XT660R - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis XT660R YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | Yamaha |
| Model | XT660R |
| Motortype | Eencilinder viertakt, vloeistofgekoeld |
| Cilinderinhoud | 660 cc |
| Vermogen | 48 pk (35 kW) bij 6.000 tpm |
| Koppel | 58 Nm bij 5.250 tpm |
| Brandstoftoevoer | Injectie (Keihin) |
| Transmissie | 5 versnellingen, meervoudige natte plaatkoppeling |
| Eindoverbrenging | Ketting |
| Frame | Stalen buisframe |
| Voorvering | Telescoopvork, veerweg 225 mm |
| Achtervering | Zwaluwstaartframe met monovering, veerweg 225 mm |
| Voorrem | Enkel schijf, Ø 245 mm |
| Achterrem | Enkel schijf, Ø 220 mm |
| Wielbasis | 1.505 mm |
| Zithoogte | 875 mm |
| Grondspeling | 215 mm |
| Tankinhoud | 15 liter |
| Rijklaar gewicht | 185 kg |
| Brandstof | Euro 95 (loodvrij) |
Veelgestelde vragen - XT660R YAMAHA
Gebruikersvragen over XT660R YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding XT660R - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. XT660R van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING XT660R YAMAHA
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EC: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Overzicht van wijzigingen
Nr. Inhoud Datum
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren. | 9 juni 2005 |
| 2 | Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1 | 27 februar 2006 |

Naam en handtekening vertegenwoordiger
MORIC CO., LTD.
1450-6 Mori-machi Shuchi-gun Shizuoka 437-0292 JAPAN Telefoon +81-538-85-0757 Fax +81-538-85-0456
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de XT660R/XT660X profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw XT660R/XT660X.
Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de motorfiets, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw motorfiets in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10151
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de motorrijder, omstanders of degene die de motorfiets inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP staat vermeld bij speciale voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om schade aan de motorfiets te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze motorfiets en moet altijd bij de motorfiets blijven, ook als deze ooit wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw motor en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA10030
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE MOTORFIETS GAAT GEBRUIKEN.
*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAUM2150
XT660R/XT660X
HANDLEIDING
©2006 door MBK INDUSTRIE
1e Uitgave, juli 2006
Alle rechten voorbehouden
Elke vorm van herdruk of onbevoegd ge-
bruik
zonder schriftelijke toestemming van
MBK INDUSTRIE
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-3
Multifunctioneel display 3-5
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ...3-6
Stuurschakelaars 3-7
Koppelingshendel ....3-8
Uitlaatkatalysator ....3-11
Zadel 3-11
Opbergcompartiment ....3-12
Afstellen van de schokdemperunit ....3-12
Zijstandaard 3-13
Startspersysteem 3-14
CONTROLES VOOR HET
STARTEN 4-1
Controlelijst voor gebruik 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van de motor 5-1
Schakelen 5-2
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-3
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES 6-1
Boordgereedschapset 6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema 6-2
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen ...... 6-6
Controleren van de bougie ......6-10
Motorolie en oliefilterelement ..... 6-11
Koelvloeistof 6-14
Vervangen van het luchtfilterelement en reinigen van de aftapslang 6-17
Afstellen van het stationair toerental 6-18
Controleren van de vrije slag gaskabel 6-18
Banden 6-19
Spaakwielen 6-21
Vrije slag van koppelingshendel afstellen 6-21
Remlichtschakelaar afstellen ..... 6-22
Controleren van voor- en achterremblokken 6-22
Controleren van remvloeistofniveau 6-23
Spanning aandrijfketting 6-24
Reinigen en smeren van de aandrijfketting 6-26
Controleren en smeren van kabels 6-27
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-27
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-27
Smeren van het rempedaal ..... 6-28
Controleren en smeren van zijstandaard 6-28
Voorvork controleren 6-29
Controle van stuursysteem ...... 6-29
Controleren van wiellagers 6-30
Accu 6-30
Zekeringen vervangen 6-31
Koplampgloeilamp vervangen ..... 6-33
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen 6-34
Vervangen van een parkeerlichtgloeilamp 6-34
INHOUDSOPGAVE
Ondersteunen van de
motorfiets 6-35
Voorwiel 6-35
Achterwiel 6-36
Problemen oplossen 6-39
Storingzoekschema's 6-40
VERZORGING EN STALLING VAN
DE MOTORFIETS 7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10311
MOTORFIETSEN ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS- TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DES- KUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE MOTOR TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN HET MOTORRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILI-
GE EN CORRECTE RIJTECHNIE-
KEN.
●GEBRUIKMAKEN VAN PROFESSIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING EN/OF WANNEER DE MECHANISCHE CONDITIONS DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
Dus:
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinliggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd word genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteu-nen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
●Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze motor onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk let-
sel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw motor ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de motor of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Maximale belasting: 186 kg (410 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk

VEILIGHEIDSINFORMATIE
over beide zijden van de motor wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
- Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.
- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze motor. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen.
Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
- Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode- lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
- Zet de motor altijd uit voordat u de motorfiets onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de motor gaat parke-ren:
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, parkeer de motorfiets daarom op een plek waar voetgangers en kinderen hier geen last van hebben.
- Parkeer de motor niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de motor niet nabij een brandend toestel (bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Als u de motor in een ander voertuig vervoert, zorg er dan voor dat deze rechtop staat en de brandstofkraan of -kranen op "ON" of "RES" (onderdruk-type)/"OFF" (handmatig type) staan. Als de motor schuin staat, kan er benzine uit de carburateur of de brandstof-tank stromen.
- Roep onmiddellijk medische hulp in als u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen is terechtgekomen. Morst u
benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Kuipruit
- Stationair stelschroef (pagina 6-18)
- Hoofdzekering (pagina 6-31)
- Accu (pagina 6-30)
- Zekeringenkastje 1 (pagina 6-31)
- Zekeringenkastje 2 (pagina 6-31)
- Opbergcompartiment (pagina 3-12)
-
Handgreep
-
Zadelslot (pagina 3-11)
10.Schakelpedaal (pagina 3-8)
11.Olieaftapplug (carter) (pagina 6-11)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Boordgereedschapset (pagina 6-1)
- Luchtfilterelement (pagina 6-17)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-12)
- Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-23)
- Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-23)
- Olievuldop (pagina 6-11)
- Olieaftapplug (oliereservoir) (pagina 6-11)
-
Koelvloeistofreservoir (pagina 6-14)
-
Oliefilterelement (pagina 6-11)
10.Aftapplug koelvloeistof (pagina 6-15)
11.Rempedaal (pagina 3-9)
Bedieningen en instrumenten
XT660R
DAU32240

- Koppelingshendel (pagina 3-8)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-7)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
- Multifunctioneel display (pagina 3-5)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-7)
- Remhendel (pagina 3-8)
-
Gasgreep (pagina 6-18)
-
Tankdop (pagina 3-9)
XT660X

- Koppelingshendel (pagina 3-8)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-7)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
- Multifunctioneel display (pagina 3-5)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-7)
- Remhendel (pagina 3-8)
- Gasgreep (pagina 6-18)
- Tankdop (pagina 3-9)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Startblokkeersysteem
DAU10972

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bo- vendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid - een ECU
- een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11820
LET OP:
- BEWAAR DE CODEERSLEUTEL ZORGVULDIG! NEEM ONMIDDELLIJK CONTACT OP MET UW DEALER ALS DE SLEUTEL VERLOREN RAAKT! Als de codeersleutel verloren raakt, is het niet meer mogelijk om de standaardsleutels opnieuw te coderen. De standaardsleutels kunnen nog steeds worden gebruikt om het voertuig te starten, maar wanneer de codeersleutel vereist is (bijvoorbeeld als er een nieuwe standaardsleutel wordt gemaakt of alle sleutels verloren zijn geraakt) moet het volledige startblokkeersysteem wor-
den vervangen. Het is daarom aan te bevelen een van de twee standaardsleutels te gebruiken en de codeersleutel te bewaren op een veilige plaats.
●Dompel de sleutels niet onder in water.
- Stel de sleutels niet bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Houd de sleutels uit de buurt van magneten (inclusief, maar niet uitsluitend, producten zoals luidsprekers etc.).
-Plaats geen zware voorwerpen op de sleutels.
●Probeer niet de sleutels te slijpen of de vorm ervan te veranderen.
●Probeer niet het kunststof boven-
deel van de sleutels open te maken.
- Bevestig niet meer dan één sleutel van hetzelfde startblokkersysteem aan een sleutelring.
●Houd de standaardsleutels en sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van de codeersleutel van dit voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van het contactslot, deze kunnen signaal-storing veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU10471
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld.
OPMERKING:
Gebruik de standaardsleutel (zwart bovendeel) voor het normale gebruik van het voertuig. Bewaar de codeersleutel (rood bovendeel) op een veilige plaats om verlies te voorkomen en gebruik de sleutel uitsluitend voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels.
DAU10570
AAN
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht en het parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplamp gaat automatisch branden als de motor wordt gestart en blijft aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid.
DAU10660
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10680
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen

-
Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
DAU33001
p≤ (Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht en het parkeerlicht branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen.
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "p≤" te kunnen draaien.
DCA11020
LET OP:
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11003
Controle- en waarschuwings- lampjes

- Waarschuwingslampje motorstoring "☐"
- Controlelampje richtingaanwijzers "
- Controlelampje brandstofniveau "☐"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "
- Controlelampje startblokkering " ♀"
DAU11020
Controlelampje richtingaanwijzers
“
Dit controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnelingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "≡D"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11361
Waarschuwingslampje brandstofniveau “”
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 5.0 L (1.32 US gal) (1.10 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
OPMERKING:
Dit model is bovendien uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje brandstofniveau. Als het waarschuwingslampje brandstofniveau defect is, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje brandstofniveau knippert acht keer en dooft dan gedurende 3.0 seconden. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU11440
Waarschuwingslampje koelvloeistof- temperatuur "上"
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DCA10020
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
DAU11530
Waarschuwingslampje motorstoring "☐"
Dit waarschuwingslampje gaat branden of knippert wanneer een elektrisch circuit dat de motorwerking controleert defect is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-5 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAU26873
Controlelampje startblokkering "♀"
Het elektrisch circuit voor het controlelampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het controlelampje niet een paar secon- den lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-5 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Multifunctioneel display
DAUM1662

- Multifunctioneel display
- Klok
- Ritteller 1
- Kilometerteller/ritteller brandstofreserve/rit-teller 2
- "SELECT"-toets
- "RESET"-toets
- Snelheidsmeter
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
- een snelheidsmeter (die de actuele rij- snelheid aangeeft)
- een kilometerteller (die de totale afgelegde afstand toont)
- twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
●een klok
- een voorziening voor zelfdiagnose
OPMERKING:
- Vergeet niet de sleutel naar "ON" te draaien voordat u de toetsen "SELECT" en "RESET" gebruikt.
- Alleen voor Groot-Brittannië: Om te wisselen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter en de kilometerteller/ritteller drukt u de toets "SELECT" minstens twee seconden in.
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de toets "SELECT" wisselt de weergave tussen de kilometertellermodus "ODO" en de rittellermodi "TRIP 1" en "TRIP 2", in de onderstaande volgorde: ODO → TRIP 1 → TRIP 2 → ODO
Als het waarschuwingslampje brandstofni- niveau gaat branden (zie pagina 3-3), wisselt de weergave automatisch naar de brandstofreserve-ritteller "F-TRIP" en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de toets "SELECT" in de on-
derstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
F-TRIP → TRIP 1 → TRIP 2 → ODO → F-TRIP
Om een ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets "SELECT" te drukken en dan de toets "RESET" minstens 1 seconde lang ingedrukt te houden terwijl de geselecteerde ritteller knippert. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
Klokweergave
Draai de sleutel naar "ON".
De klok op tijd zetten:
- Houd de toetsen "SELECT" en "RES-ET" tegelijkertijd minstens twee secon- den lang ingedrukt.
- Als de uuraanduiding begint te knippe-ren, drukt u op de toets "RESET" om de uren in te stellen.
- Druk op de toets "SELECT" om de uren in te stellen, en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.
- Druk op de toets "RESET" om de minuten in te stellen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Druk op de toets "SELECT" om de minuten in te stellen, en laat deze daarna weer los om de klok aan te zetten.
Zelfdiagnosesysteem
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor diverse elektrische circuits.
Als een van deze circuits uitvalt, gaat het waarschuwingslampje voor motorstoring branden en toont het multifunctionele display een foutcode van 2 cijfers (bijv. 11, 12, 13).
Noteer zo'n foutcode als die op het multifunctionele display staat aangegeven en vraag een Yamaha dealer het voertuig na te zien.
DCA11590
LET OP:
Wanneer het display een foutcode aan- geeft, moet de machine zo spoedig mo- gelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem.
Als een van de circuits van het startblokkeersysteem uitvalt, gaat het controlelampje startblokkering knipperen en geeft het multifunctionele display een foutcode van twee cijfers weer (bijv. 51, 52, 53) wanneer de sleutel naar "ON" is gedraaid.
OPMERKING:
Als het multifunctionele display foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.
- Start de motor met behulp van de co-deersleutel.
OPMERKING:
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden ge- start.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het multifunctionele display foutcodes toont, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controle- ren.
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem (op-tie)
Dit model kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12347
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "≡D"
- Dimlichtschakelaar "E0 10
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Claxonschakelaar "▶"
- Schakelaar alarmverlichting "△"
Rechts

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
DAU12350
DAU12400
Zet deze schakelaar op "≡D" en op "≡D" voor dimlicht.
voor grootlich
DAU12460
Richtingaanwijzerschakelaar “◀” →
Druk deze schakelaar naar “→” om afslan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “←” om afslaan naar links a te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12500
Claxonschakelaar "▶"
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12660
Noodstopschakelaar “”
Zet deze schakelaar voor u de motor start op "○". Zet deze schakelaar op "×" om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
DAU12710
Startknop “ ≡ ”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien.
DCA10050
LET OP:
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voor- dat u de motor start.
DAU12733
Schakelaar alarmverlichting "△"
Met de sleutel in de stand "ON" of "p≤" kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10061
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12B20
DAU12870
DAU12890
Koppelingshendel

Schakelpedaal

Remhendel

De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-14.)
Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 5-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12941
DAUM1791
Rempedaal

- Rempedaal 1. Slotplaatje tankdop
Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop

Verwijderen van de tankdop
- Open het slotplaatje van de tankdop.
- Steek de sleutel in het slot en draai een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.
Aanbrengen van de tankdop
- Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie en neem hem dan uit.
OPMERKING:
De tankdop kan alleen worden aangebracht met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct aangebracht en vergrendeld is.
DWA11140
WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is aangebracht.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13211
DCA10070
Brandstof

- Vulpijp brandstoftank
- Brandstofniveau
Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Vul de brandstoftank tot onderaan de vulpijp zoals getoond.
DWA10880

WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13390
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND LOODVRIJE SUPERBENZINE
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal) (3.30 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof (als het waarschuwingslampje brandstof-niveau gaat branden):
5.0 L (1.32 US gal) (1.10 Imp.gal)
DCA11400
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van loodvrije superbenzine met een octaangetal van RON 95 of hoger. Als de
motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13431
Uitlaatkatalysator
Dit model is uitgerust met een uitlaatkatalysator.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
Zadel
Verwijderen van het zadel
- Steek de sleutel in het zadelslot en draai hem dan zoals afgebeeld.

- Zadelslot
- Ontgrendelen.
- Trek het zadel los.
Aanbrengen van het zadel
- Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het zadel in de zadelbevestiging, zoals getoond in de afbeelding.
DAU13900

- Zadelbevestiging
-
Uitsteeksel
-
Druk het zadel aan de achterzijde om- laag om te vergrendelen.
- Neem de sleutel uit.
OPMERKING:
Controleer of het zadel stevig is vergrendeld alvorens te gaan rijden.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14422
Opbergcompartiment

- Stang CYCLELOK-slot (optie)
- Yamaha CYCLELOK-slot (optie)
- Riem
Dit opbergcompartiment is bedoeld voor het opbergen van een origineel Yamaha CYCLELOK-slot. (Andere typen sloten passen mogelijk niet.) Bij het opbergen van een CYCLELOK-slot in het opbergcompartiment moet dit stevig met de riemen worden bevestigd. Als het CYCLELOK-slot niet in het opbergcompartiment is opgeborgen, maak dan de riemen vast om het niet te verliezen.
DWA10961
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 3 kg (7 lb)voor het opbergcompartiment niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van 186 kg (410 lb) voor het voertuig niet.
DAU14830
Afstellen van de schokdemperunit

- Stelring veervoorspanning
- Speciale sleutel
- Positie-indicator
Deze schokdemper is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
Stel de veervoorspanning als volgt af. Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring in de richting (b).
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
2
Maximum (hard):
5
DWA10220
WAARSCHUWING
Deze schokdemper is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees en begrijp de volgende informatie alvorens de schokdemper te gebruiken. De fabrikant kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan eigendommen of voor persoonlijk letsel als dit voortvloeit uit verkeerd gebruik.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemper niet bloot aan open vuur of aan andere hittebronnen, anders kan deze door de oplopende druk exploderen.
●Vervorm of beschadig de gascilinder op geen enkele wijze, de dempende werking zal dan achteruitgaan.
●Laat onderhoud aan de schokdemper altijd uitvoeren door een Yamaha dealer.
DAU15301
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig zo- als hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15311
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de sperschakelaar voor de zijstandaard, de sperschakelaar voor de koppelingshendel en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig, hanteer daarbij de volgende werkwijze.
DWA10250
WAARSCHUWING
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] -->|JA NEE| B["Met de motor uit: 1. Beweeg de zijstandaard omlaag.<br>2. Controleer of de noodstopschakelaar aanstaat.<br>3. Draai de sleutel naar aan.<br>4. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.<br>5. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"]
B -->|JA NEE| C["Met de motor nog aan: 6. Beweeg de zijstandaard omhoog.<br>7. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.<br>8. Schakel de versnellingsbak in een versnellingsstand.<br>9. Beweeg de zijstandaard omlaag.<br>Slaat de motor af?"]
C -->|JA NEE| D["Als de motor is afgeslagen: 10. Beweeg de zijstandaard omhoog.<br>11. Knijp de koppelingshendel in en houd deze vast.<br>12. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"]
D -->|JA NEE| E["Het systeem is in orde. De motorfiets mag worden gebruikt."]
F["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."] --> G["OPMERKING: Deze controle is vooral betrouwbaar als hij wordt uitgevoerd met een warme motor."]
H["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."] --> I["OPMERKING: Deze controle is vooral betrouwbaar als hij wordt uitgevoerd met een warme motor."]
J["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."] --> K["OPMERKING: Deze controle is vooral betrouwbaar als hij wordt uitgevoerd met een warme motor."]
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
CONTROLES VOOR HET STARTEN
Controlelijst voor gebruik
DAU15605
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-10 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in het oliereservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-11 |
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-14 |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-22, 6-23 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-22, 6-23 |
| ITEM CONTROLES PAGINA | ||
| Koppeling | Controleer de werking.Smeer indien nodig de kabel.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij. | 6-21 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-18, 6-27 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-27 |
| Aandrijfketting | Controleer of de ketting correct is aangespannen.Stel indien nodig bij.Controleer de conditie van de ketting.Smeer indien nodig. | 6-24, 6-26 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-19, 6-21 |
| Rempedaal | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het pedaalscharnierpunt. | 6-28 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-27 |
| Zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 6-28 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Sperschakelaar voor de zij-standaard | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine na te kijken. | 3-13 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15950
DWA10270
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inade- men ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do- delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Controleer of de zijstandaard is ingetrokken alvorens weg te rijden. Als de zijstandaard niet behoorlijk is ingetrokken, kan deze de grond raken en zo de motorrijder afleiden, waardoor u de macht over het stuur verliest.
DAUM1670
Starten van de motor
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
- De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
DWA10290
WAARSCHUWING
-
Controleer voor het starten van de motor de werking van het startspersysteem en volg daarbij de werkwijze beschreven op pagina 3-14.
●Ga nooit rijden terwijl de zijstandaard omlaag staat. -
Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
DCAM1030
LET OP:
De volgende waarschuwingslampjes en het controlelampje moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje brandstofni-veau
●Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur
●Waarschuwingslampje motorstoring
●Controlelampje startblokkering
Als een waarschuwings- of controle-lampje niet dooft, zie dan pagina 3-3 voor een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controle-lampje.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
OPMERKING:
Als de versnellingsbak in de vrijstand staat, moet het vrijstandcontrolelampje branden; zo niet, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Start de motor door de startknop in te drukken.
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaneen draaien.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DCA11040
DAU16671
DCA10260
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
OPMERKING:
De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
Schakelen

- Schakelpedaal
- Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING:
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
LET OP:
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
-Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16B10
Tips voor een zuinig brandstof-verbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
DAU16841
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17030
0–1000 km (0–600 mi)
Rijd niet langdurig met de gasgreep meer dan 1/3 open gedraaid.
1000–1600 km (600–1000 mi)
Houd de gasgreep niet langdurig voorbij halverwege opengedraaid.
DCA11440
LET OP:
Nadat 1000 km (600 mi) zijn afgelegd moet de motorolie worden ververst en het oliefilterelement worden gereinigd.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10270
LET OP:
Als tijdens de inrijperiode motorschade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17212
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
! WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17240
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GE-BRUIK.
DWA10320

WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DAU17520
Boordgereedschapset

- Boordgereedschapset
- Hulpstuk voor motorolie aftappen
De boordgereedschapset is te vinden in het opbergcompartiment onder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350

WAARSCHUWING
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken. Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17705
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km, beginnend vanaf 10000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | Bougie | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. √ √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | √ | √ | |||
| 4 | Luchtfilterelement | • Vervangen. | √ | √ | ||||
| 5 | Koppeling | • Controleer de werking.• Afstellen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 6 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
| 7 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSECON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 8* | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 9* | Wielen | • Controleer de speling en de spaakspanning en controleer op beschadigingen.• Trek indien nodig de spaken aan. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 10* | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | |||
| 11* | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |||
| 12* | Achterbrug | • Controleer op een correcte werking en overmatige spe-ling. | √ | √ | √ | √ | |||
| 13 | Aandrijfketting | • Controleer de spanning, uitlijning en conditie van de aan-drijfketting.• Stel de ketting af en smeer deze grondig met een speciale smering voor o-ringkettingen. | Elke 500 km en na elke wasbeurt of rit in de regen | ||||||
| 14* | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 20000 km | |||||||||
| 15* | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | |||
| 16 | Zijstandaard | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 17* | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 18* | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
| 19* | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | |||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 20 | * | Relaisarm achterwie-lophanging en schar-nierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ √ √ √ | ||||||
| 21 | * | Brandstofinjectie | • Stel het stationair toerental af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 22 | Motorolie | • Verversen.• Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 23 | Oliefilterelement | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 24 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de ma-chine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 25 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ √ √ √ √ | √ | |||||
| 26 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 27 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | ||
| 28 | * | Luchtinlaatsysteem | • Controleer de luchtafsluitklep, de membraanklep en de slang op beschadiging.• Vervang indien nodig het volledige luchtinlaatsysteem. | √ | √ | √ | √ | ||
| 29 | * | Uitlaatdempers en uit-laatpijpen | • Controleer of de schroefklemmen goed vastzitten. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 30 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1890
OPMERKING:
-
Vervang het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
●Hydraulisch remsysteem -
Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinder worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18712
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.
XT660R

- Stroomlijnpaneel B
- Paneel B
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
XT660X

- Stroomlijnpaneel B
- Paneel B
DAUM1682
Stroomlijnpaneel A
Verwijderen van stroomlijnpaneel
Verwijder de bouten en afstandsringen en trek dan het stroomlijnpaneel omhoog om dit te verwijderen.
XT660R

Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats de lip van de bevestigingssteun van het stroomlijnpaneel tussen de beschermer en de bevestigingssteun aan beide zijden.

- Bescherming
- Lip stroomlijnpaneel
-
Steun
-
Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten en afstandsringen aan.
DAUM1692
Stroomlijnpaneel B (XT660R)
Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Verwijder het zadel en het paneel B. (Zie pagina's 3-11 en 6-6.)
- Verwijder de bouten en verwijder dan de snelsluitschroeven door ze een kwartslag linksom te draaien.
- Trek het stroomlijnpaneel los bij het aangegeven gedeelte.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Bout
- Snelsluitschroef
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de snelsluitschroeven en de bouten aan.

- Monteer het paneel.
- Breng het zadel aan.
Stroomlijnpaneel B (XT660X)
Verwijderen van stroomlijnpaneel
- Verwijder het zadel en het paneel B. (Zie pagina's 3-11 en 6-6.)
- Verwijder de bouten en verwijder dan de snelsluitschroef door deze een kwartslag linksom te draaien.
- Trek het stroomlijnpaneel los bij het aangegeven gedeelte.

- Bout
- Snelsluitschroef
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de snelsluitschroef en de bouten aan.
DAUM2130

- Monteer het paneel.
- Breng het zadel aan.
Paneel A
DAUM1701
Verwijderen van het paneel
- Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder de bouten en de afstandsring en trek dan het paneel los bij het aangegeven gedeelte.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Aanbrengen van het paneel
- Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie, monteer de afstandsring en breng dan de bouten aan.

- Breng het zadel aan.
DAUM1710
Paneel B
Verwijderen van het paneel
- Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder de bout en trek het paneel dan los bij de aangegeven gedeelten.

Aanbrengen van het paneel
- Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bout aan.

- Breng het zadel aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU19603
Controleren van de bougie
De bougie is een belangrijk motoronderdeel dat gemakkelijk te controleren is. Door hitte en aanslag slijten bougies op de lange duur. Daarom moeten bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens het periodieke onderhouds- en smeerschema. Bovendien kan aan het uiterlijk van de bougie de conditie van de motor worden afgelezen.
De bougie verwijderen
- Verwijder de bougiedop.

-
Bougiedop
-
Verwijder de bougie zoals getoond met behulp van de bougiesleutel in de boordgereedschapset.

Controleren van de bougie
- Controleer of de porseleinen isolator rondom de centrale elektrode van de bougie een middeldonkere tot lichte kleur vertoont (de ideale kleur bij normaal gebruik van de machine).
OPMERKING:
Wanneer de bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.
- Controleer de bougie op afslijting van de elektroden en op overmatige koolstof- of andere aanslag. Vervang indien nodig de bougie.
Voorgeschreven bougie: NGK/CR7E
De bougie monteren
- Meet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat. Stel de afstand indien nodig af volgens de specificatie.

-
Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
-
Breng de bougie aan met behulp van de bougiesleutel en zet vast met het correcte aanhaalmoment.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4-1/2 slag verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
- Installeer de bougiedop.
DAUM1841
Motorolie en oliefilterelement
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en het oliefilterelement worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat deze 10–15 minu- ten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen, verwijder de olie-vuldop, veeg de peilstok schoon, steek deze weer in de vulopening (zonder vast te draaien) en neem dan weer uit om het olieniveau te controleren.
OPMERKING:
- Het motoroliereservoir bevindt zich binnen het frame.
- Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

Gebruik de machine alleen als u weet dat het motorolieniveau voldoende hoog is.
DWA10360
WAARSCHUWING
Draai de oliereservoirdop nooit los direct nadat op hoge snelheid is gereden, de hete motorolie kan dan naar buiten spuiten en schade of brandwonden veroorzaken. Geef de motorolie steeds de
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
gelegenheid voldoende af te koelen voordat de oliereservoirdop wordt verwijderd.
- Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
- Breng de olievuldop aan.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging oliefilterelement)
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Bevestig het hulpstuk voor motorolie aftappen (in de boordgereedschapsset) onder de aftapplug van het carter.

- Olieaftapplug (carter)
-
Hulpstuk voor motorolie aftappen
-
Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.
- Verwijder de aftapplug om de olie uit het oliereservoir te laten stromen.

-
Olieaftapplug (oliereservoir)
-
Verwijder de aftapbout van het oliefilterelement om de olie uit het oliefilterelement te laten stromen.
OPMERKING:
Sla de stappen 7–9 over als het oliefilterelement niet wordt vervangen.
- Verwijder het oliefilterdeksel door de bouten te verwijderen.

- Bevestigingsbout oliefilterdeksel
-
Aftapbout oliefilterelement
-
Verwijder en vervang het oliefilterelement en de o-ringen.

- Oliefilterelement
-
O-ring
-
Monteer het oliefilterdeksel door de bouten en de aftapbout aan te brengen en deze dan vast te zetten met het voorgeschreven aanhaalmoment.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Aanhaalmomenten:
Bevestigingsbout oliefilterdeksel:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
Aftapbout oliefilterelement:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
OPMERKING:
Zorg dat de o-ringen correct aanliggen.
- Breng de olieaftappluggen aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmomenten:
Olieaftapplug (carter):
30 Nm (3.0 m·kgf, 22 ft·lbf)
Olieaftapplug (oliereservoir):
18 Nm (1.8 m·kgf, 13 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olievuldop en zet deze vast.
DCAM1060
LET OP:
Het oliereservoir moet in twee stappen worden gevuld. Vul het oliereservoir eerst met 1.90 L (2.0 US qt) (1.67 Imp.qt) van de aanbevolen motorolie. Start ver-
volgens de motor, geef vijf of zes keer flink gas, zet de motor weer uit en vul dan de rest van de motorolie bij.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterelement:
2.50 L (2.64 US qt) (2.20 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterelement:
2.60 L (2.75 US qt) (2.29 Imp.qt)
DCA11620
LET OP:
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.
-
Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
-
Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAUM1722
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
- Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. - Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Koelvloeistofreservoir
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als het koelvloeistofniveau op of onder de merkstreep voor minimumniveau staat, verwijder dan het stroomlijnpaneel B (Zie pagina 6-6.) en open de dop van het koelvloeistofreservoir.
- Vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau, en sluit daarna de dop van het koelvloeistofreservoir.
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Vervang, indien water in plaats van koelvloeistof is gebruikt, het water zo snel mogelijk door koelvloeistof. Anders is het koelsysteem niet beschermd tegen vorst en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivriespercentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
- De radiatorkoelvin schakelt automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof in de koelvloeistofradiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-40 nadere instructies vermeld.
DAUM1802
Verversen van de koelvloeistof
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en laat het motorblok indien nodig afkoelen.
- Verwijder het zadel en het paneel B. (Zie pagina's 3-11 en 6-6.)
- Verwijder het stroomlijnpaneel B. (Zie pagina 6-6.)
- Schuif een opvangbak onder de motor om de gebruikte koelvloeistof op te vangen.
- Draai de schroef van de borging van de radiatorvuldop los.
- Verwijder de radiatorvuldop en de dop van het koelvloeistofreservoir.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.

- Radiatorvuldop
- Schroef van borging radiatorvuldop
- Borging radiatorvuldop
-
Dop koelvloeistofreservoir
-
Verwijder de bouten van het koelvloeistofreservoir en keer dan het koelvloeistofreservoir ondersteboven om het leeg te maken.
- Monteer het koelvloeistofreservoir door dit in de oorspronkelijke stand te plaatsen en breng dan de bouten aan.

-
Bout
-
Verwijder de aftapplug voor koelvloeistof om het koelsysteem leeg te maken.

- Aftapplug koelvloeistof
- Spoel het koelsysteem grondig door met schoon leidingwater, nadat alle koelvloeistof is uitgestroomd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Breng de aftapplug voor koelvloeistof aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.
Aanhaalmoment:
Aftapplug koelvloeistof:
11 Nm (1.1 m·kgf, 8.0 ft·lbf)
- Giet de voorgeschreven hoeveelheid van de gespecificeerde koelvloeistof in de koelvloeistofradiator en in het reservoir.
Mengverhouding antivries/water: 1:1
Aanbevolen antivries:
Hoogwaardige ethyleenglycol antivries met corrosieremmers voor aluminium motoren
Hoeveelheid koelvloeistof:
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.00 L (1.06 US qt) (0.88 Imp.qt) Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Vervang, indien water in plaats van koelvloeistof is gebruikt, het water zo snel mogelijk door koelvloeistof. Anders is het koelsysteem niet beschermd tegen vorst en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivriespercentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
- Breng de dop van het koelvloeistofreservoir aan.
- Breng de radiatorvuldop en de borging van de radiatorvuldop aan door de schroef aan te draaien.
- Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en zet hem dan uit.
- Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir. Verwijder indien nodig de dop van het koelvloeistofreservoir,
vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng dan de dop weer aan.
-
Start de motor en controleer dan of ergens aan de machine lekkage te zien is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren.
-
Breng het stroomlijnpaneel, het paneel en het zadel aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1833
Vervangen van het luchtfilterelement en reinigen van de aftapslang
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vervang het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt. Verder moet de aftapslang van het luchtfilter regelmatig worden gecontroleerd en gereinigd.
Om het luchtfilterelement te vervangen
- Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder het paneel B. (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.

-
Luchtfilterdeksel
-
Schroef
-
Trek het luchtfilterelement los.
- Breng een nieuw luchtfilterelement aan in het luchtfilterhuis zoals getoond.

-
Controleer of het luchtfilterelement correct in het luchtfilterhuis is geplaatst.
●Laat de motor nooit draaien zonder dat het luchtfilterelement aanwezig is, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s). -
Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
- Monteer het paneel.
- Breng het zadel aan.
Reinigen van de luchtfilteraftapslang
- Controleer of zich in de aftapslang aan de zijkant van het luchtfilterhuis water of vuil heeft verzameld.

- Haal de slang los als er vuil of water in zit, reinig hem grondig en breng opnieuw aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1910
Afstellen van het stationair toerental
Het stationair toerental moet als volgt worden gecontroleerd en eventueel afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De motor moet warm zijn om deze afstelling te verrichten.
OPMERKING:
- De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
-
Een diagnosetoerenteller is nodig om deze afstelling uit te voeren.
-
Bevestig de toerenteller aan de bougiekabel.
- Controleer het stationair toerental en stel dit indien nodig volgens de specificatie af door de stationair stelschroef te verdraaien. Draai de schroef in de richting (a) om het stationair toerental te verhogen. Draai de schroef in de richting (b) om het stationair toerental te verlagen.

- Stationair stelschroef
Stationair toerental:
1400–1500 tpm
OPMERKING:
Als het voorgeschreven stationair toerental niet haalbaar is volgens de hierboven beschreven werkwijze, vraag dan een Yamaha dealer de afstelling uit te voeren.
DAU21381
Controleren van de vrije slag gaskabel

De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21640
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandspanning
De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500

WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
XT660R 200 kPa (29 psi) (2.00
kgf/cm²)
XT660X 210 kPa (30 psi) (2.10
kgf/cm²)
Achter:
XT660R 200 kPa (29 psi) (2.00
kgf/cm²)
XT660X 210 kPa (30 psi) (2.10
kgf/cm²)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA11020
WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rijeigenschappen en de veiligheid van uw motor. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MOTORFIETS NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen motorfiets kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de motorrijder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven.
- Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de motorfiets en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht.
- Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
Bandeninformatie
De banden aan deze motorfiets zijn voorzien van binnenbanden.
DWA10460
WAARSCHUWING
- De banden op de voor- en achterwielen dienen van hetzelfde merk en dezelfde constructie te zijn, anders is het weggedrag van de machine mogelijk niet normaal.
●Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.
Voorband:
Maat:
XT660R 90/90-21M/C 54S,
90/90-21M/C 54T
XT660X 120/70R17 M/C 58H,
120/70ZR17 M/C 58W,
120/70ZR17 M/C 58W
Fabrikant/model:
XT660R METZELER/TOURANCE
FRONT,
MICHELIN/SIRAC
XT660X PIRELLI/DRAGON,
METZELER/SPORTEC M1,
MICHELIN/RADIAL PILOT
SPORT
Achterband:
Maat:
XT660R 130/80-17M/C 65S,
130/80-17M/C 65T
XT660X 160/60R17 M/C 69H,
160/60ZR17 M/C 69W,
160/60ZR17 M/C 69W
Fabrikant/model:
XT660R METZELER/TOURAN-
CE.
MICHELIN/SIRAC
XT660X PIRELLI/DRAGON,
METZELER/SPORTEC M1,
MICHELIN/RADIAL PILOT
SPORT
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DWA10570
DAU21940
DAU22041
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een motor met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
- Het is sterk af te raden een lekke binnenband te plakken. Als het niet anders kan, moet de band zeer zorgvuldig worden geplakt en dan zo snel mogelijk worden vervangen door een nieuwe band van goede kwaliteit.
Spaakwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
●Voor elke rit moeten de velgranden worden gecontroleerd op scheurtjes, verbuiging of kromheid en de spaken op losheid. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingerden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Vrije slag van koppelingshendel afstellen

- Borgmoer
- Stelbout voor vrije slag koppelingshendel
- Vrije slag van koppelingshendel
De vrije slag van de koppelingshendel dient 10.0–15.0 mm (0.39–0.59 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de koppelingshendel regelmatig en stel indien nodig als volgt af.
- Draai de borgmoer bij de koppelingshendel los.
- Draai de stelbout richting (a) voor meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelbout richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
Als de voorgeschreven vrije slag van de koppelingshendel werd gehaald zoals hierboven beschreven, zet dan de borgmoer vast en sla de rest van de afstelprocedure over; zo niet, ga dan als volgt verder.
- Draai de stelbout bij de koppelingshendel richting (a) om de koppelingskabel losser te stellen.
- Draai de borgmoer bij het carter los.

- Borgmoer
-
Stelmoer voor vrije slag remhendel (carter)
-
Draai de stelmoer richting (a) voor meer gaskabelspeling. Draai de stelmoer richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.
- Draai de borgmoer bij de koppelingshendel en op het carter vast.
DAU22270
Remlichtschakelaar afstellen

De remlichtschakelaar, die wordt geactiveerd door het rempedaal, is correct afgesteld wanneer het remlicht gaat branden vlak voordat de remwerking intreedt. Stel indien nodig de remlichtschakelaar als volgt af.
Terwijl de stelmoer wordt gedraaid, moet de remlichtschakelaar op zijn plaats worden gehouden. Draai de stelmoer in de richting (a) om het remlicht eerder te laten branden. Draai de stelmoer in de richting (b) om het remlicht later te laten branden.
DAU22390
Controleren van voor- en achter- remblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22430
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
Elk voorremblok is voorzien van slijtage-indicatorgroeven, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controle-ren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroeven
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
vrijwel zijn verdwenen, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22500
Remblokken achterrem

Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 1.0 mm (0.04 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22580
Controleren van remvloeistofni-veau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

- Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
kookpunt van de remvloeistof aanzien- lijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
DAU22760
Spanning aandrijfketting
De spanning van de aandrijfketting moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
Aandrijfketting controleren op spanning

-
Spanning aandrijfketting
-
Zet de motorfiets op de zijstandaard.
OPMERKING:
Bij het controleren en instellen van de spanning van de aandrijfketting mag er geen gewicht op de motorfiets rusten.
-
Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
-
Draai het achterwiel door de motorfiets te duwen en vind zo het strakste gedeelte in de aandrijfketting; meet nu de spanning van de ketting zoals afgebeeld.
Spanning aandrijfketting: 40.0–55.0 mm (1.57–2.17 in)
- Stel de spanning van de ketting als volgt bij als deze niet correct is.
OPMERKING:
Bij het controleren van de spanning van de aandrijfketting mag de kettingspanner de aandrijfketting niet raken.
DAU22932
Doorbuiging aandrijfketting bijstellen (XT660R)
- Draai de wielasmoer los en draai dan de borgmoer los aan beide uiteinden van de achterbrug.
- Draai de stelmoer op beide uiteinden van de achterbrug in de richting (a) om de aandrijfketting strakker te stellen. Stel de ketting losser door de stelmoer op beide uiteinden van de achterbrug in de richting (b) te draaien en dan het achterwiel naar voren te drukken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
Gebruik voor een goede wieluitlijning de uit- lijnmerktekens aan beide zijden van de ach- terbrug, om zeker te zijn dat beide stelmoeren dezelfde positie hebben.

- Wielasmoer
- Stelmoer spanning aandrijfketting
- Borgmoer
- Uitlijnmerktekens
DCA10570
LET OP:
Een slecht gespannen aandrijfketting overbelast de motor en andere vitale de- len van de motorfiets, waardoor de ket- ting kan slippen of breken. Om dit te voorkomen moet de spanning van de aandrijfketting binnen het voorgeschre- ven bereik blijven.
- Draai de borgmoeren vast en zet dan de wielasmoer vast met het voorge-schreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Borgmoer:
16 Nm (1.6 m·kgf, 11 ft·lbf)
Wielasmoer:
104 Nm (10.4 m·kgf, 75 ft·lbf)
DAU34311
Doorbuiging aandrijfketting bijstellen (XT660X)
- Draai de wielasmoer los en draai dan de borgmoeren los aan beide zijden van de achterbrug.
- Draai om de aandrijfketting strakker te stellen de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (a). Stel de ketting losser door de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (b) te draaien en dan het achterwiel naar voren te drukken.
OPMERKING:
Gebruik voor een goede wieluitlijning de uit- lijnmerktekens aan beide zijden van de ach- terbrug, om zeker te zijn dat beide stelmoeren dezelfde positie hebben.

- Wielasmoer
- Stelbout spanning aandrijfketting
- Borgmoer
- Uitlijnmerktekens
DCA10570
LET OP:
Een slecht gespannen aandrijfketting overbelast de motor en andere vitale delen van de motorfiets, waardoor de ketting kan slippen of breken. Om dit te voorkomen moet de spanning van de aandrijfketting binnen het voorgeschreven bereik blijven.
- Trek de borgmoeren en dan de wielas- moer aan met de voorgeschreven aanhaalmomenten.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Aanhaalmomenten:
Borgmoer:
16 Nm (1.6 m·kgf, 11 ft·lbf)
Wielasmoer:
104 Nm (10.4 m·kgf, 75 ft·lbf)
DAU23022
DCA11110
Reinigen en smeren van de aan- drijfketting
De aandrijfketting moet worden gereinigd en gesmeerd volgens de intervalperioden zoals voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema, anders zal de ketting snel slijten, met name in vochtige of stoffige gebieden. Onderhoud de ketting als volgt.
DCA10581
LET OP:
De aandrijfketting moet worden gesmeerd nadat de motorfiets is gewassen of ermee in de regen is gereden.
- Reinig de aandrijfketting met petroleum en een zacht borsteltje.
DCA11120
LET OP:
Om beschadiging van de o-ringen te voorkomen, mag de aandrijfketting niet worden gereinigd met een stoomreiniger of hogedrukreiniger of met niet-geschikte ontvetters.
- Wrijf de aandrijfketting droog.
- Smeer de aandrijfketting grondig met speciale smering voor o-ring kettingen.
LET OP:
Gebruik geen motorolie of andere smeermiddelen voor de aandrijfketting, deze bevatten mogelijk toevoegingen die de o-ringen kunnen beschadigen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23100
Controleren en smeren van ka- bels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23111
Controleren en smeren van gas- greep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
DAU23140
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels
Remhendel

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23180
Smeren van het rempedaal

De werking van het rempedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en het pedaalscharnierpunt moet indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAU23200
Controleren en smeren van zij-
standaard

De werking van de zijstandaard moet voor- afgaand aan elke rit worden gecontroleerd en het scharnierpunt en de metaal-op-me- taal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10730
WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
DAUM1730
Accu
Dit model is uitgerust met een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bij-gevuld.
DCA10620
LET OP:
Probeer nooit om celafdichtingen op de accu te verwijderen, hierdoor kan permanente schade aan de accu worden toegebracht.

Om bij de accu te komen
- Verwijder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
- Verwijder de accukap door de bouten los te halen.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
- HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek.
-
Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
-
Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA10630
LET OP:
●Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
Zekeringen vervangen
De hoofdzekering bevindt zich achter paneel A. (Zie pagina 6-6.)

- Hoofdzekering
- Reservehoofdzekering
Zekeringenkastje 1 en 2 bevinden zich onder het zadel. (Zie pagina 3-11.)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Zekeringenkastje 1
- Zekering signaleringssysteem
- Koplampzekering
- Zekering ontstekingssysteem
- Zekering brandstofinjectiesysteem
- Zekering radiatorkoelvin
- Backup-zekering (voor kilometerteller, klok en startblokkeersysteem)
- Zekering parkeerlichten
- Zekeringenkastje 2
- Reservezekering
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
30.0 A
Zekeringenkastje 1:
Koplampzekering:
20.0 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
7.5 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering brandstofinjectiesys-
em:
10.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
Zekeringenkastje 2:
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 A
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
-
Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
-
Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAUM1750
Koplampgloeilamp vervangen
De koplamp op dit model heeft een halogeen gloeilamp. Vervang de koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder stroomlijnpaneel A samen met de koplampunit. (Zie pagina 6-6.)
- Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.

- Gloeilampkap
- Koplampstekker
- Verwijder de gloeilamphouder door deze linksom te draaien en haal dan de defecte gloeilamp los.

- Gloeilamphouder
- Koplampgloeilamp
DWA10790
WAARSCHUWING
Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
DCA10660
LET OP:
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele ver-
ontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de stekker aan.
-
Monteer het stroomlijnpaneel samen met de koplampunit.
-
Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU24281
Een richtingaanwijzergloeilamp of de gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen
- Verwijder de lamplens door de schroeven te verwijderen.

-
Schroef
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroeven aan te brengen.
DCA10680
LET OP:
Zet de schroeven niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.

Vervangen van een parkeerlicht- gloeilamp
DAUM1820
Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder paneel A samen met de koplampunit. (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder de parkeerlichtlampfitting (samen met de gloeilamp) door deze uit te trekken.

-
Fitting parkeerlichtgloeilamp
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Bevestig de parkeerlichtlampfitting (samen met de gloeilamp) door deze in te drukken.
- Monteer het stroomlijnpaneel samen met de koplampunit.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU24350
Ondersteunen van de motorfiets
Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren van ander onderhoud waarbij de motorfiets rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.
Onderhoud aan het voorwiel
- Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als geen andere standaard voorhanden is, door een krik te plaatsen onder het frame aan de voorzijde van het achterwiel.
- Breng het voorwiel los van de grond met gebruik van een motorfietsstandaard.
Verwijderen van het achterwiel
Breng het achterwiel los van de grond met een motorfietsstandaard of, als deze niet voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide uiteinden van de achterbrug.
Voorwiel
DAU24360
DAUM1761
Verwijderen van het voorwiel
DWA10820
WAARSCHUWING
-
Het is aan te bevelen om onderhoud aan het wiel uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
●Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen. -
Draai de klembouten van de voorwielas los en draai dan de wielasbouten en vervolgens de remklauwbouten los.
XT660R

- Wielas
- Klembout voorwielas A
- Klembout voorwielas B
XT660X

- Wielas
- Klembout voorwielas A
-
Klembout voorwielas B
-
Licht het voorwiel van de grond volgens de werkwijze op pagina 6-35.
- Verwijder de remklauw door de bouten los te halen.

- Bout
- Remklauw
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DCA11070
LET OP:
Bekrachtig de rem niet terwijl het wiel samen met de remschijf is verwijderd, anders komen de remblokken tegen elkaar.
- Trek de wielas uit en verwijder dan het wiel.
DAUM1811
Aanbrengen van het voorwiel
- Breng het wiel omhoog tussen de vorkpoten.
- Steek de wielas naar binnen.
- Laat het voorwiel zakken zodat dit op de grond rust.
- Monteer de remklauw door de bouten aan te brengen.
OPMERKING:
Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat de remklauw over de remschijf wordt gemonteerd.
- Draai de wielas vast met het voorge- schreven aanhaalmoment.
- Zet wielasklembout A en klembout B vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
-
Zet wielasklembout A opnieuw vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
-
Zet de remklauwbouten vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmomenten:
Wielas:
59 Nm (5.9 m·kgf, 43 ft·lbf)
Klembout voorwielas:
18 Nm (1.8 m·kgf, 13 ft·lbf)
Remklauwbout:
40 Nm (4.0 m·kgf, 29 ft·lbf)
- Duw het stuur enkele malen stevig op en neer om te controleren of de voorvork correct werkt.
DAU25080
Achterwiel
Verwijderen van het achterwiel
DAUM1773
DWA10820
WAARSCHUWING
- Het is aan te bevelen om onderhoud aan het wiel uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
-
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
-
Verwijder de kettingbeschermer door de bouten los te halen.
XT660R

- Wielasmoer
- Stelmoer spanning aandrijfketting
- Borgmoer
- Remklauwsteun
- Remklauw
XT660X

- Wielasmoer
- Stelbout spanning aandrijfketting
- Borgmoer
- Remklauwsteun
-
Remklauw
-
Licht het achterwiel van de grond volgens de werkwijze op pagina 6-35.
- Draai de borgmoer los aan beide zij- den van de achterbrug.
- Draai de stelmoeren voor kettingspanning (of bouten, afhankelijk van het model) volledig in richting (a).
- Verwijder de wielas door de asmoer los te draaien.
- Druk het wiel naar voren en haal dan de aandrijfketting van het achtertandwiel.

De aandrijfketting kan niet worden gesplitst.
- Trek het wiel naar achteren en beweeg de remklauw bij het wiel van- daan.
DCA11070
LET OP:
Bekrachtig de rem niet terwijl het wiel samen met de remschijf is verwijderd, anders komen de remblokken tegen elkaar.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Aanbrengen van het achterwiel
- Breng de aandrijfketting aan op het achtertandwiel.
- Monteer het wiel, de onderlegring(en) en de remklauwsteun door de wielas vanaf de linkerzijde in te steken.
OPMERKING:
-
XT660R: Plaats de onderlegring met het merkteken "N" aan de rechterzijde en de onderlegring met het merkteken "O" aan de linkerzijde. Monteer beide onderlegringen met de zijde met het merkteken naar buiten.
●XT660X: Plaats de onderlegring aan de rechterzijde. -
Controleer of de aanslag op de achterbrug in de sleuf in de remklauwsteun valt.
●Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat u het wiel aanbrengt.

- Borging
-
Sleuf
-
Laat het achterwiel zakken zodat dit op de grond rust.
- Stel de spanning van de aandrijfketting af. (Zie pagina 6-24.)
- Draai de wielasmoer vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Borgmoer:
16 Nm (1.6 m·kgf, 11 ft·lbf)
Wielasmoer:
104 Nm (10.4 m·kgf, 75 ft·lbf)
- Monteer de kettingbeschermer door de bouten aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU25B70
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema's
DAU25921
Startproblemen of slechte werking van de motor
DWA10840
WAARSCHUWING
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet.
Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de elektrische startknop.
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougie en controleer de elektroden.
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougie af of vervang de bougie.
Draai de gasgreep tot halverwege open en bedien de elektrische startknop.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de elektrische startknop.
De motor draait snel rond.
De accu is in orde.
De motor draait langzaam rond.
Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C{Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage.}
B --> D{Het koelvloeistofniveau is in orde.}
C --> E{Er is lekkage.}
C --> F{Er is geen lekkage.}
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING:
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26001
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een motorfiets is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de machine, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen, tandwielen, de aandrijfketting en de wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10770
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Breng met een spuitbus een corrosie-werend middel aan op alle metalen de- len, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo cor- rosie te voorkomen.
Na reiniging
-
Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
-
Laat de aandrijfketting direct drogen en smeer hem om roestvorming te voorkomen.
-
Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
-
Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
-
Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
-
Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
-
Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
-
Laat de motorfiets volledig drogen al- vorens te stallen of af te dekken.
DWA11130
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit.
●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de motorfiets in bochten voordat u de snelheid opvoert.
DCA10800
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
DAUM1900
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP:
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinder, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedop en de bougie.
b. Giet een theelepel motorolie in het bougiegat.
c. Breng de bougiedop aan op de bougie en leg dan de bougie zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwand wordt zo geolied.)
e. Haal de bougiedop los van de bougie en breng dan de bougie en de bougiedop weer aan.
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een an- dere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de ban- den niet op één gedeelte sterker ach- teruitgaan.
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-30 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING:
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
XT660R 2240 mm (88.2 in)
Kleinste draaicirkel:
2400 mm (94.5 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
XT660R 181.0 kg (399 lb)
XT660X 186.0 kg (410 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, SOHC
Cilinderopstelling:
1-cilinder, vooroverhellend
Slagvolume:
660.0 cm³
Boring × slag:
100.0 × 84.0 mm (3.94 × 3.31 in)
Compressieverhouding:
10.00:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
API service type SE, SF, SG of hoger
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterelement:
2.50 L (2.64 US qt) (2.20 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterelement:
2.60 L (2.75 US qt) (2.29 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
1.00 L (1.06 US qt) (0.88 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
15.0 L (3.96 US gal) (3.30 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
5.0 L (1.32 US gal) (1.10 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Fabrikant:
DENSO
Model/hoeveelheid:
297500-0390
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CR7E
Elektrodenafstand:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Primaire reductieverhouding:
75/36 (2.083)
Secundair reductiesysteem:
Kettingaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
45/15 (3.000)
Type versnellingbak:
Constant mesh, 5 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
30/12 (2.500)
2e:
: 26/16 (1.625)
3e:
23/20 (1.150)
4e:
20/22 (0.909)
5e:
20/26 (0.769)
Chassis:
Type frame:
Diamantframe
Spoorhoek:
XT660R 27.25 graad
XT660X 26.00 graad
Naspoor:
XT660R 107.0 mm (4.21 in)
XT660X 94.0 mm (3.70 in)
Voorband:
Type:
Met binnenband
Maat:
XT660R 90/90-21M/C 54S,
90/90-21M/C 54T
XT660X 120/70R17 M/C 58H,
120/70ZR17 M/C 58W,
120/70ZR17 M/C 58W
Fabrikant/model:
XT660R METZELER/TOURANCE
FRONT,
MICHELIN/SIRAC
XT660X PIRELLI/DRAGON,
METZELER/SPORTEC M1
MICHELIN/RADIAL PILOT SPORT
Achterband:
Type:
Met binnenband
Maat:
XT660R 130/80-17M/C 65S,
130/80-17M/C 65T
XT660X 160/60R17 M/C 69H,
160/60ZR17 M/C 69W,
160/60ZR17 M/C 69W
Fabrikant/model:
XT660R METZELER/TOURANCE,
MICHELIN/SIRAC
XT660X PIRELLI/DRAGON,
METZELER/SPORTEC M1,
MICHELIN/RADIAL PILOT SPORT
Belading:
Maximale belasting:
186 kg (410 lb)
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
XT660R 200 kPa (29 psi) (2.00 kgf/cm²)
XT660X 210 kPa (30 psi) (2.10 kgf/cm²)
Achter:
XT660R 200 kPa (29 psi) (2.00 kgf/cm²)
XT660X 210 kPa (30 psi) (2.10 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Bediening met rechterhand
SPECIFICATIES
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
Achterrem:
Type: Enkele schijfrem
Bediening: Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
Voorwielophanging:
Type: Telescoopvork Veer/schokdempertype: Schroefveer/oliedemper
Veerweg: XT660R 225.0 mm (8.86 in) XT660X 200.0 mm (7.87 in)
Achterwielophanging:
Type: Achterbrug (monocross)
Veer/schokdempertype: Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg: XT660R 200.0 mm (7.87 in) XT660X 191.0 mm (7.52 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem: Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem: Wisselstroomdynamo met permanente magneten
Accu:
Model: GT9B-4
Voltage, capacitit: 12 V, 8.0 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp: Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Voorste richtingaanwijzer: 12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer: 12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht: 12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting: EL
Controlelampje vrijstand: LED
Controlelampje grootlicht: LED
Controlelampje richtingaanwijzers: LED
Controlelampje brandstofniveau: LED
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur: LED
Waarschuwingslampje motorstoring: LED
Controlelampje startblokkering: LED
Zekeringen:
Hoofdzekering: 30.0 A
Koplampzekering: 20.0 A
Zekering signaleringssysteem: 10.0 A
Zekering ontstekingssysteem: 10.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit: 10.0 A
Zekering radiatorkoelvin: 7.5 A
Zekering brandstofinjectiesysteem: 10.0 A
Backup-zekering: 10.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen.
SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

- Sleutelnummer
- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26410
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op het frame.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26540
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het za- del bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-11.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze infor- matie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
A
Aandrijfketting, reinigen en smeren ..... 6-26
Accu.... 6-30
Afstelling remlichtschakelaar 6-22
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ...... 3-6
B
Banden 6-19
Bougie, controlleren 6-10
Brandstof 3-10
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.... 5-3
C
Claxonschakelaar.... 3-7
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-3
Controlelampje grootlicht.... 3-4
Controlelampje richtingaanwijzers...... 3-3
Controlelampje startblokkering 3-4
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Identificatienummers 9-1
Inrijperiode.... 5-3
K
Kabels, controlleren en smeren.... 6-27
Koelvloeistof 6-14
Koplampgloeilamp, vervangen 6-33
Koppelingshendel 3-8
Koppelingshendel, vrije slag afstellen....6-21
L
Lichtsignaalschakelaar....3-7
Locaties van onderdelen 2-1
Luchtfilterelement en aftapslang, vervangen en reinigen ....6-17
M
Modelinformatiesticker 9-2
Motorolie en oliefilterelement 6-11
Multifunctioneel display 3-5
N
Noodstopschakelaar 3-7
0
Ondersteunen van de motorfiets......6-35
Opbergcompartiment 3-12
P
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen .....6-34
Parkeren....5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema ....6-2
Problemen oplossen 6-39
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren....6-27
Remhendel....3-8
Rempedaal....3-9
Rempedaal, smeren....6-28
Remvloeistofniveau, controlleren......6-23
Richtingaanwijzergloeilamp of gloeilamp in remlicht/achterlicht vervangen 6-34
Richtingaanwijzerschakelaar....3-7
S
Schakelaar alarmverlichting.... 3-7
Schakelen 5-2
Schakelpedaal 3-8
Schokdemperunit, afstellen 3-12
Sleutelnummer.... 9-1
Spanning aandrijfketting 6-24
Specifications.... 8-1
Stalling 7-3
Startblokkeersysteem 3-1
Starten van de motor 5-1
Startknop 3-7
Startspersysteem.... 3-14
Stationair toerental.... 6-18
Storingzoekschema's.... 6-40
Stroomlijn- en framepanelen, verwijderen en aanbrengen .... 6-6
Stuurschakelaars 3-7
Stuursysteem, controleren.... 6-29
T
Tankdop.... 3-9
U
Uitlaatkatalysator 3-11
V
Veiligheidsinformatie.... 1-1
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken controleren.... 6-22
Voorvork, controleren 6-29
Vrije slag gaskabel, controlleren...... 6-18
Vrijstandcontrolelampje 3-4
INDEX
W
Waarschuwingslampje brandstofniveau 3-4
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur ....3-4
Waarschuwingslampje motorstoring ..... 3-4
Wiel (voor).... 6-35
Z
Zadel 3-11
Zekeringen, vervangen 6-31
Zijstandaard 3-13
Zijstandaard, controleren en smeren .... 6-28

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2006.07