YZF-R6 (2007) - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis YZF-R6 (2007) YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | Yamaha |
| Model | YZF-R6 (2007) |
| Totale lengte | 2040 mm |
| Totale breedte | 700 mm |
| Totale hoogte | 1100 mm |
| Zadelhoogte | 850 mm |
| Wielbasis | 1380 mm |
| Gewicht (inclusief olie en brandstof) | 182,0 kg |
| Maximale belasting | 193 kg |
| Motortype | Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC, 4 cilinders |
| Slagvolume | 599,0 cm³ |
| Boring × slag | 67,0 × 42,5 mm |
| Compressieverhouding | 12,80:1 |
| Brandstoftankinhoud | 17,5 L |
| Reservebrandstof | 3,5 L |
| Aanbevolen brandstof | Uitsluitend loodvrije superbenzine (RON 95 of hoger) |
| Motorolie (met filtervervanging) | 2,60 L |
| Koelvloeistof (radiator + leidingen) | 2,30 L |
| Transmissie | 6-versnellingsbak, constant mesh, kettingaandrijving |
| Voorrem | Dubbele schijfrem, hydraulisch |
| Achterrem | Enkele schijfrem, hydraulisch |
| Voorwielophanging | Telescoopvork, veerweg 120 mm |
| Achterwielophanging | Achterbrug (link-ophanging), veerweg 120 mm |
| Accu | 12 V, 8,6 Ah (model YTZ10S) |
Veelgestelde vragen - YZF-R6 (2007) YAMAHA
Gebruikersvragen over YZF-R6 (2007) YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding YZF-R6 (2007) - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. YZF-R6 (2007) van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING YZF-R6 (2007) YAMAHA
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn(1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1(2001-6), EN60950-1(2001)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EC: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Overzicht van wijzigingen
Nr. Inhoud Datum
| 1 | Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren. | 9 juni 2005 |
| 2 | Overgang van norm EN60950 naar EN60950-1 | 27 februar 2006 |

Naam en handtekening vertegenwoordiger
MORIC CO., LTD.
1450-6 Mori-machi Shuchi-gun Shizuoka 437-0292 JAPAN Telefoon +81-538-85-0757 Fax +81-538-85-0456
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de YZF-R6 profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw YZF-R6. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de motorfiets, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw motorfiets in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10151
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de motorrijder, omstanders of degene die de motorfiets inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP staat vermeld bij speciale voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om schade aan de motorfiets te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze motorfiets en moet altijd bij de motorfiets blijven, ook als deze ooit wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw motor en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA10030
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE MOTORFIETS GAAT GEBRUIKEN.
*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU36390
YZF-R6
HANDLEIDING
©2006 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, juni 2006
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Gedrukt in Nederland.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-3
Multifunctioneel display 3-7
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) 3-13
Stuurschakelaars ....3-13
Koppelingshendel 3-15
Schakelpedaal ....3-15
Remhendel 3-15
Rempedaal 3-16
Tankdop 3-16
Brandstof 3-17
Tankbeluchtingsslang/ overloopslang ....3-18
Uitlaatkatalysator ....3-18
Zadels 3-18
Helmborgkabel 3-19
Afstellen van de voorvork ....3-20
Afstellen van de schokdemperunit ....3-23
Controlelijst voor gebruik 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van de motor 5-1
Schakelen 5-2
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-3
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES 6-1
Boordgereedschapset 6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema 6-2
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen ...... 6-6
Controleren van de bougies ...... 6-10
Motorolie en oliefilterpatroon ..... 6-11
Koelvloeistof 6-14
Luchtfilterelement 6-17
Controleren van de vrije slag gaskabel 6-17
Klepspeling 6-18
Banden 6-18
Gietwielen 6-21
Vrije slag van koppelingshendel afstellen 6-21
Remlichtschakelaar afstellen ..... 6-22
Controleren van voor- en achterremblokken 6-22
Controleren van remvloeistofniveau 6-23
Verversen van remvloeistof ..... 6-24
Spanning aandrijfketting 6-24
Reinigen en smeren van de aandrijfketting 6-25
Controleren en smeren van kabels 6-26
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-26
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen 6-27
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ...... 6-27
Controleren en smeren van zijstandaard 6-28
De achterbrugscharnierpunten smeren 6-28
Voorvork controleren 6-28
Controle van stuursysteem ...... 6-29
Controleren van wiellagers ..... 6-29
Accu 6-30
Zekeringen vervangen 6-31
INHOUDSOPGAVE
Koplampgloeilamp vervangen .....6-32
Achterlicht/remlicht unit ......6-33
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen ....6-34
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen 6-34
Parkeerlichtgloeilamp 6-35
Ondersteunen van de motorfiets 6-35
Voorwiel 6-35
Achterwiel 6-37
Problemen oplossen 6-39
Storingzoekschema's 6-40
VERZORGING EN STALLING VAN
DE MOTORFIETS 7-1
Matkleur, let op ....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-4
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE......9-1
Identificatienummers ......9-1
Voor rijden zonder passagier .....9-2

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10281
MOTORFIETSEN ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS- TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DES- KUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE MOTOR TE GAAN RIJDEN. HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN HET MOTORRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILI-
GE EN CORRECTE RIJTECHNIE-
KEN.
●GEBRUIKMAKEN VAN PROFESSIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING EN/OF WANNEER DE MECHANISCHE CONDITIONS DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
Dus:
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinliggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd wordt genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteu-nen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze motorfiets is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze motor onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw motor ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de motor of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.
Maximale belasting:
193 kg (425 lb)

VEILIGHEIDSINFORMATIE
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden van de motor wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
Accessoires
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze motor. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kun-
nen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.
- Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
-
Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
-
Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode- lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
-
Zet de motor altijd uit voordat u de motorfiets onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de motor gaat parke-ren:
-
De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, parkeer de motorfiets daarom op een plek waar voetgangers en kinderen hier geen last van hebben.
- Parkeer de motor niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
- Parkeer de motor niet nabij een brandend toestel (bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
- Als u de motor in een ander voertuig vervoert, zorg dan dat deze rechtop staat. Als de motor schuin staat, kan er benzine uit de brandstoftank stromen.
- Roep onmiddellijk medische hulp in als u benzine heeft ingeslikt, veel ben-zinedamp heeft ingeademd of benzine
in uw ogen is terechtgekomen. Morst u benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Zekeringenkastje 2 (pagina 6-31)
- Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-20)
- Stelschroef voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-20)
- Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-23)
- Stelschroef voor inveerdemping schokdemperunit (voor snelle inveerdemping) (pagina 3-23)
- Stelschroef voor inveerdemping schokdemperunit (voor langzame in-veerdemping) (pagina 3-23)
-
Boordgereedschapset (pagina 6-1)
-
Stelschroef voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-23)
- Schakelpedaal (pagina 3-15)
10.Olieaftapplug (pagina 6-11)
11.Oliefilterpatroon (pagina 6-11) - Stelbout voor inveerdemping voorvork (voor snelle inveerdemping) (pagina 3-20)
- Stelbout voor inveerdemping voorvork (voor langzame inveerdemping) (pagina 3-20)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Bagageriembevestiging (pagina 3-25)
- Helmbevestiging (pagina 3-19)
- Zekeringenkastje 1 (pagina 6-31)
- Hoofdzekering (pagina 6-31)
- Zekering brandstofinjectiesysteem (pagina 6-31)
- Accu (pagina 6-30)
- Luchtfilterelement (pagina 6-17)
-
Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-23)
-
Radiatorvuldop (pagina 6-14)
10.Koelvloeistofreservoir (pagina 6-14)
11.Olievuldop (pagina 6-11)
12.Aftapplug koelvloeistof (pagina 6-15)
13.Peilstok (pagina 6-11)
14.Rempedaal (pagina 3-16)
15.Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-23)
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Koppelingshendel (pagina 3-15)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-13)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
- Multifunctionele meter (pagina 3-7)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-13)
- Remhendel (pagina 3-15)
- Gasgreep (pagina 6-17)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Startblokkeersysteem
DAU10972

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bo- vendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid
●een ECU - een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11820
LET OP:
- BEWAAR DE CODEERSLEUTEL ZORGVULDIG! NEEM ONMIDDELLIJK CONTACT OP MET UW DEALER ALS DE SLEUTEL VERLOREN RAAKT! Als de codeersleutel verloren raakt, is het niet meer mogelijk om de standaardsleutels opnieuw te coderen. De standaardsleutels kunnen nog steeds worden gebruikt om het voertuig te starten, maar wanneer de codeersleutel vereist is (bijvoorbeeld als er een nieuwe standaardsleutel wordt gemaakt of alle sleutels verloren zijn geraakt) moet het volledige startblokkeersysteem wor-
den vervangen. Het is daarom aan te bevelen een van de twee standaardsleutels te gebruiken en de codeersleutel te bewaren op een veilige plaats.
●Dompel de sleutels niet onder in water.
- Stel de sleutels niet bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Houd de sleutels uit de buurt van magneten (inclusief, maar niet uitsluitend, producten zoals luidsprekers etc.).
●Plaats geen zware voorwerpen op de sleutels.
●Probeer niet de sleutels te slijpen of de vorm ervan te veranderen.
●Probeer niet het kunststof boven-
deel van de sleutels open te maken.
- Bevestig niet meer dan één sleutel van hetzelfde startblokkersysteem aan een sleutelring.
●Houd de standaardsleutels en sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van de codeersleutel van dit voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van het contactslot, deze kunnen signaal-storing veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld.
OPMERKING:
Gebruik de standaardsleutel (zwart bovendeel) voor het normale gebruik van het voertuig. Bewaar de codeersleutel (rood bovendeel) op een veilige plaats om verlies te voorkomen en gebruik de sleutel uitsluitend voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels.
DAU38530
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht, de kentekenverlichting en het
DAU10471
parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplamp gaat automatisch branden als de motor wordt gestart en blijft aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, zelfs als de motor afslaat.
DAU10660
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10680
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen

- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
DAU34341
p≤ (Parkeren)
Het stuur is vergrendeld en het achterlicht, de kentekenverlichting en het parkeerlicht branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen. Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "P ≤slant " te kunnen draaien.
DCA11020
LET OP:
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11003
Controle- en waarschuwings-
lampjes

- Controlelampje linker richtingaanwijzers "◀"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers "→"
- Controlelampje brandstofniveau "☐"
- Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
- Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "上"
- Controlelampje schakelmoment
- Waarschuwingslampje motorstoring "
- Controlelampje startblokkering
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers
“◀” en> ”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnel- lingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "ID"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11250
Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
OPMERKING:
- Bij een voldoende hoog olieniveau kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.
- Dit model is ook uitgerust met een zelf-diagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje olieniveau. Als het waarschuwingslampje olieniveau defect is, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje olieniveau knippert tien keer en dooft dan gedurende 2.5 seconde. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU11361
Waarschuwingslampje brandstofniveau “ 📄 ”
Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 3.5 L (0.92 US gal) (0.77 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
OPMERKING:
Dit model is bovendien uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje brandstofniveau. Als het waarschuwingslampje brandstofniveau defect is, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje brandstofniveau knippert acht keer en dooft dan gedurende 3.0 seconden. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.
DAU11423
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur “上”
Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10020
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
| Koelvloeistoftemperatuur | Weergave Condities Wat te doen | ||
| Onder 39 °C(Onder 103 °F) | ![]() | De aanduiding “Lo” wordt getoond. | OK. U kunt rijden. |
| 40–116 °C(104–242 °F) | ![]() | De temperatuur wordt ge-toond. | OK. U kunt rijden. |
| 117–134 °C(243–274 °F) | ![]() | De temperatuurweergave knippert.Het waarschuwingslampje gaat branden. | Breng de machine tot stilstand en laat de motor stationair draaien tot de koel-vloeistoftemperatuur daalt.Zet de motor af als de temperatuur niet daalt. (Zie pagina 6-40.) |
| Boven 135 °C(Boven 275 °F) | ![]() | De aanduiding “HI” knippert.Het waarschuwingslampje gaat branden. | Zet de motor af en laat afkoelen. (Zie pagina 6-40.) |
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11530
Waarschuwingslampje motorstoring
“ ”
Dit waarschuwingslampje gaat branden of knippert wanneer een elektrisch circuit dat de motorwerking controleert defect is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-7 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Als het waarschu-wingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAU11571
Controlelampje schakelmoment
Dit controlelampje kan zodanig worden ingesteld dat het oplicht of dooft bij bepaalde motortoerentallen en geeft aan wanneer het tijd is om naar de volgende versnelling te schakelen.
Het elektrisch circuit voor het controlelampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het controlelampje niet een paar secon- den lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit
te testen. (Zie pagina 3-7 voor een uitgebreide uitleg over de functie van dit contro-lelampje en de instelprocedure.)
DAU38620
Controlelampje startblokkering
Het elektrisch circuit voor het controlelampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het controlelampje niet een paar secon- den lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-7 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
DAU39041
Multifunctioneel display

- Klok
- Snelheidsmeter
- "SELECT"-toets
- "RESET"-toets
- Toerenteller
- Koelvloeistoftemperatuurdisplay/inlaatluchttemperatuurdisplay
- Kilometerteller/rittellers/brandstofreserve-rit-teller/stopwatch
- Controlelampje schakelmoment
DWA12421
WAARSCHUWING
Zorg dat de machine stilstaat voordat u wijzigingen in de instellingen van de multifunctionele meter gaat aanbrengen.
Het multifunctionele display biedt de volgende voorzieningen:
- een snelheidsmeter (die de actuele rij-snelheid aangeeft)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- een toerenteller (die het motortoerental aangeeft)
- een kilometerteller (die de totale afgelegde afstand toont)
- twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)
●een stopwatch
•een klok - een weergave koelvloeistoftemperatuur
- een weergave luchtaanzuigtemperatuur
- een voorziening voor zelfdiagnose
- een instelfunctie voor de displayhelderheid en het controlelampje schakelmoment
- Vergeet niet de sleutel naar "ON" te draaien voordat u de toetsen "SELECT" en "RESET" gebruikt.
- Alleen voor Groot-Brittannië: Om te wisselen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter
OPMERKING:
en de kilometerteller/ritteller drukt u de toets "SELECT" minstens 1 seconde in.
Toerenteller

- Toerenteller
- Rode zone toerenteller
Met de elektrische toerenteller kan de bestuurder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden.
Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de toerenteller eenmaal helemaal uit tot het hoogste aantal toeren per minuut en keert daarna weer terug naar nul tpm om het elektrische circuit te testen.
DCA10031
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 16500 tpm en hoger
Klokweergave

- Klok
Draai de sleutel naar "ON".
Om de klok op tijd te zetten
- Houd de toetsen "SELECT" en "RES-ET" tegelijkertijd minstens twee secon- den lang ingedrukt.
- Als de uuraanduiding begint te knippe-ren, drukt u op de toets "RESET" om de uren in te stellen.
- Druk op de toets "SELECT" en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.
- Druk op de toets "RESET" om de minuten in te stellen.
- Druk op de toets "SELECT" en laat deze dan los om de klok te starten.
Kilometerteller-, ritteller- en stopwatch-weergave

- Kilometerteller/rittellers/brandstofreserve-rit-teller/stopwatch
Druk op de toets "SELECT" om te wisselen tussen de kilometertellerweergave "ODO", de rittellerweergaven "TRIP A" en "TRIP B" en de stopwatch, in de onderstaande volgorde:
TRIP A → TRIP B → ODO → Stopwatch → TRIP A
Als het waarschuwingslampje brandstofni- niveau gaat branden (zie pagina 3-3), wisselt de weergave automatisch naar de brandstofreserve-ritteller "F-TRIP" en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de toets "SELECT" in de onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers, kilometer-teller en stopwatch:
F-TRIP → Stopwatch → TRIP A → TRIP B → ODO → F-TRIP
Om een ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets "SELECT" te drukken en dan de toets "RESET" minstens 1 seconde lang ingedrukt te houden. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.
Stopwatchfunctie
Om het display te wijzigen in weergave van de stopwatch, selecteert u deze door op de toets "SELECT" te drukken. (De cijfers van de stopwatch gaan knipperen.) Laat de toets "SELECT" los, en houd deze weer een paar seconden lang ingedrukt, totdat de cijfers van de stopwatch niet meer knipperen.
Normale tijdmeting
- Druk op de toets "RESET" om de stopwatch te starten.
- Druk op de toets "SELECT" om de stopwatch stop te zetten.
- Druk nogmaals op de toets "SELECT" om de stopwatch op nul terug te stellen.
Tussentijdmeting
- Druk op de toets "RESET" om de stopwatch te starten.
- Druk op de toets "RESET" of op de startknop "☒" om tussentijden te meten. (De dubbele punt ":" begint te knipperen.)
- Druk op de toets "RESET" of op de startknop "☒" om de laatste tussentij weer te geven of op de toets "SELECT" om de stopwatch stop te zetten en de totaal verstreken tijd weer te geven.
- Druk op de toets "SELECT" om de stopwatch op nul terug te stellen.
OPMERKING:
Om het display terug te zetten op de vorige weergave, houdt u de toets "SELECT" een paar seconden lang ingedrukt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Weergave koelvloeistoftemperatuur

Weergave luchtaanzuigtemperatuur

- Weergave koelvloeistoftemperatuur 1. Weergave luchtaanzuigtemperatuur
De weergave koelvloeistoftemperatuur geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Druk op de toets "RESET" om van de weergave koelvloeistoftemperatuur te wisselen naar de weergave luchtaanzuigtemperatuur.
OPMERKING:
Als de weergave koelvloeistof wordt geselecteerd, wordt eerst gedurende 1 seconde "C" weergegeven. Daarna wordt de koelvloeistoftemperatuur getoond.
DCA10020
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.
De weergave luchtaanzuigtemperatuur geeft de temperatuur aan van de lucht die het luchtfilterhuis wordt binnengezogen. Druk op de toets "RESET" om van de weergave koelvloeistoftemperatuur te wisselen naar de weergave luchtaanzuigtemperatuur.
OPMERKING:
- Zelfs als de weergave luchtaanzuigtemperatuur is geselecteerd, gaat het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur branden als de motor oververhit raakt.
- Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid wordt automatisch de koelvloeistoftemperatuur weergegeven, zelfs
als de luchtaanzuigtemperatuur werd weergegeven voordat de sleutel naar "OFF" werd gedraaid.
●Als de weergave luchtaanzuigtemperatuur is geselecteerd, wordt "A" weergegeven voor de temperatuur.
Zelfdiagnosesystemen
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor diverse elektrische circuits. Als een van deze circuits uitvalt, gaat het waarschuwingslampje motorstoring bran- den en geeft het rechterdisplay een foutco- de van twee cijfers weer (bijv. 11, 12, 13). Dit model is ook uitgerust met een zelfdiag- nosesysteem voor het startblokkeersys- teem.
Als een van de circuits van het startblokkeersysteem uitvalt, gaat het controlelampje startblokkering knipperen en geeft het rechterdisplay een foutcode van twee cijfers weer (bijv. 51, 52, 53).
OPMERKING:
Als het rechterdisplay foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.
- Start de motor met behulp van de co-deersleutel.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het rechterdisplay foutcodes weergeeft, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controleren.
DCA11590
LET OP:
Wanneer het display een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
Instelfunctie voor displayhelderheid en voor controlelampje schakelmoment

Deze instelfunctie schakelt door vijf regelfuncties heen, zodat u de volgende instellingen kunt selecteren volgens onderstaande volgorde.
●Displayhelderheid:
Met deze functie regelt u de helderheid van de weergaven en de toerenteller in overeenstemming met het aanwezige daglicht.
- Activiteit van het controlelampje schakelmoment:
Via deze functie kiest u of het controle-lampje geactiveerd moet worden en of het bij activering moet knipperen of continu moet branden.
- Activeren van het controlelampje schakelmoment: Via deze functie kiest u het motortoerental waarbij het controlelampje geactiveerd zal worden.
- Deactiveren van het controlelampje schakelmoment:
Via deze functie kiest u het motortoerental waarbij het controlelampje gedeactiveerd zal worden.
●Helderheid van het controlelampje schakelmoment: Met deze functie regelt u de helderheid van het controlelampje volgens uw voorkeur.
OPMERKING:
In deze modus geeft het rechterdisplay de huidige instelling voor elke functie weer (behalve de functie activiteit van het controle-lampje schakelmoment).
Instellen van de helderheid van het multi- functionele display en de toerenteller
- Draai de sleutel naar "OFF".
- Druk de toets "SELECT" in en houd deze ingedrukt.
- Draai de sleutel naar "ON", wacht vijf seconden en laat dan de toets "SELECT" los.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Druk op de toets "RESET" om de gewenste displayhelderheid te kiezen.
- Druk op de toets "SELECT" om het ge- selecteerde helderheidsniveau te be- vestigen. De instelfunctie gaat over naar de functie activiteit van het con- trolelampje schakelmoment.
Instellen van de functie activiteit van het controlelampje schakelmoment
- Druk op de toets "RESET" om een van de volgende instellingen voor de activiteit van het controlelampje te kiezen:
- Het controlelampje gaat bij activering continu branden. (Deze instelling is geselecteerd wanneer het controlelampje aan blijft.)
- Het controlelampje gaat bij activering knipperen. (Deze instelling is geselecteerd wanneer het controlelampje vier keer per seconde knippert.)
- Het controlelampje is gedeactiveerd, het zal dus niet continu branden of knipperen. (Deze instelling is actief wanneer het controlelampje één keer per twee seconden knippert.)
- Druk op de toets "SELECT" om de ge- selecteerde activiteit van het controle- lampje te bevestigen. De instelfunctie
gaat over naar de functie activering van het controlelampje schakelmoment.
Instellen van de functie activering van het controlelampje schakelmoment
OPMERKING:
De functie activering van het controlelampje schakelmoment kan worden ingesteld tussen 10000 tpm en 18000 tpm. Van 10000 tpm tot 13000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 500 tpm. Van 13000 tpm tot 18000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 200 tpm.
- Druk op de toets "RESET" om het motortoerental in te stellen waarbij u het controlelampje wilt laten activeren.
- Druk op de toets "SELECT" om het ge- selecteerde motortoerental te bevesti- gen. De instelfunctie gaat over naar de functie deactiveren van het controle- lampje schakelmoment.
Instellen van de functie deactiveren van het controlelampje schakelmoment
OPMERKING:
- De functie deactiveren van het controlelampje schakelmoment kan worden ingesteld tussen 10000 tpm en 18000 tpm. Van 10000 tpm tot 13000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 500 tpm. Van 13000 tpm tot 18000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 200 tpm.
-
Denk eraan dat de deactiveerfunctie op een hoger toerental moet worden ingesteld dan de activeerfunctie, anders zal het controlelampje schakelmoment gedeactiveerd blijven.
-
Druk op de toets "RESET" om het motortoerental in te stellen waarbij u het controlelampje wilt laten deactiveren.
-
Druk op de toets "SELECT" om het geselecteerde motortoerental te bevestigen. De instelfunctie gaat over naar de functie helderheid van het controle-lampje schakelmoment.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Instellen van de helderheid van het contro- lelampje schakelmoment
- Druk op de toets "RESET" om de gewenste helderheid van het controle-lampje te kiezen.
- Druk op de toets "SELECT" om de ge- selecteerde helderheid van het contro- lelampje te bevestigen. Het rechterdisplay keert terug naar de kilo- meterteller- of rittellerweergave.
DAU12331
Antidiefstal-alarmsysteem (op-tie)
Dit model kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
DAU12347
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "≡D"
- Dimlichtschakelaar "E0 10
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Claxonschakelaar "
- Schakelaar alarmverlichting " △"
Rechts

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
Startknop “ ≡ ”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien.
DCA10050
DAU12400
LET OP:
Dimlichtschakelaar “∅” Zet deze schakelaar op “∅” en op “∅” voor dimlicht.
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voor- voor grootlicht dat u de motor start.
DAU12460
DAU41700
Richtingaanwijzerschakelaar “◀” → Druk deze schakelaar naar “⇨” om afslan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “◀” om afslaan naar links a te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
Het waarschuwingslampje voor motorstoring gaat branden als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.
DAU12500
Claxonschakelaar "▶"
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
Schakelaar alarmverlichting “ ^△ ” BAC1753 Met de sleutel in de stand “ON” of “p ≤slant ” kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DAU12660
Noodstopschakelaar “”
Zet deze schakelaar voor u de motor start op “○”. Zet deze schakelaar op “✕” om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Koppelingshendel

DAU12B20
Schakelpedaal

De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-26.)
Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 6-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
DAU33850
Remhendel

- "∧" -merkteken
- Stelknop voor afstelpositie van remhendel
- Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.
De remhendel is voorzien van een stelknop voor afstelpositie. Om de afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt de stelknop gedraaid terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt gehouden. Als de gewenste positie is bereikt, stel deze dan in door een groef op de stelknop uit te lijnen met het merkteken "△" op de remhendel.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12941
DAU13070
Rempedaal

- Rempedaal 1. Slotplaatje tankdop
Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
Tankdop

Openen van de tankdop
Open het slotplaatje op de tankdop, steek de sleutel in het slot en draai hem dan een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgren-deld en de tankdop kan worden verwijderd.
Sluiten van de tankdop
- Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en sluit dan het slotplaatje.
OPMERKING:
De tankdop kan alleen worden gesloten met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct gesloten en vergrendeld is.
DWA11090

WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is afgesloten.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13220
DCA10070
Brandstof

Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Steek om te tanken het mondstuk van de pompslang in de vulopening van de brandstoftank en vul tot onderaan de vulpijp, zoals getoond in de afbeelding.
DWA10880

WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13390
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND LOODVRIJE SUPERBENZINE
Inhoud brandstoftank:
17.5 L (4.62 US gal) (3.85 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof (als het waarschuwingslampje brandstof-niveau gaat branden):
3.5 L (0.92 US gal) (0.77 Imp.gal)
DCA11400
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van loodvrije superbenzine met een octaangetal van RON 95 of hoger. Als de
motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU39450
Tankbeluchtingsslang/overloop- slang

Alvorens de motorfiets te gebruiken:
- Controleer de aansluiting van de tankbeluchtingsslang/overloopslang.
- Controleer de tankbeluchtings- slang/overloopslang op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
- Controleer of het uiteinde van de tankbeluchtingsslang/overloopslang niet verstopt is en reinig indien nodig.
DAU13441
Uitlaatkatalysator
Deze machine is uitgerust met uitlaatkatalysatoren.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend loodvrije benzi-
ne. Bij gebruik van loodhoudende
benzine zal onherstelbare schade
worden toegebracht aan de uitlaat-
katalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
DAU39030
Zadels
Bestuurderszadel
Verwijderen van het bestuurderszadel
Licht het bestuurderszadel op aan de achterzijde zoals afgebeeld, verwijder de bouten en neem het zadel los.

Aanbrengen van het bestuurderszadel
Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het bestuurderszadel in de zadelbevestiging zoals afgebeeld, plaats het zadel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Verwijderen van het duozadel
- Steek de sleutel in het zadelslot en draai rechtsom.

- Vergrendeling duozadel
-
Ontgrendelen.
-
Houd de sleutel in deze stand vast, trek het duozadel aan de voorzijde omhoog en trek dan het zadel naar voren.
Aanbrengen van het duozadel
- Steek de uitsteeksels aan de achterzijde van het duozadel in de zadelbevestiging zoals afgebeeld, en druk dan de voorzijde van het zadel omlaag om het duozadel te vergrendelen.

- Uitsteeksel
- Zadelbevestiging
- Neem de sleutel uit.
OPMERKING:
Controleer of de zadels stevig zijn vergren- deld alvorens te gaan rijden.
DAU39072
Helmborgkabel

In de boordgereedschapset bevindt zich een helmborgkabel, waarmee twee helmen vastgezet kunnen worden aan de helmbevestiging onderaan het duozadel.
Een helm met de helmborgkabel vastzetten
- Verwijder het duozadel. (Zie pagina 3-18.)
- Klem het middelste klikhaakje van de helmborgkabel vast op de helmbevestiging.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Leid een van de andere klikhaakjes van de helmborgkabel door de gesp van de helmriem, en klem daarna het klikhaakje vast op de helmbevestiging zoals getoond.


- Helmborgkabel
- Helm
- Installeer het duozadel.

Rijd nooit met een helm aan de helmborgkabel. De helm kan ergens tegenaan slaan waardoor de machine mogelijkkerwijs onbestuurbaar wordt en een ongeval niet uitgesloten is.
Een helm uit de helmborgkabel halen
- Verwijder het duozadel.
- Maak de klikhaakjes los van de helmbevestiging, en verwijder vervolgens de helmborgkabel uit de gesp van de helmriem.
- Installeer het duozadel.
DAU38941
Afstellen van de voorvork
Deze voorvork is voorzien van stelbouten voor veervoorspanning, stelschroeven voor uitveerdemping en stelbouten voor inveerdemping.
DWA10180
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Veervoorspanning

- Stelbout veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a).
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
OPMERKING:
Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de voorvorkbus.

- Huidige instelling
- Voorvorkbus
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
0
Standaard:
1
Maximum (hard):
5
Uitveerdemping

- Stelschroef voor uitveerdemping
Draai om de uitveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de uitveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).
Afstelling uitveerdemping:
Minimum (zacht):
17 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
15 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
Inveerdemping

- Stelbout voor inveerdemping (voor snelle in- veerdemping)
- Stelbout voor inveerdemping (voor langzame inveerdemping)
Afstellen van de inveerdemping (voor snelle inveerdemping)
Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de inveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
OPMERKING:
De afstelling voor de inveerdemping wordt gecontroleerd door de afstand A te meten, zoals getoond in de afbeelding. Hoe langer
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
de afstand A, hoe hoger de inveerdemping; hoe korter de afstand A, hoe lager de in-veerdemping.

om de inveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
Afstelling inveerdemping (voor langzame inveerdemping):
Minimum (zacht):
16 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
10 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelbout volledig gedraaid in de richting (a)
DCA10100
pingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
Afstelling inveerdemping (voor snelle inveerdemping):
Minimum (zacht):
Afstellen van de inveerdemping (voor langzame inveerdemping)
Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
OPMERKING:
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdem-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU38951
Afstellen van de schokdemperunit
Deze schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor veervoorspanning en met stelschroeven voor inveerdemping en voor uitveerdemping.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
Veervoorspanning

- Stelring veervoorspanning
- Speciale sleutel
- Positie-indicator
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring in de richting (a). Draai om de veervoor-
spanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring in de richting (b).
OPMERKING:
- Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
●Verricht de afstelling met de speciale sleutel in de boordgereedschapset.
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
1
Standaard:
4
Maximum (hard):
9
Uitveerdemping

- Stelschroef voor uitveerdemping
Draai om de uitveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef in de richting (a). Draai om de uitveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef in de richting (b).
Afstelling uitveerdemping:
Minimum (zacht):
20 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
10 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
Inveerdemping

- Stelschroef voor inveerdemping (voor snelle inveerdemping)
- Stelschroef voor inveerdemping (voor langzame inveerdemping)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Inveerdemping (voor snelle inveerdemping) Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef in de richting (a). Draai om de inveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef in de richting (b).
Afstelling inveerdemping (voor snelle inveerdemping):
Minimum (zacht):
16 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
7 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
Inveerdemping (voor langzame inveerdemping)
Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef in de richting (a). Draai om de inveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef in de richting (b).
Afstelling inveerdemping (voor langzame inveerdemping):
Minimum (zacht):
24 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
15 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)
OPMERKING:
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
DWA10220
WAARSCHUWING
Deze schokdemper is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees en begrijp de volgende informatie alvorens de schokdemper te gebruiken. De fabrikant kan niet aansprakelijk worden gesteld
voor schade aan eigendommen of voor persoonlijk letsel als dit voortvloeit uit verkeerd gebruik.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemper niet bloot aan open vuur of aan andere hittebronnen, anders kan deze door de oplopende druk exploderen.
●Vervorm of beschadig de gascilinder op geen enkele wijze, de dempende werking zal dan achteruitgaan.
●Laat onderhoud aan de schokdemper altijd uitvoeren door een Yamaha dealer.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Er zijn zes bagageriembevestigingen, vier onderaan het duozadel en één op elke passagiersvoetsteun. Om de bagageriembevestigingen onderaan het duozadel te gebruiken verwijdert u het duozadel, haakt
DAU38961
u de riemen los uit de haken, en brengt u vervolgens het duozadel weer aan terwijl de riemen eronder vrijhangen. (Zie pagina 3-18.)
DAU41940
EXUP-systeem
Dit model is uitgerust met het Yamaha EXUP-systeem (regelsysteem voor uitlaat- druk). Dit systeem verhoogt het motorver- mogen door een klep die de diameter van de uitlaatpijp reguleert. De stand van de EXUP-klep wordt door een computergestuurde servomotor constant aangepast overeenkomstig het motortoerental.
DCA15610
LET OP:
Het EXUP-systeem werd afgesteld en uitgebreid getest op de Yamaha fabriek. Als deze afstellingen worden gewijzigd zonder dat voldoende technische kennis aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15301
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240

WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig zo- als hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
DAU15311
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de sperschakelaar voor de zijstandaard, de sperschakelaar voor de koppelingshendel en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig, hanteer daarbij de volgende werkwijze.
DWA10250

WAARSCHUWING
Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] -->|JA NEE| B["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| C["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| D["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| E["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| F["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| G["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| H["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| I["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| J["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| K["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| L["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| M["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| N["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| O["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| P["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| Q["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| R["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| S["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| T["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| U["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| V["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| W["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| X["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| Y["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| Z["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AA["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AB["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AC["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AD["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AE["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AF["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AG["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AH["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AI["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
4
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
Controlelijst voor gebruik
DAU15605
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-17 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in de motor.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-11 |
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-14 |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-22, 6-23 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-22, 6-23 |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Koppeling | Controleer de werking.Smeer indien nodig de kabel.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij. | 6-21 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-17, 6-26 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-26 |
| Aandrijfketting | Controleer of de ketting correct is aangespannen.Stel indien nodig bij.Controleer de conditie van de ketting.Smeer indien nodig. | 6-24, 6-25 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-18, 6-21 |
| Rem- en schakelpedalen | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten. | 6-27 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-27 |
| Zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt. | 6-28 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLE$ PAGINA | ||
| Sperschakelaar voor de zij-standaard | • Controleer de werking van het startspersysteem.• Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine na te kijken. | 3-26 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15950
DAU33010
DWA10270
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inade- men ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do- delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Controleer of de zijstandaard is ingetrokken alvorens weg te rijden. Als de zijstandaard niet behoorlijk is ingetrokken, kan deze de grond raken en zo de motorrijder afleiden, waardoor u de macht over het stuur verliest.
Starten van de motor
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
- De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
DWA10290
WAARSCHUWING
-
Controleer voor het starten van de motor de werking van het startspersysteem en volg daarbij de werkwijze beschreven op pagina 3-26.
●Ga nooit rijden terwijl de zijstandaard omlaag staat. -
Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
DCA11730
LET OP:
De volgende waarschuwingslampjes en het controlelampje moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje olieniveau
●Waarschuwingslampje brandstofni-veau
●Waarschuwingslampje koelvloei-stoftemperatuur
- Controlelampje schakelmoment - Waarschuwingslampje motorstoring
- Controlelampje startblokkering als een waarschuwings- of controlelampje niet dooft, zie dan pagina 3-3 door een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controlelampje.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
OPMERKING:
Als de versnellingsbak in de vrijstand staat, moet het vrijstandcontrolelampje branden; zo niet, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Start de motor door de startknop in te drukken.
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaneen draaien.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
OPMERKING:
De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
DAU16671
Schakelen

- Schakelpedaal
- Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING:
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
DCA10260
LET OP:
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
- Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16810
Tips voor een zuinig brandstof-verbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
DAU16841
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU17091
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 8300 tpm draaien.
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 9900 tpm draaien.
DCA10301
LET OP:
Na de eerste 1000 km (600 mi) moet de motorolie worden ververst en de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10310
LET OP:
- Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
- Als tijdens de inrijperiode motor-schade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17212
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17240
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GE-BRUIK.
DWA10320
WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DAU17541
Boordgereedschapset

De boordgereedschapset bevindt zich onder het duozadel. (Zie pagina 3-18.)
De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350
WAARSCHUWING
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken. Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17705
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km, beginnend vanaf 10000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | * | Bougies | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | |||
| • Vervangen. √ √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | Elke 40000 km | ||||
| 4 | * | Luchtfilterelement | • Vervangen. | √ | ||||
| 5 | Koppeling | • Controleer de werking.• Afstellen. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 6 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
| 7 | * | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 8 | * | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. √ √ | √ | √ | √ | |||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 9 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 10 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | * | Achterbrug | • Controleer op een correcte werking en overmatige spe-ling. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km | |||||||||
| 13 | Aandrijfketting | • Controleer de spanning, uitlijning en conditie van de aan-drijfketting.• Stel de ketting af en smeer deze grondig met een speciale smering voor o-ringkettingen. | Elke 800 km en na elke wasbeurt of rit in de regen | ||||||
| 14 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. Elke 20000 km | |||||||||
| 15 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | ||
| 16 | Zijstandaard | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 17 | * | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 18 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 19 | * | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 20 | * | Relaisarm achterwie-lophanging en schar-nierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ √ √ √ | ||||||
| 21 | * | Brandstofinjectiesys-teem | • Stel de synchronisatie af. √ √ √ √ | √ | |||||
| 22 | Motorolie | • Verversen.• Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 23 | Oliefilterpatroon | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 24 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de ma-chine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 25 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ √ √ √ √ | √ | |||||
| 26 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. √ √ √ √ √ | |||||||
| 27 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | ||
| 28 | * | Luchtinlaatsysteem | • Controleer de luchtafsluitklep, de membraanklep en de slang op beschadiging.• Vervang beschadigde onderdelen indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 29 | * | Uitlaatdemper en uit-laatpijp | • Controleer of de schroefklem goed vastzit. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 30 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18680
OPMERKING:
●Luchtfilter
- Het luchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht, om het niet te beschadigen.
- Het luchtfilterelement moet u vaker vervangen als u vaak in extreem vochtige of stoffige gebieden rijdt.
- Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
- De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18712
Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.

- Stroomlijnpaneel A
- Stroomlijnpaneel C

- Stroomlijnpaneel B
- Stroomlijnpaneel D
- Stroomlijnpaneel E

Stroomlijnpanelen A en B
Verwijderen van een stroomlijnpaneel
Verwijder de bouten en de drukclip, en trek het stroomlijnpaneel dan los zoals getoond.

- Stroomlijnpaneel A
- Bout
- Drukclip
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats de lippen op het stroomlijnpaneel in de montagesleuven en schuif het stroomlijnpaneel naar achteren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Stroomlijnpaneel A
- Lipje
- Sleuf

- Stroomlijnpaneel B
- Lipje
-
Sleuf
-
Breng de bouten en de drukclip aan.
Stroomlijnpanelen C en D
Verwijderen van een stroomlijnpaneel
- Verwijder stroomlijnpaneel A (bij het verwijderen van stroomlijnpaneel C) of stroomlijnpaneel B (bij het verwijderen van stroomlijnpaneel D). (Zie pagina 6-6.)
- Maak de kabelstekker van de richtingaanwijzer los.
- Verwijder de bouten, de drukclips en de snelsluitschroef, en haal dan het stroomlijnpaneel los.

- Stroomlijnpaneel C
- Bout
- Kabelboomstekker richtingaanwijzer
- Drukclip
DAU38980

- Stroomlijnpaneel D
- Bout
- Kabelboomstekker richtingaanwijzer
- Drukclip

- Drukclip

Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats het stroomlijnpaneel in de oorspronkelijke positie, en breng daarna de bouten, de drukclips en de snelsluitschroef aan.
- Sluit de kabelstekker van de richtingaanwijzer aan.
- Breng stroomlijnpaneel A (om het aanbrengen van stroomlijnpaneel C te voltooien) of stroomlijnpaneel B (om het aanbrengen van stroomlijnpaneel D te voltooien) aan.
DAU39091
Stroomlijnpaneel E
Verwijderen van stroomlijnpaneel
-
Verwijder het stroomlijnpaneel B en het paneel B. (Zie pagina 6-6.)
-
Maak de kabelboom los door op de lip te drukken om de plastic drukclip te openen.

- Kunststof bevestigingsstrip
- Lipje
-
Kabelboom
-
Verwijder de bouten en de drukclip, en trek het stroomlijnpaneel dan los zoals getoond.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Stroomlijnpaneel E
- Bout
- Drukclip
Aanbrengen van het stroomlijnpaneel
- Plaats de gleuf in stroomlijnpaneel E over de lip op het voorste stroomlijnpaneel.

- Stroomlijnpaneel E
- Sleuf
- Voorste stroomlijnpaneel
-
Lipje
-
Breng de bouten en de drukclip aan.
- Plaats de kabelboom in de oorspronkelijke positie, en sluit daarna de plastic drukclip.
- Breng het stroomlijnpaneel en het framepaneel aan.
DAU39060
Panelen A en B
Om een van de panelen te verwijderen
Verwijder de bouten en trek het paneel los zoals getoond.

Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.

Controleren van de bougies
Bougies vormen belangrijke onderdelen van de motor die periodiek moeten worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden), en alle bougies in de motor horen dezelfde verkleuring te hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige koolaanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voorgeschreven bougie: NGK/CR10EK
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.

Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag
verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.
DCA10B40
LET OP:
Gebruik geen gereedschap om de bougiedop te verwijderen of aan te brengen, om de bobinekabel niet te beschadigen. De bougiedop is mogelijk lastig te verwijderen omdat de rubber afdichting aan het uiteinde stevig vastzit. Haal de bougiedop los door hem heen en weer te draaien en tegelijkertijd los te trekken; breng de bougiedop aan door heen en weer te draaien en tegelijkertijd aan te drukken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU38992
Motorolie en oliefilterpatroon
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen.
- Verwijder de peilstok en veeg deze schoon. Steek de peilstok terug in de olievulopening (zonder vast te draaien) en verwijder dan opnieuw om het olieniveau te controleren.

Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.
- Als de motorolie bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, verwijder dan de olievuldop en vul voldoende olie van de aanbevolen soort bij tot het correcte niveau.

-
Olievuldop
-
Steek de peilstok in en draai deze vast en installeer dan de olievuldop en draai vast.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon)
- Verwijder het stroomlijnpaneel C. (Zie pagina 6-6.)
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Sla de stappen 5–11 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
- Verwijder de schakelhendel door de bout los te halen.
- Trek de tankbeluchtingsslangen/over-loopslangen omhoog om ze uit de geleider te verwijderen.

- Schakelhendel
- Oliefilterpatroon
- Geleider
-
Tankbeluchtingsslang/overloopslang
-
Verwijder de oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel.

- Oliefiltersleutel
OPMERKING:
De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel leveren.
- Smeer een dun laagje motorolie op de o-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.

Zorg dat de o-ring correct aanligt.
- Plaats de nieuwe oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel en zet hem dan met een momentsleutel vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Steek de tankbeluchtingssl
gen/overloopslangen in de geleider en plaats ze in de oorspronkelijke positie.
- Breng de schakelhendel aan door de merkstreep op de schakelhendel op één lijn te brengen met de merkstreep op de schakelas, vervolgens de bout aan te brengen en deze met het voorgeschreven aanhaalmoment vast te zetten.
DCA15340
LET OP:
Zorg ervoor dat de merkstrepen op één lijn staan om een juiste schakeling te garanderen.
Als de merkstrepen niet op één lijn staan, zal de beweging van de schakelhendel niet juist zijn en kunt u de versnelling misschien niet omhoog of omlaag schakelen.

-
Bout
-
Schakelas
- Lijn merktekens uit
- Schakelhendel
Aanhaalmoment:
Bout van schakelhendel:
10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
- Breng de olieaftapplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olievuldop en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
2.40 L (2.54 US qt) (2.11 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
2.60 L (2.75 US qt) (2.29 Imp.qt)
DCA11620
LET OP:
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht komen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING:
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan, als het olieniveau correct is.
DCA10400
LET OP:
Zet de motor direct af als het waarschu- wingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat de machine controleren door een Yamaha dealer.
- Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
- Breng het stroomlijnpaneel aan.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU39084
Controleren van het koelvloeistofniveau
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
OPMERKING:
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Koelvloeistofreservoir
- Merkstreep maximumniveau
-
Merkstreep minimumniveau
-
Als het koelvloeistofniveau zich op of onder de merkstreep voor minimumni-veau bevindt, verwijder dan paneel B. (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder de dop van het koelvloeistofreservoir, vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau, en breng dan de dop van het koelvloeistofreservoir weer aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht leidingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Vervang, indien water in plaats van koelvloeistof is gebruikt, het water zo snel mogelijk door koelvloeistof. Anders is het koelsysteem niet beschermd tegen vorst en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivriespercentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
- Monteer het paneel.
OPMERKING:
- De radiatorkoelvinnen schakelen automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof in de koelvloeistofradiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-40 nadere instructies vermeld.
DAU39002
Verversen van de koelvloeistof
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en laat het motorblok indien nodig afkoelen.
-
Verwijder de stroomlijnpanelen D en E. (Zie pagina 6-6.)
-
Schuif een opvangbak onder de motor om de gebruikte koelvloeistof op te vangen.
- Verwijder de radiatorvuldop.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.

-
Radiatorvuldop
-
Verwijder de aftapplug voor koelvloeistof om het koelsysteem leeg te maken.
- Verplaats de slangklem in de getoon- de richting, en ontkoppel dan de radiat- torslang om de radiator te legen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Aftapplug koelvloeistof
- Slangklem
-
Radiatorslang
-
Verwijder het koelvloeistofreservoir door de bouten los te halen.
- Verwijder de dop van het koelvloeistofreservoir en keer dan het koelvloeistofreservoir ondersteboven om het leeg te maken.

- Dop koelvloeistofreservoir
- Koelvloeistofreservoir
-
Bout
-
Spoel het koelsysteem grondig door met schoon leidingwater, nadat alle koelvloeistof is uitgestroomd.
- Monteer het koelvloeistofreservoir door de bouten aan te brengen.
- Sluit de radiatorslang aan, en zet de slangklem daarna weer terug in de oorspronkelijke positie.
- Breng de aftapplug voor koelvloeistof aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.
Aanhaalmoment:
Aftapplug koelvloeistof: 10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)
- Giet de aanbevolen koelvloeistof in het reservoir tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng dan de dop van het koelvloeistofreservoir aan.
- Giet de aanbevolen koelvloeistof in de koelvloeistofradiator tot hij vol is.
Mengverhouding antivries/water: 1:1
Aanbevolen antivries:
Hoogwaardige ethyleenglycol anti-vries met corrosieremmers voor alu-minium motoren
Hoeveelheid koelvloeistof:
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
2.30 L (2.43 US qt) (2.02 Imp.qt)
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
0.25 L (0.26 US qt) (0.22 Imp.qt)
DCA10471
LET OP:
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht lei-
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
dingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Vervang, indien water in plaats van koelvloeistof is gebruikt, het water zo snel mogelijk door koelvloeistof. Anders is het koelsysteem niet beschermd tegen vorst en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivriespercentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
- Breng de radiatorvuldop aan, start de motor, laat een paar minuten stationair draaien en zet hem dan uit.
- Verwijder de radiatorvuldop om het koelvloeistofniveau in de radiator te controleren. Vul indien nodig zoveel koelvloeistof bij tot het niveau bovenin de radiator staat en breng dan de radiatorvuldop aan.
- Start de motor en controleer dan of ergens aan de machine lekkage te zien is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren.
- Breng de stroomlijnpanelen aan.
DAU36762
Luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vraag een Yamaha dealer het luchtfilterelement te vervangen.
DAU21381
Controleren van de vrije slag gaskabel

De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21401
DAU21771
Klepspeiling
De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandspanning
De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500
WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Maximale belasting*:
193 kg (425 lb)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA11020
WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rijeigenschappen en de veiligheid van uw motor. Neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht.
- DE MOTORFIETS NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen motorfiets kan leiden tot beschadiging van de banden, con-
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
troleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de motorrijder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven.
- Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de motorfiets en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht.
- Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10470
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Bandeninformatie

- Bandventiel
- Bandventielbuis
- Bandventieldop met afdichting
Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen en tubeless banden met bandventielen.
DWA10480
WAARSCHUWING
- De banden op de voor- en achterwielen dienen van hetzelfde merk en dezelfde constructie te zijn, anders is het weggedrag van de motor mogelijk niet normaal.
●Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd. - Controleer altijd of de ventieldopjes stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtventielbuisjes om bij hoge rijsnelheden een te lage bandspanning te voorkomen.
Voorband:
Maat: 120/70 ZR17M/C (58W)
Fabrikant/model: DUNLOP/D209F PT MICHELIN/Pilot POWER P
Achterband:
Maat: 180/55 ZR17M/C (73W)
Fabrikant/model: DUNLOP/D209PT MICHELIN/Pilot POWER
VOOR en ACHTER:
Bandventiel: TR412 Luchtventielbuis:
9100 (origineel)
DWA10600
WAARSCHUWING
Deze motorfiets is uitgerust met speciale banden die geschikt voor zeer hoge rij-snelheden. Let op het volgende om deze banden zo effectief mogelijk te kunnen gebruiken.
-Gebruik bij vervanging uitsluitend het voorgeschreven type banden. Bij andere banden is het risico op een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
●Gloednieuwe banden bieden op sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn "ingereden". Het is dan ook verstandig de eerste 100 km (60 mi) nadat een nieuwe band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
- Voordat met hoge snelheid wordt gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
●Pas de bandspanning steeds aan volgens de rijomstandigheden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21960
DAU33890
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haar-scheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
Vrije slag van koppelingshendel afstellen

- Stelbout voor vrije slag koppelingshendel
- Vrije slag van koppelingshendel
De vrije slag van de koppelingshendel dient 10.0–15.0 mm (0.39–0.59 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de koppelingshendel regelmatig en stel indien nodig als volgt af.
Draai de stelbout bij de koppelingshendel richting (a) voor meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelbout richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.
OPMERKING:
Ga als volgt te werk als op de hierboven beschreven werkwijze de voorgeschreven vrije slag van de koppelingshendel niet wordt gehaald.
- Draai de stelbout bij de koppelingshendel richting (a) om de koppelingskabel losser te stellen.
- Draai de borgmoer bij het carter los.
- Draai de stelmoer richting (a) voor meer gaskabelspeling. Draai de stelmoer richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.

- Borgmoer
- Stelmoer voor vrije slag remhendel (carter)
- Draai de borgmoer aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22270
Remlichtschakelaar afstellen

De remlichtschakelaar, die wordt geactiveerd door het rempedaal, is correct afgesteld wanneer het remlicht gaat branden vlak voordat de remwerking intreedt. Stel indien nodig de remlichtschakelaar als volgt af.
Terwijl de stelmoer wordt gedraaid, moet de remlichtschakelaar op zijn plaats worden gehouden. Draai de stelmoer in de richting (a) om het remlicht eerder te laten branden. Draai de stelmoer in de richting (b) om het remlicht later te laten branden.
DAU22390
Controleren van voor- en achterremblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU36890
Remblokken voorrem

Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicator, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-
indicator de remschijf bijna raakt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22500
Remblokken achterrem

- Remvoeringdikte
Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 1.0 mm (0.04 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22580
Controleren van remvloeistofni-veau
Voorrem

- Merkstreep minimumniveau
Achterrem

- Merkstreep minimumniveau
Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht het remsysteem binnendringen, waarna de remwerking mogelijk minder effectief is.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het remvloeistofniveau moet het bovenvlak van het remvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte remwerking teweegbrengen.
Aanbevolen remvloeistof: DOT 4
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de remwerking verslechteren.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het
kookpunt van de remvloeistof aanzien- lijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22730
Verversen van remvloeistof
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de olie-keerringen van de hoofdremcilinders en de remklauwen en de remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
- Oliekeerringen: Vervang elke twee jaar.
●Remslangen: Vervang elke vier jaar.
DAU22760
Spanning aandrijfketting
De spanning van de aandrijfketting moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DAU22772
Aandrijfketting controleren op spanning
- Zet de motorfiets op de zijstandaard.
OPMERKING:
Bij het controleren en instellen van de spanning van de aandrijfketting mag er geen gewicht op de motorfiets rusten.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
- Draai het achterwiel door de motorfiets te duwen en vind zo het strakste gedeelte in de aandrijfketting; meet nu de spanning van de ketting zoals afgebeeld.
Spanning aandrijfketting:
- Spanning aandrijfketting
- Stel de spanning van de ketting als volgt bij als deze niet correct is.
DAU39051
Doorbuiging aandrijfketting bijstellen
- Draai de wielasmoer los en draai dan de borgmoeren los aan beide zijden van de achterbrug.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Wielasmoer
- Stelbout spanning aandrijfketting
- Borgmoer
-
Uitlijnmerktekens
-
Draai om de aandrijfketting strakker te stellen de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (a). Stel de ketting losser door de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (b) te draaien en dan het achterwiel naar voren te drukken.
OPMERKING:
Gebruik voor een goede wieluitlijning de uit- lijnmerktekens aan beide zijden van de ach- terbrug, om zeker te zijn dat beide stelmoeren dezelfde positie hebben.
DCA10570
LET OP:
Een slecht gespannen aandrijfketting overbelast de motor en andere vitale delen van de motorfiets, waardoor de ketting kan slippen of breken. Om dit te voorkomen moet de spanning van de aandrijfketting binnen het voorgeschreven bereik blijven.
- Draai de wielasmoer vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Wielasmoer:
110 Nm (11.0 m·kgf, 80 ft·lbf)
- Zet de stelbouten vast in richting (a) met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Stelbout spanning aandrijfketting:
2 Nm (0.2 m·kgf, 1.4 ft·lbf)
- Draai de borgmoeren vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Borgmoer:
16 Nm (1.6 m·kgf, 11 ft·lbf)
DAU23022
Reinigen en smeren van de aan- drijfketting
De aandrijfketting moet worden gereinigd en gesmeerd volgens de intervalperioden zoals voorgeschreven in het periodieke meer- en onderhoudsschema, anders zal de ketting snel slijten, met name in vochtige of stoffige gebieden. Onderhoud de ketting als volgt.
DCA10581
LET OP:
De aandrijfketting moet worden gesmeerd nadat de motorfiets is gewassen of ermee in de regen is gereden.
- Reinig de aandrijfketting met petroleum en een zacht borsteltje.
DCA11120
LET OP:
Om beschadiging van de o-ringen te voorkomen, mag de aandrijfketting niet worden gereinigd met een stoomreiniger of hogedrukreiniger of met niet-geschikte ontvetters.
- Wrijf de aandrijfketting droog.
- Smeer de aandrijfketting grondig met speciale smering voor o-ring kettingen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DCA11110
LET OP:
Gebruik geen motorolie of andere smeermiddelen voor de aandrijfketting, deze bevatten mogelijk toevoegingen die de o-ringen kunnen beschadigen.
DAU23100
Controleren en smeren van ka- bels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23111
Controleren en smeren van gas- greep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23131
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet (universeel vet)
DAU23140
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels
Remhendel

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23200
Controleren en smeren van zij- standaard

De werking van de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en het scharnierpunt en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10730

WAARSCHUWING
Als de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel:
Lithiumvet (universeel vet)
DAUM1650
De achterbrugscharnierpunten smeren
Het achterbrugscharnierpunt moet worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750

WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23441
Accu
Dit model is uitgerust met een permanentdichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontla- den raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
● HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.

●Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23703
Zekeringen vervangen
De hoofdzekering en zekeringenkastje 1 bevinden zich onder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-18.)

- Hoofdzekering
- Reservezekering brandstofinjectiesysteem
- Zekering brandstofinjectiesysteem
- Zekeringenkastje 1
- Reservezekering
- Zekering ETV (elektronische smoorklep)
- Backup-zekering (voor kilometerteller, klok en startblokkeersysteem)
Zekeringenkastje 2 bevindt zich onder paneel A. (Zie pagina 6-6.)

Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Zekering brandstofinjectiesysteem: 15.0 A
Zekering elektronische smoorklep:
7.5 A
Backup-zekering: 7.5 A
Zekering radiatorkoelvin: 15.0 A × 2
Zekering ontstekingssysteem: 15.0 A
Zekering signaleringssysteem: 10.0 A
Zekering achterlichtcircuit: 7.5 A
Koplampzekering: 15.0 A
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU39010
Koplampgloeilamp vervangen De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplampgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder de gloeilampkap door deze linksom te draaien.

-
Koplampstekker
-
Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

- Gloeilamphouder
DWA10790
WAARSCHUWING
Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
DCA10650
LET OP:
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
●Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
●Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.
- Monteer de gloeilampkap door deze rechtsom te draaien.
- Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU24180
Dit model is uitgerust met een LED type remlicht/achterlicht.
Als het remlicht/achterlicht niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.

- Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
- Sluit de koplampstekker aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU24202
Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen
- Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

-
Schroef 1. Schroef
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen.
DCA11190
LET OP:
Zet de schroef niet overdreven strak vast, anders kan de lamplens breken.
DAU24310
Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen
- Verwijder de lampeenheid voor kente-kenverlichting door de schroeven los te draaien.

- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze naar buiten te trekken.

- Gloeilamp kentekenverlichting
-
Kentekenverlichtingsunit
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
- Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
- Monteer de lampeenheid voor kente-kenverlichting door de schroeven aan te brengen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU39020
Parkeerlichtgloeilamp

- Gloeilamp parkeerlicht
Als het parkeerlicht niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen of vervang de gloeilamp.
DAU24350
Ondersteunen van de motorfiets
Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren van ander onderhoud waarbij de motorfiets rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.
Onderhoud aan het voorwiel
- Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als geen andere standaard voorhanden is, door een krik te plaatsen onder het frame aan de voorzijde van het achterwiel.
- Breng het voorwiel los van de grond met gebruik van een motorfietsstandaard.
Verwijderen van het achterwiel
Breng het achterwiel los van de grond met een motorfietsstandaard of, als deze niet voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide uiteinden van de achterbrug.
DAU24360
Voorwiel
Verwijderen van het voorwiel
DAU33921
DWA10820
WAARSCHUWING
- Het is aan te bevelen om onderhoud aan het wiel uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
-
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
-
Draai de wielasklembouten, de wielasbout en dan de remklauwbouten los.

-
Klembout voorwielas
-
Licht het voorwiel van de grond volgens de werkwijze op pagina 6-35.
- Verwijder aan beide zijden de remslanghouders door de bout en de moer los te halen.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Verwijder aan beide zijden de remklauwen door de bouten los te halen.

- Remslanghouder
- Bout en moer
- Remklauwbout
- Remklauw
-
Wielasbout
-
Verwijder de wielasbout, druk de wie- las vanaf de linkerzijde naar buiten en verwijder dan het wiel.

Bekrachtig de rem niet terwijl de remklauwen zijn losgehaald, anders komen de remblokken tegen elkaar.
DAU33932
Aanbrengen van het voorwiel
- Breng het wiel omhoog tussen de vorkpoten.
- Steek de wielas naar binnen.
- Laat het voorwiel zakken zodat dit op de grond rust.
- Monteer de achterremklauwen door de bouten aan te brengen en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat de remklauwen over de remschijven worden gemonteerd.
Aanhaalmoment:
Remklauwbout:
35 Nm (3.5 m·kgf, 25 ft·lbf)
- Monteer de remslanghouders door de bouten en moeren aan te brengen.
- Zet de wielas vast door de wielasbout aan te brengen en dan aan te draaien met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Blokkeer bij het vastzetten van de wielasbout de wielas met een 19-mm zeskantsleutel, zodat deze niet meedraait.
Aanhaalmoment:
Wielasbout:
91 Nm (9.1 m·kgf, 66 ft·lbf)
- Zet wielasklembout B vast en draai dan klembout A aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Klembout voorwielas A
- Klembout voorwielas B
- Klembout voorwielas C
-
Klembout voorwielas D
-
Draai klembout B opnieuw aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Wielasklembout:
21 Nm (2.1 m·kgf, 15 ft·lbf)
- Tik met een rubber hamer tegen de buitenkant van de rechter vorkpoot om deze in lijn te brengen met het uiteinde van de wielas.
- Zet wielasklembout D vast en draai dan klembout C aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.
- Draai klembout D opnieuw aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Wielasklembout:
21 Nm (2.1 m·kgf, 15 ft·lbf)
- Bekrachtig de voorrem en duw het stuur een paar keer stevig op en neer om te zien of de voorvork correct werkt.
DAU25080
Achterwiel
Verwijderen van het achterwiel
DAU25311
DWA10820
WAARSCHUWING
-
Het is aan te bevelen om onderhoud aan het wiel uit te laten voeren door een Yamaha dealer.
●Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen. -
Draai de wielasmoer los.

- Wielasmoer
- Stelbout spanning aandrijfketting
- Borgmoer
- Remklauw
-
Remklauwsteun
-
Licht het achterwiel van de grond volgens de werkwijze op pagina 6-35.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Verwijder de wielasmoer.
- Draai de borgmoer los aan beide zijden van de achterbrug.
- Draai de stelbouten van de aandrijfketting volledig in richting (a) en druk het wiel naar voren.
- Haal de aandrijfketting van het achter- tandwiel.

●Als het verwijderen van de aandrijfketting problemen oplevert, verwijder dan eerst de wielas en breng het wiel voldoende omhoog om de ketting van het achtertandwiel te kunnen halen.
- De aandrijfketting kan niet worden gesplitst.
- Ondersteun de remklauwsteun, trek de wielas uit en verwijder dan het wiel.

Bekrachtig de rem niet terwijl het wiel samen met de remschijf is verwijderd, anders komen de remblokken tegen elkaar.
DAU39170
Aanbrengen van het achterwiel
- Monteer het wiel en de remklauwsteun door de wielas vanaf de linkerzijde in te steken.
OPMERKING:
- Zorg ervoor dat de borging op de remklauwsteun in de sleuf in de achterbrug valt.
●Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat u het wiel aanbrengt.

- Borging
-
Sleuf
-
Breng de aandrijfketting aan op het achtertandwiel.
- Breng de wielasmoer aan en laat het achterwiel dan zakken zodat dit op de grond rust.
- Stel de spanning van de aandrijfketting af. (Zie pagina 6-24.)
- Draai de wielasmoer vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Wielasmoer:
110 Nm (11.0 m·kgf, 80 ft·lbf)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- Zet de stelbouten vast in richting (b) met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Stelbout spanning aandrijfketting: 2 Nm (0.2 m·kgf, 1.4 ft·lbf)
- Draai de borgmoeren vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Borgmoer:
16 Nm (1.6 m·kgf, 11 ft·lbf)
DAU25870
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema's
DAU42500
Startproblemen of slechte werking van de motor
DWA10840
WAARSCHUWING
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof

flowchart
graph TD
A["Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank."] --> B["Er is voldoende brandstof aanwezig."]
A --> C["Er is geen brandstof aanwezig."]
B --> D["Controleer de compressie."]
C --> E["Vul brandstof bij."]
E --> F["De motor start niet.<br>Controleer de compressie."]
2. Compressie

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["Er is compressie."]
A --> C["Er is geen compressie."]
B --> D["Controleer de ontsteking."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
3. Ontsteking

flowchart
graph TD
A["Verwijder de bougies en controleer de elektroden."] --> B["Nat"]
A --> C["Droog"]
B --> D["elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies."]
C --> E["Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
D --> F["Bedien de elektrische startknop."]
E --> G["De motor start niet. Controleer de accu."]
4. Accu

flowchart
graph TD
A["Bedien de elektrische startknop."] --> B["De motor draait snel rond."]
A --> C["De motor draait langzaam rond."]
B --> D["De accu is in orde."]
C --> E["Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig."]
D --> F["De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren."]
E --> F
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Oververhitte motor
DWAT1040
WAARSCHUWING
- Verwijder de radiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kunnen naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
C --> E["Er is lekkage."]
D --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING:
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU37832
Matkleur, let op
DCA15192
LET OP:
Sommige modellen zijn uitgerust met matkleurige onderdelen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor advies over wat voor producten gebruikt moeten worden om het voertuig te reinigen. Het gebruik van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het oppervlak bekrassen of beschadigen. Ook was moet niet worden aangebracht op een van de matkleurige onderdelen.
DAU26020
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een motorfiets is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de machine, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op af-dichtingen, pakkingen, tandwielen, de aandrijfketting en de wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA11140
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen en de uitlaatdemper worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen. Als de uitlaatdemper met gebruik van zachte zeep niet echt schoon wordt, kan een zachte borstel met een basisch product worden gebruikt.
-Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen of op de uitlaatdemper. Vermijd het gebruik van doeken of
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), opbergcompartimenten, elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtingsen ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont,
breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Laat de motorfiets drogen en breng dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op de verchroomde en vernikkelde onderdelen (niet op de titanium uitlaatdemper) om zo roestvorming tegen te gaan.
Reinigen van de titanium uitlaatdemper
Dit model is uitgerust met een titanium uitlaatdemper die als volgt speciale verzorging nodig heeft.
- Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om de titanium uitlaatdemper te reinigen. Als de uitlaatdemper met gebruik van zachte zeep niet echt schoon wordt, kan een zachte borstel met een basisch product worden gebruikt.
- Gebruik nooit chemische stoffen of andere speciale reinigingsmiddelen om de uitlaatdemper schoon te maken, deze zullen de buitenste deklaag van de demper aantasten.
●Al heel geringe hoeveelheden olie zoals afkomstig van vingerafdrukken of van met olie besmeurde poetsdoeken
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
zullen vlekken achterlaten op de titanium demper, die met een zachte zeep kunnen worden verwijderd.
- De door hitte veroorzaakte verkleuringen op een gedeelte van de uitlaatpijp naar de titanium uitlaatdemper zijn normaal en kunnen niet worden verwijderd.
Na reiniging
- Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
- Laat de aandrijfketting direct drogen en smeer hem om roestvorming te voorkomen.
- Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te laten glanzen.
- Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
- Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
-
Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
-
Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
- Laat de motorfiets volledig drogen al-vorens te stallen of af te dekken.
DWA11130
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit.
●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de motorfiets in bochten voordat u de snelheid opvoert.
DCA10800
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26180
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP:
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan.
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een an- dere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de ban- den niet op één gedeelte sterker ach- teruitgaan.
- Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-30 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING:
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
2040 mm (80.3 in)
Totale breedte:
700 mm (27.6 in)
Totale hoogte:
1100 mm (43.3 in)
Zadelhoogte:
850 mm (33.5 in)
Wielbasis:
1380 mm (54.3 in)
Grondspeling:
130 mm (5.12 in)
Kleinste draaicirkel:
3600 mm (141.7 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
182.0 kg (401 lb)
Motor:
Type motor:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
4-cilinder, parallel vooroverhellend
Slagvolume:
599.0 cm ^3
Boring × slag:
67.0 × 42.5 mm (2.64 × 1.67 in)
Compressieverhouding:
12.80:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
2.40 L (2.54 US qt) (2.11 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
2.60 L (2.75 US qt) (2.29 Imp.qt)
Koelsysteem:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
2.30 L (2.43 US qt) (2.02 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Papieren element met oliecoating
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend loodvrije superbenzine
Inhoud brandstoftank:
17.5 L (4.62 US gal) (3.85 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
3.5 L (0.92 US gal) (0.77 Imp.gal)
Brandstofinjectie:
Fabrikant:
DENSO
Model/hoeveelheid:
297500-0640/4, 297500-0660/4
Bougie(s):
Fabrikant/model:
NGK/CR10EK
Elektrodenafstand:
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Recht tandwiel
Primaire reductieverhouding:
85/41 (2.073)
Secundair reductiesysteem:
Kettingaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
45/16 (2.813)
Type versnellingbak:
Constant mesh, 6 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
SPECIFICATIES
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
31/12 (2.583)
2e:
32/16 (2.000)
3e:
30/18 (1.667)
4e:
26/18 (1.444)
5e:
27/21 (1.286)
6e:
23/20 (1.150)
Chassis:
Type frame:
Diamantframe
Spoorhoek:
24.00 graad
Naspoor:
97.0 mm (3.82 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
17M/C x MT3.50
Achterwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
17M/C x MT5.50
Voorrem:
Type:
Dubbele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
120.0 mm (4.72 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
120.0 mm (4.72 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente magneten
Accu:
Model:
YTZ10S
Voltage, capaciteit:
12 V, 8.6 Ah
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
12 V, 55.0 W × 2
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 10.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 1
Kentekenverlichting:
12 V, 5.0 W × 1
Instrumentenverlichting:
LED
Controlelampje vrijstand:
LED
Waarschuwingslampje olieniveau: LED
Controlelampje richtingaanwijzers: LED
Controlelampje brandstofniveau: LED
Waarschuwingslampje
koelvloeistoftemperatuur: LED
Waarschuwingslampje motorstoring: LED
Controlelampje startblokkering: LED
Controlelampje schakelmoment: LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
15.0 A
Zekering achterlichtcircuit:
7.5 A
Zekering signaleringssysteem:
10.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
15.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 A × 2
Zekering brandstofinjectiesysteem:
15.0 A
Backup-zekering:
7.5 A
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen. SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

natural_image
Empty rectangular frame with no text, symbols, or markingsVOERTUIGIDENTIFICATIE NUMMER:

- Sleutelnummer
- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
DAU26400
Voertuigidentificatienummer

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26520
DAU38931
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het duo-zadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-18.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
Voor rijden zonder passagier
Voor het rijden zonder passagier hebt u bij de aankoop van uw voertuig apart een speciaal afdekpaneel ontvangen ter vervanging van het duozadel, plus afdekpanelen die na het verwijderen van de passagiersvoetsteunen in de stroomlijnpaneelopeningen kunnen worden geplaatst. Laat deze afdekpanelen door een Yamaha dealer aanbrengen en verwijderen, en wijzig indien nodig de registratiedocumentatie voor het aantal personen.
INDEX
A
Aandrijfketting, reinigen en smeren ..... 6-25
Accu....6-30
Achterbrugscharnierpunten, smeren..... 6-28
Achterlicht/remlicht unit.... 6-33
Afstelling remlichtschakelaar 6-22
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)...... 3-13
B
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig... 5-3
C
Claxonschakelaar 3-14
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-3
Controlelampje grootlicht 3-4
Controlelampje schakelmoment.... 3-7
Controlelampjes richtingaanwijzers ..... 3-4
Controlelampje startblokkering 3-7
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Dimlichtschakelaar....3-14
E
EXUP-systeem....3-25
G
Gasgreep en gaskabel, controleren en smeren....6-26
Gereedschapset....6-1
Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen.... 6-34
Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen.... 6-34
H
Helmborgkabel 3-19
|
Identificatienummers 9-1
Inrijperiode.... 5-3
K
Kabels, controleren en smeren.... 6-26
Klepspeling.... 6-18
Koelvloeistof 6-14
Koplampgloeilamp, vervangen 6-32
Koppelingshendel 3-15
Koppelingshendel, vrije slag afstellen.... 6-21
L
Let op, matkleur.... 7-1
Lichtsignaalschakelaar 3-14
Locaties van onderdelen 2-1
Luchtfilterelement 6-17
M
Modelinformatiesticker.... 9-2
Motorolie en oliefilterpatroon 6-11
Multifunctioneel display 3-7
N
Noodstopschakelaar.... 3-14
0
Ondersteunen van de motorfiets ...... 6-35
P
Parkeerlichtgloeilamp 6-35
Parkeren.... 5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema.... 6-2
Problemen oplossen.... 6-39
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren....6-27
Rem- en schakelpedalen, controleren en smeren....6-27
Remhendel......3-15
Rempedaal....3-16
Remvloeistofniveau, controleren......6-23
Remvloeistof, verversen....6-24
Richtingaanwijzerschakelaar....3-14
S
Schakelaar alarmverlichting....3-14
Schakelen 5-2
Schakelpedaal....3-15
Schokdemperunit, afstellen....3-23
Sleutelnummer....9-1
Spanning aandrijfketting....6-24
Specifications....8-1
Stalling 7-4
Startblokkeersysteem....3-1
Starten van de motor....5-1
Startknop....3-14
Startspersysteem 3-26
Storingzoekschema's......6-40
Stroomlijn- en framepanelen, verwijderen en aanbrengen ....6-6
Stuurschakelaars 3-13
Stuursysteem, controleren 6-29
T
Tankbeluchtingsslang/overloopslang ....3-18 Tankdop ....3-16
U
Uitlaatkatalysator....3-18
V
Veiligheidsinformatie 1-1
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken controleren 6-22
Voor rijden zonder passagier.... 9-2
Voorvork, afstellen.... 3-20
Voorvork, controleren 6-28
Vrije slag gaskabel, controleren ..... 6-17
Vrijstandcontrolelampje 3-4
w
Waarschuwingslampje brandstofniveau.... 3-4
Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur .... 3-4
Waarschuwingslampje motorstoring..... 3-7
Waarschuwingslampje olieniveau .... 3-4
Wiel (achter) 6-37
Wielen.... 6-21
Wiellagers controleren.... 6-29
Wiel (voor) 6-35
Z
Zadels.... 3-18
Zekeringen, vervangen.... 6-31
Zijstandaard.... 3-26
Zijstandaard, controleren en smeren.... 6-28

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
PRINTED IN THE NETHERLANDS
2006.07



