FJR1300A (2005) - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding
Vind de handleiding van het apparaat gratis FJR1300A (2005) YAMAHA in PDF-formaat.
| Type product | Motorfiets |
| Merk | Yamaha |
| Model | FJR1300A (2005) |
| Afmetingen (L x B x H) | 2195 mm x 760 mm x 1435 mm |
| Zadelhoogte | 805 mm |
| Wielbasis | 1515 mm |
| Grondspeling | 135 mm |
| Gewicht (inclusief olie en brandstof) | FJR1300: 291 kg; FJR1300A: 294 kg |
| Maximale belading | FJR1300: 201 kg; FJR1300A: 194 kg |
| Motortype | Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC, 4-cilinder |
| Cilinderinhoud | 1298 cm³ |
| Boring x slag | 79.0 x 66.2 mm |
| Compressieverhouding | 10.80:1 |
| Startsysteem | Elektrische starter |
| Brandstof | Normale loodvrije benzine (RON 91 of hoger) |
| Inhoud brandstoftank | 25.0 L (reserve 5.0 L) |
| Motorolie (met filterwissel) | 4.00 L (API SE/SF/SG of hoger) |
| Versnellingsbak | 5-versnellingen, constant mesh |
| Voorrem | Dubbele schijfrem (ABS optioneel) |
| Achterrem | Enkele schijfrem (ABS optioneel) |
| Voorwielophanging | Telescoopvork, veerweg 135 mm |
| Achterwielophanging | Achterbrug (link-ophanging), veerweg 125 mm |
| Bandenmaat voor | 120/70 ZR17 (tubeless) |
| Bandenmaat achter | 180/55 ZR17 (tubeless) |
| Accu | 12V, 12.0 Ah (model GT14B-4) |
Veelgestelde vragen - FJR1300A (2005) YAMAHA
Gebruikersvragen over FJR1300A (2005) YAMAHA
0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.
Stel een nieuwe vraag over dit apparaat
Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding FJR1300A (2005) - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. FJR1300A (2005) van het merk YAMAHA.
GEBRUIKSAANWIJZING FJR1300A (2005) YAMAHA
Verklaren hierbij dat het product:
Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding:
5SL-00, 5VS-00, 5VX-00, 3HT-00, 5UX-00, 5UX-10, 5KS-00 en 5KS-10
in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:
R&TTE richtlijn (1999/5/EC)
EN300 330-2 v1.1.1 (2001-6), EN60950 (2000)
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen (97/24/EC: Hoofdstuk 8, EMC)
Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan
Datum van afgifte: 1 augustus 2002
Kazuji Kawai
X. Kawai
Kazuji Kawai
X. Kawai
Naam en handtekening vertegenwoordiger
DAU10100
Welkom in de wereld van Yamaha rijders!
Als eigenaar van de FJR1300/FJR1300A profiteert u van Yamaha's ervaring en technische kennis in het ontwerpen en fabriceren van producten van topkwaliteit, waarmee Yamaha haar verdiende reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.
Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw FJR1300/FJR1300A. Deze gebruikershandleiding geeft instructies over bediening, inspectie en onderhoud van de motorfiets, terwijl ook wordt beschreven hoe u uzelf en anderen persoonlijk letsel en schade kunt besparen.
Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw motorfiets in optimale conditie te houden. Als er tenslotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.
Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10150
Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:
| Het Safety Alert symbool betekent ATTENTIE! LET OP! HET GAAT OM UW VEILIGHEID! | |
| Wanneer instructies vermeld in een WAARSCHUWING niet worden opgevolgd, kan dit leiden tot ernstig of zelfs dodelijk letsel voor de motorrijder of omstanders of degene die de motorfiets inspecteert of repareert. | |
| LET OP: | De aanduiding LET OP staat vermeld bij speciale voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen om schade aan de motorfiets te voorkomen. |
| OPMERKING: | De aanduiding NB staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelde-ren. |
OPMERKING:
- Deze handleiding moet worden gezien als een permanent onderdeel van deze motorfiets en moet altijd bij de machine blijven, ook als deze ooit wordt verkocht.
- Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw motor en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen heeft over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.
WAARSCHUWING
DWA10030
LEES DEZE HANDLEIDING AANDACHTIG HELEMAAL DOOR VOORDAT U DEZE MOTORFIETS GAAT GEBRUIKEN.
BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING
DAU10200
FJR1300/FJR1300A
HANDLEIDING
©2004 door Yamaha Motor Co., Ltd.
1e uitgave, juli 2004
Alle rechten voorbehouden.
Elke vorm van herdruk of onbevoegd gebruik
zonder schriftelijke toestemming van
Yamaha Motor Co., Ltd.
is uitdrukkelijk verboden.
Printed in Japan.
INHOUDSOPGAVE
VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1
BESCHRIJVING 2-1
Aanzicht linkerzijde....2-1
Aanzicht rechterzijde 2-2
Bedieningen en instrumenten......2-3
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN
EN BEDIENINGEN 3-1
Startblokkeersysteem 3-1
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ....3-3
Snelheidsmeter 3-5
Toerenteller 3-5
Multifunctioneel display ....3-6
Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ...3-7
Stuurschakelaars ....3-8
Koppelingshendel 3-9
Schakelpedaal 3-10
Remhendel 3-10
Rempedaal 3-11
ABS (voor modellen met ABS) .....3-11
Tankdop 3-12
Brandstof 3-12
Tankbeluchtingsslang ....3-13
Uitlaatkatalysator ....3-14
Zadels 3-14
Opbergcompartiment ....3-15
Accessoirebox 3-15
Afstellen van de voorvork ....3-16
Afstellen van de schokdemperunit ....3-18
Sloten voor optionele zijkoffers en topkoffer 3-19
Zijstandaard 3-19
Startspersysteem 3-19
CONTROLES VOOR HET
STARTEN 4-1
Controlelijst voor gebruik 4-2
GEBRUIK EN BELANGRIJKE
RIJ-INFORMATIE 5-1
Starten van de motor 5-1
Schakelen 5-2
Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3
Inrijperiode 5-3
Parkeren 5-4
PERIODIEK ONDERHOUD EN
KLEINERE REPARATIES 6-1
Boordgereedschapset 6-1
Periodiek smeer- en onderhoudsschema 6-2
Panelen verwijderen en aanbrengen 6-6
Controleren van de bougies ...... 6-8
Motorolie en oliefilterpatroon ..... 6-9
Cardanolie 6-11
Koelvloeistof 6-12
Reinigen van het luchtfilterelement 6-14
Controleren van stationair toerental 6-15
Controleren van de vrije slag gaskabel 6-15
Klepspeling 6-16
Banden 6-16
Gietwielen 6-19
Vrije slag van koppelingshendel 6-19
Remlichtschakelaar afstellen ..... 6-19
Controleren van voor- en achterremblokken 6-20
Niveaus van rem- en koppelingsvloeistof controleren 6-20
Rem- en koppelingsvloeistof verversen 6-22
Controleren en smeren van kabels 6-22
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel .... 6-22
Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen ...... 6-23
Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-23
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard ..... 6-24
De achterbrugscharnierpunten smeren 6-24
INHOUDSOPGAVE
Smeren van de
achterwielophanging 6-24
Voorvork controleren 6-25
Controle van stuursysteem .....6-25
Controleren van wiellagers .....6-26
Accu 6-26
Zekeringen vervangen 6-27
Koplampgloeilamp vervangen .....6-29
Gloeilampen voor de achterste
richtingaanwijzer of het
parkeerlichtgloeilamp 6-30
Problemen oplossen 6-31
Storingzoekschema's 6-32
VERZORGING EN STALLING
VAN DE MOTORFIETS....7-1
Verzorging 7-1
Stalling 7-3
SPECIFICATIES 8-1
GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1
Identificatienummers ......9-1

VEILIGHEIDSINFORMATIE
DAU10281
MOTORFIETSEN ZIJN TWEEWIELIGE VOERTUIGEN. HUN VEILIG GEBRUIK EN WERKING ZIJN AFHANKELIJK VAN JUIS- TE RIJTECHNIEKEN EN VAN DE DES- KUNDIGHEID VAN DE BESTUURDER. ELKE BESTUURDER MOET BEKEND ZIJN MET DE VOLGENDE VEREISTEN ALVORENS MET DEZE MOTOR TE GAAN RIJDEN.
HIJ OF ZIJ MOET:
●DOOR EEN COMPETENTE INFORMATIEBRON GRONDIG ZIJN INGELICHT OVER ALLE ASPECTEN VAN HET MOTORRIJDEN.
●ZICH HOUDEN AAN DE WAAR-SCHUWINGEN EN ONDERHOUD-SEISEN VERMELD IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING.
●GRONDIG GETRAIND ZIJN IN VEILIGE EN CORRECTE RIJTECHNIEKEN.
●GEBRUIKMAKEN VAN PROFESSIONELE TECHNISCHE SERVICE, ZOALS AANGEGEVEN IN DE GEBRUIKERSHANDLEIDING EN/OF WANNEER DE MECHANISCHE CONDITIONS DIT VEREISEN.
Veilig rijden
- Controleer de machine altijd voor u gaat rijden. Een zorgvuldige controle kan een ongeval helpen voorkomen.
- Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
- Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.
Dus:
- Draag een jack in felle kleuren.
- Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.
- Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.
- Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
- Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
- Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
- We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
- Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een TE HOGE RIJSNELHEID aan of rijden te lang rechtop (onvoldoende schuinleggen bij de bewuste rijsnelheid), zodat de bocht dan te wijd word genomen.
- Neem altijd de maximum snelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
- Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.
- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.
- De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
- De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden.
- Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.
●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.
- Deze motorfiets is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-road gebruik.
Beschermende kleding
Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.
●Draag altijd een goedgekeurde helm.
- Draag ook een gezichtskap of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
●Raak nooit de motor of het uitlaatsysteem aan terwijl de motor draait. Deze onderdelen worden zeer heet en kunnen zo brandwonden veroorzaken. Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt.
- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.
Technische wijzigingen
Door het aanbrengen van technische wijzigingen die niet door Yamaha zijn goedgekeurd, of door originele onderdelen te verwijderen, kan deze motor onveilig worden in het gebruik en ernstig persoonlijk letsel veroorzaken. Door dergelijke wijzigingen kan het gebruik van uw motor ook onwettig worden.
Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hier volgen enkele algemene richtlijnen bij het beladen van de motor of het monteren van accessoires:
Beladen
Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
Maximale belasting:
FJR1300 201 kg (443 lb)
FJR1300A 194 kg (428 lb)
Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:
- Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Zorg dat het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden van de motor wordt verdeeld, om zo onbalans of instabiliteit te beperken.
●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig. - Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.
AccessoirAes
Originele Yamaha accessoires werden speciaal ontworpen voor montage aan deze motor. Yamaha is niet in staat om alle overige leverbare accessoires te testen. U bent dus zelf verantwoordelijk voor de juiste keuze, installatie en gebruik van niet-Yamaha accessoires. Wees zorgvuldig bij de keuze en installatie van accessoires.
Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".
- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken, om zeker te zijn dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening beperkt of lampen of reflectors afdekt.
- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aërodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.
- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aërodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald. - Sommige accessoires noodzaken de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.
- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.
Benzine en uitlaatgassen
●BENZINE IS ZEER GEMAKKELIJK ONTVLAMBAAR:
- Zet de motor altijd af als u benzine tankt.

VEILIGHEIDSINFORMATIE
- Pas op en mors tijdens het tanken geen benzine op de motor of op het uitlaatsysteem.
- Tank niet terwijl u rookt of in de na-bijheid bent van open vuur.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat hem dan niet draaien. De uitlaatgassen zijn giftig en kunnen al heel snel bewusteloosheid of dode- lijk letsel veroorzaken. Start de motor alleen in de open lucht of in een ruimte die voldoende ventilatie heeft.
●Zet de motor altijd uit voordat u de motorfiets onbeheerd achterlaat en neem de sleutel uit het contactslot. Let op het volgende als u de motor gaat parke- ren:
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen heet zijn, parkeer de motorfiets daarom op een plek waar voetgangers en kinderen hier geen last van hebben.
- Parkeer de motor niet op een helling of op een zachte ondergrond, om omvallen te voorkomen.
-
Parkeer de motor niet nabij een brandend toestel (bijv. een petroleumkachel) of bij open vuur, hij zou zo vlam kunnen vatten.
-
Als u de motor in een ander voertuig vervoert, zorg dan dat deze rechtop staat. Als de motor schuin staat, kan er benzine uit de brandstoftank stromen.
- Roep onmiddellijk medische hulp in als u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen is terechtgekomen. Morst u benzine op uw huid of kleding, spoel de bewuste plek dan direct met zeepwater en trek andere kleding aan.
Aanzicht linkerzijde
DAU10410

- Zekeringenkastje (pagina 6-27)
- Accessoirebox (pagina 3-15)
- Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-16)
- Stelknop voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-16)
- Olievuldop (pagina 6-9)
- Boordgereedschapset (pagina 6-1)
- Bestuurderszadel (pagina 3-14)
- Duozadel (pagina 3-14)
- Bagagedrager
10.Vulplug cardanolie (pagina 6-11)
11.Aftapplug cardanolie (pagina 6-11)
12.Stelknop voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-18)
13.Stelhefboom voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-18)
14.Luchtfilterelement (pagina 6-14)
15.Schakelpedaal (pagina 3-10)
16.Oliefilterpatroon (pagina 6-9)
17.Kijkglas olieniveau (pagina 6-9)
Aanzicht rechterzijde
DAU10420

- Voetsteun passagier
- Opbergcompartiment (pagina 3-15)
- Koelvloeistofreservoir (pagina 6-12)
- Accu (pagina 6-26)
- Kuipruit (pagina 3-8)
- Hoofdzekering en zekering elektonisch brandstofinjectiesysteem (pagina 6-27)
- Stelschroef voor inveerdemping voorvork (pagina 3-16)
- Rempedaal (pagina 3-11)
- Voetsteun bestuurder
Bedieningen en instrumenten
DAU10430

- Koppelingshendel (pagina 3-9)
- Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-8)
- Toerenteller (pagina 3-5)
- Snelheidsmeter (pagina 3-5)
- Multifunctioneel display (pagina 3-6)
- Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-8)
- Remhendel (pagina 3-10)
- Gasgreep (pagina 6-15)
- Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
- Schakelaar alarmverlichting (pagina 3-9)
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Startblokkeersysteem
DAU10972

- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:
- een codeersleutel (met een rood bovendeel)
- twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
- een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
●een startblokkeereenheid
●een ECU
- een controlelampje van het startblokkeersysteem (Zie pagina 3-3.)
De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.
DCA11820
LET OP:
- BEWAAR DE CODEERSLEUTEL ZORGVULDIG! NEEM ONMIDDELLIJK CONTACT OP MET UW DEALER ALS DE SLEUTEL VERLOREN RAAKT! Als de codeersleutel verloren raakt, is het niet meer mogelijk om de standaardsleutels opnieuw te coderen. De standaardsleutels kunnen nog steeds worden gebruikt om het voertuig te starten, maar wanneer de codeersleutel vereist is (bijvoorbeeld als er een nieuwe standaardsleutel wordt gemaakt of alle sleutels verloren zijn geraakt) moet het volledige startblokkeersysteem wor-
den vervangen. Het is daarom aan te bevelen een van de twee standaardsleutels te gebruiken en de codeersleutel te bewaren op een veilige plaats.
●Dompel de sleutels niet onder in water.
- Stel de sleutels niet bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Houd de sleutels uit de buurt van magneten (inclusief, maar niet uitsluitend, producten zoals luidsprekers etc.).
●Plaats geen zware voorwerpen op de sleutels.
●Probeer niet de sleutels te slijpen of de vorm ervan te veranderen.
●Probeer niet het kunststof boven-
deel van de sleutels open te maken.
- Bevestig niet meer dan één sleutel van hetzelfde startblokkersysteem aan een sleutelring.
●Houd de standaardsleutels en sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van de codeersleutel van dit voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen uit de buurt van het contactslot, deze kunnen signaal-storing veroorzaken.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Contactslot/stuurslot

DAU10471
Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld.
OPMERKING:
Gebruik de standaardsleutel (zwart bovendeel) voor het normale gebruik van het voertuig. Bewaar de codeersleutel (rood bovendeel) op een veilige plaats om verlies te voorkomen en gebruik de sleutel uitsluitend voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels.
DAU26810
ON
Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht en het parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.
OPMERKING:
De koplampen gaan automatisch branden wanneer de motor is gestart en blijven branden tot de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid.
DAU10680
OFF
Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
DAU10690
LOCK
Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.
Om het stuur te vergrendelen

- Drukken.
-
Draaien.
-
Draai het stuur helemaal naar links of rechts.
- Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai hem dan naar de "LOCK"-stand. Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
- Neem de sleutel uit.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Om het stuur te ontgrendelen

- Drukken.
- Draaien.
Druk de sleutel in en draai hem dan naar "OFF" terwijl de sleutel ingedrukt wordt gehouden.
DWA10060
WAARSCHUWING
Draai de contactsleutel nooit naar "OFF" of naar "LOCK" terwijl de machine rijdt; elektrische systemen worden dan afgeschakeld en mogelijk zult u zo de macht over het stuur verliezen of een ongeval veroorzaken. Zorg altijd dat de machine stilstaat voordat u de sleutel naar "OFF" of naar "LOCK" draait.
DAU10910
p∈(Parkeren)
Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "p≤" te kunnen draaien.
DCA11020
LET OP:
Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU11002
Controle- en
waarschuwingslampjes

- Controlelampje linker richtingaanwijzers "◀"
- Controlelampje rechter richtingaanwijzers "→"
- Controlelampje startblokkering " 1"
- Vrijstandcontrolelampje "N"
- Controlelampje grootlicht "≡D"
- ABS-waarschuwingslampje " (ABS)" (voor modellen met ABS)
- Waarschuwingslampje olieniveau "☐"
- Waarschuwingslampje motorstoring "
DAU11030
Controlelampjes richtingaanwijzers “◀” em“ ”
Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU11060
Vrijstandcontrolelampje "N"
Dit controlelampje brandt terwijl de versnel- lingsbak in de vrijstand staat.
DAU11080
Controlelampje grootlicht "ID"
Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.
DAU11120
Waarschuwingslampje olieniveau
Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
OPMERKING:
Bij een voldoende hoog olieniveau kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.
DAU11530
Waarschuwingslampje motorstoring
“”
Dit waarschuwingslampje gaat branden of knippert wanneer een elektrisch circuit dat de motorwerking controleert defect is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-6 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Als het waarschu-wingslampje niet een paar seconden lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
DAU11543
ABS-waarschuwingslampje “(ABS)” (voor modellen met ABS)
Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is het ABS-systeem mogelijk defect. Vraag in dat geval zo snel mogelijk een Yamaha dealer het systeem te controleren. (Zie pagina 3-11.)
DWA10081
WAARSCHUWING
Als het ABS-waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, wordt alleen het conventionele remsysteem gebruikt. Wees dan voor-
zichtig en zorg dat de wielen tijdens plotseling remmen niet blokkeren. Als het waarschuwingslampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen. vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het remsysteem te controleren.
Het elektrisch circuit voor het waarschu-wingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het waarschuwingslampje niet oplicht of blijft branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te controleren.
DAU26872
Controlelampje startblokkering "♀"
Het elektrisch circuit voor het controlelampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien.
Als het controlelampje niet een paar secon- den lang oplicht en dan dooft, vraag dan een Yamaha dealer om het elektrisch circuit te testen.
Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem. Als het startblokkeersysteem defect is, gaat het controlelampje knipperen en toont het multifunctionele display een foutcode wanneer de contactsleutel naar "ON" wordt gedraaid. (Zie "Zelfdiagnosesysteem" op pagina 3-6 voor meer informatie.)
DAU11601
Snelheidsmeter

- Toerenteller
- Snelheidsmeter
- Multifunctioneel display
De snelheidsmeter toont de actuele rijsnelheid.
Wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de snelheidsmeter eenmaal helemaal uit tot aan de hoogste snelheid en keert daarna weer terug naar nul om het elektrische circuit te testen.
DAU11872
Toerenteller

- Toerenteller
- Rode zone toerenteller
Met de elektrische toerenteller kan de motorrijder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden.
Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de toerenteller eenmaal helemaal uit tot aan het hoogste aantal toeren per minuut en keert daarna weer terug naar nul tpm om het elektrische circuit te testen.
DCA10031
LET OP:
Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst.
Rode zone: 9000 tpm en hoger
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU26861
Multifunctioneel display

- Multifunctioneel display
- "SELECT"-toets
- "RESET"-toets
Het multifunctionele display toont de volgende voorzieningen:
●een brandstofniveaumeter
●een temperatuurmeter koelvloeistof
- een kilometerteller (die de totale afgelegde afstand toont)
- twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul)
- een ritteller voor brandstofreserve (die de afstand aangeeft die wordt afgelegd op de brandstofreserve)
- een voorziening voor zelfdiagnose
•een klok
Kilometerteller- en rittellermodus
Door indrukken van de "SELECT"-toets wisselt de weergave tussen de kilometertellermodus "ODO" en de rittellermodi "TRIP", volgens onderstaande volgorde:
ODO → TRIP (boven) → TRIP (onder) → ODO
Als nog ca. 5.0 L (1.32 US gal) (1.10 Imp.gal) brandstof in de brandstoftank aanwezig is, wisselt het display automatisch naar "TRIP F", de brandstofreserve ritteller, en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangegeven. In dat geval wordt door het indrukken van de toets "SELECT" in onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers en kilometerteller:
TRIP F → TRIP (boven) → TRIP (onder) → ODO → TRIP F
Om de ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets "SELECT" te drukken en daarna de toets "RESET" minstens 1 seconde lang ingedrukt te houden. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemode weer.
Zelfdiagnosesysteem
Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor diverse elektrische circuits.
Als een van deze circuits uitvalt, toont het multifunctionele display een foutcode van 2 cijfers (bijv. 11, 12, 13).
Noteer zo'n foutcode als die op het multifunctionele display staat aangegeven en vraag een Yamaha dealer het voertuig na te zien.
DCA11790
LET OP:
Wanneer het multifunctionele display een foutcode aangeeft, moet het voertuig zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.
Dit model is ook uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het startblokkeersysteem.
Als een van de circuits van het startblokkeersysteem uitvalt, gaat het controlelampje startblokkering knipperen en toont het multifunctionele display een foutcode van twee cijfers (bijv. 51, 52, 53) wanneer de sleutel naar "ON" is gedraaid.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
OPMERKING:
Als het multifunctionele display foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.
- Start de motor met behulp van de co-deersleutel.
OPMERKING:
Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden ge- start.
- Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.
- Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.
Als het multifunctionele display foutcodes toont, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controle- ren.
Klokweergave
De klok op tijd zetten:
- Houd de toets "SELECT" en de toets "RESET" tegelijkertijd minstens twee seconden lang ingedrukt.
- Als de uuraanduiding begint te knippe-ren, drukt u op de "RESET"-toets om de uren in te stellen.
- Druk op de toets "SELECT" en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.
- Druk op de toets "RESET" om de minuten in te stellen.
- Druk op de "SELECT"-toets en laat deze dan los om de klok te starten.
DAU12330
Antidiefstal-alarmsysteem (optie)
Deze motor kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12343
Stuurschakelaars
Links

- Lichtsignaalschakelaar "≡D"
- Verstelknop kuipruit "1/2"
- Dimlichtschakelaar "ED"
- Richtingaanwijzerschakelaar "
- Claxonschakelaar "▶"
Rechts

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.
DAU12350
Zet deze schakelaar op "≡O" voor grootlicht en op "≡O" voor dimlicht.
DAU12400
Richtingaanwijzerschakelaar "←" → DAU12460
Druk deze schakelaar naar “→” om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar “←” om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.
DAU12460
Verstelknop kuipruit "12"
Om de kuipruit hoger te stellen, drukt u de knop in richting (a). Om de kuipruit lager te stellen, drukt u de knop in richting (b).

- Verstelknop kuipruit "12"
OPMERKING:
Als de motor wordt afgezet, beweegt de kuipruit automatisch terug naar de laagste stand.
DAU12500
Claxonschakelaar "
Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.
DAU12660
Noodstopschakelaar "A"
Zet deze schakelaar voor u de motor start op "○". Zet deze schakelaar op "×" om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12710
Startknop “ ≧”
Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien.
DCA10050
LET OP:
Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.
DAU12731
Schakelaar alarmverlichting "△"

- Schakelaar alarmverlichting "△"
Met de sleutel in de stand "ON" of "p ≤slant " kan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.
DCA10060
LET OP:
Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.
DAU12830
Koppelingshendel

- Koppelingshendel
- Pijlteken
- Stelwiel voor afstelpositie koppelingshendel
- Afstand tussen koppelingshendel en stuur- greep
De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.
De koppelingshendel is voorzien van een stelwiel voor het instellen van de stand van de koppelingshendel. Verstel de afstand tussen de koppelingshendel en de stuurgreep door het stelwiel te verdraaien terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt ge-
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
houden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het pijlteken op de koppelingshendel staat.
De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-19.)
DAU12870
Schakelpedaal

Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 5-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.
DAU26822
Remhendel
De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.

- Remhendel
- “△” -merkteken
- Stelwiel afstelpositie remhendel
- Afstand tussen remhendel en stuurgreep
De remhendel is voorzien van een stelwiel voor afstelpositie. Om de afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt het stelwiel gedraaid terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt gehouden. Controleer of het correcte instelpunt op het stelwiel tegenover het “△” merkteken op de remhendel staat.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU12941
Rempedaal

Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.
DAU26792
ABS (voor modellen met ABS)
Het Yamaha ABS (Anti-lock Brake System) bestaat uit een dubbel uitgevoerd elektronisch regelsysteem dat de voorrem en achterrem onafhankelijk aanstuurt. De ABS-werking wordt gecontroleerd door een ECU (Electronic Control Unit) die bij een systeemstoring uitgaat van handmatig remmen.
DWA10090
WAARSCHUWING
- Het ABS-systeem functioneert het meest effectief over lange remwegen.
-Op sommige wegtypen (ruw wegdek of grint) kan de remweg langer zijn dan bij remmen zonder ABS. Houd daarom steeds voldoende afstand tot uw voorligger, afgestemd op uw rijsnelheid.
OPMERKING:
●Wanneer ABS is geactiveerd, worden de remmen op de gebruikelijke wijze bediend. In de remhendel of het rempedaal kunnen pulsaties worden gevoeld, maar dat duidt niet op een storing.
- Dit ABS-systeem is uitgerust met een testfunctie, waarbij de motorrijder de pulsaties kan voelen in het rempedaal of in de remhendel terwijl ABS actief is. Er is echter speciaal gereedschap vereist, dus neem voor het uitvoeren van deze test contact op met uw Yamaha dealer.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13070
Tankdop

- Slotplaatje tankdop
- Ontgrendelen.
Openen van de tankdop
Open het slotplaatje op de tankdop, steek de sleutel in het slot en draai hem dan een kwartslag rechtsom. Het slot wordt ontgren-deld en de tankdop kan worden verwijderd.
Sluiten van de tankdop
- Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
- Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en sluit dan het slotplaatje.
OPMERKING:
De tankdop kan alleen worden gesloten met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct gesloten en vergrendeld is.
DWA11090
WAARSCHUWING
Controleer voor u gaat rijden of de tankdop correct is afgesloten.
DAU13210
Brandstof

Controleer of voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is. Vul de brandstoftank tot onderaan de vulpijp zoals getoond.
DWA10880
WAARSCHUWING
●Overvul de brandstoftank niet, anders zal benzine uitstromen zodra deze warm wordt en uitzet.
●Mors geen brandstof op een heet motorblok.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DCA10070
LET OP:
Veeg gemorste brandstof direct af met een schone, droge en zachte doek, de brandstof kan immers schade toebrengen aan de lak of aan kunststof onderdelen.
DAU13320
Voorgeschreven brandstof:
UITSLUITEND NORMALE LOOD-
VRIJE BENZINE
Inhoud brandstoftank:
25.0 L (6.61 US gal) (5.50 Imp.gal)
Brandstofreserve:
5.0 L (1.32 US gal) (1.10 Imp.gal)
DCA11400
LET OP:
Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.
Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van normale loodvrije benzine met een octaangetal van RON 91 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk of
gebruik loodvrije superbenzine. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.
DAU13410
Tankbeluchtingsslang

- Tankbeluchtingsslang
Alvorens de motorfiets te gebruiken:
- Controleer de aansluiting van de tank-beluchtingsslang.
- Controleer de tankbeluchtingsslang op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
- Controleer of het uiteinde van de tank-beluchtingsslang niet verstopt is en reinig die indien nodig.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU13430
Uitlaatkatalysator
Dit model is uitgerust met een uitlaatkatalysator.
DWA10860
WAARSCHUWING
Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
DCA10700
LET OP:
De volgende voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen om brand of andere schaderisico's te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.
●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlamvat.
●Laat de motor niet te lang aaneen stationair draaien.
Zadels
Bestuurderszadel
Verwijderen van het bestuurderszadel
- Steek de sleutel in het zadelslot en draai hem dan zoals afgebeeld.

- Slot bestuurderszadel
- Ontgrendelen.
- Trek het bestuurderszadel los.
Aanbrengen van het bestuurderszadel
- Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het bestuurderszadel in de zadelbevestiging zoals getoond, en druk dan de achterzijde van het zadel omlaag om te vergrendelen.
DAU14080

- Uitsteeksel
- Zadelbevestiging
- Neem de sleutel uit.
Duozadel
Verwijderen van het duozadel
- Verwijder het bestuurderszadel.
- Trek het duozadel omhoog.
Aanbrengen van het duozadel
- Steek het uitsteeksel aan de achterzijde van het duozadel in de zadelbevestiging zoals afgebeeld en druk dan de voorzijde van het zadel omlaag.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

- Uitsteeksel
- Zadelbevestiging
- Breng het bestuurderszadel aan.
OPMERKING:
Controleer of de zadels stevig zijn vergren- deld alvorens te gaan rijden.
DAU14411
Opbergcompartiment

Dit opbergcompartiment is bedoeld voor het opbergen van een origineel Yamaha U-slot. (Andere typen sloten passen mogelijk niet.) Bij het opbergen van een U-slot in het opbergcompartiment moet dit stevig met de riemen worden bevestigd. Als het U-slot niet in het opbergcompartiment is opgeborgen, maak dan de riemen vast om deze niet te verliezen.
Als de gebruikershandleiding of andere documentatie in het opbergcompartiment wordt opgeborgen, doe ze dan in een plastic zak om nat worden te voorkomen. Zorg bij het wassen van de motorfiets dat geen water het opbergcompartiment kan binnendringen.
DAU26882
Accessoirebox

De accessoirebox bevindt zich naast het instrumentenpaneel.
OPMERKING:
De accessoirebox kunt u alleen openen wanneer de contactsleutel naar "ON" is gedraaid en de versnellingsbak in de vrijstand staat.
DCA11800
LET OP:
Plaats geen hittegevoelige voorwerpen in de accessoirebox. De accessoirebox kan zeer heet worden, vooral wanneer de motor draait of warm is.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DWA11421
WAARSCHUWING
- Overschrijd het maximumlaadgewicht van 0.3 kg (0.66 lb) voor de accessoirebox niet.
- Overschrijd het maximumgewicht van FJR1300 201 kg (443 lb) FJR1300A 194 kg (428 lb) voor het voertuig niet.
DAU14731
Afstellen van de voorvork
Deze voorvork is voorzien van stelbouten voor veervoorspanning, stelknoppen voor uitveerdemping en stelschroeven voor in-veerdemping.
DWA10180
WAARSCHUWING
Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.
Veervoorspanning

- Stelbout veervoorspanning
Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a).
Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).
OPMERKING:
Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de vorkplug.

- Huidige instelling
- Vorkplug
Afstelling veervoorspanning:
Minimum (zacht):
6
Standaard:
4
Maximum (hard):
1
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
Uitveerdemping

- Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de uitveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop op beide vorkpoten in de richting (b).
Afstelling uitveerdemping:
Minimum (zacht):
17 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
12 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
Inveerdemping

- Stelschroef voor inveerdemping
Draai om de inveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de inveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).
Afstelling inveerdemping:
Minimum (zacht):
21 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
12 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
1 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
OPMERKING:
Door geringe productie-afwijkingen zal het totaal aantal klikken van een instelmechanisme voor veerdemping niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen; het werkelijke aantal klikken vormt echter wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het aan te raden het aantal klikken van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU14911
Afstellen van de schokdemperunit
Deze schokdemperunit is uitgerust met een stelhefboom voor veervoorspanning en een stelknop voor uitveerdemping.
DCA10100
LET OP:
Probeer nooit een stelmechanisme voorbij de maximum- of minimuminstelwaarden te verdraaien.
Veervoorspanning

- Stelhefboom veervoorspanning
Om zonder passagier te rijden, zet u de stelhefboom voor veervoorspanning in richting (b). Om met passagier te rijden, zet u de stelhefboom voor veervoorspanning in richting (a).
Uitveerdemping

- Stelknop voor uitveerdemping
Draai om de uitveerdemping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelknop in de richting (a). Draai om de uitveerdemping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelknop in de richting (b).
Afstelling uitveerdemping:
Minimum (zacht):
20 klik(ken) in de richting (b)*
Standaard:
10 klik(ken) in de richting (b)*
Maximum (hard):
3 klik(ken) in de richting (b)*
* Met de stelknop volledig gedraaid in de richting (a)
DWA10220
WAARSCHUWING
Deze schokdemper is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees en begrijp de volgende informatie alvorens de schokdemper te gebruiken. De fabrikant kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade aan eigendommen of voor persoonlijk letsel als dit voortvloeit uit verkeerd gebruik.
●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemper niet bloot aan open vuur of aan andere hittebronnen, anders kan deze door de oplopende druk exploderen.
●Vervorm of beschadig de gascilinder op geen enkele wijze, de dempende werking zal dan achteruitgaan.
●Laat onderhoud aan de schokdemper altijd uitvoeren door een Yamaha dealer.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
DAU15290
Sloten voor optionele zijkoffers en topkoffer

- Plastic zak voor sloten
In een plastic zak naast de boordgereedschapset zitten drie sloten. Als u de sloten in de door uw Yamaha dealer geleverde optionele zijkoffers en topkoffer vervangt door deze sloten, kun u deze bedienen met de contactsleutel. Berg deze sloten veilig op om ze niet te verliezen.
DAU15300
Zijstandaard
De zijstandaard bevindt zich aan de linkerzijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de motorfiets verticaal houdt.
OPMERKING:
De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie hierna voor een nadere uitleg over het startspersysteem.)
DWA10240
WAARSCHUWING
Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig zo- als hierna beschreven en laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.
DAU15321
Startspersysteem
Het startspersysteem (waarvan de sperschakelaar voor de zijstandaard, de sperschakelaar voor de koppelingshendel en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
- Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling geschakeld is en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
- Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.
Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig, ga daarbij als volgt te werk.
DWA10260
WAARSCHUWING
●Bij deze inspectie moet de machine op de middenbok worden gezet.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN
- Als zich een storing voordoet, vraag dan alvorens te gaan rijden een Yamaha dealer het systeem te controleren.
FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

flowchart
graph TD
A["Start de motor?"] -->|JA NEE| B["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| C["De sperschakelaar van de zijstandaard is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| D["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| E["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| F["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| G["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| H["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| I["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| J["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| K["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| L["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| M["De vrijstandschakelaar is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| N["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| O["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| P["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| Q["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| R["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| S["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| T["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| U["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| V["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| W["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| X["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| Y["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| Z["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AA["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AB["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AC["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AD["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AE["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AF["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AG["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AH["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
A -->|JA NEE| AI["De sperschakelaar van de koppelingshendel is mogelijk defect.<br>De motorfiets mag niet worden gebruikt voordat deze is nagekeken door een Yamaha dealer."]
CONTROLES VOOR HET STARTEN
DAU15591
De eigenaar is verantwoordelijk voor de conditie van zijn voertuig. Vitale onderdelen kunnen bijvoorbeeld bij blootstelling aan weer en wind vrij snel en onverwachts achteruitgaan, ook als de machine niet wordt gebruikt. Eventuele schade, vloeistoflekkage of het wegvallen van de bandspanning kan ernstige gevolgen hebben. Het is daarom van belang om voorafgaand aan elke rit een visuele inspectie uit te voeren en bovendien de volgende punten te controleren.
OPMERKING:
Voordat de machine wordt gebruikt moet telkens een korte algemene controle worden uitgevoerd. Zo'n inspectie neemt maar weinig tijd in beslag en de hiermee gegarandeerde veiligheid is die tijd alleszins waard.
DWA11150
4
WAARSCHUWING
Als een onderdeel uit de Controlelijst voor gebruik niet naar behoren werkt, laat het dan controleren en repareren alvorens de machine te gebruiken.
Controlelijst voor gebruik
DAU15603
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Brandstof | Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage. | 3-12 |
| Motorolie | Controleer het olieniveau in de motor.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage. | 6-9 |
| Cardanolie • Controleer de machine op olielekkage. 6-11 | ||
| Koelvloeistof | Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage. | 6-12 |
| Voorrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-20, 6-20 |
| Achterrem | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type remvloeistof bij tot aan het voorgeschroven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-20, 6-20 |
CONTROLES VOOR HET STARTEN
| ITEM CONTROLES | PAGINA | |
| Koppeling | Controleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het aanbevolen type vloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage. | 6-19, 6-20 |
| Gasgreep | Controleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de kabel.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de kabel af te stellen, en de kabel en het kabelhuis te smeren. | 6-15, 6-22 |
| Bedieningskabels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig. | 6-22 |
| Wielen en banden | Controleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig. | 6-16, 6-19 |
| Rem- en schakelpedalen | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten. | 6-23 |
| Rem- en koppelingshendels | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten. | 6-23 |
| Middenbok, zijstandaard | Controleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de scharnierpunten. | 6-24 |
| Framebevestigingen | Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast. | — |
| Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaars | Controleer de werking.Corrigeer indien nodig. | — |
| Sperschakelaar voor de zijstandaard | Controleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem defect is, vraag dan een Yamaha dealer de machine na te kijken. | 3-19 |
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU15950
DAU26801
DWA10270
WAARSCHUWING
●Zorg dat u volkomen vertrouwd bent met alle bedieningsfuncties en hun werking voordat u gaat rijden. Informeer bij een Yamaha dealer als u de werking van een schakelaar of functie niet volkomen begrijpt.
- Start de motor nooit in een afgesloten ruimte en laat deze hierin ook niet lange tijd aaneen draaien. Uitlaatgassen zijn giftig en het inademen ervan kan al binnen korte tijd leiden tot bewusteloosheid en do-delijk letsel. Controleer altijd of er voldoende ventilatie is.
- Controleer of de zijstandaard is ingetrokken alvorens weg te rijden. Als de zijstandaard niet behoorlijk is ingetrokken, kan deze de grond raken en zo de motorrijder afleiden, waardoor u de macht over het stuur verliest.
Starten van de motor
Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- De versnellingsbak staat in de vrijstand.
- De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
DWA10290
WAARSCHUWING
-
Controleer voor het starten van de motor de werking van het startspersysteem en volg daarbij de werkwijze beschreven op pagina 3-19.
●Ga nooit rijden terwijl de zijstandaard omlaag staat. -
Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "○" is gezet.
DCA11781
LET OP:
De volgende waarschuwingslampjes en het controlelampje moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.
●Waarschuwingslampje olieniveau
●Waarschuwingslampje motorstoring
●Controlelampje startblokkering
●ABS-waarschuwingslampje (voor modellen met ABS)
Als een waarschuwings- of controle-lampje niet dooft, zie dan pagina 3-3 voor een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controle-lampje.
- Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
OPMERKING:
Als de versnellingsbak in de vrijstand staat, moet het vrijstandcontrolelampje branden; zo niet, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.
- Start de motor door de startknop in te drukken.
OPMERKING:
Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden aaneen draaien.
DCA11040
LET OP:
Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
OPMERKING:
De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
DAU16671
Schakelen

- Schakelpedaal
- Vrijstand
Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.
De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.
OPMERKING:
Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.
DCA10260
LET OP:
●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
-Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU16810
Tips voor een zuinig brandstofverbruik
Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:
●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).
Inrijperiode
De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.
Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.
DAU16841
DAU17121
0–1000 km (0–600 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 5000 tpm draaien.
1000–1600 km (600–1000 mi)
Laat de motor niet langdurig meer dan 6000 tpm draaien.
DCA10331
LET OP:
Na de eerste 1000 km (600 mi) moeten de motorolie en cardanolie worden ververst en de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen.
1600 km (1000 mi) en verder
De machine kan nu normaal worden gebruikt.
DCA10310
LET OP:
●Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
- Als tijdens de inrijperiode motor-schade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.
GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE
DAU17212
Parkeren
Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.
DWA10310
! WAARSCHUWING
- De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen.
●Parkeer niet op een helling of op een zachte ondergrond, de machine zou dan kunnen omvallen.
DCA10380
LET OP:
Parkeer nooit op een plek waar sprake is van brandgevaar, zoals op droog gras of nabij ander ontvlambaar materiaal.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17240
De eigenaar is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, afstellingen en smeerbeurten gegeven.
De intervalperioden vermeld in het periodiek smeer- en onderhoudsschema moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities Het is echter mogelijk dat de INTERVALPERIODEN VOOR ONDERHOUD MOETEN WORDEN VERKORT AFHANKELIJK VAN HET WEER, HET TERREIN, DE GEOGRAFISCHE LOCATIE EN INDIVIDUEEL GE-BRUIK.
DWA10320

WAARSCHUWING
Vraag een Yamaha dealer het onderhoudswerk uit te voeren als u hiermee niet echt vertrouwd bent.
DAU17360
Boordgereedschapset

De boordgereedschapset is te vinden onder het motorrijderzadel. (Zie pagina 3-14.) De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel kan echter nodig zijn om bepaalde onderhoudswerkzaamheden correct uit te voeren.
OPMERKING:
Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.
DWA10350
WAARSCHUWING
Door modificaties die niet door Yamaha zijn goedgekeurd kan het motorvermogen achteruitgaan of de machine te onveilig worden om nog te gebruiken Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u zelf wijzigingen aanbrengt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Periodiek smeer- en onderhoudsschema
DAU17705
OPMERKING:
- De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis wordt verricht.
●Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km, beginnend vanaf 10000 km. - Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.
| NR. | ITEM CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) JAAR-LIJKSECON-TROLE | ||||||
| 1 | 1 | 0 | 2 | 0 | ||||
| 1 | * | Brandstofleiding | • Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | |
| 2 | * | Bougies | • Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand afstellen. | √ | √ | |||
| • Vervangen. √ √ | ||||||||
| 3 | * | Ventielen | • Controleer de klepspeeling.• Afstellen. | Elke 40000 km | ||||
| 4 | Luchtfilterelement | • Reinigen. | √ | √ | ||||
| • Vervangen. √ √ | ||||||||
| 5 | * | Koppeling | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| 6 | * | Voorrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ |
| • Vervang de remblokken. | Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 7* | Achterrem | • Controleer de werking en het vloeistofniveau en contro-leer de machine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| • Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt | |||||||||
| 8* | Remslangen | • Controleer op scheurtjes en beschadigingen. √ √ | √ | √ | √ | ||||
| • Vervangen. Elke 4 jaar | |||||||||
| 9 | * | Wielen | • Controleer de speling en controleer op beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 10 | * | Banden | • Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig. | √ | √ | √ | √ | ||
| 11 | * | Wiellagers | • Controleer op speling of beschadigingen. | √ | √ | √ | √ | ||
| 12 | * | Achterbrug | • Controleer op een correcte werking en overmatige spe-ling. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Smeren met lithiumvet. Elke 50000 km | |||||||||
| 13 | * | Balhoofdlagers | • Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| • Smeren met lithiumvet. Elke 20000 km | |||||||||
| 14 | * | Framebevestigingen | • Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet. | √ | √ | √ | √ | ||
| 15 | Zijstandaard, midden-bok | • Controleer de werking.• Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 16 | * | Zijstandaardschakelaar | • Controleer de werking. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 17 | * | Voorvork | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| 18 | * | Schokdemperunit | • Controleer op een correcte werking en olielekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
| NR. | ITEM | CONTROLE OF ONDERHOUDSBEURT | KILOMETERSTAND (× 1000 km) | JAAR-LIJKSE CON-TROLE | |||||
| 1 | 10 | 20 | 30 | 40 | |||||
| 19 | * | Relaisarm achterwie-lophanging en schar-nierpunten verbindingsarm | • Controleer de werking. √ √ √ √ | ||||||
| • Smeren met lithiumvet. √ √ | |||||||||
| 20 | * | Elektronisch brandsto-finjectiesysteem | • Stel het stationair toerental en de synchronisatie af. | √ | √ | √ | √ | √ | √ |
| 21 | Motorolie | • Verversen.• Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 22 | Oliefilterpatroon | • Vervangen. | √ | √ | √ | ||||
| 23 | * | Koelsysteem | • Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de ma-chine op vloeistoflekkage. | √ | √ | √ | √ | ||
| • Verversen. Elke 3 jaar | |||||||||
| 24 | Cardanolie | • Controleer het olieniveau en controleer de machine op olielekkage.• Verversen. | √ | √ | √ | √ | √ | ||
| 25 | * | Voor- en achterrem-schakelaar | • Controleer de werking. √ √ √ √ √ | √ | |||||
| 26 | Bewegende delen en kabels | • Smeren. | √ | √ | √ | √ | |||
| 27 | * | Gaskabelhuis en gas-kabel | • Controleer de werking en speling.• Stel indien nodig de speling af.• Smeer het gaskabelhuis en de gaskabel. | √ | √ | √ | √ | ||
| 28 | * | Uitlaatdemper en uit-laatpijp | • Controleer of de schroefklem goed vastzit. | √ | √ | √ | √ | √ | |
| 29 | * | Lampen, richtingaan-wijzers en schakelaars | • Controleer de werking.• Stel de koplampichtbundel af. | √ | √ | √ | √ | √ | |
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU17670
OPMERKING:
- Het luchtfilter dient vaker te worden gecontroleerd wanneer u in een extreem vochtige of stoffige omgeving rijdt.
-
Onderhoud aan hydraulisch rem- en koppelingssysteem
-
Controleer regelmatig het rem- en koppelingsvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
- Vervang de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en remklauwen en van de koppelingshoofdcilinder en -werkcilinder na elke twee jaar en ververs dan ook de rem- en de koppelingsvloeistof.
- Vervang de rem- en koppelingsslangen na elke vier jaar of als ze zijn gescheurd of beschadigd.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU18771
Panelen verwijderen en aanbrengen
Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden die in dit hoofdstuk worden beschreven, moeten de afgebeelde panelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf telkens door om een paneel te verwijderen of aan te brengen.

- Paneel A
- Paneel B
- Paneel C
- Paneel D

Verwijderen van het paneel
Verwijder de bouten en de snelsluitschroeven en haal dan het paneel los.

- Bout
- Snelsluitschroef
Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten en snelsluit-schroeven aan.
DAU19312
Panelen B en C
Om een van de panelen te verwijderen
- Verwijder paneel A (als u paneel B verwijdert) of paneel D (als u paneel C verwijdert).
- Verwijder de drukclip door de pen op het midden in te drukken.
- Verwijder de bouten en haal het pa- neel los.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

Aanbrengen van het paneel
-
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie, zet de drukclip vast en breng dan de bouten aan.
-
Monteer paneel A (om installatie van paneel B af te maken) of paneel D (om installatie van paneel C af te maken).
DAU19193
Paneel D
Verwijderen van het paneel
Verwijder de bouten en haal het paneel los.

Aanbrengen van het paneel
Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.
DAU33370
Panelen E en F
Om een van de panelen te verwijderen
-
Verwijder de zadels. (Zie pagina 3-14.)
-
Verwijder de bouten, de snelsluit-schroef en de drukclips en haal dan het paneel los.

- Bout
- Snelsluitschroef
- Drukclip
Aanbrengen van het paneel
- Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie, breng de drukclips en de snelsluitschroef aan en zet de bouten vast.
- Breng de zadels aan.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU19641
Controleren van de bougies
Bougies vormen belangrijke onderdelen van de motor die periodiek moeten worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.
De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden), en alle bougies in de motor horen dezelfde verkleuring te hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, is de motor mogelijk defect. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw motorfiets nakijken door een Yamaha dealer.
Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige koolaanslag of andere neerslag gevonden wordt.
Voorgeschreven bougie:
NGK/CR8E
DENSO/U24ESR-N
Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.
verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.

Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.
Aanhaalmoment:
Bougie:
12.5 Nm (1.25 m·kgf, 9.0 ft·lbf)
OPMERKING:
Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4-1/2 slag
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU19881
Motorolie en oliefilterpatroon
Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om het motorolieniveau te controleren
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING:
Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het motorlieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Wacht een paar minuten tot de olie tot rust is gekomen en controleer dan het olieniveau via het kijkglas linksonder in het carter.
OPMERKING:
Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

- Kijkglas olieniveau
- Merkstreep maximumniveau
- Merkstreep minimumniveau
- Als de motorolie beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, vul dan voldoende olie, van de aanbevolen soort, bij tot het correcte niveau.
Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon)
- Start de motor, laat hem een paar minuten warmdraaien en zet hem dan uit.
- Zet een oliecarter onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievuldop en de aftap- plug om de olie uit het carter te laten stromen.

- Olievuldop
- Oliefilterpatroon
- Olieaftapplug
OPMERKING:
Sla de stappen 4–6 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.
- Verwijder de oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Oliefilterpatroon
- Oliefiltersleutel
OPMERKING:
De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel leveren.
- Smeer een dun laagje motorolie op de o-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.

Zorg dat de o-ring goed correct aanligt.
- Plaats de nieuwe oliefilterpatroon en zet deze dan met een momentsleutel vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

- Oliefilterpatroon
- Momentsleutel
Aanhaalmoment:
Oliefilterpatroon:
17 Nm (1.7 m·kgf, 12 ft·lbf)
- Breng de olieaftapplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
OPMERKING:
Controleer of de onderlegring beschadigd is en vervang indien nodig.
Aanhaalmoment:
Olieaftapplug:
43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)
- Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, monteer dan de olievuldop en zet deze vast.
Aanbevolen motorolie:
Zie pagina 8-1.
Oliehoeveelheid:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
3.80 L (4.02 US qt) (3.34 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
4.00 L (4.23 US qt) (3.52 Imp.qt)
DCA11620
LET OP:
- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht komen.
- Start de motor, laat hem een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.
OPMERKING:
Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan, als het olieniveau correct is.
DCA10400
LET OP:
Zet de motor direct af als het waarschu- wingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat de machine controleren door een Yamaha dealer.
- Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
DAU20011
Cardanolie
Vóór elke rit moet het cardanhuis worden gecontroleerd op olielekkage. In geval van lekkage dient u de machine door een Yamaha dealer te laten nakijken en repareren. Bovendien dient de cardanolie als volgt te worden ververst op de aangegeven tijdstippen in het periodieke onderhouds- en smeerschema.
DWA10370
WAARSCHUWING
●Zorg ervoor dat geen verontreini-
gingen het cardanhuis kunnen bin-
nendringen.
●Zorg dat er geen olie op de banden of wielen terechtkomt.
Controleren van het olieniveau in het cardanhuis
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING:
-
Het olieniveau in het cardanhuis moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het motorolieniveau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Verwijder de olievulplug en controleer het olieniveau in het cardanhuis.
OPMERKING:
Het olieniveau moet bij de rand van de vulo- pening staan.

- Vulplug cardanolie
- Aftapplug cardanolie
-
Correct olieniveau
-
Als de olie onder de rand van de vulopening staat, vul dan genoeg olie van de aanbevolen soort bij tot het correcte niveau.
-
Breng de olievulplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aan-haalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie:
23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Verversen van de cardanolie
- Plaats een oliecarter onder het cardanhuis om de gebruikte olie op te vangen.
- Verwijder de olievulplug en de aftap- plug om de olie uit het cardanhuis af te tappen.
- Breng de olieaftapplug voor het cardanhuis aan en zet hem vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.
Aanhaalmoment:
Aftapplug cardanolie: 23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Vul de aanbevolen cardanolie bij tot aan de rand van de vulopening.
Aanbevolen cardanolie:
Cardanolie (Onderdeelnr.: 9079E-SH001-00)
Oliehoeveelheid:
- Breng de olievulplug aan en zet deze dan vast met het voorgeschreven aan-haalmoment.
Aanhaalmoment:
Vulplug cardanolie: 23 Nm (2.3 m·kgf, 17 ft·lbf)
- Controleer het cardanhuis op olielekkage. Zoek in geval van lekkage naar de oorzaak.
DAU20070
Koelvloeistof
Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU20261
Controleren van het koelvloeistofniveau
Voor iedere rit moet als volgt het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Zet de machine op de middenbok.
OPMERKING:
-
Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen. -
Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
OPMERKING:
Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

- Merkstreep maximumniveau
- Merkstreep minimumniveau
- Als de koelvloeistof bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, verwijder dan de bout, open het deksel over de reservoirdop en open de reservoirdop zelf.

- Bout
- Deksel dop koelvloeistofreservoir
-
Dop koelvloeistofreservoir
-
Vul koelvloeistof of gedistilleerd water bij om het koelvloeistofniveau tot aan de merkstreep voor maximumniveau te brengen; sluit dan de reservoirdop en het reservoirdeksel en breng de bout aan.
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximumni-veau):
●Als er geen koelvloeistof voorhanden is, gebruik in plaats daarvan dan gedistilleerd water of zacht lei-
dingwater. Gebruik geen hard water of zout water, hierdoor kan de motor worden beschadigd.
●Wanneer water werd gebruikt in plaats van koelvloeistof, ververs dan zo snel mogelijk met koelvloeistof, anders wordt de motor onvoldoende gekoeld en is het koelsysteem niet beschermd tegen bevriezing en corrosie.
●Als water aan de koelvloeistof is toegevoegd, vraag dan zo snel mogelijk een Yamaha dealer het antivries percentage van de koelvloeistof te controleren, anders zal de koelvloeistof minder effectief zijn.
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
OPMERKING:
- De radiatorkoelvin schakelt automatisch aan of uit, afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof in de koelvloeistofradiator.
●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-32 nadere instructies vermeld.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
De koelvloeistof verversen
DAU33030
DWA10380
WAARSCHUWING
Verwijder de koelvloeistofradiator-vuldop nooit terwijl de motor nog heet is.
De koelvloeistof moet volgens de interval- perioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema ververst worden. Laat de koelvloeistof verversen door een Yamaha dealer.
DAU20470
Reinigen van het luchtfilterelement
Het luchtfilterelement moet worden gereinigd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Reinig het luchtfilterelement vaker als u in zeer stoffige of vochtige gebieden rijdt.
- Verwijder het paneel E. (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder de luchtinlaatkap door de snelsluitschroeven los te halen.

- Luchtinlaatrooster
- Snelsluitschroef
- Verwijder het luchtfilterdeksel door de schroeven te verwijderen.

- Luchtfilterdeksel
-
Schroef
-
Trek het luchtfilterelement los.

- Luchtfilterelement
- Geef een paar tikjes tegen het luchtfilterelement om het meeste stof en vuil te verwijderen en blaas dan het nog achtergebleven vuil weg met perslucht zoals afgebeeld. Vervang het luchtfilterelement als dit beschadigd is.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Steek het luchtfilterelement in het luchtfilterhuis.
DCA10480
LET OP:
-
Controleer of het luchtfilterelement correct in het luchtfilterhuis is geplaatst.
●Laat de motor nooit draaien zonder dat het luchtfilterelement aanwezig is, dat kan leiden tot overmatige slijtage bij de zuiger(s) en/of de cilinder(s). -
Monteer het luchtfilterdeksel door de schroeven aan te brengen.
- Monteer de luchtinlaatkap door de snelsluitschroeven aan te brengen.
- Monteer het paneel.
DAU21310
Controleren van stationair toerental
Het stationair toerental moet als volgt worden gecontroleerd en indien nodig door een Yamaha dealer afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Start de motor en laat deze gedurende enkele minuten warmdraaien op 1000-2000 tpm, waarbij u het toerental af en toe opdrijft tot 4000-5000 tpm.
OPMERKING:
De motor is voldoende warm als deze snel reageert op de gasbediening.
Stationair motortoerental: 1000–1100 tpm
DAU21381
Controleren van de vrije slag gaskabel

De vrije slag van de gaskabel dient 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen bij de gasgreep. Controleer de vrije slag van de gaskabel regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21401
DAU21771
Klepspeiling
De klepspeeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Banden
Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
Bandspanning
De bandspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.
DWA10500
WAARSCHUWING
- De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
- De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.
Bandspanning (gemeten op koude banden):
0–90 kg (0–198 lb):
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Rijden met hoge snelheid:
Voor
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Maximale belasting*:
FJR1300 201 kg (443 lb)
FJR1300A 194 kg (428 lb)
* Totaal gewicht van motorrijder, passagier, bagage en accessoires
DWA11020
WAARSCHUWING
De aanwezigheid van bagage heeft grote invloed op het weggedrag, de rem- en rij-eigenschappen en de veiligheid van uw motor. Neem daarom de volgende voor-zorgsmaatregelen in acht.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
- DE MOTORFIETS NOOIT OVERBELADEN! Rijden met een overbeladen motorfiets kan leiden tot beschadiging van de banden, controleverlies of ernstig letsel. Zorg dat het totale gewicht van de motorrijder, de passagier, de bagage en de gemonteerde accessoires nooit het voorgeschreven maximumlaadgewicht voor de machine overschrijdt.
●Vervoer geen los verpakte spullen die tijdens de rit kunnen gaan schuiven. - Bevestig de zwaarste spullen op veilige wijze dicht bij het midden van de motorfiets en verdeel het gewicht over beide zijden.
●Pas de luchtdruk in de wielophanging en de bandspanning aan op het te vervoeren gewicht. - Controleer vóór iedere rit de conditie en spanning van de banden.
Inspectie van banden

- Wang van band
- Bandprofieldiepte
Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.
Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):
1.6 mm (0.06 in)
OPMERKING:
De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.
DWA10470
WAARSCHUWING
●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Bandeninformatie

- Bandventiel
- Bandventielbuis
- Bandventieldop met afdichting
Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen en tubeless banden met bandventielen.
DWA10480
WAARSCHUWING
- De banden op de voor- en achterwielen dienen van hetzelfde merk en dezelfde constructie te zijn, anders is het weggedrag van de motor mogelijk niet normaal.
●Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd. - Controleer altijd of de ventieldopjes stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.
-Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtventielbuisjes om bij hoge rijselheden een te lage bandspanning te voorkomen.
Voorband:
Maat:
Deze motorfiets is uitgerust met speciale banden die geschikt voor zeer hoge rij-snelheden. Let op het volgende om deze banden zo effectief mogelijk te kunnen gebruiken.
-Gebruik bij vervanging uitsluitend het voorgeschreven type banden. Bij andere banden is het risico op een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
●Gloednieuwe banden bieden op sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn "ingereden". Het is dan ook verstandig de eerste 100 km (60 mi) nadat een nieuwe band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
- Voordat met hoge snelheid wordt gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
●Pas de bandspanning steeds aan volgens de rijomstandigheden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU21960
Gietwielen
Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.
- Controleer de velgen voor iedere rit op scheurtjes, verbuiging of kromtrekken. Laat ingeval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haar-scheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren, of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.
DAU22071
Vrije slag van koppelingshendel
Omdat dit model is uitgerust met een hydraulische koppelingsbediening, hoeft de vrije slag van de koppelingshendel niet te worden afgesteld. Wel moeten voor elke rit het niveau van de koppelingsvloeistof en het hydraulisch systeem op lekkage worden gecontroleerd. Misschien zit er lucht in het koppelingsystem als de koppelingshendel te veel vrije slag heeft en schakelen moeizaam gaat, of als de koppeling slipt en de machine slecht accelereert. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, moet het systeem door een Yamaha dealer worden ontlucht voordat de motorfiets wordt gebruikt.
DAU22270
Remlichtschakelaar afstellen

De remlichtschakelaar, die wordt geactiveerd door het rempedaal, is correct afgesteld wanneer het remlicht gaat branden vlak voordat de remwerking intreedt. Stel indien nodig de remlichtschakelaar als volgt af.
Terwijl de stelmoer wordt gedraaid, moet de remlichtschakelaar op zijn plaats worden gehouden. Draai de stelmoer in de richting (a) om het remlicht eerder te laten branden. Draai de stelmoer in de richting (b) om het remlicht later te laten branden.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22390
Controleren van voor- en achterremblokken
De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
DAU22420
Remblokken voorrem

- Slijtage-indicatorgroef remblok
Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicatorgroef, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroef om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-indicatorgroef vrijwel is verdwenen, vraag dan een Yamaha-dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22500
Remblokken achterrem

Controleer elk achterremblok op schade en meet de remvoeringsdikte. Als een remblok beschadigd is of als de remvoeringsdikte minder is dan 0.8 mm (0.03 in), vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.
DAU22680
Niveaus van rem- en koppelingsvloeistof controleren
Voorrem

Bij een tekort aan remvloeistof kan lucht de rem- of koppelingsystemen binnendringen, waarna deze mogelijk minder effectief zullen werken.
Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat en vul indien nodig bij. Een laag remvloeistofniveau wijst mogelijk op verregaande remblokslijtage en/of lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofniveau laag is, controleer dan de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage.
OPMERKING:
Het remvloeistofreservoir voor de achterrem bevindt zich achter paneel F. (Zie pagina 6-6.)
Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:
- Bij het controleren van het vloeistofni-veau moet het bovenvlak van het remof koppelingvloeistofreservoir horizontaal staan.
- Gebruik uitsluitend de voorgeschreven kwaliteit remvloeistof, anders kunnen de rubber afdichtingen verslechteren en zo lekkage en slechte werking van rem of koppeling teweegbrengen.
Voorgeschreven rem- en koppelings- vloeistof:
DOT 4 remvloeistof
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Bij vermengen van verschillende typen remvloeistof kunnen schadelijke chemische reacties optreden en kan de werking van rem of koppeling verslechteren.
●Als het vloeistofniveau te ver daalt, raakt het vloeistofmembraan vervormd door de toenemende onderdruk. Breng het membraan terug in de oorspronkelijke vorm alvorens aan te brengen in het reservoir voor rem- of koppelingsvloeistof.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het reservoir voor rem- of koppelingsvloeistof kan binnendrin-
gen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zo- dat dampbelvorming kan optreden.
- Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen aantasten. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.
●Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Vraag echter wel een Yamaha dealer om een inspectie als het remvloeistofniveau plotseling sterk is gedaald.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU22750
Rem- en koppelingsvloeistof verversen
Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof en de koppelingsvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING bij het periodieke meer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinder en de koppelingshoofdcilinder, de remklauwen en de rem- en koppelingsslangen vervangen volgens de hierna vermelde intervalperioden of wanneer ze lekken of zijn beschadigd.
- Oliekeerringen: Vervang elke twee jaar.
- Rem- en koppelingslangen: Vervang elke vier jaar.
DAU23100
Controleren en smeren van kabels
De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt.
Aanbevolen smeermiddel: Motorolie
DWA10720
WAARSCHUWING
Bij schade aan de buitenkabel kan de goede werking van de kabel worden belemmerd en kan de binnenkabel gaan roesten. Vervang een beschadigde kabel zo snel mogelijk om onveilige condities te voorkomen.
DAU23110
Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel
De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Smeer of vervang ook de gaskabel volgens de intervaltijden gespecificeerd in het periodiek onderhoudsschema.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23131
Controleren en smeren van rem-
en schakelpedalen

Controleren en smeren van rem-
en koppelingshendels
Remhendel

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23210
Controleren en smeren van middenbok en zijstandaard

De werking van de middenbok en de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de scharnierpunten en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.
DWA10740
WAARSCHUWING
Als de middenbok of de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet (universeel vet)
DAUM1650
De achterbrugscharnierpunten smeren

Het achterbrugscharnierpunt moet worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
DAU23250
Smeren van de
achterwielophanging

De scharnierpunten in de achterwielophanging moeten worden gesmeerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DAU23271
Voorvork controleren
De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
Om de conditie te controleren
DWA10750
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.
Om de werking te controleren
- Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
- Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.
DAU23280
Controle van stuursysteem
Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuur moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.
- Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond.
WAARSCHUWING
Zorg dat de motorfiets veilig wordt ondersteund, zodat hij niet kan omvallen.
- Houd de voorvorkpoten beet bij het on- dereinde en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling kan worden gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te testen.

Controleren van wiellagers
De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.
DAU23400
Accu

- Accu
- Positieve accupool
- Negatieve accupool
De accu bevindt zich onder panelen C en D. (Zie pagina 6-6.)
Deze machine is uitgerust met een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) waarvoor geen onderhoud vereist is. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld.
Om de accu op te laden
Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontla- den raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.
DWA10760
WAARSCHUWING
- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.
- UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
- INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
- OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.
- Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
- HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUITEN BEREIK VAN KINDEREN.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Om de accu op te bergen
- Verwijder de accu als de machine langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek.
- Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
- Laad de accu volledig bij alvorens te installeren.
- Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.
DCA10630
LET OP:
●Zorg dat de accu altijd geladen blijft. Door een accu in ontladen toestand weg te bergen kan permanente accuschade ontstaan.
- Om een permanent-dichte accu (onderhoudsvrij type) te laden, is een speciale acculader (met constante laadspanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd. Wanneer u niet beschikt over een speciale acculader voor permanent-dichte
accu's (onderhoudsvrij type), vraag dan een Yamaha dealer uw accu op te laden.
DAU23653
Zekeringen vervangen

- Zekering elektronisch brandstofinjectiesysteem
- Reservezekering elektronisch brandstofinjectiesysteem
Het zekeringenkastje met de zekeringen voor afzonderlijke circuits bevindt zich onder paneel A. De zekering voor het elektronisch brandstofinjectiesysteem, de hoofdzekering en de zekering voor de ABS-motor bevinden zich onder paneel D. De hoofdzekering en de zekering voor de ABS-motor bevinden zich naast de accu. (Zie pagina 6-6.)
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

- Koplampzekering
- Zekering signaleringssysteem
- Zekering ontstekingssysteem
- Zekering kuipruitstelmotor
- Zekering radiatorkoelvin
- Backup-zekering (voor kilometerteller, klok en startblokkeersysteem)
- Reservezekering
- Zekering alarmverlichtingssysteem
- Zekering ABS-regeleenheid (voor modellen met ABS)
10.Zekering parkeerlichten

- Hoofdzekering
- Zekering ABS-motor (voor modellen met ABS)
- Reservezekering ABS-motor (voor modellen met ABS)
Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.
- Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
- Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan.
Voorgeschreven zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
25.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering kuipruitmotor:
2.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
Circuitzekering alarmverlichtingssys-
teem:
7.5 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 A
Zekering elektronisch gestuurde
brandstofinspuiting:
15.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
FJR1300A 7.5 A
Zekering ABS-motor:
FJR1300A 30.0 A
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
DCA10640
LET OP:
Gebruik geen zekering met een hoger ampèrage dan is voorgeschreven, om ernstige schade aan het elektrisch systeem en mogelijk brandgevaar te vermijden.
- Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
- Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.
DAU23900
Koplampgloeilamp vervangen
De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplamp-gloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder paneel B (als u de linker koplampgloeilamp vervangt) of paneel C (als u de rechter koplampgloeilamp vervangt). (Zie pagina 6-6.)
- Maak de koplampstekker los en verwijder dan de gloeilampkap.

- Koplampstekker
- Gloeilampkap
- Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

Koplampgloeilampen worden zeer heet. Houd daarom brandbare producten uit de buurt van een koplampgloeilamp en raak het lampglas niet aan zolang dit niet is afgekoeld.
- Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.
DCA10650
LET OP:
Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:
●Koplampgloeilamp
Raak het glas van de koplampgloei-lamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de le-
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
vensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.
●Koplamplens
Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.
Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.

-
Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
-
Breng de gloeilampkap aan en sluit dan de koplampstekker aan.
- Monteer het paneel.
- Vraag indien nodig een Yamaha-dealer de koplamplichtbundel af te stellen.
DAU27000
Gloeilampen voor de achterste richtingaanwijzer of het achterlicht/remlicht vervangen
- Verwijder het duozadel. (Zie pagina 3-14.)
- Verwijder de lampfitting (samen met de gloeilamp) door deze linksom te draaien.

- Fitting gloeilamp richtingaanwijzer
-
Gloeilampfitting remlicht/achterlicht
-
Verwijder de defecte gloeilamp door deze linksom te draaien.
- Breng een nieuwe gloeilamp aan in de fitting, druk de lamp aan en draai rechtsom tot hij stuit.
- Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze rechtsom te draaien.
- Installeer het duozadel.
DAU27010
Vervangen van een parkeerlichtgloeilamp
Dit model is voorzien van twee parkeerlichten. Vervang een parkeerlichtgloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.
- Verwijder paneel B (als u de linker parkeerlichtgloeilamp vervangt) of paneel C (als u de rechter parkeerlichtgloeilamp vervangt). (Zie pagina 6-6.)
- Verwijder de parkeerlichtlampfitting (samen met de kabelboomstekker) door de fitting linksom te draaien.

- Fitting parkeerlichtgloeilamp
- Parkeerlichtstekker
- Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES

-
Gloeilamp parkeerlicht
-
Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
- Monteer de parkeerlichtlampfitting (samen met de kabelboomstekker) door deze in te drukken en rechtsom te draaien.
DAU25870
Problemen oplossen
Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.
In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de machine correct te verrichten.
Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Storingzoekschema's
Startproblemen of slechte werking van de motor
DAU25911
WAARSCHUWING
DWA10840
Houd open vuur uit de buurt en rook niet terwijl het brandstofsysteem wordt getest of hieraan wordt gewerkt.
1. Brandstof
Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.
Er is voldoende brandstof aanwezig.
Controleer de compressie.
Er is geen brandstof aanwezig.
Vul brandstof bij.
De motor start niet. Controleer de compressie.
2. Compressie
Bedien de elektrische startknop.
Er is compressie.
Controleer de ontsteking.
Er is geen compressie.
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
3. Ontsteking
Verwijder de bougies en controleer de elektroden.
Nat
Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies.
Draai de gasgreep tot halverwege open en bedien de elektrische startknop.
Droog
Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
De motor start niet. Controleer de accu.
4. Accu
Bedien de elektrische startknop.
De motor draait snel rond.
De motor draait langzaam rond.
De accu is in orde.
Controleer de aansluitingen van de accukabels en laad de accu indien nodig.
De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.
PERIODIEK ONDERHOUD EN KLEINERE REPARATIES
Oververhitte motor
DWA10400
WAARSCHUWING
- Verwijder de koelvloeistofradiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kan naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
- Breng na verwijderen van de borgbout voor de radiatorvuldop een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

flowchart
graph TD
A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."]
B --> C["Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage."]
B --> D["Het koelvloeistofniveau is in orde."]
C --> E["Er is lekkage."]
C --> F["Er is geen lekkage."]
E --> G["Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren."]
F --> H["Vul koelvloeistof bij. (Zie OPMERKING.)"]
H --> I["Start de motor. Vraag een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren en te repareren als de motor opnieuw oververhit raakt."]
OPMERKING:
Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26060
Verzorging
De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook meer kwetsbaar. Er kan sprake zijn van roestvorming en corrosie, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, bij een motorfiets is dit echter nadelig voor de algehele aanblik. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar verzekert ook een fraai uiterlijk van de machine, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.
Alvorens te reinigen
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met plastic zakken nadat de motor is afgekoeld.
- Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
- Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen en wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.
Reinigen
DCA10770
LET OP:
●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel het betreffende gebied grondig schoon met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.
●Bij verkeerd reinigen kunnen de kuipruit, de stroomlijnpanelen, framepanelen en andere kunststof delen worden beschadigd. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om kunststof delen te reinigen.
- Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine),
roestverwijderingsmiddelen of corrosieremmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
- Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtings- en ontluchtingsslangen.
●Bij motorfietsen met een kuipruit: gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
Na normaal gebruik
Verwijder vuil met warm water, zachte zeep en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of een flessenborstel op moeilijk bereikbare plekken. Hardnekkig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvorens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.
Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen
Zeelucht en wegenzout waarmee wegen 's winters worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.
OPMERKING:
's Winters gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.
- Reinig de motorfiets met koud water en zachte zeep nadat de machine is afgekoeld.
DCA10790
LET OP:
Gebruik geen heet water, dit versterkt de corrosieve werking van het zout.
- Laat de motorfiets drogen en breng dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
Na reiniging
-
Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
-
Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te doen glanzen, ook het uitlaatsysteem. (Zelfs thermische verkleuringen op roestvrijstalen uitlaatsystemen kunnen door oppoetsen worden verwijderd.)
-
Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
-
Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om eventueel nog achtergebleven vuil te verwijderen.
-
Werk kleine lakbeschadigingen bij veroorzaakt door steenslag e.d.
-
Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
-
Laat de motorfiets volledig drogen alvorens te stallen of af te dekken.
DWA11130
WAARSCHUWING
- Controleer of er geen olie of was op de wielen of de remmen zit.
●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de motorfiets in bochten voordat u de snelheid opvoert.
DCA10800
LET OP:
- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.
- Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.
OPMERKING:
Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS
DAU26240
Stalling
Korte termijn
Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes.
DCA10810
LET OP:
●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.
Lange termijn
Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:
-
Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.
-
Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.
- Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.)
e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan.
DWA10950
WAARSCHUWING
Om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen, moeten de bougie-elektroden aan massa liggen terwijl de motor wordt rondgedraaid.
- Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.
- Controleer de bandspanning en corri- geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een an- dere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de ban- den niet op één gedeelte sterker ach- teruitgaan.
- Dek de uitlaatdemperopeningen af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
- Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad hem eens per maand bij. Berg de accu niet op een zeer warme of koude plek op [minder dan 0 °C (30 °F) of meer dan 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-26 voor meer informatie over het opbergen van de accu.
OPMERKING:
Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.
Afmetingen:
Totale lengte:
2195 mm (86.4 in)
Totale breedte:
760 mm (29.9 in)
Totale hoogte:
1435 mm (56.5 in)
Zadelhoogte:
805 mm (31.7 in)
Wielbasis:
1515 mm (59.6 in)
Grondspeling:
135 mm (5.31 in)
Kleinste draaicirkel:
3100 mm (122.0 in)
Gewicht:
Incl. olie en brandstof:
Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC
Cilinderopstelling:
4-cilinder, parallel vooroverhellend
Slagvolume:
1298.0 cm³ (79.20 cu.in)
Boring × slag:
79.0 × 66.2 mm (3.11 × 2.61 in)
Compressieverhouding:
10.80:1
Startsysteem:
Aanbevolen kwaliteit motorolie:
API service type SE, SF, SG of hoger
Hoeveelheid motorolie:
Zonder vervanging van oliefilterpatroon:
3.80 L (4.02 US qt) (3.34 Imp.qt)
Met vervanging van oliefilterpatroon:
4.00 L (4.23 US qt) (3.52 Imp.qt)
Cardanolie:
Type:
Cardanolie
Hoeveelheid:
Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de
merkstreep voor maximumniveau):
Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):
3.20 L (3.38 US qt) (2.82 Imp.qt)
Luchtfilter:
Luchtfilterelement:
Droog element
Brandstof:
Aanbevolen brandstof:
Uitsluitend normale loodvrije benzine
Inhoud brandstoftank:
25.0 L (6.61 US gal) (5.50 Imp.gal)
Hoeveelheid reservebrandstof:
5.0 L (1.32 US gal) (1.10 Imp.gal)
Nat, meervoudige plaat
Versnellingsbak:
Primair reductiesysteem:
Schroeftandwiel
Primaire reductieverhouding:
75/48 (1.563)
Secundair reductiesysteem:
Asaandrijving
Secundaire reductieverhouding:
35/36 × 21/27 × 33/9 (2.773)
Type versnellingbak:
Constant mesh, 5 versnellingen
Bediening:
Bediening met linkervoet
Overbrengingsverhoudingen:
1e:
43/17 (2.529)
2e:
39/22 (1.773)
3e:
31/23 (1.348)
4e:
28/26 (1.077)
5e:
26/28 (0.929)
Chassis:
Type frame:
Diamantframe
Spoorhoek:
26.00°
Naspoor:
109.0 mm (4.29 in)
Voorband:
Type:
Tubeless
Maat:
(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,
bagage en accessoires)
Bandenspanning (gemeten aan koude
banden):
Gewichtsverdeling:
0–90 kg (0–198 lb)
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Gewichtsverdeling:
Rijden met hoge snelheid:
Voor:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Achter:
250 kPa (36 psi) (2.50 kgf/cm²)
Voorwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
7M/C x MT3.50
Achterwiel:
Type wiel:
Gietwiel
Velgmaat:
17M/C × MT5.50
Voorrem:
Type:
Dubbele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechterhand
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Achterrem:
Type:
Enkele schijfrem
Bediening:
Bediening met rechtervoet
Aanbevolen remvloeistof:
DOT 4
Voorwielophanging:
Type:
Telescoopvork
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/oliedemper
Veerweg:
135.0 mm (5.31 in)
Achterwielophanging:
Type:
Achterbrug (link-ophanging)
Veer/schokdempertype:
Schroefveer/gas-oliedemper
Veerweg:
125.0 mm (4.92 in)
Elektrische installatie:
Ontstekingssysteem:
Transistorontsteking (digitaal)
Laadsysteem:
Wisselstroomdynamo met permanente magneten
Accu:
Model:
GT14B-4
Voltage, capaciteit:
12 V, 12.0 A/u
Koplamp:
Type gloeilamp:
Halogeenlamp
Gloeilampen voltage, wattage × aantal:
Koplamp:
Voorste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Achterste richtingaanwijzer:
12 V, 21.0 W × 2
Parkeerlicht:
12 V, 5.0 W × 2
Instrumentenverlichting:
14 V, 1.1 W × 4
Controlelampje vrijstand:
14 V, 1.1 W × 1
Waarschuwingslampje olieniveau:
14 V, 1.1 W × 1
Controlelampje richtingaanwijzers:
14 V, 2.0 W × 2
Waarschuwingslampje motorstoring:
14 V, 1.1 W × 1
ABS-waarschuwingslampje:
FJR1300A 14 V, 1.1 W × 1
Controlelampje startblokkering:
LED
Zekeringen:
Hoofdzekering:
50.0 A
Koplampzekering:
25.0 A
Zekering signaleringssysteem:
15.0 A
Zekering ontstekingssysteem:
10.0 A
Zekering parkeerlichtcircuit:
10.0 A
Zekering radiatorkoelvin:
15.0 A
Circuitzekering alarmverlichtingssysteem:
7.5 A
Zekering elektronisch gestuurde
brandstofinspuiting:
15.0 A
Zekering ABS-regeleenheid:
FJR1300A 7.5 A
Zekering ABS-motor:
FJR1300A 30.0 A
Backup-zekering:
10.0 A
Zekering kuipruitmotor:
2.0 A
GEBRUIKERSINFORMATIE
DAU26351
Identificatienummers
Noteer het sleutelnummer, het voertuigidentificatienummer en de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze nummers heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw machine is gestolen. SLEUTELIDENTIFICATIE NUMMER:

- Sleutelnummer
- Codeersleutel (rood bovendeel)
- Standaardsleutels (zwart bovendeel)
Het sleutelnummer is ingeslagen op het sleutelplaatje. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje en gebruik dit als referentie bij het bestellen van een nieuwe sleutel.
Voertuigidentificatienummer
DAU26400

- Voertuigidentificatienummer
Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.
OPMERKING:
Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.
DAU26470
Modelinformatiesticker

De modelinformatiesticker is onder het bestuurderszadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-14.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.
INDEX
A
ABS (voor modellen met ABS)...... 3-11
ABS-waarschuwingslampje (voor modellen met ABS) ....3-4
Accessoirebox.... 3-15
Accu....6-26
Achterbrugscharnierpunten, smeren..... 6-24
Achterwielophanging, smeren.... 6-24
Afstelling remlichtschakelaar 6-19
Antidiefstal-alarmsysteem (optie).... 3-7
B
Banden.... 6-16
Bougies, controlleren 6-8
Brandstof.... 3-12
Brandstofverbruik, tips voor een zuinig... 5-3
C
Cardanolie.... 6-11
Claxonschakelaar 3-8
Contactslot/stuurslot 3-2
Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-3
Controlelampje grootlicht 3-4
Controlelampjes richtingaanwijzers ..... 3-3
Controlelampje startblokkering ....3-4
Controlelijst voor gebruik 4-2
D
Locaties van onderdelen 2-1
Luchtfilterelement, reinigen 6-14
M
Middenbok en zijstandaard, controleren en smeren 6-24
Modelinformatiesticker.... 9-2
Motorolie en oliefilterpatroon 6-9
Multifunctioneel display 3-6
N
Niveaus rem- en koppelingsvloeistof, controlleren 6-20
Noodstopschakelaar.... 3-8
0
Opbergcompartiment.... 3-15
P
Panelen, verwijderen en aanbrengen..... 6-6
Parkeerlichtgloeilamp, vervangen ..... 6-30
Parkeren.... 5-4
Periodiek smeer- en onderhoudsschema.... 6-2
Problemen oplossen.... 6-31
R
Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren 6-23
Rem- en koppelingsvloeistof, verversen 6-22
Rem- en schakelpedalen, controleren en smeren....6-23
Remhendel....3-10
Rempedaal....3-11
Richtingaanwijzergloeilamp of gloeilamp in remlicht/achterlicht, vervangen 6-30
Richtingaanwijzerschakelaar....3-8
S
Schakelaar alarmverlichting....3-9
Schakelen 5-2
Schakelpedaal....3-10
Schokdemperunit, afstellen....3-18
Sleutelnummer....9-1
Sloten voor optionele zijkoffers en topkoffer....3-19
Snelheidsmeter 3-5
Specifications....8-1
Stalling 7-3
Startblokkeersysteem....3-1
Starten van de motor....5-1
Startknop....3-9
Startspersysteem 3-19
Stationair toerental, controleren .....6-15
Storingzoekschema's....6-32
Stuurschakelaars 3-8
Stuursysteem, controleren 6-25
T
Tankbeluchtingsslang 3-13
Tankdop 3-12
Toerenteller....3-5
U
Uitlaatkatalysator....3-14
V
Veiligheidsinformatie 1-1
Verstelknop kuipruit 3-8
Verzorging 7-1
Voertuigidentificatienummer 9-1
Voor- en achterremblokken
controleren 6-20
Voorvork, afstellen.... 3-16
Voorvork, controleren 6-25
Vrije slag gaskabel, controleren ..... 6-15
Vrije slag van koppelingshendel 6-19
Vrijstandcontrolelampje 3-4
W
Waarschuwingslampje motorstoring..... 3-4
Waarschuwingslampje olieniveau .... 3-4
Wielen.... 6-19
Wiellagers controleren.... 6-26
Z
Zadels.... 3-14
Zekeringen, vervangen.... 6-27
Zijstandaard.... 3-19

YAMAHA
YAMAHA MOTOR CO., LTD.
GEDRUKT OP KRINGLOOPPAPIER
PRINTED IN JAPAN
2004.08-0.3×1 CR
(D)