XVS1100A - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XVS1100A YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Motortype | Luchtgekoelde 4-takt SOHC V-twin |
| Cilinderinhoud | 1063 cm³ |
| Brandstof | Normale loodvrije benzine (RON 91+) |
| Inhoud brandstoftank | 17,0 L (reserve 4,5 L) |
| Transmissie | 5-versnellingsbak, asaandrijving |
| Voorrem | Enkele schijfrem met hydraulische bediening |
| Achterrem | Enkele schijfrem met hydraulische bediening |
| Voorvering | Telescoopvork, veerweg 140 mm |
| Achtervering | Achterbrug (link-ophanging), veerweg 113 mm |
| Bandenmaat voor | 130/90-16M/C 67S |
| Bandenmaat achter | 170/80-15M/C 77S |
| Maximale belading | 197 kg (bestuurder, passagier, bagage, accessoires) |
| Accu | 12V, 12,0 Ah (GT14B-4) |
| Koplamp | Halogeen (12V, 60/55W) |
| Afmetingen (L x B x H) | 2460 x 945 x 1095 mm |
| Zadelhoogte | 710 mm |
| Wielbasis | 1645 mm |
| Grondspeling | 140 mm |
| Gewicht (rijsklaar) | 291,0 kg |
| Motoroliecapaciteit | 3,00 L (zonder filter)/3,10 L (met filter) |
| Bougie | NGK BPR7ES of DENSO W22EPR-U |
Veelgestelde vragen - XVS1100A YAMAHA
Gebruikersvragen over XVS1100A YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XVS1100A - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XVS1100A van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING XVS1100A YAMAHA
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding:
5SL-00, 5VS-00, 5VX-00, 3HT-00, 5UX-00, 5UX-10, 5KS-00 en 5KS-10
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn (1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1 (2001-6), EN60950 (2000)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen (97/24/EC: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Kazuji Kawai
X. Kawai
Naam en handtekening vertegenwoordiger
DAU10100
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de XVS1100A profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw XVS1100A. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de motorfiets, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw motorfiets in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10150
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de motorrijder of omstanders of degene die de motorfiets inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP staat vermeld bij speciale voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om schade aan de motorfiets te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding NB staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze motorfiets en moet altijd bij de machine blijven, ook als deze ooit wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw motor en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA10030
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE MOTORFIETS GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
XVS1100A
HANDLEIDING
©2005 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, maart 2005
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-3
Snelheidsmeterunit 3-5
Stuurschakelaars 3-5
Koppelingshendel ....3-6
Uitlaatkatalysator 3-9
Brandstofkraan 3-10
Chokehendel 3-11
Zadels 3-11
Helmbevestiging 3-12
Opbergcompartiment ....3-13
Afstellen van de schokdemperunit ....3-14
Controlelijst voor gebruik 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-
INFORMATIE 5-1
Starten van een koude motor ..... 5-1
Starten van een warme motor .....5-2
Schakelen 5-3
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-4
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES 6-1
Boordgereedschapset 6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema 6-2
Het framepaneel verwijderen en aanbrengen 6-6
Controleren van de bougies ...... 6-6
Motorolie 6-8
Cardanolie 6-9
Reinigen van het luchtfilterelement 6-11
Afstellen van het stationair toerental 6-12
Speling van de gaskabel afstellen 6-13
Afstellen van de klepspeling ..... 6-13
Banden 6-13
Spaakwielen 6-15
Vrije slag van koppelingshendel afstellen 6-16
Vrije slag van remhendel afstellen 6-16
Remlichtschakelaar afstellen ..... 6-17
Controleren van voor- en achterremblokken 6-18
Controleren van remvloeistofniveau 6-18
Verversen van remvloeistof ..... 6-19
Controleren en smeren van kabels 6-20
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-20
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen ...... 6-20
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-21
Controleren en smeren van zijstandaard 6-21
Smeren van de achterwielophanging 6-21
Voorvork controleren 6-22
Controle van stuursysteem ...... 6-22
Controleren van wiellagers ..... 6-23
Accu 6-23
Zekeringen vervangen 6-24
Koplampgloeilamp vervangen .....6-26
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen ....6-27
Parkeerlichtgloeilamp vervangen 6-28
Ondersteunen van de motorfiets 6-28
Problemen oplossen 6-29
Storingzoekschema 6-30
VERZORGING EN STALLING VAN
DE MOTORFIETS 7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10251
MOTORFIETSEN ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS- TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DES- KUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE MOTOR TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN HET MOTORRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILI-
GE EN CORRECTE RIJTECHNIE-
KEN.
●GEBRUIKMAKEN VAN PROFESSIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING EN/OF WANNEER DE MECHANISCHE CONDITIONS DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
Dus:
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinleggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd word genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteu-nen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze motor is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen en is niet geschikt voor off-roadgebruik.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. De rijwind in uw niet-afgeschermde ogen kan het zicht verslechteren, zodat u gevaren te laat zou opmerken.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze motor onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw motor ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de motor of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Maximale belasting:
197 kg (434 lb)

VEILIGHEIDSINFORMATIE
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden van de motor wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke items, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze motor. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kun-
nen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
-
Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
-
Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode- lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
-
Zet de motor altijd uit voordat u de motorfiets onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de motor gaat parke-ren:
-
De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, parkeer de motorfiets daarom op een plek waar voetgangers en kinderen hier geen last van hebben.
- Parkeer de motor niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de motor niet nabij een brandend toestel (bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Als u de motor in een ander voertuig vervoert, zorg dan dat deze rechtop staat en de brandstofkraan op "ON" of "RES" (onderdruktype)/"OFF" (handmatig type) staat. Als de machine schuin staat, kan er benzine uit de carburateur of de brandstoftank stromen.
- Roep onmiddellijk medische hulp in als u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen is terechtgekomen. Morst u benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
Aanzicht linkerzijde
DAU32220

- Schakelpedaal (pagina 3-7)
- Brandstofkraan (pagina 3-10)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-14)
- Helmbevestiging (pagina 3-12)
- Opbergcompartiment (pagina 3-13)
- Boordgereedschapset (pagina 6-1)
- Zekeringenkastje (pagina 6-24)
- Kijkglas olieniveau (pagina 6-8)
Aanzicht rechterzijde
DAU32230

- Koppelingshendel (pagina 3-6)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-5)
- Chokehendel (pagina 3-11)
- Snelheidsmeterunit (pagina 3-5)
- Tankdop (pagina 3-8)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-5)
- Gasgreep (pagina 6-13)
- Remhendel (pagina 3-7)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Startblokkeersysteem
DAU26B90

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bovendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid
●de ontstekingsmodule - een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11820
LET OP:
- BEWAAR DE CODEERSLEUTEL ZORGVULDIG! NEEM ONMIDDELLIJK CONTACT OP MET UW DEALER ALS DE SLEUTEL VERLOREN RAAKT! Als de codeersleutel verloren raakt, is het niet meer mogelijk om de standaardsleutels opnieuw te coderen. De standaardsleutels kunnen nog steeds worden gebruikt om het voertuig te starten, maar wanneer de codeersleutel vereist is (bijvoorbeeld als er een nieuwe standaardsleutel wordt gemaakt of alle sleutels verloren zijn geraakt) moet het volledige startblokkeersysteem wor-
den vervangen. Het is daarom aan te bevelen een van de twee standaardsleutels te gebruiken en de codeersleutel te bewaren op een veilige plaats.
●Dompel de sleutels niet onder in water.
- Stel de sleutels niet bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Houd de sleutels uit de buurt van magneten (inclusief, maar niet uitsluitend, producten zoals luidsprekers etc.).
-Plaats geen zware voorwerpen op de sleutels.
●Probeer niet de sleutels te slijpen of de vorm ervan te veranderen.
●Probeer niet het kunststof boven-
deel van de sleutels open te maken.
- Bevestig niet meer dan één sleutel van hetzelfde startblokkersysteem aan een sleutelring.
●Houd de standaardsleutels en sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van de codeersleutel van dit voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van het contactslot, deze kunnen signaal-storing veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10471
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld.
OPMERKING:
Gebruik de standaardsleutel (zwart bovendeel) voor het normale gebruik van het voertuig. Bewaar de codeersleutel (rood bovendeel) op een veilige plaats om verlies te voorkomen en gebruik de sleutel uitsluitend voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels.
DAU10570
AAN
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht en het parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplamp gaat automatisch branden als de motor wordt gestart en blijft aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid.
DAU10660
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10680
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen

- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
! WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
DAU10920
p≤(Parkeren)
Het stuur is vergrendeld, het achterlicht en het parkeerlicht branden en de alarmverlichting kan worden ingeschakeld, maar alle overige elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "P≤" te kunnen draaien.
DCA11020
LET OP:
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11002
Controle- en
waarschuwingslampjes

- Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Controlelampje richtingaanwijzers "
- Waarschuwingslampje motorstoring "☐"
- Controlelampje startblokkering " 1"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
DAU11020
Controlelampje richtingaanwijzers
“
Dit controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnel- lingsbak in de vrijstand staat.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Controlelampje grootlicht "≡D"
DAU11080
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
Waarschuwingslampje olieniveau "DA011120"
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
OPMERKING:
Bij een voldoende hoog olieniveau kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.
DAU11500
Waarschuwingslampje motorstoring “”
Dit waarschuwingslampje gaat branden of knippert wanneer een elektrisch circuit dat de motorwerking controleert defect is. Vraag in dat geval een Yamaha-dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Als het waarschu-wingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha-dealer om het elektrisch circuit te testen.
Controlelampje startblokkering "↑"
Het elektrisch circuit voor het controlelampje controleert u door de contactsleutel naar "ON" te draaien.
Als het controlelampje niet een paar secon- den lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
OPMERKING:
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. Als het startblokkeersysteem defect is dan zal het controlelampje in een bepaald patroon knipperen wanneer de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid. Vraag in dat
geval een Yamaha dealer het zelfdiagnose- systeem te controleren. Als het controle- lampje eerst vijfmaal langzaam knippert en dan herhaaldelijk tweemaal snel, betreft het mogelijk een signaalstoring. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.
- Start de motor met behulp van de co-deersleutel.
OPMERKING:
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden ge- start.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11731
Snelheidsmeterunit

De snelheidsmeterunit is voorzien van een digitale kilometerteller en een ritteller. De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid. De kilometerteller toont de totale afgelegde afstand. De rittellers tonen de afstand afgelegd sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul.
Door het indrukken van de "TRIP"-toets wisselt de weergave tussen kilometerteller "ODO" en ritteller "TRIP".
Om de ritteller terug te stellen wordt deze geselecteerd door de "TRIP"-toets in te drukken, waarna de "TRIP"-toets opnieuw wordt ingedrukt en minstens 1 seconde ingedrukt wordt gehouden. De ritteller kan worden gebruikt om de afstand te schatten
die met een volle brandstoftank kan worden afgelegd. Deze informatie stelt u in staat de volgende tankstops te plannen.

OPMERKING:
Dit model is niet uitgerust met een toerenteller; er is echter wel een snelheidsbegrenzer ingebouwd die zorgt dat het motortoerental een waarde van ca. 6800 tpm en de rijsnelheid een waarde van ca. 175 km/h (110 mi/h) niet kan overschrijden.
DAU12343
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "≡D"
- Dimlichtschakelaar "D
- Claxonschakelaar "▶"
- Richtingaanwijzerschakelaar "
Rechts

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
Startknop “ ≡ ”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien.
DCA10050
DAU12400
LET OP:
Dimlichtschakelaar "10" Zet deze schakelaar op "10" en op "10" voor dimlicht.
voor grootlich
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voor- dat u de motor start.
DAU12460
DAU12731
Richtingaanwijzerschakelaar “◀” → Druk deze schakelaar naar “⇨” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “◀” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
Schakelaar alarmverlichting “⚠️” Met de sleutel in de stand “ON” of “p⩽” kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DAU12500
DCA10060
Claxonschakelaar "→"
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU12820
Koppelingshendel

De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-16.)
Noodstopschakelaar “”
Zet deze schakelaar voor u de motor start op "○". Zet deze schakelaar op "✕" om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12B80
DAU12890
DAU12941
Schakelpedaal

Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 5-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
OPMERKING:
Gebruik uw tenen of hiel om op te schakelen en gebruik uw tenen om terug te schakelen.
Remhendel

De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
Rempedaal

Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13120
Tankdop

- Slotplaatje tankdop
- "△" -merkteken
- Ontgrendelen.
- Vergrendelen.
Verwijderen van de tankdop
Schuif het slotplaatje open, steek de sleutel in het slot en draai hem dan een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
Aanbrengen van de tankdop
- Breng de tankdop aan in de vulopening van de brandstoftank, met de sleutel in het slot en met het "△" merkteken naar voren toe.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en sluit dan het slotplaatje.
OPMERKING:
De tankdop kan alleen worden aangebracht met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct aangebracht en vergrendeld is.
DWA10130
WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is aangebracht.
DAU13210
Brandstof

- Vulpijp brandstoftank
- Brandstofniveau
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Vul de brandstoftank tot onderaan de vulpijp zoals getoond.
DWA10880
WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10070
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13320
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOOD-
VRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
17.0 L (4.49 US gal) (3.74 Imp.gal)
Brandstofreserve:
4.5 L (1.19 US gal) (0.99 Imp.gal)
DCA11400
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of
gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13440
Uitlaatkatalysator
Deze machine heeft een uitlaatkatalysator die gemonteerd is in de uitlaatdemper.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
- Gebruik uitsluitend loodvrije benzi-
ne. Bij gebruik van loodhoudende
benzine zal onherstelbare schade
worden toegebracht aan de uitlaat-
katalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13550
Brandstofkraan
Via de brandstofkraan wordt de brandstof van de tank naar de carburateurs gevoerd en bovendien gefilterd.
De standen van de hendel van de brandstofkraan worden als volgt toegelicht en getoond in de afbeeldingen.
OFF

- Puntig uiteinde op "OFF"
Met de hendel van de brandstofkraan in deze stand is de brandstoftoevoer afgesloten. Draai de hendel van de brandstofkraan altijd in deze stand als de motor uit staat.
AAN

- Puntig uiteinde op "ON"
Met de hendel van de brandstofkraan in deze stand stroomt brandstof naar de carburateurs. Draai de hendel van de brandstofkraan naar deze stand om de motor te starten en te gaan rijden.
RES

- Puntig uiteinde op "RES"
Dit is de reservestand. Met de hendel van de brandstofkraan in deze stand is de reservehoeveelheid brandstof beschikbaar. Draai de hendel van de brandstofkraan naar deze stand wanneer u tijdens het rijden zonder brandstof komt te staan. Vul in zo'n geval zo snel mogelijk brandstof bij en vergeet daarna niet de hendel van de brandstofkraan weer terug naar "ON" te draaien!
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13610
Chokehendel " |"

- Chokehendel " |"
Voor het starten van een koude motor is een rijker lucht/brandstof mengsel nodig; via de choke wordt dit mengsel geleverd. Beweeg de hendel in richting (a) om de choke aan te zetten.
Beweeg de hendel in richting (b) om de choke uit te zetten.
DCA10990
LET OP:
Gebruik de choke niet langer dan 3 minuten, anders zal de uitlaatpijp mogelijk door extreme hitte verkleuren. Bovendien treedt naverbranding op in de uitlaat als de choke te lang wordt gebruikt. Zet in zo'n geval de choke uit.
DAU14201
Zadels
Duozadel
Verwijderen van het duozadel
Verwijder de moer en de onderlegring en trek dan het duozadel omhoog.

-
Moer
-
Ring
Aanbrengen van het duozadel
- Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het duozadel in de zadelbevestiging zoals afgebeeld en plaats het zadel in de oorspronkelijke positie.
- Breng de onderlegring en de moer aan en zet de moer vervolgens vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Moer van het duozadel: 21 Nm (2.1 m·kgf, 15 ft·lbf)

Verwijderen van het bestuurderszadel
- Verwijder het duozadel.
- Verwijder de bout en trek dan het bestuurderszadel omhoog.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

-
Bout
-
Installeer het duozadel.
OPMERKING:
Controleer of de zadels stevig zijn vergren- deld alvorens te gaan rijden.
Aanbrengen van het bestuurderszadel
- Steek de uitsteeksels aan de voorzijde van het bestuurderszadel in de zadelbevestigingen zoals getoond, plaats het zadel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.

Steek de sleutel in het slot en draai deze dan zoals afgebeeld om de helmbevestiging te openen.
Vergrendel de helmbevestiging door deze in de oorspronkelijke positie te plaatsen en dan de sleutel uit te nemen.
DWA10160
WAARSCHUWING
Rijd nooit met een helm bevestigd aan de helmbevestiging, de helm kan zo voorwerpen raken waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt en een ongeval niet uitgesloten is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14481
Opbergcompartiment
Het opbergcompartiment bevindt zich aan de linkerzijde van de machine.
Om het opbergcompartiment te openen
- Schuif het slotplaatje open, steek de sleutel in het slot en draai hem dan rechtsom.

- Kap opbergcompartiment
- Slotplaatje kap opbergcompartiment

-
Slot opbergcompartment
-
Trek de kap van het opbergcompartiment naar buiten zoals afgebeeld.

Om het opbergcompartiment te sluiten
- Plaats de kap van het opbergcompartiment in de oorspronkelijke positie, zoals afgebeeld.

- Kap opbergcompartiment
- Draai de sleutel linksom, neem de sleutel uit en sluit dan het slotplaatje.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14871
Afstellen van de schokdemperunit
De schokdemperunit bevindt zich onder het bestuurderszadel en is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
Stel de veervoorspanning als volgt af.
- Verwijder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder elke drukclip uit de montageplaat voor de ontstekingsmodule door ze op het midden in te drukken en dan los te trekken.

-
Drukclip
-
Trek de montageplaat voor de ontstekingsmodule naar rechts toe uit.

- Montageplaat ontstekingsmodule
- Verwijder het spatbord door elke drukclip te verwijderen.

-
Drukclip
-
Spatbord
-
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring in de richting (a). Draai
om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring in de richting (b).
OPMERKING:
- Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
●Verricht de afstelling met de speciale sleutel in de boordgereedschapset.

- Positie-indicator
- Stelring veervoorspanning
- Speciale sleutel
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
4
Maximum (hard):
9
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Breng het spatbord en de montageplaat voor de ontstekingsmodule aan door de snelschroeven te monteren.
OPMERKING:
Om een drukclip aan te brengen wordt de pen teruggedrukt zodat deze uit de kop van de drukclip steekt; breng dan de clip op zijn plaats en druk de uitstekende pen naar binnen tot deze gelijk ligt met de kop van de clip.


- Drukclip (na verwijdering)
- Drukclip (voor plaatsing)
- Breng het bestuurderszadel aan.
DWA10220

WAARSCHUWING
Deze schokdemper is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees en begrijp de volgende informatie alvorens de schokdemper te gebruiken. De fabrikant
kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan eigendommen of voor persoonlijk letsel als dit voortvloeit uit verkeerd gebruik.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemper niet bloot aan open vuur of aan andere hittebronnen, anders kan deze door de oplopende druk exploderen.
●Vervorm of beschadig de gascilinder op geen enkele wijze, de dempende werking zal dan achteruitgaan.
●Laat onderhoud aan de schokdemper altijd uitvoeren door een Yamaha dealer.
DAU15150
Aan elke passagiersvoetsteun zit een bagageriembevestiging.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15300
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de motorfiets verticaal houdt.
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240

WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig zo- als hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
DAU15311
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de sperschakelaar voor de zijstandaard, de sperschakelaar voor de koppelingshendel en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig, hanteer daarbij de volgende werkwijze.
DWA10250

WAARSCHUWING
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] -->|JA NEE| B["De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
B --> C["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
C -->|JA NEE| D["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
D --> E["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
E -->|JA NEE| F["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
F --> G["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
G --> H["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
H --> I["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
I --> J["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
J --> K["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
K --> L["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
L --> M["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
M --> N["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
N --> O["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
O --> P["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
P --> Q["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
Q --> R["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
R --> S["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
S --> T["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
4
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
Controlelijst voor gebruik
DAU15603
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Brandstof | • Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.• Vul indien nodig brandstof bij.• Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-8 |
| Motorolie | • Controleer het olieniveau in de motor.• Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer de machine op olielekkage. | 6-8 |
| Cardanolie • Controleer de machine op olielekkage. 6-9 | ||
| Voorrem | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.• Stel indien nodig bij.• Controleer de remblokken op slijtage.• Vervang indien nodig.• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-16, 6-18, 6-18 |
| Achterrem | • Controleer de werking.• Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.• Controleer de remblokken op slijtage.• Vervang indien nodig.• Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.• Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.• Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-18, 6-18 |
| Koppeling | • Controleer de werking.• Smeer indien nodig de kabel.• Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.• Stel indien nodig bij. | 6-16 |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-13, 6-20 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-20 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-13, 6-15 |
| Rem- en schakelpedalen | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten. | 6-20 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-21 |
| Zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 6-21 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Sperschakelaar voor de zij- standaard | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine na te kijken. | 3-16 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15950
DAU36060
DWA10270
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inade- men ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do- delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Controleer of de zijstandaard is ingetrokken alvorens weg te rijden. Als de zijstandaard niet behoorlijk is ingetrokken, kan deze de grond raken en zo de motorrijder afleiden, waardoor u de macht over het stuur verliest.
Starten van een koude motor
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
- De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
DWA10290
WAARSCHUWING
-
Controleer voor het starten van de motor de werking van het startspersysteem en volg daarbij de werkwijze beschreven op pagina 3-16.
●Ga nooit rijden terwijl de zijstandaard omlaag staat. -
Draai de hendel van de brandstofkraan naar "ON".
-
Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
-
Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
OPMERKING:
Als de versnellingsbak in de vrijstand staat, moet het vrijstandcontrolelampje branden; zo niet, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Zet de choke aan en draai de gasgreep helemaal dicht. (Zie pagina 3-11.)
- Start de motor door de startknop in te drukken.
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaneen draaien.
DCA12730
LET OP:
- Als de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid moet het waarschuwingslampje olieniveau enkele seconden branden en dan doven. Als het waarschuwingslampje olieniveau knippert of aan blijft na het starten, zet de motor dan direct af, controleer het olieniveau en let op eventuele olielekkage. Vul indien nodig motorolie bij en controleer
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
het waarschuwingslampje dan opnieuw. Vraag een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren als het waarschuwingslampje niet gaat branden als de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid of als het lampje niet dooft terwijl gestart wordt met voldoende motorolie.
- Ook het waarschuwingslampje motorstoring moet gaan branden wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid. Als het waarschuwingslampje niet gaat branden als de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid, knippert of aan blijft nadat de motor aanslaat, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren.
- Als de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid moet het controle-lampje startblokkering enkele se-conden branden en dan doven. Als het controlelampje niet gaat branden en weer dooft als de contact-sleutel naar "ON" wordt gedraaid, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren.
- Zet na het starten van de motor de starter (choke) tot halverwege terug.
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
- Zet de choke uit zodra de motor warm is.
OPMERKING:
De motor is warm wanneer hij normaal reageert op de gasbediening terwijl de choke uit is gezet.
DAU16640
Starten van een warme motor
Volg dezelfde procedure als bij starten van een koude motor, alleen is het gebruik van de choke niet nodig als de motor warm is.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16671
DCA10260
DAU16B00
Schakelen

-
Schakelpedaal
-
Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING:
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
LET OP:
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
-Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Zet de choke zo snel mogelijk uit.
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16841
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17041
0–1000 km (0–600 mi)
Rijd niet langdurig met de gasgreep meer dan 1/3 opengedraaid.
1000–1600 km (600–1000 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij halverwege opengedraaid.
DCA10331
LET OP:
Na de eerste 1000 km (600 mi) moeten de motorolie en cardanolie worden ververst en de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10270
LET OP:
Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU17180
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af, neem de sleutel uit het contactslot en draai dan de hendel van de benzinekraan naar "OFF".
DWA10310
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17240
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GE-BRUIK.
DWA10320

WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DAU17450
Boordgereedschapset

De boordgereedschapset is te vinden in het opbergcompartiment. (Zie pagina 3-13.) De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350
WAARSCHUWING
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17705
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km, beginnend vanaf 10000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | * | Brandstofffilter | • Controleer de conditie. | √ | √ | |||
| 3 | Bougies | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. | √ | √ | ||||||
| 4 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | √ | √ | √ | √ | |
| 5 | Luchtfilterelement | • Reinigen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. | √ | √ | ||||||
| 6 | Koppeling | • Controleer de werking.• Afstellen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 7 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSECON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 8* | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 9* | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 10* | Wielen | • Controleer de speling en de spaakspanning en controleer op beschadigingen.• Trek indien nodig de spaken aan. | √ | √ | √ | √ | |||
| 11* | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | |||
| 12* | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |||
| 13* | Achterbrug | • Controleer op een correcte werking en overmatige spe-ling. | √ | √ | √ | √ | |||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km | |||||||||
| 14* | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 20000 km | |||||||||
| 15* | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | |||
| 16 | Zijstandaard | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 17* | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 18* | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
| 19* | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 20 | * | Relaisarm achterwie-lophanging en schar-nierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ √ √ √ | ||||||
| • Smeren met lithiumvet. √ √ | |||||||||
| 21 | * | Carburateurs | • Controleer de werking van de choke.• Stel het stationair toerental en de synchronisatie af. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 22 | Motorolie | • Verversen.• Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 23 | * | Oliefilterelement | • Vervangen. | √ | √ | √ | |||
| 24 | Cardanolie | • Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | ||||
| • Verversen. √ √ √ | |||||||||
| 25 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ √ √ √ √ | √ | |||||
| 26 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. √ √ √ √ √ | |||||||
| 27 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 28 | * | Uitlaatdempers en uit-laatpijpen | • Controleer of de schroefklemmen goed vastzitten. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 29 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplampichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18670
OPMERKING:
-
Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
●Hydraulisch remsysteem -
Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18751
Het framepaneel verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden beschreven, moet het afgebeelde paneel worden verwijderd. Neem deze paragraaf door telkens wanneer het paneel moet worden verwijderd of aangebracht.

Verwijderen van het paneel
Verwijder de bout en trek het paneel los zoals getoond.

- Bout
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.

Controleren van de bougies
De bougies zijn belangrijke onderdelen van de motor die gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd. Omdat door verhitting en neerslag bougies altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.
Een bougie verwijderen
- Trek de betreffende bougiekap (rechtsachter of linksvoor) los zoals getoond.

-
Bougiekap
-
Verwijder de bougiedop.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Verwijder de bougie zoals weergegeven met behulp van de bougiesleutel uit de boordgereedschapset.

-
Bougiesleutel
-
Controleer bij elke bougie of de elektroden zijn afgesleten en let op overmatige koolaanslag of andere neerslag. Vervang indien nodig.
Voorgeschreven bougie: NGK/BPR7ES DENSO/W22EPR-U
Een bougie aanbrengen
- Meet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat. Stel de afstand indien nodig af volgens de specificatie.

-
Elektrodenafstand
-
Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
-
Breng de bougie aan met behulp van de bougiesleutel en zet vast met het correcte aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Bougie:
20 Nm (2.0 m·kgf, 14.5 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4-1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
-
Installeer de bougiedop.
-
Plaats de bougiekap in de oorspronkelijke positie.
Controleren van de bougies
- Kijk of op elke bougie de porseleinen isolator rond de centrale elektrode licht tot gemiddeld bruin verkleurd is (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden).
- Controleer of alle bougies in de motor dezelfde kleur hebben.
OPMERKING:
Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, is de motor mogelijk defect. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw motorfiets nakijken door een Yamaha dealer.
Elektrodenafstand:
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en het oliefilterelement worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen en controleer dan het olieniveau via het kijkglas linksonder in het carter.
OPMERKING:
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

-
Kijkglas olieniveau
-
Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als de motorolie bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Verversen van de motorolie
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.

-
Olieaftapplug
-
Breng de olieaftapplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olievuldop en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid bij verversing:
3.00 L (3.17 US qt) (2.64 Imp.qt)
DCA11620
LET OP:
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht komen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING:
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan, als het olieniveau correct is.
DCA10400
LET OP:
Zet de motor direct af als het waarschuwingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat de machine controleren door een Yamaha dealer.
- Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer het oliefilterelement te vervangen volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU20022
Cardanolie
Vóór elke rit moet het cardanhuis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de machine door een Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Controleer verder als volgt het niveau van de cardanolie en ververs de olie volgens de intervaltijden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DWA10370

WAARSCHUWING
●Zorg ervoor dat geen verontreini-
gingen het cardanhuis kunnen bin-
nendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt.
Controleren van het olieniveau in het cardanhuis
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
- Het olieniveau in het cardanhuis moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
2. Verwijder de olievulplug en controleer het olieniveau in het cardanhuis.
OPMERKING:
Het olieniveau moet bij de rand van de vulopening staan.

- Aftapplug cardanolie
- Vulplug cardanolie
-
Correct olieniveau
-
Als de olie onder de rand van de vulopening staat, vul dan genoeg olie van de aanbevolen soort bij tot het correcte niveau.
Verversen van de cardanolie
- Plaats een oliecarter onder het cardanhuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievulplug en de aftap- plug om de olie uit het cardanhuis af te tappen.
- Breng de olieaftapplug voor het cardanhuis aan en zet hem vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Aftapplug cardanolie: 23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Vul de aanbevolen cardanolie bij tot aan de rand van de vulopening.
Aanbevolen cardanolie:
SAE80 API GL-4 Cardanolie
Oliehoeveelheid:
GL4 is een kwaliteitsaanduiding. Een cardanolie met de aanduiding GL5 of GL6 mag ook worden gebruikt.
- Breng de olievulplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aan-haalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie: 23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Controleer het cardanhuis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU20670
Reinigen van het luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet als volgt worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.

-
Luchtfilterdeksel
-
Schroef
-
Trek het luchtfilterelement los.
- Geef een paar tikjes tegen het luchtfilterelement om het meeste stof en vuil te verwijderen en blaas dan het nog achtergebleven vuil weg met perslucht zoals afgebeeld. Vervang het luchtfilterelement als dit beschadigd is.

- Steek het luchtfilterelement in het luchtfilterhuis zoals in de afbeelding.

- Luchtfilterelement
- Uitsteeksel
- Sleuf
DCA10480
LET OP:
- Controleer of het luchtfilterelement correct in het luchtfilterhuis is geplaatst.
●Laat de motor nooit draaien zonder dat het luchtfilterelement aanwezig is, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s).
5. Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21290
De carburateurs vormen een belangrijk onderdeel van de motor en moeten zeer precies worden afgesteld. Laat daarom de meeste carburateurafstellingen over aan een Yamaha dealer die over de benodigde vakkennis en ervaring beschikt. De afstelling die in het volgende hoofdstuk is beschreven, wordt echter als onderdeel van het routineonderhoud beschouwd en kan wel door de eigenaar worden uitgevoerd.
DCA10560
LET OP:
De carburateurs werden op de Yamaha fabriek ingesteld en uitgebreid getest. Als deze afstellingen worden gewijzigd zonder dat voldoende technische kennis aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.
DAU21340
Afstellen van het stationair toerental
Het stationair toerental moet als volgt worden gecontroleerd en eventueel afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De motor moet warm zijn om deze afstelling te verrichten.
OPMERKING:
- De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
-
Een diagnosetoerenteller is nodig om deze afstelling uit te voeren.
-
Bevestig de toerenteller aan de bougiekabel.
- Controleer het stationair toerental en stel dit indien nodig volgens de specificatie af door de gasklepstelschroef te verdraaien. Draai de schroef in de richting (a) om het stationair toerental te verhogen. Draai de schroef in de richting (b) om het stationair toerental te verlagen.

Als het voorgeschreven stationair toerental niet haalbaar is volgens de hierboven beschreven werkwijze, vraag dan een Yamaha dealer de afstelling uit te voeren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21380
Speling van de gaskabel afstellen

De vrije slag van de gaskabel dient 4.0–6.0 mm (0.16–0.24 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
DAU21400
Afstellen van de klepspeeling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU33390
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandspanning
De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500
WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
●De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Bandspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
225 kPa (33 psi) (2.25 kgf/cm²)
Achter:
225 kPa (33 psi) (2.25 kgf/cm²)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA11020
WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rijeigenschappen en de veiligheid van uw motor. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MOTORFIETS NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen motorfiets kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de motorrijder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit
het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven.
- Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de motorfiets en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht.
- Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10570
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een motor met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
- Het is sterk af te raden een lekke binnenband te plakken. Als het niet anders kan, moet de band zeer zorgvuldig worden geplakt en dan zo snel mogelijk worden vervangen door een nieuwe band van goede kwaliteit.
Bandeninformatie
Deze motorfiets is uitgerust met spaakwielen en binnenbanden.
DWA10460
WAARSCHUWING
- De banden op de voor- en achterwielen dienen van hetzelfde merk en dezelfde constructie te zijn, anders is het weggedrag van de machine mogelijk niet normaal.
●Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat: 130/90-16M/C 67S
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
●Voor elke rit moeten de velgranden worden gecontroleerd op scheurtjes, verbuiging of kromheid en de spaken op losheid. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22020
Vrije slag van koppelingshendel afstellen

- Borgmoer
- Stelbout voor vrije slag koppelingshendel
- Vrije slag van koppelingshendel
De vrije slag van de koppelingshendel dient 5.0–10.0 mm (0.20–0.39 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de koppelingshendel regelmatig en stel indien nodig als volgt af.
- Draai de borgmoer bij de koppelingshendel los.
- Draai de stelbout richting (a) voor meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelbout richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.
- Draai de borgmoer aan.
OPMERKING:
Als de voorgeschreven vrije slag niet kan worden gehaald op de hierboven beschreven wijze, vraag dan een Yamaha dealer het inwendig koppelingsmechanisme te controleren.
DAU22092
Vrije slag van remhendel afstellen

De vrije slag van de remhendel dient 5.0–8.0 mm (0.20–0.31 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de remhendel regelmatig en stel deze indien nodig als volgt af.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Borgmoer
-
Stelschroef vrije slag remhendel
-
Draai de borgmoer bij de remhendel los.
- Draai de stelschroef richting (a) voor meer vrije slag van de remhendel. Draai de stelschroef richting (b) voor minder vrije slag van de remhendel.
- Draai de borgmoer aan.
DWA10630
WAARSCHUWING
●Na het afstellen van de vrije slag van de remhendel moet de vrije slag worden gecontroleerd, om zeker te zijn dat de rem naar behoren werkt.
- Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het hydraulisch systeem aanwezig is. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, moet het sys-
teem door een Yamaha dealer worden ontlucht voordat de motorfiets wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch systeem heeft een negatief effect op de remwerking, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen met een ongeluk als gevolg.
DAU22270
Remlichtschakelaar afstellen

De remlichtschakelaar, die wordt geactiveerd door het rempedaal, is correct afgesteld wanneer het remlicht gaat branden vlak voordat de remwerking intreedt. Stel indien nodig de remlichtschakelaar als volgt af.
Terwijl de stelmoer wordt gedraaid, moet de remlichtschakelaar op zijn plaats worden gehouden. Draai de stelmoer in de richting (a) om het remlicht eerder te laten branden. Draai de stelmoer in de richting (b) om het remlicht later te laten branden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22321
Controleren van voor- en achterremblokken
Voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
ven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Elk remblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
Achterrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschre-
DAU22580
Controleren van remvloeistofniveau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAU22730
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de olie-keeringen van de hoofdremcilinders en de remklauwen en de remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
- Oliekeerringen: Vervang elke twee jaar.
●Remslangen: Vervang elke vier jaar.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23100
Controleren en smeren van kabels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23110
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer of vervang ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
DAU23131
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23140
Controleren en smeren van rem-
en koppelingshendels

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23200
Controleren en smeren van
zijstandaard

De werking van de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en het scharnierpunt en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10730
WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23250
Smeren van de
achterwielophanging

De scharnierpunten in de achterwielophanging moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
DAU23380
Accu

-
Positieve accupool
-
Negatieve accupool
De accu bevindt zich achter paneel A. (Zie pagina 6-6.)
Dit model is uitgerust met een permanentdichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld.
DCA10620
LET OP:
Probeer nooit om celafdichtingen op de accu te verwijderen, hierdoor kan permanente schade aan de accu worden toegebracht.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als de machine langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad volledig bij en zet hem dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA10630
LET OP:
●Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante
laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
DAU27102
Zekeringen vervangen
De hoofdzekering bevindt zich onder de montageplaat voor de ontstekingsmodule. Het zekeringenkastje met de zekeringen voor afzonderlijke circuits bevindt zich in het opbergcompartiment. (Zie pagina 3-13.)

- Zekeringenkastje
- Koplampzekering
- Zekering signaleringssysteem
- Zekering ontstekingssysteem
- Zekering carburateurverwarming
- Zekering ontstekingsmodule
- Backup-zekering (voor kilometerteller en startblokkeersysteem)
- Reservezekering
- Zekering parkeerlichten
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
De stappen 1–3 en 8–9 hebben uitsluitend betrekking op de hoofdzekering.
- Verwijder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder de getoonde drukclips door met een schroevendraaier op het midden te drukken en dan de drukclip los te trekken.

-
Drukclip
-
Trek de montageplaat voor de ontstekingsmodule naar rechts toe uit.

- Montageplaat ontstekingsmodule
- Reservehoofdzekering
-
Hoofdzekering
-
Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
-
Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 Å
Koplampzekering:
15.0 Å
Zekering carburateurverwarming:
15.0 Å
Zekering signaleringssysteem:
10.0 Å
Zekering ontstekingsmodule:
5.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 Å
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Plaats de montageplaat voor de ontstekingsmodule in de oorspronkelijke positie en breng de drukclips aan.
OPMERKING:
Om een drukclip te bevestigen wordt de pen teruggedrukt zodat deze uitsteekt uit de kop van de drukclip; daarna wordt de drukclip ingebracht en de uitstekende pen ingedrukt tot deze gelijk ligt met de kop van de clip.


- Drukclip (na verwijdering)
- Drukclip (voor plaatsing)
- Breng het bestuurderszadel aan.
DAU23792
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder de koplampunit door de schroeven los te halen.

-
Schroef
-
Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.
- Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloei-lamphouder.
DCA10860
LET OP:
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele ver-
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
ontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de koplampstekker aan.
- Monteer de koplampunit door de schroeven aan te brengen.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU24281
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen
- Verwijder de lamplens door de schroeven te verwijderen.

-
Schroef
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen.
DCA10680
LET OP:
Zet de schroeven niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU33411
Parkeerlichtgloeilamp vervangen
Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder de koplampunit door de schroeven los te halen.

-
Schroef
-
Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze in te drukken en linksom te draaien.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de lampfitting (samen met de gloeilamp) aan door deze in te drukken en rechtsom te draaien tot hij stuit.
- Monteer de koplampunit door de schroeven aan te brengen.
DAU24350
Ondersteunen van de motorfiets
Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren van ander onderhoud waarbij de motorfiets rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.
Onderhoud aan het voorwiel
- Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als geen andere standaard voorhanden is, door een krik te plaatsen onder het frame aan de voorzijde van het achterwiel.
- Breng het voorwiel los van de grond met gebruik van een motorfietsstandaard.
Verwijderen van het achterwiel
Breng het achterwiel los van de grond met een motorfietsstandaard of, als deze niet voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide uiteinden van de achterbrug.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU25B50
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In het volgende storingzoekschema is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema
DAU25891
WAARSCHUWING
DWA10840
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof

flowchart
graph TD
A["Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank."] --> B["Er is voldoende brandstof aanwezig."]
A --> C["Er is geen brandstof aanwezig."]
B --> D["Controleer de compressie."]
C --> E["Vul brandstof bij."]
E --> F["De motor start niet.<br>Controleer de compressie."]
2. Compressie

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["Er is compressie."]
A --> C["Er is geen compressie."]
B --> D["Controleer de ontsteking."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
3. Ontsteking

flowchart
graph TD
A["Verwijder de bougies en controleer de elektroden."] --> B["Droog"]
B --> C["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
C --> D["De motor start niet. Controleer de accu."]
4. Accu

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["De motor draait snel rond."]
A --> C["De motor draait langzaam rond."]
B --> D["De accu is in orde."]
C --> E["Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig."]
D --> F["De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
E --> F
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26060
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een motorfiets is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de machine, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met plastic zakken nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10770
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Laat de motorfiets drogen en breng dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
-
Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
-
Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
-
Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
-
Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
-
Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
-
Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
-
Laat de motorfiets volledig drogen al-vorens te stallen of af te dekken.
DWA11130
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit.
●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de motorfiets in bochten voordat u de snelheid opvoert.
DCA10B00
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26230
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP:
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
- Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Bij motorfietsen met een brandstofkraan die een "OFF"-stand heeft: Draai de hendel van de brandstofkraan naar "OFF".
-
Leeg de vlotterkamers in de carburateur door de aftappluggen los te draaien; u voorkomt zo dat neerslag uit de brandstof achterblijft. Giet de afgetapte brandstof terug in de brandstoftank.
- Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan.
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een an- dere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de ban- den niet op één gedeelte sterker ach- teruitgaan.
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-23 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
OPMERKING:
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
2460 mm (96.9 in)
Totale breedte:
945 mm (37.2 in)
Totale hoogte:
1095 mm (43.1 in)
Zadelhoogte:
710 mm (28.0 in)
Wielbasis:
1645 mm (64.8 in)
Grondspeling:
140 mm (5.51 in)
Kleinste draaicirkel:
3400 mm (133.9 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
291.0 kg (642 lb)
Motor:
Type motor:
Luchtgekoeld, 4-takt, SOHC
Cilinderopstelling:
2-cilinder, V-blok
Slagvolume:
1063.0 cm³ (64.86 cu.in)
Boring × slag:
95.0 × 75.0 mm (3.74 × 2.95 in)
Compressieverhouding:
8.30:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
API service type SE, SF, SG of hoger
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterelement:
3.00 L (3.17 US qt) (2.64 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterelement:
3.10 L (3.28 US qt) (2.73 Imp.qt)
Cardanolie:
Type:
SAE80 API GL-4 Hypoïd-olie
Hoeveelheid:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
17.0 L (4.49 US gal) (3.74 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
4.5 L (1.19 US gal) (0.99 Imp.gal)
Carburateur:
Fabrikant:
MIKUNI
Model × aantal:
BSR37 x 2
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/BPR7ES
Fabrikant/model:
DENSO/W22EPR-U
Elektrodenafstand:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Primaire reductieverhouding:
78/47 (1.660)
Secundair reductiesysteem:
Asaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
40/17 (2.353)
2e:
40/24 (1.667)
3e:
36/28 (1.286)
4e:
32/31 (1.032)
5e:
29/34 (0.853)
Chassis:
Type frame:
Dubbel wiegframe
Spoorhoek:
33.00°
Naspoor:
132.0 mm (5.20 in)
Voorband:
Type:
Met binnenband
Maat:
130/90-16M/C 67S
Fabrikant/model:
DUNLOP/D404F
Achterband:
Type:
Met binnenband
Maat:
170/80-15M/C 77S
Fabrikant/model:
DUNLOP/D404G
Belading:
Maximale belasting:
197 kg (434 lb)
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
225 kPa (33 psi) (2.25 kgf/cm²)
Achter:
225 kPa (33 psi) (2.25 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
140.0 mm (5.51 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
113.0 mm (4.45 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente
magneten
Accu:
Model:
GT14B-4
Voltage, capaciteit:
12 V, 12.0 A/u
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 4.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
14 V, 1.4 W × 2
Controlelampje vrijstand:
12 V, 1.7 W × 1
Waarschuwingslampje olieniveau:
12 V, 1.7 W × 1
Controlelampje richtingaanwijzers:
12 V, 1.7 W × 1
Waarschuwingslampje motorstoring:
12 V, 1.7 W × 1
Controlelampje startblokkering:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 A
Zekering carburateurverwarming:
15.0 A
Zekering ontstekingsmodule:
5.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen. SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

natural_image
Empty rectangular frame with no text, symbols, or markingsVOERTUIGIDENTIFICATIE NUMMER:

- Sleutelnummer
- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26400
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26470
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het bestuurderszadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-11.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INDEX
A
Accu....6-23
Achterwielophanging, smeren....6-21
Afstelling remlichtschakelaar 6-17
B
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig ....5-3
C
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-3
Controlelampje grootlicht 3-4
Controlelampje richtingaanwijzers ...... 3-3
Controlelampje startblokkering ....3-4
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Klepspeling, afstellen.... 6-13
Koplampgloeilamp, vervangen 6-26
Koppelingshendel 3-6
Koppelingshendel, vrije slag afstellen.... 6-16
L
Lichtsignaalschakelaar 3-6
Locaties van onderdelen 2-1
Luchtfilterelement, reinigen 6-11
M
Modelinformatiesticker.... 9-2
Motorolie.... 6-8
Noodstopschakelaar.... 3-6
0
Ondersteunen van de motorfiets ...... 6-28
Opbergcompartiment.... 3-13
P
Paneel, verwijderen en aanbrengen...... 6-6
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ..... 6-28
Parkeren.... 5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema.... 6-2
Problemen oplossen.... 6-29
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren 6-21
Rem- en schakelpedalen, controleren en smeren 6-20
Remhendel 3-7
Remhendel, afstellen van vrije slag..... 6-16
Rempedaal....3-7
Remvloeistofniveau, controleren......6-18
Remvloeistof, verversen....6-19
Richtingaanwijzergloeilamp of gloeilamp in
remlicht/achterlicht vervangen ......6-27
Richtingaanwijzerschakelaar....3-6
s
Schakelaar alarmverlichting....3-6
Schakelen 5-3
Snelheidsmeterunit 3-5
Specifications....8-1
Stalling 7-3
Startblokkeersysteem....3-1
Starten van een koude motor....5-1
Startknop....3-6
Startspersysteem 3-16
Stationair motortoerental....6-12
Storingzoekschema....6-30
Stuurschakelaars 3-5
Stuursysteem, controleren 6-22
T
Tankdop 3-8
U
Uitlaatkatalysator....3-9
V
Veiligheidsinformatie 1-1
Verzorging....7-1
Voertuigidentificatienummer....9-1
Voor- en achterremblokken, controleren....6-18
INDEX
Voorvork, controleren 6-22
Vrijstandcontrolelampje 3-3
W
Waarschuwingslampje motorstoring..... 3-4
Waarschuwingslampje olieniveau .... 3-4
Wielen.... 6-15
Wiellagers controleren.... 6-23
Z
Zadels.... 3-11
Zekeringen, vervangen.... 6-24
Zijstandaard.... 3-16
Zijstandaard, controleren en smeren.... 6-21

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2005.04