aanrijding zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt, wanneer de rugleuning in een rechte stand staat en de veiligheidsgordel aangepast aan de lichaamslengte goed is omgegespt.
- Het losmaken van de veiligheidsgordel tijdens het rijden kan bij een ongeval of remmanoeuvre zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben!
△
Veiligheidsgordel met 2 gordelsloten omgespen of losmaken

Afbeelding 69 Veiligheidsgordel op de middelste stoel op de tweede zitrij omgespen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Correct omgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden bij een remmanoeuvre of ongeval in de juiste positie, om maximale bescherming te kunnen bieden ⇒ ⚠.
De veiligheidsgordels voor de middelste stoel op de tweede zitrij en voor de stoelen op de derde zit- rij hebben 2 gordelsloten.
Veiligheidsgordel omgespen
Veiligheidsgordel vóór elke rit omgespen.
- Stoel achterin en hoofdsteun correct instellen ⇒ pagina 74.
-
Rugleuning van stoel achterin rechtop laten vastklikken ⇒ ⚠.
-
Gordel aan de slotgesp Afbeelding 69 ① omlaagtrekken. Daarbij de gordel niet verdraaien ▲.
- Slotgesp ① vast in het bij de zitplaats horende gordelslot Ⓐ steken.
- Gordel aan de slotgesp ② over het bekken omlaagtrekken.
- Slotgesp ② vast in het bij de zitplaats horende gordelslot ⑧ steken.
- Aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of beide slotgespen veilig in de gordelsloten zijn vastgeklikt.
Veiligheidsgordel losmaken
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen los- maken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot Ⓐ indrukken. De slotgesp springt eruit.
- Rode knop in het gordelslot Ⓑ indrukken. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan in geval van een aanrijding zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt, wanneer de rugleuning in een rechte stand staat en de veiligheidsgordel aangepast aan de lichaamslengte goed is omgegespt.
- Het losmaken van de veiligheidsgordel tijdens het rijden kan bij een ongeval of remmanoeuvre zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben!

Op de betreffende veiligheidsgordel staat een principeafbeelding voor het omgespen van
de veiligheidsgordel met 2 gordelsloten.

Gordelverloop

Afbeelding 70 Juist gordelverloop en juiste hoofdsteuninstelling

Afbeelding 71 Juist gordelverloop bij zwangere vrouwen
Alleen met een juist gordelverloop bieden omgegespte veiligheidsgordels bij een ongeval optimale bescherming en verminderen het risico van zware of fatale verwondingen. Bovendien houdt het juiste gordelverloop de inzittenden zo op hun plaats dat de activerende airbag maximale bescherming kan bieden. Gesp daarom altijd de veiligheidsgordel om en let op het juiste gordelverloop.
Een verkeerde zithouding kan zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben ⇒ pagina 74, Zithouding instellen.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 90 en volg deze op.
Juist gordelverloop
- Het schoudergordelgedeelte van de veiligheids-gordel moet altijd over het midden van de schouder lopen en nooit over de hals, de arm, onder de arm of achter de rug.
- Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet altijd over het bekken lopen en nooit over de buik.
- De veiligheidsgordel altijd vlak en nauw op het lichaam laten aansluiten. Gordel zo nodig iets na-trekken.
Bij zwangere vrouwen moet de veiligheidsgordel gelijkmatig over de borst en zo laag mogelijk over het bekken lopen en tevens nauw aansluiten, zodat er geen druk op het onderlichaam wordt uitgeoefend. Dit geldt gedurende de gehele zwangerschap ⇒ Afbeelding 71.
Gordelverloop aan de lichaamslengte aanpassen
Het gordelverloop kan met de volgende middelen worden aangepast:
- Gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen
⇒ pagina 99.
• In hoogte verstelbare voorstoelen ⇒ pagina 74.

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan zwaar lichamelijk letsel in geval van een aanrijding of bij plotselinge rem- of rijmanoeuvres tot gevolg hebben.
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt wanneer de rugleuning in een rechte stand staat en de veiligheidsgordel goed is omgegespt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De veiligheidsgordel zelf of een losse veiligheidsgordel kan zware verwondingen veroorzaken, wanneer de veiligheidsgordel van harde lichaamsdelen richting zachte delen, bv. de buik, schuift.
- Het schoudergordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet over het midden van de schouder lopen en nooit onder de arm of over de hals.
- De veiligheidsgordel moet vlak en nauw op het bovenlichaam aansluiten.
- Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet over het bekken lopen en nooit over de buik. De veiligheidsgordel moet vlak en nauw op het bekken aansluiten. Gordel zo nodig iets natrekken.
- Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet bij zwangere vrouwen laag over het bekken lopen en nauw om de "ronde" buik aansluiten.
• Gordel bij het dragen niet verdraaien.
- Veiligheidsgordel nooit met de hand van het lichaam afhouden.
- Gordel nooit over vaste of breekbare voorwerpen leiden, bv. brillen, balpennen of sleutels.
- Het gordelverloop nooit door gordelbandklemmen, bevestigingsogen of iets dergelijks veranderen.

Personen die om lichamelijke redenen niet het optimale gordelverloop kunnen aanhouden, kunnen bij een specialist informeren naar mogelijke speciale aanpassingen, om de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordel en de airbags te verkrijgen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.

Afbeelding 72 Naast de voorstoelen: Hoogteverstelling veiligheidsgordels

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Voor de voorstoelen en eventueel voor de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij kan het verloop van de veiligheidsgordels bij de schouders met be-
hulp van de gordelhoogteverstelling worden aan- gepast aan het lichaam, zodat de veiligheidsgordel juist kan worden omgegespt:
- Doorvoerplaat in de richting van de pijl samendrukken en samengedrukt houden Afbeelding 72.
- Doorvoerplaat omhoog- resp. omlaagschuiven tot de veiligheidsgordel over het midden van de schouder loopt ⇒ pagina 97, Gordelverloop.
• Doorvoerplaat loslaten. - Trek met een ruk aan de veiligheidsgordel om te controleren of de doorvoerplaat is vergrendeld.

WAARSCHUWING
De gordelhoogte nooit onder het rijden instellen.
△
Gordeloprolautomaat, gordelspanner, gordelspankrachtbegrenzer

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
De veiligheidsgordels in de wagen zijn een onderdeel van het wagenveiligheidsconcept ⇒ pagina 101 en hebben de volgende belangrijke functies:
Gordeloprolautomaat
Elke veiligheidsgordel is uitgerust met een gordelo- prolautomaat bij de schoudergordel. Wanneer langzaam aan de veiligheidsgordel wordt getrok- ken of bij normale rijomstandigheden wordt bij de schoudergordel volledige bewegingsvrijheid gegar- randeerd. Bij snel uittrekken van de veiligheidsgor- del, plotseling remmen, bij het rijden in de bergen, in bochten en bij accelereren blokkeert de gordelo- prolautomaat echter de veiligheidsgordel.
Gordelspanners
De veiligheidsgordels voor de inzittenden op de voorstoelen en eventueel ook de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij zijn uitgerust met gordelspanners.
Gordelspanners worden bij zware frontale aanrijdingen en aanrijdingen van opzij en van achteren door sensoren geactiveerd en spannen de veiligheidsgordels tegen de uittrekrichting in. Een loszittende veiligheidsgordel wordt gespannen waardoor de voorwaartse beweging van de inzittenden resp. de beweging van de inzittenden in de richting van de klap wordt verminderd. De gordelspanner werkt samen met het airbagsysteem. De gordelspanner wordt bij het over de kop slaan van de wagen niet geactiveerd als de zij-airbags niet worden geactiveerd.
Bij activering kan fijn stof ontstaan. Dat is volledig normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.
Gordelspankrachtbegrenzers
Bij een ongeval vermindert een gordelspankrachtbegrenzer de op het lichaam werkende kracht van de veiligheidsgordel.

Als de wagen of afzonderlijke onderdelen van het systeem worden verschroot, moeten alle heidsvoorschriften worden opgevolgd. Deze schriften zijn bekend bij specialisten ⇒ pagina

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Bij werkzaamheden aan de gordelspanner alsme- de bij het uit- en inbouwen van andere wagenon- derdelen in het kader van reparaties kan de veilig- heidsgordel ongemerkt worden beschadigd. Dat kan tot gevolg hebben dat de gordelspanners in geval van een aanrijding niet juist of helemaal niet werken.
Om de werking van de gordelspanners niet te beinvloeden en met uitgebouwde onderdelen geen lichamelijk letsel en milieuvervuiling te veroorzaken, moeten voorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bekend bij specialisten.

WAARSCHUWING
Onjuiste behandeling van en zelf uitgevoerde reparaties aan de veiligheidsgordels, de gordeloprolautomaten en de gordelspanners kunnen het risico van zware of dodelijke verwondingen verhogen. De gordelspanner zou niet kunnen activeren, terwijl deze dat wel zou moeten doen, of onverwacht activeren.
- Reparaties en instellingen aan alsmede het uit- en inbouwen van onderdelen van gordelspanners of de veiligheidsgordels nooit zelf, maar alleen door een specialist laten uitvoeren ⇒ pagina 343.
- Gordelspanners en gordeloprolautomaten kunnen niet worden gerepareerd, maar moeten worden vervangen.

De airbageenheden en gordelspanners kunnen perchloraat bevatten. Volg de wettelijke lingen op voor het opslaan en afvoeren.
Airbagsysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Typen bijrijdersvoorairbagsystemen 102
Controlelampje 103
Beschrijving en werking van de airbags ..... 103
Voorairbags 105
Bijrijdersvoorairbag handmatig met de sleutelschakelaar buiten werking stellen en in paraatheid brengen 106
Zij-airbags 107
Hoofdairbags 108
Knie-airbag 109
De wagen is uitgerust met een voorairbag voor de bestuurder en bijrijder. De voorairbags kunnen extra bescherming voor het borstgebied en het hoofd van de bestuurder en bijrijder bieden als de stoel, veiligheidsgordels, hoofdsteunen en voor de bestuurder het stuurwiel goed zijn ingesteld en goed worden gebruikt. Airbags zijn alleen als extra bescherming bedoeld. De airbags zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels. De veiligheidsgordels moeten altijd worden gedragen, ook wanneer er voorairbags voor de voorste zitplaatsen zijn.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Aanwijzingen voor het rijden ⇒ pagina 34
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 46
• Juiste zithouding ⇒ pagina 74
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 90
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 111
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 315
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 343
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 355

WAARSCHUWING
Nooit alleen op het airbagsysteem vertrouwen om u te beschermen.
- Ook als een airbag wordt geactiveerd, biedt deze alleen maar aanvullende bescherming.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het airbagsysteem biedt de beste bescherming in combinatie met correct omgegespte veiligheidsgordels. Alleen dan wordt het risico van letsel verminderd ⇒ pagina 90, Veiligheidsgordels.
- ledere inzittende moet altijd vóór elke rit de juiste zithouding innemen, de bij de zitplaats horende veiligheidsgordel juist omgespen en tijdens het rijden juist omgegespt laten. Dit geldt voor alle passagiers en ook in het stadsverkeer.

WAARSCHUWING
Wanneer zich tussen de inzittenden en het werkingsgebied van de airbags voorwerpen bevinden, neemt het gevaar voor letsel bij het activeren van de airbags toe. De airbags ont-vouwen zich op een andere manier, of de voorwerpen worden tegen het lichaam geslingerd.
- Nooit tijdens het rijden voorwerpen in de hand houden of op schoot meenemen.
- Nooit voorwerpen op de bijrijdersstoel vervoeren. De voorwerpen kunnen bij plotselinge rem- of rijmanoeuvres in het werkingsgebied van de airbags terechtkomen en bij het activeren van de airbags gevaarlijk door het interieur worden geslingerd.
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en op de buitenste zitplaatsen achterin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Let erop dat ook kinderen en passagiers zich hier aan houden.

WAARSCHUWING
De beschermende functie van het airbagsysteem blijft slechts beperkt tot één airbagactivering. Als de airbags zijn geactiveerd, moet het systeem worden vervangen.
- Geactiveerde airbags en betreffende systeemonderdelen direct laten vervangen door nieuwe onderdelen die door Volkswagen voor de wagen zijn vrijgegeven.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren. Specialisten hebben de benodigde gereedschappen, elektronicatesters, reparatie-informatie en gekwalificeerd personeel.
- Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende airbagonderdelen in de wagen inbouwen.
- Nooit componenten van het airbagsysteem veranderen.

WAARSCHUWING
Als de airbags worden geactiveerd, kan fijn stof en waterdamp ontstaan. Dat is normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.
- Het fijne stof kan de huid en het oogslijmvlies irriteren en tot ademhalingsklachten leiden, vooral bij personen die aan astma of an-

WAARSCHUWING (vervolg)
dere ademhalingsaandoeningen lijden of hebben geleden. Om ademhalingsklachten te verminderen, de wagen verlaten of de ruiten of portieren openen om frisse lucht in te ade- men.
- Bij contact met het stof, voor de volgende maaltijd handen en gezicht met milde zeep en water wassen.
- Het stof niet in de ogen of in open wonden laten komen.
- Als er stof in de ogen is gekomen, deze met water uitspoelen.

WAARSCHUWING
Door schoonmaakmiddelen met oplosmiddelen wordt het oppervlak van de airbageenheid poreus. Bij een ongeval met airbagactivering kunnen losrakende kunststof onderdelen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit het dashboard en het oppervlak van de airbageenheden schoonmaken met reini-gingsmiddelen die oplosmiddelen bevatten.
Typen bijrijdersvoorairbagsystemen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 101 en volg deze op.
Er zijn twee verschillende bijrijdersvoorairbagsystemen van Volkswagen:
| A | B |
| Kenmerken van de bijrijdersvoorairbag die alleen door de specialist buiten werking kan worden gesteld. | Kenmerken van de bijrijdersvoorairbag die met de sleutelschakelaar handmatig buiten werking kan worden gesteld ⇒ pagina 106. |
| - Controlelampje in het instrumentenpaneel- Bijrijdersvoorairbag in het dashboard | - Controlelampje in het instrumentenpaneel- Controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF in het bovenste deel van de middenconsole.- Sleutelschakelaar in het opbergvak in het dashboard aan bijrijderszijde- Bijrijdersvoorairbag in het dashboard |
| Aanduiding: airbagsysteem. | Aanduiding: airbagsysteem met mogelijkheid de bijrijdersvoorairbag buiten werking te stellen. |
PASSENGER AIR BAG OFF
BTT-0371
Afbeelding 73 In het bovenste deel van de middenconsole: Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 101 en volg deze op.
| Brandt | Plaats | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Instrumentenpaneel | Storing in het airbag- en gor-delspannersysteem. | Specialist opzoeken en systeem di-rect laten controleren. |
![]() | Bovenste gedeelte van de middencon-sole | Storing airbagsysteem. | Specialist opzoeken en systeem di-rect laten controleren. |
| Bijrijdersvoorairbag buiten werking gesteld. | Controleren of de airbag buiten werking gesteld moet blijven. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Als bij buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF in het bovenste gedeelte van de middenconsole niet blijvend of samen met het controlelampje in het instrumentenpaneel brandt, kan er sprake zijn van een storing in het airbagsysteem ⇒ ▲.

WAARSCHUWING
Bij een storing in het airbagsysteem kan de airbag mogelijk niet optimaal, helemaal niet of onverwacht activeren, wat zware of dodelijke verwondingen tot gevolg kan hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Airbagsysteem direct door een specialist laten controlleren.
- Nooit een kinderzitje op de bijrijdersstoel monteren of het aanwezige kinderzitje verwijderen! De bijrijdersvoorairbag zou ondanks de storing kunnen worden geactiveerd bij een ongeval.

LET OP
Brandende controlelampjes en de bijbehorende beschrijvingen en aanwijzingen altijd in acht nemen om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.
Beschrijving en werking van de airbags

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
De airbag kan de inzittenden bij een ongeval beschermen, doordat de beweging van de inzitten- den bij frontale aanrijdingen en aanrijdingen van opzij in de botsrichting wordt gedempt.
Elke geactiveerde airbag wordt door een gasgenerator gevuld. Hierdoor springen de betreffende airbagafdekkingen open en de airbags ontvouwen zich met grote kracht in milliseconden in de werkingsgebieden. Bij het neerkomen van de vastgegespte inzittende in de opgeblazen airbag stroomt het aanwezige gas weg om de inzittende op te vangen en af te remmen. Daardoor kan het risico van ernstig lichamelijk letsel en zelfs fatale verwondingen worden verminderd. Andere verwondingen zoals zwellingen, kneuzingen en schaafwonden
kunnen door de geactiveerde airbag niet worden uitgesloten. Bij het ontvouwen van de geactiveerde airbag kan ook wrijvingswarmte ontstaan.
Airbags bieden geen bescherming voor de armen en de onderste lichaamsdelen. Uitzondering: bij wagens met knie-airbag wordt het gebied rond de knieën van de bestuurder beschermd.
De belangrijkste factoren voor het activeren van de airbags zijn het soort ongeval, de botshoek, de snelheid van de wagen en de hoedanigheid van het voorwerp waar de wagen tegenaan botst. De airbags activeren daarom niet bij elke zichtbare wagenbeschadiging.
De activering van het airbagsysteem is afhankelijk van de vertraging van de wagen bij een botsing, zoals die door een elektronisch regelapparaat wordt geregistreerd. Indien de geregistreerde vertraging kleiner is dan een in het regelapparaat ingeprogrammeerde referentiewaarde worden de airbags, ondanks mogelijk zware beschadiging van de wagen door een ongeval, niet geactiveerd. De schade aan de wagen, de reparatiekosten of zelfs het uitblijven van schade aan de wagen bij een ongeval, mag geen bepalende factor zijn voor het al dan niet activeren van een airbag. Aangezien de situaties bij verschillende botsingen sterk kunnen verschillen, kan onmogelijk een bereik voor wagensnelheden met bijbehorende referentiewaardes worden gedefinieerd. Daardoor is het ook niet mogelijk elke denkbare soort botsing en botsingshoek af te dekken, die tot activatie van de airbags zou leiden. Belangrijke factoren voor het activeren van de airbags zijn onder andere de aard (hard of zacht) van het voorwerp waar de wagen tegenaan rijdt, de botshoek en de rijsnelheid.
Airbags dienen slechts als aanvulling op de automatische 3puntsgordel in sommige ongevalssituaties, waarbij de vertraging van de wagen groot genoeg is om de airbag te laten activeren. Airbags worden slechts eenmaal geactiveerd en alleen onder bepaalde omstandigheden. De veiligheidsgordels zijn er altijd om bescherming te bieden in situaties waarin airbags niet geactiveerd worden of wanneer ze al geactiveerd zijn. Bijvoorbeeld als de wagen na de eerste botsing op een tweede wagen botst of door een andere wagen wordt geraakt.
Het airbagsysteem is onderdeel van het totale passieve veiligheidsconcept. De beste beschermende werking van het airbagsysteem kan alleen in combinatie met correct vastgegespte veiligheidsgordels en een juiste zithouding worden bereikt ⚠️ ⇒ pagina 74.
Onderdelen van het veiligheidsconcept van de wagen
De volgende veiligheidsuitrustingen in de wagen vormen samen het wagenveiligheidsconcept, om het risico van ernstig lichamelijk letsel en zelfs fatale verwondingen te verminderen. Afhankelijk van de uitrusting kunnen enkele uitrustingen mogelijk niet in de wagen zijn ingebouwd of in sommige landen niet verkrijgbaar zijn.
- Geoptimaliseerde veiligheidsgordels op alle zitplaatsen.
- Gordelspanners voor bestuurder en bijrijder en eventueel op de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij in combinatie met zij-airbags
- Gordelspankrachtbegrenzer voor bestuurder en bijrijder.
- Gordelhoogteverstelling voor de voorstoelen en eventueel voor de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij.
- Waarschuwingslampje 4 en eventueel gordel-statusindicatie.
- Voorairbags voor bestuurder en bijrijder
- Zij-airbags voor bestuurder, bijrijder en eventueel voor de buitenste zitplaatsen van de tweede zitrij
• Hoofdairbags rechts en links
• Eventueel knie-airbag voor de bestuurder
• Airbagcontrolelampje - Controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF in het bovenste deel van de middenconsole.
- Regelapparaten en sensoren.
- Geoptimaliseerde hoofdsteunen ter bescherming tegen aanrijdingen van achteren en in hoogte verstelbaar.
• Verstelbare stuurkolom. - Eventueel verankeringspunten voor kinderzitjes op de zitplaatsen achterin.
- Eventueel bevestigingspunten voor de bovenste bevestigingsgordel van kinderzitjes.
Situaties, waarin de voor-, knie-, zij- en hoofdairbag niet activeert:
- Wanneer het contact bij een botsing is uitgeschakeld.
- Wanneer bij een frontale botsing de door het regelapparaat gemeten vertraging te gering is.
- Bij lichte aanrijdingen van opzij.
- Bij aanrijdingen van achteren.
• Bij over de kop slaan. - Als de botssnelheid lager is dan de vereiste referentiewaarde in het regelapparaat.

Afbeelding 74 Inbouwplaats en werkingsgebied van de bestuurdersvoorairbag


Afbeelding 75 Inbouwplaats en werkingsgebied van de bijrijdersvoorairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-1 en volg deze op.
De voorairbags bieden als aanvulling op de veiligheidsgordels extra bescherming voor het hoofd- en borstbereik van de bestuurder en bijrijder bij zware frontale botsingen. Er moet altijd de grootst mogelijke afstand tot de voorairbag worden aangehouden ⇒ pagina 74, Zithouding instellen. Daardoor kunnen de voorairbags in geval van een activering volledig worden ontvouwen en zo een maximale beschermende werking bieden.
De voorairbag voor de bestuurder zit in het stuurwiel Afbeelding 74 A en de voorairbag voor de bijrijder in het dashboard Afbeelding 75 A. De airbaginbouwplaatsen zijn gemarkeerd met de op- schriften "AIRBAG".
De rood omkaderde gebieden Afbeelding 74 B en Afbeelding 75 B worden door de zich active-rende voorairbags bereikt (ontvouwgebied). Daar-om mogen in deze gebieden nooit voorwerpen
worden neergelegd of bevestigd ⇒ ⚠. De af fabriek gemonteerde aanbouwdelen worden door de activerende bestuurders- en bijrijdersvoorairbag niet geraakt, bv. de steun voor de mobiele-telefoonhouder.
De airbagafdekkingen worden bij het activeren van de bestuurders- en bijrijdersvoorairbag uit het stuurwiel Afbeelding 74 B resp. het dashboard Afbeelding 75 B geklapt.

GEVAAR
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- Altijd de werkingsgebieden van de voor-airbags vrij laten.
- Nooit voorwerpen op de afdekkingen en in het werkingsgebied van de airbageenheid bevestigen, zoals bijvoorbeeld bekerhouders of telefoonhouders.

GEVAAR (vervolg)
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Let erop dat ook kinderen en passagiers zich hier aan houden.
- Aan bijrijderszijde geen voorwerpen aan de voorruit boven de voorairbag bevestigen, zoals mobiele navigatieapparaten.
- De beklede plaat van het stuurwiel en het met schuim gevulde oppervlak van de voor-airbagmodule in het dashboard aan bijrijders-zijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken.

WAARSCHUWING
De voorairbags ontvouwen zich vóór het stuurwiel ⇒ Afbeelding 74 en het dashboard ⇒ Afbeelding 75.
- Het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vasthouden aan de buitenzijde van het stuur op 'kwart over negen'.
- Bestuurdersstoel zo verstellen dat er ten minste 25 cm ruimte tussen de borstkas en het midden van het stuurwiel is. Als u om li-chamelijke redenen niet aan deze eis kunt voldoen, neem dan beslist contact op met een specialist.
- Bijrijdersstoel zo verstellen dat de grootstmogelijke afstand tussen de bijrijder en het dashboard bestaat.

Bijrijdersvoorairbag handmatig met de sleutelschakelaar buiten werking stellen en in paraatheid brengen

Afbeelding 76 In het opbergvak aan bijrijderszijde: Sleutelschakelaar voor het buiten werking stellen en in paraatheid brengen van de bijrijdersvoor-airbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Bij bevestiging op de bijrijdersstoel van een kinderzitje dat met de rug naar het dashboard is gekeerd, moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld!
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen
- Contact uitschakelen.
• Opbergvak aan bijrijderszijde openen. -
Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 42, Sleutelset.
-
Met de uitgeklapte sleutelbaard de sleutelschakelaar in het opbergvak Afbeelding 76 in de stand OFF draaien.
• Opbergvak aan bijrijderszijde sluiten. - Het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF in het bovenste gedeelte van de middenconsole brandt bij ingeschakeld contact permanent ⇒ pagina 103.
Bijrijdersvoorairbag in paraatheid brengen
- Contact uitschakelen.
• Opbergvak aan bijrijderszijde openen. - Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 42, Sleutelset.
- Met de uitgeklapte sleutelbaard de sleutelschakelaar in het opbergvak Afbeelding 76 in de stand ON draaien.
• Opbergvak aan bijrijderszijde sluiten.
- Controleren of bij ingeschakeld contact het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF; in het bovenste gedeelte van de middenconsole niet brandt ⇒ pagina 103.
Herkenningskenmerk voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag
Een buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag wordt alleen aangegeven door het permanent brandende controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF; in het bovenste gedeelte van de middenconsole (OFF; brandt permanent geel) → pagina 103, Controlelampje.
Als het controlelampje OFF in het bovenste ge- deelte van de middenconsole niet permanent of samen met het controlelampje in het instrumentenpaneel brandt, mag om veiligheidsredenen geen kinderveiligheidssysteem op de bijrijdersstoel worden bevestigd. De bijrijdersvoorairbag zou kunnen worden geactiveerd bij een ongeval.

WAARSCHUWING
De bijrijdersvoorairbag mag alleen in bijzondere gevallen buiten werking worden gesteld.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De bijrijdersvoorairbag alleen bij uitgeschakeld contact buiten werking stellen en in paraatheid brengen, om schade aan het airbagsysteem te voorkomen.
- De verantwoordelijkheid voor de juiste stand van de sleutelschakelaar ligt bij de bestuurder.
- De bijrijdersvoorairbag alleen buiten werk-ing stellen, als in uitzonderingsgevallen op de bijrijdersstoel een kinderzitje is bevestigd.
- De bijrijdersvoorairbag weer in paraatheid brengen, zodra het kinderzitje op de bijrijdersstoel niet meer wordt gebruikt.
Zij-airbags

Afbeelding 77 Aan de zijkant in de voorstoel: In-bouwplaats van de zij-airbag

Afbeelding 78 Aan de linkerwagenzijde: Werkingsgebieden van de zij-airbags Bij 5- en 7-zitters (A) en bij 6-zitters (B)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-
gina 101 en volg deze op.
De zij-airbags zitten telkens in de buitenste rugleuningvulling Afbeelding 77 van de bestuurdersstoel en de bijrijdersstoel. Afhankelijk van de uitrusting zijn ook voor de buitenste zitplaatsen op de tweede zitrij zij-airbags ingebouwd, die tussen portiersponning en rugleuning zitten. De inbouwplaatsen zijn gemarkeerd met labels met de tekst "AIR-BAG". De rood gemarkeerde gebieden Afbeelding 78 geven het werkingsgebied van de zij-airbags aan.
Bij een aanrijding van opzij activeren de zij-airbags aan de ongevalzijde van de wagen en verminderen zo het gevaar voor verwondingen voor de inzitten- den aan de zijde waar de impact plaatsvindt.

WAARSCHUWING
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- Altijd de werkingsgebieden van de zij-airbags vrij laten.
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en op de buitenste zitplaatsen achterin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Let erop dat ook kinderen en passagiers zich hier aan houden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. Geen zware of scherpe voorwerpen in de zakken laten.
- Geen accessoiredelen aan de portieren monteren.
- Alleen stoelbekledingen of stoelhoezen aanbrengen, die uitdrukkelijk voor het gebruik in de wagen zijn vrijgegeven. De zij-airbag kan zich anders bij een activering niet ontvouwen.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de bestuurders- en bijrijdersstoel kan de juiste werking van de zij-airbags belemmeren en ernstige verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de voorstoelen uit de wagen uitbouwen of onderdelen ervan aanpassen.
- Wanneer er te grote krachten op de wangen van de rugleuning worden uitgeoefend, kunnen de zij-airbags mogelijk niet optimaal, helemaal niet of onverwacht worden geactiveerd.
- Beschadigingen aan de originele stoelhoezen of de naad in de module van de zij-airbag moeten direct door een specialist worden hersteld.
△
Hoofdairbags

Afbeelding 79 Aan de linkerwagenzijde: Inbouwplaats en werkingsgebied van de hoofdairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Er zit een hoofdairbag aan bestuurders- en bijrijderszijde in het interieur boven de portieren ⇒ Afbeelding 79. De inbouwplaats is gemarkeerd met de opschriften "AIRBAG".
Het rood omkaderde gebied Afbeelding 79 wordt door de zich activerende hoofdairbag bereikt (werkingsgebied). Daarom mogen in dit gebied nooit voorwerpen worden neergelegd of bevestigd.
Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag aan de zijde van de aanrijding geactiveerd.
De hoofdairbags verminderen bij aanrijdingen van opzij het gevaar voor verwondingen voor de inzittenden op de voorstoelen en de buitenste zitplaatsen achterin aan de zijde waar de impact plaatsvindt.

WAARSCHUWING
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- Altijd de werkingsgebieden van de voor-airbags vrij laten.
- Nooit voorwerpen op de afdekking en in het werkingsgebied van de hoofdairbag bevestigen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en op de buitenste zitplaatsen achterin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Let erop dat ook kinderen en passagiers zich hier aan houden.
- Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. Geen zware of scherpe voorwerpen in de zakken laten.
- Geen accessoiredelen aan de portieren monteren.
- Geen rolgordijnen aan de zijruiten bevestigen, die niet uitdrukkelijk voor het gebruik in de betreffende wagen zijn vrijgegeven.
- Zonnekleppen alleen naar de zijruiten draaien, als aan de zonneklep geen voorwerpen zijn bevestigd, zoals balpennen of gara-gedeuropeners.
Knie-airbag


Afbeelding 80 Aan bestuurderszijde: Inbouwplaats en werkingsgebied van de knie-airbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-1 en volg deze op.
De knie-airbag zit aan bestuurderszijde in het onderste gedeelte van het dashboard Afbeelding 80 A. De inbouwplaats is gemarkeerd met het op- schrift "AIRBAG".
Het rood omkaderde gebied ⇒ Afbeelding 80 B wordt door de zich activerende hoofdairbag bereikt (werkingsgebied). Daarom mogen in dit gebied nooit voorwerpen worden neergelegd of bevestigd.

WAARSCHUWING
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- De knie-airbag ontvouwt zich vóór de knieën van de bestuurder. Altijd het werkingsgebied van de knie-airbag vrij laten.
- Nooit voorwerpen op de afdekking en in het werkingsgebied van de knie-airbag bevestigen.
- Bestuurdersstoel zo verstellen dat er ten minste 10 cm ruimte tussen de knieën en de inbouwplaats van de knie-airbag is. Als u om

WAARSCHUWING (vervolg)
lichamelijke redenen niet aan deze eis kunt voldoen, neem dan beslist contact op met een specialist.
Kinderzitjes (accessoires)

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
| Algemene informatie over het vervoeren van kinderen in de wagen | 112 |
| Verschillende bevestigingssystemen | 114 |
| Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken | 114 |
| Kinderzitje op de zitplaatsen achterin gebruiken | 115 |
| Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen | 116 |
| Kinderzitje met onderste verankeringspunten bevestigen (Isofix) | 118 |
| Kinderzitje met bevestigingsgordel Top Tether bevestigen | 119 |
Vóór het vervoeren van zuigelingen en kinderen in een kinderzitje op de bijrijdersstoel, is het absoluut noodzakelijk de informatie over het airbagsysteem in het geheel te lezen.
Deze informatie is voor de veiligheid van de bestuurder en de veiligheid van alle passagiers, vooral van zuigelingen en kleine kinderen, zeer belangrijk.
Volkswagen adviseert kinderzitjes uit het accessoireprogramma van Volkswagen te gebruiken. Deze kinderzitjes zijn voor het gebruik in Volkswagens ontwikkeld en getest. Kinderzitjes van verschillende bevestigingssystemen zijn verkrijgbaar bij uw Volkswagen Partner.
Gebruik van kinderveiligheidssystemen met onderstel resp. steunvoet
Sommige kinderveiligheidssystemen hebben een onderstel resp. extra steunvoet, die op de bodem ondersteund. Bij wagens met een opbergvak op de bodem is voor het veilig gebruik van het onderstel resp. de steunvoet, een inzetstuk (accessoire) voor het opbergvak op de bodem noodzakelijk, opdat het kinderveiligheidssysteem correct en veilig kan worden ingebouwd.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 90
• Airbagsysteem ⇒ pagina 101
• Geïntegreerd kinderzitje ⇒ pagina 121
- Opbergmogelijkheden (voetenruimte achterin) pagina 181

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette kinderen en niet goed vast- gezette kinderen kunnen tijdens het rijden zware of dodelijke verwondingen oplopen.
- Nooit een kinderzitje met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel vervoeren bij in een werking gestelde bijrijdersvoorairbag.
- Kinderen t/m 12 jaar moeten altijd op de zitplaatsen achterin worden vervoerd.
- Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten.
- Kinderen altijd goed vastgespen en een juiste zithouding laten innemen.
- Stoelleuning in een rechte stand brengen als een kinderzitje op deze zitplaats word geplaatst.
- Het kind niet met het hoofd of een ander lichaamsdeel in het werkingsgebied van de zij-airbag laten komen.
- Let op het juiste gordelverloop.
- Nooit kinderen of baby's op schoot of vasthoudend meenemen.
- Telkens slechts één kind in een kinderzitje vastgespen.
- Als een kinderzitje met onderstel resp. steunvoet wordt gebruikt, moet altijd erop worden gelet dat het onderstel resp. de steunvoet goed en veilig is gemonteerd.
- Als de wagen is uitgerust met een opbergvak in de voetenruimte vóór de achterste zitrij, kan het opbergvak niet worden gebruikt, maar moet het met een speciaal accessoire worden gevuld, zodat het onderstel resp. de steunvoet bij gesloten opbergvak goed wordt ondersteund en het kinderzitje goed vastzit. Wordt het opbergvak niet gevuld, dan is het mogelijk dat het onderstel resp. de steunvoet van het kinderzitje bij een ongeval afbreekt, waardoor het kind door de wagen wordt geslingerd en ernstig gewond kan raken.
- Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje lezen en in acht nemen.

WAARSCHUWING
Bij een plotselinge rem- of rijmanoeuvre alsmede bij ongevallen kan een los, ongebruikt kinderzitje in het interieur rondvliegen en verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Een ongebruikt kinderzitje vóór het rijden altijd veilig bevestigen of veilig in de bagageruimte opbergen.

Na een ongeval het belaste kinderzitje vervangen, omdat onzichtbare schade zou kunzijn ontstaan.
△
Algemene informatie over het vervoeren van kinderen in de wagen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Voorschriften en wettelijke bepalingen hebben altijd voorrang boven de beschrijvingen in dit instructieboekje. Er zijn verschillende normen en voorschriften voor het gebruik van kinderzitjes en de bevestiging ervan (⇒ Tab. op pagina 113). Zo kan in sommige landen bijvoorbeeld het gebruik van kinderzitjes op bepaalde zitplaatsen in de wagen verboden zijn.
De regels van de natuurkunde, die uitwerkingen op de wagen bij een botsing of bij een ander soort ongeval hebben, gelden ook voor kinderen ⇒ pagina 90. Anders dan bij volwassenen en jongeren zijn
de spieren en botten van kinderen nog niet volledig ontwikkeld. Bij een ongeval bestaat er voor kinderen een groter gevaar voor ernstige verwondingen dan voor volwassenen.
Omdat het lichaam van een kind nog niet volledig is ontwikkeld, moeten voor kinderen veiligheidssystemen worden gebruikt die speciaal aan hun grootte, gewicht en lichaamsbouw zijn aangepast. In veel landen gelden wetten die het gebruik van goedgekeurde kinderzitsystemen voor zuigelingen en kleine kinderen voorschrijven.
Alleen voor de betreffende wagen geschikte, goedgekeurde en toegelaten kinderzitjes gebruiken. Raadpleeg bij twijfel altijd een Volkswagen Partner of specialist.
Checklist
Kinderen in de wagen vervoeren ⇒ ▲:
√ Volg de landspecifieke wettelijke bepalingen op.
Volkswagen adviseert kinderen onder de twaalf jaar altijd op de zitplaatsen achterin te vervoeren.
Een kind alleen in uitzonderingsgevallen op de bijrijdersstoel vervoeren ⇒ pagina 114. De veiligste plaats in de wagen is op de zitplaats achter de bijrijdersstoel.
√ Een kind in de wagen altijd in een veiligheidssysteem vastzetten. Het veiligheidssysteem moet geschikt zijn voor de grootte, het gewicht en de lichaamsbouw van het kind.
√ Altijd slechts één kind per kinderzitje vervoeren.
Let op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het betreffende kinderzitje en neem deze altijd in de wagen mee.
Bij bevestiging van het kinderzitje met de veiligheidsgordel, de gordel volgens de richtlijnen van de fabrikant van het kinderzitje door resp. rond het kinderzitje leiden.
Let bij het kind op het juiste gordelverloop en het innemen van de juiste zithouding.
Het kinderzitje het beste achter de bijrijdersstoel op de zitplaats achterin monteren, zodat kinderen aan de trottoirzijde kunnen uitstappen.
Tijdens het rijden geen speelgoed of andere voorwerpen los in het kinderzitje of op de stoel laten liggen.
Landspecifieke normen voor kinderzitjes (selectie)
Kinderzitjes moeten voldoen aan de norm ECE-R 44 ^1) . Meer informatie is verkrijgbaar bij een Volkswagen Partner en via het internet op www.volkswagen.com.
Groepenindeling van kinderzitjes volgens ECE-R 44
| Gewichtsgroep | Gewicht van het kind | Leeftijd |
| Groep 0 | t/m 10 kg | tot ca. 9 maanden |
| Groep 0+ | t/m 13 kg | tot ca. 18 maanden |
| Groep 1 | 9 t/m 18 kg | ca. 8 maanden tot 3^1/2 jaar |
| Groep 2 | 15 t/m 25 kg | ca. 3 tot 7 jaar |
| Groep 3 | 22 t/m 36 kg | ca. 6 tot 12 jaar |
Niet elk kind past één op één in het zitje van zijn gewichtsgroep. Evenzo past niet elk zitje in elke wagen. U moet daarom altijd controleren of het kind goed in het kinderzitje past en of het zitje veilig in de wagen kan worden bevestigd.
Kinderzitjes die conform de ECE-R 44 norm zijn getest, hebben op het zitje het ECE-R 44 keurmerk: hoofdletter E in een cirkel, daaronder het testnummer.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren.

WAARSCHUWING
De zitplaats achterin is bij een ongeval altijd de veiligste plaats voor juist vastgegespte kinderen.
- Een geschikt kinderzitje die op de juiste wijze is ingebouwd en op de stoelen achterin wordt geplaatst, biedt in de meeste ongevals-situaties de beste bescherming voor kinderen tot 12 jaar.
Om het kinderveiligheidssysteem met onderstel resp. steunvoet op de juiste wijze en veilig in uw wagen te kunnen inbouwen, kunnen aanvullende hulpstukken noodzakelijk zijn. Raadpleeg een Volkswagen Partner of specialist.
Verschillende bevestigingssystemen

Afbeelding 81 Op de zitplaatsen achterin: Afbeelding Ⓐ toont het principe van de bevestiging van het kinderveiligheidssysteem aan de onderste bevestigingsogen en met de bovenste bevestigingsgordel. Afbeelding Ⓑ toont de bevestiging van het kinderveiligheidssysteem met de veiligheidsgordel van de wagen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Kinderzitjes altijd volgens de inbouwaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje juist en veilig in de wagen bevestigen.
Het ingebouwde kinderzitje moet dicht tegen de stoel aan rusten en mag niet meer dan 2,5 cm kunnen bewegen of kantelen.
Kinderzitjes die zijn bedoeld voor de bevestiging met een bevestigingsgordel Top Tether, moeten ook met de bevestigingsgordel Top Tether in de wagen worden bevestigd ⇒ pagina 119. Bevestigingsgordel alleen aan de hiervoor bestemde bevestigingspunten bevestigen. Bevestigingsgordel
Top Tether altijd zo strak aantrekken dat het kinderzitje stevig en vlak met de betreffende zitplaats is verbonden.
Landspecifieke bevestigingssystemen
Verschillende bevestigingssystemen
⇒Afbeelding 81:
A Isofix-bevestigingsogen en bovenste bevestigingsgordel, onder andere in Europa ⇒ pagina 118 en ⇒ pagina 119.
⑧ Automatische 3puntsgordel en bovenste bevestigingsgordel ⇒ pagina 116.
De systemen omvatten de bevestiging van het kinderveiligheidssysteem met een bovenste bevestigingsgordel (Top Tether) en de onderste verankeringspunten in de stoel.
Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken

Afbeelding 82 Op de zonneklep aan bijrijderszijde: Airbagsticker
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 111 en volg deze op.
Niet in alle landen is het vervoer van kinderen op de bijrijdersstoel toegestaan. En niet elk kinderzitje is voor gebruik op de bijrijdersstoel toegelaten. De Volkswagen Partner heeft een actuele lijst met alle toegelaten kinderzitjes. Alleen voor de betreffende wagen toegelaten kinderzitjes gebruiken.
De in paraatheid zijnde voorairbag aan de bijrijderszijde is een groot gevaar voor een kind. Levensgevaarlijk is de bijrijdersstoel voor een kind als het kind in een kinderzitje wordt vervoerd met de rug naar het dashboard gekeerd.
Als een kinderzitje met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel is gemonteerd, kan het kinderzitje door de geactiveerde bijrijdersvoorairbag met zo'n grote kracht worden geraakt dat levensgevaarlijk of zelfs fataal letsel het gevolg kan zijn ⇒ ⚠. Daarom mag bij in paraatheid zijnde bijrijdersvoorairbag nooit een kinderzitje worden gebruikt dat met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel is bevestigd!
Gebruik op de bijrijdersstoel alleen een kinderzitje dat met de rug naar het dashboard is gekeerd, als is gegarandeerd dat de bijrijdersvoorairbag buiten werking is gesteld. Dat is te herkennen doordat het gele controlelampje in het dashboard PASSENGER AIR BAG OFF ♗: gaat branden ⇒ pagina 101. Als de bijrijdersvoorairbag niet buiten werking kan worden gesteld, mag op de bijrijdersstoel geen kind worden vervoerd ⇒ ⚠.
Airbagsticker
Op de zonneklep voor de bijrijder kan een sticker zitten met belangrijke informatie over de bijrijders- voorairbag ⇒ Afbeelding 82. Vóór het inbouwen van een met de rug naar het dashboard gekeerd kinderzitje beslist de waarschuwingsaanwijzingen raadplegen ⇒ ⚠.
Neem bij een kinderzitje op de bijrijdersstoel beslist het volgende in acht:
- Bij een kinderzitje dat met de rug naar het dashboard is gekeerd, moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking zijn gesteld ⚠ ⇒ pagina 106.
- De rugleuning van de bijrijdersstoel moet rechtop staan.
- De bijrijdersstoel moet helemaal naar achteren zijn geschoven.
- De bijrijdersstoel moet bij een in hoogte verstelbare stoel helemaal naar boven zijn gezet.
- De gordelhoogteverstelling van de veiligheids-gordel moet in de hoogste stand staan.
Geschikte kinderzitjes
Het kinderzitje moet door de fabrikant speciaal voor het gebruik op de bijrijdersstoel in wagens met voor- en zij-airbag zijn goedgekeurd.
Op de bijrijdersstoel kunnen universele kinderzijtes volgens ECE-R 44 voor groep 0, 0+, 1, 2 of 3 worden bevestigd.
Sommige kinderveiligheidssystemen hebben een steun die op de bodemplaat steunt. Kinderveiligheidssystemen met steun mogen op de bijrijdersstoel worden gebruikt.
GEVAAR
Als op de bijrijdersstoel een kinderzitje wordt gemonteerd, wordt voor het kind in het geval van een aanrijding het risico van levensgevaarlijk lichamelijk letsel vergroot en kan zelfs fatale gevolgen hebben. Nooit kinderzitjes die met de rug naar het dashboard zijn gekeerd op de bijrijdersstoel monteren als de bijrijdersvoorairbag in paraatheid is. Het kind kan bij activering van de voorairbag gedood worden, doordat het kinderzitje met volle kracht door de geactiveerde airbag wordt getroffen en tegen de stoelleuning wordt geslingerd.
GEVAAR
Als in uitzonderingsgevallen een kind met de rug naar het dashboard op de bijrijdersstoel moet worden vervoerd, het volgende in acht nemen:
- Altijd de bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen en buiten werking laten.
- Het kinderzitje moet door de fabrikant van het kinderzitje voor het gebruik op de bijrijdersstoel met voor- resp. zij-airbag zijn vrijgegeven.
- Neem de montageaanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje en de waarschuwingsaanwijzingen in acht.
- De bijrijdersstoel in lengterichting helemaal naar achteren schuiven en omhoogzetten om een zo groot mogelijke afstand tot de voorairbag te krijgen.
• Rugleuning rechtop zetten. - Gordelhoogteverstelling helemaal omhoog verstellen.
- Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten.
Kinderzitje op de zitplaatsen achterin gebruiken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-1 en volg deze op.
Bij de bevestiging van een kinderzitje op een stoel achterin moet de stand van de voorstoel zo worden aangepast dat het kind voldoende ruimte
heeft. Daarom de voorstoel aan de grootte van het kinderzitje en het kind aanpassen. Let daarbij ook op de juiste zithouding van de bijrijder ⚠ ⇒ pagina 74.
De tweede zitrij helemaal naar achteren schuiven en goed blokkeren. Rugleuning rechtop zetten en de hoofdsteun helemaal omhoogschuiven.
Geschikte kinderzitjes
Het kinderzitje moet door de fabrikant zijn vrijgegeven voor het gebruik op zitplaatsen achterin met zij-airbag.
Op de zitplaatsen achterin kunnen universele kinderzitjes volgens ECE-R 44 voor groep 0, 0+, 1, 2 of 3 worden bevestigd.
De zitplaatsen van de tweede en derde zitrij zijn geschikt voor kinderzitjes met Isofix-systeem, die speciaal voor deze wagen zijn goedgekeurd volgens de norm ECE-R 44.
Sommige kinderveiligheidssystemen hebben een steun die op de bodemplaat steunt. Kinderveiligheidssystemen met steun mogen op alle zitplaatsen van de tweede en derde zitrij worden gebruikt.
Isofix-kinderzitjes die voor de zitplaatsen achterin zijn toegelaten
Isofix-kinderzitjes zijn ingedeeld in de toelatingscategorieën "universeel", "semi-universeel" of "wagenspecifiek".
- Als het Isofix-kinderzitje tot de categorie "universeel" behoort, moet het kinderzitje met de onderste verankeringspunten en de bevestigingsgordel Top Tether worden vastgezet.
- Bij Isofix-kinderzitjes met de toelating "semi-universeel" of "wagenspecifiek" moet vóór het gebruik worden gecontroleerd, of het kinderzitje is
toegelaten voor de wagen. Hiervoor levert de fabrikant van het kinderzitje bij het Isofix-kinderzitje een lijst met wagens, waarvoor het betreffende Isofix-kinderzitje is vrijgegeven. U kunt eventueel om een actuele lijst met wagens aan de fabrikant van het kinderzitje vragen.

WAARSCHUWING
Een kind in het kinderzitje op de achterbank kan bij het spelen met ongebruikte blokkeerbare veiligheidsgordels dodelijk gewond raken.
- Ongebruikte blokkeerbare veiligheidsgordels van de achterbank altijd vastzetten.

WAARSCHUWING
Als op alle zitplaatsen van de tweede zitrij kinderzitjes zijn aangebracht, kunnen de stoelen van de tweede zitrij bij een ongeval niet vanaf de derde zitrij naar voren worden geklapt. Personen die op de zitplaatsen van de derde zitrij zitten, zijn dan in een noodgeval niet in staat om de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden.
- Nooit tegelijkertijd op alle zitplaatsen van de tweede zitrij kinderzitjes aanbrengen, als personen op de derde zitrij worden vervoerd.
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Kinderzitjes met het opschrift universeel op het oranje label mogen met de veiligheidsgordel op de zitplaatsen worden bevestigd die in de tabel met een u zijn gemarkeerd.
| Gewichtsgroep | Bijrijdersstoel | Zitplaatsen op de achterbank (2e resp. 3e zitrij) |
| Groep 00 - 10 kg | u | u |
| Groep 0+0 - 13 kg | u | u |
| Groep 19 t/m 18 kg | u | u |
| Groep 215 t/m 25 kg | u | u |
| Groep 322 t/m 36 kg | u | u |
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen
- Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje lezen en in acht nemen.
- Bijrijdersstoel resp. zitplaatsen van de tweede zitrij geheel naar achteren schuiven en de betreffende rugleuning rechtop zetten ⇒ pagina 74.
- Kinderzitje overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje op de stoel zetten.
- De gordelhoogteverstelling van de veiligheids-gordel moet in de hoogste stand staan.
- Veiligheidsgordel volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje vastgespen resp. door het kinderzitje leiden.
- Let erop dat de veiligheidsgordel niet verdraaid is.
- Slotgesp resp. slotgespen (bij zitplaatsen met 2 gordelsloten) in het bij de zitplaats horende gordelslot steken, tot de slotgesp hoorbaar vastklikt.
- Bij wagens met blokkeerbare veiligheidsgordels: schoudergordel helemaal uittrekken en gordel door de gordeloprolautomaat laten oprollen. Bij het oprollen is een "klikkend" geluid hoorbaar.
- De bovenste gordel moet stevig en volledig tegen het kinderzitje aan liggen.
- Aan de veiligheidsgordel trekken - de onderste gordel mag niet meer eruit kunnen worden getrokken.
- Bij wagens met blokkeerbare veiligheidsgordels: zo nodig de ongebruikte veiligheidsgordels zo vastzetten, dat deze zich buiten het bereik van het
kind in het kinderzitje bevinden: gordelband achter de hoofdsteun van de naastgelegen zitplaats langs geleiden. Daarbij mag de blokkering van de veiligheidsgordel niet worden geactiveerd! Er mag dus bij het oprollen geen "klikkend" geluid hoorbaar zijn. Gordel door de gordeloprolautomaat laten oprollen.
Kinderzitje uitbouwen
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen los- maken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot resp. in de gordelsloten (bij zitplaatsen met 2 gordelsloten) drukken. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.
- Kinderzitje uit de wagen halen.

WAARSCHUWING
Het losmaken van de veiligheidsgordel tijdens het rijden kan bij een ongeval of plotselinge rem- en rijmanoeuvres zware of dodelijke verwondingen veroorzaken!
- Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken.
Kinderzitje met onderste verankeringspunten bevestigen (Isofix)


Afbeelding 83 Op de zitting: Markeringsvarianten van de onderste verankeringspunten voor kinderzitjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Op elke zitplaats van de achterbank kunnen steeds twee bevestigingsogen zitten, de zogenoemde onderste verankeringspunten.
Overzicht inbouw met Isofix
In overeenstemming met de Europese richtlijn ECE-R 16 worden in de volgende tabel de inbouw-mogelijkheden aan de onderste verankeringspun- ten van Isofix-kinderzitjes op de afzonderlijke zitplaatsen in de wagen opgesomd.
Het voor het kinderzitje toegestane lichaamsgewicht resp. de aanduiding van klasse A t/m G is bij kinderzitjes met de vrijgave "universeel" of "semi-universeel" op het label op het kinderzitje aangegeven.
| Groep (gewichtsgroep) | ||||||||||
| Groep 0: tot 10 kg | Groep 0: tot 10 kg | Groep 1: 9 tot 18 kg | ||||||||
| Groep 0+: tot 13 kg | ||||||||||
| Inbouwrichting | Achteruit ge-richt (tegen rijrich-ting in) | Achteruit gericht (tegen rijrichting in) | Achteruit ge-richt (tegen rijrich-ting in) | Vooruit gericht (in rijrichting) | ||||||
| Klasse | F | G | C | D | E | C | D | A | B | B1 |
| Inbouw bijrijdersstoel | Zitplaats zonder verankeringspunten, geen bevestiging met Isofix | |||||||||
| Plaatsing op zitplaatsen achterin | IL-SU | IL-SU | IL-SU | IUF/IL-SU | ||||||
X: zitplaats is niet geschikt voor de bevestiging van een Isofix-kinderzitje van deze groep.
IL-SU: geschikte zitplaats voor het inbouwen van een Isofix-kinderzitje met de toelating "semi-universeel". Neem de wagenlijst van de fabrikant van het kinderzitje in acht.
IUF: geschikte zitplaats voor naar voren gericht Isofix-kinderzitje uit de categorie "universeel", dat toegelaten is voor het gebruik voor deze gewichts-groep.
Kinderzitje met vaste bevestiging
Bij het inbouwen van een kinderzitje met vaste bevestiging kunnen inbouwhulpstukken worden gebruikt. Gemonteerde inbouwhulpstukken vergemakkelijken het inbouwen en beschermen de stoelbekleding. De inbouwhulpstukken maken
soms deel uit van de leveringsomvang van het kinderzitje of zijn bij de Volkswagen Partner te verkrijgen. De inbouwhulpstukken worden zo nodig op beide verankeringspunten van de wagen vastgeklikt ⇒ ⚠.
- Let bij het in- en uitbouwen op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje
- Kinderzitje in pijlrichting op de bevestigingsogen Afbeelding 83 steken. Het kinderzitje moet goed en hoorbaar vastklikken.
- Ter controle aan beide zijden van het kinderzitje trekken.
Kinderzitje met verstelbare bevestigingsgordels
- Let bij het in- en uitbouwen op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje ▲.
- Kinderzitje op de zitting zetten en de haken van de bevestigingsgordels in de bevestigingsogen Afbeelding 83 haken.
- Bevestigingsgordels aan het betreffende stelsysteem gelijkmatig straktrekken. Het kinderzitje moet strak tegen de zitplaats aan liggen.
- Ter controle aan beide zijden van het kinderzitje trekken.

WAARSCHUWING
De onderste verankeringspunten voor kinder-zitjes zijn geen bevestigingsogen. Alleen kinder-zitjes aan de onderste verankeringspun- ten bevestigen.

LET OP
- Om blijvende afdrukken in de bekleding te voorkomen, moeten de inbouwhulpstukken uit de verankeringspunten losgetrokken worden wanneer er geen kinderzitje in de verankeringspunten van de wagen is ingebouwd.
- Om schade aan de stoelbekledingen, de vulling of de inbouwhulpstukken te voorkomen, moeten de inbouwhulpstukken vóór het neerklappen van de stoelen achterin altijd uit de inbouwhulpstukken worden losgetrokken.
Kinderzitje met bevestigingsgordel Top Tether bevestigen

Afbeelding 84 Vastgehaakte bovenste bevestigingsgordel in de bagageruimte

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
- Let bij het in- en uitbouwen op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje ▲.
-
Hoofdsteun achter het kinderzitje uitbouwen en veilig in de wagen opbergen ⇒ pagina 74.
-
Kinderzitje aan de onderste verankeringspunten bevestigen ⇒ pagina 118.
- Bovenste bevestigingsgordel van het kinderzitje naar achteren naar de achterzijde van de achterbankleuning leiden.
- Bovenste bevestigingsgordel aan de achterzijde van de rugleuning in het betreffende bevestigingsoog van de rugleuning vasthaken ⇒ Afbeelding 84.
- Gordel strakspannen, zodat het kinderzitje bovenaan tegen de rugleuning rust.
Hoofdsteun weer inbouwen, nadat het kinderzitje is uitgebouwd ⇒ pagina 74.

WAARSCHUWING
Kinderzitje met onderste verankeringspunten en bovenste bevestigingsgordel moeten overeenkomstig de gegevens van de betreffende fabrikant worden gemonteerd. Anders zouden zware verwondingen het gevolg kunnen zijn.
- Altijd slechts een bevestigingsgordel van een kinderzitje aan een bevestigingsoog in de bagageruimte bevestigen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een kinderzitje aan de bevestigingsogen bevestigen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij wagens met railsysteem en bevestigingselementen nooit kinderzitjes aan de verschuifbare bevestigingselementen bevestigen.
Geïntegreerd kinderzitje

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen 122
Gordelverloop bij het geïntegreerde kinderzitje 123
Kinderzitje ongedaan maken 124
Het geïntegreerde kinderzitje is alleen geschikt voor kinderen uit groep 2 (15-25 kg) en groep 3 (22-36 kg) volgens de ECE-R 44 norm.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 90

GEVAAR
Niet-vastgegespte kinderen en kinderen die niet met een geschikt veiligheidssysteem zijn vastgezet, kunnen bij het activeren van de airbags dodelijk gewond raken.
- Kinderen tot een leeftijd van 12 jaar altijd op de zitplaats achterin vervoeren.
- Altijd de bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen, als een kind in uitzonderingsgevallen met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel moet worden vervoerd.
- Kinderen altijd met een geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten.
- Kinderen altijd juist vastgespen.

WAARSCHUWING
Kinderen tijdens het rijden altijd met een kinderzitje dat bij hun lichaamsgewicht en lichaamslengte past in de wagen vastzetten.
- Kinderen altijd met een geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten.
- Kinderen altijd goed vastgespen en een juiste zithouding laten innemen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het schoudergordelgedeelte moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en nooit over de hals of de bovenarm.
- De schoudergordel moet vast op het bovenlichaam liggen.
- Het heupgordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik lopen en altijd vast aanliggen.
- Gordel eventueel iets natrekken, zodat deze vast tegen het lichaam aan ligt.
- Nooit kinderen of baby's op schoot of vasthoudend meenemen.
- Kinderen met een lichaamslengte onder 1,50 m altijd in een kinderzitje vastgespen. De normale veiligheidsgordel kan verwondingen aan buik en halsstreek veroorzaken.
- Altijd slechts één kind per kinderzitje vastgespen.
- Informatie en waarschuwingsaanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje lezen en in acht nemen.
- Kinderen nooit zonder toezicht in het kinderzitje of alleen in de wagen achterlaten.
- Veranderingen aan het geïntegreerde kinderzitje alleen door een specialist laten uitvoeren.
- Kinderzitje resp. onderdelen van het zitje laten vernieuwen, als het kinderzitje of onderdelen ervan zijn beschadigd of tijdens een ongeval zijn belast.

WAARSCHUWING
Bij een plotselinge rem- en rijmanoeuvre alsmede bij ongevallen kunnen losse voorwerpen in het interieur rondvliegen en verwondingen veroorzaken.
- Geen speelgoed of harde voorwerpen los in het kinderzitje of op de stoel laten liggen.
Geïntegreerd kinderzitje uitklappen

flowchart
graph TD
A["Position 1"] --> B["Position 2"]
B --> C["Position 3"]
C --> A
style A fill:#f9f,stroke:#333
style B fill:#ccf,stroke:#333
style C fill:#cfc,stroke:#333
Afbeelding 85 Geïntegreerd kinderzitje: Zitting en zittingwangen opstellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa-1 en volg deze op.
Het geïntegreerd kinderzitje kan worden voorzien van een hoofdsteun voor kinderzitje met zijgedeeltes. Volkswagen adviseert het geïntegreerde kinderzitje altijd met de hoofdsteun voor kinderzitje met zijgedeeltes en alleen voor kinderen vanaf drie jaar te gebruiken.
Zitting en zijkussens van stoeltje omhoogzetten
- Zitting aan ontgrendelingshendel Afbeelding 85 (A) in pijlrichting (1) naar voren trekken.
- Beide zittingwangen Ⓑ in pijlrichting ② naar boven klappen.
- Zitting © in pijlrichting ③ naar achteren duwen, totdat deze vastklikt.

Afbeelding 86 Geïntegreerd kinderzitje: hoofdsteun voor kinderzitje inbouwen
Hoofdsteun voor kinderzitje opsteken
- Hoofdsteun uitbouwen en veilig in de wagen opbergen ⇒ pagina 84.
- Let erop dat de gordelgeleidingslus aan de ruitzijde aan de hoofdsteun voor het kinderzitje is bevestigd ⇒ pagina 123.
- Hoofdsteun voor kinderzitje in de geleidingen van de betreffende rugleuning steken, tot de hoofdsteun voor het kinderzitje goed is vergrendeld Afbeelding 86
- Aan de stoel en de rugleuning trekken, om te controleren of de stoel en de rugleuning goed vastzitten.
Gordelverloop bij het geïntegreerde kinderzitje

Afbeelding 87 Geïntegreerd kinderzitje: Gordelverloop

Afbeelding 88 Geïntegreerd kinderzitje: Verloop van de gordel met gordelgeleidingslus
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 121 en volg deze op.
Met de gordelgeleidingslus Afbeelding 88 de veiligheidsgordel zo aanbrengen dat het schoudergordelgedeelte van de veiligheidsgordel bij kleinere kinderen midden op de schouder ligt.
Gordelgeleidingslus
- Gordelgeleidingslus eventueel aan de ruitzijde aan de zijhoofdsteun bevestigen. De gordelgeleidingslus wordt met een drukknop bevestigd.
- Bovenste drukknop van de gordelgeleidingslus openen en gordel onder de zijhoofdsteun door de gordellus heen leiden.
• Drukknop weer sluiten.
Gordelverloop
- Veiligheidsgordel onder de zijhoofdsteun door leiden.
- Gordel bij de slotgesp langzaam over borst en bekken leiden.
- Slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot steken tot de slotgesp hoorbaar vastklikt.
- Aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de slotgesp ook goed in het slot is vergrendeld.
⚠ WAARSCHUWING
De veiligheidsgordel biedt alleen bij het juiste gordelverloop optimale bescherming tegen zware ongevallen en dodelijke verwondingen.
- Kinderen altijd goed vastgespen en een juiste zithouding laten innemen.
- Schoudergordelgedeelte alleen over het midden van de schouder laten lopen.
- De veiligheidsgordel altijd vlak en nauw op het lichaam laten aansluiten.
- Gordel natrekken, zodat deze nauw op het lichaam aansluit.
- Heupgordelgedeelte altijd vóór het bekken en niet over de buik laten lopen.
- Altijd slechts één kind per kinderzitje vastgespen.

Afbeelding 89 Geïntegreerd kinderzitje: Zitting terugklappen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa-1 en volg deze op.
Zitting terugklappen
- Zitting aan ontgrendelingshendel Afbeelding 89 Ⓐ in pijlrichting ① naar voren trekken.
- Zitting in het midden Ⓑ in pijlrichting ② omlaagdrukken, zodat deze goed kan vastklikken ⇒ ①. De zijsteunen klappen automatisch in.
Hoofdsteun voor kinderzitje verwijderen
• Gordelgeleidingslus openen.
- Gordel met de hand teruggeleiden, zodat de gordel makkelijker kan oprollen en de bekledingen niet worden beschadigd.
- Hoofdsteun voor kinderzitje omhoogschuiven.
- Rugleuning van de zitplaats achterin naar vo-ren klappen ⇒ pagina 84.
- Hoofdsteun voor kinderzitje uitbouwen.
• Hoofdsteun inbouwen ⇒ pagina 74.

LET OP
Bij het terugklappen van het geïntegreerde kinderzitje alleen in het midden op de zitting drukken ②. Anders kan de zitting verdraaien en niet goed vastklikken.
Licht en zicht
Licht

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 126
Knipperlicht- en grootlichthendel 127
Licht in- en uitschakelen 128
Licht en zicht - functies 129
Grootlichtregeling 130
Koplampen afplakken resp. koplamp-asymmetrie veranderen (reismodus) 132
Coming-home- en leaving-homefunctie (orientatieverlichting) 132
Lichtbundelhoogteverstelling, instrumenten- en schakelaarverlichting 133
Binnenverlichting en leeslampjes 134
Raadpleeg de landspecifieke wettelijke bepalingen voor het gebruik van de wagenverlichting en neem deze in acht.
De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de juiste koplampafstelling en de juiste rijverlichting.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 25
• In noodgevallen ⇒ pagina 363
• Gloeilampjes vervangen ⇒ pagina 381

WAARSCHUWING
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moeilijk door andere verkeersdeelnemers kan worden gezien, kunnen ongevallen en zware verwondingen het gevolg zijn.
- Het dimlicht bij duisternis, neerslag of slecht zicht altijd inschakelen.

WAARSCHUWING
Te hoog afgestelde koplampen en het verkeerd gebruik van het grootlicht kunnen andere verkeersdeelnemers afleiden en verblinden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Let er altijd op dat de koplampen correct zijn afgesteld.
- Nooit het grootlicht of het grootlichtsignaal gebruiken als andere verkeersdeelnemers kunnen worden verblind.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 125 en volg deze op.
Controlelampjes in het instrumentenpaneel
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Rijverlichting geheel of gedeeltelijk uitgeval- len. | Betreffende gloeilampje vervangen ⇒ pagina 381.Als alle gloeilampjes in orde zijn, evt. een specialist opzoeken. | |
| Storing in de bochtenverlichting. | Specialist opzoeken ⇒ pagina 130. | |
| Mistachterlicht ingeschakeld. | ⇒ pagina 128. | |
| Mistlampen ingeschakeld. | ||
| Knipperlicht links of rechts.Het controlelampje knippert twee keer zo snel als er aan de wagen of de aanhangwagen een knipperlichtlampje is uitgevallen. | Zo nodig de verlichting van de wagen en de aanhangwagen controleren. | |
| Grootlicht ingeschakeld of grootlichtsignaal bediend. | ⇒ pagina 127. | |
| Grootlichtregeling (Light Assist) resp. automa- tische grootlichtregeling (Dynamic Light As- sist) ingeschakeld. | ⇒ pagina 130. |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Reismodus ingeschakeld. Knippert geduren-de ongeveer 5 seconden telkens nadat het contact is ingeschakeld. | Reismodus uitschakelen ⇒ pagina 132. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Controlelampjes in de lichtschakelaar
| Brandt | Mogelijke oorzaak |
| AUTO | Automatische aansturing rijverlichting en eventueel automatische dagrijverlichting of dagrijverlichting ingeschakeld ⇒ pagina 129. |
| #D | Mistlampen ingeschakeld ⇒ pagina 128. |
| #00= | Stadslicht ingeschakeld ⇒ pagina 128. |

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes en tekstmeldingen negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare

WAARSCHUWING (vervolg)
materialen onder de wagen in aanraking ko- men, bv. kreupelhout, bladeren, droog gras, gemorste brandstof, olie etc.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten

WAARSCHUWING (vervolg)
inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Knipperlicht- en grootlichthendel

Afbeelding 90 Naast het stuurwiel: Knipperlichten grootlichthendel in uitgangsstand

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Hendel in de gewenste stand bewegen:
Ⓐ Rechts knipperen ⇒ ⚠. Bij uitgeschakeld contact parkeerlicht rechts ⇒ pagina 129.
⑧ Links knipperen ⇒ ⚠. Bij uitgeschakeld contact parkeerlicht links ⇒ pagina 129.
© Grootlicht ingeschakeld ⇒ ⚠. Bij ingeschakeld grootlicht brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje 📊.
D Grootlichtsignaal bedienen of grootlicht uitschakelen. Het grootlichtsignaal brandt, zolang de hendel aangetrokken is. Het controlelampje D brandt.
Hendel in de uitgangsstand zetten om de betreffende functie uit te schakelen.
Comfortknipperen
Voor het comfortknipperen de hendel tot aan het drukpunt naar boven Ⓐ of naar beneden Ⓑ bewegen en hendel loslaten. Het knipperlicht knippert driemaal.
Het comfortknipperen kunt u via het menu Licht & Sicht (Licht & Zicht) op het display in het instrumentenpaneel uitschakelen ⇒ pagina 25. Bij wagens zonder menu Licht & Sicht (Licht & Zicht) kan de functie door een specialist worden gedeactiveerd.

WAARSCHUWING
Ondeskundig gebruik van de knipperlichten, het niet-gebruiken van de knipperlichten of vergeten het knipperlicht weer uit te schakelen, kan verkeersdeelnemers verwarren. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Rijstrookwissels, inhaalmanoeuvres en afslaan altijd door tijdig knipperen aangeven.
- Na de rijstrookwissel, inhaalmanoeuvre of het afslaan het knipperlicht uitschakelen.

WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van het grootlicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben, omdat het grootlicht andere verkeersdeelnemers kan afleiden en verblinden.
Het knipperlicht werkt alleen bij ingeschakeld contact. De alarmlichten werken ook wanneer het contact is uitgeschakeld ⇒ pagina 363.
Als er aan de wagen of de aanhangwagen een knipperlicht uitvalt, knippert het controle-lampje ongeveer twee keer zo snel.
Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld dimlicht worden ingeschakeld.


Afbeelding 91 Naast het stuurwiel: Voorbeelden van enkele uitvoeringen van de lichtschakelaar

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Raadpleeg de landspecifieke wettelijke bepalingen voor het gebruik van de wagenverlichting en neem deze in acht.
Bij wagens met af fabriek ingebouwde trekhaak: als de elektrisch verbonden aanhangwagen is uitgerust met een mistachterlicht, wordt het mistachterlicht van de wagen automatisch uitgeschakeld.
De lichtschakelaar in de gewenste stand draaien ⇒ Afbeelding 91:
| Symbool | Bij uitgeschakeld contact | Bij ingeschakeld contact |
![]() | Mistlichten, dimlicht en stadslicht uitgescha-keld. | Verlichting uitgeschakeld resp. automatische dagrijverlichting of dagrijverlichting ingeschakeld. |
![]() | Oriëntatieverlichting kan ingeschakeld zijn. | Automatische aansturing rijverlichting en eventu-eel automatische dagrijverlichting of dagrijver-lichting ingeschakeld. |
![]() | Stadslicht ingeschakeld. | Stadslicht ingeschakeld. |
![]() | Dimlicht uitgeschakeld - zolang de sleutel in het contactslot zit, blijft het stadslicht bran-den. | Dimlicht ingeschakeld. |
Mistlampen
De controlelampjes 30 of 0 ^1 geven in de lichtschakelaar of in het instrumentenpaneel aan dat de mistverlichting is ingeschakeld.
- Mistlampen 10 inschakelen: lichtschakelaar vanuit stand 300E of 10 tot in de eerste stand uittrekken.
- Mistachterlicht Ⓕ inschakelen: lichtschakelaar uit stand ➡ of ♦D helemaal uittrekken.
- Om de mistlichten uit te schakelen, de lichtschakelaar indrukken of in stand 0 draaien.
Waarschuwingssignaal voor niet- uitgeschakeld licht
Als de sleutel uit het contact is getrokken en het bestuurdersportier is geopend, klinken onder de volgende voorwaarden waarschuwingssignalen. Dit helpt u eraan herinneren het licht uit te schakelen.
- Bij ingeschakeld parkeerlicht ⇒ pagina 127, ⇒ pagina 129.
- Lichtschakelaar in stand ≥slant of 0#.
Gasontladingslampen
Gasontladingslampen genereren een helder en gelijkmatig licht voor een betere verlichting van de rijbaan en een betere zichtbaarheid van een wagen voor de andere weggebruikers. Het licht van de gasontladingslampen ontstaat door een zeer hoge elektrische spanning tussen 2 elektroden, die in een met gas gevulde glazen ballon zitten.
Na verloop van tijd kunnen de elektroden slijten, waardoor de afstand ten opzichte van elkaar groter wordt. Het regelapparaat van de gasontlading-slampen herkent de verandering en verhoogt de elektrische spanning, om nog steeds constant het heldere en gelijkmatige licht te genereren.
Gasontladingslampen kunnen echter ook door- branden. Voordat gasontladingslampen doorbran- den, flikkeren deze mogelijk of branden onregel- matig. Op het display in het instrumentenpaneel kan, afhankelijk van de uitrusting, een overeen- komstige melding worden weergegeven.
Als gasontladingslampen flikkeren of onregelmatig branden, direct een specialist opzoeken en de koplampen laten controleren.

WAARSCHUWING
Het stadslicht of de dagrijverlichting is niet helder genoeg om de weg voldoende te ver- lichten en door andere verkeersdeelnemers te worden gezien.
- Het dimlicht bij duisternis, neerslag of slecht zicht altijd inschakelen.
△
Licht en zicht - functies

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Parkeerlicht
Bij ingeschakeld parkeerlicht (rechter- of linkerknipperlicht) branden aan de betreffende zijde van de wagen de koplamp met stadslicht en delen van het het achterlicht. Het parkeerlicht kan alleen worden ingeschakeld bij uitgeschakeld contact en als de knipperlicht- en grootlichthendel voordat deze werd gebruikt in de middelste stand stond.
Parkeerlicht aan beide zijden
Als bij uitgeschakeld contact de lichtschakelaar in stand »« staat en de wagen wordt van buitenaf vergrendeld, schakelt het parkeerlicht aan beide zijden in. Daarbij branden alleen de stadslichten in beide koplampen en gedeelten van de achterlichten.
Automatische dagrijverlichting
Bij de automatische dagrijverlichting brandt het dimlicht resp. het stadslicht en de kentekenplaat-verlichting.
De automatische dagrijverlichting schakelt elke keer dat het contact wordt ingeschakeld in, indien de lichtschakelaar in de stand 0 resp. AUTO staat. Het controlelampje »« in de lichtschakelaar geeft bij enkele type-uitvoeringen aan dat de automatische dagrijverlichting is ingeschakeld.
Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat, schakelt een regen-lichtsensor het dimlicht inclusief de verlichting van de instrumenten en de schakelaars automatisch in en uit.
De automatische dagrijverlichting kan niet handmatig worden in- of uitgeschakeld.
Dagrijverlichting
Voor de dagrijverlichting zitten er in de koplampen aparte lampen.
Bij ingeschakelde dagrijverlichting branden alleen deze aparte lampjes ⇒ ⚠.
De dagrijverlichting schakelt elke keer dat het contact wordt ingeschakeld in, indien de lichtschakelaar in de stand 0 resp. AUTO staat.
Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat, schakelt een regen-lichtsensor het dimlicht inclusief de verlichting van de instrumenten en de schakelaars automatisch in en uit.
De dagrijverlichting kan niet handmatig worden in- of uitgeschakeld.
Automatische aansturing rijverlichting AUTO
De automatische aansturing rijverlichting is slechts een hulpmiddel en kan niet alle rijsituaties goed genoeg herkennen.
Als de lichtschakelaar in stand AUTO staat, wordt de verlichting van de wagen alsmede de instrumenten- en schakelaarverlichting in de volgende situaties automatisch in- en uitgeschakeld ⇒ ⚠:
| Automatisch inschakelen: | Automatisch uitschakelen: |
| De regen-lichtsensor herkent duisternis, bv. bij het rijden in tunnels. | Als de regen-lichtsensor voldoende licht herkent. |
| De regen-lichtsensor herkent regen en schakelt de ruitenwissers in. | Als de ruitenwissers enkele minuten niet gewist hebben. |
De dynamische bochtenverlichting kan via het Volkswagen informatiesysteem worden in- en uitgeschakeld ⇒ pagina 25.
Bij het rijden door bochten wordt de weg door de zwenkbare lampen automatisch beter verlicht. De dynamische bochtenverlichting werkt alleen bij ingeschakeld dimlicht en bij snelheden boven ca. 10 km/h (6 mph). Als de reismodus ⇒ pagina 132 is geactiveerd, werkt de dynamische bochtenverlichting niet.
Statische bochtenverlichting
Bij langzaam afslaan of in zeer scherpe bochten schakelt de statische bochtenverlichting automatisch in. De statische bochtenverlichting kan in de mistlamp of in de koplamp zijn geïntegreerd en brandt alleen bij snelheden lager dan 40 km/h (25 mph).
Bij het inschakelen van de achteruitversnelling kan de statische bochtenverlichting aan beide wagenzijden inschakelen, om de omgeving bij het manoeuvreren beter te verlichten.

WAARSCHUWING
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moeilijk door andere verkeersdeelnemers kan worden gezien, kunnen ongevallen worden veroorzaakt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De automatische aansturing rijverlichting (AUTO) schakelt het dimlicht alleen in als de lichtsterkte verandert en bijvoorbeeld niet bij mist.
- Nooit met dagrijverlichting rijden als de weg vanwege weers- en lichtomstandigheden niet goed wordt verlicht. De dagrijverlichting is niet helder genoeg om de weg voldoende te verlichten en door andere verkeersdeelnemers te worden gezien.
- Bij de dagrijverlichting worden de achterlichten niet mee ingeschakeld. Een wagen waarbij de achterlichten niet zijn ingeschakeld, kan bij duisternis, regen of slecht zicht door andere verkeersdeelnemers niet gezien worden.

Bij koude resp. natte weersomstandigheden kunnen de koplampen, achterlichten en kniphten aan de binnenzijde tijdelijk beslaan. Dit hijnsel is normaal en heeft geen invloed op vensduur van de verlichting van uw wagen.

Als de reismodus is geactiveerd, werkt de dynamische bochtenverlichting niet ⇒ pagina Koplampen afplakken resp. koplamp-asym- e veranderen (reismodus).
Grootlichtregeling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Grootlichtregeling (Light Assist)
De grootlichtregeling schakelt binnen de systeemgrenzen afhankelijk van de omgevings- en verkeersomstandigheden het grootlicht automatisch in bij een rijsnelheid vanaf 60 km/h (37 mph) en weer uit bij een snelheid van lager dan 30 km/h (18 mph) ⇒ ⚠. De regeling maakt gebruik van een bij de spiegelvoet van de binnenspiegel aangebrachte camera.
De grootlichtregeling herkent in de regel verlichte gebieden en deactiveert het grootlicht tijdens het rijden door bijvoorbeeld de bebouwde kom.
Dynamische grootlichtregeling (Dynamic Light Assist)
De dynamische grootlichtregeling (Dynamic Light Assist) kan binnen de systeemgrenzen een verblinding van andere verkeersdeelnemers minimaliseren resp. voorkomen ⇒ ⚠.
Het systeem herkent andere verkeersdeelnemers en hun afstand tot de eigen wagen en dekt een deel van de koplampen gericht af. Als een verblinding van andere verkeersdeelnemers niet meer kan worden voorkomen, wordt de lichtverdeling automatisch naar dimlicht omgeschakeld. De regeling maakt gebruik van een camera, die aan de binnenkant van de voorruit boven de binnenspiegel zit.
Die dynamische grootlichtregeling schakelt het grootlicht automatisch in vanaf een snelheid van ca. 60 km/h (37 mph) en weer uit bij een snelheid onder ca. 30 km/h (18 mph), afhankelijk van voor u rijdend en tegemoetkomend verkeer en andere omgevings- en verkeersomstandigheden.
Als de dynamische bochtenverlichting gedeactiveerd is ⇒ pagina 130 of de koplamp-asymmetrie is veranderd ⇒ pagina 132, wordt het grootlicht alleen nog automatisch in- en uitgeschakeld, maar niet meer geregeld. Dit gebeurt afhankelijk van voor u rijdend en tegemoetkomend verkeer en van de straatverlichting.
De dynamische grootlichtregeling herkent normaal gesproken verlichte gebieden en deactiveert het grootlicht tijdens het rijden door bijvoorbeeld de bebouwde kom.
Grootlichtregeling of dynamische grootlichtregeling in- en uitschakelen
| Functie | Handeling |
| Inschakelen: | - Contact inschakelen en lichtschakelaar in stand AUTO draaien.- Knipperlicht- en grootlichthendel uit de basisstand naar voren tippen ⇒ pagina 127.Als het controlelampje op het display in het instrumentenpaneel verschijnt, is de groot-lichtregeling resp. dynamische grootlichtregeling ingeschakeld. |
| Uitschake-len: | - Contact uitschakelen.- OF: Lichtschakelaar in een andere stand dan AUTO draaien ⇒ pagina 128.- OF: Bij ingeschakeld grootlicht de knipperlicht- en grootlichthendel naar achteren trek-ken.- OF: Knipperlicht- en grootlichthendel naar voren tippen, om het handmatige grootlicht in te schakelen. De grootlichtregeling is dan uitgeschakeld. |
Storing
De volgende omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het ingeschakelde grootlicht door de grootlichtregeling niet op tijd of helemaal niet wordt uitgeschakeld:
- Op slecht verlichte wegen met sterk reflecterende borden.
- Bij verkeersdeelnemers met onvoldoende verlichting, zoals voetgangers, fietsers.
- In scherpe bochten, bij moeilijk zichtbare tegenliggers, op steile bergtoppen of hellingen.
- Bij tegemoetkomende wagens op wegen met middenvangrails, wanneer de bestuurder ruim over de middenvangrails kan kijken, bv. een vrachtwagenchauffeur.
- Bij defecte camera en onderbroken stroom- voorziening.
- Bij mist, sneeuw en zware neerslag.
- Bij opstuivend stof en zand.
- Bij steenslag of verontreiniging in het zichtbereik van de camera.
- Wanneer het zichtbereik van de camera beslagen, vuil of door stickers, sneeuw en ijs bedekt is.

WAARSCHUWING
Het door de grootlichtregeling resp. dynamische grootlichtregeling aangeboden hogere comfort mag geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's. Het systeem kan de oplettendheid van de bestuurder niet vervangen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd zelf de rijverlichting controleren en aan de licht-, zicht- en verkeersomstandigheden aanpassen.
- Het is mogelijk dat de grootlichtregeling resp. dynamische grootlichtregeling niet alle rijsituaties juist herkent en in bepaalde situaties maar beperkt werkt.
- Wanneer het zichtvenster van de camera vuil, afgedekt of beschadigd is, kan de werk-ing van de grootlichtregeling resp. dynamische grootlichtregeling beïnvloed worden. Dat geldt ook voor veranderingen aan de ver- lichtingsinstallatie van de wagen, bv. door aangebrachte extra koplampen.

LET OP
Om de werking van het systeem niet te beïnvloeden, op de volgende punten letten:
- Zichtvenster van de camera regelmatig schoonmaken en vrij van sneeuw en ijs houden.
• Zichtvenster van de camera niet afdekken. - Voorruit bij het zichtvenster van de camera controleren op beschadigingen.
Het grootlichtsignaal en het grootlicht kunnen op elk moment met de knipperlicht- en grootlichthendel handmatig worden in- en uitgeschakeld ⇒ pagina 127.

Als de reismodus is geactiveerd, is de dynamische grootlichtregeling uitgeschakeld
⇒ pagina 132, Koplampen afplakken resp. koplamp-asymmetrie veranderen (reismodus).
△
Koplampen afplakken resp. koplamp-asymmetrie veranderen (reismodus)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Bij ritten in landen, waarin aan de andere kant van de weg wordt gereden dan in het thuisland, kan het asymmetrische dimlicht het tegemoetkomende verkeer verblinden. Daarom de koplampen voor ritten in het buitenland zo nodig afplakken resp. de koplamp-asymmetrie veranderen.
De afstelling van de koplampen kan in het instrumentenpaneel in het menu Einstellungen (Instellingen), submenu Licht und Sicht (Licht & Zicht) keuzemogelijkheid Reisemodus (Reismodus) worden aangepast ⇒ pagina 25.
Als de reismodus is geactiveerd, knippert ter bevestiging en elke keer dat het contact wordt ingeschakeld, het controlelampje ⚫ en verschijnt er eventueel gedurende enkele seconden een tekstmelding op het display in het instrumentenpaneel.
Bij wagens waarvan de koplampen niet via het menu kunnen worden afgesteld, moeten bepaalde gedeelten van het koplampglas met folie worden afgeplakt of moet de koplamp-asymmetrie door een specialist worden veranderd. Meer informatie is te verkrijgen bij een specialist. Volkswagen adviseert hiervoor een Volkswagen Partner.

Het gebruik van de reismodus of de folies op de koplampen is alleen toegestaan als deze een korte periode worden gebruikt. Neem een blijvende aanpassing contact op met een alist. Volkswagen adviseert hiervoor uw wagen Partner.

Als de reismodus is geactiveerd, zijn de functies van de dynamische bochtenverlichting en dynamische grootlichtregeling uitgeschakeld pagina 130, Dynamische bochtenverlichting ), ⇒ pagina 130, Dynamische grootlichtrege-Dynamic Light Assist).
Coming-home- en leaving-homefunctie (oriëntatieverlichting)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-5 en volg deze op.
De coming-homefunctie wordt handmatig ingeschakeld. De leaving-homefunctie daarentegen wordt door een regen-lichtsensor automatisch aan-gestuurd.
| "Coming home" | Handeling |
| Inschakelen: | - Contact uitschakelen.- Grootlichtsignaal ca. één seconde lang bedienen ⇒ pagina 127.De coming-homeverlichting wordt bij geopend bestuurdersportier ingeschakeld.De naverlichtingstijd begint als het laatste portier van de wagen resp. de achter-klep wordt gesloten. |
| Uitschakelen:"Leaving home" | -Automatisch nadat de ingestelde naverlichtingstijd is verstreken.- Automatisch, als na ca. 30 seconden na het inschakelen nog een portier of de achterklep geopend is.- Lichtschakelaar in stand 0 draaien.- Contact inschakelen.Handeling |
| Inschakelen: | – Wagen ontgrendelen, als de lichtschakelaar in stand AUTO staat en de regen-licht-sensor duistemis herkent. |
| Uitschakelen: | – Automatisch nadat de naverlichtingstijd is verstreken.– Wagen vergrendelen.– Lichtschakelaar in stand 0 draaien.– Contact inschakelen. |
Omgevingsverlichting in de buitenspiegels
De omgevingsverlichting in de buitenspiegels verlicht de directe omgeving van de portieren tijdens het in- en uitstappen. De omgevingsverlichting wordt ingeschakeld bij het ontgrendelen van de wagen, bij het openen van een portier en bij ingeschakelde coming-home- of leaving-homefunctie. Bij uitrusting met een regen-lichtsensor wordt de omgevingsverlichting in de buitenspiegels alleen bij duisternis ingeschakeld.
In het menu Licht & zicht kan de duur van de naverlichtingstijd worden ingesteld en kan de functie worden in- of uitgeschakeld ⇒ pagina 25.
Bij ingeschakelde coming-homefunctie klinkt bij het openen van het bestuurdersportier geen waarschuwingssignaal om aan te geven dat de verlichting nog is ingeschakeld.
Lichtbundelhoogteverstelling, instrumenten- en schakelaarverlichting

Afbeelding 92 Naast het stuurwiel: Regelaars voor instrumenten- en schakelaarverlichting ① en lichtbundelhoogteverstelling ②
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 125 en volg deze op.
① Instrumenten- en schakelaarverlichting
Bij ingeschakelde verlichting kunt u de helderheid van de instrumenten- en schakelaarverlichting traploos regelen door regelaar Afbeelding 92 ① te draaien.
② Lichtbundelhoogteverstelling
De lichtbundelhoogteverstelling ② past de licht-bundels van de koplampen afhankelijk van de af-stelwaarde traploos aan de belading van de wagen aan. Hierdoor heeft de bestuurder een optimaal zicht en het tegemoetkomende verkeer wordt niet verblind ⇒ ⚠.
U kunt de koplampen alleen regelen bij ingeschakeld dimlicht.
Voor het instellen aan regelaar ② draaien:
| Waarde | Beladinga) van de wagen |
| - | Voorstoelen bezet en bagageruimte leeg. |
| 1 | Alle zitplaatsen bezet en bagageruim-te leeg. |
| 2 | Alle zitplaatsen bezet en bagageruim-te maximaal beladen. Bij aanhangwa-gengebruik met geringe kogeldruk. |
| 3 | Alleen bestuurdersplaats bezet en ba-gageruimte maximaal beladen. Bij aanhangwagengebruik met maximale kogeldruk. |
a) Bij afwijkende belading van de wagen zijn ook tussenliggende standen van de regelaar mogelijk.
Regelaar ② komt bij wagens met dynamische lichtbundelhoogteverstelling te vervallen. De licht-bundelhoogte wordt bij het inschakelen van de koplampen automatisch aan de beladingstoestand van de wagen aangepast ⇒ ⚠.
Verlichting van het instrumentenpaneel
Bij ingeschakelde verlichting kunt u de felheid van de instrumentenverlichting traploos regelen door regelaar ① te draaien.
Bij wagens met dagrijverlichting schakelt de ver- lichting van het instrumentenpaneel zichzelf uit bij duisternis en bijvoorbeeld bij het rijden door een
tunnel. Hierdoor moet de bestuurder erop gewezen worden het dimlicht handmatig in te schakelen, zo- dat ook de achterlichten van de wagen zijn inges- schakeld ⇒ pagina 129.

WAARSCHUWING
Zware voorwerpen in de wagen kunnen ertoe leiden, dat de koplampen andere verkeers-deelnemers verblinden en afleiden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De lichtbundel altijd zodanig aan de belading van de wagen aanpassen, dat andere verkeersdeelnemers niet worden verblind.

WAARSCHUWING
Als de dynamische lichtbundelhoogteverstelling uitvalt of niet goed werkt, kan dit ertoe leiden, dat de koplampen andere verkeersdeelnemers verblinden en afleiden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Lichtbundelhoogteverstelling direct door een specialist laten controleren.
Binnenverlichting en leeslampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 125 en volg deze op.
| Knop | Functie |
| [TTX0] | Binnenverlichting uitschakelen. |
![]() | Binnenverlichting inschakelen. |
![]() | Portiercontactschakelaar inschakelen (middenstand).De binnenverlichting wordt bij het ontgrendelen van de wagen, het openen van een portier of het uit het contact trekken van de sleutel automatisch ingeschakeld.De verlichting dooft enkele seconden nadat alle portieren zijn gesloten, bij het vergren-delen van de wagen of als het contact wordt ingeschakeld. |
![]() | Leeslampje in- of uitschakelen. |
![]() |
Verlichting in opbergvak en bagageruimte
Bij het openen en sluiten van het opbergvak aan bijrijderszijde en de achterklep wordt een lampje automatisch in- of uitgeschakeld.
Sfeerverlichting
De sfeerverlichting in de hemelbekleding voorin verlicht bij ingeschakeld stads- of dimlicht de bedieningselementen in de middenconsole van bovenaf.
Bovendien kunnen de slotgrepen in de greepkommen verlicht zijn.

De leeslampjes gaan uit bij het vergrendelen van de wagen of na enkele minuten, als de el uit het contact is getrokken. Dat voorkomt entladen van de accu.
Bescherming tegen de zon

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zonnekleppen 135
Rolgordijn voor de zijruiten achterin 136
Voorruit van isolerend glas 136

WAARSCHUWING
Omlaaggeklapte zonnekleppen en uitgetrokken rolgordijnen kunnen het zicht verminderen en de rijveiligheid negatief beïnvloeden.
- Zonnekleppen en rolgordijnen altijd terugvoeren in de houder, als u deze niet meer nodig heeft.
△
Zonnekleppen

Afbeelding 93 Zonneklep

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-5 en volg deze op.
Verstelmogelijkheden van de zonnekleppen voor bestuurder en bijrijder
- Naar voorruit klappen.
- Uit de houder trekken en naar het portier zwenken Afbeelding 93 Ⓐ.
In de omlaaggeklapte zonneklep kan achter een afdekking een make-upspiegel zitten. Als u de afdekking Ⓑ openschuift, gaat er een lampje ① branden.
Het lampje gaat uit, wanneer u de afdekking voor de make-upspiegel terugschuift of de zonneklep omhoogklapt.

Het lampje boven de zonneklep gaat onder bepaalde omstandigheden na enkele minu-
ten automatisch uit. Dat voorkomt het ontladen van de accu.
△
Rolgordijn voor de zijruiten achterin

Afbeelding 94 Rechterachterruit: Rolgordijn

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
De rolgordijnen voor de zijruiten achterin zijn ondergebracht in de zijbekleding van de ruiten.
- Rolgordijn aan de uitstekende greep ⇒ Afbeelding 94 Ⓐ helemaal omhoogtrekken.
- Steunstang in pijlrichting in de betreffende steun Ⓑ haken ⇒ Afbeelding 94. Controleren of het uitgetrokken rolgordijn veilig is vastgehaakt.
- Om op te rollen het rolgordijn bovenaan loshaken en met de hand naar beneden geleiden ⇒ ⚠.
LET OP
Het rolgordijn niet omlaag laten "schieten", om beschadigingen aan het rolgordijn resp. de binnenbekleding te voorkomen.
Voorruit van isolerend glas

Afbeelding 95 Infraroodvoorruit met metaallaag en communicatievenster (blauw vlak)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Voorruiten van isolerend glas hebben een infraroodreflechterende laag. Om ervoor te zorgen dat elektronische accessoires kunnen functioneren, zit boven de binnenspiegel een deel zonder deze laag (communicatievenster) ⇒ Afbeelding 95.
Het deel zonder laag mag noch van buiten noch van binnen worden afgedekt of met stickers worden beplakt. Anders kunnen er storingen optreden in de elektronische componenten.
Ruitenwissers en -sproeiers

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 137
Ruitenwisserhendel 138
Ruitenwisserfuncties 139
Servicestand van de ruitenwissers vóór ..... 140
Regen-lichtsensor 140
Ruitensproeiervloeistofpeil controleren en bijvullen 141
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
- Achterklep pagina 61
• Schakelen ⇒ pagina 202
• Verwarmen, ventileren, koelen ⇒ pagina 263
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte ⇒ pagina 287
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 306

WAARSCHUWING
Ruitensproeiervloeistof kan op de voorruit vastvriezen en het zicht naar voren belemmeren als de bescherming tegen bevriezing on-voldoende is.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De ruitensproeierinstallatie bij winterse temperaturen alleen gebruiken als de bescherming tegen bevriezing voldoende is.
- De ruitensproeierinstallatie bij winterse temperaturen alleen gebruiken als de voorruit met de verwarming/ventilatie is verwarmd. Anders kan de ruitensproeiervloeistof op de voorruit bevriezen en het zicht belemmeren.

WAARSCHUWING
Versleten of vuile ruitenwisserbladen vermin- deren het zicht en verhogen het risico van ongevallen en zware verwondingen.
- Ruitenwisserbladen altijd vervangen als ze beschadigd of versleten zijn en de ruit niet meer schoon maken.

LET OP
Verzeker u bij vorst vóór het inschakelen van de ruitenwissers ervan dat de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren! Als de wagen bij koud weer geparkeerd wordt, kan de servicestand van de ruitenwissers voor van pas komen ⇒ pagina 140.
Controlelampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 137 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Ruitensproeiervloeistofpeil te laag. | Ruitensproeiervloeistofreservoir bij de volgende gelegenheid bijvullen ⇒ pagina 141. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes en tekstmeldingen kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
Ruitenwisserhendel

Afbeelding 96 Ruitenwisser voor bedienen

Afbeelding 97 Achterruitwisser bedienen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 137 en volg deze op.
Hendel in de gewenste stand bewegen ⇒ ⚫:
| A | OFF | Ruitenwisser uitgeschakeld. |
| B | ... | Intervalwissen voor de voorruit.Met schakelaar ⇒ Afbeelding 96 1de intervalstanden (wagens zonder regen-lichtsensor) of de gevoeligheid van de regen-lichtsensor instellen. |
| C | LOW | Langzaam wissen. |
| D | HIGH | Snel wissen. |
| E | 1x | Tipwissen – kort wissen. Hendel langer omlaaggedrukt houden om sneller te wissen. |
| F | Wis-wasautomaat voor het schoonmaken van de voorruit bij naar u toe getrokken hendel. | |
| G | Intervalwissen voor de achterruit. De ruitenwisser wist ongeveer elke zes seconden. | |
| H | Bij van u af gedrukte hendel: wis-wasautomaat voor het schoonmaken van de achterruit. |

LET OP
Als het contact wordt uitgeschakeld terwijl de ruitenwissers zijn ingeschakeld, wissen de ruitenwissers in dezelfde wisserstand verder als het contact weer wordt ingeschakeld. Bij vorst, sneeuw en andere obstakels op de voorruit kan dit beschadiging van de ruitenwissers en de ruitenwissermotor tot gevolg hebben.
- Voordat u gaat rijden zo nodig sneeuw en ijs van de ruitenwissers verwijderen.

LET OP (vervolg)
- Vastgevroren ruitenwisserbladen voorzichtig losmaken van de voorruit. Volkswagen adviseert u dit te doen met behulp van een ont-dooispray.

LET OP
Ruitenwissers niet op een droge ruit inschakelen. Doordat de ruitenwisserbladen droog over de ruit wissen, kan de ruit worden beschadigd.
De ruitenwissers werken alleen bij ingeschakeld contact en gesloten motorkap resp. achterklep.
De intervallen bij het intervalwissen zijn afhankelijk van de rijsnelheid. Hoe hoger de snelheid, des te korter zijn de intervallen.
De achterruitwisser schakelt automatisch in, als de ruitenwissers vóór zijn ingeschakeld en de achteruitversnelling wordt gekozen.
Ruitenwisserfuncties

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 137 en volg deze op.
Gedrag van de ruitenwissers in verschillende situaties:
| Als de wagen stilstaat: | De ingeschakelde wisserstand schakelt tijdelijk terug naar de volgende langzamere stand. |
| Tijdens de wis-wasautomaat: | De Climatronic schakelt gedurende ca. 30 seconden over in de circulatiefunctie, om ervoor te zorgen dat de geur van de ruiten-sproeiervloeistof niet in het interieur van de wagen terechtkomt. |
| Bij het intervalwissen: | De intervallen worden snelheidsafhankelijk aangestuurd. Hoe hoger de snelheid, des te korter zijn de intervallen. |
Verwarmbare ruitensproeiers
De verwarming ontdooit alleen de bevroren ruitensproeiers, niet de slangen die de vloeistof bij de ruitensproeiers brengen. De verwarmbare ruitensproeiers regelen het verwarmingsvermogen afhankelijk van de omgevingstemperatuur automatisch bij het inschakelen van het contact.
Koplampsproeiers
De koplampsproeiers reinigen de koplampen.
Na het inschakelen van het contact worden bij de eerste en daarna bij elke vijfde bediening van de ruitensproeierinstallatie van de voorruit ook de koplampen gereinigd. Hiervoor moet de ruitenwisser-
hendel bij ingeschakeld dimlicht of grootlicht naar het stuurwiel getrokken worden. Regelmatig, bijvoorbeeld bij het tanken, hardnekkig vuil, bv. insectenresten, van de koplampglazen verwijderen.
Om ervoor te zorgen dat de koplampsproeiers ook in de winter probleemloos werken, de houders van de sproeiers in de bumper sneeuwvrij maken. IJs zo nodig met een ontdooispray verwijderen.

Bij een obstakel op de voorruit probeert de ruitenwisser dit obstakel weg te schuiven. In- het obstakel de ruitenwisser blijft blokkeren, de ruitenwisser. Obstakel verwijderen en de hwisser opnieuw inschakelen.
Servicestand van de ruitenwissers vóór

Afbeelding 98 Op de voorruit: Ruitenwissers in servicestand

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Servicestand
In de servicestand kunnen de ruitenwisserarmen van de voorruit worden getild ⇒ Afbeelding 98. Om de ruitenwissers in de servicestand te zetten, moet het volgende worden gedaan:
-
Wagen parkeren.
• Motorkap moet gesloten zijn ⇒ pagina 287. -
Contact in- en weer uitschakelen.
- Ruitenwisserhendel kort omlaagdrukken
⇒ Afbeelding 96 (E).
• Ruitenwissers gaan in de servicestand.
Ruitenwisserarmen alvorens te gaan rijden weer tegen de voorruit klappen! Ruitenwisserhendel kort omlaagdrukken, om de ruitenwisserarmen weer in de oorspronkelijke positie terug te brengen.
Ruitenwisserbladen van de voorruit optillen
- Ruitenwisserarmen vóór het optillen in de servicestand zetten ⇒ ⚠.
- Voor het optillen van een ruitenwisserarm, deze alleen bij de ruitenwisserbladbevestiging vastpakken.
LET OP
- Om beschadigingen aan de motorkap en de ruitenwisserarmen te voorkomen, de ruitenwisserarmen van de ruitenwissers vóór alleen in de servicestand optillen.
- Voordat u gaat rijden de ruitenwisserarmen altijd tegen de voorruit plaatsen.
△
Regen-lichtsensor

Afbeelding 99 Naast het stuurwiel: Ruitenwisser-hendel: Regen-lichtsensor ① instellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.

Afbeelding 100 Op de voorruit: Gevoelige laag van de regen-lichtsensor
De geactiveerde regen-lichtsensor stuurt de ruiten-wisserintervallen automatisch aan, afhankelijk van de sterkte van de neerslag ⇒ ⚠. De gevoeligheid van de regen-lichtsensor kan handmatig worden ingesteld. Handmatig wissen ⇒ pagina 138.
Hendel in de gewenste stand drukken ⇒ Afbeelding 99:
Ⓐ Regen-lichtsensor uitgeschakeld.
⑧ Regen-lichtsensor actief – automatisch wissen als het nodig is.
① Gevoeligheid van de regen-lichtsensor instellen:
- Schakelaar naar rechts draaien - hogere gevoeligheid.
- Schakelaar naar links draaien - lagere gevoeligheid.
Na het uit- en weer inschakelen van het contact blijft de regen-lichtsensor ingeschakeld en werkt weer, als de ruitenwisserhendel in stand Ⓑ staat en er sneller dan ongeveer 4 km/h (2 mph) wordt gereden.
Regen-lichtsensor reageert anders
Mogelijke oorzaken voor storingen en verkeerde interpretaties bij de gevoelige laag ⇒ Afbeelding 100 (pijl) van de regen-lichtsensor zijn onder andere:
- Beschadigde ruitenwisserbladen: een waterlaagje of wisstrepen door beschadigde ruitenwisserbladen kunnen de inschakelduur verlengen, de wisintervallen aanzienlijk korter maken of snel continu wissen tot gevolg hebben.
-
Insecten: als insecten de voorruit raken, kunnen de ruitenwissers worden ingeschakeld.
-
Zoutresten: als er in de winter zoutresten op de ruit zitten, dan is het mogelijk dat de ruitenwissers lang nawissen terwijl de ruit nagenoeg droog is.
- Vuil: droog stof, was, ruitcoating (lotuseffect), shampooresten (wasstraat) kunnen de regen-licht-sensor ongevoeliger maken of later, langzamer of helemaal niet meer laten reageren.
- Scheur in de ruit: een steenslag activeert bij ingeschakelde regen-lichtsensor een wiscyclus.
Daarna herkent de regen-lichtsensor de verklei- ning van de gevoelige laag en stelt zich hierop in. Het gedrag van de regen-lichtsensor is afhankelijk van de grootte van de steenslag.

WAARSCHUWING
De regen-lichtsensor kan niet elke neerslag voldoende herkennen en de ruitenwissers inschakelen.
- Zo nodig de ruitenwissers tijdig handmatig inschakelen als het water op de voorruit het zicht belemmert.

Gevoelige laag van de regen-lichtsensor ⇒ Afbeelding 100 (pijl) regelmatig schoonma- en de ruitenwisserbladen op beschadigingen toleren.

Om wasresten en glanslagen te verwijderen, adviseert Volkswagen het gebruik van een allhoudende ruitenreiniger.
Ruitensproeiervloeistofpeil controleren en bijvullen

Afbeelding 101 In de motorruimte: Vuldop van het ruitensproeiervloeistofreservoir

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-7 en volg deze op.
Ruitensproeiervloeistofpeil regelmatig controleren en zo nodig ruitensproeiervloeistof bijvullen.
In de vulpijp van het ruitensproeiervloeistofreservoir zit een zeef. De zeef houdt grotere vuildeeltjes bij het bijvullen bij de sproeiers vandaan. De zeef alleen verwijderen om schoon te maken. Als de zeef beschadigd is of ontbreekt, kunnen bij het bijvullen vuildeeltjes in het systeem terechtkomen, die verstopping van de sproeiers tot gevolg kunnen hebben.
• Motorkap openen △ ⇒ pagina 287.
- Het ruitensproeiervloeistofreservoir is te herkennen aan het symbool op de dop Afbeelding 101.
- Controleren of er nog voldoende ruitensproeiervloeistof in het ruitensproeiervloeistofreservoir zit.
- Voor het bijvullen schoon water mengen met een door Volkswagen aanbevolen ruitenreiniger ①. Mengvoorschriften op de verpakking in acht nemen.
- Bij lage buitentemperaturen een speciaal middel ter bescherming tegen bevriezing toevoegen, zodat het water niet kan bevriezen ▲.
• Motorkap sluiten ⇒ pagina 287.
Aanbevolen ruitenreiniger
- Gedurende het warmere jaargetijde ruitenreiniger zomer G 052 184 A1. Mengverhouding in het ruitensproeiervloeistofreservoir 1:100 (1 deel concentraat, 100 delen water).
- Het gehele jaar door ruitenreini- ger G 052 164 A2. Mengverhouding in de winter tot -18 °C (0 °F) ongeveer 1:2 (1 deel concentraat, 2 delen water), anders een mengverhouding in het ruitensproeiervloeistofreservoir van 1:4.
Vulhoeveelheden
De vulhoeveelheid van het ruitensproeiervloeistofreservoir bedraagt ongeveer 3,0 liter, bij wagens met koplampsproeiers ongeveer 7,0 liter.

WAARSCHUWING
Nooit antivries voor het koelcircuit of andere ongeschikte toevoegingen aan de ruitensproeiervloeistof toevoegen. Hierdoor kan een vette laag op de ruit ontstaan, die het zicht aanzienlijk beperkt.
- Schoon water in combinatie met een door Volkswagen aanbevolen ruitenreiniger gebruiken.
- Zo nodig een geschikt middel ter bescherming tegen bevriezing aan de ruitensproeier-vloeistof toevoegen.

LET OP
- Nooit de door Volkswagen aanbevolen schoonmaakmiddelen met andere schoonmaakmiddelen mengen. Anders kunnen de bestanddelen neerslaan en daardoor verstopping van de ruitensproeiers tot gevolg hebben.
- Let er bij het vullen van bedrijfsvloeistoffen op, dat de juiste bedrijfsvloeistoffen in de juiste vulopeningen worden bijgevuld. Het gebruik van verkeerde bedrijfsvloeistoffen kan leiden tot ernstige storingen en schade aan de motor!

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Binnenspiegel 144
Buitenspiegels 145
Voor de rijveiligheid is belangrijk, dat de bestuurder voor het begin van de rit de buitenspiegels en de binnenspiegel juist instelt ⇒ ⚠.
Via de buitenspiegels en de binnenspiegel kan de bestuurder het achteropkomende verkeer in de gaten houden en het eigen rijgedrag afstemmen op het achteropkomende verkeer. Bij het kijken door de buitenspiegels en de binnenspiegel kan niet de hele omgeving naast en achter de wagen worden gezien. Deze niet-zichtbare gebieden noemt men dode hoek. In de dode hoek kunnen zich andere weggebruikers en voorwerpen bevinden.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 5
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 25
• Zithouding instellen ⇒ pagina 74
• Geheugenstoel ⇒ pagina 84 - Licht ⇒ pagina 125
• Schakelen ⇒ pagina 202 - Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 211

WAARSCHUWING
Het instellen van de buitenspiegels en de binnenspiegel tijdens het rijden kan de bestuurder afleiden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Buitenspiegels en binnenspiegel alleen bij stilstaande wagen instellen.
- Bij het inparkeren, wisselen van rijstrook, tijdens inhaalmanoeuvres of het veranderen van rijrichting altijd de omgeving goed in de

WAARSCHUWING (vervolg)
gaten houden, omdat er zich andere ver- keersdeelnemers en voorwerpen in de dode hoek kunnen bevinden.
- Let er altijd goed op, dat de spiegels juist zijn ingesteld en het zicht naar achteren niet door ijsvorming, sneeuw, condens of andere voorwerpen wordt beperkt.

WAARSCHUWING
In zelfdimmende spiegels zit een elektrolytvloeistof, die kan vrijkomen als het spiegelglas gebroken is.
- De vrijkomende elektrolytvloeistof kan huid, ogen en luchtwegen irriteren, vooral bij personen met astma of soortgelijke aandoeningen. Direct voor voldoende frisse lucht zorgen en de wagen verlaten. Als dit niet mogelijk is alle ruiten en portieren openen.
- Als de ogen of de huid in contact komen met de elektrolytvloeistof, direct ten minste 15 minuten lang met overvloedig water afspoelen en een arts raadplegen.
- Als schoenen en kleding met de elektrolytvloeistof in contact komen, direct ten minste 15 minuten lang met overvloedig water afspoelen. Schoenen en kleding grondig schoonmaken alvorens deze weer te dragen.
- Bij inslikken van de elektrolytvloeistof de mond direct ten minste 15 minuten lang met overvloedig water spoelen. Geen braken veroorzaken, zo lang dit niet door een arts wordt voorgeschreven. Direct medische hulp inroepen.

LET OP
Bij zelfdimmende spiegels kan uit gebroken spiegelglas elektrolytvloeistof tevoorschijn komen. Deze vloeistof tast kunststof oppervlakken aan. De vloeistof zo snel mogelijk verwijderen, bijvoorbeeld met een natte spons.
Binnenspiegel



Afbeelding 102 Aan de voorruit: Zelfdimmende binnenspiegel

Afbeelding 103 Aan de voorruit: Handmatig dimbare binnenspiegel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
De bestuurder moet de binnenspiegel zodanig verstellen, dat hij voldoende zicht heeft naar achteren door de achterruit.
Het zicht naar achteren kan worden belemmerd of onmogelijk worden gemaakt door bijvoorbeeld een rolgordijn in de achterruit, kledingstukken op de hoedenplank en een bevroren, met sneeuw bedekte of vieze achterruit.
Zelfdimmende binnenspiegel
Legenda bij Afbeelding 102:
① Controlelampje
② Schakelaar
③ Sensor voor het herkennen van de lichtinval van achteren
④ Sensor voor het herkennen van de lichtinval van voren
De zelfdimfuctie kan met de schakelaar aan de binnenspiegel ② A resp. ② B worden in- en uitgeschakeld. Bij ingeschakelde zelfdimfunctie gaat controlelampje ① A resp. B branden.
In de behuizing van de binnenspiegel zitten 2 sen- soren.
- Een sensor op de naar het interieur wijzende zijde, die de lichtinval van achteren meet ③ A resp. B.
- Een sensor op de naar de voorruit wijzende zijde, die de lichtinval van voren meet ④ C.
Bij ingeschakeld contact dimt de binnenspiegel afhankelijk van de schemering bij lichtinval van achteren automatisch.
Wanneer de lichtinval op de sensoren wordt belemmerd of onderbroken (bv. door een rolgordijn), werkt de zelfdimmende binnenspiegel niet of niet storingsvrij.
De zelfdimfunctie wordt gedeactiveerd als de achteruitversnelling is ingeschakeld of de binnenverlichting of het leeslampje is ingeschakeld.
Een extern navigatieapparaat niet tegen de voorruit resp. in de buurt van de zelfdimmende binnenspiegel aanbrengen ⇒ ⚠.
Handmatig dimbare binnenspiegel
- Basisstand: hendel onder aan de spiegel wijst naar voren naar de voorruit.
- Om te dimmen de hendel naar achteren trekken Afbeelding 103.

WAARSCHUWING
Het verlichte scherm van een extern navigatieapparaat kan de werking van de zelfdimmende binnenspiegel verstoren en ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Verstoring van de zelfdimmende werking van de binnenspiegel kan tot gevolg hebben dat de binnenspiegel niet kan worden ge-

WAARSCHUWING (vervolg)
bruikt voor het precies bepalen van de af- stand van achterliggende wagens of andere voorwerpen.
△
Buitenspiegels

Afbeelding 104 In het bestuurdersportier: Draai-knop voor de buitenspiegels

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
De draaiknop in de gewenste stand draaien:
![]() | Buitenspiegels elektrisch inklappen ⇒ ▲. |
![]() | Buitenspiegelverwarming inschakelen. Verwarmt alleen bij omgevingstemperatu- ren lager dan +20 °C (+68 °F). |
| ### | Linkerbuitenspiegel verstellen door de draaiknop naar voren, achteren, rechts of links te kantelen. |
| ### | Rechterbuitenspiegel verstellen door de draaiknop naar voren, achteren, rechts of links te kantelen. |
| ### | Nulstand. Buitenspiegels uitgeklapt, bui- tenspiegelverwarming uitgeschakeld, spiegels kunnen niet worden versteld. |
Synchrone spiegelverstelling
-
In het menu Instellingen - Comfort instellen dat de buitenspiegels synchroon versteld moeten worden ⇒ pagina 25.
• Draaiknop in stand L draaien. -
Linkerbuitenspiegel instellen. De rechterbuitenspiegel wordt gelijktijdig (synchroon) mee ingesteld.
- Indien nodig, instellingen van de rechterbuiten- spiegel corrigeren: draaiknop in stand R kantelen.
Zelfdimmende buitenspiegel aan bestuurderszijde
De zelfdimmende buitenspiegel wordt samen met de zelfdimmende binnenspiegel aangestuurd ⇒ pagina 144.
Stand van buitenspiegel aan bijrijderszijde bij achteruitrijden opslaan
- Geldige sleutel kiezen waaraan de stand moet worden toegekend.
- Wagen met deze sleutel ontgrendelen.
• Elektronische parkeerrem inschakelen. - Contact inschakelen.
- Versnellingsbak in neutrale stand zetten.
- In het menu Instellingen - Comfort de functie Spiegelkanteling activeren.
- Achteruitversnelling inschakelen.
- Bijrijdersbuitenspiegel verstellen, zodat bijvoorbeeld de stoeprand goed kan worden gezien.
- De ingestelde spiegelstand wordt automatisch opgeslagen en aan de sleutel toegekend, waarmee de wagen werd ontgrendeld. Bij wagens met stoelgeheugenfunctie, zie ⇒ pagina 84
Instellingen van buitenspiegel aan bijrijderszijde opvragen
- Draaiknop voor de buitenspiegels in stand R draaien.
- Bij ingeschakeld contact de achteruitversnelling inschakelen.
- De buitenspiegel aan bijrijderszijde keert weer terug uit de opgeslagen stand voor achteruitrijden, wanneer sneller dan ca. 15 km/h (10 mph) vooruit gereden wordt, of wanneer de draaiknop vanuit stand R in een andere stand wordt gedraaid.

WAARSCHUWING
Onachtzaam in- en uitklappen van de buiten- spiegels kan verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Buitenspiegels alleen dan in- of uitklappen als zich niemand in het werkingsgebied bevindt.
- Bij het verstellen van de buitenspiegels altijd erop letten dat er geen vingers bekneld komen te zitten tussen de buitenspiegel en de spiegelvoet.

WAARSCHUWING
Het verkeerd inschatten van de afstand tot het achteropkomende verkeer kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Gewelfde spiegelvlakken (convex of asferisch) vergroten het blikveld en maken dat voorwerpen in de spiegel kleiner en verder weg lijken.
- Het gebruik van gewelfde spiegels voor het inschatten van de afstand tot achteropkomend verkeer bij het wisselen van rijbaan is een onnauwkeurige methode en kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij voorkeur de binnenspiegel gebruiken om de afstand tot achteropkomend verkeer of andere voorwerpen te bepalen.
- Zorg ervoor dat er voldoende zicht naar achteren is.

LET OP
- In een wasstraat de buitenspiegels altijd inklappen.
- Elektrisch inklapbare buitenspiegels niet mechanisch met de hand in- of uitklappen omdat anders de elektrische aandrijving beschadigd kan worden.

De buitenspiegelverwarming alleen zo lang als nodig ingeschakeld laten. Anders wordt dig brandstof verbruikt.

De buitenspiegelverwarming verwarmt in het begin met maximaal vermogen, na ca. twee ten afhankelijk van de buitentemperatuur.

Bij een storing kunnen de elektrisch verstelbare buitenspiegels mechanisch met de hand en versteld door op de rand van het spiegel-e drukken.
Transporteren
Aanwijzingen voor het rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bagage opbergen 147
Met geopende achterklep rijden 148
Met een beladen wagen rijden 149
Wagenspecifieke gewichtsgegevens 149
Zware lading altijd veilig in de bagageruimte opbergen en ervoor zorgen, dat de achterbankleuningen goed en rechtop zijn vergrendeld. Gebruik de bevestigingsogen altijd samen met geschikte sjorbanden voor het vastzetten van zware voorwerpen. De wagen nooit te zwaar beladen. Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking ⇒ ⚠.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Achterklep ⇒ pagina 61
• Stoelfuncties ⇒ pagina 84 - Licht ⇒ pagina 125
• Bagageruimte ⇒ pagina 152
• Dakdragersysteem ⇒ pagina 165
• Rijden met aanhangwagen ⇒ pagina 168
• Velgen en banden → pagina 321

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette of verkeerd vastgezette voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- en remmanoeuvres en ongevallen zware verwondingen veroorzaken. Dat geldt met name wanneer voorwerpen door de activerende airbag worden getroffen en door het interieur worden geslingerd. Let op het volgende om het risico van verwondingen te verminderen:
- Alle voorwerpen in de wagen veilig opbergen. Bagage en zware voorwerpen altijd in de bagageruimte opbergen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Voorwerpen altijd met geschikte sjorbanden of spanbanden vastzetten, opdat de voorwerpen niet in het werkingsgebied van de zij-airbags of de voorairbags kunnen komen ten tijde van een rij- of remmanoeuvre.
- Voorwerpen zo in het interieur opbergen dat zij tijdens het rijden nooit in het werkingsgebied van de airbags kunnen komen.
- Opbergvakken tijdens het rijden altijd gesloten houden.
- Zolang de rugleuning van de bijrijdersstoel naar voren is geklapt, moet de voorairbag buiten werking gesteld zijn en het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF ♗; branden.
- Opgeborgen voorwerpen mogen er nooit toe leiden dat inzittenden een verkeerde zithouding innemen.
- Als opgeborgen voorwerpen een zitplaats blokkeren, mag op deze zitplaats nooit een persoon plaatsnemen of anderszins gebruik worden gemaakt van deze zitplaats.

WAARSCHUWING
Het rijgedrag en de remwerking veranderen aanzienlijk bij het vervoer van grote en zware voorwerpen.
- Snelheid en rijstijl altijd aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven.
- Plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Eerder dan gebruikelijk remmen.
△
Bagage opbergen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 147 en volg deze op.
Alle bagage in de wagen veilig opbergen
- Lasten in de wagen, op het dak en op de aanhangwagen zo gelijkmatig mogelijk verdelen.
- Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte leggen en de rugleuningen van de zitplaatsen achterin in rechtop-positie goed vastklikken.
- Bagage in de bagageruimte met geschikte spanbanden aan de bevestigingsogen bevestigen ⇒ pagina 152.
- Lichtbundelhoogte van de koplampen aanpassen ⇒ pagina 125.
- Bandenspanning overeenkomstig aan de belading aanpassen. Bandenspanning op de bandenspanningssticker aanhouden pagina 321.
- Bij wagens met bandencontrole zo nodig de nieuwe belading instellen ⇒ pagina 260.

LET OP
De verwarmingsdraden van de achterruit kunnen door schurende voorwerpen op de hoedenplank worden beschadigd.

Raadpleeg voor informatie over het beladen van een aanhangwagen⇒pagina 168 en
een dakdragersysteem ⇒ pagina 165.
<
Met geopende achterklep rijden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Het rijden met geopende achterklep brengt specia- le gevaren met zich mee. Alle voorwerpen en de geopende achterklep goed vastzetten en geschikte maatregelen nemen om het binnendringen van gif- tige uitlaatgassen te verminderen.

WAARSCHUWING
Het rijden met ontgrendelde of geopende achterklep kan zware verwondingen veroorzaken.
- Altijd met gesloten achterklep rijden.
- Alle voorwerpen in de bagageruimte veilig opbergen. Losse voorwerpen kunnen uit de bagageruimte vallen en achteropkomende verkeersdeelnemers verwonden.
- Altijd omzichtig en bijzonder anticiperend rijden.
- Abrupte of plotselinge rij- en remmanoeuvres vermijden, omdat de geopende achterklep ongecontroleerd kan gaan bewegen.
- Maak uit de bagageruimte stekende voorwerpen voor andere verkeersdeelnemers herkenbaar. Neem de wettelijke bepalingen in acht.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als voorwerpen uit de bagageruimte steken mag de achterklep nooit voor het vastklemmen of vasthouden van voorwerpen worden gebruikt.
- Als op de achterklep een bagagedrager is gemonteerd, verwijder dan de bagagedrager en de eventuele lading hierop als met geopende achterklep moet worden gereden.

WAARSCHUWING
Als de achterklep geopend is, kunnen giftige uitlaatgassen in het interieur binnendringen. Dit kan bewusteloosheid, koolmonoxidevergiftiging, ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Om het binnendringen van giftige uitlaatgassen te voorkomen, altijd met gesloten achterklep rijden.
- Als u bij uitzondering met geopende achterklep moet rijden, moet het volgende worden gedaan om het binnendringen van giftige uitlaatgassen in het interieur te verminderen:
- Alle ruiten en het elektrische panorama-schuif-kanteldak sluiten.
- Circulatiefunctie van het verwarmingsen ventilatiesysteem resp. de airconditioning uitschakelen.
- Alle luchtroosters in het dashboard openen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Aanjager van verwarmings- en ventilatiesysteem of airconditioning op de hoogste aanjagerstand zetten.

LET OP
Door de geopende achterklep verandert de lengte en hoogte van de wagen.
△
Met een beladen wagen rijden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-7 en volg deze op.
Let voor goede rijeigenschappen van een beladen wagen op het volgende:
- Alle bagage veilig opbergen ⇒ pagina 147.
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven.
- Plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Eerder dan gebruikelijk remmen.
- Raadpleeg zo nodig de informatie over het rijden met een aanhangwagen pagina 168.
- Raadpleeg zo nodig de informatie over het dakdragersysteem pagina 165.

WAARSCHUWING
Verschuivende lading kan de rijstabiliteit en de rijveiligheid van de wagen aanzienlijk benadelen en daardoor ongevallen en zware verwondingen veroorzaken.
- Lading zoals voorgeschreven vastzetten om verschuiven te voorkomen.
- Bij zware voorwerpen geschikte sjor- of spanbanden gebruiken.
- Achterbankleuningen in rechtop-positie goed vastklikken.
Geldt niet voor China
Wagenspecifieke gewichtsgegevens

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
U moet altijd uitgaan van de gegevens in het kentekenbewijs. Alle gegevens in deze handleiding gelden voor het basismodel. Met welke motor uw wagen is uitgerust, staat op de sticker met wagen-gegevens in het Serviceplan resp. in het kentekenbewijs.
Door meeruitvoeringen of verschillende type-uitvoeringen en bij speciale wagens kunnen de aangegeven waarden afwijken.
De waarden voor het leeggewicht in de hierna volgende tabellen gelden voor de rijklare wagen met bestuurder (75 kg), bedrijfsvloeistoffen inclusief
een voor 90% gevulde brandstoftank en eventueel met gereedschap en reservewiel ⇒ ⚠. Door meer-uitvoeringen en door het naderhand inbouwen van accessoires wordt het aangegeven leeggewicht verhoogd en wordt overeenkomstig het mogelijke laadvermogen gereduceerd.
Het laadvermogen bestaat uit de volgende gewichten:
- Passagiers
- Alle bagage
• Dakbelasting inclusief het dakdragersysteem - Aanhangwagenkogeldruk bij aanhangwagengebruik
Benzinemotoren, 5-zitter
| Motorvermogen | MC | Soort versnel- lingsbak | Leegge- wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta- ne vooras- belasting | Toegesta- ne achter- asbelas- ting |
| 110 kW | CTHA | SB6 | 1723 kg | 2290 kg | 1220 kg | 1120 kg |
| DSG®6 | 1742 kg | 2310 kg | 1240 kg | 1120 kg | ||
| 147 kW | CCZA | DSG®6 | 1790 kg | 2360 kg | 1260 kg | 1150 kg |
Benzinemotoren, 6-zitter
| Motorvermogen | MC | Soort versnel- lingsbak | Leegge- wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta- ne vooras- belasting | Toegesta- ne achter- asbelas- ting |
| 110 kW | CTHA | SB6 | 1773 kg | 2440 kg | 1180 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1792 kg | 2460 kg | 1200 kg | 1310 kg | ||
| 147 kW | CCZA | DSG®6 | 1817 kg | 2490 kg | 1230 kg | 1310 kg |
Benzinemotoren, 7-zitter
| Motorvermogen | MC | Soort versnel- lingsbak | Leegge- wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta- ne vooras- belasting | Toegesta- ne achter- asbelas- ting |
| 110 kW | CTHA | SB6 | 1771 kg | 2480 kg | 1220 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1790 kg | 2500 kg | 1240 kg | 1310 kg | ||
| 147 kW | CCZA | DSG®6 | 1838 kg | 2530 kg | 1270 kg | 1310 kg |
Dieselmotoren, 5-zitter
| Motorvermogen | MC | Soort ver-snellingsbak | Leegge-wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta-ne vooras-belasting | Toegesta-ne achter-asbelas-ting |
| 85 kW met roetfilter | CFFE | SB6 | 1772 kg | 2360 kg | 1260 kg | 1150 kg |
| 100 kW BlueMotion met roetfilter | CFFA | SB6 | 1774 kg | 2340 kg | 1240 kg | 1150 kg |
| DSG®6 | 1803 kg | 2370 kg | 1270 kg | 1150 kg | ||
| 103 kW BlueMotion met roetfilter | CFFB | SB6 | 1774 kg | 2340 kg | 1240 kg | 1150 kg |
| DSG®6 | 1803 kg | 2370 kg | 1270 kg | 1150 kg | ||
| SB6 4MOTION | 1891 kg | 2530 kg | 1300 kg | 1280 kg | ||
| 125 kW met roetfilter | CFGB | SB6 | 1794 kg | 2360 kg | 1260 kg | 1150 kg |
| DSG®6 | 1803 kg | 2370 kg | 1270 kg | 1150 kg | ||
| 130 kW met roetfilter | CFGC | SB6 | 1800 kg | 2370 kg | 1270 kg | 1150 kg |
| DSG®6 | 1804 kg | 2370 kg | 1270 kg | 1150 kg |
Dieselmotoren, 6-zitter
| Motorvermogen | MC | Soort ver-snellingsbak | Leegge-wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta-ne vooras-belasting | Toegesta-ne achter-asbelas-ting |
| 85 kW met roetfilter | CFFE | SB6 | 1826 kg | 2490 kg | 1230 kg | 1310 kg |
| 100 kW BlueMotion met roetfilter | CFFA | SB6 | 1824 kg | 2470 kg | 1210 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1853 kg | 2500 kg | 1240 kg | 1310 kg | ||
| 103 kW BlueMotion met roetfilter | CFFB | SB6 | 1824 kg | 2470 kg | 1210 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1853 kg | 2500 kg | 1240 kg | 1310 kg | ||
| SB6 4MOTION | 1945 kg | 2550 kg | 1290 kg | 1310 kg | ||
| 125 kW met roetfilter | CFGB | SB6 | 1844 kg | 2490 kg | 1230 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1853 kg | 2500 kg | 1240 kg | 1310 kg | ||
| 130 kW met roetfilter | CFG | SB6 | 1852 kg | 2500 kg | 1240 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1856 kg | 2510 kg | 1250 kg | 1310 kg |
Dieselmotoren, 7-zitter
| Motorvermogen | MC | Soort ver-snellingsbak | Leegge-wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta-ne vooras-belasting | Toegesta-ne achter-asbelas-ting |
| 85 kW met roetfilter | CFFE | SB6 | 1823 kg | 2520 kg | 1260 kg | 1310 kg |
| 100 kW BlueMotion met roetfilter | CFFA | SB6 | 1822 kg | 2500 kg | 1240 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1851 kg | 2540 kg | 1280 kg | 1310 kg | ||
| 103 kW BlueMotion met roetfilter | CFFB | SB6 | 1822 kg | 2510 kg | 1250 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1851 kg | 2540 kg | 1280 kg | 1310 kg | ||
| SB6 4MOTION | 1942 kg | 2580 kg | 1290 kg | 1340 kg | ||
| 125 kW met roetfilter | CFGB | SB6 | 1842 kg | 2530 kg | 1270 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1851 kg | 2540 kg | 1280 kg | 1310 kg | ||
| 130 kW met roetfilter | CFGC | SB6 | 1851 kg | 2530 kg | 1270 kg | 1310 kg |
| DSG®6 | 1855 kg | 2530 kg | 1270 kg | 1310 kg |

WAARSCHUWING
Als de maximaal toegestane gewichten en aslasten worden overschreden, kan dit tot schade aan de wagen, ongevallen en zware verwondingen leiden.
- De daadwerkelijke asbelasting mag nooit groter zijn dan de toegestane asbelasting.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking. Snelheid overeenkomstig aanpassen.

LET OP
De lading altijd gelijkmatig verdelen en zo diep mogelijk in de wagen aanbrengen. Bij het vervoeren van zware voorwerpen in de bagageruimte moeten deze vóór of boven de achteras worden geplaatst, om het rijgedrag zo min mogelijk te beïnvloeden.
Bagageruimte

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Tweede zitrij in de laadvloerstand klappen ... 153
Derde zitrij in de laadvloerstand klappen .... 155
Bagageruimteafdekking 157
Scheidingsnet 159
Bevestigingsogen 160
Railsysteem met bevestigingselementen .... 161
Opbergnet 162
Tassenhaken 164
Bagagenet 164
Zware lading altijd in de bagageruimte opbergen en ervoor zorgen, dat de achterbankleuningen goed en rechtop zijn vergrendeld. Gebruik de bevestigingsogen altijd samen met geschikte sjorbanden. De wagen nooit te zwaar beladen. Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking

Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Achterklep ⇒ pagina 61
• Zithouding instellen → pagina 74
• Airbagsysteem ⇒ pagina 101
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 111 - Licht ⇒ pagina 125
• Transporteren ⇒ pagina 147
• Rijden met aanhangwagen ⇒ pagina 168
• Opbergmogelijkheden ⇒ pagina 181
• Velgen en banden → pagina 321

WAARSCHUWING
Bij ongebruikte of onbeheerde wagen altijd de portieren en de achterklep vergrendelen, om het risico van zware of dodelijke verwondingen te verminderen.
- Kinderen nooit zonder toezicht achterla- ten, vooral niet bij geopende achterklep. Kin- deren zouden in de bagageruimte kunnen ko- men en de achterklep kunnen sluiten en zou- den niet in staat zijn zelfstandig uit de wagen te komen. Dat kan zware of dodelijke verwon- dingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Laat nooit kinderen in of aan de wagen spelen.
- Nooit personen in de bagageruimte vervoeren.

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette of verkeerd vastgezette voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- en remmanoeuvres en ongevallen zware verwondingen veroorzaken. Dat geldt met name wanneer voorwerpen door de activerende airbag worden getroffen en door het interieur worden geslingerd. Let op het volgende om het risico van verwondingen te verminderen:
- Alle voorwerpen in de wagen veilig opbergen. Bagage en zware voorwerpen altijd in de bagageruimte opbergen.
- Voorwerpen altijd met geschikte sjorbanden of spanbanden vastzetten, zodat de voorwerpen niet door het interieur worden geslingerd en in het werkingsgebied van de zij-airbags of de voorairbags kunnen komen tijdens een plotselinge rij- of remmanoeuvre.
- Opbergvakken tijdens het rijden altijd gesloten houden.
- Geen harde, zware of scherpe voorwerpen los in open opbergvakken in de wagen of op de hoedenplank of op het dashboard opbergen.
- Harde, zware of scherpe voorwerpen uit kledingstukken en tassen in het interieur verwijderen en veilig opbergen.

WAARSCHUWING
Bij het vervoeren van zware voorwerpen veranderen de rijeigenschappen van de wagen en wordt de remweg langer. Zware lading, die niet goed is geplaatst of niet goed is bevestigd, kan ertoe leiden dat u de controle over de wagen verliest en kan tot zware verwondingen leiden.
- Bij het vervoeren van zware voorwerpen veranderen de rij-eigenschappen van de wagen doordat het zwaartepunt van de wagen wijzigt.


























































