Up! (2011) - Auto VOLKSWAGEN - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis Up! (2011) VOLKSWAGEN in PDF-formaat.
Gebruikersvragen over Up! (2011) VOLKSWAGEN
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Auto in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding Up! (2011) - VOLKSWAGEN en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. Up! (2011) van het merk VOLKSWAGEN.
GEBRUIKSAANWIJZING Up! (2011) VOLKSWAGEN
Markeert een verwijzing naar een paragraaf met belangrijke informatie en veiligheidsaanwijzingen ⚠ binnen een hoofdstuk, die u zou moeten lezen.

De pijl geeft aan, dat het onderwerp op de volgende pagina verder gaat.

De pijl geeft het einde van een onderwerp aan.

Het symbool markeert situaties, waarin de wagen onmiddellijk moet worden stilgezet.

Het symbool markeert een geregistreerd handelsmerk. Het ontbreken van dit teken garandeert niet dat begrippen vrij mogen worden gebruikt.

Symbolen van deze soort verwijzen naar

waarschuwingsaanwijzingen, binnen de-

zelfde paragraaf of op de aangegeven bladzijde, die op mogelijk gevaar voor on- gevallen en verwondingen wijzen en hoe u dit kunt voorkomen.

Verwijzing naar een waarschuwingsaan- wijzing, binnen dezelfde paragraaf of op de aangegeven bladzijde, die op mogelijk gevaar voor beschadiging van uw wagen wijst en hoe u dit kunt voorkomen.

GEVAAR
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming zware verwondingen of zelfs de dood tot gevolg zul- len hebben.

WAARSCHUWING
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming zware verwondingen of zelfs de dood tot gevolg kunnen hebben.

VOORZICHTIG
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaar- lijke situaties, die bij veronachtzaming lichte of zware verwondingen tot gevolg kunnen hebben.

LET OP
Teksten met dit symbool wijzen u op gevaarlijke situaties, die bij veronachtzaming beschadigingen aan de wagen tot gevolg kunnen hebben.

In teksten met dit symbool staan aanwijzingen over het behoud van het milieu.

In teksten met dit symbool staat extra informatie.
Hartelijk dank voor uw vertrouwen
Met deze Volkswagen krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke comfortuitrustingen, die u in het dagelijkse verkeer zeker zult willen gebruiken.
Lees voor het eerste gebruik van uw wagen de informatie in dit instructieboekje goed door en neem deze in acht, zodat u de wagen snel en volledig leert kennen en mogelijke gevaren voor uzelf en anderen kunt herkennen en voorkomen.
Als u nog vragen heeft over uw wagen of u meent dat het instructieboekje niet volledig is, dan kunt u zich wenden tot uw Volkswagen Partner. Daar zijn vragen, opmerkingen en kritiek altijd welkom.
Wij wensen u veel plezier met uw Volkswagen en een goede reis.
Volkswagen AG
△
Inhoudsopgave
Over dit instructieboekje 4
Wagenoverzicht 6
Buitenaanzichten
- Zijaanzicht 6
- Vooraanzicht 7
- Achteraanzicht 8
Interieur
- Overzicht van het bestuurdersportier ... 9
- Overzicht bestuurderszijde 10
- Overzicht middenconsole 12
- Overzicht bijrijderszijde 14
- Symbolen in de hemelbekleding ..... 14
Instrumentenpaneel
- Waarschuwings- en controlelampjes ... 15
- Instrumenten 17
- Volkswagen informatiesysteem 22
Voor het rijden 24
Voordat u wegrijdt
- Aanwijzingen voor het rijden 24
- Technische gegevens 27
Open en dicht
- Sleutelset 30
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem 34
- Portieren 38
- Achterklep 39
- Ruiten 42
- Elektrisch glazen panoramaschuif- kanteldak 43
Veilig en op de juiste wijze zitten
- Zithouding instellen 46
- Stoelfuncties 53
- Veiligheidsgordels 55
- Airbagsysteem 64
- Kinderzitjes (accessoires) 72
Licht en zicht
- Licht 80
- Bescherming tegen de zon 85
- Ruitenwissers en -sproeiers 86
- Spiegels 90
Transporteren
- Aanwijzingen voor het rijden 92
- Bagageruimte 96
- Dakdragersysteem 101
Praktische uitrustingen
- Opbergmogelijkheden 104
- Beker- en flessenhouders 109
- Asbakken en sigarettenaansteker ..... 111
-Stopcontact 113
Tijdens het rijden 115
Starten, schakelen, parkeren
- Motor starten en afzetten 115
- Schakelen 119
- Remmen, stoppen en parkeren ..... 122
- Milieubewust rijden 131
- Stuurinrichting 134
Bestuurdershulpsystemen
- Wegrijhulpsystemen 136
- Parkeerhulp 139
- Snelheidsregelsysteem (SRS) 142
- City-noodremfunctie 145
Klimaat
- Verwarmen, ventileren, koelen ..... 150
Bij het tankstation
- Tanken 155
- Brandstof 159
Onderhouden, verzorgen,
schoonmaken 162
In de motorruimte
- Voorbereidingen op werkzaamheden in de motorruimte 162
- Motorolie 167
- Motarkoelyloeistof 171
- Accu 175
Verzorging en onderhoud van de wagen
- Buitenzijde van de wagen verzorgen en schoonmaken 179
- Interieur verzorgen en schoonmaken ... 187
- Velgen en banden 193
-
Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen .. 205
-
Gebruikersinformatie 215
- Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem 218
Tips om het zelf te doen .... 220
Praktische aanwijzingen
- Vragen en antwoorden 220
- In noodgevallen 222
- Noodsluiten of -openen 225
- Wagengereedschap 227
-
Wieldoppen 229
-
Verwisselen van een wiel 231
- Bandenafdichtset 237
- Zekeringen 241
- Gloeilampjes vervangen 244
- Starthulp 251
- Aan- en afslepen 254
Gebruikte afkortingen 257
Trefwoordenlijst 258
Over dit instructieboekje
- Dit instructieboekje geldt voor alle modellen en uitvoeringen van de up!.
- Een alfabetisch geordende trefwoordenlijst vindt u aan het einde van het instructieboekje.
- Een overzicht van afkortingen achter in dit instructieboekje verklaart specifieke afkortingen en benamingen.
- Richtingsaanduidingen, zoals links, rechts, voor en achter, hebben normaliter betrekking op de rijrichting, tenzij iets anders is aangegeven.
- Afbeeldingen dienen ter oriëntatie en zijn als principeweergaven op te vatten.
- Dit instructieboekje is opgesteld voor wagens met links stuur. Bij wagens met rechts stuur zijn de bedieningselementen gedeeltelijk anders gerangschikt dan op de afbeeldingen of in de tekst wordt weergegeven ⇒ pagina 10.
- Technische wijzigingen aan de wagen die na het ter perse gaan van dit boekje zijn doorgevoerd, zijn te vinden in een aanvulling, die aan de wagen-documentatie is bijgevoegd.
Beschreven zijn alle uitvoeringen en modellen, zonder deze als meeruitvoering of modelvarianten te kenmerken. Zo kunnen er uitrustingen beschreven zijn, die uw wagen mogelijkkerwijs niet heeft of die slechts in enkele landen verkrijgbaar zijn. In de verkoopdocumenten vindt u de uitrusting van uw wagen en voor meer informatie daarover kunt u uw Volkswagen Partner raadplegen.
Alle gegevens in dit instructieboekje komen overeen met de stand van de gegevens ten tijde van het ter perse gaan. Vanwege de continue ontwikkeling van de wagen zijn afwijkingen tussen de wagen en de gegevens in dit instructieboekje mogelijk. Uit de gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen in dit instructieboekje kunnen geen aanspraken worden afgeleid.
Mocht u de wagen verkopen of uitlenen, zorg er dan voor, dat de gehele wagendocumentatie zich altijd in de wagen bevindt.
Vaste onderdelen van de wagendocumentatie:
• Serviceplan
- Instructieboekje
Extra onderdelen van de wagendocumentatie (optioneel):
- Aanvulling
- Radio
• Overige bijlagen
<
Wagenoverzicht
Buitenaanzichten
Zijaanzicht

Afbeelding 1 Zijaanzicht van de wagen
Legenda bij Afbeelding 1:
① Dakantenne 215
② Tankklep 155
③ Portiergreep buitenzijde 38
④ Buitenspiegel 90
⑤ Extra knipperlicht 80,244
⑥ Steunpunten voor de krik 231
Vooraanzicht

Afbeelding 2 Overzicht voorzijde wagen
Legenda bij Afbeelding 2:
① Spiegelvoet met lasersensor voor de city-noodremfunctie 145
② Voorruit
③ Ruitenwissers voor 86
④ Motorkap 162
⑤ Ontgrendelingshendel voor de motorkap 162
⑥Koplampen 80,244
⑦ Mistlampen 80,244
⑧ Montagegat voor het sleepoog vóór, achter een afdekking 254
⑨ Kentekenplaathouder voor

Afbeelding 3 Overzicht achterzijde wagen
Legenda bij Afbeelding 3:
① Dakantenne 215
② Derde remlicht
③ Achterruit
- Achterruitverwarming 150
④ Achterruitwisser 86
⑤ Achterklep 39
⑥ Achterlichten 80,244
⑦ Handgreep met knop voor het openen van de achterklep 39
⑧ Kentekenplaatverlichting 244
⑨ Kentekenplaathouder achter
⑩ Sensoren van de parkeerhulp 139
Interieur
Overzicht van het bestuurdersportier

Afbeelding 4 Overzicht van de bedieningselementen in het bestuurdersportier (wagens met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Legenda bij Afbeelding 4:
① Schakelaar voor het bedienen van de elektrische ruitbediening in het bestuurdersportier of opbergvak 42, 104
② Slotgreep 38
③ Controlelampje van de safebeveiliging 34
④ Draaiknop voor het verstellen van de buitenspiegels 90
- Buitenspiegelverstelling L - 0 - R
- Buitenspiegelverwarming
⑤ Knop voor het centraal ver- en ontgrendelen van de wagen ♂ - ♂ 34
⑥ Greep voor het ontgrendelen van de motorkap 162
⑦ Flessenhouder 109
⑧ Opbergvak 104
Overige bedieningselementen
Afhankelijk van de uitrusting heeft de wagen mogelijk mechanische ruitbedieningen resp. een mechanische verstelling van de buitenspiegels ⇒ pagina 90.
Overzicht bestuurderszijde

Afbeelding 5 Overzicht bestuurderszijde (wagen met links stuur)

Afbeelding 6 Overzicht bestuurderszijde (wagen met rechts stuur)
Legenda bij Afbeelding 5 en Afbeelding 6:
① Lichtschakelaar 80
- Licht uitgeschakeld of dagrijverlichting -0-
- Stads- en dimlicht >€ SD
- Mistverlichting 扣唯
② Regelaar voor lichtbundelhoogteverstelling (D) 80
③ Luchtrooster 150
④ Hendel voor 80
- Grootlicht ED
- Grootlichtsignaal
- Knipperlichten ◇◇
- Snelheidsregelsysteem (SRS) ON - CANCEL - OFF - RES/+ - SET/- 142
⑤ Instrumentenpaneel:
- Instrumenten 17
- Display 17
- Waarschuwings- en controlelampjes 15
⑥ Hendel voor ruitenwissers en ruitensproeiers 86
- Ruitenwissers voor de voorruit HIGH - LOW
- Intervalwissen voor de voorruit ...
- "Tipwissen" 1x
- Ruitenwissers voorruit
- Wis-wasautomaat voor de voorruit
- Achterruitwisser
- Wis-wasautomaat voor de achterruit
- Hendel met toetsen voor het bedienen van het Volkswagen informatiesysteem TRIP-, OK/ RESET 22
⑦ Claxon (werkt alleen bij ingeschakeld contact)
⑧ Contactslot 115
⑨ Pedalen 119
⑩ Hendel voor de verstelbare stuurkolom 46
⑪ Bestuurdersairbag 64
⑫ Opbergvak 104
Overzicht middenconsole
Bovenste gedeelte van de middenconsole

Afbeelding 7 Overzicht van het bovenste gedeelte van de middenconsole
Legenda bij Afbeelding 7:
① Luchtrooster, niet verstelbaar 150
② Knop voor in- en uitschakelen van de alarmlichten △ 222
③ Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag PASSENGER AIRBAG OFF
64
④ Regelaar voor de rechterstoelverwarming 📊 resp. knop voor achterruitverwarming 📌 (alternatieve inbouwplaats) 53, 150
⑤ Radio (af fabriek ingebouwd) ⇒ brochure Radio
⑥ Regelaar voor linkerstoelverwarming 53
⑦ Knop voor achterruitverwarming 150
⑧ Knop voor start-stopsysteem 136
⑨ Bedieningselementen voor:
- Verwarmings- en ventilatiesysteem 150
- Airconditioning (handbediend) 150
⑩ Draagbaar navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) 205

Afbeelding 8 Overzicht van het onderste gedeelte van de middenconsole
Legenda bij Afbeelding 8:
① Opbergvak met bekerhouder in de middenconsole 109
② Asbak 111
③ 12 volt stopcontact of sigarettenaansteker 113, 111
④ Handremhendel 122
⑤ Hendel voor schakelbak 119
⑥ Knop voor city-noodremfunctie OFF 145
Overzicht bijrijderszijde

Afbeelding 9 Overzicht bijrijderszijde (wagens met links stuur). Wagens met rechts stuur zijn in spiegelbeeld uitgevoerd
Legenda bij Afbeelding 9:
① Inbouwplaats van de bijrijdersvoorairbag in het dashboard 64
② Luchtrooster 150
③ Aan de zijkant in het dashboard: sleutelschakelaar voor het buiten werking stellen van de bijrijdersvoorairbag 64
④ Greep voor het opbergvak of open opbergvak 104
Symbolen in de hemelbekleding
| Symbool | Betekenis |
| Binnenverlichting en leeslampjes ⇒ pagina 80 | |
| Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak ⇒ pagina 43 |
Instrumentenpaneel
Waarschuwings- en controlelampjes
De waarschuwings- en controlelampjes geven waarschuwingen ▲, storingen ⚫ of bepaalde functies aan. Sommige waarschuwings- en controlelampjes gaan bij het inschakelen van het contact branden en moeten bij draaiende motor of tijdens het rijden weer uit gaan.
Bij sommige waarschuwings- en controlelampjes die gaan branden, klinken er bovendien akoestische signalen.
| Symbool | Betekenis ⇒ ▲ | Zie |
![]() | Handrem aangetrokken | ⇒ pagina 122 |
![]() | Niet verder rijden!Remvloeistofpeil te laag of storing in remsysteem. | |
![]() | Brandt: Niet verder rijden!Motorkoelvloeistofpeil te laag.Koelvloeistoftemperatuur te hoog ofStoring in motorkoelsysteem. | ⇒ pagina 171 |
| Knippert: storing in motorkoelsysteem. | ⇒ pagina 171 | |
![]() | Niet verder rijden!Motoroliedruk te laag. | ⇒ pagina 167 |
![]() | Brandt of knippert:Niet verder rijden!Storing in stuurinrichting. | ⇒ pagina 134 |
![]() | In het instrumentenpaneel: bestuurder en/of bijrijder heeft de veiligheidsgordel niet om. | ⇒ pagina 55 |
![]() | Op het display in het instrumentenpaneel: een inzittende op de zitplaatsen achterin heeft de veiligheidsgordel omgegespt. | |
![]() | Een inzittende op de zitplaatsen achterin heeft de veiligheidsgordel niet omgegespt. | ⇒ pagina 55 |
![]() | Storing in dynamo. | ⇒ pagina 175 |
| Wagens met start-stopsysteem: motor handmatig starten noodzakelijk. | ⇒ pagina 136 | |
![]() | Knippert samen met de overgebleven segmenten van de brandstofmeter: brandstoftank bijna leeg. | ⇒ pagina 155 |
![]() | Knippert snel: city-noodremfunctie remt automatisch of heeft automatisch geremd. | ⇒ pagina 145 |
| Knippert langzaam: city-noodremfunctie momenteel niet beschikbaar. | ||
n | City-noodremfunctie werd handmatig ingeschakeld. Dooft na on-geveer 5 seconden. | |
FF | City-noodremfunctie werd handmatig uitgeschakeld. | |
![]() | Brandt: storing in elektronisch stabiliseringsprogramma of elektronisch stabiliseringsprogramma door systeem uitgeschakeld. | ⇒ pagina 122 |
| Knippert: ESP resp. ASR regelt. | ||
| [2ZAB] | Brandt: storing in traction control of door systeem uitgeschakeld. | |
| Knippert: traction control regelt. | ||
![]() | Storing in ABS of ABS uitgevallen. | |
![]() | Mistachterlicht ingeschakeld. | ⇒ pagina 80 |
![]() | Brandt of knippert: storing in katalysator. | ⇒ pagina 218 |
| [4HYH] | Storing in vermogensregeling. | |
![]() | Brandt of knippert: storing in stuurinrichting. | ⇒ pagina 134 |
| [8750] | Brandstoftank bijna leeg. | ⇒ pagina 155 |
| [XWBC] | Storing in airbag- en gordelspannersysteem. | ⇒ pagina 64 |
| [7DAX] | Knipperlicht links of rechts. | ⇒ pagina 80 |
| Alarmlichten ingeschakeld. | ⇒ pagina 222 | |
![]() | Snelheidsregelsysteem regelt. | ⇒ pagina 142 |
![]() | Grootlicht ingeschakeld of grootlichtsignaal bediend. | ⇒ pagina 80 |
![]() | Wegrijblokkering actief. | ⇒ pagina 115 |
| [HAYX] | Na het inschakelen van het contact: indicatie dat het binnenkort tijd is voor een servicebeurt. | ⇒ pagina 17 |
![]() | Brandt: start-stopsysteem is actief.Knippert: start-stopsysteem is niet beschikbaar. | ⇒ pagina 136 |
![]() | Start-stopsysteem is actief, maar automatisch afzetten van de motor is niet mogelijk. |
⚠ WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwings-lampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. droog gras, brandstof.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- Voordat u de motorkap opent, eerst de motor afzetten en voldoende laten afkoelen.
- De motorruimte van elke wagen is gevaarlijk en kan zware verwondingen veroorzaken pagina 162.
LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
△
Instrumenten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Overzicht van de instrumenten 18
Weergaven op het display 19
Service-intervalindicatie 20
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Waarschuwings- en controlelampjes ⇒ pagina 15
- Gegevens over service-intervallen brochure Serviceplan.

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kan dit ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit tijdens het rijden de knoppen in het instrumentenpaneel bedienen.
△
Overzicht van de instrumenten

Afbeelding 10 Instrumentenpaneel in het dashboard (variant 1)

Afbeelding 11 Instrumentenpaneel in het dashboard (variant 2)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 17 en volg deze op.
Uitleg over de instrumenten ⇒ Afbeelding 10 resp. ⇒ Afbeelding 11:
① Snelheidsmeter Afhankelijk van de wagen in km/h resp. in mph en km/h.
② Weergaven op het display ⇒ pagina 19.
③ Terugsteltoets voor de weergave van de dagteller (trip).
- Toets 0.0/SET kort indrukken, om tussen dagteller en kilometerteller te schakelen.
- Toets 0.0/SET gedurende ongeveer vijf seconden indrukken, om de dagteller en eventuele andere weergaven van de multifunctie-indicatie op nul te zetten ⇒ pagina 22.
④ Brandstofmeter ⇒ pagina 155
⑤ Toerenteller (omwentelingen x 1000 per minuut van de draaiende motor).
Het begin van het rode veld in de toerenteller geeft het voor alle versnellingen maximaal toelaatbare motortoerental aan voor een ingereden motor die op bedrijfstemperatuur is. Vóór het bereiken van dit gebied moet u opschakelen of de voet van het gaspedaal nemen ⇒ ⚫.
⑥ Steltoets voor de klok.
- Zo nodig naar de weergave van de tijd schakelen. Hiervoor op de boven- of onderzijde van de tuimelschakelaar Afbeelding 12 Ⓑ drukken.
- Toets 📋 indrukken, om de urenweergave te markeren, zodat deze knippert.
- Om de klok vooruit te zetten op de toets 0.0/SET drukken. Om snel door te laten lopen, de toets ingedrukt houden.
-
Opnieuw op de toets 📄 drukken, om naar de minutenweergave te gaan, zodat deze knippert.
-
Om de klok vooruit te zetten op de toets 0.0 / SET drukken. Om snel door te laten lopen, de toets ingedrukt houden.
- Opnieuw op de toets 📄 drukken, om het gelijkzetten van de klok af te sluiten.
LET OP
- Bij koude motor hoge toerentallen, volgas en sterke motorbelasting vermijden.
- De naald van de toerenteller mag slechts korte tijd in het rode veld staan. Anders kan er schade aan de motor ontstaan.

Vroeg opschakelen helpt brandstof te besparen en bedrijfsgeluiden te verminderen.
Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) → pagina 205 kunnen verdere instrumenten, zoals een buitentemperatuurmeter, worden weergegeven.
Weergaven op het display

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Op het display in het instrumentenpaneel ⇒ Afbeelding 10 ② resp. ⇒ Afbeelding 11 ② kan afhankelijk van de uitrusting van de wagen uiteen- lopende informatie worden weergegeven:
• Waarschuwingen en informatie
- Kilometertellers
• Tijd
- Buitentemperatuur
• Schakeladvies (schakelbak) ⇒ pagina 119
• Multifunctie-indicatie (MFA) ⇒ pagina 22
• Service-intervalindicatie → pagina 20
- Statusweergave van het start-stopsysteem
⇒ pagina 136
• Brandstofmeter → pagina 155 - Gordelstatusindicatie voor de zitplaatsen achterin ⇒ pagina 55
Waarschuwingen en informatie
Bij het inschakelen van het contact of tijdens het rijden worden enkele functies van de wagen en wagencomponenten gecontroleerd op hun toestand. Storingen worden door rode en gele waarschuwingssymbolen op het display in het instrumentenpaneel weergegeven (⇒ pagina 15) en zo nodig ook akoestisch gesignaleerd. Afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel kunnen de symbolen variëren.
| Soort melding | Sym-bool-kleur | Uitleg |
| Waarschuwingsmel-ding met prioriteit 1 | Rood | Symbool knippert of brandt – soms begeleid door waarschuwingstonen.😊 Niet verder rijden! Er is sprake van gevaar ⇒ ⚠!Functie met storing controleren en de oorzaak verhelpen. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen. |
| Waarschuwingsmel-ding met prioriteit 2 | Geel | Symbool knippert of brandt – soms begeleid door waarschuwingstonen. Storingen of een tekort aan bedrijfsvloeistoffen kunnen schade aan de wagen veroorzaken en tot het stilvallen van de wagen leiden! ⇒ ⚠!Functies met storing zo snel mogelijk controleren. Zo nodig de hulp van een specialist inroepen. |
Kilometertellers
De kilometerteller registreert de totaal afgelegde afstand van de wagen.
De dagteller (trip) geeft het aantal kilometers weer dat na de laatste keer terugzetten van de dagteller is afgelegd. De laatste positie geeft afstanden van 100 meter weer.
Buitentemperatuurmeter
Bij buitentemperaturen lager dan +4 °C (+39 °F) verschijnt in de buitentemperatuurmeter tevens een "ijskristalsymbool" (waarschuwing voor gladheid). Dit symbool knippert in het begin en brandt vervolgens tot de buitentemperatuur hoger is dan +6 °C (+43 °F) ⇒ ▲.
Als de wagen stilstaat of met zeer lage snelheid rijdt, kan de weergegeven temperatuur door stralingswarmte van de motor iets hoger zijn dan de werkelijke buitentemperatuur.
Het meetbereik is -40 °C (-40 °F) tot +50 °C (+122 °F).
Schakeladvies (schakelbak)
Op het display in het instrumentenpaneel kan tijdens het rijden een advies over de keuze van een brandstofbesparende versnelling weergegeven worden ⇒ pagina 119.
Gordelstatusindicatie voor de zitplaatsen achterin
De gordelstatusindicatie laat de bestuurder bij het inschakelen van het contact op het display in het instrumentenpaneel zien of de passagiers op de zitplaatsen achterin de veiligheidsgordel hebben omgegespt ⇒ pagina 55.
Statusweergave van het start-stopsysteem
Op het display in het instrumentenpaneel wordt informatie over de actuele status weergegeven ⇒ pagina 136.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. droog gras, brandstof.

WAARSCHUWING
Wegen en bruggen kunnen bij buitentemperaturen boven het vriespunt glad zijn.
- Ook bij buitentemperaturen boven +4 °C (+39 °F) wanneer er geen "ijskristalsymbool" wordt weergegeven, kan het glad zijn.
- Nooit alleen op de buitentemperatuurmeter vertrouwen!

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Er zijn verschillende instrumentenpanelen. Daarom kan de uitvoering en weergave van splays variëren.

Als er meerdere waarschuwingsmeldingen zijn, verschijnen de symbolen achtereenvolgedurende enkele seconden. De symbolen n verschijnen toldat de storing is verholpen.

Service-intervalindicatie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De servicesoort wordt weergegeven op het display in het instrumentenpaneel Afbeelding 10 resp. Afbeelding 11 ②.
Volkswagen maakt bij de servicetermijnen onder-scheid tussen servicesoorten met olie verversen, bv. Interval Service, en soorten zonder olie verversen, bv. Grote Onderhoud Service. De service-intervalindicatie informeert u alleen over de servicetermijnen, waarbij de olie wordt ververst. Alle andere servicetermijnen, zoals de volgende noodzake-
lijke Grote Onderhoud Service of Remvloeistof Service staan op de sticker op de portierstijl van de wagen of in het Serviceplan.
Er zijn vaste service-intervallen met Tijd- of afstandafhankelijke Service voorgeprogrammeerd.
Serviceherinnerning
Wanneer het binnenkort tijd is voor een servicebeurt, verschijnt bij het inschakelen van het contact een serviceherinnering in de vorm van een afgekorte tekst InSP en een aanduiding km. De kilometers die worden weergegeven zijn het maximaal aantal kilometers, die u nog kunt rijden tot de volgende servicebeurt.
Servicebeurt
Wanneer het tijd is voor een servicebeurt klinkt er bij het inschakelen van het contact een akoestisch signaal en verschijnt gedurende enkele seconden de knipperende afgekorte tekst inSP.

De servicemelding gaat na enkele seconden uit, bij draaiende motor of door op de OK- in de ruitenwisserhendel te drukken.

Als de massakabel van de accu gedurende langere tijd losgemaakt was, kan de tijd tot volgende servicebeurt niet worden berekend.erekende gegevens in de service-indicatie en daarom foutief zijn. In dat geval de maxi-toegestane service-intervallen opvolgen ochure Serviceplan.
△
Volkswagen informatiesysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Displayweergaven in het instrumentenpaneel bedienen 22 Multifunctie-indicatie (MFA) 22
Bij ingeschakeld contact kunnen via het display in het instrumentenpaneel verschillende weergaven worden opgevraagd.
Het aantal weergaven op het display in het instrumentenpaneel is afhankelijk van de wagenelektronica en het uitrustingsniveau van de wagen.
Een specialist kan afhankelijk van de wagenuitvoering meer functies programmeren of veranderen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Instrumentenpaneel ⇒ pagina 18
• Buitenspiegel ⇒ pagina 90
• Bestuurdershulpsystemen ⇒ pagina 136
• Radio ⇒ brochure Radio

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kan dit ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit tijdens het rijden de displayweergaven in het instrumentenpaneel oproepen.

Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd)
⇒ pagina 205 kunnen meer wagenfuncties worden weergegeven.
△
Displayweergaven in het instrumentenpaneel bedienen

Afbeelding 12 Ruitenwisserhendel: Toets Ⓐ om te bevestigen en tuimelschakelaar Ⓑ om van weergave te wisselen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Weergegeven punt oproepen
- Contact inschakelen.
- Als een melding of het wagenpictogram wordt weergegeven, op de OK/RESET-toets drukken (⇒ Afbeelding 12 Ⓐ).
- Op de boven- of onderzijde van de tuimelschakelaar Ⓑ drukken, tot de gewenste weergave wordt weergegeven.
△
Multifunctie-indicatie (MFA)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De multifunctie-indicatie (MFA) is uitgerust met twee automatisch werkende geheugens: 1 - ritgeheugen en 2 - reisgeheugen. Rechtsonder op het display staat het nummer van het weergegeven geheugen.
Bij ingeschakeld contact en weergegeven geheugen 1 of 2 op de OK-toets drukken om tussen de twee geheugens te schakelen.
| 1 | Ritgeheugen. | Het geheugen verzamelt van het inschakelen tot het uitschakelen van het contact de rit- en verbruiksgegevens.Als de rit langer dan twee uur wordt onderbroken, wordt het geheugen automatisch gewist. Als de rit binnen twee uur na uitschakelen van het contact wordt voortgezet, worden de nieuwe waarden toegevoegd. |
| 2 | Reisgeheugen. | Het geheugen verzamelt de ritgegevens van een vrij aantal afzonderlijke ritten afhankelijk van de uitvoering van het instrumentenpaneel tot in totaal 19 uur en 59 minuten rijtijd of 1999,9 km gereden kilometers resp. mijlen. Als een van deze maximumwaarden wordt overschreden, wordt het geheugen automatisch gewist en begint weer bij 0. |
Mogelijke weergaven
| Menu | Functie |
| Tijd | Actuele tijd in uren (h) en minuten (min). |
| Rijtijd | Rijtijd in uren (h) en minuten (min), die na het inschakelen van het contact is verstreken. |
| Actueel brandstofverbruik | De weergave van het actuele brandstofverbruik vindt tijdens het rijden plaats in l/100 km, bij draaiende motor en stilstaande wagen in l/h. |
| Gemiddeld verbruik | Het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km wordt na het inschakelen van het contact pas na ongeveer 100 meter weergegeven. Tot die tijd worden streepjes weergegeven. De weergegeven waarde wordt elke 5 seconden vernieuwd. |
| Actieradius | Geschatte afstand in km, die met de aanwezige tankinhoud bij gelijkblijvende rijstijl nog kan worden gereden. Voor de berekening wordt onder andere het actuele brandstofverbruik gebruikt. |
| Afgelegde afstand | De na het inschakelen van het contact gereden afstand in km. |
| Gemiddelde snelheid | De gemiddelde snelheid wordt na het inschakelen van het contact pas na ca. 100 meter weergegeven. Tot die tijd worden streepjes weergegeven. De weergegeven waarde wordt elke 5 seconden vernieuwd. |
| Digitale snelheidsweergave | Actuele snelheid digitaal weergegeven. |
| Digitale koelvloeistoftemperatuurmeter | Actuele koelvloeistoftemperatuur digitaal weergegeven. |
| Waarschuwing bij --- km/h | Als de opgeslagen snelheid wordt overschreden (tussen 30 km/h (18 mph) en 250 km/h (155 mph)) wordt een akoestische en eventueel ook een optische waarschuwing weergegeven. |
Tussen de weergaven wisselen
- Tuimelschakelaar in de ruitenwisserhendel indrukken Afbeelding 12 (B).
Snelheid voor de snelheidswaarschuwing opslaan
• Waarschuwing bij --- km/h kiezen.
- Op de OK-toets in de ruitenwisserhendel drukken om de actuele snelheid op te slaan en de waarschuwing te activeren.
- Zo nodig binnen ca. 5 seconden met de tuimelschakelaar in de ruitenwisserhendel of de toetsen △ of ▽ op het multifunctiestuurwiel de gewenste
snelheid instellen. Daarna opnieuw op OK drukken of enkele seconden wachten. De snelheid is opgeslagen en de waarschuwing is geactiveerd.
- Om te deactiveren op OK drukken. De opgeslagen snelheid wordt gewist.
- Het geheugen kiezen, dat u wilt wissen.
- OK-toets circa twee seconden ingedrukt houden.
Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd)⇒ pagina 205 kunnen meer functies van de multi-functie-indicatie worden weergegeven.
Voor het rijden
Voordat u wegrijdt
Aanwijzingen voor het rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorbereidingen voor het rijden en rijveiligheid 24
Rijden in het buitenland 25
Rijden over ondergelopen wegen 26
Afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de wagen kan het zinvol zijn om een bodembescherming te laten inbouwen. Een bodembescherming kan het risico van beschadigingen van de onderzijde van de wagen en de carterpan verminderen, wanneer bijvoorbeeld regelmatig over stoepranden, oprijlanen of onverharde wegen wordt gereden. Volkswagen adviseert de inbouw ervan door uw Volkswagen Partner te laten uitvoeren.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veilig en op de juiste wijze zitten ⇒ pagina 46
• Transporteren ⇒ pagina 92
- Starten, schakelen, parkeren ⇒ pagina 115
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 131
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 215

WAARSCHUWING
Rijden onder invloed van alcohol, drugs, medicamenten en andere verdovende middelen kan zware ongevallen en dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- Alcohol, drugs, medicamenten en andere verdovende middelen kunnen uw waarneming, reactietijden en rijveiligheid aanzienlijk beïnvloeden, wat het verlies van de controle over de wagen tot gevolg kan hebben.
△
Voorbereidingen voor het rijden en rijveiligheid

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 24 en volg deze op.
Checklist
Voor uw eigen veiligheid, de veiligheid van alle passagiers en die van andere verkeersdeelnemers dient u de volgende punten vóór en tijdens elke rit in acht te nemen ⇒ ⚠:
Foutloze werking van de verlichting en knipperlichten controleren.
Bandenspanning (⇒ pagina 193) en brandstofvoorraad (⇒ pagina 155) controleren.
Voor een helder en goed zicht door alle ruiten zorgen.
√ Voorwerpen en bagage veilig in de opbergvakken, in de bagageruimte en eventueel op het dak bevestigen ⇒ pagina 92.
De pedalen moeten altijd ongehinderd kunnen worden ingetrapt.
√ Kinderen in de wagen met een voor lichaamsgewicht en -lengte geschikt veiligheidssysteem veilig vastzetten ⇒ pagina 72.
√ Voorstoelen, hoofdsteunen en spiegels overeenkomstig uw lichaamslengte op de juiste wijze instellen ⇒ pagina 46, ⇒ pagina 90.
Schoenen aantrekken, die uw voeten een goede grip geven voor de bediening van de pedalen.
Checklist (vervolg)
√ De vloermat in de voetenruimte aan bestuurderszijde moet het pedaalbereik vrijlaten en goed zijn vastgemaakt.
Juiste zithouding voor het rijden aannemen en tijdens het rijden behouden. Dat geldt ook voor de passagiers => pagina 46.
√ Veiligheidsgordel voor het rijden op juiste wijze omgespen en tijdens het rijden omgegespt laten. Dat geldt ook voor de passagiers ⇒ pagina 55.
√ Niet meer personen meenemen dan er zitplaatsen en veiligheidsgordels zijn.
√ Niet rijden als de rijvaardigheid bijvoorbeeld door medicijnen, alcohol of drugs negatief beïnvloed wordt.
√ Nooit laten afleiden van het verkeer bijvoorbeeld door instellingen en het oproepen van menu's, door passagiers of telefoongesprekken.
Snelheid en rijstijl altijd aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
√ Verkeersregels opvolgen en aangegeven snelheden aanhouden.
√ Op lange ritten regelmatig pauzeren - ten minste eens in de twee uur.
Dieren veilig vervoeren in de wagen met behulp van een systeem dat overeenkomt met het gewicht en formaat van de dieren.

WAARSCHUWING
Altijd de verkeersregels en snelheidsbeperkingen in acht nemen en anticiperend rijden. Een juiste inschatting van de rijsituatie kan het verschil maken tussen het veilig bereiken van de reisbestemming en een ongeval met zware verwondingen.

Regelmatig onderhoud aan de wagen is niet alleen nodig voor het behoud van de wagen, ook voor de bedrijfs- en verkeersveiligheid.
Laat daarom de onderhoudswerkzaamheden zoals beschreven in het Serviceplan uitvoeren. Bij zware gebruiksomstandigheden kan het nodig zijn dat sommige werkzaamheden eerder dan de volgende service moeten worden uitgevoerd. Zware bedrijfsomstandigheden zijn bijvoorbeeld vaak stoppen en optrekken, rijden in gebieden met veel stof. Meer informatie is verkrijgbaar bij een Volkswagen Partner of een specialist.
Rijden in het buitenland

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 24 en volg deze op.
Checklist
In bepaalde landen gelden speciale veiligheidsnormen en voorschriften met betrekking tot uitlaatgassen die van de productieversie van de wagen kunnen afwijken. Volkswagen adviseert om vóór een buitenlandse rit bij uw Volkswagen Partner informatie in te winnen over wettelijke voorschriften en de volgende punten in het land van uw bestemming:
√ Moet de wagen technisch op de buitenlandse rit worden voorbereid, bijvoorbeeld de koplampen afplakken?
Zijn de benodigde gereedschappen, diagnoseapparaten en onderdelen voor service- en reparatiewerkzaamheden beschikbaar?
Zijn er in het buitenland Volkswagen Partners beschikbaar?
√ Voor benzinemotoren: is er loodvrije benzine met een toereikend octaangetal verkrijgbaar?
Zijn de juiste motorolie (=pagina 167) en andere bedrijfsvloeistoffen volgens de specificaties van Volkswagen beschikbaar in het land van de bestemming?
Checklist (vervolg)
√ Functioneert het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) → pagina 205 met de beschikbare navigatiegegevens in het land van de bestemming?
Zijn speciale banden nodig voor het rijden in het land van bestemming?
LET OP
Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan uw wagen die het gevolg is van minderwaardige brandstof, ontoereikende service of een gebrek aan originele onderdelen.
Rijden over ondergelopen wegen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Om beschadigingen aan de wagen bij het rijden over bijvoorbeeld overstroomde wegen te voorkomen, op het volgende letten:
- Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen. Het water mag maximaal tot aan de onderzijde van de carrosserie komen ⇒①.
- Niet harder dan stapvoets rijden.
- Nooit in het water stil blijven staan, achteruitrijden of de motor afzetten.
- Tegemoetkomende wagens veroorzaken golven, waardoor de toegestane waterhoogte voor de eigen wagen kan worden overschreden.
- Bij het rijden door water het start-stopsysteem altijd uitschakelen.
⚠ WAARSCHUWING
Na het rijden door water, modder enz. kan de remwerking vanwege de natte en in de winter bevroren remschijven en remblokken beïnvloed worden en de remweg langer worden.
- Voorzichtig remmen om de remmen "droog en ijsvrij te remmen". Daarbij geen verkeersdeelnemers in gevaar brengen of wettelijke voorschriften overtreden.
- Na door water te zijn gereden abrupte en plotselinge remmanoeuvres vermijden.
LET OP
- Bij het rijden door water kunnen onderdelen van de wagen zoals bijvoorbeeld motor, versnellingsbak, onderstel of elektrische installatie ernstig worden beschadigd.
- Niet door zout water rijden, want zout kan corrosie veroorzaken. Alle onderdelen van de wagen die met zout water in aanraking zijn gekomen, onmiddellijk met zoet water afspoelen.
Technische gegevens

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Kenmerkende wagengegevens 27
Motorgegevens 28
Afmetingen 28
Rijprestaties 29
Met welke motor uw wagen is uitgerust, kunt u ook zien op de sticker met wagengegevens in het Serviceplan resp. in het kentekenbewijs.
U moet altijd uitgaan van de gegevens in het kentekenbewijs. Alle gegevens in deze handleiding gelden voor het basismodel. Door meeruitvoeringen of verschillende type-uitvoeringen en ook bij speciale wagens en wagens voor andere landen kunnen de aangegeven waarden afwijken.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Transporteren ⇒ pagina 92
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 131
• Brandstof ⇒ pagina 159
• Motorolie ⇒ pagina 167
• Motorkoelvloeistof ⇒ pagina 171
• Velgen en banden ⇒ pagina 193
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 215

WAARSCHUWING
Het negeren of overschrijden van de aangegeven waarden voor gewichten, belading, afmetingen en topsnelheid kan ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben.

Kenmerkende wagengegevens

other
| Label | Value | |---|---| | 1 | 1674 16-5-0471 188 55 wuwzzz3c z 9E134769 | | 2 | 3C2 5LD PASSAT Lim. TREND 147kW D6F | | 3 | CBFA KPZ LA7W QQ | | 4 | BOA C1G GOK HD8 JON D91 1AT 162 2ZB 5RO SSL TQ3 JS2 8TC QGO 8AY 8GU 8RM 1ZM L02 OVD Q07 7M8 |
Afbeelding 13 A: Sticker met wagengegevens: Op de voorbeeldafbeelding met motorcode CBFA ③. B: Typeplaatje

Afbeelding 14 Chassisnummer

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Chassisnummer
Het chassisnummer kan van buitenaf door een kijkvenster in de voorruit worden afgelezen ⇒ Afbeelding 14. Het kijkvenster zit aan de zijkant onderaan op de voorruit. Het chassisnummer is tevens ingeslagen in de rechterveerpootsteun. Om bij het chassisnummer te komen, moet u de motorkap openen △ ⇒ pagina 162.
Sticker met wagengegevens
De sticker met wagengegevens Afbeelding 13 A is bij de uitsparing voor het reservewiel in de bagageruimte geplakt en bevat de volgende gegevens:
① Chassisnummer
② Model, motorvermogen, versnellingsbak
③ Motor- en versnellingsbakcode, laknummer, interieuruitvoering. In het voorbeeld luidt de motorcode "CBFA" = Afbeelding 13 A.
④ Meeruitvoeringen, PR-nummers
Deze wagengegevens vindt u ook in het Serviceplan.
Typeplaatje
Het typeplaatje Afbeelding 13 B is na het openen van het bestuurdersportier te zien onder op de portierstijl. Wagens voor bepaalde landen hebben geen typeplaatje.
Het typeplaatje bevat de volgende gegevens:
⑤ Maximaal toegestaan gewicht
⑥ Toegestane voorasbelasting
⑦ Toegestane achterasbelasting
△
Motorgegevens

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Om toelatingstechnische resp. belastingtechnische redenen kunnen vermogens en rijprestaties van sommige motoren in andere landen afwijken van de gegevens in deze brochure.
Benzinemotoren
| Motorvermogen | MC | Maximaal koppel | Aantal cilinders, cilinderinhoud |
| 44 kW bij 5000 – 6000 1/min | CHYA | 95 Nm bij 3000 – 4300 1/min | 3 cilinders, 999 cm^3 |
| 55 kW bij 6200 1/min | CHYB | 95 Nm bij 3000 – 4300 1/min | 3 cilinders, 999 cm^3 |
△
Afmetingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 27 en volg deze op.
| Lengte | 3540 mm |
| Breedte | 1641 – 1645 mm |
| Hoogte bij leeggewicht | 1478 – 1489 mm |
▶
| Wielbasis | 2407 mm |
| Minimale draaicirkel ^a) | Ongeveer 9,8 m |
| Spoorbreedte ^a) vooraan | 1412 – 1428 mm |
| Spoorbreedte ^a) achteraan | 1408 – 1424 mm |
| Bodemvrijheid bij maximaal toegestaan gewicht | 109 mm |
a) Afhankelijk van velgen- en bandenmaat zijn afwijkingen mogelijk.
LET OP
- Parkeerplaatsen met hoge stoepranden of vaste begrenzingen voorzichtig in rijden. Deze uit de bodem stekende voorwerpen kunnen bij het in- en uitparkeren de bumper en andere wagenonderdelen beschadigen.
LET OP (vervolg)
- Rij voorzichtig over perceelinritten, opritten, stoepranden en andere voorwerpen. Laaggelegen wagenonderdelen zoals bumpers, spoilers en delen van het onderstel, de motor of het uitlaatsysteem kunnen bij het eroverheen rijden worden beschadigd.
Rijprestaties

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Om toelatingstechnische resp. belastingtechnische redenen kunnen vermogens en rijprestaties van sommige motoren in andere landen afwijken van de gegevens in deze brochure.
Benzinemotoren
| Motorvermogen | MC | Soort versnellingsbak | Topsnelheid |
| 44 kW | CHYA | SB5 | 160 km/h (100 mph)a) |
| 55 kW | CHYB | SB5 | 171 km/h (106 mph)a) |
a) De topsnelheid wordt in de 4e versnelling bereikt.

De rijprestaties zijn bepaald zonder prestatie- remmende meeruitvoeringen zoals dakdra-
gers of spatlappen.
△
Open en dicht
Sleutelset

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Sleutels 31
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Instellingen via het Volkswagen informatiesysteem pagina 22
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 34
• Motor starten en afzetten ⇒ pagina 115
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 215
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225

GEVAAR
Als batterijen met een diameter van 20 mm of andere lithiumbatterijen ingeslikt worden, kunnen binnen zeer korte tijd zware of zelfs dodelijke verwondingen ontstaan.
- De sleutel, alsmede sleutelhangers met batterijen, reservebatterijen, knoopcellen en andere batterijen, die groter zijn dan 20 mm buiten het bereik van kinderen bewaren.

GEVAAR (vervolg)
- Direct de hulp van een arts inroepen als u het vermoeden heeft, dat een batterij is ingeslikt.

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de sleutel of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Kinderen of onbevoegde personen kunnen de portieren en achterklep vergrendelen, de motor starten of het contact inschakelen en hierdoor de elektrische uitrustingen, zoals de ruitbediening, bedienen.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen alleen achter in de wagen. Deze zijn in een noodgeval niet in staat, de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden. Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken zo- lang de wagen in beweging is. Het stuurslot kan vergrendelen en de wagen kan niet meer worden bestuurd.

Afbeelding 15 Sleutel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pagina 30 en volg deze op.
Sleutels
Met de sleutel kan de wagen op afstand worden ont- en vergrendeld ⇒ pagina 34.
De zender met de batterij zit in de sleutel. De ontvanger zit in het interieur van de wagen. Het bereik van de sleutel bedraagt bij volle batterij enkele meters rondom de wagen.
Als de wagen niet met de sleutel ont- of vergren-deld kan worden, moet de sleutel opnieuw worden gesynchroniseerd ⇒ pagina 33 of de batterij van de sleutel worden vervangen ⇒ pagina 33.
Er kunnen meerdere sleutels worden gebruikt.
Sleutelbaard uit- en inklappen
Als u knop ⇒ Afbeelding 15 Ⓐ indrukt, wordt de sleutelbaard ontgrendeld en klapt deze naar buiten.
Om in te klappen de knop indrukken en tegelijkertijd de sleutelbaard terugdrukken, tot deze vergrendelt.
Reservesleutels
Voor de aanschaf van reservesleutels heeft u het chassisnummer van de wagen nodig. Elke nieuwe sleutel moet een microchip bevatten en met de gegevens van de elektronische wegrijblokkering van de wagen worden gecodeerd. Een sleutel werkt niet, als deze geen microchip bevat of een microchip die niet gecodeerd is. Dit geldt ook voor sleutels die passend gefreesd zijn.
Nieuwe sleutels of reservesleutels zijn verkrijgbaar bij de Volkswagen Partner, bij specialisten of geautoriseerde sleuteldiensten, die gekwalificeerd zijn om een dergelijke sleutel te maken.
Nieuwe sleutels en vervangende sleutels moeten vóór gebruik worden gesynchroniseerd ⇒ pagina 33.

LETOP
Elke sleutel bevat elektronische onderdelen. Sleutel tegen beschadigingen, vocht en sterke schokken beschermen.

Knoppen op de sleutel alleen indrukken als u de betreffende functie daadwerkelijk nodig. Als een knop onnodig wordt ingedrukt, kan toe leiden dat de wagen onbedoeld wordt ont-deld of een alarm geactiveerd wordt. Dit geldt als u denkt dat u zich buiten het werkingsge-bevindt.

De werking van de sleutel kan door andere zenders in de buurt van de wagen, die in het- e frequentiebereik werken (bv. zendappara- mobiele telefoons), tijdelijk worden beïnvloed.

Obstakels tussen de sleutel en de wagen, slechte weersomstandigheden en leegraken- atterijen verminderen het zendbereik.

Als u de knoppen op de sleutel Afbeelding 15 of een van de knoppen voor centrale verdeling pagina 34 binnen korte tijd meerderen achter elkaar bedient, schakelt de centra-grendeling zichzelf kort uit, om zich tegen belasting te beschermen. De wagen is dan endeld. Wagen zo nodig vergrendelen.
Mechanische sleutel

Afbeelding 16 Mechanische sleutel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa- en volg deze op.
Bij de sleutelset kan een mechanische sleutel zitten ⇒ Afbeelding 16.
Reservesleutels
Voor de aanschaf van reservesleutels heeft u het chassisnummer van de wagen nodig.
Elke nieuwe sleutel moet een microchip bevatten en met de gegevens van de elektronische wegrijblokkering van de wagen worden gecodeerd. Een sleutel werkt niet, als deze geen microchip bevat of een microchip die niet gecodeerd is. Dit geldt ook voor sleutels die passend gefreesd zijn.
Nieuwe sleutels of reservesleutels zijn verkrijgbaar bij de Volkswagen Partner, bij specialisten of geautoriseerde sleuteldiensten, die gekwalificeerd zijn om een dergelijke sleutel te maken.
Nieuwe sleutels en vervangende sleutels moeten voor gebruik worden gesynchroniseerd ⇒ pagina 33.
Controlelampje in sleutel

Afbeelding 17 Controlelampje in sleutel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen △ op pa- en volg deze op.
Als een knop op de sleutel kort wordt ingedrukt, knippert het controlelampje Afbeelding 17 (pijl) eenmaal kort. Drukt u een knop langer in, dan knippert het controlelampje een paar keer, bv. bij het comfortopenen van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak.
Als het controlelampje in de sleutel bij het indrukken van de knop niet gaat branden, moet de batterij in de sleutel worden vervangen ⇒ pagina 33.
△

Afbeelding 18 Sleutel: Deksel van batterijvak openen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Volkswagen adviseert, het vervangen van de batterij door een specialist te laten uitvoeren.
De batterij zit aan de achterzijde van de sleutel onder een afdekking.
Batterij vervangen
- Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 31.
- Afdekking aan de achterzijde van de sleutel Afbeelding 18 in pijlrichting verwijderen Ⓐ.
- Batterij met een geschikt dun voorwerp uit het batterijvak wippen Afbeelding 19.
- Nieuwe batterij zoals afgebeeld plaatsen Afbeelding 19 en tegen de pijlrichting in in het batterijvak drukken ①.
- Afdekking zoals afgebeeld aanbrengen ⇒ Afbeelding 18 en tegen de pijlrichting in op de sleutel drukken tot deze vastklikt.

Afbeelding 19 Sleutel: Batterij verwijderen

LET OP
- Als de batterij niet goed wordt vervangen, kan de sleutel beschadigd raken.
- Ongeschikte batterijen kunnen de sleutel beschadigen. Lege batterijen alleen vervangen door nieuwe batterijen met dezelfde spanning, grootte en specificatie.
- Let bij het aanbrengen van de batterij op de juiste polariteit.

Ontladen batterijen op de daarvoor bestemde plaatsen inleveren.
Sleutel synchroniseren

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
Als u de knop 📞 vaak indrukt buiten het werkingsgebied, kunt u de wagen mogelijk niet meer ont- en vergrendelen met de sleutel. In dit geval moet de sleutel als volgt opnieuw worden gesynchroniseerd:
- Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 31.
- Knop in de sleutel indrukken. Hierbij vlak bij de wagen gaan staan.
- De wagen binnen een minuut met de uitgeklapte sleutelbaard ontgrendelen. De synchronisatie is afgerond.
Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Beschrijving van de centrale vergrendeling .. 34
Wagen van buitenaf ont- of vergrendelen .... 35
Wagen van binnenuit ont- of vergrendelen ... 36
Safebeveiliging 37
De centrale vergrendeling werkt alleen dan zoals voorgeschreven, als alle portieren en de achter-klep volledig zijn gesloten. Bij geopend bestuurder-sportier kan de wagen niet met de sleutel worden vergrendeld.
Langere perioden van stilstand van een ontgren- delde wagen (bv. in de eigen garage) kunnen ertoe leiden, dat de accu ontladt en de motor niet meer kan worden gestart.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Sleutelset ⇒ pagina 30
• Portieren ⇒ pagina 38 - Achterklep ⇒ pagina 39
• Elektrische ruitbediening ⇒ pagina 42 - Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak
⇒ pagina 43
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de centrale vergrendeling kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De centrale vergrendeling vergrendelt alle portieren. Een van binnenuit vergrendelde wagen voorkomt onbedoeld openen van de portieren en binnendringen door onbevoegde personen. In geval van nood of bij een ongeval maken vergrendelde portieren het voor hulpverleners echter moeilijker om in het interieur te komen om de personen te helpen.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen. Met de knop voor centrale vergrendeling kunnen alle portieren van binnenuit worden vergrendeld. Dat kan ertoe leiden, dat ze zichzelf in de wagen insluiten. Ingesloten personen kunnen aan zeer hoge of zeer lage temperaturen worden blootgesteld.
- Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Nooit personen in een vergrendelde wagen achterlaten. Deze zijn in een noodgeval niet in staat, de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden.
Beschrijving van de centrale vergrendeling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De centrale vergrendeling maakt centraal ont- en vergrendelen van alle portieren en de achterklep mogelijk:
• Van buitenaf met de sleutel ⇒ pagina 35.
- Van binnenuit met de knop voor centrale vergrendeling pagina 36
Een specialist kan bijzondere functies van de centrale vergrendeling in- of uitschakelen.
De portieren en de achterklep kunnen bij uitval van de sleutel of de centrale vergrendeling handmatig worden ont- resp. vergrendeld.
Wagen na een airbagactivering vergrendelen Wanneer de airbags bij een ongeval worden geactiveerd, wordt de gehele wagen ontgrendeld. Afhankelijk van de mate van de beschadiging kan de wagen na het ongeval als volgt worden vergrendeld.
| Functie | Handeling |
| Wagen met de knop voor centrale vergrendeling vergrendelen: | - Contact uitschakelen.- Eén wagenportier eenmalig openen.- Knop voor centrale vergrendeling Ⓤ indrukken. |
| Wagen met de sleutel vergrendelen: | - Contact uitschakelen.OF: Sleutel uit het contact trekken.- Eén wagenportier eenmalig openen.- Wagen met de sleutel vergrendelen. |
Als u de knoppen op de sleutel => pagina 30 of een van de knoppen voor centrale vergrendeling => Afbeelding 22 binnen korte tijd meerdere keren achter elkaar bedient, schakelt de centrale vergrendeling zichzelf kort uit, om zich tegen
overbelasting te beschermen. De wagen is dan gedurende ongeveer 30 seconden ontgrendeld. Als u gedurende deze tijd noch een portier noch de achterklep opent, wordt de wagen aansluitend automatisch vergrendeld.
Wagen van buitenaf ont- of vergrendelen

Afbeelding 20 Knoppen op de sleutel

Afbeelding 21 Mechanische sleutel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 34 en volg deze op.
Centrale vergrendeling
| Functie | Handeling met de knoppen op de sleutel ⇒ Afbeelding 20 | Handeling met de sleutel ⇒ Afbeelding 20 in de slotcilinder of met de mechanische sleutel ⇒ Afbeelding 21 |
| Wagen ontgrendelen. | Knop ⚫ indrukken. | Sleutel in de slotcilinder van het bestuurder-sportier steken en linksom draaien. |
| Wagen vergrendelen. | Knop ⚪ indrukken. | Sleutel in de slotcilinder van het bestuurder-sportier steken en rechtsom draaien. |
| Achterklep ontgrendelen. | Knop ⚫ indrukken ⇒ pagina 39. | Sleutel in de slotcilinder van het bestuurder-sportier steken en linksom draaien. |
Let op: afhankelijk van de door de specialist ingestelde functie van de centrale vergrendeling worden pas bij tweemaal indrukken van de knop al-le portieren en de achterklep ontgrendeld.
De sleutel ont- of vergrendelt de wagen alleen, als de batterij voldoende vermogen heeft en de sleutel zich in een bereik van enkele meters rond de wagen bevindt.
- Bij het vergrendelen van de wagen knipperen alle knipperlichten ter bevestiging eenmaal.
- Bij het ontgrendelen van de wagen knipperen alle knipperlichten ter bevestiging tweemaal.
Als de knipperlichten niet ter bevestiging knippe- ren, is ten minste één van de portieren of de ach- terklep niet goed gesloten.
Bij geopend bestuurdersportier kan de wagen niet met de sleutel worden vergrendeld. Als de wagen wordt ontgrendeld en noch een portier noch de achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen
na enkele seconden weer automatisch. Deze functie voorkomt dat de wagen onbedoeld continu is ontgrendeld.
| Functie | Handeling met de mechanische sleutel ⇒ Afbeelding 21 in de slotcilinder |
| Bestuurdersportier en achterklep ont- en vergrendelen. | Om te ontgrendelen, sleutel in de slotcilinder van het bestuurder-sportier steken en linksom draaien. |
| Om te vergrendelen, sleutel in de slotcilinder van het bestuurder-sportier steken en rechtsom draaien. |
Een geopend bestuurdersportier kan niet met de sleutel worden vergrendeld.

Wagen van binnenuit ont- of vergrendelen

Afbeelding 22 In het bestuurdersportier: Knop voor centrale vergrendeling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Centrale vergrendeling
Knop indrukken ⇒ Afbeelding 22:

Wagen ontgrendelen.

Wagen vergrendelen.
De knop voor centrale vergrendeling werkt zowel bij in- als ook bij uitgeschakeld contact alleen, als alle portieren gesloten zijn.
Als de wagen met de sleutel is vergrendeld, is de knop voor centrale vergrendeling buiten werking.
Wanneer de wagen met de knop voor centrale vergrendeling wordt vergrendeld, geldt het volgende:

Afbeelding 23 In het bijrijdersportier: Slotgreep voor mechanische vergrendeling
- Safebeveiliging wordt niet geactiveerd ⇒ pagina 37.
- Het is niet mogelijk om de portieren en de achterklep van buitenaf te openen, bijvoorbeeld bij het stilstaan voor een stoplicht.
- Portieren kunnen van binnenuit worden ont-grendeld en geopend door aan de slotgreep te trekken. Zo nodig moet herhaaldelijk aan de slot-greep worden getrokken.
- Een geopend bestuurdersportier wordt niet meevergrendeld. Daardoor wordt voorkomen dat de bestuurder zichzelf buitensluit.
De portieren worden vergrendeld door de slot-greep in te drukken, zodat de rode markering zicht-baar wordt ⇒ Afbeelding 23 ①.
Om een portier te ontgrendelen aan de betreffende slotgreep trekken.
Als de wagen wordt vergrendeld, geldt het volgende:
- Safebeveiliging wordt niet geactiveerd ⇒ pagina 37.
-
Het is niet mogelijk om de portieren buitenaf te openen, bijvoorbeeld bij het stilstaan voor een verkeerslicht.
-
Portieren kunnen van binnenuit worden ont-grendeld en geopend door aan de slotgreep te trekken.
- Een geopend bestuurdersportier kan niet worden vergrendeld. Daardoor wordt voorkomen dat de bestuurder zichzelf buitensluit.
△
Safebeveiliging

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 34 en volg deze op.
| Functie | Handeling |
| Wagen vergrendelen en safebeveiliging activeren | Eenmaal de knop op de sleutel indrukken. |
| Wagen vergrendelen zonder de safebeveiliging te activeren. | Tweemaal de knop op de sleutel indrukken. |
| Knop voor centrale vergrendeling in het bestuurder-sportier eenmaal indrukken. |
De safebeveiliging stelt bij vergrendelde wagen de portiergrepen buiten werking, om inbraakpogingen aan de wagen te bemoeilijken. De portieren kunnen niet meer van binnenuit worden geopend

Als de safebeveiliging is gedeactiveerd, geldt het volgende:
- De wagen kan van binnenuit met de slotgreep worden ontgrendeld en geopend.
Controlelampje in het bestuurdersportier
| Na het vergrendelen van de wagen: | Betekenis |
| Rode ledlampje knippert gedurende ongeveer twee secon- den met korte tussenpozen, daarna langzamer. | Safebeveiliging is geactiveerd. |
| Rode ledlampje knippert gedurende ongeveer twee secon- den en gaat uit. Na ongeveer 30 seconden knippert het lampje weer. | Safebeveiliging is gedeactiveerd. |
| Rode ledlampje knippert gedurende ongeveer twee secon- den met korte tussenpozen. Daarna brandt het lampje ge- durende ongeveer 30 seconden permanent. | Storing in het vergrendelingssysteem. Speci- alist opzoeken. |

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de safebeveiliging of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit personen in de wagen achterlaten, als de wagen met de sleutel wordt vergrendeld. Bij geactiveerde safebeveiliging kunnen de portieren van binnenuit niet meer worden geopend!

WAARSCHUWING (vervolg)
- Vergrendelde portieren maken het voor hulpverleners in noodgevallen moeilijk om in het interieur te komen en de personen te helpen. Ingesloten personen zouden in een noodgeval niet door ontgrendelen van de portieren uit de wagen kunnen komen.
△
Portieren

Inleiding voor het onderwerp
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Sleutelset ⇒ pagina 30
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 34
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten portier kan tijdens het rijden plotseling opengaan en zware verwondingen veroorzaken.
- Direct stoppen en het portier sluiten.
- Let er bij het sluiten op, dat het portier goed en volledig sluit. Het gesloten portier moet vlak aansluiten op de carrosseriedelen eromheen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Portieren alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.

WAARSCHUWING
Een met de portiervanger opengehouden portier kan bij harde wind en op hellingen vanzelf sluiten en verwondingen veroorzaken.
- Portieren bij het openen en sluiten altijd bij de portiergreep vasthouden.

Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd)
⇒ pagina 205 kan worden aangegeven of ten minste één portier geopend of niet goed gesloten is.

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Achterklep openen 40
Achterklep sluiten 41
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten pagina 6
• Centrale vergrendeling ⇒ pagina 34
• Transporteren ⇒ pagina 92
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht ontgrendelen, openen of sluiten van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Achterklep alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.
- Achterklep nooit met de hand op de achterruit dichtdrukken. De achterruit zou kunnen versplinteren en verwondingen veroorzaken.
- Na het sluiten van de achterklep controle-ren, of deze zoals voorgeschreven gesloten en vergrendeld is, zodat de achterklep tijdens het rijden niet vanzelf open kan gaan. De gesloten achterklep moet vlak aansluiten op de carrosserieedelen eromheen.
- De achterklep tijdens het rijden altijd gesloten houden, zodat er geen giftige uitlaatgassen in het interieur kunnen binnendringen.
- Nooit de achterklep openen, als daaraan lading zit, bijvoorbeeld op een bagagedrager. Ook gaat de achterklep mogelijk niet vanzelf

WAARSCHUWING (vervolg)
open, als daaraan lading, bijvoorbeeld fiet- sen, bevestigd is. Een geopende achterklep kan door het extra gewicht vanzelf omlaag- gaan. Zo nodig de achterklep ondersteunen of de lading van tevoren verwijderen.
- De achterklep en alle portieren sluiten en vergrendelen, als de wagen niet wordt gebruikt. Overtuig u ervan dat niemand in de wagen achterblijft.
- Nooit kinderen zonder toezicht in en aan de wagen laten spelen, vooral als de achterklep is geopend. Kinderen kunnen in de bagageruimte komen, de achterklep sluiten en zichzelf zo insluiten. Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen. Deze kunnen met de sleutel of de knop voor centrale vergrendeling de wagen vergrendelen en zichzelf daardoor insluiten.

LET OP
Vóór het openen van de achterklep controleren, of er voldoende vrije ruimte voor het openen en sluiten van de achterklep aanwezig is, bijvoorbeeld in garages.

Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd)
⇒ pagina 205 kan worden aangegeven of de achterklep geopend of niet goed gesloten is.
△

Afbeelding 24 Op de sleutel: Knop voor ontgren- delen en openen van de achterklep

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Wanneer er zich bijvoorbeeld fietsen op een ge- monteerde bagagedrager aan de achterklep bevin- den, kan de achterklep mogelijk niet opengaan ⇒ ▲. Lading van de bagagedrager verwijderen en geopende achterklep ondersteunen.
Met centrale vergrendeling openen
- Ongeveer een seconde op knop op de sleutel Afbeelding 24 drukken om de achterklep te ontgrendelen.
- OF: Knop op de sleutel ingedrukt houden tot de achterklep vanzelf enkele centimeters open-gaat.
- Achterklep met de handgreep Afbeelding 25 openen.
Met mechanische sleutel openen
- Wagen resp. bestuurdersportier ontgrendelen ⇒ pagina 34.
- Knop ① indrukken en de achterklep aan de handgreep omhoogbrengen ②.

Afbeelding 25 Achterklep van buitenaf openen

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht ontgrendelen of openen van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij een op de achterklep gemonteerde bagagedrager met lading kan een ontgrendelde achterklep niet altijd als zodanig worden herkend. Een ontgrendelde achterklep kan tijdens het rijden plotseling open gaan.

Bij buitentemperaturen onder 0 °C (+32 °F) kunnen de gasdrukveren de achterklep niet automatisch openen. In dit geval de achtermet de hand naar boven duwen.
△

Afbeelding 26 Geopende achterklep: Handgreep voor dichttrekken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Achterklep sluiten
- In de handgreep in de binnenbekleding van de achterklep grijpen Afbeelding 26 (pijl).
- Achterklep met een zwaai omlaagtrekken, tot deze in het slot vastklikt.
- Door aan de achterklep te trekken controleren of deze ook goed is vastklikt.
Achterklep met centrale vergrendeling vergrendelen
Als de wagen wordt ontgrendeld en noch een portier noch de achterklep wordt geopend, vergrendelt de wagen na ongeveer 30 seconden weer automatisch. Deze functie voorkomt dat de wagen onbedoeld continu is ontgrendeld.
Vergrendelen is alleen bij goed gesloten en vast-geklikte achterklep mogelijk.
- Via de centrale vergrendeling wordt ook de achterklep vergrendeld.
- Als de achterklep van een vergrendelde wagen met de knop op de sleutel werd ontgrendeld, wordt deze na het sluiten direct weer vergrendeld.
- Een gesloten, maar niet vergrendelde achterklep wordt bij een snelheid boven ongeveer 9 km/h (6 mph) automatisch vergrendeld.
Achterklep met mechanische sleutel vergrendelen
Vergrendelen is alleen bij goed gesloten en vast-geklikte achterklep mogelijk.
- Sleutel in de slotcilinder van het bestuurder- sportier steken en rechtsom draaien ⇒ pagina 34.

WAARSCHUWING
Verkeerd of zonder toezicht sluiten van de achterklep kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit kinderen zonder toezicht in en aan de wagen laten spelen, vooral als de achterklep is geopend. Kinderen kunnen in de bagageruimte komen, de achterklep sluiten en zichzelf zo insluiten. In een afgesloten wagen kan het, afhankelijk van het jaargetijde, zo extreem warm worden of afkoelen dat dit tot zware verwondingen, ziekte of zelfs de dood kan leiden.
- Vergeet bij het sluiten van de achterklep niet, de handen tijdig uit het zwenkbereik van de achterklep te halen.

Vóór het sluiten van de achterklep controle- ren of de sleutel niet in de bagageruimte ligt.
△
Ruiten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruiten voorin elektrisch openen of sluiten ... 42
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 22
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 34

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van de elektrische ruitbediening of gebruik zonder toezicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Elektrisch bedienbare ruiten alleen openen of sluiten, als niemand zich in het werkingsgebied bevindt.
- Nooit kinderen of hulpbehoevende personen in de wagen achterlaten, als de wagen wordt vergrendeld. De ruiten kunnen in geval van nood niet meer worden geopend.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u de ruiten met de schakelaars in de portieren nog enige tijd openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.

LET OP
Bij geopende ruiten kan het interieur van de wagen door plotselinge neerslag nat worden en kan er schade aan de wagen ontstaan.

Ruiten voorin elektrisch openen of sluiten

Afbeelding 27 In de voorportieren: Schakelaar voor de ruitbediening

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Ruiten voorin openen of sluiten
| Functie | Handeling |
| Openen: | Schakelaarindrukken. |
| Sluiten: | Schakelaaromhoogtrekken. |
Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak openen of sluiten 44
Krachtbegrenzing van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak 45
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 34
• Dakdragersysteem ⇒ pagina 101

WAARSCHUWING
Onoplettend gebruik van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak of gebruik zonder toezicht kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak alleen openen of sluiten, als niemand zich in het werkingsgebied bevindt.
- Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u het elektrische glazen panoramaschuif-kan-teldak nog enige tijd openen of sluiten, zo-lang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.

LET OP
- Om beschadigingen te voorkomen, moet bij winterse temperaturen vóór het openen of omhoogzetten van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak het wagendak vrijgemaakt worden van ijs en sneeuw.
- Het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak vóór het verlaten van de wagen en bij beginnende neerslag altijd sluiten. Beginnende neerslag komt bij geopend of omhooggezet glazen panoramaschuif-kanteldak in het interieur en kan de elektrische installatie ernstig beschadigen. Dit zou kunnen leiden tot vervolgschade aan de wagen.

LET OP
Beginnende neerslag kan bij geopend glazen panoramaschuif-kanteldak het interieur doornat maken, stoelverwarmingen beschadigen en schade aan de elektrische installatie van de wagen tot gevolg hebben.

Bladeren en andere losse voorwerpen regel- matig met de hand of een stofzuiger uit de dingsrails van het elektrische glazen panorama- huif-kanteldak verwijderen.

Bij een storing in het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak werkt de krachtbegrenniet goed. Specialist opzoeken.
△
Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak openen of sluiten

Afbeelding 28 In de hemelbekleding: Schakelaar draaien om te openen of sluiten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.

Afbeelding 29 In de hemelbekleding: Schakelaar indrukken voor omhoogzetten en sluiten
Voor het omhoogzetten van het glazen panorama-schuif-kanteldak moet de draaischakelaar in basis-stand ① staan.
| Functie | ⇒ Afbeelding 28 resp.⇒ Afbeelding 29 | Handeling |
| Schuifdak geheel openschuiven: | 3 | Schakelaar langs stand 2 verder draaien en ingedrukt houden, totdat het glazen dak de gewenste stand bereikt heeft. |
| Schuifdak in comfort-stand zetten: | 2 | Schakelaar in de gewenste stand draaien. |
| Tussenstand instellen. | 2 tot 1 | |
| Schuifdak geheel slui-ten: | 1 | |
| Kanteldak geheel om-hoogzetten: | 4 | Schakelaar aan achterzijde kort indrukken. |
| Sluit-openingsauto-maat stoppen: | 4 resp. 5 | Schakelaar opnieuw kort indrukken of aantrekken. |
| Helemaal sluiten: | 5 | Schakelaar aan achterzijde kort aantrekken. |
Het glazen panoramaschuif-kanteldak werkt alleen bij ingeschakeld contact. Nadat het contact is uitgeschakeld, kunt u het glazen panoramaschuif-kanteldak nog enige tijd openen of sluiten, zolang het bestuurders- of bijrijdersportier niet wordt geopend.
Alle bewegingen worden onderbroken, zodra de draaischakelaar wordt bediend.
Als het niet mogelijk is het glazen panoramaschuif- kanteldak elektrisch te sluiten, moet het dak hand- matig worden gesloten. Het noodsluiten van het
panoramaschuif-kanteldak is niet mogelijk zonder een aantal wagenonderdelen uit te bouwen. De hulp van een specialist inroepen.
Schuifgordijn
Met de handgreep voorin bij de dakopening kan het schuifgordijn in de gewenste stand worden open- of dichtgeschoven.

De comfortstand maakt voldoende luchttoe- voer mogelijk terwijl gelijktijdig het windgeruis g is.
Krachtbegrenzing van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De krachtbegrenzing kan het gevaar voor verwondingen door knellen bij het sluiten van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak verminderen ▲. Als het glazen panoramaschuif-kanteldak bij het sluiten stroef verloopt of wordt tegengewerkt door een obstakel, gaat het dak meteen weer open.
- Controleren, waarom het glazen panorama-schuif-kanteldak niet is gesloten.
- Opnieuw proberen het glazen panoramaschuifkanteldak te sluiten.
- Als het glazen panoramaschuif-kanteldak nog steeds stroef sluit of door een obstakel niet kan worden gesloten, stopt het sluiten van het panoramaschuif-kanteldak in de betreffende stand. Daarna het glazen panoramaschuif-kanteldak zonder krachtbegrenzing sluiten.
Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak zonder krachtbegrenzing sluiten.
- Binnen ongeveer vijf seconden na het activeren van de krachtbegrenzing de schakelaar aantrekken Afbeelding 29 ⑤ tot het glazen panorama-schuif-kanteldak volledig is gesloten.
- Het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak sluit nu zonder krachtbegrenzing!
- Wanneer het glazen panoramaschuif-kanteldak nog steeds niet kan worden gesloten, een specialist opzoeken.
Als u de schakelaar tijdens het sluiten loslaat, openl het glazen panoramaschuif-kanteldak zich automatisch weer.

WAARSCHUWING
Het sluiten van het glazen panoramaschuif- kanteldak zonder krachtbegrenzing kan zwa- re verwondingen tot gevolg hebben.
- Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak altijd oplettend sluiten.
- Niemand mag zich in het werkingsgebied van het glazen panoramaschuif-kanteldak bevinden, met name als dit zonder krachtbegrenzing wordt gesloten.
- De krachtbegrenzing voorkomt niet dat vingers of andere lichaamsdelen tegen het dakframe worden gedrukt en daardoor kunnen worden verwond.
Veilig en op de juiste wijze zitten
Zithouding instellen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Gevaar door een verkeerde zithouding ..... 47
Juiste zithouding 48
Bedieningselementen van de voorstoel ..... 49
Hoofdsteunen achterin verstellen 50
Hoofdsteunen achterin uit- en inbouwen .... 51
Stand van het stuurwiel verstellen 52
Aantal zitplaatsen
Uw wagen heeft in totaal vier zitplaatsen: twee zitplaatsen voorin en twee zitplaatsen achterin. Elke zitplaats is uitgerust met een veiligheidsgordel.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Stoelfuncties ⇒ pagina 53
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 55
Airbagsysteem pagina 64
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 72
! WAARSCHUWING
Een verkeerde zithouding in de wagen kan bij plotselinge rij- en remmanoeuvres, bij een ongeval en bij activering van de airbags het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen vergroten.
- Voor het begin van de rit moeten alle inzittenden de juiste zithouding innemen en deze tijdens het rijden blijven aanhouden. Dit geldt ook voor het omgespen van de veiligheids-gordel.
- Nooit meer personen meenemen dan er zitplaatsen met veiligheidsgordels in de wagen aanwezig zijn.
- Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten ⇒ pagina 72, ⇒ pagina 64.
- Voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte houden. Voeten nooit op de stoel of het dashboard leggen resp. uit het raam steken. De airbag en de veiligheidsgordel kunnen anders niet beschermend werken, maar kunnen het risico van lichamelijk letsel bij een ongeval juist vergroten.
⚠ WAARSCHUWING
Vóór alle ritten altijd de stoel, de veiligheids-gordel en de hoofdsteunen juist verstellen en u ervan verzekeren dat alle passagiers de gordel juist omgegespt hebben.
- Bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven.
- Bestuurdersstoel zo verstellen dat er ten minste 25 cm ruimte tussen de borstkas en het midden van het stuurwiel is. Bestuurdersstoel zo in lengterichting verstellen, dat u de pedalen met licht gebogen benen geheel kunt intrappen en de afstand tot het dashboard bij de knieën ten minste 10 cm bedraagt. Als u om lichamelijke redenen niet aan deze eis kunt voldoen, neem dan beslist contact op met een specialist om eventueel speciale aanpassingen te laten aanbrengen.
- Nooit met te ver naar achteren gekantelde rugleuning rijden. Hoe sterker de rugleuning naar achteren gekanteld is, hoe groter het gevaar voor lichamelijk letsel is door een verkeerd gordelverloop of verkeerde zithouding.
- Nooit met naar voren gekantelde rugleuning rijden. Een geactiveerde voorairbag kan de rugleuning naar achteren slaan en de passagiers op de zitplaatsen achterin verwonden.
- De grootstmogelijke afstand tot het stuurwiel en het dashboard innemen en aanhouden.
- Altijd rechtop zitten met de rug tegen de rugleuning bij een juist ingestelde voorstoel. Geen lichaamsdelen op of in de buurt van de inbouwplaats van de airbag houden.
• Passagiers op de zitplaatsen achterin die niet rechtop zitten lopen een verhoogd risico van ernstig lichamelijk letsel, omdat de veiligheidsgordels hun werk dan niet goed kunnen doen.
⚠ WAARSCHUWING
Onjuist verstellen van de stoelen kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De stoelen alleen verstellen wanneer de wagen stilstaat, omdat de stoelen anders tijdens het rijden onverwachts kunnen verschuiven en u de controle over de wagen kunt verliezen. Bovendien wordt bij het verstellen een verkeerde zithouding ingenomen.
- De voorstoelen alleen in hoogte, kanteling en lengterichting verstellen, als zich niemand in het verstelbereik van de stoelen bevindt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het verstelbereik van de voorstoelen mag niet door voorwerpen worden beperkt.
△
Gevaar door een verkeerde zithouding

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Als de veiligheidsgordels niet gedragen of verkeerd omgegespt worden, wordt daarmee het risico van ernstig lichamelijk letsel of zelfs fatale verwondingen verhoogd. Veiligheidsgordels kunnen alleen bij juiste gordelverloop hun optimale beschermende werking bereiken. Een verkeerde zithouding belemmert de beschermende werking van de veiligheidsgordels aanzienlijk. Het gevolg kan zware of zelfs dodelijke verwondingen zijn. Het risico van zwaar lichamelijk letsel met zelfs fatale gevolgen wordt vooral vergroot als een airbag die wordt geactiveerd een inzittende treft die een verkeerde zithouding heeft ingenomen. De bestuurder heeft de verantwoordelijkheid voor alle inzittenden en vooral voor kinderen die in de wagen worden vervoerd.
De volgende opsomming omvat voorbeelden van zithoudingen die voor alle inzittenden gevaarlijk kunnen zijn.
Wanneer de wagen in beweging is:
- nooit in de wagen staan
- nooit op de stoelen staan
- nooit op de stoelen knielen
- nooit uw rugleuning sterk naar achteren kante- len
-
nooit tegen het dashboard leunen
-
nooit op de achterbank liggen
- nooit op het puntje van de stoel gaan zitten
- nooit dwars op de stoel gaan zitten
- nooit uit de ruiten leunen
- nooit de voeten uit het raam steken
- nooit de voeten op het dashboard leggen
- nooit de voeten op de stoelzitting of de stoel-leuning leggen
- nooit in de voetenruimte meerijden
- nooit zonder omgegespte veiligheidsgordel op een zitplaats meerijden
- nooit in de bagageruimte verblijven

WAARSCHUWING
Elke verkeerde zithouding in de wagen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.
- Alle inzittenden moeten tijdens het rijden altijd de juiste zithouding aanhouden en de gordel dragen.
- Door verkeerde zithoudingen, het niet dragen van de veiligheidsgordel of een te geringe afstand aanhouden tot de airbag stellen de inzittenden zich bloot aan levensgevaarlijke risico's van lichamelijk letsel, met name wanneer de airbags worden geactiveerd en daarbij een inzittende treffen die een verkeerde zithouding heeft ingenomen.
△

Afbeelding 30 De juiste afstand van de bestuurder tot het stuurwiel Ⓐ moet ten minste 25 cm bedragen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 46 en volg deze op.
Hierna wordt de juiste zithouding voor de bestuurder en de passagiers beschreven.
Personen die om lichamelijke redenen niet de juiste zithouding kunnen innemen, zouden bij een specialist moeten informeren naar mogelijke speciale aanpassingen. Alleen met de juiste zithouding verkrijgt men de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordel en de airbag. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Voor uw eigen veiligheid en om verwondingen bij een plotseling remmanoeuvre of ongeval tot een minimum te beperken, adviseert Volkswagen de volgende zithoudingen:
Voor de bestuurder geldt:
- Rugleuning rechtop zetten, zodat de rug volledig tegen de rugleuning aan ligt.
- Stoel zodanig verstellen dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen ten minste 25 cm bedraagt Afbeelding 30 Ⓐ en dat het stuurwiel met beide handen en licht gebogen armen aan de zijkant aan de buitenrand kan worden vastgehouden.
- Het verstelde stuurwiel moet altijd in de richting van de borstkas wijzen en nooit in de richting van het gezicht.
- Bestuurdersstoel in lengterichting zo verstellen dat u de pedalen met licht gebogen benen kunt intrappen Afbeelding 30.
- Bestuurdersstoel zo in hoogte verstellen dat u het bovenste punt van het stuurwiel kunt bereiken.

Afbeelding 31 Juist gordelverloop en juiste hoofdsteuninstelling
- Altijd beide voeten in de voetenruimte laten, om te allen tijde de controle over de wagen te behouden.
- Veiligheidsgordels juist instellen en omgespen ⇒ pagina 55.
Voor de bijrijder geldt:
- Rugleuning rechtop zetten, zodat de rug volledig tegen de rugleuning aan ligt.
- Bijrijdersstoel zo ver mogelijk naar achteren schuiven, zodat de airbag in geval van activering de beste beschermende werking kan bieden.
- Tijdens het rijden beide voeten in de voetenruimte laten.
- Veiligheidsgordels juist instellen en omgespen ⇒ pagina 55.
Voor de inzittenden achterin geldt:
- Hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet steeds zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen Afbeelding 30 en Afbeelding 31.
- Bij kleine mensen de hoofdsteun in de eerste grendelstand schuiven, ook indien het hoofd zich daarna onder de bovenkant van de hoofdsteun bevindt.
- Bij grote mensen de hoofdsteun tot de aanslag omhoogschuiven.
- Tijdens het rijden beide voeten in de voetenruimte laten.
- Veiligheidsgordels juist instellen en omgespen ⇒ pagina 55.
△
Bedieningselementen van de voorstoel

Afbeelding 32 Bedieningselementen van linkervoorstoel
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 46 en volg deze op.
De bedieningselementen van de rechtervoorstoel zijn in spiegelbeeld uitgevoerd.
De hoofdsteunen van de voorstoelen zijn in de rugleuningen geïntegreerd en niet verstelbaar.
| Afbeelding 32 | Functie | Handeling |
| 1 | Voorstoel naar voren of achteren schuiven. | Aan de hendel trekken en voorstoel verschuiven. De voorstoel moet na het loslaten van de hendel vergren-delen! |
| 2 | Zithoogte instellen. | De hendel zo nodig meerdere keren naar boven of be-neden bewegen. |
| 3 | Rugleuning verstellen resp. naar vo-ren of terugklappen. | Verstellen: hendel bedienen en daarbij de schuine stand van de rugleuning verstellen, tot de rugleuning de gwenste stand heeft bereikt. De rugleuning moet vastklikken. |
| Naar voren klappen: hendel bedienen en daarbij de rugleuning naar voren klappen. Tegelijkertijd de stoel naar voren schuiven. | ||
| Terugklappen: stoel helemaal naar achteren schuiven, tot deze vergrendelt. Hendel bedienen en daarbij de rugleuning terugklappen. De rugleuning moet rechtop vergrendelen. |

Afbeelding 33 Hoofdsteun achterin verstellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Alle zitplaatsen zijn met hoofdsteunen uitgerust.
De hoofdsteunen van de voorstoelen zijn in de rug-leuningen geïntegreerd en niet verstelbaar.
De zitplaatsen achterin zijn met verstelbare hoofdsteunen uitgerust.
Hoogte verstellen
- Hoofdsteun in pijlrichting omhoog- of bij ingedrukte knop Afbeelding 33 ① omlaagschuiven ▲.
- De hoofdsteun moet correct in een stand vastklikken.
Juiste hoofdsteuninstelling
Hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen.
Hoofdsteuninstelling voor kleine mensen
De hoofdsteun in de eerste grendelstand brengen, ook indien het hoofd zich daarna onder de bovenkant van de hoofdsteun bevindt. In de onderste stand kan er een kleine kier aanwezig zijn tussen de hoofdsteun en de rugleuning.
Hoofdsteuninstelling voor grote mensen
Hoofdsteun tot de aanslag omhoogschuiven.

WAARSCHUWING
Het rijden met uitgebouwde of verkeerd ingestelde hoofdsteunen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.
- Altijd met juist ingebouwde en ingestelde hoofdsteun rijden, als op de zitplaats een persoon zit.
- ledere inzittende moet de hoofdsteun correct aanpassen aan zijn lichaamslengte, om het risico van verwondingen aan de nek bij een ongeval te verminderen. Daarbij de hoofdsteun zo instellen dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van uw hoofd, maar niet lager dan ooghoogte. Uw achterhoofd moet zo dicht mogelijk tegen de hoofdsteun aan liggen.
- Nooit de hoofdsteun tijdens het rijden instellen.
△

Afbeelding 34 Hoofdsteun achterin uitbouwen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De zitplaatsen achterin zijn met hoofdsteunen uitgerust.
Hoofdsteun achterin uitbouwen
- Rugleuning van de achterbank ontgrendelen en neerklappen ⇒ pagina 96.
- Hoofdsteun helemaal naar boven schuiven ⇒ ▲.
- Hoofdsteun bij ingedrukte knop Afbeelding 34 ① helemaal eruit trekken.
- Rugleuning van de achterbank naar achteren klappen en goed laten vastklikken.
- Uitgebouwde hoofdsteun veilig opbergen.
Hoofdsteun achterin inbouwen
- Rugleuning van de achterbank ontgrendelen en neerklappen ⇒ pagina 96.
-
Hoofdsteun correct boven de hoofdsteungeleidingen houden en in de geleidingen van de betreffende rugleuning steken.
-
Hoofdsteun bij ingedrukte knop ① omlaagschuiven.
- Rugleuning van de achterbank naar achteren klappen en goed laten vastklikken.
- Hoofdsteunen aan de juiste zithouding aanpassen ⇒ pagina 50.

WAARSCHUWING
Het rijden met uitgebouwde of verkeerd ingestelde hoofdsteunen verhoogt bij ongevallen en plotselinge rij- en remmanoeuvres het risico van zware of fatale verwondingen.
- Altijd met juist ingebouwde en ingestelde hoofdsteun rijden, als op de zitplaats een persoon zit.
- Uitgebouwde hoofdsteunen meteen weer inbouwen, zodat de passagiers goed beschermd zijn.

LET OP
Let er bij het uit- en inbouwen van de hoofdsteun op dat de hoofdsteun niet tegen de hemelbekleding of de rugleuning van de voorstoel stoot. De hemelbekleding en andere delen van de wagen zouden hierdoor beschadigd kunnen raken.
△

Afbeelding 35 Stand van het stuurwiel mecha- nisch verstellen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Stuurwiel vóór de rit en alleen bij stilstaande wagen verstellen.
- Hendel Afbeelding 35 ① naar beneden zwenken.
- Stuurwiel zo verstellen dat het met beide handen en licht gebogen armen aan de zijkant aan de buitenste rand (stand kwart over negen) kan worden vastgehouden.
- De hendel stevig naar boven drukken tot deze vlak ligt tegen de stuurkolom
De juiste afstand tussen bestuurder en stuurwiel ⇒ Afbeelding 30 met behulp van de bedieningselementen van de bestuurdersstoel instellen ⇒ pagina 49.

WAARSCHUWING
Ondeskundig gebruik van de stuurwielstandinstelling en een verkeerde instelling van het stuurwiel kunnen zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- De hendel Afbeelding 35 ① na het verstellen altijd stevig naar boven zwenken, opdat het stuurwiel tijdens het rijden niet onbedoeld van positie verandert.
- Het stuurwiel nooit onder het rijden instellen. Wanneer onder het rijden wordt vastgesteld, dat een verstelling nodig is, veilig de wagen stilzetten en het stuurwiel juist instellen.
- Het verstelde stuurwiel moet altijd in de richting van de borstkas en nooit in de richting van het gezicht wijzen, om de beschermende werking van de bestuurdersvoorairbag bij een ongeval niet in te perken.
- Stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen aan de zijkant aan de buitenste rand (stand kwart over negen) vasthouden, om verwondingen door een activerende bestuurdersvoorairbag te verminderen.
- Nooit het stuurwiel op twaalf uur of in een andere stand vasthouden, bv. in het midden van het stuurwiel. Bij het activeren van de airbag kunnen ernstige verwondingen aan armen, handen en aan het hoofd het gevolg zijn.
△
Stoelfuncties

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stoelverwarming 53
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Zithouding instellen ⇒ pagina 46
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 55
• Airbagsysteem ⇒ pagina 64
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 72
• Buitenspiegel ⇒ pagina 90

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de stoelfuncties kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Voor het begin van de rit altijd de juiste zithouding innemen en deze tijdens het rijden blijven aanhouden. Dat geldt ook voor alle passagiers.
- Handen, vingers en voeten of overige lichaamsdelen altijd uit de werkings- en verstelgebieden van de stoelen weghouden.
Stoelverwarming

Afbeelding 36 In het bovenste deel van de middenconsole: Regelaar voor stoelverwarming van voorstoelen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De zittingen van de voorstoelen kunnen bij ingeschakeld contact elektrisch worden verwarmd. Bij sommige stoeluitvoeringen wordt daarnaast de rugleuning verwarmd.
Wanneer een van de volgende situaties van toe- passing is, de stoelverwarming niet inschakelen:
- De stoel wordt niet gebruikt.
- De stoel is van een beschermhoes voorzien.
- Er is een kinderzitje op de stoel geïnstalleerd.
• De zitting is vochtig of nat. - De binnen- of buitentemperatuur is hoger dan 25 °C (77 °F).
Stoelverwarming uitschakelen, als er geen persoon op de stoel zit.
| Functie | Handeling ⇒ Afbeelding 36 |
| Inschakelen: | Toets indrukken. De stoelverwarming wordt ingeschakeld en verwarmt maximaal. Alle controlelampjes branden. |
| Verwarmingsni-veau instellen: | Toets opnieuw indrukken tot de gewenste verwarmingsstand is ingesteld. |
| Uitschakelen: | Toets zo vaak indrukken dat er geen controlelampje meer in de toets brandt. |

WAARSCHUWING
Personen die door medicijngebruik, door ver- lamming of vanwege chronische ziektes (bv. diabetes) een beperkte of geen pijn- of tem- peratuurwaarneming hebben, kunnen bij het gebruik van de stoelverwarming verbrandin- gen aan rug, zitvlak en benen oplopen, die een zeer lange genezingsduur met zich mee- brengen of niet meer volledig genezen. Voor vragen over de eigen gezondheidstoestand een arts raadplegen.
- Personen met een beperkte pijn- of temperatuurwaarneming mogen de stoelverwarming nooit gebruiken.

WAARSCHUWING
Het doorweekt worden van de stoelbekleding kan tot storingen in de stoelverwarming leiden en de kans op brandwonden verhogen.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Let erop, dat de zitting droog is voordat de stoelverwarming gebruikt wordt.
- Niet met vochtige of natte kleding op de stoel gaan zitten.
- Geen vochtige of natte voorwerpen of kle- dingstukken op de stoel leggen.
- Geen vloeistoffen op de stoel morsen.
LET OP
- Om de verwarmingselementen van de stoelverwarming niet te beschadigen, niet op de zittingen knielen of de zitting en rugleuning op andere manieren puntvormig belasten.
- Vloeistoffen, puntige voorwerpen en isolerende materialen, zoals bv. een beschermhoes of kinderzitje, op de stoel kunnen de stoelverwarming beschadigen.
LET OP (vervolg)
- Bij geurontwikkeling de stoelverwarming direct uitschakelen en door een specialist laten controleren.
LET OP
- Om de verwarmingselementen van de stoelverwarming niet te beschadigen, niet op de zittingen knielen of de zitting en rugleuning op andere manieren puntvormig belasten.
- Vloeistoffen, scherpe voorwerpen en isolerende materialen op de stoel kunnen de stoelverwarming beschadigen.
- Bij geurontwikkeling de stoelverwarming direct uitschakelen en door een specialist laten controleren.
De stoelverwarming niet langer dan nodig ingeschakeld laten. Anders wordt onnodig brandstof verbruikt.
△

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 56
Frontale botsingen en natuurkundige wetten . 57
Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzittenden? 58
Veiligheidsgordels bieden bescherming ..... 59
Gebruik van veiligheidsgordels 59
Veiligheidsgordel omgespen of losmaken ... 60
Gordelverloop 61
Gordeloprolautomaat, gordelspanner, gordelspankrachtbegrenzer 62
Onderhoud en afvoer van gordelspanners ... 63
Regelmatig de toestand van alle veiligheidsgordels controleren. Bij beschadigingen aan het gordel-weefsel, de gordelverbindingen, de oprolautomaat of het slot, de betreffende veiligheidsgordel direct door een specialist laten vervangen ▲. De specialist moet de juiste onderdelen gebruiken die bij de wagen, de uitrusting en het modeljaar passen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Zithouding instellen ⇒ pagina 46
• Airbagsysteem ⇒ pagina 64
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 72
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
Niet-omgegespte of verkeerd omgegespte veiligheidsgordels verhogen het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen. De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt als de veiligheidsgordels juist worden gebruikt.
- Veiligheidsgordels zijn het meest effectieve middel om het gevaar voor ernstig en do-delijk letsel bij ongevallen te beperken. Voor de veiligheid van de bestuurder en alle inzit-tenden moeten de veiligheidsgordels altijd correct zijn omgegespt als de wagen in beweging is.

WAARSCHUWING (vervolg)
- ledere inzittende in de wagen moet altijd vóór elke rit de juiste zithouding aannemen, de bij de zitplaats horende veiligheidsgordel correct omgespen en tijdens het rijden correct omgegespt laten. Dit geldt voor alle passagiers en ook in het stadsverkeer.
- Kinderen tijdens het rijden met een bij het lichaamsgewicht en de lichaamslengte passend veiligheidssysteem en juist omgegespte veiligheidsgordels in de wagen vastzetten ⇒ pagina 72.
- Pas wegrijden, als alle passagiers de veiligheidsgordel juist hebben omgegespt.
- Slotgesp altijd alleen in het gordelslot van de bijbehorende stoel steken en goed laten vergrendelen. Het gebruik van een niet bij de stoel horend gordelslot vermindert de beschermende werking en kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit verontreinigingen en vloeistoffen in de invoertrechters van de gordelsloten laten komen. Hierdoor kan de werking van de gordelsloten en veiligheidsgordels worden belemmerd.
- Nooit de veiligheidsgordel tijdens het rijden afdoen.
- Altijd slechts één persoon met een veiligheidsgordel vastgespen.
- Nooit kinderen of baby's op schoot meenemen en nooit samen gebruikmaken van een veiligheidsgordel.
- Niet met dik makende, losse kleding rijden, bv. jas over een colbert, omdat daardoor de optimale bevestiging en werking van de veiligheidsgordel worden belemmerd.

WAARSCHUWING
Beschadigde veiligheidsgordels vormen een groot gevaar en kunnen zware of dodelijke verwondingen veroorzaken.
- Nooit de veiligheidsgordel door inklemmen in het portier of het stoelmechanisme beschadigen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als het gordelweefsel of andere delen van de veiligheidsgordel beschadigd zijn, kunnen de veiligheidsgordels bij een ongeval of een plotselinge remmanoeuvre scheuren.
- Beschadigde veiligheidsgordels direct laten vervangen door veiligheidsgordels die door Volkswagen voor de wagen zijn vrijgegeven. Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uitgerekt worden, moeten door een specialist worden vervangen. De vervanging kan noodzakelijk

WAARSCHUWING (vervolg)
zijn, ook al lijkt er geen beschadiging zichtbaar te zijn. Bovendien de verankeringen voor de veiligheidsgordels controleren.
- Nooit zelf proberen de veiligheidsgordels te repareren, aan te passen of uit te bouwen. Alle reparaties aan de veiligheidsgordels, de oprolautomaten en de sloten alleen door een specialist laten uitvoeren.

Waarschuwingslampje

Afbeelding 37 Waarschuwingslampje in het instrumentenpaneel

Afbeelding 38 Gordelstatusindicatie voor de zitplaatsen achterin op het display in het instrumentenpaneel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 55 en volg deze op.
| Brandt of knip-pert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Niet-omgegespte veiligheidsgordel van de bestuurder en bijrijder, indien de bijrijders-stoel bezet is. | Veiligheidsgordels omgespen. |
| Voorwerpen liggen op de bijrijdersstoel. | Voorwerpen van de bijrijdersstoel halen en veilig opbergen. | |
| [9X27] | Een inzittende op de zitplaatsen achterin heeft de veiligheidsgordel niet omgegespt. | Veiligheidsgordel omgespen. |
![]() | Op het display in het instrumentenpaneel: een inzittende op de zitplaatsen achterin heeft de veiligheidsgordel omgegespt, indien deze zitplaatsen bezet zijn. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Wanneer de veiligheidsgordels bij het begin van de rit en bij een snelheid van meer dan 25 km/h (15 mph) niet zijn omgegespt of worden de veiligheidsgordels tijdens het rijden losgemaakt, dan
klinkt er gedurende enkele seconden een akoestisch signaal. Bovendien knippert het gordelwaarschuwingslampje A.
Het gordelwaarschuwingslampje 4 gaat pas uit, als de bestuurder en bijrijder de veiligheidsgordels bij ingeschakeld contact hebben omgegespt.
Gordelstatusindicatie voor de zitplaatsen achterin
De gordelstatusindicatie laat de bestuurder bij het inschakelen van het contact op het display in het instrumentenpaneel zien of de passagiers op de zitplaatsen achterin de veiligheidsgordel hebben omgegespt. Het symbool 4 laat zien dat de passagier op deze zitplaats de veiligheidsgordel heeft omgegespt ⇒ Afbeelding 38.
Als op de zitplaatsen achterin een veiligheidsgordel wordt omgegespt of losgemaakt, wordt de gordelstatus gedurende circa 30 seconden weergegeven. De weergave kan worden uitgeschakeld door op de toets 0.0/SET te drukken.
Als tijdens het rijden op de zitplaatsen achterin een veiligheidsgordel wordt losgemaakt, knippert de gordelstatusindicatie gedurende maximaal 30 seconden. Bij een snelheid van meer dan 25 km/h (15 mph) klinkt er bovendien een akoestisch signaal.

WAARSCHUWING
Niet-omgegespte of verkeerd omgegespte veiligheidsgordels verhogen het risico van ernstig lichamelijk letsel of fatale verwondingen. De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt als de veiligheidsgordels juist worden gebruikt.
△
Frontale botsingen en natuurkundige wetten

Afbeelding 39 Een wagen rijdt met niet-vastgegespte inzittenden op een muur af

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Het natuurkundige principe van een frontale bot-sing is gemakkelijk te verklaren. zodra de wagen in beweging is gekomen ⇒ Afbeelding 39, ontstaat zowel bij de wagen als bij de inzittenden van de wagen bewegingsenergie, de zogenaamde "kineti-sche energie".
Hoe hoger de rijsnelheid en het gewicht, des te meer energie bij een ongeval moet worden afgebouwd.

Afbeelding 40 De wagen botst met niet-vastgegespte inzittenden tegen de muur
De snelheid van de wagen is echter de belangrijkste factor. Als bijvoorbeeld de snelheid van 25 km/h naar 50 km/h (15 mph naar 30 mph) wordt verdubbeld, wordt de bewegingsenergie verviervoudigd!
De mate van "kinetische energie" is sterk afhankelijk van de snelheid van de wagen en van het gewicht van de wagen en de inzittenden. Bij stijgende snelheid en toenemend gewicht moet bij een ongeval meer energie worden afgebouwd.
Inzittenden van de wagen die hun veiligheidsgordels niet hebben omgegespt, zijn dus niet met de wagen "verbonden". Bij een frontale botsing zullen deze personen daarom met dezelfde snelheid verder bewegen als waarmee de wagen zich voor de
botsing heeft bewogen, tot iets ze stopt! Omdat de inzittenden van de wagen in ons voorbeeld geen veiligheidsgordels hebben omgegespt, wordt bij een botsing de totale bewegingsenergie van de inzittenden van de wagen alleen door de botsing tegen de muur afgebouwd ⇒ Afbeelding 40.
Bij een snelheid van 30 - 50 km/h (18 - 30 mph) komen er bij een botsing krachten vrij op het lichaam die makkelijk een ton (1000 kg) te boven kunnen gaan. De op uw lichaam werkende krachten worden bij hogere snelheden zelfs nog groter.
Dit voorbeeld geldt niet alleen voor frontale botsingen, maar ook bij alle soorten botsingen en aanrijdingen.
△
Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzittenden?

Afbeelding 41 De niet-vastgegespte bestuurder vliegt naar voren

Afbeelding 42 De niet-vastgegespte passagier op de zitplaats achterin vliegt naar voren op de vast-gegespte bestuurder
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 55 en volg deze op.
Veel mensen geloven dat men het lichaam bij een lichte aanrijding met de handen kan ondersteunen. Dat is onterecht!
Al bij lage botssnelheden komen op het lichaam krachten vrij die niet meer met de armen en handen kunnen worden afgeweerd. Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren geslingerd en stoten zijn ongecontroleerd te- gen delen in het interieur, zoals het stuurwiel, het dashboard en de voorruit ⇒ Afbeelding 41.
Het airbagsysteem is geen vervanging van de veiligheidsgordel. Bij activering van de airbag bieden de airbags alleen een extra bescherming. Airbags worden niet bij alle ongevallen geactiveerd. Ook als de wagen met een airbagsysteem is uitgerust, moeten alle inzittenden inclusief de bestuurder de veiligheidsgordel hebben omgegespt en deze tij-
dens het rijden op juiste wijze dragen. Daardoor vermindert het gevaar voor zware of dodelijke verwondingen bij een ongeval, onafhankelijk van het feit of een airbag voor die zitplaats aanwezig is.
Een airbag activeert slechts eenmaal. Om de best mogelijke beschermende werking te bereiken, moeten de veiligheidsgordels altijd juist zijn omgegespt, zodat u ook bij ongevallen zonder airbagactivering bent beschermd. Inzittenden die geen veiligheidsgordel hebben omgegespt, kunnen uit de wagen worden geslingerd en daardoor ernstig of dodelijk letsel oplopen.
Ook voor inzittenden op de zitplaatsen achterin is het belangrijk de gordel juist om te gespen omdat zij bij een aanrijding ongecontroleerd door de wagen worden geslingerd. Een niet-vastgegespte passagier op een van de zitplaatsen achterin brengt dus niet alleen zichzelf, maar ook de bestuurder en de andere personen in de wagen in gevaar ⇒ Afbeelding 42.
△

Afbeelding 43 Vastgegespte bestuurder die bij een plotselinge remmanoeuvre door de correct vastgegespte veiligheidsgordel wordt opgevangen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Juist vastgegespte veiligheidsgordels kunnen een groot verschil maken. Juist vastgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden in de wagen in de juiste zithouding en reduceren in aanzienlijke mate de bewegingsenergie in geval van een ongeval. De veiligheidsgordels helpen ook ongecontroleerde bewegingen te voorkomen die u zwaar lichamelijk letsel kunnen toebrengen. Tevens reduceren correct omgegespte veiligheidsgordels het gevaar uit de wagen te worden geslingerd → Afbeelding 43.
Inzittenden met correct omgegespte veiligheids-gordels profiteren in hoge mate van het feit dat de bewegingsenergie optimaal via de gordels wordt opgevangen. Ook garanderen de structuur van de voorzijde en andere passieve veiligheidskenmerken van uw wagen, zoals bv. het airbagsysteem, een reductie van de bewegingsenergie. De energie die ontstaat, wordt dus minder en zodoende vermindert ook het risico van lichamelijk letsel.
De voorbeelden beschrijven frontale botsingen. Uiteraard reduceren de juist vastgegespte veiligheidsgordels ook in alle andere soorten aanrijdingen wezenlijk het gevaar voor verwondingen. Daarom moeten de veiligheidsgordels voor elke rit worden omgegespt, zelfs al rijdt u maar een "klein stukje". Let erop dat ook alle inzittenden goed zijn vastgegespt.
Ongevalsstatistieken hebben uitgewezen dat het juist omgespen van de veiligheidsgordels het risico van lichamelijk letsel aanzienlijk verkleint en de kans een zwaar ongeval te overleven vergroot. Juist vastgegespte veiligheidsgordels verhogen bovendien de optimale beschermende werking van airbags die in geval van een aanrijding worden geactiveerd. Vanwege deze reden is in de meeste landen het dragen van de veiligheidsgordels wettelijk verplicht.
Hoewel de wagen met airbags is uitgerust, moeten de veiligheidsgordels worden omgegespt. De voorairbags worden bijvoorbeeld slechts bij enkele soorten frontale botsingen geactiveerd. De voorairbags worden niet geactiveerd bij lichte frontale aanrijdingen, lichte aanrijdingen van opzij, aanrijdingen van achteren, een koprol en bij aanrijdingen waarbij de airbagactiveringswaarde in het regelapparaat niet werd overschreden.
Draag daarom altijd de veiligheidsgordel en let erop dat alle passagiers de veiligheidsgordel vóór het rijden juist hebben omgegespt!
Gebruik van veiligheidsgordels

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 55 en volg deze op.
Checklist
Gebruik van de veiligheidsgordel ⇒ ⚠:
Regelmatig de toestand van alle veiligheidsgordels controleren.
√ Veiligheidsgordels schoon houden.
√ Geen vreemde voorwerpen en vloeistoffen op de gordel, in de slotgesp en in de invoertrechter van het gordelslot laten komen.
Veiligheidsgordel en slotgesp niet inklemmen of beschadigen, bijvoorbeeld bij het sluiten van het portier.
Checklist (vervolg)

Veiligheidsgordel en gordelbevestigingselement nooit uitbouwen, veranderen of repareren.
Veiligheidsgordel vóór elke rit correct omgespen en tijdens het rijden omgegespt laten.
Verdraaide veiligheidsgordel
Als u de veiligheidsgordel alleen stroef uit de gordeldoorvoer kunt trekken, kan het zijn dat de veiligheidsgordel binnen in de zijbekleding is verdraaid, doordat de gordel bij het losgespen van de gordel te snel is teruggevoerd:
- Veiligheidsgordel bij de slotgesp langzaam en voorzichtig volledig uittrekken.
- Verdraaiing in de veiligheidsgordel verwijderen en gordel langzaam met de hand terug geleiden.
Als u de verdraaiing in de veiligheidsgordel niet kunt verhelpen, de veiligheidsgordel desondanks omgespen. De verdraaiing mag zich dan niet in een deel van de gordel bevinden, dat direct tegen het lichaam aan ligt! Zo snel mogelijk een specialist opzoeken om de verdraaiing te laten verhelpen.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de veiligheidsgordels verhoogt het risico van zware of dodelijke verwondingen.
- Controleer regelmatig of de veiligheids-gordels en bijbehorende onderdelen in onberispelijke staat zijn.
- Veiligheidsgordel altijd schoonhouden.
- Gordel niet inklemmen, beschadigen of langs scherpe randen laten schuren.
- Gordelslot en invoertrechter voor de slotgesp altijd vrij houden van verontreinigingen en vloeistoffen.
Veiligheidsgordel omgespen of losmaken

Afbeelding 44 Slotgesp van de veiligheidsgordel in het gordelslot steken

Afbeelding 45 Slotgesp van het gordelslot losma- ken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Correct omgegespte veiligheidsgordels houden de inzittenden bij een remmanoeuvre of ongeval zo op hun plaats dat ze maximale bescherming kunnen bieden ⇒ ⚠.
Veiligheidsgordel omgespen
Veiligheidsgordel vóór elke rit omgespen.
- De voorstoel correct instellen ⇒ pagina 46.
-
Achterbankleuning rechtop vergrendelen en hoofdsteun juist verstellen
-
Gordel aan de slotgesp gelijkmatig over borst en bekken trekken. Daarbij de gordel niet verdraaien ▲.
- Slotgesp in het bij de zitplaats horende gordelslot vaststeken Afbeelding 44.
- Aan de veiligheidsgordel trekken om te contro- leren of de slotgesp goed in het slot is vergrendeld.
Veiligheidsgordel losmaken
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen los- maken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot indrukken ⇒ Afbeelding 45. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan in geval van een aanrijding zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt, wanneer de rugleuning in een rechte stand staat en de veiligheidsgordel aangepast aan de lichaamslengte goed is omgegespt.
- Het losmaken van de veiligheidsgordel tijdens het rijden kan bij een ongeval of remmanoeuvre zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben!
Gordelverloop

Afbeelding 46 Juist gordelverloop

Afbeelding 47 Juist gordelverloop bij zwangere vrouwen
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 55 en volg deze op.
Alleen met een juist gordelverloop bieden omgegespte veiligheidsgordels bij een ongeval optimale bescherming en verminderen het risico van zware
of fatale verwondingen. Bovendien houdt het juiste gordelverloop de inzittenden zo op hun plaats dat de activerende airbag maximale bescherming kan bieden. Gesp daarom altijd de veiligheidsgordel om en let op het juiste gordelverloop.
Een verkeerde zithouding zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben ⇒ pagina 46, Zithouding instellen.
Juist gordelverloop
- Het schoudergordelgedeelte van de veiligheids-gordel moet altijd over het midden van de schouder lopen en nooit over de hals, de arm, onder de arm of achter de rug.
- Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet altijd over het bekken lopen en nooit over de buik.
- De veiligheidsgordel altijd vlak en nauw op het lichaam laten aansluiten. Gordel zo nodig iets na-trekken.
Bij zwangere vrouwen moet de veiligheidsgordel gelijkmatig over de borst en zo laag mogelijk over het bekken lopen en tevens nauw aansluiten, zodat er geen druk op het onderlichaam wordt uitgeoefend. Dit geldt gedurende de gehele zwangerschap ⇒ Afbeelding 47.
Gordelverloop aan de lichaamslengte aanpassen
Het gordelverloop kan met de volgende middelen worden aangepast:
• In hoogte verstelbare voorstoelen

WAARSCHUWING
Een verkeerd gordelverloop kan zwaar lichamelijk letsel in geval van een aanrijding of bij plotselinge rem- of rijmanoeuvres tot gevolg hebben.
- De optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels wordt alleen bereikt wanneer de rugleuning in een rechte stand staat en de veiligheidsgordel goed is omgegespt.
- De veiligheidsgordel zelf of een losse veiligheidsgordel kan zware verwondingen veroorzaken, wanneer de veiligheidsgordel van harde lichaamadelen richting zachte delen (bv. buik) schuift.
- Het schoudergordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet over het midden van de schouder lopen en nooit onder de arm of over de hals.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De veiligheidsgordel moet vlak en nauw op het bovenlichaam aansluiten.
- Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet over het bekken lopen en nooit over de buik. De veiligheidsgordel moet vlak en nauw op het bekken aansluiten. Gordel zo nodig iets natrekken.
- Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet bij zwangere vrouwen laag over het bekken lopen en nauw om de "ronde" buik aansluiten.
• Gordel bij het dragen niet verdraaien.
- Veiligheidsgordel nooit met de hand van het lichaam afhouden.
• Gordel nooit over harde of breekbare voorwerpen leiden, bv. brillen, balpennen of sleutels.
- Het gordelverloop nooit door gordelbandklemmen, bevestigingsogen of iets dergelijks veranderen.
Personen die om lichamelijke redenen niet het optimale gordelverloop kunnen aanhouden, zouden bij een specialist moeten informeren naar mogelijke speciale aanpassingen, om de optimale beschermende werking van de veiligheids-gordel en de airbags te verkrijgen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
△
Gordeloprolautomaat, gordelspanner, gordelspankrachtbegrenzer

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De veiligheidsgordels in de wagen zijn een onderdeel van het wagenveiligheidsconcept => pagina 64 en hebben de volgende belangrijke functies:
Gordeloprolautomaat
Elke veiligheidsgordel is uitgerust met een gordelo- prolautomaat bij de schoudergordel. Wanneer langzaam aan de veiligheidsgordel wordt getrok- ken of bij normale rijomstandigheden wordt bij de schoudergordel volledige bewegingsvrijheid gega- randeerd. Bij snel uittrekken van de veiligheidsgor- del, plotseling remmen, bij het rijden in de bergen, in bochten en bij accelereren blokkeert de gordelo- prolautomaat echter de veiligheidsgordel.
Gordelspanners
De veiligheidsgordels voor de inzittenden op de voorstoelen zijn uitgerust met gordelspanners.
Gordelspanners worden bij zware frontale aanrijdingen en aanrijdingen van opzij en van achteren door sensoren geactiveerd en spannen de veiligheidsgordels tegen de uittrekrichting in. Een loszittende veiligheidsgordel wordt gespannen waardoor de voorwaartse beweging van de inzittenden resp. de beweging van de inzittenden in de richting van de klap wordt verminderd. De gordelspanner werkt samen met het airbagsysteem. De gordelspanner wordt bij het over de kop slaan van de wagen niet geactiveerd als de zij-airbags niet worden geactiveerd.
Bij activering kan fijn stof ontstaan. Dat is volledig normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.
Gordelspankrachtbegrenzers
Bij een ongeval vermindert een gordelspankrachtbegrenzer de op het lichaam werkende kracht van de veiligheidsgordel.
Als de wagen of afzonderlijke onderdelen van het systeem worden verschroot, moeten de veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bekend bij specialisten → pagina 63.
Onderhoud en afvoer van gordelspanners

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Bij werkzaamheden aan de gordelspanner alsme- de bij het uit- en inbouwen van andere wagenon- derdelen in het kader van reparaties kan de veilig- heidsgordel ongemerkt worden beschadigd. Dat kan tot gevolg hebben dat de gordelspanners in geval van een aanrijding niet juist of helemaal niet werken.
Om de werking van de gordelspanners niet te beinvloeden en met uitgebouwde onderdelen geen lichamelijk letsel en milieuvervuiling te veroorzaken, moeten voorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bekend bij specialisten.

WAARSCHUWING
Onjuiste behandeling van en zelf uitgevoerde reparaties aan de veiligheidsgordels, de gordeloprolautomaten en de gordelspanners kunnen het risico van zware of dodelijke verwondingen verhogen. De gordelspanner zou niet kunnen activeren, terwijl deze dat wel zou moeten doen, of onverwacht activeren.
- Reparaties en instellingen aan alsmede het uit- en inbouwen van onderdelen van gordelspanners of de veiligheidsgordels nooit zelf, maar alleen door een specialist laten uitvoeren ⇒ pagina 205.
- Gordelspanners en gordeloprolautomaten kunnen niet worden gerepareerd, maar moeten worden vervangen.

De airbageenheden en gordelspanners kunnen perchloraat bevatten. Volg de wettelijke lingen op voor het opslaan en afvoeren.

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Typen bijrijdersvoorairbagsystemen 65
Controlelampjes 65
Beschrijving en werking van de airbags ..... 66
Voorairbags 68
Bijrijdersvoorairbag handmatig met de sleutelschakelaar buiten werking stellen en in paraatheid brengen 69
Zij-airbags 70
De wagen is uitgerust met een voorairbag voor de bestuurder en voorairbag voor de bijrijder. De voor-airbags kunnen extra bescherming voor het borst-gebied en het hoofd van de bestuurder en bijrijder bieden als de stoel, veiligheidsgordels, hoofdsteu-nen en voor de bestuurder het stuurwiel goed zijn ingesteld en goed worden gebruikt. Airbags zijn al-leen als extra bescherming bedoeld. De airbags zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels. De veiligheidsgordels moeten altijd worden gedra-gen, ook wanneer er voorairbags voor de voorste zitplaatsen zijn.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Aanwijzingen voor het rijden ⇒ pagina 24
• Juiste zithouding ⇒ pagina 46
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 55
• Kinderzitjes (accessoires) ⇒ pagina 72
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 187
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 205
• Verbruikersinformatie → pagina 215

WAARSCHUWING
Nooit alleen op het airbagsysteem vertrouwen om u te beschermen.
- Ook als een airbag wordt geactiveerd, biedt deze alleen maar aanvullende bescherming.
- Het airbagsysteem biedt de beste bescherming in combinatie met correct omgegespte veiligheidsgordels. Alleen dan wordt het risico van letsel verminderd ⇒ pagina 55, Veiligheidsgordels.

WAARSCHUWING (vervolg)
- ledere inzittende moet altijd vóór elke rit de juiste zithouding aannemen, de bij de zitplaats horende veiligheidsgordel correct omgespen en tijdens het rijden correct omgegespt laten. Dat geldt voor alle passagiers.

WAARSCHUWING
Wanneer zich tussen de inzittenden en het werkingsgebied van de airbags voorwerpen bevinden, neemt het gevaar voor letsel bij het activeren van de airbags toe. De airbags ont-vouwen zich op een andere manier, of de voorwerpen worden tegen het lichaam geslingerd.
- Nooit tijdens het rijden voorwerpen in de hand houden of op schoot meenemen.
- Nooit voorwerpen op de bijrijdersstoel vervoeren. De voorwerpen kunnen bij plotselinge rem- of rijmanoeuvres in het werkingsgebied van de airbags terechtkomen en bij het activeren van de airbags gevaarlijk door het interieur worden geslingerd.
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen alsmede de zitplaatsen achterin en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Let erop dat ook kinderen en passagiers zich hier aan houden.

WAARSCHUWING
De beschermende functie van het airbagsysteem blijft slechts beperkt tot één airbagactivering. Als de airbags zijn geactiveerd, moet het systeem worden vervangen.
- Geactiveerde airbags en betreffende systeemonderdelen direct laten vervangen door nieuwe onderdelen die door Volkswagen voor de wagen zijn vrijgegeven. - Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren. Specialisten hebben de noodzakelijke gereedschappen, elektronicatesters, reparatie-informatie en gekwalificeerd personeel.
- Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende airbagonderdelen in de wagen inbouwen.
- Nooit componenten van het airbagsysteem veranderen.

WAARSCHUWING
Als de airbags worden geactiveerd, kan fijn stof ontstaan. Dat is normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.
- Het fijne stof kan de huid en het oogslijmvlies irriteren en tot ademhalingsklachten leiden, vooral bij personen die aan astma of andere ademhalingsaandoeningen lijden of hebben geleden. Om ademhalingsklachten te verminderen, de wagen verlaten of de ruiten of portieren openen om frisse lucht in te ade-men.
- Bij contact met het stof, voor de volgende maaltijd handen en gezicht met milde zeep en water wassen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het stof niet in de ogen of in open wonden laten komen.
- Als er stof in de ogen is gekomen, deze met water uitspoelen.

WAARSCHUWING
Door schoonmaakmiddelen met oplosmidde- len wordt het oppervlak van de airbageenheid poreus. Bij een ongeval met airbagactivering kunnen losrakende kunststof onderdelen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit het dashboard en het oppervlak van de airbageenheden schoonmaken met reini-gingsmiddelen die oplosmiddelen bevatten.
Typen bijrijdersvoorairbagsystemen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 64 en volg deze op.
Er zijn twee verschillende bijrijdersvoorairbagsystemen van Volkswagen:
| A | B |
| Kenmerken van de bijrijdersvoorairbag die alleen door de specialist buiten werking kan worden gesteld. | Kenmerken van de bijrijdersvoorairbag die met sleutelschakelaar handmatig buiten werking kan worden gesteld ⇒ pagina 69. |
| - Controlelampje in het instrumentenpaneel- Bijrijdersvoorairbag in het dashboard | - Controlelampje in het instrumentenpaneel- Controlelampje in het dashboard PASSENGER AIR BAG OFF; - Sleutelschakelaar in het dashboardkastje- Bijrijdersvoorairbag in het dashboard |
| - Aanduiding: airbagsysteem | - Aanduiding: airbagsysteem met mogelijkheid de bijrijdersvoorairbag buiten werking te stellen |
Controlelampjes

Afbeelding 48 In het bovenste deel van de middenconsole: Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
| Brandt | Plaats | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Instrumentenpaneel | Storing in airbag- en gordel-spannersysteem. | Specialist opzoeken en systeem direct laten controleren. |
![]() | Dashboard | Storing in airbagsysteem. | Specialist opzoeken en systeem direct laten controleren. |
![]() | Bijrijdersvoorairbag buiten werking gesteld. | Controleren of de airbag buiten werk-ing gesteld moet blijven. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
Als bij buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF ♗; niet permanent of samen met het controlelampje ⚡ in het instrumentenpaneel brandt, kan er sprake zijn van een storing in het airbagsysteem ⇒ ⚠.

GEVAAR
Bij een storing in het airbagsysteem kan de airbag mogelijk niet optimaal, helemaal niet of onverwacht activeren, wat zware of dodelijke verwondingen tot gevolg kan hebben.

GEVAAR (vervolg)
- Airbagsysteem direct door een specialist laten controleren.
- Nooit een kinderzitje op de bijrijdersstoel monteren of het aanwezige kinderzitje verwijderen! De bijrijdersvoorairbag zou ondanks de storing kunnen worden geactiveerd bij een ongeval.

LET OP
Brandende controlelampjes en de bijbehorende beschrijvingen en aanwijzingen altijd in acht nemen om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.
△
Beschrijving en werking van de airbags

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De airbag kan de inzittenden bij een ongeval beschermen, doordat de beweging van de inzitten- den bij frontale aanrijdingen en aanrijdingen van opzij in de botsrichting wordt gedempt.
Elke geactiveerde airbag wordt door een gasgenerator gevuld. Hierdoor springen de betreffende airbagafdekkingen open en de airbags ontvouwen zich met grote kracht in milliseconden in de werkingsgebieden. Bij het neerkomen van de vastgegespte inzittende in de opgeblazen airbag stroomt het aanwezige gas weg om de inzittende op te vangen en af te remmen. Daardoor kan het risico van ernstig lichamelijk letsel en zelfs fatale verwondingen worden verminderd. Andere verwondingen zoals zwellingen, kneuzingen en schaafwonden kunnen door de geactiveerde airbag niet worden uitgesloten. Bij het ontvouwen van de geactiveerde airbag kan ook wrijvingswarmte ontstaan.
Airbags bieden geen bescherming voor de armen en de onderste lichaamsdelen.
De belangrijkste factoren voor het activeren van de airbags zijn het soort ongeval, de botshoek, de snelheid van de wagen en de hoedanigheid van
het voorwerp waar de wagen tegenaan botst. De airbags activeren daarom niet bij elke zichtbare wagenbeschadiging.
De activering van het airbagsysteem is afhankelijk van de vertraging van de wagen bij een botsing, zoals die door een elektronisch regelapparaat wordt geregistreerd. Indien de geregistreerde vertraging kleiner is dan een in het regelapparaat ingeprogrammeerde referentiewaarde worden de airbags, ondanks mogelijk zware beschadiging van de wagen door een ongeval, niet geactiveerd. De schade aan de wagen, de reparatiekosten of zelfs het uitblijven van schade aan de wagen bij een ongeval, mag geen bepalende factor zijn voor het al dan niet activeren van een airbag. Aangezien de situaties bij verschillende botsingen sterk kunnen verschillen, kan onmogelijk een bereik voor wagensnelheden met bijbehorende referentiewaardes worden gedefinieerd. Daardoor is het ook niet mogelijk elke denkbare soort botsing en botsingshoek af te dekken, die tot activatie van de airbags zou leiden. Belangrijke factoren voor het activeren van de airbags zijn onder andere de aard (hard of zacht) van het voorwerp waar de wagen tegenaan rijdt, de botshoek en de rijsnelheid.
Airbags dienen slechts als aanvulling op de automatische 3puntsgordel in sommige ongevalssituaties, waarbij de vertraging van de wagen groot genoeg is om de airbag te laten activeren. Airbags worden slechts eenmaal geactiveerd en alleen onder bepaalde omstandigheden. De veiligheidsgordels zijn er altijd om bescherming te bieden in situaties waarin airbags niet geactiveerd worden of wanneer ze al geactiveerd zijn. Bijvoorbeeld als de wagen na de eerste botsing op een tweede wagen botst of door een andere wagen wordt geraakt.
Het airbagsysteem is onderdeel van het totale passieve veiligheidsconcept. De beste beschermende werking van het airbagsysteem kan alleen in combinatie met correct vastgegespte veiligheidsgordels en een juiste zithouding worden bereikt ⚠ → pagina 46.
Onderdelen van het veiligheidsconcept van de wagen
De volgende veiligheidsuitrustingen in de wagen vormen samen het wagenveiligheidsconcept, om het risico van ernstig lichamelijk letsel en zelfs fatale verwondingen te verminderen. Afhankelijk van de uitrusting kunnen enkele uitrustingen mogelijk niet in de wagen zijn ingebouwd of in sommige landen niet verkrijgbaar zijn.
- Geoptimaliseerde veiligheidsgordels op alle zitplaatsen.
-
Gordelspanner voor bestuurder en bijrijder.
-
Gordelspankrachtbegrenzer voor bestuurder en bijrijder.
• Gordelwaarschuwingslampje. - Voorairbags voor bestuurder en bijrijder.
- Zij-airbags voor bestuurder en bijrijder.
• Airbagcontrolelampje - Regelapparaten en sensoren.
- Geoptimaliseerde hoofdsteunen ter bescherming tegen aanrijdingen van achteren.
• Verstelbare stuurkolom. - Eventueel verankeringspunten voor kinderzitjes op de zitplaatsen achterin.
- Eventueel bevestigingspunten voor de bovenste bevestigingsgordel van kinderzitjes.
Situaties, waarin de voor- en zij-airbag niet activeren:
- Wanneer het contact bij een botsing is uitgeschakeld.
- Wanneer bij een frontale botsing de door het regelapparaat gemeten vertraging te gering is.
- Bij lichte aanrijdingen van opzij.
- Bij aanrijdingen van achteren.
- Bij over de kop slaan.
- Als de botssnelheid lager is dan de vereiste referentiewaarde in het regelapparaat.
△
Voorairbags

Afbeelding 49 Inbouwplaats en werkingsgebied van de bestuurdersvoorairbag

Afbeelding 50 Inbouwplaats en werkingsgebied van de bijrijdersvoorairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
De voorairbags bieden als aanvulling op de veiligheidsgordels extra bescherming voor het hoofd- en borstbereik van de bestuurder en bijrijder bij zware frontale botsingen. Er moet altijd de grootst mogelijke afstand tot de voorairbag worden aangehouden ⇒ pagina 46. Daardoor kunnen de voorairbags in geval van een activering volledig worden ont-vouwen en zo een maximale beschermende werk-ing bieden.
De voorairbag voor de bestuurder zit in het stuurwiel Afbeelding 49 en de voorairbag voor de bijrijder in het dashboard Afbeelding 50. De airbaginbouwplaatsen zijn gemarkeerd met de opschriften "AIRBAG".
De rood omkaderde gebieden Afbeelding 49 en Afbeelding 50 worden door de zich activerende airbags bereikt (ontvouwgebied). Daarom mogen in deze gebieden nooit voorwerpen worden neer-
gelegd of bevestigd ⇒ ⚠. De af fabriek gemonteer- de aanbouwdelen worden door de activerende be- stuurders- en bijrijdersvoorairbag niet geraakt, bv. de steun voor de mobiele-telefoonhouder.
De airbagafdekkingen worden bij het activeren van de bestuurders- en bijrijdersvoorairbag uit het stuurwiel Afbeelding 49 resp. het dashboard Afbeelding 50 geklapt. De airbagafdekkingen blijven met het stuurwiel resp. het dashboard verbonden.

GEVAAR
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.
- Altijd de werkingsgebieden van de voor-airbags vrij laten.

GEVAAR (vervolg)
- Nooit voorwerpen op de afdekkingen en in het werkingsgebied van de airbagmodule bevestigen, zoals bijvoorbeeld bekerhouders of telefoonhouders.
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden.
- Aan bijrijderszijde geen voorwerpen aan de voorruit boven de voorairbag bevestigen.
- De beklede plaat van het stuurwiel en het met schuim gevulde oppervlak van de voor-airbagmodule in het dashboard aan bijrijders-zijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken.

WAARSCHUWING
De voorairbags ontvouwen zich vóór het stuurwiel ⇒ Afbeelding 49 en het dashboard ⇒ Afbeelding 50.
- Het stuurwiel tijdens het rijden altijd met beide handen vasthouden aan de buitenzijde van het stuur op 'kwart over negen'.
- Bestuurdersstoel zo verstellen dat er ten minste 25 cm ruimte tussen de borstkas en het midden van het stuurwiel is. Als u om li-chamelijke redenen niet aan deze eis kunt voldoen, neem dan beslist contact op met een specialist.
- Bijrijdersstoel zo verstellen dat de grootstmogelijke afstand tussen de bijrijder en het dashboard bestaat.
Bijrijdersvoorairbag handmatig met de sleutelschakelaar buiten werking stellen en in paraatheid brengen

Afbeelding 51 Aan bijrijderszijde: Sleutelschakelaar voor het buiten werking stellen en in paraatheid brengen van de bijrijdersvoorairbag

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 64 en volg deze op.
Bij bevestiging op de bijrijdersstoel van een kinderzitje dat met de rug naar het dashboard is gekeerd, moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld!
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen
- Contact uitschakelen.
• Portier aan bijrijderszijde openen. -
Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒pagina 30.
-
Met de sleutel de sleutelschakelaar in de stand OFF draaien Afbeelding 51.
• Portier aan bijrijderszijde sluiten. - Het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF ^2 : in het dashboard brandt bij ingeschakeld contact permanent ⇒ pagina 65.
Bijrijdersvoorairbag in paraatheid brengen
- Contact uitschakelen.
• Portier aan bijrijderszijde openen. - Sleutelbaard van de sleutel uitklappen ⇒ pagina 30.
- Met de sleutelbaard de sleutelschakelaar in de stand ON draaien Afbeelding 51.
• Portier aan bijrijderszijde sluiten. - Controleren of bij ingeschakeld contact het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF ➕ in het dashboard niet brandt ⇒ pagina 65.
Herkenningskenmerk voor buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag
Een buiten werking gestelde bijrijdersvoorairbag is alleen te herkennen, doordat het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF in het dashboard permanent brandt (OFF brandt permanent geel) → pagina 65.
Als het controlelampje OFF in het dashboard niet permanent of samen met het controlelampje in het instrumentenpaneel brandt, mag om veiligheidsredenen geen kinderveiligheidssysteem op
de bijrijdersstoel worden bevestigd. De bijrijders- voorairbag zou kunnen worden geactiveerd bij een ongeval.

WAARSCHUWING
De bijrijdersvoorairbag mag alleen in bijzondere gevallen buiten werking worden gesteld.
- De bijrijdersvoorairbag alleen bij uitgeschakeld contact buiten werking stellen en in paraatheid brengen, om schade aan het airbagsysteem te voorkomen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De verantwoordelijkheid voor de juiste stand van de sleutelschakelaar ligt bij de bestuurder.
- De bijrijdersvoorairbag alleen buiten werk- ing stellen, als in uitzonderingsgevallen op de bijrijdersstoel een kinderzitje is bevestigd.
- De bijrijdersvoorairbag weer in paraatheid brengen, zodra het kinderzitje op de bijrijdersstoel niet meer wordt gebruikt.

Zij-airbags

Afbeelding 52 Aan de linkerwagenzijde: Werkingsgebied van de zij-airbag (variant A). Aan de zijkant in de voorstoel: Inbouwplaats en werkingsgebied van de zij-airbag (variant B)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa- en volg deze op.
De zij-airbags zitten telkens in de buitenste rugleuningvulling van de bestuurdersstoel en de bijrijdersstoel Afbeelding 52 B. De inbouwplaatsen zijn gemarkeerd met labels met de tekst "AIR-BAG". De rood gemarkeerde gebieden Afbeelding 52 geven het werkingsgebied van de zij-airbag aan.
Bij een aanrijding van opzij activeert de zij-airbag aan de ongevalzijde van de wagen en vermindert zo voor de inzittenden het gevaar voor verwondingen aan hoofd en lichaam aan de zijde waar de impact plaatsvindt.

WAARSCHUWING
Het ontvouwen van de geactiveerde airbag gebeurt in fracties van seconden en met zeer hoge snelheid.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de werkingsgebieden van de zij-airbags vrij laten.
- Tussen de inzittenden op de voorstoelen en het werkingsgebied van de airbags mogen zich geen andere personen, dieren of voor-werpen bevinden.
- Geen accessoiredelen aan de portieren monteren.
- Alleen stoelbekledingen of stoelhoezen aanbrengen, die uitdrukkelijk voor het gebruik in de wagen zijn vrijgegeven. De zij-airbag kan zich anders bij een activering niet ontvouwen.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de bestuurders- en bijrijdersstoel kan de juiste werking van de zij-airbags belemmeren en ernstige verwondingen tot gevolg hebben.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit de voorstoelen uit de wagen uitbouwen of onderdelen ervan aanpassen.
- Wanneer er te grote krachten op de wangen van de rugleuning worden uitgeoefend, kunnen de zij-airbags mogelijk niet optimaal, helemaal niet of onverwacht worden geactiveerd.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Beschadigingen aan de originele stoelhoezen of de naad in de module van de zij-airbag moeten direct door een specialist worden hersteld.
△
Kinderzitjes (accessoires)

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Algemene informatie over het vervoeren van kinderen in de wagen 72
Verschillende bevestigingssystemen ..... 74
Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken ... 75
Kinderzitje op de zitplaatsen achterin gebruiken 76
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen . 76
Kinderzitje met onderste verankeringspunten bevestigen (Isofix, LATCH) 77
Kinderzitje met bevestigingsgordel Top Tether bevestigen 79
Vóór het vervoeren van zuigelingen en kinderen in een kinderzitje op de bijrijdersstoel, is het absoluut noodzakelijk de informatie over het airbagsysteem in het geheel te lezen.
Deze informatie is voor de veiligheid van de be-stuurder en de veiligheid van alle passagiers, voor-al van zuigelingen en kleine kinderen, zeer belang-rijk.
Volkswagen adviseert kinderzitjes uit het accessoireprogramma van Volkswagen te gebruiken. Deze kinderzitjes zijn voor het gebruik in Volkswagens ontwikkeld en getest. Kinderzitjes van verschillende bevestigingssystemen zijn verkrijgbaar bij uw Volkswagen Partner.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 55
• Airbagsysteem ⇒ pagina 64

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette kinderen en niet goed vast- gezette kinderen kunnen tijdens het rijden zware of dodelijke verwondingen oplopen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een kinderzitje met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel vervoeren bij in een werking gestelde bijrijdersvoorairbag.
- Kinderen t/m 12 jaar moeten altijd op de achterbank worden vervoerd.
- Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun lichaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten.
- Kinderen altijd goed vastgespen en een juiste zithouding laten innemen.
- Stoelleuning in een rechte stand brengen als een kinderzitje op deze zitplaats word geplaatst.
- Het kind niet met het hoofd of een ander lichaamsdeel in het werkingsgebied van de zij-airbag laten komen.
- Let op het juiste gordelverloop.
- Nooit kinderen of baby's op schoot of vasthoudend meenemen.
- Telkens slechts één kind in een kinderzitje vastgespen.
- Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje lezen en in acht nemen.

WAARSCHUWING
Bij een plotselinge rem- of rijmanoeuvre alsmede bij ongevallen kan een los, ongebruikt kinderzitje in het interieur rondvliegen en verwondingen veroorzaken.
- Een ongebruikt kinderzitje tijdens het rijden altijd veilig bevestigen of veilig in de bagageruimte opbergen.

Na een ongeval het belaste kinderzitje vervangen, omdat onzichtbare schade zou kun-
nen zijn ontstaan.
△
Algemene informatie over het vervoeren van kinderen in de wagen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Voorschriften en wettelijke bepalingen hebben altijd voorrang boven de beschrijvingen in dit instructieboekje. Er zijn verschillende normen en voorschriften voor het gebruik van kinderzitjes en de
bevestiging ervan (⇒Tab. op pagina 73). Zo kan in sommige landen bijvoorbeeld het gebruik van kinderzitjes op bepaalde zitplaatsen in de wagen verboden zijn.
De regels van de natuurkunde, die uitwerkingen op de wagen bij een botsing of bij een ander soort ongeval hebben, gelden ook voor kinderen pagina 55. Anders dan bij volwassenen en jongeren zijn de spieren en botten van kinderen nog niet volledig ontwikkeld. Bij een ongeval bestaat er voor kinderen een groter gevaar op ernstige verwondingen dan voor volwassenen.
Omdat het lichaam van een kind nog niet volledig is ontwikkeld, moeten voor kinderen veiligheidssystemen worden gebruikt die speciaal aan hun grootte, gewicht en lichaamsbouw zijn aangepast. In veel landen gelden wetten die het gebruik van goedgekeurde kinderzitsystemen voor zuigelingen en kleine kinderen voorschrijven.
Alleen voor de betreffende wagen geschikte, goedgekeurde en toegelaten kinderzitjes gebruiken. Raadpleeg bij twijfel altijd een Volkswagen Partner of specialist.
Checklist
Kinderen in de wagen vervoeren ⇒ △:
√ Volg de landspecifieke wettelijke bepalingen op.
√ Volkswagen adviseert kinderen onder de twaalf jaar altijd op de zitplaatsen achterin te vervoeren.
√ Een kind alleen in uitzonderingsgevallen op de bijrijdersstoel vervoeren ⇒ pagina 75. De veiligste plaats in de wagen is op de zitplaats achter de bijrijdersstoel.
√ Een kind in de wagen altijd in een veiligheidssysteem vastzetten. Het veiligheidssysteem moet geschikt zijn voor de grootte, het gewicht en de lichaamsbouw van het kind.
√ Altijd slechts één kind per kinderzitje vervoeren.
Let op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het betreffende kinderzitje en neem deze altijd in de wagen mee.
√ Bij bevestiging van het kinderzitje met de veiligheidsgordel, de gordel volgens de richtlijnen van de fabrikant van het kinderzitje door resp. rond het kinderzitje leiden.
Let bij het kind op het juiste gordelverloop en het innemen van de juiste zithouding.
√ Het kinderzitje het beste achter de bijrijdersstoel op de zitplaats achterin monteren, zodat kinderen aan de trottoirzijde kunnen uitstappen.
√ Tijdens het rijden geen speelgoed of andere voorwerpen los in het kinderzitje of op de stoel laten liggen.
Landspecifieke normen voor kinderzitjes (selectie)
Kinderzitjes moeten voldoen aan de norm ECE-R 44 ^1) . Meer informatie is verkrijgbaar bij een Volkswagen Partner en via het internet op www.volkswagen.com.
Groepenindeling van kinderzitjes volgens ECE-R 44
| Gewichtsgroep | Gewicht van het kind | Leeftijd |
| Groep 0 | t/m 10 kg | tot ca. 9 maanden |
| Groep 0+ | t/m 13 kg | tot ca. 18 maanden |
| Groep 1 | 9 t/m 18 kg | ca. 8 maanden tot 3^1/2 jaar |
| Groep 2 | 15 t/m 25 kg | ca. 3 tot 7 jaar |
| Groep 3 | 22 t/m 36 kg | ca. 6 tot 12 jaar |
Niet elk kind past één op één in het zitje van zijn gewichtsgroep. Evenzo past niet elk zitje in elke wagen. U moet daarom altijd controleren of het kind goed in het kinderzitje past en of het zitje veilig in de wagen kan worden bevestigd.
Kinderzitjes die conform de ECE-R 44 norm zijn getest, hebben op het zitje het ECE-R 44 keurmerk: hoofdletter E in een cirkel, daaronder het testnummer.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren.

WAARSCHUWING
De zitplaats achterin is bij een ongeval altijd de veiligste plaats voor juist vastgegespte kinderen.
- Een geschikt kinderzitje dat op de juiste wijze is ingebouwd en op de stoelen achterin wordt geplaatst, biedt in de meeste ongevals-situaties de beste bescherming voor kinderen tot 12 jaar.
△
Verschillende bevestigingssystemen

Afbeelding 53 Op de zitplaatsen achterin: Afbeeldingen Ⓐ en Ⓑ tonen het bevestigingsprincipe van het kinderveiligheidssysteem aan de onderste bevestigingsogen en met de bovenste bevestigingsgordel. Afbeelding Ⓑ laat de bevestiging van het kinderveiligheidssysteem met de veiligheidsgordel van de wagen zien

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Kinderzitjes altijd volgens de inbouwaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje juist en veilig in de wagen bevestigen.
Het ingebouwde kinderzitje moet dicht tegen de stoel aan rusten en mag niet meer dan 2,5 cm kunnen bewegen of kantelen.
Kinderzitjes die zijn bedoeld voor de bevestiging met een bevestigingsgordel Top Tether, moeten ook met de bevestigingsgordel Top Tether in de wagen worden bevestigd ⇒ pagina 79. Bevestigingsgordel alleen aan de hiervoor bestemde bevestigingsogen bevestigen. Niet alle bevestigingsogen kunnen voor Top Tether worden gebruikt. Be-
vestigingsgordel Top Tether altijd zo strak aantrekken dat het kinderzitje stevig en vlak met de betreffende zitplaats is verbonden.
Landspecifieke bevestigingssystemen
Verschillende bevestigingssystemen ⇒ Afbeelding 53:
Ⓐ Isofix-bevestigingsogen en bovenste bevestigingsgordel, onder andere in Europa ⇒ pagina 77 en ⇒ pagina 79.
⑧ LATCH / UCRA universele beugels en bovenste bevestigingsgordel, onder andere in Noord-Amerika ⇒ pagina 77.
© Automatische 3puntsgordel en bovenste bevestigingsgordel ⇒ pagina 76.
Kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Niet in alle landen is het vervoer van kinderen op de bijrijdersstoel toegestaan. En niet elk kinderzitje is voor gebruik op de bijrijdersstoel toegelaten. De Volkswagen Partner heeft een actuele lijst met alle toegelaten kinderzitjes. Alleen voor de betreffende wagen toegelaten kinderzitjes gebruiken.
De in paraatheid zijnde voorairbag aan de bijrijderszijde is een groot gevaar voor een kind. Levensgevaarlijk is de bijrijdersstoel voor een kind als het kind in een kinderzitje wordt vervoerd met de rug naar het dashboard gekeerd.
Als een kinderzitje met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel is gemonteerd, kan het kinderzitje door de geactiveerde bijrijdersvoorairbag met zo'n grote kracht worden geraakt dat levensgevaarlijk of zelfs fataal letsel het gevolg kan zijn ⇒ ⚠. Daarom mag bij in paraatheid zijnde bijrijdersvoorairbag nooit een kinderzitje worden gebruikt dat met de rug naar het dashboard gekeerd op de bijrijdersstoel is bevestigd!
Gebruik op de bijrijdersstoel alleen een kinderzitje dat met de rug naar het dashboard is gekeerd, als is gegarandeerd dat de bijrijdersvoorairbag buiten werking is gesteld. Dat is te herkennen doordat het gele controlelampje in het dashboard PASSENGER AIR BAG OFF; gaat branden ⇒ pagina 64. Als de bijrijdersvoorairbag niet buiten werking kan worden gesteld, mag op de bijrijdersstoel geen kind worden vervoerd ⇒ △.
Neem bij een kinderzitje op de bijrijdersstoel beslist het volgende in acht:
- Bij een kinderzitje dat met de rug naar het dashboard is gekeerd, moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking zijn gesteld ⚠ ⇒ pagina 64.
- De rugleuning van de bijrijdersstoel moet rechtop staan.
- De bijrijdersstoel moet helemaal naar achteren zijn geschoven.
- De bijrijdersstoel moet bij een in hoogte verstelbare stoel helemaal naar boven zijn gezet.
Geschikte kinderzitjes
Het kinderzitje moet door de fabrikant speciaal voor het gebruik op de bijrijdersstoel in wagens met voor- en zij-airbag zijn goedgekeurd.
Op de bijrijdersstoel kunnen universele kinderzijtes volgens ECE-R 44 voor groep 0, 0+, 1, 2 of 3 worden bevestigd.

GEVAAR
Als op de bijrijdersstoel een kinderzitje wordt gemonteerd, wordt voor het kind in het geval van een aanrijding het risico van levensgevaarlijk lichamelijk letsel vergroot en kan zelfs fatale gevolgen hebben. Nooit kinderzijtes die met de rug naar het dashboard zijn gekeerd op de bijrijdersstoel monteren als de bijrijdersvoorairbag in paraatheid is. Het kind kan bij activering van de voorairbag gedood worden, doordat het kinderzitje met volle kracht door de geactiveerde airbag wordt getroffen en tegen de stoelleuning wordt geslingerd.

GEVAAR
Als in uitzonderingsgevallen een kind met de rug naar het dashboard op de bijrijdersstoel moet worden vervoerd, het volgende in acht nemen:
- Altijd de bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen en buiten werking laten.
- Het kinderzitje moet door de fabrikant van het kinderzitje voor het gebruik op de bijrijdersstoel met voor- resp. zij-airbag zijn vrijgegeven.
- Neem de montageaanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje en de waarschuwingsaanwijzingen in acht.
- De bijrijdersstoel in lengterichting helemaal naar achteren schuiven en omhoogzetten om een zo groot mogelijke afstand tot de voorairbag te krijgen.
• Rugleuning rechtop zetten. - Kinderen altijd met een goedgekeurd en geschikt veiligheidssysteem dat bij hun li- chaamslengte en gewicht past in de wagen vastzetten.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Bij de bevestiging van een kinderzitje op een stoel achterin moet de stand van de voorstoel zo worden aangepast dat het kind voldoende ruimte heeft. Daarom de voorstoel aan de grootte van het kinderzitje en het kind aanpassen. Let daarbij ook op de juiste zithouding van de bijrijder ⚠ ⇒ pagina 46.
Geschikte kinderzitjes
Het kinderzitje moet door de fabrikant zijn vrijgegeven voor het gebruik op zitplaatsen achterin met zij-airbag.
Op de zitplaatsen achterin kunnen universele kinderzitjes volgens ECE-R 44 voor groep 0, 0+, 1, 2 of 3 worden bevestigd.
De zitplaatsen achterin zijn geschikt voor kinderzijtes met Isofix-systeem, die voor deze wagen speciaal zijn goedgekeurd volgens de ECE-R44 norm.
Isofix-kinderzitjes die voor de zitplaatsen achterin zijn toegelaten
Isofix-kinderzitjes zijn ingedeeld in de toelatingscategorieën "universeel", "semi-universeel" of "wagenspecifiek".
- Als het Isofix-kinderzitje tot de categorie "universeel" behoort, moet het kinderzitje met de onderste verankeringspunten en de bevestigingsgordel Top Tether worden vastgezet.
- Bij Isofix-kinderzitjes met de toelating "semi-universeel" of "wagenspecifiek" moet vóór het gebruik worden gecontroleerd, of het kinderzitje is toegelaten voor de wagen. Hiervoor levert de fabrikant van het kinderzitje bij het Isofix-kinderzitje een lijst met wagens, waarvoor het betreffende Isofix-kinderzitje is vrijgegeven. U kunt eventueel om een actuele lijst met wagens aan de fabrikant van het kinderzitje vragen.
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Kinderzitjes met het opschrift universeel op het oranje label mogen met de veiligheidsgordel op de zitplaatsen worden bevestigd die in de tabel met een u zijn gemarkeerd.
| Gewichtsgroep | Bijrijdersstoel | Zitplaatsen op de achterbank |
| Groep 00 - 10 kg | u | u |
| Groep 0+0 - 13 kg | u | u |
| Groep 19 t/m 18 kg | u | u |
| Groep 215 t/m 25 kg | u | u |
| Groep 322 t/m 36 kg | u | u |
Kinderzitje met veiligheidsgordel bevestigen
- Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje lezen en in acht nemen.
-
Bijrijdersstoel resp. achterbank geheel naar achteren schuiven en bij verstelbare rugleuning deze rechtop zetten ⇒ pagina 46.
-
Kinderzitje overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje op de stoel zetten.
- Veiligheidsgordel volgens de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje vastgespen resp. door het kinderzitje leiden.
-
Let erop dat de veiligheidsgordel niet verdraaid is.
-
Slotgesp in het bij de stoel behorende gordelslot steken tot deze hoorbaar vastklikt.
- De bovenste gordel moet stevig en volledig tegen het kinderzitje aan liggen.
- Aan de veiligheidsgordel trekken - de onderste gordel mag niet meer eruit kunnen worden getrokken.
Kinderzitje uitbouwen
Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen los- maken ⇒ ⚠.
- Rode knop in het gordelslot indrukken. De slotgesp springt eruit.
- Gordel met de hand terug geleiden, zodat de gordel gemakkelijker oprolt, de veiligheidsgordel niet verdraait en de bekleding niet wordt beschadigd.
- Kinderzitje uit de wagen halen.

WAARSCHUWING
Het losmaken van de veiligheidsgordel tijdens het rijden kan bij een ongeval of plotselinge rem- en rijmanoeuvres zware of dodelijke verwondingen veroorzaken!
- Veiligheidsgordel alleen bij stilstaande wagen losmaken.
△
Kinderzitje met onderste verankeringspunten bevestigen (Isofix, LATCH)


Afbeelding 54 Op de zitting: Markeringsvarianten van de onderste verankeringspunten voor kinderzitjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Op elke zitplaats van de achterbank zitten steeds twee bevestigingsogen, de zogenoemde onderste verankeringspunten.
Overzicht inbouw met Isofix
In overeenstemming met de Europese richtlijn ECE 16 worden in de volgende tabel de inbouw-mogelijkheden aan de onderste verankeringspun- ten van Isofix-kinderzitjes op de afzonderlijke zit-plaatsen in de wagen opgesomd.
Het voor het kinderzitje toegestane lichaamsgewicht resp. de aanduiding van klasse A t/m G is bij kinderzitjes met de vrijgave "universeel" of "semi-universeel" op het label op het kinderzitje aangegeven.
| Groep (gewichtsgroep) | ||||||||||
| Groep 0: tot 10 kg | Groep 0: tot 10 kg | Groep 1: 9 tot 18 kg | ||||||||
| Groep 0+: tot 13 kg | ||||||||||
| Inbouwrichting | Achteruit ge-richt (tegen rijrich-ting in) | Achteruit gericht (tegen rijrichting in) | Achteruit ge-richt (tegen rijrich-ting in) | Vooruit gericht (in rijrichting) | ||||||
| Klasse | F | G | C | D | E | C | D | A | B | B1 |
| Inbouw bijrijdersstoel | Zitplaats zonder verankeringspunten, geen bevestiging met Isofix/LATCH | |||||||||
| Inbouw op zitplaatsen van de achterbank | IL-SU | IL-SU | IL-SU | IUF/IL-SU | ||||||
IL-SU: geschikte zitplaats voor het inbouwen van een Isofix-kinderzitje met de toelating "semi-universeel". Neem de wagenlijst van de fabrikant van het kinderzitje in acht.
IUF: geschikte zitplaats voor het inbouwen van een Isofix-kinderzitje met de toelating "universeel" en bevestiging met de bevestigingsgordel Top Tether.
Kinderzitje met vaste bevestiging
Bij het inbouwen van een kinderzitje met vaste bevestiging kunnen inbouwhulpstukken worden gebruikt. Gemonteerde inbouwhulpstukken vergemakkelijken het inbouwen en beschermen de stoelbekleding. De inbouwhulpstukken maken soms deel uit van de leveringsomvang van het kinderzitje of zijn bij de Volkswagen Partner te verkrijgen. De inbouwhulpstukken worden zo nodig op beide verankeringspunten van de wagen vastgeklikt →①.
- Let bij het in- en uitbouwen op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje ▲.
- Kinderzitje in pijlrichting op de bevestigingsogen Afbeelding 54 steken. Het kinderzitje moet goed en hoorbaar vastklikken.
- Ter controle aan beide zijden van het kinderzitje trekken.
Kinderzitje met verstelbare bevestigingsgordels
- Let bij het in- en uitbouwen op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje ▲.
-
Kinderzitje op de zitting zetten en de haken van de bevestigingsgordels in de bevestigingsogen Afbeelding 54 haken.
-
Bevestigingsgordels aan het betreffende stelsysteem gelijkmatig straktrekken. Het kinderzitje moet strak tegen de zitplaats aan liggen.
- Ter controle aan beide zijden van het kinderzitjetrekken.

WAARSCHUWING
De onderste verankeringspunten voor kinderzitjes zijn geen bevestigingsogen. Alleen kinderzitjes aan de onderste verankeringspunten bevestigen.

LET OP
- Om blijvende afdrukken in de bekleding te voorkomen, moeten de inbouwhulpstukken uit de verankeringspunten worden losgetrokken, wanneer geen kinderzitje in de verankeringspunten van de wagen is ingebouwd.
- Om schade aan de stoelbekledingen, de vullingen of de inbouwhulpstukken te voorkomen, moeten de inbouwhulpstukken vóór het neerklappen van de achterbank altijd uit de verankeringspunten worden losgetrokken.
△
Kinderzitje met bevestigingsgordel Top Tether bevestigen

Afbeelding 55 Voorbeeld van een vastgehaakte bovenste bevestigingsgordel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
- Let bij het in- en uitbouwen op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje ▲.
- Rugleuning ontgrendelen en rugleuning iets naar voren klappen ⇒ pagina 53.
- Hoofdsteun achter het kinderzitje uitbouwen en veilig in de wagen opbergen ⇒ pagina 46.
-
Bovenste bevestigingsgordel van het kinderzitje tussen de rugleuning en de bagageruimteafdekking naar achteren in de bagageruimte leiden.
-
Rugleuning terugklappen en rugleuning goed in de vergrendeling drukken.
- Kinderzitje aan de onderste verankeringspunten bevestigen ⇒ pagina 77.
- Bovenste bevestigingsgordel in de bagageruimte aan het juiste bevestigingsoog haken ⇒ Afbeelding 55.
- Gordel strakspannen, zodat het kinderzitje bovenaan tegen de rugleuning rust.
Hoofdsteun weer inbouwen, nadat het kinderzitje is uitgebouwd ⇒ pagina 46.

WAARSCHUWING
Kinderzitje met onderste verankeringspunten en bovenste bevestigingsgordel moeten overeenkomstig de gegevens van de betreffende fabrikant worden gemonteerd. Anders zouden zware verwondingen het gevolg kunnen zijn.
- Altijd slechts één bevestigingsgordel van een kinderzitje aan een bevestigingsoog in de bagageruimte bevestigen.
- Altijd de daarvoor bedoelde bevestigingsogen voor de bevestigingsgordel gebruiken.
- Nooit de bevestigingsgordel aan een bagagebevestigingsoog bevestigen.
△
Licht en zicht
Licht
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 80
Knipperlicht- en grootlichthendel 81
Licht in- en uitschakelen 82
Licht en zicht - functies 82
Koplampen afplakken 83
Lichtbundelhoogteverstelling, instrumenten- en schakelaarverlichting 83
Binnenverlichting 84
Raadpleeg de landspecifieke wettelijke bepalingen voor het gebruik van de wagenverlichting en neem deze in acht.
De bestuurder is altijd verantwoordelijk voor de juiste koplampafstelling en de juiste rijverlichting.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 22
• Gloeilampjes vervangen ⇒ pagina 244
⚠ WAARSCHUWING
Te hoog afgestelde koplampen en het verkeerd gebruik van het grootlicht kunnen andere verkeersdeelnemers afleiden en verblinden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Let er altijd op dat de koplampen correct zijn afgesteld.
- Nooit het grootlicht of het grootlichtsignaal gebruiken als andere verkeersdeelnemers kunnen worden verblind.
△
Controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 80 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Mistachterlicht ingeschakeld. | ⇒ pagina 82. | |
| Knipperlicht links of rechts.Het controlelampje knippert twee keer zo snel als er aan de wagen een knipperlichtlampje is uitgevallen. | Zo nodig de verlichting van de wagen controleren. | |
| Grootlicht ingeschakeld of grootlichtsignaal bediend. | ⇒ pagina 81. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
- De wagen zodanig op veilige afstand van het verkeer stilzetten, dat geen onderdelen van het uitlaatsysteem met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking komen, bv. droog gras, brandstof, olie etc.
- Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers. Indien nodig, alarmlichten

WAARSCHUWING (vervolg)
inschakelen en gevarendriehoek plaatsen, om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
△
Knipperlicht- en grootlichthendel

Afbeelding 56 Knipperlicht- en grootlichthendel in uitgangsstand

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Hendel in de gewenste stand bewegen:
① Rechts knipperen ⇒ ▲.
② Links knipperen ⇒ △.
③ Grootlicht inschakelen ⇒ ▲. Bij ingeschakeld grootlicht brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje ID.
④ Grootlichtsignaal bedienen of grootlicht uitschakelen. Het grootlichtsignaal brandt, zolang de hendel aangetrokken is. Het controlelampje 📊 brandt.
Hendel in de uitgangsstand zetten om de betreffende functie uit te schakelen.
Comfortknipperen
Voor het comfortknipperen de hendel tot aan het drukpunt omhoog of omlaag bewegen en hendel loslaten. Het knipperlicht knippert driemaal.
Het comfortknipperen kan door een specialist worden gedeactiveerd.

WAARSCHUWING
Ondeskundig gebruik van de knipperlichten, het niet-gebruiken van de knipperlichten of vergeten het knipperlicht weer uitschakelen, kan verkeersdeelnemers verwarren. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Rijstrookwissels, inhaalmanoeuvres en afslaan altijd door tijdig knipperen aangeven.
- Na de rijstrookwissel, inhaalmanoeuvre of het afslaan het knipperlicht uitschakelen.

WAARSCHUWING
Verkeerd gebruik van het grootlicht kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben, omdat het grootlicht andere verkeersdeelnemers kan afleiden en verblinden.
Het knipperlicht werkt alleen bij ingeschakeld contact. De alarmlichten werken ook wan- neer het contact is uitgeschakeld ⇒ pagina 222.
Als er aan de wagen een knipperlicht uitvalt, knippert het controlelampje ongeveer twee keer zo snel.
Het grootlicht kan alleen bij ingeschakeld dimlicht worden ingeschakeld.
△



Afbeelding 57 Naast het stuurwiel: Voorbeelden van enkele uitvoeringen van de lichtschakelaar

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Raadpleeg de landspecifieke wettelijke bepalingen voor het gebruik van de wagenverlichting en neem deze in acht.
De lichtschakelaar in de gewenste stand draaien ⇒ Afbeelding 57:
| Nr. | Bij uitgeschakeld contact | Bij ingeschakeld contact |
| 0 | Mistlichten, dimlicht en stadslicht uitgescha-keld. | Verlichting uitgeschakeld, dagrijverlichting inge-schakeld. |
| 3005 | Stadslicht ingeschakeld. | Stadslicht ingeschakeld. |
| 3D | Dimlicht uitgeschakeld – eventueel kan het stadslicht nog even branden. | Dimlicht ingeschakeld. |
Mistlampen:
Het controlelampje 10 in de lichtschakelaar geeft aan dat de mistlampen zijn ingeschakeld.
- Mistlampen ∅ inschakelen: lichtschakelaar vanuit stand ∅ of ∅ tot in de eerste stand uittrekken.
- Mistachterlicht Ⓧ inschakelen: lichtschakelaar uit stand ⚫ of ⭕ helemaal uittrekken.
- Om de mistlichten uit te schakelen, de lichtschakelaar indrukken of in stand 0 draaien.
Het stadslicht of de dagrijverlichting is niet helder genoeg om de weg voldoende te ver- lichten en door andere verkeersdeelnemers te worden gezien.
- Het dimlicht bij duisternis, neerslag of slecht zicht altijd inschakelen.
Waarschuwingssignaal voor niet- uitgeschakeld licht
Als de sleutel uit het contact is getrokken en het bestuurdersportier is geopend, klinken onder de volgende voorwaarden waarschuwingssignalen. Dit helpt u eraan herinneren het licht uit te schakelen.
Licht en zicht - functies

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-
gina 80 en volg deze op.
Parkeerlicht aan beide zijden
Wanneer de lichtschakelaar bij uitgeschakeld contact in stand » staat en de wagen van buitenaf ontgrendeld wordt, branden beide koplampen met stadslicht en de achterlichten.
Dagrijverlichting
Voor de dagrijverlichting zitten er in de koplampen aparte lampjes.
Bij ingeschakelde dagrijverlichting branden alleen deze aparte lampjes ⇒ ⚠.
De dagrijverlichting schakelt elke keer dat het contact wordt ingeschakeld in, indien de lichtschakelaar in de stand 0 staat.
Dagrijverlichting activeren en deactiveren
Bij een specialist kan de dagrijverlichting worden geactiveerd resp. gedeactiveerd. Volkswagen adviseert hiervoor de Volkswagen Partner.

WAARSCHUWING
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moeilijk door andere verkeersdeelnemers kan worden gezien, kunnen ongevallen worden veroorzaakt.
- Nooit met dagrijverlichting rijden als de weg vanwege weers- en lichtomstandigheden niet goed wordt verlicht. De dagrijverlichting is niet helder genoeg om de weg voldoende te verlichten en door andere verkeersdeelnemers te worden gezien.
- Bij de dagrijverlichting worden de achterlichten niet mee ingeschakeld. Een wagen waarbij de achterlichten niet zijn ingeschakeld, kan bij duisternis, regen of slecht zicht door andere verkeersdeelnemers niet gezien worden.
Bij koude resp. natte weersomstandigheden kunnen de koplampen, achterlichten en knipperlichten aan de binnenzijde tijdelijk beslaan. Dit verschijnsel is normaal en heeft geen invloed op de levensduur van de verlichting van uw wagen.
Koplampen afplakken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Bij ritten in landen, waarin aan de andere kant van de weg wordt gereden, kan het asymmetrische dimlicht het tegemoetkomende verkeer verblinden.
Daarom moet u bij ritten in het buitenland eventueel bepaalde delen van de koplampglazen met folie laten afplakken. Meer informatie is te verkrijgen bij een specialist. Volkswagen adviseert hiervoor een Volkswagen Partner.

Het gebruik van de folie op de koplampgla- zen is alleen toegestaan als deze gedurende tijd gebruikt wordt. Neem voor een blijvende passing contact op met een specialist. Volks- en adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Lichtbundelhoogteverstelling, instrumenten- en schakelaarverlichting

Afbeelding 58 Naast het stuurwiel: Regelaar voor de lichtbundelhoogteverstelling

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Lichtbundelhoogteverstelling
De lichtbundelhoogteverstelling Afbeelding 58 past de lichtbundels van de koplampen afhankelijk van de afstelwaarde traploos aan de beladingstoestand van de wagen aan. Hierdoor heeft de bestuurder een zo goed mogelijk zicht en het tegemoetkomende verkeer wordt niet verblind ▲.
U kunt de koplampen alleen regelen bij ingeschakeld dimlicht.
Voor het instellen aan regelaar ⇒ Afbeelding 58 draaien:
| Afstel-waarde | Beladinga) van de wagen |
| - | Voorstoelen bezet en bagageruimte leeg. |
| 1 | Alle zitplaatsen bezet en bagageruim-te leeg. |
| 2 | Alle zitplaatsen bezet en bagageruim-te maximaal beladen. |
| 3 | Alleen bestuurdersplaats bezet en ba-gageruimte maximaal beladen. |
a) Bij afwijkende belading van de wagen zijn ook tussenliggende standen van de regelaar mogelijk.
Instrumenten- en schakelaarverlichting
Bij ingeschakeld stads- of dimlicht brandt de instrumenten- en schakelaarverlichting met een constante lichtsterkte.

WAARSCHUWING
Zware voorwerpen in de wagen kunnen ertoe leiden, dat de koplampen andere verkeers-deelnemers verblinden en afleiden. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- De lichtbundel altijd zodanig aan de belading van de wagen aanpassen, dat andere verkeersdeelnemers niet worden verblind.

Binnenverlichting

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 80 en volg deze op.
| Knop / positie | Functie |
| [0-1] | Binnenverlichting uitschakelen. |
![]() | Binnenverlichting inschakelen. |
![]() | Portiercontactschakelaar inschakelen (middenstand).De binnenverlichting wordt bij het ontgrendelen van de wagen, het openen van een portier of het uit het contact trekken van de sleutel automatisch ingeschakeld.De verlichting dooft enkele seconden nadat alle portieren zijn gesloten, bij het vergrendelen van de wagen of als het contact wordt ingeschakeld. |
![]() | Leeslampje in- of uitschakelen. |

De binnenverlichting en het leeslampje gaan uit bij het vergrendelen van de wagen of en-
kele minuten nadat de sleutel uit het contactslot is getrokken. Dat voorkomt het ontladen van de accu.
Bescherming tegen de zon

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zonnekleppen 85

WAARSCHUWING
Omlaaggeklapte zonnekleppen kunnen het zicht belemmeren.
- Zonnekleppen altijd in de houder terugdrukken als ze niet meer nodig zijn.
△
Zonnekleppen

Afbeelding 59 Zonneklep

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Verstelmogelijkheden van de zonnekleppen voor bestuurder en bijrijder:
- Naar voorruit klappen.
- Uit de houder trekken en naar het portier zwenken Afbeelding 59 (pijl).
Make-upspiegel
In de omlaaggeklapte zonneklep kan een make-upspiegel zitten.
△
Ruitenwissers en -sproeiers

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Ruitenwisserhendel 86
Ruitenwisserfuncties 87
Servicestand van de ruitenwissers vóór ..... 88
Ruitensproeiervloeistofpeil controleren en bijvullen 89
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Circulatiefunctie ⇒ pagina 150
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte ⇒ pagina 162
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 179

WAARSCHUWING
Ruitensproeiervloeistof kan op de voorruit vastvriezen en het zicht naar voren belemmeren als de bescherming tegen bevriezing on-voldoende is.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De ruitensproeierinstallatie bij winterse temperaturen alleen gebruiken als de bescherming tegen bevriezing voldoende is.
- De ruitensproeierinstallatie bij winterse temperaturen alleen gebruiken als de voorruit met de verwarming/ventilatie is verwarmd. Anders kan de ruitensproeiervloeistof op de voorruit bevriezen en het zicht belemmeren.

WAARSCHUWING
Versleten of vuile ruitenwisserbladen vermin- deren het zicht en verhogen het risico van ongevallen en zware verwondingen.
- Ruitenwisserbladen altijd vervangen als ze beschadigd of versleten zijn en de ruit niet meer schoon maken.

LET OP
Verzeker u bij vorst vóór het inschakelen van de ruitenwissers ervan dat de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren! Als de wagen bij koud weer geparkeerd wordt, kan de servicestand van de ruitenwissers voor van pas komen ⇒ pagina 88.
△
Ruitenwisserhendel

Afbeelding 60 Ruitenwisser voor bedienen

Afbeelding 61 Achterruitwisser bedienen
▶

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 86 en volg deze op.
Hendel in de gewenste stand bewegen ⇒ ⚠:
| 0 | ![]() | Ruitenwisser uitgeschakeld. |
| 1 | ![]() | Intervalwissen voor de voorruit. |
| 2 | ![]() | Langzaam wissen. |
| 3 | ![]() | Snel wissen. |
| 4 | ![]() | Tipwissen – kort wissen. Hendel langer omlaaggedrukt houden om sneller te wissen. |
| 5 | ![]() | Wis-wasautomaat voor het schoonmaken van de voorruit bij naar u toe getrokken hendel. |
| 6 | ![]() | Intervalwissen voor de achterruit. De ruitenwisser wist ongeveer elke 6 seconden. |
| 7 | ![]() | Wis-wasautomaat voor het schoonmaken van de achterruit bij van u af gedrukte hendel. |

LET OP
Als het contact wordt uitgeschakeld terwijl de ruitenwissers zijn ingeschakeld, wissen de ruitenwissers in dezelfde wisserstand verder als het contact weer wordt ingeschakeld. Bij vorst, sneeuw en andere obstakels op de voorruit kan dit beschadiging van de ruitenwissers en de ruitenwissermotor tot gevolg hebben.
- Voordat u gaat rijden zo nodig sneeuw en ijs van de ruitenwissers verwijderen.

LET OP (vervolg)
- Vastgevroren ruitenwissers voorzichtig losmaken van de ruit. Volkswagen adviseert u dit te doen met behulp van ruitontdooier.

De ruitenwissers werken alleen wanneer het contact is ingeschakeld.

De intervallen bij het intervalwissen van de voorruit zijn afhankelijk van de rijsnelheid.
Hoe hoger de snelheid, des te korter zijn de intervallen.

De achterruitwisser schakelt automatisch in, als de ruitenwissers vóór zijn ingeschakeld e achteruitversnelling wordt gekozen.
△
Ruitenwisserfuncties

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 86 en volg deze op.
Gedrag van de ruitenwissers in verschillende situaties:
| Als de wagen stilstaat: | De ingeschakelde wisserstand schakelt tijdelijk terug naar de volgende langzamere stand. |
| Bij het intervalwissen: | De intervallen worden snelheidsafhankelijk aangestuurd. Hoe hoger de snelheid, des te korter zijn de intervallen. |
Bij een obstakel op de voorruit probeert de wisser dit obstakel weg te schuiven. Indien het obstakel de wisser blijft blokkeren, stopt de wisser. Obstakel verwijderen en de wisser opnieuw inschakelen.
Servicestand van de ruitenwissers vóór

Afbeelding 62 Ruitenwissers in servicestand

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
In de servicestand kunnen de ruitenwisserarmen van de voorruit worden weggeklapt ⇒ Afbeelding 62. Om de ruitenwissers in de servicestand te zetten, moet het volgende worden gedaan:
• Motorkap moet gesloten zijn ⇒ pagina 162.
- Contact in- en weer uitschakelen.
- Ruitenwisserhendel kort omlaagdrukken
⇒ Afbeelding 60 ④.
Ruitenwisserarmen alvorens te gaan rijden weer tegen de voorruit klappen! De ruitenwisserarmen bewegen bij ingeschakeld contact door bediening van de ruitenwisserhendel weer in de beginstand terug.
Wisserbladen van de voorruit optillen en wegklappen
- Ruitenwisserarmen in de servicestand zetten ⇒①.
- Ruitenwisserarmen alleen bij de wisserbladbevestiging vastpakken.
LET OP
- Wisserarmen van de ruitenwissers vóór alleen in de servicestand naar voren klappen. Anders kunnen de motorkap en de ruitenwisserarmen worden beschadigd.
- Voordat u gaat rijden de ruitenwisserarmen altijd tegen de ruit klappen.
△

Afbeelding 63 In de motorruimte: Vuldop van het ruitensproeiervloeistofreservoir

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Ruitensproeiervloeistofpeil regelmatig controleren en zo nodig bijvullen.
• Motorkap openen △ ⇒ pagina 162.
- Het ruitensproeiervloeistofreservoir is te herkennen aan het symbool op de dop Afbeelding 63.
- Controleren of er nog voldoende ruitensproeier-vloeistof in het reservoir zit.
- Voor het bijvullen schoon water mengen met een door Volkswagen aanbevolen ruitenreiniger ①. Mengvoorschriften op de verpakking in acht nemen.
- Bij lage buitentemperaturen een speciaal middel ter bescherming tegen bevriezing toevoegen, zodat het water niet kan bevriezen
Vulhoeveelheden
De vulhoeveelheid van het ruitensproeiervloeistofreservoir bedraagt ongeveer 3 liter.

WAARSCHUWING
Nooit antivries voor het koelcircuit of andere ongeschikte toevoegingen aan de ruitensproeiervloeistof toevoegen. Hierdoor kan een vette laag op de ruit ontstaan, die het zicht aanzienlijk beperkt.
- Schoon water in combinatie met een door Volkswagen aanbevolen ruitenreiniger gebruiken.
- Zo nodig een geschikt middel ter bescherming tegen bevriezing aan de ruitensproeier-vloeistof toevoegen.

LET OP
- Nooit de door Volkswagen aanbevolen schoonmaakmiddelen met andere schoonmaakmiddelen mengen. Anders kunnen de bestanddelen neerslaan en daardoor verstopping van de ruitensproeiers tot gevolg hebben.
- Bij het bijvullen, bedrijfsvloeistoffen in geen geval verwisselen! Anders kunnen ernstige storingen en motorschade het gevolg zijn!
△
Spiegels

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Binnenspiegel 90
Buitenspiegels 90
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 122
Binnenspiegel

Afbeelding 64 Handmatig dimbare binnenspiegel

Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 90 en volg deze op.
De bestuurder moet de binnenspiegel zodanig verstellen, dat hij voldoende zicht heeft naar achteren door de achterruit.
Handmatig dimbare binnenspiegel
- Basisstand: hendel onder aan de spiegel wijst naar voren naar de voorruit.
- Om te dimmen de hendel naar achteren trekken Afbeelding 64.
Buitenspiegels

Afbeelding 65 In de voorportieren: Stelknop voor de mechanisch verstelbare buitenspiegel

Afbeelding 66 In het bestuurdersportier: Draai-knop voor de elektrisch verstelbare buitenspiegels

Lees eerst de informatie in de inleiding op pagina 90 en volg deze op.
De buitenspiegels worden door zwenken van de stelknop Afbeelding 65 of het draaien van de draaiknop Afbeelding 66 versteld.
Draaiknop Afbeelding 66 in de gewenste stand draaien:

Buitenspiegelverwarming inschakelen.
L
Linkerbuitenspiegel verstellen door de draaiknop naar voren, achteren, rechts of links te kantelen.
0
Nulstand. Buitenspiegelverwarming uitgeschakeld, buitenspiegels kunnen niet worden versteld.
R
Rechterbuitenspiegel verstellen door de draaiknop naar voren, achteren, rechts of links te kantelen.
De buitenspiegels van de wagen kunnen mechanisch worden ingeklapt en teruggeklapt. Hiervoor voorzichtig het buitenspiegelhuis naar de zijruit klappen resp. van de zijruit terugklappen, tot de buitenspiegel voelbaar vastklikt.

WAARSCHUWING
Onachtzaam in- en uitklappen van de buiten- spiegels kan verwondingen tot gevolg heb- ben.
- Buitenspiegels alleen dan in- of uitklappen als zich niemand in het werkingsgebied bevindt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij het verstellen van de buitenspiegels altijd erop letten dat er geen vingers bekneld komen te zitten tussen de buitenspiegel en de spiegelvoet.

WAARSCHUWING
Het verkeerd inschatten van de afstand tot het achteropkomende verkeer kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Gewelfde spiegelvlakken (convex of asferisch) vergroten het blikveld en maken dat voorwerpen in de spiegel kleiner en verder weg lijken.
- Het gebruik van gewelfde spiegels voor het inschatten van de afstand tot achteropkomend verkeer bij het wisselen van rijbaan is een onnauwkeurige methode en kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij voorkeur de binnenspiegel gebruiken om de afstand tot achteropkomend verkeer of andere voorwerpen te bepalen.
- Zorg ervoor dat er voldoende zicht naar achteren is.

De buitenspiegelverwarming alleen zo lang als nodig ingeschakeld laten. Anders wordt dig brandstof verbruikt.

Bij een storing kunnen de elektrisch verstelbare buitenspiegels mechanisch met de hand en versteld door op de rand van het spiegelte drukken.
Transporteren
Aanwijzingen voor het rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bagage opbergen 93
Met geopende achterklep rijden 93
Met een beladen wagen rijden 94
Wagenspecifieke gewichtsgegevens 94
Zware lading altijd veilig in de bagageruimte opbergen en ervoor zorgen, dat de achterbankleuningen goed en rechtop zijn vergrendeld. Gebruik de bevestigingsogen altijd samen met geschikte sjorbanden voor het vastzetten van zware voorwerpen. De wagen nooit te zwaar beladen. Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking ⇒ ⚠.
Rijden met aanhangwagen
De wagen is niet toegelaten voor het rijden met een aanhangwagen. Af fabriek wordt de wagen niet met een trekhaak uitgerust en er kan ook naderhand geen trekhaak worden ingebouwd.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Achterklep ⇒ pagina 39
• Bijrijdersstoelleuning neerklappen ⇒ pagina 53 - Licht => pagina 80
• Bagageruimte ⇒ pagina 96
• Dakdragersysteem ⇒ pagina 101
• Velgen en banden ⇒ pagina 193

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette of verkeerd vastgezette voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- en remmanoeuvres en ongevallen zware verwondingen veroorzaken. Dat geldt met name wanneer voorwerpen door de activerende airbag worden getroffen en door het interieur worden geslingerd. Let op het volgende om het risico van verwondingen te verminderen:
- Alle voorwerpen in de wagen veilig opbergen. Bagage en zware voorwerpen altijd in de bagageruimte opbergen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Voorwerpen altijd met geschikte sjorbanden of spanbanden vastzetten, opdat de voorwerpen niet in het werkingsgebied van de zij-airbags of de voorairbags kunnen komen ten tijde van een rij- of remmanoeuvre.
- Voorwerpen zo in het interieur opbergen dat zij tijdens het rijden nooit in het werkingsgebied van de airbags kunnen komen. - Opbergvakken tijdens het rijden altijd gesloten houden.
- Alle voorwerpen moeten van de zitting van de bijrijdersstoel worden verwijderd wanneer de rugleuning van de bijrijdersstoel naar voren wordt geklapt. Zelfs lichte en kleine voorwerpen kunnen door de naar voren geklapte rugleuning druk uitoefenen op de zitting, waardoor de sensormat verkeerde informatie naar het airbagregelapparaat stuurt.
- Zolang de rugleuning van de bijrijdersstoel naar voren is geklapt, moet de voorairbag buiten werking gesteld zijn en het controlelampje PASSENGER AIR BAG OFF ♂; branden.
- Opgeborgen voorwerpen mogen er nooit toe leiden dat inzittenden een verkeerde zithouding innemen.
- Als opgeborgen voorwerpen een zitplaats blokkeren, mag op deze zitplaats nooit een persoon plaatsnemen of anderszins gebruik worden gemaakt van deze zitplaats.

WAARSCHUWING
Het rijgedrag en de remwerking veranderen aanzienlijk bij het vervoer van grote en zware voorwerpen.
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven.
- Plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Eerder dan gebruikelijk remmen.
△

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Alle bagage in de wagen veilig opbergen
- Bagage in de wagen en op het dak zo gelijkmatig mogelijk verdelen.
- Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte leggen en de achterbankleuning in rechtop goed vergrendelen.
-
Bagage in de bagageruimte met geschikte spanbanden aan de bevestigingsogen bevestigen ⇒ pagina 96.
-
Lichtbundelhoogte van de koplampen aanpassen ⇒ pagina 80.
- Bandenspanning overeenkomstig aan de belading aanpassen. Bandenspanning op de bandenspanningssticker aanhouden pagina 193.

LET OP
De verwarmingsdraden van de achterruit kunnen door schurende voorwerpen op de hoedenplank worden beschadigd.

Informatie voor het beladen van een dakdra- gersysteem opvolgen ⇒ pagina 101.

Met geopende achterklep rijden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Het rijden met geopende achterklep brengt specia- le gevaren met zich mee. Alle voorwerpen en de geopende achterklep goed vastzetten en geschikte maatregelen nemen om het binnendringen van gif- tige uitlaatgassen te verminderen.

WAARSCHUWING
Het rijden met ontgrendelde of geopende achterklep kan zware verwondingen veroorzaken.
- Altijd met gesloten achterklep rijden.
- Alle voorwerpen in de bagageruimte veilig opbergen. Losse voorwerpen kunnen uit de bagageruimte vallen en achteropkomende verkeersdeelnemers verwonden.
- Altijd omzichtig en bijzonder anticiperend rijden.
- Abrupte of plotselinge rij- en remmanoeuvres vermijden, omdat de geopende achterklep ongecontroleerd kan gaan bewegen.
- Maak uit de bagageruimte stekende voorwerpen voor andere verkeersdeelnemers herkenbaar. Neem de wettelijke bepalingen in acht.
- Als voorwerpen uit de bagageruimte steken mag de achterklep nooit voor het vastklemmen of vasthouden van voorwerpen worden gebruikt.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als op de achterklep een bagagedrager is gemonteerd, verwijder dan de bagagedrager en de eventuele lading hierop als met geopende achterklep moet worden gereden.

WAARSCHUWING
Als de achterklep geopend is, kunnen giftige uitlaatgassen in het interieur binnendringen. Dit kan bewusteloosheid, koolmonoxidevergiftiging, ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Om het binnendringen van giftige uitlaatgassen te voorkomen, altijd met gesloten achterklep rijden.
- Als u bij uitzondering met geopende achterklep moet rijden, moet het volgende worden gedaan om het binnendringen van giftige uitlaatgassen in het interieur te verminderen:
- Alle ruiten en het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak sluiten.
- Circulatiefunctie uitschakelen.
- Alle luchtroosters in het dashboard openen.
- Aanjager op de hoogste aanjagerstand zetten.

LET OP
Door de geopende achterklep verandert de lengte en hoogte van de wagen.


Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Let voor goede rijeigenschappen van een beladen wagen op het volgende:
- Alle bagage veilig opbergen pagina 93.
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven.
- Plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Eerder dan gebruikelijk remmen.
- Raadpleeg zo nodig de informatie over het dakdragersysteem pagina 101.

WAARSCHUWING
Verschuivende lading kan de rijstabiliteit en de rijveiligheid van de wagen aanzienlijk benadelen en daardoor ongevallen en zware verwondingen veroorzaken.
- Lading zoals voorgeschreven vastzetten om verschuiven te voorkomen.
- Bij zware voorwerpen geschikte sjor- of spanbanden gebruiken.
- Achterbankleuning rechtop goed laten vastklikken.
Wagenspecifieke gewichtsgegevens

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
U moet altijd uitgaan van de gegevens in het kentekenbewijs. Alle gegevens in deze handleiding gelden voor het basismodel. Met welke motor uw wagen is uitgerust, staat op de sticker met wagengegevens in het Serviceplan resp. in het kentekenbewijs.
Door meeruitvoeringen of verschillende type-uitvoeringen en bij speciale wagens kunnen de aangegeven waarden afwijken.
De waarden voor het leeggewicht in de hierna volgende tabel gelden voor de rijklare wagen met bestuurder (75 kg), bedrijfsvloeistoffen inclusief een
voor 90% gevulde brandstoftank en eventueel met gereedschap en reservewiel ⇒ ▲. Door meeruitvoeringen en door het naderhand inbouwen van accessoires wordt het aangegeven leeggewicht verhoogd en wordt overeenkomstig het mogelijke laadvermogen gereduceerd.
Het laadvermogen bestaat uit de volgende gewichten:
• Passagiers
- Alle bagage
• Dakbelasting inclusief het dakdragersysteem
Benzinemotoren
| Motorvermogen | MC | Soort versnel- lingsbak | Leegge- wicht | Maximaal toegestaan gewicht | Toegesta- ne vooras- belasting | Toegesta- ne achter- asbelas- ting |
| 44 kW | CHYA | SB5 | 929 kg – 1032 kg | 1290 kg | 680 kg | 640 kg |
| 55 kW | CHYB | SB5 | 929 kg – 1032 kg | 1290 kg | 680 kg | 640 kg |

WAARSCHUWING
Als de maximaal toegestane gewichten en aslasten worden overschreden, kan dit tot schade aan de wagen, ongevallen en zware verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De daadwerkelijke asbelasting mag nooit groter zijn dan de toegestane asbelasting.
- Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking. Snelheid overeenkomstig aanpassen.
LET OP
De lading altijd gelijkmatig verdelen en zo diep mogelijk in de wagen aanbrengen. Bij het vervoeren van zware voorwerpen in de bagage-
LETOP(vervolg)
ruimte moeten deze vóór of boven de achteras worden geplaatst, om het rijgedrag zo min mogelijk te beïnvloeden.
△

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
| Rugleuning van de achterbank neer-enterugklappen | 97 |
| Hoedenplank | 98 |
| Variabele bagageruimtebodem | 99 |
| Bevestigingsogen | 100 |
| Tassenhaken | 100 |
Zware lading altijd in de bagageruimte opbergen en ervoor zorgen, dat de achterbankleuningen goed en rechtop zijn vergrendeld. Gebruik de bevestigingsogen altijd samen met geschikte sjorbanden. De wagen nooit te zwaar beladen. Zowel de lading als de verdeling van de lading in de wagen is van invloed op het rijgedrag en de remwerking

Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Airbagsysteem ⇒ pagina 64
- Licht ⇒ pagina 80
• Transporteren ⇒ pagina 92
• Velgen en banden ⇒ pagina 193

WAARSCHUWING
Bij ongebruikte of onbeheerde wagen altijd de portieren en de achterklep vergrendelen, om het risico van zware of dodelijke verwondingen te verminderen.
- Kinderen nooit zonder toezicht achterla- ten, vooral niet bij geopende achterklep. Kin- deren zouden in de bagageruimte kunnen ko- men en de achterklep kunnen sluiten en zou- den niet in staat zijn zelfstandig uit de wagen te komen. Dat kan zware of dodelijke verwon- dingen tot gevolg hebben.
- Laat nooit kinderen in of aan de wagen spelen.
- Nooit personen in de bagageruimte vervoeren.

WAARSCHUWING
Niet-vastgezette of verkeerd vastgezette voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- en remmanoeuvres en ongevallen zware verwondingen veroorzaken. Dat geldt met name

WAARSCHUWING (vervolg)
wanneer voorwerpen door de activerende airbag worden getroffen en door het interieur worden geslingerd. Let op het volgende om het risico van verwondingen te verminderen:
- Alle voorwerpen in de wagen veilig opbergen. Bagage en zware voorwerpen altijd in de bagageruimte opbergen.
- Voorwerpen altijd met geschikte sjorbanden of spanbanden vastzetten, opdat de voorwerpen niet door het interieur vliegen en in het werkingsgebied van de zij-airbags of de voorairbags kunnen komen ten tijde van een plotselinge rij- of remmanoeuvre.
- Opbergvakken tijdens het rijden altijd gesloten houden.
- Geen harde, zware of scherpe voorwerpen los in open opbergvakken in de wagen of op de hoedenplank of op het dashboard opbergen.
- Harde, zware of scherpe voorwerpen uit kledingstukken en tassen in het interieur verwijderen en veilig opbergen.

WAARSCHUWING
Bij het vervoeren van zware voorwerpen ver-
anderen de rijeigenschappen van de wagen
en wordt de remweg langer. Zware lading, die
niet goed is geplaatst of niet goed is beves-
tigd, kan ertoe leiden dat u de controle over
de wagen verliest en kan tot zware verwon-
dingen leiden.
- Bij het vervoeren van zware voorwerpen veranderen de rij-eigenschappen van de wagen doordat het zwaartepunt van de wagen wijzigt.
- De lading altijd gelijkmatig verdelen en zo diep mogelijk in de wagen aanbrengen.
- Zware voorwerpen in de bagageruimte zo ver mogelijk vóór de achteras opbergen.

LET OP
De draden van de achterruitverwarming kunnen worden beschadigd doordat voorwerpen op de bagageruimte-afdekking erlangs schuren.
Om ervoor te zorgen dat gebruikte lucht uit de wagen kan stromen, mogen de ontluchtingsopeningen tussen achterruit en bagageruim-teafdekking niet worden afgedekt.
△
Rugleuning van de achterbank neer- en terugklappen

Afbeelding 67 Achterbank: Ontgrendelingsknop Ⓐ; Rode marketing Ⓑ
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 96 en volg deze op.
De achterbankleuning kan worden neergeklapt om de bagageruimte te vergroten.
Achterbankleuning neerklappen
- Hoofdsteun helemaal naar beneden schuiven, zo nodig uitbouwen pagina 46 en veilig opbergen.
- Ontgrendelingsknop Afbeelding 67 Ⓐ naar voren trekken en gelijktijdig de achterbankleuning neerklappen.
- De rugleuning is ontgrendeld, als de rode markering op knop Ⓑ te zien is.
- Als de achterbankleuning neergeklapt is, mogen er op de zitplaatsen van de neergeklapte achterbank geen personen of kinderen worden vervoerd.
Achterbankleuning terugklappen
- Achterbankleuning naar achteren klappen en stevig in de vergrendeling drukken tot deze goed vastklikt ⇒ ⚠.
-
De rode markering op ontgrendelingsknop Ⓑ mag niet meer zichtbaar zijn.
-
De achterbankleuning moet goed zijn vergrendeld, zodat de beschermende werking van de veiligheidsgordels op de zitplaatsen achterin is gegarandeerd.
- Zo nodig hoofdsteunen weer inbouwen en afstellen ⇒ pagina 46.

WAARSCHUWING
Door ongecontroleerd of onachtzaam neerklappen en terugklappen van de achterbankleuning kunnen zware verwondingen worden veroorzaakt.
- Nooit tijdens het rijden de achterbankleuning neerklappen en terugklappen.
- Let erop dat bij het terugklappen van de achterbankleuning de veiligheidsgordel niet wordt ingeklemd of beschadigd.
- Handen, vingers en voeten of andere lichaamsdelen bij het neer- en terugklappen van de achterbankleuning altijd buiten het zwenkbereik houden.
- Elke achterbankleuning moet altijd goed rechtop vergrendeld zijn, zodat de beschermende werking van de veiligheidsgordels op de zitplaatsen achterin is gegarandeerd. Als een zitplaats wordt gebruikt en de betreffende rugleuning is niet goed vergrendeld, dan beweegt de inzittende bij plotselinge rem- en rijmanoeuvres en ongevallen met de rugleuning naar voren.
- Een rode marketing op de knop Ⓑ geeft een onvergrendelde rugleuning aan. Altijd controleren of de rode marketing niet zichtbaar is, als de achterbankleuning rechtop staat.
- Als de rugleuning is neergeklapt of niet goed is vergrendeld, mogen op deze zitplaat-sen nooit personen of kinderen worden ver-voerd.

LET OP
Vóór het neerklappen van de achterbankleuning de voorstoelen zo verstellen dat de hoofdsteun of vulling van de achterbankleuning niet
LET OP (vervolg)
tegen de voorstoelen stoot. Zo nodig hoofdsteun uitbouwen ⇒ pagina 46 en veilig opbergen.
Hoedenplank

Afbeelding 68 In bagageruimte: Hoedenplank uit- en inbouwen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Lichte kledingstukken kunnen op de hoedenplank worden neergelegd. Zorg ervoor dat er voldoende zicht naar achteren is.
Hoedenplank omhoog- en omlaagklappen
De hoedenplank omhoogklappen en in de steunen aan de zijkant Afbeelding 68 ① drukken. Let er daarbij op, dat deze goed vastgeklikt is.
Om de hoedenplank omlaag te klappen, deze uit de steunen drukken.
Hoedenplank uitbouwen
Hoedenplank naar boven uit de steunen aan de zijkant trekken ②.
Hoedenplank inbouwen
Hoedenplank naar beneden in de steunen aan de zijkant drukken ②.
⚠ WAARSCHUWING
Niet-vastgezette of verkeerd vastgezette voorwerpen of dieren op de hoedenplank kunnen bij plotselinge rij- en remmanoeuvres en bij ongevallen zware verwondingen veroorzaken.
- Geen harde, zware of scherpe voorwerpen los of in tassen op de hoedenplank opbergen.
- Nooit dieren op de hoedenplank vervoeren.
- Nooit met omhooggezette hoedenplank rijden. Deze vóór de rit altijd omlaagklappen resp. uitbouwen.
LET OP
Om schade aan de hoedenplank te voorkomen, altijd erop letten, dat de hoedenplank stevig in de steunen aan de zijkant is vastgeklikt.
LET OP
Om schade aan de hoedenplank te voorkomen:
- Let er altijd op dat de hoedenplank stevig in de steunen aan de zijkant is vastgeklikt.
- De bagageruimte maar zo hoog beladen dat de hoedenplank niet op de lading kan drukken als de achterklep wordt gesloten.


Afbeelding 69 A: Variabele bagageruimtebodem openen. B: Variabele bagageruimtebodem omhooggeklapt

Afbeelding 70 C: Bagageruimte naar beneden uitbreiden. D: Bagageruimte naar voren uitbreiden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Bagageruimtebodem openen en sluiten
Om te openen, de handgreep Afbeelding 69 ① in pijlrichting optillen en bagageruimtebodem helemaal naar boven klappen Afbeelding 69 B.
Om te sluiten, de bagageruimtebodem omlaag geleiden.
Bagageruimte naar beneden uitbreiden
- Bagageruimtebodem optillen en in de geleiding Afbeelding 70 C (pijlen) naar beneden schuiven.
- Bagageruimtebodem op de bodembekleding leggen.
- Zo nodig de rugleuningen naar voren klappen ⇒ pagina 97.
Bagageruimte naar voren uitbreiden
• Hoedenplank uitbouwen ⇒ pagina 98.
• Hoofdsteunen achterin uitbouwen ⇒ pagina 46
- Achterbankleuningen neerklappen ⇒ pagina 97.
- Zo nodig de bagageruimte naar beneden uitbreiden.
LET OP
De bagageruimtevloer bij het sluiten niet laten vallen. Altijd omlaag geleiden. De bekledingen of de bagageruimtebodem zouden beschadigd kunnen raken.

Afbeelding 71 In de bagageruimte: Bevestigingsogen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.
Vooraan in de bagageruimte kunnen bevestigingsogen voor het bevestigen van bagage zitten ⇒ Afbeelding 71.
De bevestigingsogen moeten voor gebruik worden uitgeklapt.

WAARSCHUWING
Ongeschikte of beschadigde sjor- of span- banden kunnen bij een remmanoeuvre of on- geval breken. Daardoor kunnen voorwerpen door het interieur vliegen en zware of dodelij- ke verwondingen veroorzaken.
- Altijd geschikte en onbeschadigde sjor- of spanbanden gebruiken.
- Sjor- of spanbanden goed aan de bevestigingsogen bevestigen.
- Losse bagage in de bagageruimte kan plotseling verschuiven en de rijeigenschappen van de wagen veranderen.
- Ook kleine en lichte voorwerpen vastzetten.
- Nooit de maximale treklast van de bevestigingsogen bij het vastzetten van voorwerpen overschrijden.
- Nooit een kinderzitje aan de bevestigingsogen bevestigen.

De maximale treklast van de bevestigingsogen bedraagt ca. 3,5 kN.

Geschikte spanbanden en bagagebevestigingsystemen zijn verkrijgbaar bij een speci-
alist. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswa- gen Partner.
△
Tassenhaken

Afbeelding 72 In de bagageruimte: Tassenhaken
In de bagageruimte zitten links- en rechtsboven tassenhaken.

WAARSCHUWING
Gebruik de tassenhaak nooit voor het vastzetten van bagage. Bij plotselinge remmanoeuvres of een ongeval kan de tassenhaak afbreken.

LET OP
De tassenhaken mogen elk met maximaal 1,5 kg worden belast.
△

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa- en volg deze op.

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Basisdragers en dakdragers bevestigen ..... 102
Dakdragersysteem beladen 102
Het dak van de wagen is ontworpen voor een optimale aerodynamica. Conventionele dakdragersystemen kunnen daarom niet meer aan een regengoot worden bevestigd.
Omdat de regengoten aerodynamisch verantwoord in het dak zijn geïntegreerd, kunnen alleen de door Volkswagen goedgekeurde basisdragers resp. dakdragersystemen worden gebruikt.
Wanneer moet het dakdragersysteem worden verwijderd:
• Als het niet meer nodig is.
- Als de wagen door een wasstraat rijdt.
- Als de hoogte van de wagen de beschikbare doorrijhoogte overschrijdt, bv. in een garage.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Licht ⇒ pagina 80
• Transporteren ⇒ pagina 92
• Milieubewust rijden ⇒ pagina 131
• Velgen en banden ⇒ pagina 193 - Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
Bij het vervoeren van zware of grote voorwerpen op het dakdragersysteem veranderen de rijeigenschappen van de wagen door de ver-

WAARSCHUWING (vervolg)
andering van het zwaartepunt en door het vergrote oppervlak dat aan wind onderhevig is.
- Lading altijd correct met geschikte en onbeschadigde sjor- of spanbanden vastzetten.
- Grote, zware, lange of platte lading heeft een negatieve invloed op de aerodynamica van de wagen, het zwaartepunt en het rijgedrag.
- Abrupte of plotselinge rij- en remmanoeuvres vermijden.
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.

LET OP
- Dakdragersysteem vóór het rijden door een wasstraat verwijderen.
- De hoogte van uw wagen verandert door de montage van een dragersysteem en de daarop bevestigde lading. Vergelijk de hoogte van de wagen met de aanwezige doorrijhoogtes, bv. van tunnels en garagedeuren.
- De dakantenne, het werkingsgebied van het elektrische glazen panoramaschuif-kanteldak en de achterklep mogen niet door het dakdragersysteem en de bevestigde lading worden gehinderd.
- Let erop dat de geopende achterklep bij het openen niet tegen de lading op het dak stoot.

Bij een gemonteerd dakdragersysteem wordt door de verhoogde luchtweerstand meer dstof verbruikt.

Afbeelding 73 Bevestigingspunten voor basisdragers en dakdragers

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
De basisdragers zijn de basis voor een compleet dakdragersysteem. Voor het vervoer van bagage, fietsen, surfplanken, ski's en boten zijn om veiligheidsredenen speciale extra houders nodig. Geschichte accessoires zijn bij een Volkswagen Partner verkrijgbaar.
Basisdragers en dakdragers bevestigen
Let beslist op de bijgeleverde montagehandleiding van het dakdragersysteem.
De voorste boringen voor bevestiging zitten aan de onderzijden van de dakspanten ⇒ Afbeelding 73 (linkerdeelvergroting). De boringen zijn alleen bij geopend portier zichtbaar. De achterste bevestigingsmarkeringen zitten aan de bovenzijde van de achterste zijruiten ⇒ Afbeelding 73 (rechterdeelvergroting).
De basisdragers mogen alleen bij de op de afbeelding weergegeven markeringen worden bevestigd.

WAARSCHUWING
Onjuiste bevestiging van de basisdragers en het dakdragersysteem en het onjuiste gebruik ervan kan tot gevolg hebben dat het hele systeem van het dak loskomt en daardoor ongevallen en verwondingen veroorzaakt.
- Let altijd op de montagehandleiding van de fabrikant.
- Basisdragers en dakdragers alleen gebruiken, als deze onbeschadigd zijn en op de juiste wijze zijn bevestigd.
- De basisdragers mogen alleen bij de op de afbeelding weergegeven markeringen worden bevestigd Afbeelding 73.
- Basisdragers en dakdragers correct bevestigen.
- De schroefverbindingen en bevestigingen vóór aanvang van de rit controleren en zo nodig na korte tijd gereden te hebben natrekken. Bij langere ritten de schroefverbindingen en bevestigingen bij elke pauze controleren.
- Speciale dakdragers voor fietsen, ski's, surfplanken, enz. altijd correct monteren.
- Geen veranderingen of reparaties aan de basisdrager en de dakdragers uitvoeren.

Neem de meegeleverde montagehandleiding van het gemonteerde dakdragersysteem in en neem deze altijd in de wagen mee.
<
Dakdragersysteem beladen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-01 en volg deze op.
De lading kan alleen goed worden bevestigd, als het dakdragersysteem op de juiste wijze is gemon- teerd ⇒ ▲.
Maximaal toegestane dakbelasting
De maximaal toegestane dakbelasting bedraagt 50 kg. De dakbelasting bestaat uit het gewicht van de basisdragers, het dakdragersysteem en van de op het dak vervoerde lading ⇒ ⚠.
Het gewicht van de basisdragers, het dakdrager-systeem en de te vervoeren lading moet altijd be-kend zijn. Zo nodig wegen. De maximaal toegestane dakbelasting mag nooit worden overschreden.
Bij gebruik van dakdragersystemen met een geringer draagvermogen kan de maximaal toegestane dakbelasting niet worden benut. In dit geval mag het dakdragersysteem slechts tot de gewichts-grens worden belast, die in de montage-instructie is aangegeven.
Lading verdelen
Lading gelijkmatig verdelen en op de juiste wijze vastzetten ⇒ ⚠.
Bevestigingen controleren
Nadat de basisdragers en het dakdragersysteem zijn bevestigd, moeten na een korte rit en daarna met regelmatige tussenpozen de schroefverbindingen en bevestigingen worden gecontroleerd.

WAARSCHUWING
Als de maximaal toegestane dakbelasting wordt overschreden, kunnen ongevallen en ernstige beschadigingen aan de wagen het gevolg zijn.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit de aangegeven dakbelasting, de maximaal toegestane aslasten en het maximaal toegestaan gewicht van de wagen overschrijden.
- Het draagvermogen van het dakdragersysteem niet overschrijden, ook wanneer de dakbelasting niet benut zou zijn.
- Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren aanbrengen en de lading gelijkmatig verdelen.

WAARSCHUWING
Losse en onjuist bevestigde lading kan van het dakdragersysteem vallen en ongevallen en verwondingen veroorzaken.
- Altijd geschikte en onbeschadigde sjor- of spanbanden gebruiken.
• Lading op de juiste manier vastzetten.
Praktische uitrustingen
Opbergmogelijkheden
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Opbergvak aan bestuurderszijde 105
Opbergvak in de middenconsole voorin ..... 105
Opbergvak met klep aan bijrijderszijde ..... 106
Open opbergvak aan bijrijderszijde 107
Opbergvak in middenconsole achterin ..... 107
Overige opbergmogelijkheden 108
Opbergvakken zijn alleen voor het opbergen van lichte of kleine voorwerpen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 187
• ⇒brochure Radio
WAARSCHUWING
Losse voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- of remmanoeuvres door het wageninterieur vliegen. Dat kan zware verwondingen veroorzaken en er ook toe leiden dat u de controle over de wagen verliest.
- Geen dieren en geen harde, zware of scherpe voorwerpen in open opbergvakken in de wagen, op het dashboard, op de hoe-denplank achter de zitplaatsen achterin, in kledingstukken en tassen in het wageninterieur opbergen.
- Opbergvakken tijdens het rijden altijd gesloten houden.
⚠ WAARSCHUWING
Voorwerpen in de voetenruimte van de be-stuurder kunnen de bediening van de peda-len belemmeren. Hierdoor kunt u de controle over de wagen verliezen, wat zware verwon-dingen tot gevolg kan hebben.
- De pedalen moeten altijd ongehinderd kunnen worden ingetrapt.
- Vloermatten altijd veilig in de voetenruimte bevestigen.
- Nooit vloermatten of andere bekledingen over de ingebouwde vloermat leggen.
- Let erop dat geen enkel voorwerp tijdens het rijden in de voetenruimte van de bestuurder kan komen.
LET OP
- De verwarmingsdraden van de achterruit kunnen door schurende voorwerpen op de hoe-denplank worden beschadigd.
- Geen temperatuurgevoelige voorwerpen, levensmiddelen of medicijnen in het wageninterieur bewaren. Hitte en kou kunnen deze beschadigen of onbruikbaar maken.
- In de wagen liggende voorwerpen van lichtdoorlatend materiaal (zoals brillen, vergrootglazen of transparante zuignappen op de ruiten) kunnen het zonlicht bundelen. Hierdoor kunnen er beschadigingen aan de wagen ontstaan.
Om ervoor te zorgen dat gebruikte lucht uit de wagen kan stromen, mogen de ontluchtingsopeningen tussen achterruit en bagageruimteafdekking niet worden afgedekt.
Opbergvak aan bestuurderszijde

Afbeelding 74 Bestuurderszijde: Opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 104 en volg deze op.
Aan bestuurderszijde kan een opbergvak zitten.

WAARSCHUWING
Losse voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- of remmanoeuvres door het wageninterieur vliegen. Dat kan zware verwondingen veroorzaken en er ook toe leiden dat u de controle over de wagen verliest.
- Geen dieren en geen harde, zware of scherpe voorwerpen in het open opbergvak opbergen.
△
Opbergvak in de middenconsole voorin

Afbeelding 75 In de middenconsole voorin: Opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Het opbergvak Afbeelding 75 kan onder andere als houder voor dranken pagina 109 resp. voor de asbak pagina 111 worden gebruikt.

In het opbergvak kan een 12 volt stopcontact ⇒ pagina 114 zitten.
Opbergvak met klep aan bijrijderszijde

Afbeelding 76 Opbergvak aan bijrijderszijde

Afbeelding 77 Geopend opbergvak aan bijrijderszijde

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Aan bijrijderszijde kan een opbergvak met deksel zitten.
Klep van het opbergvak openen en sluiten
Om te openen aan de greep trekken ⇒ Afbeelding 76 ①.
Om te sluiten de klep dichtdrukken, tot deze vastklikt.
Brillenvak
In het opbergvak aan bijrijderszijde kan een bril worden opgeborgen.
Het brillenvak zit bovenin in het opbergvak ⇒Afbeelding 77 ①.
Houders
Behalve het brillenvak zit er een notitieblokjehouder ② en aan de binnenzijde van de klep van het opbergvak zitten een pennenhouder ③, een kaartenvak en muntenvakken ④.

WAARSCHUWING
Een geopend opbergvak aan bijrijderszijde kan het risico van zware verwondingen bij een ongeval of plotselinge rem- en rijmanoeuvres verhogen.
- De klep van opbergvak tijdens het rijden altijd gesloten houden.

LET OP
Bij enkele wagentypen zitten in het opbergvak aan bijrijderszijde constructie-openingen, waardoor kleinere voorwerpen achter de bekleding kunnen vallen. Dat kan ongewone geluiden en beschadigingen aan de wagen tot gevolg hebben. Daarom mogen in het opbergvak geen kleine voorwerpen worden opgeborgen behalve in de daarvoor bedoelde opbergmogelijkheden.
Open opbergvak aan bijrijderszijde

Afbeelding 78 Open opbergvak aan bijrijderszijde

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Aan bijrijderszijde kan een open opbergvak zitten.
Houder
Aan het open opbergvak zit een tassenhaak ⇒ Afbeelding 78 ①.

WAARSCHUWING
Losse voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- of remmanoeuvres door het wageninterieur vliegen. Dat kan zware verwondingen veroorzaken en er ook toe leiden dat u de controle over de wagen verliest.
- Geen dieren en geen harde, zware of scherpe voorwerpen in het open opbergvak opbergen.
△
Opbergvak in middenconsole achterin

Afbeelding 79 In de middenconsole achterin: Opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
De bekerhouder in de middenconsole achterin
⇒ pagina 109 kan als opbergvak worden gebruikt.
△
Overige opbergmogelijkheden

Afbeelding 80 Vóór de zitplaatsen achterin: Opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Kledinghaken
Aan de middelste portierstijlen zitten kledinghaken ⇒ Afbeelding 81 (pijl).
Overige opbergmogelijkheden:
- In de portierbekledingen voorin ⇒ pagina 9.
• Vóór de zitplaatsen achterin ⇒ Afbeelding 80. - Hoedenplank voor lichte kledingstukken.
• Tassenhaken in de bagageruimte ⇒ pagina 96. - In het bovenste deel van de middenconsole in plaats van de radio Afbeelding 7 ⑤.

Afbeelding 81 Aan de middelste portierstijlen: Kledinghaken

WAARSCHUWING
Opgehangen kledingstukken kunnen het zicht van de bestuurder beperken en daardoor ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Kleding altijd zo aan de kledinghaken ophangen, dat het zicht van de bestuurder niet is belemmerd.
- Kledinghaken in de wagen altijd alleen voor het ophangen van lichte kleding gebruiken. Nooit zware, harde of scherpe voorwerpen in de zakken laten.
△
Beker- en flessenhouders

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bekerhouder in de middenconsole 109
Flessenhouders
Er zitten flessenhouders in de open opbergvakken in het bestuurders- en bijrijdersportier.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 187

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de beker- en flessenhouders kan verwondingen veroorzaken.
- Nooit hete drank in een beker- en flessenhouder plaatsen. Tijdens het rijden, bij een plotselinge remmanoeuvre of bij een ongeval kunnen hete dranken in de beker- en flessenhouder morsen en verbrandingen veroorzaken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Zorg ervoor, dat drankflessen of andere voorwerpen tijdens het rijden niet in de voetenruimte van de bestuurder terechtkomen en zodoende de pedalen kunnen hinderen.
- Nooit zware bekers, levensmiddelen of andere zware voorwerpen in de beker- en flessenhouder plaatsen. Deze zware voorwerpen kunnen bij een ongeval door het interieur vliegen en zware verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING
Gesloten drankflessen kunnen in de wagen door hitte exploderen en door vorst knappen.
- Nooit gesloten drankflessen in een sterk verwarmde of afgekoelde wagen achterlaten.

LET OP
Tijdens het rijden geen geopende dranken in de bekerhouder laten staan. Gemorste dranken kunnen, bijvoorbeeld door het remmen, schade aan de wagen en aan de elektrische installatie toebrengen.
Bekerhouder in de middenconsole

Afbeelding 82 In de middenconsole voorin: Bekerhouder

Afbeelding 83 In de middenconsole achterin: Bekerhouder
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 109 en volg deze op.
In de middenconsole voorin en achterin zitten bekerhouders.
Drankje in de bekerhouder voorin vastzetten De beugel van de bekerhouder ⇒ Afbeelding 82 naar voren klappen.
Drankje in de bekerhouder zetten, zodat de beugel van de bekerhouder het drankje veilig omsluit.
Asbakken en sigarettenaansteker

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Asbak 111
Sigarettenaansteker 112
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Stopcontact ⇒ pagina 113
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de asbak en de sigarettenaansteker kan brand, brandwonden en andere zware verwondingen veroorzaken.
- Nooit papier of andere voorwerpen in de asbak stoppen, die brand kunnen veroorza-ken.
△
Asbak

Afbeelding 84 In de middenconsole voorin: Asbak openen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Asbak openen of sluiten
Om te openen het deksel van de asbak in pijlrichting ⇒ Afbeelding 84 optillen.
Om te sluiten, het deksel van de asbak helemaal omlaagdrukken.
Asbak legen
- Asbak naar boven uit de bekerhouder nemen.
- Na het legen de asbak van bovenaf in de bekerhouder terugplaatsen.
△

Afbeelding 85 In de middenconsole voorin: Siga- rettenaansteker

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
-
Knop van sigarettenaansteker bij ingeschakeld contact indrukken ⇒ Afbeelding 85.
• Wachten tot de knop terugspringt. -
Sigarettenaansteker uittrekken en rookwaar met de gloeiende spiraal aansteken ▲.
- Sigarettenaansteker terug in de houder steken.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de sigarettenaansteker kan brand, brandwonden en andere zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Sigarettenaansteker alleen op de juiste wijze gebruiken voor het aansteken van rookwaren.
- Nooit kinderen zonder toezicht in de wagen laten. De sigarettenaansteker kan bij ingeschakeld contact gebruikt worden.

De opening voor de sigarettenaansteker kan ook als 12 volt stopcontact worden gebruikt
⇒pagina 113.
△
Stopcontact

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stopcontact in de wagen 114
Op het stopcontact in de wagen kunnen elektrische apparaten worden aangesloten.
De aangesloten apparaten moeten in perfecte staat zijn.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Sigarettenaansteker ⇒ pagina 111
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 205
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 215

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van het stopcontact en de elektrische accessoires kan brand en andere zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit kinderen zonder toezicht in de wagen laten. Stopcontact en daarop aangesloten apparaten kunnen bij ingeschakeld contact worden gebruikt.
- Wanneer het aangesloten elektrische apparaat te warm wordt, het apparaat direct uitschakelen en de steker uit het stopcontact trekken.

LET OP
- Om beschadigingen aan de elektrische installatie te voorkomen, nooit stroomleverende apparaten, zoals zonnepanelen of acculaders, voor het opladen van de accu op het 12 volt stopcontact aansluiten.

LET OP (vervolg)
- Alleen apparaten gebruiken, die conform de geldende richtlijnen betreffende de elektromagnetische verdraagzaamheid getest zijn.
- Om schade door spanningsschommelingen te voorkomen, moeten voor het in- en uitschakelen van het contact en voor het starten van de motor de op het 12 volt stopcontact aangesloten verbruikers uitgeschakeld worden.
- Nooit elektrische verbruikers op een 12 volt stopcontact aansluiten die meer verbruiken dan het aangegeven aantal watt. Bij het overschrijden van het maximale opgenomen vermogen kan de elektrische installatie van de wagen worden beschadigd.

Motor niet stationair laten draaien.

Als de motor niet draait, maar het contact wel is ingeschakeld en er een elektrisch apparaat geschakeld, wordt de accu ontladen.

Niet-afgeschermde apparaten kunnen storingen in de radio en in de wagenelektronica orzaken.

Wanneer elektrische apparaten in de buurt van de antenne worden gebruikt, kunnen ergen in de ontvangst van het AM-bereik van dio ontstaan.
△

Afbeelding 86 Middenconsole voorin: 12 volt stopcontact in het opbergvak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Maximaal opgenomen vermogen
| Stopcontact | Maximaal opgenomen vermogen |
| 12 volt | 120 watt |
Het maximaal opgenomen vermogen van het stopcontact mag niet worden overschreden. Het opgenomen vermogen van de apparaten staat op de betreffende typeplaatjes.
Wanneer twee of meerdere apparaten tegelijkertijd zijn aangesloten, mag het totale opgenomen vermogen van alle aangesloten elektrische apparaten nooit groter zijn dan 190 watt ⇒①.
12 volt stopcontact
Het 12 volt stopcontact zit in het opbergvak in de middenconsole voorin Afbeelding 86 en werkt alleen bij ingeschakeld contact.
Als de motor niet draait, maar het contact wel is ingeschakeld en er is een elektrisch apparaat aangesloten en ingeschakeld, wordt de accu ontladen. Daarom elektrische verbruikers zo veel mogelijk alleen bij draaiende motor op het stopcontact aansluiten en gebruiken.
Voor het in- of uitschakelen van het contact en het starten van de motor aangesloten apparaten uitschakelen, om schade door spanningsschomme- lingen te voorkomen.
LET OP
- De handleidingen van de aangesloten appa- raten in acht nemen!
- Nooit het maximale opgenomen vermogen overschrijden, omdat dan de gehele elektrische installatie van de wagen beschadigd kan raken.
• 12 volt stopcontact:
- Alleen accessoires gebruiken, die conform de geldende richtlijnen betreffende de elektromagnetische verdraagzaamheid getest zijn.
- Nooit stroom in het stopcontact invoeren.
Tijdens het rijden
Starten, schakelen, parkeren
Motor starten en afzetten

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Contactslot 116
Motor starten 116
Motor afzetten 117
Elektronische wegrijblokkering 118
Weergave van de wegrijblokkering
Bij een ongeldige sleutel of een storing in het systeem kan SAFE in het instrumentenpaneel verschijnen. De motor kan niet worden gestart ⇒ pagina 118.
Aanduwen resp. aanslepen
De wagen mag om technische redenen niet worden aangeduwd of aangesleept. In plaats hiervan een starthulp gebruiken.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Sleutelset ⇒ pagina 30
• Schakelen ⇒ pagina 119 - Remmen, stoppen en parkeren pagina 122
• Stuurinrichting ⇒ pagina 134
• Tanken ⇒ pagina 155
• Brandstof ⇒ pagina 159
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225
• Starthulp ⇒ pagina 251
• Aan- en afslepen ⇒ pagina 254

WAARSCHUWING
Het afzetten van de motor tijdens het rijden bemoeilijkt het stoppen van de auto. Hierdoor kunt u de controle over de wagen verliezen, wat ongevallen en zware verwondingen tot gevolg kan hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De rem- en stuurhulpsystemen, het airbagsysteem, de gordelspanners alsmede andere veiligheidsvoorzieningen in de wagen zijn alleen bij draaiende motor actief.
- De motor alleen bij stilstaande wagen afzetten.

WAARSCHUWING
Het risico van zware verwondingen kan bij draaiende motor of bij het starten van de motor worden verminderd.
- De motor nooit starten of laten draaien in ongeventileerde of afgesloten ruimtes. De uitlaatgassen van de motor bevatten onder andere het geur- en kleurloze koolmonoxide, een giftig gas. Koolmonoxide kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk zijn.
- Laat uw wagen nooit met draaiende motor onbeheerd achter. De wagen kan zich plotseling bewegen of er kan een ongebruikelijke situatie ontstaan, met schade en zware verwondingen als gevolg.
- Nooit een startversneller gebruiken. Een startversneller kan exploderen en een plotselinge toerentalverhoging van de motor tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING
De onderdelen van het uitlaatsysteem worden zeer heet. Dit kan leiden tot brand en zware verwondingen.
- De wagen zo neerzetten, dat de onderde- len van het uitlaatsysteem niet met licht ont- vlambare materialen onder de wagen in aan- raking kunnen komen, bv. kreupelhout, blade- ren, droog gras, gemorste brandstof.
- Nooit een extra bodembeschermingslaag of corrosiewerend middel op uitlaatpijpen, katalysatoren of de hitteschilden aanbrengen.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
| 5. | Als de motor aanslaat, de sleutel in het contactslot loslaten. |
| 6. | Als de motor niet aanslaat, het starten afbreken en na ongeveer een minuut herhalen. |
| 7. | Handrem loszetten als u wilt wegrijden ⇒ pagina 122. |

WAARSCHUWING
Nooit de wagen bij draaiende motor verlaten. De wagen zou zich plotseling in beweging kunnen zetten, vooral als een versnelling is ingeschakeld. Dit zou kunnen leiden tot ongevallen en zware verwondingen.

WAARSCHUWING
Een startversneller kan exploderen of een plotselinge toerentalverhoging van de motor tot gevolg hebben.
- Nooit een startversneller gebruiken.

LET OP
- De startmotor of de motor kan beschadigd raken als er tijdens het rijden wordt geprobeerd om de motor te starten, of als direct na het afzetten van de motor deze opnieuw wordt ge-start.

LET OP (vervolg)
- Bij koude motor hoge motortoerentallen, volgas en sterke motorbelasting vermijden. - Om de motor te starten niet aanduwen of aanslepen. Onverbrande brandstof kan de katalysator beschadigen.

Motor niet bij stilstand laten warmdraaien, maar bij vrij zicht door de ruiten direct wegrij-Daardoor bereikt de motor sneller zijn be-temperatuur en is de uitstoot van schadelijke en minder.

Tijdens het starten van de motor worden gro-tere elektrische verbruikers tijdelijk uitgescha-

Na het starten van de motor kan er als ge- volg van de bedrijfsomstandigheden korte tijd motorgeluid te horen zijn. Dit is normaal en reden om u zorgen te maken.
Motor afzetten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 115 en volg deze op.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
| 1. | Wagen tot stilstand brengen ⇒ ⚠. |
| 2. | Rempedaal intrappen en ingetrapt houden, tot stap 4 is uitgevoerd. |
| 3. | Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122. |
| 4. | Sleutel in contactslot in stand ⇒ Afbeelding 87 Ⓞ draaien. |
| 5. | Bij een schakelbak 1e versnelling of achteruitversnelling inschakelen. |

WAARSCHUWING
Nooit de motor afzetten zolang de wagen in beweging is. Hierdoor kunt u de controle over de wagen verliezen, wat ongevallen en zware verwondingen kan tot gevolg hebben.
- De airbags en gordelspanners zijn buiten werking als het contact is uitgeschakeld.
- De rembekrachtiger werkt niet bij afgezette motor. Om te stoppen moet er meer druk op het rempedaal worden uitgeoefend.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De stuurbekrachtiging werkt niet bij uitgeschakelde motor en er moet meer kracht voor het besturen van de wagen worden gebruikt. - Als de sleutel uit het contactslot wordt getrokken, kan het stuurslot vergrendelen en kan de wagen niet meer worden bestuurd.
LET OP
Als de wagen langdurig met hoge motorbelasting werd gereden, kan de motor na het afzetten oververhit raken. Om motorschade te voor-
LET OP (vervolg)
komen, de motor ca. twee minuten in de neutra- le stand laten draaien voordat deze wordt afge- zet.
Nadat de motor is afgezet, kan de koelluchtventilator in de motorruimte ook wanneer het contact is uitgeschakeld of de sleutel uit het contact is getrokken nog enige minuten verder draaien. De koelluchtventilator schakelt zichzelf uit.

Elektronische wegrijblokkering

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
De wegrijblokkering voorkomt dat de motor met een onrechtmatige sleutel wordt gestart.
In de contactsleutel zit een chip. Met behulp hiervan wordt de wegrijblokkering automatisch uitgeschakeld wanneer de sleutel in het contactslot wordt gestoken.
De elektronische wegrijblokkering wordt automatisch geactiveerd zodra de sleutel uit het contact wordt getrokken.
Daarom kan de motor alleen met een passende, gecodeerde en originele Volkswagen-sleutel worden gestart. Gecodeerde sleutels zijn verkrijgbaar bij uw Volkswagen Partner ⇒ pagina 30.
Als een onrechtmatige sleutel is gebruikt, verschijnt op het display in het instrumentenpaneel de melding SAFE. De wagen kan dan niet worden ge- start.

Alleen met originele Volkswagen-sleutels is een optimale werking van uw wagen gewaar-d.

Schakelen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Pedalen 119
Schakelbak: versnelling inschakelen ..... 120
Schakeladvies 121
Bij ingeschakelde achteruitversnelling en ingeschakeld contact gebeurt het volgende:
• De achteruitrijlamp brandt.
- De achterruitwisser schakelt in wanneer de ruitwissers voor de voorruit zijn ingeschakeld.
- Eventueel wordt de parkeerhulp ingeschakeld.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Overzicht middenconsole ⇒ pagina 12
• Instrumenten ⇒ pagina 17
- Remmen, stoppen en parkeren pagina 122
• Parkeerhulp ⇒ pagina 139
- Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem
⇒ pagina 218
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225

WAARSCHUWING
Snel accelereren kan leiden tot tractieverlies en slingeren, met name op gladde wegen. Hierdoor zou u de controle over de wagen kunnen verliezen, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Alleen snel accelereren, als het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden dat toelaten.

WAARSCHUWING
Nooit de rem te vaak en te lang laten "aanlopen" of het rempedaal te vaak en te lang bedienen. Voortdurend remmen leidt tot een oververhitting van de remmen. Hierdoor kan het remvermogen aanzienlijk worden verminderd, de remweg aanzienlijk worden verlengd en onder omstandigheden tot een totale uitval van het remsysteem leiden.

LET OP
- Nooit de remmen door lichte pedaaldruk laten "aanlopen", als niet werkelijk moet worden geremd. Dat verhoogt de slijtage.
- Voordat u een langer traject met steile hellingen omlaagrijdt, vermindert u de snelheid en kiest u een lagere versnelling. Daardoor wordt de remwerking van de motor benut en worden de remmen onlast. Anders zouden de remmen oververhit kunnen raken en kunnen uitvallen.
Remmen alleen gebruiken voor het vertragen of tot stilstand brengen van de wagen.
Pedalen

Afbeelding 88 Pedalen: ① gaspedaal, ② rempe- daal, ③ koppelingspedaal

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
De bediening en de bewegingsvrijheid van alle pedalen mag nooit door voorwerpen of vloermatten zijn beïnvloed.
Gebruik alleen vloermatten die de pedalen vrijlaten en goed tegen verschuiven zijn bevestigd in de voetenruimte.
Bij uitval van een remcircuit, moet het rempedaal verder dan gebruikelijk worden ingetrapt om de wagen tot stilstand te brengen.

WAARSCHUWING
Voorwerpen in de voetenruimte van de be-stuurder kunnen de bediening van de peda-len belemmeren. Hierdoor kunt u de controle over de wagen verliezen, wat zware verwon-dingen tot gevolg kan hebben.
- De pedalen moeten altijd ongehinderd kunnen worden ingetrapt.
- Vloermatten altijd veilig in de voetenruimte bevestigen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit vloermatten of andere bekledingen over de ingebouwde vloermat leggen.
- Let erop dat geen enkel voorwerp tijdens het rijden in de voetenruimte van de bestuurder kan komen.

LET OP
De pedalen moeten altijd ongehinderd kunnen worden ingetrapt. Zo is bv. bij uitval van een remcircuit een langere rempedaalslag nodig om de wagen tot stilstand te brengen. Hierbij moet het rempedaal verder en harder worden ingetrapt dan gewoonlijk.
△
Schakelbak: versnelling inschakelen

Afbeelding 89 Schakelschema van de 5-versnelings schakelbak

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Op de versnellingshendel zijn de standen van de afzonderlijke versnellingen afgebeeld ⇒ Afbeelding 89.
- Koppelingspedaal helemaal intrappen en inge-trapt houden.
- Versnellingshendel in de gewenste stand brengen ⇒ ⚠.
- Koppelingspedaal voor het koppelen loslaten.
In sommige landen moet het koppelingspedaal helemaal ingetrapt zijn om de motor te starten.
Achteruitversnelling inschakelen
- Achteruitversnelling alleen bij stilstaande wagen inschakelen.
- Koppelingspedaal helemaal intrappen en inge-trapt houden ⇒ ⚠.
- Versnellingshendel in neutrale stand zetten.
- Versnellingshendel helemaal naar rechts en daarna naar achteren in de stand van de achteruit-versnelling ® bewegen.
- Koppelingspedaal voor het koppelen loslaten.
Terugschakelen
Terugschakelen tijdens het rijden moet altijd per versnelling plaatsvinden, dus in de eerstvolgende lagere versnelling en mag niet bij te hoge motor-toerentallen plaatsvinden ⇒ ⚠. Bij hoge snelheden of motortoerentallen kan het overslaan van één of meerdere versnellingen bij het terugschakelen tot koppelings- en versnellingsbakschade leiden, ook als daarbij de koppeling niet wordt ingeschakeld ⇒ Ⓔ.

WAARSCHUWING
De wagen wordt bij draaiende motor direct in beweging gezet zodra u een versnelling inschakelt en het koppelingspedaal loslaat. Dit geldt ook bij aangetrokken handrem.
- Nooit de achteruitversnelling inschakelen, zolang de wagen in beweging is.

WAARSCHUWING
Verkeerd terugschakelen naar lagere versnel- lingen kan tot gevolg hebben dat u de contro- le over de wagen verliest en ongevallen en zware verwondingen veroorzaken.

LET OP
Als bij hoge snelheden of hoge motortoerental- len de versnellingshendel in een te lage ver- snelling wordt gezet, kan ernstige koppelings- en versnellingsbakschade het gevolg zijn. Dat geldt ook, indien het koppelingspedaal inge- trapt blijft en de koppeling niet ingeschakeld wordt.

LET OP
Let op het volgende om beschadigingen en voortijdige slijtage te voorkomen:
- Tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingshendel laten rusten. De druk van de hand wordt overgedragen op de schakelgaffels in de versnellingsbak.
- Let erop dat de wagen volledig stilstaat voordat de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.
- Koppelingspedaal bij het schakelen altijd helemaal intrappen.
- Wagen op hellingen bij draaiende motor niet met "slippende" koppeling stilhouden.
Schakeladvies

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Op het display in het instrumentenpaneel wordt bij enkele wagens tijdens het rijden een advies over de keuze van een brandstofbesparende versnel- ling als getal weergegeven:
| Weergave | Betekenis |
| Optimaal gekozen versnelling. | |
| ↑ | Advies naar een hogere versnelling te schakelen. |
| ↓ | Advies naar een lagere versnelling te schakelen. |

VOORZICHTIG
Het schakeladvies is slechts een hulpmiddel en kan de oplettendheid van de bestuurder niet vervangen.
- De verantwoordelijkheid voor de juiste keuze van de versnelling in de betreffende rijsituatie, bijvoorbeeld bij inhalen of rijden in de bergen, ligt bij de bestuurder.

Een optimaal gekozen versnelling helpt brandstof te besparen.

De weergave van het schakeladvies gaat uit, als het koppelingspedaal wordt ingetrapt.

Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd)
⇒pagina 205 kan het schakeladvies eveneens worden weergegeven.


Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 123
Handrem 124
Parkeren 125
Informatie over de remmen 125
Remhulpsystemen 127
Remvloeistof 129
Tot de remhulpsystemen behoren de elektronische remkrachtverdeling, het antiblokkeersysteem (ABS), de remassistent (BAS), het elektronische sperdifferentieel (EDS), de traction control (TC), de aandrijfslipregeling (ASR) en het elektronische stabiliseringsprogramma (ESP).
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Velgen en banden ⇒ pagina 193
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 205

WAARSCHUWING
Het rijden met versleten remblokken of een defect remsysteem kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als de verdenking bestaat, dat de remblokken versleten zijn of dat er een storing in het remsysteem zit, direct een specialist opzoeken, remblokken laten controleren en versleten remblokken laten vervangen.

WAARSCHUWING
Op onjuiste wijze parkeren kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken zo- lang de wagen in beweging is. Het stuurslot kan vergrendelen en de wagen kan niet meer worden bestuurd en u hebt er geen controle meer over.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De wagen zo neerzetten, dat de onderde- len van het uitlaatsysteem niet met licht ont- vlambare materialen onder de wagen in aan- raking kunnen komen, bv. kreupelhout, blade- ren, droog gras, gemorste brandstof etc.
- Altijd de handrem aantrekken wanneer de wagen neergezet of geparkeerd wordt.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen achter in de wagen. Zij zouden de handrem kunnen loszetten, de versnellings-hendel kunnen bedienen en zo de wagen in beweging zetten. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Als u de wagen verlaat altijd alle sleutels meenemen. Anders kan de motor gestart en kunnen elektrische uitrustingen als de ruitbediening bediend worden, wat zware verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen alleen achter in de wagen. Deze zijn in een noodgeval niet in staat, de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden. Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.

LET OP
- Parkeerplaatsen met hoge stoepranden of vaste begrenzingen voorzichtig in rijden. Deze uit de bodem stekende voorwerpen kunnen bij het in- en uitparkeren de bumper en andere wagenonderdelen beschadigen. Om schade te voorkomen, stoppen voordat de wielen de begrenzing of stoeprand raken.
- Rij voorzichtig over perceelinritten, opritten, stoepranden en andere voorwerpen. Laaggelegen wagenonderdelen zoals bumpers, spoilers en delen van het onderstel, de motor of het uitlaatsysteem kunnen bij het eroverheen rijden worden beschadigd.
<

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 122 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak ⇒ ▲ | Oplossing |
![]() | Handrem aangetrokken | ⇒ pagina 124. |
![]() | Storing in remsysteem. | Niet verder rijden!Direct specialistische hulp inschakelen ⇒ pagina 126. |
| Remvloeistofpeil te laag | Niet verder rijden!Remvloeistofpeil controleren ⇒ pagina 129. | |
| Samen met ABS-controlelampje ⚫: ABS uitgevallen. | Niet verder rijden!Direct specialistische hulp inschakelen ⇒ pagina 126. | |
![]() | Elektronisch stabiliseringsprogramma door systeem uitgeschakeld. | Contact uit- en inschakelen. Zo nodig een korte afstand rijden. |
| Storing in elektronisch stabiliseringsprogramma. | Specialist opzoeken. | |
| Samen met ABS-controlelampje ⚫: storing in ABS. | Specialist opzoeken. Wagen kan zonder ABS worden afgeremd. | |
| Massakabel van de accu is weer vastge-maakt. | Korte afstand rijden met 15 – 20 km/h (10 – 12 mph). Als het controlelampje nog steeds brandt, een specialist opzoeken en de wagen laten controleren ⇒ pagina 175. | |
![]() | Storing in traction control of door systeem uitgeschakeld. | Specialist opzoeken ⇒ pagina 128. |
![]() | Samen met controlelampje voor elektro-nisch stabiliseringsprogramma ⚫: storing in ABS. | Specialist opzoeken. De wagen kan ook zonder ABS remmen. |
| Samen met waarschuwingslampje ⚫: ABS uitgevallen. | Niet verder rijden!Direct specialistische hulp inschakelen ⇒ pagina 126. |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Elektronisch stabiliseringsprogramma resp.ASR regelt. | Voet van het gas nemen. Rijstijl aan de wegde-komstandigheden aanpassen. |
![]() | Traction control regelt. | Voet van het gas nemen. Rijstijl aan de wegde-komstandigheden aanpassen ⇒ pagina 128. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

WAARSCHUWING
Het rijden met slechte remmen kan ongevalen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Als het waarschuwingslampje voor het remsysteem Ⓞ niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, is het remvloeistofpeil in het reservoir te laag of is er sprake van een storing in het remsysteem. Onmiddellijk stoppen en de hulp van een specialist inroepen ⇒ pagina 129, Remvloeistof.
- Als het waarschuwingslampje voor het remsysteem samen met het ABS-controle-lampje brandt, kan de regelfunctie van het ABS zijn uitgevallen. Hierdoor kunnen de achterwielen tijdens het remmen relatief snel blokkeren. Als de achterwielen blokkeren kunt u de controle over de wagen verliezen! Indien mogelijk de snelheid verlagen en voorzichtig met lage snelheid naar de dichtstbij-zijnde specialist rijden om het remsysteem te laten controleren. Op de weg daarnaartoe plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Als het ABS-controlelampje Ⓞ niet uit gaat of tijdens het rijden gaat branden, werkt het ABS niet goed. De wagen kan alleen met de normale remmen worden gestopt (zonder ABS). De veiligheid die ABS biedt, is dan niet beschikbaar. Zo snel mogelijk een specialist opzoeken.
LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
△
Handrem

Afbeelding 90 Tussen de voorstoelen: Handrem

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-
gina 122 en volg deze op.
Handrem aantrekken
- Handremhendel met ingedrukte grendelknop stevig naar boven trekken.
- De handrem is aangetrokken, als bij ingeschakeld contact het controlelampje (©) in het instrumentenpaneel brandt pagina 123.
Handrem loszetten
- Handremhendel iets naar boven trekken en grendelknop indrukken Afbeelding 90 (pijl).
- Handremhendel met ingedrukte grendelknop naar beneden bewegen.
⚠ WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de handrem kan ongevalen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Gebruik de handrem nooit voor het afremmen van de wagen, behalve in geval van nood. De remweg is aanzienlijk langer, omdat alleen de achterwielen worden afgeremd. Al-tijd de voetrem gebruiken.
- Nooit met licht aangetrokken handrem rijden. Hierdoor kan de rem oververhit raken en het remsysteem negatief beïnvloeden. Boven-dien leidt dit tot voortijdige slijtage van de achterremmen.
- Nooit bij ingeschakelde versnelling en draaiende motor vanuit de motorruimte gas geven. De wagen kan ook bij aangetrokken handrem gaan rijden.
Wanneer met aangetrokken handrem sneller dan ongeveer 6 km/h (4 mph) wordt gereden, klinkt er een waarschuwingssignaal.
△

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
Neem bij het neerzetten en parkeren van een wagen de wettelijke bepalingen in acht.
Wagen neerzetten
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
- Wagen op een geschikte ondergrond neerzetten ⇒ ⚠.
- Rempedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor is afgezet.
- Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 124.
- Motor afzetten en voet van het rempedaal nemen.
- Sleutel uit het contact trekken.
- Zo nodig het stuurwiel iets draaien, om het stuurslot te vergrendelen.
- Bij de schakelbak op een vlakke of oplopende weg de 1e versnelling inschakelen resp. op een aflopende weg de achteruitversnelling inschakelen en het koppelingspedaal loslaten.
- Let erop dat alle inzittenden en met name kinderen uitstappen.
- Alle sleutels meenemen, wanneer u de wagen verlaat.
- Wagen vergrendelen.
Bovendien op hellingen
Voordat u de motor afzet, het stuurwiel zo draaien, dat de wagen met de voorwielen tegen de trottoirband rolt, mocht deze in beweging komen.
- Bij een aflopende weg het stuurwiel zo draaien, dat de voorwielen naar de trottoirband zijn gekeerd.
- Bij een oplopende weg het stuurwiel zo draaien, dat de voorwielen naar het midden van de rijbaan zijn gekeerd.

WAARSCHUWING
De onderdelen van het uitlaatsysteem worden zeer heet. Dit kan leiden tot brand en zware verwondingen.
- De wagen zo neerzetten, dat de onderde- len van het uitlaatsysteem niet met licht ont- vlambare materialen onder de wagen in aan- raking kunnen komen, bv. kreupelhout, blade- ren, droog gras, gemorste brandstof.

LET OP
- Parkeerplaatsen met hoge stoepranden of vaste begrenzingen voorzichtig in rijden. Deze uit de bodem stekende voorwerpen kunnen bij het in- en uitparkeren de bumper en andere wagenonderdelen beschadigen. Om schade te voorkomen, stoppen voordat de wielen de begrenzing of stoeprand raken.
- Rij voorzichtig over perceelinritten, opritten, stoepranden en andere voorwerpen. Laaggelegen wagenonderdelen zoals bumpers, spoilers en delen van het onderstel, de motor of het uitlaatsysteem kunnen bij het eroverheen rijden worden beschadigd.
Informatie over de remmen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
Nieuwe remblokken hebben tijdens de eerste 200 km à 300 km nog niet de optimale remwerking en moeten eerst "inremmen" ⇒ ▲. De iets lagere remkracht kunt u echter compenseren door het rempedaal steviger in te trappen. Tijdens de inrijperiode is de remweg bij een noodstop langer dan bij ingereden remblokken. Tijdens de inrijperiode moet hard afremmen worden vermeden evenals situaties waarbij de remmen zwaar worden belast. Bijvoorbeeld wanneer te dicht op een voorligger wordt gereden.
De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en de rijstijl. Wanneer u vaak in de stad rijdt en vaak korte trajecten rijdt of een zeer sportieve rijstijl heeft, moet u de dikte van de remblokken vaker door een specialist laten controleren dan in het Serviceplan staat.
Bij het rijden met natte remmen, bijvoorbeeld na het rijden door water, bij hevige regenval of na het wassen van de wagen, kan de remwerking van de
△
remmen vanwege vochtige of in de winter bevoren remschijven vertraagd inzetten. De remmen moeten zo snel mogelijk worden "drooggeremd" door bij hoge snelheid voorzichtig te remmen. Let erop dat het achteropkomende verkeer en andere verkeersdeelnemers hierbij niet in gevaar worden gebracht ⇒ ⚠.
Een zoutlaag op de remschijven en remblokken vertraagt de remwerking en verlengt de remweg. Wanneer langere tijd op met zout gestrooide wegen wordt gereden zonder te remmen, moet de zoutlaag worden verwijderd door voorzichtig te remmen ⇒ ⚠.
Corrosie op de remschijven en verontreiniging van de remblokken worden bevorderd door lange perioden van stilstand, weinig gereden kilometers en geringe belasting. Bij geen of geringe belasting van de remblokken en opgetreden corrosie adviseert Volkswagen de remschijven en remblokken schoon te maken door meerdere keren bij hogere snelheid stevig te remmen. Let erop dat het achteropkomende verkeer en andere verkeersdeelnemers hierbij niet in gevaar worden gebracht ⇒ ⚠️.
Storing in het remsysteem
Als er geremd moet worden en de wagen niet meer remt zoals gewoonlijk (remweg is plotseling langer), is het mogelijk dat een remcircuit is uitgevallen. Dit wordt door het waarschuwingslampje Ⓐ aangegeven. Onmiddellijk de dichtstbijzijnde specialist opzoeken om de schade te laten verhelpen. Op de weg daarnaartoe met lage snelheid rijden en u daarbij instellen op behoorlijk langere remwe- gen en een verhoogde pedaaldruk.
Rembekrachtiger
De rembekrachtiger werkt alleen bij draaiende motor en versterkt de pedaaldruk die de bestuurder op het rempedaal uitoefent.
Als de rembekrachtiger niet werkt of de wagen afgesleept wordt, moet het rempedaal krachtiger worden ingetrapt, omdat de remweg vanwege het ontbreken van remkrachtondersteuning langer wordt ⇒ ⚠.

WAARSCHUWING
Nieuwe remblokken hebben in het begin niet de optimale remwerking.
- Nieuwe remblokken hebben tot 320 km nog niet de volledige remwerking en moeten worden "ingereden". Daarbij kan een verminderde remwerking worden vergroot door meer druk op het rempedaal uit te oefenen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Om het risico van ongevallen, zware verwondingen en het verlies van de controle over de wagen te beperken, moet met nieuwe remblokken zeer voorzichtig worden gereden.
- Tijdens de inrijperiode van de nieuwe remblokken nooit te dicht op andere wagens rijden en situaties waarbij de remmen zwaar worden belast vermijden.

WAARSCHUWING
Oververhitte remmen verminderen de rem- werking en verlengen de remweg aanzienlijk.
- Bij het afrijden van hellingen worden de remmen in het bijzonder belast en zeer snel heet.
- Voordat u een langer traject met steile hellingen omlaagrijdt, vermindert u de snelheid en kiest u een lagere versnelling. Daardoor wordt de remwerking van de motor benut en worden de remmen ontlast.
- Voorspoilers die niet af fabriek zijn ge- monteerd of beschadigd zijn, kunnen ertoe leiden dat er minder lucht bij de remmen komt en dat de remmen oververhit raken.

WAARSCHUWING
Natte, bevroren of met zout bedekte remmen remmen later en verlengen de remweg.
- Voorzichtig testend de remmen uitprobe- ren.
- Altijd de remmen door enkele keren voorzichtig remmen drogen en van ijs en zout ontdoen, als het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden dat toelaten.

WAARSCHUWING
Het rijden zonder rembekrachtiger kan de remweg aanzienlijk verlengen en daardoor ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Wagen nooit bij afgezette motor laten rollen.
- Als de rembekrachtiger niet werkt of de wagen afgesleept wordt, moet het rempedaal krachtiger worden ingetrapt, omdat de remweg vanwege het ontbreken van remkrachtondersteuning langer wordt.
LET OP
- Nooit de remmen door lichte pedaaldruk laten "aanlopen", als niet werkelijk moet worden geremd. Langdurige druk op het rempedaal leidt tot een oververhitting van de remmen. Hierdoor kan het remvermogen aanzienlijk worden verminderd, de remweg aanzienlijk worden verlengd en onder omstandigheden tot een totale uitval van het remsysteem leiden.
- Voordat u een langer traject met steile hellingen omlaagrijdt, vermindert u de snelheid en kiest u een lagere versnelling. Daardoor wordt
LET OP (vervolg)
de remwerking van de motor benut en worden de remmen onlast. Anders zouden de remmen oververhit kunnen raken en kunnen uitvallen. Remmen alleen gebruiken voor het vertragen of tot stilstand brengen van de wagen.
Bij het controleren van de remblokken vóór moeten tegelijkertijd de remblokken achter worden gecontroleerd. De dikte van de remblokken moet regelmatig visueel worden gecontroleerd. Hiervoor de remblokken door de openingen van de velgen of vanaf de onderkant van de wagen bekijken. Zo nodig de wielen verwijderen om een grondige inspectie te kunnen uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Remhulpsystemen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
De remhulpsystemen elektronisch stabiliseringsprogramma, ABS, elektronische remkrachtverdeling, remassistent, ASR, TC en EDS werken alleen bij draaiende motor en dragen aanzienlijk bij aan de rijveiligheid.
Het elektronische stabiliseringsprogramma helpt het risico van slipgevaar te verminderen en verbetert de rijstabiliteit door het afremmen van afzonderlijke wielen in bepaalde rijsituaties. Rijdynamische grenssituaties, zoals bijvoorbeeld oversturen en ondersturen van de wagen of doordraaien van aangedreven wielen, worden door het ESP herkend. Met gerichte remingrepen of een reductie van het motorkoppel helpt het systeem de wagen te stabiliseren.
Het elektronische stabiliseringsprogramma heeft grenzen. Het is belangrijk te weten dat het elektronische stabiliseringsprogramma de natuurkundige wetten niet buiten werking kan stellen. Het elektronische stabiliseringsprogramma zal niet in alle situaties waarmee de bestuurder wordt geconfronteerd kunnen helpen. Het ESP zal bijvoorbeeld niet kunnen helpen wanneer de gesteldheid van het wegdek plotseling verandert. Als een deel van een droge weg plotseling is bedekt met water, modder of sneeuw, kan het elektronische stabiliseringsprogramma niet op dezelfde wijze ondersteunen als op een droge weg. Als de wagen te maken krijgt met "aquaplaning" (rijden op een waterfilm in plaats van op het wegdek) is ESP niet in staat om de bestuurder bij het sturen te helpen, omdat het
contact met het wegdek is onderbroken en de wagen daardoor niet kan worden bestuurd en geremd. Bij snel bochtenwerk, in het bijzonder op bochtenrijke trajecten kan ESP niet altijd zo effectief met moeilijke rijsituaties omgaan als bij lage snelheden.
Altijd de snelheid en de rijstijl aanpassen aan het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden. Het elektronische stabiliseringsprogramma heeft geen invloed op de natuurkundige wetten. Het kan de beschikbare krachtoverbrenging niet verbeteren of de wagen op de weg houden wanneer deze door onoplettendheid van de bestuurder van de weg raakt. Het elektronische stabiliseringsprogramma helpt de bestuurder wel om de wagen onder controle te krijgen en het zorgt er in extreme rijssituaties voor dat de wagen in de juiste richting verder blijft rijden. Als de snelheid waar-mee wordt gereden zodanig is dat de wagen van de weg af raakt voordat het elektronische stabiliseringsprogramma kan ingrijpen, kan het elektronische stabiliseringsprogramma geen hulp bieden.
In het elektronische stabiliseringsprogramma zijn de systemen ABS, BAS, ASR en EDS geïntegreerd. Het elektronische stabiliseringsprogramma is altijd ingeschakeld.
Antiblokkeersysteem (ABS)
Het ABS voorkomt dat de wielen bij het remmen blokkeren tot kort voor stilstand van de wagen en helpt de bestuurder om de wagen te besturen en onder controle te houden. Dit betekent dat de wagen ook bij een noodstop minder slingert:
- Rempedaal krachtig intrappen en ingetrapt houden. De voet niet van het rempedaal nemen en de kracht op het rempedaal niet verminderen!
- Niet "pompend" remmen of de druk op het rempedaal verminderen!
- Blijven sturen terwijl het rempedaal krachtig wordt ingetrapt.
- Bij het loslaten van het rempedaal of het verminderen van de kracht op het rempedaal wordt het ABS uitgeschakeld.
De ingreep van het ABS wordt merkbaar door een pulserende beweging van het rempedaal en geluiden. Er mag niet worden verwacht dat door het ABS onder alle omstandigheden de remweg wordt verkort. De remweg kan op grind, bij verse sneeuw of op een bevroren of gladde ondergrond zelfs langer worden.
Remassistent (BAS)
De remassistent kan helpen de remweg te verminderen. De remassistent versterkt de remkracht aanvullend hydraulisch als de bestuurder in noodremsituaties het rempedaal snel intrapt. Hierdoor wordt zeer snel de maximale remdruk opgebouwd, de remkracht versterkt en de remweg verkort. Daardoor wordt het antiblokkeersysteem sneller en effectiever geactiveerd.
De druk op het rempedaal niet verminderen! Bij het loslaten van het rempedaal of het verminderen van de kracht op het rempedaal schakelt de remassistent de extra hydraulische rembekrachtiging vanzelf uit.
Aandrijfslipregeling (ASR) resp. traction control (TC)
De aandrijfslipregeling resp. TC vermindert de aan- drijfkracht van de motor bij doordraaiende wielen en past de aandrijfkracht aan de wegdekomstandigheden aan. Door de ASR resp. TC wordt zelfs bij ongunstige wegomstandigheden het wegrijden, accelereren en omhoogrijden makkelijk gemaakt.
Elektronisch sperdifferentieel (EDS)
Het EDS is beschikbaar wanneer rechtuit wordt gereden. Het EDS remt een doordraaiend wiel af en draagt de aandrijfkracht op het andere aangedreven wiel over. Opdat de schijfrem van het afgeremde wiel niet oververhit, wordt het EDS bij buitengewoon sterke belasting automatisch uitgeschakeld. Zodra de rem is afgekoeld, wordt het EDS automatisch weer ingeschakeld.

WAARSCHUWING
Snel rijden op bevroren, gladde of natte we- gen kan tot verlies van de controle over de wagen leiden en zware verwondingen voor de bestuurder en passagiers tot gevolg hebben.
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden. De aangeboden hogere veiligheid door de remhulpsystemen ABS, BAS, EDS, ASR, TC en het elektronische stabiliseringsprogramma mag geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's.
- Remhulpsystemen kunnen de natuurkundige grenzen niet verleggen. Gladde en natte wegen blijven ook met elektronisch stabiliseringsprogramma en de andere systemen zeer gevaarlijk.
- Te snel rijden op natte wegen kan ertoe leiden dat de banden het contact met het wegdek verliezen en gaan glijden ("aquaplaning"). Een wagen kan niet worden geremd, bestuurd en onder controle gehouden worden als deze het contact met het wegdek heeft verloren.
- Remhulpsystemen kunnen een ongeval niet vermijden wanneer bijvoorbeeld te dicht op een andere wagen wordt gereden, of wanneer te snel voor de betreffende rijsituatie wordt gereden.
- Hoewel de remhulpsystemen zeer effectief zijn en in lastige rijsituaties helpen om de wagen onder controle te houden, altijd bedenken dat de rijstabiliteit afhangt van het contact van de banden met het wegdek.
- Bij het accelereren op een gladde weg, bv. op ijs of sneeuw, voorzichtig gas geven. Ook met remhulpsystemen kunnen de wielen doordraaien, waardoor de controle over de wagen kan worden verloren.

WAARSCHUWING
De effectiviteit van het elektronische stabiliseringsprogramma kan aanzienlijk minder zijn als andere componenten en systemen die effect hebben op de rijdynamiek niet volgens de voorschriften onderhouden zijn of niet goed werken. Dit geldt ook, maar niet alleen voor de remmen, banden en andere eerdergenoemde systemen.
- Altijd eraan denken dat veranderingen aan de wagen van invloed kunnen zijn op de werking van ABS, BAS, ASR, TC, EDS en elektronisch stabiliseringsprogramma.

- Veranderingen aan de vering van de wagen of het gebruik van niet-goedgekeurde velg-bandcombinaties kunnen een negatief effect hebben op de werking van ABS, BAS, ASR, TC, EDS en elektronisch stabiliseringsprogramma.
- De werking van het elektronische stabiliseringsprogramma is ook afhankelijk van het gebruik van de juiste banden ⇒ pagina 193.

Alleen als alle vier wielen dezelfde banden hebben, kan het elektronische stabiliserings-gramma resp. de aandrijfslipregeling en de
traction control storingvrij functioneren. Een verschillende afrolomtrek van de banden kan tot een ongewenste vermindering van het motorvermogen leiden.

Bij een storing in het ABS vallen ook elektronisch stabiliseringsprogramma, ASR, TC en uit.

Als de beschreven systemen regelen, kunnen bedrijfsgeluiden optreden.

Remvloeistof

Afbeelding 91 In de motorruimte: Vuldop van het remvloeistofreservoir

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
Remvloeistof neemt in de loop der tijd vocht uit de omgevingslucht op. Een te hoog watergehalte van de remvloeistof veroorzaakt schade in het remsysteem. Door water daalt het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk. Bij een te hoog watergehalte kan het bij grote belasting van de remmen en hard afremmen tot luchtbelvorming in het remsysteem komen. Luchtbellen verminderen de remwerking, verlengen de remweg aanzienlijk en kunnen zelfs leiden tot het volledig uitvallen van het remsysteem. De eigen veiligheid en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers is afhankelijk van een onder alle omstandigheden goed werkend remsysteem ⇒ ⚠️.
Remvloeistofspecificatie
Volkswagen heeft een speciale remvloeistof ont-wikkeld die optimaal op het remsysteem van de wagen is afgestemd. Volkswagen adviseert voor een optimale werking van het remsysteem rem-vloeistof volgens VW-norm 501 14 te gebruiken. Als deze remvloeistof niet beschikbaar is, of als om andere redenen een andere remvloeistof wordt ge-bruikt, moet een remvloeistof worden gebruikt die voldoet aan de eisen van US-norm FMVSS 116 DOT 4 of DIN ISO 4925 CLASS 4 ⇒ ▲
Een remvloeistof volgens VW-norm 501 14 voldoet aan de eisen van US-norm FMVSS 116 DOT 4 en DIN ISO 4925 CLASS 4. Dit betekent echter niet dat een remvloeistof die voldoet aan de eisen van US-norm FMVSS 116 DOT 4 of DIN ISO 4925 CLASS 4 automatisch ook voldoet aan de eisen van VW-norm 501 14. Deze informatie met de vermelding op de verpakking van de remvloeistof vergelijken en ervoor zorgen dat altijd de juiste remvloeistof voor de wagen wordt gebruikt.
Geschikte remvloeistoffen zijn verkrijgbaar bij uw Volkswagen Partner.
Remvloeistofpeil
Het remvloeistofpeil moet altijd tussen de MIN- en MAX-markering van het remvloeistofreservoir resp. boven de MIN-markering liggen ⇒ ▲.
Het remvloeistofpeil kan niet bij elk model precies worden gecontroleerd, omdat motoronderdelen het zicht op het vloeistofpeil in het remvloeistofreservoir hinderen. Als het remvloeistofpeil niet goed kan worden afgelezen, de hulp van een specialist inroepen.
Het remvloeistofpeil zakt iets tijdens het rijden, omdat de remblokken slijten en de rem automatisch wordt gesteld.
Remvloeistof verversen
De remvloeistof moet volgens de gegevens in het Serviceplan worden ververst. Remvloeistof door een specialist laten verversen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner. Alleen nieuwe remvloeistof laten bijvullen die voldoet aan de vereiste specificatie.

WAARSCHUWING
Het uitvallen van de remmen of een verminderde remwerking kan worden veroorzaakt door een te laag remvloeistofpeil en een te oude of ongeschikte remvloeistof.
- Laat het remsysteem en het remvloeistofpeil regelmatig controleren!
- De remvloeistof regelmatig volgens de gegevens in het Serviceplan laten verversen.
- Als het remsysteem is gevuld met oude remvloeistof en de remmen zwaar worden belast, is het mogelijk dat er luchtbelvorming optreedt. Luchtbellen verminderen de remwerking, verlengen de remweg aanzienlijk en kunnen tot een totale uitval van het remsysteem leiden.
- Let er altijd op dat de juiste remvloeistof wordt gebruikt. Alleen remvloeistof gebruiken die voldoet aan de VW-norm 501 14, FMVSS

116 DOT 4 of DIN ISO 4925 CLASS 4. Elke andere remvloeistof kan een negatieve uitwerking op de remfunctie hebben en de remwerking verminderen. Als de specificatie VW-norm 501 14, FMVSS 116 DOT 4 of DIN ISO 4925 CLASS 4 niet op de verpakking van de remvloeistof staat, deze remvloeistof niet gebruiken.
- De bijgevulde remvloeistof moet nieuw zijn.

WAARSCHUWING
Remvloeistof is giftig.
- Om het gevaar voor vergiftiging te beperken, nooit drankflessen of andere flessen gebruiken voor het bewaren van remvloeistof.
Deze flessen kunnen personen ertoe verleiden om eruit te drinken, ook wanneer de inhoud van de fles gemarkeerd is als niet drinkbaar. - Remvloeistof altijd in een gesloten originele verpakking en buiten bereik van kinderen bewaren.

LET OP
Remvloeistof beschadigt de lak van de wagen. Remvloeistof op de wagenlak direct verwijderen.

Remvloeistof kan het milieu verontreinigen.
Vrijgekomen bedrijfsvloeistof opvangen en
vakkundig afvoeren en verwerken.
△
Milieubewust rijden

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zuinige rijstijl 131
Brandstofbesparend rijden 132
Het brandstofverbruik, de belasting van het milieu en de slijtage van motor, remmen en banden hangen voornamelijk van drie factoren af:
- Persoonlijke rijstijl
- Gebruiksomstandigheden (weer, toestand van de weg)
• Technische voorwaarden
Met enkele eenvoudige middelen en afhankelijk van de eigen rijstijl is een brandstofbesparing tot 25% mogelijk.

WAARSCHUWING
Snelheid en veiligheidsafstand ten opzichte van voor u rijdende wagens altijd aanpassen aan het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden.
Zuinige rijstijl

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Sneller schakelen
Er geldt altijd: de hogere versnelling is altijd de zuinigere versnelling. Bij de meeste wagens geldt als vuistregel: bij een snelheid van 30 km/h (19 mph) in de 3e versnelling rijden, bij 40 km/h (25 mph) in de 4e versnelling en bij 50 km/h (31 mph) al naar de 5e versnelling.
Bovendien spaart u brandstof door, als de verkeers- en rijomstandigheden dat toestaan, het "overslaan" van versnellingen bij het opschakelen.
Vroegtijdig schakelen. De 1e versnelling alleen gebruiken om weg te rijden en dan vlot naar de 2e versnelling schakelen.
Wagens met versnellingweergave ondersteunen zuinig rijden door het optimale tijdstip voor het opschakelen weer te geven.
Laten rollen
Als u de voet van het gaspedaal neemt, wordt de brandstoftoevoer van de motor onderbroken en het verbruik verlaagd.
Daarom bijvoorbeeld de wagen zonder gas te ge- ven laten uitrollen bij het naderen van een rood stoplicht. Pas wanneer de wagen te langzaam rijdt of het uitlooptraject langer is, het koppelingspedaal intrappen om te ontkoppelen. De motor draait dan met stationair toerental verder.
In situaties waarbij de wagen voor een langere periode stilstaat, de motor actief afzetten, bv. voor een spoorwegovergang. Bij wagens met ingeschakeld start-stopsysteem wordt de motor bij stilstand van de wagen automatisch afgezet.
Anticiperend rijden en met het verkeer meerijden
Vaak afremmen en accelereren verhoogt het brandstofverbruik aanzienlijk. Door anticiperend te rijden met voldoende afstand tot de wagen voor u, kunt u alleen door gas terug te nemen de snelheidsschommelingen compenseren. Actief remmen en accelereren is dan niet per se noodzakelijk.
Beheerst en gelijkmatig rijden
Nog belangrijker dan de snelheid is de constantheid: hoe gelijkmatiger wordt gereden, des te lager is het brandstofverbruik.
Bij het rijden op de snelweg is een constante en gematigde snelheid effectiever dan continu accele- reren en afremmen. Normaliter bereikt u bij een constante rijstijl net zo snel uw doel.
Een constante rijstijl wordt door het snelheidsregelsysteem ondersteund.
Extra verbruikers gematigd gebruiken
Comfort in de wagen is goed en belangrijk, maar er moet milieubewust mee om worden gegaan.
Zo verhogen sommige ingeschakelde uitrustingen het opgegeven brandstofverbruik (voorbeelden):
- De koelfunctie van de airconditioning: als de airconditioning een zeer hoog temperatuurverschil tot stand moet brengen, heeft de airco veel energie nodig, die via de motor wordt gegenereerd. Daarom moet het verschil tussen de binnentemperatuur van de wagen en de buitentemperatuur niet overmatig groot zijn. Het kan nuttig zijn voordat u gaat rijden de wagen te luchten en even met geopende ruiten te rijden. Pas dan met de ruiten gesloten de airconditioning inschakelen. Bij hoge snelheden de ruiten gesloten houden. Rijden met de ruiten open verhoogt het brandstofverbruik.
- Stoelverwarming uitschakelen, als de stoel voldoende is verwarmd.
- Achterruitverwarming uitschakelen als de ruit niet meer is beslagen en ijsvrij is.
Overige factoren, die het opgegeven brandstofverbruik verhogen (voorbeelden):
• Gestoorde motorregeling
• Rijden in de bergen
△
Brandstofbesparend rijden

line
| Temperature | I/100 km | | ----------- | -------- | | -10 °C | 5 | | +20 °C | 30 |Afbeelding 92 Brandstofverbruik in l/100 km bij twee verschillende omgevingstemperaturen.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Als u een anticiperende en zuinige rijstijl heeft, kan het brandstofverbruik gemakkelijk met 10 tot 15 procent worden gereduceerd.
Bij het accelereren verbruikt een wagen de meeste brandstof. Als u anticiperend rijdt, hoeft u minder te remmen en dus ook minder op te trekken. Laat uw wagen uitrollen wanneer dit mogelijk is, bijvoorbeeld wanneer u ziet dat het volgende verkeerslicht op rood staat.
Korte ritjes vermijden
Een koude motor verbruikt direct na het starten duidelijk meer brandstof. Pas na enkele kilometers is de motor op bedrijfstemperatuur en heeft het verbruik zich genormaliseerd.
Om het brandstofverbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen op effectieve wijze te reduceren, moeten de motor en de katalysator hun optimale bedrijfstemperatuur bereikt hebben. Van doorslaggevende betekenis is in dit verband ook de omgevingstemperatuur.
Afbeelding 92 toont het verschil in brandstofverbruik voor hetzelfde traject bij +20 °C (+68 °F) en bij -10 °C (+14 °F).
Daarom overbodige korte ritjes vermijden en deze samenvoegen tot één lange rit.
De wagen verbruikt onder dezelfde omstandigheden in de winter meer brandstof dan in de zomer.
"Warmdraaien" van de motor is niet alleen wettelijk verboden in sommige landen, maar ook technisch niet nodig en verspilling van brandstof.
Bandenspanning aanpassen
Met de juiste bandenspanning vermindert de rol- weerstand en zo ook het brandstofverbruik. Boven- dien kan met een licht verhoogde bandenspanning (+0,2 bar / +3 psi / 200 kPa) brandstof worden bes- paard.
Let er bij de aanschaf van nieuwe banden op dat de banden een optimale rolweerstand hebben.
Dunloopolie gebruiken
Volsynthetische motorolie met een lage viscositeit, de zogenaamde dunloopolie, verlaagt het brandstofverbruik. Dunloopolie vermindert de wrijvingsweerstand in de motor en verdeelt zich vooral bij koude motorstart beter en sneller. Het is vooral effectief bij wagens die vaak korte afstanden afleggen.
Controleer altijd het motoroliepeil en de service-intervallen (olieverversingsinterval).
Bij de aanschaf van motorolie altijd de olienorm en de vrijgave door Volkswagen in acht nemen.
Onnodige ballast vermijden
Hoe lichter de wagen, des te zuiniger en milieu-vriendelijker deze is. Bij een extra gewicht van 100 kg stijgt bijvoorbeeld het brandstofverbruik met tot 0,3 l/100 km.
Alle niet benodigde voorwerpen en onnodige ballast uit de wagen verwijderen.
Niet benodigde opbouw- en aanbouwdelen verwijderen
Hoe aerodynamischer een wagen is, des te geringer is het brandstofverbruik. Opbouw- en aanbouwdelen, zoals dak- of fietsdragers, verminderen het aerodynamische voordeel.
Daarom niet benodigde opbouwdelen en ongebruikte bagagedragersystemen verwijderen, vooral wanneer er met hoge snelheden wordt gereden.
△
Stuurinrichting

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 134
Informatie over de stuurinrichting 135
De stuurbekrachtiging werkt niet hydraulisch maar elektromechanisch. Het voordeel van deze soort bekrachtiging is dat hydraulische slangen, hydraulische olie, pomp, filter en andere onderdelen niet nodig zijn. Het elektromechanische systeem bespaart brandstof. Terwijl er voor een hydraulisch systeem continu oliedruk in het systeem nodig is, is een energietoevoer bij de elektromechanische stuurbekrachtiging alleen tijdens het sturen nodig.
Bij de elektromechanische stuurinrichting wordt de stuurbekrachtiging automatisch aan de rijsnelheid, het stuurmoment en de stuurinslag van de wielen aangepast. De elektromechanische stuurinrichting werkt alleen als de motor draait.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Motor starten en afzetten ⇒ pagina 115
- Accu → pagina 175
• Aan- en afslepen ⇒ pagina 254

WAARSCHUWING
Als de stuurbekrachtiging niet werkt, kan het stuurwiel alleen met veel kracht worden gedraaid en kan het besturen van de wagen zwaar worden.
- De stuurbekrachtiging werkt alleen als de motor draait.
- Laat uw wagen nooit met afgezette motor rollen.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken zo-lang de wagen in beweging is. Het stuurslot kan vergrendelen en de wagen kan niet meer worden bestuurd.
Waarschuwings- en controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 134 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Elektromechanische stuurinrichting uitgeval- len. | Stuurinrichting direct door een specialist laten controleren. |
![]() | Elektromechanische stuurinrichting werkt verminderd. | Stuurinrichting direct door een specialist laten controleren.Gaat het gele waarschuwingslampje na een herstart van de motor en een korte rit niet op- nieuw branden, dan hoeft u geen specialist op te zoeken. |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Storing in elektronische stuurkolomvergren-deling. | Niet verder rijden!Specialistische hulp inschakelen. |
![]() | Stuurkolom intern verdraaid. | Stuurwiel iets heen-en-weerdraaien. |
| Stuurkolom niet ont- resp. vergrendeld. | Sleutel uit het contact trekken en contact op-nieuw inschakelen. Let eventueel op meldingen op het display in het instrumentenpaneel.Niet verder rijden, wanneer de stuurkolom ver-grendeld blijft, nadat het contact is ingescha-keld. De hulp van een specialist inroepen. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na korte tijd uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
△
Informatie over de stuurinrichting

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Om diefstal van de wagen te bemoeilijken, is het raadzaam de stuurinrichting elke keer als u de wagen verlaat te blokkeren.
Mechanisch stuurslot
De stuurkolom wordt vergrendeld, wanneer de sleutel bij stilstaande wagen uit het contact wordt getrokken.
| Stuurslot activeren | Stuurslot deactiveren |
| Wagen parkeren ⇒ pagina 122. | Sleutel in het contact steken. |
| Sleutel uit contact trekken. | Het stuurwiel iets draaien, om het stuurslot te ontlasten. |
| Stuurwiel iets draaien, tot het stuurslot hoorbaar vastklikt. | Stuurwiel in positie houden en het contact inschakelen. |
Elektromechanische stuurinrichting
Bij de elektromechanische stuurinrichting wordt de stuurbekrachtiging automatisch aan de rijsnelheid, het stuurmoment en de stuurinslag van de wielen aangepast. De elektromechanische stuurinrichting werkt alleen als de motor draait.
Bij geheel of gedeeltelijk uitgevallen stuurbekrachtiging heeft u voor het sturen aanzienlijk meer kracht nodig dan gewoonlijk.
△
Bestuurdershulpsystemen
Wegrijhulpsystemen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 136
Start-stopsysteem 137
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 22
- Remmen, stoppen en parkeren pagina 122
- Accu ⇒ pagina 175
• Velgen en banden ⇒ pagina 193
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205
- Starthulp pagina 251

WAARSCHUWING
De intelligente techniek van de wegrijhulpsystemen kan de fysieke grenzen niet overwinnen. Het door de wegrijhulpsystemen aangeboden hogere comfort mag nooit aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's.
- Onbedoelde wagenbewegingen kunnen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Ondanks wegrijhulpsystemen moet de bestuurder te allen tijde opmerkzaam blijven.
- Snelheid en rijstijl altijd aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
- Een wegrijhulpsysteem kan niet onder alle omstandigheden de wagen op de helling vasthouden of op een helling voldoende afremmen, bv. op een gladde of bevroren ondergrond.
Controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 136 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Start-stopsysteem actief. | ||
| Start-stopsysteem is actief, maar automatisch afzetten van de motor is niet mogelijk. | Specialist opzoeken. | |
| Start-stopsysteem kan de motor niet starten. | Motor handmatig met de sleutel opnieuw star- ten ⇒ pagina 115. | |
| Storing dynamo. | ⇒ pagina 175 |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| (A) | Start-stopsysteem niet beschikbaar. | Specialist opzoeken. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk is de wagen tot stilstand brengen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Start-stopsysteem

Afbeelding 93 In bovenste gedeelte van de middenconsole: Knop voor start-stopsysteem

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-6 en volg deze op.
Met geactiveerd start-stopsysteem wordt de motor bij stilstand van de wagen automatisch afgezet. Zo nodig start de motor weer automatisch.
De functie wordt elke keer dat het contact wordt ingeschakeld, automatisch ingeschakeld. Op het display in het instrumentenpaneel wordt informatie over de actuele status weergegeven ⇒ pagina 136.
Bij het rijden door water het start-stopsysteem altijd handmatig uitschakelen.
Wagen met schakelbak
- Bij stilstand van de wagen uit de versnelling schakelen en koppelingspedaal loslaten. De motor wordt afgezet.
- Voor het opnieuw starten van de motor, koppeling intrappen.
Belangrijke voorwaarden voor het automatisch afzetten van de motor
- De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt.
- Het bestuurdersportier is gesloten.
• De motorkap is gesloten. - Een motorminimumtemperatuur is bereikt.
-
De wagen is bewogen nadat de motor voor het laatst is afgezet.
-
De ladingstoestand van de accu is voldoende.
- De temperatuur van de accu is niet te laag of te hoog.
- De wagen staat niet op een helling of berg.
Omstandigheden voor een automatische herstart
De motor kan onder de volgende voorwaarden automatisch starten:
Omstandigheden die starten met de sleutel noodzakelijk maken
De motor moet onder de volgende omstandigheden handmatig met de sleutel worden gestart:
- Als de bestuurder de gordel af doet.
- Als het bestuurdersportier wordt geopend.
- Als de motorkap wordt geopend.
Start-stopsysteem in- en uitschakelen
- Op de knop [A] in de middenconsole drukken ⇒ Afbeelding 93.
- Bij uitgeschakeld start-stopsysteem brandt het controlelampje in de knop.
Als de wagen bij het handmatig uitschakelen in de stopstand staat, start de motor direct.

WAARSCHUWING
Bij afgezette motor werken de rembekrachtiger en de elektromechanische stuurinrichting niet.
- Wagen nooit met afgezette motor laten rollen.
- Bij werkzaamheden in de motorruimte moet het start-stopsysteem zijn uitgeschakeld.

LET OP
Het gebruik van de wagen gedurende een zeer lange periode bij zeer hoge buitentemperaturen kan tot beschadiging van de accu leiden.
In enkele gevallen kan het nodig zijn de motor handmatig met de sleutel opnieuw te starten. Let op het overeenkomstige controlelampje in het instrumentenpaneel.

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Parkeerhulp (PDC) 140
Optische parkeerhulp (OPS) 141
De parkeerhulp ondersteunt de bestuurder bij het manoeuvreren en parkeren. Nadert de achterzijde van de wagen een obstakel, dan is afhankelijk van de afstand een intervaltoon te horen. Hoe korter de afstand wordt, des te korter worden de intervallen. Als het obstakel zeer dichtbij is, is er een aanhou-dende toon te horen.
Als bij de aanhoudende toon nog dichter naar het obstakel wordt gereden, is het systeem niet meer in staat de afstand te meten.
De sensoren in de achterbumper zenden en ontvangen ultrasone golven. Tijdens de looptijd van de ultrasone golven (zenden, reflecteren van obstakels en ontvangen) berekent het systeem voortdurend de afstand tussen de bumper en het obstakel.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 122
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 179
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205
- Radio resp. navigatiesysteem brochure Radio resp. brochure Navigatiesysteem

WAARSCHUWING
De parkeerhulp en de optische parkeerhulp kunnen de oplettendheid van de bestuurder niet vervangen.
- Onbedoelde wagenbewegingen kunnen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
- De sensoren hebben dode hoeken waarin personen en objecten niet kunnen worden waargenomen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de omgeving van de wagen in de gaten houden, omdat kleine kinderen, dieren en voorwerpen niet in alle gevallen door de sensoren worden herkend.
- Bepaalde oppervlakken van voorwerpen en kleding kunnen de signalen van de parkeersensoren niet reflecteren. Deze voorwerpen en personen die zulke kleding dragen, kunnen niet of maar beperkt door het systeem worden herkend.
- Externe geluidsbronnen kunnen een storend effect hebben op de signalen van de parkeersensoren. Onder bepaalde omstandigheden is het dan mogelijk dat personen en voorwerpen niet worden herkend.

LET OP
- Voorwerpen als aanhangwagendissels, dunne stangen, hekwerken, palen en bomen en open of zich openende achterkleppen worden in bepaalde omstandigheden niet door de sensoren herkend en kunnen tot beschadiging van de wagen leiden.
- Nadat de parkeerhulp een obstakel reeds door waarschuwingen heeft gemeld, kunnen met name zeer lage of hoge obstakels bij het verder naderen uit het meetbereik van de parkeerhulp verdwijnen, waardoor deze niet meer worden herkend. Deze voorwerpen worden dus ook niet meer gemeld. Als de waarschuwing van de parkeerhulp wordt genegeerd, kan dit ernstige beschadigingen aan de wagen tot gevolg hebben.
- De sensoren in de bumper kunnen door stoten, bijvoorbeeld bij het inparkeren, worden versteld of beschadigd.
- Voor de correcte werking van het systeem, de sensoren in de bumper schoon, sneeuw- en ijsvrij houden en niet met stickers of andere voorwerpen afdekken.
- Bij het schoonmaken van de sensoren met een hogedrukspuit, de sensoren alleen kort direct besproeien en altijd een afstand van meer dan 10 cm aanhouden.
LET OP (vervolg)
- Geluidsbronnen kunnen leiden tot storingmeldingen van de parkeerhulp, bijvoorbeeld ruw asfalt, kasseien, inductieslijpen, bouwmachines en storende geluiden van andere wagens.
- Naderhand op de wagen gemonteerde aanbouwdelen, zoals fietsdragers, kunnen de werking van de parkeerhulp belemmeren.
Raadpleeg bij een storing in het systeem een specialist. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Volkswagen adviseert het gebruik van de parkeerhulp en de optische parkeerhulp op een plek of parkeerplaats met weinig verkeer te oefenen, om met het systeem en de functies vertrouwd te raken.
△
Parkeerhulp (PDC)

Afbeelding 94 Sensoren van de parkeerhulp in de achterbumper
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 139 en volg deze op.
Er zijn drie sensoren van de parkeerhulp in de achterbumper ingebouwd ⇒ Afbeelding 94.
Parkeerhulp in- en uitschakelen
| Functie | Handeling |
| Inschakelen: | Bij ingeschakeld contact de achteruitversnelling inschakelen. Een korte signaal-toon bevestigt, dat de parkeerhulp geactiveerd en klaar voor gebruik is. |
| Uitschakelen: | Na het uit de achteruitversnelling schakelen zonder schermweergave van de optische parkeerhulpOF:Tien seconden na het uit de achteruitversnelling schakelen, bij actieve schermweergave van de optische parkeerhulp⇒Afbeelding 95.OF:Sneller dan ongeveer 10 - 15 km/h (6 - 9 mph) vooruit rijden, bij actieve schermweergave van de optische parkeerhulp⇒Afbeelding 95. |
Bijzonderheden van de parkeerhulp
- De parkeerhulp registreert water op de sensoren soms als obstakel.
- Bij gelijkblijvende afstand klinkt de waarschuwingstoon na enkele seconden zachter. Als de aanhoudende toon hoorbaar is, blijft de geluidsterkte constant.
- Als de wagen van het obstakel weg rijdt, wordt de intervaltoon automatisch uitgeschakeld. Bij opnieuw naderen wordt de intervaltoon automatisch ingeschakeld.
- Een Volkswagen Partner kan het volume van de waarschuwingstonen instellen.
Een storing in de parkeerhulp wordt bij de eerste inschakeling door een aanhoudende toon van ongeveer drie seconden gesignaleerd. De parkeerhulp direct door een specialist laten controleren.
△
Optische parkeerhulp (OPS)

Afbeelding 95 Schermweergave van de optische parkeerhulp (OPS)

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-
gina 139 en volg deze op.
Ⓐ Obstakels herkend in het geregistreerde gebied achter de wagen.
De optische parkeerhulp is een uitbreiding van de parkeerhulp ⇒ pagina 139.
Op het beeldscherm van het draagbare navigatie-apparaat (door Volkswagen geleverd) wordt het geregistreerde gebied achter de wagen weergegeven. Mogelijke obstakels worden relatief ten op-zichte van uw wagen getoond ⇒ ⚠.
| Functie | Handeling |
| Weergave inschakelen: | Parkeerhulp ⇒ pagina 139 inschakelen. De optische parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd. |
| Weergave handmatig uitschake- len: | Op de functietoets ➕ op het beeldscherm van het draagbare naviga- tieapparaat drukken. |
| Weergave automatisch uitschake- len: | Uit de achteruitversnelling schakelen. |
Geregistreerde gebieden
Het gebied achter de wagen wordt tot een afstand van ongeveer 150 cm en ongeveer 60 cm opzij ge- registreerd ⇒ Afbeelding 95 Ⓐ.
het segment naar de weergegeven wagen op Ⓐ schuift. Uiterlijk als het op één na laatste segment wordt weergegeven, is de gevarenzone bereikt.
Niet verder rijden!
Schermweergave
De weergegeven afbeelding geeft de geregistreerde gebieden in meerdere segmenten weer. Hoe dichter de wagen een obstakel nadert, hoe dichter
| Afstand van de wagen tot het obstakel | Akoestisch signaal | Segmentkleur bij een herkend ob-stakel ⇒ Afbeelding 95 |
| Achter: ca. 31 – 150 cm | Intervaltoon | Geel |
| Achter: ca. 0 – 30 cm | Aanhoudende toon | Rood |

WAARSCHUWING
Laat u door de beelden op het beeldscherm niet van het verkeer afleiden.
Meer informatie over het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) staat in de gebruiksaanwijzing in het apparaat → pagina 205.

Het kan enkele seconden duren, voordat de sensoren het geregistreerde gebied op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat weergeven.
Snelheidsregelsysteem (SRS)

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampje 142
Snelheidsregelsysteem bedienen 143
Het snelheidsregelsysteem (SRS) helpt, een individueel opgeslagen snelheid bij vooruitrijden vanaf ca. 20 km/h (15 mph) constant te houden.
Het snelheidsregelsysteem vertraagt alleen door het gaspedaal los te laten, niet door een remingreep ⇒ ⚠.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Schakelen ⇒ pagina 119
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
Als het niet mogelijk is, veilig met voldoende afstand en constante snelheid te rijden, kan het gebruik van het snelheidsregelsysteem ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit het SRS in druk verkeer, bij te weinig afstand, op steile, bochtige of gladde wegen, bv. bij sneeuw, ijs, nattigheid of los grind, en op overstroomde wegen gebruiken.
- Nooit het snelheidsregelsysteem in het terrein of op onverharde wegen gebruiken.
- Snelheid en veiligheidsafstand ten opzichte van voor u rijdende wagens altijd aanpassen aan het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden.
- Om een ongewenste snelheidsregeling te voorkomen, het SRS altijd na het gebruik uit-schakelen.
- Het is gevaarlijk weer terug te gaan naar de opgeslagen snelheid, wanneer die snelheid te hoog is voor de omstandigheden van dat moment (wegdek, verkeer, weersgesteldheid)!
- Bij het bergafwaarts rijden kan het snelheidsregelsysteem de snelheid niet constant houden. Door het eigen gewicht van de wagen kan de snelheid hoger worden. Terugschakelen of de wagen met het rempedaal afremmen.
△
Controlelampje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 142 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak |
![]() | Snelheidsregelsysteem regelt de snelheid. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
△

Afbeelding 96 Knipperlicht- en grootlichthendel links aan de stuurkolom: Knop en schakelaar van snelheidsregelsysteem
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 142 en volg deze op.
| Functie | Schakelaarstand, schakelaarbedie- ning ⇒ Afbeelding 96 | Handeling |
| Snelheidsregelsysteem in- schakelen. | Schakelaar Ⓑ in stand ON. | Het systeem wordt ingeschakeld. Na het inschakelen is geen snelheid op- geslagen en er wordt nog niet gere- geld. |
| Snelheidsregelsysteem activeren. | Toets Ⓐ bij SET/- indrukken. | De actuele snelheid wordt opgeslagen en geregeld. |
| Snelheidsregeling tijdelijk uitschakelen. | Schakelaar Ⓑ in stand CANCEL drukken OF: Rem- of koppelingspedaal intrap- pen. | Regeling wordt tijdelijk uitgeschakeld. De snelheid blijft opgeslagen. |
| Snelheidsregeling weer hervatten. | Toets Ⓐ bij RES/+ indrukken. | De opgeslagen snelheid wordt weer hervat en geregeld. |
| Opgeslagen snelheid ver- hogen (tijdens snelheids- regeling). | Toets Ⓐ bij RES/+ kort indrukken om de snelheid in kleine stappen van on- geveer 1 km/h (1 mph) te verhogen en op te slaan. | De wagen accelereert actief tot de nieuw opgeslagen snelheid is bereikt. |
| Toets Ⓐ bij RES/+ lang indrukken om de snelheid continu tot het moment van loslaten te verhogen en op te slaan. | ||
| Opgeslagen snelheid ver- lagen (tijdens snelheidsre- geling). | Toets Ⓐ bij SET/- kort indrukken om de opgeslagen snelheid in kleine stappen van ongeveer 1 km/h (1 mph) te verlagen en op te slaan. | De snelheid wordt zonder remingreep door terugnemen van het gas ver- laagd tot de nieuw opgeslagen snel- heid is bereikt. |
| Toets Ⓐ bij SET/- lang indrukken om de opgeslagen snelheid continu tot het moment van loslaten te verlagen en op te slaan. | ||
| Snelheidsregelsysteem uitschakelen. | Schakelaar Ⓑ in stand OFF. | Het systeem wordt uitgeschakeld. De opgeslagen snelheid wordt gewist. |
Bergafwaarts rijden met het snelheidsregelsysteem
Als het snelheidsregelsysteem bergafwaarts de snelheid van de wagen niet constant kan houden, de wagen met het rempedaal afremmen en zo nodig terugschakelen.
Automatische uitschakeling
Het snelheidsregelsysteem wordt automatisch uitgeschakeld of tijdelijk onderbroken:
- Als door het systeem een fout wordt vastgesteld, die de functie van het snelheidsregelsysteem zou kunnen beïnvloeden.
-
Als langere tijd door gasgeven met het gaspedaal sneller dan de opgeslagen snelheid wordt gereden.
-
Wanneer het rem- of koppelingspedaal wordt ingetrapt.
- Als bij de schakelbak in een andere versnelling wordt geschakeld.
- Als de airbag wordt geactiveerd.
△

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 146
Lasersensor 147
Werking 148
Bijzondere rijsituaties 148
De city-noodremfunctie detecteert verkeersituaties tot een afstand van ongeveer 10 m vóór de wagen in een snelheidsbereik van ongeveer 5 tot 30 km/h (3 tot 19 mph).
Als het systeem een mogelijke botsing met een voor u rijdende wagen herkent, wordt de wagen op een mogelijke noodstop voorbereid ⇒ ⚠.
Als de bestuurder niet reageert op een dreigende botsing, kan het systeem de wagen automatisch afremmen, om de snelheid bij een mogelijke botsing te verminderen.
Als de city-noodremfunctie vaststelt dat de be-stuurder bij een dreigende botsing alleen onvoldoende remt, kan het systeem de remdruk verhogen, om de snelheid bij een mogelijke botsing te verminderen. Daardoor kan het systeem helpen, de gevolgen van een ongeval te verminderen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
- Onderste gedeelte van de middenconsole
⇒ pagina 12
• Instrumentenpaneel → pagina 15 - Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
De intelligente techniek van de city-noodremfunctie kan de fysieke en systeembepaalde grenzen niet overwinnen. Het door de city-noodremfunctie aangeboden hogere comfort mag geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's. De verantwoordelijkheid voor het tijdig remmen ligt altijd bij de bestuurder.
- De city-noodremfunctie kan ongevallen en zware verwondingen niet zelfstandig voorkomen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- De city-noodremfunctie kan in complexe rijsituaties ongewilde remingrepen uitvoeren, bv. bij wagens die heel kort voor u invoegen.

WAARSCHUWING
Als u de city-noodremfunctie meerekent in uw eigen rijgedrag kan dit ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben. Het systeem kan de oplettendheid van de bestuurder niet vervangen.
- Snelheid en veiligheidsafstand ten opzichte van voor u rijdende wagens altijd aanpassen aan het zicht, het weer, het wegdek en de verkeersomstandigheden.
- De city-noodremfunctie reageert niet op personen, dieren, kruisende of op dezelfde rijstrook tegemoetkomende wagens.
- Als na activering van de city-noodrem-functie de wagen begint te rollen, de wagen met het rempedaal afremmen.

LET OP
Als de verdenking bestaat dat de lasersensor voor de city-noodremfunctie is beschadigd, de city-noodremfunctie uitschakelen. Daardoor kunnen verdere beschadigingen worden vermeden.
- Reparaties aan de lasersensor vereisen speciale vakkennis. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Als de city-noodremfunctie een remactie in gang zet, wordt de pedaalweg van het rempedaal korter. Daardoor voelt het rempedaal "harder" aan.
Automatische remingrepen van de city-nood-remfunctie kunnen worden afgebroken door het koppelingspedaal of het gaspedaal in te trappen of door een stuuringreep.
Als de city-noodremfunctie automatisch afremt, treden er mogelijk ongewone geluiden op. Deze zijn normaal en worden door het remsysteem veroorzaakt.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Als de city-noodremfunctie is uitgeschakeld, in werking is of als er sprake is van een storing in het systeem, brandt het controlelampje.
De city-noodremfunctie is ingeschakeld elke keer dat het contact wordt ingeschakeld. Dit wordt niet apart weergegeven.
| Brandt | Mogelijke oorzaak ⇒ ▲ | Oplossing |
| On | City-noodremfunctie is met de knop ☒ OFF ingeschakeld ⇒ Afbeelding 99. | Controlelampje gaat na ongeveer 5 seconden automatisch uit. |
| Knippert | Mogelijke oorzaak ⇒ ▲ | Oplossing |
| Snel: city-noodremfunctie remt automa-tisch of heeft automatisch geremd. | Controlelampje gaat automatisch uit. | |
| Langzaam: city-noodremfunctie momen-teel niet beschikbaar. | Bij stilstaande wagen de motor afzetten en opnieuw starten. Zo nodig de lasersensor vis-sueel controleren (vuil, ijsafzetting, ver naar voren uitstekende daklading) ⇒ ▲. Als het systeem blijvend niet beschikbaar is, een spe-cialist opzoeken en systeem laten controle-ren. | |
| Binnen het werkingsgebied van 5 – 30 km/h (3 – 19 mph): city-noodrem-functie is met de knop ☒ OFF uitgeschakeld ⇒ Afbeelding 99. | City-noodremfunctie met de knop ☒ OFF in-schakelen ⇒ Afbeelding 99. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.


Afbeelding 97 Bij de voorruit: Lasersensor voor de city-noodremfunctie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 145 en volg deze op.
Met een lasersensor in de voorruit ⇒ Afbeelding 97 herkent het systeem verkeerssituaties vóór de wagen.
Wagens die voor u rijden kunnen zo tot op een afstand van ongeveer 10 meter worden herkend.

WAARSCHUWING
De laserstraal van de lasersensor kan zware verwondingen aan de ogen veroorzaken.
- Nooit op een afstand van minder dan 100 mm met optische apparaten, zoals camera met zoeker, microcoop of vergrootglas, in de lasersensor kijken.
- Let er daarbij op dat de laserstraal ook actief kan zijn, als de city-noodremfunctie uitgeschakeld of niet beschikbaar is. De laserstraal is voor het menselijke oog niet zichtbaar!

LET OP
Als de voorruit bij de lasersensor vuil, bevoren of afgedekt is, bijvoorbeeld door regen, opspattend water, sneeuw of ver naar voren uitsteken-de daklading, kan dit uitval van de city-nood-remfunctie tot gevolg hebben:

Afbeelding 98 Detectiebereik van de lasersensor

LET OP (vervolg)
- Het gebied van de lasersensor altijd schoon en ijsvrij houden resp. niet afdekken.
- Sneeuw met een handveger en ijs bij voorkeur met een oplosmiddelvrije ontdooispray verwijderen.

LET OP
Een beschadigde voorruit bij de lasersensor kan uitval van de city-noodremfunctie tot gevolg hebben.
- Voorruit met krassen, scheuren of steenslag in het gebied van de lasersensor laten vervangen. Hiervoor alleen een door Volkswagen goedgekeurde voorruit gebruiken. Reparaties (bv. bij beschadiging door steenslag) zijn niet toegestaan.
- Bij vervanging van de ruitenwisserbladen alleen ruitenwisserbladen gebruiken die qua uitvoering en eigenschappen overeenkomen met de ruitenwisserbladen die af fabriek ge-monteerd zijn.
- Gebied van de lasersensor op de voorruit niet spuiten of door stickers, aanslag of iets dergelijks afdekken.
△

Afbeelding 99 In het onderste deel van de middenconsole: Knop voor de city-noodremfunctie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
City-noodremfunctie in- en uitschakelen
- Op de knop Afbeelding 99 in de middenconsole drukken.
Bij uitgeschakelde city-noodremfunctie brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje OFF bij een snelheid van 5 - 30 km/h (3 - 19 mph).
City-noodremfunctie in de volgende situaties uitschakelen
In de volgende situaties moet de city-noodrem-functie worden uitgeschakeld ⇒ ⚠:
- Als de wagen wordt afgesleept.
- Als u met de wagen door een wasstraat rijdt.
- Als de wagen op een rollenbank staat.
• Als de lasersensor defect is. - Na geweldsinwerking op de lasersensor.
- Bij ritten door het terrein (overhangende takken).
- Als objecten in het gebied boven de motorkap uitsteken, bijvoorbeeld ver naar voren uitstekende dakbelading.
- Als de voorruit bij de lasersensor is beschadigd.

WAARSCHUWING
Als de city-noodremfunctie niet in de ge- noemde situaties wordt uitgeschakeld, kun- nen ongevallen en verwondingen het gevolg zijn.
- City-noodremfunctie in kritieke situaties uitschakelen.
Bijzondere rijsituaties

Afbeelding 100 A: Wagen in een bocht. B: Voorgaande motorrijder buiten het werkingsgebied van de lasersensor

Afbeelding 101 Veranderen van rijstrook door andere voertuigen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Aan de city-noodremfunctie zitten natuurkundige en door het systeem bepaalde beperkingen. Zo kunnen reacties van de city-noodremfunctie bijvoorbeeld onder bepaalde omstandigheden vanuit de optiek van de bestuurder onverwacht of vertraagd plaatsvinden. Blijf daarom steeds oplettend en grijp zo nodig zelf in!
De volgende rijsituaties vragen bijvoorbeeld speciale oplettendheid:
Bij rijden in bochten
Bij het inrijden van een bocht en het uitrijden van langgerekte bochten kan het voorkomen dat de lasersensor reageert op een voertuig op de naastgelegen rijbaan ⇒ Afbeelding 100 A en zodoende de eigen wagen afremt. Het afremmen kan door gasgeven, sturen en intrappen van het koppelingspedaal worden afgebroken.
Smalle en versprongen rijdende voertuigen
Smalle en versprongen rijdende voertuigen kunnen pas door de lasersensor worden herkend, wanneer zij zich in het detectiebereik van de sensor bevin- den Afbeelding 100 B. Dit geldt vooral bij smalle voertuigen, zoals bv. motorfietsen.
Veranderen van rijstrook door andere voertuigen
Wagens die op korte afstand wisselen naar uw rijstrook, kunnen een onverwachte remactie van de city-noodremfunctie veroorzaken ⇒ Afbeelding
- Het afremmen kan door gasgeven, sturen en intrappen van het koppelingspedaal worden afgebroken.
Mogelijke belemmering van de lasersensor
Als de werking van de lasersensor door bijvoorbeeld hevige regenval, opspattend water, sneeuw of modder wordt belemmerd, dan schakelt de city-noodremfunctie zichzelf tijdelijk uit. Op het display in het instrumentenpaneel knippert het controle-lampje.
Wordt de werking van de lasersensor niet meer belemmerd, dan wordt de city-noodremfunctie vanzelf weer klaar voor gebruik. Het controlelampje gaat uit.
De volgende voorwaarden kunnen ertoe leiden, dat de city-noodremfunctie niet reageert:
- Bij rijden van scherpe bochten.
• Bij volledig ingetrapt gaspedaal. - Bij uitgeschakelde city-noodremfunctie of een storing in de city-noodremfunctie pagina 146
- Als de lasersensor vuil, afgedekt of oververhit is ⇒ pagina 147.
- Bij sneeuwval, hevige regen of dichte mist.
- Bij versprongen rijdende voertuigen.
- Bij kruisende voertuigen.
- Bij voertuigen die u op dezelfde rijstrook tege- moet komen.
- Bij heel smerige voertuigen die weinig reflecteren.
- Bij veel opwaaiend stof.
△
Klimaat
Verwarmen, ventileren, koelen
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bedieningselementen 151
Aanwijzingen voor het gebruik van het verwarmings- en ventilatiesysteem 152
Aanwijzingen voor het gebruik van de airconditioning 152
Luchtroosters 153
Circulatiefunctie 154
Interieurluchtfilter
Het interieurluchtfilter vermindert in het interieur binnendringende verontreinigingen uit de buitenlucht.
Het interieurluchtfilter moet volgens de in het Serviceplan aangegeven intervallen worden vervangen, om de werking van de airconditioning niet te beperken.
Als de werking van het filter door het gebruik van de wagen in een gebied met veel luchtverontreiniging voortijdig afneemt, moet het interieurluchtfilter zo nodig vaker worden vervangen dan in het Serviceplan staat aangegeven.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Volkswagen informatiesysteem ⇒ pagina 22
• Ruitenwissers en -sproeiers ⇒ pagina 86
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 179
⚠ WAARSCHUWING
Slecht zicht door alle ruiten verhoogt het risico van botsingen en ongevallen, waarbij men zware verwondingen kan oplopen.
- Voor een goed zicht naar buiten moeten altijd alle ruiten vrij zijn van ijs, sneeuw en condens.
- De maximale verwarmingscapaciteit en het snelstmogelijk ontdooien van de ruiten kan alleen worden bereikt, wanneer de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt. Pas wegrijden wanneer het zicht naar buiten goed is.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Voor een goed zicht naar buiten, het verwarmings- en ventilatiesysteem resp. de air-conditioning en de achterruitverwarming correct gebruiken.
- Nooit de circulatiefunctie gedurende langere tijd gebruiken. Bij uitgeschakelde koelfunctie kunnen in de circulatiefunctie de ruiten snel beslaan en het zicht naar buiten behoorlijk beperken.
- Circulatiefunctie altijd uitschakelen, als deze niet nodig is.
WAARSCHUWING
Verbruikte lucht kan ertoe leiden dat de bestuurder snel vermoeid en ongeconcentreerd raakt, wat botsingen, ongevallen en zware verwondingen kan veroorzaken.
- Nooit de aanjager gedurende langere tijd uitschakelen en nooit de circulatiefunctie gedurende langere tijd gebruiken, omdat er dan geen frisse lucht in het interieur komt.
LETOP
- Als de verdenking bestaat dat de airconditioning is beschadigd, de airconditioning uitschakelen. Daardoor kunnen verdere beschadiggingen worden vermeden. Airconditioning door een specialist laten controleren.
- Reparatiewerkzaamheden aan de airconditioning vereisen bijzondere vakkennis en speciale gereedschappen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Bij uitgeschakelde koelfunctie wordt de aangezogen buitenlucht niet ontvochtigd. Om te voorkomen dat de ruiten beslaan, adviseert Volkswagen om de koelfunctie (compressor) ingeschakeld te laten. Hiervoor toets AC indrukken. Het controlelampje in de toets moet branden.
De maximale verwarmingscapaciteit en het snelstmogelijk ontdooien van de ruiten kunnen alleen worden bereikt, wanneer de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van ijs, sneeuw en bladeren zijn, opdat verwarming en airconditioning optimaal kunnen functioneren en het beslaan van de ruiten wordt voorkomen.
Bedieningselementen

Afbeelding 102 In de middenconsole: Draaiknop van het verwarmings- en ventilatiesysteem

Afbeelding 103 In de middenconsole: Bedieningselementen van de airconditioning

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 150 en volg deze op.
| Toets, regelaar | Aanvullende informatie. Verwarmings- en ventilatiesysteem ⇒ Afbeelding 102 en air-conditioning ⇒ Afbeelding 103. |
| 1... | Temperatuur.Regelaar draaien om de temperatuur overeenkomstig in te stellen. |
| 2... | Aanjager.Stand 0: aanjager en airconditioning uitgeschakeld, stand 4: hoogste aanjagerstand. |
| Verwarmings- en ventilatiesysteem resp. airconditioning uitschakelen:draaiknop voor aanjager 2 op stand 0 draaien. | |
| 3 | Luchtverdeling.Regelaar traploos draaien om de luchtstroom in de gewenste richting in te stellen. |
Instelling voor optimaal zicht
De ingeschakelde koelfunctie verlaagt in het interieur van de wagen niet alleen de temperatuur, maar ook de luchtvochtigheid. Hierdoor wordt bij hoge buitenluchtvochtigheid het comfort van de passagiers verhoogd en beslaan van de ruiten voorkomen:
- Circulatiefunctie uitschakelen ⇒ pagina 154.
- Aanjager op de gewenste stand zetten.
- Alle luchtroosters in het dashboard openen en richten pagina 153.
- Luchtverdeelregelaar in ontwasemingsstand draaien.
- Toets AC indrukken om de koelfunctie in te schakelen. Het controlelampje in de toets brandt.
Koelfunctie kan niet worden ingeschakeld
Als de koelfunctie niet kan worden ingeschakeld, kan dit de volgende oorzaken hebben:
• De motor draait niet.
• De aanjager is uitgeschakeld.
- De zekering van de airconditioning is doorgebrand.
- De omgevingstemperatuur is lager dan ongeveer +2 °C (+36 °F).
- De aircocompressor van de koeling is vanwege te hoge koelvloeistoftemperatuur tijdelijk uitgeschakeld.
- Er is sprake van een andere storing aan de wagen. Airconditioning bij een specialist laten contro-leren.
Bijzonderheden
Bij hoge luchtvochtigheid buiten en hoge omgevingstemperaturen kan condenswater van de verdamper van de airconditioning lekken en onder de wagen een waterplas vormen. Dit is normaal en geen teken van lekkage!
Door restvocht in de airconditioning kan na het starten van de motor de voorruit beslaan. Ontwasemingsfunctie inschakelen, om de voorruit zo snel mogelijk wasemvrij te maken.
Luchtroosters

Afbeelding 104 In het dashboard: luchtroosters

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pagina 150 en volg deze op.
Luchtroosters
Opdat voldoende verwarming, koeling en luchttoevoer in het interieur wordt verkregen, mag u de luchtroosters ⇒ Afbeelding 104 Ⓐ nooit helemaal sluiten.
- Om de luchtroosters te openen op het luchtrooster drukken.
-
Door de lamellen te draaien, kunt u de uitstroomrichting instellen.
-
Voor de optimale luchtstroom naar de zijruiten het betreffende luchtrooster openen en in de ont-wasemingsstand draaien, waarin het luchtrooster vastklikt.
- Om de luchtroosters te sluiten, klapt u de la-mellen terug.
Andere luchtroosters zitten in het midden van het dashboard en aan de zijkant van het dashboard → pagina 9 in de voetenruimtes.

LET OP
Geen levensmiddelen, medicijnen of andere warmtegevoelige voorwerpen voor de lucht-roosters plaatsen. Warmte- of koudegevoelige

LET OP (vervolg)
levensmiddelen, medicijnen en voorwerpen kunnen door de uitstromende lucht beschadigd of onbruikbaar worden.
Circulatiefunctie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-0 en volg deze op.
Basisinformatie
In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat buitenlucht in het interieur van de wagen komt.
Bij zeer hoge buitentemperaturen is het raadzaam tijdelijk de handmatige circulatiefunctie te kiezen, om het interieur sneller te laten afkoelen.
- Als de luchtverdeelregelaar op Ⓦ wordt gedraaid, circulatiefunctie uitschakelen ⇒ ⚠.
Circulatiefunctie in- en uitschakelen
Inschakelen: schuifregelaar ⇒ Afbeelding 103 ④ tot de aanslag naar rechts schuiven.
Uitschakelen: schuifregelaar ⇒ Afbeelding 103 ④ tot de aanslag naar links schuiven.
⚠ WAARSCHUWING
Verbruikte lucht kan ertoe leiden dat de be-stuurder snel vermoeid en ongeconcentreerd raakt, wat botsingen, ongevallen en zware verwondingen kan veroorzaken.
- Nooit de circulatiefunctie gedurende langere tijd gebruiken, omdat er geen frisse lucht in het interieur komt.
- Bij uitgeschakelde koelfunctie kunnen in de circulatiefunctie de ruiten snel beslaan en het zicht naar buiten behoorlijk beperken.
- Circulatiefunctie altijd uitschakelen, als deze niet nodig is.
LET OP
Bij ingeschakelde circulatiefunctie niet roken. De aangezogen rook kan op de verdamper van de airconditioning en het interieurluchtfilter neerslaan en voor blijvende stankoverlast zorgen.
Bij het tankstation
Tanken
Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes en brandstofmeter 156
Benzine tanken 157
Vulhoeveelheden 158
Controles bij het tanken 158
De tankklep zit aan de rechterachterzijde van de wagen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
- Brandstof pagina 159
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
! WAARSCHUWING
Onjuist tanken en ondeskundig omgaan met brandstof kan explosies, brand, ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg hebben.
- De tankdop moet altijd correct gesloten zijn, om het verdampen en morsen van brandstof te voorkomen.
- Brandstof is zeer explosief en licht ontvlambaar en kan tot ernstige brandwonden en andere verwondingen leiden.
- Als bij het tanken de motor niet wordt afgezet of het vulpistool niet volledig in de tankvulopening wordt ingevoerd, kan brandstof eruit stromen of in het rond spatten. Dit kan brand, explosies, ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg hebben.
- Bij het tanken moeten de motor en het contact om veiligheidsredenen uitgeschakeld zijn.
- Bij het tanken mobiele telefoons en zendontvangapparaten altijd uitschakelen. Door elektromagnetische stralingen kunnen vonken ontstaan, die een brand tot gevolg kunnen hebben.
- Tijdens het tanken niet in de wagen stappen. Wanneer u in uitzonderingsgevallen toch in de wagen moet stappen, het portier sluiten
WAARSCHUWING (vervolg)
en een metaaloppervlak aanraken, voordat u het vulpistool weer vastpakt. Hierdoor voorkomt u elektrostatische ontlading, die vonkvorming tot gevolg kan hebben. Vonken kunnen brand bij het tanken veroorzaken.
- Nooit in de buurt van open vuur, vonken of gloeiende voorwerpen (bv. sigaretten) tanken of een jerrycan vullen.
- Elektrostatische ontladingen en elektromagnetische stralingen bij het tanken vermijden.
- Let op geldende veiligheidsaanwijzingen bij het tankstation.
- Nooit brandstof in de wagen of in de bagageruimte morsen.
! WAARSCHUWING
Om veiligheidsredenen adviseert Volkswagen geen jerrycan in de wagen mee te nemen. Er zou brandstof uit de jerrycan kunnen lopen - vooral bij een ongeval - en vlam kunnen vatten. Dit kan brand, explosies en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Wanneer u bij uitzondering toch brandstof in een jerrycan moet vervoeren, geldt het volgende:
- De jerrycan bij het vullen nooit in of op de wagen plaatsen, bijvoorbeeld in de bagageruimte. Tijdens het vullen kan er een elektrostatische lading ontstaan, die de brandstofdampen kan ontsteken.
- De jerrycan altijd op de grond neerzetten.
- Vulpistool bij het vullen van een jerrycan zo ver mogelijk in de vulopening steken.
- Bij jerrycans van metaal moet het vulpistool bij het vullen altijd contact met de jerrycan maken, om een statische lading te voorkomen.
- De wettelijke voorschriften in acht nemen bij het gebruiken, opbergen en vervoeren van een jerrycan met brandstof.
- Zorg ervoor dat de jerrycan voldoet aan de industrienorm, bijvoorbeeld ANSI resp. ASTM F852-86.

LET OP
- Gemorste brandstof meteen van alle wagenonderdelen verwijderen, om beschadigingen van de wielkast, banden en lak te voorkomen.
- Het tanken van diesel bij een wagen met benzinemotor leidt tot ernstige en dure schade aan de motor en het brandstofsysteem. Deze schade valt niet onder de Volkswagen Garantie.

LET OP (vervolg)
Wanneer de wagen verkeerd getankt is, in geen geval de motor starten. Dit geldt ook wanneer slechts een kleine hoeveelheid verkeerde brandstof is getankt. Hulp van een specialist inroepen! De componenten van deze brandstofsoorten kunnen bij draaiende motor het brandstofsysteem en de motor zelf ernstig beschadi-gen.

Brandstoffen kunnen de omgeving verontreinigen. Vrijgekomen bedrijfsvloeistoffen opvangen en vakkundig afvoeren en verwerken.
△
Controlelampjes en brandstofmeter

Afbeelding 105 In het instrumentenpaneel:
Brandstofmeter voor benzine

Afbeelding 106 Op het display in het instrumentenpaneel: Brandstofmeter voor benzine

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 155 en volg deze op.
De brandstofmeter kan afhankelijk van de wagenuitvoering verschillen ⇒ Afbeelding 105 resp.
⇒ Afbeelding 106.
| Brandt ^a) | Positie naald⇒ Afbeelding 105 | Mogelijke oorzaak ⇒ ⚠️ | Oplossing |
| Rode markering (pijl) | Brandstoftank bijna leeg.Reservehoeveelheid wordt ver-bruikt ⇒ pagina 158. | Bij de volgende gelegen-heid tanken ⇒ ⚠️. |
a) Geldt alleen voor wagens met brandstofmeter in het instrumentenpaneel Albeelding 105.
| Knippert gedurende on-geveer 10 secondena) | Balkenstand⇒ Afbeelding 106 | Mogelijke oorzaak ⇒ ▲ | Oplossing |
| Reservemarkering knippert gedurende on-geveer 10 seconden (vier kleine segmenten) | Brandstoftank bijna leeg.Reservehoeveelheid wordt ver-bruikt ⇒ pagina 158. | Bij de volgende gelegen-heid tanken ⇒ Ⓔ. |
a) Geldt alleen voor wagens met brandstofmeter op het display in het instrumentenpaneel Afbeelding 106.
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het rijden met een te geringe brandstofvoorraad kan leiden tot het afslaan van de motor, wat ongevallen en zware verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Een te geringe brandstofvoorraad kan leiden tot een onregelmatige brandstoftoevoer naar de motor, met name bij het rijden van een heuvelachtig traject.
- De stuurinrichting en alle bestuurders-hulpsystemen en remhulpsystemen werken niet wanneer de motor vanwege brandstofte-kort of onregelmatige brandstoftoevoer "stottert" of afslaat.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd brandstof tanken als de brandstof-tank nog maar voor 1/4 is gevuld, om te voorkomen dat de wagen als gevolg van brandstofgebrek stilvalt.

LET OP
- Brandende controlelampjes en de bijbehorende beschrijvingen en aanwijzingen altijd in acht nemen om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.
- Nooit de tank helemaal leegrijden. Door de onregelmatige brandstoftoevoer kan een ontbranding uitblijven, waardoor onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomt. Hierdoor kan de katalysator worden beschadigd!

De kleine pijl in de meter naast het benzine-pompsymbool Afbeelding 105 geeft aan welke wagenzijde de tankklep zit.
△
Benzine tanken

Afbeelding 107 Geopende tankklep met eraan gehangen tankdop

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Vóór het tanken altijd de motor afzetten en het contact en de mobiele telefoon uitschakelen en tijdens het tanken uitgeschakeld laten.
Tankdop openen
- De tankklep zit rechtsachter in het zijpaneel.
-
Tankklep achteraan bij de uitsparing beetpakken en openklappen.
-
Sleutelbaard zo nodig uit de sleutel klappen ⇒pagina 30.
- Sleutel in de slotcilinder van de tankdop steken en linksom draaien.
- Tankdop linksom eruit draaien en op de bovenzijde van de tankklep vasthaken Afbeelding 107.
Tanken
De juiste brandstofsoort voor de wagen staat op een sticker aan de binnenzijde van de tankklep ⇒ pagina 159.
- De brandstoftank is vol, zodra het volgens voorschrift bediende automatische vulpistool voor het eerst uitschakelt ▲.
- Na het uitschakelen niet verder tanken! Anders vult de expansieruimte in de brandstoftank zich en kan de brandstof overlopen, ook door verhitting.
Tankdop sluiten
- Tankdop rechtsom op de vulopening draaien, tot deze hoorbaar vastklikt.
- Sleutel in de slotcilinder van de tankdop rechtsom draaien en eruit trekken.
- Tankklep sluiten. De tankklep moet vlak aan-sluiten op de carrosseriedelen eromheen.

WAARSCHUWING
Als het vulpistool voor de eerste keer uit- schakelt, niet doorgaan met tanken. De brandstoftank zou overvol kunnen raken. Daardoor kan brandstof in het rond spatten of eruit stromen. Dit kan brand, explosies en zware verwondingen tot gevolg hebben.

LET OP
Gemorste brandstof meteen van alle wagenonderdelen verwijderen, om beschadigingen van de wielkast, banden en lak te voorkomen.

Brandstoffen kunnen de omgeving verontreinigen. Vrijgekomen bedrijfsvloeistoffen opvangen en vakkundig afvoeren en verwerken.
△
Vulhoeveelheden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 155 en volg deze op.
| Vulhoeveelheid van de brandstoftank | |
| Benzinemotoren | Ca. 35,0 l, daarvan ca. 4,0 l reserve |
△
Controles bij het tanken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 155 en volg deze op.
Checklist
Nooit werkzaamheden aan de motor en in de motorruimte uitvoeren, als u niet met de nodige handelingen en de algemeen geldende veiligheidsvoorschriften bekend bent en als de verkeerde hulpmiddelen en vloeistoffen alsmede ongeschikt gereedschap ter beschikking staan ⇒ pagina 162. Voorbereidingen op werkzaamheden in de motorruimte. Zo nodig alle werkzaamheden door een specialist laten uitvoeren. Let erop dat regelmatig, het beste tijdens een tankbeurt, het volgende wordt gecontroleerd:
√ Ruitensproeiervloeistofpeil ⇒ pagina 86
Motoroliepeil ⇒ pagina 167
√ Motorkoelvloeistofpeil ⇒ pagina 171
√ Remvloeistofpeil ⇒ pagina 122
Bandenspanning ⇒ pagina 193
Wagenverlichting, die voor de verkeersveiligheid vereist is:
- Knipperlichten
- Stadslicht, dimlicht en grootlicht
- Achterlichten
- Remlichten
- Mistachterlicht → pagina 80
Informatie over het vervangen van een gloeilampje
⇒pagina 244.
△
Brandstof

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Brandstofsoorten 159
Benzine 159
Informatie over het brandstofverbruik ..... 160
Brandstofverbruik 161
CO2-emissie 161
Aan de binnenzijde van de tankklep zit af fabriek een sticker met de juiste brandstofsoort voor de betreffende wagen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• ⇒ brochure Serviceplan
• Tanken ⇒ pagina 155
- Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem
⇒pagina 218

WAARSCHUWING
Op onjuiste wijze omgaan met brandstof kan explosies, brand, ernstige brandwonden en verwondingen tot gevolg hebben.
- Brandstof is zeer explosief en licht ontvlambaar.
- Let op de geldende veiligheidsaanwijzingen en lokale voorschriften voor het werken met brandstoffen.
Brandstofsoorten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-69 en volg deze op.
De te tanken brandstofsoort is afhankelijk van het motortype van de wagen. Aan de binnenzijde van de tankklep zit af fabriek een sticker met de juiste brandstofsoort voor de betreffende wagen.
Volkswagen adviseert zwavelarme of zwavelvrije brandstof te tanken om een lager brandstofverbruik te realiseren en motorschade te voorkomen.
| Mogelijke brandstofsoor-ten | Alternatieve benamingen | Extra informatie |
| RON^a) 91 | Normale benzine, regular unleaded | ⇒pagina 159 |
| RON^a) 95 | Super benzine, Premium, loodvrij 95, Euro 95 | |
| RON^a) 98 | Super plus benzine, loodvrij 98 |
a) RON = Octaangetal
△
Benzine

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Benzinesoorten
Wagens met benzinemotor moeten met loodvrije benzine overeenkomstig de Europese Norm EN 228 gereden worden ⇒①.
De benzinesoorten onderscheiden zich in het octaangetal, bv. 91, 95, 98 of 99 RON (RON = "Research Octane Number"). De wagen kan met benzine worden getankt, die een hoger octaangetal heeft dan de motor nodig heeft. Dit heeft echter geen voordelen met betrekking tot het brandstofverbruik of het motorvermogen.
Volkswagen adviseert u voor de benzinemotoren zwavelarme of zwavelvrije brandstof te tanken om een lager brandstofverbruik te realiseren.
Benzinetoevoegingen
De benzinekwaliteit beïnvloedt het soepel draaien van de motor, het vermogen en de levensduur van de motor. Daarom kwaliteitsbenzine met passende benzinetoevoegingen (additieven) tanken. Deze toevoegingen beschermen tegen corrosie, reinigen het brandstofsysteem en voorkomen aanslag in de motor.
Wanneer er geen kwaliteitsbenzine met additieven beschikbaar is of als er sprake is van motorstoringen, moet u de noodzakelijke additieven bij het tanken toevoegen ⇒ ⚫.
Het is gebleken dat niet alle benzinetoevoegingen (additieven) goed werken. Het gebruik van ongeschikte benzinetoevoegingen (additieven) kan ernstige motorschade veroorzaken en leiden tot beschadiging van de katalysator. Benzinetoevoegingen met metaalhoudende additieven mogen in geen geval worden gebruikt.
Metaalhoudende additieven kunnen voorkomen in benzinetoevoegingen die worden aangeboden om de klopvastheid te verbeteren of ter verhoging van het octaangetal ⇒ ①.
Volkswagen adviseert daarom het gebruik van "Volkswagen en Audi Originele brandstoftoevoegingen voor benzinemotoren". Bij de Volkswagen Partner zijn deze toevoegingen, evenals informatie over het gebruik ervan, verkrijgbaar.
LET OP
- Alleen brandstof volgens norm EN 228 met een voldoende hoog octaangetal tanken. Anders kan er aanzienlijke schade aan de motor en het brandstofsysteem ontstaan. Bovendien kan er sprake zijn van verminderd vermogen of zelfs afslaan van de motor.
- Het gebruik van ongeschikte benzinetoevoegingen (additieven) kan ernstige motor-schade veroorzaken en leiden tot beschadiging van de katalysator.
- Wanneer u in noodgevallen benzine met een te laag octaangetal moet tanken, mag de wagen alleen met middelhoge toerentallen en lage motorbelasting worden gereden. Hoge motortoerentallen en sterke motorbelasting vermijden. Anders kan er schade aan de motor ontstaan! Zo spoedig mogelijk brandstof met een voldoende hoog octaangetal bijtanken.
- Brandstoffen die bij de benzinepomp als metaalhoudend zijn gemarkeerd, mogen niet worden gebruikt. Ook LRP-brandstoffen (lead replacement petrol) bevatten metaalhoudende additieven in hoge concentraties. Gevaar voor schade aan de motor!
- Al één keer tanken van loodhoudende brandstof of andere metaalhoudende additieven kan een verslechterde werking en ernstige beschadiging van de katalysator tot gevolg hebben.
Informatie over het brandstofverbruik

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
De aangegeven brandstofverbruiks- en emissie-waarden hebben geen betrekking op een specifieke wagen, maar dienen uitsluitend ter vergelijking tussen de verschillende wagentypes. Het brandstofverbruik en de CO₂-emissie van een wagen zijn niet alleen afhankelijk van het efficiënt gebruik
van de brandstof door de wagen, maar worden ook beïnvloed door de rijstijl en andere niet-technische factoren.
Bepaling van het brandstofverbruik
De brandstofverbruiks- en emissiewaarden zijn vastgesteld conform de EU-richtlijn 715/2007 resp. EEG 80/1268 in de nu geldende versie en gelden voor het aangegeven leeggewicht van de wagen.
De gegevens hebben geen betrekking op een specifieke wagen. Om het brandstofverbruik te bepalen, worden op een rollentestbank twee meetcycligereden. Daarbij worden de volgende testvoorwaarden gebruikt:
| Stadsverkeer | De meting van het stadsverkeer begint met een koude start van de motor. Vervolgens wordt een stadsrit met snelheden tussen 0 en 50 km/h (0 en 31 mph) gesimuleerd. |
| Buitenweg | Bij de cyclus voor buitenwegen wordt het alledaagse gebruik gesimuleerd door de wagen in alle versnellingen meermaals te accelereren en af te remmen. De rijsnelheid varieert daarbij tussen 0 en 120 km/h (0 en 75 mph). |
| Gemiddeld | De berekening van het gemiddelde brandstofverbruik gebeurt met een wegingsfactor van ca. 37 % voor de stadscyclus en 63 % voor de buitenwegcyclus. |
| CO2-emissie gemiddeld | Voor de bepaling van de gemiddelde koolstofdioxide-emissies worden tijdens beide cycli (stadsverkeer en buitenweg) de uitlaatgassen opgevangen. Deze uitlaatgassen worden vervolgens geanalyseerd en leveren onder andere de CO2-emissiewaarde op. |
Afhankelijk van de uitrusting kan het leeggewicht verschillend zijn. Daardoor kunnen de brandstofverbruikswaarden en de CO₂-emissies enigszins hoger uitvallen.
In de praktijk kunnen brandstofverbruikswaarden ontstaan die van de waarden afwijken die conform meetvoorschrift EG 715/2007 resp. 80/1268/EEG zijn vastgesteld.
Brandstofverbruik
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 159 en volg deze op.
Om toelatingstechnische resp. belastingtechnische redenen kunnen brandstofverbruikwaarden van sommige motoren in andere landen afwijken van de gegevens in deze brochure.
Benzinemotoren
| Motorvermogen | MC | Soort versnel-lingsbak | Brandstofverbruik volgens de EU-richtlijn EG 715/2007 resp. 80/1268/EEG | ||
| Stadsverkeer | Buitenweg | Gemiddeld | |||
| 44 kW | CHYA | SB5 | 5,6 l / 100 km | 3,9 l / 100 km | 4,5 l / 100 km |
| 55 kW | CHYB | SB5 | 5,9 l / 100 km | 4,0 l / 100 km | 4,7 l / 100 km |
CO _2 -emissie
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen op pagina 159 en volg deze op.
Benzinemotoren
| Motorvermogen | MC | Soort versnellings-bak | CO2-emissie |
| 44 kW | CHYA | SB5 | 105 g/km |
| 55 kW | CHYB | SB5 | 108 g/km |
Onderhouden, verzorgen, schoonmaken
In de motorruimte
Voorbereidingen op werkzaamheden in de motorruimte

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wagen voor werkzaamheden in de motorruimte voorbereiden 164
Motorkap openen en sluiten 165
Vóór alle werkzaamheden in de motorruimte de wagen altijd op een vlakke en stevige ondergrond neerzetten.
De motorruimte van een wagen is een gevaarlijk gebied. Nooit werkzaamheden aan de motor en in de motorruimte verrichten, wanneer u niet vertrouwd bent met de noodzakelijke handelingen en de algemeen geldende veiligheidsmaatregelen en u niet over de juiste bedrijfsmiddelen, bedrijfsvloeistoffen en gereedschappen beschikt ⇒ ⚠! Zo nodig alle werkzaamheden door een specialist laten uitvoeren. Zware verwondingen kunnen door ondeskundig handelen worden veroorzaakt.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Ruitenwissers en -sproeiers ⇒ pagina 86
• Motor starten en afzetten ⇒ pagina 115
• Remvloeistof ⇒ pagina 122 - Controles bij het tanken ⇒ pagina 155
• Motorola ⇒ pagina 167
• Motorkoelvloeistof ⇒ pagina 171 - Accu => pagina 175
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 205

WAARSCHUWING
Onbedoelde wagenbewegingen tijdens de onderhoudswerkzaamheden kunnen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit onder de wagen werken wanneer deze niet tegen wegrollen is beveiligd. Als de wagen met de vier wielen op de grond staat en er onder de wagen moet worden gewerkt, moet de wagen op een vlakke ondergrond

WAARSCHUWING (vervolg)
staan, moeten de wielen geblokkeerd zijn en moet de sleutel uit het contactslot getrokken zijn.
- Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, deze met passende steunbokken goed ondersteunen. De krik mag hiervoor niet worden gebruikt. De wagen zou van de krik kunnen glijden, wat zware verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Het start-stopsysteem moet zijn uitgeschakeld.

WAARSCHUWING
De motorruimte van elke wagen is gevaarlijk en kan zware verwondingen veroorzaken!
- Bij alle werkzaamheden zeer voorzichtig zijn en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen. Nooit risico's nemen.
- Nooit zelf werkzaamheden aan de motor en in de motorruimte uitvoeren, indien u niet met de benodigde handelingen vertrouwd bent. Bij twijfel over wat te doen, de benodigde werkzaamheden door een specialist laten uitvoeren. Het verkeerd uitvoeren van werkzaamheden kan zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de motorkap openen of sluiten zo- lang er damp of koelvloeistof te voorschijn komt. Hete damp of koelvloeistof kunnen ern- stige brandwonden veroorzaken. Altijd wach- ten tot u geen damp of koelvloeistof meer uit de motorruimte hoort en ziet komen.
- Vóór het openen van de motorkap altijd de motor laten afkoelen.
- Het aanraken van hete delen van de motor of het uitlaatsysteem kan leiden tot brand-wonden.
- Als de motor afgekoeld is, moet vóór het openen van de motorkap het volgende in acht worden genomen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Handrem stevig aantrekken en de versnellingshendel in de neutrale stand zetten.
- Sleutel uit het contact trekken.
- Kinderen altijd bij de motorruimte weghouden en nooit zonder toezicht achterla- ten.
- Het motorkoelsysteem staat bij hete motor onder druk. Nooit de vuldop van het koelvloeistofexpansiereservoir openen wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is. Er kan koelvloeistof naar buiten spuiten, wat ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Na het afkoelen de vuldop langzaam en zeer voorzichtig linksom draaien en hierbij lichte neerwaartse druk op de dop uitoefenen.
- Altijd het gezicht, de handen en de armen met een grote, dikke doek beschermen tegen hete koelvloeistof of damp.
- Bij het bijvullen geen bedrijfsvloeistoffen op motoronderdelen of het uitlaatsysteem gieten. De gemorste bedrijfsvloeistoffen kunnen brand veroorzaken.

WAARSCHUWING
De hoogspanning van de elektrische installatie kan een elektrische schok, brandwonden, zware verwondingen en dodelijk letsel veroorzaken!
- Nooit de elektrische installatie kortsluiten. De accu zou kunnen exploderen.
- Om het risico van een elektrische schok en van zware verwondingen te beperken, bij draaiende motor of bij het starten van de motor het volgende in acht nemen:
- Nooit de elektrische bedrading van het ontstekingssysteem aanraken.

WAARSCHUWING
In de motorruimte bevinden zich draaiende onderdelen, die zware verwondingen kunnen veroorzaken.
- Nooit in het werkingsgebied van of direct in de koelluchtventilator grijpen. Het aanraken van de ventilatorbladen kan leiden tot ernstig lichamelijk letsel. De ventilator is temperatuurgeregeld en kan automatisch worden ingeschakeld – ook bij uitgeschakeld contact of uit het contact getrokken sleutel.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als er werkzaamheden aan de motor moeten worden uitgevoerd, terwijl er wordt gestart of terwijl de motor draait, bestaat er levensbedreigend gevaar door draaiende delen (bv. de geribde riem, de dynamo, de koelluchtventilator) en door de hoogspanningsontsteking. Altijd de grootste zorgvuldigheid betrachten.
- Lichaamsdelen, sieraden, stropdassen, losse kledingstukken en lange haren altijd uit de buurt houden van de draaiende de- len van de motor. Vóór aanvang van de werkzaamheden sieraden en stropdas ver- wijderen, lange haren opsteken en alle kle- dingstukken nauw laten aansluiten, om te voorkomen dat ze verstrikt kunnen raken in de motoronderdelen.
- Altijd uiterst voorzichtig zijn en nooit onoplettend het gaspedaal bedienen. De wagen kan ook bij aangetrokken handrem gaan rijden.
- Geen voorwerpen, zoals poetsdoeken of gereedschap, in de motorruimte laten liggen. Achtergelaten voorwerpen kunnen leiden tot storingen, motorschade of brand.

WAARSCHUWING
Bedrijfsvloeistoffen en sommige materialen in de motorruimte zijn licht ontvlambaar en kunnen brand en zware verwondingen veroorzaken!
- Nooit roken.
- Nooit in de buurt van open vuur of vonken werken.
- Nooit bedrijfsvloeistoffen over de motor gieten. Deze kunnen door hete motoronderdelen vlam vatten en daardoor verwondingen veroorzaken.
- Als werkzaamheden aan het brandstofsystem of de elektrische installatie moeten worden uitgevoerd, het volgende in acht nemen:
- Altijd de massakabel van de accu losmaken.
- Nooit in de buurt van verwarmingen, boilers of open vuur werken.
- Altijd een werkende, goedgekeurde brandblusser binnen handbereik hebben.
LET OP
Bij het bijvullen of verversen van bedrijfsvloeistoffen erop letten dat de juiste reservoirs worden gevuld. Het gebruik van verkeerde bedrijfsvloeistoffen kan leiden tot ernstige storingen en schade aan de motor!
Vloeistoffen die uit de wagen komen, zijn schadelijk voor het milieu. Controleer daarom regelmatig de grond onder de wagen. Als op de grond vlekken van olie of andere bedrijfsvloeistof- fen zichtbaar zijn, wagen door een specialist laten controleren. Weggelopen bedrijfsvloeistoffen vak- kundig afvoeren en verwerken.
△
Wagen voor werkzaamheden in de motorruimte voorbereiden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 162 en volg deze op.
Checklist
De volgende handelingen altijd in de aangegeven volgorde vóór alle werkzaamheden in de motorruimte uitvoeren ⇒ ⚠:
Wagen op een vlakke en stevige ondergrond plaatsen.
√ Rempedaal intrappen en ingetrapt houden, tot de motor is afgezet.
√ Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122.
√ Versnellingshendel in neutrale stand zetten ⇒ pagina 119.
Motor afzetten en sleutel uit het contact trekken ⇒ pagina 115.
√ Motor voldoende laten afkoelen.
√ Kinderen en andere personen altijd uit de buurt van de motorruimte houden.
Verzeker u ervan dat de wagen niet onverwachts kan wegrollen.

WAARSCHUWING
Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot zware verwondingen leiden.
△


Afbeelding 108 A: Ontgrendelingshendel in de voetenruimte aan bestuurderszijde. B: Ontgrendelingshendel aan de motorkap


Afbeelding 109 C: Motorkapsteun van de motorkap. D: Met de motorkapsteun vastgezette motorkap

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
Motorkap openen
- Vóór het openen van de motorkap nagaan of de ruitenwisserarmen tegen de voorruit aan liggen ⇒ Ⓔ.
- Ontgrendelingshendel ① in pijlrichting trekken ⇒ Afbeelding 108 A. De motorkap springt door veerkracht uit de vergrendeling van de slotplaat ⇒ ▲.
- Motorkap iets optillen en gelijktijdig de ontgren-delingshendel ② B in pijlrichting drukken, om de motorkap volledig te openen.
- Motorkapsteun in pijlrichting uit de houder ③ C van de motorkap nemen en in de daarvoor bedoelde opening ④ D (pijl) aanbrengen.
Motorkap sluiten
• Motorkap een stukje oplichten ⇒ ▲
- Motorkapsteun uit de opening ④ D nemen en in de houder ③ C van de motorkap steken.
- Motorkap vanuit een hoogte van ca. 20 cm in de vergrendeling van de slotplaat laten vallen – niet nadrukken!
Wanneer de motorkap niet gesloten is, motorkap weer openen en correct sluiten.
Een correct gesloten motorkap ligt gelijk met de omliggende carrosseriedelen.

WAARSCHUWING
Een niet goed gesloten motorkap kan tijdens het rijden opengaan en het zicht naar voren belemmeren. Dit kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Na het sluiten van de motorkap controle-ren of de vergrendeling juist in de slotplaat is vastgeklikt. De motorkap moet vlak aansluiten op de carrosserieledelen eromheen.
- Als tijdens het rijden wordt vastgesteld dat de motorkap niet goed gesloten is, onmiddellijk de wagen tot stilstand brengen en de motorkap sluiten.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Motorkap alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.
LET OP
Om beschadiging van de motorkap en de rui- tenwisserarmen te voorkomen, de motorkap al- leen openen wanneer de ruitenwissers tegen de voorruit aan liggen.

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 167
Motoroliespecificatie 168
Motoroliepeil controleren en motorolie bijvullen 168
Motorolieverbruik 170
Olie verversen 170
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• ⇒ brochure Serviceplan
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 205

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de motorolie kan ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij het werken met motorolie altijd een beschermende bril dragen.
- Motorolie is giftig moet daarom buiten het bereik van kinderen worden bewaard.
- Motorolie alleen in de afgesloten originele verpakking bewaren. Dat geldt ook voor de oude olie bij het opslaan en afvoeren ervan.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om motorolie te bewaren, omdat personen per ongeluk hieruit zouden kunnen drinken.
- Regelmatig contact met motorolie kan de huid aantasten. Huid die in aanraking is gekomen met motorolie altijd grondig met water en zeep wassen.
- Motorolie wordt tijdens het draaien van de motor zeer heet en kan ernstige brandwonden veroorzaken. Daarom altijd de motor laten afkoelen.

Weglopende of gemorste motorolie kan het milieu verontreinigen. Vrijgekomen bedrijfsvloeistoffen opvangen en op de daarvoor bestem- de plaatsen inleveren.
Waarschuwings- en controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 167 en volg deze op.
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| [H0W4W] | Motoroliedruk te laag. | [N06X] Niet verder rijden!Motor afzetten. Motoroliepeil controleren, zo no-dig motor bijvullen ⇒ pagina 168.- Als het waarschuwingslampje knippert, hoewel het motoroliepeil in orde is, niet verder rijden of de motor laten draaien. Dit zou kunnen leiden tot schade aan de motor. De hulp van een spe-cialist inroepen. |

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.

Motoroliespecificatie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
De te gebruiken motorolie moet voldoen aan de specificaties.
De juiste motorolie is belangrijk voor de werking en levensduur van de motor. Af fabriek is de motor met een speciale kwaliteitsmultigrade-olie gevuld, die normaal gesproken het hele jaar door kan worden gebruikt.
Gebruik zo mogelijk alleen door Volkswagen goedgekeurde motorolie ⇒ Ⓐ. Er mag alleen goedgekeurde motorolie worden bijgevuld, die voldoet aan de overeenkomstige VW-norm (⇒ Tab. op pagina 168). Bij de genoemde motoroliesoorten gaat het om multigrade-dunloopoliesoorten.
Motoroliesoorten worden continu verder ontwikkeld. Een Volkswagen Partner is altijd over actuele wijzigingen geïnformeerd. Volkswagen adviseert daarom het olie verversen door een Volkswagen Partner te laten uitvoeren.
| Motoren | Specificatie motorolie met tijd- of afstandaf-hankelijke Service (QG0, QG2, QG3) |
| 44 kW – 55 kW benzinemotoren | VW 504 00, VW 502 00 |
LET OP
- Alleen de motorliespecificatie gebruiken die uitdrukkelijk door Volkswagen voor de motor is goedgekeurd. Het gebruik van andere motorolie kan leiden tot schade aan de motor!
LET OP (vervolg)
- Geen extra smeermiddel in de motorolie bijmengen. Schade die door zulke extra middelen ontstaat, is van garantie uitgesloten.

Motoroliepeil controleren en motorolie bijvullen

Afbeelding 110 Oliepeilstok met markeringen

Afbeelding 111 In de motorruimte: Vuldop van het motoroliereservoir

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 167 en volg deze op.
Checklist
Stappen in de aangegeven volgorde uitvoeren ⇒ ⚠:
- Wagen met warme motor op een vlakke ondergrond plaatsen, om te voorkomen dat een verkeerd motoroliepeil wordt afgelezen.
- Motor afzetten en een paar minuten wachten, zodat de motorolie in de carterpan kan terugstromen.
- Motorkap openen △ ⇒ pagina 162.
- Motorolievulopening en oliepeilstok identificeren. De motorolievulopening is te herkennen aan het symbool op de vuldop Afbeelding 111 en de oliepeilstok aan de gekleurde greep. Als niet duidelijk is waar de dop en de oliepeilstok zitten, de hulp van een specialist inroepen.
- Oliepeilstok uit de geleidingspijp trekken en met een schone doek afvegen.
- Oliepeilstok weer tot de aanslag in de geleidingspijp schuiven. Als zich op de oliepeilstok een mar- kering bevindt, moet deze markering bij het erin schuiven van de oliepeilstok in de groef bovenaan de geleidingspijp vallen.
- Oliepeilstok opnieuw eruit trekken en het motoroliepeil als volgt van de oliepeilstok ⇒ Afbeelding 110 aflezen:
Ⓐ: Geen olie bijvullen ⇒ Ⓙ. Verder met stap 15.
⑧: er kan olie worden bijgevuld (ongeveer 0,5 l). Verder met stap 8 of 15.
©: beslist olie bijvullen (ongeveer 1,0 l). Verder met stap 8. - Na het aflezen van het motoroliepeil de oliepeilstok op correcte wijze tot de aanslag in de geleidingspijp schuiven.
- Dop van de motorolievulopening losdraaien ⇒ Afbeelding 111.
- Alleen de door Volkswagen uitdrukkelijk voor de motor vrijgegeven motorolie in kleine hoeveelheden bijvullen (niet meer dan 0,5 l).
- Om te voorkomen dat er te veel motorolie wordt bijgevuld, moet telkens na het bijvullen even worden gewacht, zodat de motorolie in de carterpan tot aan de markering op de oliepeilstok kan stromen.
- Motoroliepeil opnieuw van de oliepeilstok aflezen voordat weer een nieuwe kleine hoeveelheid motorolie wordt bijgevuld. Nooit te veel motorolie bijvullen ⇒ ⚫.
- Het motoroliepeil moet na het bijvullen minstens in het midden van gebied ⇒ Afbeelding 110 Ⓑ, echter nooit boven Ⓐ liggen ⇒ ⚠.
- Na het bijvullen de dop van de motorlievulopening goed vastdraaien.
- Oliepeilstok weer op correcte wijze tot de aanslag in de geleidingspijp schuiven.
- Motorkap op correcte wijze sluiten ⚠ ⇒ pagina 162.

WAARSCHUWING
Motorolie kan vlam vatten, als deze op hete motoronderdelen terechtkomt. Dit kan brand, brandwonden en andere zware verwondingen veroorzaken.
- Als motorolie op koude motoronderdelen wordt gemorst, kan het bij draaiende motor heet worden en vlam vatten.
- Altijd controleren, dat de dop van de motorlievulopening na het bijvullen stevig dichtgedraaid is en de oliepeilstok weer op

WAARSCHUWING (vervolg)
correcte wijze in de geleidingspijp is gestoken. Hierdoor wordt voorkomen dat er bij draaiende motor motorolie op hete delen van de motor terechtkomt.

LET OP
- Motor niet starten, als het motoroliepeil boven gebied Ⓐ staat. De hulp van een specialist inroepen. Anders kunnen de katalysator en motor worden beschadigd!
LET OP (vervolg)
- Bij het bijvullen of verversen van bedrijfs-vloeistoffen erop letten dat de juiste reservoirs worden gevuld. Het gebruik van verkeerde bedrijfsvloeistoffen kan leiden tot ernstige storingen en schade aan de motor.
Het motoroliepeil mag in geen geval boven gebied Ⓐ liggen. Anders kan olie via de carterontluchting worden aangezogen en door de uitlaat in de atmosfeer komen.
Motorolieverbruik

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Het motorolieverbruik kan per motor verschillen en tijdens de levensduur van de motor veranderen.
Afhankelijk van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden kan het olieverbruik maximaal 1 l/2000 km bedragen - bij nieuwe wagens kan het verbruik tij-
dens de eerste 5000 kilometer ook daarboven liggen. Het motoroliepeil daarom regelmatig controleren - bij voorkeur elke keer bij het tanken en vóór langere ritten.
Bij bijzondere belasting van de motor moet het motoroliepeil in gebied Afbeelding 110 Ⓐ liggen, zoals bij lange ritten op de snelweg in de zomer of pasritten in het hooggebergte.
Olie verversen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
De motorolie moet volgens de gegevens in het Serviceplan regelmatig worden ververst.
Het verversen van de motorolie en het vervangen van het filter vereisen speciale gereedschappen en vakkennis en daarnaast moet de oude olie milieu-bewust worden verwerkt. Laat de werkzaamheden daarom altijd door een specialist uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Meer gegevens over de service-intervallen staan in het Serviceplan.
Toevoegingen in de motorolie kunnen nieuwe motorolie er al na korte motorlooptijd donker laten uitzien. Dat is normaal en geen reden, de motorolie vaker te laten verversen.
⚠ WAARSCHUWING
Mocht het voorkomen dat u zelf de motorolie moet verversen, dan moet het volgende in acht worden genomen:
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd een beschermende bril dragen.
- Altijd de motor laten afkoelen om verbranding te voorkomen.
- Arm horizontaal houden wanneer de olie-aftapplug met de vingers wordt losgedraaid, zodat weglopende olie niet langs de arm omlaag kan lopen.
- Voor het opvangen van de oude olie een geschikt reservoir gebruiken. Dit reservoir moet groot genoeg zijn om de totale hoeveelheid olie van de motor op te kunnen nemen.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om motorolie te bewaren, omdat personen per ongeluk hieruit zouden kunnen drinken.
- Motorolie is giftig moet daarom buiten het bereik van kinderen worden bewaard.
Vóór het verversen van de motorolie eerst nagaan waar de oude olie kan worden ingeleverd.
Oude olie volgens de milieuvoorschriften afvoeren. Oude olie nooit laten weglopen in bijvoorbeeld de tuin, het bos, de riolering, op straat, in rivieren of waterlopen.
Motorkoelvloeistof

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje motorkoelvloeistof ... 171
Specificatie motorkoelvloeistof 172
Motorkoelvloeistofpeil controleren en motorkoelvloeistof bijvullen 173
Nooit werkzaamheden aan het koelsysteem van de motor verrichten, wanneer u niet vertrouwd bent met de noodzakelijke handelingen en u niet over de juiste bedrijfsmiddelen, bedrijfsvloeistoffen en gereedschappen beschikt ⇒ ⚠! Zo nodig alle werkzaamheden door een specialist laten uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Zware verwondingen kunnen door ondeskundig handelen worden veroorzaakt.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
Motorkoelvloeistof is giftig!
- Motorkoelvloeistof alleen in de afgesloten originele verpakking op een veilige plek bewaren.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om motorkoelvloeistof te bewaren, omdat personen per ongeluk hieruit zouden kunnen drinken.
- Motorkoelvloeistof buiten het bereik van kinderen bewaren.
- Controleren of de concentratie antivries voldoende is voor de laagste te verwachten temperatuur in de omgeving waar de wagen wordt gebruikt.
- Bij extreem lage buitentemperaturen kan anders de koelvloeistof bevriezen en kan de wagen stilvallen. Omdat dan ook de verwarming niet meer werkt, kunnen inzittenden met ontoereikende winterkleding bevriezen.

Koelvloeistof en antivriesmiddelen kunnen het milieu verontreinigen. Vrijkomende be- vloeistoffen opvangen en op de daarvoor be- de plaatsen inleveren.
△
Waarschuwingslampje motorkoelvloeistof

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Motorkoelvloeistoftemperatuur te hoog. | Niet verder rijden!Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. Motor afzetten, motor laten afkoelen. | |
| Motorkoelvloeistofpeil te laag. | Niet verder rijden!Bij afgekoelde motor het motorkoelvloeistofpeil controle-ren en bij een te laag peil motorkoelvloeistof bijvullen⇒pagina 173. | |
| Storing in motorkoelsysteem. | Niet verder rijden!De hulp van een specialist inroepen! | |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Storing in motorkoelsysteem. | Hulp van een specialist inroepen! |
⚠ WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.
- Brandende waarschuwingslampjes altijd in acht nemen.
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.
LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
Op het beeldscherm van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) ⇒ pagina 205 kan een koelvloeistoftemperatuurmeter worden weergegeven.
Specificatie motorkoelvloeistof

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Het motorkoelsysteem is af fabriek met een mengsel van speciaal gezuiverd water en een aandeel van ten minste 40% antivries G12 Plus-Plus (TL-VW 774 G) of G12 Plus (TL-VW 774 F) gevuld. Beide antivriessoorten zijn te herkennen aan de lila kleur.
Dit mengsel biedt niet alleen bescherming tegen bevriezing tot -25 °C (-13 °F), maar beschermt vooral de lichtmetalen delen in het motorkoelsysteem tegen corrosie. Bovendien voorkomt dit mengsel kalkaanslag en wordt het kookpunt van de motorkoelvloeistof beduidend hoger.
Het aandeel antivries moet ter bescherming van het motorkoelsysteem altijd ten minste 40% bedragen, zelf als in een warm klimaat geen bescherming tegen bevriezing nodig is.
Als vanwege het klimaat bescherming tegen strengere vorst wordt vereist, kan het aandeel antivries worden verhoogd. Het aandeel antivries mag echter niet hoger dan 60% zijn, omdat anders de bescherming tegen bevriezing weer lager wordt en de koelende werking verslechtert.
Bij het bijvullen van motorkoelvloeistof moet een mengsel van gedestilleerd water en ten minste 40% antivries G 12 plus-plus worden gebruikt om de optimale corrosiebescherming te behouden ⇒ Ⓔ.
! WAARSCHUWING
Gebrekkige bescherming tegen bevriezing in het motorkoelsysteem kan uitval van de motor en daardoor zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Controleren of de concentratie antivries voldoende is voor de laagste te verwachten temperatuur in de omgeving waar de wagen wordt gebruikt.
- Bij extreem lage buitentemperaturen kan anders de koelvloeistof bevriezen en kan de wagen stilvallen. Omdat dan ook de verwarming niet meer werkt, kunnen inzittenden met ontoereikende winterkleding bevriezen.
LET OP
Nooit originele antivriessoorten met andere, niet door Volkswagen goedgekeurde antivriessoorten mengen. Bij mengen met andere koelvloeistoffen bestaat gevaar voor ernstige schade aan de motor en het motorkoelsysteem.
- De motorkoelvloeistof G 12 plus-plus kan met G 12 plus en G 11 worden gemengd.
- Als de vloeistof in het motorkoelvloeistofexpansiereservoir niet lila, maar bijvoorbeeld bruin is, werd G 12 plus-plus resp. G 12 plus met een andere motorkoelvloeistof gemengd. In dit geval moet de motorkoelvloeistof direct worden ververst. Anders kunnen ernstige storingen of motorschade het gevolg zijn!

Motorkoelvloeistof en antivriessoorten kunnen het milieu verontreinigen. Vrijgekomen bedrijfsvloeistoffen opvangen en op de daarvoor bestemde plaatsen inleveren.
△
Motorkoelvloeistofpeil controleren en motorkoelvloeistof bijvullen

Afbeelding 112 In de motorruimte: Markering op het koelvloeistofexpansiereservoir

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 171 en volg deze op.
Als het motorkoelvloeistofpeil te laag is, gaat het waarschuwingslampje van de motorkoelvloeistof branden.
Voorbereidingen
- Wagen op een horizontale en stevige ondergrond plaatsen.
• Motor laten afkoelen ⇒ ⚠.
• Motorkap openen △ ⇒ pagina 162. - Het motorkoelvloeistofexpansiereservoir is herkenbaar aan het symbool op de vuldop Afbeelding 113.
Motorkoelvloeistofpeil controleren
- Motorkoelvloeistofpeil bij koude motor aan de hand van de markeringen op de zijkant van het expansiereservoir controleren Afbeelding 112.
- Als het vloeistofpeil in het reservoir onder de minimummarkering ("min") staat, motorkoelvloeistof bijvullen. Bij warme motor kan het motorkoelvloeistofpeil iets boven de bovenste rand van het gemarkeerde gebied staan.

Afbeelding 113 In de motorruimte: Vuldop van het motorkoelvloeistofexpansiereservoir
Motorkoelvloeistof bijvullen
- Altijd het gezicht, de handen en de armen beschermen tegen hete motorkoelvloeistof of damp door een geschikte doek over de vuldop van het expansiereservoir te leggen.
- De vuldop voorzichtig eraf draaien ⇒ ⚠.
- Alleen nieuwe motorkoelvloeistof die aan de Volkswagen-specificatie voldoet (⇒ pagina 172) bijvullen ⇒ Ⓑ.
- Het motorkoelvloeistofpeil moet binnen de markeringen op het expansiereservoir liggen Afbeelding 112. Niet tot boven de bovenkant van het gemarkeerde gebied bijvullen Ⓐ!
• Vuldop stevig dichtschroeven. - Indien in geval van nood geen motorkoelvloeistof beschikbaar is die aan de vereiste specificatie (⇒pagina 172) voldoet, geen andere antivries gebruiken! In plaats daarvan eerst alleen gedestilleerd water bijvullen ⇒①. Aansluitend de juiste mengverhouding met de voorgeschreven antivries zo snel mogelijk weer laten herstellen ⇒pagina 172.

WAARSCHUWING
Hete damp of motorkoelvloeistof kunnen ernstige brandwonden veroorzaken.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit de motorkap openen wanneer u damp of motorkoelvloeistof uit de motorruimte ziet of hoort komen. Altijd wachten tot er geen damp of motorkoelvloeistof meer zichtbaar of hoorbaar tevoorschijn komt.
- De motor altijd volledig laten afkoelen. Daarna pas de motorkap voorzichtig openen. Het aanraken van hete delen kan leiden tot brandwonden.
-
Als de motor afgekoeld is, moet vóór het openen van de motorkap het volgende in acht worden genomen.
-
Handrem stevig aantrekken en de versnellingshendel in de neutrale stand zetten.
- Sleutel uit het contact trekken.
- Kinderen altijd bij de motorruimte weghouden en nooit zonder toezicht achterla- ten.
- Het motorkoelsysteem staat bij hete motor onder druk. Nooit de vuldop van het koelvloeistofexpansiereservoir openen wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is. Er kan koelvloeistof naar buiten spuiten, wat ernstige brandwonden en andere verwondingen tot gevolg kan hebben.
- De vuldop langzaam en zeer voorzichtig linksom draaien en hierbij lichte neerwaartse druk op de dop uitoefenen.
- Altijd het gezicht, de handen en de armen met een grote, dikke doek beschermen tegen hete koelvloeistof of damp.
- Bij het bijvullen geen bedrijfsvloeistoffen op motoronderdelen of het uitlaatsysteem gieten. De gemorste bedrijfsvloeistoffen kun-
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
nen brand veroorzaken. Onder bepaalde omstandigheden kan het ethyleenglycol in de motorkoelvloeistof vlam vatten.
LET OP
- Alleen gedestilleerd water voor het navullen gebruiken! Alle andere soorten water kunnen door de daarin aanwezige chemische bestanddelen ernstige corrosieschade in de motor veroorzaken. Dit kan tot defect raken van de motor leiden. Als ander water dan gedestilleerd water is bijgevuld, moet de vloeistof in het motorkoelsysteem direct volledig door een specialist worden ververst.
- Motorkoelvloeistof slechts tot aan de bovenkant van het gemarkeerde gebied bijvullen Afbeelding 112. Overtollige motorkoelvloeistof wordt anders bij verwarming uit het motorkoelsysteem gedrukt en kan beschadigingen tot gevolg hebben.
- Bij een groot motorkoelvloeistofverlies, motorkoelvloeistof alleen bij geheel afgekoelde motor bijvullen. Een vrij groot verlies aan motorkoelvloeistof duidt op lekkage in het motorkoelsysteem. Motorkoelsysteem direct door een specialist laten controleren. Anders kan er schade aan de motor ontstaan!
- Bij het bijvullen van bedrijfsvloeistoffen erop letten dat de juiste reservoirs worden gevuld. Het gebruik van verkeerde bedrijfsvloeistoffen kan leiden tot ernstige storingen en schade aan de motor!
△

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Waarschuwingslampje 176
Accuvloeistofpeil controleren 176
Accu laden, vervangen, accukabels los- of vastmaken 177
De accu maakt deel uit van de elektrische installatie van de wagen.
Nooit werkzaamheden aan de elektrische installatie verrichten, wanneer u niet vertrouwd bent met de noodzakelijke handelingen en de algemeen geldende veiligheidsmaatregelen en u niet over de juiste gereedschappen beschikt ⇒ ⚠! Zo nodig alle werkzaamheden door een specialist laten uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner. Zware verwondingen kunnen door ondeskundig handelen worden veroorzaakt.
Inbouwplaats van de accu
De accu zit in de motorruimte.
Uitleg van de waarschuwingsaanwijzingen op de accu
| Symbool | Betekenis |
![]() | Altijd een beschermende bril dragen! |
![]() | Accuzuur is sterk bijtend. Altijd hand- schoenen en een beschermende bril dragen! |
![]() | Vuur, vonken, onbeschermde verlichting en roken zijn verboden! |
![]() | Als een accu wordt geladen, ontstaat een licht ontvlambaar knalgasmeng- sel! |
![]() | Kinderen altijd uit de buurt houden van accuvloeistof en accul! |
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• ⇒ brochure Serviceplan
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte => pagina 162
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen => pagina 205

WAARSCHUWING
Bij werkzaamheden aan de accu en de elektrische installatie bestaat er gevaar voor zware verwondingen, brand en elektrische schokken. Vóór aanvang van de werkzaamheden altijd de volgende waarschuwingen en veiligheidsaanwijzingen doorlezen en opvolgen:
- Vóór aanvang van werkzaamheden aan de accu het contact en alle elektrische verbruikers uitschakelen en de massakabel van de accu losmaken.
- Kinderen altijd uit de buurt houden van accuvloeistof en accu.
- Altijd een beschermende bril dragen.
-
Accuvloeistof is zeer agressief. Als accuvloeistof in aanraking komt met de huid, kan men ernstige verwondingen oplopen. Als accuvloeistof in de ogen terechtkomt, kan men blind worden. Bij het werken aan de accu vooral de handen, armen en het gezicht tegen zuurspatten beschermen.
-
Niet roken en nooit in de buurt van open vuur of vonken werken.
- Vonkvorming bij het werken met kabels en elektrische apparaten en door elektrostatische ontlading vermijden.
- Accupolen nooit kortsluiten.
- Nooit een beschadigde accu gebruiken. Deze kan exploderen. Een beschadigde accu direct vervangen.
- Een beschadigde of bevroren accu direct vervangen. Een ontladen accu kan al bij een temperatuur van 0 °C (+32 °F) bevriezen.

LET OP
- De accukabels nooit bij ingeschakeld contact of draaiende motor losmaken of met elkaar verbinden, omdat anders de elektrische installatie resp. elektronische onderdelen worden beschadigd.
- Accu niet gedurende langere tijd blootstellen aan direct daglicht, omdat de UV-straling de accubak zou kunnen beschadigen.
- De accu bij langdurige stilstand van de wagen tegen vorst beschermen, zodat de accu niet "bevriest" en daardoor wordt beschadigd.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 175 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
![]() | Storing in dynamo. | Specialist opzoeken. Elektrische installatie laten controleren.Niet noodzakelijke elektrische verbruikers uit-schakelen. De accu wordt tijdens het rijden niet door de dynamo geladen. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na enkele seconden uit.

WAARSCHUWING
Het negeren van brandende waarschuwingslampjes kan tot stilvallen van de wagen in het verkeer, ongevallen en ernstige verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit brandende waarschuwingslampjes negeren.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen.

LET OP
Het negeren van oplichtende controlelampjes kan leiden tot beschadigingen aan de wagen.
△
Accuvloeistofpeil controleren

Afbeelding 114 In de motorruimte: Afdekking van accu verwijderen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Het vloeistofpeil van de accu moet bij veel gereden kilometers, in landen met een warm klimaat en bij oudere accu's regelmatig worden gecontroleerd. De accu is verder onderhoudsvrij.
Wagens met start-stopsysteem pagina 136 zijn met bijzondere accu's uitgerust. Bij deze accu's kan om technische redenen het accuvloeistofpeil niet worden gecontroleerd.
Voorbereidingen
- Wagen op werkzaamheden in de motorruimte voorbereiden pagina 162.
• Motorkap openen △ ⇒ pagina 162. - In pijlrichting op de strips Afbeelding 114 (pijlen) drukken en de accuafdekking naar boven verwijderen.
Accuvloeistofpeil controleren
- Zorg voor voldoende verlichting om de kleuren duidelijk te kunnen herkennen. Nooit open vuur of gloeiende voorwerpen als verlichting gebruiken.
- Het ronde kijkvenster aan de bovenzijde van de accu verandert van kleur naargelang het accuvloeistofpeil verandert.
| Kleurweergave | Handeling |
| Lichtgeel of kleurloos | Accuvloeistofpeil van de accu te laag. Accu bij een specialist laten controleren en zo nodig laten vervangen. |
| Zwart | Accuvloeistofpeil is in orde. |

WAARSCHUWING
Bij werkzaamheden aan de accu bestaat gevaar voor zware verwondingen, explosies en elektrische schokken.
- Altijd een beschermende bril en werkhandschoenen dragen.
- Accuvloeistof is zeer agressief. Als accuvloeistof in aanraking komt met de huid, kan men ernstige verwondingen oplopen. Als accuvloeistof in de ogen terechtkomt, kan men

WAARSCHUWING (vervolg)
blind worden. Bij het werken aan de accu vooral de handen, armen en het gezicht tegen zuurspatten beschermen.
- De accu nooit schuin houden. Uit de ontgassingsopeningen kan accuvloeistof vrijkomen, wat tot verwondingen kan leiden.
- Nooit een accu openen.
- Bij zuurspatten op de huid of in de ogen, de betreffende plek meteen enkele minuten lang met koud water spoelen. Daarna onmiddellijk naar een arts gaan.
- Na inwendig gebruik van accuvloeistof direct naar een arts gaan.
Accu laden, vervangen, accukabels los- of vastmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Accu laden
Het laden van de accu dient door een specialist te worden uitgevoerd, aangezien de technologie van af fabriek ingebouwd accu's vereist, dat met spanningsbegrenzing wordt geladen ⇒ ⚠. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Accu vervangen
De accu's zijn overeenkomstig de inbouwplaats ontwikkeld en van veiligheidskenmerken voorzien. Als een accu moet worden vervangen, vóór de aankoop van een nieuwe bij een Volkswagen Partner informatie inwinnen over de elektromagnetische verdraagzaamheid, grootte en de noodzakelijke onderhouds-, vermogens- en veiligheidseisen van de nieuwe accu. Volkswagen adviseert de accu door een Volkswagen Partner te laten vervangen.
Alleen onderhoudsvrije accu's gebruiken die voldoen aan de normen TL 825 06 en VW 7 50 73. Deze normen moeten van april 2008 of recentere datum zijn.
Wagens met start-stopsysteem ⇒ pagina 136 zijn met een speciale accu uitgerust. Deze accu mag daarom alleen door een accu met dezelfde specifi-catie worden vervangen.
Accukabels losmaken
Als de accukabels moeten worden losgemaakt, het volgende in acht nemen:
- Alle elektrische verbruikers en het contact uitschakelen.
- Vóór het losmaken de wagen ontgrendelen, omdat anders het alarmsysteem wordt geactiveerd.
- Eerst de massakabel en daarna de pluskabel losmaken ⇒ ⚠.
Accukabels vastmaken
- Vóór het vastmaken van de accukabels alle elektrische verbruikers en het contact uitschakelen.
- Eerst de pluskabel en daarna de massakabel vastmaken ⇒ ⚠.
Na het vastmaken van de accukabels en het in- schakelen van het contact kunnen verschillende controlelampjes gaan branden. Deze gaan uit wan- neer met 15 – 20 km/h (10 – 12 mph) een korte af- stand wordt gereden. Als de controlelampjes nog steeds branden, een specialist opzoeken en de wagen laten controleren.
Als de massakabel van de accu gedurende lange-re tijd losgemaakt was, is het mogelijk dat de eerst- volgende servicebeurt niet correct aangegeven of berekend wordt ⇒ pagina 17. Neem de maximaal toegelaten service-intervallen in acht ⇒ brochure Serviceplan.
Automatisch uitschakelen van verbruikers
Door een intelligente elektrische installatie worden bij sterke belasting van de accu automatisch verschillende maatregelen getroffen om het ontladen van de accu te voorkomen:
- Het stationair toerental wordt verhoogd, opdat de dynamo meer stroom levert.
- Zo nodig wordt het vermogen van grotere stroomverbruikers begrensd of desnoods worden ze helemaal uitgeschakeld.
- Bij het starten van de motor kan de voedings-spanning van het 12 volt stopcontact en de sigaret-tenaansteker heel even worden onderbroken.
De intelligente elektrische installatie kan niet altijd voorkomen dat de accu wordt ontladen. Bijvoorbeeld wanneer het contact langere tijd is ingeschakeld bij afgezette motor of wanneer stads- of parkeerlicht bij lang parkeren is ingeschakeld.
Waardoor onlaadt de accu zich?
- Lange perioden van stilstand, zonder de motor te laten draaien, met name bij ingeschakeld contact.
- Gebruik van elektrische verbruikers bij nietdraaiende motor.

WAARSCHUWING
Een verkeerde bevestiging van de accu en het gebruik van een verkeerde accu kan kort-sluiting, brand en zware verwondingen veroorzaken.
- Alleen onderhoudsvrije en lekvrije accu's gebruiken die dezelfde eigenschappen, specificaties en afmetingen hebben als de af fabriek ingebouwde accu.

WAARSCHUWING
Bij het laden van de accu ontstaat een licht ontvlambaar knalgasmengsel.
- Accu alleen in goed geventileerde ruimtes opladen.
- Nooit een bevroren of ontdooide accu opladen. Een ontladen accu kan al bij een temperatuur van 0 °C (+32 °F) bevriezen.
- Accu beslist vervangen, als de accu eenmaal bevroren is geweest.
- Verkeerd vastgemaakte aansluitkabels kunnen kortsluiting tot gevolg hebben. Eerst de pluskabel en daarna de massakabel aan-sluiten.

LET OP
- De kabels van de accu nooit bij ingeschakeld contact of draaiende motor losmaken, omdat anders de elektrische installatie resp. elektronische onderdelen worden beschadigd.
- Nooit stroomafgevende accessoires zoals een zonnepaneel of acculaders voor het laden van de accu op het 12 volt stopcontact of de sigarettenaansteker aansluiten. De elektrische installatie van de wagen zou kunnen worden beschadigd.

Accu volgens de voorschriften afvoeren. Accu's kunnen giftige stoffen zoals zwavelzuur od bevatten.

Accuzuur kan het milieu verontreinigen. Weglekkende bedrijfsvloeistoffen opvangen en opiste wijze afvoeren en verwerken.
△
Verzorging en onderhoud van de wagen Buitenzijde van de wagen verzorgen en schoonmaken

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Wagen wassen 180
Wassen met een hogedrukreiniger 181
Ruiten en buitenspiegels schoonmaken ..... 181
Ruitenwisserbladen schoonmaken en vervangen 183
Wagenlak conserveren en polijsten 184
Chromen en aluminium sierdelen verzorgen en schoonmaken 184
Velgen schoonmaken 185
Rubber afdichtingen onderhouden 185
Portierslotcilinder ijsvrij maken 185
Bodembescherming 186
Motorruimte schoonmaken 186
Regelmatig en deskundig onderhoud is belangrijk voor de waardevastheid van de wagen. Het vak-kundige onderhoud kan één van de voorwaarden voor het behoud van garantie-aanspraken bij even-tuele corrosie en lakschade aan de carrosserie zijn.
Geschikte onderhoudsmiddelen zijn bij de Volks- wagen Partner verkrijgbaar.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 187
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen pagina 205

WAARSCHUWING
Onderhoudsmiddelen kunnen giftig en ge- vaarlijk zijn. Ongeschikte onderhoudsmiddele- len en onjuist gebruik van onderhoudsmiddele- len kunnen ongevallen, zware verwondingen, brandwonden en vergiftigingen tot gevolg hebben.
- Onderhoudsmiddelen alleen in de afgesloten originele verpakking bewaren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Let op de bijsluiter van de verpakking.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om schoonmaakmiddelen te bewaren, omdat personen de schoonmaakmiddelen die erin zitten, niet altijd kunnen herkennen.
- Alle onderhoudsmiddelen buiten het bereik van kinderen houden.
- Bij het gebruik kunnen schadelijke dampen ontstaan. Gebruik onderhoudsmiddelen daarom alleen buiten of in goed geventileerde ruimtes.
- Voor het wassen, onderhouden of schoonmaken nooit brandstof, terpentine, motorolie, nagellakremover of andere vluchtige vloeistoffen gebruiken. Deze zijn giftig en licht ontvlambaar.

WAARSCHUWING
Onjuist verzorgen en schoonmaken van wagenonderdelen kan de veiligheidsuitrustingen van de wagen schaden en daardoor zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Wagenonderdelen alleen volgens de aanwijzingen van de fabrikant schoonmaken en verzorgen.
- Gebruik goedgekeurde of aanbevolen schoonmaakmiddelen.

LET OP
Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel tasten het materiaal aan en kunnen het beschadigen.

De wagen alleen op speciaal daarvoor bedoelde wasplaatsen wassen, zodat het evendoor olie, vet en brandstof verontreinigde waet in het rioolwater terechtkomt. In enkele ge- en is het wassen van de wagen buiten zulke plaatsen verboden.

Bij aankoop van schoonmaakmiddelen milieuvriendelijke producten kiezen.

Resten van onderhoudsmiddelen horen niet bij het huisvuil. Let op de bijsluiter van de akking.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Hoe langer insectenresten, uitwerpselen van vogels, boomhars, straat- en industriestof, teer, strooizout en andere agressieve stoffen op de lak blijven zitten, hoe groter de schadelijke werking ervan is. Hoge temperaturen die bijvoorbeeld door intensieve zonnestralen ontstaan, versterken de bijtende werking. Was ook de onderzijde van de wagen regelmatig grondig.
Wasinstallatie
Let op de aanwijzingen op het instructiebord van de exploitant van de wasinstallatie. Neem voor het gebruik van de automatische wasinstallatie de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen, zoals alle ruiten sluiten en buitenspiegels inklappen, om beschadigingen te voorkomen. Als er aan de wagen bijzondere aanbouwdelen zitten, zoals spoilers, dakdragers, antennes, beslist met de exploitant van de wasinstallatie overleggen ⇒ ⚠.
De wagenlak is zo sterk, dat de wagen normaliter in automatische wasinstallaties kan worden gewassen. De feitelijke belasting van de lak is echter sterk afhankelijk van de constructie van de wasinstallatie. Volkswagen adviseert te kiezen voor wassen in wasinstallaties zonder borstels.
Neem de volgende aanwijzingen in acht, om eventueel aanwezige wasresten op de ruiten te verwijderen en eventueel bobberen van de ruitenwissers te verhelpen ⇒ pagina 181, Ruiten en buitenspiegels schoonmaken.
Met de hand wassen
Bij het wassen met de hand eerst het vuil met voldoende water inweken en zo goed mogelijk afspoelen.
Daarna de wagen met een zachte spons, een speciale washandschoen of een wasborstel met lichte druk schoonmaken. Daarbij op het dak beginnen en van boven naar beneden verder werken. Gebruik alleen bij hardnekkig vuil een shampoo.
De spons of de washandschoen met korte tussen- pozen grondig uitspoelen.
Wielen, dorpels en dergelijke als laatste schoon- maken. Hiervoor een tweede spons gebruiken.

WAARSCHUWING
Scherpe delen aan de wagen kunnen verwondingen tot gevolg hebben.
- Bescherm handen en armen tegen scherpe onderdelen, als u bijvoorbeeld de onderkant van de wagen of de binnenzijde van de wielkast schoonmaakt.

WAARSCHUWING
Nadat de wagen is gewassen, kan de remwerking vanwege vochtige resp. in de winter bevroren remschijven en remblokken vertraagd in werking treden en kan de remweg langer zijn.
- Voorzichtig remmen om de remmen "droog en ijsvrij te remmen". Daarbij geen verkeersdeelnemers in gevaar brengen of wettelijke voorschriften overtreden.

LET OP
- Het water mag niet warmer dan +60 °C (+140 °F) zijn.
- Om lakschade te voorkomen, de wagen niet in de brandende zon wassen.
- Geen insectensponzen, schuursponzen of iets dergelijks gebruiken, omdat anders het oppervlak kan worden beschadigd.
- Koplampen nooit met een droge doek of spons schoonmaken, maar alleen nat. Bij voorkeur zeepsop gebruiken.
- Wagen wassen in een koud klimaat: bij het schoonspuiten van de wagen met een slang de waterstraal niet direct op de sloten of de naden van de portieren resp. motorkap en achterklep richten. De sloten en afdichtrubbers zouden kunnen vastvriezen!

LET OP
Let beslist op de volgende punten, voordat u met de wagen een wasstraat in rijdt, om beschadigingen aan de wagen te voorkomen:
- Vergelijk de spoorbreedte van de wagen met de afstand van de geleidingsrails van de wasinstallatie om de velgen en banden niet te beschadigen!
- De city-noodremfunctie uitschakelen, voordat u met de wagen een wasstraat in rijdt.
LET OP (vervolg)
- Vergelijk de hoogte en breedte van de wagen met de doorrijhoogte en - breedte van de wasinstallatie!
- Buitenspiegels inklappen. Elektrisch inklappbare buitenspiegels in geen geval met de hand, maar alleen elektrisch inklappen en weer terugklappen!
- Om lakbeschadigingen aan de motorkap te voorkomen, de wisserbladen na het afdrogen tegen de voorruit klappen. Niet laten vallen!
LET OP (vervolg)
- Achterklep vergrendelen om onbedoeld openen door de wasinstallatie te voorkomen.

Wassen met een hogedrukreiniger

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Volg bij het wassen van de wagen met een hoge- drukreiniger beslist de instructies voor de hoge- drukreiniger op. Dat geldt vooral voor de druk en de spuitafstand ⇒ ⚠.
Houd een voldoende grote afstand tot zachte materialen aan, zoals rubber slangen of isolatiemateriaal en de sensoren van de parkeerhulp. De sensoren van de parkeerhulp zitten in de achterbumper ①.
Gebruik in geen geval roterende sproeikoppen of vuilfrezen ⇒ ⚠.

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de hogedrukreiniger kan blijvend zichtbare of onzichtbare beschadigingen aan de banden en andere materialen veroorzaken. Dit kan ongevallen en ernstige verwondingen tot gevolg hebben.
- Houd met de sproeier een voldoende grote afstand tot de banden aan.
- Nooit met roterende sproeikoppen ("vuil-frezen") de banden schoonmaken. Zelfs bij een relatief grote sproeiafstand en een heel korte inwerktijd kan zichtbare of niet-zichtbare schade aan de band ontstaan.

WAARSCHUWING
Nadat de wagen is gewassen, kan de remwerking vanwege vochtige resp. in de winter bevroren remschijven en remblokken vertraagd in werking treden en kan de remweg langer zijn.
- Voorzichtig remmen om de remmen "droog en ijsvrij te remmen". Daarbij geen verkeersdeelnemers in gevaar brengen of wettelijke voorschriften overtreden.

LET OP
- Het water mag niet warmer dan +60 °C (+140 °F) zijn.
- Om lakschade te voorkomen, de wagen niet in de brandende zon wassen.
- Om de parkeerhulp correct te laten functioneren moeten de sensoren in de bumper schoon en ijsvrij zijn. Bij het schoonmaken met hogedrukreinigers de sensoren alleen kort direct sproeien en altijd een afstand van meer dan 10 cm aanhouden.
- Bevroren of met sneeuw bedekte ruiten niet met een hogedrukreiniger schoonmaken.
- Wagen wassen in een koud klimaat: bij het schoonspuiten van de wagen met een slang de waterstraal niet direct op de sloten of de naden van de portieren resp. motorkap en achterklep richten. De sloten en afdichtrubbers zouden kunnen vastvriezen!

Ruiten en buitenspiegels schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Ruiten en buitenspiegels schoonmaken
Ruiten en buitenspiegels met universele glasreini- gingsmiddelen op alcoholbasis inspuiten.
Glazen oppervlakken met een schone zeem of met een pluisvrije doek drogen. Op een zeem waarmee de lak is afgenomen, blijven vettige resten conserveringsmiddel achter. Daarmee zouden de glazen oppervlakken vuil gemaakt kunnen worden.
Rubber-, olie-, vet- of kitresten kunt u met een rui- tenreiniger of siliconenverwijderaar verwijderen ⇒ Ⓔ.
Wasresten verwijderen
Autowasinstallaties en verzorgingsmiddelen kunnen wasresten op alle glazen oppervlakken achterlaten. Zulke wasresten kunnen alleen met een speciaal schoonmaakmiddel of reinigingsdoeken worden verwijderd. Door wasresten op de voor- en achterruit kunnen de ruitenwissers gaan bobberen. Volkswagen adviseert na elke wasbeurt van de wagen de wasresten op de voor- en achterruit met een reinigingsdoek te verwijderen.
Door het ruitensproeiervloeistofreservoir met een ruitenreiniger met wasoplossende eigenschappen te vullen kan het bobberen worden verholpen. Houd bij het vullen met het reinigingsmiddel de juiste mengverhouding aan. Vetoplossende reinigingsmiddelen kunnen dergelijke wasresten niet verwijderen ⇒ ①.
Speciale reinigingsmiddelen of ruitenreinigingsdoeken zijn bij de Volkswagen Partner verkrijgbaar. Volkswagen adviseert voor het verwijderen van wasresten de volgende reinigingsmiddelen:
- Gedurende het warmere jaargetijde ruitenreiniger zomer G 052 184 A1. Mengverhouding in het ruitensproeiervloeistofreservoir 1:100 (1 deel concentraat, 100 delen water).
- Het gehele jaar door ruitenreiniger G 052 164 A2 mengverhouding in de winter tot -18 °C (-0,4 °F) ongeveer 1:2 (1 deel concentraat, 2 delen water) anders een mengverhouding in het ruitensproeiervloeistofreservoir van 1:4.
- Ruitenreinigingsdoeken G 052 522 A1 voor alle ruiten en buitenspiegels.
Sneeuw verwijderen
Sneeuw met een handveger van alle ruiten en buitenspiegels verwijderen.
IJs verwijderen
Gebruik voor het verwijderen van ijs bij voorkeur een ontdooispray. Wanneer u een ijskrabber gebruikt, deze niet heen en weer bewegen, maar slechts in één richting schuiven. Bij het terugbewegen kan vuil krassen maken op de ruit.
! WAARSCHUWING
Vuile en beslagen ruiten verminderen het zicht en verhogen het risico van ongevallen en zware verwondingen.
- Alleen rijden, wanneer u goed zicht heeft door alle ruiten.
- IJs, sneeuw en aanslag aan de binnen- en buitenzijde van alle ruiten verwijderen.
LET OP
- In geen geval de aanbevolen schoonmaakmiddelen met andere schoonmaakmiddelen in het ruitensproeiervloeistofreservoir mengen. Anders kunnen de bestanddelen neerslaan en daardoor verstopping van de ruitensproeiers tot gevolg hebben.
- Sneeuw of ijs niet met warm of heet water van ruiten en spiegels verwijderen. Het glas kan anders scheuren!
- De verwarmingsdraden van de achterruit-verwarming zitten aan de binnenzijde van de achterruit. Geen stickers over de verwarmingsdraden plakken en de binnenzijde van de achterruit nooit met bijtende of zuurhoudende schoonmaakmiddelen of andere chemicaliën schoonmaken.
△

Afbeelding 115 Ruitenwisserbladen voor de voor-ruit vervangen

Afbeelding 116 Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Af fabriek worden ruitenwisserbladen met een grafietcoating gemonteerd. De grafietcoating zorgt ervoor dat het ruitenwisserblad zacht over de ruit wist. Een beschadigde grafietcoating veroorzaakt o.a. een hoger geluidsniveau bij het wissen over de ruit.
Regelmatig de toestand van de ruitenwisserbladen controleren. Bobberende ruitenwisserbladen bij beschadiging vernieuwen of bij verontreiniging schoonmaken ⇒ Ⓞ.
Beschadigde ruitenwisserbladen direct vervangen. Ruitenwisserbladen zijn verkrijgbaar bij de specialist.
Ruitenwisserarmen optillen en wegklappen
Voor het optillen of wegklappen van een ruitenwisserarm, deze alleen bij de ruitenwisserbladbevestiging vastpakken.
Let op bij de ruitenwissers voor de voorruit: ruitenwisserarmen vóór het wegklappen in service-stand zetten ⇒ pagina 86.
Ruitenwisserbladen schoonmaken
- Ruitenwisserarmen optillen en wegklappen.
- Stof en vuil met een zachte doek voorzichtig van de ruitenwisserbladen verwijderen.
- Bij sterke verontreiniging ruitenwisserbladen voorzichtig met een spons of doek schoonmaken ①.
Ruitenwisserbladen van de voorruit vervangen
- Ruitenwisserarmen optillen en wegklappen.
- Ontgrendelingsknop Afbeelding 115 ① ingedrukt houden en gelijktijdig het ruitenwisserblad in pijlrichting lostrekken.
- Nieuw ruitenwisserblad van dezelfde lengte en uitvoering op de ruitenwisserarm steken, tot dit vastklikt.
- Ruitenwisserarmen op de voorruit terugklappen.
Ruitenwisserblad van de achterruit vervangen
- Ruitenwisserarm oplichten en in een hoek van ongeveer 60° wegklappen ⇒ Afbeelding 116.
- Ontgrendelingsknop ① ingedrukt houden.
- Ruitenwisserblad in de richting van ruitenwisserarm Afbeelding 116 (pijl A) kantelen en gelijktijdig in pijlrichting B eraf trekken. Daarvoor kan een iets grotere krachtsinspanning nodig zijn.
- Nieuw ruitenwisserblad met dezelfde lengte en uitvoering tegen de pijlrichting in op de ruitenwisserarm Ⓑ schuiven, tot deze vastklikt. Hierbij moet het ruitenwisserblad in uitgeklapte stand (pijl Ⓐ) staan.
- Ruitenwisserarm op de achterruit terugklappen, niet op de ruit laten vallen.

WAARSCHUWING
Versleten of vuile ruitenwisserbladen vermin- deren het zicht en verhogen het risico van ongevallen en zware verwondingen.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Ruitenwisserbladen altijd vervangen, indien deze beschadigd of versleten zijn of de ruit niet meer voldoende schoonmaken.
LET OP
- Beschadigde of vervuilde ruitenwisserbladen kunnen krassen op de ruit veroorzaken.
LET OP (vervolg)
- Schoonmaakmiddelen die oplosmiddelen bevatten, harde sponzen en andere scherpe voorwerpen beschadigen bij het schoonmaken van de ruitenwisserbladen de grafietcoating.
- De ruiten niet met brandstof, nagellakremover, lakverdunner of iets dergelijks schoonmaken.
Als wasresten uit wasstraten en andere onderhoudsmiddelen op de voor- en achterruit achterblijven, kunnen de ruitenwissers gaan bobberen. Wasresten met een speciaal schoonmaakmiddel of reinigingsdoeken verwijderen.
<
Wagenlak conserveren en polijsten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Conserveren
Een goede conservering beschermt de lak van de wagen. Uiterlijk, wanneer op de schone lak het water geen duidelijke ronde druppels meer vormt, moet de wagen met een goede vaste was opnieuw worden beschermd.
Ook als in de automatische wasinstallatie regelmatig een wasbescherming wordt gebruikt, adviseert Volkswagen, de lak ten minste tweemaal per jaar met vaste was te beschermen.
Polijsten
Alleen als de lak van uw wagen dof is geworden en als u met conserveringsmiddelen geen glans meer kunt verkrijgen, is polijsten nodig.
Als het gebruikte polijstmiddel geen conserverende bestanddelen bevat, moet de lak vervolgens worden geconserveerd.
LET OP
- Om beschadigingen te voorkomen, mogen mat gelakte delen, kunststof delen, koplampglas en achterlichten niet met polijstmiddelen of vaste was worden behandeld.
- De wagenlak niet bij een vuile wagen of in een zanderige of stoffige omgeving polijsten.
Chromen en aluminium sierdelen verzorgen en schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
- Schone, pluisvrije, zachte doek met water bevochtigen en daarmee de oppervlakken schoonmaken.
- Bij sterke verontreinigingen speciale oplosmiddelvrije schoonmaakmiddelen gebruiken.
- Chromen en aluminium sierdelen daarna met een zachte, droge doek oppoetsen.
LET OP
Om te voorkomen dat chromen en aluminium sierdelen worden beschadigd:
- Niet in de volle zon schoonmaken of polijs- ten.
- Niet in een zanderige of stoffige omgeving schoonmaken of polijsten.
- Geen onderhoudsmiddelen met intensieve schurende werking gebruiken, bv. schuurmiddel.
LET OP (vervolg)
- Geen insectensponzen, schuursponzen of iets dergelijks gebruiken.
- Geen verontreinigde oppervlakken polijsten.
- Geen schoonmaakmiddelen met oplosmiddel gebruiken.
- Geen vaste was gebruiken.
LET OP
Verchroomde naafdoppen of grote wieldoppen kunnen extra gelakt zijn en mogen niet met chroom- of aluminiumverzorgende middelen of chroom- of aluminiumpolijstmiddelen behandeld worden. In plaats daarvan universele lakonderhoudsmiddelen en lakpolijstmiddelen gebruiken.
Velgen schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Stalen velgen schoonmaken
Vastzittend remslijpsel kan met een industrieel schoonmaakmiddel worden verwijderd. Stalen velgen om die reden regelmatig met een aparte spons schoonmaken.
Beschadiging van de lak op de stalen velgen moet worden hersteld voordat zich roest kan vormen.
Lichtmetalen velgen verzorgen en schoonmaken
Strooizout en remslijpsel ongeveer elke twee weken van de lichtmetalen velgen af wassen. Aansluitend de velgen met een zuurvrij schoonmaak-
middel behandelen. Volkswagen adviseert de vel- gen ongeveer elke drie maanden grondig in te wrijven met vaste was.
Als strooizout en remslijpsel niet regelmatig worden afgespoeld, wordt het lichtmetaal aangetast.
Als schoonmaakmiddel een zuurvrij schoonmaak-middel voor lichtmetalen velgen gebruiken. Geen lakpolijstmiddel of ander schurend middel bij het onderhoud van de velgen gebruiken.
Als de beschermende laklaag is beschadigd, bv. door steenslag, moet de schade zo spoedig mogelijk worden hersteld.
Rubber afdichtingen onderhouden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
De afdichtrubbers van portieren, ruiten enz. blijven soepeler, dichten beter af en gaan langer mee, wanneer u de afdichtingen regelmatig met een geschikt onderhoudsmiddel voor rubber behandelt.
Vóór het onderhoud met een zachte doek stof en vuil van de afdichtrubbers verwijderen.
Portierslotcilinder ijsvrij maken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
Volkswagen adviseert, voor het ijsvrij maken van portierslotcilinders Volkswagen Originele Spray met terugvettende en corrosiewerende werking te gebruiken.
LET OP
Bij gebruik van portierslotontdooiers met vetoplossende substanties kan de portierslotcilinder gaan roesten.
△
Bodembescherming

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
De onderzijde van de wagen is tegen chemische en mechanische invloeden beschermd. Tijdens het rijden kan de beschermende laag aan de onderzijde van de wagen worden beschadigd. Daarom adviseert Volkswagen, de beschermende laag van de onderzijde van de wagen en van het onderstel regelmatig te controleren en zo nodig te laten bijwerken.

VOORZICHTIG
De bodembeschermingslaag en corrosiewerende middelen kunnen door het hete uitlaatsysteem of door andere hete motoronderdelen vlam vatten.
- Geen bodembeschermingslaag of corrosiewerende middelen op uitlaatpijpen, katalysatoren, hittescilden of andere heet worden-de wagenonderdelen aanbrengen.
4
Motorruimte schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
De motorruimte van de wagen is een gevaarlijk gebied ⇒ pagina 162.
Het schoonmaken van de motorruimte moet door een specialist worden uitgevoerd. Door ondeskundig schoonmaakwerk kan onder andere de bescherming tegen corrosie worden verwijderd en kunnen elektrische onderdelen worden beschadigd. Bovendien kan water via de waterkast direct in het interieur van de wagen terechtkomen ⇒①.
Bij ernstige verontreiniging van de motorruimte altijd een specialist opzoeken, om daar een vakkundige reiniging van de motorruimte uit te laten voeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Waterkast
De waterkast zit in de motorruimte tussen de voorruit en de motor onder een afdekking met gaten. Uit de waterkast wordt buitenlucht via het verwarmings- en airconditioningssysteem in het interieur gezogen.
Bladeren en andere losse voorwerpen moeten regelmatig met een stofzuiger of met de hand van de afdekking van de waterkast worden verwijderd.

WAARSCHUWING
Bij alle werkzaamheden aan de motor en in de motorruimte kunnen verwondingen, verbrandingen, ongeval- en brandgevaren ontstaan!
- Maak u vóór de werkzaamheden met de noodzakelijke handelingen en de algemeen geldende veiligheidsvoorschriften vertrouwd ⇒ pagina 162.
- Volkswagen adviseert, de werkzaamheden door een specialist te laten uitvoeren.

LET OP
Handmatig in de waterkast ingebracht water, bv. met een hogedrukreiniger, kan aanzienlijke schade aan de wagen tot gevolg hebben.

De motorruimte alleen op speciaal daarvoor bedoelde wasplaatsen wassen, zodat het tueel door olie, vet en brandstof verontreinigater niet in het rioolwater terechtkomt. In somgebieden is het wassen van de motorruimte n zulke wasplaatsen verboden.
<
Interieur verzorgen en schoonmaken

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Omgang met stoelbekleding 188
Bekledingsstoffen, stoffen bekledingen en Alcantara® schoonmaken 188
Nappalederen bekledingen schoonmaken en verzorgen 190
Kunstleren bekledingen schoonmaken ..... 191
Opbergvakken, bekerhouders en asbakken schoonmaken 191
Kunststof onderdelen, hout en dashboard verzorgen en schoonmaken 192
Veiligheidsgordels schoonmaken 192
Moderne kledingstoffen, zoals donkere jeansstof, hebben deels onvoldoende kleurechtheid. Vooral op lichte bekleding van stoelzittingen (stof of leer) kunnen door afgeven van deze kledingstoffen, ook bij normaal gebruik, duidelijk zichtbare verkleuringen ontstaan. Het gaat daarbij niet om een gebrek aan de stof van de bekleding, maar om onvoldoende kleurechtheid van het kledingtextiel.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 179
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205

WAARSCHUWING
Onderhoudsmiddelen kunnen giftig en ge- vaarlijk zijn. Ongeschikte onderhoudsmiddelen en onjuist gebruik van onderhoudsmiddelen kunnen ongevallen, zware verwondingen, brandwonden en vergiftigingen tot gevolg hebben.
- Onderhoudsmiddelen alleen in de afgesloten originele verpakking bewaren.
- Let op de bijsluiter van de verpakking.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om schoonmaakmiddelen te bewaren, omdat personen de schoonmaakmiddelen die erin zitten, niet altijd kunnen herkennen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Alle onderhoudsmiddelen buiten het bereik van kinderen houden.
- Bij het gebruik kunnen schadelijke dampen ontstaan. Gebruik onderhoudsmiddelen daarom alleen buiten of in goed geventileerde ruimtes.
- Voor het wassen, onderhouden of schoonmaken nooit brandstof, terpentine, motorolie, nagellakremover of andere vluchtige vloeistoffen gebruiken. Deze zijn giftig en licht ontvlambaar.

WAARSCHUWING
Onjuist verzorgen en schoonmaken van wagenonderdelen kan de veiligheidsuitrustingen van de wagen schaden en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Wagenonderdelen alleen volgens de aanwijzingen van de fabrikant schoonmaken en verzorgen.
- Gebruik goedgekeurde of aanbevolen schoonmaakmiddelen.

LET OP
- Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel tasten het materiaal aan en kunnen het onherstelbaar beschadigen.
- Vlekken, vuil en andere resten met aggressieve en oplosmiddelhoudende bestanddelen tasten het materiaal aan en kunnen het onherstelbaar beschadigen, ook na korte inwerkings tijd.
- Vlekken, vuil en andere resten zo snel mogelijk verwijderen en niet laten opdrogen.
- Hardnekkige vlekken door een specialist laten verwijderen om beschadigingen te vermijden.

Geschikte schoonmaakmiddelen zijn verkrijgbaar bij uw Volkswagen Partner.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 187 en volg deze op.
Checklist
Let voor de omgang met en het behoud van de stoelbekleding op het volgende ⇒ Ⓔ:
√ Voordat u de wagen instapt, alle klittenbandsluitingen vastzetten die met stoelbekledingen of bekledingsstoffen in aanraking kunnen komen. Open klittenbandsluitingen kunnen de stoelbekledingen en bekledingsstoffen beschadigen.
√ Direct contact van scherpe voorwerpen en applicaties met de stoelbekledingen en bekledingsstoffen voorkomen om beschadigingen te voorkomen. Applicaties zijn bijvoorbeeld ritssluitingen, klinknagels, strassteentjes aan kledingstukken en ceinturen.
Stof en vuildeeltjes in poriën, plooien en naden regelmatig verwijderen, zodat de oppervlakken van de stoelen niet door schuren permanente schade oplopen.
Kleding beslist op kleurechtheid controleren om verkleuringen op de stoelbekleding te voorkomen. Dit geldt vooral bij lichte bekleding.
LET OP
Het negeren van de checklist die belangrijk is voor het behoud van de stoelbekleding kan leiden tot beschadigingen aan stoelbekledingen en bekledingstoffen.
⑨ LET OP (vervoig)
- Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren.
Volkswagen adviseert, eventuele verkleuringen van de bekleding van de stoelzitting door een specialist te laten verwijderen.
Bekledingsstoffen, stoffen bekledingen en Alcantara® schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Schoonmaken van bekledingsstoffen bij zittingen met stoelverwarming en bij stoelen met elektrische verstelling of met airbagonderdelen
In de bestuurdersstoel, bijrijdersstoel en eventueel in de buitenste zitplaatsen achterin kunnen airbagrelevante onderdelen en elektrische stekers ingebouwd zijn. Beschadiging, ondeskundige reiniging en behandeling of nat worden van deze zittingen en rugleuningen kunnen behalve schade aan de elektrische installatie van de wagen ook storingen in het airbagsysteem veroorzaken ⇒ ⚠.
In elektrisch verstelbare stoelen en zittingen met stoelverwarming zijn elektrische onderdelen en stekers ingebouwd, die bij ondeskundige reiniging of behandeling beschadigd kunnen raken ⇒ Ⓐ. Dit kan ook schade op andere plaatsen in de elektrische installatie van de wagen tot gevolg hebben.
Om deze reden de volgende schoonmaakinstructies in acht nemen:
- Geen hogedrukreinigers, hogedrukspuiten of koelspray gebruiken.
- Geen waspasta of sop van fijnwasmiddel gebruiken.
- Te allen tijde doorweekt raken voorkomen.
- Alleen door Volkswagen vrijgegeven schoonmaakmiddelen gebruiken.
- Bij twijfel een reinigingsspecialist inschakelen.
Schoonmaken van bekledingsstoffen bij zittingen zonder stoelverwarming en bij stoelen zonder elektrische verstelling of airbagonderdelen
- Vóór het gebruik van de schoonmaakmiddelen de toepassing, aanwijzingen en waarschuwingen op de verpakking lezen en opvolgen.
- Bekledingsstoffen, stoffen bekledingen, Alcantara®-stoelbekledingen en de vloerbedekking regelmatig met een stofzuiger (borstelopzetstuk) zuigen.
-
Geen hogedrukreinigers, hogedrukspuiten of koelspray gebruiken.
-
Voor de algemene schoonmaak een zachte spons of een universele, pluisvrije microvezeldoek gebruiken ⇒①.
- Alcantara®-oppervlakken met een licht vochtige katoenen of wollen doek of een universele, pluisvrije microvezeldoek schoonmaken ⇒ ⚠.
Bij oppervlakkige, gewone verontreiniging van de stoelbekledingen en bekledingsstoffen kan het schoonmaken met een universeel schuimvormend schoonmaakmiddel worden uitgevoerd.
Bij ernstige algemene verontreinigingen van de stoelbekledingen en bekledingsstoffen kunt u zich bij uw Volkswagen Partner over geschikte reini-
gingsmogelijkheden laten informeren. Zo nodig kunt u een reinigingsbedrijf opdracht geven de reiniging uit te voeren.
Verwijderen van vlekken
Bij het behandelen van vlekken kan het noodzakelijk zijn, niet alleen de vlek, maar het hele oppervlak te reinigen. Vooral als het oppervlak door algemeen gebruik vervuild is. Anders kan het behandelde oppervlak lichter zijn dan het onbehandelde oppervlak. Bij twijfel een reinigingsspecialist inschakelen.
| Soort vlek | Aanbevolen reiniging van zittingen en bekledingsstoffen |
| Vlekken op waterbasis, zoals koffie of vruchtensap. | - Schimmel met een spuitfles vochtig maken en de vlek cirkelvormig behandelen.- Met een absorberende, droge doek schoonwrijven. |
| Hardnekkige vlekken, zoals chocolade- en make-upvlekken. | - Alleen door Volkswagen vrijgegeven schoonmaakmiddelen gebruiken.- Zo nodig de bekledingsstoffen door een reinigingsbedrijf laten reinigen. |
| Vlekken op vetbasis, zoals olie, lippenstift. | - Alleen door Volkswagen vrijgegeven schoonmaakmiddelen gebruiken.- Zo nodig de bekledingsstoffen door een reinigingsbedrijf laten reinigen. |

GEVAAR
Bij een storing in het airbagsysteem kan de airbag mogelijk niet optimaal, helemaal niet of onverwacht activeren, wat zware of dodelijke verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Airbagsysteem direct door een specialist laten controleren.

LET OP
Wanneer de bekledingsstoffen van zittingen van elektrisch verstelbare stoelen of van stoelen met stoelverwarming of met ingebouwde airbagonderdelen doorweekt raken, kunnen elektrische onderdelen en de elektrische installatie van de wagen beschadigd worden.
- Een doorweekte zitting direct door een specialist laten drogen en systeemonderdelen laten testen.
- Geen stoomapparaat gebruiken, omdat door de stoom het vuil dieper in het textiel dringt en wordt gefixeerd.

LET OP (venvolg)
- Hogedrukreinigers en koelsprays kunnen de bekledingsstoffen beschadigen.

LETOP
- Alleen tapijt en vloermatten met borstels schoonmaken! Andere textieloppervlakken kunnen door borstels worden beschadigd.
- Wanneer waspasta of sop van fijnwasmiddel met een vochtige doek of spons aangebracht wordt, kunnen na het drogen zichtbare randen in de bekledingsstoffen ontstaan, bv. door ten-side. Deze randen zijn in de regel moeilijk of geheel niet meer te verwijderen.

LET OP
- Alcantara® mag in geen geval doornat worden.
- Alcantara ^ mag in geen geval met leeronderhoudsmiddelen, oplosmiddelen, boenwas, schoenpoets, vlekkenverwijderaar en dergelijke worden behandeld.
- Bij het vochtig schoonmaken geen borstels gebruiken, omdat het oppervlak van het materiaal kan worden beschadigd.
△

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Raadpleeg bij vragen over schoonmaken en onderhoud van de leren uitrusting in de wagen een Volkswagen Partner of een andere specialist.
Behandeling en verzorging
Ongeprepareerd nappaleer is gevoelig, omdat het geen dekkende verflaag heeft.
- Regelmatig en na elke schoonmaakbeurt een verzorgende crème gebruiken, die bescherming tegen licht biedt en het leer impregneert. De crème voedt het leder, zorgt ervoor dat het leder kan ademen en voorkomt uitdroging. Tegelijkertijd wordt er een beschermende laag op het oppervlak gevormd.
- Leer elke twee tot drie maanden schoonmaken en nieuwe verontreinigingen verwijderen.
- Leer elk half jaar behandelen met een geschikt lederonderhoudsmiddel ①.
-
Schoonmaak- en verzorgingsmiddelen uiterst spaarzaam en altijd met een droge, pluisvrije katoenen of wollen doek aanbrengen. Schoonmaaken verzorgingsmiddelen niet direct op het leder aanbrengen.
-
Verse vlekken van balpen, inkt, lippenstift, schoenpoets etc. zo snel mogelijk verwijderen.
- Lederkleur onderhouden. Afwijkende plekken naar behoefte met een speciaal gekleurde ledercrème opfrissen.
- Met een zachte doek nawrijven.
Schoonmaken
Volkswagen adviseert voor de algemene schoonmaak een licht vochtige katoenen of wollen doek te gebruiken.
Let er altijd op dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden sijpelt.
Voor het reinigen van lederen bekledingen de volgende aanwijzingen in acht nemen ⇒ pagina 188, Schoonmaken van bekledingsstoffen bij zittingen met stoelverwarming en bij stoelen met elektrische verstelling of met airbagonderdelen.
| Soort vlek | Schoonmaken |
| Sterkere verontreinigingen | - Met een goed uitgewrongen doek een milde zeepoplossinga) aanbren-gen.- Met een absorberende, droge doek deppen. |
| Vlekken op waterbasis, zoals bv. koffie, thee, sappen, bloed enz. | - Nieuwe vlekken met een absorberende doek verwijderen.- Bij al ingedroogde vlekken een geschikt schoonmaakmiddel gebruiken ⇒1. |
| Vlekken op vetbasis, zoals olie, lippenstift enz. | - Verse vlekken met een absorberende doek verwijderen.- Bij nog niet opgedroogde vlekken een geschikt schoonmaakmiddel ge-bruiken ⇒1. |
| Speciale vlekken, zoals bij-voorbeeld balpen, viltstift, nagellak, dispersieverf, schoenpoets enz. | - Met een absorberende, droge doek deppen.- Met een voor leer geschikt, speciaal vlekkenwater schoonmaken. |
a) Milde zeepoplossing; twee eetlepels neutrale zeep op één liter water.
LET OP
- Het leer mag in geen geval met oplosmiddelen, boenwas, schoenpoets, vlekkenverwijderaar en dergelijke worden behandeld.
LET OP (vervolg)
- Als een vlek door een lange inwerkingstijd in het leeroppervlak doorgedrongen is, kan de vlek niet meer worden verwijderd.
- Gemorste vloeistoffen onmiddellijk met een absorberende doek afnemen, omdat het leren oppervlak en de naden het indringen van vloeistoffen niet lang kunnen tegenhouden.
LET OP (vervolg)
- Als de wagen lang in de buitenlucht staat, het leer tegen direct zonlicht beschermen om verbleken te voorkomen.

Lichte verkleuringen door het gebruik zijn normaal.

Kunstleren bekledingen schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Voor het reinigen van kunstlederen bekledingen de aanwijzingen in acht nemen ⇒ pagina 188, Schoonmaken van bekledingsstoffen bij zittingen met stoelverwarming en bij stoelen met elektrische verstelling of met airbagonderdelen.
Voor het schoonmaken van de kunstleren bekle- ding alleen water en neutrale schoonmaakmiddel- len gebruiken.
LET OP
Het kunstleer mag in geen geval met oplosmiddelen, boenwas, schoenpoets, vlekkenverwijderaar en dergelijke worden behandeld. Dit veroorzaakt uitharden en daardoor voortijdige breuk van het materiaal.

Opbergvakken, bekerhouders en asbakken schoonmaken

Afbeelding 117 In de middenconsole voorin: Opbergvak met bekerhouder

Afbeelding 118 Verwijderde en geopende asbak met vlamdover

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Opbergvakken en bekerhouders schoonmaken
- Een schone, pluisvrije doek met water bevochtigen en onderdelen schoonmaken.
- Wanneer dat niet voldoende is, gebruikt u een speciaal oplosmiddelvrij kunststofreinigings- en onderhoudsmiddel.
Asbak schoonmaken
- Asbak verwijderen en leegmaken.
• Met een doek schoonvegen.
Bij het schoonmaken van de vlamdover ⇒ Afbeelding 118 bijvoorbeeld een tandenstoker o.i.d. gebruiken om de asresten te verwijderen.

Kunststof onderdelen, hout en dashboard verzorgen en schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
- Een schone, pluisvrije doek met water bevochtigen en onderdelen schoonmaken.
- Kunststof onderdelen (binnen en buiten aan de wagen) en het dashboard met een speciaal oplos-middelvrij kunststofreinigings- en onderhoudsmid-del behandelen, dat door Volkswagen is goedge-keurd ▲.
- Hout met een mild zeepsopje behandelen.
- Houder voor het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) alleen met een droge doek schoonmaken.

WAARSCHUWING
Door schoonmaakmiddelen met oplosmiddelen wordt het oppervlak van de airbageenheid poreus. Bij een ongeval met airbagactivering kunnen losrakende kunststof onderdelen zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit het dashboard en het oppervlak van de airbageenheden schoonmaken met reini-gingsmiddelen die oplosmiddelen bevatten.

LET OP
Let er bij het schoonmaken van het dashboard op, dat er geen vocht op de contacten van het draagbare navigatieapparaat komt, aangezien dit tot beschadigingen aan de elektrische installatie kan leiden.
△
Veiligheidsgordels schoonmaken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Grof vuil op de gordel belemmert het oprollen van de automatische gordel en zodoende de werking van de veiligheidsgordel.
De veiligheidsgordels mogen voor het schoonma- ken nooit worden uitgebouwd.
- Grof vuil met een zachte borstel verwijderen ⇒ ▲.
- Verontreinigde veiligheidsgordel volledig uittrekken en gordel uitgerold laten.
- Veiligheidsgordel met mild zeepsop schoonma- ken.
- Behandeld gordelweefsel volledig laten drogen.
- Veiligheidsgordel pas oprollen, als deze volledig gedroogd is.

WAARSCHUWING
Regelmatig de toestand van alle veiligheids-gordels controleren. Als het gordelweefsel of andere delen van de veiligheidsgordel zijn beschadigd, direct de veiligheidsgordel door een specialist laten uitbouwen en vervangen. Beschadigde veiligheidsgordels vormen een groot gevaar en kunnen zware of dodelijke verwondingen veroorzaken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Veiligheidsgordels en hun onderdelen mogen nooit chemisch worden gereinigd of met bijtende vloeistoffen, oplosmiddelen alsmede scherpe voorwerpen in aanraking komen. Daardoor wordt de stevigheid van het gordel-weefsel ernstig aangetast.
- Een schoongemaakte veiligheidsgordel moet vóór het oprollen volledig droog zijn, omdat vocht de gordeloprolautomaat kan beschadigen en de werking ervan kan belemmeren.
- Nooit verontreinigingen en vloeistoffen in de invoertrechters van de gordelsloten laten komen. Hierdoor kan de werking van de gordelsloten en veiligheidsgordels worden belemmerd.
- Nooit zelf proberen de veiligheidsgordels te repareren, aan te passen of uit te bouwen.
- Beschadigde veiligheidsgordels direct laten vervangen door veiligheidsgordels die door Volkswagen voor de wagen zijn vrijgegeven. Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uitgerekt worden, moeten door een specialist worden vervangen. De vervanging kan noodzakelijk zijn, ook al lijkt er geen beschadiging zichtbaar te zijn. Bovendien de verankeringen voor de veiligheidsgordels controleren.
△

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Omgang met velgen en banden 194
Velgen 195
Nieuwe banden en banden vervangen ..... 196
Bandenspanning 197
Profieldiepte en slijtagemerktekens 198
Schade aan de band 199
Reservewiel of noodreservewiel 200
Aanduiding op banden 201
Winterbanden 203
Sneeuwkettingen 204
Volkswagen adviseert om alle werkzaamheden aan de banden of velgen door een specialist te laten uitvoeren. Deze is met de noodzakelijke speciale gereedschappen en onderdelen uitgerust, heeft de nodige vakkennis en is erop ingesteld om oude banden milieubewust op te slaan en af te voeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Transporteren ⇒ pagina 92
- Remmen, stoppen en parkeren pagina 122
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 179
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 215
• Wagengereedschap ⇒ pagina 227
• Wieldoppen ⇒ pagina 229
• Wiel verwisselen ⇒ pagina 231
• Bandenafdichtset ⇒ pagina 237

WAARSCHUWING
Nieuwe velgen of velgen die oud, versleten of beschadigd zijn, beïnvloeden de bestuurbaarheid van de wagen en de remwerking.
- Onjuist gebruik van velgen en banden kan de rijveiligheid verminderen en ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Op alle vier de wielen alleen radiaalbanden van hetzelfde type, dezelfde grootte (afrolomtrek) en met hetzelfde profiel gebruiken.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nieuwe banden moeten worden ingereden, omdat nieuwe wielen in het begin verminderde grip en remwerking hebben. Om ongevallen en zware verwondingen te voorkomen, tijdens de eerste 600 km overeenkomstig voorzichtig rijden.
- Regelmatig de bandenspanning controle- ren en altijd de aangegeven bandenspan- ningswaarde aanhouden. Een te lage banden- spanning kan de band zo sterk opwarmen, dat dit kan leiden tot loslating van het loop- vlak en springen van de band.
- Nooit met beschadigde (gaten, barsten, scheuren en bulten) en versleten banden rijden. Het rijden met deze banden kan klapbanden, ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben. Versleten of beschadigde banden onmiddellijk vervangen.
- Nooit de voor de gemonteerde banden toegestane maximumsnelheid en draaglast overschrijden.
- De effectiviteit van de bestuurdershulp- en remhulpsystemen is ook afhankelijk van de grip van de banden.
- Als tijdens het rijden ongewone trillingen of eenzijdig trekken van de wagen wordt vastgesteld, direct stoppen en de velgen en banden op beschadigingen controleren.
- Bij velgen met vastgeschroefde velgring nooit de bouten losdraaien, om te voorkomen dat de controle over de wagen wordt verloren en het risico van een ongeval en zware verwondingen te beperken.
- Geen velgen of banden gebruiken, waarvan u de voorgeschiedenis niet kent. Gebruikte wielen en banden kunnen beschadigd zijn, ook als deze beschadigingen niet zichtbaar zijn.
- Oude banden kunnen - ook als deze nog niet zijn gebruikt - vooral bij hoge snelheden plotseling lucht verliezen en klappen en daardoor ongevallen en zware verwondingen veroorzaken. Banden die ouder zijn dan zes jaar alleen in noodgevallen en met de grootste terughoudendheid gebruiken en hiermee voorzichtig rijden.

Om technische redenen kunt u normaliter de velgen van andere wagens niet gebruiken.
Dit geldt soms zelfs voor velgen van hetzelfde model wagen. Raadpleeg de officiële wagenpapieren en raadpleeg zo nodig een Volkswagen Partner.

Omgang met velgen en banden

Afbeelding 119 Schema voor het verwisselen van de banden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Banden zijn de meest belaste en onderschatte onderdelen van een wagen. Banden zijn zeer belangrijk, want de smalle loopvlakken van de banden zijn het enige contact van de wagen met de weg.
De levensduur van de banden is afhankelijk van de bandenspanning, de rijstijl, het gebruik en de correcte montage.
Banden en velgen zijn belangrijke constructie-elementen. De door Volkswagen vrijgegeven banden en velgen zijn exact op het bijbehorende wagen-model afgestemd en leveren daarmee een belangrijke bijdrage tot een stabiele wegligging en tot veilig rijden.
Beschadigingen aan de band voorkomen
- Alleen langzaam over stoepranden en dergelijke heen rijden en indien mogelijk in een rechte hoek.
- Banden regelmatig op beschadigingen controleren, zoals steek- en snijschade, scheuren en bulten.
- Vreemde voorwerpen verwijderen die aan de buitenkant in het bandenprofiel zitten en niet in het inwendige van de band zijn binnengedrongen ⇒ pagina 199.
- Zo nodig de waarschuwingsmeldingen van het bandencontrolesysteem in acht nemen.
- Beschadigde of versleten banden direct laten vervangen pagina 199.
- Banden regelmatig op verborgen schade controleren pagina 199.
- Nooit de draaglast en topsnelheid van de ge-monteerde banden overschrijden ⇒ pagina 201.
- Banden, ook de band van het reservewiel, te-gen contact met agressieve stoffen beschermen, waaronder vet, olie benzine en remvloeistof
- Ontbrekende ventieldopjes direct vervangen.
Draairichtinggebonden banden
Draairichtinggebonden banden zijn ontwikkeld om slechts in één richting te rollen. Bij draairichtinggebonden banden is de wang van de band met pijlen gemarkeerd ⇒ pagina 201. De zo aangegeven draairichting moet beslist in acht worden genomen. Alleen daardoor worden de optimale rijeigenschappen met betrekking tot aquaplaning, grip, geluid en wrijving gegarandeerd.
Als een band toch tegen de voorgeschreven draairichting in wordt gemonteerd, moet voorzichtiger worden gereden, omdat de band niet op de juiste manier wordt gebruikt. Dit geldt vooral op natte wegen. De band moet zo snel mogelijk worden vervangen of in de juiste draairichting worden gemonteerd.
Wielen wisselen
Voor een gelijkmatige slijtage van alle banden is het aan te raden de wielen regelmatig volgens het schema ⇒ Afbeelding 119 te wisselen. Daardoor krijgen de banden ongeveer dezelfde levensduur.
Volkswagen adviseert, het wisselen van de wielen door een specialist te laten uitvoeren.
Banden die ouder dan 6 jaar zijn
Banden verouderen door natuurkundige en chemische processen, waardoor hun werking kan worden geschaad. Banden, die langere tijd ongebruikt zijn opgeslagen, verharden en worden eerder bros dan banden die voortdurend op de wagen in gebruik zijn.
Volkswagen adviseert banden die zes jaar en ouder zijn, te laten vervangen door nieuwe banden. Dit geldt ook voor banden, inclusief de band van het reservewiel, die uiterlijk nog bruikbaar lijken en waarvan de profieldiepte nog niet de wettelijk voorgeschreven minimumwaarde hebben bereikt ⇒ ⚠️. De leeftijd van elke band kan worden bepaald met de productiedatum, die een onderdeel is van het bandenidentificatienummer (TIN) ⇒ pagina 201.
Banden opslaan
Wielen markeren voordat deze worden verwijderd, zodat deze bij het opnieuw monteren dezelfde draairichting kunnen behouden (links, rechts, voor, achter). Verwijderde velgen resp. banden koel, droog en zo donker mogelijk bewaren. Op de velg gemonteerde banden niet loodrecht neerzetten.
Banden zonder velgen in geschikte hoezen beschermen tegen verontreinigingen en staande op het loopvlak opslaan.

WAARSCHUWING
Agressieve stoffen en vloeistoffen kunnen zichtbare en onzichtbare beschadigingen aan de banden tot gevolg hebben, wat klapbanden tot gevolg kan hebben.
- Chemicaliën, oliën, vetten, brandstoffen, remvloeistoffen en andere agressieve stoffen altijd bij de banden uit de buurt houden.

WAARSCHUWING
Oude banden kunnen - ook als deze nog niet zijn gebruikt - vooral bij hoge snelheden plotseling lucht verliezen en klappen en daardoor ongevallen en zware verwondingen veroorzaken.
- Banden die ouder zijn dan zes jaar alleen in noodgevallen en met de grootste terughoudendheid gebruiken en hiermee voorzichtig rijden.

Oude banden altijd volgens de voorschriften en vakkundig afvoeren en verwerken.

Velgen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Velgen en wielbouten zijn constructief op elkaar af-gestemd. Bij elke aanpassing aan andere velgen de erbij behorende wielbouten met de juiste lengte en vorm gebruiken. De bevestiging van de wielen en de werking van het remsysteem hangt daarvan af ⇒ pagina 231.
Om technische redenen kunt u normaliter velgen van andere wagens niet gebruiken. Dit geldt soms zelfs voor velgen van hetzelfde model wagen.
De door Volkswagen vrijgegeven banden en vel- gen zijn exact op het bijbehorende model afge- stemd en leveren daarmee een belangrijke bijdra- ge aan een stabiele wegligging en veilige rijeigen- schappen.
Wielbouten
Wielbouten moeten altijd met het correcte aantrek- moment worden vastgedraaid ⇒ pagina 231.
Velgen met vastgeschroefde velgring
Velgen met een vastgeschroefde velgring bestaan uit meerdere onderdelen. Deze onderdelen worden met speciale bouten en volgens een speciale procedure aan elkaar vastgeschroefd. Daardoor zijn de werking, dichtheid, veiligheid en het exact rond lopen van het wiel gewaarborgd. Beschadigde velgen moeten om deze reden worden vervangen en mogen nooit door een specialist worden gerepareerd. Volkswagen adviseert hiervoor een Volkswagen Partner ⇒ ⚠️.
Velgen met vastgeschroefde sierelementen
Velgen kunnen van losse sierelementen zijn voorzien, die met zelfborgende bouten aan de velg zijn gemonteerd. Beschadigde sierelementen alleen door een specialist laten vervangen. Volkswagen adviseert hiervoor een Volkswagen Partner ⇒ ▲.

WAARSCHUWING
Het gebruik van ongeschikte of beschadigde velgen kan de rijveiligheid belemmeren en ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Alleen voor de wagen goedgekeurde vel-gen gebruiken.
- Velgen regelmatig op beschadigingen controleren en zo nodig vervangen.

WAARSCHUWING
Verkeerd losmaken en vastdraaien van de bouten bij velgen met vastgeschroefde velgringen kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit de schroefverbindingen van velgen met vastgeschroefde velgring losmaken.
- Alle werkzaamheden aan velgen met vastgeschroefde velgring door een specialist laten uitvoeren. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.

Nieuwe banden en banden vervangen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Nieuwe banden
- Met nieuwe banden tijdens de eerste 600 km bijzonder voorzichtig rijden, omdat de banden eerst moeten worden ingereden. Niet-ingereden banden hebben verminderde grip ⇒ ▲ en remwerking ⇒ ▲.
- Op alle vier de wielen alleen radiaalbanden van hetzelfde type, dezelfde grootte (afrolomtrek) en met hetzelfde profiel gebruiken.
- Op basis van constructiekenmerken en profielvormen kan de profieldiepte van nieuwe banden afhankelijk van de uitvoering en de fabrikant verschillend uitvallen.
Banden vervangen
- Banden liefst niet afzonderlijk vervangen, maar minimaal per as (beide banden van de vooras of beide banden van de achteras) ⇒ ▲.
- Oude banden alleen vervangen door banden die door Volkswagen voor het bijbehorende model zijn goedgekeurd. Let daarbij op bandenmaat, diameter, draaglast en maximumsnelheid.
- Nooit banden gebruiken, waarvan de effectieve grootte de afmetingen van door Volkswagen goedgekeurde banden overschrijdt. Grotere banden kunnen aanlopen en langs de carrosserie of andere onderdelen schuren.

WAARSCHUWING
Nieuwe banden moeten worden ingereden, omdat nieuwe wielen in het begin verminderde grip en remwerking hebben.
- Om ongevallen en zware verwondingen te voorkomen, tijdens de eerste 600 km overeenkomstig voorzichtig rijden.

WAARSCHUWING
Wielen moeten de constructief noodzakelijke vrije ruimte hebben. Bij ontbrekende vrije ruimte kunnen de banden tegen onderdelen van het onderstel, de carrosserie en remleidingen schuren, wat defect raken van het remsysteem en loslaten van het loopvlak en daarmee een klapband tot gevolg kan hebben. - De daadwerkelijke afmetingen van de banden mogen niet groter zijn dan de afmetingen van de door Volkswagen goedgekeurde banden. De banden mogen niet langs onderdelen van de wagen schuren.

Hoewel de gegevens over de grootte op de band hetzelfde kunnen zijn, kunnen de daadwerkelijke afmetingen van de verschillende bandentypen van deze nominale waarden afwijken of kan de vorm van de band aanzienlijk verschillen.

Bij banden die door Volkswagen zijn vrijgegeven, is gegarandeerd dat de daadwerkelijke afmetingen bij de wagen passen. Bij andere bandentypen moet de verkoper bij de band een schriftelijke verklaring van de fabrikant afgeven, waaruit blijkt dat het bandentype eveneens geschikt is voor de wagen. Deze schriftelijke verklaring goed bewaren en in de wagen meenemen.

Afbeelding 120 In de tankklep: Bandenspanningsplaatje

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
De correcte bandenspanning voor af fabriek ge- monteerde banden staat op een sticker en geldt voor zomer- en winterbanden. De sticker ⇒ Afbeelding 120 zit op de bestuurdersportierstijl of aan de binnenzijde van de tankklep.
Een te lage of te hoge bandenspanning verkort de levensduur van de banden en heeft een ongunstig effect op het rijgedrag van de wagen ▲. Vooral bij hoge snelheden is de juiste bandenspanning bijzonder belangrijk. Verkeerde bandenspanning leidt tot hogere slijtage of zelfs tot het klappen van de band.
De spanning moet daarom ten minste eenmaal per maand en bovendien vóór elke langere rit worden gecontroleerd.
De aangegeven bandenspanning geldt voor een koude band. De bandenspanning is bij warme banden hoger dan bij koude banden.
Laat daarom nooit lucht uit een warme band ont-snappen om de bandenspanning aan te passen. In dat geval wordt de bandenspanning zo laag, dat dit een klapband zou kunnen veroorzaken.
Bandenspanning controleren
De bandenspanning alleen controleren, als de banden niet meer dan enkele kilometers met lage snelheid in de laatste drie uur hebben gereden.
- Bandenspanning regelmatig en altijd bij koude banden controleren. Altijd alle banden controleren, ook de band van het reservewiel, indien aanwezig. In koudere-gebieden moet de bandenspanning vaker worden gecontroleerd, maar alleen wanneer nog niet met de wagen is gereden. Altijd een goed werkende bandenspanningstester gebruiken.
- Bij hogere belading de bandenspanning overeenkomstig aanpassen.
- Let er na het aanpassen van de bandenspanningen op, dat de ventieldopjes erop gedraaid zijn.
Het reservewiel resp. noodreservewiel krijgt de hoogste bandenspanning die voor de wagen is bedoeld.

WAARSCHUWING
Een te hoge of te lage bandenspanning kan tot gevolg hebben dat de band tijdens het rijden plotseling lucht verliest of klapt. Dat kan zware ongevallen of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- Een te lage bandenspanning kan de band zo sterk opwarmen, dat dit kan leiden tot loslating van het loopvlak en springen van de band.
- Een te hoge snelheid resp. te zware belading van de wagen kan leiden tot oververhitting en plotselinge bandschade, zoals het klappen van de band of het loslaten van het loopvlak, waardoor de controle over de wagen wordt verloren.
- Een te lage of te hoge bandenspanning verkort de levensduur van de banden en verslechtert het rijgedrag van de wagen.
- Controleer regelmatig de bandenspanning; echter ten minste eenmaal per maand en daarnaast vóór elke langere rit.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- Alle banden moeten de juiste banden-spanning hebben die overeenkomt met de belading.
- Nooit de verhoogde luchtdruk bij warme banden verminderen.
LET OP
- Bij het plaatsen van de bandenspanningsmeter erop letten dat deze niet scheef op het ventiel terecht komt. Anders kan het ventiel worden beschadigd.
LET OP (vervolg)
- Ontbrekende, ongeschikte of verkeerd erop gedraaide ventieldopjes kunnen tot beschadigingen aan het ventiel leiden. Daarom altijd met volledig vastgeschroefde ventieldopjes rijden die overeenkomen met de af fabriek gemonteerde dopjes.

Te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik.
△
Profieldiepte en slijtagemerktekens

Afbeelding 121 Bandenprofiel: Slijtagemerktekens
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 193 en volg deze op.
Profieldiepte
Bijzondere rijsituaties vereisen een zo groot mogelijke profieldiepte van de banden en een bij benadering identieke profieldiepte van de banden op de voor- en achteras. Dit geldt vooral voor het rijden bij winterse temperaturen en bij nat wegdek ⇒ ▲.
In de meeste landen is bij 1,6 mm restprofiel, gemeten in de profielgroeven naast de slijtagemerktekens, de wettelijk toegestane minimale profieldiepte bereikt. Volg de landspecifieke wettelijke voorschriften op.
Winterbanden verliezen grotendeels hun wintereigenschappen, als het profiel tot op 4 mm is afgesleten.
De profieldiepte bij nieuwe banden kan door constructiekenmerken en profielvormgeving afhankelijk van de uitvoering en fabrikant verschillend uitvallen.
Slijtagemerktekens in de band
Op de bodem van de profielgroeven zitten dwars op de rijrichting 1,6 mm hoge slijtagemerktekens Afbeelding 121. Deze slijtagemerktekens zijn meerdere malen op dezelfde afstanden op het loopvlak geplaatst. Markeringen op de wangen van de band (bv. de letters "TWI" of symbolen) geven de plaats van de slijtagemerktekens aan.
De slijtagemerktekens geven aan of een band versleten is. Uiterlijk wanneer het profiel van de band tot de slijtagemerktekens is afgesleten, moet de band worden vervangen.
! WAARSCHUWING
Versleten banden vormen een veiligheidsrisico en kunnen ertoe leiden dat u de controle over de wagen verliest en ernstig letsel oploopt.
- Uiterlijk als de banden tot de slijtagemerktekens zijn versleten, moeten de banden worden vervangen door nieuwe banden.
- Versleten banden hebben een sterk verminderde grip, met name op een nat wegdek, waardoor de wagen eerder gaat "glijden" (aquaplaning).
- Met versleten banden is het lastiger om de wagen in normale en gevaarlijke rijsituaties goed te controleren. Versleten banden verlengen de remweg en verhogen het slipgevaar.
<

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Schade aan banden en velgen steekt vaak verborgen de kop op. Ongebruikelijke trillingen resp. eenzijdig trekken van de wagen kunnen op schade aan de banden wijzen ⇒ ⚠.
- Als de verdenking bestaat dat een wiel is beschadigd, direct de snelheid verminderen!
- Banden en velgen regelmatig op beschadigingen controleren.
- Bij beschadigde banden niet verder rijden en vakkundige hulp inschakelen.
- Als aan de buitenkant geen schade herkenbaar is, met aangepaste snelheid en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist rijden om de wagen te laten controleren.
Binnengedrongen vreemde voorwerpen in de band
- Binnengedrongen vreemde voorwerpen in de band laten, als deze tot in de band zijn doorgedrongen!
- Onmiddellijk de hulp van een specialist inroepen.
Bandenslijtage
De bandenslijtage is afhankelijk van meerdere factoren, bijvoorbeeld:
• Rijstijl
- Onbalans in de wielen.
- Afstellingen van het onderstel
Rijstijl - Snel rijden door bochten, snel accelereren en sterk remmen verhogen de slijtage van de banden. Bij sterke slijtage van de banden terwijl u een normale rijstijl heeft, de afstelling van het onderstel door een specialist laten controleren.
Onbalans in de wielen – De wielen van een nieuwe wagen zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan echter door verschillende invloeden een onbalans ontstaan die merkbaar is aan onrust in het stuurwiel. Een onbalans heeft ook invloed op de slijtage van de stuurinrichting en de wielophanging. Laat daarom in een dergelijk geval de wielen opnieuw balanceren. Een nieuwe band moet na de montage opnieuw worden gebalanceerd.
Afstellingen van het onderstel – Een verkeerde af- stelling van het onderstel schaadt de rijveiligheid en zorgt voor verhoogde bandenslijtage. Laat bij sterke bandenslijtage de uitlijning door een specia- list controleren.

WAARSCHUWING
Ongebruikelijke trillingen of eenzijdig trekken van de wagen tijdens het rijden kunnen op schade aan de banden wijzen.
- Snelheid direct verminderen en rekening houdend met het verkeer stoppen.
- Banden en velgen regelmatig op beschadigingen controleren.
- Nooit met beschadigde banden of velgen verder rijden. De hulp van een specialist in-roepen.
- Als aan de buitenkant geen schade herkenbaar is, met aangepaste snelheid en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist rijden om de wagen te laten controleren.

Afbeelding 122 In de bagageruimte: Handwiel voor de bevestiging van het reservewiel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Reservewiel verwijderen
- Achterklep openen en hoedenplank omhoogklappen ⇒ pagina 96.
- Zo nodig de variabele bagageruimtebodem verwijderen ⇒ pagina 96.
- Bodembekleding aan de uitsparing optillen en uit de bagageruimte verwijderen.
- Zo nodig het wagengereedschap uit de houder verwijderen.
- Handwiel in het midden van het reservewiel Afbeelding 122 linksom volledig eruit draaien en reservewiel verwijderen.
Verwisseld wiel opbergen
• Bodembekleding verwijderen.
- Het vervangen wiel met de velg naar beneden zo in de uitsparing voor het reservewiel leggen, dat het gat in het midden van de velg precies boven de boring ligt.
- Het handwiel met het draadeind zo lang rechtsom draaien tot het verwisselde wiel veilig is bevestigd.
- Eventueel het wagengereedschap in de houder in de bagageruimte terugleggen.
- Bodembekleding op de bagageruimtebodem terugleggen.
• Hoedenplank omlaagklappen.
- Achterklep sluiten.
Als het reservewiel afwijkt van de normale banden
Als de uitvoering van het reservewiel afwijkt van de banden waarmee wordt gereden, bijvoorbeeld bij winterbanden of het noodreservewiel, mag het reservewiel alleen in geval van pech korte tijd en met overeenkomstig voorzichtige rijstijl worden gebruikt

Dit wiel zo snel mogelijk weer door een normaal wiel vervangen.
Volg de aanwijzingen voor het rijden op:
- Niet sneller dan 80 km/h (50 mph) rijden!
- Accelereren met volgas, sterk remmen en het snel nemen van bochten voorkomen!
- Geen sneeuwkettingen op het noodreservewiel gebruiken pagina 204.
- Na de montage van het reservewiel resp. nood-reservewiel zo snel mogelijk de bandenspanning controleren ⇒ pagina 197.
De bandenspanning van het reservewiel resp. het noodreservewiel moet tegelijk met die van de overige banden worden gecontroleerd, ten minste eenmaal per maand. Het reservewiel krijgt de hoogste bandenspanning die voor de wagen is aangegeven ⇒ pagina 197. De bandenspanning voor het noodreservewiel staat op de sticker op het noodreservewiel.

WAARSCHUWING
Een verkeerd gebruik van het reservewiel of noodreservewiel kan ertoe leiden dat de controle over de wagen wordt verloren, wat ongevallen en zware verwondingen tot gevolg kan hebben.
- Gebruik het reservewiel of noodreserve-wiel in geen geval, als dit beschadigd of tot op de slijtagemerktekens versleten is.
- Bij enkele wagens kan het reservewiel kleiner zijn dan de originele banden. Het kleinere reservewiel is te herkennen aan een sticker met het opschrift "80 km/h" resp. "50 mph". Dit opschrift geeft de toelaatbare maximumsnelheid aan, waarmee u op deze banden mag rijden.
- Nooit sneller dan 80 km/h (50 mph) rijden. Sterk accelereren, sterk remmen en het snel nemen van bochten voorkomen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit meer dan 200 km met een noodreservewiel rijden, als dit op de aandrijfas is gemonteerd.
- Het noodreservewiel zo snel mogelijk vervangen door een normaal wiel. Het noodreservewiel is bedoeld voor kortstondig gebruik.
- Het noodreservewiel moet altijd met de af fabriek geleverde wielbouten worden bevestigd.
- Nooit met meer dan één noodreservewiel rijden.
- Na de montage van het noodreservewiel moet de bandenspanning zo snel mogelijk worden gecontroleerd ⇒ pagina 197.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Op het noodreservewiel kunnen geen sneeuwkettingen worden gebruikt.
Indien mogelijk het reservewiel, noodreserve-wiel of het verwisselde wiel veilig in de bagageruimte bevestigen. Bij wagens met bandenaf-dichtset kan het vervangen wiel niet worden vast-gezet.
Aanduiding op banden

Afbeelding 123 Internationale aanduiding op band

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 193 en volg deze op.
| Aanduiding op band (voorbeeld) | Betekenis | |
| Merknaam, logo | Fabrikant | |
| Productnaam | Individuele bandaanduiding van de fabrikant | |
| P255 / 55 R 18 | Maataanduiding: | |
| P | Aanduiding voor personenwagen. | |
| 255 | Breedte van band van wang tot wang in mm. | |
| 55 | Hoogte-breedteverhouding in % | |
| R | Code voor radiaalband | |
| 18 | Diameter van de velgen in inches | |
| 109 H | Code voor het draagvermogen⇒pagina 203 en snelheidscode⇒pagina 203. | |
| XL | Band met versterkte uitvoering ("Reinforced"). | |
| M+S of M/S of ⬆ | Aanduiding voor banden die geschikt zijn voor gebruik 's winters (modder- en sneeuwbanden)⇒pagina 203. | |
| RADIAL TUBELESS | Tubeless radiaalband | |
| E4 ... | Code die voldoet aan internationale voorschriften (E) met het num-mer van het goedkeuringsland. Aansluitend volgt het meercijferige goedkeuringsnummer. | |
| DOT BT RA TY5 1709 | Bandenidentificatienummer (TINa)– eventueel alleen op de binnen-zijde van de band) en productiedatum: | |
| DOT | De band voldoet aan de wettelijke eisen van het Ministerie van Verkeer van de VS dat verantwoordelijk is voor de veiligheidsnormen van banden (Department of Transportation). | |
| BT | Code van de fabriek | |
| RA | Gegevens van de bandenfabrikant over de bandenmaat | |
| TY5 | Bandenkenmerken van de fabrikant | |
| 1709 | Productiedatum: 17e week in het jaar 2009 | |
| TWI | Markeert de positie van de slijtagemerktekens (Tread Wear Indica-tor)⇒pagina 198. | |
| Made in Germany | Productieland | |
| MAX LOAD 615 KG | Amerikaanse beladingsgegevens voor de maximale belading per wiel | |
| MAX INFLATION 350 KPA (51 PSI) | Amerikaanse begrenzing voor de maximale luchtdruk | |
| SIDEWALL 1 PLY RAYON | Gegevens over de bestanddelen van de onderlaag van de band: 1 laag rayon (kunstzijde) | |
| TREAD 4 PLIES1 RAYON + 2 STEEL + 1 NYLON | Gegevens over de bestanddelen van het loopvlak: in het voorbeeld zitten onder het loopvlak 4 lagen: 1 laag rayon (kunstzijde), 2 staalgordellagen en 1 nylon laag. | |
| Informatie voor eindverbruikers over vergelijkende waarden ten opzichte van de basisband (ge-standaardiseerde testmethode)⇒pagina 215: | ||
| TREADWEAR 220 | Relatieve levensverwachting van de band, gebaseerd op een VS-specifieke standaardtest. | |
| TRACTION A | Remvermogen van de band op nat wegdek (AA, A, B of C). | |
| TEMPERATURE A | Temperatuurbestendigheid van de band bij hogere testbanksnelhe-den (A, B of C). | |
| Bij eventuele verder aanwezige cijfers gaat het om interne codes van de bandenfabrikant of landspecifieke codes, bv. voor Brazilië of China. | ||
a) TIN is het serienummer van de band.
Draairichtinggebonden banden
Draairichtinggebonden banden zijn bedoeld voor slechts één draairichting. Bij draairichtinggebonden banden is de wang van de band met pijlen gemarkeerd. De aangegeven draairichting beslist aanhouden. Hierdoor worden de optimale rij-eigen-schappen met betrekking tot aquaplaning, grip, geluid en wrijving gegarandeerd.
Als een band toch tegen de voorgeschreven draairichting in wordt gemonteerd, moet voorzichtiger worden gereden, omdat de band niet op de juiste manier wordt gebruikt. Dit geldt vooral op natte wegen. De band moet zo snel mogelijk worden vervangen of in de juiste draairichting worden gemonteerd.
Draaglast van de band
De code voor het laadvermogen geeft aan met hoeveel kilo een afzonderlijke band maximaal mag worden belast (draaglast).
| 78 | 425 kg |
| 81 | 462 kg |
| 83 | 487 kg |
| 85 | 515 kg |
| 87 | 545 kg |
| 91 | 615 kg |
Snelheidscode
De snelheidscode geeft aan met welke maximumsnelheid met de band mag worden gereden.
| P | max. 150 km/h (93 mph) |
| Q | max. 160 km/h (99 mph) |
| R | max. 170 km/h (106 mph) |
| S | max. 180 km/h (112 mph) |
| T | max. 190 km/h (118 mph) |
| U | max. 200 km/h (124 mph) |
| H | max. 210 km/h (130 mph) |
| V | max. 240 km/h (149 mph) |
| Z | boven 240 km/h (149 mph) |
| W | max. 270 km/h (168 mph) |
| Y | max. 300 km/h (186 mph) |
Sommige bandenfabrikanten gebruiken voor banden met een maximale topsnelheid van meer dan 240 km/h (149 mph) de lettercombinatie "ZR".
Winterbanden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Bij winterse wegomstandigheden verbeteren winterbanden de rijeigenschappen van de wagen aanzienlijk. Zomerbanden hebben wegens hun constructie (breedte, rubbersamenstelling, profielvorming) op ijs en sneeuw minder grip. Volkswagen adviseert dringend winterbanden of allweatherbanden op alle vier de wielen van de wagen te gebruiken, met name wanneer winterse omstandigheden te verwachten zijn. Winterbanden verbeteren ook het remgedrag van de wagen en helpen om de remweg bij winterse omstandigheden te beperken. Volkswagen adviseert om bij temperaturen onder de +7 °C (+45 °F) winterbanden op de wagen te monteren.
Winterbanden verliezen grotendeels hun wintereigenschappen, als het bandenprofiel tot op 4 mm is afgesleten. Ook verliezen winterbanden door veroudering grotendeels hun eigenschappen - onafhankelijk van de diepte van het nog aanwezige bandenprofiel.
Voor het gebruik van winterbanden geldt het volgende:
- De landspecifieke wettelijke voorschriften in acht nemen.
- Winterbanden op alle vier de wielen gelijktijdig gebruiken.
- Alleen bij winterse wegomstandigheden gebruiken.
- Alleen de voor de wagen goedgekeurde winterbandenmalen gebruiken.
- Alleen winterbanden van hetzelfde type radiaalband, dezelfde grootte (afrolomtrek) en met hetzelfde profiel gebruiken.
- Let op de snelheidsbegrenzing die afhankelijk is van de snelheidscode ▲.
Snelheidsbegrenzing
Winterbanden hebben afhankelijk van de snel-heidscode een snelheidsbegrenzing → pagina 201.
Bij sommige wagenuitvoeringen kan in het menu MFA (multifunctie-indicatie) in het instrumentenpaneel een snelheidswaarschuwing worden ingesteld => pagina 22.
Bij V-winterbanden hangen de snelheidsbeperking en de bandenspanning van het motortype af. Vraag de Volkswagen Partner beslist naar de toegestane topsnelheid en de noodzakelijke bandenspanning.

WAARSCHUWING
De bij winterse wegomstandigheden door de winterbanden verbeterde rijeigenschappen mogen geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere risico's.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.
- Nooit de voor de gemonteerde winterbanden toegestane maximumsnelheid en draaglast overschrijden.

Na de winter op tijd weer de zomerbanden monteren. Bij temperaturen boven de +7 °C (°F) zijn de rijeigenschappen van zomerbanbeter. De bandengeluiden, de bandenslijtage et brandstofverbruik zijn geringer.

Vraag de toegelaten winterbandenmaten zo nodig op bij een Volkswagen Partner.
△
Sneeuwkettingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-3 en volg deze op.
Volg de wettelijke en lokale voorschriften alsmede de toegelaten maximumsnelheid bij het rijden met sneeuwkettingen op.
Bij winterse wegomstandigheden verbeteren snee- uwkettingen niet alleen de tractie, maar ook het remgedrag.
Sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen en alleen op de volgende velg-bandcombinaties worden gemonteerd:
| Bandenmaat | Velg |
| 165/70 R 14 | 5 J x 14 ET 35 |
Volkswagen adviseert om u te laten informeren bij de Volkswagen Partner over de afmetingen van de velgen, banden en sneeuwkettingen.
Indien mogelijk sneeuwkettingen met platte schakels gebruiken die inclusief het kettingslot niet dikker zijn dan 15 mm.
Bij gebruik van sneeuwkettingen de naafdoppen en velgsierringen verwijderen voordat de sneeuwkettingen worden aangebracht ①. De wielbouten moeten om veiligheidsredenen van wielboutdoppen worden voorzien. Deze zijn bij een Volkswagen Partner verkrijgbaar.
Noodreservewiel
Het gebruik van sneeuwkettingen op het noodreservewiel is om technische redenen niet toegestaan ⇒ pagina 200.
Als bij gemonteerd noodreservewiel met sneeuwketting moet worden gereden, het noodreservewiel bij bandenpech aan een voorwiel op de achteras monteren. Het vrijgekomen achterwiel dan in plaats van het beschadigde voorwiel monteren. Hierbij op de draairichting van de band letten. Volkswagen adviseert om eerst de sneeuwketting om de band te leggen en daarna pas het wiel te monteren.

WAARSCHUWING
Het gebruik van ongeschikte sneeuwkettingen of het onjuist monteren van sneeuwkettingen kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Altijd de juiste sneeuwkettingen gebruiken.
- Let op de montagehandleiding van de fabrikant van de sneeuwkettingen.
- Rijd met gemonteerde sneeuwkettingen nooit sneller dan toegestaan.

LETOP
- Op sneeuwvrije trajecten de sneeuwkettingen verwijderen. De sneeuwkettingen beïnvloeden anders de rijeigenschappen, beschadigen de banden en zijn snel versleten.
- Sneeuwkettingen die in direct contact komen met de velgen kunnen de velgen bekrassen of beschadigen. Volkswagen adviseert sneeuwkettingen te gebruiken die van bescherming zijn voorzien.

Sneeuwkettingen zijn voor een model in verschillende maten verkrijgbaar.
△
Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Inrijden 205
Accessoires en onderdelen 206
Bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen ..... 207
Reparaties en technische wijzigingen ..... 207
Reparaties en beschadigingen aan het airbagsysteem 208
Naderhand inbouwen van zendontvangapparatuur 209
Opgeslagen informatie in de regelapparaten . 209
Gebruik van een mobiele telefoon in de wagen zonder aansluiting op de buitenantenne 210
Draagbaar navigatieapparaat 212
Steunpunten voor het omhoogbrengen van de wagen 213
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Veiligheidsgordels ⇒ pagina 55
• Airbagsysteem ⇒ pagina 64
• Dakdragersysteem ⇒ pagina 101
- Asbakken en sigarettenaansteker ⇒ pagina 111
- Stopcontact ⇒ pagina 113
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 122
• Parkeerhulp ⇒ pagina 139
• Snelheidsregelsysteem (SRS) → pagina 142
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
• Motorola ⇒ pagina 167
• Motorkoelvloeistof ⇒ pagina 171
- Accu ⇒ pagina 175
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 179
- Interieur verzorgen en schoonmaken ⇒ pagina 187
• Verbruikersinformatie ⇒ pagina 215
• ⇒ brochure Radio - Gebruiksaanwijzing voor het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) in het apparaat

WAARSCHUWING
Ongeschikte onderdelen en accessoires alsmede ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden, wijzigingen en reparaties kunnen beschadigingen aan de wagen, ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Volkswagen adviseert dringend om alleen goedgekeurde Volkswagen-accessoires en Volkswagen Originele Onderdelen® te gebruiken. Hiervoor heeft Volkswagen de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid vastgesteld.
- Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren. Specialisten hebben de noodzakelijke gereedschappen, elektronicatesters, reparatie-informatie en gekwalificeerd personeel.
- Alleen onderdelen op de wagen monteren die qua uitvoering en eigenschappen overeenkomen met de onderdelen die af fabriek gemonteerd zijn.
- Nooit voorwerpen, zoals bv. bekerhouders, telefoonhouders, op of naast de afdekkingen van de airbagmodules of binnen het werkingsgebied van de airbags bevestigen of monteren.
- Alleen velg-bandcombinaties gebruiken die door Volkswagen voor het model zijn goedgekeurd.
Inrijden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Let op de betreffende bepalingen voor het inrijden van nieuwe onderdelen.
Motor inrijden
Een nieuwe motor moet tijdens de eerste 1500 kilometer worden ingereden. Tijdens de eerste bedrijfsuren heeft de motor een hogere inwendige wrijving dan later, wanneer alle bewegende delen aan elkaar zijn aangepast.
De rijstijl gedurende de eerste 1500 kilometer beinvloedt ook de motorkwaliteit. Ook daarna moeten – met name bij koude motor – hoge motortoerentallen worden vermeden om de slijtage van de motor te beperken en de levensduur van de motor te verlengen. Niet met een te laag toerental rijden. Al- tijd terugschakelen als de motor niet meer soepel draait. Tot 1000 kilometer geldt:
- Geen volgas geven.
- De motor niet met meer dan 2/3 van het maximumtoerental belasten.
Van 1000 t/m 1500 kilometer de rijprestatie geleidelijk verhogen tot de volledige snelheid en het hoogste motortoerental.
Nieuwe banden en remblokken inrijden
- Nieuwe banden en banden vervangen
⇒pagina 193
• Informatie over de remmen ⇒ pagina 122

Wanneer u de nieuwe motor voorzichtig in- rijdt, wordt de levensduur van de motor lan- erwijl het motorolieverbruik geringer is.
△
Accessoires en onderdelen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Volkswagen raadt u aan, u door uw Volkswagen Partner te laten adviseren, voordat u accessoires, onderdelen en bedrijfsmiddelen koopt. Bijvoorbeeld wanneer u de wagen naderhand met accessoires wilt uitrusten of als onderdelen moeten worden vervangen. De Volkswagen Partner geeft informatie over wettelijke bepalingen en fabrieksaanbevelingen voor accessoires, onderdelen en bedrijfsmiddelen.
Volkswagen adviseert om alleen goedgekeurde Volkswagen-accessoires en Volkswagen Originale Onderdelen® te gebruiken. Hiervoor heeft Volkswagen de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid vastgesteld. Een Volkswagen Partner is bovendien gekwalificeerd voor de vakkundige montage.
Voor producten die niet door Volkswagen zijn vrijgegeven, kunnen door Volkswagen, ondanks het feit dat de ontwikkelingen op de markt nauwgezet worden gevolgd, niet worden beoordeeld voor wat betreft de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid voor uw wagen. Daarom kan Volkswagen daar ook niet voor instaan, zelfs niet als in enkele gevallen een rapport van een officiële technische keuringsdienst of van een overheidsinstantie is bijgevoegd.
Naderhand ingebouwde apparaten die direct de controle van de bestuurder over de wagen beïnvloeden, moeten voorzien zijn van een e-code
(keuringscode van de Europese Unie) en door Volkswagen voor uw wagen zijn vrijgegeven. Tot zulke apparaten worden bijvoorbeeld een snel-heidsregelsysteem of elektronisch geregelde dem-pingssystemen gerekend.
Extra aangesloten elektrische apparaten, die niet voor de directe controle van de wagen dienen, moeten zijn voorzien van een C€-merkteken (conformiteitsverklaring van de fabrikanten in de Europese Unie). Tot zulke apparaten worden bijvoorbeeld koelboxen, computers of ventilatoren gerekend.

WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde reparaties en wijzigingen aan de wagen kunnen de doeltreffendheid van de activerende airbags belemmeren alsmede storingen, ongevallen en dodelijke verwondingen tot gevolg hebben.
- Nooit voorwerpen, zoals bv. bekerhouders of telefoonhouders, op of naast de afdekkingen van de airbageenheden of binnen het werkingsgebied van de airbags neerleggen, bevestigen of monteren.
- Voorwerpen, die op of naast de afdekkingen van de airbagmodules resp. binnen het werkingsgebied van de airbags zijn neergelegd of bevestigd, kunnen zware of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben als de airbags worden geactiveerd.
△
Bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Alle bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen, zoals getande riem, banden, motorkoelvloeistof, motorolie, maar ook bougies en accu's, worden voortdurend verder ontwikkeld. Laat bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen daarom door een specialist vervangen. Een Volkswagen Partner is altijd over actuele wijzigingen geïnformeerd.

WAARSCHUWING
Ongeschikte bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen alsmede het onjuiste gebruik ervan kunnen ongevallen, ernstige verwondingen, brandwonden en vergiftigingen tot gevolg hebben.
- Bedrijfsvloeistoffen alleen in de afgesloten originele verpakking bewaren.
- Nooit lege blikken, flessen of andere verpakkingen van levensmiddelen gebruiken om bedrijfsvloeistoffen te bewaren, omdat personen per ongeluk hieruit zouden kunnen drinken.
- Kinderen uit de buurt houden van alle bedrijfsvloeistoffen en bedrijfsmiddelen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de informatie en de waarschuwingen op de verpakkingen van de bedrijfsvloeistoffen lezen en in acht nemen.
- Bij het gebruik van producten die schadelijke dampen afgeven, altijd in de buitenlucht of in een goed geventileerde omgeving werken.
- Nooit brandstof, terpentine, motorolie, nagellakverwijderaar of andere vervluchtigende vloeistoffen gebruiken voor de verzorging van de wagen. Deze stoffen zijn giftig en licht ontvlambaar. Ze kunnen brand en explosies veroorzaken!

LET OP
- Alleen geschikte bedrijfsvloeistoffen bijvullen. Bedrijfsvloeistoffen in geen geval verwisselen. Anders kunnen ernstige storingen en motorschade het gevolg zijn!
- Accessoires en andere aanbouwdelen vóór de koelluchtinlaat verslechteren de koelende werking van de motorkoelvloeistof. Bij hoge omgevingstemperaturen en sterke motorbelasting kan de motor oververhit raken!

Weglopende bedrijfsvloeistoffen kunnen het milieu vervuilen. Vrijgekomen bedrijfsvloeien in geschikte bakken opvangen en op de voor bestemde plaatsen inleveren.
△
Reparaties en technische wijzigingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Bij reparaties en technische wijzigingen moeten de richtlijnen van Volkswagen worden aangehouden ⇒ ⚠!
Wijzigingen van elektronische onderdelen en de bijbehorende software kunnen tot storingen leiden. Vanwege de koppeling van elektronische onderdelen kunnen deze storingen ook direct de werking van systemen die er niet in eerste instantie mee te maken hebben, belemmeren. Dit betekent dat de bedrijfsveiligheid van uw wagen aanzienlijk in gevaar gebracht kan zijn, dat onderdelen van de wagen eerder slijten en dat ten slotte de typegoedkeuring van de wagen ongeldig kan worden.
De Volkswagen Partner kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade als gevolg van ondeskundig uitgevoerde reparaties en technische wijzigingen.
De Volkswagen Partner is niet verantwoordelijk voor schade die het gevolg is van verkeerd uitgevoerde reparaties of technische wijzigingen. Deze schade valt ook niet onder de Volkswagen Garantie.
Volkswagen adviseert alle reparaties en technische wijzigingen door geautoriseerde Volkswagen Partners te laten uitvoeren met Volkswagen Originele Onderdelen®.
Aanwijzing voor wagens met bijzondere aanbouw- en opbouwdelen
De fabrikanten van aan- en opbouwdelen garanderen dat de bij aan- en opbouwdelen (aanpassingen) geldende milieuwetten en -voorschriften in acht worden genomen, in het bijzonder EU-richtlijn 2000/53/EG met betrekking tot autowrakken en EU-richtlijn 2003/11/EG met betrekking tot beperkingen voor het in omloop brengen en toepassen van bepaalde gevaarlijke (grond)stoffen.
De montagebijlagen van de aanpassingen moeten door de bezitter van de wagen worden bewaard en wanneer de wagen wordt gesloopt bij de overdracht van de wagen aan het uitvoerende demontagebedrijf worden overhandigd. Op deze manier moet milieuvriendelijke verwerking, ook bij omgebouwde wagens, worden gegarandeerd.
Reparaties aan de voorruit
Sommige uitrustingen werken met een camera of sensoren, die in de buurt van de binnenspiegel tegen de voorruit zijn aangebracht. Als de voorruit in het zichtbereik van de camera of sensoren beschadigd is, bv. door steenslag, moet de voorruit worden vervangen. Het herstellen van de steenslagschade kan leiden tot storingen in de uitrustingen.
Na het vervangen van de voorruit moeten de camera en sensoren door een specialist afgesteld en gekalibreerd worden.

WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde reparaties en wijzigingen kunnen schade en storingen aan de wagen tot gevolg hebben en de doeltreffendheid van de bestuurdershulpsystemen belemmeren. Dit kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.
- Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren.
△
Reparaties en beschadigingen aan het airbagsysteem

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Bij reparaties en technische wijzigingen moeten de richtlijnen van Volkswagen worden aangehouden ⇒ ⚠!
Wijzigingen en reparaties aan de voorbumper, de portieren, de voorstoelen, de hemelbekleding of aan de carrosserie alleen door een specialist laten uitvoeren. In al deze wagenonderdelen kunnen systeemcomponenten en sensoren van het airbag-systeem zitten.
Bij werkzaamheden aan het airbagsysteem en bij het uit- en inbouwen van systeemonderdelen vanwege andere reparatiedoeleinden kunnen onderdelen van het airbagsysteem worden beschadigd. Dat kan tot gevolg hebben dat de airbags in geval van een aanrijding niet juist of helemaal niet werken.
Om de werking van de airbags niet te beïnvloeden en met uitgebouwde onderdelen geen lichamelijk letsel en milieuvervuiling te veroorzaken, moeten voorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bekend bij specialisten.
Een verandering aan de wielophanging van de wagen kan de werking van de airbag bij een ongeval beïnvloeden. Bijvoorbeeld door gebruik van velgbandcombinaties die niet door Volkswagen zijn
goedgekeurd, door het verlagen van de wagen, door het veranderen van de sterkte van de vering inclusief de veren, de veerpoten, de schokdemper enz. kunnen de krachten die door de airbagsensoren worden gemeten en aan het elektronische regelapparaat worden doorgegeven, worden gewijzigd. Sommige aanpassingen aan de vering kunnen bijvoorbeeld de door de sensoren gemeten krachten verhogen en het airbagsysteem laten activeren bij ongevalssituaties waarin het normaalgesproken niet zou worden geactiveerd, als de aanpassingen niet waren doorgevoerd. Andere wijzigingen kunnen de door de sensoren gemeten krachten verminderen en het activeren van de airbag voorkomen, als deze geactiveerd zou moeten worden.

WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde reparaties en wijzigingen kunnen schade en storingen aan de wagen tot gevolg hebben en de doeltreffendheid van de airbagsysteem beïnvloeden. Dit kan tot ongevallen en zware of dodelijke verwondingen leiden.
- Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren.
- Airbagmodules kunnen niet worden gerepareerd, maar moeten worden vervangen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit uit oude wagens uitgebouwde of uit de recycling voortkomende airbagonderdelen in de wagen inbouwen.

WAARSCHUWING
Een wijziging aan de wielophanging van de wagen inclusief het gebruik van niet toegelaten velg-bandcombinaties kan de werking

WAARSCHUWING (vervolg)
van de airbag veranderen en het risico van een zware of dodelijke verwonding bij een ongeval verhogen.
- Nooit onderdelen van de wielophanging inbouwen, die niet dezelfde eigenschappen hebben als de in de wagen ingebouwde originele onderdelen.
- Nooit velg-bandcombinaties gebruiken die niet door Volkswagen zijn goedgekeurd.
Naderhand inbouwen van zendontvangapparatuur

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Voor het gebruik van zendontvangapparatuur in de wagen heeft men een buitenantenne nodig.
Het naderhand inbouwen van elektrische of elektronische apparaten in de wagen heeft invloed op de typegoedkeuring van de wagen. In bepaalde gevallen kan daardoor de wettelijke goedkeuring voor uw wagen worden ingetrokken.
Volkswagen heeft voor uw wagen het gebruik van zendapparatuur onder de volgende voorwaarden vrijgegeven:
- Deskundig geïnstalleerde buitenantenne.
• Zendvermogen maximaal 10 watt.
Alleen met een buitenantenne wordt de optimale reikwijdte van de apparaten bereikt.
Wanneer u een zendontvangapparaat met een zendvermogen van meer dan 10 watt zou willen gebruiken, neem dan contact op met een specialist. Een specialist kent de technische mogelijkheden van het naderhand inbouwen. Volkswagen adviseert hiervoor uw Volkswagen Partner.
Wettelijke voorschriften en de instructies en aanwijzingen in de instructieboekjes van de zendontvangapparatuur in acht nemen.

WAARSCHUWING
Een onbevestigd of niet goed bevestigd zendontvangapparaat kan bij plotseling remmen of bij een onverwachte rijmanoeuvre alsmede bij een ongeval door de wagen worden geslingerd en verwondingen tot gevolg hebben.
- Zendontvangapparaat tijdens het rijden altijd op de juiste wijze en buiten het werkingsgebied van de airbag bevestigen of veilig opbergen.

VOORZICHTIG
Bij gebruik van zendontvangapparatuur zonder aansluiting op een buitenantenne kunnen in de wagen de grenswaarden voor elektromagnetische straling worden overschreden. Dit geldt ook bij een niet volgens de voorschriften geïnstalleerde buitenantenne.
- Gebruik het zendontvangapparaat in de wagen alleen met een op de juiste wijze aangesloten buitenantenne.
Opgeslagen informatie in de regelapparaten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Af fabriek is de wagen met elektronische regelapparaten uitgerust, die onder andere de motor- en versnellingsbakregeling voor hun rekening nemen. Bovendien bewaken de regelapparaten de werking van het uitlaatsysteem en de airbags.
De elektronische regelapparaten analyseren hiervoor tijdens het rijden continu wagenrelevante gegevens. Als storingen optreden of afwijkingen van de voorgeschreven waarden worden uitsluitend deze gegevens opgeslagen. Storingen worden over het algemeen aangegeven door controle-lampjes in het instrumentenpaneel.
Opgeslagen gegevens in de regelapparaten kunnen alleen met speciale apparaten worden gelezen en geanalyseerd.
Doordat de betreffende gegevens worden opgeslagen, wordt een specialist in staat gesteld de opgetreden storingen te herkennen en te verhelpen. Bij de opgeslagen gegevens kan het onder andere om de volgende gegevens gaan:
- Motor- en versnellingsbakrelevante gegevens
- Snelheid
• Rijrichting - Remkracht
Gordel
De ingebouwde regelapparaten nemen in geen ge- val gesprekken in de wagen op.
Bij wagens met noodoproepfunctie via de mobiele telefoon of andere aangesloten apparaten kan de huidige positie worden doorgegeven. Bij ongeval- len waarbij regelapparaten een airbagactivering regi- streren, kan het systeem automatisch een sig- naal zenden. Dit is afhankelijk van de provider. Zenden van signalen is alleen mogelijk in gebieden met voldoende dekking door een mobiel netwerk.
Ongevalgegevensgeheugen (Event Data Recorder)
De wagen is niet met een ongevalgegevensgeheugen uitgerust.
In een ongevalgegevensgeheugen wordt informatie van de wagen tijdelijk opgeslagen. Zo verkrijgt men bij een ongeval gedetailleerde inzichten over de toedracht van het ongeval. Bij wagens met een airbagsysteem kunnen bijvoorbeeld ongevalrelevante gegevens, zoals botssnelheid, gordelslottoestanden, zitplaatsen en activeringstijden worden opgeslagen. De gegevensomvang is afhankelijk van de betreffende fabrikant.
Het inbouwen van een dergelijk ongevalgegevensgeheugen mag alleen met toestemming van de eigenaar plaatsvinden en is in enkele landen wettelijk geregeld.
Herprogrammeren van regelapparaten
Alle gegevens voor het aansturen van componenten zijn opgeslagen in de regelapparaten. Sommige comfortfuncties, zoals comfortknipperen, éénportierontgrendeling en displayweergaven, kunnen met speciale apparatuur in de werkplaats geherprogrammeerd worden. Als de comfortfuncties geherprogrammeerd worden, komen de betreffende gegevens en beschrijvingen in de wagendocumentatie niet meer overeen met de gewijzigde functies. Volkswagen adviseert uitgevoerde herprogrammeringen te laten documenteren in het Serviceplan onder "Ruimte voor aanvullingen door de werkplaats".
Informatie over een mogelijke herprogrammering is bekend bij de Volkswagen Partner.
Storinggeheugen van de wagen afvragen
Binnen in de wagen zit een diagnoseaansluitbus voor het afvragen van storinggeheugens. Het storinggeheugen documenteert de opgetreden storingen en afwijkingen van de voorgeschreven waarden in de elektronische regelapparaten.
De diagnoseaansluiting zit in de voetenruimte aan de bestuurderszijde bij de zekeringenhouder.
Storinggeheugen alleen door een specialist laten afvragen en terugzetten.
△
Gebruik van een mobiele telefoon in de wagen zonder aansluiting op de buitenantenne

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Mobiele telefoons zenden en ontvangen zowel tijdens het bellen als in de standbymodus radiogolven, ook wel hoogfrequentenergie genoemd. In de actuele wetenschappelijke vakliteratuur wordt erop gewezen dat radiogolven schadelijk kunnen zijn voor het menselijk lichaam, als deze bepaalde grenswaarden overschrijden. Overheidsinstanties en internationale commissies hebben grenswaarden en richtlijnen vastgelegd voor de elektromagnetische straling die door mobiele telefoons mag worden afgegeven. Blijft de straling onder deze
grenswaarden, dan is er geen gevaar voor de gezondheid. Toch kan door de bekende wetenschappelijke gegevens niet worden aangetoond dat draadloze telefoons absoluut veilig zijn.
Om deze reden manen sommige experts tot een preventieve houding ten opzichte van het gebruik van mobiele telefoons, door het nemen van maatregelen die de op het menselijk lichaam inwerken-de straling verminderen.
Als u in de wagen een mobiele telefoon gebruikt die niet op de buitenantenne van de wagen is aangesloten, kan de elektromagnetische straling hoger zijn dan wanneer de mobiele telefoon op een geïntegreerde of andere buitenantenne is aangesloten.
In vele landen mag een mobiele telefoon alleen in de wagen worden gebruikt in combinatie met een geschikte handsfreeset. Als uw wagen is uitgerust met een handsfreeset, die het gebruik van talrijke extra functies van Bluetooth®-compatibele mobiele telefoons mogelijk maakt, kunt u uw mobiele telefoon in deze landen zonder problemen gebruiken.
De handsfreeset van het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) is ontwikkeld voor het gebruik van Bluetooth®-compatibele mobiele telefoons ⇒ pagina 212. Mobiele telefoons moeten zich in een geschikte telefoonhouder bevinden resp. veilig in de wagen zijn opgeborgen. Als een telefoonhouder wordt gebruikt, moet deze goed in de telefoonsteun (grondplaat) vastgeklikt zijn. Alleen zo is de mobiele telefoon goed aan het dashboard bevestigd en altijd binnen bereik van de bestuurder. Het verbinden van de mobiele telefoon met een buitenantenne gebeurt afhankelijk van de handsfreeset via de telefoonhouder of via een bestaande Bluetooth®-verbinding tussen de mobiele telefoon en de wagen.
Een mobiele telefoon, die op een in de wagen ge-integreerde telefoonbuitenantenne of een externe telefoonbuitenantenne is aangesloten, vermindert de elektromagnetische straling die door mobiele telefoons wordt afgegeven en op het menselijk li-chaam inwerkt. Bovendien wordt daardoor de kwaliteit van de verbinding verbeterd.
Als een mobiele telefoon in de wagen zonder deze handsfreeset wordt gebruikt, is deze niet veilig in de wagen bevestigd en niet op de buitenantenne van de wagen aangesloten. Bovendien wordt de mobiele telefoon niet door de houder opgeladen. Het eveneens mogelijk dat bestaande telefoonverbindingen worden verbroken en de kwaliteit van de verbinding wordt beïnvloed.
Gebruik een mobiele telefoon alleen in de wagen, als deze op een handsfreeset is aangesloten. Volkswagen adviseert bij het gebruik van een mobiele telefoon in de wagen een buitenantenne te gebruiken.
Bluetooth® is een geregistreerd merk van Bluetooth® SIG, Inc.

WAARSCHUWING
Een niet-bevestigde of onjuist bevestigde mobiele telefoon kan bij plotseling remmen of bij een onverwachte rijmanoeuvre alsmede bij een ongeval door de wagen worden geslingerd en verwondingen tot gevolg hebben.
- Mobiele telefoons en andere apparaten en telefoonaccessoires, zoals telefoonhouders, notitieblokjes, draagbare navigatieapparaten, moeten tijdens het rijden altijd op de juiste wijze en buiten het werkingsgebied van de airbags worden bevestigd of veilig worden opgeborgen.

WAARSCHUWING
Bij gebruik van een mobiele telefoon of zendontvangapparatuur zonder aansluiting op een buitenantenne kunnen in de wagen de grenswaarden voor elektromagnetische straling worden overschreden, waardoor de gezondheid van bestuurder en inzittenden in gevaar gebracht wordt. Dit geldt ook bij een niet volgens de voorschriften geïnstalleerde buitenantenne.
- Tussen de antenne van de mobiele telefoon en een pacemaker een afstand van ten minste 20 centimeter aanhouden, omdat mobiele telefoons de werking van pacemakers kunnen beïnvloeden.
- Een ingeschakelde mobiele telefoon niet in de binnenzak direct op de pacemaker dragen.
- Schakel mobiele telefoons bij verdenking van interferenties met een pacemaker of een ander medisch apparaat direct uit.

Afbeelding 124 Op de middenconsole: Navigatie-apparaat uitbouwen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Via het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) kunnen meer wagenfuncties en extra toepassingen worden gebruikt ⇒ ⚠.
Schuine stand en kijkhoek kunnen worden ingesteld door het navigatieapparaat in de gewenste stand te bewegen ⇒ Afbeelding 124 ⇒ ⚠.
De gebruiksaanwijzing van het draagbare navigatieapparaat kan direct op het apparaat worden weergegeven.
Functies 1)
- Uitgebreide multifunctie-indicatie (MFA) met extra instrumenten ⇒ pagina 17.
- Bediening van een af fabriek ingebouwde radio en een aangesloten mediaspeler brochure Radio.
- Afbeeldingenviewer.
- Navigatiesysteem.
- Handsfreeset voor mobiele telefoons via Bluetooth.
- Indicatie voor geopende portieren.
• Optische parkeerhulp (OPS). - Schakeladvies en aanwijzingen voor het rijden.
Gebruiksaanwijzing van het apparaat oproepen
- Draagbaar navigatieapparaat inschakelen.
- Knop more op het beeldscherm indrukken.

Afbeelding 125 Houder van het navigatieapparaat uitbouwen
- Knop Handboek op het beeldscherm indrukken.
- Gewenste hoofdstuk kiezen en overeenkomstige knop op het beeldscherm indrukken.
Navigatieapparaat uit- en inbouwen
- Navigatieapparaat goed vastpakken.
- Ontgrendelingsknop ① indrukken, tot het apparaat uit de houder kan worden verwijderd.
- Navigatieapparaat verwijderen en veilig opbergen.
Voor het inbouwen het navigatieapparaat in de bovenste houder aanbrengen en aan de onderzijde in de steun drukken, tot het hoorbaar vastklikt ⇒ ⚠.
Houder voor het navigatieapparaat uit- en inbouwen
- Ontgrendelingsknop van de houder indrukken ⇒ Afbeelding 125 (pijl).
- Houder naar boven uit het dashboard verwijderen.
- Opening eventueel met de bijpassende afdek-kap afsluiten.
Voor het inbouwen de houder van bovenaf in de opening aanbrengen en naar beneden drukken, tot deze hoorbaar vastklikt. ⇒ ⚠️.

WAARSCHUWING
Als de bestuurder wordt afgeleid, kan dit ongevallen en verwondingen tot gevolg hebben. Het bedienen van het navigatieapparaat kan u van het verkeer afleiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd oplettend en met verantwoordelijk-heidsbesef rijden.
- Volume-instellingen zo kiezen, dat u akoestische signalen van buiten, bv. de sirene van de politie en de brandweer, altijd goed kunt horen.
- Een te hoog ingesteld volume kan het gehoor beschadigen. Dat geldt ook wanneer het gehoor maar korte tijd aan een te hoog volu-me wordt blootgesteld.

WAARSCHUWING
Rijadviezen en weergegeven verkeerstekens van het navigatiesysteem kunnen van de actuele verkeerssituatie afwijken.
- Verkeersborden en -voorschriften hebben voorrang op de rijadviezen en weergaven van het navigatiesysteem.
- Snelheid en rijstijl aanpassen aan het weer, het wegdek, het zicht en de verkeersomstandigheden.

WAARSCHUWING
Een onbevestigd of niet goed bevestigd navigatieapparaat kan bij plotseling remmen of bij een onverwachte rijmanoeuvre alsmede bij een ongeval door de wagen worden geslingerd en verwondingen tot gevolg hebben.
- De houder voor het navigatieapparaat goed in de overeenkomstige opening van het dashboard monteren.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Het navigatieapparaat altijd goed in de houder aanbrengen of veilig in de wagen op- bergen.

LET OP
Onjuist instellen van schuine stand en kijkhoek kunnen het navigatieapparaat beschadigen.
- Navigatieapparaat bij het instellen voorzichtig en niet verder dan tot de eindpunten bewegen.

LET OP
Zeer hoge resp. zeer lage omgevingstemperaturen kunnen de werking van het draagbare navigatieapparaat belemmeren resp. het apparaat beschadigen.
- Neem het draagbare navigatieapparaat bij het verlaten van de wagen altijd mee, om het tegen zeer hoge resp. zeer lage temperaturen of sterke invallende zonnestralen te beschermen.

LET OP
Vocht kan de elektrische contacten in het dashboard voor het draagbare navigatieapparaat beschadigen.
- Houder voor het navigatieapparaat niet vochtig schoonmaken. Hiervoor een droge doek gebruiken.

Volkswagen adviseert, het draagbare navigatieapparaat bij het verlaten van de wagen al-ee te nemen, om diefstal te voorkomen.
Steunpunten voor het omhoogbrengen van de wagen

Afbeelding 126 Steunpunten vooraan voor het omhoogbrengen van de wagen met de hefbrug of de krik

Afbeelding 127 Steunpunten achteraan voor het omhoogbrengen van de wagen met de hefbrug of de krik

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 205 en volg deze op.
De wagen mag alleen op de in afbeelding
⇒ Afbeelding 126 en ⇒ Afbeelding 127 aangegeven steunpunten omhoog worden gebracht. Als de wagen niet op de aangegeven punten omhoog wordt gebracht, kan dit schade aan de wagen ⇒ ⚫ en ernstige verwondingen tot gevolg hebben ⇒ ⚠.
Hefbruggen met vloeistofkussen (servicebruggen) mogen niet worden gebruikt om de wagen omhoog te brengen.
Er moet met veel zaken rekening worden gehouden, wanneer een wagen met een hefbrug of krik omhoog moet worden gebracht. Nooit een wagen met een hefbrug of krik omhoogbrengen, wanneer u niet over de opleiding, de kennis en de ervaring beschikt om de wagen veilig omhoog te brengen.
Informatie over het omhoogbrengen van de wagen met de krik ⇒ pagina 231.

WAARSCHUWING
Het verkeerd omhoogbrengen van de wagen met een hefbrug of krik kan leiden tot ongevallen en zware verwondingen.
- Vóór het omhoogbrengen van de wagen de gebruiksaanwijzing van de hefbrug of krik raadplegen en eventuele wettelijke voorschriften in acht nemen.
- Bij het omhoogbrengen van de wagen of in omhooggebrachte toestand van de wagen mogen zich geen personen in de wagen bevinden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Wagen alleen op de in afbeelding Afbeelding 126 en Afbeelding 127 aangegeven steunpunten omhoogbrengen. Als de wagen niet bij de aangegeven punten wordt opgetild, kan de wagen van de hefbrug vallen, als bijvoorbeeld de motor of de versnellingsbak wordt uitgebouwd.
- De steunpunten van de wagen moeten op een zo groot mogelijk oppervlak en centrisch op de dragers van de hefbrug rusten.
- Nooit bij omhooggebrachte wagen de motor starten! Door motortrillingen kan de wagen van de hefbrug vallen.
- Als onder een omhooggebrachte wagen moet worden gewerkt, de wagen met geschikte steunbokken borgen, die voldoende draagkracht hebben.
- Gebruik de hefbrug nooit als uitstaphulp.
- Altijd erop letten dat het wagengewicht niet groter is dan het draagvermogen van de hefbrug.

LET OP
- Breng de wagen nooit omhoog bij de carterpan, de versnellingsbak, de achteras of de vooras.
- Om beschadigingen aan de onderkant van de wagen te voorkomen, bij het omhoogbrengen beslist een rubber tussenlaag gebruiken. Let er bovendien op dat de hefbrugarmen vrij kunnen bewegen.
- De hefbrugarmen mogen de dorpels of andere wagendelen niet raken.
△
Gebruikersinformatie

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Stickers en plaatjes 215
Gebruik van de wagen in andere landen en werelddelen 216
Radio-ontvangst en antenne 216
Volkswagen reparatie-informatie 216
Conformiteitsverklaring 217
Conformiteitsverklaring velgen en banden ... 217
Terugname van oude wagens en slopen .... 217
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
- Accessoires, vervanging van onderdelen, reparaties en wijzigingen ⇒ pagina 205
• ⇒ brochure Serviceplan

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de wagen verhoogt het gevaar voor ongevallen en verwondingen.
- Neem de wettelijke bepalingen in acht.
- Instructieboekje raadplegen.

LET OP
Onjuist gebruik van de wagen kan beschadigingen aan de wagen tot gevolg hebben.
- Neem de wettelijke bepalingen in acht.
- Onderhoudswerkzaamheden volgens het Serviceplan uitvoeren.
- Instructieboekje raadplegen.
△
Stickers en plaatjes

Afbeelding 128 Waarschuwingen voor het werken met de lasersensor van de city-noodremfunctie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Af fabriek zitten in de motorruimte en op enkele wagenonderdelen veiligheidscertificaten, stickers en plaatjes met belangrijke informatie over de werking van de wagen, zoals in de tankklep, op de bijrijderszonneklep, op de bestuurdersportierstijl of op de bagageruimtebodem.
- Nooit veiligheidscertificaten, stickers en plaatjes verwijderen of deze onbruikbaar of onleesbaar maken.
- Als wagenonderdelen met veiligheidscertificaten, stickers en plaatjes worden vervangen, moeten door de specialist op dezelfde plek op de nieuwe wagenonderdelen identieke veiligheidscertificaten, stickers en plaatjes worden aangebracht.
Veiligheidscertificaat
Een veiligheidscertificaat op de portierstijl van het bestuurdersportier geeft informatie over het feit dat aan alle noodzakelijke veiligheidsstandaards en voorschriften van de autoriteiten voor de verkeers-veiligheid van het betreffende land ten tijde van de productie is voldaan. Daarnaast kunnen de maand en het jaar van productie alsmede het chassisnummer zijn vermeld.
Sticker met waarschuwing voor hoogspanning
In de buurt van de vergrendeling van de motorkap zit een sticker die waarschuwt voor de hoogspanning van de elektrische installatie van de wagen.
▶
Waarschuwing voor het werken met de lasersensor van de city-noodremfunctie
De plaatjes met waarschuwingen en informatie over het werken met de lasersensor van de city-noodremfunctie toont Afbeelding 128.

Gebruik van de wagen in andere landen en werelddelen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
De wagen is af fabriek voor een bepaald land ge- produceerd en komt overeen met de toelatingsei- sen van dat land, die golden op het moment van productie.
Als de wagen in een ander land wordt verkocht of in een ander land voor een langere periode wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met de in het betreffende land geldende wettelijke voorschriften.
Zo nodig moeten bepaalde uitrustingen naderhand worden in- of uitgebouwd en functies worden ge- deactiveerd. Dit kan ook gelden voor de omvang van een servicebeurt en servicesoort. Dit geldt met name, als de wagen gedurende een langere periode in een ander klimaatzone wordt gebruikt.
Op grond van wereldwijd verschillende frequentie- banden kan de af fabriek geleverde radio of het draagbare navigatieapparaat (door Volkswagen geleverd) in andere landen mogelijkkerwijs niet functioneren.

LET OP
- Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan uw wagen die het gevolg is van minderwaardige brandstof, ontoereikende service of een gebrek aan originele onderdelen.
- Volkswagen kan niet aansprakelijk worden gesteld, wanneer de wagen niet of onvoldoende voldoet aan de geldende wettelijke eisen in andere landen en werelddelen.

Radio-ontvangst en antenne

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Bij af fabriek ingebouwde radio's is de antenne voor de radio-ontvangst op het dak van de wagen ingebouwd.

Wanneer elektrische apparaten, bv. mobiele telefoons, in de buurt van dakantenne worgebruikt, kunnen er storingen in de ontvangst het AM-bereik van de radio ontstaan.

Volkswagen reparatie-informatie

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ⚠ op pa-5 en volg deze op.
Volkswagen service-informatie en officiële Volks- wagen reparatie-informatie kunnen tegen betaling bij de volgende adressen worden verkregen:
Klanten in Europa, Azië, Australië, Afrika, Midden- en Zuid-Amerika
Neem contact op met een Volkswagen Partner of een specialist of bestel de betreffende documentatie op www.erwin.volkswagen.de.


WAARSCHUWING
Ondeskundig uitgevoerde reparaties en wijzigingen kunnen schade en storingen aan de wagen tot gevolg hebben en de doeltreffend-

WAARSCHUWING (vervolg)
heid van de bestuurdershulpsystemen en het airbagsysteem belemmeren. Dit kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.
- Laat reparaties en wijzigingen aan de wagen alleen door een specialist uitvoeren.
△
Conformiteitsverklaring

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Hiermee verklaart de betreffende producent dat de hierna genoemde producten ten tijde van de productie van de wagen in overeenstemming zijn met de fundamentele eisen en andere relevante voorschriften en wetten, onder andere FCC Part 15.19, FCC Part 15.21 en RSS-Gen Issue 1:
Op radiotechnologie gebaseerde uitrustingen
• Elektronische wegrijblokkering
- Sleutel voor de wagen
Elektrische uitrustingen
• 12 volt stopcontact
△
Geldt voor wagens: Geldt alleen voor India
Conformiteitsverklaring velgen en banden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
De op de wagen gemonteerde banden zijn conform de eisen van BIS en voldoen aan de voorwaarden van de Central Motor Vehicle Rules (CMVR), 1989.
△
Terugname van oude wagens en slopen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Terugnemen van oude wagens
Volkswagen heeft al voorzieningen getroffen voor het tijdstip waarop de wagen, rekening houdend met de milieueisen, wordt gerecycled. Voor terugname van een oude wagen zijn allesomvattende terugnamesystemen in veel Europese landen beschikbaar. Nadat terugname heeft plaatsgevonden, krijgt u een bewijs van recycling, waarin de reglementaire, milieuvriendelijke recycling wordt gedocumenteerd.
Terugname van een oude wagen is kosteloos, onder voorbehoud van de nationale wettelijke voorschriften.
Meer informatie over het terugnemen en recyclen van oude wagens is verkrijgbaar bij een Volkswagen Partner.
Slopen
Als de wagen of afzonderlijke onderdelen van het airbagsysteem en de gordelspanners worden gesloopt, beslist de betreffende veiligheidsvoorschriften opvolgen. Deze voorschriften zijn bekend bij specialisten.
△
Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Controlelampjes 218
Katalysator 219
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Schakelen ⇒ pagina 119
• Tanken ⇒ pagina 155
• Brandstof ⇒ pagina 159
• Motorola ⇒ pagina 167
- Accu ⇒ pagina 175
- Opgeslagen informatie in de regelapparaten
⇒ pagina 205
• Aan- en afslepen ⇒ pagina 254

WAARSCHUWING
De onderdelen van het uitlaatsysteem worden zeer heet. Daardoor kan brand worden veroorzaakt.
- De wagen zo neerzetten, dat de onderdelen van het uitlaatsysteem niet met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking kunnen komen, bv. droog gras.
- Nooit een extra bodembeschermingslaag of corrosiewerend middel op uitlaatpijpen, katalysatoren of de hitteschilden aanbrengen.
△
Controlelampjes

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 218 en volg deze op.
| Brandt | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Storing in motorregeling (Electronic Power Control). | Motor direct door een specialist laten controle-ren. | |
| Storing in katalysator. | Gas loslaten. Voorzichtig naar de dichtstbijzijn-de specialist rijden. Motor laten controleren. |
| Knippert | Mogelijke oorzaak | Oplossing |
| Cilinderoverslagen, die de katalysator be-schadigen. | Gas loslaten. Voorzichtig naar de dichtstbijzijn-de specialist rijden. Motor laten controleren. |
Bij het inschakelen van het contact gaan enkele waarschuwings- en controlelampjes ter controle van de werking kort branden. Deze gaan na korte tijd uit.
Zolang de controlelampjes of EPC branden, moet u rekening houden met motorstoringen, verhoogd brandstofverbruik en verminderd vermogen van de motor.
△
LET OP
Brandende controlelampjes en de bijbehorende beschrijvingen en aanwijzingen altijd in acht nemen om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-8 en volg deze op.
De katalysator dient voor de nabehandeling van uitlaatgas met als doel de emissie van schadelijke stoffen in het uitlaatgas te verminderen. Voor een langdurige goede werking van het uitlaatsysteem en de katalysator van de benzinemotor:
- Alleen loodvrije benzine tanken.
- Brandstoftank nooit helemaal leegrijden.
- Niet te veel motorolie bijvullen ⇒ pagina 167.
- Wagen niet aanslepen, maar starchulp gebruiken ⇒ pagina 251.
Indien u tijdens het rijden een overslaan van de ontsteking, vermogensverlies of slecht ronddraaien van de motor constateert, de snelheid direct verlagen en de wagen door een specialist laten controleren. Onverbrande brandstof zou anders in het uitlaatsysteem en dus in de atmosfeer kunnen komen. Bovendien kan de katalysator door oververhitting worden beschadigd!

Ook bij een goed werkend uitlaatgasreini- gingssysteem kan bij bepaalde functies van otor een zwavelachtige uitlaatgaslucht ont- n. Dit hangt van het percentage zwavel in de dstof af.
Tips om het zelf te doen
Praktische aanwijzingen
Vragen en antwoorden
Wanneer bij het gebruik van uw wagen een ver- moedelijke storing of beschadiging aan de wagen optreedt, voordat u een Volkswagen Partner of een specialist opzoekt de volgende aanwijzingen
lezen en in acht nemen. Daarnaast kunnen de tref- woorden "Bijzonderheden" of "Checklist" u wellicht verder helpen.
| Bijzonderheid | Mogelijke oorzaken o.a. | Mogelijke oplossing |
| Motor slaat niet aan. | Accu is ontladen. | - Starthulp uitvoeren ⇒ pagina 251.- Accu laden ⇒ pagina 175. |
| Er wordt een onjuiste wagen-sleutel gebruikt. | Rechtmatige sleutel gebruiken ⇒ pagina 30. | |
| De brandstofvoorraad is te laag. | Brandstof tanken ⇒ pagina 155. | |
| Wagen kan niet met de sleutel worden ont- of ver-grendeld. | - Batterij in de sleutel ontladen.- Te ver van de wagen verwijderd.- Knoppen buiten de actieradius ingedrukt. | - Batterij vervangen ⇒ pagina 30.- Dichter naar de wagen gaan.- Sleutel synchroniseren ⇒ pagina 30.- Wagen handmatig ont- of vergrendelen ⇒ pagina 225. |
| Ongewone geluiden. | Koude motor, remhulpsystemen, elektronische stuurkolomver-grendeling. | In de trefwoordenlijst de vermelding "Ge-luiden" raadplegen. |
| Merkwaardige rijeigen-schappen. | Hulpsystemen zijn geactiveerd. | In de trefwoordenlijst de vermelding "Hulpsystemen" in acht nemen. |
| Er wordt een onjuiste banden-spanning gebruikt. | Bandenspanning controleren ⇒ pagina 193. | |
| Beschadiging aan banden of vel-gen. | Banden en velgen op beschadigingen controleren ⇒ pagina 193 en zo nodig vervangen ⇒ pagina 231. | |
| Geen krik in de wagen resp.geen reservewiel of bande-nafdichtset in de wagen. | Afhankelijk van de uitrusting van de wagen. | Geen directe oplossing mogelijk, want af-hankelijk van de wagen. Zo nodig een Volkswagen Partner opzoeken ⇒ pagina 227. |
| Rijbaan wordt niet juist ver-licht. | - Koplamp is afgeplakt voor links- of rechtsrijdend verkeer.- Koplamp niet correct afgesteld.- Gloeilampjes uitgevallen.- Dimlicht niet ingeschakeld. | - Koplampen voor links- of rechtsrijdend verkeer afplakken ⇒ pagina 80.- Lichtbundelhoogte afstellen ⇒ pagina 80.- Gloeilampjes vervangen ⇒ pagina 244.- Dimlicht inschakelen ⇒ pagina 80. |
| Elektrische verbruikers wer-ken niet. | Lage accustatus. | Accu opladen ⇒ pagina 175. |
| Lage brandstofvoorraad | Tanken ⇒ pagina 155. | |
| Zekering doorgebrand. | Zekering controleren en zo nodig vervan-gen ⇒ pagina 241. | |
| Brandstofverbruik is hoger dan aangegeven. | - Stadsverkeer.- "Onrustig gaspedaal". | - Stadsverkeer mijden.- Anticiperend rijden.- Getijkmatig gas geven. |
| Elektrische verbruikers ingeschakeld. | Niet benodigde verbruikers uitschakelen. | |
| Storing in vermogensregeling. | Storing laten verhelpen ⇒ pagina 218. | |
| Bandenspanning te laag. | Bandenspanning aanpassen ⇒ pagina 193. | |
| Rijden in de bergen | Geen directe maatregel mogelijk. | |
| Rijden met zware belading. | Geen directe maatregel mogelijk. | |
| Rijden met hoog motortoerental | Hogere versnelling kiezen. |

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Uzelf en de wagen in veiligheid brengen .... 222
EHBO-set, gevarendriehoek en brandblusser 223
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 122
• Noodsluiten of -openen ⇒ pagina 225
• Wagengereedschap → pagina 227
• Verwisselen van een wiel ⇒ pagina 231

WAARSCHUWING
Een stilgevallen wagen vormt een hoog ongevalsrisico voor uzelf en voor andere verkeersdeelnemers.
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. De wagen op een veilige afstand van de overige verkeersdeelnemers neerzetten. In noodsituaties alle portieren vergrendelen. Alarmlichten inschakelen om de andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- Nooit kinderen, gehandicapten of hulpbe-hoevende personen in de wagen achterlaten, als de wagen wordt vergrendeld. Dit kan er-toe leiden dat ze in een noodsituatie in de wa-gen ingesloten zijn. Ingesloten personen kunnen aan zeer hoge of zeer lage temperaturen worden blootgesteld.

Uzelf en de wagen in veiligheid brengen

Afbeelding 129 In het bovenste gedeelte van de middenconsole: Knop voor het in- en uitschakelen van de alarmlichten

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
Wettelijke bepalingen voor het markeren van een stilgevallen wagen in acht nemen. In veel landen zijn bijvoorbeeld het inschakelen van de alarmlichten en het dragen van een waarschuwingsvest voorgeschreven ⇒ pagina 223.
Checklist
Voor uw eigen veiligheid en die van de passagiers de volgende punten in de aangegeven volgorde in acht nemen ⇒ ⚠:
- Wagen op een veilige afstand van het verkeer en op een geschikte ondergrond neerzetten ⇒ ▲.
- Alarmlichten met de knop ▲ inschakelen ⇒ Afbeelding 129.
- Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122.
- Versnellingshendel in neutrale stand zetten ⇒ pagina 119.
- Motor afzetten en sleutel uit het contact trekken ⇒ pagina 115.
- Alle inzittenden laten uitstappen en in veiligheid brengen, bv. achter de vangrail.
- Alle sleutels meenemen, wanneer u de wagen verlaat.
Checklist (vervolg)
- Gevarendriehoek neerzetten, om andere verkeersdeelnemers op de wagen te attenderen.
- Motor voldoende laten afkoelen en zo nodig de hulp van een specialist inroepen.
Bij ingeschakelde alarmlichten kan, bijvoorbeeld tijdens het afslepen, nog wel een verandering van richting of rijbaan worden aangegeven door de knipperlichthendel te bewegen. Het alarmknippe-ren wordt dan tijdelijk onderbroken.
Alarmlichten inschakelen, wanneer:
- het voorliggende verkeer plotseling langzamer gaat rijden of de staart van een file wordt bereikt, om het achteropkomende verkeer te waarschuwen,
• er sprake is van een noodgeval,
- de wagen stilvalt,
• wordt aan- of afgesleept.
Altijd de geldende bepalingen met betrekking tot het gebruik van de alarmlichten in acht nemen.
Als de alarmlichten niet werken, moet u de overige verkeersdeelnemers op een andere - wettelijk toe-gestane - wijze op uw stilgevallen wagen attenderen.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.

WAARSCHUWING
De onderdelen van het uitlaatsysteem worden zeer heet. Dit kan leiden tot brand en zware verwondingen.
- De wagen zo neerzetten, dat de onderdelen van het uitlaatsysteem niet met licht ontvlambare materialen onder de wagen in aanraking kunnen komen, bv. droog gras, brandstof.

De accu van de wagen ontlaadt zich, wan- neer de alarmlichten langere tijd ingeschablijven – ook bij uitgeschakeld contact.

Bij sommige wagens kunnen tijdens een noodstop bij een snelheid boven de 80 km/h (mph) de remlichten knipperen, om het achter-mende verkeer te waarschuwen. Wanneer de stop langer duurt, worden bij een snelheid minder dan 10 km/h (6 mph) de alarmlichten matisch ingeschakeld. Het remlicht brandt per-ent. Bij het accelereren worden de alarmlich-automatisch weer uitgeschakeld.
△
EHBO-set, gevarendriehoek en brandblusser

Afbeelding 130 In de bagageruimte: Opbergvak voor gevarendriehoek onder de bodembekleding

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-2 en volg deze op.
Gevarendriehoek
Bij sommige wagenuitrustingen kan een gevaren-driehoek in de afgebeelde uitvoering in een op-bergvak onder de bodembekleding in de bagageruimte worden opgeborgen ⇒ Afbeelding 130.
EHBO-set
De EHBO-set moet aan de wettelijke eisen voldoen. Op de uiterste gebruiksdatum letten.
Brandblusser
Een brandblusser kan aan een houder in de voetenruimte voor de bijrijdersstoel zitten.
De brandblusser moet aan de geldende wettelijke voorschriften voldoen, altijd gebruiksklaar zijn en regelmatig gecontroleerd worden. Zie het controlezegel op de brandblusser.

WAARSCHUWING
Losse voorwerpen kunnen bij plotselinge rij- of remmanoeuvres of bij een ongeval door het interieur van de wagen vliegen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Brandblusser, EHBO-set, waarschuwingsvest en gevarendriehoek altijd veilig in de wagen bevestigen resp. opbergen.
△
Noodsluiten of -openen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Bestuurdersportier handmatig ont- of vergrendelen 225
Bijrijdersportier handmatig vergrendelen .... 226
Achterklep noodontgrendelen 226
De portieren en de achterklep kunnen als bijvoorbeeld de sleutel of de centrale vergrendeling uitvalt, handmatig worden vergrendeld of gedeeltelijk worden ontgrendeld.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Sleutelset ⇒ pagina 30
- Centrale vergrendeling en vergrendelingssysteem pagina 34
• Portieren ⇒ pagina 38
- Achterklep pagina 39
• In noodgevallen ⇒ pagina 222

WAARSCHUWING
Onoplettendheid bij het noodsluiten of noodopenen kan zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Bij een van buiten vergrendelde wagen kunnen de portieren en ruiten niet van binnenuit worden geopend.
- Laat nooit kinderen of hulpbehoevende personen alleen achter in de wagen. Deze zijn in een noodgeval niet in staat, de wagen zelfstandig te verlaten of zichzelf te redden.
- Afhankelijk van het jaargetijde kunnen in een gesloten wagen zeer hoge of zulke lage temperaturen ontstaan, dat deze vooral bij kleine kinderen ernstige verwondingen en ziektes kunnen veroorzaken of de dood tot gevolg kunnen hebben.

WAARSCHUWING
Het werkingsgebied van de portieren en de achterklep is gevaarlijk en kan verwondingen veroorzaken.
- Portieren en achterklep alleen openen of sluiten, als niemand zich in het zwenkgebied bevindt.

LET OP
Als u iets noodsluit of -opent de onderdelen voorzichtig uitbouwen en weer juist monteren, om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.
Bestuurdersportier handmatig ont- of vergrendelen

Afbeelding 131 Portiergreep aan bestuurdersportier met slotcilinder

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Bij handmatige vergrendeling worden normaliter alle portieren vergrendeld. Bij handmatige ontgrendeling wordt alleen het bestuurdersportier ontgrendeld.
- Eventueel sleutelbaard uit de sleutel klappen ⇒ pagina 30.
- Sleutelbaard in de slotcilinder steken en wagen ont- resp. vergrendelen Afbeelding 131.
Bijrijdersportier handmatig vergrendelen

Afbeelding 132 Kopse kant van het bijrijdersportier: Noodvergrendeling, afgedekt met rubber dop

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
Het bijrijdersportier kan handmatig worden vergrendeld.
- Portier openen.
- Rubber dop in de kopse kant van het portier verwijderen. De afdichting is met een slotsymbol ^8 gemarkeerd Afbeelding 132.
- Eventueel sleutelbaard uit de sleutel klappen ⇒ pagina 30.
- Sleutelbaard horizontaal in de opening steken en de kleine gekleurde hendel naar voren drukken Afbeelding 133.

Afbeelding 133 Noodvergrendeling van de wagen met de sleutel
- Rubber dop weer bevestigen en portier volledig sluiten.
• Controleren of het portier goed is vergrendeld. - Procedure zo nodig voor andere portieren her-halen.
- Wagen onmiddellijk door een specialist laten controleren.

Portieren kunnen van binnenuit worden ont-grendeld en geopend door aan de slotgreep kken. Eventueel moet u tweemaal aan de reep trekken ⇒ pagina 34.
△
Achterklep noodontgrendelen

Afbeelding 134 Vanuit de bagageruimte: Achterklep noodontgrendelen.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-5 en volg deze op.
- Zo nodig de rugleuning van de achterbank neerklappen ⇒ pagina 53.
- Bagage verwijderen om van binnenuit de achterklep te kunnen bereiken.
- Sleutelbaard uit de sleutel klappen ⇒ pagina 30.
- Sleutelbaard in de opening in de achterklep Afbeelding 134 steken en ontgrendelingshendel in pijlrichting drukken, om de achterklep te ont-grendelen.
△
Wagengereedschap

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Opbergplaats 227
Onderdelen 228
Bij het in veiligheid brengen van de wagen bij pech de wettelijke bepalingen van het betreffende land in acht nemen.
Wagengereedschap in de wagen
Bij wagens die af fabriek met een reserve- of nood-reservewiel resp. winterbanden zijn uitgerust, kan er extra wagengereedschap in de bagageruimte zitten ⇒ pagina 227.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
• In noodgevallen ⇒ pagina 222
• Verwisselen van een wiel ⇒ pagina 231
• Bandenafdichtset ⇒ pagina 237

WAARSCHUWING
Als het wagengereedschap, de bandenafdichtset en het reservewiel niet goed zijn bevestigd, kunnen deze bij plotselinge rij- of remmanoeuvres of bij een ongeval door het interieur van de wagen vliegen en zware verwondingen veroorzaken.
- Verzeker u er altijd van dat het wagenge-reedschap, de bandenafdichtset en het reser-vewiel resp. noodreservewiel goed in de ba-gageruimte zijn bevestigd.

WAARSCHUWING
Ongeschikt of beschadigd wagengereedschap kan tot ongevallen en verwondingen leiden.
- Nooit met ongeschikt of beschadigd wagengereedschap werken.
Opbergplaats

Afbeelding 135 In de bagageruimte: Bodembekleding omhooggeklapt

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Het wagengereedschap, reservewiel, noodreserve-wiel resp. de bandenafdichtset zitten in de bagageruimte onder de bodembekleding ⇒ Afbeelding 135.
- Zo nodig de variabele bagageruimtebodem verwijderen ⇒ pagina 96.
- Bodembekleding aan de uitsparing optillen (pijl) Afbeelding 135.

De krik na gebruik in de oorspronkelijke positie terugdraaien, zodat deze veilig opgeborkan worden.
△

Afbeelding 136 Onderdelen van het wagenge-reedschap
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 227 en volg deze op.
De omvang van het wagengereedschap is afhankelijk van de wagenuitvoering. Hieronder wordt de maximale omvang beschreven.
Onderdelen van het wagengereedschap Afbeelding 136
① Schroevendraaier met binnenzeskant in de greep voor het eruit en erin draaien van de losgedraaide wielbouten. De schroevendraaierpunt is omkeerbaar. De schroevendraaier zit eventueel onder de wielsleutel.
② Adapter voor de antidiefstalwielbout. Volkswagen adviseert u om de adapter voor de wielbouten altijd in de wagen bij het wagengereedschap mee te nemen. Aan de voorzijde van de adapter is de code van de wielboutbeveiliging ingeslagen. Aan de hand van dit nummer kunt u bij verlies een vervangen-de adapter kopen. Code van de wielboutbeveiliging noteren en gescheiden van de wagen bewaren.
③ Inschroefbaar sleepoog.
④ Draadbeugel voor het lostrekken van de naafdoppen, wieldoppen of de doppen van de wielbouten.
⑤ Krik. Voordat u de krik weer in de gereedschapsbox teruglegt, de krikklauw helemaal terugdraaien. Vervolgens de slinger tegen de krik aandrukken, om de krik goed te kunnen opbergen.
⑥ Wielsleutel.
Wieldoppen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Naafdop 229
Wieldop 230
Doppen van de wielbouten 230
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenzijde wagen verzorgen en schoonmaken
⇒ pagina 179
• Wagengereedschap ⇒ pagina 227
• Verwisselen van een wiel ⇒ pagina 231
• Bandenafdichtset ⇒ pagina 237

WAARSCHUWING
Ongeschikte wieldoppen en een onjuiste montage ervan kunnen ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Onjuist gemonteerde wieldoppen kunnen tijdens het rijden losraken en andere verkeersdeelnemers in gevaar brengen.
- Geen beschadigde wieldoppen gebruiken.
- Verzeker u er altijd van dat de luchttoevoer voor de koeling van de remmen niet onderbroken of belemmerd wordt. Dat geldt ook bij het naderhand aanbrengen van wieldoppen. Onvoldoende ventilatie van het remsysteem kan een aanzienlijk langere remweg tot gevolg hebben.

LET OP
Wieldoppen voorzichtig verwijderen en weer juist monteren, om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.
△
Naafdop

Afbeelding 137 Naafdop van de lichtmetalen velg lostrekken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 229 en volg deze op.
Om bij de wielbouten te kunnen moet de naafdop worden losgetrokken.

Afbeelding 138 Naafdop van de stalen velg los-trekken
Naafdop lostrekken en bevestigen
- Om te verwijderen de draadbeugel uit het wagengereedschap halen en in een opening (lichtmetalen velg) resp. aan de kant (stalen velg) van de naafdop haken Afbeelding 137 resp. Afbeelding 138.
• Naafdop in pijlrichting lostrekken.
- Om te plaatsen de naafdop tegen de velg drukken tot de dop voelbaar vastklikt.
De naafdop dient ter bescherming van de wielbou- ten en moet weer worden teruggeplaatst, nadat u een wiel heeft verwisseld.

Wieldop

Afbeelding 139 Wieldop eraf trekken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
- De wielsleutel en de draadbeugel uit het wagengereedschap halen ⇒ pagina 227.
- Draadbeugel in een van de uitsparingen van de wieldop haken.
- Wielsleutel door de draadbeugel schuiven Afbeelding 139 en de wieldop in pijlrichting lostrekken.
Wieldop bevestigen
De wieldop moet zo op de velg worden gedrukt, dat de ventieluitsparing over het bandenventiel heen valt. Bij het aanbrengen van de wieldop erop letten dat de dop rondom goed vastklikt. Bij gebruik van een antidiefstalwielbout moet deze op de positie tegenover het ventiel worden geschroefd.
Doppen van de wielbouten

Afbeelding 140 Doppen van de wielbouten los-trekken

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-9 en volg deze op.
- Draadbeugel uit het wagengereedschap halen pagina 227.
- Draadbeugel door de opening in de dop steken ⇒ Afbeelding 140 en in pijlrichting eraf trekken.
De doppen dienen ter bescherming van de wielbouten en moeten weer worden teruggeplaatst, nadat u een wiel heeft verwisseld.
De antidiefstalwielbout heeft een afwijkende dop. Deze past alleen op de antidiefstalwielbout en niet op de gewone wielbouten.


Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Voorbereidingen voor het verwisselen van een wiel 232
Wielbouten 232
Wagen met de krik omhoogbrengen 234
Wiel verwisselen 235
Na het verwisselen van een wiel 236
Sommige wagenuitvoeringen of modellen worden af fabriek zonder krik en wielsleutel geleverd. In dat geval het verwisselen van een wiel door een specialist laten uitvoeren.
Het verwisselen van een wiel alleen dan zelf uitvoeren, wanneer de wagen op een veilige plaats is neergezet, u met de benodigde handelingen en veiligheidsmaatregelen vertrouwd bent en over het juiste gereedschap beschikt! In alle andere geval- len de hulp van een specialist inroepen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Sleutelset ⇒ pagina 30
• Velgen en banden ⇒ pagina 193
• In noodgevallen ⇒ pagina 222
• Wagengereedschap ⇒ pagina 227
• Wieldoppen ⇒ pagina 229

WAARSCHUWING
Het verwisselen van een wiel kan gevaarlijk zijn, vooral als het langs de kant van de weg wordt uitgevoerd. Om het risico van ernstig letsel te verminderen, het volgende in acht nemen:

WAARSCHUWING (vervolg)
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. De wagen op een veilige afstand van de overige verkeersdeelnemers neerzetten, om het wiel te kunnen verwisselen.
- Alle passagiers en met name kinderen moeten bij het verwisselen van een wiel een veilige afstand tot het werkgebied aanhouden.
- Alarmlichten inschakelen om de andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- De ondergrond moet vlak en stevig zijn. Zo nodig een grote, stabiele plaat onder de krik gebruiken.
- Het verwisselen van een wiel alleen dan zelf uitvoeren, als u met de benodigde handelingen vertrouwd bent. In alle andere gevallen de hulp van een specialist inroepen.
- Alleen geschikt en onbeschadigd gereedschap gebruiken voor het verwisselen van een wiel.
- Altijd de motor afzetten, de handrem stevig aantrekken en bij de schakelbak een versnelling inschakelen, om het risico van een onbedoelde beweging van de wagen te verminderen.
- Na het verwisselen van een wiel zo snel mogelijk het aantrekmoment van de wielbouten met een goed werkende momentsleutel laten controleren.
Voorbereidingen voor het verwisselen van een wiel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 231 en volg deze op.
Checklist
De volgende handelingen altijd in de aangegeven volgorde uitvoeren als voorbereiding voor het verwisselen van een wiel ⇒ ⚠:
- De wagen bij pech zo mogelijk op veilige afstand van het verkeer op een vlakke, stevige ondergrond neerzetten.
- Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122.
- Motor afzetten en sleutel uit het contact trekken ⇒ pagina 115.
- Schakelbak: versnelling inschakelen ⇒ pagina 119.
- Alle inzittenden uit laten stappen en in veiligheid brengen, bijvoorbeeld achter de vangrail.
- Het tegenoverliggende wiel met een steen of iets dergelijks blokkeren.
- Bij beladen bagageruimte: bagage verwijderen.
- Reservewiel resp. noodreservewiel en wagengereedschap uit de bagageruimte halen.
- Wieldoppen verwijderen ⇒ pagina 229.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.
△
Wielbouten

Afbeelding 141 Wiel verwisselen: Wielbouten losdraaien

Afbeelding 142 Wiel verwisselen; Bandenventiel ① en inbouwplaats van antidiefstalwielbout ②

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op. Voor het losmaken van de wielbouten alleen de bij de wagen horende wielsleutel gebruiken.
Wielbouten slechts circa één omwenteling losdraaien, zolang de wagen niet is opgekrikt.
Als een wielbout niet kan worden losgedraaid, dan u kunt voorzichtig met een voet op het uiteinde van de wielsleutel drukken. Daarbij kunt u zich het beste aan de wagen vasthouden en zorgen dat u stevig staat.
Wielbouten losdraaien
- Wielsleutel tot de aanslag op de wielbout schuiven Afbeelding 141.
- Uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de wielbout ongeveer één omwenteling linksom draaien ⇒ ⚠.
Antidiefstalwielbout losdraaien
Bij een wiel met een wieldop moet de antidiefstal-wielbout op positie Afbeelding 142 ② erin zijn gedraaid. Anders kan de wieldop niet worden aangebracht.
- De adapter voor de antidiefstalwielbout uit het wagengereedschap nemen.
- Adapter tot de aanslag in de antidiefstalwielbout schuiven Afbeelding 142.
- Wielsleutel tot de aanslag op de adapter schuiven.
- Uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de wielbout ongeveer één omwenteling linksom draaien ⇒ ⚠.
Belangrijke informatie over wielbouten
Velgen en wielbouten zijn op elkaar afgestemd. Bij elke aanpassing aan andere velgen de erbij behorende wielbouten met de juiste lengte en vorm gebruiken. De bevestiging van de wielen en de werking van het remsysteem hangt daarvan af.
Onder bepaalde omstandigheden mag u geen wielbouten van wagens van dezelfde productieserie gebruiken.
Aantrekmoment van de wielbouten
Het voorgeschreven aantrekmoment van de wielbouten bij stalen en lichtmetalen velgen bedraagt 110 Nm. Na het verwisselen van een wiel zo snel mogelijk het aantrekmoment van de wielbouten met een goed werkende momentsleutel laten controleren.
Roestige en moeilijk draaiende wielbouten moeten voor het controleren van het aantrekmoment worden vernieuwd en de schroefgangen in de wielnaaf moeten worden schoongemaakt.
Nooit de wielbouten en de schroefgangen in de wielnaven met vet of olie insmeren. Ook met het voorgeschreven aantrekmoment kunnen ze dan tijdens het rijden losdraaien.

WAARSCHUWING
Verkeerd aangetrokken wielbouten kunnen tijdens het rijden los komen te zitten, waardoor de controle over de wagen kan worden verloren, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden.
- Alleen die wielbouten gebruiken, die bij de betreffende velg horen.
- Nooit verschillende wielbouten gebruiken.
- Wielbouten en schroefgangen van de wiel- naven moeten schoon, olie- en vetvrij zijn en soepel draaien.
- Alleen de wielsleutel die bij de wagen wordt geleverd gebruiken voor het los- en vastdraaien van de wielbouten.
- Wielbouten slechts circa één omwenteling losdraaien, zolang de wagen niet is opgekrikt.
- Nooit de wielbouten en de schroefgangen in de wielnaven met vet of olie insmeren. Ook met het voorgeschreven aantrekmoment kunnen ze dan tijdens het rijden losdraaien.
- Nooit de schroefverbindingen van velgen met vastgeschroefde velgring losmaken.
- Wanneer de wielbouten met een te laag aantrekmoment zijn aangetrokken, kunnen de wielbouten en de velgen tijdens het rijden losraken - gevaar voor ongevallen! Door een te groot aantrekmoment kan de wielbout resp. de schroefdraad worden beschadigd.

Afbeelding 143 Steunpunten voor de krik


Afbeelding 144 Krik linksachter geplaatst
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 231 en volg deze op.
De wagen alleen bij de steunpunten voor de krik opkrikken.
Krik alleen onder de aangegeven steunpunten plaatsen (markeringen op de carrosserie) Afbeelding 143. Het steunpunt gebruiken dat het dichtste bij het betreffende wiel zit
Checklist
Voor uw eigen veiligheid en die van de passagiers de volgende punten in de aangegeven volgorde in acht nemen ⇒ ⚠:
- Een vlakke en stevige ondergrond kiezen voor het omhoogbrengen van de wagen.
- Motor afzetten, bij de schakelbak een versnelling inschakelen en de handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122.
- Het diagonaal tegenoverliggende wiel met de opklapbare wiggen of andere voorwerpen blokkeren.
- Wielbouten van het te verwisselen wiel enigszins losdraaien ⇒ pagina 232.
- Het steunpunt voor de krik ⇒ Afbeelding 143 onder de wagen, dat het dichtst bij het te verwisselen wiel ligt, zoeken.
- Krik zo ver omhoogdraaien, dat deze nog onder het steunpunt van de wagen kan worden geplaatst.
- Zorg ervoor dat de krikvoet met het volledige oppervlak stevig op de grond staat en zich precies loodrecht onder het steunpunt ⇒ Afbeelding 144 bevindt.
Checklist (vervolg)
- De krik richten en tegelijkertijd de krikklauw verder omhoogdraaien, tot de klauw om de rand onder de wagen ⇒ Afbeelding 144 grijpt.
- Wagenkrik verder omhoogdraaien tot het wiel net vrij van de grond is.

WAARSCHUWING
Als de krik verkeerd wordt gebruikt, is het mogelijk dat de wagen van de krik af glijdt, wat zware verwondingen tot gevolg kan hebben. Om het risico van lichamelijk letsel te verminderen, het volgende in acht nemen:
- Alleen een krik gebruiken, die door Volkswagen voor uw wagen is vrijgegeven. Andere krikken kunnen wegglijden, ook die voor andere Volkswagenmodellen.
- De ondergrond moet vlak en stevig zijn. Bij een oneffen of zachte ondergrond kan de wagen van de krik af glijden. Zo nodig een grote, stabiele plaat onder de krik gebruiken.
- Bij een gladde ondergrond, zoals een tegelvloer, een stroeve ondergrond, bijvoorbeeld een rubber mat, gebruiken om te voorkomen dat de krik wegglijdt.
- Krik alleen onder de beschreven steun-punten plaatsen. De klauw van de krik moet om de rand onder de dorpel grijpen ⇒ Afbeelding 144.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit met een lichaamsdeel, bv. met arm of been, onder de wagen komen, als deze alleen door een krik omhoog wordt gehouden.
- Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, deze met passende steunbokken goed ondersteunen.
- Nooit de wagen omhoogbrengen, wanneer deze scheef staat of de motor draait.
- Nooit bij opgekrikte wagen de motor starten. Door motortrillingen kan de wagen van de krik vallen.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.
Wiel verwisselen

Afbeelding 145 Wiel verwisselen: Wielbouten met de schroevendraaiergreep eruit draaien

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 231 en volg deze op.
Wiel verwijderen
- Checklist in acht nemen ⇒ pagina 232.
• Wielbouten losdraaien ⇒ pagina 232. - Wagen met de krik omhoogbrengen ⇒ pagina 234.
- De losgedraaide wielbouten met het binnenzeskant in de schroevendraaiergreep Afbeelding 145 volledig eruit draaien en op een schone ondergrond leggen.
- Wiel verwijderen.
Reservewiel of noodreservewiel monteren
Zo nodig op de draairichting van de band letten ⇒ pagina 201, Aanduiding op banden.
- Reservewiel resp. noodreservewiel plaatsen.
- De wielbouten rechtsom erin draaien en met behulp van het binnenzeskant in de schroeven-draaiergreep licht vastdraaien.
- Voor de antidiefstalwielbout de adapter gebruiken.
-
Wagen met de krik op de grond laten zakken.
-
Alle wielbouten met de wielsleutel stevig rechtsom aantrekken ▲. De wielbouten daarbij altijd kruislings aantrekken.
- Zo nodig de doppen, de naafdop of de wieldop monteren ⇒ pagina 229.

WAARSCHUWING
Bij een verkeerd aantrekmoment of ondeskundig behandelde wielbouten kan de controle over de wagen worden verloren, wat ongevallen en zware verwondingen tot gevolg kan hebben.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd alle wielbouten en schroefgangen in de wielnaven schoon, olie- en vetvrij houden. De wielbouten moeten soepel met het voorgeschreven aantrekmoment zijn aangetrokken.
- De binnenzeskant in de schroevendraaier-greep alleen gebruiken om wielbouten te draaien, niet om deze los te draaien of aan te trekken.
Na het verwisselen van een wiel

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
- Zo nodig het wagengereedschap schoonmaken en terugleggen in het schuimstof gedeelte in de bagageruimte pagina 227.
-
Het reservewiel, noodreservewiel of het verwisselde wiel altijd veilig in de bagageruimte opbergen en vastzetten.
-
Het aantrekmoment van de wielbouten direct met een momentsleutel laten controleren ⇒ pagina 233.
- Het beschadigde wiel zo snel mogelijk laten vervangen.

Bandenafdichtset

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Onderdelen van de bandenafdichtset ..... 238
Voorbereidingen 238
Banden afdichten en oppompen 239
Controle na 10 minuten rijden 240
Met de bandenafdichtset (Tire Mobility Set) kunnen beschadigingen aan de banden tot 4 mm doorsne- de die door scherpe voorwerpen zijn veroorzaakt, veilig gedicht worden. Het vreemde voorwerp, bv. een schroef of een spijker, niet uit de band verwijderen!
Nadat de band met het afdichtmiddel is gevuld, ongeveer 10 minuten nadat u weer gaat rijden, moet de bandenspanning nogmaals gecontroleerd worden.
De bandenafdichtset voor het vullen van een band alleen dan gebruiken, als de wagen op een veilige plaats is neergezet, u met de benodigde handelingen en veiligheidsvoorschriften vertrouwd bent en de juiste bandenafdichtset ter beschikking staat! In alle andere gevallen de hulp van een specialist inroepen.
Het bandenafdichtmiddel mag niet gebruikt worden:
- Bij schade aan de velg.
- Bij buitentemperaturen onder -20 °C (-4 °F).
- Bij snij- of steekschade aan de band groter dan 4 mm.
- Als met zeer lage bandenspanning of lege band is gereden.
- Als de houdbaarheidsdatum op het flesje met bandenafdichtmiddel is verlopen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Sleutelset pagina 30
- Remmen, stoppen en parkeren ⇒ pagina 122
• Velgen en banden ⇒ pagina 193
• In noodgevallen ⇒ pagina 222
• Wieldoppen ⇒ pagina 229

WAARSCHUWING
Het gebruik van een bandenafdichtset kan gevaarlijk zijn, vooral wanneer de band gevuld wordt langs de kant van de weg. Om het risico van ernstig letsel te verminderen, het volgende in acht nemen:
- Zodra het mogelijk en veilig is de wagen tot stilstand brengen. De wagen op een veilige afstand van de overige verkeersdeelnemers neerzetten, om de band te kunnen vullen.
- De ondergrond moet vlak en stevig zijn.
- Alle passagiers en in het bijzonder kinderen moeten zich altijd op een veilige afstand en buiten het werkgebied bevinden.
- Alarmlichten inschakelen om de andere verkeersdeelnemers te waarschuwen.
- De bandenafdichtset alleen dan gebruiken, wanneer u met de benodigde handelingen vertrouwd bent. In alle andere gevallen de hulp van een specialist inroepen.
- De bandenafdichtset is alleen bedoeld om in geval van nood een specialist te bereiken.
- Een met de bandenafdichtset gerepareerde band direct laten vervangen.
- Het bandenafdichtmiddel is schadelijk voor de gezondheid en moet bij huidcontact onmiddellijk verwijderd worden.
- De bandenafdichtset altijd buiten bereik van kinderen bewaren.
- Nooit een krik gebruiken, ook niet als de krik goedgekeurd is voor de wagen.
- Altijd de motor afzetten, de handrem stevig aantrekken en bij de schakelbak een versnelling inschakelen, om het risico van een onbedoelde beweging van de wagen te verminderen.

WAARSCHUWING
Een met bandenafdichtmiddel gevulde band heeft niet dezelfde rijeigenschappen als een gewone band.
- Nooit sneller dan 80 km/h (50 mph) rijden.
- Volgas accelereren, sterk remmen en het snel nemen van bochten vermijden.
⚠ WAARSCHUWING (vervolg)
- 10 minuten met een snelheid van maxi-maal 80 km/h (50 mph) rijden. Daarna de band controleren.

Gebruikt of verlopen afdichtmiddel volgens de wettelijke voorschriften afvoeren.
Nieuwe flesjes zijn verkrijgbaar bij uw Volkswagen Partner.
De aparte gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de bandenafdichtset in acht nemen.
Onderdelen van de bandenafdichtset

Afbeelding 146 Principeafbeelding: Onderdelen van de bandenafdichtset

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-67 en volg deze op.
De bandenafdichtset zit in de bagageruimte onder de bekleding. De set bestaat uit de volgende onderdelen ⇒ Afbeelding 146:
① Ventielsleutel
② Sticker met de snelheidsaanduiding "max. 80 km/h" of "max. 50 mph"
③ Vulslang met vuldop
④ Luchtcompressor
⑤ Bandenvulslang
⑥ Bandenspanningsmeter ^1)
⑦ Luchtaftapventiel ^2)
⑧ Aan-uitknop
⑨ 12 volt kabelsteker
⑩ Flesje met bandenafdichtmiddel ^1)
⑪ Reserve-ventielinzetstuk
De ventielsleutel ① heeft aan de onderzijde een gleuf, waarin het ventielinzetstuk past. Alleen hiermee kan het ventielinzetstuk uit en weer in het ventiel worden gedraaid. Dat geldt ook voor het reserveventielinzetstuk ⑪.
Voorbereidingen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 237 en volg deze op.
Checklist
De volgende handelingen altijd in de aangegeven volgorde uitvoeren als voorbereiding voor het vullen van een band ⇒ ⚠:
- De wagen bij bandenpech zo ver mogelijk van het verkeer op een vlakke en stevige ondergrond parkeren.
- Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122.
- Motor afzetten en sleutel uit het contact trekken ⇒ pagina 115.
- Schakelbak: versnelling inschakelen ⇒ pagina 119.
Checklist (vervolg)
- Alle inzittenden uit laten stappen en in veiligheid brengen, bijvoorbeeld achter de vangrail.
- Alarmlichten inschakelen en gevarendriehoek neerzetten ⇒ pagina 222. De wettelijke voorschriften in acht nemen.
- Controleren, of een reparatie met de bandenafdichtset mogelijk is ⇒ pagina 237.
- Bij beladen bagageruimte: bagage verwijderen.
- Bandenafdichtset uit het wagengereedschap halen.
- De sticker Afbeelding 146 ② uit de bandenafdichtset in het blikveld van de bestuurder op het dashboard plakken.
- Vreemde voorwerpen, bv. een schroef of een spijker, niet uit de band verwijderen.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.

Banden afdichten en oppompen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
Band afdichten
- Ventieldop van het ventiel in de band af draaien.
- Met de ventielsleutel Afbeelding 146 ① het ventielinzetstuk uit het ventiel draaien en op een schone ondergrond leggen.
- Flesje met bandenafdichtmiddel Afbeelding 146 ⑩ enkele malen krachtig schudden.
- Vulslang Afbeelding 146 ③ stevig rechtsom op het flesje draaien. De folie op de vuldop wordt hierbij automatisch doorgeprikt.
- De sluiting van de vulslang Afbeelding 146 ③ verwijderen en het open uiteinde op het ventiel van de band steken.
- Flesje ondersteboven houden en het gehele af-dichtmiddel uit het flesje in de band vullen.
- Lege flesje met bandenafdichtmiddel van het ventiel verwijderen.
- Ventielinzetstuk met ventielsleutel Afbeelding 146 ① weer in het ventiel draaien.
Band oppompen
- Vulslang Afbeelding 146 ⑤ van de luchtcompressor stevig op het ventiel van de band draaien.
- Controleren of luchtaftapbout Afbeelding 146 ⑦ dichtgedraaid is.
-
Motor van de wagen starten en laten draaien.
-
Kabelsteker Afbeelding 146 ⑨ in een 12 volt stopcontact van de wagen steken pagina 113.
- Luchtcompressor met de aan-uitknop ⇒ Afbeelding 146 ⑧ inschakelen.
- Luchtcompressor laten draaien tot de bandenspanning 2,0 - 2,5 bar (29 - 36 psi/200 - 250 kPa) bedraagt ⇒ ⚠. Maximale looptijd 8 minuten ⇒ ⚠.
• Luchtcompressor uitschakelen. - Als de luchtdruk van 2,0 – 2,5 bar (29 – 36 psi/200 – 250 kPa) niet wordt bereikt, de vulslang van het ventiel af schroeven.
- De wagen ca. 10 meter voor- of achteruitrijden, zodat het afdichtmiddel zich in de band kan verde- len.
- Vulslang van de luchtcompressor opnieuw stevig op het ventiel draaien en het oppompen herhaalen.
- Als ook nu de vereiste bandenspanning niet wordt bereikt, dan is de band te zeer beschadigd. De band kunt u met de afdichtset niet voldoende afdichten. Niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen ▲.
- Luchtcompressor losmaken en de vulslang van het ventiel losdraaien.
- Direct met maximaal 80 km/h (50 mph) verder rijden, zodra een bandenspanning van 2,0 - 2,5 bar (29 - 36 psi / 200 - 250 kPa) is bereikt.
- Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren ⇒ pagina 240.

WAARSCHUWING
De luchtcompressor en de bandenvulslang kunnen bij het oppompen heet worden.
- Handen en huid tegen hete delen beschermen.
- Hete vuislang en hete luchtcompressor niet op brandbare materialen leggen.
- Vóór het opbergen het apparaat sterk la- ten afkoelen.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Wanneer de band niet tot minimaal 2,0 bar (29 psi / 200 kPa) kan worden opgepompt, is de beschadiging te groot. Het afdichtmiddel is niet in staat, de band te dichten. Niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen.

LET OP
De luchtcompressor na uiterlijk 8 minuten loop- tijd uitschakelen, zodat deze niet oververhit raakt! De luchtcompressor enkele minuten la- ten afkoelen, voordat u deze opnieuw inscha- kelt.

Controle na 10 minuten rijden

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-7 en volg deze op.
De vulslang Afbeelding 146 ⑤ weer aansluiten en de bandenspanning op de bandenspanningmeter ⑥ aflezen.
1,3 bar (19 psi / 130 kPa) en lager:
- Niet verder rijden! De band kan met de afdichtset niet voldoende worden afgedicht.
- De hulp van een specialist inroepen ⇒ ▲.
1,4 bar (20 psi / 140 kPa) en hoger:
- De bandenspanning weer naar de juiste waarde corrigeren ⇒ pagina 193.
- De rit voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist met maximaal 80 km/h (50 mph) voortzetten.
- Beschadigde banden laten vervangen.

WAARSCHUWING
Rijden met een niet af te dichten band is gevaarlijk en kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Niet verder rijden, als de bandenspanning 1,3 bar (19 psi / 130 kPa) of lager is.
- De hulp van een specialist inroepen.


Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Zekeringen in de wagen 242
Doorgebrande zekeringen vervangen ..... 243
Vanwege voortdurende ontwikkelingen van de wagen, de uitrustingsafhankelijke toewijzing van de zekeringen en de gemeenschappelijke onderbrenging van meerdere verbruikers onder jén zekering is een actueel zekeringenoverzicht van een elektrische verbruiker op het moment van ter perse gaan van dit instructieboekje niet mogelijk. Informatie over details van het zekeringenoverzicht kunt u opvragen bij uw Volkswagen Partner.
Meerdere verbruikers kunnen gezamenlijk via een zekering zijn beveiligd. Omgekeerd kunnen bij een verbruiker ook meerdere zekeringen horen.
Zekeringen alleen dan vervangen, als de oorzaak voor de storing verholpen is. Wanneer een nieuw-geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de elektrische installatie door een specialist worden gecontroleerd.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte => pagina 162

WAARSCHUWING
De hoogspanning van de elektrische installatie kan een elektrische schok, zware verwondingen en dodelijk letsel veroorzaken!
- Nooit de elektrische bedrading van het ontstekingssysteem aanraken.
- Kortsluiting in de installatie voorkomen.

WAARSCHUWING
Het gebruik van verkeerde zekeringen, het repareren van zekeringen en het overbruggen van een stroomcircuit kan leiden tot brand en zware verwondingen.
- Nooit zekeringen met een hoger amperage gebruiken. Zekeringen alleen door zekeringen van gelijk amperage (dezelfde kleur en dezelfde opdruk) en grootte vervangen.
• Zekeringen nooit repareren. - Nooit zekeringen vervangen door een metalen strip, een nietje of iets dergelijks.

LET OP
- Om schade aan de elektrische installatie van de wagen te voorkomen, moeten vóór het vervangen van een zekering altijd het contact, de verlichting en alle elektrische verbruikers worden uitgeschakeld en de sleutel uit het contactslot worden getrokken.
- Wanneer een zekering door een zwaardere zekering wordt vervangen, kan er schade ontstaan, ook op een andere plaats in de elektrische installatie.
- Geopende zekeringenhouders moeten tegen binnendringen van vuil en vocht worden beschermd. Vuil en vocht in de zekeringenhouders kunnen beschadigingen aan de elektrische installatie tot gevolg hebben.

Bij een verbruiker kunnen meerdere zekeringen horen.

Meerdere verbruikers kunnen gezamenlijk via een zekering zijn beveiligd.

Afbeelding 147 Aan bestuurderszijde onder het dashboard: Afdekking van de zekeringenhouder

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Zekeringen alleen door zekeringen van gelijk amperage (dezelfde kleur en dezelfde opdruk) en grootte vervangen.
Kleurcode van de zekeringen onder het dashboard
| Kleur | Stroomsterkte in ampère |
| Lila | 3 |
| Lichtbruin | 5 |
| Bruin | 7,5 |
| Rood | 10 |
| Blauw | 15 |
| Geel | 20 |
| Wit of doorzichtig | 25 |
| Groen | 30 |
| Oranje | 40 |
Zekeringenhouder onder het dashboard openen en sluiten
- Openen: vergrendelingshendel Afbeelding 147 ① indrukken, tot de afdekking kan worden geopend.
- Afdekking naar beneden openklappen.
- Sluiten: afdekking tegen de pijlrichting naar boven klappen, tot deze hoorbaar in de vergrendelingshendel ① vastklikt.

Afbeelding 148 In de motorruimte: Afdekking van de zekeringenhouder
Zekeringenhouder in de motorruimte openen
• Motorkap openen △ ⇒ pagina 162.
- Vergrendelingsknoppen in pijlrichting (smalle pijlen) drukken, om de afdekking van de zekeringenhouder te ontgrendelen Afbeelding 148.
- Afdekking naar boven toe verwijderen.
- Om in te bouwen de afdekking op de zekeringenhouder leggen. Vergrendelingsknoppen tegen de pijlrichting in naar beneden schuiven, tot deze hoorbaar vastklikken.
LET OP
- De afdekkingen van de zekeringenhouders voorzichtig verwijderen en weer op juiste wijze aanbrengen, om beschadigingen aan de wagen te voorkomen.
- Geopende zekeringenhouders moeten tegen binnendringen van vuil en vocht worden beschermd. Vuil en vocht in de zekeringenhouders kunnen beschadigingen aan de elektrische installatie tot gevolg hebben.
In de wagen zitten nog meer zekeringen, die in deze paragraaf niet zijn besproken. Deze moeten door een specialist worden vervangen.
△

Afbeelding 149 Weergave van een doorgebrande zekering.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Voorbereidingen
- Contact, verlichting en alle elektrische verbruikers uitschakelen.
- Betreffende zekeringenhouder openen ⇒ pagina 242
Doorgebrande zekering herkennen
Een doorgebrande zekering is aan een doorgesmolten metalen strookje te herkennen ⇒ Afbeelding 149.
Met een zaklamp op de zekering schijnen. Dan is een doorgebrande zekering beter te herkennen.
Zekering vervangen
- Zo nodig de kunststof tang Afbeelding 150 ① uit de houder nemen. De houder zit aan de achterzijde van de zekeringenhouder bij de diagnoseaansluitbus.
- Bij kleine zekeringen de klem ① van bovenaf op de zekering steken ⇒ Afbeelding 150 A.

Afbeelding 150 Zekering met de klem van de kunststof tang ① verwijderen of aanbrengen.
- Bij grotere zekeringen de klem ① aan de zijkant op de zekering schuiven Afbeelding 150 B.
• Zekering eruit trekken. - Wanneer de zekering is doorgebrand, deze door een nieuwe zekering van gelijk amperage (dezelfde kleur en dezelfde tekst) en dezelfde grootte vervangen ⇒ ⚠.
- Afdekking weer aanbrengen resp. deksel van de zekeringenhouder sluiten.
- Zo nodig de kunststof tang terugsteken in de houder achter de zekeringenhouder.
LET OP
Wanneer een zekering door een zwaardere zekering wordt vervangen, kan er schade op een andere plaats in de elektrische installatie ontstaan.

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
| Informatie over het vervangen van gloeilampjes | 245 |
| Gloeilampjes in de koplamp vervangen | 246 |
| Gloeilampjes in de voorbumper vervangen | 247 |
| Gloeilampjes van het achterlicht vervangen | 248 |
| Gloeilampje van de kentekenplaatverlichting vervangen | 249 |
| Gloeilampje van het zijknipperlicht vervangen | 250 |
Het vervangen van gloeilampjes vereist een bepaalde handigheid. Daarom adviseert Volkswagen om bij onzekerheid het vervangen van een gloeilampje door uw Volkswagen Partner of een andere specialist te laten uitvoeren. Wanneer er behalve de betreffende lampjes meer wagenonderdelen uitgebouwd moeten worden, dient u sowieso een specialist in te schakelen.
In de wagen moet altijd een set met voor de verkeersveiligheid benodigde reservegloeilampjes aanwezig zijn. Reservegloeilampjes zijn bij de Volkswagen Partner verkrijgbaar. In sommige landen is het wettelijk verplicht om reservegloeilampjes in de wagen aanwezig te hebben.
Het rijden met defecte lampen is bovendien doorgaans in strijd met de wet.
Extra specificaties voor gloeilampjes
Enkele gloeilampjes in de koplampen of in de achterlichten kunnen af fabriek bepaalde specificaties hebben die van de conventionele gloeilampjes afwijken. De betreffende beschrijving staat op de lampvoet of op het lampenglas.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen;
• Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
• Licht en zicht ⇒ pagina 80
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
• Wagengereedschap ⇒ pagina 227
• Zekeringen ⇒ pagina 241

WAARSCHUWING
Als de weg niet voldoende verlicht is of als de wagen niet of slechts moeilijk door andere verkeersdeelnemers kan worden gezien, kunnen ongevallen worden veroorzaakt.

WAARSCHUWING
Het op onjuiste wijze vervangen van gloei-lampjes kan ongevallen en zware verwondingen tot gevolg hebben.
- Lees vóór alle werkzaamheden in de motorruimte de waarschuwingsaanwijzingen en volg deze op ⇒ pagina 162. De motorruimte van elke wagen is gevaarlijk en kan zware verwondingen veroorzaken!
- H4-, HB4- en H7-gloeilampjes staan onder druk en kunnen bij het vervangen van de lamp ontploffen.
- Het betreffende gloeilampje pas vervangen wanneer het geheel afgekoeld is.
- Nooit zelf gloeilampjes vervangen, wan- neer u niet met de benodigde handelingen vertrouwd bent. Bij twijfel over wat te doen, de benodigde werkzaamheden door een spe- cialist laten uitvoeren.
- Het lampenglas van het gloeilampje niet met uw vingers aanraken. Achterblijvende vingerafdrukken op het gloeilampje verdampen bij het inschakelen door de warmte en maken de reflector dof.
- Aan de koplampbehuizingen in de motorruimte en aan de behuizingen van de achterlichten zitten scherpe randen. Bij het vervangen van een gloeilampje uw handen beschermen.

LETOP
Wanneer u na het vervangen van een gloei-lampje de rubber afdekking niet goed op het koplamphuis monteert, kan schade aan de elektrische installatie ontstaan, vooral door binnendringend water.

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 244 en volg deze op.
Checklist
Bij het vervangen van gloeilampjes altijd de volgende handelingen in de aangegeven volgorde uitvoeren ⇒ ⚠:
- De wagen zo mogelijk op veilige afstand van het verkeer op een vlakke, stevige ondergrond neerzetten.
- Handrem stevig aantrekken ⇒ pagina 122.
- Lichtschakelaar in stand 0 draaien ⇒ pagina 80.
- Knipperlichthendel in neutrale stand zetten ⇒ pagina 80.
- Motor afzetten en sleutel uit het contact trekken ⇒ pagina 115.
- Schakelbak: versnelling inschakelen ⇒ pagina 119.
- Betreffende gloeilampjes laten afkoelen.
- Controleren, of er een zekering zichtbaar is doorgebrand ⇒ pagina 241.
- Betreffend gloeilampje volgens de gebruiksaanwijzing vervangen ⇒ ⚠. Een gloeilampje mag alleen worden vervangen door een nieuw gloeilampje van gelijke uitvoering. De betreffende beschrijving staat op de lampvoet of op het lampenglas.
- Het lampenglas van het gloeilampje nooit met uw vingers aanraken. De achterblijvende vingerafdruk zou door de warmte van het ingeschakelde gloeilampje verdampen en op de reflector neerslaan waardoor de lichtsterkte van de koplamp negatief zou worden beïnvloed.
- Na het vervangen van een gloeilampje de werking van het gloeilampje controleren. Als het gloeilampje niet werkt, is het mogelijk dat het gloeilampje niet correct is geplaatst, het lampje weer is uitgevallen of de steker niet goed is aangesloten.
- Na elke keer dat u een gloeilampje hebt vervangen de koplampafstelling door een specialist laten controleren.

WAARSCHUWING
Het negeren van de voor uw eigen veiligheid belangrijke checklist kan tot ongevallen en zware verwondingen leiden.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Altijd de handelingen in de checklist volgen en de algemeen geldende veiligheidsregels in acht nemen.

LET OP
Lampen altijd voorzichtig verwijderen resp. plaatsen, om beschadigingen aan de lak of andere onderdelen van uw wagen te voorkomen.
Gloeilampjes in de koplamp vervangen


Afbeelding 151 In de motorruimte: Achteraanzicht van de linkerkoplamp met rubber afdekking: Ⓐ dimlicht en grootlicht, Ⓑ stadslicht en dagrijverlichting, Ⓒ knipperlicht

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
De koplamp hoeft niet te worden uitgebouwd om een lampje te vervangen.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren:
| ⇒ Afbeelding 151 | A | B | C |
| Dimlicht en grootlicht | Stadslicht en dagrijverlich-ting | Knipperlicht voor | |
| 1. | Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren ⇒ pagina 245. | ||
| 2. | Motorkap openen ⚠ ⇒ pagina 162. | ||
| 3. | Steker van het H4-gloeilampje lostrekken. Rubber afdekking van de bevesti-gingsstrips lostrekken.Borgbeugel Ⓓ in pijlrichting naar voren drukken, naar opzij loshaken en wegklappen. | Fitting tot de aanslag linksom draaien en met het gloei-lampje naar achteren eruit trekken. | |
| 4. | Gloeilampje uit de fitting verwijderen. Zo nodig de vergrendeling op de fitting indrukken. | ||
| 5. | Defect gloeilampje vervangen door een identiek nieuw lampje. | ||
| 6. | Gloeilampje plaatsen, borg-beugel Ⓓ terugklappen en vasthaken. | Fitting in de koplamp aan-brengen en tot de aanslagrechtsom draaien. | Fitting in de koplamp aan-brengen en tot de aanslagrechtsom draaien. |
| 7. | Rubber afdekking aanbren-gen en op juiste bevestiging controleren. Steker op het H4-gloeilampje aansluiten. | ||
De afbeeldingen tonen de linkerkoplamp van achteren. De rechterkoplamp is in spiegelbeeld uitgevoerd.
| 1. | Checklist in acht nemen en bendogde handedigen ultoeren → pagina 245. |
| 2. | De tweedevestigingsbouten van de weikulpbekeiding → Abeelding 152 (pili) met de schroe- vendarader uit het wagengereedschap eruit draalen → pagina 227. |
| 3. | Voorste spriediplug onder aan de weikulpbekeiding → Abeelding 152 (A) met de schroeven- draaler uit het wagengereedschap eruit draalen → pagina 227. |
| 4. | Weikulpbeking voorzichlig opzijlappen. |
| 5. | Steker → Abeelding 153 (1 onygendelen en losterkeen. |
| 6. | Fitting → Abeelding 153 in pliflichting tot de aanslag linksom draalen en met het gloeilampie naar achteren eruit terkeen. |
| 7. | Defect gloeilampie verangen door een identiek nieuw lampje. |
| 8. | Fitting in de koplamp anbringen en tot de aanslag recithsom draalen. |
| 9. | Steker → Abeelding 153 (1 op de fitting aansuliten. De steker moet hoorbaar vergendelen. |
| 10. | Weikulpbeking terugkappen. |
| 11. | Spriediplug in de weikulpbeking en de bumper anbringen en volledig erin drukken → Abeelding 152 (A) |
| 12. | De tweedevestigingsbouten → Abeelding 152 (pilien) met de schroevendraiter vasdraalen. |
Handeligen allen in de aangegen volgorde uitvoeren:
Loes eerst de informate in de indilding en de velligheidsaanwiizingen △ op pagina 244 en volg deze op.

Afbeelding 153 Gloellampje in de koplamp ver- vangen

Abeelding 152 in de wielkup rechtsvoor: Beves Averwiarden

Gloeilampjes van het achterlicht vervangen


Afbeelding 154 Aan de zijkant in de bagageruimte: A: Afdekking uitbouwen, B: Achterlicht uitbouwen

Afbeelding 155 Achterlicht: C: Fitting uitbouwen, D: Gloeilampjes uitbouwen
Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 244 en volg deze op.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
Achterlicht uitbouwen
| 1. | Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren ⇒ pagina 245. |
| 2. | Achterklep openen ⇒ pagina 39. |
| 3. | Afdekking 1 voorzichtig eraf wippen ⇒ Afbeelding 154 A. |
| 4. | Vergrendeling 3 van steker 2 in pijlrichting trekken ⇒ Afbeelding 154 B. Hiervoor de schroe-vendraaier uit het wagengereedschap gebruiken. |
| 5. | Vergrendeling 4 indrukken en steker 2 lostrekken ⇒ Afbeelding 154 B. |
| 6. | Vleugelmoer 5 eraf draaien ⇒ Afbeelding 154 B. |
| 7. | Achterlicht voorzichtig naar achteren uit de carrosserie losmaken. |
| 8. | Achterlicht verwijderen en op een schone, gladde ondergrond leggen. |
Gloeilampje vervangen
| 9. | Fitting bij de vergrendelingsstrips (pijlen) ontgrendelen ⇒ Afbeelding 155 C en fitting uit het achterlicht verwijderen. |
| 10. | Defect gloeilampje vervangen door een identiek nieuw gloeilampje ⇒ Afbeelding 155 D. |
| 11. | Fitting weer in het achterlicht plaatsen. De vergrendelingsstrips (pijlen) moeten hoorbaar vastklikken ⇒ Afbeelding 155 C. |
Achterlicht inbouwen
| 12. | Achterlicht voorzichtig in de opening in de carrosserie plaatsen. |
| 13. | Met één hand het achterlicht op de inbouwpositie houden en met de andere hand de vleugelmoer 5 vastdraaien ⇒ Afbeelding 154 B. |
| 14. | Controleren of het achterlicht correct is ingebouwd en goed vastzit. |
| 15. | Steker 2 op de fitting aansluiten en vergrendeling 3 tegen de pijlrichting in de steker drukken ⇒ Afbeelding 154 B. |
| 16. | Afdekking plaatsen. De afdekking moet vastklikken en stevig vastzitten. |
| 17. | Achterklep sluiten ⇒ pagina 39. |
Gloeilampje van de kentekenplaatverlichting vervangen

Afbeelding 156 In de achterbumper: Kentekenplaatverlichting uitbouwen

Afbeelding 157 Kentekenplaatverlichting: Fitting uitbouwen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 244 en volg deze op.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren:
| 1. | Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren ⇒ pagina 245. |
| 2. | Met een hand de kentekenplaatverlichting van links naar rechts drukken en uit de bumper wippen ⇒ Afbeelding 156. |
| 3. | De kentekenplaatverlichting iets uit de bumper trekken. |
| 4. | Fitting met het gloeilampje linksom draaien en in pijlrichting eruit trekken ⇒ Afbeelding 157. |
| 5. | Defect gloeilampje vervangen door een identiek nieuw lampje. |
| 6. | Fitting in de kentekenplaatverlichting plaatsen en tegen de pijlrichting in tot de aanslag drukken ⇒ Afbeelding 157. |
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren:
| 7. | Kentekenplaatverlichting voorzichtig aan de linkerkant in de opening van de bumper aanbren-gen. Let daarbij op de juiste inbouwrichting van de kentekenplaatverlichting, d.w.z. de veer moet rechts zitten. |
| 8. | Kentekenplaatverlichting in de bumper drukken, tot deze hoorbaar vastklikt. |
Gloeilampje van het zijknipperlicht vervangen

Afbeelding 158 Zijknipperlicht uitbouwen

Afbeelding 159 Zijknipperlicht: Gloeilampje vervangen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pagina 244 en volg deze op.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren:
| 1. | Checklist in acht nemen en benodigde handelingen uitvoeren ⇒ pagina 245. |
| 2. | Met een hand het zijknipperlicht naar achteren schuiven ⇒ Afbeelding 158 1. |
| 3. | Het zijknipperlicht uit de carrosserie wippen 2. |
| 4. | Fitting met het gloeilampje in pijlrichting ⇒ Afbeelding 159 1 eruit trekken. |
| 5. | Gloeilampje recht uit de fitting trekken. |
| 6. | Defect gloeilampje vervangen door een identiek nieuw lampje. |
| 7. | Fitting weer plaatsen. |
| 8. | Zijknipperlicht met de zijde die naar de achterzijde van de wagen is gekeerd, in de carrosserie plaatsen, tot de veer aan de andere zijde van het zijknipperlicht vastklikt. |

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Starthulp uitvoeren 252
Als de motor niet aanslaat, omdat de accu ontladen is, dan kan de accu van een andere wagen voor het starten gebruikt worden. Voor de starchulp zo nodig het kijkglas van de accu controleren ⇒ pagina 175.
Voor de starchulp hebt u geschikte startkabels volgens DIN 72553 nodig (zie de gegevens van de kabelfabrikant). De kabeldoorsnede moet voor wagens met benzinemotor ten minste 25 mm² bedragen.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Voorbereidingen voor werkzaamheden in de motorruimte pagina 162
- Accu ⇒ pagina 175

WAARSCHUWING
Onjuist gebruik van de startkabels of onjuist uitgevoerde starthulp kan een explosie van de accu en zware verwondingen tot gevolg hebben. Om het risico van een exploderende accu te verminderen, het volgende in acht ne- men:
- Bij werkzaamheden aan de accu en de elektrische installatie bestaat er gevaar voor zware verwondingen, brand en elektrische schokken. Voordat wordt begonnen met werkzaamheden aan de accu, altijd de waarschuwingen en veiligheidsaanwijzingen doorlezen en opvolgen pagina 175, Accu.
- De stroomgevende accu moet dezelfde spanning (12 volt) en ongeveer dezelfde capaciteit (zie tekst op de accu) hebben als de ontladen accu.

WAARSCHUWING (vervolg)
- Nooit een bevoren of ontdooide accu opladen. Een ontladen accu kan al bij een temperatuur van 0 °C (+32 °F) bevriezen.
- Een bevoren of ontdooide accu moet worden vervangen.
- Bij de starchulp ontstaat in de accu een zeer explosief knalgasmengsel. Vuur, vonken, open vlam en gloeiende sigaretten uit de buurt van de accu houden. Nooit een mobiele telefoon gebruiken wanneer de startkabels worden los- of vastgemaakt.
- Accu alleen in goed geventileerde ruimtes opladen, want bij de starthulp ontstaat bij de accu een zeer explosief knalgasmengsel.
- De startkabels zo aanbrengen, dat ze niet met draaiende delen in de motorruimte in contact komen.
- Nooit de pluspool met de minpool verwisselen of de startkabels verkeerd aansluiten.
- Gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de startkabel raadplegen.

LET OP
Om ernstige schade aan de elektrische installatie van de wagen te voorkomen, het volgende in acht nemen:
- Verkeerd aangesloten startkabels kunnen kortsluiting veroorzaken.
- Tussen de wagens mag er geen contact bestaan, anders zou de stroom al kunnen lopen, als de pluspolen worden verbonden.
△

Afbeelding 160 Schema voor het vastmaken van de startkabels bij starchulp door wagens zonder start-stopsysteem: Ontladen accu Ⓐ en stroomgevende accu Ⓑ

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-1 en volg deze op.
Ⓐ wagen met ontladen accu die starthulp ontvangt.
⑧ wagen met de stroomgevende accu die start-hulp geeft.
☒ geschikte massa-aansluiting. Een massief, vast aan het motorblok vastgeschroefd metalen deel of het motorblok zelf of eventueel het vastgeschroefde sleepoog vóór ⇒ pagina 254.
De ontladen accu moet op de juiste wijze op de elektrische installatie zijn aangesloten.
De wagens mogen elkaar niet aanraken. Anders kan al bij de verbinding van de pluspolen stroom gaan lopen.
Op voldoende metaalcontact van de aangesloten pooltangen letten.
Mocht de motor niet aanslaan, het starten na 10 seconden afbreken en het na een halve minuut opnieuw proberen.
Handelingen alleen in de aangegeven volgorde uitvoeren.
Startkabels vastmaken
- Bij beide wagens het contact uitschakelen pagina 115.
- Zo nodig in de motorruimte de accuafdekking openen pagina 175.

Afbeelding 161 Schema voor het vastmaken van de startkabels bij starchulp door wagens met start-stopsysteem: Ontladen accu Ⓐ en stroomgevende accu Ⓑ
- Een uiteinde van de rode startkabel op de pluspool Afbeelding 160 resp. Afbeelding 161 van de wagen met de ontladen accu A aansluiten ▲.
- Het andere uiteinde van de rode startkabel op de pluspool (+) van de stroomgevende accu Ⓑ vastmaken.
- Bij wagens zonder start-stopsysteem: een uiteinde van de zwarte startkabel op de minpool (-) van de stroomgevende accu Ⓑ vastmaken → Afbeelding 160.
- Bij wagens met start-stopsysteem: een uiteinde van de zwarte startkabel Ⓕ aan een geschikte massa-aansluiting, een massief, aan het motorblok vastgeschroefd metalen deel of aan het motorblok zelf vastmaken ⇒ Afbeelding 161.
- Het andere uiteinde van de zwarte startkabel (☒) bij de wagen met de ontladen accu vastmaken op een massief, aan het motorblok vastgeschroefd metalen deel of aan het motorblok zelf, echter niet in de buurt van de accu (A) ⇒ ⚠.
- Startkabels zo leggen, dat ze niet door draaiende delen in de motorruimte kunnen worden geraakt.
Motor starten
- Motor van de stroomgevende wagen starten en stationair laten draaien.
- Motor van de wagen met de ontladen accu starten en twee tot drie minuten wachten tot de motor "mooi rond draait".
Startkabels losmaken
- Voor het losmaken van de startkabels het dimlicht uitschakelen, indien ingeschakeld.
- In de wagen met de ontladen accu de aanjager en de achterruitverwarming inschakelen, zodat spanningspieken die optreden wanneer de startkabels worden losgemaakt, worden afgebouwd.
- Startkabels bij draaiende motoren in precies de omgekeerde volgorde losmaken, als hierboven beschreven.
- Accuafdekking sluiten.

WAARSCHUWING
Een ondeskundig uitgevoerde starchulp kan een explosie van de accu en zware verwondingen tot gevolg hebben. Om het risico van een exploderende accu te verminderen, het volgende in acht nemen:
- Bij werkzaamheden aan de accu en de elektrische installatie bestaat er gevaar voor zware verwondingen, brand en elektrische schokken. Voordat wordt begonnen met

WAARSCHUWING (vervolg)
werkzaamheden aan de accu, altijd de waarschuwingen en veiligheidsaanwijzingen doorlezen en opvolgen ⇒ pagina 175, Accu.
- Altijd een geschikte beschermende bril dragen en nooit over de accu buigen.
- Startkabels in de juiste volgorde vastma- ken – eerst de pluskabel, dan de minkabel.
- Nooit de minkabel aan delen van het brandstofsysteem of aan de remleidingen vastmaken.
- De niet-geïsoleerde delen van de pooltangen mogen elkaar niet raken. Bovendien mag de op de pluspool van de accu aangesloten kabel niet met elektrisch geleidende delen van de wagen in aanraking komen.
- Het kijkvenster van de accu controleren. Zo nodig een zaklamp gebruiken. Als dit lichtgeel of kleurloos is, geen starchulp uitvoeren en de hulp van een specialist inroepen.
- Elektrostatische ontladingen in de buurt van de accu vermijden. Door vonkvorming kan het uit de accu vrijkomende knalgas vlam vatten.
- Nooit starchulp uitvoeren als de accu beschadigd, bevroren of ontdooid is.
Aan- en afslepen

Inleiding voor het onderwerp
In dit hoofdstuk vindt u informatie over de volgende onderwerpen:
Aanwijzingen voor het aanslepen 254
Aanwijzingen voor het afslepen 255
Sleepoog voor monteren 255
Aanwijzingen bij het afslepen 256
Bij het aan- of afslepen de wettelijke voorschriften in acht nemen.
Een wagen met een ontladen accu mag om technische redenen niet worden afgesleept.
Aanvullende informatie en waarschuwingsaanwijzingen:
- Buitenaanzichten ⇒ pagina 6
- Motorregeling en uitlaatgasreinigingssysteem ⇒ pagina 218

WAARSCHUWING
Nooit een stroomloze wagen afslepen.
- Nooit de sleutel uit het contact trekken. Het stuurslot zou anders plotseling kunnen vergrendelen. De wagen kan dan niet meer bestuurd worden. Hierdoor kunt u de controle over de wagen verliezen, wat tot ongevallen en zware verwondingen kan leiden.

WAARSCHUWING
Bij het afslepen van een wagen veranderen het rijgedrag en de remwerking aanzienlijk. Om het risico van een ongeval en ernstig letsel te verminderen, het volgende in acht ne- men:

WAARSCHUWING (vervolg)
- Als bestuurder van de getrokken wagen:
- Voor het remmen is aanzienlijk meer pedaalkracht nodig, omdat de rembekrachtiger niet werkt. Niet te dicht op de trekkende wagen rijden.
- Er is meer kracht nodig om te sturen, aangezien de stuurbekrachtiging bij nietdraaiende motor niet werkt.
- Als bestuurder van de trekkende wagen:
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven.
- Plotselinge rem- en rijmanoeuvres vermijden.
- Eerder dan gewoonlijk en met lichte pedaaldruk remmen.

LET OP
- Afdekking en sleepoog voorzichtig uit- en inbouwen, zodat de wagen, bv. de lak, niet wordt beschadigd.
- Onverbrande brandstof kan in de katalysator terechtkomen, waardoor deze tijdens het af-slepen wordt beschadigd.

In de achterbumper is er geen mogelijkheid voor het bevestigen van het sleepoog. De en is niet geschikt voor het afslepen van andeagens.
Aanwijzingen voor het aanslepen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
In principe mag de wagen niet worden aangeslept. In plaats daarvan starchulp gebruiken ⇒ pagina 251.
De volgende wagens mogen om technische redenen niet worden aangesleept.
- Bij een wagen met een ontladen accu werkt het motorregelapparaat mogelijk niet optimaal.
Wanneer de wagen toch aangesleept moet worden (schakelbak):
• De 2e of 3e versnelling inschakelen.
• Koppeling ingetrapt houden.
- Contact en alarmlichten inschakelen.
- Als beide wagens in beweging zijn, de koppeling loslaten.
- Zodra de motor is aangeslagen het koppelingspedaal intrappen en uit de versnelling schakelen, om te voorkomen dat tegen de trekkende wagen aan wordt gereden.

LET OP
Er kan onverbrande brandstof in de katalysator komen, wanneer de wagen wordt aangesleept. Dit kan tot beschadigingen leiden.
△
Aanwijzingen voor het afslepen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Sleepkabel of sleepstang
Het beste voor de wagen en het veiligste is het om met een sleepstang af te slepen. Alleen wanneer geen sleepstang beschikbaar is, een sleepkabel gebruiken.
De sleepkabel moet elastisch zijn, opdat met beide wagens veilig kan worden gereden. Een kabel van kunstvezel of van materiaal met soortgelijke elast- citeit gebruiken.
Sleepkabel resp. sleepstang alleen aan de daar- voor bestemde ogen resp. aan de trekhaak beves- tigen.
Wanneer mag de wagen niet worden afgesleept?
Onder de volgende omstandigheden mag de wagen niet worden afgesleept, maar moet deze op een speciaal transportvoertuig of een aanhangwagen worden vervoerd:
- Als er door een beschadiging geen olie meer in de versnellingsbak van de wagen zit.
- Bij een ontladen accu, omdat de stuurinrichting eventueel geblokkeerd blijft en eventueel de elektronische stuurkolomvergrendeling niet kan worden losgezet.

De wagen kan alleen worden afgesleept, wanneer de elektronische stuurkolomverdeling is losgezet. Bij stroomuitval of storingen elektrische installatie moet u zo nodig via nulp de motor starten om de elektronische kolomvergrendeling los te zetten.
<
Sleepoog voor monteren

Afbeelding 162 Rechts in de voorbumper: Afdekking verwijderen

Afbeelding 163 Rechts in de voorbumper: Sleep- oog erin schroeven

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Het montagegat voor het inschroefbare sleepoog zit rechtsvoor in de bumper onder een afdekking → Afbeelding 162.
Het sleepoog moet altijd in de wagen worden mee-genomen.
Aanwijzingen voor het afslepen in acht nemen ⇒ pagina 255.
Sleepoog voor monteren
- Sleepoog uit het wagengereedschap in de bagageruimte nemen ⇒ pagina 227.
- Tegen het bovenste deel van de afdekking Afbeelding 162 (pijl) drukken, om de afdekking te ontgrendelen.
-
Afdekking verwijderen en aan de wagen laten hangen.
-
Sleepoog zo vast mogelijk linksom in het montagegat Afbeelding 163 draaien ⚠. Zo nodig een geschikt gereedschap gebruiken om het sleepoog volledig en stevig in het montagegat te schroeven.
- Na het afslepen het sleepoog rechtsom eruit draaien.
- Bovenste nok van de afdekking in de opening in de bumper plaatsen en onderste grendelnok voorzichtig over de rand van de opening duwen, eventueel van onderen op de onderste grendelnok drukken.
- Tegen het onderste deel van de afdekking drukken tot de onderste nok in de bumper vastklikt.
LET OP
Het sleepoog moet altijd volledig en stevig in het montagegat zijn geschroefd. Anders kan het sleepoog bij het aan- of afslepen uit het montagegat scheuren.
△
Aanwijzingen bij het afslepen

Lees eerst de informatie in de inleiding en de veiligheidsaanwijzingen ▲ op pa-4 en volg deze op.
Het afslepen vraagt enige oefening, vooral wan- neer er een sleepkabel wordt gebruikt. Beide be- stuurders moeten met de bijzonderheden van het slepen vertrouwd zijn. Het is daarom raadzaam dat onervaren bestuurders niet afslepen.
Bij het rijden erop letten, dat er geen ontoelaatbare trekkrachten en stootbelastingen optreden. Als er over onverharde wegen wordt gesleept, bestaat altijd het gevaar dat de bevestigingsdelen overbelast raken.
Indien uw wagen met ingeschakelde alarmlichten en ingeschakeld contact wordt gesleept, kunt u bij het afslaan gewoon richting aangeven. Knipperlichthendel in de gewenste richting bedienen. Gedurende het richtingaangeven wordt het alarmknipperen onderbroken. Zodra de knipperlichthendel weer in de neutrale stand staat, begint automatisch het alarmknipperen weer.
Bestuurder van de getrokken wagen:
- Contact ingeschakeld laten, zodat het stuurwiel niet geblokkeerd is en de knipperlichten, de claxon, de ruitenwissers en de ruitensproeierinstallatie kunnen worden ingeschakeld.
- Omdat de stuurbekrachtiging bij niet-draaiende motor niet werkt, moet u meer kracht voor het sturen gebruiken.
- Voor het remmen is aanzienlijk meer pedaalkracht nodig, omdat de rembekrachtiger niet werkt. Niet tegen de trekkende wagen aanrijden.
- Informatie en aanwijzingen in het instructieboekje van de te trekken wagen in acht nemen.
Bestuurder van de trekkende wagen
- Bijzonder voorzichtig en behoedzaam gas geven. Plotselinge manoeuvres vermijden.
- Eerder dan gewoonlijk en met lichte pedaaldruk remmen.
- Informatie en aanwijzingen in het instructieboekje van de getrokken wagen in acht nemen.
△
Gebruikte afkortingen
| Afkorting | Betekenis |
| 1/min | Omwentelingen per minuut van de motor (toerental) |
| ABS | Antiblokkeersysteem |
| ASR | Aandrijfslipregeling |
| BAS | Remassistent (remkrachtverhoger) |
| ccm | Kubieke centimeter. Maateenheid voor aanduiding van de cilinderinhoud. |
| CO2 | Koolstofdioxide |
| DIN | Duits Instituut voor Normalisatie |
| DRL | Dagrijverlichting (Daytime Running Light). |
| EDS | Elektronisch sperdifferentieel |
| EEG | Europese Economische Gemeenschap |
| EG | Europese Gemeenschap |
| EN | Europese Normalisatie |
| EPC | Motorregeling (Electronic Power Control). |
| ESC | Elektronische stabiliseringscontrole. |
| ESP | Elektronisch stabiliseringsprogramma. |
| g/km | Uitgestoten hoeveelheid kooldioxide in gram per gereden kilometer. |
| kN | Kilonewton, trekkracht. |
| kp | Kilopond, trekkracht. |
| kW | Kilowatt, aanduiding voor het motorvermogen. |
| Led | Lichtdiode (Light Emitting Diode) |
| MC | Motorcode. |
| MFA | Multifunctie-indicatie. |
| Nm | Newtonmeter, eenheid voor het motorkoppel. |
| OPS | Optische parkeerhulp |
| RON | Research Octane Number (octaangetal), maat voor de bepaling van de klopvastheid van benzine. |
| SB5 | 5-versnellings schakelbak. |
| SRS | Snelheidsregelsysteem. |
| TC | Traction control. |
| trip | Dagteller |
Trefwoordenlijst
A
Aan- en opbouwdelen 207
Aandrijfslipregeling (ASR) 128
Aanduwen 115
Aanpassingen 207,215
Aanslepen 115,254
Aantal zitplaatsen 46
Aantrekmoment Wielbouten 233
Aanwijzingen voor het rijden 24
Bij beladen wagen 92
Noodreservewiel 200
Reservewiel 200
ABS Zie: Remhulpsystemen 127
Accessoires 205, 206
Accu 175
Accukabels losmaken 177
Accukabels vastmaken 177
Accuvloeistof 177
Accuvloeistofpeil controleren 176
Automatisch uitschakelen van verbruikers 177
Inbouwplaats 175
Laden 177
Ontlaadt zich 34, 116, 178, 223
Starthulp 252
Symboolverklaring 175
Vervangen 177
Voorbereidende handelingen 176
Waarschuwingslampje 176
Accuvloeistof 177
Achterbank 97
Achterbankleuning Neerklappen 97 Terugklappen 97
Achterbankzitting 97
Achterklep 39 Met geopende klep rijden 93
Noodsluiten of -openen 226
Ont- of vergrendelen 35
Ontgrendelen 40
Openen 40
Sluiten 41
Vergrendelen 41
Achteruitkijkspiegel 90
Afmetingen 28
Afslepen 254 Aanwijzingen 256
Bijzonderheden 254, 255
Sleepkabel 255
Sleepoog voor 255
Sleepstang 255
Afvoer Gordelspanners 63
Airbagsysteem 64
Beschadigingen 208
Beschrijving 66
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen. 69
Buiten werking stellen met sleutelschake- laar 69
Controlelampje 65
Dashboard schoonmaken 192
Gebruik van kinderzitjes 69
Reparaties 208
Verschil tussen bijrijdersvoorairbagsystemen 65
Verzorging van de wagen 192
Voorairbags 68
Wagen vergrendelen na activering ..... 34
Werking 66
Zij-airbags 70
Airconditioning 150
Aanwijzingen voor het gebruik 152
Bedieningselementen 151
Bijzonderheden 153
Circulatiefunctie 154
Instellen 152
Luchtroosters 153
Storing 153
Alarmlichten 222
Alcantara 188
Aluminium verzorgen 184
Antenne 216
Antiblokkeersysteem (ABS) 127
Antidiefstalwielbouten 228, 231, 232
Asbakken 111
Aslasten 94
ASR Zie: Remhulpsystemen 128
Automatisch uitschakelen van verbruikers .177
Autotelefoon 209
B
Bagagedrager 101
Bagage opbergen 93
Bagageruimte 96 Hoedenplank 98
Bagageruimteklep Zie: Achterklep 35, 39
Banden Zie: Velgen en banden 193
Niet te gebruiken bij 237
Onderdelen 238
Voorbereidende handelingen 238
Bandenreparatieset
Bedrijfsmiddelen 207
Bedrijfsvloeistoffen 207
Beide zijden parkeerlicht 83
Beker- en flessenhouders 109
Middenconsole 109
Bekleding van stoel 187
Beladen
Algemene aanwijzingen 92
Bagage opbergen 93
Bagageruimte 96
Bevestigingsogen 100
Dakdragersysteem 102
Met geopende achterklep rijden 93
Benzine 159
Brandstof 159
Brandstofmeter 156
Soorten 159
Tanken 157
Toevoegingen 159
Bescherming tegen de zon 85
Bestuurdersportier
Overzicht 9
Bestuurdersruimte 10
Bevestigingsogen 100
Bij pech
Wagen in veiligheid brengen 222
Bijrijdersvoorairbag
Buiten werking stellen met sleutelschake- laar 69
Zie: Airbagsysteem 64
Bij stilvallen van de wagen
Wagen in veiligheid brengen 222
Bijzonderheden
Aanduwen 115
Aanslepen 115,254
Afslepen 254, 255
Hogedrukreiniger 181
Langere perioden van stilstand 34
Massakabel van de accu losmaken ..... 21
Parkeerhulp 140
Parkeren 29,122,125
Radio-ontvangst 216
Ruitenwissers 87
Wagen wassen 180
Wasstraat 180
Water onder wagen 153
Binnenspiegel 90
Binnenverlichting 84
Bodembescherming 24,186
Brandblusser 223
Brandstof 159
Benzine 159
Brandstofsoort 159
Informatie over het brandstofverbruik ... 160
Brandstofmeter 156
Benzine 156
Controlelampje 156
Brandstofsoort 159
Brandstofverbruik 161
CO2-emissie 161
Economisch rijden 131
Hoe wordt het bepaald? 160
Informatie 160
Wat verhoogt het? 218
Brillenvak 106
Buitenaanzichten 6
Buitenantenne 209
Buitenland
Langer verblijf met de wagen 216
Verkoop van de wagen 216
Buitenspiegels 90
Inklappen 90
Storing 91
Verzorging van de wagen 181
Buitentemperatuurmeter 19
C
Centrale vergrendeling 34
Beschrijving 34
Bijzondere functies 34
Knop voor centrale vergrendeling ..... 36
Safebeveiliging 37
Van binnenuit ont- of vergrendelen ..... 36
Van buitenaf ont- of vergrendelen ..... 35
Chassisnummer 27
Checklist
Controles bij het tanken 158
Gloeilampjes vervangen 245
In noodgevallen 222
Kinderen in de wagen vervoeren 73
Motorolie bijvullen 169
Motoroliepeil controleren 169
Rijden in het buitenland 25
Rijveiligheid 24
Stoelbekleding 188
Veiligheidsgordels 59
Voorbereidingen voor het rijden 24
Voorbereidingen voor het verwisselen van een wiel 232
Vóór werkzaamheden in de motorruimte . 164
Wagen met de krik omhoogbrengen .... 234
Chroom verzorgen 184
Circulatiefunctie 154
Tijdelijk uitschakelen 154
Uitschakelen 154
Werking 154
City-noodremfunctie 145
Bijzondere rijsituaties 148
Controlelampje 146
Sensor 147
Waarschuwingslampje 146
Werking 148
Claxon 11
CO2-emissie 161
Code 228
Comfortfuncties Herprogrammeren 210
Comfortknipperen 81
Conformiteitsverklaring 217
Contact Zie: Motor en contact 115
Contactsleutel Zie: Sleutels 31, 32
Contactslot 116 Onrechtmatige sleutel 116
Controlelampje Airbagsysteem 65
Brandstofvoorraad 156
City-noodremfunctie 146
ESP 123
In het bestuurdersportier 37
Katalysator 218
Licht 80
Motorkoelvloeistof 171
Motorolie controleren 167
Motoroliesensor 167
Motorregeling 218
Overzicht 15
Remsysteem 123
Remvoeringslijtage-indicatie 123
Sleutel 32
Snelheidsregelsysteem (SRS) 142
Stuurkolomvergrendeling 134
Tanken 156
Uitlaatgasreinigingssysteem 218
Controles bij het tanken 158
D
Dagrijverlichting 83
Dagteller 18
Dakdragersysteem 101
Dashboard 10
Dashboardkastje Zie: Opbergmogelijkheden ..... 106, 107
Defect gloeilampje Zie: Gloeilampjes vervangen 244
Diagnoseaansluiting 210
Digitale klok 18
Dimlicht 82
Display 18, 19 Instrumentenpaneel 19
Draaglast van de band 202, 203
Draairichtinggebonden banden 203
Drankflessen Zie: Beker- en flessenhouders ..... 109
Dynamo 176
E
Economisch rijden 131
EDS Zie: Remhulpsystemen 128
EHBO-set 223 Opbergplaats 223
Elektrische ruitbediening Openen 42 Schakelaars 42 Sluiten 42 Zie: Ruiten 42
Elektrische verbruikers ..... 113, 114, 223
Elektrisch glazen panoramaschuif-kanteldak Zie: Glazen panoramaschuif-kanteldak ... 43
Elektronische wegrijblokkering ..... 118
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) ..... 128
Geanodiseerde oppervlakken 184
Gebruikersinformatie 215
Geheugen 209
Geluiden
Banden 204
Motor 117
Remhulpsystemen 129
Gereedschap
Zie: Wagengereedschap 227
Gevarendriehoek 223
Gewichten 94
Glazen panoramaschuif-kanteldak 43
Krachtbegrenzing 45
Openen 44
Sluiten 44
Storing 43
Gloeilampjes vervangen 244
Achterlicht 248
Checklist 245
In de koplamp 246
In de voorbumper 247
Kentekenplaatverlichting 249
Voorbereidende handelingen 245
Zijknipperlicht 250
Gordeloprolautomaat 62
Onderhoud en afvoer 63
Gordelverloop 61
Gordelwaarschuwingslampje 56
Grootlichthendel 81
H
Handrem 124
Hefbrug 213
Herprogrammeren van regelapparaten ... 210
Hogedrukreiniger 181
Hoofdsteunen achterin
Uit- en inbouwen 51
Verstellen 50
Hulpsystemen
Aandrijfslipregeling (ASR) 128
Antiblokkeersysteem (ABS) 127
City-noodremfunctie 145
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) .... 128
Snelheidsregelsysteem (SRS) 142
Start-stop 137
Informatie over het brandstofverbruik ... 160
In noodgevallen 222
Alarmlichten 222
Bij pech 222
Brandblusser 223
Checklist 222
Gevarendriehoek 223
Uzelf en de wagen in veiligheid brengen . 222
Verbandkussen 223
Inrijden
Banden 196
De eerste kilometers 205
Motor 205
Remblokken 125
InSP-weergave 20
Instellen
Airconditioning 152
Juiste zithouding 48
Lichtbundelhoogte 83
Instrumenten 18
Instrumentenpaneel 15
Controlelampje 15
Display 18,19
Displayweergaven bedienen 22
Instrumenten 18
Service-intervalindicatie 20
Symbolen 15
Verlichting 83
Waarschuwingslampjes 15
Interieurluchtfilter 150
Isofix 77
Zie: Kinderzitje 72
J
Jerrycan 155
K
Katalysator 219
Controlelampje 218
Storing 218
Kenmerkende wagengegevens 27
Kilometerteller 18
Kinderen in de wagen vervoeren 72
Checklist 73
Kinderzitje 72
Bevestiging kinderzitje 74
Bevestigingssystemen 74
Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen. 69
Gewichtsgroepen 73
Isofix-kinderzitje op de zitplaatsen achterin 76
Kinderen in de wagen vervoeren 72
Met bevestigingsgordel Top Tether bevestigen 79
Met Isofix bevestigen 77
Met LATCH bevestigen 77
Met veiligheidsgordel bevestigen 76
Norm 73
Op de bijrijdersstoel 75
Op de zitplaatsen achterin 76
Kledinghaken 108
Klok 18
Knipperlichthendel 81
Koelvloeistof Zie: Motorkoelvloeistof 171
Koplamp Rijden in het buitenland 83
Koplampen Sproeierinstallatie 87
Krachtbegrenzing Glazen panoramaschuif-kanteldak .... 45
Krik 231
L
Lak conserveren 184
Lampjes vervangen Zie: Gloeilampjes vervangen 244
Lasersensor 147
LATCH 77 Zie: Kinderzitje 72
Leeggewicht 94
Licht 80 Binnenverlichting 84
Controlelampje 80
Dagrijverlichting 83
Dimlicht 82
Functions 82
Grootlichthendel 81
Inschakelen 82
Instrumentenverlichting 83
Knipperlichthendel 81
Lichtbundelhoogteverstelling 83
Lichtschakelaar 82
Mistlampen 82
Parkeerlicht aan beide zijden 83
Schakelaarverlichting 83
Stadslicht 82
Uitschakelen 82
Verlichting van instrumentenpaneel ..... 83
Waarschuwingssignalen 82
Lichtbundelhoogteverstelling 11,83
Luchtroosters 153
M
Middel ter bescherming tegen bevriezing . 172
Middenconsole 12,13
Milieubewust rijden 131
Mistlampen 82
Mobiele telefoon Gebruik zonder buitenantenne .... 210
Motor Geluiden 117 Inrijden 205
Motorcode Bepalen 28
Motor en contact 115 12 volt stopcontact 113
Contactslot 116
Motor afzetten 117
Motor starten 116
Onrechtmatige sleutel 116
Wegrijblokkering 118
Motorgegevens 28
Motorkap Openen 165 Sluiten 165
Motorkoelvloeistof 171 Bijvullen 173
Controlelampje 171
G12 Plus-Plus 172
Koelvloeistofpeil controleren 173
Specificatie 172
Temperatuurmeter 171
Vulopening 173
Waarschuwingslampje 171
Motorolie 167 Bijvullen 168
Controlelampje 167
Motoroliepeil controleren 168
Peilstok 168
Specificatie 168
Verbruik 170
Verversen 170
Vulopening 168
Waarschuwingslampje 167
Motorregeling 218
Controlelampje 218
Motorruimte 162
Accu 175
Motorkoelvloeistof 171
Motorolie 167
Schoonmaken 186
Voorbereidende handelingen 164
Waterkast 186
Motorstoring 218
N
Naderhand inbouwen
Autotelefoon 209
Zendontvangapparaat 209
Natuurkundig principe van een frontale bot- sing
Navigatieapparaat, draagbaar 212
Nieuwe banden 196
Nieuwe motor 205
Noodremsignaal 223
Noodreservewiel 200
Aanwijzingen voor het rijden 200
Sneeuwkettingen 204
Noodsluiten of -openen 225
Achterklep 226
Bestuurdersportier 225
Bijrijdersportier 226
Noodstop 223
O
Octaangetal 159
Olie
Zie: Motorolie 167
Oliepeil controleren 168
Oliepeilstok 168
Omhoogbrengen van de wagen
Met de krik 234
Met hefbrug 213
On-Board-Diagnostic System (OBD) ..... 210
Onderdelen 206
Opbergmogelijkheden 104
Bestuurderszijde 105
Bijrijderszijde 106, 107
Brillenvak 106
Dashboardkastje 106, 107
Middenconsole 107
Middenconsole voorin 105
Overige opbergmogelijkheden 108
Variabele bagageruimtebodem 99
Openen
Achterklep 40
Glazen panoramaschuif-kanteldak ..... 44
Portieren 38
Ruiten voorin 42
Van binnenuit 36
Van buitenaf 35
Opgeslagen informatie in de regelapparaten
209
Opslaan van gegevens tijdens het rijden . 209
Opslag en afvoer
Airbagsysteem 217
Oude wagen 217
Optische parkeerhulp (OPS) 141
Oudere banden 194
Overzicht
Achteraanzicht 8
Bestuurdersportier 9
Bestuurderszijde 10
Bijrijderszijde 14
Bovenste gedeelte van de middenconsole 12
Controlelampjes 15
Hemelbekleding 14
Instrumenten 18
Knipperlicht- en grootlichthendel 81
Onderste gedeelte van de middenconsole 13
Vooraanzicht 7
Waarschuwingslampjes 15
Zijaanzicht 6
P
Parkeerhulp 139, 140
Hogedrukreiniger gebruiken 181
Optische parkeerhulp (OPS) 141
Storing 140
Parkeerlicht 83
Parkeren 122, 125
ParkPilot 140
Pedalen 48,119
Plaatjes 215
Polijsten 184
Portieren 38
Noodsluiten of -openen 225
Portiergreep
Buitenzijde 6
Portierslotcilinder ijsvrij maken 185
Problemen zoeken 220
Profieldiepte 198
R
Radio-ontvangst
Antenne 216
Storing 113,216
Regelapparaten 209
Herprogrammeren 210
Rem
Controlelampje 123
Handrem 124
Noodremsignaal bij een noodstop ..... 223
Rembekrachtiger 126
Remblokken 125
Remblokken inrijden 125
Remhulpsystemen 127
Remvloeistof 129
Remvloeistofpeil 129
Remvloeistof verversen 130
Waarschuwingslampje 123
Remassistent (BAS) 128
Rembekrachtiger 126, 127
Remblokken inrijden Zie ook: Rem 125
Remhulpsystemen 127
Remmen 122
Remsysteem 127 Storing 126
Remvloeistof 129 Specificatie 129
Reparaties 205, 207 Airbagsysteem 208 Hefbrug 213 Plaatjes 215 Stickers 215 Voorruit 208
Reservesleutels Zie: Sleutels 31, 32
Reservewiel 200 Aanwijzingen voor het rijden 200 Verwijderen 200
Rijden Aanwijzingen voor het rijden 24 Afslepen 256 Bodembescherming 24 Brandstofmeter 156 Door zout water 26 Economisch 131 Milieubewust 131 Op hellingen parkeren 125 Opslaan van gegevens 209 Rijden in het buitenland 25 Rijden over ondergelopen wegen 26 Te geringe brandstofvoorraad 157 Voorbereidingen voor het rijden 24 Voordat u wegrijdt 24
Rijden door water 26 Rijden door zout water 26
Rijden in het buitenland Checklist 25 Koplamp 83
Rijprestaties 29 Rijveiligheid 24 Rijverlichting 82 Rubber afdichtingen 185
Ruiten 42 Ruitensproeiers 86
Ruitensproeiervloeistof Bijvullen 89 Controleren 89
Ruitenwisser Functies .... 87 Koplampsproeierinstallatie .... 87 Verwarmbare ruitensproeiers .... 87
Ruitenwisserbladen Schoonmaken 183 Vervangen 183
Ruitenwissers 86 Bijzonderheden 87 Ruitenwisserhendel 86 Servicestand 88 Wisserblad optillen 88 Wisserblad wegklappen 88
S
Safebeveiliging SAFE-vergrendeling 37 SAFELOCK 37
SAFE (wegrijblokkering) 118 Schade aan de band 199
Schakeladvies 121 Schakelbak 119 Zie ook: Schakelen 119
Schakelen 119 Schakeladvies 121 Schakelbak 120 Versnelling inschakelen (schakelbak) 120
Schoonmaken Zie: Verzorging van de wagen ..... 179
Service-intervalindicatie 20 Servicestand van de ruitenwissers voor 88 Sigarettenaansteker 112
Sleutel Batterij vervangen .... 33 Controlelampje .... 32
Sleutel met radiografische afstandsbedie- ning Zie: Sleutels 31
Sleutels Synchroniseren 33 toekennen 32 Toekennen 31
Sleutelschakelaar Bijrijdersvoorairbag buiten werking stellen. 69
Sleutelset 30 Slijtagemerktekens 198 Slopen 217 Sloten ijsvrij maken 185
Slotgreep Binnenzijde 9
Sluiten Achterklep 41 Glazen panoramaschuif-kanteldak 44 Portieren 38 Ruiten voorin 42
Van binnenuit 36
Van buitenaf 35
Sneeuwkettingen 204
Noodreservewiel 204
Sneeuw verwijderen 182
Snelheidscode 203
Snelheidsregelsysteem 142
Snelheidsregelsysteem (SRS)
Bedienen 143
Controlelampje 142
Sperdifferentieel
Zie: Remhulpsystemen 128
Spiegels 90
Binnenspiegel 90
Buitenspiegels 90
SRS 142
Stadslicht 82
Start-stopsysteem 137
Starthulp 251
Startkabels 252
Uitvoeren 252
Starthulp door derden
Zie: Starthulp 251
Steenslagschade herstellen (aanwijzing) . 208
Sticker met wagengegevens 27
Stickers 215
Stoelbekleding
Alcantara schoonmaken 188
Bekledingsstof schoonmaken 188
Checklist 188
Kunstleer 191
Nappaleder verzorgen en schoonmaken . 190
Omgang met stoelbekleding 188
Stoffen bekledingen schoonmaken ..... 188
Stoelen 46
Aantal zitplaatsen 46
Achterbankleuning 97
Hoofdsteunen achterin inbouwen ..... 51
Hoofdsteunen achterin uitbouwen ..... 51
Hoofdsteunen achterin verstellen 50
Juiste zithouding 48
Stoelverwarming 53
Voorstoel 49
Stoelfuncties 53
Stoelverwarming 53
Stofffilter 150
Stopcontact 113
12 volt 114
Storing
Airconditioning 153
Elektrisch verstelbare buitenspiegels ..... 91
Glazen panoramaschuif-kanteldak 43
Katalysator 218
Parkeerhulp 140
Radio-ontvangst 113,216
Wegrijblokkering 115
Storingen zoeken 220
Storinggeheugen
Afvragen 210
Steker 210
Stuurinrichting 134
Controlelampje 134
Eenzijdig trekken 199
Stuurbekrachtiging 135
Stuurkolomvergrendeling 135
Trillen 199
Waarschuwingslampje 134
Stuurwiel
Verstellen 52
Symbolen
Zie: Controlelampje 15
Zie: Waarschuwingslampje 15
Systemen
Aandrijfslipregeling (ASR) 128
ABS 127
Antiblokkeersysteem (ABS) 127
ASR 128
BAS 128
City-noodremfunctie 145
EDS 128
Elektronisch sperdifferentieel (EDS) .... 128
Snelheidsregelsysteem (SRS) 142
Start-stop 137
TC 128
Bij het tankstation 155
Brandstof 157
Brandstofmeter 156
Controlelampje 156
Controles bij het tanken 158
Verkeerd tanken 156
Tassenhaken 100
TC Zie: Remhulpsystemen 128
Bandenspanning 197
Brandstofsoort 159
Brandstofverbruik 161
Cilinderinhoud 28
CO2-emissie 161
Dakbelasting 102
Fabrieksplaatje 27
Gewichten 94
Leeggewicht 94
Motorgegevens 28
Motoroliespecificatie 168
Rijprestaties 29
Sticker met wagengegevens 27
Topsnelheid 29
Totaalgewicht 94
Typeplaatje 27
Vermogen 28
Vulhoeveelheden 89.158
Technische wijzigingen 207
Hefbrug 213
Plaatjes 215
Stickers 215
Temperatuurmeter
Buitentemperatuur 19
Koelvloeistoftemperatuur 23
Terreinrijden Bodembescherming 24
Terugname van oude wagens 217
TIN 202
Tire Mobility Set Zie: Bandenafdichtset 237
Toerenteller 18
Topsnelheid 29
Totaalgewicht 94
Traction 202
Transporteren 92
Aanwijzingen voor het rijden 94
Bevestigingsogen 100
Dakdragersysteem 101, 102
Met geopende achterklep rijden 93
Tassenhaken 100
Treadwear 202
Typeplaatje 27
U
Uitlaatgasreinigingssysteem 218
Controlelampje 218
Uitschakelen van verbruikers 177
V
Variabele bagageruimtebodem 99
Naar beneden uitbreiden 99
Naar voren uitbreiden 99
Veiligheidsgordels 55
Checklist 59
Gebruik 59
Gordeloprolautomaat 62
Gordelspankrachtbegrenzer 62
Gordelspanners 62
Gordelstatusindicatie 56
Gordelverloop 61
Losmaken 60
Niet vastgegespt 58
Omgespen 60
Schoonmaken 192
Verdraaide gordel 60
Waarschuwingslampje 56
Veiligheidsgordels bieden bescherming ... 59
Veiligheidsuitrustingen 67
Velgen 195
Schoonmaken 185
Vastgeschroefde sierelementen ..... 195
Vastgeschroefde velgringen 195
Velgen en banden 193
Aanduiding 201
Aanduiding op banden 201
Bandenidentificatienummer (TIN) 202
Banden opslaan 195
Bandenslijtage 199
Bandenspanning 197
Banden vervangen 196
Beschadigingen voorkomen 194
Binnengedrongen vreemde voorwerpen . 199
Draaglast van de band 203
Draairichtinggebonden banden .... 194,203
Inrijden 196
Nieuwe banden 196
Noodreservewiel 200
Omgang met velgen en banden ..... 194
Onbalans 199
Oudere banden 194
Profieldiepte 198
Reservewiel 200
Schade aan de band 199
Serienummer 202
Slijtagemerktekens 198
Sneeuwkettingen 204
Snelheidscode 202,203
Verkeerde uitlijning 199
Verwisseld wiel opbergen 200
Wielen balanceren 199
Wielen wisselen 194
Wiel verwisselen 231
Winterbanden 203
Ventieldopjes 198
Verbanddoos
Zie: EHBO-set 223
Verbandkussen
Zie: EHBO-set 223
Vergrendelen
Verkoop van de wagen 4
In andere landen / werelddelen 216
Vermoedelijke storingen 220
Versnelling inschakelen
Schakelen 120
Verstellen
Hoofdsteunen achterin 50
Stuurwiel 52
Voorstoel 49
Vervanging van onderdelen 205, 206
Vervoeren
Bagage opbergen 93
Verwarmbare stoelen 53
Verwarmings- en ventilatiesysteem
Bedieningselementen 151
Zie ook: Airconditioning 150
Verzorgen
Zie: Verzorging van de wagen 179
Verzorging van de wagen
Airbageenheid (dashboard) 192
Alcantara 188
Aluminium sierdelen 184
Bekledingsstoffen 188
Bijzonderheden 180, 181
Binnenzijde 187
Bodembescherming 186
Buitenspiegels 181
Buitenzijde 179
Chromen sierdelen 184
Dashboard 192
Elektrisch verstelbare stoelen 188
Geanodiseerde oppervlakken 184
Hogedrukreiniger 181
Hout 192
Kunstleer 191
Kunststof onderdelen 192
Met de hand wassen 180
Motorruimte 186
Nappaleder 190
Niet-elektrisch verstelbare stoelen ..... 188
Omgang met stoelbekleding 188
Opbergvakken schoonmaken 191
Portierslotcilinder ijsvrij maken ..... 185
Rubber afdichtingen 185
Ruitantenne 216
Ruiten 181
Ruitenwisserbladen schoonmaken ..... 183
Ruitenwisserbladen vervangen 183
Servicestand van de ruitenwissers vóór .. 88
Stoelen met airbagonderdelen 188
Stoelen zonder airbagonderdelen ..... 188
Stoffen bekledingen 188
Veiligheidsgordels schoonmaken ..... 192
Velgen schoonmaken 185
Wagenlak 184
Wagen wassen 180
Wasstraat 180
Zitting met stoelverwarming 188
Zitting zonder stoelverwarming 188
Vloermatten 119
Volkswagen informatiesysteem 22
Voorairbags
Zie: Airbagsysteem 68
Voorbereidende handelingen
Accu 176
Gloeilampjes vervangen 245
In de motorruimte werken 164
Motorkoelvloeistof bijvullen 173
Motorkoelvloeistofpeil controleren ..... 173
Motorolie bijvullen 168
Motoroliepeil controleren 168
Vóór elke rit 24
Wiel verwisselen 232
Voorbereidingen voor het rijden 24
Vóór het rijden naar een specialist ..... 220
Voorruit
Repareren (aanwijzing) 208
Steenslagschade herstellen (aanwijzing). 208
Vervangen (aanwijzing) 208
Vragen en antwoorden 220
Vulhoeveelheden
Brandstoftank 158
Ruitensproeiervloeistofreservoir 89
W
Waarschuwingslampje
Accu 176
City-noodremfunctie 146
Dynamo 176
Motorkoelvloeistof 171
Motoroliedruk 167
Overzicht 15
Remsysteem 123
Stuurkolomvergrendeling 134
Veiligheidsgordels 56
Waarschuwingssignalen
Licht 82
Niet omgegespte gordel 56
Waarschuwingstonen
Snelheid 23
Waarschuwings- en controlelampjes ..... 15
Wagen
Beladen 92
In veiligheid brengen bij pech 222
Op hellingen parkeren 125
Recycling 217
Terugname 217
Van binnenuit ont- of vergrendelen ..... 36
Van buitenaf ont- of vergrendelen ..... 35
Wagenaccu
Zie: Accu 175
Wagengereedschap
Onderdelen 228
Opbergplaats 227
Wagen omhoogbrengen
Checklist 234
Hefbrug 213
Krik 234
Wagenoverzicht
Achteraanzicht 8
Vooraanzicht 7
Zijaanzicht 6
Wagensleutel
Zie: Sleutels 31
Wagensleutels
Zie: Sleutels 32
Wagen wassen
Bijzonderheden 180
Sensoren 139
Wasresten verwijderen
Wassen
Met de hand 180
Met hogedrukreiniger 181
Wasstraat
Wat als?
Waterkast
Wat gebeurt er met niet-vastgegespte inzit- tenden? 58
Wegrijblokkering
Storing 115
Wegrijhulp
Zie: Hulpsystemen 136
Wielbouten
Aantrekmoment 233
Doppen 230
Wieldoppen
Doppen van de wielbouten 230
Naafdop 229
Wieldop 230
Wiel verwisselen 231
Na het verwisselen van een wiel 236
Voorbereidende handelingen 232
Wagen omhoogbrengen 234
Wielbouten 232
Wiel verwisselen 235
Wijzigingen
Wijzigingen aan de wagen
Plaatjes 215
Stickers 215
Winterbanden
Snelheidsbegrenzing 203
Winterse omstandigheden
Bandenspanning 197
Brandstofverbruik 132
Glazen panoramaschuif-kanteldak 43
Profieldiepte 198
Ruitensproeiervloeistofreservoir ..... 182
Sneeuwkettingen 204
Winterbanden 203
Z
Zekeringen 241
Doorgebrande zekering herkennen ..... 243
Kleurcode 242
Vervangen 243
Voorbereidingen voor het vervangen .... 243
Zekeringenhouder 242
Zendontvangapparaat
Zij-airbags
Zie: Airbagsysteem 70
Zithouding
Verkeerde zithouding 47
Zitplaatsen
Zitten
Stand van het stuurwiel verstellen ..... 52
Zonnekleppen
Volkswagen AG werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling van alle modellen en typen. Wij vragen u om begrip, dat om deze reden wijzigingen van de leveringsomvang in de vorm, uitvoering en techniek mogelijk zijn. De gegevens over leveringsomvang, uiterlijk, maten, gewichten, brandstofverbruik, normen en functies van de wagen komen overeen met de stand van de informatie op het moment van het ter perse gaan van deze brochure. Enkele van de meeruitvoeringen zijn mogelijk pas later leverbaar (voor meer informatie kunt u uw lokale Volkswagen Partner benaderen) of worden alleen in bepaalde landen aangeboden. Uit de gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen in dit instructieboekje kunnen geen aanspraken worden afgeleid.
Nadruk, reproductie of vertaling, ook van gedeelten, is zonder schriftelijke toestemming van Volkswagen AG niet toegestaan.
Volkswagen AG behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten op grond van het auteursrecht voor. Wijzigingen voorbehouden.
Gedrukt in Duitsland.
© 2011 Volkswagen AG

Dit papier is gemaakt van chloorvrij gebleekte cellulose.
Instructieboekje:
up!
Stand: 13.09.2011











n
FF











































