Kever VW 1300 (1968) - Auto VOLKSWAGEN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Kever VW 1300 (1968) VOLKSWAGEN in PDF-formaat.
| Type product | Auto |
| Merk | Volkswagen |
| Model | Kever VW 1300 (1968) |
| Categorie | Personenauto |
| Motorinhoud | 1.3 L (1285 cc) |
| Motorconfiguratie | Luchtgekoelde viercilinder boxermotor |
| Vermogen | 40 pk (29 kW) bij 4000 tpm |
| Transmissie | 4-versnellingsbak handgeschakeld |
| Brandstoftype | Benzine (loodvrij of loodhoudend) |
| Brandstoftankinhoud | 40 liter |
| Topsnelheid | Ca. 130 km/u |
| Bandenmaat | 5.60-15 |
| Afmetingen (L×B×H) | 4060 × 1540 × 1500 mm |
| Wielbasis | 2400 mm |
| Gewicht | Ca. 820 kg (leeg) |
| Zitplaatsen | 4 |
| Onderhoudsinterval | Elke 5000 km olie en filter verversen |
| Kleppenstellen | Om de 10.000 km controleren en stellen |
| Bougies | Vervangen om de 20.000 km |
| Veiligheid | Veiligheidsgordels optioneel; geen airbags |
| Plaats chassisnummer | In de kofferruimte voorin, aan de rechterzijde |
| Reparabiliteit | Eenvoudig zelf te onderhouden met basisgereedschap |
Veelgestelde vragen - Kever VW 1300 (1968) VOLKSWAGEN
Gebruikersvragen over Kever VW 1300 (1968) VOLKSWAGEN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Kever VW 1300 (1968) - VOLKSWAGEN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Kever VW 1300 (1968) van het merk VOLKSWAGEN.
GEBRUIKSAANWIJZING Kever VW 1300 (1968) VOLKSWAGEN
Uitgave augustus 1968
VOLKSWAGENWERKAG.WOLFSBURG
© 1968 Volkswagen Aktiengesellschaft
Nadruk of vertaling, ook van gedeelten, is zonder schriftelijke machliging van Volkswagenwerk AG niet toegestaan.
Volkswagenwerk AG behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten op grond van het auteursrecht voor.
Plaatje met type-aanduiding, chassis- en motornummer . . . . . 6
Bediening
Sleutels . . . . . . . . . . . . 7
Stoelen 7
Autoriemen 8
Portieren 9
Dashboard, hendels en pedalen . 10-13
Radio 14
Schuifdak 15
Frisseluchttoevoer 17
Kofferruimten 18/20
Gereedschappen . . . . . . . . 19
Cabrioletkap 21
Voorbereidingen voor de rit . . . 22/23
Starten 24
Tips voor een goede rit . . . . . 25
Rijden met de VW-Automatic . . 26/28
's Winters 30/31
Onderhoud van de wagen . . . . 32-35
Tips om het zelf te doen
Verwisselen van een wiel . . . . 37/38
Ventilatorriem spannen of vervangen. 39
Filter in benzinepomp schoonmaken . 40
Bougies uit- en inbouwen ..... 40
Koplampen afstellen. . . . . . . 41
Lampjes vervangen ..... 42/43
Zekeringen vervangen ..... 44
Accu controleren . . . . . . . . 45
Slepen 46
Benzine en smeermiddelen . . . . 47/48
Juist smeren
Motor 49
Versnellingsbak, Automatic ..... 50
Vooras 51
Sloten, scharnieren ..... 52
Luchtfilter 52/53
Techniek in woord en beeld . . . . 54/58
Trefwoordenlijst 60
Het is in uw eigen belang,
dat u snel aan uw wagen gewend raakt en met een gerust hart aan de eerste rit kunt beginnen. Daarom dient u het eerste gedeelte van deze handleiding, dat de bediening van uw Volkswagen behandelt, zeer zorgvuldig door te lezen.
Alle wetenswaardigheden over 's winters rijden, uitvoerige aanwijzingen voor het onderhoud, evenals talrijke tips om een en ander zelf te doen, vindt u in het tweede gedeelte van deze handleiding. Dit gedeelte informeert u bovendien over de voor de wagen geschikte benzine- en smeermiddelsoorten, beschrijft de werkzaamheden bij het olieverversen en doorsmeren en bevat een samenvatting van alle interessante technische gegevens.
Als u de handleiding heeft bestudeerd — en dat raden wij u dringend aan — weet u, hoe u met de wagen moet omgaan. Met goed recht verwacht u nu, dat hij vele jaren — onafhankelijk van kilometerstand, weer en wegen — gelijkmatig, betrouwbaar en economisch blijft en tenslotte een lange levensduur bereikt. Het recept hiervoor is het Volkswagen-Service-paspoort dat als tweede belangrijke publicatie in uw wagen ligt.
Het paspoort vertelt u, waarop u moet letten om de bedrijfs- en verkeersveiligheid van uw wagen op peil te houden en geeft uitleg over het door ons ontwikkelde programma van smeer- en controlebeurten. Het paspoort bevat onder andere ook het garantiebewijs en de garantiebepalingen.
Het Volkswagen-Servicepaspoort dient u bij toekomstige werkplaatsbezoeken altijd bij de hand te hebben - het zorgt tevens voor het contact met uw VW-werkplaats.
In uw eigen interesse: laat uw Volkswagen van het begin af aan volgens de richtlijnen van controleren en onderhouden. Een juiste behandeling en het bewijs, dat alle servicebeurten zonder uitzondering zijn uitgevoerd, kunnen bij eventuele garantieaanspraken van groot belang zijn.
In deze handleiding wordt de VW 1500 met een serie praktische meeruitvoeringen afgebeeld en beschreven. In zoverre bedlening en technische details van de VW 1200, de VW 1300 en de cabrioletmodellen hier in belangrijke mate van afwijken, wordt daar de aandacht op gevestigd. Het rijden met de VW-Automatic wordt in een apart hoofdstuk behandeld. Alle speciale uitvoeringen, welke gedeeltelijk ook het gevolg zijn van de verschillende wettelijke bepalingen in de afzonderlijke landen, worden echter niet vermeld.
Wij verzoeken u te willen begrijpen, dat wij ons het recht moeten voorbehouden om de in deze handleiding beschreven en afgebeelde uitrusting en techniek op ieder tijdstip te wijzigen.
Volkswagenwerk AG
Op de autopapieren zijn o. a. het type en de nummers van motor en chassis vermeld. Het is wettelijk voorgeschreven, dat deze gegevens met die van de wagen overeenstemmen.
De type-aanduiding vindt u op een plaatje onder het voordeksel, achter het reservewiel.
Het chassis-nummer is op de chassistunnel onder de achterbank ingeslagen.
Het motor-nummer staat op de carterfiens voor de dynamosteun.

Slechts één sleutel heeft u nodig om de portieren te openen en de motor te starten. Schrijf s.v.p. het sleutelnummer op. Als u namelijk de sleutel verliest, kunt u met behulp van dit nummer altijd bij uw VW-dealer een reserve-exemplaar bestellen.

De andere sleutel hoort bij het dekselslot van het handschoenenkastje.*
Stoelen
Bij het autorijden komt het erop aan, ook bij lange autoritten, gemakkelijk en ontspannen te zitten. Daarom heeft uw Volkswagen aparte stoelen, welke zo zijn geconstrueerd, dat u de stand van zitting en leuning bij uw lichaamsgrootte kunt aanpassen. Dat gaat heel eenvoudig. U trekt de hendel aan de rechterkant van de stoel omhoog, waarna u de stoel gemakkelijk naar voren of achteren kunt verschuiven.
Let er a.u.b. op, dat de hendel weer goed pakt, opdat tijdens het rijden de stoel niet onverwachts verschuift.
De schuine geleiderails zorgen dan bij elke lichaamsgrootte voor de gunstigste zithoogte.
Ook de stand van de rugleuning kan meervoudig worden veranderd. Hiertoe dient de draaiknop aan het zittingframe.
De rugleuningen van de VW 1500 en VW 1300 zijn tegen onverhoeds naar voren klappen, b.v. bij sterk remmen, beveiligd. Voor het ontgrendelen trekt u de in de zijkant van de rugleuning aange-brachte knop omhoog.

* meeruitvoering op verzoek
Autoriemen
heeft iedere VW-werkplaats voor u in voorraad. De autoriemen voor bestuurder en passagier worden aan de slotstijlen en achter de stoelen aan de zijkanten van de chassis-tunnel aangebracht.
De bevestigingspunten voor de autoriemen van de passagiers achterin zijn onder de achterbank in linker en rechter zijpaneel, in het midden van de achterste kofferruimte en bij de zijruiten aangebracht.

Alvorens het portier te sluiten, dient u een ruit gedeeltelijk te openen. Het portier sluit dan veel gemakkelijker, doordat de lucht uit het interieur kan ontwijken.
1 – Vergrendeling van ventilatieruitje
Om het ruitje te openen, draait u de knop van de vergrendeling, tot het nokje naar voren wijst, waarna u de vergrendeling naar boven zwenkt.


4 - Armleuning en greep om portier te sluiten
5 — Grendelknop van portierslot
Zolang de grendelknoppen zijn ingedrukt, kunnen beide portieren ook van binnenuit niet met de portierhendels worden geopend. Bij het verlaten van de wagen hoeft u alleen de grendelknop in te drukken en bij het dichtslaan van het portier de druktoets in de handgreep ingedrukt te houden en uw wagen is afgesloten.
Zou een reeds vergrendeld portier onverhoeds dichtvallen, dan springt de grendelknop vanzelf weer naar boven. Hierdoor is een bepaalde beveiliging verkregen, waardoor het portier niet ongewild wordt afgesloten, terwijl de sleutel nog in de wagen is.
Dashboard, hendels en pedalen
Ook als het niet uw eerste Volkswagen is, dient u toch de instrumenten te bekijken en de verschillende knoppen en hendels bij ingeschakelde ontsteking te proberen:

1 - Defrosters (blz. 16, 17) 12 - Koppelingspedaal (blz. 25)
2 - Menguitstroomopeningen 13 - Stuur-contactslot (blz. 13)
voor verwarming en
frisseluchttoevoer
(blz. 16, 17)
3 - Snelheidsmeter met benzine- 15 - Zekeringendoos (biz. 44)
meter en controlelampjes
(blz.12)
4 - Ruitewisserschakelaar met knop 17 - Schakelaar van achterruit-
voor ruitesproeiers
(blz.12)
5 - Controlelampje tweekrings 18 - Handremhendel (blz. 13)
remsysteem *
(blz. 22)
6 - Lichtschakelaar (blz. 12)
7 - Dekplaatje voor radio-inbow
8 - Handgreep voor passagier
2.1 Schansteuer van Waafrochwings
lichtinstallatie (blz. 13)
9 – Ontgrendelknop voor hand-
22 – Draaiknoppen van
schoenenkastje, afsluitbaar * (blz. 12)
(blz.12)
10 - Knipperlichtschakelaar (blz. 12) 23 - Treklus van benzinetankklep (blz. 22)
11 – Claxonring 24 – Bekleding van dashboard

3 Snelheidsmeter
In de snelheidsmeter zijn de volgende controlelampjes ondergebracht:
a - groen - stadslicht *
b-groen-achterruitverwarming**
c-rood-dynamo en koeling
d-groene dubbele pijl-knipperlichten
e-groen-oliedruk
f - rocd - olietemperatuur koppelom-
vormer ***
g - blauw - grootlicht
Benzinemeter: Zodra de wijzer op „R“ — reserve — staat, is er nog ongeveer 5 liter benzine in de tank — het is tijd om te tanken! De VW 1200 heeft in plaats van de benzinemeter een benzinekraan. De hendel van de benzinekraan moet, normaal gesproken, tijdens het rijden naar boven wijzen. Wanneer de motor door gebrek aan benzine begint te stotteren, draait u de hendel naar rechts — er is dan nog 5 liter in de tank. Vergeet echter niet de hendel na het tanken weer naar boven te draaien. Staat de hendel in de tussenstand, dan is de benzinekraan dicht.

4 Ruitewissers en -sproeiers
Met de schakelaar kunnen twee wissnelheden — bij de VW 1200 één wissnelheid — worden ingeschakeld. Ze keren bij de VW 1500 en VW 1300 na het uitschakelen altijd in hun ruststand terug.
Door de ingebouwde knop in te drukken, kunt u zolang water op de voorruit spuiten, tot de ruitewissers de wisvelden hebben schoongeveegd.
6 Lichtschakelaar
Bij half uitgetrokken knop zijn stadslicht, kentekenlicht, achterlichten en instrumentenverlichting ingeschakeld Als u de knop helemaal uittrekt, branden ook de koplampen.
De instrumentenverlichting kan bij de VW 1500 en VW 1300, door de knop van de lichtschakelaar te draaien, continu worden geregeld.

Hendel naar boven — rechter knipperlichten Hendel naar beneden — linker knipperlichten Na een bocht schakelen de knipperlichten automatisch uit.
Door de hendel van de knipperlichtschakelaar naar het stuurwiel toe te trekken, wordt bij de VW 1500 en VW 1300 van groot- naar dimlicht omgeschakeld, of omgekeerd. Bij grootlicht brandt het blauwe controlelampje in de snelheidsmeter. Op dezelfde wijze wordt bij uitgeschakelde verlichting en stadslicht het lichtsignaal bediend.
De VW 1200 heeft een voetdimschakelaar, welke links naast het koppelingspedaal is aangebracht.
9 Handschoenenkastje
Om dit te openen, draait u de knop naar links. Het handschoenenkastje van de cabriolet kan worden afgesloten.
* wettelijk voorschrift in bepaalde landen, anders niet aangesloten
** meeruitvoering op verzoek - zie blz. 13
*** meeruitvoering VW-Automatic - zie blz. 26

13 Stuur-contactslot
1 - ontsteking uit - stuur vergrended
2-ontsteking uit-stuur vrij
3-ontsteking aan
4 - starten
Attentie: Sleutel alleen bij stilstaande wagen uit het slot trekken.
21 Waarschuwingslichtinstallatie
Installatie inschakelen — knop uittrekken (in de knop knippert dan een controlelampje mee).
Bij ingeschakelde waarschuwingslichtinstallatie knipperen de 4 knipperlichten tegelijkertijd. De installatie mag in gevaarlijke situaties tijdens het rijden en bij een stilstaande wagen worden ingeschakeld om de andere verkeersdeelnemers te waarschuwen. In tegenstelling tot de hier genoemde toepassingsmogelijkheden kunnen in bepaalde landen afwijkende voorschriften gelden.
De waarschuwingslichtinstallatie kan ook bij uitgeschakelde ontsteking worden ingeschakeld.

Met de tuimelschakelaar kan, bij ingeschakelde ontsteking, de achterruitverwarming worden ingeschakeld. Hierbij gaat het groene controlelampje in de snelheidsmeter (zie blz. 12) branden.
Zodra het uitzicht door de achterruit weer vrij is, schakelt u de achterruitverwarming uit, om de accu niet onnodig met dit hoge stroomverbruik te belasten.
18 Handremhendel
Om de handrem vrij te zetten, trekt u de handremhendel eerst iets naar boven en drukt op de knop.

19 Versnellingshendel
(VW-Automatic zie blz. 26)
De achteruitversnelling mag alleen bij stilstaande wagen worden ingeschakeld; hij is bovendien door een beveiliging tegen onvoorzien inschakelen beschermd. Als de versnelling vrij staat, drukt u de hendel eerst loodrecht naar beneden, alvorens deze links naar u toe te halen. Bij ingeschakelde achteruit en ingeschakelde ontsteking gaan tegelijkertijd de achteruitrijlampen * branden.
* meeruitvoering op verzoek
VW-Autoradio's
zijn als meeruitvoering verkrijgbaar en wel de apparaten „Braunschweig“, „Emden“ en „Wolfsburg“. Als u een van deze radiomodellen voor uw wagen heeft gekozen, let dan a.u.b. op de volgende aanwijzingen:
5 stationsdruktoetsen voor golfbereiken:
2 maal U = FM (87,6 - 108 MHz)
2 maal M = middengolf (515 - 1620 kHz)
1 maal L = lange golf (150 - 290 kHz)
1 draaiknop voor zenderkeuze: rechts
1 draaiknop voor „aan-uit“, volumeregeling en toonregeling (knop uitgetrokken = laag, knop ingedrukt = hoog): links.
Werking van de stationsdruktoetsen
Gewenste zender kiezen.
Toets van het verlangde golfbereik uittrekken en daarna geheel indrukken. Hierdoor wordt de zender vast afgesteld, zodat u hem, door op de stationstoets te drukken, op ieder ogenblik weer kunt kiezen, ook als u voordien een andere zender had afgesteld.
Model „Emden“
3 druktoetsen voor golfbereiken:
$$ U = F M \quad (8 7, 6 - 1 0 8 \mathrm{MHz}) $$
$$ M = \text { middengolf } (5 1 5 - 1 6 2 0 \mathrm{kHz}) $$
$$ L = \text { l a n g e g o l f } (1 5 0 - 2 9 0 \mathrm{kHz}) $$
1 druktoets voor toonregeling: „hoog-laag"
1 draaiknop voor zenderkeuze: rechts
1 draaiknop voor „aan-uit“, en volumerege-
ling: links
2 stationsruitertjes
1 - draaiknop „aan-uit“, volume
2 - toonregeldruktoelsen
3 - golfbereikdruktoelsen
4 - draaiknop zenderkouze
5 – stationsruitertjes
Model „Wolfsburg“
2 druktoetsen voor golfbereiken:
$$ M = \text { middengolf } (5 1 5 - 1 6 2 0 \mathrm{kHz}) $$
$$ L = \text { l a n g e g o l f } (1 5 0 - 2 9 0 \mathrm{kHz}) $$
2 druktoetsten voor toonregeling: "hoog" en "laag"
1 draaiknop voor zenderkeuze: rechts
1 draaiknop voor „aan-uit“ en volume-regeling: links
2 stationsruitertjes

Tussen huizen en in de bergen kan de kwaliteit van de FM-entvangst door de wisselende ontvangstverhoudingen variëren.
Voordat u uw autoradio in gebruik neemt, dient u niet te vergeten een luistervergunning aan te vragen, voorzover de voorschriften dit vereisen.
Gebrekkig onderhoud van de telescoop-antenne veroorzaakt mettertijd stroefheid bij het erin schuiven en het gevaar bestaat, dat de antenne hierbij knikt en breekt.
Daarom moet de antenne af en toe na het wagenwassen met een schone doek drooggewreven en dun met speciaal antenne-vet (in de vakhandel verkrijgbaar) ingesmeerd worden.
Bij het vervangen van de zekering in de aansluitkabel alleen 2 ampère radiozekeringen (VW-onderdeelnummer 111 035 307) gebruiken.
Schuifdak
Terwille van de veiligheid moet de slinger van het schuifdak altijd in de uitsparing liggen. Bij het sluiten moet het schuifdak eerst tot de aanslag naar voren worden gedraaid. Dan draait u de slinger zo ver terug tot deze in de uitsparing kan worden geklapt.
Interieur Zonnekleppen
Als de zon eens van opzij komt, kunt u de zonneklep uit de klem naast de spiegel trekken en voor de portierruit draaien.
De Volkswagen 1200 heeft alleen aan de bestuurderskant een zonneklep.
Bij de VW-cabriolet is in de zonneklep voor de passagier een make up-spiegel aangebracht.
Achteruitkijkspiegels
Zij- en binnenspiegel draaien in scharnieren en kunnen zo worden ingesteld, dat u, ongeacht hoe u zit, het achter u liggende weggedeelte goed kunt overzien.
Als meeruitvoering wordt een binnenspiegel geleverd, die kan worden gedimd. Het dimmen gebeurt door het spiegeloppervlak te kantelen. Hiervoor is onder aan de spiegel een toets aangebracht.
Toets naar voren drukken – spiegel gedimd Toets naar achteren trekken – normale stand Bij de cabriolet kan, door de binnenspiegel 180° te draaien, deze ook in de hoogte wor- den versteld, zodat u ook bij geopende kap een goed zicht naar achteren heeft.

Voor het leegmaken drukt u de bladveer in het asbakje naar beneden en trekt het dan eruit.
Asbakje achterin
Om het asbakje leeg te maken, drukt u het naar beneden, waarna u het eruit kunt nemen. Het lege asbakje plaatst u eerst aan de bovenkant erin en drukt het dan in het huis.
De VW 1200 heeft achterin geen asbakje.
Binnenlicht
Schakelaarstanden:
boven - binnenlicht brandt alleen bij geopend portier
midden - binnenlicht uit
beneden - binnenlicht aan
Bij de VW 1200 heeft het binnenlicht slechts twee schakelaarstanden:
boven — binnenlicht aan
beneden — binnenlicht uit
Bij de cabriolet is het binnenlicht tussen de beide zonnekleppen in de spiegelvoet ingebouwd. De schakelaarstanden zijn:
rechts — binnenlicht aan
midden — binnenlicht uit
links — binnenlicht brandt alleen bij geopend portier
Lussen en kleerhaken
De VW 1200 heeft geen lussen en kleerhaken.

1 Hendel van verwarming
Hendel naar boven – verwarming aan
Hendel naar beneden - verwarming uit
2 Hendel van verwarming in voorste voetruimte
Bij de VW 1500 en VW 1300 kan de warme lucht in de voorste voetruimte voor elke wagenzijde afzonderlijk worden geregeld. De hendels bevinden zich aan de scharnierstijlen van de portieren.
Hendel naar voren – open
Hendel naar achteren - dicht
3 Hendel van verwarming in achterste voetruimte
Met deze hendel kunt u bij ingeschakelde verwarming de hoeveelheid warme lucht in de achterste voetruimte regelen.
Hendel naar boven - kleppen open
Hendel naar beneden - kleppen dicht
Wanneer u met ingeschakelde verwarming een ventilatieruitje iets opent, werkt de verwarming beter. De ventilator kan dan de warme lucht gemakkelijker in het interieur stuwen.
Bij lage buitentemperaturen verdient het aanbeveling, de kleppen in de achterste voetruimte direct bij het begin van de rit te sluiten. Daardoor wordt de luchtstroom langs de voorruit versterkt, hetgeen ook bij een hoge vochtigheidsgraad van de lucht het beslaan van de ruit verhindert. Zodra
de ruit geen aanslag meer vertoont, is het raadzaam de kleppen weer geheel te openen, teneinde een snelle en gelijkmatige verwarming van het interieur te verkrijgen.
Frisseluchttoevoer
(VW 1500, VW 1300)
De hoeveelheid frisse lucht, die uit de uitstroomopeningen aan de bovenkant van het dashboard (4) stroomt, kan met de knoppen (5) voor elke wagenhelft apart worden geregeld.
Knoppen linksom - frisseluchttoevoer aan Knoppen rechtsom - frisseluchttoevoer uit Bij ingeschakelde verwarming stroomt ook warme lucht uit deze uitstroomopeningen, zodat frisse en warme lucht naar wens kunnen worden gemengd.
6 Defrosters

Of u met veel of weinig bagage reist — pak indien mogelijk eerste de zware bagage in de voorste kofferruimte. Een gunstige gewichtsverdeling betekent goede rijeigenschappen. Benut deze mogelijkheid die de Volkswagen u door zijn beide kofferruimtes biedt!
Het voordeksel wordt met een hendeltje in het handschoenenkastje ontgrendeld.
Ontgrendelen - hendeltje trekken.
Het deksel springt onder veerdruk iets omhoog en kan geheel worden geopend,
wanneer u de knop in de dekaelhandgreep indrukt.
Bij sluiten van het deksel moet u erop letten dat u de vergrendeling van het deksel hoort klikken.

1 Ruitesproeiertankje
Het tankje kan altijd worden gevuld tot het overloopt – het voor het onder druk zetten vereiste luchtkussen is altijd aanwezig, de benodigde luchtdruk is 3,0 atm.
Vergeet echter niet de ventielslang altijd weer in de daarvoor bestemde opening van de schroefdop van het ruitesproeiertankje te steken, om klappergeluiden van het ventiel tegen het reservewiel te vermijden.
Wij adviseren u aan het water altijd een schoonmaakmiddel toe te voegen, daar water alleen in het algemeen niet voldoende is om de voorruit snel en grondig schoon te maken. Als de juiste hoeveelheid wordt toegevoegd, is het in de winter ook geschikt als antivriesmiddel. De bestelnummers vindt u in het hoofdstuk „Onderhoud van de wagen” op blz. 34.
Ook brandspiritus kan als antivriesmiddel worden gebruikt. In dit geval geeft een mengsel van 1 deel spiritus en 3 delen water bescherming tegen vorst tot ongeveer - 12°C.
2 Remvloeistofreservoir
Dit moet altijd tot de bovenkant van de klemband zijn gevuld. Als het vloeistofniveau tijdens het rijden mettertijd onder de klemband zakt, moet een VW-werkplaats het remssysteem controleren.
Remvloeistof is hygroscopisch! Daar een te hoog watergehalte in de remvloeistof op den duur niet bevorderlijk voor het gehele remsysteem is, dient de remvloeistof ongeveer na twee jaar te worden vernieuwd. Vervolgens moet het remsysteem worden ontlucht.
3 Krik
Hoe u deze moet gebruiken, staat samen met het verwisselen van een wiel op blz. 37.
4 Reservewiel
Laat af en toe ook de bandespanning van het reservewiel controleren. Het is aan te bevelen de voorkomende maximum spanning van 2 atm. te kiezen. Als u het reservewiel dan nodig hebt, is het eenvoudiger een teveel aan lucht te laten ontsnappen als de band op te pompen.
5 Gereedschappen en toebehoren
In de gereedschapstas vindt u:
1 ventilatorriem
1 trekhaak voor de wieldoppen
1 combinatietang
1 wisselschroevedraaier voor normale en kruiskopschroeven
1 steeksleutel 8 en 13 mm
1 pijpsleutel voor bougies, dynamopoelie en wielbouten
1 pijpsleutel 13 mm krik
6 Achterste kofferruimte
De achterste kofferuimte is goed te bereiken, als u eerst de rugleuning van de achterbank naar voren klapt. Hiertoe maakt u bij de VW 1500 en VW 1300 de vergrendeling van de rugleuning los, door aan de lus aan de zijkant van de leuning te trekken. Na het terugklappen is de leuning automatisch tegen naar voren klappen beveiligd.

De achterbankrugleuning van de VW 1200 is aan de rechterkant met een rubberlus tegen naar voren klappen beveiligd.
Wanneer u eens grote stukken bagage wilt vervoeren, kan bij de VW 1500 en VW 1300 de rugleuning met een riem aan de steunrail van de achterbank worden bevestigd, waardoor u een extra grote kofferruimte krijgt.

kunt u de cabrioletkap zonder moeite alleen openen — natuurlijk alleen als deze schoon en droog is, aangezien scherpe stofdeeltjes de kap zouden kunnen beschadigen.
Eerst maakt u de hendels van de sluitingen boven de ventilatieruitjes los en klapt de kap naar achteren. Nu trekt u de kapbekleding met de stoffering naar achteren uit de scharnieren. De hemelbekleding trekt u naar binnen, opdat deze niet tussen de stangen klemt. Daarna drukt u de hendels van de sluitingen naar beneden. Voordat u de kaphoes er overheen trekt en met de drukknopen bevestigt, drukt u de kap aan beide zijden zo ver naar beneden, tot de verende haken in de daarvoor bestemde uitsparingen vallen. Bij het er overheen trekken van de kaphoes drukt u tegelijkertijd de kapbekleding aan beide zijden naar boven, opdat deze helemaal door de hoes wordt bedekt — anders ontstaan schuurplekken.

wilt u de kap weer zo snel mogelijk sluiten.
Nadat u de kaphoes heeft verwijderd, drukt u de kap licht naar beneden en maakt de beide verende haken los. Nu kunt u de kap naar voren klappen. Ga nu in de wagen zitten en trek de kap aan de naar voren geklapte hendels van de sluitingen omlaag naar het voorruit-frame, tot de haken in de uitsparingen vallen. Als u nu nog de beide hendels van de sluitingen naar achteren klapt, is de kap vergrendeld. En nu nog een tip:
Draai, nadat de kap is vergrendeld, de achterste zijruiten éénmaal open en dicht, opdat de kaprubbers goed aanliggen en niet worden platgedrukt.
Voorbereidingen voor de rit
U rijdt met minder zorgen als u voor de rit benzinevoorraad, remmen, verlichting en - op regelmatige afstanden - oliepeil en handespanning controleert.
De benzinevoorraad bij gevulde tank - 40 liter inhoud - is voldoende 400-450 km. De benzinevulpijp bevindt zich achter een klep boven het rechter spatbord.

Om de klep te openen, trekt u aan de lus rechts onder het dashboard.
• meeruitvoering op verzoek
De remmen moet u in ieder geval direct na het wegrijden, door langzaam intrappen van het pedaal, controleren. Hiertoe twee aanwijzingen:
1 - Denk eraan, dat iedere rem aan slijtage onderhevig is, welke in de loop der tijd door groter worden van de vrije slag van het pedaal bemerkbaar wordt. Daarom kan het onder bepaalde omstandigheden nodig zijn ook eens tussen de voorgeschreven controlebeurten de remmen in een VW-werkplaats te laten bijstellen. Dit geldt vooral voor wagens, die vaak in stadsverkeer, over korte afstanden of zeer sportief worden gereden.
Bij wagens met schijfremmen vóór – VW 1500 en VW 1300* – verandert de pedaalslag door het automatische bijstellen van de remblokjes niet merkbaar. Hier merkt men door het zakken van het vloeistofpeil in het remvloeistofreservoir, dat de remblokjes verslijten en het remsysteem door een VW-werkplaats moet worden gecontroleerd.
2 - De VW 1500 en VW 1300 zijn met een tweekrings remsysteem uitgerust, d.w.z., dat het hydraulische systeem in een vooras- en achterasremcircuit is verdeeld, waarvan elk circuit onafhankelijk zijn volle werking heeft. Als werkelijk de hydraulische druk van een van beide remcircuits afneemt - u merkt dit aan een belangrijk groter worden van de vrije slag van het pedaal -, ga dan beslist direct naar een VW-werkplaats. U kunt de wagen weliswaar met het andere remcircuit afremmen, maar de remweg wordt dienovereenkomstig langer.

Controlelampje tweekrings remsysteem* Het lampje in het dashboard controleert het tweekrings remsysteem. Als het eens ge- durende het remmen gaat branden, ga dan meteen naar een VW-werkplaats, omdat dan de hydraulische druk in één van de beide remcircuits uitgevallen kan zijn.
Controleer af en toe bij ingeschakelde ontsteking, door op het lampglaasje te drukken, of het gloeilampje nog in orde is. Als het dan niet brandt, laat u het in de werkplaats vervangen.
De verlichting omvat koplampen, achter- lichten, kentekenlicht, knipperlichten, achter- uitrijlampen * en stoplichten.
Bij ingeschakelde ontsteking controleert u knipperlichten, stoplichten en achteruitrijlampen. Is een knipperlicht defect, dan merkt u dat aan het sneller knipperen of het niet branden van het controlelampje in de snelheidsmeter. De stoplichten werken alleen als het rempedaal wordt gebruikt - VW-Automatic versnellingshendel in stand „R”.
Het oliepell moet tussen de beide merkstrepen op de oliepeilstok liggen en mag nooit beneden de onderste streep zakken. Voor de controle moet de stok worden afgeveegd.
Men krijgt alleen een juiste meting, als de wagen op een horizontaal vlak staat. Het is ook verkeerd het oliepeil meteen na het afzetten van de motor te controleren, daar de circulerende olie 5 minuten nodig heeft om in het carter terug te vloeien.

Gebruik voor het bijvullen altijd een HD-olie van een gerenommeerd merk. Het is natuur-
lijk aan te bevelen zo mogelijk hetzelfde merk olie te gebruiken, maar toch kan het vermengen van HD-oliën van verschillend fabrikaat vaak niet worden vermeden. Hierdoor hoeft men geen angst voor beschadigingen aan de motor te hebben. Nadere bijzonderheden over de te gebruiken viscositeitsklasse vindt u op bladzijde 47.
Een juiste bandespanning is een eerste vereiste in het belang van de verkeers-veiligheid.
Te lage, evenals te hoge bandespanning verkorten de levensduur van de banden en hebben tevens een ongunstige invloed op de wegligging van de wagen.
Hoewel de tubeless banden van uw wagen vrijwel geen lucht verliezen, is het aan te bevelen voor het begin van een lange rit, maar minstens één keer per week, de voorgeschreven bandespanning bij uw benzine-station te laten controleren.
Alle voorkomende bandespanningen vindt u in de tabel op bladzijde 56 en op een plaatje in het deksel van het handschoenenkastje.
Nu nog drie belangrijke aanwijzingen:
1 - Bij temperaturen onder + 10°C moet de carburateur van uw Volkswagen voorverwarmde lucht krijgen. Hierdoor wordt ook in het koude jaargetijde een gunstiger benzineverbruik verkregen en, vooral bij hoge luchtvochtigheid, ijsvorming in de carburateur vermeden.
Bij de VW 1500 wordt de verwarming van de aanzuiglucht thermostatisch geregeld.
Bij de VW 1300 en VW 1200 moet de klep met contragewicht in de aanzuigbuis van het oliebadluchtfilter echter in de winter en in de overgangsperioden vrij kunnen bewegen. Is de buitentemperatuur overwegend hoger dan +10 °C, dan moet de

klep worden vastgezet door de hefboom onder de rand van de aanzuigbuis te klemmen. Bij de VW 1500 wordt de verwarming van de aanzuiglucht thermostatisch geregeld.
2 - Als voornamelijk in stoffige gebieden wordt gereden, moet het oliebadluchtfilter vaker worden gecontroleerd - afhankelijk van de omstandigheden zelfs dagelijks.
Hoe dat gebeurt, staat op bladzijde 45 beschreven.
3 - Rijd uw wagen nooit met losgenomen accu, daar dat de elektronische onderdelen van de elektrische installatie kan beschadigen.
Voorbereidingen voor de rit
U rijdt met minder zorgen als u voor de rit benzinevoorraad, remmen, verlichting en - op regelmatige afstanden - oliepeil en handespanning controleert.
De benzinevoorraad bij gevulde tank — 40 liter inhoud — is voldoende 400–450 km. De benzinevulpijp bevindt zich achter een klep boven het rechter spatbord.

Om de klep te openen, trekt u aan de lus rechts onder het dashboard.
* meeruitvoering op verzoek
De remmen moet u in ieder geval direct na het wegrijden, door langzaam intrappen van het pedaal, controleren. Hiertoe twee aanwijzingen:
1 - Denk eraan, dat iedere rem aan slijtage onderhevig is, welke in de loop der tijd door groter worden van de vrije slag van het pedaal bemerkbaar wordt. Daarom kan het onder bepaalde omstandigheden nodig zijn ook eens tussen de voorgeschreven controlebeurten de remmen in een VW-werkplaats te laten bijstellen. Dit geldt vooral voor wagens, die vaak in stadsverkeer, over korte afstanden of zeer sportief worden gereden.
Bij wagens met schijfremmen vóór – VW 1500 en VW 1300 * — verandert de pedaalslag door het automatische bijstellen van de remblokjes niet merkbaar. Hier merkt men door het zakken van het vloeistofpeil in het remvloeistofreservoir, dat de remblokjes verslijten en het remsysteem door een VW-werkplaats moet worden gecontroleerd.
2 - De VW 1500 en VW 1300 zijn met een tweekrings remsysteem uitgerust, d.w.z., dat het hydraulische systeem in een vooras- en achterasremcircuit is verdeeld, waarvan elk circuit onafhankelijk zijn volle werking heeft. Als werkelijk de hydraulische druk van een van beide remcircuits afneemt - u merkt dit aan een belangrijk groter worden van de vrije slag van het pedaal -, ga dan beslist direct naar een VW-werkplaats. U kunt de wagen weliswaar met het andere remcircuit afremmen, maar de remweg wordt dienovereenkomstig langer.

Het lampje in het dashboard controleert het tweekrings remsysteem. Als het eens ge- durende het remmen gaat branden, ga dan meteen naar een VW-werkplaats, omdat dan de hydraulische druk in één van de beide remcircuits uitgevallen kan zijn.
Controleer af en toe bij ingeschakelde ontsteking, door op het lampglaasje te drukken, of het gloeilampje nog in orde is. Als het dan niet brandt, laat u het in de werkplaats vervangen.
De verlichting omvat koplampen, achter- lichten, kentekenlicht, knipperlichten, achter- uitrijlampen * en stoplichten.
Bij ingeschakelde ontsteking controleert u knipperlichten, stoplichten en achteruitrijlampen. Is een knipperlicht defect, dan merkt u dat aan het sneller knipperen of het niet branden van het controlelampje in de snelheidsmeter. De stoplichten werken alleen als het rempedaal wordt gebruikt - VW-Automatic versnellingshendel in stand „R".
Het oliepell moet tussen de beide merkstrepen op de oliepeilstok liggen en mag nooit beneden de onderste streep zakken. Voor de controle moet de stok worden afgeveegd.
Men krijgt alleen een juiste meting, als de wagen op een horizontaal vlak staat. Het is ook verkeerd het oliepeil meteen na het afzetten van de motor te controleren, daar de circuierende olie 5 minuten nodig heeft om in het carter terug te vloeien.

Gebruik voor het bijvullen altijd een HD-olie van een gerenommeerd merk. Het is natuur-
lijk aan te bevelen zo mogelijk hetzelfde merk olie te gebruiken, maar toch kan het vermengen van HD-olien van verschillend fabrikaat vaak niet worden vermeden. Hierdoor hoeft men geen angst voor beschadigingen aan de motor te hebben. Nadere bijzonderheden over de te gebruiken viscositeitsklasse vindt u op bladzijde 47.
Een juiste bandespanning is een eerste vereiste in het belang van de verkeers-veiligheid.
Te lage, evenals te hoge bandespanning verkorten de levensduur van de banden en hebben tevens een ongunstige invloed op de wegligging van de wagen.
Hoewel de tubeless banden van uw wagen vrijwel geen lucht verliezen, is het aan te bevelen voor het begin van een lange rit, maar minstens een keer per week, de voorgeschreven bandespanning bij uw benzine-station te laten controleren.
Alle voorkomende bandespanningen vindt u in de tabel op bladzijde 56 en op een plaatje in het deksel van het handschoenenkastje.
Nu nog drie belangrijke aanwijzingen:
1 - Bij temperaturen onder + 10°C moet de carburateur van uw Volkswagen voorverwarmde lucht krijgen. Hierdoor wordt ook in het koude jaargetijde een gunstiger benzineverbruik verkregen en, vooral bij hoge luchtvochtigheid, ijsvorming in de carburateur vermeden.
Bij de VW 1500 wordt de verwarming van de aanzuiglucht thermostatisch geregeld.
Bij de VW 1300 en VW 1200 moet de klep met contragewicht in de aanzuigbuis van het oliebadluchtfilter echter in de winter en in de overgangsperioden vrij kunnen bewegen. Is de buitentemperatuur overwegend hoger dan +10 °C, dan moet de

klep worden vastgezet door de hefboom onder de rand van de aanzuigbuis te klemmen. Bij de VW 1500 wordt de verwarming van de aanzuiglucht thermostatisch geregeld.
2 - Als voornamelijk in stoffige gebieden wordt gereden, moet het oliebadluchtfilter vaker worden gecontroleerd - afhankelijk van de omstandigheden zelfs dagelijks.
Hoe dat gebeurt, staat op bladzijde 45 beschreven.
3 - Rijd uw wagen nooit met losgenomen accu, daar dat de elektronische onderdelen van de elektrische installatie kan beschadigen.
Starten
Alvorens de contactsleutel om te draaien, overtuigt u zich eerst ervan dat de versnel- lingshendel vrij staat.
Bij temperaturen boven het vriespunt of bij een nog warme motor trapt u tijdens het starten het gaspedaal langzaam in. Bij een hete motor met volgas starten — niet „pompen“!
BIJ temperaturen onder het vriespunt of bij koude motor, voor het starten, het gaspedaal één keer helemaal intrappen en weer loslaten om de automatische choke in werking te stellen. Dan de onsteking inschakelen en meteen starten. Trap dan ook het koppelingspedaal in, zodat de startmotor alleen de motor hoeft rond te draaien.
Zodra de motor loopt, laat u de contact- sleutel los: de startmotor mag niet mee- draaien.
Het is verkeerd de motor met stationair toerental te laten warmdraaien – rijd meteen weg. Vermijdt echter te hoge toerentallen, zolang de motor nog niet op temperatuur is.
Moet u het starten herhalen of slaat de motor tijdens het rijden af, dan kunt u pas weer starten, nadat u eerst de ontsteking hebt uitgeschakeld: de in het contact-startslot ingebouwde beveiliging verhindert, dat de startmotor bij draaiende motor ingeschakeld kan worden en daardoor zou worden beschadigd.
De controlelampjes, die bij het inschakelen van de ontsteking in de snelheidsmeter gaan branden, gaan na het starten van de motor uit. Alleen bij wagens met 1,2 liter-motor gaat het rode controlelampje voor dynamo en koeling eerst bij toenemend toerental uit. Wanneer dit lampje tijdens het rijden eens zou gaan branden, moet u direct stoppen en allereerst de ventilatorriem van de dynamo controleren. Bij een gebroken ventilatorriem valt n.l. de koeling van de motor uit. Hoe de ventilatorriem moet worden vernieuwd, staat op bladzijde 39 beschreven. Wanneer de dynamo door een andere oorzaak niet meer laadt, kunt u weliswaar verder rijden, doch indien mogelijk slechts tot de dichtsbijzijnde werkplaats, daar anders de accu spoedig geheel leeg zal zijn.
Brandt het groene controlelampje voor de oiledruk tijdens het rijden, dan moet u direct stoppen, omdat de smering van de motor onderbroken kan zijn. Controleer eerst het oliepeil. Blijkt de storing een andere oorzaak te hebben, haal er dan meteen een vakman bij.
Wees voorzichtig met het starten in de garage! Zorg dan steeds voor een goede ventilatie, opdat de uiterst giftige uitlaatgassen kunnen verdwijnen.
Tips voor een goede rit
Vanaf de eerste dag kunt u uw Volkswagen onbeperkt gebruiken. U dient echter de toelaatbare snelheden voor de diverse versnellingen wel in acht te nemen:
| motor | |||
| 1,5 liter | 1,3 liter | 1,2 liter | |
| 1e versn. km/u | 0-25 | 0-25 | 0-25 |
| 2e versn. km/u | 15-55 | 10-50 | 10-50 |
| 3e versn. km/u | 30-90 | 30-85 | 30-80 |
| 4e versn. km/u | 50-125 | 45-120 | 45-115 |
Als de verkeerssituatie vereist dat u een inhaalmanoeuvre snel beëindigt, kunt u voor korte tijd ook in de 2e versnelling tot 60 km/u en in de 3e versnelling tot 95 km/u accelereren. Natuurlijk kost dit met volgas accelereren opvallend meer benzine. Wie soepel en gelijkmatig, d.w.z. vlot rijdt, rijdt zuinig. Zeer snel, sportief rijden, vaak wisselen tussen volgas en remmen betekent vaker tanken nog afgezien van de hogere slijtage van banden en remvoeringen.
Bijzonder economisch rijdt u tussen:
10 en 35 km/u in de 2e versnelling 30 en 55 km/u in de 3e versnelling en 50 en 95 km/u in de 4e versnelling.
Laten we in verband hiermee ook eens over de koppeling spreken. Deze wordt tegenwoordig meer dan ooit belast. Een geroutineerde rijder laat de koppeling, zowel bij het wegrijden als bij het schakelen, zo weinig mogelijk slippen. Hij ontkoppelt bij het schakelen steeds helemaal, rijdt bij verkeersopstoppingen en in de stad niet met slippende koppeling, doch schakelt van te voren de juiste versnelling in en gebruikt het koppelingspedaal niet als „voetsteun“ voor de linker voet.
Volkswagens hebben uitstokende remmen welke resulteren in zeer korte remwegen. Denk er echter wel aan, dat de remweg veel sneller toeneemt als de snelheid en bij 100 km/u viermaal zo lang is als bij 50 km/u. Rem altijd op tijd en met govoel - geblokkeerde wieien verlengen de remweg.
Water vermindert de wrijvingscoëfficiënt van de remvoeringen. Vooral de remschijven van de schijfremmen kunnen bij het door water rijden - maar ook bij het wagenwassen - nat worden. Ze worden weliswaar bij het remmen door de wrijving van de remblokjes direct droog, desondanks treedt het volle remvermogen iets vertraagd in werking. Hierbij komt nog de verminderde grip van de banden bij nat weer. Daaraan kunnen ook wij niets veranderen. U kunt zich echter tegen gevaar beschermen door voldoende afstand te houden - speciaal bij regen en op gladde wegen. Veiligheid gaat tenslotte boven alles!
Dit wilden wij u als voorwaarden voor de juiste bediening van uw Volkswagen en als basis voor een goede rlijstijl op uw ritten meegeven.
Goede reis!
VW - Automatic *

Bij de bediening van de VW-Automatic hoeft u slechts weinig punten te kennen om de voordelen van de Automatic ten volle te kunnen benutten. Het is in uw in eigen belang, als u voor de eerste rit deze korte aanwijzingen zorgvuldig doorleest. De drie volgende hoofdregels dient u in acht nemen.
1 - Bij uw Wagen met VW-Automatic is tussen motor en versnellingsbak een koppelomvormer aangebracht, die bij het wegrijden en stoppen automatisch in- en uitkoppelt. Daar de koppelomvormer bij stationair draaiende motor niet geheel de overbenging van de aandrijfkracht onderbreekt, moet u de voet- of handrem gebruiken als u bij stilstaande wagen een versnelling in wilt schakelen. De wagen heeft de neiging zich langzaam in beweging te zelten. Deze kruipneiging is des te sterker, naarmate het stationaire toerental hoger of de ingeschakelde versnelling lager is.
2 - Tijdens het overschakelen moet de krachtoverbrenging onderbroken zijn. Dit gebeurt door een diafragmakoppeling, die automatisch in werking treedt, zodra u de versnellingshendel naar voren of achteren beweegt. Als u hem onder het rijden beetpakt en onopzettelijk beweegt, onlkoppelt de koppeling direct. Hierdoor loopt het toerental van de nu onbelaste motor sterk omhoog, waardoor bij het koppelen - zodra u de versnellingshendel loslaat - de diafragmakoppeling zwaar wordt belast.
3 - Denkt u er wel aan, dat u bij het overschakelen niet uit gewoonte „koppelt” en per abuis op het rempedaal trapt. Uw VW-Automatic heeft geen koppelingspedaal meer. Wel een belangrijk breder rempedaal, zodat u - b. v. bij het manoeuvreren - met de linker voet kunt remmen.
* meeruitvoering op verzoek voor VW 1500 en VW 1300
De versnellingen
Uw VW-Automatic heeft drie vooruit- en één achteruitversnelling. Deze zijn zo gekozen, dat u zeer snel zult aanvoelen de juiste versnelling — afhankelijk van de rijsituatie — te kiezen en te benutten.
De L-versnelling - wordt slechts zelden gebruikt, alleen op steile hellingen met volgepakte wagen of met aanhangwagen. Ook voor zeer langzaam rijden in moeilijk terrein wordt deze versnelling gebruikt. Het snelheidsbereik is van 0–55 km/uur.
De 1e versnelling voor stadsrijden en vlot accelereren heeft een snelheidsbereik van 0 tot ca 90 km/uur en wordt ook bij filerijden gebruikt en vooral, als het bij het inhalen op vlot accelereren aankomt.
De 2e versnelling voor normaalrijden wordt altijd op de grote weg gebruikt. Ook bij vlot stadsverkeer — bij naar verhouding lage snelheden dus — kunt u deze versnelling rustig kiezen.
De achteruit — R — schakelt u, zoals u altijd al gedaan heeft, alleen bij stilstaande wagen in. Daartoe moet u eerst door het indrukken van de versnellingshendel een beveiliging uitschakelen.
De versnellingshendel staat in de nulstand - N - altijd tussen de 1e en 2e versnelling, die u het meeste gebruikt. Om de L-versnel- ling of de achteruit in te kunnen schakelen, drukt u de hendel eerst naar links.
De motor kan alleen worden gestart, als de versnellingshendel in de nulstand - N - staat. Voor het overige gelden de op blz. 24 van deze handleiding gegeven aanwijzingen.

Voordat u een versnelling inschakelt, moet u het rempedaal iets intrappen of de handrem aantrekken. Het hoe en waarom weet u reeds. Normaal rijdt u in' de 1e versnelling op de volgende manier weg:
handrem aantrekken of voetrem iets intrappen,
versnellingshendel naar voren in stand 1 zetten en direct weer loslaten,
remmen loszetten en gasgeven.
Als u een rustige rijder bent — u spaart daarme benzine — raden wij u aan om bij ca. 30–40 km/uur de 2e versnelling in te schakelen. Dat gaat als volgt:
gas wegnemen,
versnellingshendel in stand 2 zetten en weer gasgeven.
In deze versnelling kunt u vrijwel met alle snelheden, tot stapvoets toe, rijden. De koppelomvormer past het motorkoppel traploos bij de rijssituatie aan.
Als u graag sportief rijdt en het volle acceleratievermogen van uw wagen wil benutten, kunt u zonder meer in de 1e versnelling tot 90 km/uur optrekken en dan pas naar de 2e versnelling overschakelen. Natuurlijk kost deze rijstijl meer benzine.
Stoppen
Gas wegnemen en rustig afremmen. Rempedaal iets ingetrapt houden of handrem aantrekken, anders zet de wagen zich langzaam in beweging. Om weg te kunnen rijden, hoeft u alleen gas te geven. Als de wagen niet te zwaar beladen is en u niet toevallig op een helling moest stoppen, kunt u meestal in de 2e versnelling wegrijden. In de 1e versnelling is de acceleratie natuurlijk beter.
Bergafwaarts
Als u op de motor wilt afremmen, moet, net als bij een conventionele versnellingsbak, naar een lagere versnelling worden teruggeschakeld.
Parkeren
Bij het parkeren moet u er aan denken, dat u de achterwielen niet door het inschakelen van een versnelling kunt blokkeren. Bij het parkeren moet u altijd de handrem aantrekken.
Manoeuvreren
Bij het manoeuvreren kunt u het beste de L-versnelling en de achteruit gebruiken. Denkt u er wel aan, dat de achteruit alleen bij stilstaande wagen en stationair draaiende motor mag worden ingeschakeld?
Temperatuurcontrolelampje in sneldheidsmeter
Als u gedurende lange tijd onder ongunstige omstandigheden in een langzaam rijdende file moet meerrijden, b.v. met caravan tegen een berghelling, kan het rode controle-lampje in de snelheidsmeter gaan branden (zie ook blz. 12). Dit betekent, dat de temperatuur van de olie in de omvormer sterk opgelopen is. Teneinde deze olie weer te koelen, moet u eerst van de 2e naar de 1e versnelling terugschakelen. Het lampje gaat dan uit. Gaat het weer opnieuw branden, dan schakelt u de L-versnelling in, waarin met zekerheid de olie voldoende gekoeld wordt.
Aanhangwagen en slepen
Dit is bij de VW-Automatic onbeperkt mogelijk. Maar met deze extra belasting moet men tijdig terugschakelen, zomogelijk alleen in de L-versnelling wegrijden en ook bij hellingen tijdig terugschakelen.
Aanslepen
Als de motor van uw VW-Automatic eens niet wil starten, kunt u de wagen met een snelheid van ca. 25 km/uur aanslepen. Daartoe de L-versnelling Inschakelen. Aanduwen is niet mogelijk, daar de koppelomvormer bij lage toerentallen vrijwel geen krachten overbrengt.
Een vrijhangende 8 ampère-zekering, die het regelventiel van de Automatic extra beveiligt, bevindt zich in de motorruimte bij het ventilatorhuis naast de bobine. Als deze zekering is doorgebrand, kunnen de versnellingen niet meer worden ingeschakeld.
Geef uw Volkswagen een persoonlijk tintje— met beproefde Volkswagen-accessoires.
Beproefde Volkswagen-accessoires zijn niet de eerste de beste. Ze zijn of speciaal voor de Volkswagen ontwikkeld of uit de grote hoeveelheid aanbiedingen gekozen.
Ze werden in de Volkswagenfabriek grondig gecontroleerd en getest. Het handelsmerk „Beproefde Accessoires“ garandeert u uitstekend materiaal, prima afwerking en betrouwbaarheid.
Uw VW-werkplaats levert beproefde accessoires. Daar worden ze vakkundig gemonteerd. Vele accessoires kunt u echter zelf aan uw auto bevestigen.

Approved Accessories Accessoires Agréés Accessori Approvati Accesorios Aprobados Utprovade Tillbehör Acessórios Aprovados Beproefde Accessoires
's Winters
In de winter zult u vooral de luchtkoeling en verwarming van uw wagen leren waarderen. U kunt hem gerust aan ijzige koude blootstellen! De luchtgekoelde motor is altijd startklaar en zorgt snel voor een gelijkmatige verwarming van het interieur.
Probeer echter in geen geval de koeling, en daarmee de verwarming van de wagen, door het afdekken van de luchtspleten onder de achterruit te beïnvloeden. De luchtspleten moeten in ieder geval vrij blijven, zodat de toevoer van lucht voor carburateur en koeling niet wordt verstoord.
Banden met afgereden profiel leveren vooral in de winter gevaar. Zorg daarom tijdig voor vervanging!
Bijzonder sterk geprofileerd, met een goede wegligging in modder en sneeuw, zijn de z.g. M+S-banden. Deze banden kunnen op alle vier wielen worden gemonteerd, doch in geen geval alleen op de voorwielen.
Nog beter zijn M+S-ijsbanden, waardoor de veiligheid bij sneeuw en ijs aanmerkelijk wordt verhoogd. M+S-ijsbanden moeten altijd op alle vier wielen worden gemonteerd. De toelaatbare maximum snelheid voor M+S-ijsbanden bedraagt 130 km/u.
Ook bij het monteren van winterbanden moet de voorgeschreven karkassterkte worden aangehouden. Let daarom bij het kopen van winterbanden altijd op de PR-indicatie aan de zijkant van de band.
De specifieke eigenschappen van winterbanden worden verbeterd, als de bandespanning 0,2 atm. hoger dan de geldige bandespanning voor normale banden wordt genomen. Deze 0,2 atm. zijn inclusief de verhoogde bandespanning voor het rijden op autowegen. Nieuwe M+S-ijsbanden moeten eerst bij lage snelheiden worden ingereden, opdat de spikes zich goed kunnen zetten.
Over het algemeen geldt: winterbanden hebben alleen voordeel, wanneer de toestand van de wegen echt „winters” is. Met het oog op de veiligheid is het aan te bevelen met winterbanden — van welke soort dan ook — de maximum snelheid van de wagen niet geheel te benutten. Ook op droge en natte wegen zonder sneeuw kan van winterbanden niet dezelfde grip worden verwacht als van normale banden. Bovendien treedt onder deze omstandigheden, vooral bij hogere snelheden, een aanzienlijk snellere slijtage op. Winterbanden verliezen grotendeels hun wintereigenschappen, als het profiel tot op 4 mm is afgesleten.
Radiaalbanden zijn ook waardevol in de winter. Als er geen extreme wintercondities heersen kunnen deze banden meestal M+S-banden vervangen. M+S- en M+S-ijsbanden met radiaalkarkas bezitten daarentegen optimale wintereigenschappen. Uit veiligheidsoverwegingen geldt ook voor deze banden een maximum snelheid van 130 km/u. De voor normale winterbanden aanbevolen verhoging van de bandespanning met 0,2 atm. is ook geldig voor winter-radiaalbanden.
Sneeuwkettingen kunnen alleen op de achterwielen worden gebruikt. Er mogen slechts kettingen worden gemonteerd met dunne schakels die, met inbegrip van het kettingslot, het loopvlak en de binnenkant van de banden niet meer dan 15 mm dikker mogen maken. Bij het rijden over lange sneeuwvrije trajecten moeten de sneeuwkettingen er worden afgenomen. Dan hebben ze geen nut, beschadigen de banden en gaan snel kapot.
De motorolie van de viscositeitsklasse SAE 30 wordt bij temperaturen onder het vriespunt zo dikvloeibaar, dat daardoor het starten van de motor wordt bemoeilijkt. Zodra op temperaturen onder het vriespunt moet worden gerekend, dient u tijdig bij een olieverversing dunvloeibare olie te gebruiken. Nadere bijzonderheden over de te gebruiken viscositeitsklasse vindt u op bladzijde 47.
Wanneer u uw Volkswagen in de winter voornamelijk op korte trajecten en in het stadsverkeer gebruikt, raden wij u aan de olie bij uitzondering elke 2500 km te verversen. Rijdt u echter onder deze omstandigheden slechts enkele honderden kilometers per maand, dan verdient het aanbeveling de olie iedere 6 tot 8 weken te laten verversen. Voor de rest van het jaar zijn deze maatregelen overbodig en oneconomisch. In landen met polair klimaat, dus bij temperaturen onder -25 °C, moet de olie elke 1250 km worden ververst.
De olie voor de versnellingsbak SAE 90 kan in het algemeen het hele jaar door worden gebruikt. Alleen in landen met polair klimaat is het noodzakelijk de dunnere versnellingsbakolie SAE 80 te gebruiken. Bij lang aanhoudende temperaturen onder -25°C is het raadzaam de versnellingsbak met ATF (Automatic Transmission Fluid) te vullen, waarmee echter uitsluitend gedurende de koudeperiode mag worden gereden. Zodra de temperatuur weer tot het vriespunt is opgelopen, moet de ATF door versnellingsbakolie SAE 80 of 90 worden vervangen.
De accu heeft niet alleen een lagere capaciteit bij dalende buitentemperatuur, maar wordt vooral in het koude jaargetijde extra zwaar belast. Nog afgezien van het hogere stroomverbruik bij het starten en het vaker gebruiken van de verlichting, worden juist in de winter vaak elektrische accessoires, die veel stroom gebruiken, ingeschakeld — bijvoorbeeld verwarmde ruiten of extra verwarmingen. Een zeer koude accu, welke bovendien niet goed geladen is, heeft tenslotte nog slechts een fractie van de startcapaciteit van een accu bij normale temperatuur.
Wanneer u de wagen voornamelijk op korte trajecten of in stadsverkeer gebruikt, raden wij u aan de accu af en toe een keer extra te laten opladen. Nadere aanwijzingen staan op bladzijde 45.
De bougies mogen vooral in de winter geen te grote elektrodenafstand hebben. Deze moet normaal 0,7 mm bedragen. Bij strenge koude kan men deze echter tijdelijk op
0,5 mm brengen om het aanslaan van de motor te vergemakkelijken.
Aan het chassis worden in de winter bijzonder hoge eisen gesteld. In steeds sterkere mate worden voor het ontdooien van de wegen chemicaliën gebruikt, waartegen zelfs een zeer sterke laklaag op den duur niet bestand is. Daarom wordt de onderzijde van uw Volkswagen door een paraffinelaag extra tegen weersinvloeden beschermd. Het verdient aanbeveling deze beschermlaag vóór het begin van de winter te laten controleren en door bijspuiten aan te laten vullen, teneinde de volle bescherming te behouden. Oliebevattende antiroest-middelen mogen niet op deze paraffinelaag worden aangebracht.
Portiersloten kunnen bevriezen, wanneer bijvoorbeeld bij het wassen water in de slot-cilinder is geraakt. De waterstraal mag daarom nooit direct op het slot worden gericht. Nog beter is het, het sleutelgat van te voren af te dekken.
Een bevroren portierslot kan zonder moeilijkheden — ook bij strenge vorst — met behulp van de portierslot-ontdooier uit het VW-onderhoudsmiddelen-sortiment worden ontdooid. Dit middel bevat conserverende bestanddelen, zodat ook bij vaak gebruik de slotcilinder niet wordt aangetast. Ook voor lak is het onschadelijk.
Plasticfles portierslot-ontdooier (100 cm³) . . . . . . . . . 000 096 106 Portierslot-ontdooier-spray (16 cm³ - zakformaat) . . . 000 096 107 Voorraadfles voor 000 096 107 (300 cm³) . . . . . . . . . 000 096 108
Met ijs bedekte ruiten worden met onze ontdocier-spray besproeid. Na korte tijd te hebben ingewerkt, kan ook de dikste ijslaag zonder moeite worden afgeveegd. Ontdocier-spray (300 cm³) . . 000 096 109
Het is zeer praktisch om 's winters een schop met korte steel — voor het uitgraven —, een handstoffer — om sneeuw van de wagen te vegen — en een plastic krabber — om ijs van de ruiten te krabben — in de wagen te hebben.
Onderhoud van de Wagen
Fraai van glans, enorm weersbestendig, zeer slagvast en zodoende van lange levensduur zijn de opvallende eigenschappen die de lak van uw wagen bezit.
Maar ook de beste lak heeft een regelmatig en deskundig onderhoud nodig, om er na jaren nog goed uit te zien. Dit zal u duidelijk zijn, als u bedenkt aan welke invloeden de lak wordt blootgesteld:
fel zonlicht, stromende regen, industriestof, roet en vuil werken in een nimmer eindigende afwisseling op de lak in. 's Winters worden alle delen aan de buitenzijde van de wagen door extreme weersinvloeden en agressieve zoutoplossingen nog sterker aangetast. Daarom raden wij u aan de wagen in deze periode met iets kortere tussenpozen als gewoonlijk schoon te maken en le onderhouden.
ledere VW-werkplaats heeft alle middelen voor het onderhoud van uw Volkswagen in voorraad. Deze onderhoudsmiddelen werden door ons getest en speciaal voor de Volkswagen uitgekozen. De bestelnummers vindt u bij de onderhoudsaanwijzingen.
Wassen
In de eerste twee maanden:
wagen vaak met schoon water van boven naar beneden afwassen.
Spons vaak en grondig uitspoelen, om krassen op de lak te vermijden.
Later:
wagen wassen, als hij vuil is.
Als het vuil met schoon water niet kan worden opgelost, „was-shampoo” aan het water toevoegen en met spons of zachte borstel aanbrengen.
Daarna wagen grondig met water afspoelen en afzemen.
Bus was-shampoo
(150 cm³) 000 096 111
Bus was-shampoo
(250 cm³) 000 096 112
Spons 000 096 151
Zeem. . . . . . . . . . 000 096 155
Auto-wasborstel . . . . . . 000 096 157
Washandschoen . . . . . . 000 096 153
Conserveren
Voor de eerste keer na 8 tot 10 weken. Later alleen, als het water op de lak geen afzonderlijke druppels, maar natte vlekken vormt. Of na het wagenwassen „lakconserveringsmiddel” aanbrengen en glanzend wrijven of eenvoudig regelmatig „wasconserveringsmiddel” aan het tweede spoelwater toevoegen. Dan de wagen hiermee afspoelen en droogzemen.
Bus lakconserveringsmiddel
(250 cm³) 000 096 011
Bus lakconserveringsmiddel
(1000 cm³) . . . . . . . 000 096 012
Bus wasconserveringsmiddel
(150 cm³) 000 096 121
Bus wasconserveringsmiddel
(250 cm³) 000 096 122
Polijsten
Alleen, als de lak dof is geworden en een behandeling met een conserveringsmiddel geen glans meer oplevert. Na de behandeling met „lakpolijstmiddel" de wagen conserveren.
Bij het polijsten met „lakonderhoudsmiddel" is het conserveren overbodig.
Bus lakpolijstmiddel
(250 cm³) 000 096 001
Bus lakpolijstmiddel
(100 cm³) 000 096 002
Tube lakonderhoudsmiddel
(210 g) 000 096 021
Zak polijstwatten
(200 g) . . . . . . . . . 000 096 161
Zak polijstwatten
(500 g) 000 096 162
Lakbeschadigingen bijwerken
Kleine lakbeschadigingen, zoals krassen, schrammen of steenslagplekjes direct met de originele VW-lakstift of lakspray bijwerken, voordat roest kan ontstaan. Een plakplaatje in de ruimte voor het reservewiel vermeldt de naam en codering van de originele wagenlak.
Industriestof verwijderen
Indien noodzakelijk, de lak zo snel mogelijk met „industriestofverwijderingsmiddel“ behandelen.
„Industriestofverwijderingsmiddel" moet na het inwerken grondig worden afgespoeld!
Vooral op naden en felsranden enz. letten. Fles industriestofverwijderingsmiddel
(500 cm³) 000 096 091
Teervlekken verwijderen
Indien noodzakelijk, de lak zo snel mogelijk met „teerverwijderingsmiddel“ behandelen. Na de behandeling resten van het verwijderingsmiddel met een wasmiddeloplossing (water en was-shampoo) afspoelen.
Bus teerverwijderingsmiddel
(150 cm³) 000 096 051
Bus teerverwijderingsmiddel
(250 cm³) 000 096 052
Insektenresten verwijderen
Opgedroogde insekten met „insektenverwijderingsmiddel" oplossen.
Behandelde lakplekken wassen. Vuile voorruit met „insektenspons“ bewerken.
Tube insektenverwijderingsmiddel
(80 g) 000 096 081
Insektenspons 000 096 083
Verchroomde onderdelen onderhouden
Voor iedere behandeling met onderhoudsmiddelen moeten de verchroomde delen beslist afgewassen en volkomen droog zijn. Vlekken en aanslag met „chroompolijstmiddel“ wegwrijven. „Chroombeschermingsmiddel“ bevat een conserveringsmiddel: het maakt schoon en beschermt dus tegelijkertijd het chroom voor verdere weersinvloeden.
„Chroombeschermingsmiddel vloeibaar“ wordt gebruikt, als het chroom voor een langere tijd tegen corrosie moet worden beschermd. Indien mogelijk met spuitpistool aanbrengen. Het „deconserveringsmiddel voor chroombeschermingsmiddel“ verwijdert deze beschermende laag zonder enige moeite.
Tube chroompolijstmiddel
(80 g) . . . . . . . . . . 000 096 061
Tube chroombeschermingsmiddel
(80 g) . . . . . . . . . 000 096 067
Bus chroombeschermingsmiddel
(500 cm³) 000 096 163
Bus deconserveringsmiddel voor chroombeschermingsmiddel
(500 cm ^3 ) 000 096 167
Kunstleer schoonmaken
Als het niet al te vuil is met zachte doek of borstel schoonmaken.
Bij erge vervuiling van luchtdoorlatend kunstleer „kunststof- en textielschoonmaakmiddel vloeibaar” met absorberende kleurloze doek aanbrengen. Behandelde plekken na het schoonmaken met een zachte doek droogwrijven. Niet luchtdoorlatend kunstleer kan met „kunststofschoonmaakpasta” worden schoongemaakt.
Kunststofschoonmaakpasta
(200 g) 000 096 071
Kunststof- en textielschoonmaak-
middel vloeibaar (500 cm ^3 ) . . 000 096 072
Textielbekleding schoonmaken
Met stofzuiger bewerken of met een niet te zachte borstel afborstelen. Vlekken of sterke vervuilingen kunnen met „kunststofen textielschoonmaakmiddel vloeibaar" worden verwijderd:
hierbij een schone kleurloze lap met het schoonmaakmiddel bevochtigen en de vlek, door cirkelvormig van buiten naar binnen te wrijven, oplossen.
Kunststof- en textielschoon-
maakmiddel vloeibaar (500 cm³) 000 096 072
De cabrioletkap vereist geen speciaal onderhoud. Het is wel belangrijk, dat de kunststofbekleding tijdig en regelmatig wordt schoongemaakt. Erge vervuilingen kunt u het beste met onze kunststofschoonmaakmiddelen verwijderen. Verdunner, chloorhoudend vlekkenwater of soortgelijke middelen zijn hiervoor ongeschikt, omdat deze het kunststofmateriaal aantasten.
De kapscharnieren kunnen indien nodig — nadat stof en vuil zijn verwijderd — met een paar druppels olie worden gesmeerd. Het is aan te bevelen de scharnieren vervolgens zorgvuldig af te vegen, om vervuilen van de kap door oliedruppels te voorkomen.
Door insmeren met talkpoeder of glycerine kunnen bij de cabriolet eventueel schurende geluiden tussen zijruitsponningen en ruitrubbers worden verholpen.
Ruiten schoonmaken
Normaal met spons en lauwwarm water schoonmaken. Vervolgens met een zeem afdrogen. Deze zeem niet voor de carrosserie van de wagen gebruiken, omdat resten van conserverings- en polijstmiddelen het zicht door de voorruit kunnen belemmeren. Belemmering van het uitzicht door insektenresten met „insektenspons“, rubber- of olieresten met „ruitenschoonmaakmiddel“ verwijderen.
Fles ruitenschoonmaakmiddel
(200 cm³) 000 096 105
Kussentje ruitenschoonmaakmiddel
(35 cm ^3 ). 000 096 101
Insektenspons 000 096 083
Anti-condensdoek ..... 000 096 196
Voor het aanbrengen van vloeibare onderhouds- en schoonmaakmiddelen is spuitpistool 000 096 064 een waardevol hulpmiddel!
Ruitewisserbladen
Door olie of insekten plakkerig geworden wisserbladen met een harde borstel en een wasmiddeloplossing schoonmaken.
Afhankelijk van de staat waarin zij verkeren, de wisrubbers één tot twee maal per jaar door nieuwe vervangen.
Rubbers moeten soepel en onbeschadigd blijven. Daarom moeten ze af en toe dun met glycerine of talkpoeder worden ingewreven.
Ventilatie van de wagen
Als de wagen geruime tijd in een gesloten garage staat, is het aan te bevelen voor een regelmatige ventilatie van garage en wageninterieur zorg te dragen, opdat geen schimmel en weervlekken onstaan.
De stoelen
Wanneer de stoelen moeilijk kunnen worden verschoven, moet de boven- en onderkant van de rails dun worden ingevet. Daartoe kunnen de stoelen worden uitgebouwd door ze naar voren van de rails af te schuiven. Hierbij moet de aanslagveer aan de rechter stoelrail met een schroevedraaier worden omlaaggedrukt. Bij het erin zetten van de stoelen moet de veer weer worden ingehaakt.
De banden
Wie behalve het regelmatig controleren van de bandespanning en een bandensparende rijstijl nog meer voor het onderhoud van de banden wil doen, neme de volgende regels ter harte:
1 banden van tijd tot tijd op beschadigingen en binnengedrongen vreemde deeltjes controleren,
2 banden niet in aanraking laten komen met benzine en olie,
3 banden, indien mogelijk, niet gedurende lange tijd in de felle zon laten staan,
4 verloren stofdopjes op ventielen direct vervangen.
Een band moet worden vernieuwd, als de diepte van het profiel, gemeten over de gehele omtrek en over de volle breedte van het loopvlak, nog slechts 1 mm bedraagt, daar dan de grens van de verkeersveiligheid is bereikt. Wij raden u echter dringend aan de banden niet zo ver te laten verslijten, omdat zulke banden bij nat weer en hoge snelheden niet meer de vereiste grip op de weg hebben. Wordt een ongelijkmatige slijtage van de banden waargenomen, dan dient u direct een VW-werkplaats te raadplegen.
Vooral bij hoge snelheden is het van belang dat de wielen statisch en dynamisch zijn uitgebalanceerd, omdat dit van invloed is op de wegligging van de wagen en de levensduur van de banden. Aangezien na enige tijd, ten gevolge van normale slijtage, verplaatsing van de ongelijke gewichtsverdeling kan optreden, dient het uitbalanceren elke 10.000 km te worden herhaald. Deze aanbeveling geldt ook, wanneer een band door een defect ventiel is leeggelopen. Wie radiaalbanden heeft gekozen, stelt de positieve eigenschappen van deze bandes- soort op prijs, die vooral in een langere levensduur, betere grip, betere wegligging in de bocht en een lagere rolweerstand tot uit- drukking komen. Hij zal op de koop toe nemen, dat radiaalbanden bij langzaam rijden minder zacht rollen en daarom op klinkerbestrating — afhankelijk van de soort bestrating — min of meer kunnen dreunen.
Tubeless radiaalbanden mogen op Volkswagens alleen samen met de door de fabriek geleverde veiligheidsvelgen (zogenaamde „hump“-velgen) worden gebruikt. Als een velg wordt vervangen moet hier extra op worden gelet! In geval van twijfel kan uw VW-werkplaats u hierover raad geven.
Juiste en gelijkmatige bandespanningen op één as zijn voor een veilige wegligging met radiaalbanden van groot belang. Let daarom op de voor radiaalbanden aanbevolen bandespanningen in de tabel op bladzijde 56 van deze handleiding en laat de bandespanning regelmatig controleren. Onze aanwijzingen voor het juiste onderhoud van banden gelden overigens zonder uitzondering ook voor radiaalbanden.

Originele VW-onderdelen
zijn de enig juiste voor uw Volkswagen. Alleen dan bent u zeker van een grote maatnauwkeurigheid, uitstekend materiaal en een goede werking. Ieder onderdeel van uw Volkswagen is als origineel VW-onderdeel leverbaar. Natuurlijk in dezelfde kwaliteit als hetzelfde onderdeel bij een nieuwe Volkswagen.
Daarom gelden voor originele VW-onderdelen dezelfde garantiebepalingen als voor nieuwe Volkswagen. Iedere VW-dealer heeft originele VW-onderdelen in voorraad en bouwt deze vakkundig in.

VW-ruilaggregaten
zijn, evenals originele VW-onderdelen, volwaardige onderdelen voor uw Volkswagen. Ook hiervoor gelden dezelfde garantiebepalingen als voor originele VW-onderdelen. En ze zijn ook weer bij iedere VW-dealer verkrijgbaar met als enig verschil: de prijs. VW-ruilaggregaten zijn goedkoper dan nieuwe VW-onderdelen, maar kwalitatief gelijkwaardig. Ze worden alleen niet nieuw angemaakt, maar in de Volkswagenfabriek volledig gereviseerd. Daarom moet, als u een dergelijk ruilaggregaat wilt hebben, het oude, te reviseren, aggregaat worden ingeleverd.
Wendt u met al uw reparatieproblemen tot uw VW-dealer. Deze geeft u altijd goede raad en uw wagen is daar in vertrouwde handen.
Tips om het zelf te doen
Voor het geval, dat u eens verplicht bent een kleine storing of wat pech zelf op te heffen, hebben we voor u op de volgende bladzijden die werkzaamheden beschreven, die u in geval van nood zelf kunt uitvoeren.
Bij alle overige werkzaamheden richt u zich a.u.b. altijd tot onze VW-werkplaatsen. De Service-organisatie van de Volkswagenfabriek beschikt over een wijd vertakt net van erkende werkplaatsen met geschoolde en ervaren vaklieden met alle noodzakelijke speciale gereedschappen en apparatuur. Overal, waar u onderweg het vertrouwde VW-bord ziel, krijgt u vakkundige raad en vindt u snelle en effectieve hulp.

Het verwisselen van een wiel
Voordat het reservewiel helemaal eruit wordt getild, moet eerst het rultesproeiertankje worden weggenomen. Bij het eruit drukken van de beide wiggen, waarmee het rultesproeiertankje aan het reservewiel is bevestigd, zet u het beste het reservewiel op het voorpantser.
Handrem goed aantrekken.
Wieldop met trekhaak en kriksteel verwijderen. De trekhaak wordt daarbij in de gaatjes van de wieldoprand gestoken en de kriksteel tegen de velgrand gesteund.
Alle wielbouten met pijpsleutel en kriksteel ongeveer één slag losdraaien.
Krik in de vierkante buis onder de treeplank steken en met de hand naar beneden drukken tot de voet op de grond staat.

Kriksteel in het bovenste gewricht (A) van de krik steken en de wagen opkrikken, tot het wiel vrij van de grond is.
Wielbouten eruit draaien en wiel eraf nemen. Wagen zonodig zo ver opkrikken of laten zakken, tot een boutgat van het reservewiel vrijwel tegenover een draadgat in de naaf staat.
Eerst één wielbout erin zetten en deze zover aandraaien, dat het wiel nog met de hand om dit punt kan worden bewogen. Wagen nog iets verder opkrikken en wiel zo draaien,

dat de overige bouten erin kunnen worden gezet. Wielbouten eerst met de pijpsleutel, zonder de kriksteel, handvast draaien. Hierbij het wiel licht heen en weer bewegen, zodat het wiel door de bolvorm van de boutkoppen goed tegen de wielnaaf, resp. de remtrommel wordt gecentreerd.
Kriksteel in het onderste gewricht (B) van de krik steken en de wagen laten zakken. Kriksteel zo in de pijpsleutel steken, dat de langste hefboom onstaat - zie foto - en wielbouten kruiselings vastzetten.

Sierring - indien aanwezig - op velg leggen en wieldop met een krachtige slag op de rand aanbrengen.
Laat a. u. b. na het verwisselen van een wiel indien mogelijk direct het juist vastzitten van alle wielbouten met een draaimomentsleutel controleren! Het aantrekmoment moet 15 mkg bedragen.
Vergeet ook niet de luchtdruk van het zo- juist gemonteerde reservewiel volgens de tabel op bladzijde 56 te laten corrigeren en laat de beschadigde band zo snel mogelijk repareren.

De ventilatorriem is juist gespannen, als deze ongeveer 1,5 cm kan worden ingedrukt. Het is even verkeerd met een te strak, als met een te slap gespannen riem te rijden. Een nieuwe riem rekt in het begin en moet daarom na ongeveer 1000 km gecontroleerd en eventueel gespannen worden. Ondanks de lange levensduur van de ventilatorriem moet in de wagen steeds een reserveriem aanwezig zijn.
Voor het spannen van de ventilatorriem dienen de moer en de achterste helft van de dynamopoelie te worden weggenomen. Bij het los- en vastdraaien van de moer moet een schroevedraaier in de uitsparing van de voorste poeliehelft gestoken en tegen de bovenste bout van de dynamo gesteund worden. Voor het vervangen van de ventilatorriem moet bovendien de dekplaat van de krukaspoelie, na het eruit draaien van de drie bevestigingsschroeven, worden wegge-
nomen. De voorgeschreven ventilatorriemspanning wordt door het tussenvoegen, resp. wegnemen van afstandsringen tussen de beide dynamopoeliehelften afgesteld.
Door wegnemen wordt de spanning verhoogd, door tussenvoegen verminderd.
Filter in benzinepomp schoonmaken
Afsluitschroef eruit draaien, filter eruit nemen en afsluitschroef direct er weer indraaien, zodat er geen benzine wegstroomt.
Filter in schone benzine schoonmaken en droogblazen.
Bij het inbouwen van het filter op goedzitten van de fiberring van de afsluitschroef letten.
Bougies uit- en inbouwen
Bougiestekers eraf trekken.
Bougies met pijpsleutel en kriksteel eruit draaien.
Vuile bougies moeten met de zandstraal worden schoongemaakt. In noodgevallen kunnen de verbrandingsresten ook met een houtspaantje van isolatielichaam en elektroden worden verwijderd. A.u.b. geen zogenaamde bougieborstel gebruiken. De bougies moeten ook aan de buitenkant schoon en droog zijn, om kortsluiting en lekstromen te vermijden. De elektrodenafstand wordt, indien nodig, door buigen van de massa-elektrode afgesteld en moet 0,7 mm bedragen. Alleen bij strenge koude kunt u tijdelijk de elektrodenafstand op 0,5 mm brengen, om het aanslaan van de motor te vergemakkelijken.
Bougies recht erin plaatsen en vast, maar niet met geweld aandraaien.
Wij raden u aan de bougies na elke 20 000 km te vernieuwen.

a - 1044 mm
b - hoogte vanaf de grond tot het middelpunt der
koplampen
c - 50 mm
(bij 5 m afstand van het stelbord)
Koplampen afstellen
Wanneer u niet de beschikking heeft over test- of afstelapparatuur voor de koplampen, kan als volgt worden gehandeld:
De wagen moet horizontaal 5 meter voor een muur staan, terwijl de banden de voorge-schreven spanning moeten hebben.
De achterbank moet met één persoon of een gewicht van 70 kg worden belast.
Voor het juist afstellen worden volgens bovenstaande tekening twee kruizen op de muur getekend. De lengteas van de wagen moet met de muur, midden tussen de beide kruizen, een rechte hoek maken.
De koplampen ieder afzonderlijk door middel van de schroeven in de koplamprand bij dimlicht afstellen. De tweede koplamp daarbij afdekken.
De koplampen zijn juist afgesteld, wanneer de licht-donkergrens links van de stelkruizen horizontaal met de stellijn loopt en vanaf het midden van het kruis schuin naar boven gaat.
A - zijdelingse afstelling
B - hoogte-afstelling

| Lampentabellampje voor | 12 volts-installatie | 6 volts-installatie | ||
| aanduiding vol-gens DIN 72601 | onderdeel-nummer | aanduiding vol-gens DIN 72601 | onderdeel-nummer | |
| groot- en dimlicht (duplolamp) | A 12 V 45/40 W | N 17 705 3 | A 6 V 45/40 W | N 17 705 1 |
| stadslicht | HL 12 V 4 W | N 17 717 2 | HL 6 V 4 W | N 17 717 1 |
| stop- en achterlicht | SL 12 V 21/5 W | N 17 738 2 | SL 6 V 21/5 W | N 17 738 1 |
| achteruitrijlampen | 12 V 25 W | N 17 733 2 | — | — |
| kentekenlicht | G 12 V 10 W | N 17 719 2 | G 6 V 10 W | N 17 719 1 |
| controlelampjesin snelheidsmeter | J 12 V 2 W | N 17 722 2 | J 6 V 1,2 W | N 17 722 1 |
| overige controlelampjes | W 12 V 1,2 W | N 17 751 2 | W 6 V 1,2 W | N 17 751 1 |
| binnenlicht | K 12 V 10 W | N 17 723 2 | K 6 V 10 W | N 17 723 1 |
| knipperlichten voor en achter | RL 12 V 21 W | N 17 732 2 | RL 6 V 21 W | N 17 732 1 |
V = volt, W = watt
Lampjes vervangen
Lampje in koplamp
Schroef onder in het midden van de kop- lamprand losdraaien en koplamp eruit nemen.
Steker van lampvoet trekken
Sluitkap naar links draaion en oraf nemen.

Lampje vervangen. De nok van de lampring moet in de uitsparing van de reflector vallen. De glazen peer niet met de vingers aanraken!
Sluitkap zo monteren, dat de contactstrip tegen de voet van het stadslichtlampje drukt.
Afstelling koplampen controleren.

Lampje van voorste knipperlicht
Kruiskopschroef losdraaien.
Huis en kap van knipperlicht eraf nemen.
Lampje licht in de fitting drukken, draaien en eruit nemen.
Nieuw lampje erin zetten.
Bij het monteren op een juiste plaatsing van de afdichting letten.

Lampje van achterste knipperlicht, stop- en achterlicht of achterultrijlamp *
Drie kruiskopschroeven zover losdraaien, dat de plastickap er kan worden afgenomen. Lampje licht in de fitting drukken, draaien en eruit nemen:
boven - knipperlichtlampje.
midden - stop- en achterlichtlampje, onder - achteruitrijlampje.
Bij het monteren van het stop- en achterlichtlampje moet de dichtst bij de glazen bol gelegen nok naar boven wijzen. De kruiskopschroeven van de plastickap gelijkmatig en niet te vast aandraaien.
* meeruitvoering op verzoek

Lampje van kentekenlicht
Achterdeksel openen.
Kruiskopschroeven links en rechts van de plastickap losdraaien en kap met fitting eruit nemen.
Fitting uit de kap trekken.
Lampje licht in de fitting drukken, draaien en eruit nemen.
Nieuw lampje erin zetten.
Bij montage op een juiste plaatsing van het doorvoerrubber voor de kabel letten.
Zekeringen vervangen
De zekeringendoos, met doorzichtig deksel, bevindt zich onder het dashboard naast de stuurkolom.
Twee extra zekeringen zijn in de motorruimte op het ventilatorhuis aangebracht.
De 8 ampére zekering in de zekeringhouder boven de dynamo beveiligt de achteruit-rijlampen.
De tweede 8 ampère zekering naast de bobine is voor het regelventiel van de VW-Automatic bestemd. Als deze zekering doorbrandt, kunnen de versnellingen niet meer worden ingeschakeld.
Na het doorbranden van een zekering is het niet voldoende deze door een nieuwe te vervangen. Eerst moet de oorzaak van de kort-sluiting, resp. overbelasting worden vastgesteld. In geen geval mogen met zilverpapier of op andere wijze voorlopig herstelde zekeringen worden gebruikt, omdat hierdoor ernstige beschadigingen op andere plaatsen van de elektrische installatie kunnen optreden. Het is daarom raadzaam steeds enige reserve 8 ampère zekeringen mee te nemen.

* voor de stroomkabel van de achterruitverwarming bevindt zich onder de achterbank een vrijhangende 8 ampère zekering.

Van de goede toestand van de accu hangt het vlotte starten van de motor af. De accu moet daarom regelmatig gecontroleerd en zorgvuldig behandeld worden.
Het accudeksel kan, na optillen van de achterbank en losmaken van de spanband, er worden afgenomen.
Accu's met een witte plastic bak, hebben geen spanband, maar zijn met twee klemstukken aan de bodemplaat bevestigd.
Om het peil van het accuzuur te kunnen controleren, moeten eerst de doppen eruit worden gedraaid. Het zuur moet altijd iets boven de platen van de accu staan. Het zuurpeil moet precies met het merkteken overeenkomen. Afhankelijk van de bouwwijze moet het zuur net boven de bovenkant van het inzetplaatje of de brug boven de platen staan. Bij een te laag zuurpeil met gedestilleerd water bijvullen.
Het zuurpeil zakt bij het laden van de accu vooral door de chemische ontleding van het water, waarmee het zuur is verdund — en minder door verdamping. Hoe vaak moet worden bijgevuld, hangt voornamelijk van de rijcondities, indirect echter ook van het jaargetijde af. Wie overwegend overdag lange afstanden rijdt, dus zonder licht en zelden de startmotor gebruikt, moet veel vaker water bijvullen dan iemand, die niet onder deze condities rijdt. In het algemeen valt hieruit af te leiden, dat men in de zomer vaker het zuurpeil moet nakijken dan in de winter. VW-rijders in z. g. „warme landen“, die veel rijden, zouden wij willen aanraden minstens eenmaal per week het zuurpeil van de accu te controleren.
Niet meer bijvullen als noodzakelijk - bij een te hoog zuurpeil kan het zuur tijdens het gebruik overlopen en schade veroorzaken.
De polen en aansluitklemmen moeten worden schoongehouden en met accupoolvet zijn ingevet. Let ook op een goede elektrische verbinding van de massastrip met de carrosserie.
Als u de wagen lange tijd niet gebruikt, kunt u het beste de accu voor onderhoud en opslag bij een VW-werkplaats afgeven. Accu's, die niet worden gebruikt, ontladen zichzelf waardoor een blijvende schade aan de platen kan ontstaan als de accu niet tijdig — ca. éénmaal per maand — gecontroleerd en zonodig opgeladen wordt.
Voorzichtig!
Accupolen nooit kortsluiten!
Door kortsluiting wordt de accu zeer heet en kan barsten. Bovendien kan door vonken het gedurende het laden onstane knalgas worden onstoken.

De sleepkabel kan voor of achter aan een bumperstreun worden aangebracht, onder voorwaarde, dat geen ontoelaatbare trekkrachten worden uitgeoefend en geen rukkende belasting optreedt. Bij slepen over niet bestrate wegen bestaat altijd het gevaar, dat de bevestigingsdelen aan de carrosserie overbelast en zodoende beschadigd worden.
De bestuurder van de trekkende wagen moet bij het wegrijden en schakelen bijzonder soepel koppelen. In dit geval hebben de VW-Automatic-bestuurders het gemakkelijker: de koppelom-vormer tussen motor en versnellingsbak draagt veel ertoe bij, dat zonder schokken weggereden en gekoppeld kan worden. * De bestuurder van de getrokken wagen moet erop letten, dat de kabel steeds strak staat.
De sleepkabel moet elastisch zijn, opdat de slepende en de getrokken wagen worden gespaard. Uit synthetische garens vervaardigde sleepkabels zijn bijzonder elastisch.
* Verdere aanwijzingen voor slepen en gesleept worden met de VW-Automatic vindt u op blz. 28.
Bij de VW 1200 zijn de bumpersteunen niet voor slepen geschikt. Hier wordt de kabel achter aan een schokbrekersteun bevestigd. Voor hoort het aan de onderste dwarsbuis van het vooraslichaam, en wel zo dicht mogelijk bij de chassiskop.

Benzine en smeermiddelen
Benzine
Uw Volkswagen rijdt op alle normaal verkrijgbare, gerenommeerde merken benzine, die het voor de motor benodigde octaangetal bezitten: 1,5 liter-motor: octaangetal 91 1,2 en 1,3 liter-motor: octaangetal 87
Soort en merk van de benzine kunt u zonder meer zelf bepalen. Als er geen normale benzine van voldoende klopvastheid ter beschikking staat, is het gewenst superbenzine te gebruiken of aan de inhoud van de tank toe te voegen.
Motorolie
Gebruik voor de motor van uw Volkswagen altijd een HD-olie voor benzinemotoren van een gerenommeerd merk aan zou kunnen voldoen. Het is het beste, wanneer u reeds bij kwaliteit, dat de keuze van een bepaald merk aan uzelf kan worden overgelaten. De VW-motor stelt, wat de kwaliteit van de olie betreft, geen eisen waar niet iedere olie van een gerennommeerd merk aan zou kunnen voldoen. Het is het beste, wanneer u reeds bij de eerste olieverversing bij 1000 km „uw” oliemerk bepaalt en — omdat dit smeertechnisch gezien het gunstigste is — hierbij zoveel mogelijk blijft. Aan de andere kant hoeft u niet bang te zijn voor beschadigingen aan uw motor, als het bij het olieverversen of bijvullen niet kan worden vermeden, dat een ander als het door u gewenste oliemerk wordt gebruikt.
Om de verschillende viscositeitsklassen aan te geven, worden de oliën met SAE 30, SAE 20 W/20 enz. aangeduid. Onder viscositeit verstaat men de graad van vloelbaarheid. De VW-motor heeft slechts 2 viscositeitsklassen nodig, die afhankelijk van het jaargetijde als volgt worden gekozen:
SAE 30 In het warme jaargetijde en het gehele jaar in z.g. „warme landen“
SAE 20 W/20 In de winter
of
SAE 10 W* In gebieden waar overwegend winterse temperaturen onder -15°C heersen
SAE 5 W* Alleen in landen met polair klimaat bij temperaturen onder -25°C.
* Vermijd lange ritten bij hoge snelheden, als de buitentemperatur bij gebruik van SAE 10 W hoger dan 0°C, resp. bij gebruik van SAE 5 W hoger dan -15°C ligt.
Alle SAE-klassen bestrijken een temperatuurgebied van ongeveer 35°C. De aangrenzende SAE-klassen overlappen elkaar minstens 20°C. Er hoeft dus niet op korte temperatuurschommelingen tijdens de overgang van het warme jaargetijde naar de winter te worden gelet. Het is eveneens toegestaan om oliën van verschillende viscositeitsklassen met elkaar te vermengen, als tussen twee olieverversingen de olie moet worden bijgevuld en de buitentemperatuur niet meer met de viscositeitsklasse van de zich in de motor bevindende olie correspondeert.
Temperatuurbereik
van enkele SAE-klassen

other
| Parameter | Value | | ----------------- | ----- | | SAE 30 | 30 | | SAE 20W/20 | 20W | | SAE 10W | 10W | | SAE 5W | 5W |In sommige landen is het gebruikelijk de motorolie volgens het z.g. API-systeem (API = American Petroleum Institute) in te delen. Volgens deze indeling hebben de voor de VW-motor geschikte HD-oliën de aanduiding „For Service MS”.
Versnellingsbakolie
Versnellingsbak en differentieel zijn gecombineerd in het versnellingsbakhuis ondergebracht en worden samen met dezelfde hypoïd-olie van een gerenommeerd merk van de viscositeitsklasse SAE 90 gesmeerd.
Alleen in landen met polair klimaat moet het gehele jaar de dunner vloeibare hypoïd-olie SAE 80 worden gebruikt.
ATF (Automatic Transmission Fluid)
ATF is een speciaal voor automatische versnellingsbakken bestemd smeermiddel, dat in het algemeen het gehele jaar wordt gebruikt.
Voor de Volkswagen met VW-Automatic zijn alle ATF-soorten toegestaan, die een Dexron-controleaanduiding, bijvoorbeeld Dexron® Nr. B 10 100, hebben. Geschikte producten leveren alle bekende mineraaloliefirma's.
Aanvullende smeermidellen – van welke soort dan ook – mogen noch aan de benzine, noch aan de smeeroliën worden toegevoegd!
Smeervetten
1 Voor het doorsmeren van de vooras wordt universeelvet op lithiumbasis gebruikt.
2 Voor dekselsloten en glijvlakken van slotvangers kan het beste het in de handel verkrijgbare vasellne worden genomen.
3 De polen en aansluitklommen van de accu worden met poolvet of vaseline ingesmeerd.
Juist smeren
Motor
De olie moet ook bij het gebruik van HD-olie van de beste merken na de voorgeschreven afstanden worden ververst, daar afgewerkte olie in de motor alleen grotere slijtage en kortere levensduur betekont.

De oude olie wordt in bedrijfswarme toestand, nadat eerst de aftapplug uit het oliezeefdeksel is gedraaid, afgetapt. Spoelen van de motor is overbodig, wel moet de oliezeef bij iedere olieverversing worden gedemonteerd en schoongemaakt. De beide pakkingen en de afdichtringen onder de dopmoeren moeten elke keer worden vernieuwd. Daarna wordt de motor met 2,5 liter HD-olie van een gerenommeerd merk gevuld.
De reinigende eigenschappen van HD-oliën brengen overigens met zich mee, dat de nieuwe olie reeds na betrekkelijk korte tijd donkerder van kleur kan worden. Dit is echter in het geheel niet verontrustend: onder normale omstandigheden is het overbodig en oneconomisch de olie vaker dan elke 5.000 km te verversen. Als u in de winter overwegend korte afstanden en in stadsverkeer rijdt, raden wij u aan de olie na kortere afstanden — elke 2.500 km — te verversen. Rijdt u onder deze omstandigheden slechts enkele honderden kilometers per maand, dan verdient het aanbeveling de olie ledere 6 tot 8 weken te laten verversen. In landen met polair klimaat, dus bij temperaturen vanaf -25°C, moet de olie elke 1.250 km worden ververst.
Versnellingsbak en VW-Automatic
Versnellingsbak en differentieel zijn gecombineerd in het versnellingsbakhuis ondergebracht en worden samen met dezelfde hypoïd-olie gesmeerd. De olie moet tot aan de rand van de vulopening (A) staan.
Voor het olieverversen wordt de olie in bedrijfswarme toestand afgetapt. De magne-
tische olieaftappluggen, twee stuks bij de versnellingsbak (B) en een bij de VW-Automatic (C), moeten zorgvuldig worden schoongemaakt. Daarna wordt het huis met 2,5 liter - bij de VW-Automatic 3 liter - hypoïd-olie gevuld.
De olle kan er onder bepaalde omstandigheden zeer langzaam invloeien. Een te snel vullen leidt tot overlopen, waardoor de


indruk wordt gewekt, dat de vereiste hoeveelheid reeds is bereikt, hoewel in werkelijkheid pas 1-1,5 liter olie aanwezig is. Voor de levensduur en het geruisloos draaien van de achteras is het beslist noodzakelijk, dat de voorgeschreven hoeveelheid precies wordt aangehouden.
Wagens met VW-Automatic hebben tevens een ATF-voorraadstank (ATF = Automatic Transmission Fluid), die voor het op peil houden van het ATF-circuit in de koppelom-vormer dient. De vulopening bevindt zich rechts in de motorruimte en de vuldop (D) is van een oliepeilstok voorzien.
De ATF-vulling van het koppelomvormercircuit wordt niet ververst.
Het ATF-peil moet altijd tussen de beide merkstrepen op de peilstok liggen en mag nooit beneden de onderste streep zakken. Zonodig laat u bij uw VW-werkplaats ATF bijvullen.
Voor het bijvullen alleen door de fabriek toegestane ATF-soorten gebruiken!
Vooras
De vooras kan alleen in onbelaste toestand, dus met vrijhangende wielen, goed worden doorgesmeerd.
Aan de draagbuizen bevinden zich 4 smeernippels, die met universeelvet op lithiumbasis moeten worden doorgesmeerd. De smeernippels en de kop van de vetsput goed schoonmaken. Vestput erop plaatsen en zo lang doorsmeren tot bij de dichtringen van de draagarmen nieuw vet naar buiten komt.

Banden en remslangen mogen niet lang met vet en olie in aanraking komen. Ook kleine hoeveelheden direct met een doek wegvegen.
Rijdt u minder dan 10.000 km per jaar, dan raden wij u aan de vooras jaarlijks éénmaal te laten doorsmeren.

In de portierscharnieren bevindt sich boven de scharnierpen een kleine oliekamer, die met een plastic plug is afgesloten. Minstens elke 3 maanden moet de olievoorraad worden gecontroleerd. Daartoe de plug met een schroevedraaier eruit wippen. De oliekamer wordt, indien nodig, met dikvloeibare motorolie SAE 30 gevuld. Afdruipende olie met een doek opvangen, plug erin drukken en scharnier zorgvuldig afvegen. Tegelijkertijd moeten ook de portier- en dekselsloten en dekselscharnieren worden gesmeerd. Het portierslot wordt door een gat in de slotstijl van het portier - dat met een plug is afgesloten - met een paar druppels olie gesmeerd. Ook de dekselscharnieren worden met olie, de dekselsloten daarentegen met wat vaseline, gesmeerd.
Overtollige olie bij de dekselscharnieren wegvegen.
De slotcilinder wordt, indien nodig, met grafietpoeder behandeld. Het is reeds voldoende de vooraf in grafietpoeder gedoopte sleutel enige keren in het slot been en weer te draaien. De glijlakken van de slotvanger worden dun met vaseline ingevet.
Oliebadluchtfilter
Een vervuild filter vermindert niet alleen het motorvermogen, maar kan ook voortijdige slijtage van de motor tot gevolg hebben. Indien de wagen vaak op stoffige wegen rijdt, moet het filter vaker — soms zelfs dagelijks — worden gecontroleerd.
Alle stofdeeltjes in de door de motor aangezogen lucht worden door het zich in het bovenstuk bevindende filter vastgehouden en onder het rijden door de in het onderstuk aanwezige olie uitgespoeld. In de loop van de tijd onstaat hierdoor op de bodem van het onderstuk een sliblaag. Zodra boven deze sliblaag nog 4–5 mm dunvloeibare olie staat, moet het onderstuk schoongemaakt en met schone olie worden gevuld. Hiertoe het luchtfilter in de op de volgende bladzijde aangegeven volgorde uitbouwen.
VW 1500
Carterontluchtingsslang - A - van luchtfilter trekken.
Klem - B - aan warmeluchtslang losmaken en slang van aanzuigbuis trekken.
Klemmetje - C - van kabel aan warmeluchtregelklep eraf nemen en kabeloog afhaken. Bevestigingsschroef - D - van buitenkabel losdraaien en buitenkabel eruit trekken.
Bout - E - van luchtfiltersteun eruit draaien. Klembout van luchtfilter losdraaien en luchtfilter van carburateur nemen.
VW 1300 en VW 1200
Carterontluchtingsslang van luchtfilter trekken.
Warmeluchtslang van aanzuigbuis trekken.
Klemmen openen en bovenstuk eraf nemen. Het bovenstuk moet altijd met het filter naar beneden worden weggelegd!
Onderstuk van filter zorgvuldig schoonmaken en tot het merkteken met verse olie vullen. Inhoud: 1,5 liter-motor ca. 0,4 liter, 1,2 en 1,3 liter-motor ca. 0,25 liter. Viscositeit het gehele jaar: SAE 30. Alleen in landen met polair klimaat het gehele jaar SAE 10 W gebruiken. Het schoonmaken van het bovenstuk is niet nodig. Alleen als het filter, door te laat schoonmaken van het onderstuk of door oliegebrek, zo sterk vervuild is dat de luchtgaten aan de onderkant reeds gedeeltelijk dicht zitten, moet deze stofkorst — het beste met een houtspaantje — worden verwijderd.
Controller voor het inbouwen van het luchfilter de warmeluchtregelklep op gangbaarheid. Terwijl bij de VW 1200 en 1300 deze klep bij zomerse temperaturen boven + 10 °C wordt vastgeklemd, regelt hij bij temperaturen lager dan + 10 °C - afhankelijk van het motor-toerental - de toevoer van voorverwarmde lucht naar de carburateur. Bij de VW 1500 wordt de klep thermostatisch geregeld.
Bij het inbouwen van het luchtfilter erop letten, dat de aanzuigbuis evenwijdig met het ventilatorhuis loopt — dan kan bij de VW 1500 ook de bout van de luchtfiltersteun er gemakkelijk worden ingezet.
Klembout van luchtfilter zorgvuldig, maar niet te vast, aandraaien. Bij de VW 1500 kabel van warmluchtregelklep weer aansluiten. Daartoe moet eerst buitenkabel tot de aanslag in de houder geschoven en met het schroefje vastgeklemd worden. Het kabeloog wordt aan de hefboom van de warmeluchtregelklep gehaakt en met het klemmetje bevestigd.


luchtkoeling door ventilator, thermostatisch geregeld
drukomloopsmering door tandwielpomp
oliekoeler
valstroomcarburateur met automatische choke en acceleratiepomp
oliebadluchtfilter met warmeluchttoevoer, bij de VW 1500 thermostatisch geregeld.
| 1,5 liter-motor | 1,3 liter-motor | 1,2 liter-motor | ||
| boring | 83 mm | 77 mm | 77 mm | |
| slag | 69 mm | 69 mm | 64 mm | |
| cilinderinhoud | 1493 cm^3 | 1285 cm^3 | 1192 cm^3 | |
| compressieverhouding | 7,5 | 7,3 | 7,0 | |
| maximum vermogen | (DIN) | 44 pk bij 4000 omw/min | 40 pk bij 4000 omw/min | 34 pk bij 3600 omw/min |
| (SAE) | 53 pk bij 4200 | 50 pk bij 4600 omw/min | 41,5 pk bij 3900 omw/min | |
| maximum koppel | (DIN) | 10,2 mkg bij 2000 omw/min | 8,9 mkg bij 2000 omw/min | 8,4 mkg bij 2000 omw/min |
| (SAE) | 10,8 mkg bij 2600 omw/min | 9,5 mkg bij 2600 omw/min | 9,0 mkg bij 2400 omw/min | |
| gemiddelde zuigersnelheid | 9,2 m/sec bij 4000 omw/min | 9,2 m/sec bij 4000 omw/min | 7,68 m/sec bij 3600 omw/min | |
| benzineverbruik (DIN 70030)* | ca. 8,8 liter/100 km | ca. 8,5 liter/100 km | ca. 7,5 liter/100 km | |
| benzine | 0,5 tot 1,0 liter/1000 km | 87 octaan (res. F 1) | 87 octaan (res. F 1) | |
| olieverbruik | 91 octaan (res. F 1) | 0,3 tot 1,0 liter/1000 km | 0,3 tot 1,0 liter/1000 km | |
| klepspeling, gemeten bij koude motor | in- en uitlaatklep 0,10 mm | in- en uitlaatklep 0,10 mm | in- en uitlaatklep 0,10 mm | |
• Gemeten verbruik verhoogd met 10 %, wagen met halve toelaatbare belasting bij gelijkbijvende % van de maximum snelheid op vlakke wegen en windstilte.
Krachtoverbrenging
enkelvoudige droge plaatkoppeling
vrije slag koppelingspedaal: 10–20 mm
volledig gesynchroniseerde vierversnellingsbak, samen met het differentieel in een huis ondergebracht, pendelassen
overbrengingsverhoudingen versnellingsbak: 1e versnelling 3,80 : 1; 2e versnelling 2,06 : 1; 3e versnelling 1,26 : 1; 4e versnelling 0,89:1; achteruit 3,61:1
overbrengingsverhouding achterwielaandrijving: bij 1,5 liter-motor 4,125 : 1; bij 1,2 en 1,3 liter-motor 4,375 : 1
1 - tandwielenpaar van 4e versnelling
2 - tandwielenpaar van 3e versnelling
3 - tandwielenpaar van 2e versnelling
4 - voorste helft prise-as 5 - omkeertandwiel
6 - achterste helft prise-as
7 - druklager
8 - binnenschakelstang
9 - tandwielenpaar van 1e versnelling
10 - olieaftappluggen
11 - pignon
12 - zonnewiel
13 - differentieelhuis
14 - satelliet
15 - vliegwiel
16 - krukas
17 - ventilator
18 - carburateur
19 - dynamo
20 - cilindorkop
21 - zuiger
22 - botine
23 - stroomverdeler
24 - ollekoeler
25 - benzinepomp
26 - olievulpijp met carterontluchting
27 - bougie
28-nokkenas
29 - oliezeef
30 - aandrijftandwielen van nokkenas
31 - oliepomp
32 - klep
33-warmtewisselaer
34 - cilinder
35 - oliedrukregelventiel
36 - drijfstang
37 - thermostaat

chassis met tunnelvormige middenverstijving, vooras aan chassiskop, motor/versnellingsbak-aggregaat aan chassisvork bevestigd, onafhankelijke wielophanging: voor draagarmen, achter pendelassen met langsgeleiding torsiestaafvering, dubbelwerkende telescopische schockbrekers, voor stabilisator, achter compensatieveer,
rol-wormstuurinrichting met oderhoudsvrije spoorstangen en hydraulische stuurdemper, hydraulische voetrem, bij de VW 1300 en VW 1500 met tweekrings remsysteem en bij de VW 1500 tevens vóór met schijfremmen uitgevoerd · mechanische handrem op de achterwielen
| wielbasisdraaicirkelspoorbreedte voortoespoorwielvluchtspoorbreedte achtervelgenbanden | 2400 mmca. 11 mmmet trommelremmen: 1310 mmmet schijfremmen: 1316 mm2 lot 4,5 mm, leeg 30' ± 20' , leeg1350 mm4 J × 15 (schijfwielen met gaten en diepe velg)normale banden of radiaalbanden *(tubeless)5.60–15 4 PR | |||||
| bandespanningmet 1 à 2 personenmet 3 à 5 personen | voor1,1 atm.1,2 atm.Bij lange snelle ritten over autowegen moet de bandespanning van normale banden voor en achter met 0,2 atm. worden verhoogd.De bandespanningen in deze tabel gelden voor koude banden. | |||||
| Elektrische installatie | bedrijfsspanningaccustarmotorgelijkstroom-dynamo metspanningsregelaarstroomverdelerontstekingsvolgordeafstelling ontstekings-tijdstipcontactpuntenafstandbougiesbougiedraadelektrodenafstand | 12 volt36 ah0,7 pkmax. 30 ampère, vroeg inschakelend, VW 1200: 45 ampèreVW 1200: 66 AhVW 1200: 0,5 pkvW 1200: 0,5 pkvo#t onderdrukregeling1 – 4 – 3 – 27,5 ° vo#r het b.d.p.0,4 mmBosch W 145 T 1 Beru 145/14of gelijkwaardige bougies van ander fabrikaatBeru 145/14of gelijkwaardige bougies van ander fabrikaat14 mm0,7 mm | ||||
Afmetingen en gewichten
| Afmetingen en gewichten | limousine | cabriolet | VW 1200 | |
| lengte | 4030 mm | 4030 mm | 4070 mm | |
| breedte | 1550 mm | 1550 mm | 1550 mm | |
| hoogte | 1500 mm | 1500 mm | 1500 mm | |
| bodemvrijheid | 150 mm | 150 mm | 150 mm | |
| leeggewicht (bedrijfsklaar) | 820 kg | 870 kg | 760 kg | |
| toelaatbare belasting | 380 kg | 360 kg | 380 kg | |
| toelaatbaar totaalgewicht | 1200 kg | 1230 kg | 1140 kg | |
| toelaatbare voorasbelasting | 490 kg | 500 kg | 490 kg | |
| toelaatbare achterasbelasting | 730 kg | 740 kg | 710 kg | |
| Toelaatbare dak- en aanhang-wagengewichten* | dakbelasting ** | 50 kg | — | 50 kg |
| aanhangwagen met rem | 500 kg | 500 kg | 500 kg | |
| aanhangwagen zonder rem | 400 kg | 400 kg | 400 kg | |
| caravans of aanhangwagens voor het vervoer van boten of zweefvliegtuigen — met rem | 650 kg | 650 kg | 650 kg |
* onder voorbehoud van eventueel andersluidende wettelijke bepalingen. ** alleen imperiaals met steunen in de goot gebruiken. Lading gelijkmatig verdelen.
Inhoud
| inhoud | benzinetank | 40 liter |
| carter | 2,5 liter | |
| achteras met versnellingsbak | 3,0 liter (verversen: 2,5 liter) | |
| remmen | 0,25 liter | |
| oliebadluchtfilter | ca. 0,25 liter, bij 1,5 liter-motor ca. 0,4 liter | |
| ruitesproeiertankje | ca. 1 liter (3,0 atm. luchtdruk) |
Rijprestaties
| 1,5 liter-motor | 1,3 liter-motor | 1,2 liter-motor | ||
| maximum- en kruissnelheidacceleratie van 0–80 km/u | 125 km/uca. 13 sec. | 120 km/uca. 14 sec. | 115 km/uca. 18 sec. | |
| klimvermogen | limousine | cabriolet | ||
| 1e versnelling | 46% | 45% | 44,0% | 41% |
| 2e versnelling | 24% | 23% | 23,0% | 21% |
| 3e versnelling | 13% | 13% | 12,5% | 12% |
| 4e versnelling | 8% | 8% | 8,0% | 7% |
in zoverre deze van de gegevens van de VW-modellen met normale versnellingsbak afwijken:
| Motor | benzineverbruik volgens DIN 70 030* . . . VW 1500-limousine en vierpersoons cabriolet9,3 liter/100 km | |
| ontstekingstijdstip . . . . . . . . . . . . . 0° = b.d.p. | ||
| Krachtoverbrenging | hydrodynamische koppelomvormer met drieversnellingsbak, samenmet het differentieel in één huis ondergebracht. | |
| overbrengingsverhoudingen versnellings-mechanisme: | ||
| snelheidsbereik L - 2,06 : 1 snelheidsbereik 1 - 1,26 : 1 overbrenging pignon/kroonwiel - 4,375 : 1 achteras met dubbele homo-kinetische kop-pelingen | snelheidsbereik 2 - 0,89 : 1 achteruit - 3,07 : 1 | |
| Chassis | achterwielen onafhankelijk opgehangen aan veerplaten en schuine reactiearmen | |
| Inhoud | koppelomvormercircuit . . . . . . . ca. 3,6 liter ATF(Automatic Transmission Fluid)alleen volgens fabrieksspecificatie | |
| versnellingsbak en differentieel . . . . . 3 liter hypoid-olie | ||
| Prestaties | max. snelheid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | 120 km/uur |
| acceleratie 0 - 80 km/uur klimvermogen | ca. 15 sec.VW 1500 | |
| limousine cabriolet | ||
| snelheidsbereik L . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38% 36% | ||
| snelheidsbereik 1 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . | ||
| snelheidsbereik 2 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . % 16% 15% | ||
• Gemeten verbruik verhoogd met 10%, wagen met halve toelaatbare belasting bij gelijkblijvende 3/4 van de maximum snelheid op vlakke wegen en windstilte.
Trefwoordenlijst
Aanhangwagen 57
Aanvullende smeermiddelen . . . . . 48
Accelereren - goed en verkeerd . . . 25
Accessoires 29
Accu - algemene aanwijzingen voor het onderhoud . . . . . . 45 - onderhoud in de winter . . . 31
Achteras - technische gegevens . . . 54
Achterbank - rugleuning ..... 20
Achterlicht - lampje vervangen . . . 43
Achterruitrijlamp - lampje vervangen . 43
Achteruitkijkspiegels 15
Achteruitversnelling 13
Afmetingen 57
Asbakjes 16
Automatic 26
Autoradio 14
Autoriemen 8
Dougies - uitbouwen . . . . 40 - elektrodenafstand . . 40/56 - controleren en schoonmaken . . . . 40
Cabriolet - kap openen en sluiten . 21 - kap onderhouden . . . 34 - kapscharnieren smeren . 34
Caravan 57
Chassis - beschrijving . . . . 56 - nummer . . . . . 6 - onderhoud in de winter 31
Compressie van de motor ..... 54
Contactpunten - afstand . . . . . . 56
Controlelampjes 12/22
Dakbelasting 57
Dekselslot - trekhendeltje 18
Dimmen 12
Doorsnedetekening 55
Dynamo 56
Economisch rijden 25
Frisseluchttoevoer 17
Gewichten 57
Gereedschapslijst 19
Grendelknop - portier ..... 9
Handrem - beschrijving . . . . . . 56
Imperiaal 57
Inrijvoorschriften . . . . . . . . . 25
Instrumentenverlichting 12
Kentekenlicht - lampje vervangen . . 43
Kleppen - speling . . . . . . . . 54
Klimvermogen 57
Knipperlicht - lampje vervangen . . . 43
Knipperlichtschakelaar ..... 12
Koeling van de motor ..... 54
Kofferruimten 18/19/20
Koplampen – afstellen ..... 41
-lampje vervangen..42
Koppeling - bouwwijze . . . . 54 - vrije slag pedaal . . 54
Krik - bediening. . . . . 37
Lampentabel 42
Lichtschakelaar - bediening ..... 12
Lichtsignaal 12
Luchtfilter – controleren en schoonmaken . . 23/52
Maximum snelheid . . . . . . . . 57
Maximum vermogen 54
Motor — bouwwijze . . . . 54
-nummer 6
-doorsnedetekening . 55
Motorolie - soorten . . . . . 47
-specificatie . . . . 47
- verversen in de winter 30
- verversen en hoeveelheid . . . . 49
Oliepeil – versnellingsbak . . 50
-motor 23
Oliepeilstok 23
Olieverbruik 54
Oliezeef in de motor 49
Ontstekingstijdstip 56
Ontstekingsvolgorde 56
Overbrengingsverhouding - versnellingsbak . . 54 - achteras . . . . . 54
Polijsten van de lak. . . . . . . . 33
Portieren 9
→ sloten bevroren . . 31
- smeerplaatsen . . . 52
-rubbers onderhouden 35
Raamslinger 9
Remmen - bediening . . . . 13
Remmen — beschrijving . . . . 56
- controleren ..... 22
Reservewiel 19/37
Rijden 's winters . . . . . . . . 30
Rugleuningvergrendeling ..... 7/20
Ruiten schoonmaken 34
Ruitesproeiers 12/19
Ruitewissers 12
Ruitrubbers onderhouden. . . . . . 35
Schakelen 13
Schokbrekers - bouwwijze . . . . 56
Schuifdak — bediening ..... 15
Slepen 48
Sleutel 7
Smeren 49
Sneeuwkettingen . . . . . . . . . 30
Snelheidsmeter 12
Spoorbreedte 56
Starten van de motor ..... 24
Startmotor 56
Stoelen -verstellen . . . . 7
- geleiderails smeren . 35
Stoplicht -lampje vervangen. . 43
- controleren . . . . 22
Stroomverdeler 56
Stuur-contactslot . . . . . . . . . . 13
Stuurinrichting - bouwwijze . . . . 56
Verchroomde onderdelen - onderhouden 34
Vering 56
Verlichting 12
Versnellingsbak - beschrijving . . . . 54
-doorsnedetekening . 55
Versnellingsbakolie — verversen en hoeveelheid 50
Versnellingsbereiken 25
Versnellingshendel 13
Verwarming 16
Viekken verwijderen 34
Voetrem - beschrijving . . . . 56
Voordeksel — trekhendeltje . . . 18
Waarschuwingslicht ..... 13
Wagen - onderhoud . . . . 32
Wassen van de wagen ..... 33
Wielbasis 56
Wielen - velgmaat . . . . . 56
-onbalans ..... 35
- verwisselen . . . . 37
Wielvlucht 56
Zekeringen - vervangen . . . . 44
Zekeringendoos 44
Zonnekleppen . . . . . . . . . . 15


