FZS1000 Fazer (2005) - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FZS1000 Fazer (2005) YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | Yamaha |
| Model | FZS1000 Fazer (2005) |
| Categorie | Moto |
| Afmetingen (L x B x H) | 2125 mm x 765 mm x 1190 mm |
| Wielbasis | 1450 mm |
| Grondspeling | 140 mm |
| Zithoogte | 820 mm |
| Gewicht (incl. olie en brandstof) | 231,0 kg |
| Motortype | Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC, 4 cilinders |
| Cilinderinhoud | 998 cm³ |
| Compressieverhouding | 11,40:1 |
| Brandstoftankinhoud | 21,0 L |
| Brandstofreserve | 4,1 L |
| Aanbevolen brandstof | Uitsluitend loodvrije benzine (RON 91+) |
| Motoroliecapaciteit (zonder filter) | 2,80 L |
| Motoroliecapaciteit (met filter) | 3,00 L |
| Koelvloeistofcapaciteit (radiator + leidingen) | 2,40 L |
| Voorrem | Dubbele schijfrem |
| Achterrem | Enkele schijfrem |
| Voorwielophanging | Telescoopvork, veerweg 140 mm |
| Achterwielophanging | Achterbrug (link-ophanging), veerweg 135 mm |
| Accu | 12 V, 12,0 A/u (model GT14B-4) |
| Startbeveiligingssysteem | Sperschakelaars voor zijstandaard en koppelingshendel |
| EXUP-systeem | Regelsysteem voor uitlaatdruk |
Veelgestelde vragen - FZS1000 Fazer (2005) YAMAHA
Gebruikersvragen over FZS1000 Fazer (2005) YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FZS1000 Fazer (2005) - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FZS1000 Fazer (2005) van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING FZS1000 Fazer (2005) YAMAHA
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de FZS1000/FZS1000S profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw FZS1000/FZS1000S. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de motorfiets, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw motorfiets in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10150
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de motorrijder of omstanders of degene die de motorfiets inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP staat vermeld bij speciale voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om schade aan de motorfiets te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding NB staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze motorfiets en moet altijd bij de machine blijven, ook als deze ooit wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw motor en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA10030
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE MOTORFIETS GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10200
FZS1000/FZS1000S
HANDLEIDING
©2004 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, juli 2004
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Printed in Japan.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Contactslot/stuurslot ....3-1
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-2
Snelheidsmeterunit 3-3
Toerentellerunit 3-4
Zelfdiagnosesystemen ....3-5
Brandstofniveaumeter 3-5
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ...3-6
Stuurschakelaars ....3-6
Koppelingshendel 3-7
Schakelpedaal 3-7
Remhendel 3-8
Rempedaal 3-8
Tankdop 3-8
Brandstof 3-9
Tankbeluchtingsslang ....3-10
Uitlaatkatalysator 3-10
Chokehendel 3-11
Zadel 3-11
Helmbevestiging 3-12
Opbergcompartiment 3-12
Afstellen van de voorvork ....3-13
Afstellen van de schokdemperunit ....3-14
EXUP-systeem 3-16
Zijstandaard 3-16
Startspersysteem 3-17
CONTROLES VOOR HET
STARTEN 4-1
Controlelijst voor gebruik 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van een koude motor ..... 5-1
Starten van een warme motor .....5-2
Schakelen 5-3
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-4
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES 6-1
Boordgereedschapset 6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema 6-2
Panelen verwijderen en aanbrengen 6-6
Controleren van de bougies ...... 6-7
Motorolie en oliefilterpatroon ..... 6-8
Koelvloeistof 6-11
Reinigen van het luchtfilterelement 6-13
Afstellen van het stationair toerental 6-15
Controleren van de vrije slag gaskabel 6-16
Klepspeling 6-16
Banden 6-17
Gietwielen 6-19
Vrije slag van koppelingshendel afstellen 6-20
Remlichtschakelaar afstellen ..... 6-20
Controleren van voor- en achterremblokken 6-21
Controleren van remvloeistofniveau 6-21
Verversen van remvloeistof ..... 6-22
Spanning aandrijfketting 6-23
Smeren van de aandrijfketting ..... 6-24
Controleren en smeren van kabels 6-24
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel ...... 6-25
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen ...... 6-25
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-25
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard ..... 6-26
De achterbrugscharnierpunten smeren ....6-26
Smeren van de achterwielophanging ....6-26
Voorvork controleren 6-27
Controle van stuursysteem ......6-27
Controleren van wiellagers .....6-28
Accu 6-28
Zekeringen vervangen 6-29
Koplampgloeilamp vervangen .....6-30
Gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen 6-31
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen 6-32
Vervangen van een parkeerlichtgloeilamp ....6-32
Voorwiel 6-33
Achterwiel 6-34
Problemen oplossen 6-36
Storingzoekschema's 6-37
VERZORGING EN STALLING VAN
DE MOTORFIETS 7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10271
MOTORFIETSEN ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS- TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DES- KUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE MOTOR TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN HET MOTORRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN HET INSTRUCTIEBOEKJE VOOR DE EI-GENAAR.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILIGE EN CORRECTE RIJTECHNIEKEN.
●GEBRUIK MAKEN VAN PROFES- SIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN HET IN- STRUCTIEBOEKJE EN/OF WAN- NEER DE MECHANISCHE CONDITIES DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
Dus:
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw machine alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinleggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd word genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteu-nen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze motorfiets is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze motor onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw motor ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de motor of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Maximale belasting:
189 kg (417 lb)

VEILIGHEIDSINFORMATIE
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden van de motor wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze motor. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kun-
nen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
-
Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
-
Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode- lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
-
Zet de motor altijd uit voordat u de motorfiets onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de motor gaat parke-ren:
-
De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, parkeer de motorfiets daarom op een plek waar voetgangers en kinderen hier geen last van hebben.
- Parkeer de motor niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de motor niet nabij een brandend toestel (bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Als u de motor in een ander voertuig vervoert, zorg dan dat deze rechtop staat. Als de motor schuin staat, kan er benzine uit de carburateur of de brandstoftank stromen.
- Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen is terecht gekomen. Morst u benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Stelschroef voor inveerdemping voorvork (pagina 3-13)
- Stelschroef voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-13)
- Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-13)
- Luchtfilterelement (pagina 6-13)
- Hoofdzekering (pagina 6-29)
- Zekeringenkastje (pagina 6-29)
- Opbergcompartiment (pagina 3-12)
-
Handgreep
-
Zadelslot/helmbevestiging (pagina 3-11/pagina 3-12)
10.Stelschroef voor inveerdemping schokdemperunit (pagina 3-14) - Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-14)
12.Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-14)
13.Schakelpedaal (pagina 3-7)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Boordgereedschapset (pagina 6-1)
- Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-21)
- Accu (pagina 6-28)
- Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-21)
- Radiatorvuldop (pagina 6-11)
- Oliefilterpatroon (pagina 6-8)
- Kijkglas olieniveau (pagina 6-8)
-
Rempedaal (pagina 3-8)
-
Koelvloeistofreservoir (pagina 6-11)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Koppelingshendel (pagina 3-7)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-6)
- Chokehendel (pagina 3-11)
- Snelheidsmeterunit (pagina 3-3)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-1)
- Toerentellerunit (pagina 3-4)
- Brandstofniveaumeter (pagina 3-5)
-
Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-6)
-
Remhendel (pagina 3-8)
10.Gasgreep (pagina 6-16)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.
DAU10460
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10660
DAU10680
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen

ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht en het parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplampen gaan automatisch branden wanneer de motor is gestart en blijven branden tot de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid.
- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10910
p≤(Parkeren)
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "p≤" te kunnen draaien.
DCA11020
LET OP:
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11002
Controle- en
waarschuwingslampjes

- Controlelampje linker richtingaanwijzers "◀"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers "→"
- Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "E"
- Controlelampje brandstofniveau "☐"
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers
“◀” en>“ ”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnel- lingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "ID"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11120
Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
OPMERKING:
Bij een voldoende hoog olieniveau kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11350
Waarschuwingslampje brandstofniveau “”
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 4.1 L (1.08 US gal) (0.90 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAU11440
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "上"
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DCA10020
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
DAU11810
Snelheidsmeterunit

- Snelheidsmeter
- Kilometerteller/rittellers
- "SELECT"-toets
- "RESET"-toets
De snelheidsmeterunit is voorzien van het volgende:
●een kilometerteller
●twee rittellers
Indien ingesteld op "ODO" wordt de totale afstand aangegeven die door de machine is afgelegd.
Indien ingesteld op "TRIP 1" of op "TRIP 2" wordt de afstand aangegeven die door de machine werd afgelegd sinds de ritteller het laatst werd teruggesteld op nul. De ritteller kan samen met de brandstofniveaumeter worden gebruikt om de afstand te schatten
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
die met een volle brandstoftank kan worden afgelegd. Deze informatie stelt u in staat de volgende tankstops te plannen.
Instellen van een weergavemode
Door indrukken van de "SELECT"-knop wisselt de weergave volgens onderstaande volgorde tussen kilometerteller-mode "ODO"- en de ritteller-modes "TRIP 1" en "TRIP 2".
ODO → TRIP 1 → TRIP 2 → ODO
Om een meter terug te stellen
Om de rittellers 1 of 2 op 0.0 terug te stellen wordt een der tellers geselecteerd via de "SELECT" toets, waarna de "RESET" toets minstens een seconde wordt ingedrukt.
DAU11891
Toerentellerunit

Met de elektrische toerenteller kan de motorrijder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden.
DCA10031
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 11500 tpm en hoger
Deze toerenteller is tevens voorzien van een klok.
Om de klok op tijd te zetten
-
Druk tegelijkertijd de "SELECT"- en "RESET"-toets gedurende minstens twee seconden in.
-
Als de uuraanduiding begint te knippen, drukt u op de "RESET"-toets om de uren in te stellen.
- Druk op de "SELECT"-toets om de minuten in te stellen.
- Als de minutenanduiding begint te knipperen, drukt u op de "RESET"-toets om de minuten in te stellen.
- Druk op de "SELECT"-toets om de klok aan te zetten.
OPMERKING:
Nadat de klok op tijd is gezet, moet de "SELECT"-toets worden ingedrukt alvorens de sleutel naar "OFF" te draaien, anders geeft de klok niet de juiste tijd aan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12100
Zelfdiagnosesystemen
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor de volgende elektrische cir- cuits:
●gasklepsensor
-rijsnelheidssensor
●EXUP-systeem
-valschakelaar
Als een van deze circuits defect is, zal de toerenteller bij herhaling de volgende foutcode weergeven:
![graph LR A["0 tpm gedurende 3 seconden"] --> B["Circuitspecifiek nummer in tpm gedurende 2.5 seconden (zie de tabel hierna.)"] B --> C["Het actuele motortoerental gedurende 3 seconden"]](/content/2026/06/1152183/images/1456b8905cc44b36ab036657c3607d547ca6cc4d8525487faf2fd2a8da272a3a.jpg)
Gebruik het schema hierna om het defecte elektrisch circuit te identificeren.
Specifiek nummer in tpm voor het defecte circuit
Gasklepsensor:
3000 tpm
Rijsnelheidssensor:
4000 tpm
EXUP-systeem:
7000 tpm
Valschakelaar:
9000 tpm
Als de toerenteller een dergelijke foutcode weergeeft, noteer dan de circuitnummeraanduiding aangegeven in tpm en vraag een Yamaha dealer de machine te controle- ren.
DCA10040
LET OP:
Wanneer de toerenteller een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
DAU12110
Brandstofniveaumeter

- Brandstofniveaumeter
De brandstofniveaumeter geeft aan hoeveel brandstof in de tank aanwezig is. De naald beweegt naar "E" (Empty) naarmate het brandstofniveau daalt. Wanneer de aanwijsnaald bij "E" staat, is er nog ca. 4.1 L (1.08 US gal) (0.90 Imp.gal) brandstof in de tank aanwezig. Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
OPMERKING:
Voorkom dat de brandstoftank geheel droog komt te staan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12330
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)
Deze motor kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12343
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "PASS"
- Dimlichtschakelaar "E0 E0
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Claxonschakelaar "▶"
- Schakelaar alarmverlichting "△"
Rechts

Druk deze schakelaar in om met de koplampen een lichtsignaal te geven.
DAU12400
Dimlichtschakelaar "10" Zet deze schakelaar op "10" en op "10" voor dimlicht.
voor grootlicht
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar “◀” → Druk deze schakelaar naar “→” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “◀” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "▶"
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12660
Noodstopschakelaar “()” ✉
Zet deze schakelaar voor u de motor start op “○”. Zet deze schakelaar op “✕” om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12710
Startknop “ ≧”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien.
DCA10050
LET OP:
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
DAU12731
Schakelaar alarmverlichting "△" Met de sleutel in de stand "ON" of "p≤" kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10060
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU12820
Koppelingshendel

- Koppelingshendel 1. Schakelpedaal
De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-17.)
DAU12820
DAU12870
Schakelpedaal

Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 6-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12930
DAU12941
DAU13070
Remhendel
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.

- Remhendel
- Stelwiel afstelpositie remhendel
- Pijlteken
- Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De remhendel is voorzien van een stelwiel voor afstelpositie. Om de afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt het stelwiel gedraaid terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt gehouden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het pijlteken staat op de koppelingshendel.
Rempedaal

- Rempedaal 1. Slotplaatje tankdop
Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop

Openen van de tankdop
Open het slotplaatje op de tankdop, steek de sleutel in het slot en draai hem dan een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgren-deld en de tankdop kan worden verwijderd.
Sluiten van de tankdop
- Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en sluit dan het slotplaatje.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
De tankdop kan alleen worden gesloten met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct gesloten en vergrendeld is.
DWA11090

WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is afgesloten.
DAU13210
Brandstof

- Vulpijp brandstoftank
- Brandstofniveau
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Vul de brandstoftank tot onderaan de vulpijp zoals getoond.
DWA10880

WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
DCA10070
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13320
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOOD-VRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
21.0 L (5.55 US gal) (4.62 Imp.gal)
Brandstofreserve:
4.1 L (1.08 US gal) (0.90 Imp.gal)
DCA11400
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13410
Tankbeluchtingsslang

- Tankbeluchtingsslang
- Oorspronkelijke positie (wit merkteken)
Alvorens de motorfiets te gebruiken:
- Controleer de aansluiting van de tankbeluchtingsslang.
- Controleer de tankbeluchtingsslang op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
- Controleer of het uiteinde van de tankbeluchtingsslang niet verstopt is en reinig die indien nodig.
DAU13440
Uitlaatkatalysator
Deze machine heeft een uitlaatkatalysator die gemonteerd is in de uitlaatdemper.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend loodvrije benzi-
ne. Bij gebruik van loodhoudende
benzine zal onherstelbare schade
worden toegebracht aan de uitlaat-
katalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13590
DAU13940
Chokehendel " |"

- Chokehendel " |
Voor het starten van een koude motor is een rijker lucht/brandstof mengsel nodig; via de choke wordt dit mengsel geleverd.
Beweeg de hendel in richting (a) om de choke aan te zetten.
Beweeg de hendel in richting (b) om de choke uit te zetten.
Zadel
Verwijderen van het zadel
- Steek de sleutel in het zadelslot en draai rechtsom.

-
Zadelslot
-
Ontgrendelen.
-
Houd de sleutel in deze stand vast, trek het zadel aan de achterzijde omhoog en trek dan het zadel los.
Aanbrengen van het zadel
- Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het zadel in de zadelbevestiging, zoals getoond in de afbeelding.

-
Uitsteeksel
-
Zadelbevestiging
-
Druk het zadel aan de achterzijde om- laag om te vergrendelen.
-
Neem de sleutel uit.
OPMERKING:
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14350
Helmbevestiging

Steek de sleutel in het zadelslot en draai deze dan zoals getoond om de helmbevestiging te openen.
Vergrendel de helmbevestiging door de sleutel in de oorspronkelijke positie te draaien en deze dan uit te nemen.
DWA10160
WAARSCHUWING
Rijd nooit met een helm bevestigd aan de helmbevestiging, de helm kan zo voorwerpen raken waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt en een ongeval niet uitgesloten is.
DAU14411
Opbergcompartiment

Dit opbergcompartiment is bedoeld voor het opbergen van een origineel Yamaha U-slot. (Andere typen sloten passen mogelijk niet.) Bij het opbergen van een U-slot in het opbergcompartiment moet dit stevig met de riemen worden bevestigd. Als het U-slot niet in het opbergcompartiment is opgeborgen, maak dan de riemen vast om deze niet te verliezen.

- Stang u-slot (optie)
- Riem
- Yamaha U-slot (optie)
Als de gebruikershandleiding of andere documentatie in het opbergcompartiment wordt opgeborgen, doe ze dan in een plastic zak om nat worden te voorkomen. Zorg bij het wassen van de motorfiets dat geen water het opbergcompartiment kan binnendringen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14751
Afstellen van de voorvork
Deze voorvork is voorzien van stelbouten voor veervoorspanning, stelschroeven voor uitveerdemping en stelschroeven voor in-veerdemping.
DWA10180

WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Veervoorspanning

- Stelbout veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a).
Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
OPMERKING:
Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de vorkplug.

-
Huidige instelling
-
Vorkplug
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
5*
Standaard:
2
Maximum (hard):
1
* Stelbout volledig gedraaid in de richting (b)
Uitveerdemping

- Stelschroef voor uitveerdemping
Draai om de uitveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de uitveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).
Afstelling uitveerdemping:
Minimum (zacht):
17 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
7 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Inveerdemping

- Stelschroef voor inveerdemping
Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de inveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).
Afstelling inveerdemping:
Minimum (zacht):
21 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
6 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
OPMERKING:
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
DAU15041
Afstellen van de schokdemperunit
Deze schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning, een stelknop voor uitveerdemping en een stelschroef voor inveerdemping.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
Veervoorspanning

- Stelring veervoorspanning
- Speciale sleutel
- Positie-indicator
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring in de richting (a). Draai om de veervoor-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
spanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring in de richting (b).
OPMERKING:
- Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
●Verricht de afstelling met de speciale sleutel in de boordgereedschapset.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
6
Maximum (hard):
11
Uitveerdemping

- Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de uitveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
Afstelling uitveerdemping:
Minimum (zacht):
20 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
10 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
Inveerdemping

- Stelschroef voor inveerdemping
Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef in de richting (a). Draai om de in-
veerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef in de richting (b).
Afstelling inveerdemping:
Minimum (zacht):
1 klik(ken) in de richting (a)*
Standaard:
7 klik(ken) in de richting (a)*
Maximum (hard):
12 klik(ken) in de richting (a)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (b)
OPMERKING:
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
DWA10220
WAARSCHUWING
Deze schokdemper is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees en begrijp de volgende informatie alvorens de
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
schokdemper te gebruiken. De fabrikant kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan eigendommen of voor persoonlijk letsel als dit voortvloeit uit verkeerd gebruik.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemper niet bloot aan open vuur of aan andere hittebronnen, anders kan deze door de oplopende druk exploderen.
●Vervorm of beschadig de gascilinder op geen enkele wijze, de dempende werking zal dan achteruitgaan.
●Laat onderhoud aan de schokdemper altijd uitvoeren door een Yamaha dealer.
DAU15280
EXUP-systeem
Dit model is uitgerust met het Yamaha EXUP-systeem (regelsysteem voor uitlaatdruk). Dit systeem verhoogt het motorvermogen door een klep die de diameter van de uitlaatpijp reguleert. De stand van de EXUP-klep wordt door een computergestuurde servomotor constant aangepast overeenkomstig het motortoerental.
DCA10190
LET OP:
- Het EXUP-systeem werd afgesteld en uitgebreid getest op de Yamaha fabriek. Als deze afstellingen worden gewijzigd zonder dat voldoende technische kennis aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.
●Als het EXUP-systeem niet werkt, laat dan een controle uitvoeren door een Yamaha dealer.
DAU15300
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linker-zijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de motorfiets verticaal houdt.
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig zo- als hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15321
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de sperschakelaar voor de zijstandaard, de sperschakelaar voor de koppelingshendel en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig, ga daarbij als volgt te werk.
DWA10260
WAARSCHUWING
- Bij deze inspectie moet de machine op de middenbok worden gezet.
●Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
![graph TD A["Start de motor?"] -->|JA NEE| B["Met de motor uit: 1. Beweeg de zijstandaard omlaag.<br>2. Controleer of de noodstopschakelaar aanstaat.<br>3. Draai de sleutel naar aan.<br>4. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.<br>5. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"] B -->|JA NEE| C["Me…](/content/2026/06/1152183/images/ad41471e83358698889fe56a3117c1361799d868e6de74be3007041abe1181fb.jpg)
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
CONTROLES VOOR HET STARTEN
Controlelijst voor gebruik
DAU15603
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-9 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in de motor.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-8 |
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-11 |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-21, 6-21 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-21, 6-21 |
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Koppeling | Controleer de werking.Smeer indien nodig de kabel.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij. | 6-20 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-16, 6-25 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-24 |
| Aandrijfketting | Controleer of de ketting correct is aangespannen.Stel indien nodig bij.Controleer de conditie van de ketting.Smeer indien nodig. | 6-23, 6-24 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-17, 6-19 |
| Rem- en schakelpedalen | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten. | 6-25 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-25 |
| Middenbok, zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-26 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Sperschakelaar voor de zij-standaard | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine na te kijken. | 3-16 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15950
DAU16220
DWA10270
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inade- men ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do- delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Controleer of de zijstandaard is ingetrokken alvorens weg te rijden. Als de zijstandaard niet behoorlijk is ingetrokken, kan deze de grond raken en zo de motorrijder afleiden, waardoor u de macht over het stuur verliest.
Starten van een koude motor
Het startspersysteem staat starten alleen toe als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan.
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
- De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
DWA10290
WAARSCHUWING
-
Controleer voor het starten van de motor de werking van het startspersysteem en volg daarbij de werkwijze beschreven op pagina 3-17.
●Ga nooit rijden terwijl de zijstandaard omlaag staat. -
Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
DCA11430
LET OP:
De waarschuwingslampjes voor olieniveau en voor koelvloeistoftemperatuur en het waarschuwingslampje voor brandstofniveau moeten enkele seconden oplichten en dan doven. Als een
waarschuwingslampje niet uit gaat, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
OPMERKING:
Als de versnellingsbak in de vrijstand staat, moet het vrijstandcontrolelampje branden; zo niet, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Zet de choke aan en draai de gasgreep helemaal dicht. (Zie pagina 3-11.)
- Start de motor door de startknop in te drukken.
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaneen draaien.
DCA11490
LET OP:
- Als het olieniveaulampje knippert of aan blijft na het starten, zet de motor dan direct af, controleer het olieniveau en let op eventuele
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
olielekkage. Vul indien nodig motorolie bij en controleer het waarschuwingslampje dan opnieuw. Als bij het naar "ON" draaien van de contactsleutel het waarschuwingslampje niet een paar seconden brandt en dan dooft, of als het lampje niet uitgaat na starten met voldoende motorolie, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren.
●Als het waarschuwingslampje voor koelvloeistoftemperatuur knippert of aan blijft na het starten, zet de motor dan direct af, controleer het koelvloeistofniveau en let op eventuele lekkage. Vul indien nodig koelvloeistof bij en controleer het waarschuwingslampje dan opnieuw. Als bij het naar "ON" draaien van de contactsleutel het waarschuwingslampje niet een paar seconden brandt en dan dooft, of als het lampje niet uitgaat na starten met voldoende koelvloeistof, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren.
●Als het waarschuwingslampje voor brandstofniveau na starten blijft branden, zet dan de motor af om het brandstofniveau te controleren. Vul
indien nodig brandstof bij en controleer dan het controlelampje opnieuw. Als bij het naar "ON" draaien van de contactsleutel het waarschuwingslampje niet een paar seconden brandt en dan dooft, of als het lampje niet uitgaat na starten met voldoende brandstof, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren.
- Zet na het starten van de motor de starter (choke) tot halverwege terug.
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
- Zet de choke uit zodra de motor warm is.
OPMERKING:
De motor is warm wanneer hij normaal reageert op de gasbediening terwijl de choke uit is gezet.
DAU16640
Starten van een warme motor
Volg dezelfde procedure als bij starten van een koude motor, alleen is het gebruik van de choke niet nodig als de motor warm is.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16671
DCA10260
DAU16B00
Schakelen

- Schakelpedaal
- Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING:
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
LET OP:
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
- Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Zet de choke zo snel mogelijk uit.
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accelereert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16841
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17091
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 5800 tpm draaien.
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 6900 tpm draaien.
DCA10301
LET OP:
Na de eerste 1000 km (600 mi) moet de motorolie worden ververst en de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10310
LET OP:
- Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
- Als tijdens de inrijperiode motor-schade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU17212
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17240
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GE-BRUIK.
DWA10320

WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DAU17520
Boordgereedschapset

De boordgereedschapset is te vinden in het opbergcompartiment onder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350
WAARSCHUWING
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17705
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km, beginnend vanaf 10000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | * | Brandstofffilter | • Controleer de conditie. | √ | √ | |||
| 3 | Bougies | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. | √ | √ | ||||||
| 4 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | Elke 40000 km | ||||
| 5 | Luchtfilterelement | • Reinigen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. | √ | √ | ||||||
| 6 | Koppeling | • Controleer de werking.• Afstellen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 7 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 8 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 9 | * | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. √ √ | √ | √ | √ | |||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 10 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 13 | * | Achterbrug | • Controleer op een correcte werking en overmatige spe-ling. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km | |||||||||
| 14 | Aandrijfketting | • Controleer de spanning, uitlijning en conditie van de aan-drijfketting.• Stel de ketting af en smeer deze grondig met een speciale smering voor o-ringkettingen. | Elke 1000 km en na elke wasbeurt of rit in de regen | ||||||
| 15 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. Elke 20000 km | |||||||||
| 16 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | ||
| 17 | Zijstandaard, midden-bok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 18 | * | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 19 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 20 | * | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 21 | * | Relaisarm achterwie-lophanging en schar-nierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ √ √ √ | ||||||
| • Smeren met lithiumvet. √ √ | |||||||||
| 22 | * | Carburateurs | • Controleer de werking van de choke. Stel het stationair toerental en de synchronisatie af. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 23 | Motorolie | • Verversen. Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 24 | Oliefilterpatroon | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 25 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de ma-chine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Verversen. | Elke 3 jaar | ||||||||
| 26 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 27 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 28 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling. Stel indien nodig de speling af. • Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 29 | * | Luchtinlaatsysteem | • Controleer de luchtafsluitklep, de membraanklep en de slang op beschadiging. • Vervang indien nodig het volledige luchtinlaatsysteem. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 30 | * | Uitlaatdemper en uit-laatpijp | • Controleer of de schroefklem goed vastzit. √ √ | √ | √ | √ | ||
| 31 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ |
DAU18670
OPMERKING:
- Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
●Hydraulisch remsysteem
- Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18771
Panelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden beschreven, moeten de afgebeelde panelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf telkens door om een paneel te verwijderen of aan te brengen.

Om een van de panelen te verwijderen Verwijder de schroef en trek het paneel dan los zoals getoond.

Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroef aan.

Verwijderen van een paneel
Verwijder de schroeven en de bout en haal dan het paneel los.

- Paneel B
- Schroef
- Bout
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de schroeven en de bout aan.
Controleren van de bougies
De bougies zijn belangrijke onderdelen van de motor die gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd. Omdat door verhitting en neerslag bougies altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.
Een bougie verwijderen
- Verwijder de bougiedop.

-
Bougiedop
-
Verwijder de bougie zoals weergegeven met behulp van de bougiesleutel uit de boordgereedschapsset.

- Bougiesleutel
Controleren van de bougies
- Kijk of op elke bougie de porseleinen isolator rond de centrale elektrode licht tot gemiddeld bruin verkleurd is (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden).
- Controleer of alle bougies in de motor dezelfde kleur hebben.
OPMERKING:
Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, is de motor mogelijk defect. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw motorfiets nakijken door een Yamaha dealer.
- Controleer bij elke bougie of de elektroden zijn afgesleten en let op overmatige koolaanslag of andere neerslag. Vervang indien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Voorgeschreven bougie:
NGK/CR9E
DENSO/U27ESR-N
Een bougie aanbrengen
- Meet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat. Stel de afstand indien nodig af volgens de specificatie.

- Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
- Breng de bougie aan met behulp van de bougiesleutel en zet vast met het correcte aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
- Installeer de bougiedop.
DAU19890
Motorolie en oliefilterpatroon
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING:
Zorg dat de machine rechtop staat wanneer u het olieniveau controleert. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen en controleer dan het olieniveau via het kijkglas rechtsonder in het carter.
OPMERKING:
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Olievuldop
- Kijkglas olieniveau
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon)
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.

- Olieaftapplug 1. Oliefiltersleutel
OPMERKING:
- Sla de stappen 4–6 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
-
Gebruik bij het aftappen van motorolie een trechter of iets dergelijks om te voorkomen dat de olie op de uitlaatpijp terecht komt.
-
Verwijder de oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel.

De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel leveren.
- Smeer een dun laagje motorolie op de o-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.

Zorg dat de o-ring goed in de groef valt.
- Plaats de nieuwe oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel en zet hem dan met een momentsleutel vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

- Breng de olieaftapplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olievuldop en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
2.80 L (2.96 US qt) (2.46 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
3.00 L (3.17 US qt) (2.64 Imp.qt)
DCA11620
LET OP:
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING:
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan, als het olieniveau correct is.
DCA10400
LET OP:
Zet de motor direct af als het waarschu- wingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat de machine controleren door een Yamaha dealer.
- Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU20101
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING:
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Koelvloeistofreservoir
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de koelvloeistof bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, verwijder dan paneel A (Zie pagina 6-6.), verwijder de reservoirdop, vul koelvloeistof bij tot de merkstreep voor maximumniveau en breng de reservoirdop en het paneel weer aan.
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht lei-
dingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Wanneer water werd gebruikt in plaats van koelvloeistof, ververs dan zo snel mogelijk met koelvloeistof, anders wordt de motor onvoldoende gekoeld en is het koelsysteem niet beschermd tegen bevriezing en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivries percentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
OPMERKING:
- De radiatorkoelvin schakelt automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof in de koelvloeistofradiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-37 nadere instructies vermeld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU20431
Verversen van de koelvloeistof
- Zet de machine op de middenbok en laat het motorblok indien nodig afkoelen.
- Verwijder de panelen A en B. (Zie pagina 6-6.)
- Schuif een opvangbak onder de motor om de gebruikte koelvloeistof op te vangen.
- Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.

- Radiatorvuldop
- Verwijder de aftapplug voor koelvloeistof om het koelsysteem leeg te maken.

-
Aftapplug koelvloeistof
-
Spoel het koelsysteem grondig door met schoon leidingwater, nadat alle koelvloeistof is uitgestroomd.
- Breng de aftapplug voor koelvloeistof aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.
Aanhaalmoment:
Aftapplug koelvloeistof: 7 Nm (0.7 m·kgf, 5 ft·lbf)
- Giet de aanbevolen koelvloeistof in de koelvloeistofradiator tot hij vol is.
Aanbevolen antivries:
Hoogwaardige ethyleenglycol antivries met corrosieremmers voor aluminium motoren
Mengverhouding antivries/water: 1:1
Hoeveelheid koelvloeistof:
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
2.40 L (2.54 US qt) (2.11 Imp.qt) Inhoud koelvloeistofreservoir:
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Wanneer water werd gebruikt in plaats van koelvloeistof, ververs dan zo snel mogelijk met koelvloeistof, anders wordt de motor onvoldoende gekoeld en is het koelsysteem niet beschermd tegen bevriezing en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivries percentage van de
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
- Breng de radiatorvuldop aan, start de motor, laat een paar minuten stationair draaien en zet hem dan uit.
- Verwijder de radiatorvuldop om het koelvloeistofniveau in de radiator te controleren. Vul indien nodig zoveel koelvloeistof bij tot het niveau bovenin de radiator staat en breng dan de radiatorvuldop aan.
- Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir. Verwijder indien nodig de dop van het koelvloeistofreservoir, vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng dan de dop weer aan.
- Start de motor en controleer dan of ergens aan de machine lekkage te zien is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren.
- Monteer de panelen.
DAU20681
Reinigen van het luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
- Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder de tankbevestigingsbouten.

-
Bout
-
Licht de brandstoftank op om hem van het luchtfilterhuis te verwijderen. (Maak de brandstofslangen niet los!)
DWA10410
WAARSCHUWING
- Let erop dat de brandstoftank correct wordt ondersteund.
●Kantel of trek de brandstoftank niet te veel heen en weer, anders kunnen de brandstofslangen los raken en zo lekkage veroorzaken.
- Verwijder de panelen A en C. (Zie pagina 6-6.)
- Trek de rubber afdekking los van de houders.

- Rubberafdekking
- Houder rubberafdekking
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Luchtfilterdeksel
- Schroef
- Trek het luchtfilterelement los.

-
Luchtfilterelement
-
Geef een paar tikjes tegen het luchtfilterelement om het meeste stof en vuil te verwijderen en blaas dan het nog achtergebleven vuil weg met perslucht zoals afgebeeld. Vervang het luchtfilterelement als dit beschadigd is.

- Luchtfilterelement
- Steek het luchtfilterelement in het luchtfilterhuis.
DCA11330
LET OP:
Laat de motor nooit draaien zonder dat het luchtfilterelement aanwezig is, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s).
- Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
- Plaats de rubber afdekking weer in de oorspronkelijke positie.
- Monteer de panelen.
- Monteer de brandstoftank door de bouten aan te brengen.
WAARSCHUWING
- Controleer voor de installatie van de brandstoftank of de brandstofslangen niet zijn beschadigd. Start de motor niet als een brandstofslang beschadigd is, maar vraag een Yamaha dealer de beschadigde slangen te vervangen om zo brandstoflekkage te voorkomen.
- Controleer of de brandstofslangen stevig zijn aangesloten en de juiste ligging hebben en niet worden afgekneld.
●Zorg dat de tankbeluchtingsslang weer in de oorspronkelijke positie wordt gelegd.

- Tankbeluchtingsslang
- Oorspronkelijke positie (wit merkteken)
- Tankbeluchtingsslang
- Oorspronkelijke positie (wit merkteken)
DWA11290
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Breng het zadel aan.
DAU21290
DAU21320
De carburateurs vormen een belangrijk onderdeel van de motor en moeten zeer precies worden afgesteld. Laat daarom de meeste carburateurafstellingen over aan een Yamaha dealer die over de benodigde vakkennis en ervaring beschikt. De afstelling die in het volgende hoofdstuk is beschreven, wordt echter als onderdeel van het routineonderhoud beschouwd en kan wel door de eigenaar worden uitgevoerd.
DCA10560
LET OP:
De carburateurs werden op de Yamaha fabriek ingesteld en uitgebreid getest. Als deze afstellingen worden gewijzigd zonder dat voldoende technische kennis aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.
Afstellen van het stationair toerental
Het stationair toerental moet als volgt worden gecontroleerd en eventueel afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De motor moet warm zijn om deze afstelling te verrichten.
OPMERKING:
De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
Controleer het stationair toerental en stel dit indien nodig volgens de specificatie af door de gasklepstelschroef te verdraaien. Draai de schroef in de richting (a) om het stationair toerental te verhogen. Draai de schroef in de richting (b) om het stationair toerental te verlagen.

- Gasklepstelschroef
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Stationair motortoerental: 1050–1150 tpm
OPMERKING:
Als het voorgeschreven stationair toerental niet haalbaar is volgens de hierboven beschreven werkwijze, vraag dan een Yamaha dealer de afstelling uit te voeren.
DAU21381
Controleren van de vrije slag gaskabel

De klepspeeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21771
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandspanning
De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500

WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
270 kPa (39 psi) (2.70 kgf/cm²)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
290 kPa (42 psi) (2.90 kgf/cm²)
Maximale belasting*:
189 kg (417 lb)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA11020

WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rijeigenschappen en de veiligheid van uw motor. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MOTORFIETS NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen motorfiets kan leiden tot beschadiging van de banden, con-
troleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de motorrijder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven.
- Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de motorfiets en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht.
- Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10470
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
Bandeninformatie

- Bandventiel
- Bandventielbuis
- Bandventieldop met afdichting
Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen en tubeless banden met bandventielen.
DWA10480
WAARSCHUWING
- De banden op de voor- en achterwielen dienen van hetzelfde merk en dezelfde constructie te zijn, anders is het weggedrag van de motor mogelijk niet normaal.
●Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd. - Controleer altijd of de ventieldopjes stevig zijn bevestigd om zo lucht-lekkage te voorkomen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
-Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtventielbuisjes om bij hoge rijsnelheden een te lage bandspanning te voorkomen.
Voorband:
Maat:
Deze motorfiets is uitgerust met speciale banden die geschikt voor zeer hoge rij-snelheden. Let op het volgende om deze banden zo effectief mogelijk te kunnen gebruiken.
-Gebruik bij vervanging uitsluitend het voorgeschreven type banden. Bij andere banden is het risico op een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
●Gloednieuwe banden bieden op sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn "ingereden". Het is dan ook verstandig de eerste 100 km (60 mi) nadat een nieuwe band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
- Voordat met hoge snelheid wordt gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
●Pas de bandspanning steeds aan volgens de rijomstandigheden.
DAU21960
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haar-scheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22080
Vrije slag van koppelingshendel afstellen

- Stelbout voor vrije slag koppelingshendel
- Vrije slag van koppelingshendel
De vrije slag van de koppelingshendel dient 10.0–15.0 mm (0.39–0.59 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de koppelingshendel regelmatig en stel indien nodig als volgt af.
Draai de stelbout richting (a) voor meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelbout richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.
OPMERKING:
Als de voorgeschreven vrije slag niet kan worden gehaald op de hierboven beschreven wijze, vraag dan een Yamaha dealer het inwendig koppelingsmechanisme te controleren.
DAU22270
Remlichtschakelaar afstellen

De remlichtschakelaar, die wordt geactiveerd door het rempedaal, is correct afgesteld wanneer het remlicht gaat branden vlak voordat de remwerking intreedt. Stel indien nodig de remlichtschakelaar als volgt af.
Terwijl de stelmoer wordt gedraaid, moet de remlichtschakelaar op zijn plaats worden gehouden. Draai de stelmoer in de richting (a) om het remlicht eerder te laten branden. Draai de stelmoer in de richting (b) om het remlicht later te laten branden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22321
Controleren van voor- en achterremblokken
Voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
ven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Elk remblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
Achterrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschre-
DAU22580
Controleren van remvloeistofniveau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

- Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAU22730
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de olie-keeringen van de hoofdremcilinders en de remklauwen en de remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
- Oliekeerringen: Vervang elke twee jaar.
●Remslangen: Vervang elke vier jaar.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22760
Spanning aandrijfketting
De spanning van de aandrijfketting moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DAU22791
Aandrijfketting controleren op spanning
- Zet de motorfiets op de middenbok.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
- Draai het achterwiel enkele malen rond en zoek de stand waarin de ketting het meest strak staat.
- Meet de spanning van de aandrijfketting zoals getoond.

- Spanning aandrijfketting
Spanning aandrijfketting:
- Stel de spanning van de ketting als volgt bij als deze niet correct is.
DAU22940
Doorbuiging aandrijfketting bijstellen
- Draai de wielasmoer los en draai dan de borgmoeren los aan beide zijden van de achterbrug.
- Draai om de aandrijfketting strakker te stellen de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (a). Stel de ketting losser door de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (b) te draaien en dan het achterwiel naar voren te drukken.
OPMERKING:
Gebruik voor een goede wieluitlijning de uit- lijnmerktekens aan beide zijden van de ach- terbrug, om zeker te zijn dat beide stelmoeren dezelfde positie hebben.

- Wielasmoer
- Stelbout spanning aandrijfketting
- Borgmoer
- Uitlijnmerktekens
DCA10570
LET OP:
Een slecht gespannen aandrijfketting overbelast de motor en andere vitale delen van de motorfiets, waardoor de ketting kan slippen of breken. Om dit te voorkomen moet de spanning van de aandrijfketting binnen het voorgeschreven bereik blijven.
- Draai de borgmoeren vast en zet dan de wielasmoer vast met het voorge-schreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Wielasmoer:
150 Nm (15.0 m·kgf, 108 ft·lbf)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23021
DCA11110
DAU23100
Smeren van de aandrijfketting
De aandrijfketting moet worden gereinigd en gesmeerd volgens de intervalperioden zoals voorgeschreven in het periodieke meer- en onderhoudsschema, anders zal de ketting snel slijten, met name in vochtige of stoffige gebieden. Onderhoud de ketting als volgt.
DCA10581
LET OP:
De aandrijfketting moet worden gesmeerd nadat de motorfiets is gewassen of ermee in de regen is gereden.
- Reinig de aandrijfketting met petroleum en een zacht borsteltje.
DCA11120
LET OP:
Om beschadiging van de o-ringen te voorkomen, mag de aandrijfketting niet worden gereinigd met een stoomreiniger of hogedrukreiniger of met niet-geschikte ontvetters.
- Wrijf de aandrijfketting droog.
- Smeer de aandrijfketting grondig met speciale smering voor o-ring kettingen.
LET OP:
Gebruik geen motorolie of andere smeermidelen voor de aandrijfketting, deze bevatten mogelijk toevoegingen die de o-ringen kunnen beschadigen.
Controleren en smeren van kabels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23110
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer of vervang ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
DAU23131
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23140
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23210
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard

De achterbrugscharnierpunten smeren
Het achterbrugscharnierpunt moet worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAU23250
Smeren van de achterwielophanging
De scharnierpunten in de achterwielophanging moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10740
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
DAU33650
Accu

Dit model is uitgerust met een permanentdichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij
accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
- HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA10630
LET OP:
●Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte
accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
DAU23622
Zekeringen vervangen

- Hoofdzekering
- Koplampzekering
- Zekering radiatorkoelvin
- Zekering ontstekingssysteem
- Zekering signaleringssysteem
- Backup-zekering (voor kilometerteller en klok)
- Zekering richtingaanwijzer/alarmverlichting
- Reservezekering
- Reservehoofdzekering
De hoofdzekeringhouder en het kastje met zekeringen voor afzonderlijke circuits bevin- den zich onder het zadel. (Zie pagina 3-11.) Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering: 30.0 A
Koplampzekering: 20.0 A
Zekering radiatorkoelvin: 10.0 A
Zekering ontstekingssysteem: 20.0 A
Zekering signaleringssysteem: 20.0 A
Backup-zekering: 10.0 A
Zekering richtingaanwijzer/alarmver- lichting: 10.0 A
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
-
Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
-
Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU23900
Koplampgloeilamp vervangen
De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplamp-gloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder paneel D (als u de linker koplampgloeilamp vervangt) of paneel B (als u de rechter koplampgloeilamp vervangt). (Zie pagina 6-6.)
- Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.

- Gloeilampkap
- Koplampstekker
- Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloei-lamphouder.
DCA10850
LET OP:
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
●Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloei-lamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de le-
vensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
●Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de koplampstekker aan.
- Monteer het paneel.
- Vraag indien nodig een Yamaha-dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU24160
Gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen
- Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder de remlicht/achterlicht gloeilampkap.

- Gloeilampkap remlicht/achterlicht
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

-
Gloeilampfitting remlicht/achterlicht
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Breng de gloeilampkap aan.
- Breng het zadel aan.
DAU24201
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

-
Schroef
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen.
DCA11190
LET OP:
Zet de schroef niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
DAU27010
Vervangen van een parkeerlichtgloeilamp
Dit model is voorzien van twee parkeerlichten. Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder paneel D (als u de linker parkeerlichtgloeilamp vervangt) of paneel B (als u de rechter parkeerlichtgloeilamp vervangt). (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder de parkeerlichtlampfitting (samen met de kabelboomstekker) door de fitting linksom te draaien.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

-
Gloeilamp parkeerlicht
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Monteer de parkeerlichtlampfitting (sa- men met de kabelboomstekker) door deze in te drukken en rechtsom te draaien.
Voorwiel
DAU24360
DAU24470
Verwijderen van het voorwiel
DWA10820
WAARSCHUWING
-
Het is aan te bevelen om onderhoud aan het wiel uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
●Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen. -
Zet de motorfiets op de middenbok.
- Draai de klembout van de voorwielas los en draai dan de wielas en de remklauwbouten los.

- Wielas
-
Klembout voorwielas
-
Verwijder aan beide zijden de remslanghouders door de bouten los te halen.
- Verwijder aan beide zijden de remklauwen door de bouten los te halen.

- Bout
- Remslanghouder
- Remklauwbout
- Remklauw
DCA11050
LET OP:
Bekrachtig de rem niet terwijl de remklauwen zijn losgehaald, anders komen de remblokken tegen elkaar.
- Trek de wielas uit en verwijder dan het wiel.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU25020
Aanbrengen van het voorwiel
- Breng het wiel omhoog tussen de vorkpoten.
- Steek de wielas naar binnen.
- Laat het voorwiel zakken zodat dit op de grond rust.
- Monteer de remklauwen door de bouten aan te brengen.
OPMERKING:
Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat de remklauwen over de remschijven worden gemonteerd.
- Monteer de remslanghouders door de bouten aan te brengen.
- Zet de wielas, de wielasklembout en de remklauwbouten vast met de voorgeschreven aanhaalmomenten.
Aanhaalmomenten:
Wielas:
72 Nm (7.2 m·kgf, 52 ft·lbf)
Klembout voorwielas:
19 Nm (1.9 m·kgf, 14 ft·lbf)
Remklauwbout:
40 Nm (4.0 m·kgf, 29 ft·lbf)
- Duw het stuur enkele malen stevig op en neer om te controleren of de voorvork correct werkt.
Achterwiel
Verwijderen van het achterwiel
DAU25080
DAU25201
DWA10820
WAARSCHUWING
- Het is aan te bevelen om onderhoud aan het wiel uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
-
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
-
Draai de wielasmoer en de remklauwbouten los.

-
Wielasmoer
-
Zet de motorfiets op de middenbok.
- Haal de remankerstang los van de remklauw door de moer en de bout te verwijderen.

- Remklauwbout
- Remankerstang
- Bout remankerstang
- Bevestigingsmoer remankerstang
-
Remklauwsteun
-
Verwijder de wielasmoer en dan de remklauw door de bouten los te halen.
DCA11300
LET OP:
Bekrachtig de rem niet terwijl de rem- klauw is losgehaald, anders worden de remblokken tegen elkaar vastgeklemd.
- Draai de borgmoer los aan beide zijden van de achterbrug.
- Draai de stelbouten voor de aandrijf-ketting volledig in de richting (a).
- Druk het wiel naar voren en haal dan de aandrijfketting van het achtertandwiel.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Stelbout spanning aandrijfketting
- Borgmoer
OPMERKING:
De aandrijfketting hoeft niet te worden ge- demonteerd om het achterwiel te verwijde- ren en aan te brengen.
- Ondersteun het wiel en trek dan de wielas uit.
- Verwijder het wiel.
DAU25841
Aanbrengen van het achterwiel
- Plaats het wiel en de remklauwsteun in de oorspronkelijke positie.
- Steek de wielas vanaf de rechterzijde in via de remklauwsteun en het wiel en breng dan de wielasmoer aan.
- Breng de aandrijfketting aan over het achtertandwiel en stel dan de aandrijf- ketting strak. (Zie pagina 6-23.)

- Koppel de remankerstang aan de remklauwsteun door de bout en de moer aan te brengen.
- Monteer de remklauw door de bouten aan te brengen.
OPMERKING:
Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat de remklauw over de remschijf wordt gemonteerd.
- Haal de motorfiets van de middenbok zodat het achterwiel op de grond rust.
- Zet de wielasmoer, de remklauwbouten en de moer voor de remankerstang vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmomenten:
Wielasmoer:
150 Nm (15.0 m·kgf, 108 ft·lbf)
Remklauwbout:
40 Nm (4.0 m·kgf, 29 ft·lbf)
Bevestigingsmoer remankerstang:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU25870
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema's
DAU25911
Startproblemen of slechte werking van de motor
DWA10840
WAARSCHUWING
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet. Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de elektrische startknop.
Er is compressie
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougies en controleer de elektroden.
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies.
Draai de gasgreep tot halverwege open en bedien de elektrische startknop.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de elektrische startknop.
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond
Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.
![graph TD A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."] B --> C{Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage.} B --> D{Het koelvloeistofniveau is in orde.} C --> E["Er is lekkage."] C --> F["Er is geen l…](/content/2026/06/1152183/images/e910b1d7296a9381849524109265058ff80f4330483a210d41754d8e906b3d6b.jpg)
OPMERKING:
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26010
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een motorfiets is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de machine, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen, tandwielen, de aandrijfketting en de wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10770
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Breng met een spuitbus een corrosie-werend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo cor- rosie te voorkomen.
Na reiniging
-
Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
-
Laat de aandrijfketting direct drogen en smeer hem om roestvorming te voorkomen.
-
Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
-
Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
-
Gebruik een reinigingsspray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
-
Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
- Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de motorfiets volledig drogen al- vorens te stallen of af te dekken.
DWA10930
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit. Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel.
- Test voor u de motorfiets in gebruik neemt eerst de remwerking en het weggedrag in bochten.
DCA10800
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
DAU26160
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP:
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Bij motorfietsen met een brandstofkraan die een "OFF" stand heeft: draai de kraanhendel in "OFF".
-
Leeg de vlotterkamer in de carburateur door de aftapplug los te draaien; u voorkomt zo dat neerslag uit de brandstof achterblijft. Giet de afgetapte brandstof terug in de brandstoftank.
-
Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
-
Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri-geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een andere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de banden niet op één gedeelte sterker achteruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-28 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING:
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
2125 mm (83.7 in)
Totale breedte:
765 mm (30.1 in)
Totale hoogte:
1190 mm (46.9 in)
Zadelhoogte:
820 mm (32.3 in)
Wielbasis:
1450 mm (57.1 in)
Grondspeling:
140 mm (5.51 in)
Kleinste draaicirkel:
2900 mm (114.2 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
231.0 kg (509 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
4-cilinder, parallel vooroverhellend
Slagvolume:
998.0 cm³ (60.90 cu.in)
Boring × slag:
74.0 × 58.0 mm (2.91 × 2.28 in)
Compressieverhouding:
11.40:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
API service type SE, SF, SG of hoger
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
2.80 L (2.96 US qt) (2.46 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
3.00 L (3.17 US qt) (2.64 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
2.40 L (2.54 US qt) (2.11 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Droog element
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
21.0 L (5.55 US gal) (4.62 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
4.1 L (1.08 US gal) (0.90 Imp.gal)
Carburateur:
Fabrikant:
MIKUNI
Model × aantal:
BSR37 x 4
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CR9E
Fabrikant/model:
DENSO/U27ESR-N
Elektrodenafstand:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Primaire reductieverhouding:
68/43 (1.581)
Secundair reductiesysteem:
Kettingaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
44/16 (2.750)
Type versnellingbak:
Constant mesh, 6 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
35/14 (2.500)
2e:
35/19 (1.842)
3e:
30/20 (1.500)
4e:
28/21 (1.333)
5e:
30/25 (1.200)
6e:
29/26 (1.115)
Chassis:
Type frame:
Dubbel wiegframe
Spoorhoek:
26.00°
Naspoor:
104.0 mm (4.09 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
270 kPa (39 psi) (2.70 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
290 kPa (42 psi) (2.90 kgf/cm²)
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
7M/C x MT3.50
Achterwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
17M/C x MT5.50
Voorrem:
Type:
Dubbele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
140.0 mm (5.51 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
135.0 mm (5.31 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente magneten
Accu:
Model:
GT14B-4
Voltage, capaciteit:
12 V, 12.0 A/u
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Instrumentenverlichting:
12 V, 2.0 W × 3
Controlelampje vrijstand:
14 V, 1.4 W × 1
Waarschuwingslampje olieniveau:
14 V, 1.4 W × 1
Controlelampje richtingaanwijzers:
14 V, 1.4 W × 2
Controlelampje brandstofniveau:
12 V, 2.0 W × 1
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur: LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Koplampzekering:
20.0 A
Zekering signaleringssysteem:
20.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
20.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
10.0 A
Zekering richtingaanwijzer/alarmverlichting:
10.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen. SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

VOERTUIGIDENTIFICATIE NUMMER:

- Sleutelnummer 1. Voertuigidentificatienummer
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26400
Voertuigidentificatienummer

Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26480
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het za- del bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-11.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze infor- matie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INDEX
A
Aandrijfketting, smeren 6-24
Accu....6-28
Achterbrugscharnierpunten, smeren..... 6-26
Achterwielophanging, smeren.... 6-26
Afstelling remlichtschakelaar 6-20
Antidiefstal-alarmsysteem (optie).... 3-6
B
Banden....6-17
Bougies, controlleren 6-7
Brandstof.... 3-9
Brandstofniveaumeter.... 3-5
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig... 5-3
C
Contactslot/stuurslot 3-1
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-2
Controlelampje grootlicht 3-2
Controlelampjes richtingaanwijzers .....3-2
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Dimlichtschakelaar....3-6
E
EXUP-systeem....3-16
G
Gasgreep en gaskabel, controlleren en smeren.... 6-25
Gereedschapset.... 6-1
Gloeilamp remlicht/achterlicht, vervangen.... 6-31
Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen.... 6-32
H
Helmbevestiging.... 3-12
|
Identificatienummers 9-1
Inrijperiode.... 5-4
K
Kabels, controleren en smeren.... 6-24
Klepspeling.... 6-16
Koelvloeistof 6-11
Koplampgloeilamp, vervangen 6-30
Koppelingshendel 3-7
Koppelingshendel, vrije slag afstellen.... 6-20
L
Lichtsignaalschakelaar 3-6
Locaties van onderdelen 2-1
Luchtfilterelement, reinigen 6-13
M
Middenbok en zijstandaard, controleren en smeren 6-26
Modelinformatiesticker.... 9-2
Motorolie en oliefilterpatroon 6-8
Noodstopschakelaar.... 3-6
0
Opbergcompartiment.... 3-12
P
Panelen, verwijderen en aanbrengen..... 6-6
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ..... 6-32
Parkeren.... 5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema.... 6-2
Problemen oplossen.... 6-36
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren....6-25
Rem- en schakelpedalen, controleren en smeren....6-25
Remhendel....3-8
Rempedaal....3-8
Remvloeistofniveau, controleren....6-21
Remvloeistof, verversen....6-22
Richtingaanwijzerschakelaar....3-6
S
Schakelaar alarmverlichting....3-7
Schakelen 5-3
Snelheidsmeterunit 3-3
Spanning aandrijfketting....6-23
Specifications....8-1
Stalling 7-3
Starten van een koude motor....5-1
Startknop....3-7
Startspersysteem 3-17
Stationair motortoerental....6-15
Storingzoekschema's....6-37
Stuurschakelaars 3-6
Stuursysteem, controleren 6-27
T
Tankbeluchtingsslang 3-10
Tankdop 3-8
Toerentellerunit 3-4
U
Uitlaatkatalysator....3-10
V
Veiligheidsinformatie 1-1
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken, controleren 6-21
Voorvork, afstellen.... 3-13
Voorvork, controleren 6-27
Vrije slag gaskabel, controleren ..... 6-16
Vrijstandcontrolelampje 3-2
W
Waarschuwingslampje brandstofniveau.... 3-3
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur 3-3
Waarschuwingslampje olieniveau ..... 3-2
Wiel (achter) 6-34
Wielen.... 6-19
Wiellagers controleren.... 6-28
Wiel (voor) 6-33
Z
Zadel.... 3-11
Zekeringen, vervangen.... 6-29
Zelfdiagnosesystemen.... 3-5
Zijstandaard.... 3-16

GEDRUKT OP KRINGLOOPPAPIER
PRINTED IN JAPAN
2004.09-0.3×1 CR
(D)