YAMAHA YZF-R6 (2012) - Motorfiets

YZF-R6 (2012) - Motorfiets YAMAHA - Gratis gebruiksaanwijzing en handleiding

Vind de handleiding van het apparaat gratis YZF-R6 (2012) YAMAHA in PDF-formaat.

📄 108 pagina's Nederlands NL Downloaden 💬 AI-vraag 10 vragen ⚙️ Specs
Notice YAMAHA YZF-R6 (2012) - page 3
Kies uw taal en geef uw e-mailadres: we sturen u een specifiek vertaalde versie.
Merk Yamaha
Model YZF-R6 (2012)
Type product Motorfiets
Categorie Sportmotor
Motor 4-takt, 600 cc, vloeistofgekoeld, DOHC
Vermogen 122 pk bij 14.500 tpm
Transmissie 6 versnellingen
Brandstof Euro 95
Remmen voor Dubbele schijfrem
Remmen achter Enkele schijfrem
Bandenmaat voor 120/70 ZR17
Bandenmaat achter 180/55 ZR17
Lengte 2040 mm
Breedte 705 mm
Hoogte 1100 mm
Wielbasis 1375 mm
Zithoogte 850 mm
Gewicht (droog) 189 kg
Tankinhoud 17,3 liter
Onderhoud Regelmatige olieverversing en kettingonderhoud
Veiligheid Krachtige remmen en stabiel rijgedrag

Veelgestelde vragen - YZF-R6 (2012) YAMAHA

Wat is het drooggewicht van de Yamaha YZF-R6 (2012)?
Het drooggewicht is 189 kg.
Hoeveel pk heeft de YZF-R6 (2012)?
De motor levert 122 pk bij 14.500 tpm.
Welke olie moet ik gebruiken voor de YZF-R6 (2012)?
Gebruik een hoogwaardige 10W-40 of 10W-50 motorolie die voldoet aan de JASO MA- of MA2-norm.
Hoe vaak moet ik de olie verversen?
Het wordt aanbevolen om de olie elke 5.000 km of eenmaal per jaar te verversen.
Wat is de bandenspanning voor de YZF-R6 (2012)?
Voorband: 2,3 bar (33 psi), achterband: 2,5 bar (36 psi) bij koude banden.
Hoe stel ik de kettingspanning af?
Controleer de kettingspeling: deze moet 30-40 mm zijn. Maak het wiel los, draai de stelmoeren en draai het wiel weer vast.
Wat is het maximale toerental van de YZF-R6 (2012)?
Het maximale toerental ligt rond de 15.500 tpm, maar de rode zone begint bij 15.000 tpm.
Heeft de YZF-R6 (2012) ABS?
De YZF-R6 uit 2012 was standaard niet uitgerust met ABS, hoewel het in sommige markten als optie beschikbaar was.
Wat is de actieradius van de YZF-R6 (2012)?
Met een tank van 17,3 liter en een gemiddeld verbruik van 6,5 L/100 km bedraagt de actieradius circa 260 km.
Kan ik de handleiding voor de YZF-R6 (2012) downloaden?
Ja, de handleiding is beschikbaar in PDF-formaat op notice-facile.com.

Gebruikersvragen over YZF-R6 (2012) YAMAHA

0 vraag over dit apparaat. Beantwoord die u kent of stel uw eigen vraag.

Stel een nieuwe vraag over dit apparaat

De e-mail blijft privé: deze wordt alleen gebruikt om u te waarschuwen als iemand op uw vraag reageert.

Nog geen vragen. Stel de eerste vraag.

Download de handleiding voor uw Motorfiets in PDF-formaat gratis! Vind uw handleiding YZF-R6 (2012) - YAMAHA en neem uw elektronisch apparaat weer in handen. Op deze pagina staan alle documenten die nodig zijn voor het gebruik van uw apparaat. YZF-R6 (2012) van het merk YAMAHA.

GEBRUIKSAANWIJZING YZF-R6 (2012) YAMAHA

⚠ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken.

HANDLEIDING

YZF-R6

1JS-F8199-D0

DAU50920

⚠️ Lees deze handleiding aandachtig door voordat u deze machine gaat gebruiken. Deze handleiding dient bij de machine te blijven als deze wordt verkocht.

YAMAHA

YAMAHA MOTOR ELECTRONICS CO., LTD.

1430 6, Modi. Mori miao, Shuchi gun, Suzuka ken, 437 0292 Japan

Verklaren hierbij dat het product:

Type apparaat: STARTBLOKKERING
Typeaanduiding: 5SL-00

in overeenstemming is met de volgende norm(en) of documenten:

R&TTE richtlijn(1999/5/EG)
EN300 330-2 v1.3.1(2006-01), EN300 330-2 v1.5.1(2010-02)
EN60950-1:2006/A11:2009
Richtlijn betreffende motorvoertuigen op twee of drie wielen(97/24/EG: Hoofdstuk 8, EMC)

Plaats van afgifte: Shizuoka, Japan

Datum van afgifte: 1 augustus 2002

Overzicht van wijzigingen
Nr. InfoudDatum
1Om contactpersoon te wijzigen en typeaanduiding te integreren.9 juni 2005
2Overgang van norm EN60950 naar EN60950-127 februari 2006
3Om bedrijfsnaam te wijzigen1 maart 2007
4overgang naar de volgende norm:• van EN300 330-2 v1.1.1 naar EN300 330-2 v1.3.1 en EN300 330-2 v1.5.1 • van EN60950-1:2001 naar EN60950-1:2006/A11:20098 juli 2010

YAMAHA YZF-R6 (2012) - YAMAHA - 1

C€0700①

DAU10102

Welkom in de wereld van Yamaha!

Als eigenaar van de YZF-R6 profiteert u van de enorme ervaring en technische kennis van Yamaha op het gebied van het ontwerpen en fabriceren van hoogwaardige producten, waarmee Yamaha zijn reputatie van betrouwbaarheid heeft verworven.

Neem rustig de tijd om deze handleiding aandachtig door te lezen, zodat u plezier zult hebben van alle functies van uw YZF-R6. De Gebruikershandleiding geeft instructies voor de bediening, inspectie en het onderhoud van de machine en beschrijft hoe u uzelf en anderen kunt beschermen tegen persoonlijk letsel of schade.

Verder helpen allerlei tips in deze handleiding om uw machine in optimale conditie te houden. Als er ten slotte toch nog vragen zijn, aarzel dan niet en neem contact op met de Yamaha dealer.

Het Yamaha team wenst u veilig en plezierig rijden toe. En vergeet niet, veiligheid voor alles!

Yamaha werkt voortdurend aan verbeteringen ten aanzien van productontwerp en kwaliteit. Om deze reden kan soms sprake zijn van kleine tegenstrijdigheden tussen uw machine en de beschrijving ervan in deze handleiding, ook al bevat de handleiding de meest recente productinformatie ten tijde van publicatie. Als u vragen hebt over deze handleiding, neem dan contact op met uw Yamaha dealer.

DWA10031

WAARSCHUWING

Lees deze handleiding aandachtig helemaal door voordat u deze machine gaat gebruiken.

BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING

DAU10133

Bijzonder belangrijke informatie is in deze handleiding gemarkeerd met de volgende aanduidingen:

Dit is het Safety Alert-symbol. Het wordt gebruikt om u te waarschuwen voor risico's op persoonlijk letsel. Volg alle veiligheidsaanwijzingen bij dit symbool op om mogelijk letsel of overlijden te voorkomen.
Een WAARSCHUWING duidt een gevaarlijke situatie aan die, indien niet vermeden, kan resul- teren in ernstig letsel of overlijden.
LET OPDe aanduiding LET OP staat bij speciale voorzorgen die moeten worden genomen om scha- de aan de machine of andere eigendommen te voorkomen.
OPMERKINGDe aanduiding OPMERKING staat bij belangrijke informatie die procedures kan vergemakkelijken of verhelderen.

*Product en specificaties kunnen zonder voorafgaande aankondiging worden gewijzigd.

BELANGRIJKE INFORMATIE IN DE HANDLEIDING

DAU36390

YZF-R6

HANDLEIDING

©2011 door Yamaha Motor Co., Ltd.

1e uitgave, juli 2011

Alle rechten voorbehouden.

Elke vorm van herdruk of onbevoegd ge-

bruik

zonder schriftelijke toestemming van

Yamaha Motor Co., Ltd.

is uitdrukkelijk verboden.

Gedrukt in Nederland.

INHOUDSOPGAVE

VEILIGHEIDSINFORMATIE ....1-1

BESCHRIJVING 2-1

Aanzicht linkerzijde....2-1

Aanzicht rechterzijde 2-2

Bedieningen en instrumenten......2-3

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN

EN BEDIENINGEN ....3-1

Startblokkeersysteem 3-1

Contactslot/stuurslot 3-2

Controle- en waarschuwingslampjes ....3-3

Multifunctionele meter ....3-8

Antidiefstal-alarmsysteem (optie) 3-13

Stuurschakelaars ....3-14

Koppelingshendel ....3-15

Schakelpedaal 3-15

Remhendel 3-15

Rempedaal 3-16

Tankdop 3-16

Brandstof 3-17

Tankbeluchtingsslang en overloopslang ....3-18

Uitlaatkatalysatoren 3-18

Zadels 3-19

Helmborgkabel 3-20

Achteruitkijkspiegels ....3-21

Voorvork afstellen 3-21

Schokdemperunit afstellen .....3-23

Starten van de motor 5-1

Schakelen 5-2

Tips voor een zuinig brandstofverbruik 5-3

Inrijperiode 5-3

Parkeren 5-4

PERIODIEK ONDERHOUD EN

AFSTELLINGEN 6-1

Boordgereedschapset 6-2

Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem ...... 6-3

Algemeen smeer- en onderhoudsschema 6-5

Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen ...... 6-9

Controleren van de bougies ...... 6-13

Motorolie en oliefilterpatroon ..... 6-14

Koelvloeistof 6-17

Luchtfilterelement 6-19

Stationair toerental controleren .... 6-20

De vrije slag van de gasgreep controleren 6-20

Klepspeling 6-20

Banden 6-21

Gietwielen 6-23

Vrije slag van koppelingshendel afstellen 6-23

Vrije slag van remhendel controleren 6-24

Remlichtschakelaars 6-25

Controleren van voor- en achterremblokken 6-25

Controleren van remvloeistofniveau 6-26

Remvloeistof verversen 6-27

Spanning aandrijfketting 6-27

Aandrijfketting reinigen en smeren 6-29

Kabels controleren en smeren ..... 6-30

Controleren en smeren van gasgreep en gaskabel 6-30

Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen ...... 6-30

Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels ..... 6-31

Zijstandaard controleren en smeren 6-32

Achterbrugscharnierpunten smeren 6-32

Voorvork controleren 6-32

Stuursysteem controleren 6-33

INHOUDSOPGAVE

Controleren van wiellagers .....6-33

Accu 6-34

Zekeringen vervangen 6-35

Koplampgloeilamp vervangen .....6-36

Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen 6-38

Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen ....6-38

Parkeerlicht 6-39

Ondersteunen van de motorfiets 6-39

Voorwiel 6-40

Achterwiel 6-42

Problemen oplossen 6-44

Storingzoekschema's 6-45

VERZORGING EN STALLING VAN

DE MOTORFIETS 7-1

Matkleur, let op ....7-1

Verzorging 7-1

Stalling 7-4

SPECIFICATIES 8-1

GEBRUIKERSINFORMATIE....9-1

Identificatienummers ......9-1

YAMAHA YZF-R6 (2012) - VERZORGING EN STALLING VAN - 1

VEILIGHEIDSINFORMATIE

DAU10289

1

Wees een verantwoordelijke eigenaar

Als eigenaar van de machine bent u verantwoordelijk voor de veilige en juiste bediening ervan.

Motorfietsen zijn tweewielige voertuigen. Voor een veilig gebruik zijn de toepassing van de juiste rijtechnieken en de ervaring van de bestuurder van belang. Elke bestuurder moet bekend zijn met de volgende vereisten alvorens met deze motorfiets te gaan rijden.

Hij of zij moet:

●Door een competente informatiebron grondig zijn ingelicht over alle aspecten van het motorrijden.
- Zich houden aan de waarschuwingen en onderhoudseisen zoals vermeld in deze Gebruikershandleiding.
- Grondig getraind zijn in veilige en correcte rijtechnieken.
- Gebruikmaken van professionele technische service, zoals aangegeven in deze Gebruikershandleiding en/of wanneer de mechanische condities dit vereisen.

Veilig rijden

Voer vóór elke rit de controles voor het rijden uit om u ervan te verzekeren dat de machine in veilige staat verkeert. Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Zie pagina 4-1 voor een lijst met controles voor het rijden.

  • Deze motorfiets is gebouwd voor het vervoer van de bestuurder plus een passagier.
  • Het niet opmerken en herkennen van motorfietsen door andere weggebruikers vormt de belangrijkste oorzaak van auto-/motorongevallen. Vaak worden ongevallen veroorzaakt doordat een autobestuurder de motor niet heeft gezien. Zorg dat u opvalt, dat blijkt het meest effectief om het risico op een dergelijk type ongeval te verminderen.

Dus:

  • Draag een jack in felle kleuren.
  • Wees extra voorzichtig bij het nade- ren en passeren van kruisingen, daar doen ongelukken met motor- fietsen zich namelijk het meest voor.

  • Ga daar rijden waar andere weggebruikers u kunnen zien. Ga niet rijden in de dode zichthoek van een andere weggebruiker.

  • Bij veel ongevallen zijn onervaren bestuurders betrokken. Veelal zijn bestuurders die bij een ongeval betrokken waren zelfs niet in het bezit van een geldig motorrijbewijs.
  • Zorg dat u bekwaam bent om te rijden en leen uw motorfiets alleen uit aan ervaren motorrijders.
  • Weet wat u wel en niet aankunt. Door rekening te houden met uw beperkingen helpt u ongelukken voorkomen.
  • We raden aan om het motorrijden te oefenen op plekken waar geen verkeer is, totdat u grondig bekend bent met de motor en zijn bediening.
  • Ongelukken worden vaak veroorzaakt door een fout van de motorbestuurder. Veel bestuurders houden bij het ingaan van een bocht een te hoge rij-

snelheid aan of gaan onvoldoende schuinliggen voor de rijsnelheid, waardoor ze wijd uit de bocht komen.

  • Neem altijd de maximumsnelheid in acht en rijd nooit sneller dan de wegcondities en het verkeer toestaan.
  • Geef altijd richting aan voordat u afslaat of van rijstrook wisselt. Zorg dat andere weggebruikers u kunnen zien.

- De zithouding van de bestuurder en de passagier is belangrijk voor een goede besturing.

  • De bestuurder moet tijdens het rijden beide handen aan het stuur houden en beide voeten op de bestuurdersvoetsteunen, om zo de macht over het stuur te behouden.
  • De passagier hoort steeds de bestuurder, de zadelband of de handgreep, indien aanwezig, met beide handen vast te houden en beide voeten op de passagiersvoetsteunen te houden. Neem nooit een passagier mee die niet in staat is om beide voeten stevig op de passagiersvoetsteunen te zetten.

●Rijd nooit onder invloed van alcohol of andere drugs.

- Deze motorfiets is uitsluitend ontworpen voor gebruik op verharde wegen. De machine is niet bedoeld voor off-roadgebruik.

Beschermende uitrusting

Motorongelukken met dodelijke afloop betreffen meestal hoofdletsel. Het dragen van een helm is de belangrijkste factor bij het voorkomen of reduceren van hoofdletsel.

●Draag altijd een goedgekeurde helm.
●Draag ook een vizier of een veiligheidsbril. Zonder oogbescherming kan uw zicht door de rijwind verslechteren, waardoor u gevaren mogelijk te laat opmerkt.
●Door een jack, stevige schoenen, een lange broek, handschoenen e.d. te dragen verkleint u de kans op schaafwonden of ontvellingen.
- Draag nooit loszittende kleding, deze kan blijven haken aan bedieningshandgrepen of door de wielen worden gegrepen en zo een ongeval of letsel veroorzaken.
- Draag altijd beschermende kleding die uw benen, enkels en voeten bedekt. De motor en het uitlaatsysteem kunnen tijdens en na het rijden zeer heet zijn en brandwonden veroorzaken.

- De hierboven vermelde voorzorgsmaatregelen gelden ook voor passagiers.

Voorkom koolmonoxidevergiftiging

De uitlaatgassen van verbrandingsmotoren bevatten koolmonoxide, een dodelijk gas. Inademing van koolmonoxide kan hoofdpijn, duizeligheid, sufheid, misselijkheid, verwarring en uiteindelijk de dood veroorzaken.

Koolmonoxide is een kleurloos, reukloos, smaakloos gas dat ook aanwezig kan zijn als u geen uitlaatgassen ziet of ruikt. Het koolmonoxideniveau kan zeer snel oplopen, waardoor u het bewustzijn kunt verliezen en uzelf niet meer kunt redden. In afgesloten of slecht geventileerde ruimtes kunnen dodelijke hoeveelheden koolmonoxide dagenlang blijven hangen. Als u symptomen van koolmonoxidevergiftiging ervaart, verlaat de ruimte dan onmiddellijk, ga naar de open lucht en ROEP MEDI-SCHE HULP IN.

●Laat de motor niet binnen draaien. Zelfs als u ventileert met ventilatoren of open ramen en deuren kan de hoeveelheid koolmonoxide snel oplopen tot gevaarlijke niveaus.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Voorkom koolmonoxidevergiftiging - 1

VEILIGHEIDSINFORMATIE

●Laat de motor niet draaien in slecht ge-ventileerde of deels afgesloten ruimtes zoals schuren of garages.
●Laat de motor niet buiten draaien op plaatsen waar de uitlaatgassen in een gebouw kunnen worden getrokken via openingen zoals ramen en deuren.

Beladen

Het monteren van accessoires of het vervoer van bagage kan een negatief effect hebben op de rijstabiliteit en het weggedrag als hierdoor de gewichtsverdeling van de motor verandert. Wees uiterst voorzichtig bij het monteren van accessoires of het beladen van uw motor, om zo mogelijke ongevallen te vermijden. Pas extra op wanneer u op een motor rijdt die beladen is of waaraan accessoires zijn gemonteerd. Hieronder volgen naast de informatie over accessoires enkele richtlijnen voor het beladen van uw motorfiets:

Het totale gewicht van de bestuurder, passagier, accessoires en bagage mag de maximale gewichtslimiet niet overschrijden.

Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.

Maximale belasting:

186 kg (410 lb)

Let op het volgende wanneer u tot deze gewichtslimiet belaadt:

  • Het zwaartepunt van bagage en accessoires moet zo laag mogelijk liggen en zo dicht mogelijk bij de motor. Bevestig zware goederen zo dicht mogelijk bij het midden van de machine en verdeel het gewicht zo gelijkmatig mogelijk over beide zijden om onbalans of instabiliteit te minimaliseren.
    ●Als gewicht gaat schuiven kan zich een plotselinge onbalans voordoen. Controleer voordat u gaat rijden of accessoires en bagage stevig aan de motor zijn bevestigd. Controleer de bevestigingspunten voor accessoires en bagage regelmatig.

- Pas de vering aan de te vervoeren bagage aan (alleen voor modellen met instelbare vering) en controleer de toestand en spanning van uw banden.

- Bevestig nooit omvangrijke of zware goederen aan het stuur, de voorvork of het voorwielspatbord. Dergelijke voorwerpen, inclusief bagage als slaapzakken, plunjezakken of tenten, kunnen een instabiel weggedrag of een te trage reactie op het stuur veroorzaken.

-Deze machine is niet ontworpen voor het trekken van een aanhanger of bevestiging van een zijspan.

Originele Yamaha accessoires

De keuze van accessoires voor uw machine vormt een belangrijke beslissing. Originele Yamaha accessoires, die alleen verkrijgbaar zijn bij de Yamaha dealer, zijn door Yamaha ontwikkeld, getest en goedgekeurd voor gebruik op uw machine.

Veel bedrijven die niet zijn gelieerd aan Yamaha produceren onderdelen en accessoires of bieden aanpassingssets voor Yamaha voertuigen. Yamaha kan niet alle producten testen die deze bedrijven produceren. Om die reden kan Yamaha accessoires die niet door Yamaha zijn verkocht of wijzigingen die niet door zijn Yamaha zijn aangeraden niet goedkeuren of aanbevelen, zelfs niet als deze zijn verkocht en geïnstalleerd door een Yamaha dealer.

In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets

Hoewel er producten verkrijgbaar zijn die qua ontwerp en kwaliteit sterk lijken op originele Yamaha accessoires, dient u te beseffen dat sommige in de handel verkrijgbare accessoires of aanpassingssets niet geschikt zijn vanwege mogelijke

YAMAHA YZF-R6 (2012) - In de handel verkrijgbare onderdelen, accessoires en aanpassingssets - 1

VEILIGHEIDSINFORMATIE

veiligheidsrisico's voor uzelf of anderen. Het monteren van in de handel verkrijgbare producten of het verrichten van aanpassingen die de ontwerp- of bedieningskenmerken van uw machine wijzigen kan het risico op ernstig letsel of overlijden van uzelf of anderen vergroten. U bent verantwoordelijk voor letsel dat voortvloeit uit wijzigingen aan de machine.

Volg bij de montage van accessoires de onderstaande richtlijnen en die vermeld onder het kopje "Beladen".

- Monteer nooit accessoires en vervoer nooit bagage als deze een nadelige invloed hebben op de prestaties van uw motor. Inspecteer het accessoire zorgvuldig alvorens het te gebruiken om te waarborgen dat het de grondspeling of de hellinghoek op geen enkele manier vermindert, de veerweg, de stuuruitslag of de bediening niet beperkt en geen lampen of reflectors afdekt.

- Accessoires die aan of nabij het stuur of de voorvork zijn gemonteerd zullen mogelijk instabiliteit veroorzaken door een foutieve gewichtsverdeling of door aerodynamische effecten. Accessoires aan het stuur of nabij de voorvork moeten zo licht mogelijk zijn en tot een minimum worden beperkt.

- Omvangrijke accessoires kunnen door hun aerodynamisch effect van invloed zijn op de rijstabiliteit van de motor. De motor kan door rijwind worden opgetild of bij zijwind instabiel worden. Zulke accessoires kunnen ook instabiliteit veroorzaken terwijl u grote voertuigen inhaalt of door deze wordt ingehaald.

- Sommige accessoires dwingen de bestuurder om een andere dan de normale zitpositie in te nemen. Zo'n verkeerde zitpositie beperkt de bewegingsvrijheid van de bestuurder en kan een comfortabele bediening hinderen, zodat we dergelijke accessoires sterk afraden.

- Wees voorzichtig bij het aanbrengen van elektrische accessoires. Als elektrische accessoires de capaciteit van het elektrisch systeem van de motorfiets te boven gaan, kan zich een gevaarlijke elektrische storing voordoen waardoor de verlichting of de motor uitvalt.

In de handel verkrijgbare banden en vel-gen

De banden en velgen die bij uw motorfiets werden geleverd, zijn ontworpen om de mogelijkheden van de motorfiets te ondersteunen en bieden de beste combinatie van rijprestaties, remvermogen en comfort. Andere banden, velgen, maten of combinaties zijn mogelijk niet geschikt. Zie pagina 6-21 voor bandenspecificaties en meer informatie over het vervangen van uw banden.

De motorfiets vervoeren

Volg de onderstaande instructies als u de motorfiets in een ander voertuig wilt vervoeren.

●Verwijder alle loszittende voorwerpen van de motorfiets.

- Controleer of de brandstofkraan (indien aanwezig) in de "OFF"-stand staat en er geen brandstoflekkage is.

●Zorg dat het voorwiel recht naar voren wijst op de aanhanger of de laadvloer en zet het wiel vast in een goot om beweging te voorkomen.

●Schakel een versnelling in (bij modelen met een handgeschakelde versnellingsbak).

- Zet de motorfiets vast met spanbanden of andere geschikte banden aan stevige delen van de motorfiets, zoals het frame of de bovenste voorvorkklem (en niet aan, bijvoorbeeld, het stuur, de richtingaanwijzers of onderdelen die kunnen afbreken). Kies de plaats voor de spanbanden zorgvuldig

YAMAHA YZF-R6 (2012) - De motorfiets vervoeren - 1

VEILIGHEIDSINFORMATIE

1

om te voorkomen dat deze tijdens het transport schuurplekken op de lak veroorzaken.

- Zorg indien mogelijk dat de vering iets door de spanbanden wordt ingedrukt, zodat de motorfiets tijdens het transport niet overmatig kan stuiteren.

Aanzicht linkerzijde

DAU10410

1 2,3 4 5,6 7 12,13 11 10 9 8

  1. Zekeringenkastje 2 (pagina 6-35)
  2. Stelbout voor veervoorspanning voorvork (pagina 3-21)
  3. Stelschroef voor uitveerdemping voorvork (pagina 3-21)
  4. Stelring voor veervoorspanning schokdemperunit (pagina 3-23)
  5. Stelbout voor inveerdemping schokdemperunit (voor snelle inveerdemping) (pagina 3-23)
  6. Stelbout voor inveerdemping van schokdemperunit (voor langzame in-veerdemping) (pagina 3-23)
  7. Boordgereedschapset (pagina 6-2)

  8. Stelschroef voor uitveerdemping schokdemperunit (pagina 3-23)

  9. Schakelpedaal (pagina 3-15)
    10.Oliefilterpatroon (pagina 6-14)
    11.Olieaftapplug (pagina 6-14)
  10. Stelbout voor inveerdemping voorvork (voor snelle inveerdemping) (pagina 3-21)
  11. Stelbout voor inveerdemping voorvork (voor langzame inveerdemping) (pagina 3-21)

Aanzicht rechterzijde

DAU10420

1 2 3,4,5,6 7 8 111213 10415 9

  1. Bagageriembevestiging (pagina 3-25)
  2. Helmbevestiging (pagina 3-20)
  3. Zekeringenkastje 1 (pagina 6-35)
  4. Hoofdzekering (pagina 6-35)
  5. Zekering brandstofinjectiesysteem (pagina 6-35)
  6. Accu (pagina 6-34)
  7. Luchtfilterelement (pagina 6-19)
  8. Koelvloeistofreservoir (pagina 6-17)

  9. Radiatorvuldop (pagina 6-17)
    10.Olievuldop (pagina 6-14)
    11.Aftapplug koelvloeistof (pagina 6-18)
    12.Motoroliepeilstok (pagina 6-14)
    13.Rempedaal (pagina 3-16)
    14.Remlichtschakelaar (pagina 6-25)
    15.Vloeistofreservoir achterrem (pagina 6-26)

Bedieningen en instrumenten

DAU10430

1 2 3 4 5 6 7 8

  1. Koppelingshendel (pagina 3-15)
  2. Schakelaargroep linkerstuurzijde (pagina 3-14)
  3. Contactslot/stuurslot (pagina 3-2)
  4. Multifunctionele meter (pagina 3-8)
  5. Vloeistofreservoir voorrem (pagina 6-26)
  6. Schakelaargroep rechterstuurzijde (pagina 3-14)
  7. Remhendel (pagina 3-15)
  8. Gasgreep (pagina 6-20)

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Startblokkeersysteem

DAU10977

1 2

  1. Codeersleutel (rood bovendeel)
  2. Standaardsleutels (zwart bovendeel)

Dit voertuig is voorzien van een startblokkeersysteem waarmee diefstal kan worden bemoeilijkt door de codering van de standaardsleutels te wijzigen. Het systeem bestaat uit de volgende onderdelen:

  • een codeersleutel (met een rood bo- vendeel)
  • twee standaardsleutels (met een zwart bovendeel) die opnieuw kunnen worden gecodeerd
  • een transponder (die is geïntegreerd in de codeersleutel)
    ●een startblokkeereenheid
    ●een ECU
  • een controlelampje van de startblokkering (Zie pagina 3-7.)

De sleutel met het rode bovendeel wordt gebruikt om de twee standaardsleutels te coderen. Het wijzigen van de codes is een ingewikkelde procedure. Breng het voertuig daarom met alle drie sleutels naar een Yamaha dealer om deze opnieuw te laten coderen. Gebruik de sleutel met het rode bovendeel niet om met het voertuig te rijden. Deze sleutel dient uitsluitend te worden gebruikt voor het opnieuw coderen van de standaardsleutels. Gebruik altijd een standaardsleutel om met het voertuig te rijden.

DCA11821

LET OP

●ZORG DAT U DE CODEERSLEUTEL NIET VERLIEST! NEEM DIRECT CONTACT OP MET UW DEALER ALS U HEM VERLOREN HEBT! Als de codeersleutel verloren is, kunnen de standaardsleutels niet opnieuw gecodeerd worden. U kunt het voertuig dan nog steeds starten met de standaardsleutels, maar als ze opnieuw gecodeerd moeten worden (d.w.z. als er een nieuwe standaardsleutel is gemaakt of als alle sleutels verloren zijn), dient het gehele startblokkeersysteem vervangen te worden. Daarom wordt u sterk aangeraden een van de stan-

daardsleutels te gebruiken en de codeersleutel op een veilige plek te bewaren.

●Dompel de sleutels nooit in water.
- Stel de sleutels nooit bloot aan extreem hoge temperaturen.
●Leg de sleutels nooit vlakbij magnetische voorwerpen (zoals bijvoorbeeld speakers enz.).
-Plaats nooit voorwerpen die elektrische signalen uitzenden vlakbij de sleutels.
●Plaats nooit zware voorwerpen op de sleutels.
- U mag de sleutels nooit slijpen of de vorm ervan wijzigen.
- U mag het plastic gedeelte van de sleutels nooit demonteren.
●Hang nooit twee sleutels van een startblokkeersysteem aan dezelfde sleutelring.
●Bewaar de standaardsleutels en ook de sleutels van andere startblokkeersystemen altijd op een andere plek dan de codeersleutel van het voertuig.
●Houd sleutels van andere startblokkeersystemen altijd uit de buurt van het contactslot, want anders kunnen ze signaalstoring veroorzaken.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Contactslot/stuurslot
YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 1

Via het contactslot/stuurslot worden het ontstekingssysteem en de verlichtingssystemen bediend en wordt het stuur vergrendeld. De diverse standen worden hierna beschreven.

OPMERKING

Gebruik de standaardsleutel (zwarte greep) voor regelmatig gebruik van de machine. Bewaar de codeersleutel (rode greep) op een veilige plaats en gebruik deze uitsluitend voor hercodering om het risico op verlies te minimaliseren.

DAU38530

ON

Alle elektrische circuits worden voorzien van stroom; de instrumentenverlichting, het achterlicht, de kentekenverlichting en het

DAU10472

parkeerlicht gaan branden en de motor kan worden gestart. De sleutel kan niet worden uitgenomen.

OPMERKING

De koplamp gaat automatisch branden als de motor wordt gestart en blijft aan totdat de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, zelfs als de motor afslaat.

DAU10661

OFF

Alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.

DWA10061

WAARSCHUWING

Draai nooit de sleutel naar "OFF" of "LOCK" terwijl de machine rijdt. Hierdoor worden de elektrische systemen uitgeschakeld, wat mogelijk kan leiden tot verlies van de controle of een ongeval.

DAU10683

LOCK

Het stuur is vergrendeld en alle elektrische systemen zijn uitgeschakeld. De sleutel kan worden uitgenomen.

Om het stuur te vergrendelen
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100

2 LOCK

  1. Drukken.
  2. Draaien.

  3. Draai het stuur helemaal naar links.

  4. Druk de sleutel in de "OFF"-stand in en draai deze dan naar "LOCK". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.
  5. Neem de sleutel uit.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Om het stuur te ontgrendelen

DCA11020

YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 1

  1. Drukken.
  2. Draaien.

Druk de sleutel in en draai deze dan naar "OFF". Houd de sleutel hierbij ingedrukt.

DAU34341

P≤ (Parkeren)

Het stuur is vergrendeld en het achterlicht, de kentekenverlichting en het parkeerlicht branden. De alarmverlichting en richtingaanwijzers kunnen worden ingeschakeld, maar alle andere elektrische systemen zijn uit. De sleutel kan worden uitgenomen.

Het stuur moet zijn vergrendeld om de sleutel naar "Pte kunnen draaien.

LET OP

Gebruik de parkeerstand niet gedurende langere tijd, anders kan de accu ontladen raken.

DAU49391

Controle- en waarschuwings- lampjes
1 2 3 4 5 0 1 2 3 4 5 7 6 LOC RR 8 9 10

  1. Controlelampje linker richtingaanwijzers "
  2. Vrijstandcontrolelampje "N
  3. Controlelampje grootlicht "∅
  4. Controlelampje rechter richtingaanwijzers "→"
  5. Controlelampje brandstofniveau "T"
  6. Waarschuwingslampje olieniveau "
  7. Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur "
  8. Controlelampje schakelmoment
  9. Waarschuwingslampje motorstoring "i
  10. Controlelampje startblokkering

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU11030

Controlelampjes

richtingaanwijzers “” en “”

Het bijbehorende controlelampje knippert terwijl de schakelaar voor richtingaanwijzers naar de linker- of rechterstand is gedrukt.

DAU11060

Vrijstandcontrolelampje "N

Dit controlelampje brandt terwijl de versnel- lingsbak in de vrijstand staat.

DAU11080

Dit controlelampje brandt terwijl de koplamp is ingeschakeld voor grootlicht.

DAU11254

Waarschuwingslampje

olieniveau "

Dit waarschuwingslampje gaat branden als het motorolieniveau laag is.

Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.

OPMERKING

- Bij een voldoende hoog olieniveau kan het waarschuwingslampje soms toch knipperen bij rijden op een helling of bij plotseling afremmen of optrekken, er is dan echter geen sprake van een storing.

- Dit model is ook uitgerust met een zelf-diagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje olieniveau. Als het waarschuwingscircuit voor het olieniveau een probleem aangeeft, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje olieniveau knippert tien keer en dooft dan gedurende 2.5 seconden. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.

DAU11365

Waarschuwingslampje brandstofniveau "

Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer het brandstofniveau daalt tot beneden ca. 3.5 L (0.92 US gal, 0.77 Imp.gal). Vul in dat geval zo snel mogelijk brandstof bij.

Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.

OPMERKING

Dit model is bovendien uitgerust met een zelfdiagnosesysteem voor het circuit van het waarschuwingslampje brandstofniveau. Als het waarschuwingscircuit voor het brandstofniveau een probleem aangeeft, wordt de volgende cyclus herhaald totdat de storing is opgeheven: Het waarschuwingslampje brandstofniveau knippert acht keer en dooft dan gedurende 3.0 seconden. Als dit zich voordoet, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.

DAU1142A

Waarschuwingslampje

koelvloeistoftemperatuur "

Dit waarschuwingslampje gaat branden als de motor oververhit raakt. Zet in zo'n geval de motor onmiddellijk af en geef deze de tijd om af te koelen.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.

DCA10021

LET OP

Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.

OPMERKING

  • Bij machines met een of meer radiatorkoelvinnen schakelt de radiatorkoelvin automatisch in of uit op basis van de koelvloeistoftemperatuur in de radiator.
    ●Als de motor oververhit raakt, staan op pagina 6-46 nadere instructies vermeld.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Weergave Condities Wat te doen
Onder 39 °C(Onder 103 °F)YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 1De aanduiding “Lo” wordt getoond.OK. U kunt rijden.
40–116 °C(104–242 °F)YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 2Koelvloeistoftemperatuur wordt getoond.OK. U kunt rijden.
117–134 °C(243–274 °F)YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 3Koelvloeistoftemperatuur knippert.Het waarschuwingslampje gaat branden.Breng de machine tot stilstand en laat de motor stationair draaien tot de koel-vloeistoftemperatuur daalt.Zet de motor af als de temperatuur niet daalt. (Zie pagina 6-46.)
Boven 135 °C(Boven 275 °F)YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 4Aanduiding “HI” knippert.Het waarschuwingslampje gaat branden.Zet de motor af en laat afkoelen. (Zie pagina 6-46.)

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU42774

Waarschuwingslampje motorstoring "

Dit waarschuwingslampje gaat branden wanneer er een probleem wordt aangegeven in het elektrisch circuit dat de motor controleert. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het zelfdiagnosesysteem te controleren. (Zie pagina 3-11 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)

Het elektrisch circuit voor het waarschuwingslampje controleert u door de sleutel naar "ON" te draaien. Het waarschuwingslampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

Licht het waarschuwingslampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.

DAU11574

Controlelampje schakelmoment

Dit controlelampje kan zo worden ingesteld dat het bij de gewenste motortoerentallen aan- of uitgaat en wordt gebruikt om aan te geven wanneer naar de volgende hogere versnelling moet worden geschakeld.

Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren. (Zie pagina 3-11 voor een uitgebreide uitleg over de functie van dit controlelampje en het instellen daarvan.)

DAU38624

Controlelampje startblokkering

Het elektrisch circuit voor het controlelampje kan worden gecontroleerd door de sleutel naar "ON" te draaien. Het controlelampje moet enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

Licht het controlelampje niet meteen op wanneer u de sleutel naar "ON" draait of blijft het lampje branden, laat het elektrisch circuit dan door een Yamaha dealer controleren.

Als de sleutel naar "OFF" wordt gedraaid, begint het controlelampje na 30 seconden te knipperen om aan te geven dat het startblokkeersysteem is ingeschakeld. Het controlelampje stopt na 24 uur met knipperen, maar het startblokkeersysteem blijft ingeschakeld.

Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook storingen in de circuits van het startblokkeersysteem. (Zie pagina 3-11 voor uitleg over de werking van het zelfdiagnosesysteem.)

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Multifunctionele meter

DAU39047

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34

  1. Snelheidsmeter
  2. Klok
  3. Toerenteller
  4. Koelvloeistoftemperatuurdisplay/inlaatluchttemperatuurdisplay
  5. Kilometerteller/ritteller/ritteller brandstofreserve/stopwatch
  6. Controlelampje schakelmoment
  7. "RESET"-toets
  8. "SELECT"-toets

DWA12422

YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 2

WAARSCHUWING

Zorg dat de machine stilstaat voordat u wijzigingen in de instellingen van de multifunctionele meter gaat aanbrengen. Het aanbrengen van wijzigingen tijdens het rijden kan u afleiden en vergroot het risico op een ongeval.

De multifunctionele meter biedt de volgen- de voorzieningen:

  • een snelheidsmeter
  • een toerenteller
    ●een kilometerteller
  • twee rittellers (die de afgelegde afstand aangeven sinds de tellers het laatst werden teruggesteld op nul)
  • een ritteller voor brandstofreserve (die de afgelegde afstand aangeeft sinds het waarschuwingslampje brandstofreserve aanging)

●een stopwatch

•een klok

- een weergave koelvloeistoftemperatuur

- een weergave luchtaanzuigtemperatuur

- een voorziening voor zelfdiagnose

- een instelfunctie voor de displayhelderheid en het controlelampje schakelmoment

OPMERKING

- Vergeet niet de sleutel naar "ON" te draaien voordat u de toetsen "SELECT" en "RESET" gebruikt. Dat hoeft echter niet als u de displayhelderheid en het controlelampje van het schakelmoment wilt instellen.

- Alleen voor Groot-Brittannië: Om te wisselen tussen de kilometer- en mijlenweergave van de snelheidsmeter en de kilometerteller/ritteller drukt u de toets "SELECT" minstens 1 seconde in.

Toerenteller
1 2

  1. Toerenteller
  2. Rode zone toerenteller

Met de elektrische toerenteller kan de bestuurder het motortoerental controleren en dit binnen het ideale bereik houden.

Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, slaat de naald van de toerenteller eenmaal helemaal uit tot het hoogste aantal toeren per minuut en keert daarna weer terug naar nul tpm om het elektrische circuit te testen.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DCA10031

LET OP

Laat de motor niet draaien terwijl de toerenteller in de rode zone wijst. Rode zone: 16500 tpm en hoger

Klok
1 10:15 0 12 14 16 18 20 22 24 26 28 30 32 34 36 38 40 42 44 46 48 50 52 54 56 58 60 62 64 66 68 70 72 74 76 78 80 82 84 86 88 90 92 94 96 98 100

  1. Klok

Om de klok op tijd te zetten

  1. Draai de sleutel naar "ON".
  2. Houd de "SELECT"-toets en de "RES-ET"-toets tegelijkertijd minstens twee seconden lang ingedrukt.
  3. Als de uuraanduiding begint te knippenen, drukt u op de "RESET"-toets om de uren in te stellen.
  4. Druk op de "SELECT"-toets en de minutenaanduiding zal gaan knipperen.

  5. Druk op de "RESET"-toets om de minuten in te stellen.

  6. Druk op de "SELECT"-toets en laat deze dan los om de klok te starten.

Kilometerteller-, ritteller- en stopwatch-weergave
1:15 x1000 km/min TAPA Lo °C 0.0 1

  1. Kilometerteller/ritteller/ritteller brandstofreserve/stopwatch

Door indrukken van de "SELECT"-toets wisselt de weergave tussen de kilometertellermodus "ODO", de rittellermodi "TRIP A" en "TRIP B" en de stopwatchmodus, in de onderstaande volgorde: TRIP A → TRIP B → ODO → Stopwatch → TRIP A

Als het waarschuwingslampje brandstofni- niveau aangaat (zie pagina 3-3), wisselt de weergave automatisch naar de brandstofre- serve-rittellermodus "F-TRIP" en wordt de afgelegde afstand vanaf dat punt aangege-

ven. In dat geval wordt door het indrukken van de toets "SELECT" in de onderstaande volgorde gewisseld tussen de diverse weergaven van rittellers, kilometerteller en stopwatch:

F-TRIP → Stopwatch → TRIP A → TRIP B → ODO → F-TRIP

Om een ritteller op nul terug te stellen, selecteert u deze door op de toets "SELECT" te drukken en dan de toets "RESET" minstens 1 seconde lang ingedrukt te houden. Wanneer u de brandstofreserve-ritteller niet zelf met de hand op nul terugstelt, wordt deze automatisch teruggesteld zodra na het tanken 5 km (3 mi) is gereden en verschijnt de vorige weergavemodus weer.

Stopwatchfunctie

Om het display te wijzigen in weergave van de stopwatch, selecteert u deze door op de toets "SELECT" te drukken. (De cijfers van de stopwatch gaan knipperen.) Laat de toets "SELECT" los, en houd deze weer een paar seconden lang ingedrukt, totdat de cijfers van de stopwatch niet meer knipperen.

Normale tijdmeting

  1. Druk op de "RESET"-toets om de stopwatch te starten.
  2. Druk op de "SELECT"-toets om de stopwatch te stoppen.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

  1. Druk nogmaals op de toets "SELECT" om de stopwatch op nul terug te stellen.

Tussentijdmeting

  1. Druk op de "RESET"-toets om de stopwatch te starten.
  2. Druk op de toets "RESET" of op de startknop " ( ) pm tussentijden te meten. (De dubbele punt ":" begint te knipperen.)
  3. Druk op de toets "RESET" of op de startknop "om de laatste tussentijd weer te geven of op de toets "SELECT" om de stopwatch stop te zetten en de totaal verstreken tijd weer te geven.
  4. Druk op de "SELECT"-toets om de stopwatch terug te zetten.

OPMERKING

Om het display terug te zetten op de vorige weergave, houdt u de toets "SELECT" een paar seconden lang ingedrukt totdat de cijfers van de stopwatch knipperen.

Weergave koelvloeistoftemperatuur
YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 1

  1. Weergave koelvloeistoftemperatuur

De weergave koelvloeistoftemperatuur geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan.

OPMERKING

Als de weergave koelvloeistof wordt geselecteerd, wordt eerst gedurende 1 seconde "C" weergegeven. Daarna wordt de koelvloeistoftemperatuur getoond.

DCA10021

LET OP

Laat de motor niet draaien terwijl deze oververhit is.

Weergave luchtaanzuigtemperatuur
15 x1000 r/min 12 13 14 15 16 17 18 19 20 TENFA R25 °C 00 1

  1. Weergave luchtaanzuigtemperatuur

De weergave luchtaanzuigtemperatuur geeft de temperatuur aan van de lucht die het luchtinlaatkanaal wordt binnengezogen. Druk op de toets "RESET" om van de weergave koelvloeistoftemperatuur te wisselen naar de weergave luchtaanzuigtemperatuur.

OPMERKING

- Zelfs als de weergave luchtaanzuigtemperatuur is geselecteerd, gaat het waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur branden als de motor oververhit raakt.

●Als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, wordt automatisch de koelvloeistoftemperatuur weergegeven,

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

zelfs als de luchtaanzuigtemperatuur werd weergegeven voordat de sleutel naar "OFF" werd gedraaid.

●Als de weergave luchtaanzuigtemperatuur is geselecteerd, wordt "A" weergegeven voor de temperatuur.

Zelfdiagnosesysteem
12 10 x1000 +/-/min 16 14 8 205 4 1 15 N 上 下 1

  1. Weergave foutcode

Dit model is uitgerust met een zelfdiagnose- systeem voor diverse elektrische circuits. Als in een van deze circuits een storing wordt gedetecteerd, gaat het waarschu- wingslampje motorstoring branden en geeft het rechter display een foutcode weer. Als het rechterdisplay foutcodes weergeeft, noteer deze dan en vraag een Yamaha dealer om het voertuig te controleren.

Het zelfdiagnosesysteem detecteert ook storingen in de circuits van het startblokkeersysteem.

Als in de circuits van het startblokkeersysteem een storing wordt gedetecteerd, gaat het controlelampje startblokkering knipperen en geeft het rechter display een foutcode weer.

OPMERKING

Als het rechterdisplay foutcode 52 weergeeft, betreft dit mogelijk een storing in het transpondersignaal. Als deze fout zich voordoet, probeer dan het volgende.

  1. Start de motor met behulp van de codeersleutel.

OPMERKING

Houd andere startblokkeersleutels uit de buurt van het contactslot en bewaar niet meer dan één startblokkeersleutel aan dezelfde sleuteling! Startblokkeersleutels kunnen signaalstoring veroorzaken, waardoor de motor mogelijk niet kan worden gestart.

  1. Als de motor start, zet deze dan weer uit en probeer hem opnieuw te starten met de standaardsleutels.

  2. Als de motor niet kan worden gestart met een of beide standaardsleutels, breng dan het voertuig, de codeersleutel en beide standaardsleutels naar een Yamaha dealer en laat de standaardsleutels opnieuw coderen.

DCA11590

LET OP

Wanneer het display een foutcode aangeeft, moet de machine zo spoedig mogelijk worden gecontroleerd om motorschade te voorkomen.

Instelfunctie voor displayhelderheid en voor controlelampje schakelmoment
1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50

  1. Activeringsbereik van het controlelampje schakelmoment

  2. Displays met instelbare helderheid

  3. Weergave helderheidsniveau

  4. Controlelampje schakelmoment

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Deze instelfunctie schakelt door vijf regelfuncties heen, zodat u de volgende instellingen kunt selecteren volgens onderstaande volgorde.

●Displayhelderheid:

Met deze functie regelt u de helderheid van de weergaven en de toerenteller in overeenstemming met het aanwezige daglicht.

- Activiteit van het controlelampje schakelmoment:

Via deze functie kiest u of het controle-lampje geactiveerd moet worden en of het bij activering moet knipperen of continu moet branden.

- Activeren van het controlelampje schakelmoment:

Via deze functie kiest u het motortoerental waarbij het controlelampje geactiveerd zal worden.

●Deactiveren van het controlelampje schakelmoment:

Via deze functie kiest u het motortoe- rental waarbij het controlelampje ge- deactiveerd zal worden.

●Helderheid van het controlelampje schakelmoment:

Met deze functie regelt u de helderheid van het controlelampje volgens uw voorkeur.

OPMERKING

In deze modus geeft het rechterdisplay de huidige instelling voor elke functie weer (behalve voor de functie activiteit van het controlelampje schakelmoment).

De helderheid instellen van de displays van de multifunctionele meter en toerenteller

  1. Draai de sleutel naar "OFF".
  2. Druk de "SELECT"-toets in en houd deze ingedrukt.
  3. Draai de sleutel naar "ON", wacht vijf seconden en laat dan de "SELECT"-toets los.
  4. Druk op de "RESET"-toets om de ge-wenste displayhelderheid te kiezen.
  5. Druk op de "SELECT"-toets om het geselecteerde helderheidsniveau te bevestigen. De instelfunctie gaat over naar de functie activiteit van het controlelampje schakelmoment.

Instellen van de functie activiteit van het controlelampje schakelmoment

  1. Druk op de toets "RESET" om een van de volgende instellingen voor de activiteit van het controlelampje te kiezen:

  2. Het controlelampje gaat bij activering continu branden. (Deze instelling is geselecteerd wanneer het controlelampje aan blijft.)

  3. Het controlelampje gaat bij activering knipperen. (Deze instelling is geselecteerd wanneer het controlelampje vier keer per seconde knippert.)
  4. Het controlelampje is gedeactiveerd, het zal dus niet continu branden of knipperen. (Deze instelling is actief wanneer het controlelampje één keer per twee seconden knippert.)

  5. Druk op de toets "SELECT" om de ge- selecteerde activiteit van het controle- lampje te bevestigen. De instelfunctie gaat over naar de functie activering van het controlelampje schakelmo- ment.

Instellen van de functie activering van het controlelampje schakelmoment

OPMERKING

De functie activering van het controlelampje schakelmoment kan worden ingesteld tussen 10000 tpm en 18000 tpm. Van 10000 tpm tot 13000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 500 tpm.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Van 13000 tpm tot 18000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 200 tpm.

  1. Druk de "RESET"-toets in om het motortoerental in te stellen waarbij u het controlelampje wilt laten activeren.
  2. Druk op de toets "SELECT" om het ge- selecteerde motortoerental te bevesti- gen. De instelfunctie gaat over naar de functie deactiveren van het controle- lampje schakelmoment.

Instellen van de functie deactiveren van het controlelampje schakelmoment

OPMERKING

  • De functie deactiveren van het controlelampje schakelmoment kan worden ingesteld tussen 10000 tpm en 18000 tpm. Van 10000 tpm tot 13000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 500 tpm. Van 13000 tpm tot 18000 tpm kan het controlelampje worden ingesteld in stappen van 200 tpm.
  • Denk eraan dat de deactiveerfunctie op een hoger toerental moet worden ingesteld dan de activeerfunctie, anders zal het controlelampje schakelmoment gedeactiveerd blijven.

  • Druk op de toets "RESET" om het motortoerental in te stellen waarbij u het controlelampje wilt laten deactiveren.

  • Druk op de toets "SELECT" om het ge- selecteerde motortoerental te bevesti- gen. De instelfunctie gaat over naar de functie helderheid van het controle- lampje schakelmoment.

Instellen van de helderheid van het contro- lelampje schakelmoment

  1. Druk op de toets "RESET" om de gewenste helderheid van het controle-lampje te kiezen.
  2. Druk de "SELECT"-toets in om de ge- selecteerde helderheid van het contro- lelampje te bevestigen. Het rechterdisplay keert terug naar de kilo- meterteller- of rittellerweergave.

DAU12331

Antidiefstal-alarmsysteem (op-tie)

Dit model kan door een Yamaha dealer worden uitgerust met een optioneel antidiefstal-alarmsysteem. Neem contact op met een Yamaha dealer voor nadere informatie.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU12349

Stuurschakelaars

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Links - 1

  1. Lichtsignaalschakelaar "D
  2. Dimlichtschakelaar " ADO 10
  3. Richtingaanwijzerschakelaar "
  4. Claxonschakelaar "
  5. Schakelaar alarmverlichting " "

Rechts

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Rechts - 1

Druk deze schakelaar in om de koplamp een lichtsignaal te laten afgeven.

DAU12350

DAU12400

Zet deze schakelaar op "voor grootlicht en op "voor dimlicht.

DAU12460

Richtingaanwijzerschakelaar "→

Druk deze schakelaar naar "om afslaan naar rechts aan te geven. Druk deze schakelaar naar "om afslaan naar links aan te geven. Na loslaten keert de schakelaar terug naar de middenstand. Om de richtingaanwijzers uit te schakelen wordt de schakelaar ingedrukt nadat hij is teruggekeerd in de middenstand.

DAU12500

Claxonschakelaar "

Druk deze schakelaar in om een claxonsignaal te geven.

DAU12660

Noodstopschakelaar "7"

Zet deze schakelaar voor u de motor start op “(”) Zet deze schakelaar op “” om de motor direct uit te schakelen in een noodgeval, zoals wanneer de machine omslaat of als de gaskabel blijft hangen.

DAU12711

Startknop “(≠)

Druk deze knop in om via de startmotor de motor rond te draaien. Zie pagina 5-1 voor startinstructies voordat u de motor start.

DAU41700

Het waarschuwingslampje voor motorstoring gaat branden als de sleutel naar "ON" wordt gedraaid en de startknop wordt ingedrukt. Dit wijst echter niet op een storing.

DAU12733

Schakelaar alarmverlichting "

Met de sleutel in de stand "ON" of "Pkan deze schakelaar worden gebruikt voor het inschakelen van de alarmverlichting (gelijktijdig knipperen van alle richtingaanwijzers). De alarmverlichting wordt gebruikt in een noodgeval of om andere verkeersdeelnemers te waarschuwen als uw machine stilstaat in een mogelijk gevaarlijke verkeerssituatie.

DCA10061

LET OP

Gebruik de alarmverlichting niet gedurende langere tijd als de motor niet draait omdat hierdoor de accu kan ontladen.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Koppelingshendel
1

DAU12B20

Schakelpedaal
YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 2

De koppelingshendel bevindt zich aan de linkerstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de koppeling te ontkoppelen. Laat de hendel los om de koppeling te laten aangrijpen. Voor een soepele werking van de koppeling moet de hendel snel ingetrokken worden en langzaam worden losgelaten.

De koppelingshendel is voorzien van een sperschakelaar die deel uitmaakt van het startspersysteem. (Zie pagina 3-27.)

Het schakelpedaal bevindt zich aan de linkerzijde van de motor en wordt in combinatie met de koppelingshendel gebruikt bij het schakelen van de versnellingen van de 6-traps constant-mesh versnellingsbak op deze motorfiets.

Remhendel
YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 3

  1. Afstand tussen remhendel en stuurgreep
  2. "Amerkteken
  3. Stelknop voor afstelpositie van remhendel

De remhendel bevindt zich aan de rechterstuurgreep. Trek de hendel naar het stuur toe om de voorrem te bekrachtigen.

De remhendel is voorzien van een stelknop voor de positie van de remhendel. Om de afstand tussen de remhendel en de stuurgreep af te stellen, wordt de stelknop gedraaid terwijl de hendel van het stuur vandaan wordt gehouden. Als de gewenste positie is bereikt, stel deze dan in door een groef op de stelknop uit te lijnen met het merkteken "Zop de remhendel.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU12941

DAU13074

Rempedaal
YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 1

  1. Rempedaal 1. Slotplaatje tankdop
    Het rempedaal bevindt zich aan de rechterzijde van de motorfiets. Trap op het rempedaal om de achterrem te bekrachtigen.

Tankdop
1 2

  1. Ontgrendelen.

Openen van de tankdop

Open het slotplaatje op de tankdop, steek de sleutel in het slot en draai hem dan 1/4 slag rechtsom. Het slot wordt ontgrendeld en de tankdop kan worden verwijderd.

Sluiten van de tankdop

  1. Druk de tankdop in positie met de sleutel in het slot.
  2. Draai de sleutel linksom naar de oorspronkelijke positie, neem hem uit en sluit dan het slotplaatje.

OPMERKING

De tankdop kan alleen worden gesloten met de sleutel in het slot. Bovendien kan de sleutel niet worden uitgenomen als de tankdop niet correct gesloten en vergrendeld is.

DWA11091

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 1

WAARSCHUWING

Na het tanken moet de tankdop goed worden aangedraaid. Door brandstoflekkage ontstaat brandgevaar.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU13221

Brandstof

Controleer of er voldoende brandstof in de brandstoftank aanwezig is.

DWA10881

! WAARSCHUWING

Benzine en benzinedampen zijn zeer brandbaar. Volg de onderstaande instructies om brand en ontploffing te voorkomen en het letselrisico tijdens het tanken te verlagen.

  1. Zet alvorens te tanken de motor af en zorg dat er niemand op de machine zit. Rook nooit tijdens het tanken en tank nooit in de nabijheid van vonken, open vuur of andere ontstekingsbronnen zoals de waakvlammen van geisers en kledingdrogers.
  2. Maak de brandstoftank niet te vol. Steek bij het tanken het vulpistool goed in de vulopening van de brandstoftank. Stop met vullen zodra de brandstof de onderkant van de vulhals heeft bereikt. Omdat brandstof uitzet als deze warm wordt, kan de warmte van de motor of de zon ervoor zorgen dat brandstof uit de brandstoftank stroomt.

1 2

  1. Vulpijp brandstoftank

  2. Maximaal brandstofniveau

  3. Veeg uitgestroomde brandstof onmiddellijk af. LET OP: Veeg gemorste brandstof onmiddellijk af met een schone, droge, zachte doek, aangezien de brandstof de gelakte oppervlakken en kunststof delen kan aantasten. [DCA10071]

  4. Draai de tankdop stevig vast.

DWA1S151

WAARSCHUWING

Benzine is giftig en kan letsel of overlijden veroorzaken. Spring zorgvuldig om met benzine. Probeer nooit om benzine via de mond over te hevelen. Roep onmiddellijk medische hulp in nadat u benzine heeft ingeslikt, veel benzinedamp heeft ingeademd of benzine in uw ogen heeft gekregen. Als benzine op uw huid

terechtkomt, was deze dan af met water en zeep. Als u benzine op uw kleding morst, trek dan andere kleding aan.

DAU13391

Voorgeschreven brandstof:

Uitsluitend loodvrije superbenzine Inhoud brandstoftank:

17.3 L (4.57 US gal, 3.81 Imp.gal) Hoeveelheid reservebrandstof (als het waarschuwingslampje brandstofniveau gaat branden):

3.5 L (0.92 US gal, 0.77 Imp.gal)

DCA11400

LET OP

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Loodhoudende benzine veroorzaakt ernstige schade aan inwendige motoronderdelen als kleppen en zuigerveren en ook aan het uitlaatsysteem.

Uw Yamaha motorblok is gebouwd op het gebruik van loodvrije superbenzine met een octaangetal van RON 95 of hoger. Als de motor gaat detoneren (pingelen), gebruik dan benzine van een ander merk. Door loodvrije benzine te gebruiken gaan bougies langer mee en blijven de onderhoudskosten beperkt.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU51150

Tankbeluchtingsslang en over- loopslang
YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 1

  1. Tankbeluchtingsslang en overloopslang

Alvorens de motorfiets te gebruiken:

  • Controleer alle slangaansluitingen.
  • Controleer alle slangen op scheuren of beschadiging en vervang indien nodig.
  • Controleer voor alle slangen of het uit-einde ervan niet is verstopt en reinig indien nodig.
  • Controleer of het uiteinde van alle slangen buiten het stroomlijnpaneel is geplaatst.

DAU13445

Uitlaatkatalysatoren

Dit voertuig is uitgerust met uitlaatkatalysatoren in het uitlaatsysteem.

DWA10862

WAARSCHUWING

Het uitlaatsysteem is heet nadat de motor heeft gedraaid. Let op het volgende om brandgevaar of brandwonden te voorkomen:

●Parkeer de machine nooit nabij brandgevaarlijke stoffen, zoals op gras of op ander materiaal dat gemakkelijk vlam vat.
●Parkeer de machine op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met het hete uitlaatsysteem in aanraking kunnen komen.
- Controleer of het uitlaatsysteem is afgekoeld alvorens onderhoudswerkzaamheden uit te voeren.
●Laat de motor niet langer dan enkele minuten stationair draaien. Lang stationair draaien kan leiden tot oververhitting.

LET OP

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.

DCA10701

Gebruik uitsluitend loodvrije benzine. Bij gebruik van loodhoudende benzine zal onherstelbare schade worden toegebracht aan de uitlaatkatalysator.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU39033

Zadels

Bestuurderszadel

Verwijderen van het bestuurderszadel Licht het bestuurderszadel op aan de achterzijde zoals afgebeeld, verwijder de bouten en neem het zadel los.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Bestuurderszadel - 1

Aanbrengen van het bestuurderszadel Steek het uitsteeksel aan de voorzijde van het bestuurderszadel in de zadelbevesti- ging zoals afgebeeld, plaats het zadel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Bestuurderszadel - 2

Verwijderen van het duozadel

  1. Steek de sleutel in het zadelslot en draai rechtsom.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Verwijderen van het duozadel - 1

  1. Zadelslot
  2. Ontgrendelen.

  3. Houd de sleutel in deze stand vast, trek het duozadel aan de voorzijde omhoog en trek dan het zadel naar voren.

Aanbrengen van het duozadel

  1. Steek de uitsteeksels aan het duozadel in de zadelbevestiging zoals afgebeeld, en druk dan de voorzijde van het zadel omlaag om het duozadel te vergrendelen.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Aanbrengen van het duozadel - 1

  1. Uitsteeksel
  2. Zadelbevestiging
  3. Neem de sleutel uit.

OPMERKING

Controleer of de zadels stevig zijn vergren- deld alvorens te gaan rijden.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Helmborgkabel

DAU39073

YAMAHA YZF-R6 (2012) - FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN - 1

In de boordgereedschapset bevindt zich een helmborgkabel, waarmee twee helmen vastgezet kunnen worden aan de helmbevestiging onderaan het duozadel.

Een helm met de helmborgkabel vastzetten

  1. Verwijder het duozadel. (Zie pagina 3-19.)
  2. Klem het middelste klikhaakje van de helmborgkabel vast op de helmbevestiging.

  3. Leid een van de andere klikhaakjes van de helmborgkabel door de gesp van de helmriem, en klem daarna het klikhaakje vast op de helmbevestiging zoals getoond.

1 2 3

  1. Klikhaakje
  2. Helmborgkabel
  3. Helm

  4. Installeer het duozadel

WAARSCHUWING! Ga nooit rijden met een helm bevestigd aan een helmhouderkabel, aangezien de helm objecten kan raken met mogelijk verlies van de controle over de machine en een ongeval tot gevolg.

[DWA14331]

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Een helm met de helmborgkabel vastzetten - 2

Een helm uit de helmborgkabel halen

  1. Verwijder het duozadel.
  2. Maak de klikhaakjes los van de helmbevestiging, en verwijder vervolgens de helmborgkabel uit de gesp van de helmriem.

  3. Installeer het duozadel.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

DAU39671

Achteruitkijkspiegels

De achteruitkijkspiegels van dit voertuig kunnen naar voren of naar achteren worden ingeklapt om het parkeren in smalle ruimten te vergemakkelijken. Klap de spiegels terug in hun oorspronkelijke stand voordat u gaat rijden.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Achteruitkijkspiegels - 1

  1. Rijstand
  2. Parkeerstand

DWA14371

WAARSCHUWING

Vergeet niet de achteruitkijkspiegels in hun oorspronkelijk stand terug te klappen alvorens weg te rijden.

Voorvork afstellen

DAU38945

DWA10180

WAARSCHUWING

Geef beide vorkpoten steeds dezelfde afstelling, anders kan slecht weggedrag en verminderde rijstabiliteit het gevolg zijn.

Deze voorvork is uitgerust met stelbouten voor de veervoorspanning, stelschroeven voor de uitgaande demping, stelbouten voor de ingaande demping bij snelle invering en stelbouten voor de ingaande demping bij langzame invering.

DCA10101

LET OP

Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.

Veervoorspanning

Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).

1 (a) 1 (b)

  1. Stelbout veervoorspanning

Breng de gewenste groef op het stelmechanisme in lijn met het bovenvlak van de voorvorkbus.

1 2 0 1 2 3 4 5

  1. Huidige instelling
  2. Voorvorkbus

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

Afstelling veervoorspanning:

Minimum (zacht):

0

Standaard:

2

Maximum (hard):

5

Uitgaande demping

Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef op beide vorkpoten in de richting (b).

1 (a) 1 (b)

  1. Stelschroef voor uitveerdemping

Afstelling uitgaande demping:

Minimum (zacht):

25 klik(ken) in de richting (b)*

Standaard:

20 klik(ken) in de richting (b)*

Maximum (hard):

1 klik(ken) in de richting (b)*

* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)

Ingaande demping

Afstellen van de ingaande demping (voor snelle ingaande demping)

Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).

(a) 1 1 (b)

  1. Stelbout voor inveerdemping (voor snelle in- veerdemping)

Afstelling ingaande demping (voor snelle ingaande demping):

Minimum (zacht):

4 slag(en) in de richting (b)*

Standaard:

2 slag(en) in de richting (b)*

Maximum (hard):

0 slag(en) in de richting (b)*

* Met de stelbout volledig gedraaid in de richting (a)

Afstellen van de ingaande demping (voor langzame ingaande demping)

Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (a). Draai om de ingaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout op beide vorkpoten in de richting (b).

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

(a) 1 1 (b)

  1. Stelbout voor inveerdemping (voor langzame inveerdemping)

Afstelling ingaande demping (voor langzame ingaande demping):

Minimum (zacht):

20 klik(ken) in de richting (b)*

Standaard:

15 klik(ken) in de richting (b)*

Maximum (hard):

1 klik(ken) in de richting (b)*

* Met de stelbout volledig gedraaid in de richting (a)

OPMERKING

Door geringe productieafwijkingen zal het totale aantal klikken of slagen van een veerdempingsinstelmechanisme niet altijd exact met bovenstaande specificaties overeenkomen, maar het werkelijke aantal klikken of slagen vormt wel altijd het complete afstelbereik. Voor een precieze afstelling is het

aan te raden het aantal klikken of slagen van elk veerdempingsinstelmechanisme te controleren en de specificaties dienovereenkomstig aan te passen.

DAU42946

Schokdemperunit afstellen

Deze schokdemperunit is uitgerust met een stelring voor de veervoorspanning, een stelschroef voor de uitgaande demping, een stelbout voor de ingaande demping bij snelle invering en een stelbout voor de ingaande demping bij langzame invering.

DCA10101

LET OP

Probeer nooit voorbij de maximum- of minimuminstellingen te draaien om schade aan het mechanisme te voorkomen.

Veervoorspanning

Draai om de veervoorspanning te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelring in de richting (a). Draai om de veervoorspanning te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelring in de richting (b).

  • Zet de gewenste inkeping in de stelring tegenover de positie-indicator op de schokdemper.
  • Verricht de afstelling met de speciale sleutel met het verlengstuk in de boordgereedschapset.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

1 2 987654321 (b) (a) 4 3

  1. Stelring veervoorspanning
  2. Positie-indicator
  3. Verlengstuk
  4. Speciale sleutel

Afstelling veervoorspanning:

Minimum (zacht):

1

Standaard:

4

Maximum (hard):

9

(b) 1 (a)

  1. Stelschroef voor uitveerdemping

Afstelling uitgaande demping:

Minimum (zacht):

20 klik(ken) in de richting (b)* andaard:

16 klik(ken) in de richting (b)* maximum (hard):

3 klik(ken) in de richting (b)*

* Met de stelschroef volledig gedraaid in de richting (a)

Ingaande demping

Uitgaande demping

Draai om de uitgaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelschroef in de richting (a). Draai om de uitgaande demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelschroef in de richting (b).

Ingaande demping (voor snelle ingaande demping)

Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout in de richting (a). Draai om de ingaan-

de demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout in de richting (b).

(a) (b)

  1. Stelbout voor inveerdemping (voor snelle in- veerdemping)

Afstelling ingaande demping (voor snelle ingaande demping):

Minimum (zacht):

4 slag(en) in de richting (b)*

Standaard:

3 slag(en) in de richting (b)*

Maximum (hard):

0 slag(en) in de richting (b)*

* Met de stelbout volledig gedraaid in de richting (a)

Ingaande demping (voor langzame ingaan- de demping)

Draai om de ingaande demping te verhogen en zo de vering stugger te maken de stelbout in de richting (a). Draai om de ingaan-

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

de demping te verlagen en zo de vering zachter te maken de stelbout in de richting (b).

(a) 1 1 (b)

  1. Stelbout voor inveerdemping (voor langzame inveerdemping)

Afstelling ingaande demping (voor langzame ingaande demping):

Minimum (zacht):

20 klik(ken) in de richting (b)*

Standaard:

16 klik(ken) in de richting (b)*

Maximum (hard):

1 klik(ken) in de richting (b)*

* Met de stelbout volledig gedraaid in de richting (a)

OPMERKING

Om een nauwkeurige afstelling te bereiken, is het raadzaam om het aantal klikken of slagen te tellen waarmee elk afstelmechanisme van de demping wordt verdraaid. Het

kan voorkomen dat dit afstelbereik vanwege kleine productieverschillen niet exact overeenkomt met de opgegeven specificaties.

DWA10221

WAARSCHUWING

Deze schokdemperunit is gevuld met stikstofgas onder hoge druk. Lees de onderstaande informatie zorgvuldig door alvorens werkzaamheden uit te voeren aan de schokdemperunit.

●Probeer de gascilinder niet te openen en blijf er verder vanaf.
- Stel de schokdemperunit niet bloot aan open vuur of een andere hittebron. Hierdoor kan de gasdruk zo hoog oplopen dat de unit explodeert.
- Voorkom vervorming of beschadigging van de cilinder. Schade aan de cilinder zal resulteren in slechte dempingsprestaties.
●Werp een beschadigde of versleten schokdemperunit niet zelf weg. Breng de schokdemperunit voor elk onderhoud naar een Yamaha-dealer.

Er zijn zes bagageriembevestigingen, vier onderaan het duozadel en één op elke passagiersvoetsteun. Om de bagageriembevestigingen onderaan het duozadel te gebruiken verwijdert u het duozadel, haakt

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

u de riemen los uit de haken, en brengt u vervolgens het duozadel weer aan terwijl de riemen eronder vrijhangen. (Zie pagina 3-19.)

DAU41941

EXUP-systeem

Dit model is uitgerust met het Yamaha EXUP-systeem (regelsysteem voor uitlaat-druk). Dit systeem verhoogt het motorver-mogen door een klep die de binnendiameter van de uitlaatpijp reguleert. De stand van de EXUP-klep wordt door een computergestuurde servomotor constant aangepast overeenkomstig het motortoe- rental.

DCA15610

LET OP

Het EXUP-systeem werd afgesteld en uitgebreid getest op de Yamaha fabriek. Als deze afstellingen worden gewijzigd zonder dat voldoende technische kennis aanwezig is, kan de werking van de motor achteruitgaan of wordt de motor beschadigd.

DAU15305

Zijstandaard

De zijstandaard bevindt zich aan de linker-zijde van het frame. Trek of druk de zijstandaard met uw voet omhoog of omlaag terwijl u de machine rechtop houdt.

OPMERKING

De ingebouwde sperschakelaar voor de zijstandaard maakt deel uit van het startspersysteem, dat in bepaalde situaties de werking van het ontstekingssysteem blokkeert. (Zie de volgende paragraaf voor een uitleg over het startspersysteem.)

DWA10241

WAARSCHUWING

Met de machine mag nooit worden gere- den terwijl de zijstandaard omlaag staat of niet behoorlijk kan worden opgetrok- ken (of niet omhoog blijft), anders kan de zijstandaard de grond raken en zo de be- stuurder afleiden, waardoor de machine mogelijk onbestuurbaar wordt. Het Yamaha startspersysteem is ontworpen om de bestuurder te helpen bij zijn ver- antwoordelijkheid de zijstandaard op te trekken alvorens weg te rijden. Contro- leer dit systeem daarom regelmatig en

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

laat het repareren door een Yamaha dealer als de werking niet naar behoren is.

DAU44892

Startspersysteem

Het startspersysteem (waarvan de zijstandaardschakelaar, de koppelingshendelschakelaar en de vrijstandschakelaar deel uitmaken) heeft de volgende functies.

  • Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de zijstandaard is opgeklapt, terwijl de koppelingshendel niet is ingetrokken.
  • Het verhindert starten wanneer de versnellingsbak in een versnelling is geschakeld en de koppelingshendel is ingetrokken, terwijl de zijstandaard nog omlaag staat.
  • Het schakelt een draaiende motor uit wanneer de versnellingsbak in een versnelling staat en de zijstandaard omlaag wordt bewogen.

Controleer de werking van het startspersysteem regelmatig volgens de onderstaande procedure.

FUNCTIES VAN INSTRUMENTEN EN BEDIENINGEN

graph TD A["Met de motor uit:<br>1. Beweeg de zijstandaard omlaag.<br>2. De motorstopknop moet in de stand &quot;O&quot; staan.<br>3. Draai de sleutel naar aan.<br>4. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.<br>5. Druk op de startknop.<br>Start de motor?"] -->|JA NEE| B["De vrijstandschakelaar we…

VOOR UW VEILIGHEID - CONTROLES VOOR HET RIJDEN

DAU15596

Inspecteer uw machine voor elk gebruik om te waarborgen dat deze in een veilige werkende staat is. Volg altijd de schema's en procedures voor inspectie en onderhoud in de gebruikershandleiding.

DWA11151

WAARSCHUWING

Onvoldoende inspectie of onderhoud van de machine vergroot het risico op ongeval of schade. Rijd niet met de machine als u een probleem hebt gevonden. Als een probleem niet kan worden opgelost via de procedures in deze handleiding, laat de machine dan nazien door een Yamaha dealer.

Controleer voor het gebruik van deze machine de volgende punten:

ITEM CONTROLES PAGINA
BrandstofControleer het brandstofniveau in de brandstoftank.Vul indien nodig brandstof bij.Controleer de brandstofleiding op lekkage.Controleer de tankbeluchtingsslang en overloopslang op obstakels, scheuren of beschadiging en controleer de slangaansluitingen.3-17, 3-18
MotorolieControleer het olieniveau in de motor.Vul indien nodig het aanbevolen type olie bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer de machine op olielekkage.6-14
KoelvloeistofControleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig de aanbevolen koelvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het koelsysteem op lekkage.6-17
VoorremControleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het voorgeschreven type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.6-25, 6-26

VOOR UW VEILIGHEID – CONTROLES VOOR HET RIJDEN

ITEM CONTROLES PAGINA
AchterremControleer de werking.Als de koppeling zacht of sponzig aanvoelt, vraag dan een Yamaha dealer het hydraulisch systeem te ontluchten.Controleer de remblokken op slijtage.Vervang indien nodig.Controleer het vloeistofniveau in het reservoir.Vul indien nodig het voorgeschreven type remvloeistof bij tot aan het voorgeschreven niveau.Controleer het hydraulisch systeem op lekkage.6-25, 6-26
KoppelingControleer de werking.Smeer indien nodig de kabel.Controleer de vrije slag van de koppelingshendel.Stel indien nodig bij.6-23
GasgreepControleer of de werking soepel is.Controleer de vrije slag van de gasgreep.Vraag indien nodig de Yamaha dealer om de vrije slag van de gasgreep af te stellen en de kabel en het kabelhuis te smeren.6-20, 6-30
BedieningskabelsControleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig.6-30
AandrijfkettingControleer of de ketting correct is aangespannen.Stel indien nodig bij.Controleer de conditie van de ketting.Smeer indien nodig.6-27, 6-29
Wielen en bandenControleer op schade.Controleer de conditie van de band en de profieldiepte.Controleer de bandspanning.Corrigeer indien nodig.6-21, 6-23
Rem- en schakelpedalenControleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de pedaalscharnierpunten.6-30
Rem- en koppelingshendelsControleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig de hendelscharnierpunten.6-31

VOOR UW VEILIGHEID - CONTROLES VOOR HET RIJDEN

ITEM CONTROLESPAGINA
ZijstandaardControleer of de werking soepel is.Smeer indien nodig het scharnierpunt.6-32
FramebevestigingenControleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.Zet indien nodig vast.
Instrumenten, verlichting, signaleringssysteem en schakelaarsControleer de werking.Corrigeer indien nodig.
ZijstandaardschakelaarControleer de werking van het startspersysteem.Als het systeem niet correct werkt, vraag dan een Yamaha dealer de machine te controleren.3-26

GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE

DAU15951

DAU46632

DAU33015

Lees de gebruikershandleiding zorgvuldig door om u vertrouwd te maken met alle bedieningselementen. Als u de werking van een functie of bedieningselement niet begrijpt, vraag dan uw Yamaha dealer om uitleg.

DWA10271

WAARSCHUWING

Een onvoldoende vertrouwdheid met de bedieningselementen kan leiden tot verlies van de controle, met mogelijk een ongeval of letsel tot gevolg.

OPMERKING

Dit model is uitgerust met:

- een hellingshoeksensor, waarbij de motor afslaat bij kanteling. In dat geval wordt op het multifunctionele display foutcode 30 weergegeven, maar dit betreft geen storing. Draai de sleutel naar "OFF" en vervolgens naar "ON" om de foutcode te wissen. Als u dat niet doet zal de motor niet starten, ondanks dat de motor wordt aangezwengeld als u op de startknop drukt.

- een automatische motorstop. De motor stopt automatisch als deze 20 minuten stationair draait. In dat geval wordt op het multifunctionele display foutcode 70 weergegeven, maar dit betreft geen storing. Druk op de startschakelaar om de foutcode te wissen en de motor opnieuw te starten.

Starten van de motor

Door het startspersysteem is starten alleen mogelijk als aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • De versnellingsbak staat in de vrijstand.
  • De versnellingsbak staat in een versnelling geschakeld terwijl de koppelingshendel is ingetrokken en de zijstandaard is opgeklapt.
    Zie pagina 3-27 voor meer informatie.

  • Draai de contactsleutel naar "ON" en controleer of de noodstopschakelaar op "Os gezet.

De volgende waarschuwingslampjes en controlelampjes moeten enkele seconden oplichten en dan uitgaan.

●Waarschuwingslampje olieni-veau
●Waarschuwingslampje brand-stofniveau
●Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur
●Controlelampje schakelmoment
●Waarschuwingslampje motorstoring
●Controlelampje startblokkering

GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE

DCA11B33

DAU16671

DCA10260

LET OP

Als een waarschuwings- of controle-lampje niet gaat branden wanneer de sleutel naar "ON" wordt gedraaid, of wanneer een waarschuwings- of controle-lampje niet dooft, zie dan pagina 3-3 voor een controle van het circuit van het betreffende waarschuwings- of controle-lampje.

  1. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand. Het vrijstandcontrolelampje moet gaan branden. Als dit niet gebeurt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrische circuit na te kijken.
  2. Start de motor door de startknop in te drukken.
    Als de motor niet wil starten, laat dan de startknop los, wacht een paar seconden en probeer het dan opnieuw. ledere startpoging moet zo kort mogelijk duren om de accu te sparen. Laat de startmotor nooit langer dan 10 seconden achtereen draaien.

DCA11042

LET OP

Trek nooit snel op terwijl de motor nog koud is, dit verkort de levensduur van de motor!

Schakelen
1 2 3 4 5 6 N 1 2

  1. Schakelpedaal
  2. Vrijstand

Door de versnellingen te schakelen kunt u het beschikbare motorvermogen doseren bij het wegrijden, optrekken, tegen een helling oprijden etc.

De schakelstanden worden getoond in de afbeelding.

OPMERKING

Om de versnellingsbak in de vrijstand te schakelen wordt het schakelpedaal enkele malen ingetrapt totdat het einde van de slag bereikt is, waarna het pedaal iets wordt opgetrokken.

LET OP

●Rijd niet lange tijd met afgezette motor, ook niet met de versnellingsbak in de vrijstand, en sleep de motorfiets niet over lange afstanden. De versnellingsbak wordt alleen afdoende gesmeerd terwijl de motor draait. Door onvoldoende smering kan de versnellingsbak worden beschadigd.
- Gebruik altijd de koppeling om de versnellingsbak te schakelen om zo schade aan de motor, de versnellingsbak en de aandrijving te voorkomen; door hun constructie zijn deze niet bestand tegen de schokken die optreden bij belast schakelen.

GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE

DAU16810

Tips voor een zuinig brandstof-verbruik

Het brandstofverbruik is vooral afhankelijk van uw rijstijl. Hierna volgen enkele tips om het brandstofverbruik te verlagen:

●Schakel snel en soepel door en vermijd hoge toerentallen terwijl u accele-reert.
- Geef geen gas tijdens het terugschakelen en voorkom dat de motor onbelast met een hoog toerental draait.
●Laat de motor niet langdurig stationair draaien maar zet hem af (bijvoorbeeld in files, bij stoplichten of bij spoorweg-overgangen).

DAU16841

Inrijperiode

De belangrijkste periode in de levensduur van het motorblok is de tijd tussen 0 en 1600 km (1000 mi). Lees daarom de volgende informatie aandachtig door.

Omdat het motorblok gloednieuw is, mag dit de eerste 1600 km (1000 mi) niet te zwaar worden belast. De verschillende onderdelen van de motor slijten op elkaar in totdat de juiste bedrijfsspelingen zijn bereikt. Rijd tijdens deze periode nooit langdurig volgas en vermijd ook andere manoeuvres die tot oververhitting van de motor kunnen leiden.

DAU17083

DCA10310

LET OP

  • Voer het toerental niet zover op dat de toerenteller in de rode zone wijst.
  • Als tijdens de inrijperiode motor- schade optreedt, vraag dan direct een Yamaha dealer de machine te controleren.

OPMERKING

Tijdens en na de inrijperiode van de motor kan door de hitte van de uitlaatgassen de uitlaatpijp iets verkleuren, maar dit is volkomen normaal.

0–1000 km (0–600 mi)

Laat de motor niet langdurig meer dan 8300 tpm maken. LET OP: Na 1000 km (600 mi) moet de motorolie worden ververst en moet de oliefilterpatroon of het oliefilterelement worden vervangen. [DCA10302]

1000–1600 km (600–1000 mi)

Laat de motor niet langdurig meer dan 9900 tpm draaien.

1600 km (1000 mi) en verder

De machine kan nu normaal worden gebruikt.

GEBRUIK EN BELANGRIJKE RIJ-INFORMATIE

DAU17213

Parkeren

Zet om te parkeren de motor af en neem dan de sleutel uit het contactslot.

DWA10311

WAARSCHUWING

  • De motor en het uitlaatsysteem kunnen zeer heet worden, parkeer dus op een plek waar voetgangers of kinderen niet gemakkelijk met deze onderdelen in aanraking kunnen komen en brandwonden kunnen oplopen.
    ●Parkeer nooit op een helling of een zachte ondergrond, hierdoor kan de machine kantelen met mogelijk brandstoflekkage en brand tot gevolg.
    ●Parkeer niet nabij gras of andere brandbare materialen die vlam zou-den kunnen vatten.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU17244

Door periodiek inspecties, afstellingen en smeerbeurten uit te laten voeren, zorgt u ervoor dat uw machine in zo veilig en efficiënt mogelijke conditie blijft. De eigenaar/bestuurder van de machine is verplicht de optimale veiligheid te waarborgen. Op de volgende pagina's wordt de belangrijkste informatie met betrekking tot inspecties, af- stellingen en smeerbeurten gegeven.

De intervalperioden vermeld in de periodieke onderhoudsschema's moeten worden beschouwd als een algemene richtlijn onder normale rijcondities. Het is echter mogelijk dat de intervalperioden voor onderhoud moeten worden verkort afhankelijk van het weer, het terrein, de geografische locatie en individueel gebruik.

DWA10321

WAARSCHUWING

Het niet of onjuist uitvoeren van onderhoud aan de machine vergroot het risico op letsel of overlijden tijdens het uitvoeren van onderhoud of het rijden met de machine. Als u niet bekend bent met voertuigonderhoud, laat het onderhoud dan uitvoeren door uw Yamaha dealer.

DWA15122

WAARSCHUWING

Zet voor het uitvoeren van onderhoud de motor af tenzij anders aangegeven.

●Een draaiende motor heeft bewegende delen die lichaamsdelen of kleding kunnen grijpen en elektrische onderdelen die schokken of brand kunnen veroorzaken.

- Het laten draaien van de motor tijdens het uitvoeren van onderhoud kan leiden tot oogletsel, brandwonden, brand of koolmonoxidevergiftiging, mogelijk met de dood tot gevolg. Zie pagina 1-2 voor meer informatie over koolmonoxide.

DWA15460

WAARSCHUWING

Remschijven, -klauwen, -trommels en -voeringen kunnen tijdens het gebruik zeer heet worden. Laat onderdelen van het remsysteem afkoelen alvorens deze aan te raken.

DAU17302

Emissiecontroles zorgen niet alleen voor een betere luchtkwaliteit, maar zijn ook zeer belangrijk voor een juiste werking van de motor en om maximale prestaties te behalen. In de volgende periodieke onderhoudsschema's is het emissiecontroleonderhoud apart gegroepeerd. Dit onderhoud vereist gespecialiseerde gegevens, kennis en gereedschap. Onderhoud, vervanging, of reparatie van emissiecontroleapparatuur en -systemen kan door elke gecertificeerde reparateur worden uitgevoerd (indien van toepassing). Yamaha dealers beschikken over de training en het gereedschap om dit onderhoud uit te voeren.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU17542

Boordgereedschapset

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Boordgereedschapset - 1

De boordgereedschapset bevindt zich onder het duozadel. (Zie pagina 3-19.)

De onderhoudsinformatie in deze handleiding en het gereedschap in de boordgereedschapsset zijn bedoeld om u te ondersteunen bij het uitvoeren van preventief onderhoud en kleinere reparaties. Voor de correcte uitvoering van bepaalde onderhoudswerkzaamheden kan echter het gebruik van extra gereedschap zoals een momentsleutel vereist zijn.

OPMERKING

Laat een Yamaha dealer onderhoud verrichten als u niet beschikt over het gereedschap of de ervaring die voor bepaalde werkzaamheden vereist zijn.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU46861

OPMERKING

  • De jaarlijkse controles horen eenmaal per jaar te worden uitgevoerd, behalve wanneer in plaats daarvan een onderhoudsbeurt op kilometerbasis of, voor Groot-Brittannië, op mijlbasis wordt verricht.
  • Herhaal de onderhoudsintervallen vanaf 50000 km (30000 mi), beginnend vanaf 10000 km (6000 mi).
  • Werkzaamheden gemarkeerd met een asterisk horen te worden uitgevoerd door een Yamaha dealer, omdat hiertoe speciaal gereedschap, technische gegevens en vakmanschap vereist zijn.

Periodiek onderhoudsschema voor het uitstootcontrolesysteem

DAU46910

NR.ITEMCONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURTKILOMETERSTANDJAARLIJK-SE CON-TROLE
1000 km(600 mi)10000 km(6000 mi)20000 km(12000 mi)30000 km(18000 mi)40000 km(24000 mi)
1*Brandstofleiding• Controleer de brandstofslangen op scheurtjes of beschadigingen.
2*Bougies• Controleer de conditie.• Reinigen en elektrodenafstand af-stellen.
• Vervangen. √
3*Ventielen• Controleer de klepspeeling.• Afstellen.Elke 40000 km (24000 mi)
4*Brandstofinjectie-systeem• Stel de synchronisatie af. √
5*Uitlaatdemper en uitlaatpijp• Controleer of de schroef-klem(men) goed vastzit(ten).

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

NR.ITEMCONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURTKILOMETERSTANDJAARLIJK-SE CON-TROLE
1000 km(600 mi)10000 km(6000 mi)20000 km(12000 mi)30000 km(18000 mi)40000 km(24000 mi)
6*Luchtinlaatsysteem• Controleer de luchtafsluitklep, de membraanklep en de slang op be-schadiging.• Vervang beschadigde onderde-len indien nodig.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Algemeen smeer- en onderhoudsschema

DAU1770C

NR.ITEMCONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURTKILOMETERSTANDJAARLIJK-SE CON-TROLE
1000 km(600 mi)10000 km(6000 mi)20000 km(12000 mi)30000 km(18000 mi)40000 km(24000 mi)
1*Luchtfilterelement• Vervangen.
2Koppeling• Controleer de werking.• Afstellen.
3*Voorrem• Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage.
• Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
4*Achterrem• Controleer de werking en het vloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage.
• Vervang de remblokken. Wanneer de slijtagelimiet is bereikt
5*Remslangen• Controleer op scheurtjes en beschadigingen.• Zorg voor een correcte plaatsing van slang(en) en klem(men).
• Vervangen. Elke 4 jaar
6*Wielen• Controleer de speling en controleer op beschadigingen.
7*Banden• Controleer op slijtage en beschadigingen.• Vervang indien nodig.• Controleer de bandspanning.• Corrigeer indien nodig.
8*Wiellagers• Controleer op speling of beschadigingen.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

NR.ITEMCONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURTKILOMETERSTANDJAARLIJK-SE CON-TROLE
1000 km(600 mi)10000 km(6000 mi)20000 km(12000 mi)30000 km(18000 mi)40000 km(24000 mi)
9*Achterbrug• Controleer op een correcte werking en overmatige speling.
• Smeren met lithiumvet. Elke 50000km (30000 mi)
10AAandrijfketting• Controleer de spanning, uitlijning en conditie van de aandrijfketting.• Stel de ketting af en smeer deze grondig met een speciale smering voor o-ringkettingen.Elke 800 km (500 mi) en na elke wasbeurt, rit in de regen of in vochtige gebieden
11*Balhoofdlagers• Controleer de lagers op speling en oppervlakteruwheid.
• Smeren met lithiumvet. Elke 20000km (12000 mi)
12*Framebevestigingen• Controleer of alle moeren, bouten en schroeven stevig zijn vastgezet.
13Scharnieras van remhendel• Smeren met siliconenvet. √
14Scharnieras van rempedaal• Smeren met lithiumvet. √
15Scharnieras van koppelingshendel• Smeren met lithiumvet. √
16Scharnieras van schakelpedaal• Smeren met lithiumvet. √
17Zijstandaard• Controleer de werking.• Smeren met lithiumvet.
18*Zijstandaardschakelaar• Controleer de werking. √

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

NR.ITEMCONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURTKILOMETERSTANDJAARLIJK-SE CON-TROLE
1000 km(600 mi)10000 km(6000 mi)20000 km(12000 mi)30000 km(18000 mi)40000 km(24000 mi)
19*Voorvork• Controleer op een correcte wer-king en olielekkage.
20*Schokdemperunit• Controleer op een correcte wer-king en olielekkage.
21*Relaisarm achter-wielophanging en scharnierpunten verbindingsarm• Controleer de werking. √
22Motorolie• Verversen.• Controleer het olieniveau en con-troleer de machine op olielekka-ge.
23Oliefilterpatroon • Vervangen. √ √
24*Koelsysteem• Controleer het koelvloeistofniveau en controleer de machine op vloeistoflekkage.
• Vervang met ethyleenglycol anti-vrieskoelvloeistof.Elke 3 jaar
25*Voor- en achterrem-schakelaar• Controleer de werking. √
26Bewegende delen en kabels• Smeren. √ √
27*Gasgreep• Controleer de werking.• Controleer de vrije slag van de gasgreep en stel deze indien no-dig af.• Smeer de kabel en het kabelhuis.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

NR.ITEMCONTROLE OF ONDER-HOUDSBEURTKILOMETERSTANDJAARLIJK-SE CON-TROLE
1000 km(600 mi)10000 km(6000 mi)20000 km(12000 mi)30000 km(18000 mi)40000 km(24000 mi)
28*Lampen, richtin-gaanwijzers en schakelaars• Controleer de werking.• Stel de koplamplichtbundel af.

DAU18680

OPMERKING

●Luchtfilter

  • Het luchtfilter op dit model is voorzien van een geolied papieren filterelement. Reinig dit niet met perslucht, om het niet te beschadigen.
  • Het luchtfilterelement moet u vaker vervangen als u vaak in extreem vochtige of stoffige gebieden rijdt.
  • Controleer regelmatig het remvloeistofniveau en vul indien nodig bij.
  • Elke twee jaar moeten de inwendige onderdelen van de hoofdremcilinders en de remklauwen worden vervangen en de remvloeistof worden ververst.
  • De remslangen dienen elke vier jaar te worden vervangen, of wanneer deze zijn gescheurd of beschadigd.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU18712

Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen

Bij het uitvoeren van sommige onderhoudswerkzaamheden beschreven in dit hoofdstuk moeten de afgebeelde stroomlijn- en framepanelen worden verwijderd. Neem deze paragraaf door wanneer een stroomlijn- of framepaneel moet worden verwijderd of aangebracht.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen - 1

  1. Stroomlijnpaneel B
  2. Stroomlijnpaneel C

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Stroomlijn- en framepanelen verwijderen en aanbrengen - 2

Stroomlijnpanelen A en B

Verwijderen van een stroomlijnpaneel

  1. Verwijder de bouten, drukclips en de snelsluitschroef.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Verwijderen van een stroomlijnpaneel - 1

  1. Stroomlijnpaneel A
  2. Bout
  3. Drukclip

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Verwijderen van een stroomlijnpaneel - 2

  1. Drukclip
  2. Snelsluitschroef

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Verwijderen van een stroomlijnpaneel - 3

  1. Stroomlijnpaneel B
  2. Bout
  3. Drukclip

1

  1. Drukclip

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Verwijderen van een stroomlijnpaneel - 5

  1. Drukclip
  2. Snelsluitschroef
  3. Verwijder het uitsteeksel op het stroomlijnpaneel A uit het gat in het stroomlijnpaneel B, zie afbeelding.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Verwijderen van een stroomlijnpaneel - 6

  1. Stroomlijnpaneel A
  2. Stroomlijnpaneel B

  3. Verwijder het voorste uitsteeksel uit de gleuf, schuif het stroomlijnpaneel naar voren en verwijder vervolgens de overige uitsteeksels uit de gleuven, zie afbeelding.

  4. Maak de kabelstekker van de richtingaanwijzer los.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

  1. Stroomlijnpaneel A
  2. Kabelboomstekker richtingaanwijzer

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 2

  1. Stroomlijnpaneel B
  2. Kabelboomstekker richtingaanwijzer

Aanbrengen van een stroomlijnpaneel

  1. Sluit de kabelstekker van de richtingaanwijzer aan.

  2. Steek de uitsteeksels in de gleuven, schuif het stroomlijnpaneel naar achteren en steek vervolgens het voorste uitsteeksel in de gleuf.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 3

  1. Stroomlijnpaneel A
  2. Kabelboomstekker richtingaanwijzer

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 4

  1. Stroomlijnpaneel B
  2. Kabelboomstekker richtingaanwijzer

  3. Steek het uitsteeksel op het stroomlijnpaneel A in het gat in het stroomlijnpaneel B, zie afbeelding.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 5

  1. Stroomlijnpaneel A
  2. Stroomlijnpaneel B
  3. Breng de bouten, drukclips en de snel- sluitschroef aan.

DAU39092

Stroomlijnpaneel C

Verwijderen van stroomlijnpaneel

  1. Verwijder het stroomlijnpaneel B en het paneel B. (Zie pagina 6-9.)
  2. Maak de kabelboom los door op het uitsteeksel te drukken om de plastic drukclip te openen.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

  1. Kunststof bevestigingsstrip
  2. Uitsteeksel
  3. Kabelboom

  4. Verwijder de bouten en de drukclip, en trek het stroomlijnpaneel dan los zoals getoond.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 2

  1. Stroomlijnpaneel C
  2. Bout
  3. Drukclip

Aanbrengen van het stroomlijnpaneel

  1. Plaats de gleuf in stroomlijnpaneel C over het uitsteeksel op het voorste stroomlijnpaneel.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Aanbrengen van het stroomlijnpaneel - 1

  1. Stroomlijnpaneel C
  2. Sleuf
  3. Voorste stroomlijnpaneel
  4. Uitsteeksel

  5. Breng de bouten en de drukclip aan.

  6. Plaats de kabelboom in de oorspronkelijke positie, en sluit daarna de plastic drukclip.
  7. Breng het stroomlijnpaneel en het framepaneel aan.

DAU39062

Panelen A en B

Verwijderen van een paneel

Verwijder de bouten en trek het paneel los zoals getoond.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Panelen A en B - 1

Aanbrengen van een paneel

Plaats het paneel in de oorspronkelijke positie en breng dan de bouten aan.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Panelen A en B - 2

Controleren van de bougies

Bougies vormen belangrijke onderdelen van de motor die periodiek moeten worden gecontroleerd, bij voorkeur door een Yamaha dealer. Omdat bougies door verhitting en neerslag altijd langzaam slijten, moeten de bougies worden verwijderd en gecontroleerd volgens de tijden genoemd in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. De conditie van de bougies kan daarnaast veel duidelijk maken over de conditie van de motor.

De porseleinen isolator rond de centrale elektrode moet licht tot gemiddeld bruin verkleurd zijn (de ideale kleur als normaal met de machine wordt gereden), en alle bougies in de motor horen dezelfde verkleuring te hebben. Wanneer een bougie een heel andere kleur vertoont, werkt de motor mogelijk niet naar behoren. Probeer dergelijke problemen niet zelf vast te stellen. Laat in plaats daarvan uw machine nakijken door een Yamaha dealer.

Vervang een bougie als de elektroden blijken te zijn afgesleten en als overmatige koolaanslag of andere neerslag gevonden wordt.

Voorgeschreven bougie: NGK/CR10EK

Voordat een bougie wordt aangebracht moet de elektrodenafstand met een draadvoelmaat worden gemeten; breng indien nodig de elektrodenafstand op specificatie.

1 1

  1. Elektrodenafstand

Elektrodenafstand: 0.6–0.7 mm (0.024–0.028 in)

Reinig het oppervlak van de bougiepakking en het pasvlak en verwijder eventueel vuil uit de schroefdraad van de bougie.

Aanhaalmoment: Bougie: 13 Nm (1.3 m·kgf, 9.4 ft·lbf)

OPMERKING

Als geen momentsleutel beschikbaar is, wordt de bougie correct vastgezet door handvast te zetten en dan nog 1/4–1/2 slag

verder te draaien. De bougie moet echter zo snel mogelijk naar het juiste aanhaalmoment worden aangedraaid.

DCA10B40

LET OP

Gebruik geen gereedschap om de bougiedop te verwijderen of aan te brengen, om de bobinekabel niet te beschadigen. De bougiedop is mogelijk lastig te verwijderen omdat de rubber afdichting aan het uiteinde stevig vastzit. Haal de bougiedop los door hem heen en weer te draaien en tegelijkertijd los te trekken; breng de bougiedop aan door heen en weer te draaien en tegelijkertijd aan te drukken.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU3899C

Motorolie en oliefilterpatroon

Vóór iedere rit moet het motorolieniveau worden gecontroleerd. Verder moet de olie worden ververst en de oliefilterpatroon worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

Om het motorolieniveau te controleren

  1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.
  2. Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
  3. Wacht een paar minuten om de olie tot rust te laten komen.
  4. Verwijder de peilstok en veeg deze schoon. Steek de peilstok terug in de olievulopening (zonder vast te draaien) en verwijder dan opnieuw om het olieniveau te controleren.

OPMERKING

Het motorolieniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximumniveau staan.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 1

  1. Motoroliepeilstok
  2. Merkstreep maximumniveau
  3. Merkstreep minimumniveau
  4. Als de motorolie bij of beneden de merkstreep voor minimumniveau staat, verwijder dan de motorolie-vuldop en vul voldoende olie van de aanbevolen soort bij tot het correcte niveau.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 2

  1. Olievuldop

  2. Steek de peilstok in en draai deze vast en installeer dan de olievuldop en draai vast.

Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon)

  1. Zet de machine op een vlakke ondergrond.
  2. Verwijder het stroomlijnpaneel A. (Zie pagina 6-9.)
  3. Start de motor, laat deze een paar minuten warmdraaien en zet hem dan af.
  4. Zet een olieopvangbak onder de motor om de gebruikte olie op te vangen.
  5. Verwijder de olievuldop en de olieaf- tapplug met de pakking om de olie uit het carter te laten stromen.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon) - 1

Sla de stappen 6–12 over als de oliefilterpatroon niet wordt vervangen.

  1. Verwijder de bout van de schakelhendel en trek de schakelhendel van de schakelas.
  2. Verwijder de ontluchtingsslang en overloopslang van de brandstoftank uit de geleiders.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Om de motorolie te verversen (met of zonder vervanging van oliefilterpatroon) - 2

  1. Bout
  2. Schakelhendel
  3. Oliefilterpatroon
  4. Geleider
  5. Tankbeluchtingsslang en overloopslang
  6. Verwijder de oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel.

1

  1. Oliefiltersleutel

OPMERKING

De Yamaha dealer kan een oliefiltersleutel leveren.

  1. Smeer een dun laagje schone motorolie op de O-ring van de nieuwe oliefilterpatroon.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 1

Zorg dat de O-ring correct aanligt.

  1. Plaats de nieuwe oliefilterpatroon met een oliefiltersleutel en zet hem dan met een momentsleutel vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 2

  1. Breng de ontluchtingsslang en over-loopslang van de brandstoftank in de geleiders aan en plaats ze in de oorspronkelijke positie.
  2. Breng de schakelhendel aan door de merkstreep op de schakelhendel op één lijn te brengen met de merkstreep op de schakelas, vervolgens de bout

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

van de schakelhendel aan te brengen en deze met het voorgeschreven aanhaalmoment vast te zetten. LET OP: Lijn de overeenstemmende merktekens uit om een goede schakelwerking te waarborgen. Als de merktekens niet zijn uitgelijnd, zal de schakelarm niet goed bewegen en kunt u mogelijk niet op- of terugschakelen. [DCA15342]

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

  1. Bout
  2. Schakelas
  3. Lijn merktekens uit
  4. Schakelhendel

Aanhaalmoment:

Bout van schakelhendel:

10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)

  1. Monteer de olieaftapplug met een nieuwe pakking en zet de plug vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Olieaftapplug:

43 Nm (4.3 m·kgf, 31 ft·lbf)

  1. Vul bij met de voorgeschreven hoeveelheid van de aanbevolen motorolie, breng dan de olievuldop aan en zet deze vast.

Aanbevolen motorolie:

Zie pagina 8-1

Oliehoeveelheid:

Zonder vervanging van oliefilterpatroon:

2.40 L (2.54 US qt, 2.11 Imp.qt)

Met vervanging van oliefilterpatroon:

2.60 L (2.75 US qt, 2.29 Imp.qt)

OPMERKING

Veeg enige gemorste olie af nadat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld.

DCA11620

LET OP

- Om het slippen van de koppeling te voorkomen (de motorolie smeert immers ook de koppeling) mogen

geen chemische additieven worden toegevoegd. Gebruik geen oliën met een "CD" dieselspecificatie of oliën met een hogere kwaliteit dan gespecificeerd. Gebruik ook geen oliën met een "ENERGY CONSERVING II" of hogere aanduiding.

●Zorg dat er geen verontreinigingen in het carter terecht kommen.

  1. Start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en controleer daarbij op olielekkage. Als er sprake is van olielekkage, zet de motor dan direct af en zoek de oorzaak.

OPMERKING

Nadat de motor is gestart moet het waarschuwingslampje olieniveau uitgaan als het olieniveau correct is.

DCA10401

LET OP

Zet de motor direct af als het waarschu- wingslampje olieniveau knippert of blijft branden en laat het voertuig controleren door een Yamaha dealer, zelfs als het olieniveau in orde is.

  1. Zet de motor af, controleer dan het olieniveau en corrigeer indien nodig.
  2. Breng het stroomlijnpaneel aan.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU20070

Koelvloeistof

Voor iedere rit moet het koelvloeistofniveau worden gecontroleerd. Ook moet de koelvloeistof worden ververst volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

DAU39087

Controleren van het koelvloeistofniveau

  1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.

OPMERKING

  • Het koelvloeistofniveau moet worden gecontroleerd terwijl de motor koud is, temperatuurverschillen zijn namelijk van invloed op het niveau.
    ●Zorg dat de machine rechtop staat bij het controleren van het koelvloeistofni-veau. Wanneer de machine iets schuin staat, kan het niveau al foutief worden afgelezen.

  • Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir.

OPMERKING

Het koelvloeistofniveau moet tussen de merkstrepen voor minimum- en maximum-niveau staan.

1 2 3

  1. Koelvloeistofreservoir
  2. Merkstreep maximumniveau
  3. Merkstreep minimumniveau

  4. Als het koelvloeistofniveau zich op of onder de merkstreep voor minimumniveau bevindt, verwijder dan paneel B om bij het koelvloeistofreservoir te komen. (Zie pagina 6-9.)

  5. Verwijder de dop van het koelvloeistofreservoir, vul koelvloeistof bij tot aan de merkstreep voor maximumniveau, en breng dan de dop van het koelvloeistofreservoir weer aan. WAARSCHUWING! Verwijder alleen de dop van het koelvloeistofreservoir. Probeer nooit om de radiator-vuldop te verwijderen als de motor koud is. [DWA15161] LET OP: Als er geen koelvloeistof aanwezig is, gebruik dan in plaats daarvan gedistilleerd water of onthard leidingwater. Ge-

bruik geen hard water of zout water, dit is schadelijk voor de motor. Als er in plaats van koelvloeistof water is gebruikt, vervang dit dan zo snel mogelijk door koelvloeistof, anders is het systeem niet beschermd tegen vorst en corrosie. Als er water aan de koelvloeistof is toegevoegd, laat dan een Yamaha dealer zo snel mogelijk het antivriesgehalte van de koelvloeistof controleren om te voorkomen dat de effectiviteit van de koelvloeistof afneemt. [DCA10472]

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 2

Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximum-niveau):

0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)

  1. Monteer het paneel.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU39004

Om de koelvloeistof te verversen

  1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en laat het motorblok indien nodig afkoelen.
  2. Verwijder de stroomlijnpanelen B en C. (Zie pagina 6-9.)
  3. Schuif een opvangbak onder de motor om de gebruikte koelvloeistof op te vangen.
  4. Verwijder de radiatorvuldop, WAARSCHUWING! Probeer nooit om de radiatorvuldop te verwijderen als de motor warm is. [DWA10381]

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Om de koelvloeistof te verversen - 1

  1. Radiatorvuldop

  2. Verwijder de aftapplug voor koelvloeistof en de pakking om het koelsysteem af te tappen.

  3. Verplaats de slangklem in de getoon- de richting, en ontkoppel dan de radiat- torslang om de radiator te legen.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Om de koelvloeistof te verversen - 2

  1. Aftapplug koelvloeistof
  2. Pakking
  3. Radiatorslang
  4. Slangklem

  5. Verwijder het koelvloeistofreservoir door de bouten los te halen.

  6. Verwijder de dop van het koelvloeistofreservoir en keer dan het koelvloeistofreservoir ondersteboven om het leeg te maken.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Om de koelvloeistof te verversen - 3

  1. Dop koelvloeistofreservoir
  2. Koelvloeistofreservoir
  3. Bout

  4. Spoel het koelsysteem nadat alle koel-vloeistof is uitgestroomd grondig door met schoon leidingwater.

  5. Monteer het koelvloeistofreservoir door de bouten aan te brengen.

  6. Sluit de radiatorslang aan, en zet de slangklem daarna weer terug in de oorspronkelijke positie.
  7. Monteer de aftapplug voor koelvloeistof met een nieuwe pakking en zet de plug dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Aftapplug koelvloeistof: 10 Nm (1.0 m·kgf, 7.2 ft·lbf)

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

  1. Giet de aanbevolen koelvloeistof in het reservoir tot aan de merkstreep voor maximumniveau en breng dan de dop van het koelvloeistofreservoir aan.
  2. Giet de aanbevolen koelvloeistof in de radiator totdat deze vol is.

  3. Start de motor en controleer dan of ergens aan de machine lekkage te zien is. Vraag in dat geval een Yamaha dealer het koelsysteem te controleren.

  4. Breng de stroomlijnpanelen aan.

Luchtfilterelement

DAU36764

Het luchtfilterelement moet worden vervangen volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Vraag een Yamaha dealer het luchtfilterelement te vervangen.

Mengverhouding antivries/water: 1:1

Aanbevolen antivries:

Hoogwaardige ethyleenglycol antivries met corrosieremmers voor aluminium motoren

Hoeveelheid koelvloeistof:

Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):

2.30 L (2.43 US qt, 2.02 Imp.qt) Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de merkstreep voor maximum-niveau):

0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)

  1. Breng de radiatorvuldop aan, start de motor, laat deze een paar minuten stationair draaien en zet hem dan uit.
  2. Verwijder de radiatorvuldop om het koelvloeistofniveau in de radiator te controleren. Vul indien nodig koelvloeistof bij tot het niveau boven in de radiator staat en breng dan de radiatorvuldop aan.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU44734

Stationair toerental controleren

Controleer het stationair toerental en laat het indien nodig door een Yamaha dealer bijstellen.

Stationair toerental:

1250–1350 tpm

DAU21384

De vrije slag van de gasgreep controleren

YAMAHA YZF-R6 (2012) - De vrije slag van de gasgreep controleren - 1

De klepspeling kan tijdens gebruik gaan afwijken, waardoor de lucht/brandstof-verhouding kan veranderen en/of het motorgeluid toeneemt. Om dit te voorkomen moet de klepspeling door een Yamaha dealer worden afgesteld volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

1. Vrije slag van gasgreep

De vrije slag van de gasgreep dient bij de binnenrand van de gasgreep 3.0–5.0 mm (0.12–0.20 in) te bedragen. Controleer de vrije slag van de gasgreep regelmatig en laat de vrije slag indien nodig afstellen door een Yamaha dealer.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU21775

Banden

Let ten aanzien van de voorgeschreven banden op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw motorfiets.

Bandenspanning

De bandenspanning moet voor elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.

DWA10503

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Bandenspanning - 1

WAARSCHUWING

Rijden met deze machine met een onjuiste bandenspanning kan leiden tot verlies van de controle met mogelijk ernstig letsel of overlijden tot gevolg.

  • De bandspanning moet worden gecontroleerd en afgesteld terwijl de banden koud zijn (wanneer de temperatuur van de banden gelijk is aan de omgevingstemperatuur).
  • De bandspanning moet worden aangepast aan de rijsnelheid en het totale gewicht van rijder, passagier, bagage en accessoires dat voor dit model is vastgesteld.

Bandenspanning (gemeten op kou-de banden):

0–90 kg (0–198 lb):

Voor:

250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)

Achter:

290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)

Rijden met hoge snelheid:

Voor:

250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)

Achter:

290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)

Maximale belasting*:

186 kg (410 lb)

* Totaal gewicht van bestuurder, passagier, bagage en accessoires

DWA10511

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Maximale belasting*: - 1

WAARSCHUWING

Belaad uw machine nooit te zwaar. Rijden met een te zwaar belaste machine kan leiden tot een ongeval.

Inspectie van banden
1 2

  1. Wang van band

  2. Bandprofieldiepte

Voor elke rit moeten de banden worden gecontroleerd. Als de bandprofieldiepte op het midden van de band de vermelde limiet heeft bereikt, de band spijkers of stukjes glas bevat of wanneer de wang van de band scheurtjes vertoont, moet de band onmiddellijk door een Yamaha dealer worden vervangen.

Minimale bandprofieldiepte (voor en achter):

1.6 mm (0.06 in)

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

OPMERKING

De slijtagelimiet voor bandprofieldiepte is voor diverse landen verschillend. Neem altijd de lokale voorschriften in acht.

DWA10471

WAARSCHUWING

●Laat sterk versleten banden door een Yamaha dealer vervangen. Rijden op een machine met versleten banden is niet alleen verboden, maar dit heeft ook een averechts effect op de rijstabiliteit, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen.
- De vervanging van onderdelen van wielen en remmen, inclusief banden, dient te worden overgelaten aan een Yamaha dealer, die over de nodige vakkundige kennis en ervaring beschikt om dit te doen.
●Rijd niet te snel direct na het verwisselen van een band. Het bandoppervlak dient eerst te zijn ingereden voordat het zijn optimale eigenschappen verkrijgt.

Bandeninformatie
1 2 3 TR412

  1. Bandventiel
  2. Bandventielbuis
  3. Bandventieldop met afdichting

Deze motorfiets is uitgerust met gietwielen en tubeless banden met bandventielen.

DWA10481

WAARSCHUWING

  • Monteer altijd voor- en achterban- den van hetzelfde merk en type. Verschillende banden kunnen het weggedrag van de machine veran- deren, wat kan leiden tot een onge- val.
  • Controleer altijd of de ventieldopjes stevig zijn bevestigd om zo luchtlekkage te voorkomen.

- Gebruik uitsluitend de hierna vermelde bandventielen en luchtventielbuisjes om bij hoge rijsnelheden een te lage bandspanning te voorkomen.

Na uitgebreide tests zijn alleen de hieronder vermelde banden voor dit model goedgekeurd door Yamaha Motor Co., Ltd.

Voorband:

Maat:

Deze motorfiets is uitgerust met speciale banden die geschikt voor zeer hoge rij-snelheden. Let op het volgende om deze banden zo effectief mogelijk te kunnen gebruiken.

-Gebruik bij vervanging uitsluitend het voorgeschreven type banden. Bij andere banden is het risico op een klapband bij zeer hoge rijsnelheden niet denkbeeldig.
●Gloednieuwe banden bieden op sommige typen wegdek relatief weinig grip totdat ze zijn "ingereden". Het is dan ook verstandig de eerste 100 km (60 mi) nadat een nieuwe band is aangebracht rustig te blijven rijden en pas daarna de rijsnelheid te verhogen.
- Voordat met hoge snelheid wordt gereden moeten de banden zijn opgewarmd.
●Pas de bandspanning steeds aan volgens de rijomstandigheden.

DAU21962

Gietwielen

Let ten aanzien van de voorgeschreven wielen op het volgende voor een optimale prestatie, levensduur en veilige werking van uw voertuig.

●Voor elke rit moeten de velgranden worden gecontroleerd op scheurtjes, verbuiging, kromheid of andere schade. Laat in geval van schade het wiel door een Yamaha dealer vervangen. Probeer het wiel nooit zelf te repareren, hoe klein de reparatie ook is. Vervang een wiel dat vervormd is of haarscheurtjes vertoont.
●Na het vervangen van een wiel of band moet het wiel worden uitgebalanceerd. Een niet uitgebalanceerd wiel zal mogelijk slecht functioneren of kan een slechte wegligging en een verkorte levensduur van de banden tot gevolg hebben.

Vrije slag van koppelingshendel afstellen

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Gietwielen - 1

  1. Stelbout voor vrije slag koppelingshendel
  2. Vrije slag van koppelingshendel

De vrije slag van de koppelingshendel dient 10.0–15.0 mm (0.39–0.59 in) te bedragen, zoals weergegeven. Controleer de vrije slag van de koppelingshendel regelmatig en stel indien nodig als volgt af. Draai de stelbout van de koppelingsspeling op de koppelingshendel richting (a) voor meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelbout richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

OPMERKING

Ga als volgt te werk als op de hierboven beschreven werkwijze de voorgeschreven vrije slag van de koppelingshendel niet wordt gehaald.

  1. Draai de stelbout bij de koppelingshendel richting (a) om de koppelingskabel losser te stellen.
  2. Draai de borgmoer bij het carter los.
  3. Draai de stelmoer van de koppelings-speling richting (a) voor meer vrije slag van de koppelingshendel. Draai de stelmoer richting (b) voor minder vrije slag van de koppelingshendel.

1 2 (b) (a)

  1. Borgmoer
  2. Stelmoer voor vrije slag van de koppelingshendel
  3. Draai de borgmoer aan.

DAU37913

Vrije slag van remhendel contro- leren

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Vrije slag van remhendel contro- leren - 1

Aan het uiteinde van de remhendel mag geen vrije slag aanwezig zijn. Als er toch een vrije slag is, laat dan een Yamaha dealer het remsysteem inspecteren.

DWA14211

WAARSCHUWING

Een zacht of sponzig gevoel in de remhendel kan betekenen dat er lucht in het hydraulisch systeem aanwezig is. Als er lucht in het hydraulisch systeem zit, laat dan het systeem door een Yamaha dealer ontluchten voordat de machine wordt gebruikt. Lucht in het hydraulisch systeem heeft een negatief effect op de

remwerking, waardoor u de macht over het stuur zou kunnen verliezen met een ongeluk als gevolg.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU22273

Remlichtschakelaars
YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

Het remlicht, dat wordt geactiveerd door het rempedaal en de remhendel, moet oplichten net voordat de remmen aangrijpen. Stel de remlichtschakelaar achter indien nodig als volgt af. De remlichtschakelaar voor dient te worden afgesteld door een Yamaha dealer.

Verdraai de stelmoer van de achterste remlichtschakelaar en houd daarbij de remlichtschakelaar vast. Draai de stelmoer in de richting (a) om het remlicht eerder te laten branden. Draai de stelmoer in de richting (b) om het remlicht later te laten branden.

DAU22392

Controleren van voor- en achter- remblokken

De remblokken in de voor- en achterrem moeten worden gecontroleerd op slijtage volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

DAU36890

Remblokken voorrem
YAMAHA YZF-R6 (2012) - Controleren van voor- en achter- remblokken - 1

Elk voorremblok heeft een eigen slijtage-indicator, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Bekrachtig de rem en let op de stand van de slijtage-indicator om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat de slijtage-

indicator de remschijf bijna raakt, vraag dan een Yamaha dealer de remblokken als set te vervangen.

DAU46291

Remblokken achterrem
YAMAHA YZF-R6 (2012) - Controleren van voor- en achter- remblokken - 2

  1. Slijtage-indicatorgroef remblok

Elk achterremblok is voorzien van slijtage-indicatorgroeven, zodat het remblok kan worden gecontroleerd zonder de rem te hoeven demonteren. Let op de slijtage-indicatorgroeven om de remblokslijtage te controleren. Wanneer een remblok zover is afgesleten dat een slijtage-indicatorgroef bijna zichtbaar is, vraag dan een Yamahadealer de remblokken als set te vervangen.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU22581

Controleren van remvloeistofni-veau

Controleer alvorens te gaan rijden of de remvloeistof boven de merkstreep voor minimumniveau staat. Meet het remvloeistof-niveau en let erop dat de bovenzijde van het reservoir horizontaal staat. Vul indien nodig remvloeistof bij.

Voorrem
1 ###LOWER

  1. Merkstreep minimumniveau

Achterrem
1 UPPER LOWER

  1. Merkstreep minimumniveau

Aanbevolen remvloeistof: DOT 4

DWA15990

WAARSCHUWING

Onjuist uitgevoerd onderhoud kan resul- teren in verlies van remvermogen. Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht:

  • Bij een te laag remvloeistofniveau kan lucht binnendringen in het remsysteem, waardoor de remprestaties afnemen.
    ●Reinig de reservoirdop alvorens deze te verwijderen. Gebruik uitsluitend DOT 4 remvloeistof uit een onaangebroken verpakking.

-Gebruik uitsluitend de aanbevolen remvloeistof, anders kunnen de rubberafdichtingen beschadigd raken met lekkage tot gevolg.
●Vul bij met hetzelfde type remvloeistof. Toevoeging van een ander type remvloeistof dan DOT 4 kan resulteren in een schadelijke chemische reactie.
●Pas op en zorg dat tijdens bijvullen geen water het remvloeistofreservoir kan binnendringen. Water zal het kookpunt van de remvloeistof aanzienlijk verlagen zodat dampbelvorming kan optreden.

DCA17640

LET OP

Remvloeistof kan gelakte of kunststof onderdelen beschadigen. Veeg gemorste remvloeistof steeds direct af.

Naarmate de remblokken afslijten, zal het remvloeistofniveau geleidelijk verder dalen. Een laag remvloeistofniveau kan duiden op versleten remblokken en/of lekkage in het remsysteem. Controleer daarom de remblokken op slijtage en het remsysteem op lekkage. Vraag als het remvloeistofniveau

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

plotseling sterk is gedaald een Yamaha dealer om een inspectie alvorens verder te rijden.

DAU22731

Remvloeistof verversen

Vraag een Yamaha dealer de remvloeistof te verversen volgens de intervalperioden voorgeschreven onder OPMERKING in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Laat bovendien de oliekeerringen van de hoofdremcilinders, de remklauwen en de remslangen vervangen volgens de intervalperioden of wanneer ze lek of beschadigd zijn.

●Vloeistofafdichtingen: Vervang elke twee jaar.
●Remslangen: Vervang elke vier jaar.

BASSEY

DAU22760

Spanning aandrijfketting

De spanning van de aandrijfketting moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en indien nodig worden bijgesteld.

DAU22774

Aandrijfketting controleren op spanning

  1. Zet de motorfiets op de zijstandaard.

OPMERKING

Bij het controleren en instellen van de spanning van de aandrijfketting mag er geen gewicht op de motorfiets rusten.

  1. Schakel de versnellingsbak in de vrijstand.
  2. Meet de spanning van de aandrijfketting zoals getoond.

Spanning aandrijfketting:

  1. Spanning aandrijfketting 1. Stelbout spanning aandrijfketting

  2. Stel de spanning van de ketting als volgt bij als deze niet correct is.

1 2 3 4 5

  1. Borgmoer
  2. Uitlijnmerktekens
  3. Wielasmoer
  4. Kettingspanner

Om de spanning van de aandrijfketting af te stellen

Raadpleeg een Yamaha dealer voordat u de spanning van de aandrijfketting afstelt.

  1. Draai de wielasmoer los en draai dan de borgmoeren los aan beide zijden van de achterbrug.

  2. Draai om de aandrijfketting strakker te stellen de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (a). Stel de ketting losser door de stelbout aan beide uiteinden van de achterbrug in de richting (b) te draaien en dan het achterwiel naar voren te drukken. LET OP: Een onjuiste kettingspanning leidt tot overbelasting van de motor en andere essentiële onderdelen van de machine en kan resulteren in overslaan of breken van de ketting. Houd om dit te voorkomen de kettingspanning binnen de gespecificeerde waarden. [DCA10571]

OPMERKING

Gebruik de uitlijnmerktekens op de aandrijf-kettingspanners om beide kettingspanners in dezelfde stand te zetten, zodat het wiel goed is uitgelijnd. Gebruik het uiteinde van de achterbrug als referentiepunt voor de uit-lijnmerktekens.

1 2 (a) (b)

  1. Stelbout spanning aandrijfketting
  2. Borgmoer
  3. Draai de wielasmoer vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Wielasmoer:

110 Nm (11 m·kgf, 80 ft·lbf)

  1. Zet de stelbouten vast in richting (a) met het voorgeschreven aanhaalmoment.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Aanhaalmoment:

Stelbout spanning aandrijfketting:

2.0 Nm (0.20 m·kgf, 1.4 ft·lbf)

  1. Draai de borgmoeren vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Borgmoer:

16 Nm (1.6 m·kgf, 12 ft·lbf)

  1. Zorg ervoor dat de kettingspanners in dezelfde stand staan, dat de spanning van de aandrijfketting correct is en dat de aandrijfketting soepel beweegt.

DAU23025

Aandrijfketting reinigen en sme- ren

De aandrijfketting moet worden gereinigd en gesmeerd volgens de intervalperioden zoals voorgeschreven in het periodieke meer- en onderhoudsschema, anders zal de ketting snel slijten, met name in vochtige of stoffige gebieden. Onderhoud de ketting als volgt.

DCA10583

LET OP

De aandrijfketting moet worden gesmeerd nadat de motorfiets is gewassen of ermee in de regen of in vochtige gebieden is gereden.

  1. Reinig de aandrijfketting met petroleum en een zacht borsteltje. LET OP: Reinig de aandrijfketting niet met stoomreinigers, hogedrukreinigers of ongeschikte oplosmiddelen om schade aan de O-ringen te voorkomen. [DCA11121]
  2. Wrijf de aandrijfketting droog.
  3. Smeer de aandrijfketting grondig met speciale smering voor o-ringkettingen. LET OP: Breng geen motorolie of andere smeermiddelen aan op de

aandrijfketting, deze kunnen stoffen bevatten die de O-ringen kunnen beschadigen. [DCA11111]

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU23095

Kabels controleren en smeren

De werking van alle bedieningskabels en de conditie van alle kabels moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de kabel en kabeleinden moeten indien nodig worden gesmeerd. Vraag een Yamaha dealer een kabel te controleren of te vervangen wanneer deze is beschadigd of niet soepel beweegt. WAARSCHUWING! Schade aan de buitenbehuizing van kabels kan leiden tot interne roestvorming en storing veroorzaken met de beweging van kabels. Vervang beschadigde kabels zo snel mogelijk om onveilige omstandigheden te voorkomen. [DWA10711]

Aanbevolen smeermiddel:

De werking van de gasgreep hoort voorafgaand aan elke rit te worden gecontroleerd. Daarnaast moet de kabel door een Yamaha dealer worden gesmeerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke onderhoudsschema.

De gaskabel is voorzien van een rubber afdekking. Zorg ervoor dat de afdekking stevig is aangebracht. Zelfs als de afdekking correct is aangebracht, is de kabel niet volledig beschermd tegen binnendringend water. Let er daarom op dat er geen water direct op de afdekking of kabel komt bij het wassen van de machine. Als de kabel of de afdekking vies wordt, wijf deze dan schoon met een vochtige doek.

DAU44273

Controleren en smeren van rem- en schakelpedalen

De werking van het rem- en het schakelpedaal moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de pedaalscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Rempedaal
YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels

Remhendel

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Controleren en smeren van rem- en koppelingshendels - 1

Aanbevolen smeermiddelen:

Remhendel:

Siliconenvet

Koppelingshendel:

Lithiumvet

Schakelpedaal
YAMAHA YZF-R6 (2012) - Aanbevolen smeermiddelen: - 1

De werking van de rem- en de koppelingshendel moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en de hendelscharnierpunten moeten indien nodig worden gesmeerd.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU23202

Zijstandaard controleren en sme- ren
YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

De werking van de zijstandaard moet voorafgaand aan elke rit worden gecontroleerd en het scharnierpunt en de metaal-op-metaal contactvlakken moeten indien nodig worden gesmeerd.

DWA10731

WAARSCHUWING

Als de zijstandaard niet soepel omhoog en omlaag beweegt, vraag dan een Yamaha dealer deze te controleren of te repareren. Een slecht functionerende zijstandaard kan het wegdek raken en u afleiden, waardoor u de controle over de machine kunt verliezen.

Aanbevolen smeermiddel:

Lithiumvet

DAUM1652

Achterbrugscharnierpunten smeren
YAMAHA YZF-R6 (2012) - WAARSCHUWING - 1

De achterbrugscharnierpunten moeten worden gesmeerd door een Yamaha dealer volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

Aanbevolen smeermiddel: Lithiumvet

DAU23272

Voorvork controleren

De conditie en de werking van de voorvork moeten als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

Om de conditie te controleren

Controleer de binnenste vorkbuizen op krassen, beschadigingen en overmatige olielekkage.

Om de werking te controleren

  1. Zet de machine op een vlakke ondergrond en houd deze rechtop.
    WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen.
    [DWA10751]

  2. Bekrachtig de voorrem en druk het stuur een paar keer stevig naar beneden om te controleren of de voorvork soepel in- en uitveert.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

Als schade wordt gevonden of de voorvork niet soepel beweegt, vraag dan een Yamaha dealer te repareren of te controleren.

DAU23283

Stuursysteem controleren

Losse of versleten balhoofdlagers kunnen gevaarlijk zijn. De werking van het stuursysteem moet als volgt worden gecontroleerd volgens de intervalperioden vermeld in het periodieke smeer- en onderhoudsschema.

  1. Plaats een standaard onder de motor zodat het voorwiel los is van de grond. (Zie pagina 6-39 voor meer informatie.) WAARSCHUWING! Ondersteun de machine zorgvuldig om omvallen en mogelijk letsel te voorkomen. [DWA10751]
  2. Houd de voorvorkpoten aan het onderste uiteinde beet en probeer ze naar voren en achteren te bewegen. Als speling wordt gevoeld, vraag dan een Yamaha dealer het stuursysteem te inspecteren of repareren.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Stuursysteem controleren - 1

Controleren van wiellagers

DAU23291

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Controleren van wiellagers - 1

De voor- en achterwiellagers moeten worden gecontroleerd volgens de intervalperioden voorgeschreven in het periodieke smeer- en onderhoudsschema. Als de wielnaaf speling vertoont of het wiel niet soepel draait, vraag dan een Yamaha dealer de wiellagers te controleren.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU50210

Accu
YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

  1. Accu
  2. Negatieve accukabel (zwart)
  3. Positieve accukabel (rood)

De accu bevindt zich onder het zadel. (Zie pagina 3-19.)

Dit model is voorzien van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu. De elektrolyt hoeft niet te worden gecontroleerd en er hoeft geen gedistilleerd water te worden bijgevuld. Het is echter wel nodig om de accukabelverbindingen te controleren en, indien nodig, vast te zetten.

DWA10760

WAARSCHUWING

- Elektrolyt is giftig en gevaarlijk omdat het zwavelzuur bevat, een stof die ernstige brandwonden veroorzaakt. Vermijd contact met de huid, ogen of kleding en bescherm uw

ogen altijd bij werkzaamheden nabij accu's. Voer als volgt EERSTE HULP uit als er lichamelijk contact is geweest met elektrolyt.

  • UITWENDIG: Spoel overvloedig met water.
  • INWENDIG: Drink grote hoeveelheden water of melk en roep direct de hulp in van een arts.
  • OGEN: Spoel gedurende 15 minuten met water en roep direct medische hulp in.

  • Accu's produceren het explosieve waterstofgas. Houd daarom vonken, open vuur, sigaretten e.d. uit de buurt van de accu en zorg voor voldoende ventilatie bij acculaden in een afgesloten ruimte.
    ●HOUD DEZE EN ALLE ACCU'S BUI-TEN BEREIK VAN KINDEREN.

Om de accu op te laden

Vraag zo snel mogelijk een Yamaha dealer de accu te laden als deze ontladen lijkt te zijn. Vergeet niet dat de accu sneller ontladen raakt als de machine is uitgerust met optionele elektrische accessoires.

DCA16521

LET OP

Voor het opladen van een VRLA (Valve Regulated Lead Acid)-accu is een speciale acculader (met constante spanning) vereist. Bij gebruik van een conventionele acculader raakt de accu beschadigd.

Om de accu op te bergen

  1. Verwijder de accu als het voertuig langer dan een maand niet wordt gebruikt, laad hem volledig bij en zet dan weg op een koele en droge plek. LET OP: Draai voordat u de accu verwijdert de sleutel naar "OFF" en haal dan eerst de negatieve kabel en daarna de positieve kabel los. [DCA16302]
  2. Als de accu langer dan twee maanden wordt weggeborgen, moet deze minstens eenmaal per maand worden gecontroleerd; laad de accu dan indien nodig steeds volledig bij.
  3. Laad de accu volledig bij alvorens te installeren. LET OP: Draai voordat u de accu plaatst de sleutel naar "OFF" en sluit vervolgens eerst de positieve kabel en daarna de negatieve kabel aan. [DCA16840]

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

  1. Controleer na installatie of de accukabels correct zijn aangesloten op de accupolen.

DCA16530

LET OP

Houd de accu steeds opgeladen. Stallen van een ontladen accu kan leiden tot permanente accuschade.

DAU23706

Zekeringen vervangen

De hoofdzekering, de zekering van de brandstofinspuiting en zekeringenkastje 1 zitten onder het bestuurderszadel. (Zie pagina 3-19.)

OPMERKING

Om toegang te krijgen tot de zekering van het brandstofinspuitsysteem verwijdert u de kap van het startmotorrelais door deze omhoog te trekken.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 1

  1. Hoofdzekering
  2. Reservezekering brandstofinjectiesysteem
  3. Kap van startmotorrelais
  4. Zekering brandstofinjectiesysteem
  5. Zekeringenkastje 1
  6. Backup-zekering (voor klok en startblokkeersysteem)
  7. Zekering elektronische smoorklep
  8. Reservezekering

Zekeringenkastje 2 bevindt zich onder paneel A. (Zie pagina 6-9.)

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 2

Vervang een zekering als volgt als deze is doorgebrand.

  1. Draai de contactsleutel naar "OFF" en schakel het betreffende elektrische circuit uit.
  2. Verwijder de doorgebrande zekering en breng een nieuwe zekering met de voorgeschreven ampèrewaarde aan. WAARSCHUWING! Gebruik geen zekeringen met een hogere amperage dan aanbevolen om ernstige

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

schade aan het elektrische systeem en mogelijk brand te voorkomen. [DWA15131]

Voorgeschreven zekeringen:

Hoofdzekering: 50.0 A

Zekering brandstofinjectiesysteem: 15.0 A

  1. Draai de contactsleutel naar "ON" en schakel het betreffende elektrische circuit in om te zien of de apparatuur werkt.
  2. Als de zekering direct opnieuw doorbrandt, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch systeem te controleren.

DAU39013

Koplampgloeilamp vervangen

De koplampen op dit model hebben halogeen gloeilampen. Vervang een koplamp-gloeilamp als volgt als deze is doorgebrand.

DCA10650

LET OP

Pas op en zorg dat de volgende onderde- len niet worden beschadigd:

●Koplampgloeilamp

Raak het glas van de koplampgloeilamp niet aan zodat dit vetvrij blijft, anders kan de doorzichtigheid van het glas, de lichtintensiteit en de levensduur nadelig worden beïnvloed. Wrijf eventuele verontreinigingen en vingerafdrukken op het gloeilampglas weg met een doekje gedrenkt in alcohol of thinner.

●Koplamplens

Plak geen kleurfolie of stickers op de koplamplens.

Gebruik geen koplampgloeilamp met een hoger wattage dan is voorgeschreven.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - ●Koplamplens - 1

  1. Raak het glas van de gloeilamp niet aan.
  2. Verwijder de gloeilampkap door deze linksom te draaien.
  3. Gloeilampkap
  4. Maak de koplampstekker los.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

1

  1. Koplampstekker

  2. Haak de gloeilamphouder los en verwijder dan de defecte gloeilamp.

1

  1. Gloeilamphouder

  2. Breng een nieuwe koplampgloeilamp aan en zet deze dan vast met de gloeilamphouder.

  3. Sluit de koplampstekker aan.
  4. Monteer de gloeilampkap door deze rechtsom te draaien.

  5. Vraag indien nodig een Yamaha dealer de koplamplichtbundel af te stellen.

DAU24181

Dit model is uitgerust met een LED-type remlicht/achterlicht.

Als het remlicht/achterlicht niet gaat branden, vraag dan een Yamaha dealer het elektrisch circuit te testen.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU24204

Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen

  1. Verwijder de lamplens van de richtingaanwijzer door de schroeven te verwijderen.

1 2

  1. Lamplens richtingaanwijzer
  2. Schroef
  3. Verwijder de defecte gloeilamp door deze in te drukken en linksom te draaien.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Gloeilamp in richtingaanwijzer vervangen - 2

  1. Gloeilamp richtingaanwijzer

  2. Plaats een nieuwe gloeilamp in de fitting, druk deze in en draai rechtsom tot hij stuit.

  3. Monteer de lamplens door de schroef aan te brengen. LET OP: Draai de schroef niet te vast, hierdoor kan de lens breken. [DCA11191]

DAU24313

Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen

  1. Verwijder de lampeenheid voor kente-kenverlichting door de schroeven los te draaien.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Gloeilamp in kentekenverlichting vervangen - 1

  1. Schroef
  2. Kentekenverlichtingsunit
  3. Verwijder de gloeilampfitting van de kentekenverlichting (samen met de gloeilamp) door deze uit te trekken.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 1

  1. Gloeilamp kentekenverlichting
  2. Gloeilampfitting kentekenverlichting

  3. Verwijder de defecte gloeilamp door deze uit te trekken.

  4. Steek een nieuwe gloeilamp in de fitting.
  5. Breng de lampfitting aan (samen met de gloeilamp) door deze vast te drukken.
  6. Monteer de lampeenheid voor kente-kenverlichting door de schroeven aan te brengen.

Parkeerlicht
YAMAHA YZF-R6 (2012) - PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN - 2

Dit model heeft een parkeerlicht van het LED-type.

Als het parkeerlicht niet werkt, laat dan een controle uitvoeren door een Yamaha-dealer.

DAU44940

DAU24350

Ondersteunen van de motorfiets

Dit model is niet voorzien van een middenbok, neem daarom de volgende voorzorgsmaatregelen in acht bij het verwijderen van het voor- en achterwiel of bij het uitvoeren van ander onderhoud waarbij de motorfiets rechtop moet staan. Controleer of de motorfiets stabiel en horizontaal staat alvorens onderhoud te verrichten. Onder het motorblok kan een stevige houten kist gezet worden voor extra stabiliteit.

Onderhoud aan het voorwiel

  1. Stabiliseer de achterzijde van de motorfiets met een motorstandaard of, als geen andere standaard voorhanden is, door een krik te plaatsen onder het frame aan de voorzijde van het achterwiel.
  2. Breng het voorwiel los van de grond met gebruik van een motorfietsstandaard.

Verwijderen van het achterwiel

Breng het achterwiel los van de grond met een motorfietsstandaard of, als deze niet voorhanden is, door een krik te plaatsen onder beide zijden van het frame aan de voorzijde van het achterwiel, of onder beide uiteinden van de achterbrug.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Voorwiel

DAU24360

Om het voorwiel te verwijderen

DAU33925

DWA10821

WAARSCHUWING

Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen.

  1. Draai de wielasklembouten, de wielas-bout en dan de remklauwbouten van het voorwiel los.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen. - 1

  1. Klembout voorwielas

  2. Licht het voorwiel van de grond volgens de werkwijze in de vorige paragraaf "Ondersteunen van de motorfiets".

  3. Verwijder aan beide zijden de rem- slanghouders door de bout en de moer los te halen.

  4. Verwijder aan beide zijden de remklauwen door de bouten los te halen.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen. - 2

  1. Remslanghouder
  2. Bout en moer
  3. Remklauwbout
  4. Remklauw
  5. Wielasbout

  6. Verwijder de wielasbout, druk de wielas vanaf de linkerzijde naar buiten en verwijder dan het wiel. LET OP: Bekrachtig de rem niet nadat de remklauwen zijn verwijderd, hierdoor worden de remblokken tegen elkaar geknepen. [DCA11051]

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen. - 3

Aanbrengen van het voorwiel

  1. Breng het wiel omhoog tussen de vorkpoten.
  2. Steek de wielas naar binnen.
  3. Breng de asbout aan, laat het voorwiel zover zakken dat het op de grond rust en klap vervolgens de zijstandaard uit.
  4. Monteer de remklauw aan elke zijde door de bouten aan te brengen en zet deze dan vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

OPMERKING

Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat de remklauwen over de remschijven worden gemonteerd.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Aanhaalmoment:

Remklauwbout:

35 Nm (3.5 m·kgf, 25 ft·lbf)

  1. Monteer aan beide zijden de rem- slanghouders door de bout en de moer aan te brengen.
  2. Draai de wielasbout vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

OPMERKING

Blokkeer bij het vastzetten van de wielasbout de wielas met een 19 mm zeskantsleutel, zodat deze niet meedraait.

Aanhaalmoment:

Wielasbout:

91 Nm (9.1 m·kgf, 66 ft·lbf)

  1. Zet wielasklembout B vast en draai dan klembout A aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.

1 2 3 4

  1. Klembout voorwielas A
  2. Klembout voorwielas B
  3. Klembout voorwielas C
  4. Klembout voorwielas D

  5. Draai klembout B opnieuw aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Wielasklembout:

21 Nm (2.1 m·kgf, 15 ft·lbf)

  1. Tik met een rubber hamer tegen de buitenkant van de rechter vorkpoot om deze in lijn te brengen met het uiteinde van de wielas.
  2. Zet wielasklembout D vast en draai dan klembout C aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.
  3. Draai klembout D opnieuw aan met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Wielasklembout:

21 Nm (2.1 m·kgf, 15 ft·lbf)

  1. Bekrachtig de voorrem en duw het stuur een paar keer stevig op en neer om te zien of de voorvork correct werkt.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Achterwiel

DAU25080

Verwijderen van het achterwiel

DAU44953

DWA10821

WAARSCHUWING

Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen.

  1. Draai de wielasmoer los.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen. - 1

  1. Wielasmoer
  2. Remklauw
  3. Remklauwsteun

  4. Licht het achterwiel van de grond volgens de werkwijze op pagina 6-39.

  5. Verwijder de wielasmoer.
  6. Draai de borgmoer volledig los aan beide zijden van de achterbrug.

  7. Draai de kettingspannerbouten in de richting (a) om de ketting zover te ontspannen dat deze van het achtertandwiel kan worden verwijderd en duw het wiel naar voren.

1 2 (a)

  1. Stelbout spanning aandrijfketting
  2. Borgmoer
  3. Haal de aandrijfketting van het achter- tandwiel.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen. - 3

  • Als het verwijderen van de aandrijfketting problemen oplevert, verwijder dan eerst de wielas en breng het wiel voldoende omhoog om de ketting van het achtertandwiel te kunnen halen.
  • De aandrijfketting kan niet worden gesplitst.

  • Ondersteun de remklauwsteun, trek de wielas uit en verwijder dan het wiel. LET OP: Bekrachtig de rem niet nadat het wiel met de remschijf is verwijderd, hierdoor worden de remblokken tegen elkaar geknepen.

[DCA11071]

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Zorg dat de machine veilig wordt ondersteund, zodat deze niet kan omvallen. - 4

Om het achterwiel aan te brengen

  1. Monteer het wiel en de remklauwsteun door de wielas vanaf de linkerzijde in te steken.

OPMERKING

●Zorg ervoor dat de borging op de remklauwsteun in de sleuf in de achterbrug valt.
●Kijk of er voldoende afstand tussen de remblokken is voordat u het wiel aanbrengt.

YAMAHA YZF-R6 (2012) - OPMERKING - 1

  1. Borging
  2. Sleuf
  3. Breng de aandrijfketting aan op het achtertandwiel.

  4. Breng de asmoer aan, laat het achterwiel zover zakken dat het op de grond rust en klap vervolgens de zijstandaard uit.

  5. Stel de spanning van de aandrijfketting af. (Zie pagina 6-27.)
  6. Draai de wielasmoer vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Wielasmoer: 110 Nm (11 m·kgf, 80 ft·lbf)
6. Zet de stelbouten voor kettingspanning vast in richting (b) met het voorgeschreven aanhaalmoment.

(b) 1

  1. Stelbout spanning aandrijfketting

Aanhaalmoment:

Stelbout spanning aandrijfketting: 2.0 Nm (0.20 m·kgf, 1.4 ft·lbf)

  1. Draai de borgmoeren vast met het voorgeschreven aanhaalmoment.

Aanhaalmoment:

Borgmoer: 16 Nm (1.6 m·kgf, 12 ft·lbf)

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

DAU25871

DWA15141

Problemen oplossen

Yamaha motorfietsen ondergaan een grondige inspectie voordat ze vanaf de fabriek op transport gaan, maar tijdens gebruik kunnen toch storingen optreden. Problemen in de brandstof-, compressie- of ontstekingssystemen kunnen bijvoorbeeld de oorzaak zijn van slecht starten of een afname in motorvermogen.

In de volgende storingzoekschema's is een snelle en gemakkelijke werkwijze weergegeven om deze vitale systemen zelf te kunnen controleren. Ga met uw motorfiets echter wel naar een Yamaha dealer als reparaties nodig zijn, hier zijn vakkundige monteurs aanwezig die beschikken over het benodigde gereedschap en de ervaring en vakkennis om het nodige onderhoud aan de motorfiets correct te verrichten.

Gebruik uitsluitend originele Yamaha vervangingsonderdelen. Niet-originele onderdelen lijken misschien op Yamaha onderdelen maar zijn toch vaak van mindere kwaliteit en hebben een kortere levensduur, zodat dan later mogelijk toch dure reparaties nodig zijn.

WAARSCHUWING

Rook niet tijdens het controleren van het brandstofsysteem en let erop dat er geen open vuur of vonken in de omgeving zijn, inclusief waakvlammen van geisers of ovens. Benzine en benzinedampen kunnen vlam vatten of exploderen, met ernstig letsel of schade aan eigendommen tot gevolg.

Storingzoekschema's

DAU42503

Startproblemen of slechte werking van de motor

1. Brandstof

Controleer het brandstofniveau in de brandstoftank.

Er is voldoende brandstof aanwezig.

Controleer de compressie.

Er is geen brandstof aanwezig.

Vul brandstof bij.

De motor start niet. Controleer de compressie.

2. Compressie

Bedien de elektrische startknop.

Er is compressie.

Controleer de ontsteking.

Er is geen compressie.

Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.

3. Ontsteking

Verwijder de bougies en controleer de elektroden.

Nat

Schoonvegen met een droge doek. Stel de elektrodenafstand van de bougies af of vervang de bougies.

Bedien de elektrische startknop.

Droog

Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.

De motor start niet. Controleer de accu.

4. Accu

Bedien de elektrische startknop.

De motor draait snel rond.

De accu is in orde.

De motor draait langzaam rond.

Controleer de aansluitingen van de accukabels en vraag indien nodig een Yamaha dealer om de accu te laden.

De motor start niet. Vraag een Yamaha dealer de machine te controleren.

PERIODIEK ONDERHOUD EN AFSTELLINGEN

Oververhitte motor

DWAT1040

WAARSCHUWING

  • Verwijder de radiatorvuldop niet terwijl de motor en de koelvloeistofradiator nog heet zijn. Hete vloeistof en stoom kunnen naar buiten spuiten en zo ernstige brandwonden veroorzaken. Wacht tot de motor is afgekoeld.
  • Breng een dikke doek, bijvoorbeeld een handdoek, aan over de radiatorvuldop en draai deze dan langzaam linksom tegen de aanslag zodat de nog aanwezige druk kan ontsnappen. Druk de dop omlaag zodra het sisgeluid stopt en draai deze linksom en verwijder de dop.

graph TD A["Wacht tot de motor is afgekoeld."] --> B["Controleer het koelvloeistofniveau in het reservoir en in de radiator."] B --> C{Het koelvloeistofniveau is laag. Controleer het koelsysteem op lekkage.} B --> D{Het koelvloeistofniveau is in orde.} C --> E["Er is lekkage."] C --> F["Er is geen l…

OPMERKING

Als geen koelvloeistof beschikbaar is, kan tijdelijk leidingwater worden gebruikt, maar dit moet wel zo snel mogelijk door de voorgeschreven koelvloeistof worden vervangen.

VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS

Matkleur, let op

DAU37833

DCA15192

LET OP

Sommige modellen zijn uitgerust met matkleurige onderdelen. Raadpleeg een Yamaha dealer voor advies over wat voor producten gebruikt moeten worden om het voertuig te reinigen. Het gebruik van een borsteltje, chemische producten of reinigingsmiddelen tijdens het reinigen van deze onderdelen kan het oppervlak bekrassen of beschadigen. Ook was moet niet worden aangebracht op een van de matkleurige onderdelen.

DAU26023

Verzorging

De open constructie van een motorfiets maakt de fraaie techniek beter zichtbaar, maar de machine is hierdoor ook kwetsbaarder. Er kan roestvorming en corrosie optreden, ook al zijn hoogwaardige componenten gebruikt. Een roestige uitlaatpijp valt bij een auto niet zo op, maar doet bij een motorfiets afbreuk aan het algehele uiterlijk. Regelmatige en correcte verzorging is niet alleen vereist volgens de garantiebepalingen, maar zorgt ook dat de motorfiets er langer mooi uit blijft zien, verlengt de levensduur en verbetert de prestaties.

Alvorens te reinigen

  1. Dek de uitlaatdemperopening af met een plastic zak nadat de motor is afgekoeld.
  2. Controleer of alle doppen en afdekpluggen, ook de bougiedoppen, en alle elektrische stekkers en aansluitingen stevig zijn bevestigd.
  3. Verwijder hardnekkige vervuiling, zoals verbrande olie op het carter, met een ontvetter en een borstel, maar gebruik dergelijke producten nooit op afdichtingen, pakkingen, tandwielen, de aandrijfketting en de wielassen. Spoel vuil en ontvetter altijd af met water.

Reinigen

DCA11142

LET OP

●Vermijd het gebruik van sterke en bijtende wielreinigingsmiddelen, vooral bij spaakwielen. Als dergelijke producten toch worden gebruikt om hardnekkig vuil los te maken, laat het reinigingsmiddel dan niet langer inwerken dan is vermeld in de gebruiksinstructies. Spoel vervolgens grondig na met water, laat direct drogen en breng daarna een corrosiewerende spray aan.

●Bij verkeerd reinigen kunnen kunststof delen (zoals stroomlijnpanelen, framepanelen, kuipruiten, koplamplenzen, lenzen van de instrumentenverlichting enz.) en de uitlaatdempers beschadigd raken. Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met water om kunststof delen te reinigen. Als de kunststof delen met water niet afdoende kunnen worden gereinigd, kan een mild reinigingsmiddel met water worden gebruikt. Spoel reinigingsmiddelresten zorgvuldig af met grote hoeveelheden water, aangezien ze de kunststof delen kunnen beschadigen.

VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS

  • Gebruik geen bijtende chemische reinigingsmiddelen op kunststof delen of op de uitlaatdemper. Vermijd het gebruik van doeken of sponzen die in contact zijn geweest met bijtende of schurende reinigingsmiddelen, oplosmiddelen of thinner, brandstof (benzine), roestverwijderingsmiddelen of corrosie- remmers, remvloeistof, antivries of elektrolyt.
  • Gebruik geen hogedrukreinigers of stoomreinigers, omdat dan op de volgende plaatsen water kan doordringen en zo schade kan ontstaan: afdichtingen (van wiel- en achterbruglagers, voorvork en remmen), opbergcompartimenten, elektrische componenten (kabelstekkers, messtekkers, instrumenten, schakelaars en verlichting), beluchtingsen ontluchtingsslangen.
    ●Bij motorfietsen met een kuipruit: Gebruik geen bijtende reinigingsmiddelen of harde sponzen, deze veroorzaken dofheid en laten krasjes achter. Sommige reinigingsmiddelen voor kunststof laten eveneens krasjes achter op de kuipruit. Test het product op een klein, niet-zichtbaar gedeelte van de

kuipruit om zeker te zijn dat geen sporen achterblijven op de kuipruit. Als de kuipruit krasjes vertoont, breng dan na wassen een hoogwaardige polish voor gebruik op kunststof aan.

Na normaal gebruik

Verwijder vuil met warm water, een mild reinigingsmiddel en een zachte, schone spons en spoel dan grondig met schoon water. Gebruik een tandenborstel of flessenborstel voor moeilijk bereikbare plekken. Hardnek- kig vastzittend vuil en insectenresten laten gemakkelijker los als de bewuste plek alvo- rens te reinigen een paar minuten met een vochtige doek wordt bedekt.

Na rijden in regen, aan de kust of op bepekelde wegen

Zeelucht en wegenzout waarmee wegen in de winter worden bestrooid hebben in combinatie met water een zeer corrosieve werking; handel daarom als volgt na een rit in een regenbui, nabij de kust of op bepekelde wegen.

OPMERKING

In de winter gestrooid wegenzout kan nog tot in de lente aanwezig blijven.

  1. Reinig de motorfiets met koud water en een mild reinigingsmiddel nadat de motor is afgekoeld. LET OP: Gebruik geen warm water, dit versnelt de corrosieve werking van het zout. [DCA10781]
  2. Laat de motorfiets drogen en breng dan met een spuitbus een corrosiewerend middel aan op alle metalen delen, ook op de verchroomde en vernikkelde onderdelen (niet op de titanium uitlaatdemper) om zo roestvorming tegen te gaan.

Reinigen van de titanium uitlaatdemper

Dit model is uitgerust met een titanium uitlaatdemper die als volgt speciale verzorging nodig heeft.

  • Gebruik alleen een zachte, schone doek of een spons met zachte zeep en water om de titanium uitlaatdemper te reinigen. Als de uitlaatdemper met gebruik van zachte zeep niet echt schoon wordt, kan een zachte borstel met een basisch product worden gebruikt.
  • Gebruik nooit chemische stoffen of andere speciale reinigingsmiddelen om de uitlaatdemper schoon te maken, deze zullen de buitenste deklaag van de demper aantasten.

VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS

●Al heel geringe hoeveelheden olie zoals afkomstig van vingerafdrukken of van met olie besmeurde poetsdoeken zullen vlekken achterlaten op de titanium demper, die met een zachte zeep kunnen worden verwijderd.
- De door hitte veroorzaakte verkleuringen op een gedeelte van de uitlaatpijp naar de titanium uitlaatdemper zijn normaal en kunnen niet worden verwijderd.

Na reiniging

  1. Droog de motorfiets met een zeemleren lap of een vochtabsorberende doek.
  2. Laat de aandrijfketting direct drogen en smeer hem om roestvorming te voorkomen.
  3. Gebruik een chroompolish om verchroomde, aluminium en roestvrijstalen delen te laten glanzen.
  4. Het is aan te bevelen om met een spuitbus een corrosiewerend middel aan te brengen op alle metalen delen, ook op verchroomde en vernikkelde componenten, om zo corrosie te voorkomen.
  5. Gebruik oliespray als universeel schoonmaakmiddel om nog achtergebleven vuil te verwijderen.

  6. Werk kleine lakbeschadigingen door steenslag e.d. bij.

  7. Zet alle gelakte oppervlakken in de was.
  8. Laat de motorfiets volledig drogen al- vorens deze te stallen of af te dekken.

DWA11131

! WAARSCHUWING

Verontreiniging van de remmen of banden kan leiden tot verlies van de controle over de machine.

  • Controleer of er geen olie of was op de remmen of banden zit.
    ●Reinig de remschijven en remvoeringen indien nodig met een normale remschijfreiniger of aceton en spoel de banden schoon met lauw water en een mild reinigingsmiddel. Test de remwerking en het weggedrag van de machine in bochten voordat u met hoge snelheden gaat rijden.

DCA10800

LET OP

- Breng een geringe hoeveelheid oliespray en was aan en verwijder overtollige hoeveelheden.

  • Breng oliespray of was nooit aan op rubber of kunststof delen, behandel deze met een daartoe bestemd verzorgingsmiddel.
    ●Vermijd het gebruik van schurende poetsmiddelen, deze tasten de lak aan.

OPMERKING

●Vraag een Yamaha dealer om advies over de te gebruiken producten.
●Door wassen, regenachtig weer of een vochtig klimaat kan de koplamplens beslagen raken. Inschakelen van de koplamp gedurende een korte periode zal helpen bij de verwijdering van het vocht.

VERZORGING EN STALLING VAN DE MOTORFIETS

Stalling

DAU26182

Korte termijn

Stal uw motorfiets steeds op een koele en droge plek en bescherm indien nodig tegen stof met een luchtdoorlatende stallinghoes. Zorg ervoor dat de motor en het uitlaatsysteem zijn afgekoeld alvorens de motorfiets af te dekken.

DCA10810

LET OP

●Als de motorfiets wordt gestald in een slecht geventileerde ruimte of in vochtige toestand wordt afgedekt met een hoes of een dekzeil, zal water en vocht kunnen binnendringen en roestvorming veroorzaken.
- Voorkom corrosie door de machine niet te stallen in een vochtige kelder, een stal (i.v.m. de aanwezigheid van ammoniakdamp) en in een opslagruimte voor sterke chemicaliën.

Lange termijn

Alvorens uw motorfiets gedurende meerde- re maanden aaneen te stallen:

  1. Volg alle instructies op in de paragraaf "Verzorging" in dit hoofdstuk.

  2. Vul de brandstoftank en voeg een stabilisatoradditief (indien verkrijgbaar) toe om roestvorming in de tank en achteruitgang van de brandstof te voorkomen.

  3. Voer de volgende stappen uit om de cilinders, de zuigerveren etc. te beschermen tegen corrosie.
    a. Verwijder de bougiedoppen en de bougies.
    b. Giet een theelepel motorolie in elk bougiegat.
    c. Breng de bougiedoppen aan op de bougies en leg dan de bougies zodanig op de cilinderkop dat de elektroden aan massa liggen. (Dit voorkomt vonken tijdens de volgende stap.)
    d. Laat de motor een paar keer ronddraaien op de startmotor. (De cilinderwanden worden zo geolied.) WAARSCHUWING! Verbind de bougie-elektrodes met de massa bij het ronddraaien van de motor om schade of letsel door vonkvorming te voorkomen.
    [DWA10951]
    e. Haal de bougiedoppen los van de bougies en breng dan de bougies en de bougiedoppen weer aan.

  4. Smeer alle bedieningskabels en scharnierpunten van alle hendels en pedalen en van de zijstandaard/middenbok.

  5. Controleer de bandenspanning, corri- geer deze indien nodig en breng dan de motorfiets omhoog, zodat beide wielen los van de grond zijn. Een an- dere mogelijkheid is de wielen elke maand iets te draaien, zodat de ban- den niet op één gedeelte sterker ach- teruitgaan.
  6. Dek de uitlaatdemper af met een plastic zak om te voorkomen dat vocht kan binnendringen.
  7. Verwijder de accu en laad deze volledig bij. Berg de accu op een koele en droge plek op en laad deze eens per maand bij. Berg de accu niet op een overmatig koude of warme plek op [onder 0 °C (30 °F) of boven 30 °C (90 °F)]. Zie pagina 6-34 voor meer informatie over het opbergen van de accu.

OPMERKING

Voer eventueel benodigde reparaties uit voordat u uw motorfiets stalt.

Afmetingen:

Totale lengte:

2040 mm (80.3 in)

Totale breedte:

705 mm (27.8 in)

Totale hoogte:

1095 mm (43.1 in)

Zadelhoogte:

850 mm (33.5 in)

Wielbasis:

1375 mm (54.1 in)

Grondspeling:

130 mm (5.12 in)

Kleinste draaicirkel:

3600 mm (141.7 in)

Gewicht:

Rijklaar gewicht:

189 kg (417 lb)

Motor:

Type motor:

Vloeistofgekoeld, 4-takt, DOHC

Cilinderopstelling:

4-cilinder lijnmotor

Slagvolume:

599 cm 3

Boring × slag:

67.0 × 42.5 mm (2.64 × 1.67 in)

Compressieverhouding:

13.10:1

Startsysteem:

Aanbevolen kwaliteit motorolie:

Hoeveelheid motorolie:

Zonder vervanging van oliefilterpatroon:

2.40 L (2.54 US qt, 2.11 Imp.qt)

Met vervanging van oliefilterpatroon:

2.60 L (2.75 US qt, 2.29 Imp.qt)

Koelsysteem:

Inhoud koelvloeistofreservoir (tot aan de

merkstreep voor maximumniveau):

0.25 L (0.26 US qt, 0.22 Imp.qt)

Inhoud radiator (inclusief alle leidingen):

2.30 L (2.43 US qt, 2.02 Imp.qt)

Luchtfilter:

Luchtfilterelement:

Papieren element met oliecoating

Brandstof:

Aanbevolen brandstof:

Uitsluitend loodvrije superbenzine

Inhoud brandstoftank:

17.3 L (4.57 US gal, 3.81 Imp.gal)

Hoeveelheid reservebrandstof:

3.5 L (0.92 US gal, 0.77 Imp.gal)

Brandstofinjectie:

Gasklephuis:

Het teken van identificatie:

13S1 00

Bougie(s):

Fabrikant/model:

NGK/CR10EK

Elektrodenafstand:

Nat, meervoudige plaat

Versnellingsbak:

Primaire reductieverhouding:

2.073 (85/41)

Eindoverbrenging:

Ketting

Secundaire reductieverhouding:

2.813 (45/16)

Type versnellingbak:

Constant mesh, 6 versnellingen

Bediening:

Bediening met linkervoet

Overbrengingsverhoudingen:

1e:

2.583 (31/12)

2e:

2.000 (32/16)

3e:

1.667 (30/18)

4e:

1.444 (26/18)

5e:

1.286 (27/21)

6e:

1.150 (23/20)

Chassis:

Type frame:

Diamantframe

Spoorhoek:

24.00 graad

Naspoor:

97 mm (3.8 in)

Voorband:

Type:

Tubeless

Maat:

(Totaal gewicht van bestuurder, passagier,

bagage en accessoires)

Bandenspanning (gemeten aan koude

banden):

Gewichtsverdeling:

0–90 kg (0–198 lb)

Voor:

250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)

Achter:

290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)

Gewichtsverdeling:

Rijden met hoge snelheid:

Voor:

250 kPa (2.50 kgf/cm², 36 psi)

Achter:

290 kPa (2.90 kgf/cm², 42 psi)

Voorwiel:

Type wiel:

Gietwiel

Velgmaat:

7M/C x MT3.50

Achterwiel:

Type wiel:

Gietwiel

Velgmaat:

17M/C × MT5.50

Voorrem:

Type:

Dubbele schijfrem

Bediening:

Bediening met rechterhand

Aanbevolen remvloeistof:

DOT 4

Achterrem:

Type:

Enkele schijfrem

Bediening:

Bediening met rechtervoet

Aanbevolen remvloeistof:

DOT 4

Voorwielophanging:

Type:

Telescoopvork

Veer/schokdempertype:

Schroefveer/oliedemper

Veerweg:

115.0 mm (4.53 in)

Achterwielophanging:

Type:

Achterbrug (link-ophanging)

Veer/schokdempertype:

Schroefveer/gas-oliedemper

Veerweg:

120.0 mm (4.72 in)

Elektrische installatie:

Ontstekingssysteem:

Transistorontsteking

Laadsysteem:

Wisselstroomdynamo met permanente magneten

Accu:

Model:

YTZ10S

Voltage, capaciteit:

12 V, 8.6 Ah

Koplamp:

Type gloeilamp:

Halogeenlamp

Gloeilampen voltage, wattage × aantal:

Koplamp:

12 V, 55 W × 2

Voorste richtingaanwijzer:

12 V, 10.0 W × 2

Achterste richtingaanwijzer:

12 V, 10.0 W × 2

Parkeerlicht:

LED

Kentekenverlichting:

12 V, 5.0 W × 1

Instrumentenverlichting:

LED

Controlelampje vrijstand:

LED

Waarschuwingslampje olieniveau:

LED

Controlelampje richtingaanwijzers:

LED

Controlelampje brandstofniveau:

LED

Waarschuwingslampje

koelvloeistoftemperatuur:

LED

Waarschuwingslampje motorstoring:

LED

Controlelampje startblokkering:

LED

Controlelampje schakelmoment:

LED

Zekeringen:

Hoofdzekering:

50.0 A

Koplampzekering:

15.0 A

Zekering achterlichtcircuit:

7.5 A

Zekering signaleringssysteem:

10.0 A

Zekering ontstekingssysteem:

15.0 A

Zekering radiatorkoelvin:

15.0 A × 2

Zekering brandstofinjectiesysteem:

15.0 A

Backup-zekering:

7.5 A

Identificatienummers

Noteer het voertuigidentificatienummer en de gegevens op de modelinformatiesticker in onderstaande ruimtes. Deze gegevens heeft u nodig om reserveonderdelen bij een Yamaha dealer te bestellen of wanneer uw voertuig is gestolen.

VOERTUIGIDENTIFICATIENUMMER:

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Identificatienummers - 1

Voertuigidentificatienummer
1

Modelinformatiesticker
YAMAHA YZF-R6 (2012) - Identificatienummers - 3

  1. Voertuigidentificatienummer 1. Modelinformatiesticker

Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen op de balhoofdbuis. Noteer dit nummer in het daartoe bestemde vakje.

OPMERKING

Het voertuigidentificatienummer is bedoeld voor identificatie van uw motorfiets en kan worden gebruikt om uw motor in uw land aan te melden voor kentekenregistratie.

De modelinformatiesticker is onder het duo-zadel bevestigd aan het frame. (Zie pagina 3-19.) Noteer de informatie op deze sticker in het daartoe bestemde vakje. Deze informatie is nodig om reserve-onderdelen te bestellen bij een Yamaha dealer.

A

Aandrijfketting, reinigen en smeren ..... 6-29

Accu.... 6-34

Achterbrugscharnierpunten, smeren .... 6-32

Achteruitkijkspiegels 3-21

Antidiefstal-alarmsysteem (optie) ...... 3-13

B

Brandstofverbruik, tips voor een zuinig.... 5-3

C

Claxonschakelaar.... 3-14

Contactslot/stuurslot 3-2

Controle- en waarschuwingslampjes ..... 3-3

Controlelampje grootlicht.... 3-4

Controlelampje schakelmoment .... 3-7

Controlelampjes richtingaanwijzers ..... 3-4

Controlelampje startblokkeersysteem .... 3-7

D

Dimlichtschakelaar 3-14

E

EXUP-systeem 3-26

G

Gasgreep en gaskabel, controlleren en smeren 6-30

Gereedschapset 6-2

Gloeilamp kentekenverlichting, vervangen.... 6-38

Gloeilamp richtingaanwijzer, vervangen.... 6-38

H

Helmborgkabel 3-20

|

Identificatienummers ......9-1

Inrijperiode 5-3

K

Kabels, controlleren en smeren ......6-30

Klepspeling....6-20

Koelvloeistof....6-17

Koplampgloeilamp, vervangen......6-36

Koppelingshendel....3-15

Koppelingshendel, vrije slag afstellen ...6-23

L

Lichtsignaalschakelaar....3-14

Luchtfilterelement....6-19

M

Matkleur, let op....7-1

Modelinformatiesticker 9-1

Motorolie en oliefilterpatroon....6-14

Multifunctionele meter 3-8

N

Noodstopschakelaar 3-14

0

Onderhoud, uitstootcontrolesysteem .....6-3

Ondersteunen van de motorfiets....6-39

P

Parkeerlicht 6-39

Parkeren....5-4

Plaats van de onderdelen 2-1

Problemen oplossen 6-44

R

Rem- en koppelingshendels, controleren en smeren....6-31

Rem- en schakelpedalen, controleren en smeren.... 6-30

Remhendel 3-15

Remlichtschakelaars.... 6-25

Rempedaal 3-16

Remvloeistofniveau, controleren ..... 6-26

Remvloeistof, verversen 6-27

Richtingaanwijzerschakelaar 3-14

S

Schakelaar alarmverlichting.... 3-14

Schakelen 5-2

Schakelpedaal 3-15

Schokdemperunit, afstellen 3-23

Smering en onderhoud, periodiek.... 6-5

Spanning aandrijfketting 6-27

Specifications.... 8-1

Stalling 7-4

Startblokkeersysteem 3-1

Starten van de motor 5-1

Startknop 3-14

Startspersysteem.... 3-27

Stationair toerental, controlleren.... 6-20

Storingzoekschema's.... 6-45

Stroomlijn- en framepanelen,

verwijderen en aanbrengen 6-9

Stuurschakelaars 3-14

Stuursysteem, controleren.... 6-33

T

Tankbeluchtingsslang en overloopslang .... 3-18

Tankdop.... 3-16

U

Uitlaatkatalysatoren 3-18

INDEX

v

Veiligheidsinformatie.... 1-1

Verzorging....7-1

Voertuigidentificatienummer 9-1

Voor- en achterremblokken controleren....6-25

Voorvork, afstellen ....3-21

Voorvork, controleren.... 6-32

Vrije slag van gasgreep, controleren .... 6-20

Vrije slag van remhendel, controleren....6-24

Vrijstandcontrolelampje.... 3-4

W

Waarschuwingslampje brandstofniveau 3-4

Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur .... 3-4

Waarschuwingslampje motorstoring ..... 3-7

Waarschuwingslampje olieniveau.... 3-4

Wiel (achter)....6-42

Wielen....6-23

Wiellagers controleren 6-33

Wiel (voor)......6-40

Z

Zadels 3-19

Zekeringen, vervangen 6-35

Zijstandaard 3-26

Zijstandaard, controleren en smeren .... 6-32

YAMAHA YZF-R6 (2012) - Z - 1

PRINTED IN THE NETHERLANDS

2011.08

Inhoudsopgave Klik op een titel om deze te openen
Handleidingassistent
Aangedreven door Anthropic
Wachten op uw bericht
Productinformatie

Merk : YAMAHA

Model : YZF-R6 (2012)

Categorie : Motorfiets